Over de arbeidersmanifestatievan 2 oktober in Amsterdam
De uitgesproken onvrede en het massale karakter van de manifestatie tegen de bezuinigingen door de Nederlandse regering op 2 oktober in Amsterdam met zijn circa driehonderdduizend demonstranten kwam voor veel manifestanten als een verrassing. Zowel de discussies tijdens onze tussenkomst op 2 oktober als de opmerkingen op onze openbare bijeenkomst enkele dagen later bevestigden dit.
Samen met de sociale bewegingen in landen als Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk of Spanje geeft ze een onmiskenbaar bewijs dat de arbeidersklasse wel degelijk nog altijd bestaat, alle campagnes ten spijt die ons reeds 15 jaar naar het hoofd worden geslingerd (1).
Onder de titel Het geweldige succes vonden we over deze manifestatie een kritische beoordeling op de website van Eurodusnie uit Leiden (2). Daarin wordt naast een lichtjes ironische beschrijving van de gebeurtenissen, vooral ook enkele belangrijke overwegingen gegeven die we warm begroeten en waarvan we de belangrijkste gedeelten niet aan onze lezers willen onthouden:
“Enthousiasme alom, maar is daar werkelijk zoveel reden toe? Voor traditionele marxistische organisaties als de Internationale Socialisten en Offensief zijn het gouden tijden. Offensief, dat er zelf prat op gaat actief te zijn binnen bonden en de SP, stelt dat ‘de vakbonden leiding moeten blijven geven aan het opkomende verzet’ [...] Jammer voor de marxisten, maar FNV voorzitter Lodewijk de Waal zelf zal echter niet zo hard van stapel lopen. Met de massamanifestatie willen de bonden laten zien dat men nog steeds beschikt over een mobiliseerbare achterban en dat men recht heeft op een rol in het besluitvormingsproces, dat bepaalt waar hoeveel bezuinigd gaat worden. Want dat er fors moet worden ingegrepen in de sociale uitgaven, hebben zowel kabinet, bonden als oppositiepartijen herhaaldelijk verklaard.
[...] Door zowel de bonden als Keer het Tij wordt indirect gesuggereerd dat een regering geleid door de PvdA, beter is dan de huidige. De vraag is of een dergelijk kabinet werkelijk de ontevreden inwoners van Nederland ten goede zal komen. De twee Paarse Kabinetten (1994-2002), die onder leiding van de PvdA stonden, hebben laten zien waar de PvdA voor staat. [...] De net als de PvdA sociaal democratische FNV slikte in de polder maatregel na maatregel. [...] In feite is het huidige ‘centrum rechtse beleid’ op hoofdlijnen een voortzetting van het ‘centrum linkse beleid’ van de jaren negentig. [...]
Het terugbrengen van de PvdA en de vakbonden in het centrum van de macht zal de ingeslagen koers niet gaan veranderen. Helaas voor de traditionele marxisten, de vakbondsbonzen, de linkse politieke partijen en andere leiders van het verzet, het is niet meer de tijd om de verzorgingsstaat terug te eisen. [...] Het is duidelijk dat met de huidige koers, die een linkse en een rechtse variant kent, iedere vorm van solidariteit wordt gebroken. De ‘confrontatie’ tussen de bonden en de regering lijkt nog het meest op een rituele paringsdans waarbij al lang en breed overeenstemming bestaat over de hoofdlijnen van het beleid, maar voor de vorm nog wat wordt geharreward over de details. De bonden willen niets liever dan terug naar de onderhandelingstafel. ‘Als het kabinet serieus wil onderhandelen, kan het morgen bij ons langs komen’ zei de Waal op het Museumplein. De rol van de vakbonden in het controleren en verstikken van de creatieve onrust van dit moment kan niet worden overschat. Doekle Terpstra was hier op het Museumplein glashelder over: ‘Er is onrust in de hele maatschappij. Wij, de vakbeweging hebben die onrust slechts gekanaliseerd. Daar zijn we voor. Wij kunnen ook, samen met de regering zorgen voor draagvlak.’ [...]
Voor iedereen die werkelijke veranderingen wil, is het de tijd om uit het defensief te komen en niet langer de trieste linkse leiders te volgen in hun strijd tegen de afbraak, maar met een nieuw verhaal en nieuw elan in verzet te komen. Er is onrust, onvrede, er is een onbewuste wens te ontkomen aan de fragmentatie en individualisering van de kapitalistische disciplinering waarin iedereen word geacht zo efficiënt en gemotiveerd mogelijk te produceren van de wieg tot het graf. In de strijd voor een solidaire samenleving moet niet alleen worden afgerekend met dit rechtse kabinet, maar ook met de nostalgie van links naar de verzorgingsstaat en polderoverleg.”
De vraag die de schrijvers opwerpen of er wel reden is tot zo een overweldig enthousiasme naar aanleiding van de manifestatie is terecht. De vraag gaat niet zozeer over het feit dat de arbeiders massaal manifesteren en zich voor de strijd tegen de regeringsmaatregelen mobiliseren, wat samen met de reacties in andere landen deel uit maakt van de ommekeer in de klassenstrijd die er plaats vindt (3) als wel over de manier waarop dit vandaag gebeurt. We zijn het volkomen eens dat zolang die mobilisaties achter burgerlijk links en de vakbonden plaatsvinden dit slechts tot gevaarlijke illusies en nederlagen kan leiden. De ontwikkeling van een effectieve strijd kan slechts, zoals dit reeds herhaalde malen in het verleden werd aangetoond, buiten deze inkapselingorganen om en tegen hen in plaatsvinden.
We begroeten dus de meer dan kritische houding van de schrijvers ten opzichte van de vakbonden, links en ultralinks. Links en rechts hebben inderdaad momenteel geen ander wezenlijk programma aan te bieden. Regering en oppositie, ondernemers en vakbonden waren het vanaf het begin, zoals de schrijvers stellen, volkomen met elkaar eens over de te nemen maatregelen. En wanneer links en de vakbonden de illusies blijven propageren over mogelijk overleg dan is dat minder uit nostalgie dan wel als bewuste strategie om de strijd te saboteren.
Zo moet de "paringsdans" tussen links en rechts de ‘democratische’ illusies koesteren alsof er nog enig verschil kan gemaakt worden door een ‘linkse regering’. Hun rol en voornaamste doel vandaag is de arbeidersklasse te misleiden en iedere invraagstelling van dit uitzichtloze systeem te vermijden. Hun oproepen tot ‘realisme’ moeten de arbeiders er toe brengen de logica van de crisis en dus de noodzaak tot offers met drastische bezuinigingen te aanvaarden.
Wanneer de schrijvers een onderscheid maken tussen traditionele en niet-traditionele marxisten in het kamp van ultralinks willen we hen wel de vraag stellen wat dat onderscheid dan wel mag zijn? Voor ons in ieder geval zijn stalinisten en trotskisten helemaal geen marxisten of verdedigers van de arbeidersbelangen: ondanks al hun arbeiderstaal zijn het de kritische verdedigers van het staatskapitalisme.
We zijn het er ook roerend mee eens dat de vakbonden er voor zorgen dat de arbeidersstrijd in het gareel van de vakbondscontrole wordt gehouden. Zij trachten ieder verzet te kanaliseren teneinde het te saboteren en de klasse te ontmoedigen. Zo begon het in de loop van het voorjaar van 2004 tot de heersende klasse door te dringen dat de sfeer veranderde en dat de arbeiders niet langer van plan waren de maatregelen lijdzaam te ondergaan. Dat noodzaakte de vakbonden tot een verandering van strategie om de onvrede te steriliseren. Wanneer de hele politiek van de vakbeweging gericht bleef op het zo snel mogelijk begraven van de beweging en de terugkeer naar de onderhandelingstafel, waarover de arbeiders geen enkele controle hebben, dan was dat inderdaad om deze doos van Pandora zo snel mogelijk weer te sluiten.
We onderschrijven de oproep van de schrijvers dat Voor iedereen die werkelijke veranderingen wil, het de tijd is om uit het defensief te komen. Daarbij is het volgens ons van belang de betekenis van de manifestatie van 2 oktober niet te onderschatten als uitdrukking van een ommekeer in de klassenstrijd na een periode van bijna vijftien jaar teruggang en klassenvrede, maar eveneens de vele hinderpalen te onderkennen die er nog opgeruimd moeten worden na een zo lange periode. De arbeiders hebben inderdaad nog een lange weg af te leggen om hun strijd zelfstandig te voeren, onder eigen controle, op eigen terrein en voor hun eigen klassenperspectieven.
Tot slot, in schril contrast met veel anderen in het brede milieu van ‘autonomen’, ‘actiegroepen’ of elementen die zich graag op het anarchisme beroepen, vinden we in deze tekst de arbeidersklasse in het centrum van de overwegingen. Inderdaad als er al sprake was van strijd tegen uitbuiting bij vele van deze groepen of elementen, dan staat die in het gunstigste geval naast en op één lijn met allerlei ‘andere strijdvormen’ tegen onderdrukking in het algemeen zonder enig onderscheid. De discussie die zich ontspon op de website naar aanleiding van het artikel toont aan dat in hun zoektocht naar alternatieven velen in dit milieu nog met belangrijke vragen zitten in dit verband.
De auteurs hebben het er kennelijk wel nog moeilijk mee om in alle openheid de zaken bij hun naam te noemen. Zo vinden we de termen, die in hun ogen wellicht te ‘traditioneel’ marxistisch klinken, als klassenstrijd, arbeidersklasse, arbeidersbewustzijn niet terug. De vraag die we echter willen stellen wanneer er een oproep wordt gedaan aan iedereen die werkelijke veranderingen wil is: welke kracht in de maatschappij is in staat de omvorming van de maatschappij door te voeren en een eind te maken aan elke vorm van uitbuiting? Het onderkennen immers dat het proletariaat de enige klasse is die in staat is een revolutionair project te ondernemen geeft een duidelijk kader aan de discussie: waarvoor we staan, met wie, en waar we naar toe gaan.
Met de ineenstorting in 1989 van het Oostblok en zijn regimes, die niets anders waren dan een karikatuur van een algemene tendens naar staatskapitalisme, heeft de bourgeoisie aanhoudende campagnes gevoerd over het verdwijnen van de arbeidersklasse, de dood van het kommunisme en het bankroet van het marxisme. Die leugens worden stilaan doorprikt door de realiteit. Om, uit het defensief te kunnen komen is het van levensbelang dat de verspreide minderheden die werkelijke veranderingen nastreven, elkaar weten te vinden in een open debat ter verheldering van de aard, de doelen en de middelen van de strijd die daarvoor gevoerd moet worden. Het historisch kader van de gebeurtenissen, de dynamiek die er in vervat zit, de beslissende rol die het bewustzijn speelt in de ontwikkeling van de strijd en tenslotte de inschatting van de krachtsverhoudingen die bestaan tussen de klassen zijn zovele aspecten die in dit debat vervat zitten. Voor ieder van ons is het belangrijk vandaag om goed na te denken over de betekenis van dit keerpunt in de klassenstrijd, niet alleen in Nederland, maar internationaal, en er de lessen uit te trekken voor de toekomst (3). De IKS wil dit broodnodige debat met alle geïnteresseerden verder zetten. Ondermeer stellen wij onze openbare- en discussiebijeenkomsten hiervoor wijd open.
Lac / 06.11.2004
(1) Zie het artikel in dit blad pagina 1 en de bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103.
(2) Artikel gedateerd 6 oktober 2004, zie: eurodusnie.nl.
(3) Zie vooral: Een keerpunt in de internationale klassenstrijd, in: Internationalisme nr. 302, en: Het einde van de ‘welvaartsstaat’ opent een nieuw vooruitzicht voor de klassenstrijd, in Internationalisme, nr. 308.
Sinds haar ontstaan heeft de arbeidersbeweging het hoofd moeten bieden aan de repressie van de bourgeoisie. Toch zou het een ernstige dwaling zijn ‑ getuigend van uiterste naïviteit ‑ om te geloven dat deze repressie alleen de vorm aanneemt van fysieke repressie die uitgeoefend wordt tegen stakingen of arbeidersopstanden.
De proletarische revolutie zal de eerste revolutie in de geschiedenis zijn waarvan het succes fundamenteel zal afhangen van het revolutionaire klassenbewustzijn van haar eigen doelstellingen, het uiteindelijke doel van haar strijd tegen het kapitalisme: het kommunisme. Dit historisch klassenbewustzijn ontwikkelt zich binnen de kapitalistische maatschappij onvermijdelijk op een heterogene manier binnen het proletariaat. Daarom kristalliseert het bewustzijn van de revolutionaire klasse zich allereerst in de politieke organisaties, de minderheidsvoorhoedes van de arbeidersklasse.
Als ironie van de geschiedenis heeft de bourgeoisie dikwijls scherpzinniger dan de massa’s zelf de fundamentele rol van de revolutionaire organisaties ingezien. Altijd al besteedde ze bijzondere aandacht aan de politieke organisaties die zich beroepen op de kommunistische revolutie, zelfs in de periodes waarin deze een uiterst kleine minderheid zijn, ja zelfs compleet onbekend zijn bij het proletariaat in zijn geheel. Dit geldt ongeacht het politieke regime van het moment. Om slechts twee voorbeelden te geven die ons direct aangaan:
‑ een belangrijk deel van ons boek over The Italian Communist Left is ontleend aan de geheime politiearchieven van Mussolini, die een spion had in het qua ledental onbetekenende groepje dat Bilan in de jaren dertig was;
‑ helemaal aan het begin van het bestaan van de groep die later onze afdeling in Frankrijk zou worden vernamen wij via een verklikker die spijt kreeg, dat onze organisatie al onder politiebewaking stond.
De revolutionairen hebben op één moment in de geschiedenis de methoden van de politieke politie op uitgebreide manier kunnen onderzoeken: na de revolutie van Oktober 1917, toen de archieven van de tsaristische geheime politie ‑ de Ochrana ‑ in handen vielen van de Bolsjewiki. Zich baserend op deze archieven schreef Victor Serge zijn boek “Wat elke revolutionair moet weten over de repressie”. Dit blijft een uitzetting van grote waarde voor het begrijpen van politiemethoden. Zoals Victor Serge zei was de Ochrana het “prototype van de moderne politieke politie”. Maar zoals we zullen zien ontstonden spionage en politieprovocatie niet met de Ochrana en hebben de revolutionairen niet op het boek van Serge gewacht om te begrijpen waarom ze zoveel in de belangstelling stonden.
Wat is het doel van deze politie‑interesse? Het gaat niet louter om het bespioneren, onderdrukken en vernietigen van revolutionaire organisaties. De bourgeoisie ‑ en haar politieke politie ‑ weten heel goed dat de politieke organisaties van het proletariaat niet ontstaan in de hoofden van de individuen die er deel van uitmaken maar uit de voorwaarden zelf van de klassenstrijd en de voortdurende oppositie tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische maatschappij.
Het is geen toeval dat het personage van de provocateur altijd al veracht werd in de arbeidersbeweging, zowel in de politieke organisaties als in de organismes die de arbeidersklasse tot ontwikkeling brengt in haar strijd (algemene vergaderingen, fabriekcomités, enzovoort). Van hun ontstaan af aan hebben de politieke organisaties van de arbeidersklasse geprobeerd zich te wapenen tegen de activiteit van provocateurs. Zo is in de statuten van de London Corresponding Society (destijds één van de eerste werkelijke politieke arbeidersorganisaties) in 1795 de volgende zin te lezen: “Al diegenen die proberen om de orde te verstoren, onder het voorwendsel van het tonen van hun ijver, hun moed of om een andere reden, zijn verdacht. Een luidruchtig karakter is zelden een teken van moed, en een teveel aan ijver verbergt dikwijls verraad” (1). Op dezelfde manier vermeldde de Bond van Kommunisten, (waarvoor Marx het beroemde Manifest schreef in 1848) in artikel 42 van zijn statuten: “Aan de kant gezette individuen of geroyeerden, net als verdachte individuen in het algemeen, moeten door de Bond in de gaten worden gehouden en belet worden om schade te berokkenen”.
Toch kent de efficiëntie van de provocateur grenzen. Zoals Victor Serge nog eens onderstreept: “[...] De provocatie kan slechts schade berokkenen aan enkelingen of groepen [...] zij staat evenwel machteloos tegenover de revolutionaire beweging in haar geheel. Wij hebben een provocateur aan het werk gezien die zich belastte met het binnensmokkelen van bolsjewistische literatuur in Rusland (1912); een andere (Malinovski) die in de Doema (het Russisch Parlement) toespraken houdt die door Lenin waren geschreven [...]. Of een propagandabrochure verspreid wordt door een provocateur of door een toegewijde militant, het resultaat is hetzelfde: het wezenlijke is dat het gelezen wordt [...] Wanneer de geheime agent Malinovski in de Doema de woorden van Lenin laat weerklinken heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken geen reden om zich te verheugen op het succes van zijn betaalde agent. De woorden van Lenin hebben voor het land een veel groter belang dan de stem van die ene ellendeling op zichzelf”.
Erger nog dan de provocatie op zichzelf zijn de verdachtmaking en het wantrouwen die zich binnen de organisatie kunnen nestelen wanneer haar leden het mikpunt worden van provocaties. Dat is des te meer het geval omdat ‑ buiten dit unieke geval waarbij de archieven van de Ochrana werden buitgemaakt ‑ de revolutionairen duidelijk niet over de middelen beschikken om naar bewijsstukken te zoeken in de politiearchieven, en de politie doet er alles aan om de sporen uit te wissen en de werkelijke spionnen te beschermen. Erger nog, de politie heeft er zelfs geen behoefte aan om te ageren, zij hoeft alleen het wantrouwen en de verdachtmaking binnen te laten sijpelen en de vruchten er van te plukken: de verlamming, zelfs het uiteenspatten van de revolutionaire organisatie. Het boek van Thompson geeft ons een treffend voorbeeld van deze verlamming die de London Corresponding Society trof: “In 1794 werd een zekere Jones, van Tottenham, (ten onrechte) aangeklaagd wegens spionage, wegens heftige resoluties, waarvan men verdacht dat deze _ten doel hadden de Society in de val te lokken’. Zoals ons Groves (de echte spion) niet zonder een zekere listige humor rapporteerde, beklaagde Jones zich over het volgende: Als een burger een resolutie voorstelt die een beetje te energiek overkomt, dan wordt hij aangezien voor een door de regering gestuurde spion. Maar indien een burger in zijn hoekje gaat zitten en niets zegt, dan zou het zijn omdat hij gadeslaat wat er gebeurt en om er een rapport over te maken [...] de burgers weten niet meer wat te doen’” (2).
Het wantrouwen binnen een organisatie is een verlammende en splijtende factor voor een revolutionaire organisatie, maar de verdachtmaking is een verschrikkelijke en soms ondraaglijke last voor de individuele militant (Serge citeert het voorbeeld van militanten die zelfmoord pleegden of wanhoopsdaden begingen omdat ze er niet in slaagden ontlast te worden van een onterechte verdenking). Een kommunistisch militant gaat in oppositie tegen heel de burgerlijke maatschappij en alle kenmerken ervan. Hij wordt in de ban gedaan door de maatschappij, nagewezen door heel de burgerlijke propagandamachine, in het gunstigste geval als een fantast, in het ergste als een bloeddorstige misdadiger. Hij kan ongestraft als een beest worden opgejaagd. Om met opgeheven hoofd te blijven moet de kommunistische militant niet alleen een onwankelbare overtuiging behouden in de historische taak van het proletariaat, in de toekomst van de mensheid en in de noodzaak en mogelijkheid van de kommunistische revolutie. Hij moet ook zijn eer als militant bewaren, het respect en het vertrouwen van zijn strijdmakkers. Voor een kommunistisch militant bestaat er geen erger schaamte dan aangewezen te worden als verrader. Verdachtmakingen zijn gemakkelijk te verspreiden, maar heel moeilijk te weerleggen. Daarom hebben kommunistische militanten de plicht om hun waardigheid te verdedigen tegenover verdenkingen en laster, net zoals de organisatie de verantwoordelijkheid draagt dit vergif, dat de eenheid en de solidariteit onder kameraden vernietigt, niet in haar midden te tolereren.
Karl Marx publiceerde in 1860 niet zomaar zijn aanklacht tegen Karl Vogt, een agent van Napoleon III die Karl Marx er zelf van beschuldigd had een agent van de politie te zijn. De goed bedoelende’ burgerlijke commentatoren zien in deze tekst meestal een zwakheid van Marx, een zijsprong in zijn filosofisch’ werk om zich te verweren tegen een verachtelijk individu. En zij beschouwen zijn tekst ‑ met zijn minutieuze aandacht voor de meest lamentabele details van de activiteit van Vogt ‑ als een voorbeeld van het 'autoritarisme’ van een Marx die geen tegenspraak dulde. Zo wordt de houding van Marx, die er een hekel aan had om in het openbaar over zichzelf of zijn eigen zaken te praten, onbegrijpelijk. Maar toen zag hij zich gedwongen om een heel jaar te besteden aan dat onvermijdelijke werk van het verdedigen van zowel zijn eigen persoonlijke eer als revolutionair en van de beweging waarvan hij deel uitmaakte.
Victor Serge had wel degelijk gelijk toen hij schreef: “[...] Het is een traditie: de vijanden van de actie, de lafaarden, de goed geïnstalleerden, de opportunisten halen graag hun wapens uit de goot! Zij gebruiken verdachtmaking en laster om de revolutionairen zwart te maken”. Het gevaar van ongecontroleerde verdachtmakingen binnen de organisatie werd goed begrepen door alle revolutionairen uit het verleden. Hiervan getuigen reeds de statuten van de Bond der Rechtvaardigen, de voorloper van de Bond van Kommunisten (het klad van de statuten dateert van 1843): “Indien iemand zich wil beklagen over personen of vraagstukken die de Bond aangaan, moet hij dat openlijk in de vergadering [van de afdeling] doen. Kwaadsprekers zullen worden uitgesloten”. (Punt 9).
Op het einde van de negentiende eeuw werd dit basisstandpunt nog verfijnd. Het volstaat niet langer om de kwaadspreker uit te sluiten, men moet het middel vinden om deze eventuele aanklachten te behandelen zonder dat ze schade kunnen berokkenen aan de organisatie wanneer zij ongegrond zijn. Deze methode van de arbeidersbeweging wordt vooropgesteld in de statuten van de Berlijnse afdeling van de Duitse sociaal‑democratische partij, die in 1882 verklaarde (toen de partij nog in de illegaliteit werkte): “Iedere militant – zelfs al is het een welbekende kameraad – heeft de plicht om discreet te blijven omtrent de onderwerpen die binnen de organisatie bediscussieerd worden – waar het ook over gaat. Indien een kameraad een klacht hoort over een andere kameraad, dan heeft hij in de eerste plaats de plicht om deze vertrouwelijk te behandelen. Bovendien moet hij hetzelfde eisen van de kameraad die hem geïnformeerd heeft over de aanklacht; hij moet de reden van de aanklacht onderzoeken en te weten komen waar zij vandaan komt. Hij moet de secretaris [van de afdeling] er van verwittigen, en deze dient het vraagstuk op te helderen in een confrontatie tussen aangeklaagde en aanklager [...]. Elke andere actie, zoals bijvoorbeeld het verspreiden van verdachtmakingen verdenkingen die niet bekend zijn bij de secretarissen [dat wil zeggen van de verantwoordelijken van de afdeling] zal ernstige schade veroorzaken. Aangezien de politie er een notoir belang bij heeft om de verdeeldheid in onze rangen te stimuleren door het rondstrooien van verdachtmakingen moet elke kameraad die zich niet houdt aan de hierboven beschreven procedure beschouwd worden als een persoon die in dienst staat van de politie” (3).
Het is overduidelijk dat de revolutionairen destijds onder de voorwaarden van de illegaliteit doorlopend bekommerd waren met het gevaar van infiltratie van de politie in hun rangen. Maar de verdachtmaking binnen de organisatie is niet altijd het werk van de politie, ze kan ook ontstaan zonder de minste provocatie. Zelfs wanneer deze aantijgingen gelanceerd worden met de beste bedoelingen om de organisatie te beschermen, kan het wantrouwen dat ze teweegbrengen nog gevaarlijker zijn voor de gezondheid van de organisatie, en voor de veiligheid van de militanten zelf, dan de werkelijke provocatie zelf. Dat is wat Victor Serge ook nog aantoont: “Aantijgingen worden gemurmeld, vervolgens worden ze luidop gezegd, meestal is het onmogelijk om ze na te trekken. Het heeft onnoemelijke kwalen tot gevolg, op sommige vlakken nog erger dan de kwalen die toegebracht worden door de echte provocatie [...]. Dit kwaad ‑ de verdachtmaking, de argwaan onder ons ‑ kan enkel ingeperkt worden door een grote wilsinspanning.
Nooit ‑ en dat is trouwens een absolute voorwaarde voor iedere zegevierende strijd tegen de werkelijke provocatie en waarvan elke lasterlijke aantijging waar een militant bij betrokken is de inzet vormt ‑ mag iemand lichtvaardig beschuldigd worden en nooit mag een geformuleerde aantijging tegen een revolutionair naar de prullenmand verwezen worden. Iedere keer als er iemand verdacht wordt van een dergelijke verdenking, moet er een jury van kameraden worden samengesteld die zich uitspreekt over de aantijging of de verdachtmaking. Het zijn eenvoudige regels die in acht moeten worden genomen met onwrikbare striktheid als men de morele gezondheid van de revolutionaire organisaties wil bewaren”.
In dit eerste deel hebben wij geprobeerd aan te tonen dat:
‑ ten eerste, de politieprovocatie bestaat sinds het begin van de arbeidersbeweging, en dat deze tot doel heeft de organisatie van de revolutionairen te vernietigen door in haar midden wantrouwen te zaaien;
‑ ten tweede, dat dit wantrouwen in het midden van de organisatie niet noodzakelijk het werk is van de politie maar dat het ook kan voortkomen uit eenvoudige ongegronde aantijgingen;
‑ ten derde, dat de revolutionairen dergelijke aantijgingen altijd als even gevaarlijk beschouwd hebben voor de gezondheid van hun organisaties als wanneer deze het werk van de politie waren;
‑ tenslotte, dat d revolutionaire organisaties een methode hebben uitgewerkt om dergelijke aantijgingen te behandelen. Die methode bestaat er eerst en vooral uit om ze af te bakenen in een welomschreven organisatorisch kader om te vermijden dat het wantrouwen zich als een virus, op ongecontroleerde wijze, verspreidt binnen de organisatie. De IKS heeft zich altijd ingespannen om deze methode, een erfenis van de arbeidersbeweging, toe te passen bij aantijgingen of verdenkingen tegen militanten.
De kommunistische organisatie heeft geen 'natuurlijke’ plaats binnen de burgerlijke maatschappij, in tegendeel, zij is een vreemd lichaam in deze maatschappij. De tegenstelling tussen de beginselen van het kommunisme en de burgerlijke ideologie spelen zich niet alleen af buiten de organisatie maar ook binnenin. De infiltratie van deze ideologie die vreemd is aan het proletariaat kan tot uiting komen in opportunistische politieke standpunten die een deel van de organisatie kunnen besmetten. Maar het kan ook gebeuren op een veel verraderlijker manier, via individueel gedrag dat ontleend is aan dat van de heersende klasse (of bepaalde sociale lagen zonder historische toekomst) en die diametraal tegengesteld zijn aan wat het gedrag van een kommunistische militant zou moeten zijn
De IKS heeft altijd duidelijk gemaakt dat het politiek gedrag van militanten een vraagstuk is dat in verband staat met de beginselen van de klasse die de draagster is van het kommunisme. Tegen het gif van wantrouwen en verdachtmakingen bevestigen wij dat “de verhoudingen die de militanten van de organisatie met elkaar aanknopen onvermijdelijk de sporen vertonen van de kapitalistische maatschappij [...]. Toch mogen zij niet in flagrante tegenstelling staan tot het doel dat de revolutionairen nastreven en zijn noodzakelijkerwijs gebaseerd op onderlinge solidariteit en wederzijdse vertrouwen die duidelijk maken dat de organisatie deel uitmaakt van de klasse die het kommunisme in zich draagt”. (Platform van de IKS). Al in onze statuten legden we er de nadruk op dat het gedrag van een militant niet in tegenstelling mag staan tot het doel waarvoor wij strijden, en dat de debatten binnen de organisatie “gevoerd moeten worden met de grootst mogelijke striktheid maar tegelijkertijd door zich te onthouden van persoonlijke aanvallen die niet de plaats mogen innemen van samenhangende politieke argumentatie”. Deze gedragsregels aan zijn laars lappen, zich laten inpalmen door de concurrentiegeest die ingelepeld wordt door de kapitalistische maatschappij kan er toe leiden dat militanten zich ver verwijderen van de geest van het debat tussen kommunisten. In bepaalde gevallen kan het hen er zelfs toe drijven om (bijvoorbeeld wanneer ze in de minderheid zijn geraakt of het hen in de loop van een debat aan argumenten ontbreekt) verdachtmakingscampagnes te uiten tegen hun eigen kameraden, die dan gezien worden als tegenstanders die gevloerd moeten worden.
Het gebruikmaken van verdachtmakingscampagnes tegen militanten binnen revolutionaire organisaties heeft de arbeidersbeweging heel de geschiedenis vanaf haar ontstaan begeleid. Het volstaat om de terug te kijken op de verdachtmakingen van Bakoenin tegenover Marx binnen de IAA (Eerste Internationale) die er van beschuldigd werd een 'dictator’ te zijn (omdat hij ... Jood en Duitser was!), de verdachtmakingen die de Mensjewieken verspreiden na het congres van de POSDR in 1903 tegen Lenin, die ervan werd beschuldigd _een terreurregime zoals Robespierre te willen laten heersen in de partij’. Wij kunnen ook het extreme geval aanalen van de verdachtmakingscampagnes tegen Rosa Luxemburg, die opgezet werden door de opportunistische elementen van de Duitse sociaal‑democratische partij, die later zouden verraad plegen tegen de beginselen van de arbeidersklasse in 1914. Zo werd Rosa Luxemburg er in de wandelgangen van de partij van beschuldigd er _libertijnse’ zeden op na te houden (en zelfs een agente te zijn van de tsaristische politie, de Ochrana) door militanten die enkele jaren later in januari 1919 de moord op haar zouden organiseren: de bloedhond Noske en zijn spitsbroeders Ebert en Scheidemann.
Slechts één voorbeeld van onze voorlopers van de Kommunistische Linkerzijde in Frankrijk. Ook zij werden geconfronteerd met verdachtmakingen binnen de organisatie, zoals men kan lezen in de resolutie aangenomen op de conferentie van de GCF (Gauche Communiste de France) in 1945:
“Door goedkeuring van de resolutie op de algemene vergadering van 16 juni, die de breuk vaststelde met deze elementen van de organisatie [...] keert de conferentie zich vooral tegen de laaghartige verdachtmaking, die het geliefkoosde wapen geworden is van deze elementen tegen de organisatie en tegen de individuele militanten ervan."
Door hun toevlucht te nemen tot dergelijke methodes, scheppen deze elementen, als illustratie van hun zogenaamde politiek, een vergiftigde atmosfeer door wantrouwen te zaaien, de dreiging met pogroms (volgens hun eigen bewoordingen), het gangsterisme, en vereeuwigen zij aldus de laakbare traditie die tot op vandaag het voorrecht van het stalinisme was.
"De conferentie oordeelt dat het dringend is om er een eind aan te maken, en niet langer toe te staan dat verdachtmakingen de plaats innemen van politieke debatten in de betrekkingen tussen de militanten. Daarom richt zij zich tot de andere revolutionaire groepen om hen te vragen een eretribunaal op te richten, zich uit te spreken over de revolutionaire moraal van de belasterde kameraden en het kwaadspreken en de kwaadsprekers elk bestaansrecht te ontzeggen binnen de rangen van het proletariaat”.
Door het uitsluiten van het kwaadspreken en van de kwaadsprekers uit de eigen rangen zet onze organisatie de strijd van de revolutionairen uit het verleden voort, ter verdediging van de organisatie, tegenover alle pogingen om haar te vernietigen. Verdachtmaking hoort niet alleen niet thuis in de rangen van het proletariaat maar bovendien is het één van de geliefkoosde wapens van de bourgeoisie om de kommunistische organisaties zwart te maken en een veralgemeend wantrouwen te zaaien tegenover de standpunten die zij verdedigen. Om zich daarvan te overtuigen volstaat het om bijvoorbeeld de campagnes te citeren die gevoerd werden tegen Lenin (door de regering Kerenski die hem er van beschuldigde een agent van de Keizer en van het Duitse imperialisme te zijn) om de bolsjevistische partij zwart te maken aan de vooravond van de revolutie in Rusland. Ook werden er campagnes gevoerd tegen Trozki (die er van beschuldigd werd een agent van Hitler en het fascisme te zijn) om in de jaren 1930 elke strijd tegen het stalinisme te bekladden.
De strijd tegen de verdachtmakingen is niet alleen van levensbelang voor de militanten en de organisatie waartoe zij behoren. Hij gaat alle organisaties van de kommunistische beweging aan. Tegenover dergelijk vernietigend gedrag, dat om het even welke burgerlijke staat in de kaart speelt, heeft de IKS de plicht om het geheel van het proletarisch politiek milieu te waarschuwen. “Wanneer dergelijk gedrag bewezen is, is het de plicht van de organisatie om maatregelen te nemen die niet enkel haar eigen veiligheid beogen maar ook die van de andere kommunistische organisaties” (International Review, nr. 33, Rapport over de structuur en het functioneren van de organisatie).
IKS / 21.02.02
(1) Geciteerd uit E.P.Tompson, The making of the English working class, hoofdstuk 14.2, A army of redressers.
(2) Thompson, op.cit.
(3) Geciteerd door Fricke, History of the German Workers’ Movement, 1869‑1917.
In haar “Antwoord op de stompzinnige beschuldigingen van een organisatie die uit elkaar valt”, gepubliceerd op haar website, heeft het IBRP (1) een volgende grens overschreden in haar ernstig opportunistisch afglijden, dat we reeds duidelijk maakten in ons artikel “Het IBRP in gijzeling genomen door herrieschoppers!”: ze rechtvaardigt nu de anti-proletarische gebruiken van een parasitaire groep die zichzelf “Interne Fractie van de IKS” noemt.
Het ‘Antwoord’ van het IBRP begint met het bekritiseren van “het uiterst vulgaire karakter” van de toon van ons artikel, waarin wij de zogenaamde ‘Interne Fractie van de IKS’ (IFIKS) hebben afgedaan als een bende “herrieschoppers”. Als het IBRP de vermoorde onschuld speelt dan betekent dat niet dat zijzelf ‘beschaafder’ omgangsvormen heeft, die van een ‘heer’, want ze staat borg voor de methodes van de IFIKS en gebruikt deze voor haar eigen doeleinden. Vandaar dat het IBRP geen aanmerkingen had nóch op de vulgariteit van de tekst van de IFIKS getiteld “;Smaad kent geen grenzen”, nóch op “het uiterst vulgaire karakter” van de methoden van deze herrieschoppertjes, die geen scrupules kennen als ze nu oproepen tot pogroms tegen onze zogenaamde “vuiligheden” en tegen onze militanten die als “smeerlappen” worden gebrandmerkt (2).
Zo is dit ‘Antwoord’ van het IBRP op de “stompzinnige beschuldigingen” van de IKS er in de eerste plaats op gericht de diefstal van ons adressenbestand door een lid van de IFIKS goed te praten met de volgende argumenten: “als leidende kameraden van de IKS – die als zodanig beschikken over het adressenbestand van hun organisatie – met de organisatie breken en het adressenbestand bij zich houden omdat ze de kameraden willen overhalen tot de ‘juiste richting’, dan is dit geen diefstal. Het valse moralisme van de IKS stinkt van de huichelarij als ze allerlei soorten beschuldigingen uitstort over diegenen die haar in de steek laten”.
Deze poging tot ‘rechtvaardiging’ van de gangsterpraktijken van de IFIKS noopt ons tot een paar opmerkingen:
1. Ons adressenbestand, net zoals het geld en al het andere politieke materiaal, behoort toe aan de organisatie als geheel en niet aan de individuele leden die haar vormen. Dat is een elementair beginsel van functioneren van alle revolutionaire organisaties. En het IBRP weet dat heel goed! Daarom weigert ze ook te antwoorden op onze brief van 1 oktober 2004, waarin we onder andere de volgende vragen stelden:
2. Als het IBRP niet akkoord gaat met het beginsel dat dit materiaal toebehoort aan de organisatie en niet aan de individuele leden, dan betekent dit dat de militant die de financiën beheert, onder het voorwendsel van de voortzetting van politiek werk, er rustig met de kas vandoor kan gaan zodra hij uitgesloten wordt of breekt met de organisatie. Deze zienswijze is er één van een anarchist of een lompenproletariër, maar niet die van de organisaties van het proletariaat.
Wij herinneren het IBPR eraan dat de bende herrieschoppers van de IFIKS zich niet beperkte tot het stelen van ons adressenbestand. Ze heeft ook geld gestolen van de IKS. Ze heeft ook geld van de organisatie verduisterd door te weigeren ons de prijs van de vliegtuigtickets terug te betalen die bedoeld waren om twee afgevaardigden van onze afdeling in Mexico naar Parijs te laten komen: deze laatsten werden op het vliegveld van Roissy gekidnapt door de herrieschoppers van de IFIKS, die hen verhinderden om deel te nemen aan de Buitengewone Conferentie van 2002 (zie ons artikel in Révolution Internationale, nr. 323, mei 2002).
Het lezen van de argumenten van het IBRP waarmee diefstal van ons politiek materiaal wordtgerechtvaardigd, rechtvaardigt ons recht de vraag te stellen: heeft het IBRP ook met het geld, dat gestolen is van de IKS, de zaal kunnen huren om haar openbare bijeenkomst van 2 oktober in Parijs te houden (want het IBRP heeft deze bijeenkomst georganiseerd met materiele steun van de IFIKS)?
3. De opvatting van het IBRP volgens welke “leidende kameraden” al het materiaal mee kunnen nemen dat hen is toevertrouwd, omdat ze er niet in geslaagd zouden zijn om de militanten te overtuigen van de juistheid van hun standpunten, is volkomen vreemd aan de arbeidersbeweging. Deze politiek heeft een naam: het is de verwoestende politiek van de ‘verschroeide aarde’. Als men er niet in slaagt om zijn standpunten op waarde te laten schatten, dan berooft men de organisatie; en in een poging om haar activiteiten te saboteren maakt men zich meester van haar politieke materiaal (3).
Deze herrieschopperspraktijken zijn door de IKS al eerder publiekelijk aan de kaak gesteld tijdens de ‘affaire Chénier’ in 1981. Toentertijd hadden de twee organisaties die het IBRP zouden vormen (Battaglia Comunista en de Communist Workers Organisation) nog een minimum aan waardigheid: ze snelden nóch de burger Chénier nóch de parasitaire groep CBG te hulp. Ze schreeuwde geen moord en brand over “het uiterst vulgaire karakter” van de IKS toen wij in de navolgende termen de handelwijze van deze herrieschoppertjes verwierpen: “Deze kameraden (die van de voormalige afdeling van de IKS in Aberdeen) hadden al maanden weet van de manoeuvres van Chénier en ze hebben de diefstal achteraf goedgepraat als iets ‘normaals in het geval van een splitsing’. Onze veroordeling van deze praktijken werd gekwalificeerd als een ‘reactie van kleinburgerlijke bezitters’ [...] In de eerste nummers van The Bulletin verwees ze [de CBG] naar onze houding om zich over te geven aan de verspreiding van kletspraat over de IKS dat net zo laag als stompzinnig was [...] Als men zich afsplitst kan men stelen wat men wil, maar als men tenslotte een groep voor zichzelf heeft, is men thuis de baas… zodra de herrieschoppertjes enig bezit hebben verworven denken ze er anders over [...] Wat zijn de standpunten van de CBG? Ziedaar alweer een groep wier bestaan parasitair is. Wat vertegenwoordigt ze ten opzichte van het proletariaat? Een provinciaalse versie van het platform van de IKS, maar zonder de samenhang en met diefstal ter compensatie.” (Internationale Revue, nr. 36, In antwoord op de antwoorden). Wat we twintig jaar geleden vaststelden met betrekking tot de herrieschoppers-methoden van de CBG is bijgevolg volledig van toepassing op de IFIKS.
Het moet duidelijk zijn dat de IKS er niet van afziet om het geld dat de IFIKS heeft gestolen op de ene of andere manier terug te halen. Zij zal, als het zover is, dezelfde politiek voeren als meer dan twintig jaar geleden toen ze het materiaal terughaalde dat door een paar mensen van de ‘Chénier-richting’ gestolen was, en met name diegenen die de CBG vormden.
4. Juist omdat het gaat om een elementaire regel in het functioneren van de organisaties van het proletariaat, zoals vastgelegd in onze statuten, moet iedere militant die de organisatie verlaat (of dat nu gebeurt op eigen initiatief of als gevolg van een uitsluiting) al het materiaal teruggeven aan door de IKS dat hem is toevertrouwd voor zijn taken te vervullen: “de militant doet geen persoonlijke ‘investering’ in de organisatie, waarvan hij dividend verwacht of die hij kan terugtrekken als hij haar verlaat. We moeten daarom iedere praktijk van ‘beslaglegging’ op materiaal of fondsen uit de organisatie verwerpen als volslagen vreemd aan het proletariaat, zelfs als het doel er uit bestaat een andere politieke groep op te richten”. (Rapport over de structuur en de functionering van de organisatie van revolutionairen, punt 12, Internationale Revue, nr. 16). De leden van de IFIKS weten dus heel goed dat ze, door ons adressenbestand mee te nemen (en door geld te stelen van de organisatie), praktijken hebben toegepast die “volslagen vreemd zijn aan het proletariaat”. Ze hebben onze statuten overtreden en dus gebroken met de IKS door zich buiten de organisatie te plaatsen nogvoordat ze werden uitgesloten.
Onder andere daarom weigerden ze om een beroep te doen op een Erejury, zoals hen tweemaal is voorgeslagen door de IKS. Ze verklaarden de beschuldigingen die we op grond van hun gedrag tegen hen inbrachten als leugens (zie ons artikel op de website: De Erejury: een wapen om kommunistische militanten en organisaties te verdedigen).
5. Het IBRP geeft nog een ander argument om de diefstal te rechtvaardigen: omdat het om “leidende kameraden” ging, “als zodanig” konden de leden van de IFIKS zich het rechtaanmatigen het materiaal mee te nemen dat aan de organisatie toebehoorde. Dus, de “leiders” zouden rechten en privileges hebben die de “basismilitanten” niet hebben! Deze elitaire en bureaucratische visie vindt men terug in de burgerlijke (en met name in de stalinistische) organisaties, maar niet in die van de arbeidersklasse!
We willen er graag de nadruk op leggen dat de IKS niet het piramidale gezichtspunt van het IBRP huldigt van “leiders” maar van de leden van de “centrale organen”. Het is niet “als zodanig” (dat wil zeggen als “leidende” leden) dat de IKS haar adressenbestand had toevertrouwd aan iemand die nu lid is van de IFIKS. De IKS had haar dit bestand gegeven omdat zij als militant belast was met de verzending van de publicaties aan onze abonnees. Als wij deze zeer belangrijke en verantwoordelijke taak hebben toevertrouwd aan wat het IBRP “leidende kameraden” (iets wat de militanten van de IKS flink heeft doen lachen!) noemt, dan is dat alleen omdat ze deze zeer goed vervulde.
In argumenten, die in dit ‘Antwoord’ op onze “stompzinnige beschuldigingen” zijn vervat, ontdekken we in werkelijkheid de medeplichtigheid van het IBRP aan deze diefstal. Ze zegt ons in feite dat de IFIKS het recht had dit adressenbestand te houden teneinde “kameraden voor de juiste richting te kunnen winnen” (4). Dit argument is niet alleen bedoeld om laaghartige praktijken van de IFIKS ‘goed te praten’. Het heeft ook en vooral de bedoeling om de pogingen tot sabotage en destabilisering van de IKS door het IBRP te rechtvaardigen, die al meer dan twee jaar achter onze rug om geschieden.
Onze lezers kunnen de manoeuvres van het IBRP ontdekken in Bulletin, nr. 9 van de IFIKS, manoeuvres die eruit bestaan deze bende herrieschoppers aan te moedigen haar aanvallen tegen onze centrale organen en tegen onze militanten voor te zetten teneinde een maximum aan kameraden te winnen voor … “de juiste richting”! Wij nodigen onze lezers dus uit om zich te wenden tot Report of the meeting on 17-03-02, gepubliceerd in ditzelfde Bulletin, nr. 9 (beschikbaar op de website van de IFIKS). Ze zullen er de ‘argumenten’ vinden die de diefstal van ons adressenbestand moeten rechtvaardigen: het gaat er voor de IFIKS om (met de zegening van het IBRP) haar walgelijke proza aan de militanten van de IKS te zenden teneinde “de ogen van de militanten van de IKS te openen, waarvan wij menen dat zij op korte termijn in een dynamiek meegaan die erin bestaat het BO (Besluitvormende Orgaan) van de IKS te ‘volgen zonder zich vragen te stellen’ [...] Het IBRP heeft deze oriëntatie goedgekeurd”, en wel in de volgende termen: “Jullie moeten je strijd voortzetten tegen de huidige afwijkende richting en [voor] het herstellen van de organisatorische en politieke verworvenheden.”
Zo vernemen we dus dat het IBRP niet alleen de IFIKS aanmoedigde om haar vuile werk te doen (dat eruit bestaat de brievenbussen van onze kameraden en onze abonnees te vullen met hun walgelijke laster), maar bovendien heeft ze deze strijd aangemoedigd en ondersteund … “voor het herstellen van de organisatorische en politieke verworvenheden van de IKS”! Onze lezers kunnen zich zelf een idee vormen van de dubbelzinnigheid en de ongelofelijke (maar ware!) dubbelzinnige taal van het IBRP: aan de ene kant pretendeert ze (op een huichelachtige manier) er belang bij te hebben de “organisatorische en politieke verworvenheden” van de IKS te verdedigen, aan de andere kant bevestigt ze (in haar ‘Antwoord’ op onze “stompzinnige beschuldigingen”) de IFIKS te willen “overtuigen” dat de “intrinsieke zwakheden” van de IKS zijn gelegen in “de fundamentele methodologische vraagstukken die ons (het IBRP) altijd al van de IKS hebben gescheiden”.
En deze huichelarij bereikte werkelijk haar hoogtepunt toen het IBRP, terwijl ze tegelijkertijd de IFIKS steunde in haar strijd tegen onze zogenaamde “liquidationistische leiding” (zoals de IFIKS het noemde), schreef: “Het is niet aan ons om te zeggen wie gelijk of ongelijk heeft in de organisatorisch-disciplinaire twisten van de IKS! (zie de tekst van het IBRP, gedateerd februari 2002 en gepubliceerd in verschillende talen op hun website: Elementen ter overdenking over de crises van de IKS).
Men begrijpt nu veel beter waarom het IBRP de diefstal van ons adressenbestand niet kon veroordelen. Ze had er eenvoudigweg belang bij om de IFIKS (en haar smerige praftijken) te gebruiken, niet alleen als wervingsagent voor haar eigen winkeltje, maar ook om te proberen problemen te veroorzaken binnen de IKS.
Het is duidelijk dat (anders dan het IBRP pretendeert) niet het “valse moralisme van de IKS”, maar de verwerping door het IBRP van iedere vorm van proletarische moraal “stinkt naar hypocrisie”!
En wij herhalen nog een keer naar het IBRP (op het gevaar af nogmaals haar kuisheid van een kostschoolmeisje te choqueren): als men slaapt met een vrouw van lichte zeden, moet men niet verbaasd zijn als men een druiper oploopt.
In punt 2 van haar ‘Antwoord’ aan onze “stompzinnige beschuldigingen”, bevestigt het IBRP, nog altijd in verband met de diefstal van ons adressenbestand dat gebruikt werd om de uitnodiging te versturen voor de openbare bijeenkomst van 2 oktober: “We hoeven noch aan de IKS noch aan iemand anders verantwoording af te leggen over de manier waarop we politiek bedrijven” en het IBRP stigmatiseert de “pretentie van de IKS de zogenaamde tradities van de Kommunistische Linkerzijde te vertegenwoordigen”, iets wat haar “pathetisch” voorkomt.
Wat óns vooral “pathetisch” lijkt, dat is om te moeten vaststellen dat het IBRP, door van zichzelf een medeplichtige van de IFIKS te maken, haar eerstgeborenenrecht heeft verkocht voor een bord linzen. Daarom is zij bezig om niet alleen de traditie van de Kommunistische Linkerzijde voor de zwijnen te gooien, maar ook de elementaire beginselen van de arbeidersbeweging, om in plaats daarvan de wet van de jungle te aanvaarden!
Op de vraag, die gesteld werd door onze abonnees, “hoe heeft het IBRP onze adressen in handen gekregen?”, ziedaar het antwoord dat gegeven werd: hoepel op, het IBRP hoeft aan niemand verantwoording af te leggen over de “manier waarop ze politiek bedrijft”!
Menen de ‘leiders’ van het IBRP dat ze ook geen verantwoording hoeven af te leggen aan de militanten van haar eigen organisatie (die niet hebben deelgenomen aan deze openbare bijeenkomst of die verbaasd waren te vernemen dat de uitnodiging van het IBRP naar personen was verstuurd waarvan ze de adressen niet had)? Is “deze manier van politiek bedrijven” in overeenstemming met de statuten van het IBRP, of “volgen” deze militanten blindelings de (totaal onverantwoordelijke) politiek van hun ‘leiders’…“zonder zich vragen te stellen”?
In het eerste punt van haar ‘Antwoord’ aan onze “stompzinnige beschuldigingen” begint het IBRP met de vaststelling dat haar contacten met de IFIKS “bestaan en blijven bestaan” met als argument: “wij willen voorkomen dat met het vertrek van leiders van de ‘oude garde’, de zoveelste splitsing van de IKS leidt tot het ontstaan van een nieuwe dissidente groep van de IKS die zich beroept op haar orthodoxie”.
Dat is een heel mooi voornemen van het IBRP (en wij zijn werkelijk ontroerd door die liefdevolle zorg!). Maar we weten dat de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Het IBRP wil ons dus doen geloven dat het is om te voorkomen dat er een nieuwe parasitaire groep (want zelfs als men weigert dat te aanvaarden moeten we de dingen bij hun naam noemen!) ontstaat, dat zij probeert om de IFIKS ervan te overtuigen om de programmatische standpunten van de IKS te verwerpen (5). In werkelijkheid discussieert het IBRP echter met de leden van de IFIKS om ze te kunnen rekruteren.
En we zien niet in waarom ze zich in zulke bochten moet wringen om ons van haar ‘oprechtheid’ te overtuigen. In ieder geval heeft het IBRP geen enkele waardigheid meer: ze heeft zich er al toe verlaagd op zoek te gaan in… de vuilnisbak van de IKS!
Van onze kant blijven we het IBRP verzekeren dat het ons doel niet in het minst is om haar pogingen tot ‘krachtenbundeling’ te saboteren (zoals de IFIKS en haar tweelingbroer, de ‘Circulo’ van Argentinië van de daken schreeuwen). Als we werkelijk het gezichtspunt van een ‘winkeliertje’ verdedigden, dan nog zou het ons veel beter uitkomen als het IBRP de leden van de IFIKS in haar rangen inlijft. Ze zou een grote dienst bewijzen aan onze organisatie door ons te ontlasten van dit parasitaire groepje, dat niet ophoudt de naam van de IKS te bevuilen door zich op ons platform te beroepen.
De enige en uitsluitende reden waarom we het IBRP hebben gewaarschuwd tegen de verleidingingen van de IFIKS is de volgende: wij wilden voorkomen dat een organisatie van de Kommunistische Linkerzijde de proletarische beginselen met voeten treedt door in te staan voorde methodes van deze bende herrieschoppers. Maar als het IBRP zichzelf in diskrediet wil brengen door zich te verenigen met deze elementen, dan kan niemand dat verhinderen. Zoals het spreekwoord zegt: ‘Je kan een ezel niet laten drinken als hij geen dorst heeft’!
Nogmaals, hoe eerder het IBRP erin slaagt de IFIKS ervan te ‘overtuigen’ om ons met rust te laten des te beter voor ons! Jammer genoeg, door te weigeren onze analyse van het verschijnsel parasitisme ter harte te nemen (waarin enkel is overgenomen wat Marx naar voren bracht met betrekking de Alliantie van Bakoenin in de Eerste Internationale), berooft het IBRP zichzelf van een wapen dat haar ervoor kon behoeden haar eer te grabbel te gooien in dit schandelijke avontuur. Ze blijft achter de IFIKS aanlopen in de hoop de worst, die haar wordt voorgehouden, te pakken te krijgen: het vooruitzicht van een toekomstige afdeling van het IBRP in Parijs en Mexico!
De leden van de IFIKS zijn natuurlijk niet in het minst van plan om zich te laten ‘overtuigen’ door het IBRP en nog minder om zich bij haar aan te sluiten. Daarom blijven deze parasieten met een ziekelijke obsessie herhalen dat ze niet hebben ‘gebroken met de IKS’. Zo pronkt de IFIKS in haar laatste Bulletin (nr. 28) openlijk met een meningsverschil dat ze heeft met het IBRP: in tegenstelling tot wat de laatste verzekert in haar ‘Antwoord’ op de “stompzinnige beschuldigen” van de IKS, heeft de IFIKS het nodig gevonden “een kleine precisering aan te geven met betrekking tot wat het IBRP zegt: wij hebben niet gebroken (met de IKS), wij zijn buitengesloten”. We hebben werkelijk te doen met het IBRP en hopen dat ze over deze grote teleurstelling heen komt. We kunnen haar slechts uitnodigen haar illusies op te geven: de leden van de IFIKS kunnen zich niet bij het IBRP aanlsuiten, zoals ze nog een keer verzekeren in hun Bulletin nr. 28, ‘de fractie is de IKS’!: “wij, fractie, zijn de IKS!”.
We kunnen niet van het IBRP verwachten dat het een gek, die denkt Napoleon te zijn omdat dat zijn enige bestaansreden is, tot de werkelijkheid terug te brengen. We staan er echter versteld van dat het IBRP, aangetast door zijn eigen opportunisme, zelfs niet in staat is de totaal krankzinnige grootheidswaanzinnige aard van de gedachtewereld van deze zogenaamde ‘fractie’ in te zien.
Met betrekking tot onze Stellingen over het parasitisme, weet het IBRP ons nog te vertellen: “terwijl er zoveel dingen in de wereld gebeuren heeft de IKS niets beters te doen dan ‘Stellingen’ over haar interne twisten te schrijven”.
Iedere lezer die een beetje serieus is kan de samenvatting van de openbare bijeenkomst van 2 oktober van de IKS vergelijken met die van IBRP (op de website van Battaglia Comunista). Hij zal zien dat het IBRP over de oorzaken van de oorlog in Irak niet in staat was om te antwoorden op de vragen die gesteld werden op haar publieke bijeenkomst, en ook niet de argumenten te weerleggen die door de IKS naar voren werden gebracht (zie Révolution Internationale, nr. 351, Le vide politique et l’absence de méthode du BIPR)! Geconfronteerd met het uitbarsten van oorlogsbarbarij en bloedige chaos in Irak, in het Midden-Oosten, in Afrika, weet het IBRP niets anders te bedenken dan het op de helling zetten van de analyse van het verval van het kapitalisme (uitgewerkt door de Kommunistische Internationale). Ze weet niets beters te bedenken dan het overnemen van de propaganda van de burgerlijke economen om zo het proletariaat de troosten (en te misleiden) door het wijs te maken dat het kapitalisme nog een schitterende toekomst voor de boeg heeft!
Voor wat betreft de kritiek op onze Stellingen over onze “interne twisten” zou het IBRP zich eerst eens moeten richten tot Marx: terwijl er een gebeurtenis plaatsvond van de omvang van de Commune van Parijs in 1871 had Marx “niets beters” te doen een Conferentie bijeen te roepen in Londen, hoofdzakelijk gewijd aan het organisatievraagstuk en met name om het geval Bakoenin en zijn parasitaire groep, de ‘Alliantie van de socialistische democratie’, onder de loep te leggen! En het enige congres van de IAA waarop Marx persoonlijk aanwezig was, dat van Den Haag in 1872, was, op zijn aandrang en die van Engels, hoofdzakelijk gewijd aan het uitdiepen van de vraagstukken van organisatie en functioneren. En een jaar later hebben Marx, Engels en Lafargue een aanzienlijke hoeveelheid tijd en energie besteed aan het schrijven van een groot boek over de occulte kuiperijen van Bakoenin en zijn medeplichtigen (getiteld De Alliantie van de socialistische democratie en de Internationale arbeidersassociatie). Wat te denken van Lenin,die na het tweede Congres van de RSDAP “niets beters wist te doen dan te schrijven”, niet enkel Stellingen, maar zelfs een heel boek (Eén stap voorwaarts, twee stappen terug) “over de interne twisten” van de RSDAP?
Het IBRP heeft nog steeds niet begrepen dat (door haar onvermogen om zich de ervaringen uit de geschiedenis van de arbeidersklasse eigen te maken) het vraagstuk van de politieke houding van kommunistische militanten een principekwestie is. Daarom wordt het (en niet de IKS!) bedreigd met “uiteenvallen”. Door gemene zaak te maken met elementen die niets beters te doen hebben dan honderden pagina’s vol te schrijven met laster tegen de IKS en haar militanten (zie onder andere de politieroman van de IFIKS, getiteld Geschiedenis van het IS) komt het IBRP nu tot een “manier van politiek bedrijven” die volkomen vreemd is aan het proletariaat, niet alleen gebaseerd op diefstal, maar eveneens op leugens en laster.
In punt 5 van haar ‘Antwoord’ op onze “stompzinnige beschuldigingen”, herhaalt het IBRP dat het er nooit op uit was om ‘gebruik te maken’ van de beschuldigingen van stalinisme door de IFIKS: “we houden de ‘waarschuwingen’ van een organisatie die [...] iedere keer beschuldigingen van opportunisme en stalinisme oogst voor belachelijk, en we hebben daarvan nooit gebruik willen maken”.
Deze bewering is een grove leugen. Wij verwijzen onze lezers nog eens naar Bulletin nr. 9 van de IFIKS, waarin het IBRP in de volgende termen geloofwaardigheid verleent aan de ‘stelling’ van de IFIKS volgens welke de IKS in een proces van “stalinistische ontaarding” zou zijn terechtgekomen: “Het is ons [het IBRP] duidelijk dat er een proces van eliminatie van militanten plaatsvond. Een eliminatie van de oude garde, waarvan alleen Peter overblijft [...] het zal snel gaan, de tendens om tot uitsluitingen over te gaan is reeds onomkeerbaar geworden” (6).
Dus, het IBRP is niet alleen op heterdaad betrapt op een leugen als ze nu, met de hand op het hart, beweert dat ze “nooit gebruik heeft willen maken van de beschuldigingen van stalinisme” tegen de IKS, maar ze heeft zichzelf tot woordvoerder gemaakt van de nauwelijks verhulde laster tegenover een van onze kameraden, de ‘leider-liquidator’ (om een geliefde uitdrukking van de IFIKS te gebruiken) die, net als Stalin ‘de oude garde zou hebben geëlimineerd’!
En het is eveneens deze “weerzinwekkende methodologie”, gebaseerd op leugens en laster, die het IBRP er onlangs toe heeft gebracht (in drie talen!) op haar website de lasterlijke tekst van ‘Circulo de Comunistas Internationalistas’ uit Argentinië te publiceren (waarvan wij al aan het licht brachten dat ze niets anders dan kolossaal bedrog is).
Ondanks het feit dat we op 27 oktober al de Verklaring van de NCI gepubliceerd hadden (zie onze website) blijft het IBRP de leugen rondstrooien dat de NCI, net als de IFIKS, “gebroken heeft met de IKS” (zie de website van Battaglia Comunista). Zo neemt het IBRP andermaal zijn wensen voor werkelijkheid.
Ondanks het feit dat de NCI haar deze Verklaring (waarin ze verzekert dat de teksten van ‘Circulo’ “schaamteloze leugens en laster zijn tegen de IKS”) had toegestuurd, heeft het IBRP het nog steeds niet nodig gevonden om de tekst van de ‘Circulo’, die de zogenaamde ‘stalinistische methoden’ van de IKS aanklaagt, van haar website te verwijderen. Dit betekent slechts dat ze doorgaat om leugens en laster te gebruiken en op haar eigen naam te schrijven.
De reden voor een dergelijke politiek van burgerlijke aard kan men vinden in Bulletin, nr. 9 van de IFIKS. Onze lezers zullen er ontdekken dat het IBRP en de IFIKS in maart 2002 begonnen waren een gezamenlijke een politieke strategie uit te werken om de IKS te vernietigen.
Zo horen we bij monde van het IBRP: “als we tot de conclusie komen dat de IKS een ‘waardeloze’ organisatie is geworden, dan zal ons doel zijn om er alles te doen om haar verdwijning te bevorderen” (vet van ons).
Ziedaar waarom en met welk politieke bedoeling de contacten tussen het IBRP en de IFIKS “bestaan en blijven bestaan”! Het is met dit duidelijk geuite doel “er alles te doen om haar verdwijning (die van de IKS) te bewerkstelligen” wierp het IBRP zich (net als de IFIKS) op delasterlijke tekst van de bedrieger (de zogenaamde “Circulo de Comunistas Internationalistas”), zoals een vlieg op een hoop stront!
Het IBRP verkeert echt niet in de positie om ons de les te lezen over enig ‘echt moralisme’. Haar kritiek op ons “valse moralisme” dient er slechts toe deze erbarmelijke werkelijkheid toe te dekken: het IBRP heeft de anti-proletarische ‘moraal’ van de jezuïeten aanvaard waarin het doel de middelen heiligt!
Om de IKS te vernietigen en het vonnis ten uitvoer te brengen dat zijzelf over onze organisatie (en achter onze rug om!) heeft uitgesproken is het IBRP momenteel bereid (en ze heeft daarvan al blijk gegeven) zich van de laaghartige methoden van de burgerlijke propaganda te bedienen.
Zo heeft ze, om haar doeleinden te bereiken, niet alleen een verbond gesloten met de herrieschoppers van de IFIKS en de grootheidswaanzinnige manipulator van de ‘Circulo’ in Argentinië, maar ze neigt er steeds meer toe om de “weerzinwekkende praktijken” van heel dit lekkere stelletje over te nemen!
Als we het IBRP een raad zouden mogen geven, dan is het de raad om eerst eens haar eigen stoep schoon te vegen: terwijl er sinds 11 september 2001 “zoveel dingen gebeurd zijn in de wereld”, weet het IBRP niets anders te doen dan oudenwijvenpraatjes op te hangen over ‘de oude garde’ van de IKS. Ze heeft niets beters te doen dan zich achter de oren te krabben over de vraag “of de IKS nu op sterven ligt” (Brief van het IBRP aan de fractie, gepubliceerd in het Bulletin, nr. 19 van de IFIKS). Ze heeft geen beter leesvoer kunnen vinden dan de politieroman van de IFIKS, doorspekt met kleine ‘pikante’ details over het ‘voorkomen’ en het persoonlijke leven van deze of gene militant!
En wat zijn, terwijl er momenteel “zoveel dingen gebeuren in de wereld”, de laatste streken van de groep die de pretentie en het lef heeft om zichzelf wereldwijd voor te doen als … de enige ‘serieuze pool’ van krachtenbundeling van de Kommunistische Linkerzijde? Zij weet niets beters te doen dan de hersenspinsel van een psychopaat (waarvan de leugens al net zo indrukwekkend zijn als de afwezigheid van scrupules) op haar website in drie talen voor te leggen ‘ter discussie’. En dat alles om er achter te komen of... onze telefonische contacten met de militanten van de NCI uit Argentinië (waarvan het IBRP zelfs niet de inhoud kent!) een nieuwe bevestiging zouden vormen voor de ‘stalinistische ontaarding’ van de IKS!
Door zich nu in te laten met de IFIKS heeft het IBRP een bom gelegd onder haar eigen huis. Wij kunnen de IFIKS slechts dankbaar zijn voor het feit dat ze ons, dankzij haar “Bulletins”, de bedoelingen heeft onthuld van het IBRP om “er alles te doen om de verdwijning te bevorderen” van onze organisatie. Voor één keer heeft ze met haar verklikkerij een dienst bewezen aan de IKS!
Als ze zichzelf niet te gronde wil richten, dan wordt het de hoogste tijd dat het IBRP een einde maakt aan haar “overdenkingen (en stompzinnige speculaties) over de crises van de IKS”, en eerst eens gaat nadenken over de oorzaken van haar eigen organisatorische tegenslagen en over haar huidige mislukkingen.
Dat is de enige ‘methodologie’ die haar (wellicht?) in staat stelt om te ontsnappen aan het noodlot waartoe haar aangeboren opportunisme haar altijd al vanaf haar ontstaan heeft veroordeeld.
Het wordt de hoogste tijd dat het IBRP onderkent dat ze, ondanks haar diplomatiek en ‘tactische’ verbond met de IFIKS, niet over de middelen beschikt om deze ambitie te realiseren: “de verdwijning van de IKS bevorderen” teneinde de ‘enige pool van krachtenbundeling’ van de Kommunistische Linkerzijde te zijn. Hoe meer het IBRP konkelt met deze bende herrieschoppers (en haar kleine ontaarde kloon in Argentinië), des te meer ze zich zal begeven op de weg, niet naar een “langzaam maar zekere samenvoeging van revolutionaire krachten” (zoals zij verzekert in haar ‘Antwoord’ op onze “stompzinnige beschuldigingen”) maar naar een tragisch en grotesk einde van een … muis die zich groter voordoet dan een olifant!
IKS / 18.11.2004
(1) Internationaal Bureau voor de Revolutionaire Partij, een organisatie die zich beroept op de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde en die hoofdzakelijk bestaat uit de Communist Workers Organisation (CWO) in Engeland en Battaglia Comunista in Italië.
(2) Zie de tekst van de IFIKS Smaad kent geen grenzen, gepubliceerd op haar website, die de inleiding vormt op de Verklaring van de ‘Circulo’ van 2 oktober. Vreemd genoeg is deze Franstalige tekst van de website van de IFIKS verdwenen (hij is tot op heden alleen in het Spaans en het Engels gepubliceerd). Gelukkig hebben we kopieën bewaard en we kunnen deze aan de lezers op verzoek toesturen. Bovendien moet worden opgemerkt dat de oproepen tot pogrom, die door deze herrieschoppers zijn gedaan, enige weerklank vonden blijkt uit een anonieme dreigbrief die begin november naar ons email adres in Spanje werd gestuurd. De lezers kunnen de brief (even vulgair als walgelijk) van deze ‘anonieme schrijver’, vergezeld van ons antwoord, vinden op onze website in het Spaans (Antwoord op een anonieme brief).
(3) De IFIKS beschouwt de IKS dus als haar privébezit als ze verzekert in haar Bulletin, nr. 28 nog eens dat de IKS “onze organisatie” is. Het is dezelfde zienswijze die de ex-militant Michel, tijdens een geheime bijeenkomst waarvan wij de notulen ontdekten, ertoe bracht te verzekeren: “We moeten de middelen om te functioneren terugvorderen”. Er moet opgemerkt worden dat Michel er de voorkeur aan heeft gegeven zich terug te trekken in plaats van zich bij de ‘fractie’ aan te sluiten, omdat hij zich had gerealiseerd dat de dingen “die men (achter de rug van de IKS om) deed smerig zijn”! En in tegenstelling tot zijn vrienden van IFIKS heeft hij de IKS op een meer ‘eerbare’ wijze verlaten door zijn totale schuld aan de IKS af te betalen. Dat is ook het geval met een andere ex-militant (Stanley) die, alhoewel hij met de leden van de IFIKS deelnam aan allerlei gekonkel achter de rug van de organisatie om, zich van hen afkeerde en ook al het geld, dat hij nog schuldig was aan de IKS, afbetaalde.
(4) Terloops moet worden opgemerkt dat de leden van de IFIKS op geen enkelmoment enige poging hebben gedaan om de rest van de IKS te overtuigen van de ‘juiste richting’. Integendeel, door hun openlijke destructieve houding en hun strategie van de ‘verschroeide aarde’; door hun systematisch gebruik van leugens en chantage; door hun achterbakse aanvallen en gemene manoeuvres hebben ze zich geïsoleerd van alle andere militanten van de IKS, met inbegrip van degenen die in het begin het meest gevoelig waren voor hun argumenten. Terwijl de IKS hen aanspoorde om openlijk hun meningsverschillen naar voren te brengen in onze interne bulletins en op onze gebruikelijke bijeenkomsten, gaven ze er de voorkeur aan om documenten te laten circuleren onder ‘ingewijden’ en te weigeren ze ter beschikking te stellen van de rest van de organisatie, en hield ze geheime bijeenkomsten, bedoeld om samen te spannen en zo de organisatie te ‘ontwrichten’ (naar de woorden van een van die moraalridders). Ook toen we ze uitnodigden om in onze Internationale Revue een antwoord te publiceren op het artikel over het begrip ‘fractie’ dat in diezelfde Internationale Revue, nr. 108, was verschenen en dat, op basis van de historische ervaringen van fracties in het verleden, de opvattingen verwierp die aan de basis lagen van de oprichting van de ‘IFIKS’, weigerden ze om daarvan gebruik te maken om de lezers te overtuigen van de ‘juiste richting’.
(5) We leggen er de nadruk op dat in haar ‘Antwoord’ op onze “stompzinnige beschuldigingen” het IBRP overigens een aanzetje begint te geven tot analyse van het verschijnsel parasitisme. Zo verzekert ze, heel terecht, dat de vorming van een “nieuwe dissidente groep van de IKS” kan betekenen dat “de een of andere intellectueel, omringd door enkele sympathisanten, zich het recht toe-eigent zijn eigen kleine groepje te vormen door hier of daar een paar ideeën en standpunten te jatten, of vanuit een inherent onvermogen verenigd te blijven met andere kameraden”. Door verraad te plegen aan onze organisatorische beginselen, door weerzinwekkende laster tegen onze centrale organen en onze militanten te verspreiden, hebben de elementen van de IFIKS gebroken met de IKS (en wij zijn het daarover helemaal eens met het IBRP!): “ze hebben hun eigen onvermogen om verenigd te blijven met andere kameraden” blootgelegd. Door geld en materiaal van de IKS te “pikken”, door “hier of daar (bij de IKS en het IBRP) een paar ideeën en standpunten te jatten”, hebben deze oplichters geen enkel ‘recht’ om zich te beroepen om de Kommunistische Linkerzijde. We kunnen het IBRP slechts aansporen om nog een klein beetje moeite te doen om haar overdenkingen tot het einde toe door te zetten: dit zelf-geproclameerde groepje ‘Interne Fractie van de IKS’ is geen historische uitdrukking vanhet proletariaat. Ze heeft geen enkele legitimiteit en is niets anders dan een parasitaire groep! Wat betreft de karikatuur die het IBRP van onze analyse van het parasitisme maakt, in een poging de ‘stompzinnige’ beschuldigingen van de IKS, die “schreeuwt over een complot van de bourgeoisie!” belachelijk te maken, dit laat maar één ding zien: haar eigen onwetendheid van wat Marx tegenover zijn hekelaars aan de kaak stelde met betrekking tot de Alliantie van Bakoenin, toen hij verzekerde (als bewijs van zijn “stompzinnigheid”) dat de strijd van de Algemene Raad van de Eerste Internationale tegen Bakoenin een “complot” was “van de zon tegen de schaduw”!
(6) Wij willen terloops een kleine noot toevoegen om de waarheid te herstellen: a. Het idee, naar voren gebracht door het IBRP, dat er in de IKS nog maar één van de “oprichtende leden” (Peter) is overgebleven is een pure leugen. Wij raden het IBRP aan om de juistheid van de informatie die ze toegespeeld krijgt van de IFIKS voortaan te verifiëren. Want zoals Lenin zei: “wie iemand op zijn woord gelooft is een onverbeterlijke idioot”.
b. Het feit dat iemand tot de oprichters behoort, betekent geenszins dat hij is gevrijwaard van verraad. Moeten we het IBRP eraan herinneren dat van de zes leden die de Iskra hebben opgericht (en die van een ander niveau waren dan deze bende schurken), er vier zijn die verraad hebben gepleegd en tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn overgelopen naar het burgerlijke kamp? Lenin was het enige lid van de Iskra, die tot aan het einde trouw is gebleven aan de revolutionaire zaak.
Tenslotte moeten we nog een andere waarheid herstellen: de leden van de IFIKS zijn geen “leiders van de oude garde”, zoals het IBRP beweert. Geen van deze elementen behoorde tot de “oprichters van Révolution Internationale” (die met onze afdeling in Venezuela de voorloper was van de IKS), zoals zij overal rondbazuinen om zichzelf ‘op te hemelen’ met een ongelofelijke pretentie. Zelfs niet de oudste onder hen, de onzichtbare man (en ‘grondlegger’ van de IFIKS), burger Jonas: hij verliet de organisatie onmiddellijk na de terugval van de beweging van Mei ’1968 om later, in het midden van de jaren 1970, weer terug te keren.
En het is juist om te voorkomen dat er nog meer licht wordt geworpen op hun loopbaan binnen de IKS dat de leden van de IFIKS van geen Erejury willen weten. Deze striphelden, die zichzelf voor Superman of Wondervrouw houden, bedriegen liever iedereen die, zoals het IBRP, heel graag hun kinderverhaaltjes geloven. Het is niet omdat ze heel lang militant zijn geweest of benoemd werden in centrale organen dat ze “leiders van de oude garde” waren. In feite spelen ze “Aap, wat heb je mooie jongen” met elkaar om hun blazoen op te poetsen: het IBRP stuurt bloemen aan de leden van de IFIKS door ze voor te stellen als “leiders” van de “oude garde van de IKS” en de IFIKS betaald ervoor met de verklaring dat het IBRP de “enige serieuze pool van krachtenbundeling van de Kommunistische Linkerzijde” is. Daarop komt de hele diplomatieke ruil neer tussen het IBRP en de IFIKS!
“In België gaat het beter dan elders” zei Verhofstadt nog niet zo lang geleden en sommige statistieken in de burgerlijke pers die de balans van 2004 opmaken zouden dit bevestigen. Toch vonden de vakbonden, de waakhonden bij uitstek van diezelfde bourgeoisie, het nodig om tegen het einde van datzelfde jaar 2004, op 21 december, een brede manifestatie te organiseren met bijna vijftigduizend arbeiders in de straten van de hoofdstad. Zoals de herhaalde oproepen van de werkgeversorganisaties aantonen, wordt in de schoot van de bourgeoisie zelf een andere toon aangeslagen, één die niet langer verhult dat de behoeften van de crisis vereisen om het mes te zetten in het hart van de hele sociale zekerheid. De neteligheid van de situatie vergt een verandering in de houding van de bourgeoisie en dus een heel andere toon. Dit geeft nu al aanleiding tot grote spanningen in haar midden, met bijvoorbeeld het openlijk rechtse offensief in de VLD achter De Decker en de terugkeer naar een grotere liberale orthodoxie in het Mouvement Réformateur achter Reynders ten koste van de vleugel rond Louis Michel. Meerdere jaren lang is de paarse regering, met haar ‘linkse’ en ‘progressieve’ imago en vooral met haar andere politieke cultuur van “open en democratisch debat”, erin geslaagd om de anti-arbeidersmaatregelen als eerlijke compromissen en zelfs als cadeautjes aan de bevolking te verkopen. Zo is zij erin geslaagd om een psychologisch klimaat te handhaven waarin de bevolking en de arbeidersklasse een bepaald vertrouwen bleven koesteren in de regering en de toekomst niet al te bevreesd tegemoet zagen. Maar aan de vooravond van 2005 begint deze camouflage van de werkelijkheid van de crisis rafelig te worden. Inderdaad, ondanks de leugenachtige beweringen die Verhofstad en zijn kliek maar blijven colporteren, is de situatie in België niet beter dan die van zijn buurlanden en beginnen ongerustheid en ontevredenheid binnen de arbeidersklasse om zich heen te grijpen.
Deze ommekeer in de situatie is al heel zichtbaar in talrijke landen zoals in Duitsland, Frankrijk, Nederland, Spanje en Italië, maar ook in de Verenigde Staten en Brazilië, waar de regeringen de aanvallen op het geheel van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse hebben verdubbeld. Deze nieuwe sociaal-economische maatregelen hebben reeds reacties van de arbeidersklasse opgeroepen, zoals in Duitsland, Spanje en Nederland (zie Internationalisme, nr. 312-313).
Sinds 2001 zijn de begrotingen en de verwachte groeicijfers overal ter wereld in neerwaartse zin herzien. De economische groei in de Eurozone was gemiddeld 1%. Landen als Duitsland en Nederland verkeerden officieel in recessie. Frankrijk en Italië volgden hen op de voet. Desalniettemin beleven we sinds de regeringsverklaring van september 2003 een voortdurend vertoon van euforie over de gezondheidstoestand van de economische situatie in België, teneinde de werkelijkheid van de crisis te verbergen. Het is in deze context dat de ‘paarse’ (socialistisch-liberale) regering de ‘Banenconferentie’ opende in samenwerking met de vakbonden en de patroons, met een enthousiasme dat door de economische situatie geenszins werd gerechtvaardigd: “Op weg naar 200.000 banen voor 2007” bazuinde de premier. De regering gaf daarvoor vijf dossiers vrij ‘ter onderhandeling’, waarin evenveel aanvallen tegen de arbeidersklasse verpakt zaten: belastingverlaging voor de ondernemingen, het aanmoedien van de ondernemingsgeest, het scheppen van werkgelegenheid, de begeleiding van werklozen – naast het op de rails zetten, voor later, van sleuteldossiers als de alternatieve financiering van de sociale zekerheid, de loonmatiging, de eindeloopbaandossiers. In de jaren 1990 heeft men de arbeiders ouder dan vijftig jaar aangespoord om een prépensioen te vragen onder het voorwendsel dat ze plaats zouden maken voor jongeren, en nu keert men de zaken eenvoudigweg om. Maar dat is allemaal zand in de ogen strooien, want in werkelijkheid gaat het erom in de vervroegde pensioenen en in de pensioenen zélf te hakken, naar het voorbeeld van Frankrijk, Duitsland, Nederland,... Al in de jaren 1990 heeft de toenmalige regering de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen van 60 naar 65 jaren opgetrokken, zonder veel ophef te veroorzaken. Zij kon toen profiteren van de diepe terugval in strijdbaarheid en bewustzijn van de arbeidersklasse.
Om al haar plannen tot een succesvol einde te brengen vroeg de bourgeoisie aan de arbeidersklasse om solidair mee te werken. Wat een succes! In plaats van banen te zien ontstaan, kondigde de automobielfabriek Ford met ingang oktober 2003, nog bijna staande de ‘Banenconferentie’, brutaalweg het ontslag aan van 3.000 arbeiders, dat wil zeggen van een derde van de arbeidsplaatsen in de laatste grote onderneming van Limburg. Ondertussen stapelen de massaontslagen zich op indrukwekkende wijze op: van 2001 tot oktober 2003 zijn er niet minder dan 40.000 arbeidsplaatsen verdwenen. En alleen in 2004 hebben De Post en de NMBS 4.000 banen laten vervallen. Het is in dit kader van voortdurende economische verloedering en van toename van de werkloosheid dat de regering Verhofstadt II een plan ter “begeleiding van werklozen” lanceert met aanwerving van 120 controleurs (ziedaar de schepping van werkgelegenheid!)... om de jacht op de werklozen beter te organiseren.
Sindsdien is de situatie nog verslechterd. De economen sluiten een recessie voor 2005 niet langer uit.
De open recessie die de meeste landen al vier jaar teistert en de nieuwe kolossale schuldenopeenhoping vormen de belangrijkste kenmerken van de verdieping van de economische wereldcrisis. In België bedraagt de bruto schuldenlast nog altijd 100% van het BIP, een van de zwaarste van de Europese staten. De schuldenlast groeit ook voor de gezinnen en men begint zich het hoofd te breken over de ontwikkeling van de armoede in de grote steden, maar vooral in de oude industriële centra van de twintigste eeuw die zijn omgevormd in economische woestijnen of in toeristische reservaten gewijd aan industriële archeologie. Sommige wijken van Charleroi en Luik tellen dertig tot veertig procent werklozen. Eén Belg op de vier is op de een of andere wijze afhankelijk van een sociale uitkering. Het wordt voor de bourgeoisie steeds moeilijker om dergelijke omstandigheden te verbergen en ze legt de nadruk op cijfers die ‘België’ laten zien tussen “de landen waar het goed leven is”. Een enquête van La Libre Belgique becijferde dat ongeveer 200.000 gezinnen in dit land de armoedegrens hadden bereikt.
Met bijna 8.000 bankroeten bereikte het aantal bedrijfssluitingen een nieuw historisch record waarbij 18.550 arbeidsplaatsen verloren gingen. De gouverneur van de nationale bank voorziet een groeivoet van 2,7% en de schepping van maar 17.700 banen in 2004. Maar voor 2005 verwacht hij 45.000 nieuwe banen met 2,5% groei. De VBO net als verschillende economen geven toe dat die cijfers overdreven optimistisch zijn en dat zo’n zwak groeiritme van de economische activiteit geen nieuwe banen meer zal opleveren. We staan ver van de 60.000 per jaar die Verhofstadt beloofde! De werkloosheid groeit onophoudelijk ondanks de jacht die op werklozen wordt gemaakt. In november 2004 waren er 8,6% meer werklozen dan in november van het jaar ervoor. Op een actieve bevolking van 4.975.000 personen zijn er 770.600 officiële werklozen waarbij de honderdduizenden niet-werkenden moeten worden opgeteld die afhankelijk zijn van de OCMW’s en andere diensten of helemaal geen uitkering hebben.
Momenteel wordt een aanval uitgevoerd op de arbeidstijd, overwerk en via de flexibiliteit van de werktijd. Meer werken volgens de behoeften van het kapitaal tegen minder loon. Daaruit bestaan de wensen van de bourgeoisie voor het nieuwe jaar. De collectieve arbeidsovereenkomsten worden niet langer gerespecteerd, noch in de privé-sector, noch door de staat die bijvoorbeeld weigert om bij De Post 36 in plaats van 38 uur te laten werken omdat dat “Zeer slecht is om nieuwe geldschieters aan te trekken”.
De aanvallen op de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen, de uitgaven voor de gezondheidszorg en het onderwijs laten op hun beurt de ernst van de crisis zien net als het onvermogen van de bourgeoisie om de sociale zekerheid nog langer te financieren. Gesteund door het algemene offensief van de bourgeoisie in Europa en haar klankkast in de vorm van de Europese Richtlijnen op economisch en sociaal vlak, presenteert de patronale belangenvereniging, het VBO, een eisenpakket voor de collectieve arbeidsovereenkomsten voor 2005/2006: loonbevriezing, ter discussie stelling van de loonindex, terugkeer naar de vrijheid om overuren te maken, grondige hervorming van de vervroegde pensioenen. In tegenstelling tot wat de vakbonden beweren is dat geen patronaal opbod, maar een concreet doel voor de gehele bourgeoisie. Wat ook niet vergeten kan worden is dat de vermindering van de ‘patronale lasten’ die over twee jaar 1.200.000.000 euro bedragen zullen doorwegen op het zoeken naar alternatieve financieringsbronnen voor de sociale zekerheid.
Opnieuw merken we dat België niet ontsnapt aan de algemene tendens van diepgaande en frontale aanvallen op de arbeidersklasse. Heel het geklets over de Belgische uitzondering is slechts één groot rookgordijn.
De Belgische bourgeoisie is zich heel wel bewust van de dreiging die van de arbeidersklasse uitgaat.
De opeenstapeling, de omvang en de aard van de aanvallen van de bourgeoisie zullen steeds meer de illusies ondergraven over de weldaden van een toekomstige heropleving die de heersende klasse nog altijd probeert te verspreiden. Maar bovenal, de ongerustheid bij de uitgebuiten zal toenemen, een onvrede en de vraag wordt gesteld wat hen in dit uitbuitingssysteem nog meer te wachten staat, voor hun kinderen en de komende generaties. De bourgeoisie voelt in werkelijkheid heel goed aan dat deze ongerustheid binnen de arbeidersklasse groeit, dezelfde ongerustheid die tot uitdrukking kwam bij de honderdduizenden demonstranten in Frankrijk, Oostenrijk, in Nederland en in Duitsland in 2003-2004. Zo gaan de werknemers in de gezondheidszorg al twee maanden wekelijks de straat op om hun statuten te laten herwaarderen en voor de schepping van 13.500 banen die in deze sector ontbreken. De herhaalde stakingen bij de post, de spoorwegen, de TEC in Charleroi, de MIVB, de gemeentediensten in 2003 en 2004 zijn tekenen aan de wand die ervan getuigen dat geleidelijk aan de ongerustheid algemeen begint te worden en overgaat in diepgaande onvrede. En dat vormt de aanzet voor strijdbaarheid en zelfvertrouwen van de klasse.
In die omstandigheden kozen de vakbonden het juiste moment om de lont uit het kruitvat te halen toen ze de onrust aanvoelden over de crisis en de plannen met de sociale zekerheid en de pensioenen. Ze organiseerden op 21 december 2004 een machteloze optocht en een staking voordat de strijdbaarheid goed en wel tot rijping kon komen, en er bijgevolg geen mobilisatie op klassenterrein plaatsvond, enkele dagen voor het eindejaarsverlof en aan de vooravond van kerstmis, zodat deze manifestatie duidelijk een demobilisatie zonder enig vervolg was. En als ‘eenheids’-manifestatie van het gezamenlijk vakbondsfront werd zo de illusie gezaaid van een eendracht en klassenkracht terwijl het in werkelijkheid om een goed gepland en beheerst manoeuvre ging van de vakbeweging om de arbeidersklasse te verzwakken. Dat deze manifestatie niettemin 50.000 arbeiders op de been bracht, waarbij nog moeten worden opgeteld de tienduizenden arbeiders en bedienden die toen in staking waren (hoewel doorgaans machteloos thuisgebleven), toonde de ongerustheid over de toekomst en het verlies aan vertrouwen in de voornemers van de bourgeoisie.
Wat de bourgeoisie het meeste ducht is dat de arbeidersklasse zichzelf als klasse begint te herkennen en van daaruit vragen begint te stellen bij haar eigen toekomst, over de aard van de crisis en de noodzaak van een andere keuze dan het kapitalisme. Het ging de Belgische bourgeoisie om het voorkomen van de bewustwording, en daarin is zij de laatste tien jaar wonderwel geslaagd, eerst onder de paars-groene, en nu paarse regering. De democratische campagnes, de dreigingen met delocalisaties en de angst voor werkloosheid verdoofden de strijdbaarheid van het proletariaat en ronselde de arbeiders achter de ‘democratische’ staat als ‘burgers’, afgezonderd van hun klassenbroeders. Dat alles kenmerkte de aard van de strijd, hun opsluiting op de werkplek, hun corporatistisch en heterogeen karakter. Maar het einde van de welvaartsstaat draagt het zaad van de strijdvereniging in zich, want hoe meer de aanvallen een algemeen karakter aannemen, des te meer moet het antwoord van de arbeiders globaal zijn.
Ook al worden de huidige gevechten nog gekenmerkt door hun sporadisch karakter, het is door hun opeenvolging, hun massaliteit en het feit dat ze een zeer geconcentreerd proletariaat in beweging brengen, dat ze fundamenteel getuigen van een groot verlies aan vertrouwen in de toekomst die het kapitalisme ons biedt. Deze strijd brengt een groeiende bewustwording tot uiting over het feit dat de aanvallen en de aftakeling van de levensvoorwaarden de arbeiders van alle landen raakt en in geen geval het probleem van een bepaalde sector vormt, van een afzonderlijk bedrijf of land. Uiteindelijk laat het zien dat het gevoel onder de arbeiders deel uit te maken van één en dezelfde klasse groeit.
Pol&Lac / 07.01.2005
Ondanks de daling van de dollarkoers en de stijging van de olieprijs doen de specialisten van de economische voorspelling geruststellend over de groeivoeten van 2004: 4,7% voor de Verenigde Staten, 3% voor Japan, 1,6% voor de Eurozone, 9,1% voor de eerste drie kwartalen 2004 in China. Hoe moeten we die resultaten begrijpen? Gaat het beter met de wereldeconomie? De bourgeoisie stelt de Verenigde Staten en vooral China voor als het nieuwe Eldorado, maar kunnen die twee als locomotieven voor de wereld dienen en de economie opnieuw aanzwengelen, ook in Europa?
Om op die vraag te antwoorden is het in de eerste plaats nodig de toestand te analyseren van de eerste wereldmacht om zich er rekenschap van te geven dat de bourgeoisie om het hardst roept dat alles goed gaat om het groeiend failliet van haar systeem voor het proletariaat verborgen te houden.
Als de specialisten van de wereldeconomie zich ergens niet in vergissen, dan is het wel in de ernst van de schuldenlast van de eerste wereldmacht. Om de economische machine weer aan te zwengelen heeft de Amerikaanse regering de openbare en handelstekorten de vrije loop gelaten. Ze heeft op kunstmatige wijze het huishoudelijk verbruik gefinancierd (dat verbruik is goed voor tweederde van het Amerikaans Bruto Intern Product en heeft een doorslaggevende invloed op de economische activiteit) door een massale daling van de belastingen voor de huishoudens, waartoe beslist werd na de recessie van 2001 (in feite gaat het om herhaalde dalingen in 2001, 2002, 2003 en 2004, voor een totaal bedrag van 1.900 miljard dollar over tien jaar), en door rentevoeten voor bancaire leningen die op het laagste niveau werden gebracht sinds 1945 (de FED bracht de rentevoet voor leningen terug tot 1%). Ondanks die maatregelen is de economische groei de laatste maanden teruggevallen van 5 tot 3,5%. Het vertrouwen van de huishoudens is nog gedaald in oktober 2004, tot het laagste niveau van de laatste zeven maanden, en de tekorten blijven aangroeien. De Amerikaanse regering spreekt zelfs van ‘tweelingtekorten’ om de ernst ervan aan te duiden. Het begrotingstekort is gestegen tot 413 miljard dollar, na de 377 miljard van 2003. De experts verwachten dat er tot 2011 3000 miljard dollar extra schulden zullen worden opgestapeld. “De regering moet momenteel 1,1 miljard dollar per dag lenen en geeft nog meer uit om de interesten op de schuld (159 miljard) te betalen, wat overeenkomt met de gezamenlijke begrotingen van onderwijs, binnenlandse veiligheid, justitie, politie, oud-strijders, ruimteonderzoek en internationale hulp.” (Le Monde, 04-11-2004) Wat het handelstekort betreft, dat overstijgt de 650 miljard dollar, otewel 5,7% van het BIP. De toestand is niet beter in de andere kapitalistische staten. De plotse stijging van de olieprijs en de hoge vlucht van de euro zullen de groeivoeten in Europa terugbrengen tot hoogstens 2%, terwijl de openbare schuld overal blijft toenemen en geen enkele Europese staat nog de regel kan toepassen van een maximumtekort van 3%, zoals vastgelegd in het verdrag van Maastricht. Een tekort van meer dan 4,1% voor Frankrijk, 3,9% voor Duitsland, 3,2% voor Groot-Brittannië (het dubbele van vorig jaar), meer dan 4% voor Italië.
De topontmoetingen van de G7, de zeven grootste economische machten, volgen elkaar op en lijken op elkaar omdat achter de eensgezinde en voluntaristische verklaringen ten gunste van een gemeenschappelijk beleid er in werkelijkheid precies het tegenovergestelde gebeurt. Door de verscherping van de crisis en met name de Amerikaanse schuldenlast, die gevaar op inflatie meebrengt, wordt de concurrentie verhevigd die aan de basis van het kapitalistisch systeem ligt. Met de daling van de rentevoeten heeft de Amerikaanse regering een politiek ontwikkeld van daling van de dollar ten opzichte van de euro, de voornaamste concurrerende munt, om delen van de markten voor uitvoer te veroveren en om de omvang van haar financiële schuld te verminderen. Die politiek van ‘competitieve devaluatie’ gebruikten de Verenigde Staten al in de jaren 1980 en 1995. Wat nu anders is, is de context waarin de Amerikaanse regering deze daling van de dollar gebruikt, namelijk een ongekende opstapeling van de schuldenlast van haareconomie. In de economische oorlog die nu woedt heeft de dollar een kwart van zijn waarde verloren en gaat het buitenlandse tekort de 5,5% van het Amerikaans BIP overstijgen. “Het terugbrengen van het BIP tot onder de 3,5%, wat de bedoeling lijkt te zijn, zal waarschijnlijk een verdere ontwaarding van de dollar met 35% tegenover alle andere munten noodzakelijk maken. De waardevermindering van het groene briefje is een poging om de Amerikaanse economie naar nieuwe evenwichten te brengen. De euro zou moeten stijgen tot 1,70 dollar, wat een zware tol zou zijn voor de Europese uitvoer.” (Les Echos, 6.11.04). Bij dit vooruitzicht op een nooit geziene daling van de dollar bedreigen de voornaamste Europese landen en Japan (waarvan de beperkte economische heropleving steunt op een opflakkering van de uitvoer) de Verenigde Staten openlijk met een interventie van hun centrale banken op de financiële markten om de Amerikaanse deviezen duurder te maken. De ernst van de huidige toestand schuilt niet zozeer in de concurrentie tussen de industrielanden, die de essentie is van het kapitalisme, maar in de tendens dat deze concurrentie juist in het hart van het kapitalisme (Verenigde Staten, Canada, Europa, Japan) de minimale overeenstemming op zal blazen die tot nu toe tussen de grootmachten bestond om de gevolgen van de crisis af te wentelen op de rest van de wereld.
In die context van monsterachtige schuldenlasten van de voornaamste ontwikkelde landen en van de daling van de dollar, deed het uit de pan swingen van de grondstofprijzen, met name van de olie, het spook weer opdoemen van de inflatie die de wereldeconomie in de loop van de jaren 1970 grote schade toebracht. Vandaar deze waarschuwing van het Internationale Monetaire Fonds: “Te lang wachten met een reactie op de eerste tekenen van inflatie zou wel eens moeilijk te herstellen kunnen blijken, en zou de centrale banken een deel van de geloofwaardigheid kunnen kosten die zij in de jaren 1980 en 1990 opgebouwd hebben.” (Le Monde, 1.10.04). Ondanks deze waarschuwing richten de burgerlijke experts alle aandacht op de oorzaken van deze stijging die zou liggen in een forse stijging van de vraag naar olie op wereldvlak, met name in China en de Verenigde Staten, en met een zekere tijdelijke instabiliteit in de bevoorrading waartegenover sommige producerende landen hun productiequota kunnen verhogen. De marxistische analyse daarentegen situeert het probleem in een globaler analysekader. In tegenstelling tot de voorgaande stijgingen, in 1973, 1979 of van 1997 tot 2000, die door de Verenigde Staten uitvoerig gebruikt werden in de handelsoorlog tegen de andere kapitalistische staten, Europa en Japan vooral (zie ons artikel Stijging van de olieprijs: geen oorzaak maar gevolg van de crisis, in Internationale Revue, nr. 19), heeft de huidige stijging de Amerikaanse economie in het algemeen en met name de consumptie door de huishoudens zwaar benadeeld, in een context waarin de Verenigde Staten gedwongen zijn veel meer olie in te voeren dan vroeger. De hoge olieprijs leidt onmiddellijk tot een vergroting van het Amerikaans begrotingstekort, te meer daar de olie in dollars wordt betaald en gezien de wisselkoers dus duurder is voor de Amerikanen dan voor de Europese economieën (die een vat in een munt betalen, de dollar, die goedkoper is dan hun eigen munt, de euro). Zo toont de stijging van de olieprijs de ernst van de economische crisis en meteen ook het verband dat kan bestaan met de huidige oorlogen. Er zit een deel speculatie in de prijsstijging (de experts schatten dat op 4 tot 8 dollar), maar zij is ook uitdrukking van het groeiend gewicht van chaos en barbarij op wereldschaal. Het onvermogen van de Verenigde Staten om de Iraakse productie opnieuw op te starten tengevolge van het militair drijfzand waarin zij verzinken, de dreiging met aanslagen op de installaties van de grootste producent, Saoedi-Arabië, de sociale onrust in Venezuela en Nigeria zijn daarbij de voornaamste factoren. Dit geheel van gebeurtenissen toont dat er niet aan de ene kant het economisch aspect is en aan het andere het militaire of imperialistische aspect, maar dat er een steeds grotere wisselwerking bestaat tussen een geheel van die factoren die elkaar voeden om uit te monden in een steeds chaotischer situatie die steeds minder controleerbaar wordt voor de bourgeoisie. De groeiende instabiliteit en wanorde in de kapitalistische wereld voedt de economische instabiliteit, die op haar beurt alleen maar meer militaire instabiliteit kan veroorzaken.
In deze context van astronomische verschulding van de wereldeconomie en met name van de eerste wereldmacht moeten we de groei aanklagen van de militaire uitgaven die de begrotingstekorten nog vergroten en wel ten koste van de civiele budgetten die alleen maar kunnen wegsmelten om de zich verbreidende barbaarsheid te financieren.
Zo hebben de Verenigde Staten sinds het ontketenen van de oorlog in Irak en tot aan de huidige bezetting van het land 140 miljard dollar uitgegeven. Die inspanning bleek niet voldoende want “het Pentagon heeft zopas, begin november, extra kredieten van 7 miljard dollar gevraagd om de militaire operaties in 2005 te financieren” (Le Monde, 09.11.2004). De begroting van het Pentagon zal in 2005 boven de 400 miljard dollar uitstijgen, zonder de kosten te rekenen van de oorlogen in Irak en Afghanistan. Dat is bijna de helft van de wereldwijde militaire uitgaven (45% om precies te zijn).
Vergelijking met de voorgaande oorlogen doet ons de absurde omvang van de huidige uitgaven beseffen. De Eerste Wereldoorlog kostte de Amerikaanse economie 190,6 miljard dollar. De Tweede Wereldoorlog 2.896,3 miljard dollar, de eerste Golfoorlog in 1991 slokte in enkele maanden 76,1 miljard dollar op (bron: Problémes Economiques, 01.09.2004).
Maar de andere staten blijven daarin niet achter en we kunnen als voorbeeld Frankrijk aanhalen, wetende dat sinds het einde van de jaren 1990 de militaire begrotingen over heel de wereld in de lift zitten. Terwijl de begroting van het Franse leger al aanzienlijk gestegen was, heeft de regering beslist “550 miljoen euro extra toe te wijzen om de militaire inzet die aan de gang is in Ivoorkust te financieren, en nog eens 100 miljoen euro voor andere operaties in het buitenland. Die uitgaven vinden plaats ten koste van de civiele ministeries.” (Les Echos, 10.11.2004).
In tegenstelling tot wat de bourgeoisie ons verteld, is wat ingebracht wordt in de militaire sfeer niet bestemd voor de reproductie van het productieve kapitaal, maar komt het neer op de vernietiging, puur en simpel, van het geïnvesteerde kapitaal. Dat betekent dat de ontwikkeling van het militarisme en de toename van de uitgaven die eraan verbonden zijn een extra last is die het economisch moeras alleen maar kan vergroten.
Achter de cijfers van de zogenaamde kapitalistische groei voor 2004 gaat in werkelijkheid een nieuwe, dramatische etappe schuil van verheviging van de crisis die het failliet aantoont van de kapitalistische productiewijze.
Donald / 12.12.2004
In Irak volgen de aanslagen elkaar op De dood maakt slachtoffers met tientallen tegelijk. Het Amerikaanse leger telt op dit ogenblik al 1.276 doden (waarvan meer dan 100 de laatste maand) en 9.765 gewonden. De aanval op Falloedja heeft minstens 2.000 slachtoffers gemaakt bij de rebellen. Er is geen enkele balans opgemaakt over de tienduizenden inwoners die niet konden vluchten omdat ze opgesloten waren tussen de gevechten. De balans van de oorlog loopt al op tot minimaal 15.000 slachtoffers. Een Engels medisch tijdschrift bracht een werkelijke balans van 100.000 doden in de openbaarheid!
Aanslag na aanslag sommen de media het aantal slachtoffers op, een sinister dagelijks register van de barbarij tussen de rubriek van ‘overig nieuws’ en maatschappelijke vraagstukken in het algemeen, alsof het ging om nieuws zoals al het andere. Deze banalisering van de wreedheden, voorgesteld als onontkoombar, als een ‘natuurverschijnsel’ en gepaard gaand met leugens en ideologische campagnes van de heersende klasse over de oorzaken ervan, heeft slechts tot doel om de barbarij, die wordt voortgebracht door het kapitalisme in ontbinding, voor het proletariaat aanvaardbaar te maken en de verontwaardiging die ze opwekt te neutraliseren. Deze gewenning aan de barbarij, een werkelijk gif voor het bewustzijn van het proletariaat dat er voortdurend wordt ingelepeld, moet bestreden worden omdat het een van de middelen is waarmee de bourgeoisie de passiviteit van de arbeidersklasse in stand houdt en daarmee haar klassenheerschappij over de maatschappij verzekert.
De uitbreiding van de barbarij betekent een van de meest monsterlijke manifestaties van het bankroet van het wegrottende kapitalistische systeem. Het kapitalisme, dat steeds groter delen van de planeet onderwerpt aan de gesel van de oorlog, vertegenwoordigt een bedreiging voor de beschaving en zelfs voor het overleven van de mensheid.
De grootste operatie van de Amerikaanse troepen sinds de val van Saddam Hussein, tegen de stad Falloedja; het voortzetten van de militaire offensieven “in de komenden weken en maanden” die zelfs zouden “toenemen bij het naderen van de Iraakse verkiezingen” (1); en de acties die sinds november worden uitgevoerd door 5.000 soldaten in de “dodendriehoek” van de provincie van Babylon, bieden geen enkel uitzicht op stabilisering. Het land is overgeleverd aan anarchie en aan krachtmetingen die bedoeld zijn om de voorwaarden te scheppen voor het houden van algemene verkiezingen die geloofwaardigheid moeten verlenen aan de Amerikaanse aanwezigheid in Irak. Maar de reactie van de Verenigde Staten op hun verlies aan controle over het land draagt enkel bij tot de ineenstorting van de Iraakse staat in een veralgemeende burgeroorlog en tot spanningen tussen de verschillende klieken ter plaatse. De bloedige aanslagen en de moorddadige schermutselingen nemen hand over hand toe in het hele gebied en geen enkel deel blijft daarvan gespaard.
In Bagdad zelf worden de aanslagen voortaan rechtstreeks gepleegd op de “groene zone”, de ultra-beveiligde sector van het centrum. De weg naar de luchthaven, die afgesloten is sinds er met raketten werd geschoten op Amerikaanse vliegtuigen, staat buiten Amerikaanse controle. Door gevechten in de stad bij volle daglicht moesten pantserwagens worden ingezet en werden hele wijken afgegrendeld. Ramadi kwam onder controle van de guerrilla te staan. Gevechten zijn aan de gang in het noorden, in Balad, Baji en Baaquba. Mossoel, de Koerdische hoofdstad, werd ingenomen en bleef drie dagen in handen van de opstandelingen van Falloedja. De Koerdische peshmerga’s, die het gros vormen van de nationale Iraakse garde die ingezet werd in Falloedja en bij de herinname van Mossoel, zijn steeds meer betrokken bij de botsingen.
De inname van Falloedja (een stad die “een groot aantal van de officieren van het leger en van de veiligheidstroepen van Saddam Hussein leverde en die deelnamen aan de onderdrukking van de Sjiïteten” (2) en dat een schuiloord was van deze kaders van het oude regime na de eerste slag om Falloedja), die plaatsvond met de stilzwijgende instemming van de sjiïtische gezagshebbers, verscherpt de spanningen tussen Sjiïten en Soennieten. Zo zijn “Hilla, een sjiïtische stad, en Latifiya, een soennitische stad, begonnen met een heimelijke onderlinge oorlog via moorden, hinderlagen en ontvoeringen” (3). Er is al een anti-soennitische Sjiïtische militie in het leven geroepen. Ook de verdeeldheid tussen de verschillende partijen rond de verkiezingen belooftbloedige afrekeningen tussen rivaliserende fracties. De Sjiïten, die 60% van de bevolking van Irak uitmaken, en die lange tijd onder Saddam Hussein van de macht waren uitgesloten, zijn onder leiding van de ayatollah Al-Sistani de warmste voorstanders van het houden van verkiezingen waaruit zij munt hopen te slaan. Maar de sjiïtische fractie van Moktada Al-Sadr, die dit jaar twee anti-Amerikaanse opstanden heeft aangevoerd, weigert er aan deel te nemen omdat tegen haar medestanders vervolgingen zijn ingezet.
Erfvijanden als de Koerdische organisaties UPK en UDK hebben zich voor de gelegenheid aaneengesloten. Onder de Soennieten is de verkiezingsboycot doorbroken; hoewel de belangrijkste organisatie, het Comité van de Oelema’s, vasthoudt aan zijn slogan van sabotage, hebben meerdere Soennitische organisaties beslist om hun eigen kaarten uit te spelen, met name de Islamitische Partij, die voortkomt uit het Moslimbroederschap. In dit wespennest verveelvoudigde het aantal politieke moorden en aanslagen op hooggeplaatste persoonlijkheden.
De toename van de terroristische aanslagen bij de nadering van de verkiezingen ontstaat niet uit zichzelf: het is het oorlogswapen dat de imperialisten die rivaliseren met de Verenigde Staten stiekem gebruiken om de Amerikaanse positie te ondermijnen.
Ondanks de wereldwijde verzwakking van de Verenigde Staten en de verzwakking van hun positie in Irak, waar nieuwe terugtrekkingen van geallieerde troepen worden aangekondigd (door Hongarije eind december, door Nederland in maart), slaan ze terug zoals bleek uit het houden van de conferentie over Irak in Sharm-el-Sheikh op 25 november. Eerst en vooral bezegelt deze de terugkeer van de Verenigde Staten in het kader van de Verenigde Naties. Dat stelt hen weer in staat om hun imperialistische afpersingen te verdoezelen achter de wettelijkheid van het ‘internationaal recht’, zoals toegekend in resolutie 1546, die weer als basis diende voor de nieuw aangenomen resolutie. Door zich achter het multilateralisme te scharen kunnen de Verenigde Staten zich momenteel aan hun rivalen opdringen, voornamelijk aan Frankrijk. De Verenigde Staten zijn er in geslaagd om het Franse imperialisme een toontje lager te laten zingen en de pogingen van Frankrijk om de eigen invloed in Irak te vergroten terug te brengen tot ijdele pogingen: Frankrijk, “dat er als eerste bij was om samen met Rusland te eisen dat er een internationale conferentie zou komen over Irak, heeft zijn ambities moeten bijstellen. Terwijl het een kalender eiste voor de terugtrekking van de coalitietroepen, moet het nu genoegen nemen met een vage verwijzing naar het tijdelijke karakter van hun aanwezigheid in Irak” (4).
Bovendien werd het Franse voorstel verworpen om de conferentie niet enkel open te stellen voor de Amerikaanse beschermelingen die aan de macht zijn in Bagdad, maar voor alle Irakese politieke krachten, “daarbij inbegrepen een bepaald aantal groepen of mensen die op dit ogenblik de weg gekozen hebben voor de gewapende verzet” (5), om zo aan allen die enig heil verwachten van Frankrijk duidelijk te maken dat dit land niet over de middelen beschikt om zijn aanspraken te laten gelden.
Bovendien lieten ze Frankrijk in het stof bijten met het akkoord over de vermindering van de Iraakse schuld met 80%. Frankrijk wilde, met de steun van Moskou en Berlijn, de belangrijkste geldschieters van Irak, ten gunste van een kliek die afhankelijk is van de Amerikaanse invloed niet verder gaan dan 50%.
Irak vormt het zenuwcentrum van de botsingen tussen de grootmachten die elkaar bestrijden om hun plaats op imperialistische rangorde van de wereld te behouden. De vlucht naar voren door het gebruik van de Amerikaanse militaire macht (waarvan de mankracht wordt opgevoerd van 142.000 tot 150.000 tegen eind januari), evenals het opbod dat dit met zich meebrengt, versnelt niet alleen het uiteenvallen van Irak, maar de schokgolven zijn ook voelbaar in de naburige landen waar de middelpuntvliedende krachten naar uiteenspatting eveneens worden versterkt. Van Palestina tot Pakistan, van Arabië tot de Kaukasus, de destabilisering van deze voor de kapitalistische wereld strategisch belangrijkste zone zal zware gevolgen hebben voor heel de wereldsituatie. De onderdompeling in de chaos van heel deze regio maakt op dramatische wijze duidelijk dat in de ontbindingsfase van het kapitalisme de imperialistische rivaliteiten en het doorlopend gebruik van de militaire macht (die er enkel toe bijdraagt dat de conflicten zich uitbreiden en steeds meer uit dehand lopen), de belangrijkste factor vormt in de ongekende ontwikkeling van barbarij.
Scott / 15.12.2004
1. Rumsfeld geciteerd door Libération, van 26.11.2004.
2. Libération, van 16.11.2004.
3. Ibid.
4. Libération, van 22.11.2004.
5. M. Barnier, Ibid.
Op vrijdag 5 november heeft de IKS, dankzij de steun van de militanten van de NCI uit Argentinië, een openbare bijeenkomst gehouden in Florencio Varela, een voorstad van Buenos Aires. Het thema was de evolutie van de klassenstrijd op wereldvlak. Zoals tijdens de voorgaande openbare bijeenkomst in augustus, was de inleiding kort gehouden om het debat zich zoveel mogelijk te laten ontwikkelen.
De inleiding legde niet alleen de wrede aanvallen op haar levensvoorwaarden bloot die de arbeidersklasse overal ter wereld ondergaat, ook in de meest ontwikkelde landen, maar ook de ontwikkeling van de oorlogsbarbarij. Ze verdedigde dat deze verschillende aspecten van de internationale situatie direct het product zijn van het kapitalisme in zijn vervalfase en vandaag van zijn ontbinding. Tegenover deze situatie gaat de arbeidersklasse vandaag opnieuw de weg van de strijd op, al gaat dat gepaard met veel moeilijkheden. Zij neemt de strijd weer op na een lange periode van openlijke terugval na het ineenstorten van het Oostblok, een terugval die te wijten was aan het gebruik door de bourgeoisie van het bankroet van het stalinisme om dit op leugenachtige wijze te associëren met het marxisme en het kommunisme. Deze hernieuwde ontplooiing van strijdbaarheid van de arbeiders illustreert dat de effecten van deze campagne aan het vervagen zijn. De heropname van de arbeidersgevechten laat zich concreet vaststellen aan de hand van de gevechten in de lente van 2003 in Frankrijk en Oostenrijk tegen de ‘hervorming’ van de pensioenen, de mobilisaties van de trambestuurders in Italië, van de engelse postbodes en brandweerlieden in de winter van 2003, vervolgens die van de arbeiders van de FIAT fabrieken in het zuiden van Italië, de gevechten in Duitsland van de arbeiders van Siemens, Porsche, Bosch, Alcatel, maar ook van Mercedes-Daimler-Chrysler; de gevechten van de scheepswerfarbeiders in Spanje (El Ferrol in Galicië, Puerto Real en San Fernando in de buurt van Cadiz, Sestao bij Bilbao). Deze internationale heropleving van de strijdbaarheid van de arbeiders werd nog eens geïllustreerd door massale betogingen zoals die van 45.000 personen in Berlijn op 2 oktober en op dezelfde dag in Amsterdam, met [ruim] 200.000 deelnemers tegen de plannen van de regering. Vervolgens gingen op 14 oktober 9.000 arbeiders van Opel-Bochum in Duitsland in staking tegen de aankondiging van een ontslagplan. De presentatie heeft onderstreept dat de behoefte aan solidariteit een zeer belangrijk kenmerk was van deze bewegingen: we hebben gezien hoe er zich in het bijzonder in de strijd bij Daimler-Benz een begin van arbeiderssolidariteit ontwikkelde tussen de arbeiders van twee fabrieken waar de bourgeoisie geprobeerd had om deze tegen elkaar op te zetten. In de schoot van deze inspanning van de arbeidersklasse om haar strijd te ontwikkelen, moeten we bovendien de opkomst van politieke overdenking in de diepte signaleren, op basis van het groeiende verlies aan illusies over de toekomst die het kapitalisme voor ons in petto heeft. Deze bewegingen hebben aangetoond dat zich geleidelijk aan het bewustzijn ontwikkelt dat alle sectoren van de arbeidersklasse in alle landen worden aangevallen en een zoektocht wordt ondernomen naar het perspectief van een andere maatschappij, al is deze nog verward. Er ontwikkelt zich dus in de schoot van de arbeidersklasse opnieuw het bewustzijn te behoren tot een aangevallen klasse, en deze bewustwording ligt aan de basis van het zoeken naar solidariteit, die onmisbaar is voor de klassenstrijd.
De deelnemers aan deze openbare bijeenkomst, de NCI zowel als anderen, hebben de informatie over de strijd in Europa die de presentatie van de IKS gaf, begroet. Dit maakte het voor hen mogelijk om beter te begrijpen dat de gevechten die zich ook in Argentinië ontwikkelen (het voorbeeld van een strijd in een vleescoöperatie werd aangehaald, en er zijn nog andere voorbeelden), hun volle betekenis krijgen binnen deze internationale dynamiek. Zij benadrukten dat er veel klassengevechten in de wereld plaatsvinden maar dat de media hier geen enkele informatie over verstrekken. Een van de deelnemers onderstreepte dat zich sinds het midden van de jaren 1990 in Argentinië een ‘volksstrijd’ ontwikkelt tegen zeer harde aanvallen. Hij toonde aan dat de recente gevechten in Argentinië tot aan het in vraagstellen van de staat waren gegaan. De kameraden van de NCI bevestigden hierop dat zij deze visie niet delen. Ook de IKS kwam tussen om te benadrukken dat alleen de arbeidersklasse de staat in vraag kan stellen via een massale, eensgezinde strijd die zich bewust is van wat er historisch op het spel staat. Wij benadrukten het gevaar van de inter-klassistische strijd, waarin de arbeidersklasse wordt opgelost in de andere lagen van de bevolking en waarin zij dus haar eigen kracht als klasse verliest. Het enige perspectief om een krachtsverhouding op te bouwen tegenover de bourgeoisie en haar staat, is het ontwikkelen van haar strijd op het eigen terrein, een zelfstandige en ééngemaakte strijd van de arbeidersklasse. In 2001 hebben we inter-klassistische revoltes meegemaakt waarin het proletariaat verdronken werd tussen de andere sociale lagen. Deze revoltes hebben de staat helemaal niet van zijn stuk gebracht.
De deelnemer die deze analyse naar voren bracht, was zeer oplettend bij deze argumentatie. Hij bracht met grote oprechtheid zijn wil tot uitdrukking om te begrijpen hoe de arbeidersklasse tegenover de staat een krachtsverhouding in haar voordeel kan ontplooien.
Een ander belangrijk aspect van de discussie draaide rond de vraag: hoe te strijden tegen de versplintering van de gevechten, hoe de eenheid binnen de arbeidersklasse te ontwikkelen? Over dit vraagstuk waren alle deelnemers het eens dat de vijanden van deze eenheid de vakbonden zijn. De IKS heeft het voorbeeld kunnen aanhalen van de strijd in Polen van 1980 om aan te tonen dat deze strijd zich had kunnen ontwikkelen over heel het land omdat de arbeiders de officiële vakbonden duidelijk doorzagen als vertegenwoordigers van de Staat. Het werd nodig geacht om de vakbonden van West-Europa, die hun anti-arbeiderskarakter veel handiger kunnen verbergen, de Poolse staat ter hulp te laten snellen om de dynamiek van de beweging te breken, door hen het perspectief van nieuwe ‘democratische’ vakbonden te geven. Walesa werd de kampioen van de sabotage en de bourgeoisie is hem er zeer erkentelijk voor.
De discussie onderstreepte ook dat het perspectief ligt in het ontwikkelen van de klassensolidariteit tot op internationaal vlak aangezien het kapitalisme op internationale schaal moet vernietigd worden en dat de basis van de klassenstrijd zelf nu net het internationalisme is. Een deelnemer vroeg aan de IKS om uit te leggen hoe de arbeiders zich dan, volgens haar, in de strijd moeten organiseren. De IKS heeft het debat over de massastaking aan het begin van de twintigste eeuw, na de beweging van 1905 in Rusland, in herinnering gebracht en de lessen die daaruit getrokken werden. We herinnerden aan het feit dat de vakbonden zich toen tegen dit debat keerden. Een centrale les uit de gevechten van die periode (gekenmerkt door de intrede van het kapitalisme in zijn verval) was dat van toen af aan, de gevechten niet langer beperkt konden blijven tot de corporatie, maar zich moest uitbreiden en dat het in en door de strijd is dat de arbeidersklasse haar strijdorganen doet ontstaan: algemene vergaderingen die gekozen en afzetbare comités kiezen. Deze organisatie maakt het de klasse mogelijk om de controle over haar strijd te behouden. Deze organisatie maakt de werkelijke uitbreiding ervan mogelijk .De vakbonden hebben verraad gepleegd en werden door de staat opgeslorpt omdat de arbeiders geen gebruik meer konden maken van permanente eenheidsorganisaties. Sindsdien zijn het de vakbonden die gestreden hebben tegen deze zelfstandige organisatie van de klasse, die verdwijnt zodra de strijd gestaakt wordt.
Aan het einde van het debat werd het vraagstuk van de ‘piqueteros’ te berde gebracht door diezelfde deelnemer. Volgens hem gaat het om een authentieke strijd van de werklozen, dus om een arbeidersstrijd aangezien de werklozen deel uitmaken van de arbeidersklasse. De IKS, net als de kameraden van de NCI, hebben hierop geantwoord dat ook al is het waar dat de werklozen deel uitmaken van de arbeidersklasse, en dat er veel werkloze arbeiders deel uitmaken van de beweging van de ‘piqueteros’, dit niet volstaat om deze een proletarische aard toe te kennen. In de vakbonden zijn er ook arbeiders, maar toch zijn deze daarom nog geen organisatie van de klasse. De beweging van de ‘piqueteros’ verdeelt de arbeiders in werklozen en actieven, en de werklozen onder elkaar aangezien er verschillende organisaties van ‘piqueteros’ bestaan. Bovendien hebben de arbeiders die er deel van uitmaken geen enkele zelfstandigheid en kunnen ze over niets beslissen. Zij zijn eenvoudigweg een manoeuvreermassa, die volkomen wordt gemanipuleerd. In die omstandigheden zijn de 150 peso’s die ze elke maand van de staat ontvangen, niet het gevolg van een krachtsverhouding die zij afgedwongen hebben, zoals de kameraad denkt, maar wel de prijs voor bewezen diensten, zelfs al zijn zij er zich niet van bewust.
De kameraad zei dat hij hier niet mee akkoord gaat, maar bevestigde dat hij erover nadenkt, en dat hij bereid is om het debat over deze vraag voort te zetten – een houding die de IKS heeft begroet.
De conclusie van de IKS heeft zodoende kunnen benadrukken dat er punten van akkoord waren over het internationale aspect van de klassenstrijd, over de noodzaak om de strijd te ontwikkelen, over het verwerpen van de vakbonden, over de noodzaak om te strijden voor de ontwikkeling van de eenheid van de klasse en de ontwikkeling van de bewustwording over wat er historisch op het spel staat. Zij heeft ook vermeld dat een deelnemer niet akkoord ging over de beweging van de ‘piqueteros’ maar dat hij wel de wil had om het debat over deze vraag voort te zetten. Deze kameraad stelde het trouwens op prijs dat in de conclusie de punten van overeenstemming en de meningsverschillen werden vermeld. Hij vroeg ook aan de IKS of zij hem de boeken van Rosa Luxemburg Inleiding tot de politieke economie en De accumulatie van het kapitaal kon verschaffen. De IKS gaat haar best doen om aan deze vraag te voldoen.
In de loop van het debat zijn de kameraden van de NCI verschillende keren tussengekomen, met name over de ‘piqueteros’; hun tussenkomsten situeerden zich in de continuïteit van hun eerdere stellingnamen (die wij gepubliceerd hebben in onze Internationale Revue). Ze hebben ook gezegd dat zij de historische verheldering van de IKS erg op prijs stellen. Er moet nog worden vermeld dat de deelnemers hebben bijgedragen in de zaalhuur. Deze bijeenkomst is een werkelijk debat in de schoot van de klasse geweest; een nuttig debat, omdat het de standpunten met elkaar confronteerde in het licht van de noodzakelijke politieke verheldering voor de strijd.
IKS / 11.11.2004
Sinds de eerste ronde van de presidentsverkiezingen op 31 oktober beleeft Oekraïne een politieke crisis waarin de Russischgezinde fractie van Leonid Koetsjma en Viktor Janoekovitsj in de clinch gaat met de hervormingsgezinde opposant Viktor Joesjtsjenko, die zich uitspreekt voor een ‘opening naar het westen’. Dit alles gebeurt tegen de achtergrond van diplomatieke spanningen en dreigende verklaringen van de kant van Rusland, waarop de Europese landen en vooral de Verenigde Staten reageren door een hardere houding aan te nemen. De betwisting van de uitslag van de totaal vervalste verkiezingen van 31 oktober en 21 november liep uit op de ontwikkeling van massale betogingen in de hoofdstad van Oekraïne, met de bezetting van het centrum van Kiev en het blokkeren van de toegang tot het parlement door betogers die zeiden door te zullen gaan “tot de zege van de democratie”. De ‘oranje revolutie’ is op gang, hoorde men alom, niet allen bij de supporters van Joesjtsjenko, maar ook bij de media van de grote democratische landen die deze ‘wil’ van het Oekraïense volk om zich te ‘bevrijden’ van de aan Moskou onderworpen kliek de hemel in prezen. Met foto’s en reportages bewezen de getuigenissen in de pers “De mensen zijn niet bang meer”, “wij zullen vrijuit kunnen spreken”, “mensen die zich onaantastbaar achtten, zijn dat niet langer”, enzovoort. Kortom de hoop op een beter en vrijer leven opende zich voor de bevolking en de arbeidersklasse van Oekraïne, met als beste bewijs dat de democratie voortschrijdt: op 26 december volgde een afgedwongen derde ronde van de verkiezingen, waarin Joesjtsjenko zeker de overwinning zou binnenslepen!
Achter die campagne gaat een inzet schuil die geenszins een strijd voor de democratie is. Die inzet heeft alles te maken met de steeds scherpere confrontatie tussen de grootmachten, in het bijzonder in het kader van het offensief dat de Verenigde staten momenteel voeren in hun strategie van het ‘terugdrijven’ van Rusland in het perspectief de Oekraïne uit de Russische invloedssfeer te halen. Het is van betekenis dat de grote woede van Poetin zich vooral keert tegen Amerika, want dat steunt kandidaat Joesjtsjenko en zijn ‘oranje’ beweging.
In een toespraak in New Delhi op 5 december beschuldigde de baas van het Kremlin de Verenigde Staten ervan dat zij “de veelzijdigheid van de beschaving willen hermoduleren naar de principes van een éénpolige wereld zoals een kazerne” en dat zij “een dictatuur willen opleggen in de internationale betrekkingen die opgesmukt wordt met een mooie pseudo-democratische fraseologie”. Hij heeft de kans niet voorbij laten gaan om de Verenigde Staten met hun neus op de realiteit van hun toestand in Irak te drukken door op 7 december in Moskou aan de Iraakse eerste minister te vragen hoe die dacht “verkiezingen te houden terwijl het land geheel bezet is door vreemde troepen”! In dezelfde logica heeft de Russische president zich verzet tegen de gemeenschappelijke verklaring van de 55 landen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) om het proces te steunen dat Oekraïne uit de crisis moet helpen en de rol te bevestigen van deze organisatie bij het controleren van de derde ronde van de presidentsverkiezingen op 26 december. Bij de belediging door de ‘internationale gemeenschap’ in het gezicht van Poetin door te weigeren zijn ‘petekind’ te erkennen kwam nog eens de aankondiging dat enkele honderden waarnemers zouden worden gestuurd, niet alleen uit de Verenigde Staten, maar ook onder meer uit Canada, Groot-Brittannië en Duitsland.
Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de overhaaste oprichting van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) in 1991, bedoeld om de resten van zijn voormalig rijk te redden, is Rusland voortdurend aan zijn grenzen bedreigd, als gevolg van zijn aangeboren neiging tot verdere afbrokkeling, en onder druk van Duitsland en de Verenigde Staten. Het losbarstenvan de eerste Tsjetsjeense oorlog in 1992, en dan van de tweede in 1996, steeds onder het voorwendsel van de strijd tegen het terrorisme, heeft de brutaliteit getoond van een mogendheid over zijn hoogtepunt die ten koste van alles probeert haar greep te behouden op de regio van de Kaukasus, strategisch zo belangrijk voor de Russische staat. Het ging er Moskou om zich met deze oorlog te verzetten tegen de imperialistische activiteiten van Washington – dat probeerde Rusland te destabiliseren – en van Berlijn dat een onmiskenbare imperialistische agressiviteit ontwikkelde, zoals al te zien was in het voorjaar van 1991 toen Duitsland een rol van eerste orde speelde bij het ontketenen van het Joegoslavisch conflict.
De kwestie van de Kaukasus is nog verre van opgelost omdat de Verenigde Staten er resoluut hun pions blijven vooruitschuiven. Dat is de betekenis die we moeten geven aan het ontslag van Tsjevarnadze in 2003 met de ‘rozenrevolutie’ die een pro-Amerikaanse kliek aan de macht bracht. Daardoor kon Amerika troepen in het land stationeren, naast de troepen die het al had in Kirgizistan en Oezbekistan (ten noorden van Afghanistan), waarmee ze hun militaire aanwezigheid nog versterken ten zuiden van Rusland, met de dreiging dat land te omsingelen. Met de kwestie van Oekraïne, die zowel voor tsaristisch als voor sovjet-Rusland altijd een koningspion geweest is, stelt het probleem zich voor de Russische staat momenteel op een nog crucialer manier.
Op economisch vlak is het partnerschap tussen Oekraïne en Rusland van het grootste belang voor Moskou, maar het is vooral strategisch en militair dat de controle over Oekraïne nog vitaler is dan over de Kaukasus.
Op de eerste plaats omdat Oekraïne de derde nucleaire macht ter wereld is, dankzij de militaire atoomcentrales die het erfde van het voormalige Oostblok, en dat Moskou nodig heeft om gewicht te leggen in de schaal van de imperialistische chantage rond de controle over heel deze nucleaire macht. Vervolgens, nadat Moskou iedere mogelijkheid tot rechtstreekse toegang tot de Middellandse Zee heeft verloren, zou het verlies van Oekraïne de mogelijkheden aanzienlijk verminderen om zelfs nog de resterende toegang tot de Zwarte Zee te behouden. En achter deze toegang tot de Zwarte Zee bevinden zich de Russische nucleaire basis van Sebastopol en de Russische vloot ofwel de enige en laatste weg is die het overblijft naar Azië en Turkije. Bovendien zou het verlies van Oekraïne de Russische positie tegenover de Europese landen, in de eerste plaats Duitsland, dramatisch verzwakken. Het zou ook zijn vermogen verminderen om een rol te spelen bij de ontwikkeling van Europa en de Oost-Europese landen die al overwegend pro-Amerikaans zijn. Bovendien is het zeker dat wanneer de Oekraïne zich op het westen richt (en daardoor dus vooral door de Verenigde Staten gecontroleerd zou worden), dit de groeiende onmacht van de Russische overheid meer dan ooit zou blootleggen, wat het uiteenvallen het GOS nog zou versnellen, met heel zijn nasleep van verschrikkingen. Zonder nog rekening te houden met het feit dat een dergelijke situatie alleen maar hele streken van Rusland zelf (waarvan de plaatselijke potentaatjes toch al niets liever willen dan zich los te maken) ertoe zou aanzetten hun onafhankelijkheid uit te roepen, daartoe aangemoedigd door de grootmachten die hen daar toch al toe aanzetten.
Het is dus op korte termijn een kwestie van leven en dood voor Rusland, dat al met de rug tegen de muur staat. Het lijdt dan ook geen twijfel dat Poetin alles in het werk zal stellen om Oekraïne binnen zijn invloedssfeer te houden, of de taart toch niet aan zijn neus voorbij te laten gaan zonder zijn deel op te eisen, dan wel deze tot pap te slaan.
Zo drijft Moskou regio’s van Oekraïne, vooral in het oosten en het zuiden, ertoe zich af te scheiden, wat de chaos en de destabilisatie in het gebied nog vergroot.
Daarmee reageert hij op dezelfde logica als zijn Amerikaanse rivalen van de regering Bush wier imperialistische politiek elke dag de vreselijke barbarij nog verergert.
Door deze poging Oekraïne in handen te krijgen voeren de Verenigde Staten hun druk nog op om Rusland ertoe te dwingen zich tot zijn eigen grenzen terug te trekken en om hun eigen invloedszone te vergroten. Zij zetten immers tegelijk ook hun politiek van omsingeling van Europa voort, die begon met het ontketening van de oorlog in Afghanistan en die meer bepaald tot doel heeft de uitbreiding van Duitsland naar het oosten te blokkeren.
Het oosten van Europa is inderdaad de ‘natuurlijke’ zone voor de imperialistische expansie van Duitsland. Dat was vooral te zien in de periode van het Derde Rijk waarvan de aandacht vooral was gericht op dit deel van de wereld, maar ook al tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wanneer de Duitse bourgeoisie de praatjes van haar Amerikaanse rivaal overneemt om Rusland en zijn ‘neo-kolonialistisch’ politiek in Oekraïne aan te klagen, is dat om daar zelf in de toekomst de vruchten voor zichzelf van te plukken.
Wat zich in Oekraïne afspeelt, is dus geen spelletje met twee, maar met drie spelers, en het is geen voorspel op een stralende toekomst voor de OekraÏense bevolking, integendeel. Tot nu toe zat die in de netten van de Russische bourgeoisie, maar nu liggen drie haaien op de loer om elkaar te verscheuren en om zoveel mogelijk chaos te veroorzaken in dit land, met alle gevolgen die een dergelijke situatie kan hebben op regionaal en internationaal vlak.
Het is bijvoorbeeld zeker dat deze stap vooruit voor de Verenigde Staten niet zonder gevolgen zal blijven, niet alleen in Oekraïne, Rusland en het GOS, maar in heel de regio van centraal Azië. En als het inderdaad in de eerste plaats de grootmachten zijn die wanorde rondstrooien, dan moeten we ook niet het vermogen onderschatten van regionale machten zoals Turkije en Iran om roet in het eten te gooien; ze zullen niet passief blijven toezien en de dynamiek naar chaos nog aanwakkeren. De overheersende tendens tot uiteenspatten en tot permanente burgeroorlog in deze reusachtige zone, die sterk is toegenomen met de oorlog in Irak, zal in dit nieuwe aandachtspunt van de imperialistische spanningen een nieuwe indirecte hefboom vinden. De destabilisatie die dat meebrengt kan op haar beurt alleen maar zware gevolgen hebben met een nieuwe vlucht vooruit van talrijke landen (met op de eerste plaats Amerika dat een dolle wedren loopt om de controle van de planeet) met het ontstaan van nieuwe haarden van oorlogsspanning.
De democratische ‘keuze’ die in Oekraïne voorgesteld wordt is leugen en bedrog. De Oekraïense bevolking wordt herleid tot pionnen, gemanipuleerd en rondgeleid achter deze of gene van de rivaliserende burgerlijke fracties die elk handelen voor rekening van de ene of de andere imperialistische mogendheid. De ‘zege van de democratie’ zal geenszins de ellendige toestand van de arbeiders in Oekraïne verbeteren, maar zal hen integendeel meesleuren om hen te mobiliseren voor de verdediging van het ‘democratisch’ vaderland (nadat de vorige generaties ertoe waren gebracht het ‘socialistisch’ vaderland te verdedigen) en om hen de ‘oranje’ offers te laten brengen die de toekomstige leiders van Oekraïne zonder enige twijfel van hen zullen vragen. We moeten niet vergeten dat de ‘democraat’ Joesjtsjenko het niet naliet heeft offers van de arbeidersklasse te vragen toen hij eerste minister en bankier was van de pro-Russische regering die hij nu zo hard aanklaagt. De kliek die zich opmaakt om de macht over te nemen heeft de vorige niets te benijden en de kloven die erin bestaan kondigen geenszins enige stabiliteit aan. De vooruitzichten op democratie dienen om illusies in leven te houden over de mogelijkheid het kapitalistisch systeem te hervormen, het geleidelijk aan te veranderen in iets telkens hypothetischer ‘beter’. Ze zullen eisen dat het proletariaat zijn rug kromt om het ‘hogere’belang van de democratische staat te laten voorgaan op hun ‘kleinzielige’ eisen inzake hun basisbehoeften. Het perspectief een wereld te scheppen van ‘burgers’ in een democratie die ijvert voor een gelukkige mensheid is een illusie die tot doel heeft het bewustzijn te doden over de noodzaak het kapitalisme omver te werpen, dit systeem dat almaar meer barbarij en chaos voortbrengt .
Mulan / 17.12.2004
Honderd jaar geleden begon het proletariaat in Rusland zijn eerste revolutionaire beweging van de twintigste eeuw, die bekend werd onder de naam Russische revolutie van 1905. Omdat ze niet op een overwinning uitmondde, zoals twaalf jaar later wel het geval was met de Oktoberrevolutie, is deze beweging vandaag zo goed als geheel in de vergeethoek geraakt. Toch heeft de Revolutie van 1905 een hele reeks lessen opgeleverd, en antwoord gegeven op vragen die toen in de arbeidersbeweging leefden.
Honderd jaar geleden begon het proletariaat in Rusland zijn eerste revolutionaire beweging van de twintigste eeuw, die bekend werd onder de naam Russische revolutie van 1905. Omdat ze niet op een overwinning uitmondde, zoals twaalf jaar later wel het geval was met de Oktoberrevolutie, is deze beweging vandaag zo goed als geheel in de vergeethoek geraakt. Toch heeft de Revolutie van 1905 een hele reeks lessen opgeleverd, en antwoord gegeven op vragen die toen in de arbeidersbeweging leefden. Zonder die antwoorden zou de Revolutie van 1917 niet gelukt zijn. Hoewel de gebeurtenissen al een eeuw geleden plaatsvonden, staat 1905 politiek veel dichter bij ons dan het lijkt en is het voor de generaties revolutionairen van vandaag en morgen nodig zich de fundamentele lessen eigen te maken van deze eerste revolutie in Rusland.
De gebeurtenissen van 1905 spelen zich af aan de vooravond van de vervalfase van het kapitalisme, een neergang die er zijn stempel al op drukt, ook al was op dat moment slechts een zeer kleine minderheid van revolutionairen in staat de betekenis te vatten van de diepgaande veranderingen die zich afspelen in de maatschappij en in de strijdvoorwaarden van het proletariaat. In de loop van deze gebeurtenissen zien we dat de arbeidersklasse massale bewegingen ontwikkelt, over de grenzen van fabrieken, sectoren, beroepen heen, met één enkele eis, zonder duidelijk onderscheid tussen het economische en het politieke, zoals voordien het geval was met de vakbonds- en de parlementaire strijd, en zonder precieze leuzen van de kant van partijen en vakbonden. De dynamiek van deze bewegingen mondt voor het eerst uit in de vorming door het proletariaat van organen, de sovjets of arbeidersraden, die in het Rusland van 1917 en in de gehele revolutionaire golf die Europa daarna dooreenschudt de organisatievorm en machtsvorm zullen worden van het revolutionaire proletariaat.
In 1905 ging de arbeidersbeweging er nog van uit dat het de burgerlijke revolutie was die in Rusland op de dagorde stond, omdat de Russische bourgeoisie de politieke macht nog niet bezat, maar nog altijd onder het feodale juk van het tsarisme leefde. Dat standpunt wordt niettemin ondergraven door de leidende rol die de arbeidersklasse tijdens de gebeurtenissen op zich neemt. Dat de parlementaire en vakbondsstrijd, met de wisseling van historische periode die zich aan het voltrekken was, een reactionaire koers begon in te slaan was nog lang niet duidelijk en zou dat pas veel later worden. Maar dat de vakbonden en het parlement een compleet ondergeschikte rol in de gebeurtenissen zouden spelen (of helemaal geen) was daarvoor de eerste belangrijke aanwijzing. Het vermogen van de arbeidersklasse om haar toekomst in eigen handen te nemen en zichzelf daartoe te organiseren zette de visie van de Duitse sociaal-democratie en van de internationale arbeidersbeweging over de taken van de partij op de helling, haar taak van organisatie en inkadering van de arbeidersklasse, en het wierp nieuw licht op de verantwoordelijkheden van de politieke voorhoede van de arbeidersklasse. Veel aspecten van wat de doorslaggevende standpunten gingen vormen van de arbeidersbeweging in de vervalfase van het kapitalisme waren al aanwezig in 1905.
We zullen ons in het kader van dit artikel concentreren op bepaalde lessen die ons nog steeds actueel en cruciaal lijken voor de arbeidersbeweging van vandaag. Daarvoor komen wij in het kort terug op de gebeurtenissen van 1905 zelf, waarbij we steunen op de hoofdrolspelers en getuigen van toen, zoals Trotski, Lenin, Rosa Luxemburg, die er in hun geschriften in geslaagd zijn de grote politieke lessen te trekken, maar die ook de intense emotie weergeven die opgewekt werd door de kracht van de strijd in die maanden (1).
De Russische Revolutie van 1905 is een bijzonder duidelijke illustratie van wat het marxisme verstaat onder de fundamenteel revolutionaire aard van de arbeidersklasse. Het vermogen van het Russische proletariaat om van een situatie waarin het ideologisch overheerst wordt door de waarden van de maatschappij door te stoten naar een positie waarin het door middel van een massale strijdbeweging zelfvertrouwen vindt, zijn solidariteit ontwikkelt, zijn historische kracht ontdekt, tot en met het scheppen van de organen waarmee het zijn toekomst in eigen handen zal kunnen nemen, dat alles is het levend voorbeeld van de materiële kracht die het klassenbewustzijn van het proletariaat aanneemt wanneer het in beweging komt.
Sinds de val van de muur van Berlijn blijft de bourgeoisie voortdurend herhalen dat het kommunisme dood is en dat de arbeidersklasse niet langer bestaat. En de moeilijkheden die de klasse ondervindt lijken haar gelijk te geven. De bourgeoisie is er altijd op uit zijn eigen historische doodgraver te begraven. Maar de arbeidersklasse bestaat nog steeds – zonder arbeidersklasse bestaat er geen kapitalisme, en de gebeurtenissen van 1905 in Rusland herinneren ons eraan hoe de klasse van een toestand van onderwerping en ideologische verwarring onder het juk van het kapitalisme kan overstappen naar een situatie waarin zijzelf het onderwerp van de geschiedenis wordt, draagster van alle hoop, omdat ze in haar wezen zelf de toekomst van de mensheid draagt.
Vooraleer ons te buigen over de dynamiek van de Russische Revolutie van 1905, moeten we even herinneren aan de internationale en historische context waarin deze revolutie op gang is gekomen. De laatste decennia van de negentiende eeuw werden gekenmerkt door een bijzonder uitgesproken economische ontwikkeling overal in Europa. het zijn de laatste jaren waarin het kapitalisme zich met het grootste dynamisme ontwikkelt. De kapitalistisch meest gevorderde landen waren op zoek naar uitbreiding in achtergebleven gebieden, ofwel om goedkopere arbeidskrachten en grondstoffen te vinden, ofwel om afzetmarkten te scheppen voor hun waren. In die context wordt tsaristisch Rusland, land waarvan de economie gekenmerkt wordt door een bijzonder grote achterstand, een ideale bestemming voor de uitvoer van belangrijke kapitalen die geïnvesteerd zullen worden in middelgrote en grote industrieën. In enkele tientallen jaren wordt de economie er grondig veranderd, waarbij “de spoorwegen een belangrijk instrument bij de industrialisatie van het land zijn” (2). De gegevens over de industrialisatie van Rusland die Trotski opgeeft, tonen in vergelijking met andere landen met een steviger industriële structuur, zoals Duitsland of België in die tijd, dat terwijl het aantal arbeiders nog betrekkelijk klein was vergeleken bij de zeer talrijke bevolking (1,9 miljoen Russische arbeiders, tegenover 1,56 miljoen in Duitsland en 600.000 in het kleine België), dat Rusland toch een industriële structuur van het moderne type had die volstrekt niet hoefde onder te doen voor de andere mogendheden van de wereld. Van niets opgebouwd dankzij kapitalen die vooral uit het buitenland kwamen, werd de kapitalistische industrie in Rusland niet gevormd onder impuls van een interne dynamiek, maar wel dankzij de regelrechte transplantatie van technologieën en kapitalen die van buitenaf kwamen. De gegevens van Trotski tonen hoe de arbeidskracht in Rusland veel geconcentreerder was dan in andere landen omdat ze vooral verdeeld is over de grote en middelgrote bedrijven (38,5 % in bedrijven met meer dan 1000 arbeiders en 49,5 % in bedrijven met tussen de 51 en 1000 arbeiders, terwijl die cijfers in Duitsland respectievelijk 10 en 46% waren). Deze structurele cijfers van de economie verklaren de revolutionaire vitaliteit van een proletariaat dat voor het overige verloren liep in een bijzonder achtergebleven land waarin de boereneconomie veruit de overhand had.
Bovendien duiken de gebeurtenissen van 1905 niet uit het niets op, maar zijn ze het product van de opgestapelde opeenvolgende ervaringen die Rusland vanaf het einde van de negentiende eeuw dooreengeschud hebben. Zoals Rosa Luxemburg rapporteert : “[...] deze januaristaking in Petersburg is het onmiddellijk gevolg van de reusachtige algemene staking die kort daarvoor in december 1904 uitgebarsten was in de Kaukasus, in Bakoe, en die Rusland lange tijd in spanning hield. Maar de gebeurtenissen van december in Bakoe waren zelf de laatste en machtige echo van de grote stakingen die in 1903 en 1904 als terugkerende aardbevingen heel het zuiden van Rusland dooreenschudden, en die als voorspel de staking van Batoem in de Kaukasus hadden, in maart 1902. In feite is deze eerste reeks stakingen in de onophoudelijke keten van revolutionaire uitbarstingen van vandaag, niet eens meer dan vijf of zes jaar verwijderd van de algemene staking van de textielarbeiders van Petersburg in 1896 en 1897.” (3).
Op 9 (22) januari 2005 is het de verjaardag van wat men ‘Bloedige Zondag’ noemt, het begin van een reeks gebeurtenissen in het oude tsaristische Rusland die zich gedurende heel het jaar 1905 afspelen en die uitmonden op de bloedige onderdrukking van de opstand in Moskou in december. De activiteit van de klasse kent praktisch geen rust in dit jaar, ook al neemt de strijd vormen aan die niet altijd identiek zijn en heeft de strijd niet altijd dezelfde intensiteit. Er zijn in dit revolutiejaar drie doorslaggevende momenten: januari, oktober en december.
In januari 1905 worden twee arbeiders van de Poetilov-fabrieken in Petersburg ontslagen. Een solidariteitsstaking komt op gang, een petitie voor politieke vrijheden, het recht op onderwijs, de achturendag, tegen de belastingen enzovoort wordt opgesteld en door een massale betoging naar de tsaar gebracht. De onderdrukking van deze betoging wordt het vertrekpunt voor de revolutionaire ontvlamming van het land, een jaar lang. Het revolutionair proces in Rusland is dus op een ongewone manier van start gegaan. “Duizenden arbeiders, geen sociaal-democraten, maar gelovigen, trouwe onderdanen van de tsaar, geleid door de priester Gapone, stromen uit alle delen van de stad samen naar het centrum van de hoofdstad, naar de plaats van het Winterpaleis, om een petitie te overhandigen aan de tsaar. De arbeiders stappen op achter iconen en Gapone, aanvoerder van het moment, heeft aan de tsaar geschreven dat hij zich garant stelt voor diens persoonlijke veiligheid en hij smeekt hem zich aan het volk te vertonen.” (4). In april 1904 was de pope Gapone de drijvende kracht geweest van een “Bijeenkomst van Russische fabrieksarbeiders en bedienden van de stad Petersburg” die door de regering was toegestaan, in overleg met de politieofficier Zoebatov (5). Zoals Lenin zegt had deze organisatie de rol, op een manier die geheel gelijkt op wat vandaag met heel andere middelen gebeurt, de toenmalige arbeidersbeweging te beperken en in te kaderen. Maar de druk die zich ontwikkelde binnen het proletariaat had al een kritisch niveau bereikt. “En zo overschreed de zoeba-tistische beweging, door de politie omwille van haar controle ingesteld, met de bedoeling de autocratie te steunen en het politiek bewustzijn van de arbeiders te corrumperen, de grenzen die haar waren opgelegd, ze keert zich tegen de autocratie en leidt tot een explosie van klassenstrijd van het proletariaat.” (6). De ontknoping komt er wanneer de arbeiders, bij het Winterpaleis aangekomen om hun verzoek aan de tsaar te overhandigen, door het leger worden aangevallen dat “de massa met de blanke sabel aanvalt; de kozakken schieten op de ongewapende arbeiders die hen op hun knieën smeken tot de tsaar toegelaten te worden. Volgens politierapporten waren er die dag meer dan duizend doden en tweeduizend gewonden. De verontwaardiging van de arbeiders was onbeschrijflijk.” (7). Die diepe verontwaardiging van de Petersburgse arbeiders over degene die ze ‘Vadertje’ noemden en die hun smeekbede met wapengeweld beantwoord had, waarbij hij hen die zich aan zijn goedertieren onderwierpen woedend maakte, ontketende de revolutionaire gevechten van januari. De arbeidersklasse die begonnen was zich devoot, achter pope Gapone en de iconen van de kerk, te richten tot het ‘vadertje van de volkeren’, toont in het elan van de revolutie een onverwachte kracht. In deze periode is er een zeer snelle verandering in de geestesgesteldheid van het proletariaat, ze is de typische uitdrukking van het revolutionair proces waarin de proletariërs, ondanks hun geloof, bijgeloof en angsten, hun kracht ontdekken en zich bewust worden van de eenheid die hun kracht uitmaakt. “Van het ene eind van het land naar het andere schudde een grootse vloed van stakingen het lichaam van de natie dooreen. Volgens een ruwe berekening breidde de staking zich uit over 122 steden en dorpen, over verschillende mijnen in het Donetzbekken en tien spoorwegmaatschappijen. De proletarische massa’s werden tot diep in hun rangen geschokt. De beweging sleurde ongeveer een miljoen mensen mee. Zonder vooropgesteld plan, vaak zelfs zonder eisen te formuleren, nu weer onderbroken, dan weer losbarstend, alleen geleid door het instinct van solidariteit, heerste de staking gedurende bijna twee maanden over het land.” (8). Dit feit te gaan staken zonder specifieke eisen voorop te stellen, enkel uit solidariteit, omdat “een massa van miljoenen proletariërs plots, met een gevoel van ondraaglijke scherpte, het ondraaglijke van haar sociaal bestaan ontdekt” (9) is tegelijk de uitdrukking én een actieve factor van de rijping, binnen het Russisch proletariaat van die tijd, van het bewustzijn een klasse te zijn, en van de noodzaak om als klasse de confrontatie met zijn klassenvijand aan te gaan.
De algemene staking van januari wordt gevolgd door een periode van constante gevechten, die over het land opduiken en weer verdwijnen, rond economische eisen. Deze periode is minder spectaculair, maar daarom niet minder belangrijk. “De diverse ondergrondse stromingen van het revolutionair proces kruisen elkaar, belemmeren elkaar, zwengelen de interne tegenstellingen aan… een groot onweer gedurende het voorjaar en de zomer en de economische stakingen [...] speelden een onvervangbare rol.” Hoewel er “geen enkel sensationeel nieuws van het Russisch front” kwam, “gaat de revolutie in feite zonder ophouden door van dag tot dag, uur na uur, met haar ontzaglijk ondergronds werk dat de grondvesten ondermijnt van heel het keizerrijk.” (Ibid.) In Warschau komt het tot bloedige confrontaties.
In Lodz worden barricades opgeworpen. De matrozen van de pantserkruiser Potemkin in de Zwarte Zee komen in opstand. Heel deze periode bereidt het tweede hoogtepunt van de revolutie voor.
“Deze nieuwe grote revolutionaire actie van het proletariaat is van een heel andere aard dan de eerste staking in januari. Het politiek bewustzijn speelt er een veel belangrijker rol. Zeker, de aanleiding tot de massastaking was opnieuw toevallig en op het eerste zicht onbelangrijk: het ging om een conflict tussen de spoorlieden en de administratie over de Pensioenkas. Maar de algemene opstand van het industrieproletariaat die erop volgde steunde op een duidelijke politieke gedachte. De proloog van de januaristaking was een smeekbede aan het adres van de tsaar om politieke vrijheid te verkrijgen; het leuze van de oktoberstaking was: ‘Laten we een eind maken aan de constitutionele komedie van het tsarisme!’ En dankzij het onmiddellijke succes van de algemene staking dat zich vertaalde in het manifest van de tsaar van 30 oktober, valt de beweging niet uit zichzelf terug in een economische strijd, zoals in januari toen ze terug ging naar af. Nee, ze stroomt over, naar buiten toe, en oefent op krachtige wijze de nieuw verworven politieke vrijheid uit. De betogingen, de bijeenkomsten, de piepjonge pers, de openbare discussies, gevolgd door bloedige moordpartijen die een einde maken aan de vreugde, gevolgd door nieuwe massastakingen en nieuwe betogingen.” (Ibid.)
Een kwalitatieve verandering zet zich in deze maand oktober door. Ze wordt uitgedrukt in de vorming van de sovjet van Petersburg die een mijlpaal is in de geschiedenis van de internationale arbeidersbeweging. Nadat de staking van de zetters in de drukkerijen was overgeslagen naar de spoorwegen en de telegraaf, beslissen de arbeiders in algemene vergadering een sowjet op te richten die het zenuwcentrum zal worden van de revolutie: “De Raad van arbeidersafgevaar-digden werd gevormd om aan een praktische noodzaak te beantwoorden die door de conjunctuur van het moment werd opgeworpen: er was behoefte aan een organisatie die over onaantastbaar gezag moest beschikken, die los stond van elke traditie, die in één slag de massa’s zou verenigen die verspreid waren en over geen banden beschikten; die organisatie moest een samenvloeiing zijn van alle revolutionaire stromingen binnen het proletariaat; ze moest in staat zijn initiatieven te nemen en zichzelf automatisch te controleren.” (10). In talrijke andere steden werden vervolgens ook sovjets opgericht.
Het verschijnen van de eerste sovjets gaat voor een groot deel van de internationale arbeidersbeweging onopgemerkt voorbij. Rosa Luxemburg, die op magistrale wijze en steunend op de revolutionaire ervaring van 1905 de nieuwe kenmerken analyseerde die de strijd van het proletariaat aanneemt aan de vooravond van de nieuwe historische periode, met name de massastaking, blijft niettemin de vakbonden beschouwen als de organisatievorm van de klasse (11). Het zijn de Bolsjewieken (en dan nog niet meteen) en Trotski die begrijpen welke stap vooruit de vorming van die organen, als organen van de machtsgreep, vertegenwoordigt voor de arbeidersbeweging. We zullen hier deze kwestie niet verder ontwikkelen omdat we er een ander artikel aan zullen wijden (12). We geven alleen aan dat het juist was omdat het kapitalisme aan zijn vervalfase begon, dat de arbeidersklasse zich vanaf dat moment direct geconfronteerd zag met de opdracht het kapitalisme omver te werpen. Daarom werd ze er na tien maanden van strijd, van socialistische agitatie, van rijping van het bewustzijn, van verandering van de krachtsverhouding tussen de klasse ‘natuurlijk’ toe gebracht de organen van haar macht te scheppen.
“De sovjets waren wezenlijk niets meer dan stakings-comités, zoals die altijd gevormd worden tijdens wilde stakingen. In Rusland breken de stakingen uit in de grote fabrieken en breiden ze zich snel uit over steden en provincies, daarom moeten de arbeiders op permanente wijze contact met elkaar kunnen houden. Ze verenigen zich en discussiëren in de werkplaatsen [...] ze sturen afgevaardigden naar andere fabrieken [...] Maar die taken krijgen in dit geval een heel andere omvang dan in de gewone stakingen. De arbeiders moesten zich inderdaad bevrijden van de zware tsaristische onderdrukking en beseften dat de grondvesten zelf van de Russische maatschappij door hun actie veranderden. Het ging niet enkel om lonen, maar ook om het geheel van problemen, globaal bekeken, verbonden aan de maatschappij. Ze moesten zelf een betrouwbare weg ontdekken op de verschillende gebieden en over politieke kwesties beslissen. Terwijl de staking intenser werd, zich over heel het land verbreidde, toen ze de industrie en de vervoermiddelen stil legden en het gezag verlamden, stonden de sovjets voor nieuwe problemen. Ze moesten het maatschappelijk leven organiseren, waken over de openbare orde en over de werking van de onmisbare openbare diensten, kortom ze moesten de taken op zich nemen die meestal worden uitgevoerd door regeringen. Wat zij beslisten, werd door de arbeiders uitgevoerd.” (13).
“De droom van de Grondwet wordt gevolgd door een brutaal ontwaken. De agitatie zorgt voor het losbranden in december van de derde algemene massastaking die zich over heel het Keizerrijk uitbreidt. Dit keer zijn het verloop en de uitkomst heel anders dan in beide vorige gevallen. De politiek actie ruimt de plaats niet voor economische actie zoals in januari, maar ze boekt ook geen snelle overwinning, zoals in oktober. De tsaristische camarilla doet geen nieuwe pogingen om echte politieke vrijheid in te stellen, en de revolutionaire actie stuit zo voor het eerst in al haar omvang op die onoverkomelijke muur: de materiële kracht van het absolutisme.” (14). De kapitalistische bourgeoisie, afgeschrikt door de beweging van het proletariaat, heeft zich aan de zijde van de tsaar geschaard. De regering heeft de liberale wetten niet uitgevoerd die ze pas had afgekondigd. De leiders van de sovjet van Petersburg worden gearresteerd. Maar de strijd gaat verder in Moskou: “De revolutie van 1905 bereikte haar hoogtepunt met de opstand in Moskou in december. Een klein aantal opstandelingen, georganiseerde en bewapende arbeiders –ze waren met niet meer dan achtduizend– biedt gedurende negen dagen verzet tegen de regering van de tsaar. Deze kon het garnizoen van Moskou niet vertrouwen, maar moest dat integendeel opgesloten houden en pas wanneer het regiment van Semionowski, opgeroepen in Petersburg, arriveert, kan hij de opstand onderdrukken.” (15).
In het tweede deel van dit artikel dat zal verschijnen in het volgende nummer, zullen we de proletarische aard van de revolutie van 1905 en de dynamiek van de massastaking bespreken.
Ezechiele (naar een artikel in Internationale Revue, nr. 120)
(1) In het kader van deze artikels kunnen we niet heel de rijkdom van de gebeurtenissen weergeven, noch alle kwesties behandelen. Daarvoor verwijzen we de lezer naar de historische documenten zelf.
(2) L. Trotski, 1905.
(3) R. Luxemburg, Massastaking, Partij en Vakbonden, 1906.
(4) Lenin, Rapport over de Revolutie van 1905, 9 (22) januari 1917.
(5) Zoebatow was een politieofficier, die in overeenstemming met de regering arbeidersverenigingen oprichtte die tot doel hadden de conflicten binnen een strikt economisch kader te houden en hen af te houden van het ter discussie stellen van de regering.
(6) Lenin, De staking van Petersburg, in Economische staking en politieke staking.
(7) Lenin, Rapport over de Revolutie van 1905, idem.
(8) L. Trotski, 1905.
(9) R. Luxemburg, Massastaking, Partij en Vakbonden.
(10) L. Trotski, 1905.
(11) Zie ons artikel Aantekeningen over de massastaking in Internationale Revue, nr. 27, 4e trimester 1981 (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave).
(12) Zie ons artikel Revolutie van 1905 : fundamentele lessen voor het proletariaat in Internationale Revue, nr. 43, 4e trimester 1985 (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave).
(13) Anton Pannekoek: De arbeidersraden (geschreven in 1941-1942).
(14) R. Luxemburg, Massastaking, Partij en Vakbonden.
(15) Lenin, Rapport over de Revolutie van 1905.
De laatste maanden zijn militanten en secties van de IKS bedreigd of hebben nauwelijks verholen doodsbedreigingen ontvangen. In december heeft de UHP-ARDE (1) op zijn website een tekst gepubliceerd met als titel Wetenschap en de kunst van de kluns (2) die een oproep tot moord bevat op onze militanten, aaneengeregen door een sinistere keten van spitsvondigheden: hij begint met ons te beschuldigen van racisme en van een achterbakse steun aan de politiek van de bourgeoisie; met het uitstallen van een hiërarchie van kwalificaties die begint met ‘klunzen’, verder gaat met ‘lompe ezels’ en eindigt met ‘imbecielen’. Na deze vooropgezette stellingen trekt hij de volgende conclusie: “TEGEN DE BURGERLIJKE CAMPAGNES VAN VERVALSING EN REPRESSIE VAN ONZE STRIJD! DOOD AAN DE IMBECIELEN!” (3)
De maand voordien was er een anonieme brief gearriveerd op het e-mail adres van onze sectie in Spanje, die eindigde met de volgende bedreiging: “Jullie zijn een bende hoerenzonen en jullie zullen oogsten wat jullie gezaaid hebben, kleine strontprofessortjes. Getekend: één van de lomperikken”.
Kort geleden, in januari 2005, was er een lid van de IFIKS (4) die dreigde een van onze kameraden van de afdeling in Frankrijk “de keel door te snijden” (5).
Wat moet de houding zijn van revolutionairen en elementen van het proletariaat tegenover de aaneenschakeling van gangsterbedreigingen die compleet vreemd zijn aan elk proletarisch gedrag? Er helemaal geen aandacht aan schenken door te denken dat het opgeblazen kikkers zijn of het resultaat van een tijdelijke opwinding? In een dergelijke appreciatie vervallen zou een zware fout zijn.
In de eerste plaats omdat een dergelijke houding zou betekenen dat men de historische ervaring van de arbeidersbeweging te grabbel gooit. Deze toont ons dat het vermoorden van arbeidersmilitanten werd voorafgegaan – en in grote mate werd voorbereid – door een opeenvolging van zeer onbillijke daden: belasterende beschuldigingen, bedreigingen, intimidaties, eerst verholen en daarna directe oproepen tot moord, dat wil zeggen een serie van kleine schakels die als ze met elkaar in verband gebracht worden, uitlopen op één grote ketting. Zo heeft de moord op Rosa Luxemburg in januari 1919, die uitgevoerd werd op bevel van de sociaal-democratische beulen, een traag rijpingsproces gekend: vanaf 1905 was er een aaneenschakeling van ernstige beschimpingen, van bedreigingen en provocaties tegenover deze proletarische militante. Geen enkele van deze feiten leek onrustbarend maar de moord van 1919 toonde aan dat een helse logica de feiten met elkaar verbond. Op dezelfde manier was de aanslag op Trotski, uitgevoerd door Mercader, het hoogtepunt van een serie stappen die georkestreerd waren door het stalinistische crapuul: eerst werd Trotski er van beschuldigd een agent van de Gestapo te zijn, en daarop volgden de campagnes die openlijk zijn kop eisten. Vervolgens kwamen de pressie op zijn zoon (Lyova) die uitmondde op wat lijkt op een 'medische' moord. (6) Nog later begonnen de directe doodsbedreigingen die werden uitgesproken door de Mexicaanse huurmoordenaars van het stalinisme. We kennen allen de tragische afloop. De geschiedenis toont aan dat er een min of meer directe band bestaat tussen de bedreigingen van vandaag en de moorden van morgen. Deze zijn het culminatiepunt van een hele bundel van laster, bedreigingen en haatcampagnes.
Op de tweede plaats mogen wij de context niet vergeten waarin de drie bedreigingen die we ontvangen hebben, zich situeren. De laatste maanden beleven wij een hernieuwde uitbarsting en vermenigvuldiging van de campagnes van de IFIKS, zoals hun Bulletin, nr. 28 bewijst, die ons voor 'smeerlappen' uitmaakt. Gevoegd bij hun ontelbare beledigingen, bedreigingen en laster draagt dit bij tot een klimaat waarin elke fysieke aanval op de IKS gelegitimeerd zou lijken.
Het is niet toevallig dat deze bedreigingen plaatsvinden in de context die we hierboven beschrijven. De daders ervan hebben duidelijk hun kamp gekozen. Aan de beledigingen, de haat-campagnes, het web van leugens en laster hebben ze nog de straffere woorden van oproep tot moord willen toevoegen.
Het is ook niet de eerste keer dat dit type ‘tussenkomst’ voorkomt. In 1996 was er ook al een weerzinwekkende campagne tegen de IKS, met andere hoofdrolspelers (7). Het was toen de GCI (Groupe Communiste Internationaliste), een groep die inderdaad ook op de pagina van bevriende organisaties staat van de UHP/ARDE, die zijn bijdrage tegen de IKS wilde leveren door middels spitsvondigheden op te roepen tot moord op onze kameraden in Mexico. Eerste vooronderstelling: door het aanklagen van de mao-stalinistische groep van Het Lichtend Pad in Peru zouden wij medeplichtig zijn aan de moord op proletarische gevangenen. Daaruit vloeide de tweede logische afleiding: “voor de IKS net zoals voor de burgerlijke staat, en in het bijzonder de Peruviaanse politie, betekent het zich aan de kant scharen van de onderdrukten, het Lichtend Pad ondersteunen”. De daarop volgende spitsvondigheid luidde: “in het arbeiderskamp heeft men altijd diegenen die zich lenen tot dit type van politie-allegaartje, als smeris of verklikker beschouwd”. Het vervolg droeg een nieuw sofisme bij: “Het zijn dezelfde democratische argumenten die gebruikt werden door Domingo Arango en Abad de Santillán tegenover de gewelddadige acties van de revolutionaire militanten”. En wat was de conclusie van de redenering? “En voor dat type van laster, waarvan het nut voor de staat heel reëel is, heeft Domingo Arango een kogel in de kop gekregen en wij kunnen slechts betreuren dat Abad de Santillán niet hetzelfde is overkomen”. (Communisme, orgaan van de GCI, nr. 43) (8).
Wij zijn ons bewust van het proces waarvan deze bedreigingen deel uitmaken. Wij gaan ons niet laten intimideren en daartegenover antwoorden we met wat we in 1996 al hebben gezegd: “Niets van dat alles zal ons doen terugschrikken. We gaan onze strijd versterken en heel de IKS mobiliseert zich om onze sectie in Mexico te verdedigen door een wapen in te zetten dat alleen het proletariaat bezit: het internationalisme. De internationale eenheid van de IKS verleent haar bepaalde kenmerken die vanuit het standpunt van de bourgeoisie niet te tolereren zijn, in de mate waarop elke poging tot vernietiging van één van haar delen onmiddellijk botst op de mobilisatie en de actieve solidariteit van haar geheel” (9).
Wij moeten met de grootste klem en zonder de minste toegeving de pogrommentaliteit bestrijden tegenover de revolutionairen want het is alleen op die manier dat wij de keten kunnen breken die door een hele serie van schakels aaneengeregen wordt, van de huidige duistere oproepen tot ‘dood aan de imbecielen’, en tot de moord op de communistische militanten van morgen.
Elke sociale klasse beschikt over haar eigen methodes. Wij weten welke die van de bourgeoisie zijn: enerzijds, de 'politieke' wapens van de laster, van de chantage, en anderzijds, de meer doortastende wapens van de moord, de terreur en van het meest weerzinwekkende sadisme. (10) Natuurlijk maken die wapens geen deel uit van het strijdarsenaal van het proletariaat en de authentieke revolutionaire groepen. Wij beschikken over andere wapens, die veel doeltreffender zijn in de strijd tegen het kapitalisme. Een daarvan en het belangrijkste, is de solidariteit.
De kracht van het proletariaat ligt in zijn solidariteit. De solidariteit is de uitdrukking van zijn eenheid. De solidariteit als het vermogen om al haar geledingen te verdedigen. De solidariteit om aan alle vijanden te tonen dat wie ook één van zijn delen aanvalt onmiddellijk geconfronteerd zal worden met het verweer van zijn geheel. Zo heeft de IKS, op unanieme wijze zijn solidariteit betoond met de kameraden en de bedreigde secties en neemt het alle noodzakelijke maatregelen voor hun verdediging. Op dezelfde wijze vragen wij aan onze sympathisanten dat zij actief hun solidariteit betuigen. Wij vragen dat ook aan allen die zich scharen achter de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme, dat zij, zelfs al hebben zij meningsverschillen met de standpunten van de IKS, akkoord gaan om één front te maken tegenover deze obscene aanvallen. De solidariteit met de bedreigde kameraden is niet alleen hun beste verdediging maar ook de beste verdediging voor de militanten en kameraden die tegen het kapitalisme strijden. Het is tegelijk de beste bijdrage die wij kunnen leveren aan de verdediging van de kommunistische militanten van morgen.
De praktijk van laster, van leugens, van bedreigingen en intimidatie zijn radicaal onverzoenbaar met het doel van de menselijke wereldgemeenschap die het proletariaat vurig tracht te verwezenlijken na de vernietiging van de kapitalistische staat. Het is noodzakelijk om infiltratie van dergelijke gedragingen met wortel en tak uit te roeien omdat zij slechts de uitdrukking en de reproductie zijn van de verrotte kapitalistische maatschappij die wij willen afschaffen.
De verheldering van de revolutionaire standpunten, de gezamenlijke strijd tegen het kapitalisme en zijn barbarij kunnen niet verhinderd worden door de duistere manoeuvres van die benden van huichelaars, die zich achter een operette van ‘revolutionaire standpunten’ verbergen om, op een verraderlijke en achterbakse manier, alle soorten aanvallen te lanceren tegen diegenen die werkelijk strijden voor de proletarische zaak.
Solidariteit met onze bedreigde militanten en secties!
IKS / 15.02.2005.
(1) UHP: afkorting voor de Spaanse groep Uníos Hermanos Proletarios, ARDE is een publicatie die de spreekbuis schijnt te zijn van verschillende kernen die zich UHP noemen.
(2) Zie het antwoord van onze sectie in Spanje in Acción Proletaria, nr. 180 Antwoord aan UHP-Arde: beter een eerlijke kluns dan een smerige bedrieger.
(3) We wijzen op de laffe en achterbakse manier waarop deze individuen tot moord op onze militanten aanzetten. Met walgelijke schijnheiligheid zeggen ze de zaken niet openlijk, ze suggereren het: eerst zeggen ze dat de IKS bestaat uit ‘imbecielen’, om te eindigen met ‘dood aan de imbecielen’.
(4) Een groep van parasitaire schooiers die zichzelf de Interne Fractie van de IKS noemt en wier enige activiteit bestaat uit het rondstrooien van hopen laster tegen de IKS en het uitbraken van hatelijke oproepen tegen ons.
(5) Zie de aanklacht van deze episode in Révolution Internationale, nr. 354.
(6) Zie de getuigenissen omtrent de eigenaardige dood van de zoon van Trotzki tijdens zijn hospitalisatie in een Russische kliniek in Parijs: voornamelijk in Deutscher, Biografie van Trotzki en in Vereeken, The GPU in the trotskyist movement.
(7) In die periode waren het groepen als de Communist Bulletin Group of de Spaanse Hilo Rojo die samen met andere ‘kringen’ de auteurs waren van deze campagnes. Van hen hoorde men vervolgens nooit meer iets.
(8) Zo zien we dat de redacteurs van UHP-ARDE niets hebben uitgevonden in hun laffe achterbakse oproepen tot moord op ons. Zij hebben zich slechts laten inspireren door de methoden van de heren van de GCI.
(9) Uittreksels uit het artikel De parasieten van de GCI roepen op tot moord op onze militanten in Mexico, dat de GCI aanklaagt, in solidariteit met onze sectie in Mexico, gepubliceerd in al onze territoriale pers, zie Révolution Internationale, nr. 262.
(10) We wijzen erop dat de lomperikken zich sterk aangetrokken voelen tot deze methoden van de bourgeoisie. Dat is de reden waarom ze in perioden van revolutie over het algemeen toetreden tot de vrijkorpsen en andere gewelddadige milities van de bourgeoisie, zoals dat bijvoorbeeld gebeurd is in Duitsland in 1919.
Na al de campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse, de dood van het kommunisme en het bankroet van het marxisme is wereldwijd een nieuwe generatie op zoek naar revolutionaire standpunten: standpunten vertrekkend van de arbeidersklasse als uitgebuite en revolutionaire klasse en van de verdediging van het proletarisch internationalisme. De ontwikkelingen van het kapitalisme drijven zelf in de richting van fundamentele vraagstellingen. Een minderheid binnen de arbeidersklasse ontdekt daarbij met enthousiasme de bijdragen van de Kommunistische Linkerzijde en begrijpt ook dat debat de voorwaarde vormt voor verheldering en bundeling van krachten. We hebben de oprichting van discussieforums en -groepen meegemaakt in bijvoorbeeld Rusland, Duitsland en Argentinië; we zien een toename van deelnemers aan onze openbare en discussiebijeenkomsten, waarbij ook anderen zijn uitgenodigd om er inleidingen te houden, en we ontvangen meer schriftelijke reacties. Er leven meer algemene vragen over crisis, rampen, oorlog en de perspectieven van het kapitalisme en over de aard van de arbeidersklasse; vragen over het verleden: hoe de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland te begrijpen en wat deze ons leert; vragen over het heden: hoe nu te strijden en tussen te komen binnen de arbeidersstrijd; vragen over de toekomst: welk alternatief voor het kapitalisme volgt er uit al de ervaringen van het verleden (1)?
Een open en broederlijk debat over die vragen, over de kwesties die de deelnemers eraan kunnen verdelen en verenigen, is niet alleen noodzakelijk voor de verheldering van de beginselen en de actie van de arbeidersklasse, maar ook om het heersende isolement te doorbreken, vertrouwen te scheppen en te leren begrijpen wat het betekent om samen te werken als strijders van één en dezelfde klasse. De ontwikkeling van een debat stuit niettemin op grote moeilijkheden, waarbij een manifest wantrouwen ten opzichte van revolutionaire organisaties wel één van de grootste is. Toen de IKS werd buitengesloten van de anarchistische boekenmarkten in Utrecht en Gent voelde een anarchistisch-radenistisch geïnspireerde kameraad zich er zelfs toe geroepen daarop als volgt te reageren: “De IKS staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar dat spreekt voor zich: het zijn nu eenmaal marxisten. Hun visie op een bepaald historisch conflict binnen de Eerste Internationale is even plat en eenzijdig als dat wat ik soms van een enkele bakoeninist mag vernemen. Voor wie belangstelling heeft voor hun standpunten staan ze echter open voor discussie. Hun bijeenkomsten zijn openbaar en je mag er ongehinderd je anarchistische standpunten komen toelichten.” (2).
Sommigen proberen hun eigen terughoudend te begrijpen in godsdienstige termen. In plaats van het open debat op te zoeken spreken ze van de behoefte van organisaties om ‘zieltjes te winnen’ in een ‘bekeringsdrift’. In plaats van het te hebben over de bundeling van de weinig revolutionaire krachten spreken ze van ‘sektarisme’. Of ze formuleren het in militaire termen, met ‘indoctrinatie’ voor debat en ‘rekrutering’ voor organisatie. Zo schreef een lezeres ons: “Voor jullie is het dus een noodzaak dat ik met jullie in contact blijf, omdat ik anders nooit tot werkelijk bewustzijn kan komen. Vandaar jullie zeer actieve rekruteringspolitiek, of liever gezegd ‘bekeringsdrift’ ten opzichte van mij.”, en: “Dan immers zou ik jullie argumenten moeten accepteren op basis van jullie autoriteit als meest bewuste deel van de klasse. En ik heb nu juist in mijn brief betoogd dat ik argumenten op basis van mijn EIGEN inzicht wil accepteren (of juist verwerpen).”
Waaruit bestaat de tegenspraak tussen het willen ontwikkelen van eigen inzichten en het aangaan van een debat? Het proces van theoretische verdieping en politieke vorming boekt niet veel voortgang als iedereen alleen probeert in zijn eigen hoekje zichzelf te verhelderen. De arbeidersklasse brengt geen revolutionaire enkelingen voort maar revolutionaire organisaties. Zelfs een organisatie kan niet alles weten en alles begrijpen. De arbeidersklasse als geheel kan ook niet verder kijken dan haar blikveld reikt. Maar een collectief debat voert veel verder dan de enkeling alleen kan komen. Zo heeft het Russische discussieforum, dat in 2004 door verschillende groepen in het leven werd geroepen, als uitgangspunt: “Het forum is daarom een open plek voor de discussie en confrontatie van politieke ideeën, met als enig doel de verheldering door politieke argumentatie waarbij de proletarische methode wordt gehanteerd die iedere benadering uitsluit die in tegenspraak is met het belangenloze doel van de bevrijding van de arbeidersklasse. Het is vooral geen ‘jachtgebied’ voor beginselloze rekrutering zoals die bijvoorbeeld wordt bedreven door organisaties die zich bevinden aan de uiterst linkerzijde van het politieke apparaat van de bourgeoisie (trotskisten, enz.)” (3).
De bestaande vrees om het debat aan te gaan en deel uit te maken van een proces van collectieve verheldering heeft een driedubbele grond.
Op de eerste plaats is er de druk van de burgerlijke ideologie via de media en door het dagelijks leven binnen het kapitalisme met al zijn beslommeringen die pogingen om tot klassenbewustzijn te komen stelselmatig ondermijnt en de propaganda die voorkomt dat kapitalistische toekomst in al zijn huiveringwekkendheid onder ogen wordt gezien. De campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse, de dood van het kommunisme en het bankroet van het marxisme, vooral door de vereenzelviging van marxisme met stalinisme waarin de voornaamste slachtoffers als de beulen worden voorgesteld, verklaart veel van het wantrouwen en de terughoudendheid. Standhouden tegenover die druk is alleen mogelijk door het scheppen van een collectief kader. De bourgeoisie kenschetst marxisme, de marxisten en marxistische organisaties maar al te graag als iets ‘sektairs’ op zoek naar ‘willoze volgelingen’ voor ‘abstracte leerstellingen’, zoals die van de verschillende stalinistische organisaties en hun ‘kritische’ trotskistische aanhangsels. Vandaar dat de revolutionairen voortdurend het bestaande wantrouwen moeten afbreken en een vertrouwen op basis van ervaring met proletarische debat moeten winnen; ervaringen die heel anders zijn dan met burgerlijke organisaties die inderdaad rekruteren, monddood maken, dom houden en die onverantwoordelijkheid en passiviteit in de hand werken.
Dan is er de opportunistische angst voor revolutionaire helderheid en samenhang; en de wil om uit ongeduld en in naam van ‘onmiddellijke successen’ compromissen te sluiten met de burgerlijke ideologie. In plaats van successen op te leveren worden er zo vooral illusies versterkt zonder ook maar iets fundamenteels te verhelderen. Vandaar de wil om zichzelf als individu of als groepje af te grenzen en de eigen ‘autonomie’ te bewaren. Vandaar ook de opportunistische pogingen van het IBRP tot beginselloze samenwerking, onder de belofte van het bieden van een liefdevol huis maar zonder werkelijke overeenstemming of debat, wat enkel leidt tot het in gevaar brengen van de standpunten en organisatie (4). Pogingen om zonder wederzijdse kritiek op de korte termijn goede vrienden te blijven zijn gedoemd het wederzijds vertrouwen op termijn te ondergraven. De consequente revolutionairen daarentegen werken vooral voor de lange termijn en zoeken het debat op waar het tot verheldering kan leiden zelfs wanneer hun eigen invloed daardoor op het onmiddellijke vlak niet wordt vergroot en de tegenstand heftig is. Daarbij moeten ze soms op tenen gaan staan en kunnen niet alle gevoeligheden worden vermeden.
Tenslotte is er het terugschrikken voor de omvang van de taak die eerst verpletterend kan lijken en die een geweldige verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Alleen kunnen we ons daartegenover enkel nietig voelen terwijl er ook geen onmiddellijke resultaten kunnen worden verwacht. De angst om zich te binden is groot en het opnemen van een verantwoordelijkheid voor de lange termijn kan worden gevoeld als een aanslag op de persoonlijke vrijheid. Voor de enkeling geldt echter: ‘van ieder naar vermogen’ en er worden geen onmogelijke dingen geëist die enkel kunnen ontmoedigen. Maar de mens is een sociaal wezen en de enkeling kan zijn vermogens pas werkelijk tot ontwikkeling brengen binnen een collectief kader. Binnen de arbeidersklasse worden argumenten niet aanvaardt op basis van autoriteit, maar net zo min kan er een ‘anti-autoritaire’ houding zijn. In een debat wordt geen blind vertrouwen gevraagd maar geprobeerd te overtuigen en overtuigend te zijn. Als er geen ‘reputaties’ gered behoeven te worden, maar de collectieve verheldering en de belangen van de arbeidersklasse centraal gaat, hoeft er ook geen angst te zijn het mis te hebben, verworven standpunten ter discussie te moeten stellen en waar nodig te corrigeren. De kameraadschappelijke confrontatie van standpunten is een voortdurende ideologische strijd waarin niet het onverschillige burgerlijk-democratische beginsel van het ‘ieder-zijn-mening’ geldt, maar waar geprobeerd wordt tot overeenstemming te komen of meningsverschillen af te bakenen op grond van zo duidelijk mogelijke argumenten.
Het verwijt van indoctrinatie, rekrutering, bekeringsijver, sektarisme en de andere termen die worden gebruikt gaan als regel niet vergezeld van steekhoudende argumentatie tegenover politieke standpunten. Het is veeleer een middel om die kritiek, en bijgevolg het debat, uit de weg te gaan. Bovendien worden er begrippen aan een organisatie toegedicht die regelrecht ingaan tegen de proletarische moraal omdat ze het doel niet dichterbij brengen maar juist versperringen zijn op de weg: de organisatie heeft weinig aan kritiekloze meelopers, maar des te meer aan overtuigde, kritische en verantwoordelijke militanten. Opvallend in deze was bijvoorbeeld de houding van medewerkers van De Fabel van de Illegaal die eerst het debat met ons begroeten als een gesprek ‘tussen volwassen mensen’ om vervolgens te klagen over onze ‘paternalistische houding’, maar zonder ooit serieus in te gaan op onze politieke standpunten of daarvan in hun pers iets te laten doorklinken (5).
De IKS is een revolutionaire organisatie die natuurlijk probeert om zijn opvattingen te verspreiden en zich niet alleen politiek maar ook getalsmatig probeert te versterken door nieuwe leden te werven (6). Dat kan het resultaat van debat zijn, maar het is er geen voorwaarde voor. De IKS heeft duidelijke en samenhangende standpunten, verdedigt die in openbare vergaderingen die in het algemeen voor ieder toegankelijk zijn en door middel van haar pers. Zij is niet bang voor tegenspraak, gaat geen onderwerpen uit de weg, beantwoordt vragen en reageert op kritieken. Ze zoekt de polemiek met andere groepen en organisaties op bijeenkomsten en in de pers. Dat debat maakt deel uit van de ondergrondse rijping van het klassenbewustzijn dat in de hele klasse plaatsvindt en waarvan de organisatie van revolutionairen nu juist de hoogste uitdrukking is: een minderheid van de klasse die zich bewust aaneensluit om op georganiseerde en stelselmatige wijze de historische en wereldwijde ervaringen samenhangend bijeen te brengen om de beweging als geheel voort te stuwen.
De revolutionaire organisaties van de arbeidersklasse komen voort uit de arbeidersklasse zelf, zijn het product van de strijd en overdenking van de klasse. Mensen met gelijkgezinde denkbeelden sluiten zich van nature aaneen om zo de grondslag te leggen voor de maatschappij van de toekomst en daarmee de huidige strijd richting te geven. Helderheid over doelen en middelen is geen gegeven, maar moet voortdurend door strijd worden verworven en telkens opnieuw worden verdedigd tegen het binnensijpelen van de burgerlijke ideologie. Organisaties kunnen verdwijnen, in opportunistisch vaarwater terechtkomen en overgaan naar de bourgeoisie. Historisch is dat gebeurd met de partijen van de Tweede en de Derde Internationale en met de anarchistische en trotskistische groepen door hun houding ten opzichte van revolutie en oorlog, door hun verraad aan het proletarische internationalisme waartegen de marxisten altijd strijd hebben geleverd. Er bestaan geen blijvende verworvenheden, er is geen eeuwige, onveranderlijke leer die onvermijdelijk en zeker naar het doel leidt. Vandaar dat er voortdurend strijd is die ook onvermijdelijk tot uiting komt in organisatorische crises.
Maar er bestaat wel een methode, een methode die zelf ook verworven moet worden, en die voortdurend uitgediept en verbreed moet worden. Die methode bestaat eruit zich op stelselmatige wijze, in confrontatie met de werkelijkheid en met nieuwe ervaringen, zich te baseren op de historische en wereldwijde lessen die al zijn getrokken om zo de beweging als geheel voort te stuwen in de richting van het uiteindelijke doel. Die methode zelf is het product van een historische continuïteit sinds de Bond van Kommunisten uit 1847. De enkeling komt niet ver, vandaar dat de meest bewuste delen van de arbeidersklasse voortdurend hebben geprobeerd zich aaneen te sluiten en zich eveneens te oriënteren op het bestaande revolutionaire milieu.
We proberen de open debat-cultuur van de arbeidersklasse op bredere schaal te herstellen omdat dit een voorwaarde vormt voor het scherpen van de kritische geest en om de strijd van de arbeidersklasse voor haar zelfbevrijding niet alleen te bevorderen maar ook richting te geven. In die geest nemen we deel aan debatten waar die ook plaatsvinden. Het is onze militante overtuiging dat het marxisme de enig juiste methode biedt voor de kameraadschappelijke confrontatie tussen de verschillende standpunten die binnen de arbeidersklasse ontwikkeld zijn en leven: uitgaande van de ervaring van de arbeidersklasse en de bijdragen van de revolutionaire minderheden van de klasse en we willen dat in het debat zelf aantonen. De openbare bijeenkomsten van de IKS proberen we dan ook zodanig te organiseren dat ze kunnen fungeren om de breedst mogelijke overeenstemming te bereiken op grond van de grootst mogelijke politieke helderheid.
Manus / 12.03.2005
(1) Zie bijvoorbeeld het artikel over discussiekringen in Internationalisme, nr. 267.
(2) Open brief aan de anarchistische marktmeester, te vinden op onze website en op de site van De Dolle Hond.
(3) Zie voor het Russische discussieforum https://russia.internationalist_forum.org [14] en Internationalisme, nr. 310-311; voor het milieu in Argentinië de artikelen over de Núcleo Comunisto Internacionalista op onze website, voor het milieu in Duitsland de vele artikelen in onze Duitstalige pers en ook Heeft het marxisme een religieuze visie van de historische opdracht van de arbeidersklasse?, in Internationalisme, nr. 301, over de openbare bijeenkomsten in Amsterdam Internationalisme, nr. 308-309.
(4) Zie De bluf van een hergroepering, in Internationale Revue (Engels-, Spaans-, en Franstalige uitgave), nr. 40 en 41 en de Open brief van de IKS aan de militanten van de IBRP, 7 december 2004, in: Internationale Revue (Engels-, Spaans-, en Franstalige uitgave), nr. 120.
(5) Zie over De Fabel van de Illegaal onder andere Internationalisme, nr. 270, 274, 289, 298, en Wereldrevolutie, nr. 92, 96 en 98
(6) Zie het artikel Hoe je bij de IKS aan te sluiten?, in Wereldrevolutie, nr. 102 en op onze website.
De interprofessionele onderhandelingen van december 2004 en januari 2005 tussen patroons en vakbonden bevatten, volgens de media, alle ingrediënten van een spannend feuilleton: frequente wendingen en een ‘eind goed, al goed’: eerst waren de discussies ‘verkrampt’, doordat de patroons ‘provocerende’ eisen naar voor brachten waarop de vakbonden antwoordden met een betoging om de vakbondsonderhandelaars te steunen. Op het moment dat er een breuk dreigde kwam de regering tevoorschijn en slaagde er in om een ‘voor iedereen aanvaardbaar’ akkoord tot stand te brengen. Het was nog even schrikken toen de socialistische vakbond het akkoord verwierp maar alles kwam toch nog goed: de regering besliste ondanks alles de inhoud ervan toe te passen “aangezien hij door een brede meerderheid van Belgische ondernemers en werknemers was aanvaard”. De eerste minister Verhofstadt jubelde: “Het Belgische model van sociaal overleg heeft goed gewerkt, in een periode die niet gemakkelijk is”.
Het ‘sociaal overleg’ heeft inderdaad goed gewerkt en het is in naam van de heersende klasse dat Verhofstadt zich in de handen wrijft. Het spektakel ‘van grote omvang’ is in werkelijkheid slechts een misleiding van grote omvang om de werkenden beet te nemen. Achter de grootsprakige praatjes van de sociale ‘partners’ die zich er op beroepen een ‘eerbaar compromis bereikt te hebben dat ons sociaal model handhaaft’, schuilt de ongenadige werkelijkheid van de cijfers.
De ‘experts’ van regering en vakbonden beweren dat het loonpeil van de werkenden niet alleen behouden zou blijven maar dat de stijging van 4,5% van de sociale norm voor de komende twee jaren het mogelijk zou maken om tot ‘redelijke’ loonsverhogingen te komen. Laten we even de concrete gegevens bekijken:
– De loonsverhoging wordt berekend op basis van het brutoloon: de werkenden houden er slechts 35% van over in het loonzakje (ofwel 700 van de 2000 euro van de gemiddelde verhoging). Rekening houdend met de inflatie (het IMF voorziet reeds een inflatie van 2,2% voor 2005 in België), de 1% baremaverhoging op twee jaar inbegrepen en de productiviteitsstijging, blijkt het verleidelijke cijfer van de loonsverhoging niets anders te zijn dan een pure luchtspiegeling voor wat betreft de koopkracht van de werkenden!
– Dat de ‘toegestane’ loonsverhoging niets om het lijf heeft wordt bevestigd door het feit dat, na de berekeningen van de Centrale Raad van de economie, de lonen theoretisch hadden kunnen stijgen met 5,3% in twee jaar. Het patronaat erkent trouwens zelf dat het bereikte akkoord de loonmatiging goed realiseert: “Het uiteindelijke cijfer stelt ons zeker in staat om 60% in te halen van de loonontsporingen van de laatste twee jaar, maar ik blijf ervan overtuigd dat het verkiesbaar geweest ware om de totaliteit ervan in te halen. Desalniettemin hebben we een belangrijke stap vooruit gezet door te verkrijgen dat de norm lager zou liggen dan die voorgesteld door de Centrale Raad voor de economie. Dat is voor het eerst”. (R.Thomaes, afgevaardigd administrateur van het BEV, Le Soir, 18.02.05).
– Tenslotte is het vermelde getal de algemene norm die op het vlak van de sectoriele onderhandelingen kan aangepast worden naar boven… maar ook naar beneden!
De loonnorm is dus in werkelijkheid een belangrijke aanval op de lonen, die trouwens in de lijn ligt van de voorafgaande jaren: netto daling van het gemiddelde inkomen per belastingsbetaler met 0,6% in 2000 in vergelijking met 1999 (1,9% stijging van de inkomens bij een inflatie van 2,5%); daling van de lonen in 2004 met 0,25% (2,17% loonsverhoging bij 2,41% inflatie), terwijl het interprofessioneel akkoord van 2003-2004 nochtans een loonsverhoging van 5,4% voorzag in twee jaar!
Deze cijfers zijn nog veelbetekenender als er rekening wordt gehouden met het akkoord inzake flexibiliteit. Het patronaat heeft al berekend dat de extra loonkosten ruimschoots gecompenseerd zal worden door de duizelingwekkende stijging van de productiviteit dankzij een sterke toename van de flexibiliteit door middel van eenvoudige verdubbeling van de toegestane overuren (we gaan van 65 naar 130 per jaar, ofwel een gemiddelde van meer dan twee per week) en een forse daling van de patronale lasten die de regering verleende. De regering berekende trouwens dat de daling van de patronale lasten ruimschoots zal worden gecompenseerd door de toegekende loonsverhogingen, waarvan 65% rechtstreeks (belastingen) of indirect (sociale zekerheid) in haar kassa terechtkomt. Het interprofessioneel akkoord vertegenwoordigt dus voor het geheel van de werkenden een gevoelige toename van de spiraal van aanvallen op de werk- en levensvoorwaarden: zij zullen aan koopkracht verliezen, meer belastingen betalen op hun loon en nog hogere werkritmes opgelegd zien in het kader van een opgedreven flexibiliteit die inhoudt dat de werkweek feitelijk verlengd wordt. De bourgeoisie en haar regering zouden voor minder jubelen!
Maar, zouden sommige opwerpen, er is toch minstens een sociaal overleg geweest en onderhandelingen waarbij de arbeidersbelangen verdedigd konden worden? In tegenstelling tot wat de media en het ‘geruzie’ dat de sociale partners (sic) opvoeren voor de camera’s, willen doen geloven, bestaat het doel van het ‘sociaal overleg’ er niet uit te komen tot een ‘compromis dat rekening houdt met de belangen van de werkenden’, maar het doordrukken van maatregelen die het best de belangen van de nationale staat (met zijn regionale componenten) en de heersende klasse dienen. In het kader van een kapitalisme in verval, waarin duurzame hervormingen onmogelijk zijn geworden en waarin de wegrottende maatschappij geplaatst wordt voor de keuze van het alternatief socialisme of barbarendom, houdt de staat alle aspecten van het leven van de maatschappij in een totalitaire greep. De vakbonden zijn verworden tot radertjes van de staat, de organen die binnen de arbeidersklasse opereren om haar onder de duim te houden en haar de onmisbare opofferingen op te dringen die nodig zijn voor het overleven van de nationale economie en van de uitbuitende klasse in een verbeten oorlog op een oververzadigde wereldmarkt. In deze context heeft het opzetten van een politiek van ‘sociaal overleg’ (met ‘paritaire commissies’ sinds de jaren 1920 en het ‘sociaal pact’ van 1944, die de sociale partners verbonden met de wederopbouw van het land) tot doel om een politiek door te voeren van een staatskapitalistisch optimaal beheer van de economie ten bate van het nationaal kapitaal. En dat wordt verdoezeld achter een rookgordijn van het democratische ‘zoeken naar het beste compromis tussen de verschillende bestanddelen van de maatschappij’. Het interprofessioneel akkoord is bijgevolg helemaal geen toegift van de kant van de staat en haar agenten maar een aanval op de arbeidersklasse. Net zoals de sociale ‘verworvenheden’ zoals de sociale zekerheid of de werkloosheidvergoeding geen verworvenheden van de arbeidersklasse zijn maar een controlekader dat ingevoerd is door het staatskapitalisme (lees hiervoor de artikelen in Internationalisme, nr. 191, 214 en 309).
De sociale ‘partners’ zijn dus medeplichtig aan een omvangrijk misleidingspektakel dat is opgezet door de heersende klasse, om de werkenden voor de gek te houden en hun de nieuwe agressies op hun levens- en werkvoorwaarden zonder al te veel tegensputteren te doen slikken.
De maatregelen van het interprofessioneel akkoord zitten onmiskenbaar vervat in de prioritaire doelstellingen van de oriëntaties van de Belgische bourgeoisie zoals werd vooropgesteld door Verhofstadt 2: de productiviteit van de Belgische economie optimaliseren en de 'sociale lasten' verminderen: die waren ook vermeld in de ‘Nieuwjaarsboodschap’ van de heel socialistische woordvoerder van de SP.A Frank Vandenbroucke en Johan Vande Lanotte begin januari 2004: “Het is onmogelijk tezelfdertijd de beste pensoenen, de beste verzorging ter wereld en de kortste loopbaan te willen” (De Standaard, 04.01.04). De tewerkstel-lingsconferenties van september 2003 (zie Internationalisme, nr. 300 van 15.11.03) stippelden toen al de vijf stellingen uit van waaruit het offensief van de bourgeoisie gevoerd zou worden: de daling van de lasten voor de ondernemingen, de loonmatiging, de verlaging van de kosten verbonden aan de werkloosheid, de verlenging van de werkweek en de verlenging van de arbeidsduur tijdens het leven, de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. In een context van opgedreven concurrentie op de wereldmarkt onder druk van de crisis, zijn de loonsverlaging en de productiviteitsstijging van de arbeid van bij het beging voor de Belgische bourgeoisie, net zoals voor haar spitsbroeders in andere landen, een prioritaire krachtlijn geweest van haar aanvallen tegen de werkers.
Al in 1981 beweerde ze bijvoorbeeld: “De laatste jaren zijn de lonen te hard gestegen in België. Om de economie te redden moeten er besparingen komen en dat betekent wezenlijk dat er moet gedacht worden aan het ontkoppelen van de lonen aan de index” (Internationalisme, nr. 55, van 15.06.1981). In 1996 slaagde ze er in om een loonnorm op te dringen via een wet op de competitiviteit, die de evolutie van de Belgische lonen beperkt tot het gemiddelde van haar voornaamste concurrenten: Nederland, Frankrijk en Duitsland, en zo de lonen te blokkeren en de koopkracht terug te schroeven. Anderzijds is de productiviteit drastisch gestegen via een gevoelige verhoging van het werkritme en een explosie van de flexibiliteit. Zo stond België in 2003 op de tweede plaats voor de productiviteit per gewerkt uur: “de loonkosten zijn hoog maar de mensen werken hard” zegt het rapport (The Conference board, 05.07.03). De Belgische arbeiders produceren per uur 12% meer waarde dan de arbeiders in de Verenigde Staten. Dat zegt veel over het ritme en de flexibiliteit, die volgens de bourgeoisie nochtans verbeterd moeten worden. In feite lanceert de loonblokkering nieuwe oproepen tot vermindering van de loonmassa en ondanks het buitengewone peil van de productiviteit, verveelvoudigen zich het banenverlies en de ontslagen: tienduizenden banen zijn de laatste jaren verdwenen, zelfs bij de meest prestigieuze ondernemingen (Philips, Siemens, Ford, Opel, Arcelor, Bayer, Belgacom, De Post of de NMBS). 15% van de Belgen zit aan de armoedegrens en er zijn arbeiderswijken van de grote steden zoals Charleroi, Luik, Brussel, Antwerpen of Gent waar de werkloosheidsgraad bijna 30% is of zelfs meer. Deze helse en eindeloze spiraal van aanvallen, die voortkomt uit de opgedreven concurrentie op een oververzadigde wereldmarkt, illustreert het doodlopende straatje waarin het kapitalisme zit en de waardeloosheid van zijn ‘oplossingen’. Sinds meer dan 25 jaar belooft de bourgeoisie op niet aflatend wijze het einde van de tunnel… op voorwaarde van de aanvaarding van de noodzakelijke opofferingen. Vandaag weer, met het nieuwe interprofessioneel akkoord en de agressie die dit ontketent tegen de levens- en werkvoorwaarden van de werkenden, doet zij weer eens een oproep tot het opofferingsbereidheid van de arbeiders door te beweren dat het behoud van de sociale solidariteit door overleg de enige manier is om de solidariteit te verzekeren onder de arbeiders en om aan hun kinderen nog een toekomst te bieden.
De media-tamtam rond de verschillende wedervaardigheden van de interprofessionele onderhandelingen is de bourgeoisie van pas gekomen om gelijklopend met de maatregelen een campagne te lanceren die gericht was op het belemmeren van een bewustwording bij de arbeidersklasse omtrent de betekenis ervan en het nadenken over een alternatief voor de toestand. In het bijzonder via haar linkerfracties heeft ze het belang van een interprofessioneel akkoord onderstreept omwille van het behoud van de ‘sociale solidariteit’, de ‘sociale verworvenheden’. Ze hebben er op gehamerd dat in het geval van mislukking er een gevaar was voor het ontwrichten van het unitaire sociale weefsel: “Het gaat erom dat we ons sociaal model moeten redden. De PS moet haar verantwoordelijkheid nemen en ervoor zorgen dat de relaties tussen werkgevers en werknemers goed blijven – zeker nu we voor een moeilijk debat staan over de eindeloopbaan” (De Standaard, 09.02.05): de socialisten stellen het ‘compromis’ van het interprofessioneel akkoord dus voor als een ‘noodzakelijke opoffering’ om het ‘sociaal overleg’ te redden, met als doel de werkers te beschermen tegen het gevaar van het egoïsme van de sterke sectoren tegenover de zwakkere, of ook van een welvarender Vlaanderen tegenover een minder rijk Wallonië, enzovoort, met andere woorden, aanvaardt het om de broeksriem aan te snoeren en wij zullen voor jullie met hand en tand de beginselen van de solidariteit verdedigen, dat wil zeggen het ‘sociale model van overleg’. Een mooi allegaartje van bedriegers! Voor links, een trouwe dienaar van het kapitaal, kan de sociale solidariteit enkel bestaan uit een pact met de uitbuiters. Bijgevolg bestaat de arbeiderssolidariteit in geen geval, zoals de bourgeoisie het voorstelt, uit het gebukt gaan onder de aanvallen van het kapitaal, want dat geeft de bourgeoisie de vrije hand om nog harder te meppen. In feite is wat de bourgeoisie predikt niet anders dan solidariteit… met haar uitbuitingssysteem. Voor de arbeidersklasse is solidariteit iets totaal anders: het enige antwoord, het enige wapen waarmee zij zich kan verzetten tegen de niet aflatende aanvallen van de bourgeoisie, is de strijd, zo eensgezind en massief mogelijk. Door de strijd te ontwikkelen tegen het kapitalisme, de verantwoordelijke voor de ellende en barbarij in alle uithoeken van de planeet, kan zij een ander perspectief gaan bieden voor de hele mensheid.
Jos / 07.03.05
Met de moord op de voormalige premier van Libanon, Rafik Hariri, wordt in het Midden-Oosten een haard van imperia-listische confrontaties opnieuw aangewakkerd. Deze nieuwe episode van de kapitalistische barbarij die zich op wereldschaal ontwikkelt, en in het bijzonder in het Midden-Oosten, met bloedige afrekeningen en een eindeloze spiraal van terroristische aanslagen die de bevolking blindelings treffen, herinnert ons er aan dat alle mooie vredespraatjes van de bourgeoisie, van de grote zowel als de kleine landen, niets meer zijn dan schaamteloze leugens en smerig cynisme. Het zijn precies de nationale fracties van de bourgeoisie die, niet tevreden met het op grote schaal zaaien van dood en verderf, naar het voorbeeld van de Verenigde Staten in Irak of van Frankrijk in Afrika, de talloze terroristische groepjes manipuleren.
De aanslag op Rafik Hariri is een duidelijke logenstraffing van alle praatjes waarin begin januari de verkiezing van Mahmoud Abbas tot president van de Palestijnse autoriteit werd begroet als een waarborg voor vrede in de regio.
Dankzij deze gebeurtenis kunnen Frankrijk en de Verenigde Staten, die het initiatief namen in september 2004 tot resolutie 1559, die de terugtrekking eiste van het Syrische leger uit Libanon, stelling nemen in het politieke leven van Libanon, door Syrië nadrukkelijk aan te wijzen als opdrachtgever van deze aanslag. Het gaat er hen niet om de ‘vrijheid’ te garanderen van de Libanese bevolking. Hoegenaamd niet. Voor Chirac is het een te mooie gelegenheid om zich te beroepen op zijn ‘vriendschap’ met Hariri om te proberen Frankrijk weer dit land binnen te loodsen waaruit het in de jaren 1980 geleidelijk aan werd buitengewerkt, met de definitieve trap onder zijn kont in 1991, toen zijn Libanese beschermeling, generaal Aoun, er uit werd gegooid. Wat de Verenigde Staten betreft gaat het om een etappe in hun militaire strategie in Zuidwestelijk Azië, die er met name op is gericht druk uit te oefenen op Syrië, dat sinds vorige lente door de regering Bush regelmatig beschuldigd wordt van het herbergen van terroristen van Al-Qaida en van voormalige Iraakse leiders. Washington heeft al regelmatig duidelijk gewaarschuwd, ook onlangs nog, dat Syrië het doelwit zou kunnen worden van militaire aanvallen.
De overeenkomst die vandaag bestaat tussen de Amerikaanse en Franse boeven op de rug van Libanon en Syrië heeft als enige reden dat zij elk de verdediging van hun respectievelijke imperialistische belangen rechtvaardigen. Ze heeft geen andere toekomst dan het scheppen van een nieuwe bron van rivaliteit, via elkaar bestrijdende terroristische bendes, en van het aanwakkeren van de chaos in de regio.
De recente diplomatieke reizen van de kliek uit Washington zullen trouwens niet leiden tot een rooskleuriger toekomst. De laatste weken werd Europa op een intense wijze het hof gemaakt door de Amerikaanse diplomatie. Na het bezoek van staatssecretaris Kongolees Risee, was er Donald Rumsfeld die zich verplaatste naar de 41e Veiligheidsconferentie in Mün-chen, en dan was het de baas zelf, Bush, die kwam deelnemen aan de topontmoetingen van de NAVO en de Europese Unie, waarbij hij ontmoetingen had met Europese leiders, in het bijzonder degenen die zich verzet hebben tegen de militaire interventie in Irak: Chirac, Schröder, daarna ook Poetin. Waarom zo’n grote diplomatische bedrijvigheid? Wat wordt er voorbereid in de coulissen, achter de schijnheilige schouderklopjes tussen rivaliserende peetvaders, tussen Uncle Sam en de Europeanen? Wat betekenen die speeches over partnerschap om de vrijheid in de wereld te bevorderen?
De verandering van toon van de Amerikaanse grootmacht betekent niet dat deze het opgegeven heeft haar militaire macht te gebruiken om haar economische, politieke en militaire belangen in de wereld te verdedigen, maar wel dat ze haar strategie en haar ideologisch betoog probeert aan te passen, rekening houdend met de moeilijkheden die ze ondervindt, met name door het feit dat ze wegzakt in het Iraakse moeras. De politiek die in Irak wordt gevoerd zorgt ervoor dat overal ter wereld de vijandigheid toeneemt tegen de eerste mogendheid van de wereld en vergroot haar isolement op het wereldtoneel. Uncle Sam kan niet terugkrabbelen in Irak, dat zou zijn gezag op wereldschaal gevoelig verzwakken, daarom raakt hij verstrikt in moeilijk beheersbare tegenstellingen. De recente verkiezingen in Irak hebben trouwens de zege gegeven aan de verenigde lijst van sji-itische partijen, die eerder aanleunen tegen de Iraanse regering, en de nederlaag van de premier ad interim, de beschermeling van de Verenigde Staten Iyad Allaoui. “Deze regering zal uitstekende betrekkingen hebben met Iran [...]. In termen van regionale geopolitiek is dit niet het resultaat waarop de Verenigde Staten gehoopt hadden.” (Courrier International, nr. 746) Bij deze verzwakking van hun invloed op het spel van de Irakese politieke partijen moet nog het klimaat van terreur worden opgeteld dat in heel het land blijft heersen, met steeds moordender aanslagen en opeenvolgende slachtpartijen. De zogenaamde zege van de Iraakse democratie door het houden van verkiezingen heeft geenszins het gevaar bezworen van een opdeling van het land volgens de uiteenlopende belangen van de verschillende religieuze en etnische gemeenschappen. Iedereen is het er trouwens over eens dat het gewapende verzet waarschijnlijk zal blijven toenemen.
In die zin heeft het diplomatiek offensief en de Amerikaanse wil om zich opnieuw voor te doen als zijnde ‘op dezelfde golflengte als Europa’ vooral tot doel deze laatsten ervan de overtuigen zich naast hen te scharen om de democratie te verdedigen en te verbreiden over de wereld, met name in het Nabije en Midden-Oosten. De regering Bush stelt dezelfde militaire doelen als tijdens de eerste ambtsperiode na ‘11 september’, maar de ideologische verpakking ziet er anders uit om beter te beantwoorden aan de huidige situatie. Daarbij laat ze de Europese mogendheden horen dat alles voortaan in overleg met hen zal gebeuren, aangezien ze toch dezelfde menselijke, democratische vrijheden verdedigen als Amerika. Het is niet uitgesloten dat achter die maskerade bepaalde mogendheden, zoals bv. Frankrijk, een bevoorrechte rol beloofd werd in de afwikkeling van het conflict in Irak, in ruil voor een voortaan grotere inzet aan de zijde van de Amerikanen.
Achter die nadrukkelijk unitaire praat van het Amerikaans diplomatiek offensief blijven de meningsverschillen niettemin bestaan en zich ontwikkelen. Zoals een hoge verantwoordelijke van de NAVO benadrukt: “De ouwe Rumsfeld heeft viool voor ons gespeeld, zoals Kongolees Risee vorige week ook al deed” (Le Monde, 15-02-05). Terwijl de ploeg van Bush tot nu toe een politiek ‘van de ijzeren hand’ had gevoerd, wordt dat nu een politiek ‘van de ijzeren hand in een fluwelen handschoen’. Rumsfeld bevestigde dat voor de Verenigde Staten “de missie (in de militaire betekenis) de coalitie bepaalt”. Anders gezegd, Amerika zal enkel een beroep doen op de NAVO als dat zijn strategische belangen dient. Van hun kant hebben de Europeanen, en met name Duitsland, daarin gesteund door Frankrijk, openlijk gesteld dat het noodzakelijk is de NAVO te hervormen en het bondgenootschap te vervangen door een groep experts die representatief zijn voor de Amerikaanse en vooral Europese belangen. In één moeite heeft Duitsland duidelijk gezegd dat het zich ‘in het kader van Europa verantwoordelijk voelt door de internationale orde en stabiliteit’ en dat het daarom een zetel opeist als permanent lid van de VN-veiligheidsraad. Na het onmiddellijk afwijzen door de Verenigde Staten van een hervorming van de NAVO heeft Duitsland de toon opgedreven bij monde van zijn buitenlandminister Joschka Fischer die verklaarde : “We moeten weten of de Verenigde Staten zich binnen het stelsel van de Verenigde Naties bevinden, of daarbuiten.”
Deze spanning rond de rol van de NAVO concretiseert zich in de weigering van de Europeanen bij te dragen aan de opleidingsprogramma’s voor militairen en politie in Irak en hun eigen zeer beperkte deelname daaraan. Met betrekking tot Afghanistan hebben de Europese mogendheden aanvaard manschappen te leveren voor de Internationale interventiemacht (FIAS) die onder NAVO-bevel staat, want deze wordt aangevoerd door een Franse generaal en beschikt over aanzienlijke eenheden Franse en Duitse soldaten. Ze willen echter niet dat deze troepen later onder het bevel komen van de operatie ‘Enduring Freedom’, dat wil zeggen onder controle van het Amerikaanse leger. De kwestie van de NAVO is echter lang niet de enige twistappel. Nadat ze de symfonie gespeeld hebben van de Mensenrechten naar aanleiding van de onderdrukking van de studentenbeweging op het Tien An Men plein in China in 1989, staan de Europeanen, als goede kanonnenverkopers, klaar om het embargo op wapenhandel met dat land op te heffen. De Amerikanen zijn het daarmee niet eens, net zo min als Japan, maar dat heeft niets te maken met mensenrechten, het is gewoon omdat dit de wapenwedloop op het Aziatisch continent zou aanzwengelen en hun invloed in de regio zou bedreigen, een regio die al ten prooi is aan sterke militaire spanningen, die vandaag nog verhevigd worden door Noord-Korea dat officieel laat weten over het kernwapen te beschikken. Het bezoek van de Amerikaanse peetvader aan Europa zal dus niet meteen leiden tot een nieuw tijdperk van eenheid, en het zal evenmin de transatlantische betrekkingen versterken. Integendeel. De meningsverschillen stapelen zich op en de standpunten schuiven steeds verder uiteen. De strategieën en belangen van de enen en de anderen zijn verschillend want elkeen verdedigt de belangen van zijn land, zijn belangen van kapitalistische staat. Er zijn geen slechte Amerikanen aan de ene kant en goede Europeanen aan de andere. Het zijn allemaal imperialistische gangsters en de politiek van ‘ieder voor zich’ die door het gedoe van hartelijke eenheid heen schijnt kan op termijn enkel leiden tot nieuwe stuiptrekkingen, nieuwe scheuringen en tenslotte tot nieuwe militaire slachtpartijen, waarvan Iran en Syrië de komende doelwitten zouden kunnen zijn. Inderdaad, het voornaamste meningsverschil tussen de grootmachten – en dat de zwaarste gevolgen zal hebben voor dit deel van de wereld – betreft de politiek die gevoerd moet worden met betrekking tot Iran. De Europese grootmachten, Groot-Brittannië inbegrepen, zijn in het algemeen voorstander van het voortzetten van de onderhandelingen met dit land, teneinde, zoals ze zeggen, te verhinderen dat dit een militair nucleair programma zou ontwikkelen. Moskou van zijn kant is de belangrijkste partner van Teheran op nucleair vlak en is geenszins van plan zijn politiek te veranderen. Wat de Verenigde Staten betreft, rekening houdend met het gewicht van Iran als regionale macht, recent nog versterkt door de verkiezingsoverwinning van de sjiieten in Irak, willen die hun druk op de Europeanen en op Poetin vergroten om hun optie de voorkeur te geven. De kliek van Bush dreigt er daarom mee de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in beweging te zetten, met als mogelijkheid op termijn een nieuwe militaire escalatie die enkel kan leiden tot nog grotere chaos en barbaarsheid in de regio.
Zoals we al herhaaldelijk geschreven hebben in onze pers zijn de chaos en de militaire conflicten die zich al jarenlang over de planeet ontwikkelen en die geen enkel werelddeel sparen het rechtstreekse gevolg van de nieuwe periode die in 1989 begon met de ineenstorting van het Oostblok en het daaropvolgende uiteenvallen van het Westerse Blok. Verre van een ‘nieuwe periode van vrede’ te openen zoals vader Bush toen beweerde, leidde dit zoals we stelden tot een wereld van moordende wanorde, van bloedige chaos waarin enkel de Amerikaanse gendarme probeerde een minimum aan orde te doen heersen door een steeds massaler en brutaler gebruik van zijn militaire macht (1).
De Golfoorlog van 1991, de oorlogen in Joegoslavië, Rwanda en Tsjetsjenië, Somalië en Oost-Timor, de aanslagen op de Twin Towers en die in Madrid, om maar enkele van de gewelddadige stuiptrekkingen te noemen van de fase van ontbinding van het kapitalisme (2), telkens gaat het om imperialistische botsingen tussen staten, klein of groot, die verantwoordelijk zijn voor die moordpartijen. Voor de Ver-enigde Staten vallen de nationale belangen samen met het behoud van een wereldorde die gebouwd is op hun eigen voordeel. De verergering van de chaos in de imperialistische conflicten maakt hun rol van leider van de wereld steeds moeilijker vol te houden. De Russische dreiging bestaat niet langer, maar hun voormalige bondgenoten, met name de Europeanen met Frankrijk en Duitsland op kop, willen voortdurend hun eigen belangen van kapitalistische naties verdedigen. De ontwikkeling van de economische crisis scherpt de imperia-listische eetlust aan van alle staten en laat geen ander keuze aan de Amerikaanse mogendheid dan zich te storten in veroveringen, in pogingen zijn rivalen te destabiliseren, en vooral in het herhaald inzetten van zijn militaire macht, wat tot resultaat heeft dat de chaos en de barbarij worden verergerd in de regio’s waar die militaire expedities plaatsvinden. In dat verband is de strategie die de regering van zoon Bush na de aanslagen van 11 september 2001 uitgestippeld heeft, de ‘oorlog aan het terrorisme’, een poging tot antwoord op de verzwakking van het Amerikaans leiderschap. Tegenover de groeiende verzet daartegen door de andere imperialistische mogendheden, gebruiken de Amerikanen het voorwendsel van de aanslagen en de noodzaak te vechten tegen de schimmige Al Qaida en Bin Laden om een ongekend militair offensief te voeren op wereldvlak. In die langdurige militaire campagne wordt een aantal landen aangeduid als leden van de ‘As van het Kwaad’ die militair moet worden opgeruimd. Dat is het geval met Afghanistan, daarna met Irak, Noord-Korea, Iran. In feite stellen de Verenigde Staten zich telkens globalere en bredere strategische doelen, die de noodzaak omvatten van een doorslaggevende aanwezigheid in Centraal Azië, met het doel de controle over dat gebied te verwerven, maar ook over het Midden-Oosten en het Indisch subcontinent. Het strategisch doel op lange termijn is de omsingeling van Europa en van Rusland. Amerika heeft als bijzondere bekommernis het verwerven van de onbetwiste controle over de voornaamste toevoerbronnen van energiegrondstoffen, teneinde die aan hun imperialistische rivalen te ontfutselen, in het bijzonder de Europese mogendheden, Rusland, Japan en China, met het oog op toekomstige imperialistische crises waarin zij tegenover hen zullen komen te staan. Sinds 2001 hebben de Verenigde Staten een dergelijke politiek in praktijk proberen te brengen, maar we moeten vaststellen dat ze grote moeite hebben om die op koers te houden, gezien de vastberadenheid van hun rivalen, die hoewel ze minder machtig zijn vast van plan zijn kost wat kost hun imperialistische belangen te verdedigen. Dat alles heeft al geleid tot de grootste chaos uit de geschiedenis, en die kan in de toekomst enkel erger worden.
Donald / 24.02.2005
(1) Zie Militarisme en ontbinding, Internationale Revue, nr. 64 (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave).
(2) Zie onze stellingen over De ontbinding, eindstadium van het verval van het kapitalisme, Internationale Revue, nr. 107.
Sinds midden januari betogen de scholieren in Frankrijk tegen een nieuwe hervorming van de Nationale Opvoeding, het plan Fillon. Iedere dag gaan er scholieren zowat overal in Frankrijk in staking en vormen ze optochten naar de centra van de steden. En de nationale actiedagen tonen werkelijk aan dat de beweging wint aan kracht. Eerst waren ze maar met enkele honderden, samen met de arbeiders tijdens de betogingen van 20 januari en 5 februari, op 10 februari waren ze al met 100.000 op straat in zowat heel Frankrijk en 40.000 alleen al in Parijs vijf dagen later. Begin maart is er een nieuwe betoging voorzien.
Wat is de betekenis van deze beweging? De jongeren, scholieren of studenten, zijn noch een klasse, noch een bepaalde laag van de maatschappij. Een studenten- of scholierenbeweging is dus interklassistisch van aard en er vermengen zich kinderen van arbeiders, van bourgeois, toekomstige proletariërs en uitgebuiten evenals leidende kaders van de natie van morgen. De arbeidersklasse wordt er eerder in opgelost en daarmee ook haar strijd, haar eisen, haar methodes, zoals we reeds konden zien tijdens de betogingen tegen verschillende hervormingsprojecten van scholen en universiteiten. Daarom heeft de bourgeoisie, sinds 1968, in haar media steeds een maximale echo gegeven aan dergelijke bewegingen met de bedoeling de strijd van het proletariaat op de achtergrond te kunnen schuiven. Maar een scholierenbeweging hoeft zich niet altijd daartoe te beperken. Er zijn ook momenten waarin de jongere generaties de manier uitdrukken waarop zij de staat zien, en vooral de evolutie van de maatschappij. Welk leven staat ons te wachten? In welke wereld zullen wij terechtkomen? En hier is er geen enkele twijfel, er heerst een werkelijke malaise. Het is bijzonder waar voor een scholierenbeweging, die nog meer dan een studentenbeweging, in meerderheid bestaat uit kinderen van de werkende klasse. Zo weigeren de scholieren de toekomst die hen beloofd wordt: werkloosheid of werk onder ondraaglijke omstandigheden en in elk geval steeds meer ellende. Dat komt niet alleen tot uiting in hun eisen, maar ook in de waas van gevoel die zweemt rond de talrijke getuigenissen. Sommige scholieren weten niet waarvoor ze daar zijn, in de beweging, maar ze delen de hoop en de gulheid die voortspruit uit de strijd tegen het systeem en zijn instellingen.
In het begin waren de eisen gericht op twee heel secundaire punten van de hervorming: de instelling van een voortdurende controle van de bac-test (eindexamen middelbaar onderwijs) en het stoppen van de TPE (ingekaderd personeelswerk) bij de eindexamens. Het kan vreemd klinken dat leerlingen een voortdurende evaluatie verwerpen terwijl deze er voor zou kunnen zorgen dat de druk op het einde van het jaar verminderd wordt, het beruchte ‘bachotage’. Maar het argument van de scholieren is interessant. Het gaat om “de vrees voor een onderwijs met twee snelheden, de rijken enerzijds en de anderen anderzijds” (Libération, 15.02.2005) waar de leerlingen van de ‘misdeelde zones’ diploma’s zouden verkrijgen die nog minder waard zouden zijn dan de huidige. Naast de illusie van enige mogelijke gelijkheid onder het kapitalisme vertolkt dat een diepgaande onrust over het leven na het eindexamen, met op de achtergrond het gevoel dat er voor de meerderheid geen uitkomst is. Ook de tegenstand tegen de TPE bij de eindproeven komt zich bij deze meer algemene ongerustheid voegen. Deze werken staan immers een zelfstandig onderzoek toe rond een thema door beroep te doen op een samenvloeiing van meerdere velden van disciplines evenals een collectieve overdenking.
Door deze af te schaffen, met de bedoeling om het aantal leerkrachten te verminderen, vermindert de regering op die manier bewust, voor de scholieren de mogelijkheid, die al heel beperkt en ingekaderd was, om een schijn van overdenking te kunnen uitvoeren om de wereld rondom zich te begrijpen. Dit luik van de hervorming is in de ogen van de scholieren dus het symbool geworden van de onophoudelijke druk van het kapitaal dat, in naam van de winst-gevendheid, de levensvoorwaarden van iedereen elke dag meer ontmenselijkt.
De bourgeoisie is zich volledig bewust van deze tendens tot ontwikkeling van overdenking en strijdbaarheid bij de komende generatie van arbeiders. Eerst en vooral staat de pers vol van getuigenissen. Bijvoorbeeld: “Wij vechten voor onze toekomst”; “Ik ben fier op onszelf want wij bewijzen dat wij willen beslissen over onze toekomst. Wij zijn geen schapen”. (Libération, 08.02.2005). Bovendien weet de heersende klasse dat dit overeenkomt met een algemene rijping in de schoot van de klasse: “Jongeren en jongvolwassenen leven in een wederzijdse verwachting. De scholierenbetogingen getuigen van een zweem van malaise van een generatie [...]. En de volwassenen hebben nood aan de energie van deze jeugd die getuigt van een potentieel aan activisme en contestatie” (Ibidem). Daarom heeft de regering geprobeerd om op zondag 13 februari de beweging te ontmijnen door het aspect van ‘voortdurende evaluatie’ terug te trekken. En het is juist omwille van het feit dat er achter de afwijzing van dit aspect van de aanval in het bijzonder, veel bredere bekommernissen schuilgaan dat de terugtrekking van de regering de beweging helemaal niet heeft kunnen stoppen. Nochtans hadden de ultra-linksen in het begin de schijnwerpers gericht op de bac-proef. De LCR (Trotskistische Communistische Bond, zusterorganisatie van de Belgische SAP) bijvoorbeeld, die heel erg op de voorgrond stond in de betogingen dank zij haar jongerentak de JCR, stelde: “Het voornaamste probleem is het in vraagstellen van de nationale en anonieme bac-proef door de hervorming Fillon, want hij wordt beetje bij beetje omgevormd tot een voortdurende evaluatie” (Rouge, 03.02.2005).
Maar verre van af te zwakken heeft de scholierenmobilisatie zich nog versterkt en veel meer cruciale eisen vooropgesteld voor scholieren en voor de leerkrachten: tegen de inkrimping van de budgetten, tegen het schrappen van banen. Nationale Opvoeding is een sector waar de arbeidersklasse in de laatste jaren bijzonder aangevallen is. Door het aantal opzichters over een periode van tien jaar door tien te delen, door geleidelijk aan de verplegers en sociale assistenten te laten verdwijnen, door het aantal leerkrachten te verminderen, door nepbaantjes te verveelvoudigen (hulppersoneel, tijdelijke contracten), schept de staat ondraaglijke voorwaarden voor iedereen. Iedereen moet het gelag betalen, personeel zowel als leerlingen!
Om aan het hoofd van de beweging te blijven, hebben de LCR en de scholierenvakbonden zoals de Fidl of de UNL hun geweer van schouder veranderd daags na de betoging van 15 februari. Gedaan met het focussen op de hervorming van het eindexamen, voortaan schalt de LCR: “Door het aanklagen van de vermindering van de uitgaven voor opvoeding, het afschaffen van middelen, banen, opties [...] wijzen de scholieren op de straat de structuur zelf van het voorstel van Fillon met de vinger [...]. Aan deze wet valt niet te sleutelen: wij moeten de globale intrekking ervan eisen, niet enkel rond het vraagstuk van de bac-proef, maar ook het geheel van het voorstel” (Rouge, 18.02.2005). Maar als de trotskisten, net zoals politiek en syndicaal links, de diepe bekommernissen van de scholieren overnemen, dan is dat enkel om ze beter te kunnen afleiden. Er is een poging om deze in vraagstelling vanuit klassenstandpunt af te leiden naar het verrotte terrein van de verdediging van de Openbare Diensten. De JCR titelt aldus: “Nee tegen de bazenschool”. Verder nog beweert de LCR dat “de verwerping van de hervormingen van Fillon voor het onderwijs, door de schooljeugd, de leerkrachten en de ouders van de leerlingen duidelijk een afwijzing uitdrukt van de hervormingen of eerder tegen de liberale hervormingen die door de regering voortgestuwd worden” (Red van 16 februari en een pamflet van de LCR van 14 februari). Er wordt niet gesproken over de crisis van het kapitalisme maar over een democratisch probleem betreffende de plaats en de opvatting van de school; de uitbuitende klasse wordt beperkt tot het patronaat met de bedoeling de kapitalistische staat uit de wind te houden. Zo verspreidt de LCR binnen de rangen van de scholieren de illusie van een mogelijkheid van een bevrijdende en humanistische nationale opvoeding binnen dit uitbuitingssysteem. De leerkrachten worden verzocht hun leerlingen te volgen in de verdediging van de republikeinse staat, dezelfde die de aanvallen bedisselt tegen de arbeidersklasse!
De verdediging van de gelijkheid, de strijd voor een sociaal kapitalisme tegenover een liberaal kapitalisme zijn allemaal valstrikken en doodlopende straatjes. Voorvoelend dat het kapitalisme niets anders meer te bieden heeft dan ellende, zoeken de nieuwe generaties van de arbeidersklasse een weg naar een betere toekomst. En hier is er slechts één oplossing. Strijden tegen de verloedering van de levensvoorwaarden, vechten voor hun toekomst en die van de mensheid betekent zich scharen achter de strijd van het proletariaat voor de communistische revolutie.
Pavel /23.02.2005
Op 5 en 6 april vierden de socialistische partijen uit Noord en Zuid het 120 jarig bestaan van de Belgische Werklieden Partij. Deze werd in 1885 in Brussel gesticht door een nationaal arbeiderscongres samengesteld uit 112 afgevaardigden van arbeidersverenigingen hoofdzakelijk uit Brussel en Vlaanderen en was de uitdrukking van een geweldige ontwikkeling in België net als overal in Europa van de strijd en de organisatie van de arbeidersklasse. Hij vormde tevens een uitdrukking van de geweldige hoop voor het geheel van de uitgebuiten op een revolutionaire omwenteling van de kapitalistische maatschappij.
Maar nu voeren al de socialistische partijen, overal ter wereld, of ze nu in de regering zitten of zich in de oppositie bevinden dezelfde politiek tegen de arbeiders. Ofwel ze misleiden de arbeidersstrijd en brengen haar op een dwaalspoor, ofwel nemen ze rechtstreeks de soberheidsmaatregelen. Zij zijn het ook die de arbeiders hebben meegesleept in de slachtingen van de wereldoorlogen en die momenteel deelnemen aan de uitbreiding van de oorlogsbarbarij (zoals Blair in Irak). Het zijn dezelfde partijen die de arbeidersgevechten saboteren of er op afgeven (zoals bij Ford Genk, DHL of onlangs bij AGC) en ook niet zullen aarzelen om morgen openlijk de strijd van de arbeidersklasse te onderdrukken en in het bloed te smoren als dit nodig mocht zijn om het kapitaal te redden.
De laatste 90 jaar geschiedenis van de arbeidersbeweging staan vol van de voorbeelden van de arbeidersvijandige rol van de sociaal-democratie. Maar hoe kon een partij, die in de negentiende eeuw de weg naar de sociale revolutie kristalliseerde en de beweging van de arbeiders naar hun bewustwording en zijn organisatie vertegenwoordigde, ontaarden tot die partij die vandaag de agressie van de bourgeoisie organiseert en toepast?
In de negentiende eeuw, in de periode van opbloei en ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze over heel de planeet, zorgde het kapitalisme voor economische expansie waarbij het daadwerkelijk mogelijk was een blijvende verbetering af te dwingen van de bestaansvoorwaarden van het proletariaat. Die verbetering van haar arbeids- en leefomstandigheden heeft de arbeidersklasse door verbeten strijd afgedwongen. In het kader van die strijd konden de arbeiders op de tegenstellingen tussen burgerlijke fracties in het parlement inspelen om bepaalde voordelen los te krijgen.
Die strijd voor het verkrijgen van hervormingen en om de kapitalistische uitbuiting binnen bepaalde perken te houden aan de ene kant, en aan de andere het inzicht dat die strijd geen doel op zich kon zijn, maar alleen een onderdeel van de globale, revolutionaire strijd, vulden elkaar volgens de revolutionairen in de arbeiderspartijen in de negentiende eeuw aan. Die dubbele opdracht stond centraal voor de Tweede Internationale, voor de sociaal-democratie.
Onder invloed van de successen die behaald werden in de parlementaire en vakbondsstrijd raakte de hele idee van revolutie echter meer en meer in de verdrukking ten gunste van het uitsluitend nastreven van hervormingen. De sociaal-democratische partijen raakten vergiftigd door het reformisme. Dat was des te meer zo omdat de bourgeoisie zich actief inzette om de sociaal-democratie onder haar controle te krijgen en haar te gebruiken om de arbeidersklasse in te kaderen. Het proletariaat was immers in volle ontwikkeling en betekende een groeiende bedreiging voor de burgerlijke macht. De linkerzijde binnen de Tweede Internationale voerde onophoudelijk strijd tegen die ontaarding, maar slaagde er niet in die algemene tendens tegen te houden. De intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode dreef vakbonden en parlementaristen in het kamp van de bourgeoisie.
Aan het begin van de twintigste eeuw is de vorming van de wereldmarkt voltooid en daardoor wordt de concurrentie tussen de verschillende kapitalistische naties steeds feller. De economische oorlog die de kapitalistische naties onderling voeren kon enkel uitmonden op een militaire, op een wereldoorlog. De intrede van de kapitalistische productiewijze in haar vervalperiode stelt het proletariaat en zijn organisaties plotseling voor de keuze “oorlog of revolutie”. Ofwel het proletariaat gaat zonder aarzelen de strijd aan, en laat daarbij de oude strijdvormen, parlementarisme en syndicalisme, die een belemmering geworden zijn, achter zich, ofwel het capituleert voor de kapitalistische barbaarsheid door mee te lopen achter de nationalistische frasen van de verschillende bourgeoisieën. Maar het oude sociaal-democratische apparaat is al totaal verrot door het reformisme, zoals geïllustreerd werd door het slot van de toespraak door Emile Vandervelde, voorzitter van de BWP, in december 1911 voor de kamer: “De dag dat België wordt aangevallen zullen we het verdedigen. Wij zullen vechten zoals de anderen en wellicht zelfs met meer hartstocht dan de anderen”. Zodra de oorlog dan ook uitbrak treden de sociaal-chauvinisten in België net als in de belangrijkste geïndustrialiseerde landen op als ronselaars voor de imperialistische slachting en verraden zij definitief de arbeidersklasse. De Tweede Internationale is dood. Alleen de linkerzijde van de socialistische partijen houdt zich aan het proletarisch internationalisme, verdedigt het ‘revolutionair defaitisme’ en neemt actief deel aan de bewustwording in het proletariaat over de noodzaak van revolutie. Die verdediging krijgt vorm met de oprichting van de kommunistische partijen en van de Derde Internationale, de Kommunistische Internationale.
Het kapitalistisch systeem is aan het eind van zijn historische opdracht gekomen. Het heeft de opkomst van een nieuwe productiewijze, de kommunistische samenleving, mogelijk en noodzakelijk gemaakt. Het is mogelijk geworden omdat het kapitalisme op wereldvlak zijn hoogtepunt heeft bereikt net als het de klasse die het omver zal werpen voldoende ontwikkeld heeft. Het is ook noodzakelijk omdat het systeem enkel nog kan overleven door de helse spiraal van crisissen en oorlogen, die steeds erger en moorddadiger worden en nu zelfs het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengen. In dit kader van het verval is het niet langer de taak van de arbeidersklasse te vechten voor blijvende politieke en economische hervormingen – die onmogelijk geworden zijn –, maar te vechten voor de omverwerping van de heerschappij van de bourgeoisie. Dat is het enig realistisch vooruitzicht voor de strijd ter verdediging van haar onmiddellijke belangen. In deze voortdurende strijd heeft het proletariaat de middelen geschapen voor die revolutionaire strijd: de arbeidersraden en de politieke voorhoede die zijn strijd vooruit moeten helpen. De revolutionaire golf van 1917-1923 heeft het belang daarvan aangetoond en ook de plaats van de sociaal democratie: aan de zijde van de bourgeoisie, als aartsvijand van de revolutionaire beweging van de arbeidersklasse.
Nu, ruim 90 jaar na de Eerste Wereldoorlog, kan er geen twijfel meer over bestaan. De socialistische partijen vormen overal en voorgoed een politieke fractie van de bourgeoisie. In de huidige periode van open crisis van het kapitalistisch systeem, van harde besparingen om de voorrechten van de bourgeoisie veilig te stellen, en nu de arbeidersstrijd zich, weliswaar nog moeizaam, weer ontwikkelt, na de oorverdovende campagnes over de dood van het kommunisme volgend op de ineenstorting van de stalinistische regimes in de Oostbloklanden, speelden en spelen de socialistische partijen (zoals Mitterand en Jospin in Frankrijk, Schröder in Duitsland; Zapatero in Spanje) nog een hoofdrol in de strategie van de bourgeoisie om de soberheid te doen aanvaarden in naam van ‘het algemeen burgerbelang’ door haar met een vernislaagje van ‘progressief’ of ‘links’ te bedekken. In België sedert de verkiezingen van 1987 vertrouwt de bourgeoisie aldus aan de socialistische partijen in Noord en Zuid regeringsverantwoordelijkheid toe op alle niveaus van de macht. Door de drastische besparingspolitiek van de regeringen Dehaene met het terugschroeven van de schuld en van het begrotingstekort, en die van de ‘actieve welvaartstaat’ van de regeringen Verhofstadt, hebben de socialistische voormannen Tobback, Di Rupo, Vandenbroucke of VandeLanotte jarenlang hun onfeilbare trouw betoond aan de bourgeoisie en hoezeer ze onverzettelijke vijanden van de arbeidersklasse zijn.
Jos&Lola / 03.04.2005
Vandaag bazuinen de westerse media uit dat er een democratische wind van verandering door de wereld waait. Van Irak tot Libanon, via de landen die deel uitmaakten van de voormalige ‘sovjet’-ijsvelden tot aan de republieken in de Kaukasus en Centraal-Azië; de oppermachtige drang naar een ‘vrije’ wereld zou een ongekende vlucht nemen.
De verkiezingen die plaatsgehad hebben of op komst zijn in Afghanistan, in Irak, in Saoedi-Arabië, in Centraal-Azië; de ‘democratische’ revoluties in Georgië, Oekraïne en nu in Kirghizistan; de betogingen van het Libanese volk tegen de aanwezigheid van de Syrische troepen; het weer op gang brengen van het Israëlisch-Palestijnse vredesproces. Dat alles zou de uitdrukking zijn van een wil van de volkeren om zich aan te sluiten bij het democratisch paradijs. De promotoren van deze aangekondigde idyllische wereld zijn de Westerse grootmachten en in het bijzonder de Verenigde Staten, die beweren dat “de dooi heeft ingezet” in de landen van het ‘Grote Midden-Oosten’ en dat “de hoop en de vrijheid zich uitbreiden over de hele planeet”. Deze visie van ongebreideld optimisme van de toekomstige kapitalistische wereld is een grove illusie die tot doel heeft voor het wereldproletariaat te verbergen dat de toestand die de mensheid vandaag beleeft nog nooit zo ernstig is geweest. Want achter de circuseffecten van de wereldbourgeoisie, te beginnen met die van de ontwikkelde landen, is een zeer duidelijke verscherping van de imperialistische spanningen werkzaam. En het zijn juist de landen die geprezen worden omwille van hun ‘strijd voor de democratie’ die in het centrum van het oorlogsgestook tussen de grootmachten bevinden en van het offensief dat door de Verenigde Staten is ingezet na de herverkiezing van Bush.
De tweede verjaardag van de bezetting van Irak door het Amerikaanse leger behoeft geen commentaar: meer dan 100.000 Irakezen zijn gedood, waarvan een groot deel onschuldige burgerbevolking, 1.520 Amerikaanse soldaten zijn gedood en 11.300 gewond, tientallen steden en dorpen vernield, en met hen de infrastructuur die voorzag in water, elektriciteit en een deel van de brandstof. 200 Miljard dollar is er al uitgegeven voor deze barbarij. En het is wel degelijk omdat de Bush-administratie zich bewust is van het wegzakken in het Irakese moeras en de nefaste gevolgen van deze toestand voor hun positie als eerste wereldmacht dat ze zo’n alzijdig tegenoffensief ontplooit.
Wie ook de verantwoordelijken zijn van de aanslag die 19 doden eiste, waaronder de leider van de oppositie Hariri, wij moeten ons de vraag stellen: wie haalt er voordeel uit de misdaad? Zeker Syrië niet. Niet alleen wordt het door het geheel van de ontwikkelde landen op de beklaagdenbank gedwongen, maar het wordt ook door landen van de Arabische Liga zoals Saoedi-Arabië en Egypte met de vinger gewezen. Bovendien heeft de internationale druk hen er toe verplicht zich terug te trekken uit de militaire stellingen die ze met zoveel moeite hadden verworven in Libanon tijdens de jaren 1980. Ze moeten hun greep verslappen op het politieke leven in Libanon om vrij spel te laten aan de Franse en Amerikaanse inmenging.
Deze aanslag blijkt eerder een ‘buitenkans’ voor Bush en Chirac, dezelfden die in september 2004 aan de wieg stonden van de stemming over resolutie 1559, die de terugtrekking van het Syrische leger eiste uit Libanon. Het werkelijke doel van de luidruchtige bijval die door Frankrijk en de Verenigde Staten verleend werd aan de gigantische betogingen van de Libanese oppositie, die opkomt voor de verandering van de pro-Syrische regering en voor het zo snel mogelijk houden van verkiezingen, betekende in werkelijkheid het doordringen in het politieke leven van Libanon om er hun eigen prerogatieven te verdedigen.
Frankrijk mikt voor zijn part op het terugwinnen van de invloed die het in het verleden in Libanon had, tijdens de Koude Oorlog toen het de belangen van het Westers Blok verdedigde. Deze invloed was vervolgens geleidelijk omgeslagen om helemaal te verdwijnen met het aan de dijk zetten van de christelijke generaal Michel Aoun, de stroman van Parijs. Nu de nieuwe situatie gunstig is, beoogt Chirac diens terugkeer naar Libanon. Het spel is echter nog niet gewonnen voor Frankrijk, dat sinds de eliminatie van Hariri nog meer gebrek heeft aan steunpunten. En het is wel degelijk om deze reden dat Chirac hals over kop naar Beiroet gevlogen is daags na de dood van deze ‘vriend’ van Frankrijk. Bovendien ziet Frankrijk zich verplicht tot de gevaarlijke exercitie om van alle walletjes te eten. Zo vermijdt het zorgvuldig om Hezbollah te veroordelen als terroristische groep, om niet met de rug naar Syrië toe te komen staan, aan wie de “partij Gods” steun verleent, en om zich ook niet van Iran af te keren. Parallel daaraan doet het inspanningen om de verschillende bestanddelen van de Libanese oppositie te steunen, zoals de christelijke milities. En tenslotte ziet het zich genoodzaakt om zijn kritiek op het Witte Huis in te tomen, aangezien zij voor wat betreft het Libanese probleem bepaalde gelijklopende belangen hebben. Wat de Bush-administratie betreft kan men er zijn kop op verwedden dat ze niet zal nalaten om deze spagaat van de Franse diplomatie op het geschikte moment aan te stippen, want het gaat er voor haar om de aanspraken van Frankrijk op een terugkeer in te regio in te dammen.
Ook profiteren vooral de Verenigde Staten en hun Israëlische bondgenoten van de dood van Hariri. Deze heeft een toestand geschapen die zou kunnen uitdraaien op een beslissend voordeel voor de Bush-administratie tegenover de ‘as van het kwaad’ in het Midden-Oosten: Syrië, de Hezbollah en Iran. Sinds de lente van vorig jaar wordt Syrië door Uncle Sam openlijk bedreigd onder het voorwendsel dat het aan de terroristen van Al Qaïda onderdak verleent en als uitvalsbasis dient voor de oude getrouwen van Saddam Hussein. In dezelfde zin zijn de Israëlische verantwoordelijken een diaboliseringscampagne gestart tegen de pro-Iraanse Hezbollah die door Syrië wordt gesteund. Voor Washington moet Syrië weg uit Libanon. Maar het uiteindelijke doel is het regime in Damascus te destabiliseren om het een regering op te dringen van soennitische strekking met het oog op het isoleren van de Hezbollah en het sjiïtische Iran. Zo richten de Verenigde Staten, achter Syrië, hun vizier op Iran, dat een steeds nadrukkelijker rol gaat spelen als regionale macht, nota bene door zich tegen de eerste wereldmacht op te stellen en bezig om zich te voorzien van het atoomwapen.
Zo maakt de druk van de Bush-administratie op Syrië deel uit van hetzelfde plan als de gespierde redevoeringen tegen Iran. Als het Amerikaanse offensief tegen Iran vandaag via Syrië verloopt, dan is dat vanwege het feit dat een militaire tussenkomst in Iran op enorme moeilijkheden zou stuiten, die nog groter zijn dan in Irak. Ondanks het bekendmaken van de Israëlische oorlogsplannen om de Iraanse installaties te bombarderen, wanneer Iran niet zou afzien van het verwerven van het atoomwapen, is het toch weinig waarschijnlijk dat het Amerikaanse leger, gezien het Irakese moeras, in de nabije toekomst in staat zou zijn om een nieuw militair front te openen. Niettemin betekent dit niet dat er rust komt in de regio. In Libanon gaan zich waarschijnlijk moordende botsingen ontwikkelen tussen de verschillende gemeenschappen, die worden opgehitst door de verschillende aanwezige klieken die zelf voor rekening van naburige machten of grootmachten optreden. De verklaringen van Nasrallah, de leider van de Hezbollah, voor wie de terugtrekking van Damascus zal neerkomen op de burgeroorlog, zijn geen bluf zoals al wordt aangetoond door de aanslagen die elkaar beginnen op te volgen in Libanon. De Amerikaanse druk op Syrië kan trouwens niet anders dan Syrië er toe brengen om de banden met Iran nauwer aan te halen en nog actiever het verzet tegen de aanwezigheid van de Verenigde Staten in Irak te ondersteunen. Om het duidelijk te zeggen, maken we een nieuwe etappe mee in het uitwaaieren van de chaos naar andere geografische zones en van naar nieuwe bloedbaden.
De Amerikaanse diplomatie is ook aan het stoken in het vroegere sovjetimperium, in de Kaukasische republieken en in Centraal-Azië. In naam van de democratie en de vrijheid, financiert en moedigt het Witte Huis de oppositiebewegingen aan tegen de regeringen die banden hebben met de Russische staat. Na de ‘rozenrevolutie’ in Georgië in 2003, vervolgens de ‘oranje revolutie’ in Oekraïne, werpt de heel recente ‘tulpenrevolutie’ in Kirghizistan een nieuwe steen van de Verenigde Staten op de defensieopstelling van het Russisch imperialisme.
Washington gaat er trouwens openlijk prat op. De Amerikaanse ambassadeur in Bisjkek, de Kirghizische hoofdstad verklaarde, daags na de vlucht van president Akaïev, het volgende voor de CNN: “Wat er gebeurt beroert het Kirghizische volk en zijn beslissingen, en de Verenigde Staten zijn er trots op daarin een steunende rol te spelen”. Duidelijker kan het niet.
Het is via de regeringsorganismes en verenigingen die gespecialiseerd zijn in de promotie van de democratie over heel de wereld zoals de Soros-stichting of de NED dat de Verenigde Staten al deze oppositiebewegingen steunen. We wijzen erop dat de laatstgenoemden buiten hun actieve deelname aan de anti-Russische “revoluties”, een werkelijke invloed hebben in Moldavië en dat de Amerikaanse senaat pas een motie over de democratie heeft aangenomen die in Wit-Rusland moet worden verwezenlijkt.
Zo maken we een regelrechte omsingelingsbeweging mee van heel Rusland, of het nu gaat om zijn grenzen in het Westen, het Oosten of het Zuiden, een omsingeling die het gevolg is van de militaire inval in Afghanistan.
Zoals we al eerder in onze pers hebben uiteengezet (zie Révolution Internationale, nr. 354), wordt Rusland sinds de ineenstorting van het Oostblok, geconfronteerd met de voortdurende afkalving van zijn invloed in Centraal- en Oost-Europa. Dit vertaalt zich door het feit dat het geheel van de landen die deel uitmaakten van het Warschaupact nu toegetreden zijn tot de NAVO en tot Europa. En het geheel van de landen van het GOS, die in 1991 onder controle van Rusland geplaatst werden, dat vandaag in de maalstroom zit en zich onvermijdelijk losscheurt.
Wanneer de Russische beer tegenwoordig één voor één de resten van zijn rijk ziet verdwijnen, is dat omdat de Verenigde Staten Rusland proberen te verzwakken, vooral nadat het geweigerd heeft om in de pas te lopen tijdens de laatste tussenkomst in Irak. Een dergelijke opstelling van Rusland had inderdaad in grote mate bijgedragen tot de vastbeslotenheid van Frankrijk en Duitsland om het hoofd te bieden aan de Verenigde Staten. Nu oogst Rusland het dividend van zijn niet-alliantie met Washington.
Maar de belangrijkste motivatie van de Verenigde Staten in hun politiek om de landen van het GOS aan hun invloed te onderwerpen, is om te vermijden dat ze in de invloedssfeer zouden terechtkomen van de Europese grootmachten, en in de eerste plaats van Duitsland dat traditioneel een oostwaarts gerichte as van imperialistische uitbreiding kent. In feite maakt dit wezenlijke doel van het Amerikaanse offensief deel uit van het vervolg van een omsingelingsstrategie van datzelfde Europa, waarvan de inval in Afghanistan in 2003 de eerste steen is geweest.
Wat er op het spel staat is van die aard dat het slechts de spanning tussen de grootmachten kan opdrijven. De uitgangssituatie wordt ingewikkelder en de situatie wordt alsmaar onstabieler door het belang dat tweederangs machten als Turkije of Iran stellen in bepaalde grondgebieden van de voormalige Sovjet-Unie. Dezen oordelen dat zij ook een kaart te spelen hebben om, in de buurt van hun eigen grenzen, aanspraken te maken op dit of dat grondgebied.
Voor Rusland staat het buiten kijf dat het zich niet passief zal laten reduceren tot de status van een tweederangs regionale macht. In dat verband moet worden onderstreept dat voor Rusland het verlies van bepaalde van zijn voormalige satellieten van het GOS een aanzienlijke verzwakking inhoudt van zijn nucleair potentieel. Het voorbeeld van Oekraïne, dat belangrijke Russische bases heeft op zijn grondgebied, is veelbetekenend voor deze situatie.
Zo kan de wind van de “democratisering” die door de oude sovjetrepublieken waait, verre van de regio te stabiliseren, Rusland alleen maar in een vlucht naar voren in de oorlog storten. De moord van de Russische veiligheidsdiensten op de Tsjetsjeense onafhankelijkheidsleider Maschadov, de enige persoon die over voldoende legitimiteit beschikte om een proces van politieke regeling van het conflict mogelijk te maken in dit land, gaat duidelijk die richting uit. Door Maschadov uit de weg te ruimen belet Rusland in feite de Verenigde Staten om deze te gebruiken om een nog een ‘democratisch proces’ aan te zwengelen in Tsjetsjenië.
De groeiende druk van de Verenigde Staten, zowel tegen Rusland als tegen bepaalde landen van Europa, kan niet anders dan een toenemende oppositie van deze laatsten teweegbrengen tegen de Amerikaanse plannen. Verre van zich te ‘onderwerpen’, hebben Frankrijk, Duitsland en Rusland, vergezeld door het Spanje van Zapatero, op hun recente ‘top’ een verharding te kennen gegeven van hun standpunten tegenover Amerika, in het bijzonder via hun oproep tot militaire terugtrekking uit Irak.
Een dergelijke dynamiek is niet zonder invloed op het militaire engagement van de eerste wereldmacht die, op haar beurt, de vorm aanneemt van een vlucht naar voren.
Vijftien jaar geleden, bij de ineenstorting van het Oostblok, beloofde de Westerse bourgeoisie ons een “tijdperk van vrede in een Nieuwe Wereldorde”. Van Irak tot voormalig Joegoslavië, via Rwanda, Somalië, het Nabije en Midden-Oosten, West- en Centraal-Azië, is de planeet het toneel geweest van een verdubbeling van geweld en wreedheden. Vandaag heeft al de propaganda van de bourgeoisie over de “wind van democratie en vrijheid” niets van een verfrissende lucht. Het is lucht die meer dan ooit is bedorven, net zoals het kapitalistische systeem de stank verspreidt van dood en barbarij.
Donald / 25.03.2005
De SAP heeft onlangs een brochure uitgebracht in de serie Cahiers de Gauche getiteld Een geschiedenis om voor te knokken (une histoire à batailler), gewijd aan het verheerlijken van de rol die het trotskisme heeft gespeeld in het bedrog en de historische leugens. Een zeer kort voorwoord laat al vanaf de eerste zinnen zien dat het niet de bedoeling van de redactie was historische lessen over te brengen die de arbeidersklasse zouden kunnen helpen om aan te knopen bij haar geschiedenis, maar vooral om een visie te verdedigen op de klassenstrijd en het proletarisch internationalisme die niets te maken heeft met de arbeidersklasse maar alles met de bourgeoisie: “De geschiedenis van revoluties en omvangrijke sociale strijd is vooral die van de volken in actie voor hun bevrijding, of, om het met Trotski te zeggen, het moment waarop de massa’s direct en bewust ingrijpen in de geschiedenis”. Dat is een raar mengsel en bedrog. Het op één hoop gooien van volk met arbeidersklasse maakt deel uit van de politieke santenkraam van het trotskisme en van de bourgeoisie in het algemeen, wat neerkomt op klassensamenwerking. Het bedrog bestaat er in de gedachtegang van Trotski te verdraaien waar deze het heeft over de massa’s, dat wil zeggen wanneer hij verwijst naar de arbeidersklasse en haar alleen.
Maar het uitgelezen deel van deze brochure bestaat uit de uitgewerkte toespraak van Ernest Mandel, dertig jaar lang leider en theoreticus van de Vierde Internationale, over de Trotskisten en het Verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze uiteenzetting vormt het summum om te begrijpen welke visies, vreemd aan het marxisme, bepaalde individuen en groepen die rond Trotski ronddraaiden, meegesleurden naar het kamp van de bourgeoisie. Het duurde niet lang of na de dood van de grote revolutionair die Trotski was in 1940 werden de theoretisch dwalingen van de meester door een deel van zijn weeskinderen gebruikt werden als bruggetjes om hen in de loop van de oorlog 1939-1945 definitief het kamp van de bourgeoisie binnen te loodsen.
Trotski stelde de hypothese op dat er in de stalinistische USSR resten te vinden waren van de proletarische revolutie van 1917 en hij sprak dan ook van een ‘ontaarde arbeidersstaat’. Dit standpunt was bestreden door de stromingen van de Kommunistische Linkerzijde die duidelijk maakten dat de Oktoberrevolutie was verslagen door de internationale bourgeoisie. De Sovjetstaat was dus een burgerlijke staat. Omdat Trotski een marxist was liet hij het aan de geschiedenis over om een oordeel te vellen en was hij uitdrukkelijk bereid om zijn visie te herzien mocht de USSR deelnemen aan de imperialistische oorlog die zich aankondigde. Zijn dood voorkwam dat hij het oordeel van de geschiedenis vernam. Wat de trotskisten betreft die beweerden zijn gedachtegang voort te zetten, die waren niet verlegen om een dergelijke opvatting, tegen de feiten in, te blijven huldigen, en de USSR zelfs in de oorlog steun te verlenen, dat wil zeggen het ene imperialistische kamp te ondersteunen tegen het andere. Dit verraad is fundamenteel omdat daarmee een standpunt op de helling wordt gezet dat het proletarische kamp scheidt van dat van de bourgeoisie: het internationalisme. In werkelijkheid vormde dat een radicale breuk met het denken van Trotski. En dat nog altijd verdedigen is alleen mogelijk door van dat denken een schijnvertoning te maken.
Want de oude revolutionair week niet van het internationale koers af. Net voordat hij werd vermoord schreef hij in mei 1940 in zijn manifest aan de Alarm-conferentie dat hij : “niet de ene fractie van het imperialistische systeem steunde tegen het andere, maar een eind wilde maken aan het systeem als geheel”. Naar onze bescheiden mening was hij nog heel goed in staat zijn opportunistische standpunten te herzien over de aard van de imperialistische oorlog en over de ‘verdediging van de USSR’ (zie Het Alarm-manifest).
Deze laatste geschriften van Trozki maakten het inderdaad mogelijk dat bepaalde elementen en groepen, die dicht tegen hem aanleunden, vasthielden aan de beginselen van het proletarisch internationalisme en dat ze een werkelijke proletarisch houding in te nemen ten opzichte van het imperialisme van de USSR en de wereldoorlog als geheel. Er bleven er over die het verraad van de Vierde Internationale aan de kaak stelden net als zijn overlopen naar de rangen van de bourgeoisie. Sommigen braken heel vroeg, andere leidden een hardnekkige strijd binnen de Vierde Internationale: Natalia Trotski, de UCI in Griekenland met Stinas (2), de Spaanse afdeling in Mexico met Munis en Péret, de Oostenrijkse RKD, het MLL-front van Sneevliet en de Spartacusbond in Nederland, en ook verschillende elementen in België (3).
In de geschiedenis van de arbeidersbeweging is het uitbreken van de oorlog een doorslaggevend moment in de historisch overleving van de organisaties van het proletariaat. We hoeven maar te denken aan de strijd van Lenin, Rosa Luxemburg, Trotski en alle internationalisten tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen het opportunisme en het sociaal-patriotisme van de Europese sociaal-democratie die van toen af de leverancierster werd van kanonnenvlees voor rekening van haar nationale bourgeoisie. Wat de sociaal-democratie deed in de oorlog van 1914-1918 dat deed de Vierde Internationale in de oorlog van 1939-1945: “Het trotskisme hield op een stroming te zijn van de arbeidersbeweging toen het definitief overliep naar het kamp van het kapitalisme in de loop van de Tweede wereldoorlog (1939-1945). Tijdens de tweede imperialistische wereldslachting van de twintigste eeuw verwierp de trotskistische Vierde Internationale de defaitistische leuzen van de Bolsjewiki zoals ‘Vormt de imperialistische oorlog om tot burgeroorlog!’. De trotskisten verdedigden inderdaad het democratische imperialistische kamp en het stalinisme tegen de fascistische imperialisten, door op te roepen tot de omvorming van de ‘imperialistische oorlog in een werkelijke oorlog ter verdediging van de USSR en tegen het fascisme’” (4).
Het gaat hier niet om politieke of theoretische vergissingen. Het zijn de Vierde Internationale en zijn fanatieke volgelingen die braken met Trotski in het bijzonder en met het marxisme in het algemeen.
Inderdaad, de uiteenzetting die Ernest Mandel in 1976 gaf vat de perverse en fundamenteel burgerlijke visie samen van het trotskisme over de oorlog, want het ging nooit uit van de belangen van de arbeidersklasse maar van de nationale bevrijdingsstrijd en het recht der naties op zelfbeschikking. Ernest Mandel analyseert de Tweede Wereldoorlog als het gelijktijdig naast elkaar bestaan van niet minder dan vijf oorlogen! Er is natuurlijk een oorlog tussen de imperialistische grootmachten, en tegelijk zijn er nog vier oorlogen van ‘nationale bevrijding’: “een rechtvaardige oorlog van nationale bevrijding door het Chinese volk; een rechtvaardige nationale verdediging van de USSR; een rechtvaardige nationale bevrijdingsoorlog van de onderdrukte koloniale volkeren van Afrika en Azië” en tenslotte “de vijfde oorlog, de ingewikkeldste, en die het duidelijkst tot uiting komt in Joegoslavië en Griekenland en aanwezig is in andere landen van Europa die door de Nazi’s bezet zijn. Maar waar het fundamenteel op aan komt is dat het strijd is van volkeren voor hun ‘bevrijding’”. Over het belang van hun politieke leiding zegt het trotskisme ons: “Het is niet noodzakelijk om politiek vertrouwen te hebben of een politieke steun te geven aan de leiders van één nationale bevrijdingsstrijd in het bijzonder vooraleer de juistheid van deze strijd te evalueren. Wanneer een staking geleid wordt door vakbondsbureaucraten waarin we geen enkel vertrouwen hebben, dan belet ons dat in geenszins om de staking als dusdanig te ondersteunen”. (Ernest Mandel in de Cahiers de la Gauche, p. 41, Winter 2005). Men kan zich zeer goed de innerlijke verscheurdheid voorstellen waarin elke trotskistische militant terecht kwam bij confrontatie met deze vijf oorlogen, want de vergelijking met de staking is absurd. Het bewijs door Ernest Mandel bereikt zijn toppunt van schaamteloosheid met de verheerlijking van de Joegoslavische KP, die in 1945 de macht overneemt: “Bij het begin van de opstand van 1941 telde de Joegoslavische KP slechts 5.000 actieve leden. Toch stond deze partij in 1945 aan het hoofd van anderhalf miljoen arbeiders en boeren. Dat was geen kleinigheid. Zij hebben de mogelijkheden en de kansen gezien die er kwamen door het revolutionaire proces en zij hebben zich gedragen als revolutionairen – bureaucratische revolutionairen – centristen, van stalinistische afkomst als u wilt, maar men kan ze geenszins contra-revolutionairen noemen”. Deze visie van een revolutionair stalinisme is niet specifiek voor Ernest Mandel, zij wordt gedeeld door allen die zich momenteel op het trotskisme beroepen. Het nog immer herdrukken van een dergelijke verheerlijking van de stalinistische leiders versterkt de campagnes van de bourgeoisie over de dood van het kommunisme en de afstamming van het stalinisme van het marxisme.
Anderzijds vindt men er het gebruikelijke samenraapsel van proletarische strijd vermengd met nationalistische kleinburgerlijke eerzucht waarmee het trotskisme het bewustzijn van de arbeidersklasse heeft geperverteerd en waarmee het ook nu nog het bewustzijn verknoeit van een nieuwe generatie van jonge proletariërs die open staat voor politieke overdenking. De analyse van Rosa Luxemburg bracht duidelijk naar voor dat in de periode van het historische verval van het kapitalisme de zogenaamde nationale bevrijdingsoorlogen niets anders kunnen zijn dan een mythe en dat ze tot bijzondere momenten zijn geworden van de botsingen tussen de imperialistische machten, en dat alle staten, groot of klein, imperialistisch zijn. Het trotskisme verdraait het marxisme en de geschiedenis van de arbeidersbeweging al een halve eeuw, want zijn rol bestaat eruit de ronselaar te spelen, zoals de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk dat al onderstreepte in 1947: “Het is het wezenlijk karakter van het trotskisme om in al zijn lopende stellingnamen het proletariaat een keuze te bieden, niet van oppositie en klassenoplossing, maar een keuze tussen twee groeperingen, twee kapitalistische krachten”. Dat zijn de trotskisten ook de laatste jaren onophoudelijk blijven doen, sinds het ineenstorten van hun socialistische paradijs. Tijdens de eerste Golfoorlog riepen sommigen van hen de arbeidersklasse op tot ‘militaire steun aan het Iraakse volk’, terwijl anderen van de Iraakse arbeiders eisten dat ze gewapenderhand hun land zouden verdedigen tegen het superimperialisme van de Verenigde Staten. Rood van 16 juni 1993 roept het proletariaat op om het Bosnische moslimkamp te ondersteunen. Op hetzelfde moment betreurde Rouge, het orgaan van de Vierde Internationale in Frankrijk, dat het geen Internationale Brigades kon sturen. En er zijn sindsdien nog andere gelegenheden geweest waar het trotskisme heeft bijgedragen, als burgerlijke fractie, tot de oorlogscampagnes die opbloeiden in het tijdperk van vrede en voorspoed dat was aangekondigd met de val van de Muur.
Deze campagnes zijn bestemd om het proletariaat weg te lokken van zijn klassenterrein en het ertoe te verleiden zich te scharen achter de nationale bourgeoisie en haar staat. Door hun actie, op oorlogs- zowel als op het sociaal terrein, spannen de trotskisten zich in om de arbeidersklasse te beletten zich ervan bewust te worden dat het tijdperk van de hervormingen net als dat van nieuwe naties, en ook de illusie over nieuwe veerkracht van een vredelievend en welvarend kapitalisme voor altijd vervlogen zijn. Maar zij zullen er niet in stagen te beletten dat het proletariaat weer vertrouwen in eigen kracht krijgt en zichzelf tot één zelfstandige klasse om te vormen, de belangrijkste voorwaarde voor de omverwerping van het kapitalisme en de verwezenlijking van de klasseloze maatschappij.
Pol / 07.04.05
(1) Zie Internationalisme, nr. 211.
(2) Zie het artikel in de Internationale Revue, Engels, Spaans- en Franstalige uitgave, nr. 72.
(3) Er waren andere groepen die zich keerden tegen de verdediging van de USSR, maar zonder dit standpunt als een breuklijn te beschouwen met het proletarisch internationalisme en uiteindelijk zijn ook deze groepen meegesleurd in de globale logica van het trotskisme dat was ingelijfd bij de bourgeoisie (bijvoorbeeld de tendens Barta, voorloper van Lutte Ouvrière, en de tendens van G. Vereecken in België).
(4) Zie brochure van de IKS Het Trotskisme tegen de Arbeidersklasse).
In het eerste deel van dit artikel (in Internationalisme nr. 316) onderstreepten we de internationale context en herinnerden we aan het algemene kader van de revolutie van 1905 in Rusland. We benadrukten het belang van de lessen die eruit getrokken worden voor de arbeidersklasse.
In het tweede deel van dit artikel zullen we het, zoals aangekondigd, hebben over de proletarische aard van deze gebeurtenissen en over de dynamiek van de massastaking die het proletariaat ertoe gebracht heeft om nieuwe organisatie- en machtsorganen in zijn strijd te doen ontstaan, de sovjets. We zullen zien dat al de creativiteit van de arbeidersklasse, aan de vooravond van het verval van het kapitalisme, er gekomen is zonder enige rol van betekenis van de vakbonden of van de parlementaire strijd. Het vermogen van de arbeidersklasse om haar toekomst in eigen hand te nemen, op basis van haar solidariteit en van de ervaring die ze vergaard heeft, was een voorafspiegeling van de nieuwe verantwoordelijkheden, die haarzelf en haar voorhoede toekwamen. Doorslaggevende standpunten voor de arbeidersbeweging in de fase van verval van het kapitalisme waren dus al ingeschreven en aanwezig in 1905.
Nu we de essentiële elementen van de geschiedenis in herinnering gebracht hebben, willen we hier een eerste punt onderstrepen: de revolutie van 1905 heeft een fundamentele hoofdrolspeler, het Russische proletariaat, en heel haar dynamiek volgt nauwgezet de logica van deze klasse.
Lenin zelf is daarover voldoende duidelijk wanneer hij eraan herinnert dat naast haar “burgerlijk-democratische” aard, die te wijten is aan haar “sociale inhoud”, “de Russische revolutie tegelijkertijd ook een proletarische revolutie was, niet alleen omdat het proletariaat er de leidende kracht van was, de voorhoede van de beweging, maar ook omdat het specifieke instrument van het proletariaat, de staking, de voornaamste hefboom vormde om de massa’s in beweging te brengen en het meest kenmerkende feit was van de stijgende golf van beslissende gebeurtenissen” (1). Maar wanneer Lenin het over staking heeft, moeten we daarin niet de acties van 4, 8 of 24 uur in zien, van het soort dat de vakbonden ons vandaag voorstellen in alle landen ter wereld. In feite ontwikkelde zich met 1905 wat men later de massastaking is gaan noemen, een “oceaan van fenomenen” (zoals Rosa Luxemburg het noemde), dat wil zeggen de spontane uitbreiding en zelforganisatie van de strijd van het proletariaat die kenmerkend zal zijn voor alle grote strijdmomenten van de 20e eeuw (2). De linkervleugel van de sociaal-democratie, waaronder de bolsjewieken, Rosa Luxemburg, Pannekoek, zal er de bevestiging in zien van haar standpunten (tegen het revisionisme à la Bernstein (3) en het parlementair cretinisme), maar ze zal een diepgaande theoretische arbeid moeten volbrengen om volop de verandering in de levensvoorwaarden van het kapitalisme (de fase van imperialisme en van verval) te begrijpen die de verandering bepalen in de doeleinden en middelen van de klassenstrijd. Maar Luxemburg gaf er de premissen al van aan: “Zo blijkt de massastaking dus geen specifiek russisch, uit het absolutisme voortgekomen product, maar een algemene vorm van proletarische klassenstrijd die uit het tegenwoordige stadium van de kapitalistische ontwikkeling en de klassenverhoudingen ontstaat (…) ... de huidige russische revolutie staat op een punt van de historische weg, die al over de berg heen, over het hoogtepunt van de kapitalistische maatschappij is voortgeschreden (...).” (4)
De massastaking is niet gewoon een massabeweging, een soort volksopstand die ‘alle onderdrukten’ omvat en die per definitie positief zou zijn, zoals de ultralinkse en anarchistische ideologieën ons vandaag willen doen geloven. In 1905 schreef Pannekoek “Als we de massa in haar algemene betekenis nemen, het geheel van het volk, dan blijft er in de mate waarin de uiteenlopende opvattingen en intenties elkaar neutraliseren, blijkbaar niets anders over dan een willoze, onberekenbare massa, overgeleverd aan wanorde, wispelturig, passief, van hier naar daar dwalend tussen diverse impulsen, tussen ongecontroleerde bewegingen en een apathische onverschilligheid – kortom, zoals men weet, het beeld dat de liberale schrijver smaar al te graag schilderen van het volk (…) Zij kennen de klassen niet. Daarentegen is het de kracht van de socialistische doctrine dat zij een ordenend principe en een systeem ingevoerd heeft om de eindeloze variëteit van menselijke individualiteiten te interpreteren, door het principe in te voeren van de verdeling van de maatschappij in klassen.” (6)
Terwijl de bourgeoisie, en met haar de opportunisten in de arbeidersbeweging, zich met afschuw afkeerden van de ‘onbegrijpelijke’ beweging van 1905 in Rusland, ging de revolutionaire linkerzijde de lessen trekken uit de nieuwe situatie: “… de massa-acties zijn een natuurlijk gevolg van de ontwikkeling van het moderne kapitalisme tot imperialisme, ze zijn steeds meer en onophoudelijk de strijdvorm die zich aan haar opdringt.” (6)
De massastaking is evenmin een kant en klaar recept zoals de ‘algemene staking’ waarvoor de anarchisten kiezen (7), maar wel de wijze waarop de arbeidersklasse zich uitdrukt, een manier om haar krachten te groeperen om haar revolutionaire strijd te ontwikkelen. “In één woord: de massastaking zoals de Russische revolutie er ons een toont, is niet een slim middel dat is uitgedokterd om het effect van de proletarische strijd te versterken, maar is de bewegingswijze van de proletarische massa, de vorm waarin de proletarische strijd verschijnt in de revolutie” (8). de massastaking is iets waarvan we ons vandaag moeilijk een direct en concreet idee kunnen vormen, tenzij dan voor de minder jonge mensen, door wat de strijd van de Poolse arbeiders in 1980 betekend heeft (9). Verwijzen we daarom nogmaals naar Rosa Luxemburg, die er een stevig en lucide kader aan gegeven heeft: “(...) de massastakingen, van de eerste grote loonstrijd van de textielarbeiders in Petersburg in 1896-97 tot de laatste grote massastaking in december 1905, gaan onmerkbaar over van economische in politieke, zodat het haast onmogelijk is een grens te trekken tussen de een en de ander. Ook elke van de grote massastakingen herhaalt zo te zeggen in het klein de algemene geschiedenis van de russische massastaking, en begint met een puur economisch of in ieder geval een syndicaal deelconflict, om daarna langs alle treden tot aan de politieke betoging te eskaleren. (…) De massastaking van januari 1905 ontwikkelde zich uit het interne conflict in de Poetilov-fabrieken, de oktoberstaking uit de strijd van de spoorweglieden om de pensioenkas, de decemberstaking tenslotte uit de strijd van de post- en telegraafbeambten om het recht op vereniging. De vooruitgang van de beweging komt niet daarin tot uitdrukking dat het economische beginstadium uitvalt, maar veel meer in de snelheid waarmee alle etappes tot aan de politieke betoging worden doorlopen, en in de extremiteit van het punt waarop de massastaking zich toebeweegt. (…) ...en zo vormen het economische en het politieke moment in de periode van de massastaking, ver ervan verwijderd om zich zuiver van elkaar te scheiden of elkaar wederzijds uit te sluiten (…) slechts twee in elkaar verstrengelde kanten van de proletarische klassenstrijd in Rusland.” (10) Rosa Luxemburg snijdt hier een centraal aspect aan van de revolutionaire strijd van het proletariaat: de onverbreekbare eenheid tussen de economische strijd en de politieke. In tegenstelling tot degenen die toen beweerden dat de politieke strijd het overstijgen betekent, het edele gedeelte om zo te zeggen, van de strijd van het proletariaat in zijn confrontaties met de bourgeoisie, legt Luxemburg duidelijk uit hoe de strijd zich van het economische terrein ontwikkelt naar het politieke terrein om vervolgens met grotere kracht terug te keren naar het terrein van de eisenstrijd. Dat alles is bijzonder duidelijk wanneer men de teksten herleest over de revolutie van 1905 betreffende het voorjaar en de zomer. Men ziet hoe het proletariaat dat op bloedige zondag begonnen was met een politieke manifestatie om, op een zeer nederige toon, democratische rechten te eisen niet alleen niet is gezwicht voor de zware repressie, maar dat ze uit die episode gekomen met vernieuwde en versterkte energie tevoorschijn komt en dat ze in de aanval is gegaan om haar werk- en levensvoorwaarden te verdedigen. Zo heeft in de volgende maanden een vermenigvuldiging van de gevechten plaatsgevonden. Die periode was ook van het grootste belang omdat, zoals Luxemburg onderstreept, ze het proletariaat de mogelijkheid gegeven heeft zich achteraf alle lessen eigen te maken van de proloog van januari en om haar ideeën voor de toekomst helderder te formuleren.
Een aspect dat van bijzonder belang is in het revolutionair proces in Rusland 1905, is zijn sterk spontane karakter. De strijd duikt op, ontwikkelt en versterkt zich, doet nieuwe strijdinstrumenten ontstaan zoals de massastaking en de sovjets, dat alles zonder dat de revolutionaire partijen van dat moment erin slagen daarbij betrokken te zijn of zelfs maar op het moment zelf volledig te begrijpen wat de implicaties waren van wat er zich afspeelde. De kracht van het proletariaat in de beweging op het terrein van zijn eigen klassenbelangen is formidabel en bevat een onvoorstelbare creativiteit. Het was Lenin zelf die dit een jaar later erkende toen hij de balans opmaakte van de revolutie van 1905: “Van de staking en de betogingen gaat men over naar het opwerpen van geïsoleerde barricades. Van de geïsoleerde barricades naar de bouw van massabarricades en straatgevechten met de troepen. Over de hoofden van de organisaties heen stapte de proletarische massastrijd over van de staking naar de opstand. Daar ligt de grote historische verworvenheid van de Russische revolutie, een verworvenheid die te danken is aan de gebeurtenissen van december 1905 en die net als de vorige bereikt werd door immense offers. Van de algemene politieke staking heeft de beweging zich opgewerkt naar een hoger niveau. Zij heeft de reactie ertoe gedwongen tot het uiterste van haar weerstand te gaan: zo heeft ze het moment geweldig veel dichter gebracht waarop de revolutie zelf tot het uiterste zal gaan in het gebruik van haar offensieve middelen. De reactie kan niet verder gaan dan het bombarderen van de barricades, van de huizen en de mensenmassa’s. De revolutie van haar kant kan wel verder gaan dan de strijdgroepen van Moskou, zij heeft nog ruimte, welk een ruimte in uitgestrektheid en diepgang! (…) De verandering van de objectieve strijdvoorwaarden die de noodzaak oplegde over te stappen van de staking naar de opstand, werd door het proletariaat veel eerder aangevoeld dan door zijn leiders. De praktijk heeft zoals altijd voorsprong genomen op de theorie.” (11)
Deze passage van Lenin is vandaag bijzonder belangrijk, nu er bij gepolitiseerde elementen en tot op zekere hoogte ook binnen proletarische organisaties twijfels bestaan, in verband met het idee dat het proletariaat er nooit zal in slagen te ontwaken uit de apathie waarin het soms lijkt verzonken te zijn. Wat in 1905 gebeurde is een klinkklare ontkenning van die twijfels die we voelen wanneer we het spontane karakter van de klassenstrijd zien. Zij zijn enkel een uitdrukking van een onderschatting van het proces dat zich in de diepte in de klasse afspeelt, een ondergrondse rijping van het bewustzijn waarover Marx al schreef toen hij het over de ‘oude mol’ had. Het vertrouwen in de arbeidersklasse, in haar vermogen om een politiek antwoord te vinden op de problemen die zich aan de maatschappij stellen, is vandaag een kwestie van het grootste belang. Na de ineenstorting van de muur van Berlijn en de campagne van de bourgeoisie die daarop volgde over het failliet van het kommunisme, dat valselijk gelijkgesteld wordt met het vreselijk stalinistische regime, ondervindt de arbeidersklasse moeilijkheden om zich als klasse te herkennen, en dus om zich te herkennen in een project, een perspectief, in een ideaal om voor te vechten. Het gebrek aan perspectief leidt tot een terugval in de strijdwil, een verzwakking van de overtuiging dat het loont te vechten, omdat men niet zomaar vecht maar alleen wanneer er een doel is dat bereikt kan worden. Daarom zijn vandaag het gebrek aan duidelijkheid over het perspectief en het gebrek aan zelfvertrouwen in de arbeidersklasse sterk met elkaar verbonden. Maar het is fundamenteel in de praktijk dat een dergelijke situatie overwonnen kan worden, door de directe ervaring van de arbeidersklasse met de mogelijkheden en noodzaak te strijden voor een perspectief. Dat is precies wat is gebeurd in Rusland in 1905 toen “op enkele maanden tijd de zaken compleet veranderd zijn. De honderden revolutionaire sociaal-democraten waren ‘plots’ met duizenden, en die duizenden werden de leiders van twee tot drie miljoen proletariërs. De proletarische strijd wekte en grote gisting op, en zelfs deels een revolutionaire beweging, in het diepste van de massa van 50 tot 100 miljoen boeren; de boerenbeweging had haar weerslag in het leger en leidde tot militaire revoltes, gewapende botsingen tussen troepen.” (12) En dat was niet alleen een noodzaak voor het proletariaat in Rusland, maar voor het wereldproletariaat in het algemeen, en het meest ontwikkelde deel ervan, het Duitse proletariaat, inclusief: "In de revolutie, waar de massa zelf op het toneel verschijnt, wordt het klassenbewustzijn praktisch en actief. Een jaar revolutie heeft het Russische proletariaat de scholing gegeven, die het Duitse proletariaat niet kunstmatig kon opdoen door 30 jaar parlementaire en syndicale strijd. (…) Even zeker echter zal in Duitsland in een periode van krachtige politieke actie het levende, daadwerkelijke, revolutionaire klassengevoel de breedste en diepste lagen van het proletariaat aangrijpen en wel des te sneller en des te krachtiger naarmate het opvoedingswerk van de sociaal-democratie omvangrijk is geweest." (13) Rosa Luxemburg parafraserend kunnen we vandaag zeggen dat het vandaag even waar is, in een wereld die in een diepe economische crisis verkeert en in het licht van het onmiskenbare onvermogen van de bourgeoisie om het failliet van heel het kapitalistisch systeem het hoofd te bieden, dat een actief en levend revolutionair gevoel zich meester zal maken van de rijpste delen van het wereldproletariaat, en dat in het bijzonder in de landen waar het kapitalisme het meest ontwikkeld is en waar de ervaring van de klasse het rijkst en het diepst geworteld. Dit vertrouwen dat wij vandaag uitspreken in de arbeidersklasse, is geen geloofsbelijdenis, stemt ook niet overeen met een houding van blind, mystiek vertrouwen, maar steunt juist op de geschiedenis van deze klasse en op haar soms verbazingwekkend vermogen tot herstel, in situaties van ogenschijnlijke verlamming, want zoals wij hebben proberen aantonen, al is het waar dat de dynamiek waardoor het rijpingsproces van haar bewustzijn zich realiseert vaak duister en moeilijk te vatten is, toch staat het vast dat deze klasse er historisch toe gedreven wordt door haar plaats in de maatschappij van uitgebuite klasse en tegelijkertijd revolutionaire klasse, zich te verheffen tegen de klasse die haar onderdrukt, de bourgeoisie, en dat zij in de ervaring van die strijd het zelfvertrouwen zal hervinden dat haar vandaag ontbreekt: “Eerst hadden we een machteloze, gehoorzame massa met de inertie van een kadaver, tegenover een heersende kracht die van haar kant goed georganiseerd is en weet wat ze wil, die de massa manipuleert zoals het haar uitkomt; en zie dan hoe deze massa zich omvormt tot georganiseerde mensheid, in staat haar eigen lot te bepaalden door haar eigen bewuste wil uit te voeren, in staat de oude heersende macht het hoofd te bieden. Zij was passief; ze wordt een actieve massa, een organisme voorzien van een eigen leven, door zichzelf aaneengesmeed en gestructureerd, voorzien van haar eigen bewustzijn, haar eigen organen.” (14)
Samen met de ontwikkeling van het vertrouwen van de arbeidersklasse in zichzelf, gaat noodzakelijkerwijze een ander element samen dat cruciaal is voor de strijd van het proletariaat: de solidariteit in zijn eigen rijden. De arbeidersklasse is de enige klasse die in wezen echt solidair is omdat er in haar schoot geen conflicterende economische belangen bestaan – in tegenstelling tot de bourgeoisie, de klasse van de concurrentie waar de solidariteit zich in het beste geval uitdrukt binnen de nationale grenzen of nog beter tegen zijn historische vijand, het proletariaat. De concurrentie wordt het proletariaat opgedrongen door het kapitalisme, maar de maatschappij waar het de drager van is, maakt een einde aan alle verdelingen, is een echte mensengemeenschap. De proletarische solidariteit is een fundamenteel wapen in de strijd van het proletariaat; zij stond aan de oorsprong van de grandioze omverwerping van het jaar 1905 in Rusland: “De vonk die de brand aangestoken heeft, was het gemeenschappelijk conflict tussen kapitaal en arbeid: de staking in een fabriek. Het is echter interessant vast te stellen dat de staking van de 12.000 Poetilov-arbeiders die begon op maandag 3 januari, in de eerste plaats een staking was die uitgeroepen werd in naam van de proletarische solidariteit. De oorzaak was het ontslag van 4 arbeiders. “Toen de eis van reïntegratie van de 4 verworpen werd –schreef een kameraad uit Petersburg op 7 januari – stond de fabriek in één klap stil, bij volledige unanimiteit.”” (15)
Het is geen toeval dat de bourgeoisie vandaag haar best doen om het begrip solidariteit te herleiden tot een ‘humanitaire’ vorm of nog te begieten met een sausje ‘solidaire economie’, een van de snufjes van de nieuwe 'andersglobalistische' ‘beweging’ die probeert de bewustwording af te leiden die zich doorzet in de diepte van de maatschappij over de impasse die het kapitalisme betekent voor de mensheid. Als de arbeidersklasse zich in haar geheel nog niet bewust is van de macht van haar solidariteit, dan heeft de bourgeoisie van haar kant de lessen niet vergeten die het proletariaat haar in de loop van de geschiedenis ingepeperd heeft.
“In de storm van de revolutionaire periode verandert zich juist de proletariër van een voorzorgende familievader die steun verlangt in een ‘romantische revolutionair’ voor wie zelfs het hoogste goed –zijn leven– laat staan het materiële welzijn maar van weinig waard is in vergelijking met de strijdidealen. Wanneer echter de leiding van de massastaking in de zin van het commando over haar ontstaan, en in de zin van de berekening en de dekking van haar kosten, een zaak van de revoluionaire periode zelf is, dan komt de leiding van de massastakingen in een heel andere zin aan de sociaal-democratie en haar leidinggevende organen toe (…) De sociaal-democratie is ertoe geroepen om de politieke leiding ook temidden van de revolutie periode op zich te nemen. De belangrijkste taak van de ‘leiding’ in de periode van massastaking bestaat erin het ordewoord van de strijd te geven, de strijd richting te geven, de tactiek van de politieke strijd op zo’n manier in te richten dat in elke fase en op elk moment van de strijd het geheel van de bestaande en ontketende macht van het proletariaat gerealiseerd wordt en in de gevechtsopstelling van de partij tot uitdrukking komt (...), dat de taktiek op de werkelijke krachtsverhoudingen vooruitloopt.” (16) Gedurende het jaar 1905 werden de revolutionairen (die toen sociaal-democraten genoemd werden) vaak verrast, voorbijgestoken en overdonderd door de onstuimigheid van de beweging, zijn nieuw zijn, zijn creatieve verbeelding, en ze waren niet altijd in staat de ordewoorden te geven waarover Luxemburg het heeft, “in elke fase, op elk moment”, en ze hebben zelfs belangrijke fouten begaan. Nochtans zijn de fundamentele revolutionaire arbeid die ze voor en tijdens de beweging geleverd hebben, de socialistische agitatie, de actieve deelname aan de strijd van hun klasse onmisbare factoren geweest in de revolutie van 1905. Hun vermogen om daarna de lessen uit die gebeurtenissen te trekken heeft het terrein klaargemaakt voor de overwinning van 1917.
Ezechiele
(naar een artikel in Revue Internationale 120, 1e kwartaal 2005)
(1) Lenin, ‘Rapport over de revolutie van 1905’.
(2) Zie ons artikel ‘Historische voorwaarden van de veralgemening van de strijd van de arbeidersklasse’ in Revue Internationale 26, 3e kwartaal 1981.
(3) Bernstein was in de Duitse sociaal-democratie de promotor van de idee van een vreedzame overgang naar het socialisme. Zijn stroming staat bekend onder de naam revisionisme. In haar brochure ‘Reform oder Revolution’ bestreed Rosa Luxemburg het revisionisme als uitdrukking van een gevaarlijke opportunistische dwaling die de partij bedreigde.
(4) R. Luxemburg, ‘Massastaking, partij en vakbonden’ (1906)
(5) ‘Marxisme en teleologie’, in 1905 gepubliceerd in Neue Zeit, geciteerd in ‘Massa-actie en revolutie’ (1912)
(6) A. Pannekoek, ‘Massa-actie en revolutie’, Neue Zeit, 1912.
(7) De anarchisten hebben trouwens geen enkele rol gespeeld in 1905. Het artikel in onze Revue Internationale 120 over de CGT in Frankrijk onderstreept dat 1905 geen enkele echo oproept bij de anarcho-syndicalisten. Zoals Rosa Luxemburg in het begin van haar brochure ‘Massastaking, partij en vakbonden’ duidelijk maakt is het anarchisme compleet onbestaande als serieuze politieke tendens in de Russische revolutie. “De Russische revolutie, diezelfde revolutie die de eerste historische proef op de som van de massastaking is, betekent niet alleen geen eerherstel voor het anarchisme, maar ze betekent juist een historische liquidatie van het anarchisme.”
(8) R. Luxemburg, ‘Massastaking, partij en vakbonden’.
(9) Zie onze brochure over Polen 1980.
(10) R. Luxemburg, ‘Massastaking, partij en vakbonden’.
(11) Lenin, ‘De lessen uit de opstand van Moskou’, 1906.
(12) Lenin, ‘Rapport over de revolutie van 1905’.
(13) R. Luxemburg, ‘Massastaking, partij en vakbonden’.
(14) A. Pannekoek, ‘Massa-actie en revolutie’, Neue Zeit, 1912.
(15) Lenin, ‘Economische staking en politieke staking’.
(16) R. Luxemburg, ‘Massastaking, partij en vakbonden’.
Sinds een jaar of vijftien betaalt Afrika, dat voortdurend in vuur en vlam staat, een zware tol aan de wereldwijde impasse van het kapitalisme. Vernietiging van levens en het leefmilieu, afgrijselijke ziektes, een absolute ellende van de bevolking en de arbeidersklasse zijn het gevolg van oorlogen waarbij de grootmachten direct betrokken zijn en waarvoor ze als eersten verantwoordelijk zijn. Alhoewel er geen enkel vredig oord op dit continent bestaat, is de toestand momenteel uiterst dramatisch in de Democratische Republiek Congo, in Soedan, in de Ivoorkust en in Togo.
Na de massale slachtpartijen van verleden zomer in het oosten van de Democratische Republiek Congo, die uitgevoerd werden door bloeddorstige bendes die op jacht waren naar bevolkingen van Tutsi-afkomst, verhevigen de moorden en zijn er zelfs VN-troepen bij betrokken. In deze regio heeft de oorlog sinds augustus jongstleden al duizenden doden geëist bovenop de 60.000 slachtoffers en de 500.000 vluchtelingen van 2003.
Tegen deze achtergrond hebben de VN-militairen, die steeds directer betrokken worden in de oorlog in de DRCongo, deze maand, onder het voorwendsel van het wreken van hun collega's die door gewapende bendes waren vermoord, een honderdtal Congolese militieleden omgebracht.
Van hun kant staan de criminele Rwandese en Congolese autoriteiten, die de verschillende bendes inkaderen, klaar om erop af te gaan door hun respectievelijke troepen naar de gevechtszones te sturen. Eens te meer staat de bloedige chaos van de RDCongo op het punt om de hele regio van de Grote Meren in vuur en vlam te zetten, terwijl de grootmachten en de VN hun eigen criminele verantwoordelijkheden in de slachtpartijen verdoezelen.
Tien jaren van massale vernietiging van het land, van slachtpartijen en verminkingen, zijn nog niet voldoende voor deze imperialistische aasgieren. En nochtans is dat gespuis daar officieel op het terrein aanwezig om de 'vrede', de 'verzoening' en de 'democratie' te verzekeren…
Maar hoe ziet het er in werkelijkheid uit?
De waarheid is dat daags na de afloop van de afschuwelijke 'Rwandese volkerenmoord' Frankrijk en de Verenigde Staten, die de elkaar verscheurende Rwandese bendes op afstand sturen, oog in oog met elkaar stonden op Congolese bodem om daar door te gaan met het vereffenen van hun bloeddorstige rekeningen middels lokale bondgenoten. Het vervolg kennen we: niet aflatende moordpartijen met miljoenen doden en gewonden. Over deze zaak hebben twee organisaties, een NGO uit New York (IRC) en een Australisch medisch onderzoekscentrum, december jongstleden een rapport openbaar gemaakt dat aantoont dat de oorlog in de DRCongo sinds 1996 al 3,8 miljoen doden heeft geëist, waardoor het conflict in de DRCongo het bloeddorstige conflict is geworden sinds de Tweede Wereldoorlog. De democratische grootmachten zijn dus eigenlijk stilzwijgend voorbijgegaan aan een volkerenmoord van bijna de 4 miljoen slachtoffers, die slechts uitgevoerd kon worden met hun actieve medeplichtigheid.
Terwijl de moorden verder gaan en de veralgemening van een bloedig conflict dreigt, roepen de VN en de grootmachten op tot 'beheerstheid', terwijl ze hun boodschappers uitsturen om 'raad' te geven aan de verschillende krijgsheren.
Deze diplomatieke manoeuvres vormen slechts de voorbereiding van een criminele gesjoemel van de imperialistische grootmachten die alleen oog hebben voor de bescherming van hun laag-bij-de-grondse kapitalistische belangen. Als we even terugblikken zijn er inderdaad sinds het begin van de oorlog al tientallen 'vredes'plannen en resoluties van de VN geweest, die gevolgd werden door ontelbare een 'staakt-het-vurens', welke nooit een einde hebben gemaakt aan de afslachtingen.
De nieuwe golf van massamoorden laten de grootmachten steenkoud, of erger: ze gaan verder met het, vanachter de schermen, op afstand sturen van de bloeddorstige bendes zonder ook maar de schijn te wekken de moordenaars te willen tegenhouden.
De criminele rol van de VN in het conflict is daarvan een illustratie. Net zo min als in mei 2003, toen ze passief toekeken bij de moord op 60.000 mensen in Ituri, verhinderen de in de RDCongo aanwezige blauwhelmen de afslachtingen. Maar erger nog: hun leden nemen, samen met de andere criminelen, rechtstreeks deel aan de afpersingen, en het seksueel geweld. Het is zo erg dat het secretariaat van Kofi Anann openlijk heeft moeten toegeven dat de "Blauwhelmen die in Congo gelegerd zijn seksuele misbruiken hebben begaan " (!). Deze misdaden zijn des te schandelijker als je in ogenschouw het aantal in ogenschouw neemt (40.000 sinds het begin van de oorlog) en het feit dat het de kinderen zijn, meisjes en jongens, die het slachtoffer zijn van het seksuele geweld. Om kort te gaan, de VN stelt zich er niet mee tevreden de wereld te bedriegen over haar rol als 'vredesmacht', maar ze is bovendien direct betrokken bij de criminele operaties van de imperialistische grootmachten.
Het zijn diezelfde grootmachten die dit land in een eindeloze chaos gestort hebben, en hun eigen verantwoordelijkheden proberen weg te moffelen achter een bedrieglijke propaganda. Om haar oorlogsgestook te maskeren beraamt de bourgeoisie van de grote imperialistische landen voor de ogen van de wereld inderdaad systematisch 'vredes'- en 'verzoeningsplannen' voor deze regio. In 2003 waren de peetvaders van de Congolese bendes er in geslaagd om dezen een compromis op te dringen dat zou leiden tot de vorming van een 'regering van nationale eenheid'.
Deze episode bood de bourgeoisie de gelegenheid om te wauwelen over de komst van een 'nieuw tijdperk van vrede en verzoening' in de DRCongo. Grove misleiding! De schijnregering die op poten werd gezet, liet er geen gras over groeien, toen in juni vorig jaar een van haar leden de wapens opnam om al afslachtend de stad Bukavu te bezetten en de burgerbevolking met duizenden op de vlucht te doen slaan.
Als de gewapende arm van diegenen die de regio willen controleren, slijpt iedere groep haar wapens om deze in te zetten tegen de anderen. Al deze gangsters, die enkel leven van de oorlog, storten het land in een bloedbad van allen tegen allen.
Anders gezegd, en in tegenspraak tot de leugenachtige propaganda van de bourgeoisie, is de vrede in deze zone onmogelijk. Het perspectief dat zich aftekent voor de DRCongo is het vervolg en de veralgemening van de oorlogsbarbarij.
Sinds de zomer van 2003 gaan de slachtpartijen in het Soedanese Darfoer gewoon voort en zoals de VN-verantwoordelijke van 'humanitaire zaken' onlangs zelf aankondigde zou het gaan om 180.000 doden in een periode van 18 maanden. Gedurende deze hele periode hebben de imperialistische grootmachten van de VN verklaard 'bezorgd' te zijn om de 'volkerenmoord' en om de 'misdaden tegen de menselijkheid' die in Soedan begaan worden, maar in werkelijkheid zijn zij het die de oorlogvoerenden onderhands bewapend, ondersteund en gemanipuleerd hebben. In feite bewapent en beschermt het Soedanese leger de bloeddorstige milities die onvermoeid jagen op de bevolking welke er van beschuldigd wordt de rebellen te ondersteunen, terwijl zij zelf worden bewapend en gefinancierd door bepaalde naburige landen zoals Tsjaad. Achter deze twee landen en de rebellen zitten andere nog machtigere imperialistische gieren, namelijk de Fransen en de Amerikanen die, achter het gezwets over de 'vredesresoluties', elkaar de controle betwisten over de lokale bendes en de regio. Het masker van de VN valt wanneer de criminele schijnheiligheid van deze heren bloot komt te liggen:
"De Amerikanen hebben een tweede aspect toegevoegd aan de sancties tegen het regime van Khartoem, waartegen de Russen, de Chinezen en de Algerijnen bewaar hebben. De Europeanen die zonder probleem voor de sancties stemmen, keren zich anderzijds tegen de Verenigde Staten met betrekking tot het gedeelte van de tekst dat handelt over het vervolgen van de verantwoordelijken van de begane afpersingen in Darfoer". (Le Monde van 19 maart 2005).
Ziedaar hoe de beruchte 'vredesonderhandelingen' van de VN, die zogenaamd een einde zouden moeten maken aan de 'volkerenmoord' in Darfoer, verlopen. Het cynisme van de grootmachten staat slechts gelijk met de graad van barbarij waarvoor zij de eindverantwoordelijkheid dragen. Niet alleen zijn deze bandieten medeplichtigen van de bloeddorstige moordenaarsbendes, maar bovendien vertonen ze een totaal misprijzen voor het lot van de 200.000 doden van deze oorlog.
De oorlog tussen de gewapende bendes is opnieuw losgebroken en dreigt de bloedige chaos te veralgemenen onder de ogen van de 11.000 militairen van de VN en het Franse imperialisme. Een presidentiële militie van Gbagbo heeft inderdaad onlangs een stelling van de rebellen uit het noorden aangevallen en dezen hebben daarop geantwoord met de beslissing de 'vredesbemiddelingen' van de Zuidafrikaanse president te beëindigen om zich beter voor te bereiden op de vernieuwde uitbarsting van de oorlog. Deze nieuwe botsing was voorspelbaar omdat de soldaten van de VN en de Fransen die aanwezig zijn op het terrein, sinds enige tijd containers lieten passeren, volgestouwd met munitie, die bestemd was voor de oorlogvoerenden. En dat terwijl er officieel door de Veiligheidsraad een embargo was ingesteld, om zogezegd de uitvoer van wapens te beletten. Wat een cynisme!
Op de achtergrond van de militaire botsingen, die daar plaatsvinden, verhevigen de imperialistische rivaliteiten op het diplomatieke vlak. Zo is president Chirac zelfs zo ver gegaan om openlijk zijn Zuidafrikaanse ambtgenoot aan te klagen de Franse politiek in deze regio te saboteren. Achter de schermen verdenken de Fransen de Zuidafrikanen ervan om, achter hun rug om, met de machthebbers van de Ivoorkust te konkelfoezen. En dat legt de criminele gulzigheid van deze twee imperialistische machten bloot om de controle over de Ivoorkust. En dat is de enige reden waarom Frankrijk daar nog steeds met 5.000 man troepen aanwezig is.
De plotselinge verdwijning (op 5 februari jongstleden) van president-generaal Gnassingbé Eyadema dreigt uit te lopen op een bloedige chaos door de imperialistische vraatzucht waarvan het land het slachtoffer is. De eerste botsingen tussen de opvolgers van de overleden generaal en de oppositie liepen al uit op verschillende doden en gewonden. Ook daar worden de verschillende lokale bendes, die elkaar in de haren vliegen, opnieuw instrumenten van de imperialistische staten die hen ondersteunen. Zo hebben de diverse lokale machten (Libië, Burkina, Ghana, enz.) zich in het gezelschap van Frankrijk, na het overlijden van de Togolese president, gestort op diens zoon Faure (gekozen door de militairen trouw bleven aan zijn vader) in een poging hem te controleren en te onderwerpen aan hun respectievelijke imperialistische belangen.
Het Franse imperialisme bijt op zijn tandvlees en doet er alles aan om zijn invloed in Togo te behouden. In feite zijn de betrekkingen tussen Frankrijk en Togo altijd gekenmerkt geweest door de 'gaullo-barbouze' logica (deze uitdrukking komt voort uit het feit dat de netwerken van generaal De Gaulle in Afrika gevormd waren door geheime agenten) van de vroegere koloniale grootmacht. Eyadema, die gevormd was door en 40 jaar lang op afstand gestuurd werd om de belangen van het Franse imperialisme te dienen, was er trouwens het perfecte voorbeeld van. Dat heeft hem in staat gesteld om de staatsgrepen (in 1963, en vervolgens in 1967) te plegen tegen de oppositie van de toenmalige de Franse politiek (van ex-president Olimpio). Hij kon deze plegen dankzij de 'dekking' die hij kreeg van Foccart, ex-'grote baas' van de 'gaullistische geheime agenten', de overleden 'speciale gezant voor Afrikaanse zaken' van generaal De Gaulle. En het is geen toeval dat, na de dood van Eyadema, Chirac officieel verklaart dat er "met hem een vriend van Frankrijk verdwijnt die voor mij ook een persoonlijke vriend was".
Deze woorden van de Franse president tonen duidelijk aan dat het Franse imperialisme, om zijn belangen veilig te stellen in dit oude koloniale bastion, zich voorbereidt op de confrontatie die zich aftekent in Togo,
Wat in dit land staat te gebeuren is, net als in de bovengenoemde landen, een soort Congolees verloop. Het is zonder meer duidelijk dat het perspectief voor heel Afrika zich al afspeelt in de DRCongo, 't is te zeggen: de veralgemening van de eindeloze barbarij.
Het is duidelijk dat, om een dergelijk perspectief om te gooien er niet gerekend moet worden op een grootmacht van eerste of van derde orde, noch op een internationale instelling zoals de VN, die slechts een rovershol is, maar op de omverwerping van het kapitalisme door de arbeidersklasse.
Amina / 24.03.2005
Tijdens de onderhandeling van het interprofessioneel akkoord, hebben links en de vakbonden een hoofdrol gespeeld in de ideologische campagne die er op mikte om dit akkoord tussen de 'sociale partners', onder het toeziend oog van de regering Verhofstadt, voor te stellen als een positief resultaat voor de arbeiders. Volgens deze trouwe dienaren van de nationale belangen zouden wij moeten vertrouwen op de staat om ons te verdedigen. Ze zouden ons in het bijzonder willen wijsmaken dat de staat, in plaats van de kapitalistische belangen te verdedigen, de arbeiders zou kunnen verdedigen, dat hij een staat zou kunnen zijn op te treden ter bescherming van de loontrekkers en niet langer 'ten dienste van het patronaat'¼ In het vorige nummer van Internationalisme (nr. 316) hebben wij aangetoond dat niets minder waar is. Het is eigenlijk de staat die de orkestleider is van alle aanvallen van de bourgeoisie, hij leidt de meest algemene aanvallen die het geheel van de arbeidersklasse treffen: voor wat betreft de pensioenen, de Sociale Zekerheid, tegen de werklozen. Hij beslist erover welke economische sectoren 'geherstructureerd' moeten worden. Het is de staat als patroon die het voorbeeld geeft van de brutaliteit van de aanvallen, door het aantal ambtenaren massaal te verminderen en hun lonen jarenlang te blokkeren. De staat kan enkel de verdediger bij uitstek zijn van de klassenbelangen van de bourgeoisie en verdedigt in alle omstandigheden de belangen van het nationale kapitaal tegen de arbeidersklasse.
Anderzijds hebben de socialistische partijen en de vakbonden een intensieve mediacampagne gevoerd om het idee door te drukken dat het akkoord cruciaal was voor het behoud van de 'sociale solidariteit' onder de arbeiders, tegenover het gevaar van het uiteenrafelen van de eenheid van het sociale weefsel: het gevaar van egoïsme van de sterke sectoren tegenover de zwakke, van het welvarende Vlaanderen tegenover het minder rijke Wallonië, etc.. Het akkoord zou dus een solidair verzet bevorderen tegen de aanvallen en des te meer omdat de vakbonden zich borg zouden stellen voor de rechtvaardige en evenwichtige toepassing ervan. De werkelijkheid van deze 'sociale realiteit' onder vakbondscontrole is de afgelopen weken op dramatische wijze aan het licht gekomen: voor de werkers is ze synoniem met het isolement van de strijd en de capitulatie tegenover de logica van de uitbuiters.
De vakbonden hadden het interprofessioneel akkoord doen slikken door het voor te stellen als een grote overwinning, dat de flexibiliteit zal toegepast worden 'onder controle van de vakbonden' (sic) en dat de eisenstrijd in ieder geval zou voortgezet worden in de sectoren. De demagogie van het ronkende gezwets dient in werkelijkheid alleen om de aanvallen te op de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse en de sabotage van haar strijd verbergen:
- Wat de voordelen van een flexibiliteit onder vakbondscontrole aangaat, volstaat het om te zien hoe, in de sectoren waar deze worden toegepast, er elke dag stakingsbewegingen uitbreken, meestal spontaan, zoals bij de Post, de NMBS of in het streekvervoer (De Lijn, MIVB, TEC) tegen de onderbemanning en de veiligheidsproblemen (werkongevallen, verkeersongevallen, agressie) die er uit voortvloeien.
- Wat de vakbondsacties betreft in de sectoren, tonen de recente bewegingen van de 'witte woede' of in de voedingssector aan, waartoe deze leiden: het versplinteren van de strijd en van de eisen. Op het vlak van de eisen worden categorieën en subcategorieën van het verzorgend personeel tegen elkaar uitgespeeld (“het aanpassen van de einde-loopbaan van de verpleegsters, goed, maar niet die van het schoonmaak- en administratief personeel”!); het scheiden van de acties van het verzorgend personeel dat afhankelijk is van de federale staat, van diegenen die afhangen van de gemeenschappen, de concurrentie opdrijven tussen de verschillende vakbonden; het aanwakkeren in de voedingssector van de niveaus in de looneisen tussen die bedrijven die 'overvloedige winsten' maken en die welke 'de concurrentie nauwelijks aankunnen', enz.
Zo hebben de vakbonden perfect het kader omlijnd waarin zij toestaan dat de ontevredenheid en het begin van strijdbaarheid van de arbeiders tot uitdrukking komt: zij bezetten het sociale terrein en sluiten het echte balen, dat leeft in brede lagen van het proletariaat, op in de dwangbuis van de fabriek, de sector, de beroepscategorie, de streek. Dit actiekader
- sluit de strijd op in de uitzichtloze logica van de democratische solidariteit die slechts kan leiden tot de nederlaag;
- versnippert de strijd en verbergt wat hen verenigt, terwijl de werkelijkheid van het doen samenlopen van de strijd zich meer dan ooit opdringt; Zo vindt men in de beweging van de 'witte woede', achter hun looneisen de algemene wil om weerstand te bieden aan de daling van de lonen, de bijkomende aanwervingen zijn een weerklank tegen de rationalisaties en tegen het helse ritme voor diegenen die werken, het aanpassen van de eindeloopbaan is tenslotte een antwoord op de flexibiliteit en de stress.
Tezelfdertijd mikken links en de vakbonden er op om het idee aan de arbeidersklasse op te dringen dat een 'radicale', 'onredelijke' oppositie tegen de kapitalistische logica gedoemd is tot mislukken. Dat is de les die er ingepompt wordt met behulp van een mediaheisa rond de drie en een halve maand lange staking, die gevoerd werd door de arbeiders van AGC Automotive (ex-Splintex) te Fleurus, een filiaal van de multinational Asashi Glass, tegen de beslissing om 284 van de 840 banen te schrappen, ofwel een derde van de effectieven. "Sinds de eerste dag hebben we onze plicht gedaan" beweert de afgevaardigde van de socialistische vakbond van de bedienden trots (Indymedia, 18.03.2005). In feite is de tactiek van de 'vakbondsstrijd' er volop ontplooid: totaal isolement van de staking, het verhinderen van elke werkelijke regionale of internationale solidariteit in de schoot van het bedrijf (buiten de schaarse vakbondsdelegaties), het behoud van de activiteit in de fabriek en de verdeling tussen de arbeiders door te aanvaarden dat de niet-stakers de fabriek binnenkwamen als gevolg van een gerechtelijke beslissing, de tegenstelling tussen de leden van de socialistische en christelijke vakbonden, terwijl het to-the-finish van de stakers werd aangepord met behulp van de basissyndicalisten en de ultralinksen van de PvdA. En als orgelpunt, bij het einde van de strijd, nog een botsing tussen een stakingscomité en een comité van niet-stakers die het bedrijf bezetten en opriepen tot het stoppen van de staking om 'het bedrijf te redden'. Kortom alles werd in het werk gesteld:
- om de strijdende arbeiders te isoleren, te verdelen, te ontmoedigen en tot wanhoop te brengen: niet alleen hebben ze niets bereikt (de ontslagen blijven gehandhaafd, de flexibiliteit is fors toegenomen, de werkelijke lonen zijn tot 30% gedaald), maar bovendien is het conflict geëindigd in ontmoediging, berusting en verbittering ;
- om het geheel van de klasse het idee in te rammen dat ze machteloos staat om zich te verzetten tegen de chantage van de sluiting en de delokalisering om de herstructureringen door te drukken, ontrieft links zich niet om het mes nog eens om te draaien in de wonde, door de arbeiders nog eens op cynische wijze de les te spellen dat men "moet weten een staking te beëindigen", want anders "bezoedelt men het imago van Wallonië" (sic) want men kan niet "op zijn eentje strijden tegen de globalisering" (Van Cauwenbergh, minister-president van de Waalse regio).
Het isolement aanvaarden leidt noodzakelijkerwijze naar het zich opsluiten in de logica van het belang van de nationale economie.
Overal wordt de arbeidersklasse bij de keel gegrepen. Ze wordt geconfronteerd met dezelfde ondraaglijke degradatie van haar levens- en werkvoorwaarden, met de dramatische vermindering van haar koopkracht, met de toename van de nepstatuten, van de vermindering van de sociale prestaties, van de uitholling van haar lonen en pensioenen, van de stijging van de prijzen voor de levensnoodzakelijke producten, de openbare diensten, de belastingen. De proletariërs en hun kinderen ervaren de angst voor een toekomst die met de dag somberder wordt... Ze worden er steeds meer toe gedreven na te denken over hun overuitbuiting in een wereld die uitsluitend drijft op de criteria van winst, concurrentie, rentabiliteit, en een in vraagstelling over een planeet die steeds gevaarlijker, barbaarser, gekker en ontmenselijkt wordt.
De bourgeoisie neemt het voorgetouw door massaal het sociaal terrein te bezetten omdat ze zich bewust is van de spanning van het sociaal klimaat, van deze algemene onvrede die de arbeiders er toe drijft om zich vragen te stellen over de wereld waarin zij leven. En het is de rol van de vakbonden om hun inkapselingsfunctie te vervullen, om de arbeiders te verdelen en te isoleren door zich vandaag te beijveren om de pogingen tot bewustwording, die zich nog op een verwarde manier manifesteren in de schoot van de arbeidersklasse, te blokkeren en af te leiden.
Tegenover de uitzichtloosheid van het kapitalisme is het enige mogelijke antwoord van de proletariërs de ontwikkeling van hun strijd op hun klassenterrein. Zij hebben geen andere keuze dan te vechten, anders zullen ze steeds meer opofferingen en aanvallen van de bourgeoisie te verwerken krijgen. De ontwikkeling van hun strijd is de enige manier voor de proletariërs om zich te verzetten tegen de steeds krachtiger aanvallen van de bourgeoisie die geen andere keuze heeft dan de proletariërs altijd maar meer uit te buiten, omdat ze alsmaar verder wegglijdt in een onomkeerbare crisis.
Tegelijkertijd wordt de arbeidersklasse er toe gedreven om te begrijpen dat haar strijd niet diezelfde is als die van links en de vakbonden: niet voor een beheer 'in overleg' of enige ander beheer van de uitbuiting, maar wel degelijk tegen het kapitalistische systeem in zijn geheel wiens bankroet alsmaar openlijker tot uiting komt.
De arbeidersklasse ziet zich ook genoodzaakt om zich ervan bewust te worden hoe zij moet strijden. Het is onmogelijk een krachtsverhouding op te bouwen die de bourgeoisie zou doen terugdeinzen als men verdeeld blijft, geïsoleerd op één plaats, in één bedrijfstak, in één bedrijf; zolang men niet erkent dat de arbeiders van dit of dat bedrijf, of van deze of gene sector, dezelfde eisen hebben en dezelfde strijd voeren en dat het er op aan komt zo talrijk mogelijk en eensgezind te strijden. Er bestaat al een wil om samen te komen, om samen over hun werkvoorwaarden te discussiëren, om aan het isolement te ontsnappen en de vragen te ontwikkelen hoe te strijden en hoe de aanvallen van de bourgeoisie het hoofd te bieden. De sporadische reacties van verontwaardiging en balen die steeds meer opduiken tegenover een groeiende verslechtering van de werkvoorwaarden, dikwijls als gevolg van agressie of werkongevallen, en die kunnen leiden tot sectoriële stakingen, illustreren een diepe ontevredenheid en een heropkomst van de arbeidersstrijdbaarheid die nog zeer vaag is, ongelijk en verschillend per sector. Deze huidige reacties van de arbeidersklasse getuigen van een nog kiemende maar werkelijke, natuurlijke solidariteit van de arbeidersklasse die ertoe gedreven wordt om zich steeds openlijker te uiten en te bevestigen in de ontwikkeling van gevechten. Dit is een onontbeerlijke, onvermijdelijke en beslissende dimensie van de strijd. De arbeidersklasse wordt er toe gebracht om te ervaren dat wanneer één deel van de klasse een aanval te verwerken krijgt, in feite heel de klasse geviseerd wordt, die morgen dezelfde aanval zal ondergaan als zij niet reageert. De steun aan een strijd die aan de gang is, is geen kwestie van financiële solidariteit of vakbondsdelegaties die door de vakbonden herleid worden tot 'het betuigen van hun solidariteit'. Het betekent integendeel zich niet laten isoleren, zich verbonden voelen, er actief aan deelnemen, ook in strijd gaan, hem uitbreiden en zich de middelen verschaffen om op hun beurt nieuwe sectoren in de strijd te betrekken, over de grenzen van het corporatisme heen. Door weer aan te sluiten bij deze ervaringen, door zo talrijk mogelijk deel te nemen aan de strijd van de klasse, zullen de proletariërs er weer vertouwen in krijgen dat ze in staat zijn een krachtsverhouding aan de bourgeoisie op te leggen. Zo zullen ze ook weer het gevoel krijgen te behoren tot éénzelfde klasse, die de enige sociale kracht is die de draagster is van een perspectief op de omverwerping van dit systeem en van een toekomst voor de mensheid.
Jos / 03.04.05
China zou volgens de bourgeoisie het nieuwe naaiatelier van de wereld geworden zijn. Elke dag overspoelen de burgerlijke media ons met beelden en reportages over de aankomst in Frankrijk, Europa, of zelfs in de Verenigde Staten, van massa’s hemden, broeken en andere kledingstukken ‘made in China’. Voor de westerse bourgeoisieën is het waarschijnlijk nodig deze ‘vloedgolf van Chinees textiel’ zoveel mogelijk tegen te houden. Maar voor de arbeidersklasse ligt de zaak helemaal anders. Als vandaag Aziatische waren de westerse markten overspoelen, dan komt dat omdat in die delen van de wereld de arbeidskracht zo belachelijk goedkoop is dat er aan zeer lage prijs geproduceerd kan worden. In de economische oorlog die ze voeren worden de verschillende nationale bourgeoisieën ertoe gedreven de proletariërs steeds wreder uit te buiten. In naam van de vereisten van de concurrentie probeert het kapitalisme dus de hele arbeidersklasse overal ter wereld mee te sleuren in een spiraal van toenemende ellende en uitbuiting.
Sinds begin 2005 werden in de Verenigde Staten in deze sector 17.000 banen geschrapt en 14 fabrieken gesloten. Dat stemt overeen met een stijging van de invoer in dit land van 1250% voor katoenen hemden en 300% voor ondergoed. De Amerikaanse regering heeft onmiddellijk gereageerd: “Door zo snel in te grijpen met het opleggen van beschermingsmaatregelen heeft de Amerikaanse regering een luide boodschap gestuurd om duidelijk te maken dat ze begrijpt dat deze enorme toevoer een echte crisis inhoudt voor onze arbeiders.” (C. Johnson, voorzitter van de textielfederatie) In feite trekt de Amerikaanse bourgeoisie, net als de Franse trouwens, zich geen bal aan van het lot van de arbeiders. Wat haar verontrust in de handelsoorlog die vandaag woedt, is de verzwakking van de concurrentiekracht van haar nationaal kapitaal. Eveneens om die reden proberen de landen van de Europese Unie, ondanks hun verdeeldheid, zich in slagorde op te stellen. De Europese commissaris van handel heeft onlangs aangekondigd dat hij de Chinese import van T-shirts en vlasgaren dringend wil beperken. Hij heeft China ook gevraagd zelf maatregelen te nemen om te vermijden dat de beschermingsclausules zouden moeten toegepast worden die voorzien zijn in het akkoord over de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Wat Frankrijk betreft, dat een belangrijk invoerder in de textielsector blijft, is het standpunt nog duidelijker. De Franse bourgeoisie eist dat met onmiddellijke ingang protectionistische maatregelen genomen worden. Het is nu al duidelijk dat verschillende duizenden ontslagen geprogrammeerd zijn in de sector. de Franse bourgeoisie wil ons wijsmaken dat ze protectionisme wenst om de werkvoorwaarden van ‘haar’ arbeiders te beschermen. Ze gaat zelfs zover de miserie van de Chinese arbeiders aan te klagen die geofferd worden op het altaar van de winst. Maar dat dient enkel om haar eigen aanvallen beter te verbergen, haar eigen actie als uitbuitende klasse. Want in werkelijkheid voert de bourgeoisie overal hetzelfde beleid. Om haar winsten veilig te stellen in volle situatie van economisch failliet, verlaagt ze de lonen in eigen land om aan betere prijzen te kunnen exporteren en verkopen. In weerwil van wat andersglobalisten en andere gauchisten vertellen, gaat het dus niet om een beleid dat enkel door deze of gene liberale staat wordt gevoerd. Onder dit kapitalisme in crisis voeren alle naties een genadeloze handelsoorlog, allemaal zetten ze de arbeidersklasse zwaar onder druk. Voor lek land is het inderdaad van levensbelang zich zo goed mogelijk te plaatsen op de wereldmarkt, wat ook de gevolgen zijn voor de proletariërs.
Daarom heeft de Chinese bourgeoisie onmiddellijk gereageerd op de protectionistische maatregelen die door de Verenigde Staten en de Europese Unie overwogen werden. De Chinese minister Bo Xilai, geciteerd door het agentschap Nieuw China, liet onmiddellijk weten dat “China sterk gekant is deze de beperkingen die door andere landen opgelegd worden”. Dezelfde minister verklaarde op 18 mei jl. : “De integratie van de textielhandel is een belangrijk recht dat China geniet sinds zijn toetreding tot de WTO. China zal zelf geen beperkingen opleggen aan zijn uitvoer van textielproducten.” De boodschap kan niet duidelijker geformuleerd worden. Met de nieuwe recessie die al begonnen is, zal geen enkel kapitalistisch land enig cadeau weggeven aan de andere.
Met de delocalisaties is het van hetzelfde laken een pak. Een studie besteld door de commissie financiën van de Franse senaat, uitgevoerd door de groet Katalyse, voorziet dat in de periode 2005-06 202.000 dienstenjobs uit Frankrijk gedelocaliseerd zullen worden. Daarbij moeten nog eens tienduizenden jobs gevoegd worden, verbonden aan de warenproductie, waarvoor geen al te grote kapitaalinvestering vereist is, zoals verbruiksgoederen of meubels. Het verschijnsel van de delocalisatie dat in de jaren 1990 begon, kent vandaag een zeer reële versnelling. Ook op dat vlak is de enige bekommernis van het kapitalisme maximale rentabiliteit. Voor Frankrijk, net als voor de Europese voornaamste industrielanden zijn de favoriete uitwijkbestemmingen natuurlijk China, India en nu ook Oost-Europa. De laatste belangrijke delocalisatie was die van het complete beheersapparaat van Philips, de electronicareus, dat verhuist naar Lodz in Polen. De Britse confederatie van de industrie stelt dat met het huidige ritme van de delocalisaties, er over 10 jaar “geen werk meer zal zijn voor onopgeleid personeel in het Verenigd Koninkrijk”. De krant The Daily Telegraph voegt er cynisch aan toe: “We moeten ervoor zorgen dat de mensen een opleiding krijgen. Als je opgeleid bent, hoef je niks te vrezen.” Leugens! Het regent vandaag ontslagen in alle sectoren, of het nu puntsectoren zijn of niet. De werkloosheidslijsten staan vol met werklozen met stapeltjes diploma’s.
De bourgeoisie neemt er geen genoegen mee de lonen van de arbeidersklasse zonder ophouden aan te vallen, ze gebruikt daarbovenop nog de toestroom van Chinees textiel en de dreiging van delocalisatie om een ware chantage te voeren tegen heel de arbeidersklasse.
De bourgeoisie speelt met het grootst mogelijke cynisme de schrikbarende levensvoorwaarden die de arbeiders kennen in India, China of nog in Oost-Europa uit onduidelijk te maken dat de arbeiders in Frankrijk ondanks de aftakeling van hun levenspeil toch niet te klagen hebben. Dat laat haar toe nieuwe offers te vragen, zoniet zal ze niet langer kunnen concurreren met Azië en Oost-Europa. De bourgeoisie streeft zo verschillende doelwitten na.
Ze probeert de arbeiders in Frankrijk een schuldgevoel aan te praten, omdat zij zouden terugvechten hoewel ze het minder slacht hebben, terwijl zoveel andere proletariërs elders op de wereld in veel slechtere omstandigheden leven. Ze probeert ook in het hoofd van de arbeiders in te prenten dat als ze niet bereid zijn voor minder loon te werken, er nog meer delocalisaties zullen volgen. De werkloosheid die dat zal meebrengen, zou dus niet de fout zijn van het failliete kapitalisme, maar van het ‘egoïsme’ van de arbeiders.
En tenslotte, door te tonen dat de arbeiders in sommige landen bereid zijn voor praktisch niks te werken, op straffe van te creperen van de honger, zij en hun families, verspreidt ze op een geniepige manier de concurrentie en dus de verdeling binnen de arbeidersklasse. Die politiek van de zondebok en van de chantage is een constante in het leven van de bourgeoisie. Vandaag zijn het de arbeiders in China, India, Polen of Hongarije die met de vinger gewezen worden. Gisteren waren het die uit Algerije, Marokko, Spanje of Portugal die te grabbel gegooid werden voor de ‘openbare opinie’. Het proletariaat mag zich niet laten vangen door dergelijke smerige en verwerpelijke ideologische leugens. De arbeidersklasse wordt overal uitgebuit. En ze is dat nog wreder in gebieden waar ze zich minder goed kan verdedigen. De arbeidersklasse moet zich stukje bij beetje als klasse laten gelden in de heropkomst van de strijd vandaag, eensgezind en solidair, overal ter wereld. De competitiviteit van de burgerlijke ondernemingen is enkel een probleem van het kapitalisme, geenszins van het proletariaat.
De Franse, Britse, Amerikaanse, Duitse,… bourgeoisie wil het proletariaat verdelen, het aan de natie vastketenen om het te kunnen meesleuren in haar spiraal van concurrentie. Zoals Marx en Engels stelden in Het Kommunistisch Manifest, hebben de proletariërs geen vaderland, overal hebben zij dezelfde belangen, overal ondergaan ze dezelfde onderdrukking. Wat de arbeiders van de gehele wereld in geen geval uit het oog mogen verliezen, is dat zij allemaal tot dezelfde klasse behoren, en dat het de groeiende solidariteit in hun rangen is waaruit ze de kracht zullen kunnen putten waarmee hun strijd de aanvallen van de bourgeoisie zal kunnen verijdelen.
Tino / 25-5-05
De crisis van het systeem drijft de bourgeoisieën, in een wanhopige achtervolgingskoers om hun productiekosten te verlagen, tot aanvallen op de levensomstandigheden van de proletariërs. Enerzijds door groei van de productiviteit, wat betekent dat het arbeidsritme wordt opgevoerd en de flexibiliteit van de arbeidskracht wordt vergroot om zo het aantal arbeiders terug te brengen tot het noodzakelijke minimum. Anderzijds, door het najagen en op de spits drijven van grootse programma's van ‘hervormingen’. Maatregelen gericht op het aanpakken van het indirecte loon van de arbeiders, de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen, de vergoeding van de gezondheidszorg, van ziektedagen en invaliditeitsuitkeringen. De bourgeoisie spaart geen enkele laag van de arbeidersklasse, of het nu de oudere of de jonge generatie is, of die nu werkt dan wel werkloos is, of die in de openbare dan wel in de privé-sector werkt. De concrete gevolgen van deze aanvallen bestaan uit een algemene aftakeling van de arbeids- en levens-omstandigheden van het geheel van de wereldarbeidersklasse. Nog nooit werd het proletariaat geconfronteerd met dergelijke harde, massale en omvangrijke aanvallen waardoor miljoenen arbeiders worden geraakt. In de geïndustrialiseerde naties begint de welvaartsstaat als een kaartenhuisje ineen te storten. Het onderhoud van de arbeidskracht kan niet langer worden verzekerd. Dat vormt een overduidelijke manifestatie van het failliet van het systeem.
Maar toch viert de bourgeoisie in zijn geheel cynisch de zestigste verjaardag van de sociale zekerheid in België. Maar wij hebben niets te vieren. Terwijl de massale aanvallen een verenigd en massaal antwoord van de gehele arbeidersklasse noodzakelijk maken (van werkenden, werklozen en gepensioneerden), leiden de vakbonden en hun ultralinkse en andersglobalistische handlangers de bedenkingen van de arbeiders over het failliet van het kapitalisme af in de richting van illusoire maatregelen om ‘de sociale zekerheid te redden’. Terwijl de frontale aanval op de sociale bescherming betekent dat een heel onderdeel van de welvaartsstaat verbrijzeld wordt onder de mokerslagen van de economische crisis, blijven onze verdedigers van de sociale zekerheid dezelfde leugen verkondigen: de sociale zekerheid zou een overwinning zijn van de arbeidersklasse, verworven aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Tegenover deze nieuwe vervalsing van de geschiedenis door de gezamenlijke krachten van links, ultralinks en de vakbonden, en de valse solidariteit die daarachter schuilgaat dient de waarheid in ere te worden hersteld door in het kort de geschiedenis te schetsen van de sociale verzekeringen en de oprichting van de sociale zekerheid in 1945 vanuit kapitalistisch oogpunt. Dit bevestigt de marxistische analyse en laat toe te begrijpen dat men voor de arbeiders net achter het klatergoud van de sociale zekerheid het historisch bankroet van de verzorgingsstaat en van het kapitalistische systeem wil verborgen houden.
Waarom stellen wij dan dat het instellen van de sociale zekerheid een nederlaag was voor de arbeidersklasse ?
De sociale zekerheid was helemaal geen resultaat van arbeidersstrijd. Ze werd uitgedacht, bestudeerd en georganiseerd door de hoogste lagen van de bourgeoisie op een moment waarop het proletariaat fysiek en ideologisch zwaar verslagen was. Het uitbreken van de tweede wereldoorlog was al mogelijk geworden door de inkadering van de arbeiders achter de burgerlijke vaandels van de ‘democratie’ en het fascisme. En de oorlog zelf kwam die sombere toestand in het klassenbewustzijn nog verder doordrijven door proletariërs van de twee kampen tegen elkaar op te jagen voor lage imperialistische belangen. De vijftig miljoen doden, de slachtpartijen en bloedorgieën op de slagvelden en in de concentratiekampen, waren mogelijk over het lijk van het proletarisch internationalisme heen. In die weerzinwekkende situatie van nationale eenheid heeft de bourgeoisie de sociale zekerheid ingevoerd. Vanaf 1943, toen de toestand strategisch in het voordeel van de Amerikanen begon te keren, bereidde de bourgeoisie zich actief voor op de situatie na de overwinning. In alle landen, onder de bezetting of in ballingschap, ontmoeten vertegenwoordigers van staat, patronaat en vakbonden elkaar, om samen de sociale wetgeving van de tweede helft van de 20e eeuw klaar te stomen. Wat hen daarbij het meest zorgen maakte was het volgende :
1. De ellende van de oorlog en de noodtoestand vlak na de oorlog betekenden een gevaar van het opkomen van sociale bewegingen op grote schaal. De bourgeoisie was bang, onterecht zoals later bleek, voor een herhaling van een periode van opstanden, zoals die van 1917-1923. De sociale zekerheid die werd ingesteld was vooral een zekerheid voor de bourgeoisie zelf.
2. Europa heropbouwen na zoveel jaren ontbering en leed vereiste van de arbeidersklasse een nieuwe inspanning. Voor de bourgeoisie, die sociale vrede en nationale eendracht nodig had voor de goede werking van haar ondernemingen, kwam de sociale zekerheid goed van pas om die overuitbuiting van de arbeidersklasse te rechtvaardigen.
3. Met het ineenstorten van de as-mogendheden werd het ‘geallieerd’ blok in twee gesneden en begon de koude oorlog. Elk kamp verdedigde ten koste van alles elk brokje territorium. In die strategie was de inplanting van ‘kommunistische’ partijen in het verzet en hun impact in de arbeidersklasse uiterst belangrijk voor het sovjetblok. De westerse bourgeoisie deed alles om de invloed van die partijen en het oprukken van de sovjettroepen tegen te gaan. Het opzetten van de sociale zekerheid, voorgesteld als ‘grote arbeidersoverwinning’, vormt een deel van die globale strategie van de bourgeoisie. In die zin was belangrijkste doel van het Marshall plan (investeringen en Amerikaanse giften) niet het ‘heropbouwen’ van Europa, maar wel de catastrofale gevolgen van de naoorlogse crisis verzachten om de bourgeoisie van West-Europa te ondersteunen in het behouden van de sociale controle in hun land.
In de vorige eeuw waren de achturendag, het verbod op kinderarbeid, op nachtwerk door vrouwen, nog echte toegevingen die door harde arbeidersstrijd werden afgedwongen. Maar de sociale pakten van na de tweede wereldoorlog heeft de bourgeoisie gevormd tegen een achtergrond van globale controle over de maatschappij om de heropbouw van de vernielde economie te plannen en sociaal te onderhandelen in de naoorlogse periode. De sociale zekerheid is het systeem dat de bourgeoisie wou instellen om de sociale vrede te vrijwaren en vooral om de greep van de staat op het economisch en sociaal leven te versterken.
In de negentiende eeuw is het kapitalisme nog in volle ontwikkeling. Het verovert de wereld en verbreidt zijn productie verhoudingen over heel de planeet. In dat kader van voortdurende groei is een blijvende verbetering van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse echt mogelijk. De klasse verenigde zich in ‘coalities’ om de concurrentie onder de arbeiders uit te schakelen. Groeiende solidariteit in de strijd voerde geleidelijk tot het oprichten van stakingskassen en kassen voor ziekte en werkloosheid. Zo leert het proletariaat stap voor stap doorheen de strijd zichzelf te herkennen als een internationale klasse verenigd rond dezelfde belangen. Zij leert zich organiseren en samensmeden in de strijd. Die organisaties liggen aan de basis van het oprichten van vakbonden en massapartijen (sociaal-democratie). Zo werden sociale en economische verworvenheden verkregen na harde confrontaties met de bourgeoisie. Onder druk van de strijd werd het parlement gedwongen om hervormingen te stemmen die de arbeids- en levensvoorwaarden van de arbeidersklasse blijvend verbeterden.
Ook al kon de arbeidersklasse op bepaalde punten de burgerlijke overheersing bedreigen in de negentiende eeuw, toen het kapitalisme nog in zijn opkomende fase was, toch waren de productiekrachten en het proletariaat zelf nog niet genoeg ontwikkeld om op internationale schaal de revolutie te doen zegevieren. Daarom kon de bourgeoisie tolereren dat haar klassenvijand zich permanent organiseerde op eigen terrein, ook al heeft ze haar best gedaan om de organisatie van het proletariaat te saboteren.
Die tijden van glorie voor de ontwikkeling van het kapitalisme en de arbeidersbeweging, waarin het minimum en het maximum programma gelijktijdig konden bestaan, hebben mogelijk gemaakt dat er illusies kwamen over een vreedzaam kapitalisme, zonder beperkingen, en stap voor stap te hervormen. De grote meerderheid van de arbeiderspartijen en de vakbonden vielen volop in dat plat reformisme. Ze beperkten zich tot het verdedigen van de directe belangen van de arbeidersklasse (minimum programma) en lieten het historisch perspectief vallen van de socialistische revolutie door de instelling van de dictatuur van het proletariaat (maximum programma).
De economische crisis en het uitbreken van de eerste wereldoorlog komen brutaal herinneren dat het kapitalisme stuit op onoverkomelijke grenzen en dat het dreigt de mensheid in barbaarsheid te storten. Dat is het teken van het begin van de vervalfase van het kapitalisme. Het systeem heeft zijn historische rol gespeeld, de productiekrachten zijn voldoende ontwikkeld om de onderliggende basis voor het socialisme te vormen, en het proletariaat, dat in 1917 in Rusland de macht greep, is een permanent gevaar voor de bourgeoisie geworden. Het verdelen van de wereld onder de grootmachten maakt een eind aan de fase van voortdurende uitbreiding van het kapitalisme en opent het ‘tijdperk van oorlogen en revoluties’, zoals de Kommunistische Internationale het analyseerde. Getuige daarvan zijn de tientallen miljoenen doden tijdens de twee wereldoorlogen, de onophoudelijke oorlog in de ‘derde wereld’ uit de tijd van de ‘koude oorlog’ en het uitbreken van slachtpartijen van de Golfoorlog, over ex-Joegoslavië tot de genocide in Rwanda, de grote crisis van de jaren dertig en de crisis vandaag, die nu al meer dan dertig jaar duurt, alle ellende en barbaarsheid.
De bourgeoisie kan niet langer tolereren dat haar klassenvijand zich permanent op eigen terrein kan organiseren, en kan leven en groeien binnen eigen organisaties. De staat gaat alle aspecten van het leven van de maatschappij totalitair overheersen. De tijd dat het kapitaal nog permanente proletarische organisaties kon tolereren is achter de rug. De vakbonden zijn dan ook een deel van het raderwerk geworden van de staat, organen die binnen de arbeidersklasse controle uitoefenen en de belangen van het kapitaal erdoor duwen. De vakbonden verdedigen niet langer de onmiddellijke belangen van de arbeidersklasse. Er valt geen minimum programma meer te verdedigen. Alleen het maximum programma biedt een antwoord op de mogelijkheid en de noodzaak van de proletarische strijd. Echte en blijvende hervormingen zijn niet langer mogelijk in de vervalfase. Dat is de reden waarom het proletariaat nieuwe unitaire strijdorganisaties heeft ontwikkeld, de algemene vergaderingen en arbeidersraden, die enkel kunnen bestaan door en tijdens openlijke strijd. Die groeiende greep van de staat op alle gebieden van de maatschappij, en speciaal op sociaal vlak, betekent dat elk leven van de arbeidersklasse opgeslorpt wordt en omgevormd tot zijn tegendeel : op burgerlijk terrein. Concreet heeft de staat, meestal via de vakbonden en soms ook rechtstreeks, de oude stakingskassen ingepikt, en diverse uitkeringen, verzekeringen in geval van werkloosheid, patronale of staatsrepressie, die voordien door de arbeiders beheerd werden. Zo is de bourgeoisie erin geslaagd om de politieke en economische solidariteit uit handen van de arbeidersklasse te halen en over te maken aan de staat. Tussen de twee wereldoorlogen wordt al een deel van de sociale zekerheid op poten gezet. In 1920 werd bijvoorbeeld het Nationaal Crisisfonds opgericht dat de werkloosheidskassen opslorpt. In 1938 wordt de verplichte werkloosheidsverzekering ingesteld.
Hoe helpt de sociale zekerheid mee aan die stijgende controle van de staat over de arbeidersklasse? De sociale zekerheid werd ons steeds voorgesteld als een ‘verworvenheid’, een ‘geschenk’, een fonds betaald door de staat, het patronaat en de arbeiders samen. Niets is minder waar! De fondsen die de sociale zekerheid spijzen zijn een integraal deel van het loon van de arbeidersklasse die door de staat naar de vakbonden en mutualiteiten worden omgeleid. In werkelijkheid betalen de arbeiders drie keer: rechtstreeks door hun eigen bijdragen, indirect door de staat via de belastingen en door de ‘patronale bijdragen’ die de kapitalisten afhouden van het loon. Alle rijkdom komt voort uit arbeid. De staat en het patronaat produceren niks op zich, de belastingen en winsten worden afgehouden op het werk van de arbeiders. En dat maakt het systeem natuurlijk rechtvaardig voor de bourgeoisie! Door een indirect loon te scheppen, dat beheerd wordt door de staat en de vakbonden, bindt de bourgeoisie de arbeidersklasse materieel en ideologisch aan staat en vakbonden : “De bourgeoisie nam de politieke solidariteit uit handen van de arbeiders om die om te zetten in een economische solidariteit in handen van de staat. Door het salaris op te delen in een deel dat direct wordt uitbetaald door de baas en een deel dat indirect wordt uitbetaald door de staat, versterkte de bourgeoisie het bedrog aanzienlijk, dat er uit bestond de staat voor te stellen als een orgaan dat boven de klassen staat, en borg staat voor het algemene belang van de sociale zekerheid van de arbeidersklasse. De bourgeoisie slaagde er in de arbeidersklasse materieel en ideologisch aan de staat te binden.” (Internationale Revue, Engels, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 115, p. 13).
Meer dan ooit zijn de nieuwe aanvallen op de sociale zekerheid een uitdrukking van het bankroet van het kapitalistisch systeem, van het einde van de verzorgingsstaat en van de mythe van de sociale dekking van ‘de wieg tot het graf’. Vandaag, met een bodemloze reserve aan arbeidskrachten, moet het kapitalisme een steeds groeiend deel van het proletariaat opofferen teneinde de werkkracht zo goedkoop mogelijk te houden. Laat staan dat ze de rest laten creperen. Voor links, als trouwe dienaar van het kapitaal, kan de sociale solidariteit enkel bestaan uit een pact met de uitbuiters. In feite is wat de bourgeoisie predikt niet anders dan solidariteit¼ met haar uitbuitingssysteem. Het principe van de sociale zekerheid verdedigen komt erop neer dat men de burgerlijke staat vraagt om de veiligheid van de arbeidersklasse te vrijwaren. Het mechanisme van de sociale zekerheid verdedigen is bereid zijn om ons lot te binden aan dat van onze ergste beulen, het is onze klassensolidariteit vervangen door een denkbeeldige ‘nationale solidariteit’.
De arbeiderssolidariteit betekent echter geenszins, zoals de bourgeoisie het voorstelt, dat we gebukt moeten gaan onder de aanvallen van het kapitaal, want net zomin als dit vroeger het geval was, garandeert dat ons een betere toekomst. Tegenover die nepsolidariteit die de bourgeoisie ons voorstelt moeten we de enige en echte klassensolidariteit stellen, de strijd op het eigen klassenterrein, zo eensgezind en massief mogelijk. Enkel een echte politieke solidariteit, een eenmaking van heel de arbeidersklasse in de strijd tegen het kapitalisme, de verantwoordelijke voor de ellende en barbarij in alle uithoeken van de planeet, en tegen zijn burgerlijke staat en zijn vakbonden, kunnen een ander perspectief gaan bieden voor de hele mensheid.
Er is nu al meerdere jaren geweigerd de IKS als standhouder toe te laten op de alternatieve boekenbeurs te Gent net als op de anarchistische beurs in Utrecht. Verschillende jaren deden de organisatoren alsof onze aanvraag te laat zou zijn ingediend, of er gebrek was aan plaats, enzovoort. Een beetje sterk. Toen we aandrongen antwoordden de organisatoren dat we niet passen in het door hen gewenste anarchistische profiel. Het komt natuurlijk niet bij ons op om ons te beklagen over deze beslissing of een beroep te doen op een welwillender houding van de organisatoren. Het gaat ons erom de ware redenen van de herhaalde weigering van de organisatoren van deze boekenbeurzen bloot te leggen.
Na hun administratieve uitvluchten liegen de organisatoren bewust als ze hun weigering rechtvaardigen met ideologische redenen (we zouden niet het profiel hebben). Wie heeft op deze beursen niet de aanwezigheid gezien van stands, publicaties, groepen en verenigingen die openlijk sociaal-democratisch zijn, stalinistisch of nationalistisch... en die in het geheel geen ‘anarchistisch profiel’ hebben. Waarom wordt dan de IKS uitgesloten, een organisatie die zich beroept op het proletarisch internationalisme en die alle nationalistische ideologieën, op welke etnische, historische of religieuze voorwendsels die ook gebaseerd zijn, beschouwd als een waar vergif voor de proletariërs?
De IKS heeft zijn marxistische standpunten altijd duidelijk naar voren gebracht net als zijn principiële meningsverschillen met het anarchisme. De IKS heeft altijd de burgerlijke standpunten van het officiële anarchisme aangeklaagd dat uitdraait op een verdediging van de democratische staat (zoals het geval was met Kropotkin en de Franse CGT in 1914 of de Spaanse CNT in 1936) en op de verdediging van het achterlijkste nationalisme (zoals het Bretoense of Vlaamse anarcho-nationalisme: zie daarover het artikel over Het anarcho-nationalisme van De Vrijbuiter in De Fabel van de Illegaal, nr. 68). Als de organisatoren onze aanwezigheid ongewenst vinden, dan is het omdat allerlei mensen die op zoek zijn om hun politieke inzichten te verruimen en te verdiepen, geïnteresseerd raken in de analyses van de Kommunistische Linkerzijde, in de vragen die we stellen en politieke antwoorden die we geven met betrekking tot onderwerpen van belang voor de arbeidersklasse en de toekomst van de mensheid. Wat de organisatoren in werkelijkheid willen is voorkomen dat er een eerlijke en open confrontatie van politieke standpunten plaats vindt. Ondanks hun (valselijk) libertaire woorden leunen ze liever aan tegen hun stalinistische en ultra-linkse (pro- of antistalinistische) buren dan dat ze de Kommunistische Linkerzijde in staat stellen gehoor te vinden voor een duidelijk internationalistisch klassenperspectief.
We verbazen ons geen moment over deze houding van de organisatoren die zo het ideologisch totalitarisme versterken waarvan ze een radertje zijn, hoewel bescheiden, niettemin onmisbaar om te voorkomen dat mensen die zichzelf vragen stellen daarop politieke antwoorden vinden waarover ze kunnen debatteren. Door ons een stand te weigeren draagt het officiële anarchisme haar steentje bij aan het burgerlijke eenheidsdenken.
Sommige deelnemers die zich aan deze houding ergerden hebben trouwens al openlijk van hun solidariteit blijk gegeven door onze pers vanaf de tafels van hun stands te verspreiden en ze aarzelden ook niet om zich mondeling en schriftelijk te beklagen over de houding van de organisatoren: “De IKS staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar dat spreekt voor zich: het zijn nu eenmaal marxisten. [...] Voor wie belangstelling heeft voor hun standpunten staan ze echter open voor discussie. Hun bijeenkomsten zijn openbaar en je mag er ongehinderd je anarchistische standpunten komen toelichten of zelfs anarchistische pamfletten verspreiden onder de bezoekers. Dat lijkt me dus heel wat democratischer dan een anarchistische boekenbeurs waar enkele organisatoren op eigen houtje beslissen om bepaalde groepen te weigeren. Voor sommige anarchisten is het misschien wel interessant om de verschillen en overeenkomsten te kunnen onderscheiden, waarbij men de eigen standpunten leert formuleren en verdedigen. Wanneer je echter geen zin hebt om met hen in discussie te gaan, bijvoorbeeld omdat ze niet anarchistisch, veganistisch, feministisch of pacifistisch genoeg zijn, of anderszins niet in je wereldbeeld passen, dan doe je dat gewoon niet... Het is echter wat anders dan een platform te bieden voor de platte propaganda van stalinisten en trotskisten die zieltjes komen winnen! [...] “ik zie in het geval van de IKS vooralsnog onvoldoende grond om hen deelname aan de anarchistische boekenmarkt te ontzeggen. Het is daarbij geenszins mijn bedoeling om dan maar meteen de poorten open te zetten voor de hele trotskistische en stalinistische mikmak; mijns inziens onderscheidt de IKS zich, ook vanuit een anarchistisch standpunt, daar in gunstige zin van. De historische stromingen waarop zij zich beroepen zijn in hun tijd overigens in niet mindere mate het slachtoffer geworden van de door Trotski en Stalin ontketende repressie en terreur dan de anarchisten. Het zou toch vreemd zijn als een bepaalde manier van denken die door toedoen van het stalinisme praktisch van de aardbodem is verdwenen (en die op velen ongetwijfeld een anachronistische indruk maakt) nu het zwijgen wordt opgelegd door anarchisten!” (1). Wie politiek consequent wil zijn moedigen we aan stelling te nemen en we publiceren die ook.
Van onze kant nodigen we eenieder, die daadwerkelijk een confrontatie van ideeën wil aangaan en over de problemen van de wereld wil debatteren, over de klassenstrijd en de toekomst van de mensheid, uit voor onze openbare activiteiten, zowel voor onze discussiebijeenkomsten waar gedebatteerd wordt rond de vragen van deelnemers, als voor onze openbare bijeenkomsten waar gedebatteerd wordt aan de hand van een inleiding waarin het standpunt van de IKS over een onderwerp wordt uiteengezet, of ons aan te spreken tijdens de verkoop van onze pers tijdens verschillende manifestaties en de strijd van de arbeidersklasse.
Mei 2005
(1) Zie: Open brief van uitgeverij De Dolle Hond aan de anarchistische marktmeesters van de Utrechtse boekenbeurs, op onze website: https://www.internationalism.org/dutch [21] , en Organisatoren anarchistische boekenbeurs te Utrecht onthullen hun stalinistische praktijken, in: Wereldrevolutie, nr. 101.
“Wij hebben gewonnen!”, zo scandeerde op de avond van 29 mei ‘het volk van links’ op het Bastille-plein te Parijs. “Deze overwinning is er vooral een van de arbeiders, van de bedienden, van de jongeren en de werklozen (die) elkaar gevonden hebben bij de stembus om deze liberale dwangbuis te verwerpen”, verklaarde de nationale secretaris van de stalinistische Parti Communiste Français en ze voegde er aan toe: “Deze overwinning werd opgebouwd (...) in een dynamiek van een volksoploop die deed denken aan de grote momenten van het Volksfront of van Mei 1968”; terwijl de trotskist Besancenot van de Ligue des Communistes Révolutionnaires sprak van “een beweging van sociale wraak”. In Nederland verklaarde de ‘democratische’ en ‘progressieve’ ‘Stichting Sociaal Europa’ in Nederland; “De afwijzing van deze grondwet geeft hoop aan de werklozen en mensen levend in armoede en bestaansonzekerheid. De hoop dat het nee tegen de neoliberale grondwet in Frankrijk en Nederland een omslag in de geschiedenis teweeg zal brengen die leidt tot een radicale heroriëntatie in de Europese politiek.” Een ander linksgeaard ‘Comité Grondwet Nee’ deed er nog een schepje bovenop: “Deze uitslag is ronduit gunstig voor de toekomst van Europa. De hoge opkomst en de vele discussies geven aan dat Europa leeft onder de bevolking, als de mensen er zelf maar werkelijk iets over te zeggen hebben. In twee van de drie landen waar een referendum is gehouden was er sprake van een hoge opkomst en een duidelijk afwijzen van de Grondwet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak is voor een democratisch en sociaal Europa.”
Links staat op de eerste rij om de overwinning van het NEEN voor te stellen als “een grote overwinning van de arbeidersklasse”. Leugens! De arbeidersklasse heeft niets gewonnen. Integendeel, de bourgeoisie heeft gebruik gemaakt van haar referendum om het klassenbewustzijn te bederven door te profiteren van de illusies die nog sterk leven binnen de arbeidersklasse ten aanzien van de democratie en de verkiezingen.
De proletariërs moeten er over nadenken dat wat hen altijd wordt voorgesteld als “grote arbeidersoverwinningen” steeds de grootste en de gevaarlijkste nederlagen betekenden voor hun klasse. Net zo was het in 1936, met het aantreden van de regering van het Volksfront in Frankrijk, dat vandaag nog steeds wordt voorgesteld als “een grote overwinning” voor de arbeiders, terwijl de regering van dat Volksfront de bourgeoisie in staat stelde om de arbeidersklasse massaal in te kaderen achter de vlag van het antifascisme ten gunste van de verschrikkingen en de afslachtingen van de Tweede Wereldoorlog. Het is in naam van de grote leugen van “de triomf van de dictatuur van het proletariaat in de USSR”, van “de overwinning van het socialisme in één land” en van “de vooruitgang bij de opbouw van een kommunistische maatschappij”, die een halve eeuw lang hele generaties van arbeiders meesleurde en opofferde op het altaar van de stalinistische contrarevolutie, achter een ideologie van de “verdediging van het socialistisch vaderland”, maar die ook uitgebuit, uitgemoord, gedeporteerd en gevangen werden gezet door datzelfde “vaderland van het socialisme”.
De proletariërs zijn met open ogen in de val gelopen waarbij het hen zó werd voorgesteld dat er met het referendum voor hen iets op het spel stond. Vandaag buit de bourgeoisie de situatie uit in haar eigen voordeel en het bewustzijn van de arbeiders te ondergraven door hen wijs te maken dat het stembiljet doeltreffender zou zijn dan de klassenstrijd, ook al kunnen de effecten van deze propaganda wel eens heel snel wegsmelten onder druk van de werkelijkheid.
De enorme en voortdurende tamtam rond het referendum, voor, tijdens en erna, heeft slechts één doel: de proletariërs de grove leugen doen slikken dat het meest doeltreffende middel om de bourgeoisie terug te dringen en om hun stem te laten horen en hun ongenoegen uit te drukken, niet de ontwikkeling van de klassenstrijd zou zijn maar het stembiljet. Zo winden de trotskisten van Offensief in Nederland er geen doekjes om: “Nadat de Nederlandse werkende bevolking in het najaar al had laten zien zich niet zomeer neer te leggen bij draconische bezuinigingsmaatregelen en afbraak van de verzorgingsstaat blijkt nu ook weer dat zij het beleid van het kabinet Balkenende spuugzat is. Op 2 oktober van het vorige jaar gingen meer dan 300.000 mensen uit protest tegen de kabinetsplannen de straat op in Amsterdam. Nu wordt andermaal een belangrijk politiek onderwerp van dit neoliberale kabinet naar de prullenmand verwezen.” (Website offensief: De stem tegen de Grondwet was een stem van de werkende mensen tegen de zakkenvullers).
Van extreem rechts tot ultralinks, had de niet aflatende ideologische trom, die naar hartelust drie maand lang werd geroerd, slechts de bedoeling om een maximum aan proletariërs aan te trekken en te ronselen op het verkiezingsterrein.
De bourgeoisie is er inderdaad in geslaagd om de aandacht van de arbeiders te trekken, de ergste verwarringen te zaaien om een maximum aan proletariërs naar het verkiezingsterrein te drijven. Het referendum was alomtegenwoordig in alle media. Het was onmogelijk om te ontsnappen aan de vinnige debatten, de vlammende polemieken omtrent wat er op spel zou staan bij deze stembusslag. Deze ideologische hersenspoeling moest elke ‘burger’, en vooral de proletariërs ervan overtuigen dat deze raadpleging absoluut cruciaal en bepalend was. Alle fracties van de bourgeoisie gingen er prat op dat ze “een groot democratisch debat” hebben kunnen lanceren en opluisteren. Maar het heeft als enig doel stuurloos te maken en in de hoofden van de arbeiders een maximum aan verwarring en illusies te zaaien. Alle media en politieke verantwoordelijken hebben het uitgeroepen: “stem wat je wilt, maar ga stemmen!” Het voornaamste ideologisch gif dat in deze campagne werd gespuid was dat “niets meer zal zijn als tevoren”, dat de kracht van het ‘nee’, gevoed door de sociale ontevredenheid tegenover de regeringen, de bourgeoisie er toe zou dwingen om van de sociale bekommernis het centrum van haar campagne te maken. Dat is gedeeltelijk waar, maar de enige bedoeling van die manoeuvre was de arbeiders in de democratische val te duwen, in de verkiezingsvalstrik, doordat deze campagne voordien terecht verveling en een totaal gebrek aan belangstelling opwekte in de arbeidersklasse. Maar vanaf het moment dat de regering er in slaagde om de ontevredenheid te kanaliseren rond een referendum, dat ze terughoudender zou worden door de richtlijn Bolkenstein in te trekken, is ze er in geslaagd om de democratische misleiding op het verkiezingsterrein tot nieuw leven te wekken. Maar denkt de bourgeoisie werkelijk ons te kunnen laten geloven dat in de periode ná het referendum alle voorrang zou worden gegeven aan het sociale? Meer dan ooit bestaat de toekomst die het kapitalisme ons biedt uit het versterken van de aanvallen tegen de arbeiders. Deze ideologische propaganda wil ons knollen voor citroenen verkopen, ons laten geloven dat de reactie van de ‘burgers’ de koers van het kapitalisme kan veranderen, de bourgeoisie kan doen buigen en de weg van het liberalisme en de bedrijfsdelocalisaties kan blokkeren. De regeringspolitiek zal geen haarbreed veranderen.
De belangrijkste doelstelling van de bourgeoisie ten opzichte van de proletariërs in om het even welke verkiezing is hen er toe te drijven het collectieve terrein van de strijd te verlaten om hun stem uit te brengen als ‘burger’, geatomiseerd, afgesneden van de klasse, in de terecht zo genoemde ‘isoleercel’ van het stemhokje, op een terrein van drijfzand, dat niet het hunne is maar dat van de bourgeoisie. Voor de arbeidersklasse is het verkiezingsterrein een ideologische valstrik die de ergste verwarringen moet zaaien en moet beletten dat zij haar klassenbewustzijn tot ontwikkeling brengt.
Dat is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw streden de arbeiders er voor en werden ze zelfs neergeschoten omwille van het algemeen stemrecht. Vandaag is het andersom. Het zijn de regeringen die alle middelen inzetten waarover ze beschikken opdat een maximum aantal mensen gaat stemmen. Waarom?
Tijdens de hele opkomstperiode van het kapitalisme waren de parlementen de plaats bij uitstek waar de verschillende fracties van de bourgeoisie elkaar bestreden of zich verenigden om hun belangen te verdedigen. Ondanks de gevaren en de illusies die dat met zich meebracht hadden de arbeiders er belang bij om in een periode waarin de proletarische revolutie nog niet op de dagorde stond zich te mengen in de botsingen tussen de burgerlijke fracties en soms bepaalde burgerlijke fracties te steunen tegen andere, om te proberen hun lot binnen het systeem te verbeteren. Zo dwongen de arbeiders in Engeland in 1848 de tien-urige werkdag af en in 1859 werd die ook in België ingevoerd; in 1865 werd de wet op de samenzwering ingetrokken (het recht om zich te organiseren), in Frankrijk werd het vakbondsrecht erkend in 1884, enzovoort.
Maar de toestand werd volslagen anders met het begin van de twintigste eeuw. De maatschappij is toen haar periode van permanente crisis en onvermijdelijke neergang binnengetreden. Het kapitalisme heeft de planeet veroverd en de wereld is verdeeld onder de grootmachten. Elke imperialistische grootmacht kan voortaan alleen nog maar nieuwe markten veroveren ten koste van anderen. Wat toen aanving was een nieuw “tijdperk van oorlogen en revoluties”, zoals in 1919 werd verkondigd door de Communistische Internationale. Het werd een tijdperk dat gekenmerkt zou worden door de economische ineenstortingen zoals de crisis van 1929, twee wereldoorlogen en de revolutionaire uitbarsting van het proletariaat in 1905 in Rusland, van 1917 tot 1923 in Rusland, Duitsland, Hongarije en Italië. Om het hoofd te bieden aan deze groeiende moeilijkheden, werd het kapitaal genoodzaakt om voortdurend de macht van haar staat te versterken. Bovendien neigt de staat er steeds meer naar om meester te worden van het geheel van het sociale leven en in de eerste plaats op het vlak van de economie. Deze ontwikkeling van de rol van de staat gaat vergezeld van een verzwakking van de wetgevende macht ten gunste van de uitvoerende. Zoals het Tweede Congres van de Communistische Internationale zei: “Het zwaartepunt van het huidige politieke leven is volledig en definitief uit het parlement verdwenen”.
Voor de arbeiders kan er geen sprake meer van zijn een plaats te veroveren binnen het kapitalisme, het gaat er om het omver te werpen omdat dit systeem niet meer in staat is hen duurzame hervormingen noch een lotsverbetering toe te staan.
Wat overblijft is een ideologische rol van het kiesrecht, die bepalend blijft. De misleidende rol van de parlementaire instellingen bestond reeds in de negentiende eeuw maar was toen bijkomstig, stond ten achter bij haar politieke functie. Vandaag is de misleiding de enige functie die nog overblijft voor de bourgeoisie: zij heeft ten doel te laten geloven dat de democratie het kostbaarste gedachtegoed is, dat het de uitdrukking is van de soevereiniteit van het volk, het komt neer op de vrijheid om zelf zijn uitbuiters te kiezen. De parlementaire democratie en vooral het bedrog van de democratische ideologie blijven het beste middel om het arbeidersbewustzijn te vergiftigen en het is het meest doeltreffende en gevaarlijkste ideologische wapen om het proletariaat te onderwerpen.
De aanvallen tegen de arbeiders gingen de laatste maanden steeds verder door en onmiddellijk na deze stembusslag zullen de proletariërs merken dat hun arbeids- levensvoorwaarden nog verder zullen aftakelen. De bourgeoisie probeert tijd te winnen om zo het moment van massaler confrontaties met het proletariaat uit te stellen. Ze moet steeds meer ideologische parades vinden en haar uiterste best doen om in de arbeidersklasse de ontwikkeling van het klassenbewustzijn over het bankroet van het kapitalistisch systeem af te remmen. Zoals we vorige maand nog schreven in onze pers in Frankrijk en in Nederland, “De stembusuitslag zal niets veranderen aan de toename van de anti-arbeiders aanvallen die door de nationale bourgeoisieën worden uitgevoerd, aan de versnelling van de aftakeling van de levensvoorwaarden van de proletariërs, aan de ontslagen, aan de bedrijfsdelocalisaties, aan de groei van de werkloosheid en de nepbaantjes, aan het snoeien in alle sociale begrotingen, aan de versnelde ontmanteling van de sociale bescherming. Het zijn allemaal producten van de crisis en verschijnselen van het bankroet van het kapitalistische systeem op wereldschaal.”
Tegenover de vrees voor de toekomst die in het centrum staat van de huidige bekommernissen van de arbeiders, ligt het antwoord niet op het terrein van de verkiezingen noch op dat van de democratie; het ligt in de ontwikkeling van de klassenstrijd, het enige terrein waarop de arbeiders de aanvallen van de bourgeoisie kunnen beantwoorden.
Wim & Lac / 6.06.2005
De bourgeoisie viert met veel praal het 175-jarig bestaan van de Belgische onafhankelijkheid. De herdenking van de grote gebeurtenissen uit ‘onze nationale geschiedenis’ stelt haar in staat om het ‘nationaal gevoel’ weer wat leven in te blazen, want dat heeft ze nodig om de bereidheid tot ‘offers uit solidariteit’ aan te moedigen net als de mobilisatie voor de verdediging van de nationale economie.
De bourgeoisie viert met veel praal het 175-jarig bestaan van de Belgische onafhankelijkheid. De herdenking van de grote gebeurtenissen uit ‘onze nationale geschiedenis’ stelt haar in staat om het ‘nationaal gevoel’ weer wat leven in te blazen, want dat heeft ze nodig om de bereidheid tot ‘offers uit solidariteit’ aan te moedigen net als de mobilisatie voor de verdediging van de nationale economie.
De arbeidersklasse heeft geen enkele reden om aan die herdenking deel te nemen. De Belgische staat vormde vanaf zijn oprichting een wapen tegen de arbeidersstrijd en al die 175 jaar zien we, dikwijls op bloedige wijze, de kenmerken die de Belgische staat al vanaf het begin had. Daarom is het voor de arbeiders belangrijk na te gaan onder welke voorwaarden de Belgische staat in 1830 ontstond en welke bijzondere kenmerken er uit voortvloeien, want die wegen nog altijd door op de klassenstrijd. Dat is de bedoeling van de vier artikelen die we aan dit onderwerp zullen wijden (1).
Bij iedere mislukte poging tot revolutie kunnen de reactionairen de contrarevolutie voorstellen als de overwinning van de revolutie (denk bijvoorbeeld aan het stalinisme dat zich in de Sovjet-Unie opdrong onder het mom van het ‘socialisme in één land’). Datzelfde zien we ook bij de ‘Belgische revolutie’: de vorming van de Belgische staat in 1830 was niet meer dan een pseudo-revolutionaire maskerade, of, beter gezegd, het werk van de contrarevolutie in een poging om de ontwikkeling van de productiekrachten in deze regio af te remmen.
We herinneren er aan dat vanuit proletarisch standpunt de geschiedenis niet dient om dingen goed te praten. Als we spreken van landen waarvan de vorming historisch noodzakelijk was en van anderen waarvan dit niet het geval was, is dat niet om het bestaan van de eersten te rechtvaardigen. We gaan hierbij uit van de krachtsverhoudingen tussen de klassen en niet van de moraal. Vanuit het standpunt van de revolutionaire arbeidersklasse heeft de vorming van sommige naties in de opgaande periode van het kapitalisme de ontwikkeling van de productieverhoudingen bevorderd en heeft ze sommige reactionaire krachten een slag toegebracht. In de huidige vervalperiode van het kapitalisme daarentegen kan geen enkele natie nog als vooruitstreven worden bestempeld.
De Franse revolutie had als taak de oude nationaliteit om te vormen tot een moderne kapitalistische natie. Ze had ook de middelen ter beschikking om te slagen in wat tot dan altijd door Engeland was verhinderd: van België een Franse provincie maken. De revolutie bereikte zelfs nog meer: het Spaans en Oostenrijks absolutisme had drie eeuwen lang vergeefs geprobeerd de lokale privileges van hun onderdanen in de Nederlanden af te schaffen. De revolutie maakte die privileges in één keer ongedaan. In plaats van de traditionele provincies vormden ze departementen. Alle afzonderlijke privileges van de provincies, de adel, de gilden en de kerk werden afgeschaft. Alle Belgen werden zonder onderscheid Fransen. Ze waren allemaal ‘gelijk’ en werden bestuurd in dezelfde taal, het Frans, waarin heel het openbaar leven werd geregeld. Het vooruitstrevend karakter van de Franse revolutie werd bevestigd door een enorme vooruitgang van de productiekrachten. Het feodalisme was als hinderpaal uitgeschakeld en de economie kon opbloeien. De Franse markt opende onbeperkte afzetgebieden, de eeuwenlange economische stilstand ruimde plaats voor een tijdperk van versnelde kapitalistische ontwikkeling, de ‘industriële revolutie’: het gebruik van machines en stoom, de opkomst van de manufacturen voor massa-productie en, in tegenstelling tot de vroegere ambachten, met een aanzienlijke arbeidskracht.
Met het kapitalisme groeide er na de burgerlijke revolutie een belangrijke industrie die grote legers van wapens moest voorzien. Daardoor nam het belang van ijzer en steenkool in het moderne productieproces sterk toe en de hoeveelheid steenkool en staal waarover men beschikte bepaalde in aanzienlijke mate de omvang van de kapitalistische productie. Buiten Engeland was er geen enkel land in Europa waar per inwoner zoveel steenkool werd ontgonnen als in België. Bovendien beschikte België over grote ijzervoorraden zodat de staalindustrie tot ontwikkeling kon komen. De uitverkoop van de bezittingen van de verbannen geestelijkheid en edellieden deed het aantal boeren met eigen grond toenemen. De suikerbietraffinaderijen introduceerden in de landbouw de industriële werkwijzen van het kapitaal. Beschut tegen de Engelse concurrentie kon de textielindustrie herleven en gemechaniseerd worden.
Die opmerkelijke industriële vooruitgang, die beslissende stap naar het kapitalisme, was slechts mogelijk dankzij de Franse revolutie en de aanhechting bij Frankrijk, die de Belgische industrie grote afzetgebieden gaf. Met de oude politieke en sociale structuren zou dat ondenkbaar geweest zijn.
Met de contrarevolutie van 1815 onder leiding van Rusland en Engeland werd besloten de kapitalistische ontwikkeling van Frankrijk tegen te gaan. Hiervoor werd België geneutraliseerd: het werd bij Holland gevoegd. Er werd voorzien dat Pruisen en Engeland tijdens oorlogen de fortenlinie langs de Belgische grens konden bezetten. De beide gebieden die nu verenigd werden vormden geen samenhangende eenheid. Onder Frans bestuur was het zuiden een industriegebied in volle ontwikkeling geworden. Het noorden daarentegen bleef een onafhankelijk koninkrijk tot het in 1810 bij Frankrijk werd gevoegd. Het noorden zat sinds de achttiende eeuw als handels- en koloniale macht in het slop en in het napoleontisch tijdperk verloor het voorgoed wat tot dan toe de voornaamste basis van zijn rijkdom was geweest, namelijk het merendeel van zijn kolonieën en overzeese markten in de oorlogen die het als bondgenoot van Napoleon tegen Engeland voerde. Daarom beschouwde de Nederlandse staat het zuiden na de eenmaking als een aanhangsel dat Nederland de kans moest geven de eigen noodzakelijke industrialisering uit te stellen. De staat haastte zich niet om voor het zuiden de protectionistische maatregelen te nemen die het broodnodig had om het hoofd te bieden aan de buitenlandse concurrentie en om markten te veroveren als afzetgebied voor zijn snel groeiende industrie. Uiteindelijk stond het bestuur vrijwel volledig onder controle van het noorden. Willem liet België opdraaien voor de enorme schulden van het noorden. Aanvankelijk kon de Belgische industrie zich nog blijven ontwikkelen dankzij de stimulans van haar ‘Franse periode’ en enkele protectionistische maatregelen door de Nederlandse regering. Maar vanaf 1828 verschenen de eerste symptomen van een overproductiecrisis. Zo was de Luikse gouverneur Sandberg ongerust over de buitengewone ontwikkeling van de productiemiddelen, “een ontwikkeling die over het algemeen minder is gebaseerd op de zekerheid van bestaande markten dan op de hoop die te vinden”. De faillissementen en de werkloosheid nemen toe (in 1828 leeft al 14,2 % van de bevolking van de liefdadigheid), de lonen volstaan niet meer om in leven te blijven en de voedselprijzen schieten omhoog.
Zo stonden de zaken ervoor vlak voor de ‘revolutie’ van 1830. Een economische ontwikkeling die sterk werd ondermijnd door de contrarevolutie die België van Frankrijk had losgemaakt; een economische crisis (1828-1830, in het kielzog van de grote crisis van 1825 in Engeland) die duidelijk de zware gevolgen van die belemmering toont; een brutale uitbuiting en een verschrikkelijke ellende onder de arbeidersklasse.
Begin 1830 beperkte de Belgische bourgeoisie (op enkele onbetekenende fracties na) zich tot een oppositie binnen de Nederlandse staat om een aantal politieke, economische en religieuze eisen ingewilligd te krijgen. Maar op 27 juli 1830 breekt in Parijs een volksopstand uit die al snel successen boekt. Het enthousiasme van de Belgische bevolking voor de Parijse gebeurtenissen is groot en het gistingsproces breidt zich uit onder de arbeiders. Vanaf 22 augustus verschijnen in Brussel affiches op de muren die voor de 25ste van die maand revolutie aankondigen. Op de avond van de 23ste woelt het oproer onder impuls van werkloze wevers en typografen. Het is geen ‘nationale’ beweging: men roept ‘Leve Frankrijk’, men zingt de Marseillaise, er wordt gezwaaid met de Franse driekleur en er verschijnen ook rode vlaggen. De 24ste en 25ste breidt de arbeidersopstand zich uit. Winkels worden geplunderd, de nieuwe machines in de textielfabrieken worden vernield, de stad bezet, de Franse vlag wordt op het stadhuis gehesen. Wapens en munitie worden verdeeld, het leger wordt teruggedreven en schiet alleen bij uitzondering. Niemand maakt zich op dat ogenblik druk over een ‘Belgisch vaderland’.
Maar dan “beslissen een aantal bourgeois met eigen middelen te handelen omdat ze hun bezittingen bedreigd zien. Op de avond van de 26ste komen ze bijeen op de Grote markt, ze vormen vrijwilligerskorpsen die de driekleur van de Brabantse opstand (zwart-geel-rood) als vaandel nemen. [...] Onmiddellijk worden maatregelen genomen om te verhinderen dat de beweging een anti-nationaal karakter zou krijgen” (2). De Belgische bourgeoisie zag in dat ze het onderspit zou kunnen delven als ze trouw bleef aan de Nederlandse macht. Wanneer ze daarentegen de Belgische staat zou uitroepen, dan kon ze de arbeidersopstand ontkrachten en inkapselen in de vorm van een ‘nationale revolte’. Het moet haar worden nagegeven dat ze de zaken goed aanpakte. De 26e en 27e organiseert de burgerwacht een bloedige repressie. Er vallen een dertigtal doden en honderden arbeiders worden aangehouden. Daarna gebruikt de bourgeoisie, slim en cynisch als ze is, de arbeiders als kanonnenvlees in de septembergevechten tegen de Hollanders om de definitieve oprichting van de Belgische staat mogelijk te maken.
De ‘geestelijke vaders van België’ lieten de arbeiders al neermaaien toen ze zelf nog maar enkele uren eerder hun ‘nationale vlag’ hadden ontdekt; deze bourgeois vertegenwoordigen in werkelijkheid alleen de contrarevolutie van binnenuit. In feite zijn de grootmachten van Europa de werkelijke oprichters van de Belgische natie en staat. De oprichting van een onafhankelijke, kleine, zwakke en ongevaarlijke natie bevestigde de afscheiding van Frankrijk en vormde meteen een volgzaam steunpunt tegen het ‘Frans expansionisme’. Het valt dan ook gemakkelijk te begrijpen dat de vertegenwoordiger van Groot-Brittannië, burggraaf Palmerston, de ‘enige loyale verdediger van de Belgische zaak’ was. Niet zonder zwarte humor werd hij de ‘vader van België’ genoemd (ibid., p. 566).
Kortom, de oprichting van de Belgische staat is het negatieve werk, de giftige vrucht van alleen de contrarevolutie, die de historische ontwikkeling zoveel mogelijk tegenhoudt. Maar heeft de oprichting van deze nieuwe staat niet ook een zekere ontwikkeling van de productiekrachten, van industrie en handel mogelijk gemaakt?
1) Zeker, de contrarevolutie kon niet verhinderen, dat toen de archaïsche en feodale structuren waren omvergeworpen, dat het zaad dat de revolutie had ontkiemde. Al wat ze kon doen was het ene deel van de revolutie te isoleren van het andere, het op te sluiten in een te eng kader, dat juist ongunstig was voor de industrialisering en de instelling van moderne sociale verhoudingen. De geschiedenis bewijst inderdaad dat de Belgische staat niet het resultaat was van een revolutie, maar van een contrarevolutie, die aan de Franse revolutie haar Belgische provincie ontnam. Men kan de volgende vergelijking maken: wanneer het Ruhrgebied gescheiden zou worden van Duitsland zou het zeker nog geïndustrialiseerd zijn, maar op een veel minder intensieve manier dan nu dankzij het bestaan van één enkele Duitse economische en politieke eenheid.
2) Wat betreft de industrialisatie heeft de contrarevolutie één deel van de andere geïsoleerd om het op te sluiten binnen enge grenzen en om zijn ontwikkeling af te remmen. De industrialisatie van België zou een nieuw en sociaal vooruitstrevend feit zijn geweest als men enkel de structuren van nà 1830 vergelijkt met die van 1789, toen absolutisme en feodalisme nog heersten. Maar de instelling van een modern, zelfs burgerlijk systeem in België is niet te danken aan de oprichting van de Belgische staat in 1830. Er heerste in deze provincie al veel eerder een burgerlijke staat en de industrialisatie die daarvan het gevolg was was aanzienlijk, want België was één van de meest geïndustrialiseerde gebieden op het Europese vasteland.
De contrarevolutionaire aard van de vorming van de Belgische staat wordt ook duidelijk als we de gebeurtenissen in België vergelijken met die in Polen, waar in dezelfde periode een beweging op gang kwam. Marx en Engels hebben met betrekking tot Polen het begrip van de ‘noodzakelijke natie’ ontwikkeld, een begrip die ze niet van toepassing achtten op de Belgische staat. De redenen waarom een Poolse staat vanuit revolutionair standpunt noodzakelijk was zijn vooral de volgende: enerzijds zou de revolutionaire oprichting van een Poolse staat het broze contrarevolutionaire evenwicht dat heerste in Centraal en Oost-Europa aan het wankelen hebben gebracht; anderzijds zou de onafhankelijkheid van Polen de instelling van moderne sociale en productieverhoudingen in dat land mogelijk maken, terwijl de contrarevolutie het behield als achtergebleven landbouwland (de feodale aristocratie van grootgrondbezitters was de bondgenoot van de buitenlandse onderdrukking).
Die voorwaarden komen in feite op één enkele kwestie neer: in dat deel van Europa stond de burgerlijke revolutie met de oprichting van nationale staten nog op de revolutionaire dagorde. Daarom probeerde de georganiseerde Europese contrarevolutie met alle middelen de beweging in Oost-Europa tegen te houden. Die voorwaarden bestonden daarentegen niet voor België. De oprichting van een Belgische staat en natie zou geen enkele internationale verschuiving veroorzaken, integendeel. En verder bracht ze evenmin een verschuiving in de sociale en productieverhoudingen in het land zelf mee. De Belgische natie van 1830 was volslagen kunstmatig, en dat zou belangrijke gevolgen hebben voor haar verdere ontwikkeling.
J. Janssens en Jos
(1) We verwijzen de lezer naar de artikelenreeks ‘La nation et l’Etat belge produits de la contre-révolution’ en het boek ‘La Belgique, Etat constitutionnel modèle’, gepubliceerd door ‘Le Fil du Temps’. De studiekring ‘Fil du Temps’ van Roger Dangeville splitste zich af van de PCInt in de jaren 60. Dangeville maakte enige tijd deel uit van de discussiekring op initiatief van Maximilien Rubel die voortkwam uit de Gauche Communiste de France. Zie ook ons boek over de Italiaanse Communistische linkerzijde.
(2) F. Van Kalken, Historie de Belgique, p. 544, vet van ons.
Minstens duizend doden en ongeveer tweeduizend gewonden, duizenden vluchtelingen die gevlucht zijn naar het buurland Kirghizstan, dat is de verschrikkelijke balans, die we tot nog toe opmaken van de wrede repressie die het Oezbeekse leger uitvoerde tegen het volksoproer (1) dat op 13 mei plaatsvond in meerdere Oezbeekse steden van de Ferghana-vallei, met name in Andijan, Pakhtabad en Kara Su. Het leger aarzelde niet om pantservoertuigen te gebruiken, helikopters in te zetten en met de zware mitrailleurs te schieten op een betoging die tienduizenden mensen op de been had gebracht waaronder veel vrouwen en kinderen. Het leger heeft de schoot de gewonden dood met een kogel in het hoofd en de politieke politie is overgegaan tot honderden lukrake arrestaties en aanhoudingen. Geheel in de traditie van het Russische stalinisme deed de regering van de despoot Karimov er alles aan om de feiten te vervalsen. Vanaf het begin van het oproer werden de media gemuilkorfd om vervolgens het bloedbad voor te stellen als het antwoord op een islamistische gewapende opstand. Deze versie werd aanvankelijk door de Amerikaanse, Russische, Chinese en Europese regeringen overgenomen om daarna wat ‘kritischer’ te worden toen getuigenissen van sommige overlevenden van deze tragedie begonnen te circuleren. Om hun belangen van imperialistische schurken te verdedigen ondersteunen de grote democratieën met het meest abjecte cynisme het machtsmisbruik van Karimov, begaan in naam van de strijd tegen het terrorisme, terwijl ze hem ondertussen vriendelijk verzoeken toch enkele democratische hervormingen door te voeren (2). Verontwaardiging veinzend, zoals na elke moordpartij die voortvloeit uit de barbarij van het kapitalisme, eisen de internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, de OSCE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) en meerdere niet-gouvernementele organisaties een onderzoek. Tegenover dergelijke leugens en tegenover de burgerlijke propaganda die deze gebeurtenissen afdoet als ‘gevaar van het terrorisme’ of ‘bloeddorstigheid van de tiran Karimov’, is het nodig te begrijpen dat deze bloedige repressie alleen kan worden verklaard als uitvloeisel van de erfenis van het stalinisme, van de tendens tot ontbinding van de kapitalistische maatschappij, en van de chaos die dit wordt veroorzaakt door de oplopende militaire spanningen tussen de verschillende staten op wereldschaal en met name ook in Centraal-Azië, dat hierin een strategische zone vormt.
Historisch werden de republieken van Centraal-Azië in 1924 door Stalin in het leven geroepen. De ‘opdeling’ vond feitelijk plaats op dezelfde wijze waarop Frankrijk te werk ging met zijn bezittingen in zwart Afrika toen het in de negentiende eeuw zijn koloniale veroveringen maakte. Dit ambachtelijke mozaïek hield stand door de stalinistische terreur die over de bevolking werd uitgeoefend tot aan het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de onafhankelijkheid van de Centraal-Aziatische republieken in 1991. Met het verdwijnen van dit ijzeren korset ging er een ware doos van Pandora open. De absurde geografische indeling die achterbleef na het uiteenspatten van de Sovjet-Unie maakte van de rijkste en meest bevolkte regio, de vallei van Ferghana, een betwiste plek: opgedeeld tussen Oezbekistan, Kirghizistan en Tadjikistan, versneden in ontelbare enclaves voorbestemd voor grensconflicten, vormt het een permanente haard van etnische en religieuze conflicten. Deze verwikkelingen kunnen enkel uitlopen op conflicten zoals in de Kaukasus. In 1990 bijvoorbeeld vielen er honderden doden bij het geweld tussen Oezbeken en Kirghizen in Zuid-Kirghizistan en in de burgeroorlog in Tadjikistan vielen tussen 1992 en 1997 50.000 doden. Het risico van etnische botsingen is voortdurend aanwezig, des te meer omdat er tussen de drie republieken van de Ferghana-vallei getwist wordt om de verdeling van de grond, het water en over van de controle over smokkel van wapens en drugs afkomstig uit het naburige Afghanistan. In deze chaotische context heeft de oorlog in Afghanistan, waarin de noordelijke Alliantie tegenover de Taliban stond, een belangrijke weerslag gehad op Centraal-Azië, voornamelijk door de ontwikkeling van een veelheid van islamistische groepen die de rivaliteiten en spanningen tussen de verschillende republieken nog versterken en een deel van de bevolking meesleuren in nieuwe slachtpartijen. Deze toestand is bijzonder dramatisch voor de gewone bevolking en werd nog verergerd door het autoritaire beheer van deze staten omdat het merendeel van deze leiders oude stalinistische apparatschiks zijn. In Oezbekistan is het de familieclan van Karimov en zijn getrouwen die zich meester maakten van de sectoren die de rijkdom voortbrengen, voornamelijk grondstoffen, en de corruptie is er heer en meester. De bevolking leeft van 10 tot 20 dollar per maand, en het Bruto Intern Product per inwoner is sinds 1998 met meer dan 40% gedaald. De bevolking zit bijgevolg klem, kan nog kiezen tussen pest en cholera, de oude stalinistische peetvaders steunen of één van de talrijke nieuwe islamistische mantelorganisaties achterna lopen. Deze verpaupering van de bevolking, met op de achtergrond het uiteenvallen van de republieken van Centraal-Azië, zelf een uitvloeisel van de ontbinding van het kapitalisme, maakt van deze regio een waar kruitvat.
De Amerikaanse interventie in 2001 in Afghanistan, in naam van de oorlog tegen het terrorisme, versnelt deze destabilisering nog aanzienlijk. Des te meer omdat Uncle Sam zich er niet om bekommert vrede in deze regio te brengen, maar er zijn leiderschap verdedigt. “De Verenigde Staten installeren zich in Centraal-Azië met de bedoeling daar ook te blijven, niet alleen in Afghanistan maar ook in de twee naburige voormalige sovjetrepublieken (Tadjikistan en Oezbekistan). Dit betekent een duidelijke dreiging richting China, Rusland, India en Iran. Maar de draagwijdte van de gebeurtenis is nog diepgaander: het is een stap in de richting van een omcirkeling van de Europese grootmachten een herhaling van de oude politiek van ‘indijking’ die ook al op de Sovjet-Unie werd toegepast. De hoge bergen van Centraal-Azië maken een strategische controle mogelijk over het Midden-Oosten en over de oliebevoorrading, een belangrijk element voor de economie en de militaire actie van de Europese naties”. (Internationale Revue, Engels, Frans en Spaanstalige uitgave, nr. 108, november 2001).
Zo kwam Eurazië de laatste jaren in de vuurlinie te liggen van de imperialistische schurken. De Amerikanen gaven vele miljoenen dollars uit voor de installatie van militaire bases voor hun interventie in Afghanistan en voor de controle over de regio. (Volgens de Amerikaanse pers maakt de CIA zelfs gebruik van de Oezbeekse kennis van zaken in het martelen want ze brengt er met speciale vliegtuigen aangehouden ‘terroristen’ uit Irak en Afghanistan naar toe om deze te laten ondervragen). Tegenover dit offensief in zijn achtertuin heeft Rusland zijn eigen bases in de regio versterkt, voornamelijk in Kirghizistan en in Tadjikistan, en China heeft nieuwe militaire uitrustingen voor het Kirghizisch leger betaald, in de hoop binnenkort in deze strategische zone militaire voet aan de grond te kunnen zetten. Dit militaire opbod brengt alles behalve stabiliteit, zoals te zien aan de huidige chaos in Irak en Afghanistan en het anti-Amerikaanse verzet dat blijft toenemen. In plaats van zich terug te trekken kunnen de Verenigde Staten niet anders dan hun militaire aanwezigheid nog opvoeren. Deze vlucht vooruit wordt nog gevoed door de rivaliserende mogendheden. Voor de bevolking van Centraal-Azië dragen al deze uitingen van de ontbinding van het kapitalisme de kiemen in zich van nog meer barbarij en chaos, van nieuwe slachtpartijen, hetzij in etnische of militaire conflicten, hetzij via de bloedige onderdrukking van sociale oproer, zoals we die onlangs zagen in Oezbekistan.
Donald / 24.5.2005
(1) Het lijkt waarschijnlijk dat het uitbarsten van het oproer enerzijds het gevolg is van een omvangrijke economische aanval door de regering (instelling in april van nieuwe dwangmaatregelen voor kleinhandelaars op straat terwijl de zwarte markt de enige economische long blijft, gezien de massale werkloosheid de enige mogelijke activiteit voor miljoenen Oezbeken die proberen te overleven) en anderzijds het proces tegen 23 kleine ondernemers die beschuldigd werden van islamisme. De bevolking kwam toen op straat om ‘recht’ en ‘vrijheid’ te eisen, met daartussen politieke oppositiegroepen tegen de regering, waaronder bepaalde islamistische groepen.
(2) Hoewel de Amerikaanse regering voorlopig Karimov steunt kan het niet worden uitgesloten deze, zodra ze in staat zijn om een politieke oppositie tegen hem van de grond te krijgen, zich van deze stalinistische marionet zullen ontdoen net als ze dat eerder deden in Georgië, Oekraïne en Kirghizistan, wat beter overeen zou stemmen met de rechtvaardiging van hun huidige militaire interventies gebaseerd op vrijheid en democratie voor de nog onderdrukte volkeren.
We publiceren hier uittreksels uit de resolutie over de internationale situatie die goedgekeurd werd op het onlangs gehouden zestiende congres van de IKS. Het gaat om het laatste deel van de resolutie die betrekking heeft op de evolutie vandaag van de krachtsverhouding tussen de klassen. Geïnteresseerde lezers kunnen de integrale tekst van deze resolutie terugvinden in het volgende nummer van de Internationale Revue, dat in het derde kwartaal van 2005 zal verschijnen.
Het argument dat het kapitalisme een systeem in verval is, wordt vaak bekritiseerd omdat het zou leiden tot fatalisme – het idee van een automatische ineenstorting en een spontane omverwerping door de arbeidersklasse, waarbij er niet de minste behoefte meer zou bestaan aan de tussenkomst van een revolutionaire partij. In werkelijkheid heeft de bourgeoisie getoond dat ze niet zal toelaten dat haar systeem economisch ineenstort. Desalniettemin zal het kapitalisme, als het aan zijn eigen dynamiek overgelaten wordt, zichzelf vernietigen in een reeks oorlogen en andere rampen. In die zin is het ‘fataal gedoemd’ te verdwijnen. Maar er bestaat geen enkele zekerheid dat het antwoord van het proletariaat opgewassen zal zijn tegen wat er op het spel staat. Dat is geen ‘fataliteit’ die vooraf al ingeschreven staat in de geschiedenis. Zoals Rosa Luxemburg in 1916 schreef in het inleidend hoofdstuk van de Juniusbrochure:
“Het socialisme is de eerste volksbeweging van de wereldgeschiedenis die zich tot doel stelt, en die door de geschiedenis is geroepen, om in het sociale doen en laten van de mensen een bewuste zin, een planmatige gedachte en daarmee de vrije wil in te voeren. Daarom noemt Friedrich Engels de definitieve overwinning van het socialistische proletariaat een sprong van de mensheid uit het dierenrijk in het rijk van de vrijheid. Ook deze ‘sprong’ is aan ijzeren wetten van de geschiedenis, aan duizend treden van een voorafgaande, martelende en al te trage ontwikkeling gebonden. Maar hij kan nooit worden volbracht, wanneer uit de hele door de ontwikkeling bijeengedragen stof van materiële voorwaarden niet de ontbrandende vonk van de bewuste wil van de grote volksmassa opspringt. De overwinning van het socialisme zal niet als een noodlot uit de hemel komen vallen. Zij kan alleen door een lange keten van geweldige krachtmetingen tussen de oude en de nieuwe machten worden veroverd, krachtmetingen waarin het internationale proletariaat onder de leiding van de sociaal-democratie leert en probeert zijn lotgevallen in eigen hand te nemen, het roer van het maatschappelijke leven te bemachtigen, uit een willoze speelbal van zijn eigen geschiedenis, er de doelbewuste leider van te worden.”
Het kommunisme is dus de eerste maatschappij waarin de mensheid op bewuste wijze meester is over haar productief vermogen. En zoals in de proletarische strijd doel en middelen niet van elkaar gescheiden kunnen worden, zo kan de beweging naar het kommunisme niets anders zijn dan de “zelfstandige beweging van de overstelpende meerderheid in het belang van de overstelpende meerderheid” (Het Kommunistisch Manifest): verdieping en uitbreiding van het klassenbewustzijn zijn een onmisbare maatstaf van de vooruitgang naar de revolutie en naar de definitieve vervanging van het kapitalisme. Dat proces is noodzakelijkerwijze uiterst moeilijk, ongelijk en heterogeen, omdat het gebeurt met een uitgebuite klasse die geen enkele economische macht bezit in de oude maatschappij en die voortdurend onderworpen blijft aan de ideologische heerschappij en aan de manipulaties van de heersende klasse. Op geen enkele manier kan dit proces op voorhand gewaarborgd zijn. Er bestaat integendeel de reële mogelijkheid dat het proletariaat, geconfronteerd met de ontzagwekkendheid van een taak die zijns gelijke niet kent, er niet in slaagt zich tot het niveau te verheffen van zijn historische verantwoordelijkheid, met alle vreselijke gevolgen die dit zou meebrengen voor de mensheid.
Het hoogste punt dat tot nu toe door het klassenbewustzijn bereikt werd, was de opstand van Oktober 1917. Dit is door de geschiedschrijvers van de bourgeoisie, evenals door de alle bleke afspiegelingen daarvan in het anarchisme en de ideologieën die eraan verbonden zijn steeds met grote stelligheid verworpen geworden. Voor hen was Oktober 1917 gewoon een putsch van machtsgeile bolsjewieken. Oktober vertegenwoordigt binnen het proletariaat echter de erkenning dat er voor de mensheid in haar geheel geen andere uitweg bestaat dan de revolutie door te voeren in alle landen. Nochtans is dit inzicht niet voldoende diep en breed verankerd in het proletariaat. De revolutionaire golf van toen is mislukt omdat de arbeiders van de wereld, vooral die van Europa, niet in staat waren een globaal politiek inzicht te ontwikkelen dat hen in staat zou gesteld hebben op adequate wijze de taken op te nemen die hen opgelegd werden door de nieuwe periode van oorlogen en revoluties die in 1914 aangebroken was. Het gevolg was dat de arbeidersklasse vanaf het eind van de jaren 1920 begon aan de langste en diepste terugval die zij in haar geschiedenis ooit beleefd heeft, niet zozeer op het vlak van de strijdwil, want in de jaren 1930 en 1940 waren er momenten waarop de strijdwil van de klasse tot explosie kwam, maar vooral op het vlak van het bewustzijn, omdat de arbeidersklasse zich op politiek vlak actief liet meeslepen in de antifascistische programma’s van de bourgeoisie, zoals in 1936-39 in Spanje, of in 1936 in Frankrijk, of in de verdediging van de democratie en het stalinistisch ‘vaderland’ gedurende de tweede wereldoorlog. Die diepe terugval in haar bewustzijn heeft zich uitgedrukt in het haast volledig verdwijnen van de revolutionaire minderheden in de jaren 1950.
De historische heropkomst van de strijd in 1968 heeft het perspectief op lange termijn van de proletarische revolutie terug op de dagorde geplaatst, maar dat was slechts voor een kleine minderheid van de klasse een uitdrukkelijk en bewust feit, dat zich weerspiegelde in het herboren worden van de revolutionaire beweging op wereldschaal. In de strijdgolven tussen 1968 en 1989 werden belangrijke stappen gezet op het vlak van het bewustzijn, maar ze neigden ertoe zich te situeren op het vlak van de onmiddellijke strijd (kwesties inzake uitbreiding, organisatie enz.). Hun zwakste punt was het gebrek aan politieke diepgang, wat deels een uitdrukking was van de vijandigheid tegenover politiek als gevolg van de stalinistische contrarevolutie. Op politiek vlak was de bourgeoisie ruimschoots bij machte haar eigen uitkomsten op te leggen, eerst door het vooruitzicht te bieden op een verandering door het installeren van links in de regering (1970) en dan door links in de oppositie op te dragen de strijd van binnen uit de saboteren (jaren 1980). De strijdgolf van de jaren 1968 tot 1989 was wel in staat de gang naar wereldoorlog te versperren, maar omdat ze niet in staat was haar historische, politieke dimensie te ontwikkelen, heeft ze de overgang bepaald naar de fase van ontbinding. De historische gebeurtenis die deze overgang markeert –de ineenstorting van het Oostblok– was tegelijk een gevolg van de ontbinding en een factor die haar versterkte. De dramatische veranderingen die er gekomen zijn aan het einde van de jaren 1980 waren tegelijk het product van de politieke moeilijkheden van het proletariaat en –omdat ze aanleiding waren tot een propagandaoorlog rond de dood van het kommunisme en van de klassenstrijd – waren ze ook een sleutelelement dat geleid heeft tot een zware terugval van het bewustzijn in de klasse, tot op het punt waarop het proletariaat zelfs zijn eigen fundamentele klassenidentiteit uit het oog verloor. De bourgeoisie is er dus in geslaagd haar finale overwinning uit te roepen over de arbeidersklasse en deze laatste is er tot op heden niet in geslaagd om met voldoende kracht die bewering te ontkrachten.
Ondanks al die moeilijkheden betekende de periode van terugval geenszins “het einde van de klassenstrijd”. De jaren 1990 werden doorkruist door een aantal bewegingen die aantoonden dat het proletariaat nog intacte strijdwil in reserve had (bv. in 1992 en 1997). Maar geen enkele van die bewegingen vertegenwoordigde een echte verandering op het vlak van het bewustzijn. Vandaar het belang van de recentere bewegingen die, hoewel ze geen spectaculaire impact hebben of het gevoel geven van de ‘grote vooravond’ zoals 1968 in Frankrijk, toch een keerpunt vertegenwoordigen in de krachtsverhouding tussen de klassen. De gevechten in 2003-2005 vertonen volgende kenmerken:-ze treffen belangrijke sectoren van de arbeidersklasse in de landen van het centrum van het wereldkapitalisme (zoals Frankrijk in 2003);-ze geven blijk van zorg om kwesties die explicieter politiek zijn, in het bijzonder de kwestie van de pensioenen die het probleem stelt van de toekomst die de kapitalistische maatschappij voor ons allen in petto heeft;-ze gaven het herverschijnen te zien van Duitsland als centraal punt voor de arbeidersstrijd, voor het eerst sinds de revolutionaire golf van begin vorige eeuw;-de kwestie van de klassensolidariteit werd op bredere en meer expliciete wijze gesteld dan ooit in de gevechten van de jaren 1980, in het bijzonder tijdens de recentste bewegingen in Duitsland.-ze vallen samen met de opkomst van een nieuwe generatie elementen die op zoek zijn naar politieke duidelijkheid. Die nieuwe generatie manifesteert zich tegelijk in een nieuwe toestroom van openlijk gepolitiseerde elementen en ook in nieuwe groepen arbeiders die voor ’t eerst de strijd aangaan. Zoals gebleken is op bepaalde belangrijke manifestaties, is zich de sokkel aan het vormen voor de eenheid tussen de nieuwe generatie en de ‘generatie van 68’ –zowel de politieke minderheid die de kommunistische beweging in de jaren 1960 en 1970 heropgebouwd heeft en de bredere lagen arbeiders die de rijke ervaring van de klassenstrijd tussen 1968 en 1989 meegemaakt heeft.-in tegenstelling tot de visie van het empirisme die alleen de oppervlakte van de werkelijkheid kan zien en blind blijft voor de diepere onderliggende tendensen, werd de ondergrondse rijping van het bewustzijn niet uitgeschakeld door de algemene terugval van het bewustzijn sinds 1989. Het is een kenmerk van dat proces dat het zich in het begin alleen manifesteert in een minderheid, maar de verbreding van die minderheid is de uitdrukking van de vooruitgang en de ontwikkeling van een breder fenomeen in de klasse. Na 1989 zagen we al een kleine minderheid gepolitiseerde elementen die zich vragen stelde over de campagnes van de bourgeoisie rond ‘de dood van het kommunisme. Die minderheid wordt nu versterkt door een nieuwe generatie die ongerust is over de richting waarin de burgerlijke maatschappij in het algemeen evolueert. Op het meest algemene niveau drukt dit het feit uit dat het proletariaat niet verslagen is, en dat het historisch vooruitzicht op massale klassenconfrontaties dat in 1968 geopend werd, gehandhaafd blijft. Maar op een specifieker vlak maken het ‘keerpunt’ van 2003 en het verschijnen van een nieuwe generatie van zoekende elementen duidelijk dat het proletariaat aan het begin staat van een nieuwe poging om een aanval te lanceren tegen het kapitalistisch systeem, na de mislukking van de poging uit de jaren 1968-1989.
-Hoewel het proletariaat dagelijks geconfronteerd wordt met de schijnbaar ‘elementaire’ taak zijn klassenidentiteit te bevestigen, schuilt achter dat probleem het perspectief van een veel ineengrijpender mengsel van onmiddellijke en politieke strijd. De kwesties die door de strijd in de fase van ontbinding opgeworpen worden, zullen steeds ‘abstracter’ lijken, maar in feite zijn het globalere kwesties zoals de noodzaak van klassensolidariteit tegen de alomtegenwoordige versnippering, de aftakeling van de verzorgingsstaat, de alomtegenwoordigheid van oorlog, de dreiging die wereldwijd op het milieu weegt – kortom, de kwestie van de toekomst die deze maatschappij ons nog kan bieden, en dus de kwestie van een ander type maatschappij.
Binnen dit proces van politisering zijn er twee elementen die tot nu toe een eerder afremmende invloed op de klassenstrijd hadden, die van nu af steeds belangrijker zullen worden als stimulansen voor de komende bewegingen: de kwestie van de massale werkloosheid en de kwestie van de oorlog.
Tijdens de strijd in de jaren 1980, toen de massale werkloosheid steeds meer een feit werd, bereikten noch de strijd van de werkende arbeiders tegen de opgelegde ontslagen, noch het verzet van de werklozen op straat een opmerkelijk niveau. Er is toen geen enkele werklozenbeweging geweest die vergeleken kan worden met het niveau dat bereikt werd in de jaren 1930, terwijl dat toch een periode was van zware nederlaag van de arbeidersklasse. In de recessies van de jaren 1980 hadden de werklozen af te rekenen met een vreselijke versnippering, vooral bij de jonge generatie van proletariërs die geen enkele arbeidservaring had en nooit collectieve strijd had meegemaakt. Ook al voerden de werkende arbeiders grootschalige strijd tegen de ontslagen, zoals in de mijnsector in Groot-Brittannië, dan werd de negatieve uitkomst van die bewegingen door de heersende klasse gebruikt om de gevoelens van gelatenheid en wanhoop op te drijven. Dat is recent nog gebleken bij de reactie op het failliet van de Rover autofabrieken in Groot-Brittannië, waar de enige ‘keuze‘ die de arbeiders geboden werd er een was tussen deze of gene combinatie van nieuwe eigenaars om het bedrijf verder te laten bestaan. Maar omdat de speelruimte van de bourgeoisie inkrimpt en zij steeds minder in staat is de werklozen een bestaansminimum te garanderen, is de kwestie van de werkloosheid gedoemd zich te ontwikkelen tot een aspect dat veel subversiever is, dat de solidariteit tussen werkenden en werklozen bevordert, en dat de klasse als geheel ertoe aanzet dieper en actiever na te denken over het failliet van dit systeem.
We kunnen dezelfde dynamiek vaststellen met betrekking tot de kwestie van oorlog. In het begin van de jaren 1990, zorgden de eerste grote oorlogen van de ontbindingsfase (Golfoorlog, Balkanoorlogen) eerder voor een versterking van de gevoelens van onmacht die opgewekt waren door de campagnes rond de ineenstorting van het Oostblok, toen de voorwendsels van ‘humanitaire inmenging’ in Afrika of in de Balkan nog een schijntje geloofwaardigheid konden hebben. Sinds 2001 en de ‘oorlog tegen het terrorisme’ echter zijn de leugens en schijnheiligheid waarmee de bourgeoisie de oorlog goedpraat steeds doorzichtiger, ook al heeft de ontwikkeling van enorme pacifistische bewegingen de vraagstelling die daaromheen ontstaan is grotendeels verdronken. Bovendien hebben de oorlogen van vandaag een steeds groter impact op de arbeidersklasse, ook al blijft die invloed grotendeels beperkt tot de landen die rechtstreeks bij die conflicten betrokken zijn. In de Verenigde Staten gaat het om het groeiend aantal families die geconfronteerd worden met proletariërs in uniform die gewond of gedood worden, maar nog veel meer met de reusachtige economische kosten van de militaire avonturen, die even hard gestegen zijn als het sociaal loon gedaald is. En naarmate het steeds duidelijker wordt dat de militaristische tendensen van het kapitalisme zich slechts verder ontwikkelen in een als maar opgaande spiraal, maar dat de heersende klasse er steeds minder controle over heeft, zullen de problemen van de oorlog en hun verband met de crisis ook leiden tot een diepere en bredere overdenking van wat er historisch op het spel staat.
Op paradoxale wijze is de onmetelijkheid van die kwesties één van de voornaamste redenen waarom de huidige terugkeer van de strijd zo beperkt en zo weinig spectaculair lijkt, vergeleken bij de bewegingen die de heropkomst kenmerkten van het proletariaat aan het einde van de jaren 1960. Tegenover de grote problemen zoals de economische wereldcrisis, de vernietiging van het milieu op wereldvlak, of de spiraal van het militarisme, kan de dagelijkse verdedigingsstrijd onaangepast en machteloos lijken. Aan de ene kant weerspiegelt dit het reële inzicht dat er geen oplossing bestaat voor de tegenstellingen die het kapitalisme vandaag omknellen. Maar terwijl de bourgeoisie in de jaren 1970 nog kon beschikken over een hele waaier misleidingen over de mogelijkheden om een beter leven te verzekeren, lijken de pogingen die de bourgeoisie vandaag doet om te doen geloven dat we in een periode van ongeziene groei en voorspoed leven op het wanhopige ontkennen door een man in doodsnood die zijn nakende dood niet onder ogen kan zien. Het verval van het kapitalisme is de periode van sociale revoluties omdat de strijd van de uitgebuiten niet kan leiden tot enige verbetering van hun bestaan. Hoe moeilijk het ook kan zijn over te stappen van het defensieve naar het offensieve niveau van de strijd: de arbeidersklasse heeft geen andere keuze dan die moeilijke en schrikbarende sprong te wagen. Zoals alle kwalitatieve sprongen wordt hij voorafgegaan door een hele reeks kleine, voorbereidende stappen, van stakingen voor brood tot vorming van kleine discussiegroepen overal ter wereld.
Geconfronteerd met dit perspectief van politisering van de strijd hebben de revolutionaire organisaties een unieke en onvervangbare rol te vervullen. Nochtans heeft de samenloop van de groeiende gevolgen van de ontbinding met de zeer oude zwakheden op theoretisch en organisatorisch vlak en het opportunisme dat heerst in de meerderheid van de proletarische politieke organisaties al duidelijk gemaakt dat de meeste van die groepen niet bij machte zijn aan de vereisten van de geschiedenis te beantwoorden. Dat wordt nog het duidelijkst geïllustreerd door de negatieve dynamiek waarin het IBRP sinds enkele tijd wordt meegesleurd. Niet alleen omdat het volstrekt niet in staat is om de betekenis van de nieuwe fase van ontbinding te begrijpen, verbonden met zijn verlaten van een theoretisch sleutelbegrip zoals het verval van het kapitalisme, maar op een nog vernietigender wijze omdat het de spot drijft met de fundamentele normen van proletarische solidariteit en gedrag, met haar flirt met het parasitisme en het avonturisme. Die regressie is des te erger omdat vandaag de premissen bestaan voor de opbouw van de kommunistische wereldpartij. Tezelfdertijd legt het feit dat de groepen van het proletarisch politiek milieu zichzelf diskwalificeren in het proces dat leidt tot de vorming van de klassenpartij nog eens de nadruk op de cruciale rol die de IKS te spelen heeft in dat proces. Het wordt steeds duidelijker dat de toekomstige partij niet het product zal zijn van een ‘democratische’ optelling van verschillende groepen van het milieu, maar dat de IKS al het skelet vormt van de toekomstige partij. Maar opdat de partij echt vlees zal worden, moet de IKS bewijzen dat zij opgewassen is tegen de taak die de ontwikkeling van de klassenstrijd en het verschijnen van een nieuwe generatie zoekende elementen haar opleggen.
IKS, voorjaar 2005
In Internationalisme, nr. 319 hebben we gezien hoe de Belgische natie en staat die in 1830 ontstonden een contrarevolutionaire en kunstmatige schepping waren, uitgedokterd door de grootmachten van die tijd. Ze vormden een benepen en niet-progressief kader dat de industrialisatie en de invoering van moderne sociale verhoudingen geenszins bevorderde. Dat zou zwaar doorwegen op de latere ontwikkeling van België in de loop van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, ondanks de economische groei die het land kende in het kader van de internationale expansie van het kapitalisme.
In Internationalisme, nr. 319 hebben we gezien hoe de Belgische natie en staat die in 1830 ontstonden een contrarevolutionaire en kunstmatige schepping waren, uitgedokterd door de grootmachten van die tijd. Ze vormden een benepen en niet-progressief kader dat de industrialisatie en de invoering van moderne sociale verhoudingen geenszins bevorderde. Dat zou zwaar doorwegen op de latere ontwikkeling van België in de loop van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, ondanks de economische groei die het land kende in het kader van de internationale expansie van het kapitalisme.
Het te enge kader van de Belgische entiteit veroorzaakt al in de eerste bestaansjaren van de jonge staat scherpe economische moeilijkheden: de jaren 1830 en 1840 zijn jaren van economische stagnatie en pauperisme voor de arbeidersklasse, die in 1847, zoals overal in Europa, uitlopen op een verschríkkelijke economische crisis. In het artikel België, modelstaat in de Neue Rheinische Zeitung van augustus 1848 geeft Karl Marx een aantal sprekende cijfers die de omvang van die crisis aangeven: in één jaar tijd (1847-1848) daalt de export van producten uit de Belgische mijnbouw en metaalnijverheid met meer dan éénderde; op twee jaar tijd (1846-1848) ging de wolindustrie met 64% achteruit. Twintig jaar economische stagnatie met een zware crisis als hoogtepunt, dat was het begin van de geschiedenis van deze kunstmatige staat. De sluiting van de Schelde door Nederland in 1830 was er de opvallendste uitdrukking van. De heropening van deze waterweg, van levensbelang voor de nationale handel, werd pas in 1863 bereikt!
De Belgische bourgeoisie redt zich slechts uit de economische moeilijkheden dankzij een bijzonder scherpe uitbuiting van de arbeidskracht. De arbeids- en levensvoorwaarden van het Belgische proletariaat zijn verschrikkelijk. De arbeidsdag duurde gemiddeld veertien uur, maar zestien uur was geen uitzondering. “Zelfs in de steenkool- en staalfabrieken worden de arbeiders, mannen zowel als vrouwen, van elke leeftijd, onbelemmerd opgebruikt zonder enige beperking op de duur van de arbeidsuren [...] ; in de hoogovens waren er op 1000 arbeiders, 688 mannen, 149 vrouwen, 98 jongens en 65 meisjes onder de 16 jaar.” (K.Marx, Het kapitaal, deel I, afdeling 3, hoofdstuk X, vii). Het loon was zeer mager in verhouding tot de enorme uitbuiting. Herinneren we eraan dat de Belgische arbeider in 1820 slechts half zoveel verdiende als de Engelse. Om deze toestand zo te houden, heerste er een brutale repressie, die al onmiddellijk na de ‘Belgische revolutie’ georganiseerd werd. Eind 1830-begin 1831 verklaart de Courrier belge naar aanleiding van de revoltes in Henegouwen, Antwerpen, Ieper, Luik, Brugge en Gent: “Wij zien ons verplicht de staat van beleg uit te roepen in onze steden (Gent bv.) om ons te beschermen tegen de interne vijanden [onze onderstreping] die nog barbaarser zijn dan de Hollandse soldaten.”
De bourgeoisie bracht zeer snel een indrukwekkende repressiekracht op de been, die het land jarenlang tot “het gedroomd paradijs en vrij jachtgebied van grootgrondbezitters, kapitalisten en pastoors maakte. Zoals de aarde jaarlijks haar omwenteling doorloopt, zo getrouw volbrengt de Belgische regering haar jaarlijkse slachting onder de arbeiders.” (K.Marx, Oproep aan de arbeiders van Europa en de Verenigde Staten, 1869) Onder het juk van deze genadeloze uitbuiting en brutale repressie is het pas vanaf 1868, in het spoor van de ontwikkeling van de invloed van de Eerste Internationale, dat er in België belangrijke arbeidersstrijd uitbreekt, die de moeilijke strijd opent voor een verbetering van de arbeids- en levensomstandigheden en ook voor de organisatie van de arbeidersklasse.
De tweede helft van de negentiende eeuw opent voor het Belgisch kapitalisme een periode van expansie die er één van de eerste industriemogendheden van Europa van maakt. Het is zelfs het enige land in Europa dat een ontwikkelingsniveau bereikt dat het niveau van Groot-Brittannië benadert. De uitvoer, die in 1936 145 miljoen BF bedroeg, bereikte de 200 miljoen pas in 1850, maar verdubbelt dan tussen 1850 en 1860, waarna de toename ervan groot blijft. Ondanks een zware economische depressie die de Belgische economie vooral in de jaren 1870 en 1880 treft, na de Frans-Pruisische oorlog van 1870, blijkt uit volgende cijfers de omvang van de expansie gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw:
Omvang van de productie in miljoen ton :
1850 1900
Hoogovens 11 91
IJzerfabrieken 12 84
Staalfabrieken 0 190
Zink 10 59
Glas 8 65
Vermelden we ook nog dat de hoeveelheid paardekracht stoom die gebruikt wordt in de Belgische industrie stijgt van 50.000 in 1850 naar 700.000 in 1899!
Ondanks die indrukwekkende economische ontwikkeling blijft de ontwikkeling van het kapitalisme getekend door het benepen kader van de Belgische staat. Die voorkomt het tot uitbarsting komen van de uiterst ingewikkelde innerlijke tegenstellingen die op alle niveaus van de burgerlijke orde bestaan:
- Op economisch vlak; omdat België een kunstmatige schepping is heeft het geen eeuwenlange en geleidelijke nationale centralisatie doorgemaakt. Zijn economische samenhang is dan ook volkomen kunstmatig. Het economisch weefsel in Vlaanderen is tegengesteld aan dat van Wallonië, alsof er in België geen nationale productie bestaat, een tegenstelling die in de loop van de geschiedenis van beide landsdelen terug te vinden is. Dat wordt duidelijk geïllustreerd door het feit dat de industrialisering van Wallonië niet het resultaat is van een of andere Belgische economische ontwikkeling, maar wel van de integratie van die streek in de Franse revolutionaire sfeer. De vorming van België als kunstmatige staat, die de kapitalistische ontwikkeling in een te eng kader opsluit, belet echter niet alleen het uitschakelen van historische overblijfselen, maar zal de ongelijkheden tussen beide landsdelen nog versterken. Zo heeft bijvoorbeeld de repressie van de orangisten (aanhangers van de eenheid met Nederland) en de sluiting van de Schelde vele Gentse textielbarons en Antwerpse reders naar Nederland doen uitwijken, wat de achterstand van Vlaanderen nog vergroot. Het te enge kader zal tenslotte ook de voortzetting van de industriële concentratie in Wallonië belemmeren: de katholieke regering (vertegenwoordiger van de grondbezittende bourgeoisie, bondgenoot van de kleine ondernemers) zal meer dan veertig jaar lang de ontwikkeling van naamloze vennootschappen afremmen, die een wezenlijk instrument zijn voor de ontwikkeling van de industriële kapitalisme. Zo bleven er na 1830 twee economische polen bestaan: een hoofdzakelijk industrieel kapitalisme in Wallonië en in Vlaanderen vooral een grondbezitterskapitalisme. En het noorden zal zich pas werkelijk gaan ontwikkelen wanneer het zuiden al in verval begint te raken, dat wil zeggen na de Eerste Wereldoorlog.
- Op politiek vlak behoudt de klasse van de grootgrondbezitters, vooral gevestigd in Vlaanderen (met als politieke arm de katholieke partij), haar macht. In 1789 werd ze, zowel in Frankrijk als in België, van de macht verjaagd, maar dat werd weer goedgemaakt door de contrarevolutie van 1815. En in de ‘revolutie’ van 1830 bleven haar economische en politieke posities gehandhaafd. De kloof tussen het katholieke en agrarische Vlaanderen en het Wallonië met zijn mijnbouw en industrie zat dus vanaf het begin in de structuren van de Belgische staat ingebakken. Die belemmering drukt enorm op de industriële bourgeoisie, die gedwongen wordt enorme renten te betalen aan de moderne landheren, heffingen die de kapitaalaccumulatie in de industrie nog verder afremden.
De Waalse fractie van de bourgeoisie, economisch overheersend en progressief, leefde dus niettemin op lafste manier in een dubbelzinnige situatie met de grootgrondbezitters, die ze noch op economisch, noch op politiek vlak had kunnen uitschakelen (de katholieke partij regeert, op enkele korte onderbrekingen na, tot aan de Eerste Wereldoorlog). Pas wanneer de verbeteringen inzake grondbewerking dankzij industrialisatie en mechanisatie zo’n enorme uitbreiding hebben genomen dat de landheren zich tot bourgeois omvormen krijgt het industriële kapitalisme de bovenhand. Die beweging begint op het einde van de negentiende eeuw en gaat samen met de ontwikkeling van een Vlaamse industrie en een Vlaamse bourgeoisie.
- Op taalkundig vlak gaat de zegetocht van een nationale taal over de oude streektalen en dialecten uit de middeleeuwen meestal samen met de verbreiding van de kapitalistische productie over heel de natie. De taalkwestie wordt dus meestal gewoon opgeklaard met de burgerlijke revolutie en de vorming van een nationale markt en productie, die samengaan met unitaire administratieve en opvoedingsstructuren. Maar omdat de Belgische staat opgelegd werd als belemmering voor de ontwikkeling van bredere productieve en sociale structuren, en dat hij dus geen economische en politieke centralisatie kon opleggen, kan hij op taalkundig vlak alleen maar falen. Met het doel die centralisatie te ondersteunen, heeft de Franstalige industriële bourgeoisie geprobeerd het Frans als enige nationale taal op te leggen. De voorlopige regering verklaarde op 16 november 1830 dat “het Frans de officiële taal in België zal zijn.” Maar vanaf 1840 ontwikkelt het verzet daartegen zich in de Vlaamse kleinburgerij die zich daardoor uitgesloten voelde uit het staatsapparaat. Met de ontwikkeling van een Vlaamse bourgeoisie aan het einde van de negentiende eeuw versterkt die oppositie zich en maakt ze definitief een einde aan de taalkundige eenmaking.
De Belgische bourgeoisie heeft niet kunnen profiteren van de periode van uitbreiding van het kapitalisme om de tegenstellingen die voortvloeiden uit haar kunstmatig opgelegd kader weg te vlakken, en die tegenstellingen hebben op hun beurt de ontwikkeling van de strijd en organisatie van het proletariaat erg belemmerd. Op het vlak van de arbeids- en strijdvoorwaarden werd de wrede concurrentie tussen de Waalse arbeiders en de geproletariseerde Vlaamse boeren door de Belgische bourgeoisie op de spits gedreven en uitgebuit om de arbeids- en levensomstandigheden op een extreem laag niveau te houden. De Engelsman Seebohm Rowntree voerde in die periode een studie uit over de armoede in Groot-Brittannië, en daarna in België. Hij was geshockeerd over de toestand van de arbeidersklasse in België. Geen enkel land heeft zo lang als België de arbeid van vrouwen en kinderen uitgebuit (1).
Die situatie verklaart ook waarom de ontwikkeling van de arbeidersbeweging zo moeizaam verliep in onze streken, zelfs na de impuls die vanaf 1864 werd gegeven door de Eerste Internationale. De strijd heeft zeker vaak een explosief en spontaan karakter, zoals tijdens de grote staking van 1886 in het gehele Waalse industriebekken, maar het klimaat lijkt vaak meer op een ‘industriële opstand’, waarbij geprotesteerd wordt zonder dat er precieze eisen geformuleerd worden – een verzet tegen de mechanisering, eerder dan een strijd voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Dergelijke sociale explosies monden uit op genadeloze repressie. Ondanks haar ‘uitermate democratische’ grondwet aarzelt de bourgeoisie niet op de arbeidersmassa te laten schieten, zoals in 1886 bijvoorbeeld, wanneer er een dertigtal doden valt.
Die moeilijkheden blijken ook op politiek vlak, waar de anarchistische tendensen overheersen bij de arbeiders: de Vereniging Het Volk van de richting Proudhon wordt de Belgische afdeling van de Eerste Internationale en in 1872 kiest de Belgische afdeling onder invloed van Cesar De Paepe de kant van Bakoenin tegen Marx. Die tendensen leggen de nadruk op het organiseren van coöperatieven van producenten en verbruikers en vertonen weinig belangstelling voor de economische (Proudhon verwerpt de staking als strijdwapen) of de politieke strijd (misprijzen voor de ontwikkeling van gecentraliseerde organisaties, of voor de strijd voor algemeen stemrecht). De oprichting van een politieke organisatie van het proletariaat is dus een bijzonder moeilijke taak en wanneer de Belgische Werklieden Partij tenslotte op nationaal vlak opgericht wordt, in 1885, wordt daarmee dus wel een georganiseerd kader en perspectieven geboden voor de arbeidersstrijd, maar met grote concessies aan de anarchistische tendensen, de coöperatistische en de mutualistische, dus op een basis die maar weinig gericht is op de verdediging van het revolutionair programma van de arbeidersklasse (zo weigert de partij bijvoorbeeld de algemene staking uit te roepen in 1886). Ze kiest veeleer voor een prioritair reformistische oriëntatie met de invoering van het algemeen stemrecht. Binnen de Tweede Internationale zal de partij zich meestal onderscheiden door standpunten die aanleunen bij de rechtervleugel ervan.
De Belgische bourgeoisie heeft geen gebruik weten te maken van de periode van ontwikkeling van het kapitalisme (negentiende eeuw) om haar economische, politieke en taalkundige tegenstellingen te boven te komen. Dat onvermogen zal zwaar doorwegen wanneer, met de Eerste Wereldoorlog, het wereldkapitalisme langzaam maar zeker wegglijdt in een situatie van permanente crisis en oorlog. Het algemeen verval van het kapitalisme zal de fundamentale afwezigheid van samenhang van de Belgische staat onherroepelijk blootleggen. Maar het zal ook de grote handigheid aantonen van de bourgeoisie bij het gebruik van die tegenstellingen om de arbeidersstrijd te verdelen en te misleiden.
Jos / 31.8.05
(1) R. Leboutte, J. Puissant, D. Scuto, Un siècle d’histoire industrielle (1873-1973). Belgique, Luxembourg, Pays-Bas. Industrialisation et sociétés, SEDES.
In juli beefde de wereld drie weken lang van een golf moorddadige aanvallen van ongeziene frequentie, van Londen tot Charm el Cheikh en Turkije. Hierbij voegen zich de dagelijkse bomaanslagen in Irak en Afghanistan, in Libanon en Bangladesh. Alle staten en hun regeringen proberen ons wijs te maken dat zij het terrorisme bestrijden en dat zij in staat zijn om de bevolkingen te beschermen. Allemaal leugens!
De staten bestrijden het terrorisme niet. Zij zijn het zelf die het uitzaaien en het laten woekeren. Het wordt steeds duidelijker dat alle staten, groot en klein, deelnemen aan terroristische fracties en groepen overal ter wereld, erin infiltreren en manipuleren, en ze gebruiken om hun smerige belangen te verdedigen of door te drukken. Het terrorisme is een wapen geworden dat steeds vaker wordt gebruikt in de openlijke of verborgen oorlog tussen de bourgeoisieën over de hele wereld. Herinneren we ons dat Bin Laden en de groep Al Qaïda in de jaren 1980 de Amerikaanse school van de CIA hebben doorlopen om het verzet tegen de Russische bezetting van Afghanistan te organiseren. Talrijke burgerlijke leiders die vandaag voor respectabel doorgaan, van Begin tot Arafat via Gerry Adams, zijn voormalige terroristenleiders.
Dit verschijnsel is een product van een rottend kapitalisme, het is één van de meest schreeuwende uitrdukkingen van de barbaarsheid van de kapitalistische maatschappij. De burgerlijke staat profiteert van de permanente gevoelens van onveiligheid, van de angst en de onmacht die dergelijke misdaden in de bevolkingen teweegbrengen, om zich als het enig mogelijke bolwerk tegen de opkomst van het terrorisme voor te stellen. Niets is minder waar! De arbeidersklasse kan niet anders dan zich door de aanslagen direct getroffen voelen, verontwaardigd en in oproer te raken. Vaak zijn het proletariërs, op weg naar hun werk, die de voornaamste slachtoffers van deze barbaarse misdaden zijn, zoals in New York in 2001, in Madrid in 2004 en dit jaar in Londen. (1) Maar de solidariteit met de slachtoffers van hun klassenbroeders kan op geen enkele wijze langs de weg van nationale eenheid met de bourgeoisie tot stand komen. In tegendeel, zij is alleen mogelijk door deze valse eenheid categorisch af te wijzen. De staat vraagt ons om de rangen te sluiten rond zijn verdediging en die van de democratie in een geest van nationale saamhorigheid. Maar men kan geen enkel vertrouwen in hem stellen voor de bescherming van de bevolkingen tegen het terrorisme. Het zijn de regeringen die als oorlogsdrijvers zelf verantwoordelijk zijn voor de ontketening van verschrikkingen die ze niet in staat zijn een halt toe te roepen. Hoe openlijker de bourgeoisie het terrorisme de oorlog verklaart, des te meer aanslagen er plaatsvinden, des te meer de grootmachten zich in bloed en modder wentelen, en de bevolkingen een keurslijf opdringen van geweld, oorlog en weerwraak zonder einde. De enige concrete maatregelen die de bourgeoisie in naam van het anti-terrorisme kan treffen, zijn het invoeren van soortgelijke plannen als “Vigipirate” in Frankrijk, bedoeld om een brutale versterking van het repressieapparaat te doen aanvaarden, en vooral om de controle over de bevolking te versterken.
De anti-terroristische campagnes hebben het in de eerste plaats mogelijk gemaakt om een versterking van het repressieapparaat door te voeren die zijn weerga niet kent. De situatie in Groot-Brittannië geeft daar een stichtelijk voorbeeld van. Het meest flagrante is de moord op een jonge Braziliaan in de metro van Londen, waarbij de politie toestemming had om iedere verdachte zonder meer dood te schieten. De Engelse bourgeoisie heeft snel begrepen dat de arbeidersklasse niet klaar staat om zich achter de belangen van de burgerlijke staat te scharen in naam van het “anti-terrorisme”. Zij heeft er wel voor gewaakt om op te roepen tot monsterdemonstraties tegen het terrorisme, zoals die na de aanslagen op het station van Atocha in april 2004 in de straten van Madrid en in heel Spanje hebben plaatsgevonden. Zij is het waarschijnlijk zelf geweest die een tweede reeks van “mislukte” aanslagen op touw heeft gezet, die alles van een schijnbare nabootsing hadden, juist met het doel om de boodschap van nationale mobilisatie opnieuw te versterken, en om de proletariërs de fijnmazige controles en politiesurveillance gemakkelijker te doen slikken.
Desondanks heeft de arbeidersklasse laten zien dat ze zich niet laat intimideren. De staking van duizend arbeiders op de luchthaven van Heathrow bij Londen uit solidariteit met 670 klassenbroeders, die aan hun zijde brutaal werden aangevallen en bedreigd met ontslag, is er een onweerlegbaar bewijs van. Ondanks de aanwezige druk van de politie heeft dit gevecht duidelijk laten zien dat voor de proletariërs niet de handhaving van de burgerlijke orde en haar terreur op het spel staat, maar de verdediging van hun klassenbelangen tegenover de aanvallen die ze ondergaan. En het is juist de ontwikkeling van hun gevechten die op de dagorde staat. Deze hervatting van arbeidersgevechten tegenover de gelijktijdige doorvoering van politiemaatregelen laat goed zien wat het werkelijke doel is van heel dat machtsvertoon van de politie. De werkelijke zorg van de bourgeoisie is niet de jacht op terroristen. Ze is zich ervan bewust dat ze, met de verscherping van de economische wereldcrisis, steeds wredere aanvallen aan het proletariaat moet opleggen, en dat ze het hoofd moet bieden aan een ontwikkeling van afweergevechten van de arbeidersklasse hiertegen op internationale schaal.
Er bestaat geen tovermiddel waarmee terroristische aanslagen onmiddellijk, van de ene op de andere dag, kunnen worden verhinderd, net zomin als de uitbreiding van de imperialistische oorlog over heel de planeet door een mirakel een halt kan worden toegeroepen. Er bestaat één enkele klasse die de mogelijkheid heeft om zich op termijn te weer te stellen tegen het de macht van het terrorisme, de oorlog en de barbarij, en dat is het proletariaat. Het kan dit doen door zijn afweergevechten tegen de aanvallen van de bourgeoisie op zijn eigen klassenterrein te ontwikkelen. De werkelijke inzet die de burgerlijke orde bedreigt, is dat doorheen de ontwikkeling van de klassenstrijd de arbeidersklasse zich bewust wordt van het verband dat bestaat tussen de aanvallen die zij ondergaat enerzijds, en de oorlog en het terrorisme anderzijds, en dat dit uitloopt op het in vraag stellen van het kapitalistische systeem in zijn geheel en op de noodzaak om het te vernietigen.
En het is alleen door de omverwerping van het kapitalistische systeem en zijn uitbuitingsverhoudingen dat de arbeidersklasse daarin kan slagen. De methoden en de actiemiddelen van het proletariaat zijn gebaseerd op het klassenbewustzijn en de klassensolidariteit, op het collectieve, verenigende en internationalistische karakter van zijn strijd. Ze staan daarmee radicaal en onverzoenlijk tegenover die van het terrorisme.
In Groot-Brittannië hebben de proletariërs het laten zien dat ze in staat zijn om met solidariteit op klassenterrein te reageren op de chantage van de bourgeoisie, tegen de ontslagen en aanvallen van het kapitalisme. De arbeiders van alle landen moeten zich door dit voorbeeld laten inspireren. Het is door hun klassengevecht te voeren op een terrein van verzet en solidariteit tegenover de economische aanvallen die zij ondergaan, dat zij een alternatief en een perspectief kunnen opwerpen tegenover de impasse en de oorlogsbarbarij van de kapitalistische wereld, die het overleven van heel de mensheid bedreigt.
nee tegen de nationale eenheid,
ja tegen de klassensolidariteit!
Wim / 24.08.2005
(1) Zie over de aanslagen op 7 juli in Londen en de executie te Stockwell op 22 juli de artikelen op onze web site: https://www.internationalism.org [32].
Sinds het einde van de heropbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog blijft de kapitalistische wereld langzaam maar onverbiddelijk wegzakken in haar economische crisis. In het eerste deel van dit artikel zullen we de realiteit van deze evolutie aantonen tot aan het einde van de 20e eeuw. Het tweede deel zal meer in het bijzonder aantonen dat het kapitalisme aan een nieuwe fase van economische recessie begonnen is, die onvergelijkelijk erger is dan de voorafgaande recessies.
De bourgeoisie kijkt niet op een bedrog meer of minder. Nu de economische crisis op het punt staat om een nieuwe bruuske versnelling door te maken, probeert zij de arbeiders op te sluiten op een verkeerd terrein, namelijk dat van de strijd tegen de liberale economie en de markteconomie. Zo houdt ze voor de arbeiders bewust verborgen dat de grote regelaar van de kapitalistische economie en van de aanvallen tegen de arbeidersklasse de kapitalistische staat zelf is. In de ‘krachtlijnen voor tewerkstelling’ van de Europese grondwet kunnen we lezen dat de staten “de te restrictieve voorwaarden” moeten hervormen “van de wetgeving betreffende de werkgelegenheid die de dynamiek van de arbeidsmarkt beïnvloeden” en dat ze “de diversiteit” moet bevorderen “van de modaliteiten van de arbeidscontracten, met name op het vlak van de arbeidstijd”. De verwerping van de grondwet zal die politiek geen jota doen veranderen. Het proletariaat wordt zo opgeroepen de laatste recessies te vergeten, en ook de beurskrach van 2001-2002, en tegelijk daarmee ook alle massale aanvallen en de verslechtering van zijn levensomstandigheden, die onophoudelijk zijn doorgegaan sinds het begin van de economische wereldcrisis aan het eind van de jaren 1960, en die vooral zijn geaccentueerd aan het begin van de jaren 2000. De arbeidersklasse betaalt een zware prijs voor het bankroete kapitalisme, en dan spreken we nog niet over de massale aanval op de pensioenen en de ontmanteling van de “Sociale zekerheid”. De bourgeoisie probeert, cynisch als altijd, het proletariaat er opnieuw van te overtuigen dat als het enkele extra offers wil brengen, het morgen beter wordt, dat het levenspeil weer gaat stijgen en de werkloosheid zal dalen! Dat zijn nog meer leugens. Leugens die slechts tot doel hebben ervoor te zorgen dat de arbeidersklasse bereid is te betalen met een toename van haar ellende en haar uitbuiting voor het rampzalig wegzinken van het kapitalisme in zijn economische crisis.
De recessies van 1967, 1970-71, 1974-75, 1991-93 en 2001-2002 werden tendentieel steeds langer en dieper, en dat in een context van constante daling van de gemiddelde groeivoet van de wereldeconomie. De groei van het Bruto Binnenlands Product op wereldvlak volgde dezelfde dalende tendens, van meer dan 4% in de jaren 1950 tot minder dan 1% begin jaren 2000. Met de ineenstorting van de economie die de kapitalistische wereld getroffen heeft aan het einde van de jaren 1920 en in het begin van de jaren 1930, met zijn opeenvolging van explosies van ellende en werkloosheid onder de arbeiders die er noodzakelijkerwijze uit moest voortvloeien, heeft het kapitalisme een maximum aan lessen getrokken. Sindsdien, en na de Tweede Wereldoorlog, heeft het kapitalisme zich georganiseerd om te proberen een bruuske ineenstorting van zijn economie te voorkomen. We zien dan een versterking van de controlerende rol van de staat over het geheel van de nationale economie. Overal ter wereld heeft de ontwikkeling van het staatskapitalisme, behalve de economische functie die het toebedeeld krijgt, ook een rol in de militarisering van de maatschappij en de inkadering van de arbeidersklasse. Maar omdat dat alles nog niet volstond om de bourgeoisie gerust te stellen, richt ze internationale organismen op, zoals de Comecon voor het voormalige Oostblok en het IMF voor het westerse blok, die erover moeten waken dat er geen al te gewelddadige schokken komen voor de economie. In dezelfde zin, en anders dan in de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog, gaat de bourgeoisie de rol van de centrale banken versterken. Die worden ertoe gebracht om een rechtstreekse rol te spelen in de economische politiek door hun invloed op de rentevoeten en de geldmassa.
In tegenstelling tot wat de bourgeoisie ons wijsmaakt, bevindt de economie zich desondanks langzaam maar zeker in een neergang. Het staatskapitalisme kan dit proces zeker afremmen, maar het kan de onverbiddelijke ontwikkeling ervan niet stuiten. Zo zien we sinds 1960 economische heroplevingen die telkens beperkter zijn, en periodes van recessie die steeds dieper worden. De kapitalistische wereld zakt weg in haar crisis. Onverlet alle bijzondere verschillen duiken Afrika, Centraal Amerika, het voormalige Sovjetblok en het grootste deel van de Aziatische landen in een toenemende economische chaos. Al vele jaren zijn de Verenigde Staten, Japan en Europa aan de beurt om rechtstreeks de gevolgen van de crisis te ondervinden. In de Verenigde Staten daalde de groeivoet per decennium van 4,11% in 1950-60 naar 3% in 1990-99. Voor Europa zijn die cijfers respectievelijk 4,72% en 1,74% (bron: OESO). De groei op wereldvlak van het BBP per inwoner daalde in de periode 1961-2003 van bijna 4% naar minder dan 1%. Na de heropbouwperiode die volgde op de Tweede Wereldoorlog, door de bourgeoisie de ‘glorieuze dertig jaar’ genoemd, is de wereldproductie dus geleidelijk maar onverbiddelijk de weg van de recessie opgegaan. Die recessie kon serieus afgeremd en onderbroken worden in haar ontwikkeling door de steeds kortere, maar toch reële periodes van herstel, gewoon omdat de wereldbourgeoisie steeds meer beroep gedaan heeft op schuldenmakerij en het gebruik van steeds omvangrijker begrotingstekorten. De eerste wereldmacht geeft daarvan zonder twijfel het treffendste voorbeeld. De VS gingen van een overschot op de openbare begroting van 2% in 1950 naar een begrotingstekort dat vandaag de 4% nadert. De totale schuld van de Verenigde Staten, die vanaf de jaren 1950 tot aan het begin van de jaren 1980 langzaam toenam, is in de afgelopen 20 jaar werkelijk geëxplodeerd. Ze is simpelweg verdubbeld, van 15.000 miljard dollar naar meer dan 30.000 miljard. De Verenigde Staten zijn van voornaamste geldschieters van de planeet verworden tot het land met de grootste schulden. Maar het zou volstrekt verkeerd zijn om te denken dat, ondanks de bijzonderheden die eigen zijn aan de eerste wereldmacht, deze tendens niet zou overeenstemmen met de globale evolutie van de kapitalistische economie. Eind jaren 1990 bereikte Afrika een schuldenniveau van meer dan 200 miljard dollar, evenals het Midden-Oosten; Oost Europa staat op meer dan 400 miljard en Azië en de regio van de Stille Oceaan (inclusief China) op meer dan 600 miljard, net als Latijns Amerika (bron: État du monde 1998).
Wanneer we de industriële productie bekijken, is de werkelijkheid van de vertraging van de economische wereldgroei sinds het einde van de heropbouwperiode nog frappanter. Van 1938 tot 1973, over een periode van 35 jaar dus, groeide de industriële productie van de ontwikkelde landen met 288%. Gedurende de daarop volgende 22 jaar, bereikt die groei slechts 30% (bron: OESO).
De vertraging van de ontwikkeling van de industriële wereldproductie verschijnt hier dus zeer duidelijk. De arbeidersklasse moest daar vanzelfsprekend voor opdraaien. Als we alleen de vijf economisch hoogst ontwikkelde landen van de wereld nemen, zien we een veelzeggende evolutie van de werkloosheid. Die vertrekt van een gemiddelde van 3,2% in 1948-52, stijgt naar 4,9% in 1979-81 en komt uit op 7,4% in 1995 (bron: OESO). Deze cijfers zijn wel te verstaan afkomstig van de bourgeoisie. Daardoor onderschatten zij welbewust deze realiteit voor de arbeidersklasse. Bovendien is de werkloosheid over heel de planeet voortdurend blijven toenemen na 1995.
Om het wegzinken in de crisis af te remmen kon de bourgeoisie er niet mee volstaan om, op internationaal vlak, nieuwe instanties in het leven te roepen, noch om zich in verbazingwekkende schulden te steken (zoals we net gezien hebben), om op een geheel kunstmatige wijze een koopkrachtige markt in leven te houden die in werkelijkheid compleet verzadigd is. Zij moest bovendien proberen om de voortschrijdende val van haar winstvoet af te remmen. Kapitalisten investeren met geen andere bedoeling om steeds grotere winsten te boeken in verhouding tot het geïnvesteerde kapitaal. Dat is wat die fameuze winstvoet gaat bepalen. Van 1960 tot 1980 is hij gedaald van 20% naar 14%, ook in Europa. Vervolgens is hij, aan het einde van de jaren 1990, als door een wonder in de Verenigde Staten naar 20% en in Europa naar meer dan 22% gestegen. Moet de arbeidersklasse dan in wonderen gaan geloven? Twee factoren kunnen deze stijging verklaren: de toename van de arbeidsproductiviteit of de toegenomen soberheid die aan de arbeiders opgelegd werd. Welnu, de arbeidsproductiviteit heeft in deze periode de helft van haar groei zien wegsmelten. Het is dus door de levensomstandigheden van de arbeidersklasse aan te vallen dat de bourgeoisie, al is het tijdelijk, haar winstvoet heeft kunnen herstellen. De ontwikkeling van het loonaandeel als percentage van het BBP in Europa bevestigt die realiteit ten volle. In de jaren 1970-80 bedroeg dat meer dan 76% in Europa en meer dan 79% in Frankrijk, om daarna zowel in Frankrijk als in geheel Europa terug te vallen naar 66%. Het is klip en klaar dat de verscherping van de uitbuiting en de ontwikkeling van de ellende in de arbeidersmilieus de voornaamste oorzaken zijn van het tijdelijk herstel van de winstvoet in de jaren 1990.
In een tweede deel van dit artikel zullen we de afdaling in de hel laten zien van de huidige fase in de verscherping van de economische wereldcrisis.
T.
Onmiddellijk na de aankondiging van vleesprijs-verhogingen reageerden de arbeiders in talrijke fabrieken met spontane stakingen. De eerste juli gingen de arbeiders van Tczew bij Gdansk en te Ursus in de buitenwijken van Warschau in staking. In Ursus werden algemene vergaderingen gehouden, er werd een stakingscomité benoemd en gemeenschappelijke eisen werden naar voren gebracht. In de daaropvolgende dagen breidden de stakingen zich verder uit: Warschau, Lodz, Gdansk, enzovoort. De regering probeert verdere uitbreiding tegen te gaan door snel concessies te doen zoals loonsverhogingen. Halverwege juli gaan de arbeiders in Lublin, een belangrijk spoorwegknooppunt, in staking. Lublin lag op de treinverbinding die Rusland met Oost‑Duitsland verbond. In 1980 vormde het een vitale verbinding voor de bevoorrading van de Russische troepen in Oost‑Duitsland. De eisen van de arbeiders zijn de volgende: geen repressie tegen arbeiders in staking, terugtrekking van de politie uit de fabrieken, loonsverhogingen en vrije vakbondsverkiezingen.
De arbeiders hadden lering getrokken uit de strijd van 1970 en 1976 (1). Ze zagen duidelijk in dat het officiële vakbondsapparaat aan de kant van de stalinistische staat en de regering stond telkens als ze eisen naar voren brachten. Daarom namen ze onmiddellijk het initiatief in de massastaking van 1980. Ze wachtten niet op instructies van boven, marcheerden gelijk op, hielden vergaderingen waarin ze zelf beslisten over de plaats en het moment van de strijd. Dat gebeurde het duidelijkst in Gdansk, Gdynia en Sopot, dat wil zeggen in de industriële ring van de Baltische Zee. Alleen al de Lenin‑scheepswerven telden 20.000 arbeiders.
Gemeenschappelijke eisen werden naar voren gebracht in massale bijeenkomsten. Er werd een stakingscomité gevormd. In het begin stonden economische eisen voorop. De arbeiders waren vastbesloten. Ze wilden geen herhaling van de bloedige verplettering van de strijd zoals in 1970 of 1976. In een industrieel centrum zoals dat van Gdansk‑Gdynia‑Sopot sprak het vanzelf dat alle arbeiders zich moesten verenigen om een krachtsverhouding in hun eigen voordeel op te leggen. Een inter‑fabriekscomité (MKS) werd opgericht; het werd samengesteld uit 400 leden, twee afgevaardigden per bedrijf. Tijdens de tweede helft van augustus kwamen er zo’n 800 tot 1.000 afgevaardigden bijeen. Door een inter‑fabriekscomité te vormen werd de gebruikelijke krachtversplintering te boven gekomen. Voortaan konden de arbeiders het kapitaal bekampen op eendrachtige wijze. Elke dag werden er algemene stakersvergaderingen gehouden op de Lenin scheepswerf. Er werden luidsprekers neergezet om iedereen in staat te stellen de discussies in de stakingscomités en de onderhandelingen met de vertegenwoordigers van de regering te volgen. Later werden er ook microfoons aangebracht buiten de vergaderzaal van het MKS, zodat de arbeiders die in de algemene vergaderingen aanwezig waren onmiddellijk konden ingrijpen in de discussies van het MKS. ’s Avonds keerden de afgevaardigden ‑ de meesten voorzien van cassettes waarop de discussies waren vastgelegd ‑ terug naar hun werkplek om aldaar verslag uit te brengen over de discussie en de situatie en verantwoording af te leggen over de uitvoering van hun mandaat tegenover ‘hun’ algemene fabrieksvergaderingen.
Dankzij die middelen kon een zo groot mogelijk aantal arbeiders deelnemen aan de strijd. De afgevaardigden dienden over de uitvoering van hun mandaat verantwoording af te leggen, waren op ieder moment afzetbaar, en de algemene vergaderingen bleven altijd soeverein. Dit alles stond lijnrecht tegenover de vakbondspraktijken.
In die periode, nadat de arbeiders van Gdansk‑Gdynia‑Sopot hun krachten hadden samengebundeld, breidde de beweging zich uit naar andere steden. Om de communicatie tussen de arbeiders te saboteren sloot de regering op 16 augustus de telefoonlijnen af. Onmiddellijk dreigden de arbeiders hun beweging nog verder uit te breiden als de regering ze niet onmiddellijk weer aansloot. Die deed een stap terug.
De algemene vergadering besloot een arbeidersmilitie op te richten. Terwijl de alcoholconsumptie ruim verspreid was werd er collectief besloten die te verbieden. De arbeiders wisten wat ze te doen hadden om helder te blijven in hun confrontatie met de regering.
Een regeringsdelegatie ontmoette de arbeiders om te onderhandelen. Dat gebeurde in de openbaarheid voor een algemene vergadering in plaats van achter gesloten deuren. De arbeiders eisten een andere samenstelling van de regeringsdelegatie omdat die was samengesteld uit vertegenwoordigers van een te lage rang. De regering deed eens te meer een stap terug.
Toen de regering ermee dreigde hardhandig in te grijpen in Gdansk verklaarden de spoorwegarbeiders van Lublin: “Als de arbeiders van Gdansk fysiek worden aangevallen en ook maar één van hen een haar wordt gekrenkt, dan verlammen we de strategisch belangrijkste spoorwegverbinding tussen Rusland en Oost‑Duitsland.” De regering wist wat er op het spel stond: haar hele oorlogseconomie. Haar troepen zouden in hun zwakste zijde worden geraakt, en dat zou, in de koude oorlogperiode, fataal voor haar zijn.
In haast alle grote steden waren de arbeiders gemobiliseerd. Meer dan een half miljoen van hen begreep dat ze de enige beslissende kracht vormden in het land die in staat was zich tegen de regering te verzetten. Ze voelden aan wat hun die kracht gaf:
‑ de snelle uitbreiding van de beweging in plaats van die uit te putten in gewelddadige confrontaties zoals in 1970 en 1976;
‑ hun zelforganisatie, dat wil zeggen hun vermogen om zelf initiatieven te nemen in plaats van te rekenen op de vakbonden;
‑ het houden van algemene vergaderingen waarin ze hun krachten konden bundelen, controle over de beweging konden uitoefenen, de grootst mogelijk massadeelname mogelijk maakten en voor het oog van allen met de regering onderhandelden;
Kortom, de uitbreiding van de beweging was het beste wapen van de solidariteit; de arbeiders stelden zich niet tevreden met mooie verklaringen, ze namen zelf het initiatief in de strijd. Dat maakte de ontwikkeling van een heel andere krachtsverhouding mogelijk. Zolang de arbeiders zo massaal en verenigd strijd leverden kon de regering niet tot repressie overgaan. Tijdens de stakingen van de zomer toen de arbeiders de regering verenigd te lijf ging, werd geen van hen vermoord of zelfs maar geslagen. De Poolse bourgeoisie begreep dat ze zich een dergelijke vergissing niet kon veroorloven maar dat ze de arbeidersklasse van binnenuit diende te verzwakken.
De arbeiders van Gdansk die van de regering concessies wisten af te dwingen eisten daarenboven dat deze eveneens golden voor de arbeiders in de rest van het land. Ze verzetten zich tegen iedere verdeling en toonden op deze wijze hun solidariteit met de andere arbeiders.
De arbeiders werden het referentiepunt voor de hele bevolking. Behalve de arbeiders die naar Gdansk kwamen om direct contact te leggen met de arbeiders in staking, kwamen er ook boeren en studenten naar de fabriekspoorten om stakingsbulletins in ontvangst te nemen en allerlei informatie in te winnen. De arbeidersklasse werd de leidende macht in het land.
Het gevaar dat de strijd in Polen vormde kon duidelijk opgemaakt worden uit de reacties van de buurlanden.
De grenzen van Polen met Oost‑Duitsland, Tsjecho‑Slowakije en de Sovjet‑Unie werden onmiddellijk gesloten. Hoewel de arbeiders vroeger regelmatig naar Oost‑Duitsland konden gaan, vooral naar Berlijn, om inkopen te doen omdat er in de Poolse winkels nog minder lag dan in de Oost‑Duitse, probeerde de bourgeoisie de arbeidersklasse nu te isoleren. Direct contact tussen de arbeiders van de verschillende landen was ten koste van alles te vermijden. En de bourgeoisie had goede redenen voor dergelijke maatregelen! Want in het steenkoolgebied van Ostrava dat aan de andere kant van de grens met Tsjecho‑Slowakije lag waren de mijnwerkers, het Poolse voorbeeld volgend, eveneens in staking gegaan. In de Roemeens mijngebieden net als in Togliattigrad in Rusland sloegen de arbeiders ook de Poolse weg in. En als er in de landen van West‑Europa geen stakingen waren in onmiddellijke solidariteit met de strijd van de arbeiders in Polen namen arbeiders van verschillende landen niettemin de slogans van hun Poolse klassenbroeders over. In Turijn hoorden we de arbeiders in september 1980 in koor roepen: “Gdansk toont ons de weg.”
Door het geschapen vooruitzicht en de strijdmethoden had de massastaking een enorme invloed op de arbeiders van de andere landen. Daarmee liet de arbeidersklasse andermaal zien, zoals eerder in 1953 in Oost‑Duitsland, in 1956 in Polen en Hongarije, in 1970 en 1976 nogmaals in Polen, dat in de zogenaamd ‘socialistische’ landen de kapitalistische uitbuiting net zo goed bestond als in het westen, en dat de regeringen de vijanden van de arbeidersklasse zijn. Ondanks het isolement dat aan de Poolse grenzen werd opgelegd, ondanks het IJzeren Gordijn, vertegenwoordigde de arbeidersklasse in Polen, zolang zij gemobiliseerd bleef, een referentiepunt op wereldvlak. Juist in de periode van de Koude Oorlog, tijdens de oorlog in Afghanistan, bracht de strijd van de arbeiders in Polen een belangrijke boodschap over: zij verzetten zich tegen de bewapeningswedloop en de oorlogseconomie door middel van de klassenstrijd. De vraag van de vereniging van de arbeiders in het Oosten en het Westen, zelfs wanneer dat nog niet concreet gesteld werd, doemde als perspectief weer op.
De beweging kon met een dergelijke kracht tot ontwikkeling komen omdat ze zich snel uitbreidde en omdat de arbeiders het initiatief in eigen hand hielden. De uitbreiding tot buiten de fabriek, de algemene vergaderingen, de onmiddellijke afzetbaarheid van de afgevaardigden, dat alles droeg bij tot haar kracht. Hoewel er in het begin geen vakbondsinvloed was zetten de leden van de ‘vrije vakbond’ (2) zich in om de strijd te dwarsbomen.
Terwijl aanvankelijk de onderhandelingen in alle openbaarheid werden gevoerd, werd er na enige tijd beweerd dat er ‘experts’ nodig waren om de details met de regering te regelen. De arbeiders konden de onderhandelingen steeds minder volgen, nog minder er aan deelnemen, terwijl de luidsprekers waardoor alles gevolgd kon worden het niet meer deden als gevolg van ‘technische’ problemen. Lech Walesa, lid van de ‘vrije vakbond’, werd gekroond als leider van de beweging dankzij het feit dat hij eerder ontslagen was door de directie van de scheepswerven in Gdansk. De nieuwe vijand van de arbeidersklasse, de ‘vrije vakbond’, had de beweging geleidelijk geïnfiltreerd en begon zijn sabotagewerk. Zo begon hij de arbeiderseisen volslagen te verminken. Terwijl er aanvankelijk economische en politieke eisen bovenaan de lijst stonden, drongen de ‘vrije vakbond’ en Walesa aan op erkenning van de ‘onafhankelijke’ vakbond waarbij de economische en politieke eisen op de tweede plaats kwamen. Ze volgden een oude tactiek: de verdediging van de vakbond in plaats van arbeidersbelangen.
De ondertekening van de overeenkomsten van Gdansk op 31 augustus betekende het einde van de beweging (zelfs als de stakingen op andere plaatsen nog enige dagen voortduurden). Het eerste punt van deze overeenkomst keurde de oprichting goed van een ‘onafhankelijke en zichzelf besturende’ vakbond, die als ‘Solidarnosc’ de geschiedenis zou ingaan. De vijftien leden van het presidium van de MKS (het interfabrieks‑stakingscomité) vormden de leiding van de nieuwe vakbond.
Omdat de arbeiders helder waren geweest over het feit dat de officiële vakbonden achter de staat aan holden dachten de meesten van hen dat de vakbond Solidarnosc die net was opgericht, met tien miljoen arbeiders, niet corrupt was en hun belangen verdedigde. Ze misten de ervaring van de arbeiders in het Westen die al tientallen jaren met ‘vrije’ vakbonden overhoop lagen.
Terwijl Walesa toen al beloofde: “Wij willen een tweede Japan scheppen en welvaart voor allen realiseren”
en vele arbeiders nog grote illusies konden koesteren door hun gebrek aan ervaring over de realiteit van het kapitalisme in het Westen, fungeerden Solidarnosc en Walesa als brandweermannen voor het kapitalisme om de strijdbaarheid van de arbeiders uit te doven. Deze illusies in de schoot van de arbeidersklasse in Polen waren niets anders dan het gewicht en de impact van de democratische ideologie die woog op dit deel van het wereldproletariaat. Het democratische gif dat reeds zeer sterk was in de westerse landen kon niet anders dan nog een grotere kracht hebben in Polen, na vijftig jaar stalinisme. Dat hadden de Poolse en de wereldbourgeoisie goed begrepen. Het zijn deze democratische illusies die de voedingsbodem waren van waaruit de bourgeoisie en haar vakbond in staat waren om hun anti-arbeiderspolitiek te voeren en de repressie te ontketenen.
In de herfst van 1980, terwijl de arbeiders opnieuw in staking gaan uit protest tegen de overeenkomsten van Gdansk, en na te hebben vastgesteld dat zelfs met een ‘vrije’ vakbond aan hun zijde hun materiële omstandigheden verslechterden, begon Solidarnosc zijn ware gezicht te laten zien. Direct na het einde van de massastaking vliegt Walesa her en der in een legerhelicopter om de arbeiders op te roepen hun stakingen onmiddellijk te beëindigen. “Wij hebben geen nieuwe stakingen meer nodig omdat dat ons land naar de afgrond voert, we moeten het rustiger aan doen.”
Van meet af aan begint Solidarnosc de beweging te saboteren. Zodra het mogelijk is neemt hij het initiatief uit handen van de arbeiders en voortkomt dat er nieuwe stakingen uitbreken.
In december 1981 kan de Poolse bourgeoisie eindelijk de repressie loslaten op de arbeiders. Solidarnosc deed zijn uiterste best om de arbeiders politiek te ontwapenen en bereidde daarmee hun nederlaag voor. Terwijl tijdens de zomer van 1980, dankzij de zelforganisatie en de uitbreiding van de strijd, en omdat er geen vakbonden waren die de arbeiders konden inkaderen, geen enkele arbeider klappen kreeg of gedood werd, worden er in december 1981 meer dan 1200 arbeiders vermoord, verdwenen er tienduizenden in de gevangenis of moesten in ballingschap gaan. Deze militaire repressie werd bovendien georganiseerd in een intense samenwerking tussen de heersende klassen van oost en west.
Na de stakingen van 1980 bood de westerse bourgeoisie Solidarnosc allerhande vormen van steun aan om hem te versterken tegen de arbeiders. Een campagne als die van de ‘medicamentenpakketten voor Polen’ werd georganiseerd en een goedkoop krediet werd vrijgemaakt in het kader van het IMF om te voorkomen dat de arbeiders in het westen het Poolse voorbeeld zouden volgen en zelf hun strijd in handen zouden nemen. Voorafgaand aan de repressie van 13 december 1981 werden de plannen direct gecoördineerd door de regeringsleiders. Op 13 december, precies de dag van de repressie, ontmoetten de sociaal‑democratische bondskanselier Helmut Schmidt en de leider van Oost‑Duitsland, de stalinist bij uitstek Erich Honecker, elkaar in de omgeving van Berlijn en deden of ze “niets wisten van de gebeurtenissen.” In werkelijkheid gaven ze niet slechts hun goedkeuring voor de repressie maar de Poolse bourgeoisie kon ook profiteren van de ervaring van haar westerse collega’s in het te lijf gaan van de arbeidersklasse.
Een jaar na de stakingen, in december 1981 liet Solidarnosc zien hoe groot de nederlaag was die ze de arbeiders had toegebracht. Na de stakingen van 1980, zelfs voordat de winter was begonnen, had Solidarnosc al bewezen welk een steunpilaar het was geworden voor de staat. En als sindsdien de voormalige leider van Solidarnosc, Lech Walesa, gekozen werd tot president van Polen, dan was het juist omdat hij in zijn functie van vakbondsleider al had laten zien dat hij een buitengewone verdediger was van de Poolse staatsbelangen.
Zelfs als er sindsdien vijfentwintig jaren zijn voorbijgegaan, en veel van de arbeiders die toen aan de stakingsbeweging deelnamen werkloos zijn geworden en in de emigratie in zijn gedreven, dan blijft hun ervaring van onschatbare waarde voor heel de arbeidersklasse. Zoals de IKS al in 1980 schreef: “Op al deze punten vertegenwoordigt de strijd in Polen een geweldige stap vooruit voor de strijd van het proletariaat op wereldschaal; daarom is deze strijd de belangrijkste sinds een halve eeuw” (Resolutie over de klassenstrijd, Vierde Congres van de IKS, 1980, Internationale Revue, nr. 26). Dit vormde het hoogtepunt van een internationale strijdgolf, waarvan we de lessen tijdens ons Dertiende Congres in 1999 nogmaals benadrukten in ons rapport over de klassenstrijd: “Historische gebeurtenissen van een dergelijk niveau hebben gevolgen op de lange termijn. De massastaking in Polen leverde het bewijs dat de klassenstrijd de enige kracht vormt die de bourgeoisie ertoe kan nopen haar imperialistische rivaliteiten aan de kant te zetten. Ze liet vooral zien hoe het Russische Blok, dat door zijn zwakte historisch veroordeeld was om in iedere oorlog de rol van ‘agressor’ te spelen, niet in staat was om zijn groeiende economische crisis het hoofd te bieden met een politiek van militaire expansie. Het was overduidelijk dat de arbeiders in de Oostbloklanden (en in Rusland zelf) niet zonder meer konden dienen als kanonnenvoer in zo een komende oorlog ter meerdere eer en glorie van het ‘socialisme’. Zo werd de massastaking in Polen een machtige factor van de toekomstige ineenstorting van het Russische imperialistische blok [...]” (Internationale Revue, nr. 99, 1999)
IKS
(1) Tijdens de winter van 1970‑1971 gingen de arbeiders van de Baltische scheepswerven in staking tegen de prijsverhogingen voor de eerste levensbehoeften. Het stalinistische regime reageerde aanvankelijk met een gruwelijke repressie van de manifestaties waarbij enkele honderden doden vielen, vooral in Gdansk. Maar daarmee waren de stakingen niet ten einde. Uiteindelijk werd de partijleider, Gumulka, afgezet en vervangen door een ‘sympathieker’ personage, Gierek. Deze moest acht uur lang discussiëren met de arbeiders van de scheepswerven van Szczecin om ze ervan te overtuigen het werk te hervatten. Natuurlijk zou hij nooit de beloften nakomen die hij hen toen deed. In 1976 veroorzaakten nieuwe grove economische aanvallen stakingen in meerdere steden, vooral in Radom en Ursus. De repressie kostte enkele tientallen doden.
(2) Het ging eigenlijk niet zozeer om een vakbond als wel om een kleine groep arbeiders die, in contact met het KOR (comité voor de verdediging van arbeiders) dat na de repressie van 1976 was samengesteld uit intellectuelen van de democratische oppositie en die ijverde voor de legalisering van een onafhankelijke vakbond.
“700 vluchten geannuleerd, 70.000 passagiers gegijzeld door een handvol onverantwoordelijken midden in de vakantieperiode!” Dat was de boodschap die de pers en alle Britse media er voortdurend inhameren naar aanleiding van de staking die van 11 tot 14 augustus de Londense luchthaven Heathrow heeft lamgelegd. De kracht en de irritatie waarmee de bourgeoisie de stakers veroordeelde toont de historische draagwijdte van deze arbeidersstrijd. Luttele weken na de aanslagen van 7 juli in Londen, terwijl de bourgeoisie probeerde de nationale consensus nieuw leven in te blazen door middel van haar anti-terroristische campagne, ging een duizendtal luchthavenarbeiders spontaan in staking uit solidariteit met 670 arbeiders van het Amerikaanse cateringbedrijf Gate Gourmet, een onderaannemer van British Airways, toen hen ontslag werd aangezegd.
Dit ontslag was het resultaat van een cynisch en provocerend beleid van het bedrijf, dat erop gericht is om de huidige werknemers, merendeels van Indiaas-Pakistaanse afkomst, te vervangen door nog goedkopere arbeidskrachten uit Oost-Europa. Deze solidariteitsstaking illustreert op schitterende wijze de heropleving van de strijdbaarheid van de arbeidersklasse. Dat is des te belangwekkender in een land waarin de terugtocht van het proletariaat vergezeld ging van een diepe demoralisatie na de grote nederlagen die het in 1979 en 1984 leed, vooral in de mijnwerkersstaking. De strijd bevestigt vooral het ware karakter van het proletariaat, doordat de belangrijkste waarden van de mensheid in het centrum van de arbeidersstrijd staan, zoals solidariteit en zin voor menselijke waardigheid in zijn afwijzing van het onaanvaardbare en tegenover heel de laster van de bourgeoisie.
Het hervatten van de klassenstrijd wordt op internationale schaal bekrachtigd en heeft dezelfde kenmerken als in Heathrow. Na de arbeidersstrijd bij Mercedes (Daimler-Chrysler) verleden jaar in Duitsland zijn het in juli duizenden arbeiders van het Honda-filiaal in India geweest die op zo’n twintig kilometer van de hoofdstad New Delhi hun solidariteit betuigden met dertig ontslagen kameraden. Ze overschreden daarbij het wettelijke stakingsrecht en moesten het opnemen tegen de zeer gewelddadige repressie door de oproerpolitie. In Argentinië is zojuist een strijdgolf uitgebroken (waarop we later terugkomen), die dezelfde tendensen tot ontwikkeling van arbeiderssolidariteit tot uitdrukking bracht. Van 8 tot 11 augustus gaven 130.000 mijnwerkers gehoor aan een stakingsoproep in de goudmijnen van Zuid-Afrika. Hoewel zij onder de vakbondscontrole van de NUM bleef was het de grootste stakingsbeweging in dit land sinds 1987. Al deze gebeurtenissen onthullen het potentieel van de internationale ontwikkeling van arbeidersgevechten, die een aanmoedigend voorbeeld stellen voor de toekomst van de klassenstrijd.
De media – de openbare stem van de staat en van de heersende klasse – hebben hun woede tegen de stakers van Heathrow geventileerd. Hoe durven de arbeiders daar klassensolidariteit boven de winsten van de onderneming te stellen? Weten zij niet dat zaken als arbeiderssolidariteit en klassenstrijd achterhaald zijn? Dat is toch in de jaren 1970 uit de mode geraakt, of niet? Volgens een stafmedewerker van een de rivalen van British Airways, geciteerd in de Sunday Times van 13 augustus, is “in vele opzichten (...) de luchtvaart de laatste niet-hervormde industrietak (...) Zij is zoals de havens, de mijnen of de automobielindustrie in de jaren 1970 waren.” Waarom leren deze achterlijke arbeiders niet dat het principe van de maatschappij vandaag “ieder voor zich” is en niet “arbeiders aller landen verenigt u”?
Vreemd toch hoe deze “nieuwe” filosofie van de vrijheid van ieder afzonderlijk individu de bazen niet hindert om van de loonslaven absolute gehoorzaamheid te eisen. Het klopt, sommige media zijn een klein beetje kritisch op de openlijke “shoot-to-kill” methoden van Gate Gourmet. Toen de cateringarbeiders een bijeenkomst hielden om te discussiëren over hoe te antwoorden op een truc van het management die het op hun banen gemunt had, werd de bijeenkomst ingesloten door veiligheidsagenten en werden 600 arbeiders – zelfs degenen die met ziekteverlof of met vakantie waren – op staande voet ontslagen vanwege het voeren van een niet-erkende actie, sommigen per megafoon. Dit is tamelijk aanmatigend, maar niettemin een uitdrukking van een houding van het management die steeds wijder verbreid raakt. Arbeiders bij Tesco worden geconfronteerd met de afschaffing van betaald verlof in de eerste drie ziektedagen, andere bedrijven kijken met belangstelling naar deze nieuwe “hervorming”. Arbeiders in warenhuizen worden elektronisch gevolgd om te zeker te stellen dat geen seconde van “de baas zijn tijd” wordt verspild. Het huidige politieke klimaat, waarin we worden verondersteld om iedere politietreiterij te accepteren uit naam van het “anti-terrorisme”, zal de arrogantie van de bazen alleen maar vergroten.
Deze aanvallen zijn niet slechts het merkteken van bijzonder inhalige bazen die “Amerikaanse” methoden toepassen. De toenemende brutaliteit van de aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeiders is de enige wijze waarop de kapitalistenklasse kan antwoorden op de economische wereldcrisis. De lonen moeten laag gehouden worden, de productiviteit hoog, pensioenen drastisch verlaagd, uitkeringen verminderd, omdat ieder bedrijf en ieder land in een wanhopige strijd verwikkeld is om hun rivalen op een overladen markt de loef af te steken.
Tegenover deze aanvallen is de arbeiderssolidariteit onze enige verdediging. De bagage-afhandelaars en andere medewerkers op Heathrow die het werk neerlegden toen ze van de massaontslagen hoorden, hebben laten zien dat ze dit perfect begrijpen. Ze zijn zelf het doelwit geweest van dezelfde soort aanvallen en ze zijn in soortgelijke gevechten verwikkeld geweest. De onmiddellijke effectiviteit van hun staking onthulde meteen de macht van de arbeiders wanneer zij een verenigde en vastberaden actie ondernemen. Het is de enige basis waarop de bazen gedwongen kunnen worden om de ontslagen arbeiders terug in dienst te nemen, en het zal de luchthavenbazen doen aarzelen om in de nabije toekomst soortgelijke aanvallen te lanceren. Afgezonderd per categorie zijn de arbeiders een gemakkelijke prooi voor de heersende klasse. Vanaf het moment dat de strijd zich naar andere arbeiders uitbreidt, verandert dit beeld.
Maar er kleeft een nog veel belangrijkere betekenis aan de arbeiderssolidariteit.
In een maatschappij die om ons heen uit elkaar valt, waarin het “ieder voor zich” de vorm aanneemt van terrorisme, racistische aanvallen, gangsterdom en willekeurig geweld van allerlei slag, vormt de solidariteit van de arbeiders dwars door alle verdelingen naar werksoort, religie, sekse of natie het enige tegengif tegen dit systeem, het enige uitgangspunt voor het scheppen van een andere maatschappij, gebaseerd op menselijke behoeften en niet op de jacht naar winst. Tegenover een systeem dat wegzinkt in veralgemeende oorlog en zelfvernietiging, is het geen overdrijving om te beweren dat de klassensolidariteit de enige werkelijke hoop is voor het overleven van de menselijke soort.
Dat dit tegelijk geen ijdele hoop is, wordt duidelijk wanneer we over de grenzen van Groot-Brittannië heen kijken. In de laatste twee jaar zien we een groeiende heropleving van arbeidersgevechten na jaren van wanorde. In de belangrijkste ervan, de gevechten van de Franse arbeiders tegen de aanvallen op de pensioenen in 2003, het gevecht van de Duitse automobielarbeiders tegen ontslagen, is het element van de solidariteit fundamenteel geweest. Deze bewegingen bevestigen dat de internationale arbeidersklasse niet is verdwenen en niet is verslagen.
Vanzelfsprekend hebben de media geprobeerd om de betekenis van de solidariteitsacties op Heathrow te verbergen. Ze begonnen te spreken over de familiebanden tussen de cateringarbeiders en de bagage-afhandelaars en andere luchthavenmedewerkers. Die bestaan, maar terwijl de meerderheid van de cateringarbeiders een Indiase achtergrond hebben, is de meerderheid van de bagage-afhandelaars “blank”. Kortom, dit was authentieke klassensolidariteit die alle etnische verdelingen oversteeg.
De nieuwsuitzendingen probeerden ook de mogelijke sympathie van andere arbeiders met de luchthavenwerkers te ondermijnen door het lijden van de passagiers wier vluchten door de staking werden onderbroken in de schijnwerpers te zetten. Wanneer je het grootste gedeelte van het jaar hebt lopen zweten van het werk is het zeker geen pretje om vervolgens je vakantieplannen in duigen te zien vallen. Hun acties aan andere arbeiders uitleggen en aan de bevolking in het algemeen is een taak die alle arbeiders op zich moeten nemen wanneer ze in strijd treden. Maar zij moeten ook de hypocriete mediachantage weerstaan die er altijd op uit is om hen als de schurken in het stuk neer te zetten.
Wanneer de heersende klasse niet wil dat wij de klassensolidariteit herkennen die we voor onze ogen zien, bestaat er ook nog een andere waarheid die zij tracht te verduisteren: dat arbeiderssolidariteit en vakbondsstrijd niet langer hetzelfde zijn.
De methoden die in deze strijd worden gebruikt zijn, waren een directe uitdaging aan het vakbondsdraaiboek:
- De arbeiders van Gate Gourmet besloten om een algemene vergadering in hun kantine te houden om over het laatste manoeuvre van het management te discussiëren. Dit was een niet-officiële bijeenkomst onder werktijd. Het idee zelf van algemene vergaderingen waarop je discussieert en besluiten neemt, gaat tegen alle officiële vakbondspraktijken in;
- Het overige luchthavenpersoneel heeft de officiële richtlijnen eveneens genegeerd door te staken zonder vakbondsstemming; zij hebben de draaiboeken verder getrotseerd door “secundaire” actie te ondernemen.
Dit soort acties zijn gevaarlijk voor de heersende klasse omdat zij de arbeiders aan de vakbondscontrole dreigen te doen ontsnappen, die de “officiële”, door de staat erkende, organen zijn geworden om de klassenstrijd onder controle te houden. In de afgelopen periode is er een gestage toename van dit soort “wilde” acties geweest: het vorige grote conflict op Heathrow (1), talrijke stakingen bij de post, en tegelijk met het nieuwste gevecht op Heathrow waren er onofficiële stakingen bij de buschauffeurs van Edinburgh en bij de Ford gieterij in Leamington Spa.
In het geval van Heathrow slaagde de TGWU (2) erin greep op de situatie te krijgen. Officieel moest zij de onofficiële werkonderbreking afwijzen en de arbeiders aansporen om het werk te hervatten. Maar met de hulp van “revolutionaire” groepen zoals de SWP (3) is de vakbond erin geslaagd om de strijd voor te stellen als een strijd voor de verdediging van de vakbond, om de represailles tegen militante arbeiders – die zeker deel uitmaakten van de strategie van Gate Gourmet – te identificeren met een aanval op de vakbond. Dit maakt het gemakkelijker voor de kaderleden, die merendeels werkelijk denken dat zij in het belang van collega’s handelen, om de strijd binnen het vakbondskader te houden.
Wat hier onderhuids broeit is niet een strijd voor “de verdediging van de vakbonden” maar steeds massalere bewegingen waarin de arbeiders het hoofd zullen bieden aan de vakbondsmachinerie als het eerste obstakel op hun weg. Om in en door de strijd de breedst mogelijke klassensolidariteit op te bouwen, staan de arbeiders voor de noodzaak om hun eigen algemene vergaderingen open te stellen voor alle arbeiders, en om stakingscomités te kiezen die alleen aan deze vergadering verantwoording schuldig zijn. Militante arbeiders die dit perspectief begrijpen, zouden niet geïsoleerd moeten blijven, maar moeten beginnen om samen te komen, om dit te bediscussiëren in voorbereiding op toekomstige gevechten.
World Revolution / 15.08.2005
(1) Zie ook de volgende artikelen in het Nederlands:
- “Een keerpunt in de internationale klassenstrijd” in Wereldrevolutie, nr. 101, januari t/m april 2004, en Internationalisme, nr. 302;
- “Groot-Brittannië: Als antwoord op de toename van de kapitalistische aanvallen herneemt de arbeidersklasse de strijd” in Wereldrevolutie, nr. 102, mei t/m augustus 2004 en Internationalisme, nr. 306-307.
(2) Transport General Workers’ Union, de Britse vervoersbond
(3) Socialist Workers Party, trotskisten van de richting van Tony Cliff
Een economisch ‘Marshallplan’ voor Wallonië onder de naam Onze krachten bundelen werd met veel luister op 30 augustus door de Waalse gewestregering afgekondigd. Nooit werd meer ruchtbaarheid gegeven, tot ver over de taalgrens heen, aan een gewestelijk relanceplan. De reacties van werkgevers, vakbonden, politici van meerderheid en oppositie aan Vlaamse en Waalse zijde waren dan ook overal positief tot enthousiast.
Het is nochtans niet de eerste keer dat Wallonië met een ambitieus herstelplan op de proppen kwam, zoals sommige commentatoren er schuchter aan toevoegen. Maar minister van Waalse economie Marcourt (PS) onderstreept dat er “nog nooit zoveel geld is uitgetrokken om de Waalse economie te stimuleren”. En meer nog dan de cijfers worden de principes en de oriëntatie van het plan toegejuicht: onder het credo “Er moet eerst welvaart gecreëerd worden vooraleer ze verdeeld kan worden” wordt iedereen opgeroepen zich met het wel en vooral met het wee van het zieltogend kapitalisme te verzoenen; de oproep tot “verantwoordelijkheidszin en mentaliteitsverandering” zijn de gesels die de arbeidersklasse in het gareel moeten houden om de concurrentiewedloop te winnen en met schuldgevoel opzadelen mocht dit mislukken.
Bovendien is het Marshallplan niet enkel maar bluf of een reclamestunt voor de politieke formatie, het opent nieuwe wegen voor… aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse.
De druk van de economische wereldcrisis brengt een toenemende verslechtering van de concurrentiepositie van België met zich mee. De groeicijfers zijn marginaal en liggen onder het Europees gemiddelde. De werkloosheidsgraad bereikte in juli officieel 13,4% (Vlaanderen 9,36%, Wallonië 18,8%, Brussel 21,2%). Nog nooit gingen zo veel bedrijven failliet; een tweede recordjaar op rij valt te verwachten. De Belg leent bovendien meer dan ooit en zit forser in de schulden. Zo hebben de Belgische particulieren met zijn allen 128,5 miljard euro schulden bij de banken of 12.500 euro per Belg.
Niet te verwonderen dus dat er verlies van vertrouwen alom is. De conjunctuurbarometer staat duidelijk in het rood. En voor het eerst sinds 1997 is ook de vertrouwensindex (VRIND) gedaald. Zo geloven amper 7% van de Vlamingen nog dat het wettelijk pensioen zal volstaan.
Die situatie vereist steeds gelijklopender, globale en massale soberheidsmaatregelen. Het Marshall-plan maakt geheel en al deel uit van deze behoeften van het Belgische kapitaal, ondanks de schijnbare bezwaren van een Di Rupo. Maar zoals Vice premier Dewael zegt: “Je moet niet kijken naar wat de PS verklaart, maar naar wat ze doet.”
Officieel heet het dat men een miljard euro wil uitgeven in vier jaar bovenop het gewone budget om de zieltogende Waalse economie uit het slop te halen, wat overeenstemt met jaarlijks een verhoging met 5% van het budget, rond vijf prioriteiten. Deze ambitieuze maatregelen wil men bekostigen door ‘uitzonderlijke middelen’ in de Waalse begroting. Via de verkoop van participaties vooral in de staalindustrie, besparingen en herschikking van de kredieten en van minder prioritaire beleidsmaatregelen.
PS voorzitter Di Rupo wijst erop dat het “Marshallplan geen zoekactie is naar federaal of Waals geld. Hij wil vakbonden, werkgevers, universiteiten en culturele spelers ‘mobiliseren’ om een nu-of-nooit-plan voor Wallonië op te stellen”.
In mensentaal vertaalt: 'hele sectoren van de economie worden opgegeven en nog-meer-dan-vroeger gaan we het geld uit de zakken van de arbeiders halen!'
1. Dit plan wordt bedrieglijk voorgesteld als een “nu-of-nooit” Marshallplan met “nooit-geziene” te investeren sommen die het idee moeten voeden dat de Waalse economie zich kan ‘herstellen’. In tegenstelling tot de na-oorlogse situatie van het Marshall-plan voor de wederopbouw, zijn de globale omstandigheden nu totaal verschillend en momenteel bevindt het wereldkapitalisme zich in een langdurende tendens tot economische inkrimping, de begrotingstekorten zijn omvangrijk en de omstandigheden bieden geen klimaat voor renderende investeringen. De wereldeconomie zit als geheel in een overproductiecrisis.
Cijfers zijn trouwens relatief: de bourgeoisie bluft met haar niet meer dan één miljard euro op 4 jaar, ter vergelijking: de stad Antwerpen krijgt dit jaar al 400.000 euro extra alleen om probleemsituaties op te vangen in het onderwijs, en de vorige Waalse regering besteedt één miljard euro enkel aan huisvesting. De overheid propt bovendien al jaren tevergeefs miljarden in de Waalse economie. Maar nu zou het anders zijn? Dit ‘herstel’-plan, net zoals alle andere, beoogt slechts om door besparingen op de kap van de arbeiders de bedrijven, in een aantal sectoren, terug competitiever te maken. De toenemende brutaliteit van de aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeiders is de enige manier waarop de kapitalistenklasse kan antwoorden op de economische wereldcrisis. De lonen moeten laag gehouden worden, de productiviteit hoog, pensioenen drastisch verlaagd, uitkeringen verminderd, omdat ieder bedrijf en ieder land, iedere regio in dit geval, in een wanhopige strijd verwikkeld is om de rivalen op een overladen markt de loef af te steken.
2. Het plan spreekt over “uitzonderlijke financieringsmiddelen” en verdoezeld aldus dat dit geld rechtstreeks en/of onrechtstreeks uit de zakken van de werkende en werkloze bevolking zal komen. Vooreerst geven passages en uitlatingen als: “0% de croissance et mobilité général pour les fonctionnaires” en “als het Di Rupo menens is met zijn relance, dan moet hij de overheid ontmantelen” (Marc Devos, docent arbeidsrecht Universiteit Gent en VUB) en het voornemen om de 70 structuren over de zes basins te rationaliseren, duidelijk te kennen dat de besparingen waar ze het over heeft niets anders betekenen dan de afbraak van de openbare diensten. Vervolgens zullen de opgezette vormingsprogrammas de druk op de werklozen verhogen en sancties voorzien om op die manier uitkeringen te beknotten en zullen de banen die eventueel gaan gecreëerd worden nogmaals een slechter en precairder statuut in het leven roepen. Tenslotte zullen met “het herschikken van kredieten en minder prioritaire maatregelen” de werknemers in minder ‘prioritaire’ sectoren er de dupe van zijn en zullen de staalarbeiders van Arcelor de 180 miljoen euro die de aandeelhouders ophoesten voor het plan in de korste keren mogen terugverdienen.
3. “Solidariteit is altijd ons sterke punt geweest, nu is het tijd voor verantwoordelijkheid...” stelt Waals minister-president J.C. Van Cauwenberghe. “Wallonië heeft ook een mentaliteitsverandering nodig... Het imago van veel stakingen moet verdwijnen..” wordt er door verschillende woordvoerders aan toegevoegd. Ook hier liegt de bourgeoisie! In realiteit wilt ze de arbeidersklasse mobiliseren in een eenheidsfront met de bourgeoisie, haar dwingen om de klassensolidariteit te verruilen voor die met haar uitbuiters en voor sociale vrede.
“De boodschap is overgekomen, gefeliciteerd met de marketing.” Onder deze bewoording feliciteerde oppositiekopstuk Kubla (MR) op TV deux zondag 4/9 in de uitzending Mise au Point de Waalse regering voor haar geslaagde opzet. Niet alleen de boodschap immers maar vooral de termen waarin en de manier waarop ze gelanceerd wordt zijn kenschetsend voor de opzet van de makers ervan. Dit plan geeft de rest van de Belgische bourgeoisie de pap in de mond om het najaarsoffensief op de arbeidersklasse in te zetten. Met de begroting 2006 (waar voor de eerste keer opnieuw overwogen wordt een begrotingstekort te aanvaarden), de besparingen op de werkingsuitgaven van de overheid (sociale zekerheid, gezondheidszorg), de beroepsloopbaan en het einde loopbaandebat (met onder meer de pensioenen), wordt het sociale model immers verder in vraag gesteld.
Vanaf haar aantreden heeft de regering Verhofstadt II de vijf structurele peilers goed ingeschat die tezamen onmisbaar zijn om de productiviteit van de nationale economie te herstellen: a) vermindering van de lasten voor ondernemingen; b) loonmatiging; c) vermindering van de kosten voortkomend uit werkloosheid; d) verruiming van de arbeidstijd per week en verlenging van de arbeidstijd tijdens het leven (einde loopbaan); e) alternatieve financiering van de sociale zekerheid.
Ook de Vlaamse regering buigt zich over het budget 2006 en wil een vinger in de besparingspap. ‘Een nieuwe wind zoals in het Marshallplan is goed’ wordt gezegd, ‘maar nu moeten we nog verder gaan’. Zo wil Vlaams minister Fientje Moerman ontslag gemakkelijker en goedkoper maken. Voor alle duidelijkheid en met het nodige cynisme voegt ze er aan toe: “Ik ben niet voor sociale afbraak. Wel voor meer werkgelegenheid.” (De Standaard, 2/9).
Het pleidooi voor meer bevoegdheid voor de regio’s, ook inzake loonvorming en werkgelegenheid moet de gewestregeringen de kans geven om de arbeidersklasse nog verder te verdelen en per opbod tegen elkaar uit te spelen.
Als de bourgeoisie de werkelijkehid van de recessie al eens onder ogen ziet, dan is het om die onmiddellijk te bagatelliseren en de komst van de volgende heropleving aan te kondigen. Allerlei redenen worden opgegeven om de concreet de ongerustheid van de arbeidersklasse te verminderen. Met haar Marshallplan erkent de bourgeoisie de ernst van de situatie en probeert ze de ongerustheid van de arbeidersklasse te sussen en haar met een kluitje in het riet te sturen.
Ontgoocheling en ongerustheid moeten echter omgezet worden in open strijd en niet gesust. Tegenover deze aanvallen is de onderlinge arbeiderssolidariteit onze enige verdediging. De krachten bundelen, niet laten verdelen in publiek-privé, per regio of taalgemeenschap, werkenden en niet werkenden, ouderen en jongeren, allochtonen en autochtonen. De arbeiders kunnen verzet aantekenen door zich bewust te worden van hun eigen kracht, door uit het isolement te breken dat hen door de vakbonden wordt opgelegd en door de solidariteit te zoeken van hun klassenbroeders die dezelfde aanvallen ondergaan.
Tegenover de gezondmakingsplannen van de bourgeoisie bestaat de enig mogelijk ‘gezondmaking’ van de ‘economische’ organisatie van de maatschappij uit de vernietiging van het kapitalisme, de instelling van de maatschappij waar het doel van de productie niet langer de winst is, de rentabiliteit van het kapitaal, maar gewoon de bevrediging van de menselijke behoeften.
LAC / 09.09.2005
Als eerste staaltje van cynisme en leugens:
In het plan staat dat “De Waalse regering het aantal acties vergroot en de initiatieven stimuleert voor het creëren van welvaart en tewerkstelling.”
Dat is wel goed nieuws voor de arbeiders van Sonaca want…
“De Waalse vliegtuigconstructeur Sonaca buigt zich vandaag over een reorganisatieplan. Daarbij zouden 300 van de 1.890 werknemers hun baan verliezen. Sonaca is een van de bedrijven die het economisch herstel van Wallonië moeten trekken. Naast het schrappen van banen staan er ook een loonsverlaging en een verlenging van de werktijd in het plan. Het doel is om de verwachte daling van het omzetcijfer tegen te gaan.
De hoofdaandeelhouder van Sonaca is het Waalse Gewest met 98 procent van het kapitaal. In het ambitieus economisch herstelplan van Wallonië wordt de sector van de vliegtuigbouw beschouwd als een van de steunpilaren. De vakbonden wijzen er in het krantenartikel (in La libre Belgique) op dat Sonaca met de reorganisatie twee doelen voor ogen heeft: middelen vrijmaken om de internationale uitbreiding van het bedrijf te financieren, en de onderneming aantrekkelijk maken voor een financiële partner.”(De Standaard,5.09.2005)(sic!)
Ver van een Spaans-Marokkaanse bijzonderheid is de repressie van de emigranten te Ceuta en Melilla de nieuwste episode van een lange lijst van verschrikkingen die het kapitalisme dit armste deel van de bevolking doet ondergaan. Duizenden emigranten verdrinken jaarlijks in de Straat van Gibraltar. Evenveel, zo al niet meer, worden met geweld onderdrukt en in doorgangskampen geparkeerd, omdat ze met ellendige bootjes Europa hebben willen bereiken via Sicilië, de Canarische Eilanden en, recentelijk, Cyprus en Malta. De kampioenen van de ‘mensenrechten’, Frankrijk en Groot-Brittannië, blijven niet stilstaan zoals blijkt uit de gezamenlijke sluiting van het centrum in Sangatte in Pas-de-Calais, die honderden vluchtelingen volslagen berooid achterlaat, en uit de belofte van Sarkozy om 24.000 vluchtelingen zonder papieren per chartervlucht voor het einde van het jaar 2005 terug te sturen, of uit de onderhandelingen die Frankrijk voert met Libië om er doorgangskampen te openen, zoals in Marokko, Algerije of Oekraïne en Moldova. Tegenover een economische crisis die alsmaar groter wordt, waarin het aantal migranten in dertig jaar is gestegen van 75 naar 200 miljoen personen, is het kapitalisme ten einde raad, en het lot dat het voor de mensheid in petto heeft, ligt opgesloten in wat het deze massa van immigranten laat ondergaan. Want de ellende van de immigranten condenseert die van het proletariaat als een klasse die niets anders bezit dan zijn arbeidskracht. In de onmenselijke condities die vandaag de emigranten wordt opgelegd, verschijnt deze arbeidskracht duidelijk voor wat ze is: een eenvoudige waar, die de burgerlijke slavenhandelaars altijd voor de laagste prijs hebben gekocht om hun kapitaal te laten gedijen, en wanneer er teveel werklieden op de markt zijn, betekent dit werkloosheid voor een groot deel van de arbeidersklasse, de uittocht, repressie en de dood voor de armsten onder ons.
Vanaf eind september hebben we gedurende twee weken een opeenvolging van hallucinante scènes aan de Zuidgrens van de Europese Unie gezien. Eerst waren het de massale overvallen op de versperringen die door de Spaanse regering waren aangebracht. Het lukte duizenden emigranten deze hindernis te overwinnen met kleerscheuren en bloedvergieten. Daarna kwamen de kogelregens die vijf emigranten hebben neergemaaid. Alle verdraaiingen door de officiële woordvoerders ten spijt zijn deze naar alle waarschijnlijkheid afgevuurd door de krachten van de ‘zeer democratische’ en ‘zeer vredelievende’ regering van de heer Zapatero, die zich graag voordoet als een Bambi, een ongevaarlijk hertje. Vervolgens kwam de inzet van het Legioen en de Guardia Civil met de opdracht om de emigranten ‘op een humane wijze’ (sic) terug te drijven. Op 6 oktober, na duistere onderhandelingen tussen de Spaanse en Marokkaanse regering, namen de gebeurtenissen een wending: zes emigranten werden op Marokkaans grondgebied neergemaaid. Deze moorden zijn het begin van een hele reeks van steeds brutaler wordende acties: emigranten die op 7 oktober aan hun lot worden overgelaten in de woestijn ten zuiden van Oujda, het massaal uitkammen van de Marokkaanse steden met concentraties van emigranten; chartervluchten ter repatriëring naar Mali en Senegal waarbij mannen en vrouwen opeengepakt werden, opnieuw een massale deportatie van emigranten in autobussen van de dood naar de Sahara woestijn.
Vanaf 6 oktober neemt de regering Zapatero haar de rol weer op van ‘kampioen onder de handige jongens’. Zij ‘protesteert’ luidruchtig tegen Marokko vanwege de ‘onmenselijke’ behandeling die de emigranten ondergaan en stelt met een groots opgezet mediavertoon haar project voor van een ‘ultramoderne’ omheining (in werkelijkheid drie hekwerken achter elkaar) die ondoordringbaar is, zonder dat de emigranten ‘ook maar een haartje wordt gekrenkt’. Hun collega’s van de Europese Unie haasten zich om zich te vervoegen bij het koor van het ‘democratisch protest’ tegenover de Marokkaanse ‘excessen’. Ze ‘eisen’ een ‘respectvolle behandeling van de emigranten’ en debiteren ons hun gewoontegetrouw gekakel over de Europese Unie als ‘gastland’ en over de noodzaak tot ‘ontwikkeling’ van de Afrikaanse landen. De Spaanse minister van buitenlandse zaken, een expert in gelukzalig glimlachen, laat zijn tanden zien en kondigt heel ernstig aan dat ‘Spanje geen enkele illegale emigratie zal toelaten hoewel dat compatibel zou zijn met het respect voor de emigranten.’ (sic)
In deze crisis kunnen we de twee gezichten van de democratische staten zien. Vanaf 6 oktober toont de regering Zapatero, nadat zij haar vuile oorlog tegen de emigranten handig heeft uitbesteed aan Marokko, haar gewone masker van engelachtige voorstander van de ‘vrede’, de ‘mensenrechten’ en het ‘respect voor personen’. Dat is het gezicht van het cynisme, de leugen en het manoeuvre: de mantel van de meest afstotelijke schijnheiligheid waarmee de ‘grote democratieën’ zich gewoonlijk omhullen. Want de dagen er voor liet de regering Zapatero een ander gezicht zien: dat van het massaal neermaaien, dat van de Guardia Civil die zijn woede koelde op een emigrant, dat van de prikkeldraad en de overvliegende helikopters, dat van de uitzettingen naar de Afrikaanse landen… Een gezicht dat de hypocriete sluier van het gezwets over de ‘rechten’ en de ‘vrijheden’ scheurt en harde werkelijkheid onverbloemd liet doorschemeren: de ‘socialist’ Zapatero doet tegenover de emigranten hetzelfde als de zo verguisde Sharon met zijn muur in Cisjordanië en Gaza of de Oost-Duitse stalinisten Ulbricht en Honecker die de Berlijnse muur optrokken. De twee gezichten, die van de democratische schijnheiligheid en die van de bloedhond zijn in werkelijkheid niet met elkaar in tegenspraak maar vullen elkaar aan. Ze vormen een onmisbare eenheid in de methoden van het kapitalisme, een sociaal systeem dat steunt op een minderheidsklasse van uitbuiters, de bourgeoisie, wier overleving steeds meer frontaal in botsing komt met de belangen en noden van het proletariaat en van de grote meerderheid van de bevolking.
In het tragische probleem van de emigratie zien we hoe het kapitalisme, geconfronteerd met een steeds scherper wordende crisis – die de meest extreme vormen aanneemt op continenten als Afrika – niet langer in staat is om een overlevingsminimum te verzekeren voor een steeds groeiende massa van mensen die vluchten voor de hel van honger, oorlog en de meest dodelijke epidemieën. Op hun vlucht worden ze uitgekleed en beroofd door de politie en de maffia’s van de landen waar ze doorheen trekken, die daarbij kunnen rekenen op de baatzuchtige instemming van hun respectievelijke staten. En wanneer ze het verhoopte doel bereiken botsen ze op een nieuwe muur van de schande, met prikkeldraad, kogels en deportaties… Onderworpen aan een steeds dieper wordende crisis, zijn de landen van de Europese Unie steeds minder het ‘toevluchtsoord van vrede en voorspoed’ waarmee ze ons proberen te imponeren. Hun economieën kunnen slechts druppelsgewijs die onmetelijke menselijke vloedgolf opslorpen en dan nog onder vernederende uitbuitingsvoorwaarden die geleidelijk aan gaan lijken op die van de landen waar de emigranten vandaan vluchtten.
Deze toestand ontwikkelt zich in een context van groeiende imperialistische spanningen tussen de verschillende staten die ieder voor zich uitpluizen hoe ze aan de rivaal klappen kunnen uitdelen of messen kunnen slijpen om hem te chanteren. Dit maakt van de emigranten een aantrekkelijke massa om mee te manoeuvreren die misbruikt wordt door de verschillende regeringen. Marokko probeert Spanje te chanteren door aan de gespecialiseerde maffia’s allerlei faciliteiten te verschaffen voor het verhandelen van de emigranten om hun ‘sprong’ naar de andere kant uit te voeren. Maar van zijn kant probeert Spanje, als zuidelijke toegangspoort tot de Europese Unie, de hoogst mogelijke prijs te ontvangen voor zijn diensten als bloeddorstige waakhond.
Dit bloedige spel van bedriegers en afzetters gebeurt ten koste van de levens van honderdduizenden mensen die zijn veroordeeld tot een tragische Odyssee. De machtigste staten stellen zich aan de wereld voor als de meest ‘menselijke en solidaire’, eenvoudigweg omdat zij er achter de coulissen in slagen om hun zwakkere collega’s voor het vuile werk te laten opdraaien. Marokko komt er uit als ‘de schurk van de film’ (de traditie van de meest wilde brutaliteit van zijn politiekorps en militairen maken het mogelijk om die rol perfect te spelen) terwijl Spanje en de ‘partners’ van de EU, zijn opdrachtgevers zonder scrupules (1), het lef hebben om het de les te lezen in ‘democratie’ en ‘mensenrechten’. Maar de groeiende tegenstellingen van het kapitalisme, de verdieping van zijn historische crisis, het proces van ontbinding dat het langzaam aanvreet, de verscherping van de klassenstrijd, laat deze grootmachten, volleerde acteurs in de rol van de ‘goede’ in het democratisch theater, steeds directer als bloedhonden zien. Drie maanden geleden zagen we hoe de Britse politie, de meest democratische ter wereld’, in koelen bloede een jonge Braziliaan heeft vermoord(2). In september zagen we hoe het leger en de Noord-Amerikaanse politie klappen uitdeelde in plaats van voedsel en hulp voor de slachtoffers van de orkaan Katrina. Vandaag zien we hoe de regering Zapatero emigranten liquideert, troepen opstelt en een muur van de schande opricht. Een kapitalisme met een menselijk gezicht is onmogelijk. De belangen van de mensheid zijn onverzoenlijk met de noden van dit systeem. Opdat de mensheid kan leven, moet het kapitalisme sterven. De kapitalistische staat in alle landen vernietigen, de grenzen afschaffen en de uitbuiting van de ene mens door de andere, dat is de richting die het proletariaat moet geven aan zijn strijd opdat de mensheid eenvoudigweg kan beginnen te leven.
I.K.S. / 11.10. 2005.
(1) Onlangs hebben de autoriteiten van de Europese Unie hun Marok-kaanse spitsbroeders openlijk herinnerd aan de omvangrijke kredieten die ze hen hadden toegekend om hun rol van gendarme te spelen, iets wat ze tot nog toe hadden vermeden.
(2) Zie op onze web site het artikel: ‘Executie bij Stockwell, Londen: De democratische politiekogels van vandaag bereiden de doodseskaders van morgen voor’
Negentig jaar geleden, in september 1915, werd in Zimmerwald de eerste internationale socialistische conferentie gehouden, amper een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Wanneer we deze gebeurtenis in herinnering brengen, is dat niet alleen om de aandacht te vestigen op een bladzijde uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging, maar vooral om de centrale, nog steeds geldige, betekenis van die conferentie levend te houden in het geheugen van de arbeiders: de strijd van het proletariaat is onwankelbaar en wezenlijk verbonden met een strijd tegen zijn uitbuiting en tegen de oorlog, voor de omverwerping van het kapitalisme. In dat verband is de verantwoordelijkheid van de revolutionairen van vitaal belang: zij moeten die strijd richten op zijn revolutionair perspectief.
De vermenigvuldiging van de oorlogsconflicten, de oorlogspropaganda van de imperialistische grootmachten en hun zucht naar concurrentie en vernedering overspoelen de wereld met een steeds wredere barbaarsheid. In die zin zijn de ‘geest’ en de lessen van Zimmerwald nog steeds brandend actueel voor het proletariaat.
Zimmerwald is de eerste proletarische reactie op de slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog. De toenemende weerklank van de conferentie heeft opnieuw hoop gegeven aan de miljoenen arbeiders die ondergedompeld waren in de bloedige verschrikkingen van de oorlog. Het uitbreken van de oorlog op 4 augustus 1914 is een catastrofe zonder weerga voor de arbeidersbeweging. Parallel aan de intense nationalistische hersenspoeling door de bourgeoisie vormt het verraad van de voornaamste sociaal-democratische arbeiderspartijen het doorslaggevend element dat het proletariaat in deze onnoemelijke moordpartij zal meeslepen. Hun parlementsfracties hebben in naam van de Heilige Eenheid de oorlogskredieten goedgekeurd en zetten de arbeidersmassa’s op die manier aan elkaar te vermoorden voor de belangen van de imperialistische mogendheden, in de meest verwerpelijke chauvinistische hysterie. Vanaf het begin van de oorlog verklaren de vakbonden uit eigen beweging elke staking voor verboden. De trots van de arbeidersklasse, de Tweede Internationale, gaat op in de vlammen van de wereldoorlog, nadat haar belangrijkste partijen, de Franse Socialistische Partij en vooral de Duitse Sociaal-democratische Partij schandelijk zijn overgelopen. Hoewel ze al door reformisme en opportunisme aangetast was, had de Tweede Internationale zich, onder impuls van haar revolutionaire minderheden, de Duitse linkerzijde en de Bolsjewieken met name, al vroeg uitgesproken tegen de oorlogsvoorbereidingen en de oorlogsdreiging. In 1907, op het Congres van Stuttgart, daarna bevestigd op het Congres van Bazel in 1912, en nog herhaald tot in de laatste dagen van juli 1914, was ze opgestaan tegen de oorlogspropaganda en de militaristische plannen van de heersende klasse. Zo gingen enkele decennia van werk en inspanningen in één klap verloren. Maar, trouw gebleven en onverzettelijk in het principe van het proletarisch internationalisme blijft de revolutionaire minderheid, die jarenlang gevochten heeft tegen het opportunisme binnen de Tweede Internationale en haar partijen, zich verzetten en blijft ze de strijd leiden:
- in Duitsland met de groep ‘Die Internationale’, die in augustus 1914 feitelijk gevormd wordt rond Luxemburg en Liebknecht, en met ‘Lichtstrahlen’, de linkerzijde uit Bremen;
- in Rusland en in de emigratie met de Bolsjewieken;
- in Nederland met de Tribunistische Partij van Gorter en Pannekoek;
- in Frankrijk met een deel van het revolutionair syndicalisme rond Rosmer en Monatte;
- in Polen met de SDKPiL, enz.
Ook begint zich een andere, nog aarzelende, stroming te ontwikkelen, die twijfelt tussen een houding van oproep tot de revolutie en een pacifistisch standpunt (de Mensjewieken, de groep van Martov, de Italiaanse Socialistische Partij). Sommigen ervan zullen opnieuw aansluiting zoeken bij de sociaal-chauvinistische verraders. Het is dus in een voortschrijdende confrontatie, dat de revolutionaire beweging de strijd zal aangaan tegen de imperialistische oorlog. Zo worden de onvermijdelijke breuk binnen de socialistische partijen en de vorming van een nieuwe Internationale voorbereid.
De belangrijkste taak van het moment is dus het bevorderen van de internationale hergroepering van de revolutionairen. Meteen worden er contacten gelegd tussen de verschillende internationalisten die gebroken hebben met het sociaal-patriottisme. De strijd tegen de oorlog wordt aangewakkerd, in Duitsland in de eerste plaats, waar Liebknecht op 2 december nog de enige was die openlijk tegen de oorlogskredieten stemde. In de komende maanden volgen andere afgevaardigden zijn voorbeeld. De activiteit van de arbeidersklasse tegen de oorlog komt op gang, aan de basis van de arbeiderspartijen, maar ook in de fabrieken en op straat. De vreselijke realiteit van de oorlog met haar massagraven, de talloze verminkten aan het front, de toenemende armoede in het binnenland zal steeds meer arbeiders de ogen openen en hen doen ontwaken uit de nevels van de nationalistische roes. In Duitsland komt het in maart 1915 tot de eerste betoging tegen de oorlog van vrouwen die aan het werk gezet zijn in de wapenindustrie. In oktober vinden bloedige botsingen plaats tussen politie en betogers. In november van hetzelfde jaar betogen in Berlijn 15.000 mensen wederom tegen de oorlog. Klassenbewegingen duiken ook in andere landen op, in Oostenrijk, in Groot-Brittannië, in Frankrijk. Deze heropleving van de klassenstrijd, verbonden aan de activiteit van de revolutionairen, die in zeer gevaarlijke omstandigheden propagandamateriaal tegen de oorlog verspreiden, zal de organisatie van de Conferentie van Zimmerwald (bij Bern in Zwitserland) versnellen, waar van 5 tot 8 september 1915 37 afgevaardigden uit 12 Europese landen bijeenkomen. Deze Conferentie wordt het symbool van het ontwaken van het internationale proletariaat dat getraumatiseerd was door de schok van de oorlog. Zij wordt een beslissende etappe op weg naar de revolutie in Rusland en de oprichting van de Derde Internationale. Het Manifest dat ze doet verschijnen is de vrucht van een compromis tussen de verschillende tendensen die er vertegenwoordigd zijn. De Centristen spreken zich uit voor een einde aan de oorlog in een pacifistische optiek, zonder te wijzen op de noodzaak van revolutie. Zij keren zich heftig tegen de Linkerzijde, vertegenwoordigd door de groep ‘Die Internationale’, de ISD en de Bolsjewieken, die van het verband tussen oorlog en revolutie de centrale kwestie maakt. Lenin bekritiseert zeer sterk die pacifistische toon, en de afwezigheid van middelen om de oorlog te bestrijden die uit het Manifest spreekt: "Het ordewoord vrede heeft op zich helemaal niets revolutionairs. Het wordt pas revolutionair wanneer het zich verbindt met onze argumentatie voor een revolutionaire tactiek, wanneer het samengaat met een oproep tot revolutie, met een revolutionair protest tegen de regering van het land waarvan men burger is, tegen de imperialisten van het vaderland waartoe men behoort." (1) Met andere woorden: het enige ordewoord voor het imperialistische tijdperk is: "omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog". Zonder haar kritieken weg te steken beschouwt de Linkerzijde het Manifest, ondanks zijn zwakke kanten "als een stap voorwaarts naar de werkelijke strijd tegen het opportunisme, naar de breuk en de splitsing" (1). Het Manifest van Zimmerwald zal een enorme weerklank krijgen in de arbeidersklasse en onder de soldaten. Met de voortzetting van een sterke heropleving van de internationale klassenstrijd, en de onverzoenlijke strijd van de Linkerzijde om een splitsing te bewerkstelligen in de rangen van de centristen, zal de tweede Internationale Conferentie in maart 1916 in Kienthal zich duidelijker links oriënteren en een duidelijke breuk doorzetten met de pacifistische fraseologie.
De aanzienlijke uitbreiding van de klassenstrijd in het jaar 1917 in Duitsland, in Italië en vooral het uitbreken van de revolutie in Rusland, eerste stap naar de wereldrevolutie, betekenen het einde van de Zimmerwaldbeweging die al haar potentieel opgebruikt had. Van nu af aan is het enige perspectief de oprichting van een nieuwe Internationale, die, rekening houdend met de trage rijping van het revolutionair bewustzijn, de vorming van consequente Kommunistische partijen en het wachten op het uitbreken van een revolutie in Duitsland, anderhalf jaar later zou volgen, in 1919.
Ondanks haar zwakheden heeft de Beweging van Zimmerwald dus een doorslaggevende betekenis in de geschiedenis van de revolutionaire beweging gehad: symbool van het proletarisch internationalisme, banier van het proletariaat in zijn strijd tegen de oorlog en voor de revolutie. Ze vormde een werkelijke brug tussen de Tweede en de Derde Internationale.
Eén van de grote lessen van Zimmerwald die nog steeds geldig zijn voor ons tijdperk van onvoorstelbare toespitsing van imperialistische spanningen en conflicten, is het opnieuw bevestigen van het belang van de kwestie van de oorlog voor het proletariaat. Samen met de strijd tegen de uitbuiting maakt de strijd tegen de oorlog, tegen het oorlogszuchtig gestook van de bourgeoisie, integraal bestanddeel uit van de klassenstrijd. De geschiedenis van de arbeidersbeweging toont aan dat de arbeidersklasse oorlog altijd als een ramp beschouwd heeft waar zij systematisch het voornaamste slachtoffer van wordt. Oorlog is geen afwijkend fenomeen binnen het kapitalisme, zeker niet in zijn periode van verval. Hij maakt deel uit van het functioneren ervan en is een permanent aspect geworden van zijn bestaanswijze. De reformistische illusie van een kapitalisme zonder oorlog is dodelijk voor het proletariaat. Verstrengeld in hun tegenstellingen, in een economische crisis die geen uitweg heeft omdat de betaalkrachtige markten op wereldvlak verzadigd zijn, kunnen de verschillende nationale fracties van de bourgeoisie niet anders dan elkaar verscheuren om hun deel van de koek te behouden, om het deel van andere fracties te overmeesteren of strategische posities te veroveren die nodig zijn om hun heerschappij te behouden. In die zin is het idee dat we kunnen vechten voor een verbetering van onze levensvoorwaarden of voor vrede op zich, zonder te raken aan de grondvesten van de macht van het kapitaal een misleiding, een onmogelijkheid. Zonder het perspectief van massale politieke, revolutionaire strijd van de arbeidersklasse is er gewoon geen echte strijd tegen de kapitalistische oorlog. Het pacifisme is een reactionaire ideologie die gebruikt wordt om de ontevredenheid met de oorlog en de revolte van het proletariaat ertegen te kanaliseren om ze machteloos te maken. Evenzo betekent het voor de proletariërs, wanneer zij in de valstrik van de verdediging van de burgerlijke democratie trappen door de handen ineen te slaan met hun uitbuiters, door zich aan te sluiten bij oorlogszuchtige campagnes van de heersende klasse, dat ze zich aan handen en voeten gebonden uitleveren aan steeds meer barbarij: aan de oorlogsdynamiek van het kapitalisme in ontbinding dat, van de ene ‘lokale’ oorlog naar de andere, tenslotte het voortbestaan zelf van de mensheid bedreigt. De strijd van de arbeidersklasse voor haar eigen belangen, met het oog op de omverwerping van deze maatschappij voor het kommunisme is de enig mogelijke strijd tegen de oorlog.
SB
(1) Lenin, Tegen de stroom, eerste deel.
Via een wrede uitbuiting van de arbeidersklasse verwezenlijkte de Belgische bourgeoisie een indrukwekkende economische en imperialistische expansie op het einde van de 19e en bij het begin van de 20e eeuw. Dat maakte van België één van de meest ontwikkelde en machtige kapitalistische landen.
In Internationalisme nr. 319 en nr. 321, hebben we aangetoond dat de Belgische staat een contrarevolutionaire en kunstmatige schepping was, die door de grootmachten van die tijd in het leven werd geroepen, als een benepen en niet-progressief kader, ongunstig voor de industrialisering en het invoeren van moderne sociale verhoudingen. Via een wrede uitbuiting van de arbeidersklasse verwezenlijkte de Belgische bourgeoisie nochtans een indrukwekkende economische en imperialistische expansie op het einde van de 19e en bij het begin van de 20e eeuw. Dat maakte van België één van de meest ontwikkelde en machtige kapitalistische landen. Niettemin kon de Belgische bourgeoisie niet profiteren van de bloeiperiode van het kapitalisme voor het wegwerken van de economische, politieke en taalkundige tegenstellingen die voortvloeiden uit de kunstmatige schepping van haar staat. Dit onvermogen gaat zich steeds openlijker laten aanvoelen wanneer het wereldkapitalisme, met de Eerste Wereldoorlog, langzaam maar zeker afglijdt in een permanente toestand van crisis en oorlog.
De intrede in de vervalperiode van het kapitalisme legtonvermijdelijk het inherente gebrek aan samenhang van de ‘Belgische staat’ bloot en gaat de tegenstellingen in de schoot van de bourgeoisie nog verscherpen. Dat komt op opzienbarende wijze tot uiting in het verloop zelf van de Eerste Wereldoorlog waarbij een fractie van de bourgeoisie en van de Vlaamse kleinburgerij heult met het Duitse imperialisme, door het feit dat zij vindt dat elk perspectief van het verdedigen van haar belangen geblokkeerd wordt in de schoot van de Belgische staat door de heersende Franstalige bourgeoisie.
In de periode tussen de twee wereldoorlogen glijdt het zwaartepunt van de Belgische economie steeds meer naar de Vlaamse regio: de stagnatie van de Waalse industriële productie zet in terwijl Vlaanderen profiteert van de strategische positie van de haven van Antwerpen en van de nieuwe mijnen in Limburg, uitgebaat op grote schaal en volgens een geavanceerde technologie, en een werkelijke economische ontwikkeling kent. Zelfs de crisis van 1930 brengt de opmars van het industrialiseringsproces in Vlaanderen weinig uit zijn evenwicht, terwijl in Wallonië de industriële tewerkstelling stagneert wegens de belangrijke rationalisering van de staalsector van 1930-1939. Op het politiek vlak echter blijft de blokkade op het niveau van de staat totaal, wat binnen de bourgeoisie en de Vlaamse kleinburgerij in de jaren 1930 een opstoot veroorzaakt van een contesterende, zelfs separatistische stroming. Dit komt tot uiting in de steile opkomst van het ‘autonomistische’ VNV (Vlaamse Nationaal Verbond) en van het Groot-Nederlandse ‘Verdinaso’.
Na de Tweede Wereldoorlog, in de na-oorlogse ontwik-kelingsperiode, wordt de neergang van de Waalse industrie nog versterkt, terwijl de ontwikkeling van Vlaanderen nog toeneemt, begunstigd door een massale toevloed van buitenlands kapitaal in de petroleumsector, de petrochemie (60% vestigt zich in Antwerpen), de automobiel en de elektronica. Op politiek vlak ontbrandt de strijd om de invloed in het traditioneel politiek apparaat tussen de oude Franstalige bourgeoisie en de nieuwe Vlaamse bourgeoisie dat zijn economische macht vertaald wil zien in een overeenkomstig gewicht in het staatsapparaat.
Het opduiken van een nieuwe crisis van het kapitalisme op het einde van de jaren 1960 en begin van de jaren 1970 versterkt deze tegenstellingen nog meer: de traditionele politieke formaties van de bourgeoisie (Christen-democraten, Socialisten, Liberalen) vallen allemaal uiteen in Vlaamse en Franstalige partijen terwijl er op het politiek schaakbord een opbloei komt van ‘regionalistische’ partijen, zoals de ‘Volksunie’ in Vlaanderen, het ‘Rassemblement Wallon’ in Wallonië of het ‘Front des Francophones’ in Brussel. De bourgeoisie gaat dan de weg op van een eindeloze ‘federalisering’ van de staat om te proberen een broos evenwicht tussen de regionale fracties te vinden.
De uitdeining van de ontbinding en van het ‘ieder-voor-zich’ in de wereld op het einde van de 20e eeuw maakt dat het zoeken naar en het opleggen van deze evenwichten steeds meer illusoir en onzeker worden en maakt de tegenstellingen alsmaar explosiever: ‘Wallonië sterft af omdat Vlaanderen alle investeringen afsnoept’ beweert de Franstalige bourgeoisie in koor. En haar Vlaamse tegenhanger repliceert daarop met: ‘We zitten in de crisis omdat men ons doet opdraaien voor de miljoenenafgrond van de onrendabele Waalse industrie’. En ook al heeft de bourgeoisie geprobeerd om de regionalistische partijen te elimineren door ze te laten opslorpen door de traditionele partijen, het kwam als een boemerang terug op haar af. Het heeft slechts een destabilisering van diezelfde traditionele partijen tot resultaat gehad en een sterke expansie van een openlijke separatistische partij, het ‘Vlaams Blok’ (nu Vlaams Belang) dat sinds de jaren 1990 in opmars blijft.
De middelpuntvliedende krachten en de communautaire spanningen zijn wel degelijk de uitdrukking van de misvorming van bij de geboorte van de Belgische bourgeoisie, die te wijten is aan de omstandigheden van de oprichting van haar staat. Toch betekent dat niet dat zij een machteloze en zwakke bourgeoisie zou zijn tegenover de arbeidersklasse. Wel integendeel. Het gaat om een economisch krachtige bourgeoisie, die door de beperktheid van haar nationaal territorium bedreven is in de internationale handelsoorlog en uitermate ervaren in de strijd tegen haar aartsvijand, de arbeidersklasse.
Sinds het begin van de 20e eeuw, heeft de Belgische bourgeoisie uitgeblonken als een bijzonder expert in het gebruik van heel het gamma van democratische misleidingen tegen de arbeiders. Maar daarenboven heeft ze breedvoerig haar meesterschap laten zien in het gebruik van haar interne spanningen tegen de arbeidersklasse. Het systematisch gebruik ervan is een constante in de anti-arbeiderspolitiek van de Belgische bourgeoisie sinds de Eerste Wereldoorlog en in het bijzonder sinds het heropduiken van de klassenstrijd op het einde van de jaren 1960 en dit op meerdere vlakken:
- De politiek van de ‘machtsoverdracht naar de regio’s’ dient vooral voor het wettigen van het doorvoeren van herstructureringen in de industrie en de administratie, zoals het nog op karikaturale wijze wordt aangetoond met het recente ‘Marshall-plan voor Wallonië’ van de Waalse regering. Sinds de jaren 1970 is de vermindering van de budgetten en het personeel, onder de mom van een ‘grotere doeltreffendheid’ een kenmerk van de ‘geregionaliseerde administraties’, zoals het Onderwijs, de Openbare Werken, het Openbaar Vervoer, het gemeentepersoneel of de werkloosheid. Wat de verlieslijdende industrieën betreft, zoals de staalnijverheid in Wallonië of de scheepswerven in Vlaanderen, die zijn gesaneerd of gesloten in naam van het regionale dynamisme dat zich niet kan laten hinderen door ‘bedrijven in moeilijkheden’.
- De communautaire en regionale spanningen worden bovendien handig opgezet en gedramatiseerd om de aanvallen tegen de arbeidersklasse te verdoezelen. Een perfect symbool daarvan is het feit dat de heropkomst van de arbeiderstijd in 1968 in België gepaard ging met een scherpe communautaire crisis (de splitsing van de Leuvense Universiteit) en dat werd een constante bij de soberheidspolitiek van de bourgeoisie. Gedurende de ganse jaren negentig, haalde het federaliseringsproces de krantenkoppen terwijl er op het zelfde moment uiterst harde soberheidsmaatregelen genomen werden om drastisch te snoeien in het verlieslatende staatsbudget. De verbale dreigingen met separatisme die beantwoord werden door oproepen tot eendracht werden aangedikt om de aandacht van de bevolking te polariseren, en natuurlijk vooral de arbeiders, om hen af te leiden van wat er werkelijk op het spel stond.
- Er wordt een constante mediacampagne ontwikkeld om de arbeiders te mobiliseren achter de belangen van ‘hun’ taalgemeenschap en alles wordt ingezet om een concurrentie tussen de regio’s aan te wakkeren. In 1918-19 al werd de revolutionaire golf tegen de afschuw van de oorlogsslachtingen bij de Vlaamse arbeiders overstemd door geklets over ‘de Vlaamse soldaten die het slachtveld ingestuurd werden door Franstalige officieren wier orders ze niet eens snapten’. En vandaag hameren de burgerlijke media er de godganse dag in dat ‘Vlaanderen niet langer wil betalen voor het verlieslatende Waalse staal’, dat “Wallonië niets te maken heeft met de Vlaamse scheepswerven zonder toekomst’, dat ‘Het Onderwijs degelijker zou zijn in Vlaanderen’, dat ‘de werklozen minder gesanctioneerd worden in Wallonië’, enz. België is -zoals wij gezien hebben- niet het resultaat van een lang historisch, economisch en sociaal rijpingsproces, zoals bijvoorbeeld Frankrijk of Duitsland. Het zal bijgevolg niet dezelfde nationalistische misleidingen kunnen ontwikkelen van een ‘onafhankelijke en solidaire, sterke en eendrachtige natie’. Maar de Belgische bourgeoisie speelt haar eigen beperkingen handig uit om de bewustwording van het proletariaat te belemmeren. De misleiding van het ‘sub-nationalisme’ van de ‘macht van de regio’s’ is dus inherent aan naties als België, net zoals die van de ‘nationale inspanning’ dat is voor meer ‘samenhangende’ naties. Ze mikken fundamenteel op het verkrijgen van hetzelfde resultaat: de arbeiders mobiliseren achter hun (nationale of regionale) bourgeoisie, de Waalse arbeiders dus opzetten tegen hun Vlaamse klassebroeders of omgekeerd en hen de onvermijdelijkheid van de crisis, de offers en de oorlog doen aanvaarden.
- Het regionalistische gif is tenslotte een wapen dat systematisch gebruikt wordt door de bourgeoisie om de arbeidersstrijd die opduikt te verdelen en te isoleren. Het gaat om een cruciale dam die al sinds de jaren 1930 weegt op de ontwikkeling van de strijd van de arbeiders: het oproer van 1932 werd voornamelijk beperkt tot Wallonië (en dan nog voornamelijk tot Charleroi en de Borinage); bij de algemene staking van 1960-61, buitten de socialisten en de Waalse syndicalisten de misleiding van het federalisme uit om de arbeidersstrijd te verdelen en af te leiden naar een doodlopend straatje; het Vlaamse nationalisme heeft een niet te verwaarlozen rol gespeeld in de wilde stakingen van de Limburgse mijnwerkers in 1966 en 1970; het regionalistische wapen werd nog gebruikt als een krachtig instrument om de strijd tegen de sluiting van de mijnen te beperken en uit elkaar te slaan, eerst in Wallonië en later in Vlaanderen, en later ook in de Waalse staalindustrie en de Vlaamse scheepswerven.
De ‘sub-nationalistische’ misleiding probeert voor de arbeidersklasse te verdoezelen dat het een veralgemeende wereldcrisis is die de Waalse industrie de das omdoet en de Vlaamse industrie aan mootjes hakt, dat het kapitalisme in zijn geheel in crisis verkeert en in vraag moet gesteld worden. En de bourgeoisie maakt daarbij handig gebruik van het verwrongen evenwicht van haar staat en haar eigen tegenstellingen om elke ontwikkeling tegen te werken van de bewustwording van de arbeiders ontrent deze werkelijkheid, om hun strijdbaarheid te ontrafelen en om te proberen hen aan ‘hun’ regionale bourgeoisie te binden ter ‘verdediging van hun regio’. Het is geen toeval dat haar agenten onder de arbeiders, de socialisten, de vurigste propagandisten zijn van de verdediging van ‘hun’ streek en dat ze oproepen tot de ‘verantwoordelijkheidszin van de arbeiders om Wallonië te redden’, samen met de andere ‘burgers’. En het zijn welzeker de meest ‘linkse’ vakbondsleiders in Wallonië die de ‘federalisering’ verdedigen, terwijl er in de vakbonden in Vlaanderen stemmen opgaan (vooral in de sectoren die al hevig getroffen zijn door de crisis: de textiel-, voeding- en meubelsector) voor een ‘positievere’ samenwerking met het Vlaamse patronaat en voor ‘het behoud van het Vlaamse geld in Vlaanderen’.
Daartegenover moeten de arbeiders het voorbeeld nemen van de massale stakingen in de Openbare Diensten in 1983 en vooral van de golf van arbeidersstrijd van april-mei 1986, wier kracht er juist in bestond dat er een duidelijke tendens was om de regionalistische opsluiting te overstijgen en te weigeren in te gaan op het doodlopende straatje van het regionalisme en de valse tegenstelling tussen Waalse en Vlaamse arbeiders. Het redden van een natie of van een regio is de doelstelling van de bourgeoisie, niet de onze. Het zijn hun structuren, hun instellingen, hun voorrechten die ze proberen te redden. Vandaag is de crisis algemeen en wereldomvattend en ze leidt de bourgeoisie in recht lijn naar de helse cyclus van oorlogen, van vernietiging en van chaos, als wij niet onze oplossing opdringen: de internationale macht van de arbeidersklasse om een maatschappij op te bouwen die eindelijk ten dienste van de mens zal staan. En dat kunnen we enkel eendrachtig bereiken, door de regionale en nationale barrières te doorbreken.
Jos / 25.10.2005
In het eerste deel van dit artikel, verschenen in het vorig nummer van Internationalisme hebben we de ontwikkeling van de economische crisis van het kapitalisme laten zien sinds het einde van de jaren 1960, na de wederopbouwperiode van na de Tweede Wereldoorlog. In dit tweede gedeelte zullen we proberen aan te tonen dat de kapitalistische wereld nu wegzinkt in een nieuwe wereldwijde recessie, die de bourgeoisie steeds zwaarder op de arbeidersklasse moet laten doorwegen.
Geconfronteerd met die nieuwe aftakeling van de kapitalistische economie heeft de bourgeoisie ons begin jaren 2000 wijs willen maken dat er een nieuwe fase van economische expansie begon, met name in de Verenigde Staten, maar ook in China en India. Wat die landen in Azië betreft ging het om schammteloze leugenpropaganda van de bourgeoisie, we komen daar in een komend artikel nog uitvoerig op terug.
Wat betreft de Verenigde Staten, de eerste economische macht van de wereld, is het niet moeilijk aan te tonen dat de burgerlijke leugens terzake niets om het lijf hebben. Zonder een federaal begrotingstekort, waarvan de omvang en de groei de bourgeoisie zelf angst aanjaagt, zou de Amerikaanse economie zonder de minste twijfel in recessie zijn.
Maar welke andere factoren spelen er mee bij die fameuze Amerikaanse ‘heropleving’?
De eerste oorzaak is de massale steun die de Amerikaanse regering ontwikkelde voor de consumptie door de huishoudens. Die politiek is het gevolg van een spectaculaire daling van de belastingen van de betere en de middenklassen ten koste van een versnelde aftakeling van de federale begroting.
Op de tweede plaats is er de daling van de rentevoeten van 6,5% begin 2001 naar 1% begin 2004, waardoor de schuldenlast van de huishoudens werd opgedreven.
En tenslotte wordt er steeds meer beroep gedaan op spaargeld, dat daardoor wegsmelt als sneeuw voor de zon: van 12% in 1980 naar een magere 2% begin jaren 2000.
De spectaculaire daling van de rentevoeten en het massaal gebruiken van spaargeld vertalen zich in de Verenigde Staten dus in een massale schuldenlast van de huishoudens.
De Amerikaanse staat heeft zo op volledig kunstmatige wijze de onroerend goedmarkt en de automarkt ondersteund. De Amerikaanse bourgeoisie heeft de huishoudens, soms met gratis leningen ertoe gedreven hun eigen huis te kopen, waardoor er meer leningen dan ooit werden afgesloten. Sinds 1977 zijn de Amerikaanse hypothecaire leningen met 94% gestegen tot een totaal van 7,4 miljard dollar. Sinds 1977 zijn de bankkredieten bestemd om onroerend goed te verwerven toegenomen met 200%. Sinds 1988 is de prijs van onroerend goed meer dan verdubbeld. Gemiddeld vertegenwoordigt de hypothecaire schuld van een familie van vier personen een gemiddelde som van zo’n 120.000 dollar. De doorgedreven stijging van de roerend goedprijzen heeft ook voor koortsachtige speculatie in die sector geleid. Zolang de interestvoeten laag blijven, dicht bij nul, kan de schuldenlast van de huishoudens nog draaglijk zijn. Maar met de stijging van de interestvoeten die op gang komt en de toename van de schuld die eruit voortkomt wacht een grote meerderheid van Amerikaanse huishoudens kort en goed de ruïnering.
En tenslotte voeren de Verenigde Staten met dat beleid van uiterst lage interestvoeten een schaamteloze politiek van devaluatie van de dollar om de eigen concurrentiekracht te vergroten, waardoor ze de ergste gevolgen van de verslechtering van de economische crisis op de rest van de wereld kunnen afwentelen. Geconfronteerd met de ernst van die crisis stort elke bourgeoisie zich in een genadeloze handelsoorlog.
Het proletariaat in Europa heeft bittere ervaringen opgedaan met van de massale ontwikkeling van ontslagen en de ontmanteling van de ‘welvaartsstaat’ (terugbetaling van dokters- en medicijnkosten, uitverkoop van de pensioenen,…). Maar wat nog meer opvalt is dat deze heropleving, ondanks de grote middelen die zijn ingezet, van zeer korte duur waren. De nieuwe recessie en de terugkeer van de inflatie laten de bourgeoisie geen enkel respijt. De recessie kondigt zich aan en de inflatie doet haar herintrede. De financiële groep TD Bank wil iedereen graag geruststellen, maar kondigt niettemin een vertraging aan van de wereldwijde groei: “Het reëel Bruto Intern Product zal wereldwijd waarschijnlijk afnemen van 4,8% in 2004 naar 4,2% in 205 en 3,9% in 2006… In feite zal de Amerikaanse groei vertragen van 4,4% in 2004 naar 3,8% in 2005, en dan 3,2% in 2006, terwijl men in China voorziet dat de groeivoet er zal schommelen rond 8%-8,5%, tegenover meer dan 9% in 2004.” Toch lijken die voorspellingen door de burgerlijke deskundigen de werkelijkheid nog te onderschatten, wat niet belet dat ze al donkere dagen voorzien voor de kapitalistische economie, die openlijk de ideologische campagnes van de bourgeoisie tegenspreken.
Op 22 februari jl. doken nieuwe belangrijke problemen op de financiële markten op, die andermaal wezen op de rampzalige omstandigheden waarin het internationaal financieel systeem zich bevindt. Op 24 februari stelde het hoofdartikel van de New York Times vast dat “De koersdaling van de dollar dinsdag geen ineenstorting veroorzaakte. Maar ze heeft er zonder twijfel een voorproefje van gegeven […] De episode van dinsdag vindt haar oorsprong in structurele Amerikaanse onevenwichten…” De Washington Post schreef in de loop van dezelfde maand: “De klok brengt ons steeds sneller bij de catastrofe. Een afgeleefde financiële bovenbouw wordt door elkaar geschud door een nieuwe energiecrisis, door de agitatie rond de dollar en de ongecontroleerde Amerikaanse financiën.” Een tijdje geleden werd 1,32 dollar nog geruild tegen 1 euro. Een daling van de dollar leek onafwendbaar. Maar de crisis die de Europese economische ruimte momenteel treft heeft dat tijdelijk verstoord. Op 3 juni haalde de euro zijn laagste peil sinds acht maanden, samenvallend met een bruuske opgang van de dollar.
De bourgeoisie heeft af te rekenen met steeds ernstiger monetaire turbulenties, die haar elke visie op middenlange termijn ontnemen. Daar moeten we nog aan toe voegen dat de dollar de laatste jaren vooral door Japan, Saoedi-Arabië en China werd ondersteund. We weten dat de Saoedi’s sinds twee jaar hun investeringen uit de Verenigde Staten verhuizen naar andere delen van de wereld. Vandaag toont China dat het op dat vlak ook een punt bereikt heeft dat onhoudbaar is geworden voor zijn economie. De woordvoerder van het ministerie van buitenlandse zaken Aing Gang verklaarde in april in Peking dat “als een land niet in staat is die tekorten met binnenlands spaargeld te ondersteunen, het niet kan steunen op het spaargeld van een ander land”. Anders gezegd: op zijn beurt is China niet meer in staat het enorme Amerikaan tekort te financieren. De Aziatische, Japanse en Chinese centrale banken zijn overspoeld met krediet-dollars, met banken aan de rand van het failliet die ze niet meer kunnen opslorpen. De grootste obliga-tiehouders van de Amerikaanse staat zijn de centrale banken van Azië en de regio van de Stille Oceaan. Zij beschikken samen, met die van Japan en China, over Amerikaanse staatsobligaties ter waarde van meer dan een miljard dollar. China zet een groot gedeelte van zijn productie af op de Amerikaanse binnenlandse markt. Het wordt dan in dollars betaald, die het voor een deel gebruikt om obligaties van de Amerikaanse schatkist te kopen, en zo het kolossaal Amerikaans begrotingstekort te financieren. Die politiek maakt het Peking op zijn beurt mogelijk om elke dag nieuwe fabrieken voor exportgoederen te openen, voor uitvoer naar de markt van de Verenigde Staten en met Amerikaanse goedkeuring. Ondertussen wordt de Chinese economie gesubsidieerd door het begrotingstekort en het staatsschulden. Dat blijft maar aangroeien en komt net als in de Verenigde Staten in een zone van hoge turbulentie. In 1987 bedroeg het nog iets meer dan 100 miljard yuan, momenteel is dat bijna 500 miljard. Een tekort dat voornamelijk door het Chinese banksysteem wordt gefinancierd en dat daardoor verzuipt in dubieze schuldbekentenissen. De toenemende instabiliteit van de dollar brengt het internationaal financieel systeem vandaag in een verhoogde risicozone.
Voor de meeste landen heeft het bezit van dollars allen zin omdat het gaat om de voornaamste munt van de wereldhandel. Precies die functie van de dollar wordt in gevaar gebracht door de mogelijke ineenstorting ervan. Ondanks de huidige stijging van de dollar in vergelijking met de verzwakking van de euro, kan de ongelooflijke schuldenlast van de Amerikaanse economie in de huidige periode de dollar alleen naar een nieuwe daling drijven. Dit gevaar stelt vele landen voor de noodzaak om hun tegoeden in andere, sterkere deviezen om te zetten. Er is het oplaaien van de grondstofprijzen, die op 8 maart volgens de index van het CRB (Commodity Research Bureau), die de 17 belangrijkste grondstoffen omvat, het hoogste peil sinds 24 jaar bereikten. Er is dus niet allen de aardolie die duurder wordt, al kost een vat dat zes jaar geleden 10 dollar kostte nu meer dan 55 dollar. De speculatie, die altijd aanwezig is, ook bij het vormen van een onroerend goedballon die op het punt staat uiteen te knallen, en de rampzalige toestand van het internationaal monetair systeem hebben de goudprijs naar een nieuw historisch record gedreven van 440 dollar per ounce. Twee dagen later verklaarde de voormalige premier van Australië, Paul Keating: “We moeten ons voorbereiden op een rampzalige krach van de dollar en op het uitbarsten van paniek.”
Ondanks een neerwaartse druk op de prijzen door een politiek van terugdringen van de lonen, doet deze algemene schuldenlast overal samen met de recessie ook het spook van de inflatie weer opduiken. De uitermate sterke druk om de loonmassa te verlagen, die een tendens tot prijsdaling meebrengt, is niet meer in staat de inflationistische tendensen op langere termijn tegen te houden. Alle geïndustrialiseerde landen van Europa, Azië en ook van Amerika zelf ondergaan opnieuw inflationistische tendensen. De vermindering van de monetaire massa die daaruit onherroepelijk voortvloeit, zal op haar beurt een bijkomende actieve factor zijn in de recessie die zich vandaag aftekent. De bourgeoisie wordt aldus zelf gedwongen maatregelen te nemen die de economie zullen vertragen, terwijl de recessie al opnieuw aanwezig is. Met een schuld die gelijk was aan 58% van het BIP en een groei die voor 60% toe te schrijven is aan militaire uitgaven, geeft de Amerikaanse recessie die komt opzetten de toon aan voor het geheel van de wereldeconomie. De verzwakking van de economische samenhang in de Europese Ruimte, met name op monetair vlak, zal zich in die internationale context vertalen in een nog sterkere intrede in de recessie. De turbulentie die het internationaal financieel systeem zal doormaken zal zonder twijfel ook nog moeilijk te meten gevolgen hebben voor de aftakeling van de kapitalistische economie.
De zeer korte economische heropleving begin jaren 2000 heeft geleid tot een massale versnelling van de werkloosheid en van de verarming van de arbeidersklasse. We kunnen ons dus al inbeelden wat de omvang zal zijn van de aanval die het kapitalisme nu zal proberen uitvoeren op het proletariaat. Eén van de symbolen van de fameuze heropleving die pas ineengestort is was waarschijnlijk het virtueel failliet van twee van de grootste autoconstructeurs van de wereld: General Motors en Ford. Gesteld voor een dergelijke aftakeling van de kapitalistische economie en een dergelijke ontwikkeling van de uitbuiting van de arbeiders mag het proletariaat zich minder dan ooit vergissen wie de vijand is. Die vijand is niet het liberalisme of de vrije concurrentie, het is evenmin het privé-patronaat, of wat men de globalisering noemt. De vijand is het kapitalisme dat nu failliet is, de burgerlijke klasse en haar staat. Dat zijn de enige ware vijanden van de arbeidersklasse en van de gehele mensheid. Nu al kunnen we stellen dat de nieuwe recessie veel dieper zal zijn dan alle voorgaande sinds het einde van de wederopbouwperiode. Maar het proletariaat moet zich niet laten ontmoedigen door dit vooruitzicht. Als de economische crisis versnelt en met haar ook de aanvallen tegen de arbeidersklasse zullen toenemen, dan ontwikkelen die zich op een moment waarop het proletariaat dankzij een groeiend zelfvertrouwen weer de weg opgaat van de strijd en van de ontwikkeling van zijn solidariteit en klassenbewustzijn. Dat is een situatie die veel mogelijkheden biedt voor de klassenstrijd.
Tino
Ondanks de algemene ontevredenheid onder de arbeiders, ondanks een massale aanwezigheid op de betoging van het gemeenschappelijk vakbondsfront op 28 oktober in Brussel, zet de regering onverwijld haar plannen door. Zeker, een ‘ultiem overleg’ over ‘punten en komma’s’ kan nog wel om ‘iets eerbaars’ (dixit de secretaris van ABVV-metaal Jorissen) aan de bonden toe te staan waarmee deze hun achterban kunnen wijsmaken dat ze ‘het uiterste uit de kan gehaald hebben’ om alzo de strijdbaarheid definitief te ondergraven. Want, SPa voorzitter Vande Lanotte stelt het overduidelijk : het generatiepact is een ‘links programma’ (sic) dat niet vatbaar is voor heronderhandeling.
Voor ‘links’ zijn dus de toename van de jaren arbeid, het verminderen van het pensioen en van de werkloosheidsuitkeringen, de afschaffing van het prepensioen een ‘links programma dat de arbeiders ten goede komt’! Zo blijkt eens te meer hoezeer socialisten en vakbonden meesterstukken zijn in de strategie van de bourgeoisie om de arbeiders te misleiden, hun strijd te ontkrachten en ze te doen opdraaien voor de doodscrisis van haar systeem. Onze tussenkomst op de betoging van 28.10 legde precies de klemtoon op de betekenis van de maatregelen en op de hypocriete rol van socialisten en bonden, deze zogenaamde ‘arbeidersvrienden’ die in werkelijkheid alles doen om de strijd van de arbeiders tegen de aanvallen te nekken. Onze analyse blijkt duidelijk uit het pamflet hieronder dat de IKS in het Nederlands en het Frans verspreidde.
De inzet blijft dus niet beperkt tot het vraagstuk van de brugpensioenen. De regeringsmaatregelen vormen een aanval op de hele arbeidersklasse: ouderen net als jongeren, werkenden net als werklozen, de arbeiders van alle regio’s en gemeenschappen. Tegenover de aanvallen bestaat er geen andere keuze dan strijd te leveren om de arbeids- en levensomstandigheden te verdedigen.
De sociale werkelijkheid laat duidelijk zien dat het proletariaat bestaat en geen andere keuze heeft dan zijn strijd overal ter wereld tot ontwikkeling te brengen. Dat bleek ook al toen de arbeiders van de openbare diensten in Frankrijk en in Oostenrijk in 2003 met aanvallen van dezelfde orde werden geconfronteerd, uit de manifestaties in Duitsland en ook uit de 300.000 manifestanten tegen de plannen van de regering Balkenende in Nederland in 2004. De arbeiders weten heel goed dat ze een krachtsverhouding in hun eigen voordeel moeten opleggen en dat de vakbondsonderhandelingen er alleen toe dienen de verraderlijke maatregelen door te drukken en nederlagen te versterken. Het is alleen in de strijd dat de arbeidersklasse de bourgeoisie kan terugdrijven.
Tegenover de vakbondsverklaringen dat ‘deze of gene niet betrokken is’, tegen de verdeling in regio’s en sectoren, tegen het laten ontsporen van de strijd door de vakbonden en de capitulatie tegenover de maatregelen van de bourgeoisie, moeten de arbeiders hun onderlinge solidariteit ontwikkelen, naar eenheid zoeken, hun algemeen belang naar voren brengen tegenover de nadruk die de vakbonden voortdurend leggen op het specifiek karakter. Deze klassensolidariteit komt de laatste tijd steeds sterker tot uiting in Europa waarbij de vakbondsverdelingen worden overstegen:
– bij Daimler-Benz in 2004 in Duitsland gingen de arbeiders van de andere vestigingen in staking uit solidariteit met de arbeiders van een der vestigingen die gesloten zou worden;
– bij Heathrow in Groot-Brittannië gingen onlangs zo’n duizend arbeiders van de vlieghaven spontaan in staking uit solidariteit met de 670 arbeiders van het cateringbedrijf waarvan het ontslag was aangekondigd;
– in de Verenigde Staten trapten de arbeiders tijdens de staking van 18.500 mecaniciens van Boeing niet in de manoeuvre van de verdeling tussen ‘nieuwkomers’ en ‘anciens’, jongeren en ouderen; ze verzetten zich ook tegen een poging van de directie om tijdens de onderhandelingen de belangen van de arbeiders onderling tegen elkaar uit te spelen met het voorstel om verschillende maatregelen te nemen voor drie grote fabrieken.
De crisis drijft alle nationale bourgeoisieën ertoe dezelfde steeds brutaler en massaler maatregelen te nemen. De uniformisering van deze aanvallen op wereldschaal toont de innerlijke tegenstellingen van het systeem, het bankroet van het kapitalisme en zijn historische impasse. Zij moet bij de arbeiders wel de vraag oproepen welke werkelijke toekomstperspectieven de bourgeoisie nog voor de maatschappij te bieden heeft.
JA tegen de klassensolidariteit in de strijd tegen de aanvallen!
JA tegen de strijd voor de opbouw van een maatschappij gebaseerd op menselijke behoeften en niet op de winst!
27 oktober 2005, Internationalisme
December vorig jaar teisterde de tsunami Zuid-Azië. De vloedgolf zou 500.000 mensenlevens kosten in Indonesië (Sumatra), Thailand en India raken. De burgerlijke media konden overal hun krokodillentranen plengen en oproepen tot omvangrijke hulpacties, maar toch ging het de kapitalistische staten om iets heel anders. In dit gebied zijn de spanningen tussen de staten heel groot, vooral tussen India en Pakistan, en al de grote imperialistische machten probeerden nauwelijks verholen hun belangen zo goed mogelijk te verbergen achter hun respectievelijke niet-regeringsorganisaties. Vandaar dat gezien de volslagen ondoelmatigheid van de humanitaire hulp ter plekke zelfs journalisten werden gedwongen toe te geven: "Het concurrentieklimaat waarin de niet-regeringsorganisaties en de diensten van de Verenigde Naties werken vormt een andere verklaring. Vier recente studies komen onafhankelijk van elkaar tot vergelijkbare conclusies: het financiële manna waaruit de internationale humanitaire hulp bestaat heeft een tamelijk ongepaste stormloop op de middelen van de donateurs teweeggebracht, vaak ten koste van de door de rampen getroffen bevolking en de hulp in noodsituaties en daarmee dus van de integriteit van de organisaties... Deze worden vaak geleid door de prioriteiten van hun donateurs, die fondsen toekennen om hun nationale belangen voor te laten gaan” (Le Monde Diplomatique, 17 oktober, vet van ons). Erger nog, “de afwezigheid van coördinatie en de veelheid van initiatieven van de verschillende niet-regeringsorganisaties brachten rivaliteitsverschijnselen, langs elkaar heen werken en ontoereikende hulp met zich mee” (Libération, 20 oktober). De werkelijkheid kan niet cynischer worden weergegeven. Deze imperialistische concurrentie, waarvan de niet-regeringsorganisaties de speerpunt vormen, komt tot uiting in verspilling, zo al niet sterilisatie, van een heel deel van de povere hulp die door de staten wordt toegekend en zelfs van de hulp van particulieren die verontwaardigd waren over zoveel menselijk lijden.
Het werkelijke belang dat het kapitalisme aan het menselijk leven toekent, zijn motieven voor de politiek van de ‘humanitaire’ hulp, worden heel gruwelijk en helder duidelijk bij rampen die geografische zones treffen van weinig geostrategisch belang. Slechts enkele maanden voor de tsunami Zuidoost-Azië trof werden er in Haïti en Santo Domingo verwoestingen aangericht door vreselijke overstromingen. Hoewel er duizenden doden vielen werd er nauwelijks hulp geboden, geen bekendheid aan gegeven of een media-campagne van ‘solidariteit’ met de getroffen bevolking op gang gebracht (bij de tsunami was die niet meer dan een gigantische zwendelarij op wereldschaal). Hetzelfde moet worden vastgesteld voor wat betreft het Amazonegebied, waar al vier jaar de gruwelijkste droogte uit zijn geschiedenis heerst, en alwaar de bevolking eenvoudig aan haar trieste lot wordt overgelaten. En in de maand september trof de storm Stan volop Guatemala, maar ook El Salvador, Nicaragua en het zuidoosten van Mexico, waarbij duizenden doden en tienduizenden slachtoffers vielen. Bijvoorbeeld, op zondag 9 oktober werden daaraan enkele seconden besteed in de rubriek ‘overig nieuws’, een modderstroom in een afgelegen dorp van Guatemala. Dit korte bericht ging over een afschuwelijk bloedbad. De 1400 inwoners van dit dorp kwamen om. Mannen, vrouwen en kinderen kwamen om, verdronken, verstikt en verpletterd onder de grondverschuivingen en de stortregens. Tegenover deze nieuwe tragedie beloofde Washington heel ‘vrijgevig’ om zes helikopters te sturen en evacuaties te vergemakkelijken. Het overgrote deel van de niet-regeringsorganisaties en de belangrijkste imperialistische machten toonden geen enkele belangstelling voor dit menselijk drama; dit gebied ging lijdend ten onder in onverschilligheid en epidemieën.
Toen de cycloon Katrina, nog maar enkele weken geleden, New Orleans en het zuidoosten van de Verenigde Staten trof, was de houding van de bourgeoisie heel anders. De onverschilligheid werd afgewisseld door een mediabombardement. Op de televisie, in de kranten werden de godganse dag beelden vertoond van de arme bevolking, in de val zittend, zonder levensmiddelen, zonder dak boven het hoofd en rustig gehouden door tot de tanden bewapende Amerikaanse soldaten. Dat was niet onschuldig. Het ging de belangrijkste rivaliserende nationale bourgeoisieën er om de onmenselijkheid, de onverschilligheid en het onvermogen van de Verenigde Staten te laten zien om hun eigen bevolking te beschermen, terwijl ze in staat zijn fabelachtige militaire middelen in te zetten om de bevolking van Irak en Afghanistan te bombarderen. De anti-Amerikaanse ideologische campagne kwam op volle gang en bood imperialistische machten als Frankrijk en Duitsland de gelegenheid om te laten weten dat ze klaar stonden de tekortschietende Amerikaanse staat te hulp te snellen. Condoleeza Rice moest zelfs de woorden van de regering en van president Bush afzwakken, die onmiddellijk en heftig reageerde op die aanbiedingen: “In een interview met het netwerk ABC verklaarde Bush aanvankelijk ‘Wij stellen de hulp op prijs, maar we redden onszelf wel’. Vervolgens kwam de Amerikaanse president ter zake: ‘We hebben ze niet om hulp gevraagd’.” Het cynische gebruik van deze ramp door de belangrijkste rivaliserende machten van de Verenigde Staten baarde tijdelijk vrucht door de hele wereld te laten zien hoezeer de grootste wereldmacht zijn taken verwaarloost ten overstaande van de ontreddering van de eigen bevolking.
De ontwikkeling van de imperialistische spanningen was geen enkel respijt beschoren. In de maand oktober vond onmiddellijk een nieuwe aardbeving plaats, die het gebied van Indisch en Pakistaans Kasjmier raakte. Tien dagen na deze beving bleef het aantal slachtoffers stijgen nadat het de 50.000 al had overschreden. Net als na de tsunami haastten allerlei niet-regeringsorganisaties zich om hulp aan te bieden, en daarachter toonden alle grootmachten hun bereidwilligheid om actief aan de hulpverlening deel te nemen. Wat werd daarmee bereikt? “Ik denk niet dat veel mensen in deze kou kunnen overleven [...]. We zagen de laatste dagen gevallen van diarree, koorts, aandoeningen van de luchtwegen” (Dokter Bilal, aangehaald in Courrier International, 16 oktober).
In dit deel van Kasjmier grijpt de stank van dood en verrotting eenieder naar de keel en uit de bergen komen overlevenden toestromen op zoek naar onderdak. Meerdere weken na deze gigantische ramp is de in praktijk gebrachte hulp zo goed als onbetekenend. Deze uithoek van de wereld is van heel groot geostrategisch en imperialistisch belang, als kardinaal punt tussen Europa, Azië en Rusland. Vandaar dat het al jarenlang het toneel vormt van oorlogsrivaliteiten tussen India en Pakistan. Het contrast tussen de logistieke militaire middelen die in dit gebied worden ingezet en de extreme nood van de bevolking is absoluut aangrijpend. In feite kunnen deze militaire middelen op geen enkele manier worden ingezet voor hulp. “De dichtstbijzijnde inzetbare helikopters bevinden zich in India, maar de betrekkingen tussen de twee landen die elkaar de soevereiniteit over Kasjmier betwisten zijn gespannen.” De Pakistaanse president Pervez Musharraf zei dat “hij de inzet van Indische helikopters zou aanvaarden, op voorwaarde dat deze zonder uitrusting komen” (Libération, 22 oktober). Nog duidelijker en onmenselijker verdedigde hij zijn standpunt in de volgende bewoordingen: “er bestaan militaire verdedigingsplannen en er worden, net als aan de Indische kant, militaire middelen ingezet. Maar we willen in geen geval dat de militairen hier komen.” Als president Pervez Mousharraf zo reageert dan is het omdat hij heel goed weet dat achter deze voorstellen voor humanitaire hulp in werkelijkheid een poging schuilgaat om militair vooruitgang te boeken. Maar in de imperialistische rivaliteiten tussen India en Pakistan zijn ook de grote imperialistische machten betrokken: de Verenigde Staten, China, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië... geen enkele grootmacht kan onverschillig blijven als het over deze regio gaat. Ten bewijze daarvan “besloot de NAVO om 500 tot 1000 manschappen naar het noorden van Pakistan te sturen, maar zal daarentegen niet in staat zijn om tegemoet te komen aan de oproep van de Verenigde Naties om een luchtbrug te vormen naar honderdduizenden geïsoleerde slachtoffers, die door koude en honger worden bedreigd.” (Libération, 22 oktober). Wanneer internationale instellingen als de NAVO en de Verenigde Naties al niet in staat zijn om de minste hulp te coördineren, dan is dat eenvoudigweg omdat hun roeping niet is om humanitair op te treden. Ze vormen niet meer dan een arena voor de imperialistische confrontaties tussen diezelfde grootmachten.
De schade die door de zogenaamde natuurrampen wordt aangericht waren in de jaren 1990 drie keer omvangrijker dan in het daaraan voorafgaande decennium en vijftien keer groter dan in de jaren 1950. Als steeds meer geografische zones en bevolkingen vernietigd worden door de gevolgen van deze rampen, dan moet het voor het proletariaat duidelijk zijn dat de bourgeoisie er alleen iets om geeft als zij openlijk haar imperialistische en nationale belangen kan uitspelen. In de getroffen gebieden die niet aan hun lot worden overgelaten omdat ze een geostrategische inzet vormen, is de zogenaamd humanitaire interventie in feite een factor die de toestand ter plekke nog slechter maakt, die de wanorde, de puinhoop en de chaos nog vergroot. De vlucht vooruit van het kapitalisme in de imperialistische spanningen draagt onmiddellijk bij tot de verergering van de barbarij die uit deze rampen voortvloeit. De arbeidersklasse is de enige klasse die in staat is om het kapitalisme omver te werpen en een eind te maken aan dit zelfmoord-scenario door de kommunistische maatschappij op te richten die voor eens en voor altijd de verhoudingen van uitbuiting en van winst opheft waaruit deze verschrikkingen voortkomen.
Tino / 22.10.2005
Zoals onze lezers bekend is, organiseert de IKS regelmatig openbare- en lezersbijeenkomsten. De levendige debatten die er gevoerd worden gaan over uiteenlopende onderwerpen in verband met vragen naar aanleiding van actuele gebeurtenissen of over historische kwesties rond de strijd van de arbeidersklasse. Tijdens de lezersbijeenkomst van 11 juni te Nantes (Frankrijk) stelde één van de deelnemers een pamflet voor dat hij samen met andere jonge kritische elementen opgesteld had en dat in Rennes verspreid werd om de ideologische campagne en het referendum over de Europese grondwet aan de kaak te stellen. Deze actie past volkomen in de inspanningen van het proletariaat om zijn klassenstrijd te ontwikkelen.
We geven hier enkele citaten uit het pamflet:
“De geschiedenis van Europa is niets anders dan de geschiedenis van het kapitaal en zijn afstotelijke creaturen, de Natie-Staten. De verwezenlijking van dat Europa is nodig geworden door de wereldwijde dynamiek van het kapitalisme, een kartel van staten voor de - tot op zekere hoogte gemeenschappelijke - verdediging van hun respectievelijke imperialismen, en voor de –nog te zeer versplinterde - repressie van hun gedeelde schrikbeeld: het proletariaat en de weinige fracties daarvan die zich nog roeren, waaraan de rustige zwijgzaamheid van de democratie zou opgelegd moeten worden.
Deze bedrieglijke eenmaking onder de leiding van een handvol dominerende staten, dat gemeenschappelijk maken van de middelen om te schaden, wordt ons voorgesteld als de meest wenselijke verwezenlijking van het democratisch tijdperk, en als de altijd nog te verwachten rechtvaardiging van de ellende die we ondergaan.
Wat ons betreft, die eraan gewend zijn onder de charmante trekken van de wijze en gelukkige democratie het afschuwelijke gezicht van het kapitaal en zijn bloedige dictatuur te herkennen, wij zeggen duidelijk: “net zoals Frankrijk, die oude tandeloze heks, ons ten allen tijde vreemd is, net zo zal dat kreng Europa in ons altijd doodsvijanden vinden, die dromen van de dag dat het in de diepste krochten van de geschiedenis valt. Tegen de naties en de super-naties, rotte wiegen van het kapitaal, tegen de beschimmelde en door wormen aangevreten democratische ideologie, is ons vaderland de proletarische Internationale, de Internationale die alle paleizen, alle kapitalen van de oude wereld zal plunderen (…) Men stelt ons een referendum voor over de pompeuze Europese grondwet waar we ons gat aan afvegen. Laten we om te beginnen spuwen op die arme domkoppen en die gore smeerlappen, waarvan de eersten beslist hebben heel het walgelijke ‘democratische debat’ te respecteren dat door de anderen georkestreerd wordt” (…) We danken de zeer betrekkelijke goedaardigheid van onze goede en loyale democratische staten slechts aan de tijdelijke afwezigheid van het revolutionaire proletariaat op het slagveld van de geschiedenis (maar wees daar maar zeker van: de Oude Mol graaft altijd, en op een goeie dag zal zijn ondermijnend werk beloond worden).
In de democratie worden de genomen beslissingen alleen toegepast als de werkelijkheid dat vereist: het is de noodzakelijkheid van de beweging van de geschiedenis die de knopen doorhakt, niet de pathetische vergaderingen en de brave referenda. Zeg ‘ja’ of zeg ‘nee’: er verandert niets, behalve dat jullie weer eens zult hebben deelgenomen aan het verkiezingscircus en daarmee de democratische maskerade hebt versterkt die wij uitkotsen. Dat voor eens en altijd de bloedige nationale en supranationale leeghoofden en hun staatsmarionetten creperen! Weg met Frankrijk! Weg met Europa! Leve het proletariaat! Leve de revolutie!”
Het pamflet is getekend: “enkele communisten”
Het initiatief en de inhoud van een dergelijk pamflet werden warm begroet door de IKS en de aanwezigen. Het gaat inderdaad om een doordachte en bewuste inspanning van een minderheid van de arbeidersklasse om de burgerlijke democratie en de mediacampagne van de heersende klasse aan te klagen. Dat moeten we des te meer onderstrepen omdat de democratie inderdaad het hart is van de ideologie van de heersende klasse, één van de voornaamste pijlers van het kapitalistisch systeem. In een context van zeer grote intensiteit van de campagne van democratisch bedrog, waarmee ze zo sterk de instellingen en de ‘opbouw van Europa’ prees en daarbij wilde doen geloven dat de toekomst van elke proletariër zou afhangen van het invullen van een simpel stembiljet, was het des te moediger om zowel zijn verontwaardiging uit te drukken, als ook het resultaat van een overdenking om die staatspropaganda aan te klagen. Verschillende tussenkomsten in de bijeenkomst plaatsten de aanval die de bourgeoisie uitvoert op het bewustzijn van het proletariaat op de voorgrond, en de gevaren die de terecht aangeklaagde democratische ideologie inhoudt. De discussie heeft dus duidelijk laten zien dat de overdenking die in het pamflet ontwikkeld wordt een politieke kracht vertegenwoordigt om uit het omhulsel van democratisch en nationalistisch gif te geraken. En het is duidelijk dat deze positieve dynamiek in de zin gaat van verduidelijking, die de intiatiefnemende kameraden in staat stelt om toenadering te zoeken tot de revolutionaire standpunten van de Kommunistische Linkerzijde en om zich die opnieuw eigen te maken.
De inspanning om zo’n pamflet uit te brengen is ook tekenend voor de huidige periode. Het laat zien dat de ontwikkeling van een ondergrondse rijping binnen de arbeidersklasse een realiteit is. In verband hiermee drukt zij een ander, meer bijzonder verschijnsel uit, namelijk het opkomen van een overdenking bij de jeugd van de barbaarse realiteit van het kapitalisme en van de noodzaak om een ander perspectief te vinden dan het ‘no future’ en de uitwasemingen van de sociale ontbinding.
Het onvermijdelijke verlangen dat “alles meteen moet bewegen”, buiten elk organisatorisch en gestructureerd kader, heeft zich in het pamflet afgetekend in een reactie van revolte tegen de “arme domkoppen” die “heel het walgelijke ‘democratische debat’ (...) respecteren.” Deze kortzichtige verwerping werd op verschillende wijze bekritiseerd door sommige aanwezigen. Maar in feite kan die reactie van revolte tegen “hen die de burgerlijke propaganda voor zoete koek slikken” gerechtvaardigd lijken voor elementen die ongeduld en revolte uitdrukken tegenover het feit dat de arbeiders voor de één of andere fractie van de bourgeoisie gaan stemmen. De discussie toonde ook aan dat zo’n houding toegevingen inhoudt aan de anarchiserende ideologie, wat die kameraden kwetsbaarder maakt voor het anarchisme, dat door bourgeoisie in stand wordt gehouden en waarvan één van de klassieke ideologische bestanddelen het beschuldigen van individuen is (de ‘domkoppen’). Hier weegt ook de ideologie van individualistische visies op de klassenstrijd die ertoe leiden dat bepaalde delen van de arbeidersklasse verworpen of geminacht worden omdat ze als ‘minder duidelijk’ worden gezien. Maar dat ideologisch product wordt tezelfdertijd ook meteen bestreden, aangezien één van de opstellers tijdens de bijeenkomst verduidelijkte dat het pamflet geschreven was “om reacties uit te lokken”. In de arbeidersbeweging hebben de revolutionairen zich altijd ingespannen om de arbeidersklasse te doen reageren, maar nooit door haar te beschimpen, of door de arbeiders die door de burgerlijke ideologie misleid zijn als imbecielen te behandelen. Eén van de voornaamste taken van de revolutionairen is juist de valstrikken van de burgerlijke ideologie bloot te leggen en geduldig en onvermoeibaar aan de arbeidersklasse de gevaren uit te leggen die haar bedreigen wanneer ze geloof hecht aan de verkiezingsleugens van de heersende klasse. De houding die erin bestaat “dommeriken” die gaan stemmen met de vinger te wijzen, kan die elementen die op zoek zijn of twijfels hebben enkel maar tegen zich in het harnas jagen. Ze belemmert een echte overdenking door die elementen meteen in het kamp te gooien van “hen die zich laten beetnemen”, zonder een duidelijk en echt kritisch antwoord te geven op hun vragen.
In die zin heeft de discussie de noodzaak aangetoond van een kameraadschappelijk debat om de overdenking vooruit te helpen. Dat is ook de benaderingswijze van de kameraad geweest die naar de bijeenkomst was gekomen om een tekst van strijdbare elementen te verdedigen, en die zich daarbij op een zeer positieve wijze in de discussie heeft ingeschakeld.
De kameraad is in de discussie tussengekomen om te antwoorden, om zijn standpunt en zijn meningsverschillen uiteen te zetten: “Ons pamflet heeft niet de bedoeling te verhelderen, maar werd geschreven tegen de consensus en om reacties uit te lokken (…) Ik heb een andere visie op de organisatiekwestie en het militantisme dan de IKS. De IKS is zeker niet akkoord met onze analyse op dat vlak, dat zij als radenistisch zal beschouwen. Zonder de massa’s die de revolutie doorvoeren zijn wij geen revolutionairen. De organisatie wordt in het leven geroepen om aan een precieze taak en aan precieze behoeften te beantwoorden. Buiten de revolutionaire periode is zij van geen nut en wordt er in dat kader toe gedreven zich te bureaucratiseren. Waarvoor zouden we een organisatie nodig hebben? De meetings, pamfletten enz. kunnen zeer goed zonder haar gemaakt worden. (…) Marx en Engels waren theoretici en vertolkten de sociale beweging. Tussen 1852 en 1864 bestond er geen organisatie en toch zijn de ideeën van Marx niet ontaard. Mijn kritiek heeft betrekking op het feit dat organisaties ontaarden wanneer hun rol is uitgespeeld (…) De IKS heeft een tussenkomst in de arbeidersklasse, de IKS wil discussiëren. Goed ! Maar ik ben er niet zeker van dat men met het houden van openbare bijeenkomsten een invloed opbouwt. Er zijn niet vanzelf proletariërs die komen of die overtuigd zijn. Ik heb de indruk dat het niets oplevert te discussiëren over een tekst (Nvdr: de kameraad verwijst hier naar onze inleidende teksten op de openbare bijeenkomsten) Wij hebben geen cursus nodig! (…) Ik ontken de noodzaak van een organisatie niet, maar (die is) alleen in de revolutionaire periode (nodig).“
Volgens het standpunt dat de kameraad hier ontwikkelt, zou de organisatie zich beperken tot een aspect dat van onmiddellijk en beperkt nut is tijdens de revolutionaire periode. En vooral zou zijn een gevaar inhouden na de revolutie. We vinden hier, zoals de kameraad overigens zelf toegeeft, het oude radenistische liedje terug, dat achter een vage overweging over het ‘eventuele nut’ van de organisatie, deze a priori beschouwt als een soort bedreiging, een ‘machine die corrumpeert’, een ‘instrument’ in de handen van ‘leiders’. Per slot van rekening wordt hieruit duidelijk dat de kameraad niet overtuigd is van het nut van een organisatie, eigenlijk ook niet voor de ‘periode van revolutie’. Volgens hem is de arbeidersklasse perfect in staat zichzelf te organiseren – en op dat punt zijn we het met hem eens. Maar we raken hier de knoop van de problematiek van de kameraad die in de partij ook een permanent potentieel gevaar ziet voor de arbeidersklasse. Voor hem kan de partij niet anders dan de controle over de strijd aan het proletariaat ontfutselen en is daarom op termijn een vijand van de ontwikkeling van zijn strijd die zich slechts volledig kan identificeren met de machtsgreep binnen de staat.
De kameraad gaat in feite voorbij aan deze essentiële kwesties, wat nog bijdraagt tot zijn neiging om de partij op een verwarde wijze aan de staat gelijk te stellen, en dus om in de partij in de eerste plaats slechts een ‘gevaar’ te zien. Als in een noodlot wordt de dynamiek van ‘bureaucratisering’, in de radenistische terminologie, vanuit dat standpunt gezien, dan onvermijdelijk. Welnu, er bestaat geen enkele fataliteit en het leven van een organisatie is een permanente strijd waarvan de uitkomst niet op voorhand vaststaat. Het moet duidelijk zijn dat de partij niet tot taak heeft de macht te grijpen, zelfs niet ‘in naam van de klasse’, en dat zij altijd een orgaan van politieke oriëntering blijft, dat verre van zich met de staat te vereenzelvigen, er vreemd aan is. En dat zowel voor, tijdens, als na de revolutie, dus inclusief de periode na een opstand. Zij is en blijft een product van de arbeidersklasse en van haar historische strijd. Alleen een nederlaag van de marxistische stroming en een zege van het opportunisme, dat wil zeggen het binnendringen van de heersende ideologie in de partij, betekent een potentieel gevaar dat inderdaad dodelijk kan zijn. Maar dat neemt niet weg dat het op alle momenten van vitaal belang is voor de meest bewuste minderheden van de klasse om georganiseerd te zijn om een actieve factor in de strijd te zijn, om actief en doeltreffend deel te nemen aan de versnelling van de homogenisering van het bewustzijn in de klasse.
Wat in werkelijkheid soms moeilijk te begrijpen valt, is dat de arbeidersbeweging voortdurend organisatorische taken moet vervullen, ook wanneer de grote massa’s compleet afwezig schijnen te zijn van het toneel van de geschiedenis of wanneer ze verslagen zijn. Het is waar dat de proletarische partijen opduiken in verband met de opkomst van de strijd van de arbeidersklasse, dat ze zich vervolgens ontwikkelen en weer verdwijnen in de fasen van contrarevolutie, zoals dat formeel het geval was met de Bond van Kommunisten in 1852. Maar dat betekent nog niet dat elke georganiseerde activiteit geheel verdwijnt.
Vanuit dit oogpunt bezien was Marx van 1852 tot 1864 geen ‘geïsoleerd individu’ die zich ‘terugtrok om te studeren’, een ‘denker’ of ‘geniale filosoof’, zoals de bourgeoisie hem graag voorstelt. Hij is integendeel een echte kommunistische militant gebleven: “Marx heeft de Bond niet op autoritaire wijze ontbonden in 1850, evenmin als de Ie Internationale in 1872. Hij heeft gewoon uitgelegd dat de revolutionairen zich moeten voorbereiden op het komende uiteenvallen van die partijen, door zich te organiseren om zelfs in afwezigheid van die partijen de rode draad van de kommunistische activiteit voort te zetten.” (1) Geïsoleerde individuen kunnen a contrario geen enkel reëel actieterrein behouden en de bewuste beweging van de klasse kan nooit worden teruggebracht tot de overdenking van een aantal verspreide individuen. Gedurende die periode van terugval van de klassenstrijd hebben Marx en Engels daarentegen steeds hun wil getoond om georganiseerde banden te behouden en een revolutionaire pers uit te geven. Uit de historische ervaring van de klasse hebben Marx en Engels zo de contouren van de notie van de partij vooruitlopend kunnen preciezeren door wat we het werk van een ‘fractie’ avant la lettre zouden kunnen noemen: “het proces van rijping en bepaling van het begrip fractie vindt dus zijn oorsprong (maar niet zijn conclusie) in dat eerste netwerk van kameraden dat de ontbinding van de Bond van Kommunisten overleefd had.” (idem)
Het voorbeeld van de Italiaanse Linkerzijde in de jaren 1930, dat in de discussie werd aangehaald, vormt een duidelijke weerlegging van het idee dat organisaties nutteloos zouden zijn buiten revolutionaire bewegingen. Het werk van de Italiaanse Linkerzijde, verricht in de uiterst moeilijke omstandigheden van de triomf van het stalinisme, is een van de vruchtbaarste geweest op verschillende theoretische vlakken, met name inzake het organisatievraagstuk. Zonder deze activiteit van een fractie en dus van een organisatie, die met name door Bilan werd gevoerd, zou er vandaag geen georganiseerde uitdrukking van de Kommunistische Linkerzijde kunnen bestaan die zover is uitgebouwd als de IKS! We kunnen ook veel eenvoudiger stellen dat als we de redenering van de kameraad toepassen op de opkomende fase van het kapitalisme, waarin de revolutie nog niet mogelijk is omdat de historische voorwaarden er nog niet rijp voor zijn, waarin het proletariaat zich als klasse vormt, we er al snel toe zouden komen om de organisatorische gevechten van Marx en Engels, van Luxemburg en Lenin in de afvalbak te gooien! Zoals een deelnemer terecht opmerkte : “De organisatie is niet alleen op bepaalde historische momenten aanwezig. Er bestaat een sociale verhouding die maakt dat de organisatie er is om tegen de heersende ideologie te strijden. De organisatie is een noodzaak om opgewassen te kunnen zijn tegen de permanente druk van de burgerlijke ideologie. Het gaat om een fundamentele factor die zowel in de diepte werkt als in de breedte.”
Juist door de breedste en omvangrijkste politieke discussie en door de erkenning dat de revolutionaire organisaties zijn belangen verdedigen zal het proletariaat het best in staat zijn om zich politiek te versterken en de confrontatie met de bourgeoisie aan te gaan.
De geduldige activiteit van internationale krachtenbunde-ling gaat samen met de opbouw van de organisatie van het pro-letariaat. De zorg om continuïteit om een politieke erfenis door te geven aan een nieuwe generatie militanten is vandaag onmisbaar om de toekomstige partij en de volgende revolutionaire aanval voor te bereiden. De voorwaarden voor het verschijnen van de partij hangen samen met de klassenstrijd, maar zij is er geen mechanisch product van dat uit het niets verschijnt. Zij dankt haar bestaan vooral aan de duidelijkheid en de vastbeslotenheid, aan de strijd van de revolutionaire voorhoede. Zoals de Russische revolutie bewezen heeft, werd de bolsjewistische partij lang voor de revolutie opgebouwd. Hierdoor werd een vruchtbare tussenkomst mogelijk die de gisting voorbereid heeft in de meetings, in de stakingen en betogingen, in de arbeidersraden. Dit alles om een onvervangbare functie te vervullen, die van het katalyseren van het rijpingsproces van het proletarisch bewustzijn naar de overwinning. Vandaag, nu de impasse van het kapitalisme in crisis het proletariaat er opnieuw toe drijft zijn strijd voort te zetten en te ontwikkelen, is het de taak van de revolutionairen te werken aan de hergroepering, aan de eenheid van de revolutionaire energieën met het oog op de opbouw van de toekomstige wereldpartij. Uit dat oogpunt kunnen we het niet eens zijn met de visie van de kameraad die in onze bijeenkomsten en in het uitwerken van een politieke koers enkel een ‘cursus’ ziet die ‘niets bijdraagt’. In tegenstelling tot deze visie die van de IKS een soort ‘leraar’ maakt en van de deelnemers ‘passieve leerlingen’ die voorgekauwde ‘lessen’ moeten slikken, stellen wij dat het proletariaat niet dergelijke ‘pedagogische’ recepten volgt die vreemd zijn aan het marxisme. Wel integendeel, onze bijeenkomsten zijn, we herhalen het, een plaats van debat die een politieke confrontatie mogelijk moet maken met het oog op een verheldering voor de behoeften van de strijd. Ze maken deel uit van het noodzakelijk bewustwordingsproces om te vechten tegen de ideologische druk van de bourgeoisie, om de strijd te ontwikkelen en de toekomst voor te bereiden.
WH / 20.8.2005
(1) Zie De verhouding Fractie-Partij in de marxistische theorie in: Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 64, eerste kwartaal 1991.
Donderdag 15 december 2005 heeft het parlement het ‘solidariteitspact tussen de generaties’ en de alternatieve financiering van de sociale zekerheid aangenomen, ondanks een diep ongenoegen binnen de arbeidersklasse. Dit uitte zich in het bijzonder met de samenkomst van 100.000 arbeiders in Brussel tijdens de nationale vakbondsbetoging van 28 oktober. ‘Onaanvaardbare maatregelen’ had het ABVV nochtans getrompetterd in oktober; maar in december kondigde diezelfde organisatie zonder verpinken aan: “opschor-ting van de acties en het zoeken naar andere meer doelgerichte pressiemiddelen (sic).” Regering en patronaat kunnen tevreden zijn over de doeltreffendheid van hun vakbondsorganisaties: als ze er in geslaagd zijn om het pact door te drukken dan hebben ze dat vooral te danken aan het gekonkel van het ABVV, ACV en ACLVB.
Het laatste trimester van 2005 is de meest sociaal bewogen periode geweest in België sinds een vijftiental jaren. In minder dan drie maanden en als antwoord op een serie aanvallen van globale aard op haar levensvoorwaarden uitgaande van de liberaal-socialistische regering, heeft de arbeidersklasse heel uitgebreid haar ongerustheid en ontevredenheid gemanifesteerd met een begin van daadwerkelijke strijdbaarheid. Maar de socialisten in de regering en de vakbonden op het sociale terrein hebben magistraal samengewerkt om de acties in het honderd te laten lopen en de plannen van de bourgeoisie door te drukken. En op het onmiddellijk vlak hebben ze hun doel volkomen bereikt.
Op het politiek vlak hebben de socialisten, de meesters van de manoeuvre bij de aanvallen, zich geen moeite gespaard om in samenspraak met de vakbonden het arbeidersverzet op te sluiten binnen de grenzen van het burgerlijk democratisch spel van het ‘onderhandelen’ over een ‘solidariteitspact’ tussen de ‘burgers’ voor het welzijn van de nationale economie. Vanaf het begin van de ‘onderhandelingen’, hebben ze de arbeiders doen geloven dat de regering de pre-pensioenen en de sociale zekerheid in hun voordeel zouden hervormen. De vice-premier van de PS, L.Onckelinx, gaf zich volledig met deze retoriek: “Op het einde van de discussies hebben zowel het ACV als het ABVV het werk begroet dat ik had verzet in de regeringsonderhandeling… En alle correcties voor het verbeteren van de pensioenen… De liberalen wilden een malus pensioen, wij hebben een bonus pensioen uit de brand gesleept… Als de PS achter het ‘generatiepact’ staat, dan is het omdat het onmisbaar is. Als wij niets doen gaat het ganse sociale systeem er aan. Ik zeg het jullie, we hebben geen keuze!” (Le Soir, 24.12.2005). Inderdaad, tegenover de druk van de crisis op de economie heeft de bourgeoisie geen andere keuze dan de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse aan te pakken. En het bedrog bestaat er juist uit dat men de arbeiders doet geloven dat maatregelen die genomen worden door een regering van links minder pijn zouden doen. In werkelijkheid zitten de PS/SPA niet in de regering om de belangen van de arbeiders te verdedigen maar om de arbeiders het fabeltje op te dissen dat de aanvallen van de bourgeoisie worden doorgevoerd... voor hun eigen bestwil en in hun eigen belang. Bovendien, wanneer de ontevredenheid stijgt en het rookgordijn optrekt, aarzelen die grote verdedigers van de arbeiders niet om met de meest schofterige retoriek uit de hoek te komen om de arbeiders tegen elkaar uit te spelen. Zo probeert de voorzitter van de Vlaamse Socialisten, Vande Lanotte, de spanningen aan te wakkeren tussen de verschillende arbeidersgeneraties: “Het is aan jullie om in de bedrijven te gaan uitleggen welke keuzes wij hebben gemaakt. Wij hebben het uitvoerig gehad over de pensioenen maar op lange termijn draait het om de jongeren” (La Libre Belgique, 17.10.2005). Met andere woorden, diegenen die de maatregelen bekritiseren zijn ondankbaren en egoïsten die enkel denken aan hun eigen toekomstig pensioen en de toekomst van de jongeren daaraan opofferen.
Om het verscheurende debat omtrent de ‘arbeidersbelangen’ nog meer geloofwaardigheid te verlenen en om de acties nog beter in een democratisch en wettelijk kader op te sluiten, en ondertussen het ‘radicale’ imago van de ABVV-vakbond op te vijzelen, heeft de bourgeoisie in haar media een zogenaamde tegenstelling opgeklopt tussen de socialistische partijen en vakbonden. In het boven geciteerde interview, gaat Onckelinx ‘tekeer’ tegen het ABVV, dat er van beschuldigd wordt desinformatie te verstrekken over de ‘vooruitstrevende’ inhoud van het pact. En Vande Lanotte verklaarde aan het adres van de syndicalisten, “wie zich afkeert van links richt zich op rechts.” De socialistische vakbond vroeg op zijn beurt “aan haar nationale vertegenwoordigers om niet meer deel te nemen aan de partijbureaus van de PS en de SP.a” (BHV, 8.11.2005), en hun ‘baas’ Vandermeeren, voegde daar aan toe: “De vakbeweging en zijn aangesloten bonden weten bij de volgende verkiezingen wie hun ware vrienden zijn.” De belangrijkste valstrik voor de arbeidersklasse bestaat er uit haar te doen geloven dat het enige doel van de arbeidersacties kan bestaat uit het druk uitoefenen op de parlementaire krachten om een waardig compromis te bereiken binnen het kader van de overlegstructuren van de burgerlijke staat. Zo maakten de vakbondsmobilisaties vanaf het begin deel uit van de logica van de burgerlijke democratie en het is geheel en al binnen die logica dat de vakbonden hun acties hebben stopgezet na de stemming in het parlement, want “de vakbonden voeren geen staking tegen het democratisch verkozen parlement (sic).” (X. Verboven, socialistische vakbondsleider, De Morgen, 17.12.2005).
Op sociaal vlak hebben de vakbonden, om het zo te zeggen, niet werkloos toegezien. Zij hebben goed hun rol gespeeld die er uit bestond pogingen tot arbeidersverzet in te kapselen en te saboteren om een gevoel van onmacht op te wekken tegenover de aanvallen. Vanaf juni 2005 was de christelijke centrale de eerste om het spel op gang te brengen door een algemene staking aan te kondigen voor na de vakantie. Het ABVV hield toen zijn adem nog even in. In september, toen de inhoud van het pact werd onthuld, kondigde het ABVV een algemene staking af voor 7 oktober, terwijl het ACV in gans haar pers blokletterde: “10 goede redenen om niet te staken.” Dat was het eerste bedrijf van de vakbondsmanoeuvre, dat van de verdeling. Nochtans zag men bij de algemene staking van het ABVV een belangrijke deelname van delegaties van het ACV en zelfs van de kleine liberale centrale ACLVB aan de zijde van de stakende arbeiders. De daaropvolgende dagen raakt de ‘leiding’ van het ACV ‘in de minderheid tijdens een interne raadpleging van de afgevaardigden’ en de vakbond maakte een bocht van 180 graden. Deze overwinning van de ‘vakbondsdemocratie’ moest de arbeiders ervan overtuigen - de gauchisten en de basissyndicalisten zijn daarvan de beste propagandisten - dat de ‘vakbonden in dienst staan van wat de arbeiders willen’ en dat ze dus ‘het middel bij uitstek zijn om strijd te voeren’.
In werkelijkheid werd het tweede bedrijf van de manoeuvre opgevoerd: het algemeen vakbondsfront werd ter plekke opnieuw leven ingeblazen en de eenheid van de verdelers werd opgezet om de eerste tekenen van strijdbaarheid onder de arbeiders des te beter in de kiem te kunnen smoren. De vakbondsinstanties gingen op één lijn staan met radicale verklaringen tegen het pact en de herfinanciering van de sociale zekerheid: “Deze maatregelen zijn onaanvaardbaar”; “Raak niet aan de pré-pensioenen !”; “Het ABVV en het ACV eisen dat de regering opnieuw onderhandelt over het solidariteitspact tussen de generaties” (Syndicats, nr. 17, 21.10.2005) en ze klaagden de maatregelen aan van het solidariteitscontract in alle toonaarden aan. Dit gemeenschappelijk vakbondsfront, de eenheid van de saboteurs, heeft niets te maken met de eenheid van de klasse. Deze eenheid wordt verwezenlijkt in de actie en buiten de vakbondsinstanties om, door eigen besluitvormings- en actieorganen in het leven te roepen, zoals algemene vergaderingen, stakingscomités die onmiddellijk afzetbare afgevaardigden kiezen die enkel verantwoording verschuldigd zijn aan de zelfstandige algemene vergaderingen. Het gemeenschappelijk front daarentegen was een dam die werd opgeworpen voor het inkapselen van het ongenoegen en de woede die steeds meer toenamen en vooral ter voorbereiding van de manoeuvre die zijn hoogtepunt zou bereiken in de algemene staking en de nationale betoging van 28 oktober. Voor de bourgeoisie was het van belang dat de acties van 28 oktober in de ogen van de arbeidersklasse er uitzagen als een overwinning van het gemeenschappelijk vakbondsfront. Dat wordt immers voorgesteld als de hoogste uitdrukking van de eenheid van de arbeidersklasse om daarmee in staat te zijn om in de daaropvolgende weken de lont uit het kruitvat van de strijdbaarheid te halen.
En inderdaad, na 28 oktober veranderen de vakbonden van toon. Le Soir van 26 en 27 november 2005 schrijft: “Kunnen de vakbonden iets veranderen aan de onbuigzaamheid van het ‘pact’ tegenover een federale regering die vasthoudt aan haar standpunten? Ja. Ze kunnen niets veranderen aan de geest van het pact, noch aan het opschuiven van de pensioenleeftijd van 58 naar 60 jaar in 2008. Maar een gamma van verzachtenden maatregelen is mogelijk. De vakbondseisen zoals die op de pamfletten werden verspreid zijn gematigd.” De burgerlijke pers liet duidelijk overkomen dat de teerling was geworpen. Om de demoralisering helemaal af te ronden planden de vakbonden ‘trapsgewijze actieplannen’, aangekondigd op woensdag 23 november door de voorzitter van het ABVV die ‘het nog hard speelde’: “Wij gaan geen symbolische acties voeren. Wij gaan ons niet beperken tot perscommuniqués! Neemt dat niet al te licht op. Er zullen ernstige harde acties komen, stakingen als het moet (sic).” In werkelijkheid vormen de ‘dagen van bewustmaking en informatie’ van het gemeenschappelijk vakbondsfront de gelegenheid om in de bedrijven definitief de resten van woede te laten doodbloeden door die te richten op schijnacties, zoals wegversperringen en blokkeringen van grootwinkelbedrijven die de strijdmethodes van de arbeidersklasse ongeloofwaardig maken. Het doel was gelegen in het opwekken van ontmoediging en onmacht, maar ook het aanwakkeren van verdeeldheid tussen de arbeiders, tussen stakers en niet-stakers, al te meer omdat de ‘redenen tot strijd’ die door de vakbonden naar voren werden gebracht - het een of andere bijkomstige punt van het ‘pact’ bijstellen - niet veel mensen meer motiveerden.
Links en de vakbonden zijn er in geslaagd om het verzet van de arbeiders te saboteren, de maatregelen zijn er door geramd, en dus op het onmiddellijk vlak lijkt de beweging voor de arbeiders op een nederlaag te zijn uitgelopen. In breder perspectief geplaatst vertoont de balans echter een heel wat genuanceerder beeld.
Eerst en vooral dient er de nadruk op te worden gelegd dat de maanden oktober en november van groot belang waren voor de lange en moeilijke ontwikkeling van de strijd van de arbeidersklasse in België. Ze markeerden een, weliswaar nog beperkte, heropleving van de arbeidersstrijdbaarheid na een terugval en een stagnatie van meer dan tien jaar tegenover de klappen die de bourgeoisie uitdeelde. Dit begin van heropleving van strijdbaarheid in België maakt geheel en al deel uit van een bredere beweging van het proletariaat dat, tegenover de veralgemeende aanvallen in het merendeel van de industrielanden, probeert om opnieuw het terrein te vinden van de klassestrijd tegenover de gevolgen van de crisis van het kapitalisme. Nog belangrijker zijn bovendien de onderwerpen waarop de strijd zich toespitste, namelijk de pensioenen en de pré-pensioenen, die een fundamentele problematiek stellen zoals die wordt opgeworpen door het bankroet van het kapitalistisch systeem en dus van de toekomstperspectieven van de arbeidersklasse.
De tweede vaststelling is dat de vakbondsacties zijn uitgelopen op een duidelijke en onmiddellijke nederlaag, hetgeen door veel arbeiders aangevoeld als een gevolg van het volkomen duidelijke vakbondsgekonkel en niet als een nederlaag die door links als een overwinning kon worden voorgesteld. De ergste nederlagen van de arbeidersklasse zijn juist de nederlagen die ervaren worden als overwinningen, die illusies scheppen. Daarvan is hier vast en zeker geen sprake omdat de vakbondssabotage er dik bovenop lag. Ook kan de nederlaag kostbare lessen opleveren, voornamelijk over hoe strijd te voeren en het schenken van vertrouwen aan links en de vakbonden. Deze lessen zijn van kapitaal belang voor de komende strijd die zich al aankondigt omdat de regering al heeft bekend gemaakt om voor de lonen dringend een nieuw ‘matigingsplan’ te willen opleggen ter waarborging van de concurrentiepositie van de nationale economie in de strijd op leven en dood tussen de kapitalistische staten.
Jef & Jos / 08.01.2006
De delokalisaties worden te pas en te onpas gebruikt in de propaganda van de bourgeoisie. Het lijkt wel alsof ze alle andere aanvallen waaraan het proletariaat onderworpen is in de schaduw stellen, en dat ze er zelfs de verklaring voor worden. Andersglobalisten, linkse partijen en ultralinksen staan overal op de bres om het ‘ultraliberalisme’ aan te klagen van die aasgieren van bazen en van die aandeelhouders die uit zijn op vette dividenden. Tussen alle mogelijke opties voor een ‘andere wereld’ zouden zij voor de slechtste politiek kiezen. In dit artikel zullen we daarentegen aantonen dat de delokalisaties rechtstreeks voortvloeien uit de fundamentele wetmatigheden die het kapitalistische systeem regeren.
In tegenstelling tot wat de andersglobalisten vertellen met hun “alles wordt tegenwoordig koopwaar” is het al sinds heel lang dat onder het kapitalisme de warenverhoudingen het geheel van de sociale en menselijke verhoudingen in de maatschappij beheersen. In de kapitalistische maatschappij is het leveren en verkopen van een waar het enige middel om een deel van de geproduceerde goederen te verkrijgen, op straffe van het verlies van elk middel van bestaan. Voor wie over geen enkel productiemiddel beschikken, de proletariërs, en die zich daardoor in de materiële onmogelijkheid bevinden om waren te produceren, zit er niets anders op dan op de markt een bijzondere waar aan te bieden, namelijk hun arbeidskracht.
Zoals voor elke andere waar het geval is, wordt de waarde van de arbeidskracht op de markt uitgedrukt in een prijs en in geld: het loon. De waar arbeidskracht verschilt in niets van de andere waren op de markt, tenzij dan dat ze onafscheidelijk verbonden is met haar verkoper, de arbeider, en dat ze niet te lang op een koper kan wachten, omdat ze anders met haar drager, de arbeider, te gronde zal gaan bij gebrek aan levensmiddelen.
Voor haar kapitalistische koper, de bourgeois, betekent de arbeidskracht, die hij verbruikt, de bron van zijn winst. Zou de industriële kapitalist de loonarbeider die hij aangeworven heeft alleen zolang laten werken als voor de arbeider nodig is om het loon te verdienen dat hij ontvangt, dan zou de baas geen enkele winst maken. Hij moet de loonarbeider dus langer laten werken dan die tijd. De arbeidstijd van elke arbeider bestaat –of hij dat nu beseft of niet– uit twee delen: een deel dat betaald wordt, en waarin de arbeider slechts de waarde van zijn loon vergoedt, en een deel dat niet betaald wordt, waarin hij gratis arbeid verricht voor de kapitalist die zich het geheel van de productie toeëigent.
De conditie van proletariër herleidt zich tot de onzekerheid van zijn bestaan. “De proletariër is hulpeloos; op zichzelf aangewezen kan hij geen dag leven. De bourgeoisie heeft zich het monopolie aangematigd over alle levensmiddelen, in de ruimste zin van het woord. Wat de proletariër nodig heeft, kan hij slechts krijgen van deze bourgeoisie wier monopolie door de staatsmacht wordt beschermd. De proletariër is dus in rechte en in feite de slaaf van de bourgeoisie; zij kan over zijn leven en zijn dood beschikken. Zij biedt levensmiddelen aan, maar voor een ‘equivalent’, voor zijn arbeid; zij laat hem daarbij zelfs nog de schijn, alsof hij uit vrije wil handelt, alsof hij als mondig mens, vrij en zonder dwang ermee instemmen zou een verdrag met haar af te sluiten. Een mooie vrijheid is dat, waarbij de proletariër geen andere keus heeft dan om met de voorwaarden die de bourgeoisie hem stelt in te stemmen... te verhongeren, dood te vriezen of zich naakt bij de dieren in het bos te voegen!” (1).
Onder het kapitalistische systeem is de honger om de meerarbeid uit te buiten onverzadigbaar: hoe meer onbetaalde arbeid het kapitalisme onttrekt aan de arbeiders, hoe beter. Het ongebreideld uitpersen van meerwaarde is het doel en de rol van de aankoop van de waar arbeidskracht door de kapitalist. “De industriële kapitalist blijft in de grond evengoed een handelaar. Zijn activiteit als kapitalist [...] beperkt zich net als die van de handelaar tot de markt. Zijn taak bestaat erin om de nodige grondstoffen, hulpstoffen, arbeidskrachten enz. zo doelmatig en goedkoop mogelijk in te kopen, en om de in zijn onderneming gefabriceerde waren zo duur mogelijk te verkopen. Op het gebied van de productie heeft hij niets anders te doen dan ervoor te zorgen dat de arbeiders voor een zo gering mogelijk loon zo veel mogelijk arbeid leveren, dat er zoveel mogelijk meerwaarde uit hen wordt geperst.” (2).
Een grens aan deze uitbuiting bestaat slechts in de uitputting van de uitgebuite, en door het vermogen van de arbeidersklasse zich te verzetten tegen de uitbuiter. Om het tijdsgedeelte van de gratis arbeid te vergroten, waarin de arbeider het kapitalisme zijn meerwaarde levert, beschikt het kapitaal over verschillende middelen: de verlenging van de arbeidsdag, het opdrijven van het werkritme en de verlaging van de lonen, zelfs tot het minimum dat nodig is om de arbeider alleen in leven te houden.
Zoals iedere waar is de arbeidskracht onderworpen aan de concurrentie en de wisselvalligheden van de kapitalistische markt. “En als er meer arbeiders voorhanden zijn dan het de bourgeoisie goeddunkt te werk te stellen, wanneer er dus aan het eind van de concurrentiestrijd toch nog een aantal overblijft, dat geen werk kan vinden, dan moet dit aantal maar verhongeren. Want de bourgeois zal hen toch heus geen werk geven, als het product van hun arbeid niet met voordeel verkocht kan worden.” (3). De concurrentie, “meest volkomen uitdrukking van de oorlog van allen tegen allen, die de moderne burgerlijke maatschappij beheerst” waarin de arbeiders elkaar “onderling net zo beconcurreren, als de leden van de bourgeoisie elkaar onderling beconcurreren.” Met het tegen elkaar opzetten van actieven en werklozen, autochtonen en immigranten of verschillende nationale fracties van het proletariaat, is de concurrentie “in de handen van de bourgeoisie het scherpste wapen tegen het proletariaat” (4).
De delokalisatie van productieplaatsen uit de industrielanden naar landen waar de arbeidskracht goedkoop is, is het gevolg van de kapitalistische wetten van het zoeken naar een maximale winstvoet. Onder druk van de ongebreidelde concurrentie tussen de grote kapitalistische industrielanden op steeds beperktere markten, zijn de gemiddelde uurlonen van 18 euro in Spanje, 4 euro in Polen en Tsjechië, 2 euro in Brazilië en Mexico, 1 euro in Roemenië, 0,7 euro in India en China tegenover 23 euro in West Europa en de Verenigde Staten een buitenkansje voor het kapitalisme, de vampier van de arbeidskracht.
Reeds in de negentiende eeuw heeft de bourgeoisie nooit geaarzeld, wanneer de productietechnieken dat toelieten, de weefgetouwen bijvoorbeeld te demonteren om elders, in een andere streek, op zoek te gaan naar goedkopere en meer volgzame arbeidskrachten om uit te buiten.
De delokalisaties zijn voor de arbeidersklasse dus niets nieuws, maar een oud en internationaal verschijnsel dat in alle landen voorkomt. Toch kent dit verschijnsel sinds de jaren 1990, onder druk van de economische crisis die al drie decennia aanhoudt, een onmiskenbare uitbreiding. In talloze sectoren waar de arbeidskracht een belangrijk deel uitmaakt van de globale kosten van de productie, is die transfer van de industrielanden naar landen waar de productiekosten het laagst zijn zelfs “al grotendeels doorgevoerd” (5).
In de automobielsector bijvoorbeeld hebben de grote merknamen al lang hun toevlucht genomen in delokalisaties. Renault produceert de R12 sinds 1968 in Roemenië. “Vanaf de jaren 1970 is Renault, net als trouwens PSA, op zoek naar lokale partners in Brazilië, Mexico, Argentinië, Colombia en Turkije. [...] Na de herstructureringen in de jaren 1980 stort Renault zich op de aankoop van Samsung in Zuid-Korea en van Dacia in Roemenië, in 1999.” (6). De bourgeoisie heeft overigens de ineenstorting van de stalinistische regimes en het einde van de zogenaamde ‘socialistische economie’ niet afgewacht om de westerse mogendheden te laten investeren en te delokaliseren naar de landen van het voormalig Oostblok.
Alle sectoren van de kapitalistische productie zijn betrokken bij delokalisaties, maar niet elke productie zal gedelokaliseerd worden, in tegenstelling tot wat de propaganda van de bourgeoisie laat horen. “De sectoren van de industrie die betrokken zijn bij delokalisatie zijn talrijk: leer, textiel, kleding, metalen, huishoudelijke apparaten, automobiel, elektronica… Ook de tertiaire sector wordt getroffen: telefonische call centra, informatica, boekhouding… Om eerlijk te zijn is elke massaproductie en elke repetitieve dienst vatbaar voor delokalisatie naar gebieden waar de kosten van de arbeidskracht duidelijk lager liggen.” (7) De drastische daling van de transportprijzen die in de jaren 1990 doorzette (een daling met 45% van het maritiem transport en met 35% van het luchtvrachtverkeer tussen 1985 en 1993) heeft de geografische afstand tussen de productieplaatsen van talloze waren en de markten waar ze verbruikt zullen worden nog minder storend gemaakt.
De uitbuiting tegen lage prijs van de intellectuele hightech arbeidskracht, die te duur geworden was in de westerse landen, wordt koortsachtig nagestreefd, waarbij op de opleidingskosten bespaard worden door die ter plaatse te organiseren. In China zijn steeds meer westerse overheidsorganen en privé-ondernemingen bezig “ter plaatse onderzoekscentra op te richten, zoals France Télécom in Canton in juni 2004, om te profiteren van de overvloed aan goedkope wetenschapslui die door de Chinese laboratoria worden aangeboden” (8). India is binnen enkele jaren ook een leverancier geworden van computerprogramma’s.
Anderzijds worden de delokalisaties volop gebruikt om de onproductieve kosten van de grootste ondernemingen te drukken (geïnformatiseerd beheer, beheer en onderhoud van netwerken, loonadministratie, financiële diensten, klantendiensten, orderadministratie, telefonische call centra), soms tot 40 à 60%. Het gaat zover dat “alles wat op afstand kan gebeuren en per telefoon of satelliet doorgegeven kan worden, klaar is voor delokalisatie”. Zo begint India “de achterwinkel te worden van de Britse en Amerikaanse bedrijven” (5).
In de moordende concurrentie tussen de naties zetten de staten van de ontwikkelde landen uitdrukkelijk een rem op het vertrek naar het buitenland van bepaalde activiteiten. Het is een strategische noodzaak om op het eigen grondgebied bepaalde industrieën te bezitten die een militaire macht kunnen garanderen die het hoofd kan bieden aan naties van hetzelfde kaliber. Dat is een kwestie van overleven in de imperialistische arena. Meer in het algemeen is het economisch even onmisbaar dat op het grondgebied de centrale productie behouden blijft van sleutelsectoren die de kracht uitmaken van het nationaal kapitaal tegenover de concurrentie. In de automobielsector “tekent zich onder druk van de concurrentie die verplicht te produceren tegen steeds lagere kosten een beweging af van delokalisatie van de productie van kleinere wagens voor de Franse markt naar lage lonenlanden, terwijl in Frankrijk de productie behouden blijft van wagens uit de hogere klassen in zeer geautomatiseerde fabrieken” (6). Hetzelfde in de textielsector, waar “momenteel alleen de stoffen die technologie en kennis vereisen nog in Frankrijk gefabriceerd worden” (6).
Het aantal landen dat profijt heeft van de delokalisaties is beperkt: “India, de Maghreb landen, Turkije, de landen van Centraal en Oost Europa (PECO) en Azië (met name China)” (7). Elk nationaal kapitaal heeft zijn bevoorrecht land van bestemming, maar ze beantwoorden allemaal aan een reeks dwingende criteria. Die landen moeten een zekere interne stabiliteit kennen, wat voor een steeds geringer aantal landen opgaat, nu de ravages van de oorlog steeds grotere gebieden van de planeet in hun greep krijgen. Maar ze moeten ook beschikken over een aangepaste infrastructuur en over arbeidskracht die ervaring heeft met de kapitalistische uitbuiting of zelfs enigszins opgeleid is. De meeste van de doellanden hebben een industrieel verleden (Oostbloklanden) of hebben een zekere industrialisering gekend. De landen van Afrika bezuiden de Sahara, die maar al te graag delokalisaties zouden verwelkomen, hebben er nog geen spoor van gezien.
De definitie zelf van delokalisatie als “verplaatsing naar het buitenland van een (bijvoorbeeld) in Frankrijk bestaande economische activiteit, waarvan de productie dan weer in Frankrijk ingevoerd wordt” (8) verklaart voor een deel het geheim van de prachtige resultaten die de bourgeoisie opdist met betrekking tot de zogenaamde Chinese en Indiase wonderen. Maar gezien vanuit het geheel van de wereldproductie zijn de delokalisaties een nuloperatie. Er wordt inderdaad een industriële pool gecreëerd op een plaats waar er voorheen geen was, maar er is in geen geval ontwikkeling of een nieuwe opkomst van de kapitalistische productie, aangezien de schepping van een voorheen onbestaande activiteit in dat gastland direct samengaat met de deïndustrialisatie en stagnatie van de meest ontwikkelde economieën.
Decennia lang zijn de onderontwikkelde landen er niet in geslaagd investeringen te realiseren om massaal moderne technologie te verwerven die onmisbaar is om de concurrentie aan te gaan met de meest ontwikkelde landen en om een industrialisatiepeil te bereiken dat die naam waardig is, zelfs met erg goedkope arbeidskrachten. Hun onderontwikkeling en het behoud daarvan zijn vandaag zelfs een voorwaarde om zich te mogen verheugen in de belangstelling van het kapitalisme voor de uitbuiting van de arbeidersklasse daar ter plaatse.
De afwezigheid van enig vooruitzicht op een verbetering van de levensvoorwaarden van het proletariaat in de gastlanden van de delokalisaties en de ontwikkeling van de werkloosheid in de westerse landen, waar het gros van de gedelokaliseerde productie afgezet wordt, zullen niet bijdragen tot een uitbreiding van de wereldmarkt, maar tot een verergering van de overproductiecrisis.
De delokalisaties zijn op zich niet de oorzaak van de werkloosheid en de daling van het levenspeil van het proletariaat. Ze zijn slechts één van de vele aanvallen die het te verduren heeft, en die allemaal dezelfde wortels hebben: de economische wetten van het kapitalistisch systeem die voor elke natie en elke bourgeoisie gelden, en die de kapitalistische wereld onderdompelen in een overproductiecrisis zonder uitweg.
Om de meerwaarde die door de arbeidersklasse geproduceerd wordt, en die zit opgesloten in de gefabriceerde waren, te kunnen opstrijken, moet de kapitalist die waren verkopen op de markt.
De kapitalistische overproductiecrisissen, plaag van het kapitalistisch systeem, vinden hun oorsprong altijd in de onderconsumptie door de massa’s, waartoe de arbeidersklasse gedwongen wordt door het systeem van uitbuiting van de loonarbeid, dat voortdurend het deel van de sociale productie vermindert dat aan het proletariaat toevalt. Het kapitalisme moet voor een gedeelte betaalkrachtige kopers vinden buiten degenen die zijn onderworpen aan de verhouding arbeid-kapitaal.
Vroeger bestonden er op de binnenlandse markt grote sectoren van voorkapitalistische productie (het handwerk en vooral de landbouw) die relatief welvarend waren en een voedingsbodem vormden voor de kapitalistische groei. Op wereldvlak liet de enorme buitenkapitalistische markt van de koloniale landen, die toen werden veroverd, toe om de overproductie van waren uit de industrielanden af te zetten. Nadat het kapitalisme aan het begin van de 20e eeuw de hele planeet aan zijn economische verhoudingen onderworpen heeft, beschikt het niet meer over de historische voorwaarden die het toelieten het hoofd te bieden aan zijn tegenstellingen.
Het kapitalisme begon toen aan zijn fase van onomkeerbare neergang, die de mensheid veroordeelt tot oorlogen, de stuiptrekkingen van zijn crisissen, en tot een veralgemeende ellende, die de mensheid met de complete vernietiging bedreigen.
Scott / 11.2005
(1) Uit: Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845), “De concurrentie”, p. 136 in de uitgave van Progres, 1987.
(2) Uit: Karl Kautsky, Das Erfurter Programm (1892), hoofdstuk 2: Het proletariaat. (3) Engels, idem p.138
(4) Engels, idem p.136
(5) Novethics.fr, 10 januari 2001
(6) L’Expansion, 27 januari 2004
(7) Vie publique.fr, 12 januari 2004
(8) Le Monde.fr, 27 juni 2004
Het rellen in de Franse buitenwijken hebben aanleiding gegeven tot veel discussie onder degenen die op zoek zijn naar een alternatief voor het kapitalisme. Zo kwam er op het intertnetforum van de groep Eurodusnie in Leiden een heel debat op gang over de vraag of de revolte al dan niet moest worden toegejuicht. En de discussie was al even levendig tijdens onze discussiebijeenkomst in Amsterdam en de openbare bijeenkomst in Brussel.
Voor ons gaat de discussie vooral over twee belangrijke vragen voor het begrip van de dynamiek en de perspectieven van de klassenstrijd:
1) Kan iedere sociale beweging, wat ook haar aard is, bijdragen aan revolutionaire strijd tegen het kapitalisme?
2) Vormen de revoltes in Frankijk een stap voorwaarts in de ontwikkeling van de proletarische strijd of vormen ze daarentegen een hindernis voor de verdere ontwikkeling ervan?
Voor sommigen, in het forum van Eurodusnie zowel als tijdens onze openbare bijeenkomsten, bestond de hoofdzaak uit ‘de beweging’, ‘de actie’, ‘het geweld’, de ‘ondermijning van de gevestigde orde’ en vormde de revolte op zichzelf een stap voorwaarts in de strijd tegen het kapitalisme. Het zou op de een of andere manier genoeg zijn om er een beetje richting aan te geven met wat politieke standpunten en deze jongeren die door het kapitalisme worden buitengesloten zouden kunnen worden omgevormd in belangrijke krachten tegen het kapitalisme.
We denken dat dit een grote analysefout is: niet alle sociale bewegingen dragen bij aan de strijd tegen het kapitalisme, integendeel, sommigen, zelfs als hun oorsprong niet ligt in een provocatie en ze niet door de bourgeoisie zijn opgezet, kunnen door de bourgeoisie gebruikt worden om zichzelf te versterken tegenover het proletariaat, tegen zijn bewustzijn en eenheid. Dit betekent niet in het minst dat we ons standpunt ‘vanaf het balkon’ verkondigen of dat we ‘salonsocialisten’ zouden zijn, want actie is niet hetzelfde als activisme, concreet zijn betekent niet in oppervlakkigheid vervallen, het naar voren brengen van onmiddellijke antwoorden op omstandigheden is niet hetzelfde als kortzichtigheid. De middelen, de wapens en de logica van de arbeidersstrijd zijn niet dezelfde als de middelen, de wapens en de logica van de burgerlijke klasse. Voor het proletariaat en meer in het bijzonder in de strijd voor het kommunisme zijn niet alle middelen geëigend. Als het internationale proletariaat momenteel voor belangrijke hindernissen staat en een lange weg heeft af te leggen om zijn strijd weer tot ontwikkeling te laten komen, dan is dat juist omdat jarenlang de beste krachten ervan zijn omgevormd door de kapitalistische krachten (vaak burgerlijk links of van de vakbeweging) naar een glibberig terrein in naam van ‘onmiddellijke resultaten’ en tegen ‘principes die enkel goed zijn voor theoretici’, enzovoort.
Toen de bourgeoisie het feodalisme bevocht en zelf nog een revolutionaire klasse was kon zij om het even welke strijd ondersteunen en om het even welke andere klasse tot haar zaak overhalen omdat zijzelf een uitbuitende klasse was die niet probeerde de uitbuiting af te schaffen maar integendeel een nieuwe vorm van uitbuiting te veralgemenen. Dat staat in tegenstelling tot de praktijk van het proletariaat: dat beschikt over geen enkele economische macht binnen de kapitalistische maatschappij en stelt zich niet tot doel een nieuw soort van uitbuiting in te stellen maar in tegendeel uitbuiting in al zijn vormen af te schaffen. Daarom bestaan zijn wapens uit eenheid, bewustzijn, zelforganisatie en zijn politieke zelfstandigheid als klasse. Die wapens worden ongetwijfeld in de strijd gesmeed, maar niet in om het even welke strijd.
Meerdere mensen op onze openbare bijeenkomsten antwoordden daarop dat "het grootste deel van de rellen toch uit arbeiderswijken kwam". Een beweging is niet proletarisch omdat hij voor de meerderheid uit arbeiders bestaat, noch omdat hij ‘problemen’ stelt voor het kapitalisme, noch omdat hij gewelddadig is of zich richt tegen overduidelijk onrecht. De betogen over ‘radicaliteit’, ‘geweld’, ‘verzet’ en ‘massaliteit’ gaan voorbij aan het wezenlijke, namelijk het enig juiste criterium om een beweging te analyseren en te zien of die steun verdient: versterkt die de eenheid, het bewustzijn, de zelfstandigheid van het proletariaat? Anders gezegd, bevindt deze zich, zelfs als het maar embryonair is, op zijn klassenterrein?
Dat is inderdaad het belangrijkste vraagstuk want sommige deelnemers van de discussiebijeenkomst in Amsterdam drongen er op aan dat de IKS de hele klasse diende op te roepen zich bij de relschoppers in de buitenwijken aan te sluiten. Uitgaande van de hierboven geformuleerde criteria zou dat van groot onbegrip getuigen over de dynamiek van de arbeidersstrijd en van een valse verwachting dat de rellen in de Franse buitenwijken een bijdrage zouden leveren aan de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme. De acties zijn ongetwijfeld niet door de bourgeoisie uitgelokt (zelfs als de uitspraken van Sarkozy onherroepelijk olie op het vuur gooiden) en we kunnen de woede begrijpen van al deze jongeren die men gewoonweg links laat liggen. Maar toch zijn we er van overtuigd dat hun acties niets te maken hebben met de strijd van de arbeidersklasse en integendeel daar direct tegen ingaan.
De rellen in de buitenwijken zijn vooral ingegeven door wanhoop, uitzichtloosheid, door een machteloze en blinde haat. De klassenstrijd daarentegen vertrekt vanuit een minimum aan vertrouwen in de toekomst en verontwaardiging over de barbaarsheid en het lijden dat door het kapitalisme wordt veroorzaakt. Wie een ‘revolutionaire kracht’ wil toekennen aan deze acties verwart haat met verontwaardiging en wanhoop met bewuste actie. Als de verontwaardiging een positief gevoel is dat de strijdbaarheid voedt en de vastbeslotenheid tegenover de kapitalistische uitbuiting en de barbaarsheid daarvan, dan is de haat een louter negatief gevoel dat enkel een totale vernietigingsdrang voedt. En terwijl de wanhoop mensen tot gewelddadige acties kan brengen die nergens toe leiden, dan maakt de bewuste actie een ontwikkeling van de strijd mogelijk, door de kritiek en het rechtzetten van vergissingen, door de revolutionaire strijd.
Dergelijke commandoacties van kleine groepen richten zich voornamelijk op het in brand steken van geparkeerde auto’s. De botsingen met de politie die voortkomt uit een begrijpelijke haat tegenover de arrogante en onverdragelijke uitdagende houding bleven betrekkelijk beperkt. Er was geen massabeweging maar een opeenvolging van onsamenhangende nachtelijke acties van kleine groepen. Dat schept een contrast met de strijd van het proletariaat: een strijd die moed vereist, met open vizier, massaal ondernomen en die zijn kracht in het daglicht stelt, zonder het spektakel en de snoeverij van de ‘stadsguerilla’. Zij brengt haar doeleinden openlijk naar voren en hijst haar vaandel voor heel de maatschappij. Zij is niet blind op zoek naar een frontale botsing met haar klassenvijand, gaat die ook niet uit de weg, maar bereidt die met geduld en onverzettelijkheid voor.
De bewegingen in Frankrijk bevatten bovendien een heel gevaarlijk aspect: dat van botsingen tussen kinderen van de arbeidersklasse. Het geweld van deze jongeren keerde zich vooral tegen andere arbeiders, lotgenoten die dezelfde twijfels hebben over de toekomst die het kapitalisme biedt. Ze staken auto’s van hun klassenbroeders in brand, ze vielen brandweerlieden aan, ze bekogelden autobussen waarin hun buren uit dezelfde wijk zaten met stenen en staken ze in de brand. De revoltes van de boeren in de middeleeuwen waren zeker wanhopig, maar ze waren gericht tegen de heren, er werden kastelen aangevallen waarbij de rijkdom werd geplunderd. De jongeren in de buitenwijken die nu door het kapitalisme worden buitengesloten vielen niet de luxewijken aan of de symbolen van het systeem, maar hun eigen buren in de armoedewijken. Het geweld van de arbeidersklasse richt zich tegen het kapitaal en zijn staat, nooit tegen de eigen klassenkameraden. De onderdrukking van Kronstadt in 1921 versnelde de ontaarding van de Bolsjewiki en de nederlaag van de Oktoberrevolutie in Rusland omdat daarmee het geweld tussen klassenbroeders werd gewettigd.
Als arbeiderskinderen zich tegen hun klassenbroeders keren en daarvan zelfs de hoofdzaak van hun beweging maakten, dan is het onder invloed van een verschijnsel dat binnen het kapitalisme tot ontwikkeling komt en dat hele delen van de arbeidersklasse dreigt mee te slepen: de ontbinding van dit steeds verder wegrottende systeem. De Stellingen over de ontbinding, aangenomen in 1990, waarschuwde al tegen dit gevaar:
"We moeten duidelijk zijn over het gevaar van de ontbinding voor het vermogen van het proletariaat om zichzelf op te werken tot het niveau van zijn historische taak. Het uitbarsten van de imperialistische oorlog in het hart van de ‘beschaafde wereld’ was "een aderlating, die de Europese arbeidersbeweging dodelijk dreigde uit te putten" en "die dreigde het perspectief van het socialisme te begraven onder het puin van het barbaars imperialisme [...] door op het slagveld de beste krachten van het internationale socialisme, de voorhoedetroepen van het wereldproletariaat, af te slachten (Rosa Luxemburg, De crisis in de sociaal-democratie). Net zo kan de ontbinding van de maatschappij, die alleen maar erger kan worden, de beste krachten van het proletariaat wegrukken en daardoor definitief het perspectief van het kommunisme op het spel zetten."
Deze verlompenisering raakt vaak meer in het bijzonder de jongere delen van de klasse die bij voorbaat van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en brengt ze er toe een niet alleen wanhopige maar ook zelfvernietigende en zelfs tot zelfmoordneigende strijd te voeren. In punt 14 van de stellingen schreven we daarover:
"Eén van de factoren die de omstandigheden verslechteren is gelegen in het feit dat een groot deel van de jongere arbeidersgeneraties de plaag van de werkloosheid ondergaan voordat ze zelfs maar de mogelijkheid hebben gehad om samen met kameraden op het werk en in de strijd te ervaren wat het collectieve bestaan van de arbeidersklasse betekent. Hoewel de werkloosheid, die een onmiddellijk voortvloeit uit de huidige crisis, ‘op zich’ geen uiting van de ontbinding is, loopt de werkloosheid, in deze bijzondere fase van het verval, uit op gevolgen die zelf een bijzonder aspect van die ontbinding vormen. Wanneer de werkloosheid over het algemeen duidelijk kan maken dat het kapitalisme de arbeiders geen zekere toekomst kan bieden, dan vormt zij momenteel ook een krachtige factor in de ‘lompenproletarisering’ van bepaalde delen van de klasse, vooral onder jonge arbeiders, wat de huidige en toekomstige politieke vermogens van de klasse verzwakt. Gedurende de hele jaren tachtig, met een aanzienlijke groei van de werkloosheid, zagen we daardoor een afwezigheid van belangrijke bewegingen, of zelfs werkelijke aanzet tot organisatie bij de arbeiders zonder werk. Dit bewijst hoe groot de druk is die de werkloosheid door de ontbinding oplegt aan de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn."
Betekent dit dat er niets anders overblijft dan aanvaarding van het lot en wanhoop? Nee, want de arbeidersklasse beschikt over middelen om deze omstandigheden te boven te komen:
"De verschillende elementen die de kracht van de arbeidersklasse komen in onmiddellijke botsing met de verschillende ideologische aspecten van de ontbinding:
– de collectieve actie, de solidariteit, die geconfronteerd worden met de versplintering, het ‘ieder-voor-zich’ en de onverschilligheid;
– de noodzaak van organisatie botst op de ontbinding, op het uiteenvallen van de relaties die de basis van het maatschappelijk leven vormen;
– het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst en in eigen kracht wordt voortdurend ondermijnd door de algemene wanhoop waarvan de maatschappij doordrenkt raakt, het nihilisme en het ‘no future;
– het bewustzijn, de helderheid, de samenhang en eenheid van het denken, de voorliefde voor theoretisch begrip, die zich een weg moeten banen door de vlucht in droombeelden, drugs, sekten, mysticisme, de verwerping en vernietiging van het denken, die ons tijdperk kenmerken."
En juist omdat al deze verschillende krachten binnen de arbeidersklasse aan het werk zijn, juist omdat we ons er bewust van moeten zijn dat er momenteel binnen de arbeidersklasse een bewustzijnsontwikkeling plaatsvindt en, hoewel pril nog ook, een ontwikkeling van de strijd die afweer tegen het binnendringen van de kapitalistische ontbinding in de arbeidersrangen zal brengen, is het ook zo belangrijk om energiek de strijd aan te binden met het ten hemel geprezen idee van ‘actie omwille van de actie’.
We hebben een sterk gevoel van solidariteit met deze jongeren, deze arbeiderskinderen, die verloren lopen in een beweging zonder toekomst, een beweging die vernietigend is en op zelfmoord uitloopt. In ieder geval betekent solidariteit niet het toejuichen van een strijdvorm die ze naar de afgrond voert. Solidariteit betekent noodzakelijkerwijs een harde kritiek. Deze jongeren zijn geen vijanden van hun klasse geworden. Ze kunnen zich aansluiten bij de proletarische strijd binnen het raamwerk van zijn algehele ontwikkeling, van de verbreiding van revolutionaire standpunten, van discussie, van kritiek en zelfkritiek. De arbeidersklasse zal nog vele fouten maken, en talrijke gedeeltelijke nederlagen ondergaan. Ze zullen hoe dan ook bijdragen aan de revolutionaire strijd zijn als er lering uit wordt getrokken, als ze in staat zijn tot een gedegen zelfkritiek die de kern van de problemen raakt en die het mogelijk maakt om de revolutionaire standpunten verder uit te diepen en uit te dragen.
Jos / 21.12.2005
In oktober 1975, meer dan dertig jaar geleden dus, verscheen de eerste aflevering van Internationalisme, orgaan van de Internationale Kommunistische Stroming in België. Het uitbrengen en verspreiden van een kommunistische publicatie gedurende drie decennia is een belangrijke verwezenlijking in het tijdperk van ‘hersenspoelingen’ door de media. Het is een verwezenlijking die natuurlijk niet alleen het werk is van een groep in België maar vooral het product van de inspanningen van de IKS als geheel.
Dit vormt een gelegenheid om in de herinnering te roepen – door uittreksels uit de Voorstelling van de krant en de organisatie die deze eerste aflevering inleidde – in welke samenhang een reeks van revolutionaire groepen (1) besloten om hun krachten te bundelen en een krant uit te geven. Voor de initiatiefnemers uit die tijd betekende de crisistoestand van het kapitalisme dat er voor de klassenstrijd veel op het spel stond: “Na tientallen jaren van massale vernietiging en verscherpte uitbuiting sinds de Eerste Wereldoorlog, met meer dan vijftig miljoen doden, met zwarte ellende voor meer dan de halve mensheid en met een steeds verdergaande aftakeling van de levensvoorwaarden, heeft het kapitalisme vandaag niet veel verweer meer tegen de diepste crisis in haar geschiedenis [...] Al de pogingen om de crisis in te dijken betekenen slechts een uitstellen van de vernietiging van het systeem [...] De totale kapitalistische productiewijze is in verval. De maatschappij ontwikkelt zich met steeds enger wordende mogelijkheden die opgelegd worden door een systeem van verouderde sociale verhoudingen. De verstikking van de ontwikkeling van de productiekrachten door de kapitalistische productieverhoudingen wordt steeds knellender en bedwingt de grootste klasse (de arbeidersklasse) van de mensheid. De klassentegenstellingen verscherpen, en met hen groeit de levensnoodzaak voor de arbeidersklasse om zich de middelen te verschaffen die noodzakelijk zijn voor de vernietiging van dit historisch vergankelijke kapitalistisch systeem”. Daar tegenover stelt de inleiding de enorme verantwoordelijkheid die rust op de schouders van de revolutionaire groepen, die “bewust [zijn] van de enorme problemen waarvoor de arbeidersklasse gesteld is en van de toename van de burgerlijke misleidingen en de kapitalisme pogingen om de arbeidersklasse versnipperd en geïsoleerd te houden.” Vandaar de noodzaak om zich bij een internationale revolutionaire organisatie aan te sluiten, met het doel het revolutionaire perspectief dat zich opdringt te verdedigen binnen de arbeidersklasse: “Vastbesloten om niet geïsoleerd te blijven in het kader van nationale problemen en bewust van de noodzaak voor de arbeidersklasse om zich als revolutionaire klasse op wereldschaal te vormen, hebben de groepen van in het begin hun eenmaking verbonden aan dat van een internationale hergroepering [...]. Een algemene en internationale visie is onmisbaar voor elke revolutionaire organisatie die op een samenhangende wijze wil tussenkomen in de klassenstrijd. Aleen dan kan de ontwikkeling van de bewustwording van het proletariaat en zijn strijd voor het socialisme perspectief krijgen.”
Dertig jaar later kunnen we niet meer dan aanstippen hoezeer het analysekader over de toestand van het kapitalisme dat in 1975 werd voorgesteld – en dat toentertijd door velen als slechte science-fiction werd beschouwd – ruimschoots door de feiten is bevestigd is: dertig jaar crisis heeft de kapitalistische productiewijze laten wegrotten en deze heeft op haar beurt de mensheid in een helse spiraal gestort van vernietiging, dood en verderf. Meer dan ooit geldt momenteel het revolutionaire alternatief van vóór 1914 als een niet te omzeilen werkelijkheid, dat van socialisme of barbarij. In deze samenhang betekenden de 322 afleveringen van Internationalisme, binnen het raamwerk van de IKS als geheel, een onverzettelijke verdediging van de proletarische perspectieven tegenover de gebeurtenissen die het tijdperk markeerden. Dit vond plaats in de twee belangrijkste talen van het land, waarbij de leugens en het bedrog van de bourgeoisie, vooral ook dat van haar ‘linkse’ socialistische- en vakbonds-, en haar ‘gauchistische’ stalinistische of trotskistische fracties, werden ontmaskerd en aangeklaagd. Ze zijn trouwens een onmisbaar werktuig gebleken voor de tussenkomst van de revolutionairen op de sleutelmomenten van de klassenstrijd in België, zoals op het moment van de veralgemeende strijd van de lente van 1986, de strijd van de mijnwerkers en staalarbeiders tegen de sluitingen of ook nog tijdens de recente bewegingen tegen het ‘generatiepact’.
In deze strijd beschikt de arbeidersklasse over slechts twee wapens, haar organisatie en haar bewustzijn. De revolutionaire pers is het middel bij uitstek om het bewustzijn binnen de klasse te verbreiden en te verdiepen, en dit meer dan ooit nu het perspectief van het kommunisme zich opdringt als het enige alternatief voor de mensheid tegenover de barbarij, maar in een context van maatschappelijke ontbinding waarin het voor de arbeidersklasse niet gemakkelijk is om haar strijd te ontwikkelen. Nu gaat het er inderdaad niet enkel om het nadenken over wat er op een gegeven ogenblik onmiddellijk op het spel staat, in één bepaald conflict. Om haar strijd te ontwikkelen heeft de arbeidersklasse behoefte aan een bredere visie en vooruitzichten op de langere termijn, zoals het begrijpen van het verval en de ontbinding van het kapitalisme die oorlogen en ellende veroorzaken, maar ook het begrijpen van de mogelijkheid om het te vernietigen en de noodzaak van haar eigen revolutionaire taak, het perspectief van het kommunisme.
Om die redenen blijft de regelmatige publicatie van een krant die de klassestandpunten van de arbeidersklasse verdedigt tegen de leugens van de bourgeoisie vandaag minstens even belangrijk als ten tijde van Marx of Lenin, of in de jaren 1930 en 1940, toen kleine groepen linkskommunisten hun publicaties uitgaven.
(1) Het ging hier om de Journal des Luttes de Classe, de Revolutionaire Raden Socialisten en de Vrije Raden Socialisten uit achtereenvolgens Brussel, Antwerpen en Gent.
Drie weken lang haalden de rellen in de Franse voorsteden de voorpagina’s. Duizenden jongeren, voor een groot deel uit de armste lagen van de bevolking, hebben hun woede en wanhoop uitgeschreeuwd met Molotovcocktails en straatstenen.
De eerste slachtoffers van die vernielingen zijn de arbeiders. Het zijn hun auto’s die in brand zijn gestoken. Het zijn hun werkplaatsen die werden gesloten, waardoor honderden van hen technisch werkloos werden gemaakt. Een arbeider die op het avondjournaal werd geïnterviewd vatte de complete absurditeit van de gebeurtenissen meesterlijk samen in deze woorden: “Vanmorgen vond ik een vlugschrift op de voorruit van mijn uitgebrande auto. Bovenaan stond er ‘Verneuk Sarkozy’. Maar het is niet Sarkozy die ze verneukt hebben, maar mij!”
Ook al is de woede-uitbarsting van de jongeren uit de voorsteden volkomen gewettigd, dan nog vertegenwoordigt de sociale situatie die erdoor geschapen is een reëel gevaar voor de arbeidersklasse. Hoe daarop te reageren? Moet men zich scharen achter de relschoppers of achter de ‘republikeinse’ staat? Voor de arbeidersklasse gaat het hier om een valse keuze, want beide valstrikken zijn te vermijden. De eerste bestaat eruit de wanhopige revolte van die jongeren te zien als voorbeeld dat navolging verdient. Het proletariaat kan deze weg van de zelfvernietiging echter niet inslaan. Maar de ‘oplossing’ die de bourgeoisie met alle kracht aanprijst vormt een al even grote impasse.
Door profijt te slaan uit de angst die dergelijke gebeurtenissen opwekken doet de heersende klasse, met haar regering, haar staat en repressieapparaat zichzelf momenteel voor als waarborg voor de veiligheid van de bevolking, met name in de arbeiderswijken. Maar met die zo geruststellend bedoelde praatjes gaat een boodschap gepaard die bol staat van de dreigementen tegen de arbeidersklasse: “Strijd tegen de republikeinse orde, dat wil zeggen tegen de kapitalistische staat, dat is hetzelfde als zich gedragen als bandieten, als uitschot.”
De bourgeoisie is niet in staat het fundamentele probleem op te lossen, dat van de economische crisis. Vanzelfsprekend geeft ze er de voorkeur aan dat te verbergen en de spectaculaire kant van de rellen, de vernielingen en het geweld, in haar eigen voordeel te benutten. En we kunnen zeggen dat de journalisten hun uiterste best hebben gedaan om deze propaganda van de angst zo goed mogelijk te voeren.
Ze zijn hun informatie midden in de wijken gaan halen, ze brachten ons honderden beelden van brandende en uitgebrande auto’s, ze overstelpten ons met getuigenissen van slachtoffers, en ze hielden enquêtes over de haat die deze jongeren voelen voor de hele maatschappij.
Overal waren er die nachtelijke reportages over jongerenbendes, met helm op of een bivakmuts. We kregen op grote schaal te zien hoe er molotovcocktails en stenen werden gegooid, hoe er met de politie werd gevochten, met nu en dan een interview met een relschopper die zijn woede er ‘live’ mocht uitgooien: “Wij bestaan! Kijk maar: de auto’s branden” (Le Monde, 6-11-05) en ook: “Eindelijk wordt er aandacht aan ons besteed”.
De bourgeoisie heeft hier het hopeloos geweld breed uitgemeten van die jongelui uit de buitenwijken om een klimaat van terreur te scheppen. Het is voor haar een ideale gelegenheid om de versterking van haar repressief arsenaal te rechtvaardigen. De politie kan zich inderdaad de luxe veroorloven om zich voor te doen als beschermer van de arbeiders, borg te staan voor hun welzijn en veiligheid. Het debat tussen de socialistische partij en de rechtse UMP (van Sarkozy) heeft op dat punt de toon gezet. Voor de rechterzijde bestaat de oplossing er natuurlijk uit meer middelen ter beschikking te stellen van de politie door de interventie-eenheden van de CRS te versterken. Voor de linkerzijde geldt hetzelfde, maar dan anders aangekleed. De socialistische partij stelde voor terug te keren naar het systeem van de wijkpolitie. Anders gezegd: meer politie in de wijken! Daarom spraken beide grote partijen van de bourgeoisie zich uit voor het uitroepen van de noodtoestand.
Al die maatregelen om het repressieapparaat te versterken zullen geen eind maken aan het geweld in de voorsteden. Integendeel, ook als ze op het onmiddellijke vlak en tijdelijk doeltreffend kunnen zijn, dan nog kunnen ze op termijn de spanningen en de haat van die jongeren tegen de politie slechts aanwakkeren. De politici weten dat maar al te goed. Wat de bourgeoisie met die versterking van het politietoezicht op de ‘gevoelige’ wijken op het oog heeft, bestaat niet zozeer uit de groepjes rondhangende jongeren, maar veeleer uit de arbeidersklasse zelf. Door de schijn te wekken dat de republikeinse staat de proletariërs beschermt tegen het vandalisme van hun kinderen of die van hun buren, kan de bourgeoisie zich voorbereiden op de onderdrukking van de arbeidersstrijd zodra die een daadwerkelijke bedreiging gaat vormen voor de kapitalistische orde. Het instellen van de noodtoestand bijvoorbeeld moet de maatschappij laten wennen aan alledaagse doorlopende controle, de voortdurende aanwezigheid van politie en van huiszoekingen in de arbeiderswijken.
De walgelijkste kant van de huidige propaganda bestaat uit het aanwijzen van de immigranten als zondebok.
Omdat de relschoppers voor een deel kinderen van de immigratie zijn, worden de geïmmigreerde arbeiders er op een achterbakse manier van beschuldigd de ‘openbare orde’ en de veiligheid van de bevolking in gevaar te brengen omdat ze niet bij machte zouden zijn om hun kinderen in de hand te houden, hen een ‘fatsoenlijke opvoeding’ te geven en morele waarden bij te brengen. Het zijn die ‘onverantwoordelijke’ ouders die zich aan hun taken onttrekken, die als de ware schuldigen worden aangewezen. En de eerste prijs voor openlijk racisme gaat naar de minister van werkgelegenheid, Gérard Larcher, volgens wie “één van de oorzaken van het geweld in de voorsteden” bestaat uit... polygamie (Libération, 17 november)!
Maar de krachten van links droegen hun eigen steentje bij door onder het voorwendsel van humanisme de moeilijkheden naar voren te brengen van de Franse maatschappij om een bevolking te integreren van ‘verschillende culturele achtergronden’ (om die terminologie over te nemen). De twee grootste huidige sociologen van het vraagstuk van de buitenwijken, Didier Lapeyronie en Laurent Mucchilie, die zichzelf bevinden aan de linkerzijde van de politieke strijdtoneel, leggen er daarmee de nadruk op dat in de ogen van de jongeren die uit de immigratie zijn voortgekomen “het zich opwerken via de school is voorbehouden aan de ‘blanken’, de openbare diensten zijn niet meer gericht op integratie [...] en de woorden van de republiek [...] worden opgevat als de voorwendsels van een ‘blanke’ maatschappij.” (Libération, 15 november). De geïmmigreerde proletariërs zouden dus specifieke problemen hebben die niets te maken zouden hebben met die van de rest van de arbeidersklasse.
Door de geïmmigreerde arbeiders als de ware verant-woordelijken voor het voorstedelijk geweld aan te wijzen probeert de bourgeoisie de arbeiders weer eens tegen elkaar op te zetten, verdeeldheid te zaaien tussen Fransen en immigranten. Ze maakt gebruik van de blinde revolte van de jongeren uit de voorsteden om de werkelijkheid te verbloemen: de toenemende verpaupering van het geheel van de arbeidersklasse, wat ook haar nationaliteit, oorsprong of kleur moge zijn. Het probleem van de armoede, van de werkloosheid, de afwezigheid van enig vooruitzicht zou niet het gevolg zijn van de onoverkomelijke economische crisis van het kapitalisme, maar terug te brengen tot een probleem van ‘integratie’ of van ‘cultuur’! Door de ouders van de jonge relschoppers zo aan de schqndpaal te’ nagelen, rechtvaardigt de heersende klasse meteen ook de aanvallen die zich momenteel zogenaamd richten op de ‘aanstokers van het geweld’, maar die morgen in werkelijkheid heel de arbeidersklasse zullen treffen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het stopzetten van uitkeringen aan de gezinnen van de ‘delinquenten’. En wat moeten we denken van de onmiddellijke uitwijzing van buitenlanders die opgepakt werden tijdens de rellen? De minister van binnenlandse zaken, Nicolas Sarkozy, heeft de prefecten van de departementen gevraagd alle vreemdelingen die veroordeeld werden wegens geweld in de voorsteden gedurende de laatste dertien nachten “zonder uitstel ons nationaal territorium” uit te wijzen, “ook wanneer zij een verblijfsvergunning hebben” (Libération, 9 november). Maar de arbeidersklasse hoeft zich geen illusies maken. Die maatregel zal geen uitzondering blijven, alleen voorbehouden aan ‘kleine criminelen’. Die uitwijzing uit het land voor ‘verstoring van de openbare orde’ zal de republikeinse staat in de toekomst zonder aarzelen gebruiken tegen de hele arbeidersklasse wanneer deze de strijd aangaat: om stakingen en hun eenheid te breken door de arbeiders die een ‘verblijfsvergunning’ hebben te dwingen weer aan het werk te gaan op straffe van het land te worden uitgezet.
Pawel / 17.11.2005
Hieronder drukken we een artikel af dat de IKS-afdeling in Spanje (Accion Proletaria) op het internet plaatste in een discussieforum over de zelfstandigheid van het proletariaat (www.alasbarricadas.org [43] in het Spaans).
Dit forum begon naar aanleiding van de inzending, door een kameraad die ons onbekend is, van een artikel waarin we de balans opmaakten van een bijeenkomst over arbeidersautonomie en onze tussenkomst daarin (1). Die bijeenkomst vond plaats in Barcelona en wekte een hartstochtelijk, diepgaand en loyaal debat op. Alle deelnemers deelden de wil om een eind maken aan het kapitalistisch systeem dat voor de overgrote meerderheid van de mensheid zoveel economisch, psychisch, moreel, ecologisch lijden met zich meebrengt. Maar het debat ging over de vraag “wie kan de motor zijn van een sociale omvorming van een dergelijke omvang?” Samengevat tekenden zich twee antwoorden af. Voor de een is het de arbeidersklasse, het proletariaat. Anderen, waaronder een kameraad die Piti wordt genoemd, verstaan onder ‘proletariaat’ een gemeenschap van rebellerende individuen.
Wij verdedigen natuurlijk het eerste antwoord. En hier we willen de argumenten daarvoor uiteenzetten.
Na het geleidelijk uiteenvallen van het oorspronkelijk stammenkommunisme werd de menselijke maatschappij verdeeld klassen en de motor van haar ontwikkeling was de klassenstrijd.
Die sociale oorlog vindt plaats in een historische omgeving van achtereenvolgende productiewijzen (slavernij, feodalisme, kapitalisme). Het vormt ook het algemene raamwerk waarbinnen de ontwikkeling van de productiekrachten, vol van innerlijke tegenspraken, kon plaatsvinden.
Dát vormt de meest samenhangende uitleg van de menselijke geschiedenis. Dat vormt eveneens het middel waarmee de huidige generaties vooruit kunnen komen met betrekking tot de dilemma’s die de huidige toestand van het kapitalisme hen stelt: ofwel vernietiging van de mensheid, ofwel de bevrijding ervan en het begin van een nieuwe historische etappe die steunt op de afschaffing van de sociale klassen, van de staten en de nationale grenzen; de vereniging van alle menselijke wezens in een mensengemeenschap die leeft en handelt door en voor zichzelf.
Tegenover die verklaring, die het meest samenhangend wordt verdedigt door het marxisme, zijn veel theorieën opgesteld die niet zozeer met elkaar gemeen hebben dat ze het bestaan van klassen ontkennen – dat doen alleen de meest kortzichtigen – maar wel de klassenstrijd als motor van de geschiedenis.
Als andere motoren worden genoemd: God, de Universele Geest, leiders en andere individuen die over bijzondere machten beschikken, groeperingen van mensen van goede wil, een minderheid van samenzweerders, van allerlei verlichters of predikers van alle mogelijke sociale en filosofische stelsels, allemaal begaan met het bestrijden van het kwaad in deze onderwereld.
De klassenstrijd heeft in de geschiedenis altijd een revolutionaire klasse voortgebracht die de draagster is van een nieuwe organisatie van het maatschappelijke leven, tegenover een reactionaire klasse die vasthield aan de verdediging van privileges en belangen verbonden aan de oude orde. In het algemeen liepen die conflicten uit op de zege van de nieuwe revolutionaire klasse en het min of meer snel verdwijnen van de oude klasse. Maar dat succes staat nooit vooraf vast door de één of andere onherroepelijke voorbeschikking. In de geschiedenis hebben zich omstandigheden voorgedaan waarin de maatschappelijke ontwikkeling vastliep, waarin de twee belangrijkste klassen van de maatschappij elkaar uitputten in vruchteloze conflicten waarin er geen uitweg was. Daarom beschouwt het Kommunistisch Manifest de klassenstrijd als een sociale oorlog “die altijd uitmondt op een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of op de ondergang van de strijdende klassen”.
Geen enkele klasse is de blinde voltrekker van een vooraf vaststaand historisch lot, en evenmin de onvrijwillige uitvoerder van een noodzaak die bepaald wordt door de maatschappelijke ontwikkeling. Om de maatschappij te bevrijden van de kluisters die zijn opgelegd door de oude orde hebben de revolutionaire klassen een zekere mate van bewustzijn en wil nodig. Als die ontbreken zal de objectieve noodzaak, die enkel als historische mogelijkheid bestaat, niet verwezenlijkt worden en zal de sociale ontwikkeling vastlopen en wegzinken in chaos en vernietiging.
In de overgang van de oude slavenmaatschappij naar de feodale orde die daar op volgde bestond de beslissende factor uit de objectieve ontwikkeling, terwijl het bewustzijn en de subjectieve handelen een heel beperkte rol speelden. In de vernietiging van het feodalisme en de opkomst van het kapitalisme vormden de objectieve krachten de hoofdfactor, maar speelde het bewustzijn – een bewustzijn dat vooral ideologisch was – een belangrijke rol, vooral in de laatste etappe, die van de politieke machtsgreep door de bourgeoisie toen haar economische heerschappij over de maatschappij verzekerd werd.
Tijdens de revolutie die een eind zal maken aan het kapitalisme zal de beslissende rol daarentegen gespeeld worden door het bewustzijn, de bezieling, de solidariteit, de heldhaftigheid en de strijdbaarheid van de grote proletarische massa’s. Zonder die subjectieve kracht, zonder de betrokkenheid van een groot aantal bewuste individuen, zal de revolutie niet mogelijk zijn. Piti legt de nadruk op het belang van het bewustzijn (wat hij voorwaarde van ‘zelfbewuste individuen’ noemt), op solidariteit en wederzijds vertrouwen (wat hij ‘gemeenschap van rebellen’ noemt)… Wij delen die zorg: voor ons is het momenteel één van de fundamentele opgaven van de huidige generaties van de arbeidersklasse om in en door de strijd bewustzijn en solidariteit te ontwikkeling en hun eigen maatstaven aan te leggen. Zonder een ontwikkeling op grote schaal van de geestelijke en morele krachten zal de wereldrevolutie niet mogelijk zijn.
Daartegenover meent Piti dat de arbeidersklasse geen revolutionaire klasse meer is. Hij zegt niet dat de klassenstrijd verdwenen is, hij ontkent ook niet dat die strijd in andere fasen van het kapitalisme bestaan heeft en de motor van historische verandering was, maar zijn uitgangspunt ligt vast: : “Wat ik de ‘eerste aanval op de klassenmaatschappij’ noem (ik heb het dan over het begin van de twintigste eeuw en zijn revoluties in bijvoorbeeld Rusland, Kronstadt en Duitsland) en de ‘tweede aanval op de klassenmaatschappij’, mei 1968, de autonomenrevoltes in Duitsland, Autonomia Operaia in Italië, de arbeidersstakingen in Polen, de beweging van de assemblees in Spanje, dat waren bewegingen die verslagen werden, de zelfstandigheid van de arbeiders werd de nederlaag toegebracht.”
Zeker, de internationale revolutionaire golf werd verslagen en die nederlaag zette de deur open voor de vreselijkste contra_revolutie uit heel de menselijke geschiedenis. Het is ook waar dat de aanvankelijke prikkel van de arbeidersstrijd in 1968 geleidelijk aan verwaterde tot zich in 1989 een zware terugval voordeed in het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeiders.
Maar waarom trekt Piti uit die mislukkingen de conclusie dat de arbeidersklasse haar revolutionaire aard verloren zou hebben? Hij steunt daarvoor op twee dingen: enerzijds heeft het kapitalisme zo’n grote verandering doorgemaakt dat we momenteel tegenover een nieuw ‘economisch model’ staan, en anderzijds brengt dit nieuwe economisch model zoveel sociale veranderingen met zich mee dat die het einde betekenen van de arbeidersklasse als revolutionaire klasse. “Dan (in de jaren 1980) beginnen de veranderingen. De vakbonden, als instrumenten van de integratie van de arbeidersklasse, ageren rechtstreeks voor hun eigen belangen door met patronaat en staat te onderhandelen, waarbij ze zonder protest de politiek van sociale afbraak en personeelsverminderingen aanvaarden. Dat breekt een hele generatie van rebellen, een gemeenschap van rebellen die werd overgeërfd uit de vorige etappe, het breekt haar bewustzijn. De arbeidersklasse wordt uit de bedrijven gegooid, er zijn industriële reconversies en de tertiaire sector gaan domineren in de economie (verandering van economisch model), en de delokalisatie van bedrijven op zoek naar goedkope en slaafse arbeidskracht [...] De technologie speelt een fundamentele rol, er is een technologische revolutie die maakt dat veel arbeiders verplicht worden vormingsstages te volgen. De technologie speelt in de kaart van de globalisering van de economie en de automatisering. Nochtans laten die nieuwe voorwaarden toe het welzijn van een minderheid van arbeiders te verbeteren. De technische kaders doen hun intrede, de arbeiders_eigenaars, de kleine ondernemers, enz. [...] De huidige periode is uniek en er komt geen terugkeer in het productief systeem, we komen niet terug naar de fabrieksidentiteit’.”
Gedurende heel zijn geschiedenis heeft het kapitalisme talrijke technologische, organisatorische en sociologische veranderingen doorgemaakt... Het kapitalisme is een dynamische productiewijze, altijd gedwongen om onophoudelijk zijn organisatie, zijn productiemethoden en -middelen te veranderen… Het Kommunistisch Manifest erkent dat “De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productie_instrumenten, dus de productieverhoudingen, dus alle maatschappelijke verhoudingen, voortdurend te revolutioneren. Onveranderde instandhouding van de oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde voor alle vroegere industriële klassen. De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken verstoring van alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheiden het bourgeoistijdperk van alle andere.”
Maar betekent dat dynamisme ook een verandering in de aard van het kapitalisme, een wijziging van de grondvesten van dit uitbuitingssysteem?
Het kapitalisme heeft talrijke stadia doorlopen zoals de manufactuur, het mechanisatie, de grote industrie, het monopoliekapitaal, het imperialisme, het staatskapitalisme. De heerschappij van de kapitalistische eigendom is voortdurend veranderd (handelaars, individueel bezit van industriebaronnen, gezamenlijk bezit door middel van aandelenmaatschappijen, volslagen staatsbezit – zoals in de zogenaamd ‘socialistische’ landen – of gemengd, multinationaal bezit…); de technieken hebben spectaculaire veranderingen ondergaan (zoals mechanisatie, spoorwegen, stoomschepen, luchtvaart, telecommunicatie, informatica, olie_ en atoomenergie); de arbeidsorganisatie heeft ook verschillende stadia doorlopen (zoals extensief, intensief, wetenschappelijke arbeidsorganisatie en lopende band, enorme industrieconglomeraten, decentralisatie, delokalisaties, onderaanneming); het arbeidsregime neemt verschillende vormen aan (zoals thuiswerk, vrouwen- en kinderarbeid, arbeid van onbepaalde duur, ambtenaren, dwangarbeid, dagloners, tijdelijke en deeltijdse baantjes, taakarbeid, stukwerk). Toch loopt daar een rode draad doorheen, als een onveranderlijke kern in een doorlopend veranderende veelheid:
– De onteigening van de producenten, zodanig dat de boeren en handwerkers van hun productie- en levensmiddelen gescheiden worden, en eenmaal arbeider geworden het juk van de loonarbeid krijgen opgelegd om in hun behoeften te kunnen voorzien.
– De uitbuiting van de arbeidskracht van de arbeider waarvan het loon zijn individuele reproductie en die van zijn familie moet dekken, door meerwaarde voort te brengen die de kapitaalsaccumulatie dient.
– De accumulatie van het kapitaal. Het doel van de productie is niet zozeer het bevredigen van de consumptiebehoeften van de heersende klasse, maar wel de herinvestering van de meerwaarde die een nieuw kapitaal reproduceert.
Wanneer Piti de globalisering aanhaalt als een grote fundamentele verandering die zich tijdens de jaren 1980 voordoet, dan moeten we hem erop wijzen dat hij iets ontdekt dat al een eeuw eerder plaatsvond: “De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. [...] In plaats van de oude, door de producten van het eigen land bevredigde behoeften, treden nieuwe, welker bevrediging de producten van de verst afgelegen landen en verst verwijderde klimaten vereist. In plaats van het oude plaatselijke en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een alzijdig verkeer, een alzijdige afhankelijkheid van de naties van elkaar. En zoals het in de materiële productie is, zo ook in de geestelijke. De geestelijke voortbrengselen van de afzonderlijke naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en bekrompenheid worden meer en meer onmogelijk en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur. De bourgeoisie trekt door de snelle verbetering van alle productiewerktuigen, door de oneindig vergemakkelijkte communicaties alle, ook de meest barbaarse, naties binnen de beschaving. De lage prijs van haar waren zijn de zware artillerie waarmee zij alle Chinese muren plat schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren tot capituleren dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, indien zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zichzelf in te voeren, dat wil zeggen bourgeois te worden. In één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.” Deze passage komt niet uit een vurige tekst voor of tegen de globalisering, maar uit het Kommunistisch Manifest, geschreven in 1848!
Technologische revolutie? Het is waar dat de telecom-municatie, de informatica en de elektronische netwerken een sterke ontwikkeling hebben doorgemaakt; er wordt gesproken over biotechnologie en stamcellen; het is waar dat grote stukken landbouwgrond ten prooi vallen aan grondspeculatie die imponerende wolkenkrabbers laat ontstaan, chips-gestuurde huisvesting en hele rijen... lege flatgebouwen. Maar die ‘fascinerende’ veranderingen vertegenwoordigen geen reële ontwikkeling; ze lijken meer op de laatste oprispingen van een zieke maatschappij. Bovendien is geen van die veranderingen te vergelijken met de radicale omwentelingen die plaatsvonden in de opkomstperiode van het kapitalisme: “De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderd jaar oude klasseheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle voorgaande generaties tezamen. Onderwerping van de natuurkrachten, machinerie, toepassing van de chemie in industrie en landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, het ontginnen van gehele werelddelen, het bevaarbaar maken van rivieren, gehele uit de grond gestampte bevolkingen – in welke vroegere eeuw had men vermoed dat zulke productiekrachten in de schoot van de maatschappelijke arbeid sluimerden?” (Kommunistisch Manifest).
De kapitalistische productiewijze wordt niet in de eerste plaats bepaald door de techniek, de organisatievormen van de onderneming of de arbeid… Die draaimolen is niet meer dan de buitenkant die het mechanisme verbergt: de productieverhoudingen die gebaseerd zijn op loonarbeid en onttrekking van meerwaarde. Die hoofd-mechanismes zijn niet in het minst veranderd. Zij blijven de pijlers die heel het gebouw rechthouden. Piti, die de spektakelmaatschappij zo zwaar op de korrel neemt, is zelf het slachtoffer van een optische illusie die kenmerkend is voor het kapitalisme: vergeleken bij de starre onveranderlijkheid van de voorafgaande maatschappijen lijkt het kapitalisme een onophoudelijke caleidoscoop van veranderingen, maar die laten de grondvesten altijd onaangeroerd.
Die vormen zijn evenmin bepalend voor de werkelijke dynamiek van het kapitalisme. Dat is altijd koortsachtig op zoek naar een steeds groter meerwaarde-massa en een steeds omvangrijker markt in verhouding tot haar accumulatiebehoeften. Zodra het kapitalisme in het begin van de twintigste eeuw de wereldmarkt beheerst komt het door die onafwendbare dynamiek in de historische fase van verval en neergang. Die fase is natuurlijk nog steeds die van de huidige maatschappij, met zijn onophoudelijke oorlogen, zijn grenzeloze barbaarsheid, zijn economische crisissen en stuiptrekkingen, zijn staatstotalitarisme en zijn ideologische en morele ontbinding. De veranderingen waarover zoveel drukte wordt gemaakt zijn oppervlakkig (technisch, financieel, diensten), maar men vergeet helemaal die andere ‘verandering’ die van veel grotere betekenis is, die doorslaggevend is voor het dagelijkse leven van enorme mensenmassa’s. De overgang van de opkomstperiode van het kapitalisme naar zijn fase van verval, waardoor heel de twintigste eeuw gekenmerkt wordt, stelt ons in staat te begrijpen waar al dat vreselijk lijden, waar die diepe ontreddering ie miljoenen mensen ondergaan vandaan komt, ze helpt ons de realiteit te begrijpen van een maatschappij in doodsstrijd, ze geeft ons de kracht en het bewustzijn om te vechten voor de opbouw van een nieuwe maatschappij. De andere visie daarentegen verblindt ons met een ‘moderniteit’ en een ‘vooruitgang’ waarachter de vreselijke hel schuilgaat waarin het overgrote deel van de mensheid verkeert.
Accion Proletaria / 16.05.2005
(1) Ze spreken over arbeidersautonomie om hun boodschap kracht bij te zetten over het einde van het proletariaat, in Accion Proletaria, nr. 181.
(2) Piti is één van de kameraden die aan het discussieforum deelnamen om een standpunt te verdedigen dat zijzelf omschrijven als ‘neo_situationistisch’.
Het werkloosheidsprobleem staat in het centrum van de vragen die worden opgeworpen door de rellen die zich afspeelden in de Franse voorsteden. Maar in tegenstelling tot wat de bourgeoisie en haar politici ons voorhouden, is het geen probleem dat beperkt blijft tot de immigrantenjongeren. Met al de wekenlang overbelichte debatten en betogen werd geprobeerd ons er van te overtuigen dat het uitsluitend zou gaan om een vraagstuk van de jongeren van Afrikaanse en Noord-Afrikaanse afkomst die opeengepakt zitten in de getto’s van de voorsteden waar de werkloosheid 30 tot 40% bedraagt. Door het voor te stellen als een specifiek probleem van mensen die aan hun lot zijn overgelaten, heeft de heersende klasse in Frankrijk net zoals in andere landen, alle aandacht gericht op een bijzondere deel van de bevolking, op de jongeren zonder toekomstperspectief, met de bedoeling het uiteindelijke probleem te verdoezelen en uit de weg te gaan. Het vraagstuk van de werkloosheid raakt en bedreigt de hele arbeidersklasse. Elke dag komen er nieuwe karrenvrachten massale ontslagen bij en worden er duizenden arbeiders op de keien gezet niet alleen in Frankrijk maar in van de meest ‘ontwikkelde’ landen, net zoals overal elders. Wat de bourgeoisie probeert te verbergen is de diepgaande betekenis van deze massawerkloosheid. Ze probeert te verhinderen dat er een verband wordt gelegd tussen de verschijnselen in de voorsteden en de alledaagse ontslagen van proletariërs. Deze polarisering op het meest kansarme, meest broze, meest kwetsbare en verloederde deel van de arbeidersklasse, is niet nieuw: in de jaren 1980 werden de groei van de massale werkloosheid, de ontmanteling van het systeem van sociale zekerheid en het brutaal wegzinken in de verpaupering van de arbeidersklasse op rekening geschreven van een nieuwe sociologische categorie die de ‘nieuwe armen’ werd gedoopt en die men aldus marginaliseerde ten opzichte van de rest van de arbeidersklasse.
De bourgeoisie heeft de ellende en ontreddering die het kapitalisme teweegbrengt altijd cynisch benut. Diegenen die worden voorgesteld als havelozen, die elke hoop op een toekomst hebben laten varen, die geen perspectieven noch houvast meer hebben, die willens en wetens worden genegeerd en al tientallen jaren worden veracht, worden van de ene dag op de andere voor het voetlicht gebracht alsof de maatschappij om hen draait. Het is de boom waardoor we het bos van de groeiende ellende niet meer zien waardoor de arbeiders steeds harder worden getroffen. Daarmee doet de heersende klasse een poging om een waaier van verklaringen uit te spreiden over de oorsprong en de aard van het probleem: identiteitscrisis van de jeugd, onvoldoende integratie van immigranten, ongelijkheid van kansen, discriminatieproblemen bij sollicitaties, gebrek aan opvoeding tot burgerzin als gevolg van mislukkingen op school, opkomst van racisme en vreemdelingenhaat...
Al deze oppervlakkige en gedeeltelijke verklaringen komen de bourgeoisie van pas voor het bedrog dat er ‘oplossingen’ zouden bestaan, mogelijke hervormingen om binnen het kapitalisme het lot van de jongeren in de voorsteden te verbeteren. Maar alle voorstellen en volslagen illusoire maatregelen van de regering kunnen het probleem van de werkloosheid niet oplossen: leercontracten vanaf veertien jaar, meer geld en middelen vrijmaken voor verenigingsinstellingen, toename van het aantal vormingsplaatsen, vrijwillige burgerdienst, en ga zo maar door. Deze maatregelen zijn, gezien de toenemende druk van de werkloosheid, van de tijdelijke en deeltijdse baantjes en de ellende in de maatschappij, pogingen die tot mislukken zijn gedoemd. Het is voornamelijk zand in de ogen strooien. Alle fracties van de bourgeoisie, van links zowel als van rechts hebben niets beters meer te vertellen. Maar dat maakt het wel mogelijk om de stromen gif van ideologische propaganda uit te storten die er fundamenteel toe dienen om de uitgebuiten te verdelen, om de wederzijdse belangen tegen elkaar uit te spelen. De heersende klasse rechtvaardigt daarmee een permanente kloof tussen de generaties, tussen autochtone en allochtone arbeiders, tussen werkende en werkloze arbeiders. Enerzijds jut ze de werklozen op om de arbeiders die nog werk hebben te beschouwen als bevoorrechten die niet te klagen zouden hebben laat staan strijd zouden mogen leveren voor de verdediging van hun lonen, tegen de vermindering van hun pensioenen en de verslechtering van hun arbeidsvoorwaarden. Anderzijds zet ze de arbeiders er toe aan om zich iedere toekomstige strijd van werklozen in te beelden als een uiting van ‘gepeupel’, dat tot niets anders in staat is dan het ontketenen van blinde razernij, haat en zelfvernietiging.
De diepgaande sociale malaise die uit de onlusten in de voorsteden bleek is de uiting van de economische wereldcrisis van het kapitalisme en onthult het onherstelbare bankroet van dit systeem. Daarom brachten de rellen in de voorsteden zo’n grote onrust teweeggebracht bij de andere Europese bourgeoisieën die met hetzelfde probleem geconfronteerd worden. Als de jongerenrellen in de buitenwijken, die in het teken staan van het ‘no future’, op zichzelf geen enkele toekomst of uitzicht bieden omdat ze de loutere weerspiegeling zijn van de kapitalistische hel, dan onthullen ze toch het diepe ongenoegen en de uitzicht-loosheid van het in crisis verkerende kapitalistische systeem dat niet langer in staat is om de jonge generaties op te nemen in zijn productieapparaat. Deze wel heel sprekende uiting van het bankroet van het kapitalisme stelt meer dan ooit het alternatief: omverwerping van de burgerlijke orde of het wegzinken van de hele menselijke maatschappij in chaos, ellende en barbarendom.
Het enig noodzakelijke en mogelijke antwoord op de werkloosheid die steeds meer arbeiderskinderen bedreigt, is het in beweging komen, de ontwikkeling van eensgezinde en massale verdedigingsstrijd van de arbeidersklasse tegenover de ontslagen en alle aanvallen die ze ondergaat. Enkel de klassenstrijd zal het mogelijk maken dat de arbeiders die nu tot werkloosheid veroordeeld zijn en degenen die momenteel betrokken zijn bij de onlusten, de kans te geven hun plaats te vinden in een positief revolutionair en internationalistisch perspectief. Tegenover het ‘no future’ en de wanhoop die blijkt uit de rellen in de voorsteden blijft het proletariaat de enige draagster van de toekomst omdat het de enige sociale kracht is die het kapitalistische uitbuitingssysteem omver kan werpen, die de ellende, de werkloosheid kan uitroeien, die de loonarbeid, de winst en concurrentieverhoudingen kan afschaffen. Het is de enige klasse die kan bewerkstelligen dat er andere sociale verhoudingen worden doorgevoerd en kunnen opbloeien, waardoor de mensheid uiteindelijk vastbesloten kan beginnen met het bevredigen van haar behoeften.
W / 18.11.2005
Na de smerige slag die de arbeiders te verduren kregen met de goedkeuring van het ‘Solidariteitspact tussen de generaties’, besliste de eerste ministerraad van januari 2006 in volle euforie dat hij verder zou gaan met het ‘op orde stellen’ van de Belgische economie, met andere woorden dat het nog niet gedaan was met het ondergraven van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse. Nu heeft de liberaalsocialistische coalitie het gemunt op de lonen van de werkenden. Het rapport van de Nationale Bank van midden februari komt als geroepen. Daarin wordt weer aangedrongen op een ‘competitiviteitspact’ en op een vermindering van de bedrijfslasten. ‘Algemene mobilisatie in naam van de competitiviteit’ titelt Le Soir van 16 februari. De gouverneur van de Nationale Bank, het VBO en de regering hadden al vóór Kerstmis 2005 de intentie om de loonkost ter discussie te stellen. Maar de vakbonden zagen het nog niet zitten om reeds over een nieuwe loonmatiging te ‘onderhandelen’ terwijl zij nog volop bezig waren acties uit te stippelen om de strijdbaarheid tegen het solidariteitspact uit te putten (zie Internationalisme, nr. 323).
Men weet dus waaraan men zich kan verwachten en dit des te meer omdat de socialisten en de vakbonden in de eerste linie staan om te erkennen dat de ‘lonen uit de hand lopen’. Zo heeft Frank Vandenbroucke, de vroegere federale minister van tewerkstelling en een van de architecten van het ‘Solidariteitspact’, verklaard dat de Belgische lonen te hoog zijn en dat er een politiek dient gevoerd te worden van loonmatiging over verschillende jaren. Verder bevestigt hij wat de nieuwe voorzitter van de Vlaamse socialisten, Vande Lanotte al had bekend: “We hebben een zeer zachte methode gekozen. Maar dat is niet het eindpunt van de hervormingen; het werk moet nog beginnen...” (De Morgen, 21.1.06). Ook de voorzitter van de Waalse PS, Di Rupo, verklaarde reeds in augustus 2005: “We kunnen ons geen groter wordende kloof permitteren wat de arbeidskost betreft met onze buurlanden.” De christen-democraten tenslotte bevestigen bij monde van Milquet hun grote zin voor verantwoordelijkheid: “Er is een probleem met de competitiviteit” (RTL TV, 13.01.06). De vakbonden vervolledigen het eensgezinde koor: “Wij ontkennen niet het bestaan van een deficit op het vlak van de competitiviteit, maar er mag niet geraakt worden aan de minimumlonen.” (FGTB). (Bedankt voor de andere !!). Zij voegen er aan toe: “Wij hebben geen keuze. De wet dwingt ons het probleem terdege aan te pakken. Tussen de sociale partners moet men proberen een gemeenschappelijke analyse te delen.” (CSC, Le Soir, 08.01.06). Het betreft dus geen vage plannen die door om het even wie worden gemaakt. Van links tot rechts, vakbonden inbegrepen, heerst er een mooie eensgezindheid in de schoot van de Belgische bourgeoisie: De Belgische loontrekker kost te veel!
Natuurlijk verklaart iedereen, van eerste minister Verhofstadt tot Di Rupo of de vakbonden, dat men niet zal raken aan de index. En de eerste minister looft de “opbouwende geest van de sociale partners die tot een akkoord zullen komen omtrent de competitiviteit van de bedrijven” (Le Soir, 28- 29.01.06). Zulke verklaringen maken deel uit van de zachte methode die de socialisten van noord en zuid zo nauw aan het hart ligt: “We kunnen de index behouden, maar er zal weinig overschieten voor de loonsverhogingen” (Vanden-broucke, De Morgen, 21.01.06). In werkelijkheid vermijden de regering en de ‘sociale partners’ om de index frontaal in vraag te stellen; deze wordt immers als een soort symbool behouden maar tegelijk van elke inhoud ontdaan door middel van ‘all-in’ sectoriële akkoorden die de loonmatiging reeds vastleggen in de bouw, de metaalconstructie, de voeding, de schoonmaak, de garages, de elektriciens en het hout, met andere woorden in totaal bij één loontrekker op vijf in België en het is de bedoeling zulke akkoorden te veralgemenen voor alle loontrekkers. Het ‘all-in’ bestaat erin een gemeenschappelijke pot te onderhandelen die een combinatie is van loonsverhoging en indexatie. Als de stijging de voorziene inflatie overstijgt knaagt men aan de verhogingen. Zonder die indruk te geven mikt de bourgeoisie er op om via dit procédé de lonen te verlagen. Want zelfs met het indexsysteem, dat ‘de wereld ons benijdt’ en ondanks de ‘loonontsporingen’ die door links en rechts worden aangeklaagd, erodeert de koopkracht van de werkenden en de sociale uitkeringsgerechtigden langzaam maar zeker. Volgens een studie van het Onderzoeks- en Informatiecentrum van consumentenverenigingen, is de koopkracht van de ambtenaren met 2,8% verminderd, die van de loontrekkers met 2,08% en die van de ‘economisch zwakkere gezinnen’ met 3,2%.
De argumentatie van Verhofstadt, Di Rupo, Vande Lanotte of van de sociale partners naar de arbeidersklasse toe is fundamenteel dezelfde : het is een oproep tot de opofferingsgeest voor het algemeen welzijn, een oproep tot sociale vrede, tot positief denken. De ‘loonmatiging’ is van levensbelang voor het behoud van de competitiviteit die op haar beurt zou toestaan de levensstandaard te behouden, de tewerkstelling te verzekeren tegen de delocalisaties, en de verzorgingsstaat te redden. Deze schijnheilige argumenten zijn er slechts op gericht om de werkenden een rad voor de ogen te draaien:
– Met een volleerd cynisme, beweert de bourgeoisie de levensstandaard te waarborgen... door de lonen te verlagen en de pensioenen aan te vallen... door herstructureringen die de tewerkstelling vernietigen te bewerkstelligen (ARCELOR, Ford, Belgacom, INBEV,…), door haar toevlucht te nemen tot goedkope arbeidskracht uit het zwarte circuit of volledig legaal dank zij de ‘grote Europese tewerkstellingsmarkt’;
– Zij schrikt er niet voor terug te liegen om deze boodschap er door te rammen. Als men zich buigt over de officiële cijfers van de loonkost in de Belgische industrie (berekend door de Nationale Bank), stelt men vast dat België zich op de twaalfde plaats bevindt juist voor Spanje en Portugal en ver achter Groot-Brittannië en Duitsland, waar de loonkosten 30 tot 40% hoger zijn (Nationale Bank, De industrie in België, p. 27);
– Dat is net zo met de chantage ten overstaan van de delocalisaties en de sluitingen van bedrijven. Zelfs in zeer competitieve bedrijven zoals Daimler in Duitsland of VW en INBEV in België, aarzelt de bourgeoisie niet dit soort chantage te gebruiken om het opgeven van de ‘voordelen’ te eisen ten einde de productiekosten te drukken (zie Internationalisme, nr. 310).
De arbeiders in België moeten weten dat dit gezwets, met bijna dezelfde cijfers en argumenten, ook in Duitsland, Nederland of in Frankrijk aan hun collega’s opgedist wordt door hun respectievelijke bourgeoisieën. Deze politiek sleurt dus het geheel van de arbeidersklasse mee in een helse spiraal van loonsdalingen, sluitingen, vermindering van de sociale uitkeringen in het geheel van de industrielanden.
De tamtam rond de ‘verantwoordelijkheidszin van de arbeiders’ heeft vooral tot doel de ware redenen van de crisis en van de inleveringen weg te moffelen: immers, in een toestand van verzadiging van de markten, van toegespitste concurrentie tussen de nationale kapitalen, van groeiende impasse van een in het nauw gedreven systeem, kan ‘de loontrekkende alleen maar te duur zijn’! In feite heeft de bourgeoisie geen enkele andere uitweg meer dan de veralgemeende agressie tegen de levensstandaard van de arbeidersklasse, het opdringen van een steeds zwartere ellende en een radeloze vlucht in de oorlogsbarbarij. Bijgevolg zijn de mediacampagnes over de bedreigingen voor de competitiviteit en over de delocalisaties er enkel op gericht om druk uit te oefenen op de lonen, om de arbeidersklasse mee te slepen achter de verdediging van het nationaal kapitaal, om de ware redenen van de economische wereldcrisis te verdoezelen, om de arbeiders te ontwapenen in hun verzet tegen de aanvallen op hun levensstandaard.
Als links en de vakbonden de spits afbijten in deze campagne en met ijver de noodzaak van deze maatregelen verdedigen, als ze in de eerste linie staan om de nationale economie te redden, dan is dat eenvoudigweg omdat zij de vurigste verdedigers zijn van het kapitalistische systeem en zijn ‘democratische’ staat. Di Rupo, Vande Lanotte en consorten kunnen mooi zeggen dat, zonder hun aanwezigheid in de regering, de sociale teloorgang nog erger zou zijn. Men moet stekeblind zijn om niet de centrale rol te zien die de PS/SPa spelen in de uitwerking van de soberheidsplannen die wij al vijftien jaar lang aangesmeerd krijgen, noch hun niet aflatende inspanningen om ons te doen geloven dat er geen andere wegen zijn dan de competitiviteit van de bedrijven, de loonmatiging, de solidariteitspacten met de bourgeoisie, waarbij zij zelf de vurigste verdedigers blijken te zijn van het nationaal kapitaal en de burgerlijke staat. Hoe kan men nog geloof hechten aan de voornaamste verantwoordelijken voor deze trage maar zekere sociale teloorgang wanneer zij beweren te strijden tegen de ellende, terwijl zij zelf ten volle bijgedragen hebben om deze te verergeren. De vakbonden zijn een andere hoofdpion in het arsenaal van de bourgeoisie. Zij doen volledig mee in de tactiek van het zacht doorvoeren van de hervormingen, nadat ze eerst de woede, de ongerustheid over de toekomst en het ongenoegen van de arbeidersklasse hebben ingekapseld. De ronkende oorlogsverklaringen van de vakbondsleiders werden snel opgeborgen. En hun laatste kuiperijen, de bekrachtiging van de beginselen van het ‘competitiviteitspact’, laten geen enkele twijfel omtrent hun bedoelingen.
Het laatste trimester van 2005 werd in België gekenmerkt door een begin van heropkomst van de strijdbaarheid, zoals dit ook tot uiting kwam in het merendeel van de industrielanden. In de sociale bewegingen van het afgelopen jaar, heeft een nieuwe generatie van proletariërs zich ook in België gemanifesteerd maar de vakbonden waren er als de kippen bij om ze in te kapselen. Vanuit dit gezichtspunt is de betekenisvolle aangroei van de bij een vakbond aangesloten jonge werkenden die de laatste weken zo dik in de verf gezet werd door de media, een uiting van tegenstrijdige tendensen. Enerzijds drukt het de groeiende ongerustheid uit over de toekomst, die tot uiting komt in brede lagen van jonge arbeiders en hun wil om zich niet te laten uitbuiten zonder strijd. Anderzijds is het een illustratie van de illusies in links en in de vakbonden die nog taai zijn en verbonden zijn aan een herwonnen geloofwaardigheid van deze laatsten in de jaren 1990. Het toont dus dat het bewustzijn van deze elementen met betrekking tot de wapens en de perspectieven van hun strijd nog laag is. Maar onder de mokerslagen van de crisis en de aanvallen van de bourgeoisie, tegenover het gekonkel van de vakbonden, zullen de verzuchtingen van de nieuwe generatie van proletariërs onvermijdelijk hevig in botsing komen met de praktijk en de aard van de vakbonden. Uit deze botsing zal geleidelijk een bewustwording groeien dat enkel de strijd, die de arbeiders zelf in handen nemen, hen kan leiden op weg naar de overwinning tegen de uitbuiting.
J&J / 26.02.06
Vandaag voeren de socialistische partijen, waar ook ter wereld, of ze nu in de regering zitten of in de oppositie, een zelfde politiek tegen de arbeiders, door de arbeidersstrijd te misleiden en af te leiden, of door zelf rechtstreeks soberheidsmaatregelen door te voeren. Zij zijn het ook die de arbeiders meegesleept hebben in de slachtpartijen van de wereldoorlogen van de twintigste eeuw en die vandaag deelnemen aan de uitbreiding van de oorlogsbarbarij. En morgen zullen diezelfde partijen niet aarzelen de strijd van het proletariaat in bloed te smoren wanneer dat vereist wordt om het kapitaal veilig te stellen, zoals ze al talloze keren aangetoond hebben in de afgelopen eeuw. In naam van die realiteit van vandaag verwerpen vele mensen de betekenis en de bijdragen van de sociaal-democratie in de negentiende eeuw, omdat ze die verbinden aan het gekonkel van de PS van Di Rupo of van de SPa van Vande Lanotte, die zich trouwens beroepen op die afstamming.
Ons artikel over de ontwikkeling van de sociaal-democratie in België in de negentiende eeuw wil de fundamentele bijdrage van de sociaal-democratie aan de proletarische strijd in het licht stellen, los van het verraad en haar overgang naar het kamp van de bourgeoisie bij het begin van de twintigste eeuw. Door die continuïteit te verdedigen willen wij de partijen de hemel niet in prijzen die deel uitmaakten van de Tweede Internationale. Het gaat er ons nog minder om hun praktijk voor te stellen als iets dat bruikbaar zou zijn in ons tijdperk. En het gaat er al helemaal niet om de erfenis op te eisen van de reformistische fractie die vergleed naar 'sociaalchauvinisme' en die bij het uitbreken van de oorlog overliep naar het kamp van de bourgeoisie. Waar het wel om gaat, is te begrijpen dat de Tweede Internationale, en de partijen zoals de BWP waaruit zij bestond, authentieke uitdrukkingen van het proletariaat waren op een belangrijk moment in de geschiedenis van de arbeidersbeweging.
De geschiedenis heeft de ontwikkeling van de arbeidersklasse in België het leven niet gemakkelijk gemaakt. Het proletariaat had achtereenvolgens te lijden onder de opeenvolgende overheersing door Oostenrijk, Frankrijk en Nederland die onze streken tot in 1830 aan hun eigen economische en politieke eisen onderwierpen. Daarna waren er de tegenstellingen die voortvloeien uit het kunstmatige kader van de schepping van de Belgische staat in 1830 die de ontwikkeling van bewustzijn en organisatie van het proletariaat zwaar belast hebben. De Belgische bourgeoisie kon niet volop profiteren van de expansieperiode van het kapitalisme en de spectaculaire industriële groei om zijn innerlijke tegenstellingen uit te vlakken. Het gebrek aan economische homogeniteit en eenheid van België en de politieke instabiliteit hebben sterk bijgedragen tot het binnendringen van regionalistische, lokalistische en corporatistische reflexen in de rangen van het opkomende proletariaat. De wrede concurrentie tussen Waalse arbeiders en Vlaamse geproletariseerde boeren werd nog op de spits gedreven en voortdurend uitgebuit door de bourgeoisie. De ruimte en mogelijkheden voor hervormingen werden beperkt door de interne tegenstellingen van de bourgeoisie, waarvoor strakheid en repressieve discipline in de plaats kwamen. In tegenstelling tot Engeland, waar de ontwikkeling van het kapitaal en de stabiliteit van de econome en het politieke kader de bourgeoisie in de gelegenheid stelden toegevingen te doen aan de arbeidersklasse, werd België, na Groot-Brittannië toch het meest geïndustrialiseerde land van die tijd, traditioneel steeds beschouwd als het land met de laagste lonen en de langste werkdagen, en dit tot het einde van de negentiende eeuw.
De materiële ontbering, de fysieke ellende, de culturele onontwikkeldheid, de gelatenheid, de onwetendheid, de onderwerping aan de geestelijkheid en de samenstelling die sterk beïnvloed is door haar professionele en agrarische afkomst, laten ons toe het lage peil te begrijpen van het klassenbewustzijn en de organisatiegraad. De eerste beroepsverenigingen en weerstandskassen die vanaf 1840 opgericht werden bleven door hun lokalisme en corporatisme meestal geïsoleerd, remden de eenmaking van de arbeidersstrijd af en hielden zich verre van internationale contacten. De strijd heeft vaak een explosief en spontaan karakter, een weerspiegeling van de wanhoop, de woede en verbittering. De arbeiders protesteren, maar formuleren geen enkele precieze eis, ze verwerpen de mechanisering... Die sociale uitbarstingen monden uit op genadeloze repressie: "Het gaat er voor de bourgeoisie om elke bewustwording bij de arbeiders in de kiem te smoren en de minste vorm van oppositie te ontmoedigen." (M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p. 13) In betogingen en bij stakingen vallen tientallen doden en tussen 1830 en 1860 worden meer dan 1600 arbeiders vervolgd voor stakingsfeiten. Daarom onderstreept de beroemde Oproep tot de arbeiders van Europa en Amerika die door de IWV gedaan wordt in 1869, wanneer hij verwijst naar de belangrijke stakingen die toen plaatsvonden in de Borinage, dat er "in de beschaafde wereld maar één klein land is waarvan het leger tot taak heeft de stakende arbeiders te vermoorden, waar elke staking gretig en kwaadaardig als voorwendsel gebruikt wordt om officieel arbeiders af te slachten. Dat kleine land dat zo speciaal begiftigd is, dat is België."
Die moeilijkheden van de arbeidersbeweging in België zijn een levende illustratie van het feit dat ellende op zich niet volstaat. Er is een klasse nodig die vertrouwen krijgt in zichzelf, die zich op zelfstandige manier organiseert, die zich bewust wordt, om op zegevierende wijze te weerstaan aan de aanvallen van het kapitaal.
Deze situatie verklaart de moeilijkheden die de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in deze streken kende. De actieve deelname van het proletariaat aan de 'Belgische revolutie' van 1830 had eerst geleid tot tolerantie ten opzichte van de verspreiding van de blanquistische, utopisch-socialistische en vooral proudhonistische ideeën. Een eerste arbeidersvereniging wordt door J. Kats opgericht in 1836 in Brussel. Tussen 1843 en 1847 zien we verschillende groeperingen ontstaan (het Genootschap Agneessens met J. Pellering, de Arbeidersassociatie, de Democratische Associatie, een internationale groepering die zich vooral inspireert op Fourier en waarvan Marx en elementen van Agneessens deel uitmaken, de Alliantie, enzovoort). Dat zorgt voor een zekere gisting, maar diep gaat het nog niet. Ondersteund door bourgeois die gewonnen zijn voor de democratische ideeën, zetten de beweging en haar ideeën zich niet door als die van een klasse die tegengesteld is aan de bourgeoisie: "de socialistische ideeën bestonden toen uit een mengsel van democratie, republicanisme, gevoelsmatig socialisme en atheïsme... [die] weinig weerklank vonden bij de massa's." (L. Bertrand, Histoire de la Démocratie et du Socialisme en Belgique depuis 1830, Vol 2, p. 206). Er bestaat nog geen arbeidersklasse die zich bewust is van zichzelf en van haar kracht.
De repressie na de revoluties van 1848 in Europa deed vele elementen naar België vluchten, maar de tolerantie uit de jaren 1830 heeft er plaats gemaakt voor een zeer nauwgezet toezicht. Hoewel Marx en andere Duitse kommunisten, die vooraan staan bij de internationale inspanningen tot ontwikkeling van het proletarisch programma, rond 1845 enkele jaren in Brussel verblijven, zijn het toch vooral de talrijke Franse vluchtelingen van na de staatsgreep van 1851 in Parijs die de jonge arbeidersbeweging beïnvloeden. Het Proudhonisme met zijn ideeën van wederzijdse steun en coöperaties plant zich stevig in en wordt vooral verwoord en verspreid door Jan Pellering en de Luikenaar Nicolas Coulon. Het drukt het verlangen uit van een terugkeer naar een afgesloten verleden en houdt zich afzijdig van elke politieke en economische strijd van het proletariaat. Rond 1860 concentreert de socialistische en democratische propaganda zich, na een afsplitsing van de beweging van Pellering en Coulon, in de Association de la démocratie militante socialiste: le Peuple in Brussel, nog altijd van antiklerikale inspiratie ("rationalisme en socialisme horen samen") en proudhonistisch, maar opener en meer gericht op solidariteit.
De ontwikkeling van organisaties van syndicaal type wordt tegengewerkt door het misprijzen van de Proudhonisten voor de economische strijd. Terwijl in Groot-Brittannië vanaf het einde van de achttiende eeuw de eerste hulpkassen en arbeidersverenigingen ontstaan, dat die vanaf 1842 de afschaffing bekomen van het verbod op coalities en dat ze voordeel halen uit de vakbondskaders die al gevormd werden in de illegaliteit, vormen de arbeidersvakbonden in België zich pas vanaf 1857 en blijven ze verboden tot 1866. Die tweede tak van de arbeidersbeweging in België verschijnt onder invloed van het Britse trade-unionisme, met name in de textielfabrieken in het Gentse, onder impuls van onder meer De Ridder en Moyson, afkomstig van de Association ‘le Peuple’. Zo wordt een hiaat opgevuld dat door de Proudhonisten gelaten werd op het vlak van de economische strijd.
De oprichting van de Eerste Internationale in 1864 en dankzij haar de promotie van de marxistische ideeën op internationaal vlak zal leiden tot een nieuwe ontwikkeling van bewustzijn en organisatie van het proletariaat in België. Bij de oprichting van de Internationale Werlieden Vereniging (IWV) in Londen in 1864 waren er geen Belgen aanwezig. Pas in juli 1865 wordt in Brussel de Belgische afdeling van de Ie Internationale gevormd. Haast onmiddellijk neemt die de Association ‘Le Peuple’ op, die er de enige afdeling van wordt. Ze blijft de nadruk leggen op proudhonistische thema's zoals het oprichten van coöperaties van producenten en verbruikers, en toont geen belangstelling voor de economische en politieke strijd en een misprijzen voor de ontwikkeling van gecentraliseerde organisaties. Elk gezag belet de vrije associatie, de economische basis van een nieuwe maatschappij.
De heldhaftige strijd van de mijnwerkers in 1868 en 1869 en de moorddadige repressie die erop volgt brengen de Belgische afdeling van de IWV er tenslotte toe zich op de arbeiders in strijd te richten, het belang van de strijd en van de propaganda onder de arbeiders te erkennen en de solidariteit ter harte te nemen. De Gentse syndicalisten, die tot dan toe zeer lokalistisch waren maar waar een kiemende kern marxisten bij hoorde, vervoegen de Belgische afdeling van de IWV, die van dan af actief contact zoekt met de arbeiders. Op enkele maanden tijd wordt een honderdtal meetings gehouden en al snel neemt het aantal activiteiten en plaatsen waar de Internationale zich inplant toe over het hele land. In 1870 verenigt de IWV 70.000 arbeiders in België.
De ideeën van Fourier en Blanqui verliezen duidelijk aan invloed, en zelfs al blijven de aanhangers van Proudhon in de meerderheid in België wint het marxisme aan invloed, zoals de evolutie toont van een belangrijke figuur als C. De Paepe vanaf 1867. Die begint de stellingen van Proudhon ernstig te bekritiseren, erkent dat de coöperatieve beweging de uitbuiting van de loonarbeid in stand houdt en stelt dat een sociale revolutie noodzakelijk is. Kortom, op dat moment "is de Internationale een macht geworden in België" (L. Bertrand, Histoire de la Démocratie et du Socialisme en Belgique depuis 1830, Vol. 2, p. 171), want ze vormt echt het vertrekpunt voor socialistische actie die op nationaal vlak overlegd en georganiseerd wordt. Er blijven zeker nog belangrijke zwakheden bestaan die ook aan de oppervlakte zullen komen. Het particularisme is afgezwakt, maar nog niet overwonnen. Het apolitisme blijft ook nog sterk, gevoed door de abstentionistische stellingen die door Proudhon en zijn aanhangers verspreid worden. Het geheel blijft een beetje lijken op een samenraapsel, ook als het gaat om het erkennen van het belang van de economische strijd voor het proletariaat.
Vanaf 1870 wordt het elan van de IWV echter gebroken, eerst door de Frans-Pruisische oorlog van 1870, die elke internationale activiteit zeer moeilijk maakt, en dan enkele maanden later door de verplettering van de Commune van Parijs in 1871. De marxistische strijd tegen het vernietigend optreden in de Internationale van de aanhangers van Bakoenin heeft bovendien een hoge tol geëist. Dat was in het bijzonder zo in België, waar het gekonkel van de aanhangers van Bakoenin de politieke verwarring ten top dreven, de krachten versnipperden en verdeeldheid zaaiden. Op het congres van Den Haag in september 1872 kiest de Belgische delegatie, in tegenstelling met de uitgebrachte stemming op de nationale conferentie van juli 1872, ondanks alles toch de kant van Bakoenin tegen Marx. Van dat moment af verwatert de IWV in België, wat een aanzienlijke leegte achterlaat.
De strijd van de IWV, ook al beleefde die toen een tijdelijke terugval, was van grote historische waarde, want van nu af zou niets meer zijn als voorheen. Naast de ervaring van de IWV zelf had de Commune van Parijs voor de arbeidersbeweging aangetoond hoe belangrijk een zelfstandige arbeiderspartij en politieke actie zijn om de massa's te vormen en te mobiliseren. De actie van de IWV had het socio-politiek klimaat grondig veranderd. Haar "propaganda maakte de mijnwerkers bewust, niet alleen van de identiteit van hun sociale conditie, de gelijkenis van hun uitbuiting, maar ook van de diepe solidariteit die hen verbindt met alle arbeiders van het land, en zelfs van Europa..." (J. Puissant, La structuration politique du mouvement ouvrier, Vol 1, p. 81). Meer algemeen zag men in België dankzij de Internationale in de jaren 1867-1872 een buitengewone ontwikkeling van het arbeidersbewustzijn, die samenging met een groeiend vermogen van het proletariaat om zich te organiseren.
De volgende jaren worden de verwarringen ten opzichte van het anarchisme steeds verder opgeklaard. Als in Wallonië de invloed van uit Frankrijk de arbeidersklasse nog gevangen houdt in een organisatorische leegte en in politiek absenteïsme, zien we dat de zeldzame Vlaamse industriecentra, in het bijzonder de streek van Gent "de aantrekkingskracht ondergaan van het Duitse socialisme dat zich begint te organiseren en dat definitief tot ontwikkeling komt" (M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p. 41). In Duitsland wordt door W. Liebknecht en A. Bebel, medestanders van Marx, in 1869 in Eisenach inderdaad de Sociaal Democratische Arbeiders Partij opgericht, resultaat van een breuk op marxistische basis met de organisatie van Lassalle. In 1875, bij de hereniging van beide partijen, zijn de marxisten in de meerderheid, ook al zit het programma dat aanvaard wordt vol toegevingen aan de lassalliaanse opvattingen. Dit programma, met zijn sterke en zwakke kanten, is vanaf 1875 de inspiratiebron van de Gentse arbeidersfederatie die in 1874 opgericht wordt rond militanten als E. Anseele. In Brussel dan weer hergroeperen beroepsverenigingen zich in een Kamer van de Arbeid rond César de Paepe en de jonge Louis Bertrand.
De anti-autoritaire Internationale, gecontroleerd door de bakoeninisten, ontbindt steeds verder en houdt haar laatste congres in juni 1876. Op het einde van datzelfde jaar verklaren arbeidersgroeperingen uit Antwerpen, Gent en Brussel zich akkoord inzake de noodzaak van politieke actie, maar nog niet over de modaliteiten om een politieke organisatie op te richten naast de vakbonden. Bij gebrek aan een totaal akkoord en in afwachting van weerklank bij de arbeidersmassa's in de Waalse industriebekkens, worden in 1877 twee partijen opgericht: de Vlaamse Socialistische Partij, volgens Duits model, en de Brabantse Socialistische Partij. De motie van Anseele, aanvaard door de grote meerderheid van de eerste partij, is ondubbelzinnig inzake de politieke en organisatorische beginselen: "het proletariaat, georganiseerd in een afzonderlijke partij, tegengesteld aan alle andere partijen gevormd door de bevoorrechte klassen, moet alle politieke middelen gebruiken die leiden tot de sociale emancipatie van allen" (C. Renard, La conquête du suffrage universel en Belgique, p. 45). Het programma van de tweede partij is minder duidelijk en bevat vooral beroepsverenigingen, in de voorbijgestreefde traditie van de IWV.
Het is uiteindelijk in 1879 dat de Vlaamse en Brusselse formaties zich verenigen in de Belgische Socialistische Partij en dat de anarchistische, apolitieke standpunten duidelijk in de minderheid raken. Verschillende elementen uit Wallonië, vooral uit Verviers, sluiten zich aan bij de partij. Maar de moeilijkheden zijn daarmee nog niet van de baan. De pasgeboren BSP besluit haar krachten te richten op het bekomen van het algemeen stemrecht: betogingen, congressen, indiening van kandidaturen bij de verkiezingen van 1880, evenveel tegenslagen als inspanningen. In Verviers en Luik komt de klasse in beweging en rijpt stilaan het idee van een alliantie. In februari 1885 breekt een belangrijke staking uit in de Borinage: arbeiders en werklozen verenigen zich in de strijd. Eduard Anseele besluit brood dat gemaakt is in de coöperaties aan de werklozen en arbeidersgezinnen in heel het land uit te delen. Die daad van solidariteit wordt door de bevolking meer op prijs gesteld dan alle redevoeringen die de weldaden van eenheid bezingen. Wanneer de Arbeidersliga van Brussel, die in de marge werkt van de Brabantse Socialistische Partij, de samenroeping vraagt van een algemeen congres op 5 april 1885, krijgt ze een bijna unanieme steun.
De volgende dag, 6 april 1885, verklaren 112 vertegenwoordigers van arbeidersverenigingen, vooral uit Brussel en Vlaanderen, bijeen te Brussel onder voorzitterschap van Louis Bertrand, dat ze zich aansluiten bij de oprichting van een Belgische Werklieden Partij (BWP). Programma en statuten worden enkele maanden later goedgekeurd. Die oprichting is de uitdrukking van een formidabele ontwikkeling, in België net als in Europa, van de strijd en de organisatie binnen de arbeidersklasse. Ze biedt een georganiseerd kader en perspectieven voor de arbeidersstrijd en vertegenwoordigt tegelijkertijd een buitengewone hoop op de revolutionaire omverwerping van de kapitalistische maatschappij door het geheel van de uitgebuiten.
LAC / 21.02.2006
We publiceren hier het tweede deel van het artikel over de delokalisaties. In het eerste deel, verschenen in Internationalisme nr. 323 en Wereldrevolutie nr. 107, hebben we in het daglicht gesteld dat het niet om een nieuw of recent verschijnsel gaat, zoals het altermondialisme en ultralinks beweren, maar dat het tegelijk met het kapitalisme op de wereld is gekomen. Het is het gevolg van de ongebreidelde concurrentie tussen kapitalisten die eigen is aan het systeem, en een middel om een maximale uitbuiting van de arbeidersklasse na te streven. In het tweede deel zullen we zien dat de delokalisaties een middel zijn om de proletariërs wereldwijd tegen elkaar te laten concurreren, dat deel uitmaakt van het geheel van de kapitalistische aanvallen tegen hen. De tamtam die ‘links’ ertegen maakt, verklaart ze in feite tot een bijzondere aanval op zich, die “vermijdbaar” en dus minder “acceptabel” zou zijn dan andere aanvallen. Hiermee wordt in feite de werkelijkheid van de permanente crisis van het kapitalisme en van zijn ineenstorting verdoezeld.
De delokalisaties hebben miljoenen banen vernietigd in de westerse industrielanden. In enkele tientallen jaren zijn hele industrietakken, zoals de textielsector, bijna helemaal overgebracht naar de landen waar de arbeidskracht goedkoper is. “De Franse textielindustrie stelt nog slechts 150.000 personen te werk, dat wil zeggen evenveel als de Tunesische, tegen één miljoen dertig jaar gelden” (1). In andere sectoren is het de uitdrukking van een voortdurende daling van de werkgelegenheid. Zo “zouden de personeelsbestanden, die in de automobielsector in Frankrijk sinds 1990 van 220.000 naar 180.000 gedaald zijn, ondanks de komst van buitenlandse constructeurs zoals Toyota, nog verder moeten inkrimpen” (2). De delokalisaties vormen een van de brutaalste aanvallen van de heersende klasse op het proletariaat. Eerst en vooral door de proporties die deze samen met de andere aanvallen op een bepaald moment kunnen aannemen. Zo werden er in België tussen 1990 en 1995, meer dan 17.000 arbeiders getroffen door de delokalisaties, wat neerkomt op 19% van de collectieve ontslagen. Vervolgens is er het feit dat de getroffen arbeiders weinig kans maken om opnieuw een baan te vinden en dus de rangen van de langdurig werklozen aanvullen. Tenslotte spreiden de delokalisaties zich uit naar nieuwe categorieën van arbeiders, die van de 'witte boorden' en de hoog gekwalificeerde arbeidskracht. In Frankrijk “dreigen 200.000 banen in de dienstensector (waarvan 90.000 diensten zijn voor de bedrijven, 20.000 voor onderzoek en ontwikkeling) overgebracht te worden naar Oost-Europa of Azië tegen 2010” (3).
Nochtans treffen de delokalisaties niet alleen diegenen die hun baan verliezen in de westerse industrielanden. Heel het wereldproletariaat komt onder de druk te staan van de dolle concurrentiekoers tussen de kapitalistische landen en de chantage met de delokalisatie gebeurt zowel in de vertrek- als in de bestemmingslanden van de delokalisaties. In India wordt de vrees uitgespeeld voor de concurrentie van Rusland, Pakistan en China. In Oost-Europa wordt de arbeidersklasse van bepaalde sectoren (voeding, textiel, petrochemie en communicatie-uitrusting) ook geconfronteerd met de delokalisaties naar de landen van Azië. De zoektocht van productie tegen de geringste kosten maakt dat er binnen China delokalisaties zijn naar arme regio's van het centrum en het oosten, een heersende tendens in de textielsector. Het kapitaal heeft de richtlijnen van Bolkestein niet afgewacht om de ‘omgekeerde’ delokalisaties te gebruiken door arbeidskrachten te gebruiken uit landen met een lagere levensstandaard om bestaande arbeidskracht te vervangen. De toevlucht tot illegale arbeidskracht is sinds de jaren 1990 gevoelig toegenomen; hij bereikt al 62% in de Italiaanse landbouw!
De delokalisaties zijn in werkelijkheid de illustratie van het opzetten van ongenadige concurrentie van verschillende delen van de arbeidersklasse tegenover elkaar op internationale schaal.
De versterking van de kapitalistische uitbuiting voor heel de arbeidersklasse
Door te delokaliseren naar Oost-Europa of naar China, mikken de grote bedrijven en de westerse staten er op om te profiteren van de verschrikkelijke uitbuitingsomstandigheden die het kapitaal daar oplegt. Dat is het geval in China waar “miljoenen mensen tussen de 60 en 70 uur per week werken en minder verdienen dan het minimumloon van hun land. Ze leven in slaapzalen waar soms tot 20 personen worden opgehokt. De werklozen die recent hun baan verloren hebben zijn bijna even talrijk als de werklozen in de rest van de wereld samen”(4). “De ontslagpremies en de bijpassingen die aan de arbeiders beloofd werden, worden nooit gestort. (…) aan de arbeiders kan het recht geweigerd worden te huwen, dikwijls wordt het ze verboden zich te verplaatsen binnen het bedrijf (waar ze gelogeerd zijn) of het te verlaten buiten de werkuren. (…) In de fabrieken van de speciale zone van Shenzhen, in het zuiden van China, is er een gemiddelde van 13 arbeiders per dag die een vinger of een arm verliezen en sterft om de 4,5 werkdagen een arbeider aan een arbeidsongeval” (5).
Wat het kapitaal er toe drijft om te delokaliseren naar Oost-Europa is het doel om “een goed gevormde en weinig kostende bevolking” uit te buiten “Al deze landen hebben arbeidsdagen die langer duren dan in het Westen, respectievelijk 43,8 en 43,4 uur in Letland en Polen. Bij al die werkuren komt nog bij dat de overuren minder of zelfs niet betaald worden (…) Bovendien is er een grote toename van het deeltijds werk. Dit is dikwijls het voorrecht van de ouderen, de gehandicapten en de jongeren die op de arbeidsmarkt komen. In Polen zijn 40% van de deeltijdse arbeiders gepensioneerden, mensen met een handicap. (…) (De talrijke bedrijven met buitenlands kapitaal) bieden ook het meest 'asociale' werk: men vindt daar heel veel grote winkelcomplexen die zeven dagen per week, en vierentwintig uur per dag open zijn” (6).
In de westerse landen betekenen de delokalisaties het afdanken van de arbeiders, wier uitbuiting niet genoeg winst oplevert voor het kapitaal. Nochtans is het aandeel van de delokalisaties op de andere aanvallen niet de enige bron van werkloosheid en het aantasten van de levensvoorwaarden van het proletariaat. Het doel dat de bourgeoisie nastreeft is niet het massaal overbrengen van het geheel van de productie naar lage-lonenlanden. Zo is “de weerslag op de tewerkstelling niet verwaarloosbaar, maar blijft hij toch beperkt (…) de delokalisaties zijn verantwoordelijk voor 7% van de herstructureringen en voor 5% van de geschrapte banen in Europa. (…) Tussen 1990 en 2001 hebben de delokalisaties van Duitse bedrijven naar landen van Oost- en Centraal- Europa geleid tot het schrappen van 90.000 arbeidsplaatsen in Duitsland, dat wil zeggen 0,7% van het personeelsbestand van de betrokken bedrijven en 0,3% van de totale Duitse tewerkstelling”(7).
In Frankrijk "zouden 95.000 banen in de industrie geschrapt zijn en gedelokaliseerd naar het buitenland tussen 1995 en 2001, dat wil zeggen een gemiddelde van 13.000 per jaar. In vergelijking daarmee is het jaarlijkse opdoeken van banen in de industrie van de orde van 500.000. (…) Men vermoedt dat de delokalisaties een totaal bereiken van 2,4% van de effectieven van de industrie, uitgezonderd de energiesector. (…) Slechts een beetje minder dan de helft van de delokalisaties zijn bestemd voor zogenoemde 'lage lonen' landen. Ongeveer één sluiting van een industriële onderneming op 280 stemt overeen met een delokalisatie naar een lage lonen land” (8). De uitlatingen van de bourgeoisie zelf maken brandhout van de bewering dat de delokalisaties de belangrijkste verklaring zouden zijn voor de desindus-trialisatie en de massale werkloosheid.
Het feit daarentegen dat de bourgeoisie haar toevlucht neemt tot de chantage met de delokalisaties als middel om het proletariaat alsmaar grotere opofferingen te doen aanvaarden, geeft aan wat er voor de bourgeoisie op het spel staat: hardere uitbuitingsvoorwaarden opdringen en een vermindering van de kosten van de arbeidskracht (lage lonen) daar waar de productie niet delokaliseerbaar is en niet moet zijn, daar waar de inzet economisch het belangrijkst is voor het kapitaal en de concurrentie tussen de kapitalistische haaien het grofst is.
Het voorbeeld van Duitsland is bijzonder illustratief. In naam van de concurrentiekracht van de ‘Duitse onderneming’ en dank zij de chantage van de delokalisaties en het schrappen van banen is de flexibiliteit opgelegd, of door arbeidstijdvermindering met loonverlies, of door arbeidstijdvermeerdering zonder loonaanpassing. Zo heeft Siemens, na het overbrengen van haar activiteiten Diensten en Ontwikkeling naar Tsjechië, India, Rusland en China, in 2004 de 40 urige werkwerk opgelegd zonder loonaanpassing aan een groot deel van zijn 167.000 Duitse loontrekkers, onder de bedreiging van de delokalisatie van minstens 5.000 banen. In 2005 heeft de directie, nadat zij had aangekondigd dat er 2400 banen zouden geschrapt worden in haar informaticadienst SBS, de 4.600 loontrekkers van haar communicatieafdeling Com een vermindering van de werkweek opgelegd tot 30 uur (in plaats van 35,8) met loonsvermindering! Gelijklopend daarmee is de openbare sector de kampioen geworden van het ‘meer werken’. De spoorwegmaatschappij DB is overgestapt naar 40 uur en de verschillende deelstaten hebben de arbeidstijd van de regionale ambtenaren opgedreven van 40 naar 42 uur. Kortom het is op die manier dat in Duitsland, waar de bourgeoisie de hoogste loonkosten van de grote landen van de OESO onder vuur neemt, “de uitbetalingen, in werkelijke waarde, gedaald zijn met 0,9% tussen 1995 en 2004” (9). Daar, net zoals elders, kan de chantage van de delokalisaties niet losgemaakt worden van de andere aanvallen en gaat ze gepaard met de hervorming van het functioneren van de arbeidsmarkt, net als het in-vraag-stellen van de pensioensystemen en de ziekteverzekering.
Een reusachtige ideologische campagne tegen het bewustzijn in de arbeidersklasse
De burgerlijke campagnes richten hun schijnwerpers alleen op de delokalisaties omdat de heersende klasse er voordeel uit haalt tegen het proletariaat om het te ontwapenen in zijn strijd. Wanneer de vakbonden, de linkse partijen, de ultralinksen en de andersglobalisten, de delokalisaties verketteren als kenmerk voor de terugkeer naar arbeidsvoorwaarden zoals in de 19e eeuw, dan dient dat om voor het proletariaat beter te verdoezelen hoe zijn werkelijke toestand er uit ziet in de maatschappij.
Het marxisme heeft de tendensen tot de verlenging van de arbeidsdag en het verlagen van de lonen tot het levensminimum nooit toegeschreven aan het bloeddorstige karakter van de een of andere kapitalist in het bijzonder maar als het product van de voorwaarden die tot de aard zelf van het kapitalistisch systeem behoren. Het kapitalisme is werkelijk een vampier die verslaafd is aan de arbeidskracht, waar hij winst uitzuigt en waarmee hij zich voedt, die letterlijk diegenen doet leegbloeden die het schragen, de proletariërs: ”Maar in zijn mateloos blinde drift, in zijn weerwolfachtige geeuwhonger naar meerarbeid, rent het kapitaal niet alleen de morele grenzen, maar ook de puur fysieke maximumgrenzen van de arbeidsdag omver. (…) Het kapitaal vraagt niet naar de levensduur van de arbeidskracht. Het enige dat het interesseert is het maximum aan arbeidskracht dat er op een werkdag uitgeperst kan worden. Het bereikt dit doel door de levensduur van de arbeidskracht te verkorten. (…) De kapitalistische productie, die in wezen productie van meerwaarde, opslorping van meerarbeid is, produceert dus met de verlenging van de arbeidsdag niet alleen de verkommering van de menselijke arbeidskracht, die wordt beroofd van de normale voorwaarden voor haar ontwikkeling en activiteit, in zowel morele als fysieke zin. Zij produceert de voortijdige uitputting en doding van diezelfde arbeidskracht. Zij verlengt de productietijd van de arbeider gedurende een bepaalde periode door zijn levenstijd te verkorten” (10).
Het enorme verschil met vandaag is dat in de 19e eeuw het proletariaat kon hopen op een verzachting van zijn toestand in de schoot van het kapitalistische systeem. “Meteen al de eerste decennia van de onbeperkte huishouding van de grootindustrie hebben een zo vernietigende uitwerking gehad op de gezondheid en levenstoestanden van de werkende volksmassa, hebben zo verschrikkelijke sterfte, ziekelijkheid, fysieke verminking, geestelijke verwaarlozing, epidemische ziekten, ongeschiktheid voor militaire dienst teweeggebracht, dat de bestendigheid zelf van de maatschappij ten diepste bedreigd scheen. (…) Het kapitaal moest dus, in zijn eigen belang, om de uitbuiting in de toekomst mogelijk te maken, enkele grenzen stellen aan de tegenwoordige uitbuiting. De kracht van het volk moest een beetje geschoond worden om haar verdere uitbuiting veilig te stellen. Van een onrendabele roofeconomie moest worden overgegaan op de rationele uitbuiting. Daaruit zijn de eerste wetten over de maximale arbeidsdag ontstaan, net als het geheel van de burgerlijke sociale hervormingen." (11) En dat resultaat werd dan nog behaald tegen de verwoede weerstand van de kapitalisten en na decennia van niet aflatende klassenstrijd. Het kon slechts verkregen worden omdat het kapitalistische systeem zich in een opbloeiende fase bevond, in volle expansie.
Vandaag kan de niet aflatende concurrentie tussen de kapitalistische naties in hun strijd om steeds nauwer wordende markten, oververzadigd met waren, niets anders uitlokken dan een algemene in-vraag-stelling van de bestaande ‘levensstandaard’ van de westerse industrielanden, zonder hoop op terugkeer. Alle feiten bevestigen de voorspellingen van het marxisme, de ineenstorting van het kapitalisme is een sociale ramp.
Voor de arbeiders van de hele wereld zit er niets anders op dan leren elkaar te beschouwen als strijdkameraden en elkaar de hand te reiken over de sectoren en grenzen heen, om van hun bewegingen één enkele strijd te maken tegen het kapitalisme en hun bewustzijn te ontwikkelen dat deze strijd enkel als doel kan hebben om het kapitalistische systeem te vernietigen, dat wil zeggen de afschaffing van de loonarbeid, de wortel van de slavernij van het proletariaat n
Scott
(1) L'Expansion, 27 oktober 2004
(2) Idem
(3) L'Expansion.com, 19 april 2005
(4) CISL en ligne, 9 december 2005
(5) China, Amnesty International, 30 april 2002
(6) Le Monde, 18 oktober 2005
(7) Le Monde, 26 mei 2005
(8) Dossiers et documents du Monde, november 2005
(9) L'Humanité, 14 februari 2006
(10) K. Marx, Het kapitaal, deel 1, Hoofdstuk VIII: De arbeidsdag. Voor de noties arbeidskracht, meerwaarde, meerarbeid (overwerk), zie deel 1 van dit artikel in Internationalisme nr. 323 / Wereldrevolutie nr. 107.
(11) Rosa Luxemburg, Inleiding tot de politieke economie, Hoofdstuk IV: Loonarbeid.
In het eerste deel van deze artikelenreeks hebben wij uitgelegd dat, vanaf het ontstaan van de arbeidersklasse tot aan de Commune van Parijs in 1871, een van de wezenlijke taken van de arbeidersklasse en haar inspanningen om zich te organiseren, nog bestond in de noodzaak om zich te bevestigen als een bijzondere klasse tegenover de andere klassen in de maatschappij. In deze historische context, die gekenmerkt werd door de onvolwassenheid van een proletariaat dat bezig was te ontstaan en nog zonder eigen ervaring was, worden de eerste organisaties van het proletariaat in België, ver van elke politieke en economische strijd van de klasse, dikwijls gekenmerkt door een visie waarin de revolutie het werk moet zijn van een minderheid van samenzweerders of door de visie van de utopisch socialisten, die blauwdrukken ontwierpen voor een toekomstige maatschappij die al binnen de kapitalistische maatschappij zou ontstaan.
Het is niet omdat het proletariaat de klasse is die er historisch toe geroepen is om het kapitalisme omver te werpen dat het vanaf zijn verschijning in de kapitalistische maatschappij ook daadwerkelijk klaar staat voor de revolutie. De doelstellingen en de dynamiek van de politieke organisaties van het proletariaat moeten begrepen worden vanuit hun historische bestaansvoorwaarden. Niet alleen om te bepalen wat de onmiddellijke doelstellingen en vormen van de proletarische strijd zijn, en kunnen zijn, maar ook om te zien welke graad van bewustzijn de proletarische klasse historisch heeft bereikt. In het eerste deel van deze artikelenreeks hebben wij uitgelegd dat, vanaf het ontstaan van de arbeidersklasse tot aan de Commune van Parijs in 1871, een van de wezenlijke taken van de arbeidersklasse en haar inspanningen om zich te organiseren, nog bestond in de noodzaak om zich te bevestigen als een bijzondere klasse tegenover de andere klassen in de maatschappij. In deze historische context, die gekenmerkt werd door de onvolwassenheid van een proletariaat dat bezig was te ontstaan en nog zonder eigen ervaring was, worden de eerste organisaties van het proletariaat in België, ver van elke politieke en economische strijd van de klasse, dikwijls gekenmerkt door een visie waarin de revolutie het werk moet zijn van een minderheid van samenzweerders of door de visie van de utopisch socialisten, die blauwdrukken ontwierpen voor een toekomstige maatschappij die al binnen de kapitalistische maatschappij zou ontstaan. In een context van ontwikkeling van de sociale en economische voorwaarden van het kapitalisme beleeft de arbeidersklasse de bittere ervaring van de onmogelijkheid van een gezamenlijke strijd van proletariaat en bourgeoisie. Zowel de ervaring van de economische strijd van de arbeiders, en vooral van de gevechten die door de Internationale Werklieden Vereniging (IWV, de 1e Internationale) werden gesteund, als het voorbeeld van de eerste ervaring van arbeidersmacht in de geschiedenis met de Commune van Parijs in 1871, stelden de arbeidersbeweging in staat om een belangrijke sprong voorwaarts te maken op het vlak van de ontwikkeling van haar organisatie en haar bewustzijn. Maar de terugval van de klassenstrijd als gevolg van de verpletterende nederlaag van de Commune en het ondermijningswerk van de Bakoeninisten achter de rug van de IWV hebben ervoor gezorgd dat deze lessen niet onmiddellijk getrokken konden worden. Het zijn tenslotte de lessen van de Commune en de ervaring in Duitsland die de absurditeit hebben aangetoond van het idee dat de arbeiders eenvoudigweg de politieke activiteit aan de kant zouden kunnen schuiven, dat wil zeggen de eisenstrijd ten opzichte van de staat op onmiddellijk vlak en de politieke machtsovername in het revolutionaire perspectief. Het is op basis van deze lessen dat we tussen 1876 en 1885 het wordingsproces van de gecentraliseerde Belgische Werklieden Partij (BWP) moeten bekijken als: “uitdrukking van een formidabele ontwikkeling, in België net zoals overal elders in Europa, van de strijd en de organisatie in de schoot van de arbeidersklasse. Voor het geheel van de uitgebuiten vertegenwoordigde ze tezelfdertijd een buitengewone hoop op een revolutionaire omverwerping van de kapitalistische maatschappij”(1 ).
Alhoewel de stichting van de BWP in 1885 een wezenlijke schakel vormt, is men nog op zoek naar de socialistische gedachte: "Het werkelijke debat is nog nauwelijks geschetst; de theoretische analyse blijft totaal afwezig"(2 ). Nog heel wat verwarring bleef, reeds heel wat dubbelzinnigheid verrees. Maar hoe groot ook de politieke verwarring en het gewicht van het opportunisme en het reformisme waren, vanaf haar oprichting had de BWP, net als alle andere sociaal-democratische partijen, als maximumprogramma de revolutie. De vakbonds- en de kiesstrijd waren in wezen het praktische middel, het minimumprogramma dat was aangepast aan de mogelijkheden en noden van het tijdperk, om de verwezenlijking van dit einddoel voor te bereiden. "Onze beweging moet revolutionair zijn, wanneer al niet met betrekking tot de middelen, dan toch tenminste wat het doel betreft"(3 ). In de 19e eeuw, in de opgaande periode van het kapitalisme, vulden de strijd voor de verovering van hervormingen en de inperking van de kapitalistische uitbuiting enerzijds, en het begrijpen van deze strijd niet als een doel op zich maar als een moment van de globale revolutionaire strijd anderzijds, elkaar aan en stemden overeen met de doelstellingen en mogelijkheden van de periode. “ (...) uit deze eigenaardige situatie ontstaat voor de sociaal-democratische fractie de moeilijke taak om niet alleen als vertegenwoordigster van een oppositionele partij op te treden, maar ook als vertegen-woordigster van een revolutionaire klasse. Met andere woorden: haar taak is niet alleen om de politiek van de heersende klassen vanuit het oogpunt van de onmiddellijke belangen van het volk te bekritiseren, dat wil zeggen vanuit het standpunt van de bestaande maatschappij, maar ook om er, stap voor stap , het ideaal van een socialistische maatschappij tegenover te stellen, dat boven de meest vooruitstrevende burgerlijke politiek uit stijgt.”(4 ). Deze dubbele taak weerspiegelt zich, ondanks de onmiskenbare zwakheden, in het programma van de BWP van 1885 en vooral in dat van 1894, geïnspireerd op het program van Erfurt uit 1891 van de SPD in Duitsland. Zo veroordeelt het Charter van Quaregnon van 1894 niet alleen het kapitalistische regime “dat de maatschappij in twee noodzakelijk vijandige klassen verdeelt” maar het spreekt zich ook uit voor de “afschaffing van de klassen” en “een grondige omvorming van de maatschappij” omdat “het behoud van het kapitalistische regime onverzoenbaar is met dit ideaal” (punten 3 en 4). Dit programma en deze actie van de BWP sluiten eveneens aan bij een internationale inspanning van organisatie van het proletariaat om verheldering en decantatie. De stempel van het marxisme is onmiskenbaar, vooral na de stichting van de 2e Internationale in 1889, die zijn zetel vestigde in Brussel, net als zijn Internationaal Bureau, als teken van vertrouwen. Maar de BWP zal er nooit in slagen om de helderheid van de marxisten van de Duitse SPD te bereiken, die zij zo zeer bewondert. Want alhoewel de twee dimensies wel degelijk aanwezig zijn in hun programma en in hun uitspraken, blijft hun begrip ervan erg abstract en vaag. De strijd voor de hervorming onmiddellijk, en de strijd voor de revolutie wordt naar Sint Juttemis verplaatst. Hervorming en revolutie worden dikwijls beschouwd als twee van elkaar gescheiden momenten van de socialistische verovering, in plaats van ze te zien als met elkaar verwoven en bepaald door de historische ontwikkelingsperiode van het kapitalisme.
In het tweede deel van de 19e eeuw kwam een periode van expansie van het kapitalisme me op gang in België, die het tot een van de grootste industriemachten van Europa maakte. Het schiep een kader waarin de duurzame verbetering van de bestaansvoorwaarden van het proletariaat een werkelijke mogelijkheid werd. Maar in tegenstelling tot wat bepaalde libertaire milieus vandaag denken, waren de hervormingen in de 19e eeuw geen geschenk, in de schoot geworpen door een liberale bourgeoisie. Het benepen karakter van de Belgische staat heeft de interne tegenstellingen van de bourgeoisie in stand gehouden en heeft haar wil tot hervormingen sterk beperkt. In tegendeel, het is juist deze situatie van een Belgische bourgeoisie die zich halsstarrig tegen iedere hervorming verzet, die ertoe heeft geleid dat de arbeidersklasse er slechts door middel van massieve, uitgebreide en strijdbare, georganiseerde bewegingen in slaagt om sociale en politieke hervormingen af te dwingen (zie het eerste deel van deze reeks). In dit kader zijn de inspanningen tot organisatie van de klasse, het zoeken naar een samenhangend politiek programma en naar een doeltreffende actie evenveel wapens die de vooruitgang ervan mogelijk maken. Het is dus vanaf 1885, na meer dan tien jaar van mislukkingen, dat de BWP, als concentratie van haar kracht, de arbeidersklasse in staat stelt om van de bourgeoisie verbeteringen af te dwingen van haar erbarmelijke toestand, van haar werkvoorwaarden en van haar politieke rechten, en dit doorheen haar economische en politieke gevechten. Tot 1880 werd België beschouwd als het meest sociaal achterlijke van de industrielanden en kende het nog een cijnsstemrecht. Deze achterstand zal gedeeltelijk worden ingehaald in het licht van de sociale branden van 1886 en van de massale stakingen van tienduizenden tot honderdduizenden arbeiders, met of zonder officiële steun van de BWP zoals die van 1887, 1888, 1891, 1893, 1902 en 1913, die voortduurden tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in 1914.
In 1886 zal de BWP, die nauwelijks was opgericht, worden ondergedompeld in de eerste grote arbeidersrevolte die uitbrak in alle industriebekkens en dit zal een stempel drukken op haar politieke evolutie. De BWP stond voor de verscheurende keuze: het avontuur ondersteunen en haar organisatie in gevaar brengen, of zich desolidariseren en al haar krediet in de klasse verliezen. Haar keuze zal pragmatisch zijn, noch vlees noch vis, en zal bepalend zijn voor haar politiek van toen af aan. “De organisatie eerst, de helderheid later; nee aan het anarchistische avontuur, ja aan de discipline.” Maar terwijl de BWP verscheurd stond tegenover de omvang en de vurigheid van de beweging, hebben de leiders van het land de waarschuwing begrepen. De bourgeoisie heeft voor het eerst het gevaar onderkend van een ontketende arbeidersklasse, en tezelfdertijd een klasse die via de BWP vertrouwen krijgt in haar kracht, die haar solidariteit organiseert en haar gecentraliseerde organisatie opbouwt. De repressie volstaat niet meer, er moet toegegeven worden. “Eerst de terreur, daarna een aanzet van wijsheid en een beetje hervorming” (5 ).
Zo kwam het dat als gevolg van de strijd een periode begon van herziening van de arbeidswetgeving en dat de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse werkelijke verbeteringen kenden. Gepaard aan de algemene stijging van de levensstandaard, kwam er ook een ontwikkeling van het culturele niveau. Herinneren we ons het immense analfabetisme dat heerste in België, van 60% tot 90% al naargelang de regio; de bourgeoisie zou tot 1913 wachten met het instellen van het verplicht lagere schoolonderwijs! Al in 1886 en 1887, waren er verschillende wetsherzieningen over het afschaffen van de uitbetalingen van lonen in natura, in 1888 over de inspectie en de veiligheid van de werkplaatsen, in 1889 een eerste wetsherziening over de wettelijke beperking van de kinder- en vrouwenarbeid (gevolgd door aanvullingen in 1892, in 1911 en 1914) en over de hygiëne (huisvesting en werkplaats), in 1890 de invoering van een kas voor werkongevallen, tussen 1897 en 1907 tussenkomst van de staat in de financiering van werkloosheidskassen en, vanaf 1900, de organisatie van een eerste pensioenkas. Wat de koopkracht betreft, op 50 jaar (1846 – 1899) was die meer dan verdubbeld en vooral van 1877 tot 1899. Tenslotte was er ook nog de vermindering van de werktijden. Het IWV had een serie belangrijke gevechten geleverd voor de vermindering van de werkdag van 14 tot 12 uur of soms tot 10 uur. Maar de actie van bewustmaking die door de IWV was ingezet, werd voortgezet door de agitatie die vooruitliep op de stichting van de BWP, om heel intens te worden in het laatste decennium van de 19e eeuw en het eerste van de 20e eeuw. Het is de BWP die de eis van de ‘driemaal-acht’ vanaf de 1e mei 1886 zal lanceren en populariseren, door een algemene staking te organiseren in de Luikse industriebekkens. Ze schrijft deze eis in haar charter van 1894, alhoewel het in werkelijkheid eerder draaide rond de 10 uur die moest veralgemeend worden. Doorheen een hele reeks van stakingen, betogingen en meetings, dikwijls uitgevoerd door haar Vakbondscommissie vanaf 1899, om haar te steunen in de wetsvoorstellen die ze indient ten gunste van het geheel van de arbeiders, zal de BWP er vooral tussen 1905 en 1914 erin slagen om de werkdag tot 9 à 10 uur terug te brengen. In 1905 werd de zondagsrust wet. Toch moeten wij er aan toevoegen dat België tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog het land van de lage lonen en lange werkdagen bleef, vooral in Vlaanderen vanwege de afwezigheid van grote industrieën. Het was vooral door klassensolidariteit en door het besmettelijke voorbeeld van de gevechten in het zuiden van het land dat de arbeiders in Vlaanderen, met vertraging, profiteerden van de vruchten van het gevecht om de levensomstandigheden van de hele klasse te verbeteren.
De revolte van 1886 had als ander resultaat de herziening van de grondwet en de invoering van het algemeen stemrecht afgezwakt tot het meervoudig stemrecht. Zelfs al begon de strijd voor het algemeen stemrecht in België al vanaf 1830, dan kende ook deze strijd slechts zijn hoogtepunt met de stichting van de BWP. Sinds de marxisten als overwinnaars uit de bus waren gekomen tegen de visies van het politiek absenteïsme van de Proudhonisten, waren de strijd voor de sociale hervormingen en de politieke rechten steeds nauwer verbonden. Het ‘Algemeen Stemrecht’ “is de sleutel tot alle andere politieke en sociale hervormingen die onze partij tot doel heeft te realiseren” zei L. Bertrand, op het Congres van de BWP in 1891. Want in deze opgaande periode van het kapitalisme was de strijd voor politieke democratische rechten, naast de strijd voor hervormingen, vanaf de eerste bevestigingen van het proletariaat als klasse, de krachtlijn voor werkelijk doeltreffend verzet. “De grote socialistische betekenis van de vakbondsstrijd en van de politieke strijd berust hierin dat ze het inzicht, het bewustzijn van het proletariaat socialiseren, dat ze het als klasse organiseren”, schreef Rosa Luxemburg in Hervorming of Revolutie? (I,5).
De BWP zal dit in haar strijd voor het algemeen stemrecht in praktijk brengen, zelfs als men vele aspecten van haar aanpak kan en moet bekritiseren. Om dat te bereiken doet ze bij herhaling beroep op de algemene massastaking, een indrukwekkend wapen dat maar zeer weinig Europese socialistische partijen besloten om in hun arsenaal op te nemen. De algemene massastaking is lange tijd onder de marxisten als een utopie beschouwd, die des te gevaarlijker was omdat zij, in de geest van sommige voorstanders, erop doelde de arbeidersklasse te verwijderen van de politieke actie om in plaats daarvan de vermeend romantische en anarchiserende verleidingen van de directe actie te stellen. Door dit te doen verleende de BWP zich voor lange tijd een reputatie van quasi revolutionaire energie. Nochtans is er een verschil tussen schijn en bewuste werkelijkheid. Want de leiders van de BWP hebben altijd gedacht dat de massastaking slechts kon uitbarsten als laatste middel, wanneer alle andere middelen uitgeput waren en ondoeltreffend waren gebleken. Maar dat belet niet dat wij met R. Luxemburg kunnen vaststellen dat “In de strijd vanaf 1886 tot op heden voor het algemene stemrecht maakte de Belgische arbeidersklasse gebruik van de massastaking als meest doeltreffende politieke middel. Zij heeft aan haar in het jaar 1891 de eerste capitulatie van de regering en van het parlement te danken: het begin van de grondwetsherziening; zij verdankt haar in het jaar 1893 de tweede capitulatie van de heersende partij: het algemeen meervoudig stemrecht” (6 ). En wie massastaking zegt weet: “een groot deel van de betekenis van elke massastaking ligt in haar totstandkomen zelf, in de politieke actie die erin tot uiting komt – in zoverre als het gaat om spontane, of op gezag van de Partij, kortelings tot stand gekomen betogingen in strijdbare geest.” (7 ). In 1894 zal de BWP de vruchten van haar actie plukken. Ze komt als overwinnaar uit de verkiezingen te voorschijn en doet haar intrede in het parlement met 28 zetels, wat furore maakt in Europa. De verklaring van de BWP van 1895, na deze verkiezingsoverwinning, laat nog duidelijk zien dat men in deze periode vond dat “elke verkiezingscampagne gezien moet worden als propagandawerk: het enig nagestreefd doel blijft de socialistische idee en de mandaten komen er als het ware bovenop.”(8 ) Het socialisme ontdekt het parlement, zegt professor Liebman in zijn studie over de BWP, maar nog niet het parlementarisme. Inderdaad, talrijk zijn de parlementaire tussenkomsten, vol woede tegen de kapitalistische uitbuiting, het onrecht en de wreedheden van de bestaande orde. Ze worden de vertolkers van de arbeiderseisen, de verdedigers van de strijders, de dragers van het socialistische programma, de professoren in marxisme. Een anekdote: de verslagen van de kamer stijgen van 17.700 abonnementen tot 61.180, en de uitgever verdrievoudigt de prijs om zijn succes tegen te gaan.
Cesar de Paepe verklaarde reeds in 1890: "Als wij het Algemeen Stemrecht willen is dat om een revolutie te vermijden want hervorming of revolutie, Algemeen Stemrecht of universele omwenteling, dit is het dilemma op dit ogenblik voor het Belgische volk "(9 ). Deze tendens tot reformisme et opportunisme wordt alsmaar nadrukkelijker, vooral na de intrede van de BWP in het parlement in oktober 1894, een periode die beslist cruciaal is voor heel de internationale socialistische beweging. Deze tendens tot reformisme en opportunisme barst met kracht los in 1902, wanneer de vreedzame en legalistische tactiek van de B.W.P. de nederlaag van de arbeidersbeweging met zich meebrengt. Nochtans had dat alles niet verhinderd dat de BWP zich geassocieerd had met de 2e Internationale om de Duitser Bernstein te bekritiseren, die vanaf 1898 een openlijke aanpassing van de sociaal-democratie aan het kapitalistische regime voorstond, en de Fransman Millerand, die een portefeuille aanvaard in het kabinet van Waldeck-Rousseau. Maar tijdens de algemene stakingen van 1902 en 1913, verried de BWP inderdaad de arbeidersbeweging ten gunste van een parlementair compromis met de liberalen, een oriëntatie die steeds kenmerkender was voor de 2e Internationale in haar geheel, en die zich onderscheidde door de legale en parlementaire strijd tegenover de revolutie te stellen: “Louis Bertrand, veteraan van de socialistische beweging, verborg niet dat hij bereid zou zijn om de consignes van de Internationale te laten vallen als de Liberalen aan de BWP zouden voorstellen om met hen tot de regering toe te treden. En Vandervelde zelf voorzag toen de mogelijkheid, voor zijn parlementaire groep, om voor het oorlogsbudget te stemmen, wanneer de liberalen ermee zouden instemmen het verkiezingssysteem te verbeteren”(10 ). Rosa Luxemburg heeft het niet nagelaten om in haar brochure “De Belgische ervaring van de algemene staking” (1902) de houding van de Belgische socialisten op dit punt stevig te bekritiseren, net zoals in de andere kritieken die er op zouden volgen. Maar de reformistische logica in 1902 was overheersend en onomkeerbaar geworden in de BWP. “Wat van het grootste gewicht is in deze redering van kameraad Vandervelde is de onvermijdelijke conclusie dat de triomf van dit algemeen stemrecht niet anders meer te verwachten valt dan door de parlementaire methode”. De reformistische bocht was genomen.
In het derde deel van dit artikel zullen we de opkomst van het opportunisme en het reformisme in de BWP, en de strijd daartegen door de verschillende opposities, verder belichten.
Lac / 7.04.2006
1 De trage en moeilijke strijd voor de oprichting van arbeidersorganisaties, Internationalisme, nr.324
2 M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p.52
3 E. Vandervelde in Le Peuple, 13 februari 1894
4 R. Luxemburg, Sociaal-democratie en Parlementarisme, Sächische Arbeiterzeitung, 5 en 7 december 1904
5 M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p.62
6 R. Luxemburg, De Belgische ervaring, Neue Zeit, 1902
7 R. Luxemburg, Nieuwe Belgische ervaring, Leipziger Volkszeitung, 15 mei 1913
8 C. Renard, De verovering van het algemeen enkelvoudig kiesrecht in België, 1966, p.145
9 G. Van Meir, De geschiedenis van de BSP, p.18
10 C. Renard, Octobre 17 et le mouvement ouvrier belge, p.14
De beweging van de studenten in Frankrijk tegen de CPE (1) heeft niets te maken met de meeste vroegere bewegingen van klassensamenwerking van de studentenjeugd. Zij maakt integraal deel uit van de strijd van de wereldarbeidersklasse. Tegenover een bijzonder laaghartige aanval op de jonge arbeidersgeneraties, een aanval die de arbeidsonzekerheid institutionaliseert in naam van ‘strijd tegen de onzekerheid’, hebben de studenten het klassenkarakter van hun strijd onmiddellijk begrepen en opgenomen.
Terwijl sommigen specifieke eisen van de studenten (2) wilden vermengen met de centrale eis van intrekking van de CPE besloten de studentenvergaderingen om alleen die eisen naar voren te brengen die de hele arbeidersklasse aangaan.
Wat de kracht van deze beweging uitmaakt, is juist dat zij zich vastbesloten op het terrein van de klassenstrijd van de uitgebuiten tegen de uitbuiters heeft gesteld. En dat deed zij door de strijdmethoden en principes van de arbeidersklasse op te nemen. Het belangrijkste van deze principes is de solidariteit. Door te breken met het ‘ieder voor zich’, met de idee “als ik mijn studie maar braaf volg en me twee jaar lang koest houd, dan kom ik er wel doorheen”, hebben de studenten de enige houding tegen de aanvallen van het kapitalisme aangenomen die voor de arbeidersklasse mogelijk is: de verenigde strijd. En deze solidariteit manifesteerde zich niet uitsluitend ‘tussen studenten onderling’. Ze hebben zich van meet af aan tot de loonarbeiders gewend, om hun solidariteit te winnen, en omdat ze goed hebben begrepen dat de arbeidersklasse als geheel wordt aangevallen. Met hun dynamisme, hun strijdbaarheid en hun oproepen zijn ze er bij vele faculteiten in geslaagd om onderwijzend en administratief personeel in de strijd te betrekken, door hen gemeenschappelijke algemene vergaderingen voor te stellen.
Een andere, duidelijk proletarische, karaktertrek van de beweging is de wil om het bewustzijn van de deelnemers te ontwikkelen. De staking op de universiteiten is begonnen met blokkades. Die waren niet bedoeld als een ‘overrompeling’ waarmee een ‘fanatieke minderheid aan de meerderheid de wet voorschrijft’, zoals kleine groepjes ‘anti-blokkeerders’ beweerden als communicantjes die de toegang tot de mis was ontzegd. De blokkades waren een middel van de meest bewuste en strijdbare studenten om hun vastberadenheid te tonen en vooral om zoveel mogelijk van hun kameraden in de algemene vergaderingen te betrekken, waarbij velen die de betekenis van de aanvallen van de regering niet hadden begrepen, of de noodzaak om daartegen de strijd aan te gaan, in discussie en met argumenten werden overtuigd.
Door deze algemene vergaderingen werd het mogelijk zich steeds beter te organiseren, werden stakings-comités en commissies in het leven geroepen die daar verantwoording aan afleggen, en ze vormen de longen van de beweging. Dat zijn middelen van de arbeidersstrijd. De vergaderingen zijn openbaar, niet afgesloten en in zich zelf gekeerd zoals dat meestal het geval is bij de vakbondsvergaderingen waarin alleen mensen van ‘ons bedrijf’ worden toegelaten met uitzondering misschien van gepatenteerde kaderleden of bondsbestuurders. Al heel snel zagen we deelname van delegaties van studenten van de ene universiteit aan de algemene vergaderingen van andere universiteiten. Behalve dat dit het gevoel van kracht en eenheid tussen de verschillende algemene vergaderingen versterkte, stelde het degenen die achteropliepen liepen in staat om zich op te trekken aan de vorderingen van wie meer vooropliepen. Ook dat is een belangrijk kenmerk van de dynamiek van arbeidersvergaderingen in klassenbewegingen die een bepaald niveau van bewustzijn en organisatie hebben bereikt. De openheid van de algemene vergaderingen beperkte zich niet tot studenten van andere universiteiten, maar strekte zich evengoed uit tot niet-studenten. Vooral arbeiders, gepensioneerden, ouders en grootouders van studenten en middelbare scholieren ontvingen in het algemeen een zeer warm en aandachtig onthaal, zodra de vergaderingen hun activiteiten richtten op het uitbreiden van de beweging naar de loonarbeiders toe.
Tegenover deze voorbeeldige mobilisatie van de studenten op het terrein van de arbeidersklasse met de methoden van die klasse zagen we de vorming van een Heilige Alliantie tussen de verschillende peilers van de kapitalistische orde: regering, repressiekrachten, media en vakbonden.
De regering probeerde eerst aan verschillende touwtjes te trekken om haar schurkachtige wet er met groot machtsvertoon door te drukken. In het bijzonder legde zij een ‘kolossale subtiliteit’ aan de dag door te proberen die tijdens de schoolvakanties door het parlement te jagen. Dat mislukte: in plaats van de studentenjeugd te demoraliseren en te demobiliseren werd de verontwaardiging nog groter en nam de mobilisatie nog toe. Vervolgens deed de regering een beroep op de repressiekrachten om te verhinderen dat de Sorbonne naar het voorbeeld van andere universiteiten zou gaan dienen als ontmoetingsplaats voor studenten in actie. Daarmee probeerde zij de strijdbaarheid van de studenten in de Parijse regio op dit symbool te richten. Een tijdje trapten sommige studenten in de val. Maar al heel snel bleek de rijpheid van de meerderheid van de studenten en weigerde de beweging om op de dagelijkse provocaties in te gaan die bestond uit de aanwezigheid van tot de tanden toe gewapende oproerpolitie (CRS) midden in het Quartier Latin. Daarop zette de regering, in stille verstandhouding met de vakbonden waarmee zij de routes voor de manifestaties afspreekt, een echte muizenval op voor de demonstranten op 16 maart in Parijs: aan het einde van de route waren ze ingesloten door politiekrachten. Dat was opnieuw een provocatie waarop de studenten niet ingingen, maar die jongeren uit de voorsteden wel de gelegenheid gaf om zich aan gewelddadigheden te buiten te gaan, die vervolgens volop door de televisiezenders konden worden gefilmd. Deze gewelddadigheden verplaatsten zich naar de Sorbonne die niet toevallig vlak bij het eindpunt van de demonstratie lag... Het bedoeling daarvan was om angst aan te jagen aan degenen die naar de grote manifestatie op 18 maart wilden gaan. Opnieuw mislukte de manoeuvre: de opkomst was buitengewoon hoog. Tenslotte hebben de ‘relschoppers’ het op 23 maart, met toestemming van de politie, op de demonstranten zelf voorzien, om ze te beroven of om ze simpelweg, zonder enige reden, af te tuigen. De gewelddadigheden hadden op vele studenten een demoraliserend effect: “Wanneer de CRS op ons losslaat, krijgen wij klappen, maar wanneer het de jochies uit de voorsteden zijn, waar we ook voor vechten, krijgt onze moraal een klap.” Maar de woede richtte zich vooral tegen de autoriteiten, omdat het overduidelijk was dat de politie medeplichtig was aan de gewelddadigheden. Vervolgens beloofde Sarkozy dat de politie dergelijke agressie tegen de demonstranten niet meer zou toelaten. Het is duidelijk dat de regering zo de kaart van de ‘ontsporing’ uitspeelt, nota bene door de wanhoop en het blinde geweld van bepaalde jongeren uit de voorsteden te gebruiken, die in wezen zelf het slachtoffer zijn van een systeem dat hen met groot geweld vermorzelt. Ook daarop was het antwoord van vele studenten zeer waardig en verantwoordelijk: in plaats van te proberen om gewelddadigheden tegen de jonge ‘relschoppers’ te organiseren, hebben ze bijvoorbeeld op de faculteit van Censier besloten om een ‘commissie voorsteden’ in te stellen. Die had tot taak om met de jongeren uit de arme wijken te gaan praten, vooral om hen uit te leggen dat de strijd van studenten en scholieren ook in het belang is van de jongeren die in de wanhoop van massale werkloosheid en uitsluiting leven.
De verschillende pogingen van de regering om de strijdende studenten te demoraliseren of om ze op het terrein van herhaaldelijke confrontaties met de politiemacht te slepen stootten op een terughouden en vooral waardig antwoord. Dezelfde waardigheid zagen we niet aan de kant van de media. Die overtroffen zichzelf in hun rol van prostituées van de kapitalistische propaganda. Op het televisienieuws gingen de taferelen van geweld aan het einde van sommige manifestaties overal de ronde, terwijl niets werd getoond van de algemene vergaderingen, over de organisatie en de buitengewone rijpheid van de beweging. Maar toen het op één hoop gooien ‘strijdende studenten = relschoppers’ duidelijk niet aansloeg, herhaalde zelfs Sarkozy dat hij een duidelijk onderscheid maakte tussen aardige studenten en ‘schooiers’. Dat hindert de media op hun beurt niet om de beelden van gewelddadigheden op obscene wijze te blijven uitventen. Ze werden uitgezonden als opmaat voor beelden van andere gewelddadigheden – zoals van de aanval van het Israëlische leger op de gevangenis in Jericho of van een bloedige terroristische aanslag in Irak. Toen de stompzinnigste trucjes hun doel misten was het de beurt aan de specialisten van de psychologische manipulatie. Men wil angst en afkeer verbreiden, de onbewuste gelijkstelling ‘manifes-taties=geweld’ doen postvatten, zelfs als de officiële boodschap de tegenovergestelde was.
De grote meerderheid van studenten en arbeiders omzeilden en neutraliseerden deze valstrikken en manipulaties. Daarom nam de vijfde colonne van de burgerlijke staat, de vakbeweging, met grote middelen de zaken ter hand. De regering had zich – door haar onderschatting van de strijdbaarheid en het bewustzijn die de jonge bataljons van de arbeidersklasse in zich dragen – in een impasse gemanoeuvreerd. Het is duidelijk dat zij niet meer terug kon. Raffarin zei al in 2003: “Het is niet de straat die regeert.” Een regering die voor ‘de straat’ zwicht, verliest haar autoriteit en opent de poort voor nog veel gevaarlijker bewegingen, zeker in een situatie waarin zich binnen de arbeidersklasse een enorme onvrede opeenhoopt over de groei van de werkloosheid, de arbeidsonzekerheid, en de aanvallen die dagelijks op hun levensomstandigheden worden uitgevoerd. Vanaf eind januari organiseerden de vakbonden ‘actiedagen’ tegen de CPE. Nadat de studenten de strijd aangingen en de loonarbeiders opriepen om op hun beurt strijd te leveren, deden ze zich in een lang niet vertoonde eendracht voor als de beste bondgenoot van de beweging. Maar laten we ons niet vergissen: achter hun tentoongestelde onverzettelijkheid, stoer tegenover de regering, doen ze niets om de arbeidersklasse als geheel werkelijk te mobiliseren.
Terwijl we op televisie regelmatig krijgshaftige verklaringen horen van Thibault, Mailly en consorten, heerst er op het niveau van de bedrijven stilzwijgen. Zeer vaak arriveren de vakbondspamfletten met oproepen tot staking of demonstraties (wanneer ze er al zijn) op de dag zelf, of zelfs een dag later. De schaarse algemene vergaderingen die de vakbonden beleggen, vinden plaats in bedrijven waar ze bijzonder sterk staan (zoals bij EDF en GDF) (3) en waar ze niet hoeven te vrezen om voorbijgestreefd te worden. Bovendien hebben deze algemene vergaderingen niets gemeen met wat we een maand lang in de faculteiten meemaakten: de arbeiders worden uitgenodigd om braaf te luisteren naar de slaapverwekkende praatjes van vakbondsafgevaardigden, die om beurten voor eigen parochie komen preken met het oog de volgende verkiezingen van ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging. Toen Bernard Thibault er op 26 maart bij de ‘Grand Jury RTL’ erg de nadruk op legde dat de arbeiders hun eigen strijdmethoden hebben, die anders zijn dan die van de studenten, en hij vooral niet wilde dat ze elkaar de les zouden lezen, was dit niet aan dovemansoren gericht: onmogelijk dat de arbeiders de methoden van de studenten zouden overnemen, want dat zou betekenen dat de vakbonden de controle over de situatie zouden kwijtraken en niet langer hun rol als sociale brandweerlieden kunnen spelen! Want dat is hun voornaamste functie in de kapitalistische maatschappij. Zelfs hun meest radicale praatjes vandaag dienen alleen om het vertrouwen van de arbeiders te behouden, om des te beter hun strijd te kunnen saboteren wanneer regering en ondernemers in moeilijkheden dreigen te komen. Deze les zullen de studenten, en ook alle arbeiders moeten onthouden voor hun toekomstige strijd.
Op het moment van schrijven kunnen we nog niet voorzien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen. Maar zelfs wanneer de heilige alliantie tussen de verdedigers van de kapitalistische orde een eind maakt aan de voorbeeldige strijd van de studenten, hoeven ze daardoor niet ontmoedigde te raken, net zomin als andere sectoren van de arbeidersklasse. Ze hebben al twee belangrijke overwinningen behaald. Aan de ene kant zal de bourgeoisie haar aanvallen een tijdje moeten inperken, wil ze niet opnieuw, net als nu, in moeilijkheden worden gebracht. Aan de andere kant vormt deze strijd een ervaring van onschatbare waarde voor een hele nieuwe generatie van strijders van de arbeidersklasse.
Zoals in het Kommunistisch Manifest al meer dan 150 jaar geleden werd gesteld: “Van tijd tot tijd overwinnen de arbeiders, maar slechts voorbijgaand. Het eigenlijke resultaat van hun strijd is niet het onmiddellijke succes, maar de steeds verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders.” De solidariteit en het dynamisme van de strijd, het collectief in handen nemen ervan door algemene vergaderingen, dat zijn de verworvenheden van de huidige strijd van de studenten die aan de komende strijd van de hele arbeidersklasse de weg zal wijzen
Internationale Kommunistische Stroming, 28 maart 2006.
(1) Lees over de strijd tegen de CPE (het ‘eerste aanstellingscontract’) de artikelen op onze website (https://nl.internationalism.org). Deze zijn in druk verkrijgbaar als bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 107 en bij Internationalisme, nr. 324.
(2) bijvoorbeeld de intrekking van het LMD. Het Licence Masters Doctorat is de Europese norm voor cursussen in het universitaire onderwijs.
(3) EDF en GDF: grote Franse electriciteits- en gasbedrijven.
De oorlog in Irak is nu drie jaar geleden begonnen. Het reusachtig militair offensief geleid door de Verenigde Staten moest er actief toe bijdragen om de wereld veiliger te maken. De Amerikaanse kruistocht tegen het internationaal terrorisme, waarvan het Irak van Saddam Hoessein een bastion zou zijn, werd gelanceerd in naam van de vrede, de vooruitgang van de beschaving en de strijd tegen tirannie en obscurantisme. Hoe staat het daar nu mee, na drie jaar van bloedbaden en moordpartijen? In welke toestand bevinden Irak en de hele regio van het Midden-Oosten zich? Welke toekomst heeft deze wereld vol ontbinding voor ons in petto?
Irak zakt onherroepelijk weg in een algemene oorlog
We hoeven alleen te kijken in wat voor tragische situatie de Irakese bevolking zich vandaag bevindt om het begin van een antwoord op deze vraag geven. In de maand februari is er een toename geweest van het aantal zelfmoordaanslagen. Meer dan 75 mensen werden gedood tijdens een nieuwe opflakkering van geweld, op dinsdag 28 februari, in vijf explosies in Bagdad. Binnen één week tijd, tussen 22 en 28 februari, heeft de Irakese pseudo-regering verklaard dat 458 mensen gewond zijn geraakt en 379 gedood, zonder de slachtoffers mee te rekenen van de aanslag op het sjiitische heiligdom van Samarra. Het geweld en de barbaarsheid die zich vandaag in dit land ontwikkelen worden steeds bloediger en onmenselijker. Op dinsdag 28 februari vonden 32 mensen de dood en raakten meer dan 100 anderen gewond bij de haast gelijktijdige ontploffing van twee bommen van fanatieke kamikazes. De dagelijkse onderdompeling in de verschrikkingen moet helaas steeds duidelijker worden geconstateerd. De twee aanslagen vonden plaats in een rij van mensen die stonden te wachten om huisbrandolie te kopen in de wijk Al Amine in het zuidoosten van Bagdad, en bij een postkantoor in dezelfde agglomeratie. In Irak zijn aanslagen dagelijkse kost geworden, ze storten de bevolking in een permanente angst.
De ontwikkeling van de chaos in Irak wordt in het bijzonder geïllustreerd vanaf 22 februari jl. Irak werd al onophoudelijk getroffen door anti-Amerikaanse aanslagen, maar ook op basis van botsingen tussen de gemeenschappen, zoals op die dag met een gebeurtenis die zware gevolgen heeft : de aanslag die de heilige sjiitische moskee van Imam Ali in Basra in Zuid Irak beschadigde heeft. De ontploffing heeft paniek veroorzaakt in de stad, midden in een overwegend sjiitische regio. Deze aanslag heeft een geweldige toename veroorzaakt in de gewapende botsingen tussen sjiieten en soennieten. Sinds dat ogenblik hebben de confrontaties van religieuze aard met zekerheid meer dan 300 doden gemaakt. Er zijn steeds meer gewapende aanvallen. Foltering en standrechtelijke terechtstellingen worden algemeen: "De lichamen van 15 jonge Irakezen, de handen gebonden en met sporen van ophanging, werden ontdekt in een bestelwagen in het westen van Bagdad. Elders werden 29 met kogels doorzeefde lichamen met gebonden handen gevonden in een kuil in het oosten van de stad. Die lichamen werden recent begraven en er zouden er nog andere kunnen zijn, voegde de bron van het ministerie eraan toe." geciteerd in Courrier International, 14-03-2006) De arbeidersklasse in Irak blijft niet gespaard : rond 25 februari werden 45 arbeiders van een brikettenfabriek, van sjiitische en soennitische geloofsrichting, doorzeefd met kogels teruggevonden, zonder dat iemand wist wie de moordenaars zijn. Elke dag ondergaat de Irakese bevolking de verschrikking van het kapitalisme. De opflakkering van geweld, de onweerstaanbare opgang en het geweld van de oorlog tussen de gemeenschappen heeft de 'regering' van het land ertoe gebracht vanaf 22 februari de avondklok in te stellen van 20 uur tot 6 uur in de gebieden ten noorden van de hoofdstad, met name in de streek van Samarra. Die maatregel zou het land wat kalmte moeten brengen. Het voortduren en verergeren van de moordpartijen en aanslagen, tegen de maatregelen van de Irakese overheid in, toont hoe onmachtig ze is om de situatie onder controle te houden. De massale aanwezigheid van het Amerikaanse leger, diens potentieel in grond- en luchtbewapening, zijn geenszins een factor van stabilisatie om het land beter te kunnen controleren, zoals de Amerikaanse bourgeoisie hoopt, maar juist een bepalend element van de toenemende instabiliteit en chaos. Irak is definitief onregeerbaar geworden. Ook als op dit moment de leiders van de parlementaire groepen onder toezicht van de Amerikaanse ambassadeur Zalmay Khalizad begonnen zijn aan 'onderhandelingen' over de vorming van een nieuwe regering. President Jalal Talabani heeft inderdaad de instelling aangekondigd van een parlementaire commissie. In deze krabbenmand waarin elke burgerlijke kliek met wapens in de hand naar de onderhandelingstafel komt, doet de kwestie van de keuze van de eerste minister en van zijn bevoegdheden de democratische schijn aan flarden vliegen : "De Koerden en de soennieten weigeren de heraanstelling van aftredend eerste minister Ibrahim Jaa Fari, die gewenst wordt door de conservatieve sjiieten die in de meerderheid zijn." (Courrier International, 13-03-2006) In een situatie die wegzinkt in oorlog en chaos wil elke leider van de verschillende communautaire bourgeoisieën zich altijd zo hevig mogelijk verzetten om macht en militaire en financiële voordelen in de wacht te slepen.
Een Amerikaanse poging tot reactie is tot mislukking gedoemd
Drie jaar na hun offensief en geconfronteerd met de overduidelijkheid van de complete mislukking van hun militaristisch beleid in Irak moeten de Verenigde Staten wel proberen een grote slag te slaan. Hun verzwakking als eerste wereldmacht, het steeds verder wegzakken in het Irakese moeras, kan de Amerikaanse bourgeoisie niet zonder reageren aanvaarden. Dit des te meer omdat de oorlogspolitiek van de regering Bush steeds meer in vraag gesteld wordt door de Amerikaanse bevolking, waarbij betogingen opduiken die terugtrekking zonder meer eisen van de Amerikaanse troepen uit Irak. De 2991 dode Amerikaanse soldaten die officieel geteld zijn sinds maart 2003 wegen zeer zwaar in zo'n context van mislukking van de Amerikaanse imperialistische politiek. Terwijl de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties tussenkwamen om op te roepen tot kalmte, uit angst dat het land, dat op de rand staat van een open oorlog tussen de soennitische minderheid die gisteren nog aan de macht was, en de machtshongerige sjiitische meerderheid, compleet oncontroleerbaar wordt, bereiden ze toch een nieuw militair offensief voor in de gevoeligste zones van Irak. Dat moest de meest massale operatie worden sinds het begin van de oorlog drie jaar geleden. Met veel publiciteit verlieten wolken bommenwerpers en helikopters de Amerikaanse bases in het Midden-Oosten om een harde klap toe te brengen aan “terroristen en andere activisten die terugverlangen naar de macht van Saddam Hoessein". Dat offensief is vandaag ook uitgeblust, wat opnieuw de groeiende breekbaarheid en verzwakking van de Verenigde Staten in Irak en in de wereld laat zien.
Chaos en oorlog verspreiden zich over het hele Nabije en Midden-Oosten
Tijdens zijn recent bezoek aan Frankrijk liet Abdallah II, de koning van Jordanië, openlijk zijn ongerustheid horen over het zeer reële gevaar van een openlijke oorlog tussen sjiieten en soennieten in heel het Nabije en Midden-Oosten : "Met betrekking tot de sjiitische halve maan sprak ik mijn vrees uit, het politieke spel, onder de dekmantel van het geloof, te zien uitmonden op een conflict tussen soennieten en sjiieten, waarvan we nu reeds de eerste stappen zien in Irak. Het potentieel gevaar van een interreligieus conflict bestaat. En dat zou rampzalig zijn voor ons allen." (Le Monde Diplomatique, maart 2006). De massale aanwezigheid van sjiieten in Koerdistan, in Saoedi-Arabië en vooral in Iran, maakt dat gevaar des te waarschijnlijker. De Iraanse politiek van verdediging van zijn imperialistische belangen in Irak via de sjiitische meerderheid is een belangrijke factor die meewerkt aan de ontwikkeling van de oorlog in heel de regio. Het Israëlisch-Palestijnse conflict past helemaal in deze uitbreiding van de chaos. Het aan de macht komen van Hamas in Palestina, dat gisteren nog een (archaïsche en irrationele) fractie van de bourgeoisie was die het terrorisme aanhing, kan op termijn alleen maar leiden tot een versnelde vlucht vooruit in de oorlog door het Israëlische imperialisme. De toenemende destabilisering van deze regio, maar ook van Jordanië, dreigt zich aan te sluiten bij het kruitvat Irak.
Het voortduren van het conflict in Irak brengt een blijvende verzwakking mee van het Amerikaanse leger.
De Democratische afgevaardigde John Murtha die in november 2005 een felle polemiek uitlokte door om de onmiddellijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak te vragen, rechtvaardigde zijn stelling door zich erop te beroepen dat "officieren hem uitgelegd hadden dat het leger op het punt stond te breken" (zie Le Monde.fr, 20-03-2006). De Verenigde Staten verkeren in steeds grotere materiële en politieke moeilijkheden om de aanwezigheid van 138.000 soldaten in Irak te handhaven. Daarom ziet de Amerikaanse staat zich genoodzaakt om de terugtrekking van 38.000 soldaten, vóór het einde van dit jaar, in ogenschouw te nemen ondanks het verlies van controle over de situatie in Irak. Het toenemende onvermogen om de oorlog in Irak te ondersteunen drukt zich ook uit in de mislukking van de rekruteringscampagne door het Amerikaanse leger in 2005: “Het resultaat ervan was het slechtste in een kwart eeuw.” (Le Monde.fr, 20-03-2006). Vandaag is de Amerikaanse bourgeoisie verplicht vooral soldaten te ronselen uit steeds jongere leeftijdscategorieën, die van 17 tot 24 jaar, en daarbij minder strenge eisen te stellen aan de fysieke selectie. De ontwikkeling van de ellende in de Verenigde Staten drijft de mensen uit de jongere generaties er niet meer toe om bij het leger te gaan. Zo komt de onvrede van de bevolking tegen de oorlog in Irak openlijk tot uitdrukking. Het Pentagon biedt de rekruten vandaag een premie van 20.000 dollar. Verder zou de bovengrens voor rekrutering, met akkoord van het Congres, moeten worden opgetrokken van 35 naar 42 jaar. Dat alles toont open en bloot de versnelde verzwakking van de eerste militaire mogendheid van de wereld.
Deze verzwakking van het Amerikaans imperialisme kan dit alleen maar steeds verder vooruit drijven in zijn oorlogszuchtige politiek. Dat blijkt duidelijk uit de verklaring van de Amerikaanse president G. Bush, geciteerd in Courrier International van 17 maart jl.: "Iran is misschien de grootste uitdaging die een land ons stelt." Het verlies van controle van de Verenigde Staten in Irak en de groeiende invloed van Iran in dit land via de sjiitische gemeenschap leiden tot diplomatieke onderhandelingen tussen beide landen. Maar het onstuitbare oplaaien van de imperialistische tegenstellingen, samen met de versnelde verzwakking van de Verenigde Staten laat geen adempauze toe. De ophanden zijnde Amerikaans-Iraanse confrontatie zou zich wel eens kunnen beginnen concretiseren in het Nabije Oosten, op Libanees terrein. Terwijl de Libanese bourgeoisie, na het vertrek van het Syrische leger, intern verscheurd wordt, is het gewicht van Hezbollah, de sjiitische beweging die openlijk de oorlog tegen Israël verdedigt, een belangrijk wapen van Iran tegen de Verenigde Staten. De onverzoenlijkheid van Teheran inzake haar nucleaire politiek wordt door oorlogszuchtige verklaringen van de Verenigde Staten aan hun adres beantwoord. De steeds duidelijker steun van Rusland aan Iran, samen met de irrationele opgang van de oorlogspolitiek van de Verenigde Staten, kondigen niets goeds aan.
De verzwakking van de capaciteit tot militaire bezetting van de Verenigde Staten, hun onvermogen om hun troepen op het terrein te ontplooien, doen vermoeden dat de kapitalistische barbarij voortgezet zal worden met behulp van massale bombardementen, die alleen ruïnes en ontreddering achterlaten. De bourgeoisie van de voornaamste imperialistische landen, verbeten concurrenten van de Verenigde Staten zoals Frankrijk, Duitsland, Rusland en zelfs China, kunnen niet anders dan zich cynisch verheugen over deze verzwakking van Amerika. Ze zullen niet de minste scrupules hebben om zo actief mogelijk deel te nemen aan het militair laten vastlopen van de Verenigde Staten, zoals dat al gebeurt in Afghanistan en Irak.
Tegenover de opgang van de kapitalistische barbarij moet de klassenstrijd gesteld worden.
Op het ogenblik waarop de kapitalistische barbarij opnieuw in een stroomversnelling terechtkomt, drukt de hoop van heel de mensheid zich concreet uit in de ontwikkeling van de klassenstrijd: in de Verenigde staten, in Duitsland, in Engeland en nu ook vooral in Frankrijk. Alleen de strijd van de arbeidersklasse, door zich op steeds meer eensgezinde en solidaire manier te ontwikkelen, zal door de kommunistische revolutie de gewapende arm van het verrottende kapitalisme kunnen tegenhouden. De jonge generaties arbeiders, die vandaag volop de strijd aangaan tegen het kapitalisme, moeten weten dat hun klassenbroeders in 1917 met de zegevierende proletarische revolutie in Rusland de wereldbourgeoisie gedwongen hebben een einde te maken aan de eerste imperialistische slachting. Deze revolutie, en de revolutionaire golf die zich toen vooral in Centraal-Europa en Duitsland ontwikkelde, was geen uitzondering, geen ongelukje van de geschiedenis. Zij is in ons historisch tijdperk mogelijk en noodzakelijk n
Tino / 24.03.2006
De strijd van studenten, scholieren en arbeiders in Frankrijk tegen het CPE wordt in de Belgische pers afgedaan als een reflex van ‘conservatisme’, van ‘anti-Europese gezindheid’; ‘de Fransen willen geen verandering’ (zie onder meer De Standaard, 11 april 2006).
Maar zoals duidelijk blijkt uit de artikels die we daarover publiceren in deze krant (zie ook het supplement bij Internationalisme, nr. 324) is “Het CPE niet alleen een daadwerkelijke en nauwgezette economische aanval. Het is ook een symbool.” Inderdaad, het is het ‘symbool’ van het bankroet van de kapitalistische economie, van de 'verandering' naar steeds meer ‘precariteit’, bestaansonzekerheid, willekeur, onbestendige en hachelijke jobs, verpaupering. De tijd waarin het bedrijf in de kapitalistische propaganda kon worden voorgesteld als één grote familie, met een baan voor het leven, met sociale zekerheid, waarin er gezorgd werd voor de oude dag – dat alles is stilaan voorgoed verleden tijd. De ‘progressieviteit’ van de bourgeoisie bestaat er vandaag in voltijdse jobs met contracten van onbeperkte duur te vervangen door allerlei deeltijdse, onstabiele contracten, vormen van stages en werkervaringsprojecten, uitzendarbeid, sociale tewerk-stelling of kortlopende en onderbetaalde contracten, flexibele vormen van werk aangepast aan de wispelturige conjunctuur van een kapitalistische economie in crisis. Het ‘Pro-Europees programma’ betekent voor steeds meer mensen, vooral jongeren, een leven zonder vaste aanstelling, onderbroken door perioden van werkloosheid, zonder stabiele levenssituatie. In steeds meer landen worden, onder het voorwendsel jongeren een toegang tot de arbeidsmarkt te verlenen, de laatste vaste banen vervangen door “€1000,-loopbanen”.
Met het CPE in Frankrijk laat het kapitalisme zijn ware gezicht zien, hetzelfde gezicht dat het in België zo goed mogelijk verbergt: dat van een systeem in verval dat geen enkele toekomst meer te bieden heeft aan nieuwe generaties. Een wegrottend systeem in een onoplosbare economische crisis, dat hier in Europa en in alle uithoeken van de wereld miljoenen mensen overlevert aan armoede en ellende, opstookt tot economische en militaire oorlogen, massa’s mensen op de vlucht drijft. Maar de Belgische bourgeoisie blijft volhouden dat het “bij ons minder slecht gaat” en zelfs dat “de Belgische economie weer begint aan te trekken”. We zouden minder 'conservatief' zijn dan de Fransen, meer 'Europees', flexibeler, 'welwillender'. Daaraan zouden we onze welvaart te danken hebben. We zouden verder moeten gaan met de hervormingen van de actieve welvaartsstaat, het Waalse Marshallpact, het Generatiepact, het Competitiviteitspact… Ware het niet dat uit haar eigen statistieken geleidelijk een heel ander beeld naar voren komt dat in niets verschilt van dat van Frankrijk! De verpaupering grijpt ook in België om zich heen. Het gaat niet langer om een verschijnsel aan de rand van het kapitalisme, of eigen aan een of ander weerspannig, eigenzinnig land, zoals sommige commentatoren halsstarrig volhouden, maar om iets waardoor alle centra van het wereldkapitalisme worden aangetast. En dan komt een of ander clown van de bourgeoisie ons met het nodige cynisme vertellen dat we niet mogen klagen omdat het hier “nog altijd beter is dan in Afrika” en ook “beter dan in de jaren 1950”.
Het is voldoende om zich heen te kijken, internet, kranten of statistieken na te gaan, om overstelpt te worden door gegevens van de om zich heen grijpende verpaupering. Als de Europese Unie in 1992 nog een enorme campagne organiseerde over het ‘sociale Europa’ waarin iedere burger een waardige plaats zou hebben dan heeft de bourgeoisie die illusie inmiddels allang opgegeven. Eurostat, de statistische dienst van dezelfde Europese Unie, publiceerde sindsdien reeds herhaaldelijk cijfers over armoede en werkloosheid in Europa. Reeds in april 2003 konden we vernemen: “56 miljoen Europeanen - of vijftien procent van de bevolking - zitten op zwart zaad”; “schokkende cijfers” schreef zelfs de burgerlijke pers. “in ons land leeft dertien procent van de bevolking in armoede. De Belgische armen houden net het hoofd boven water. Ze leven op een dieet van brood, confi-tuur, choco en aardappelen en af en toe wat bier of goedkope sterke drank om de doffe ellende even te vergeten. “Recht op roes”, heet dat. Nochtans zijn ze met 1,3 miljoen. In de marge van de welvaartsstaat gebeuren dingen die het daglicht schuwen.” (De Standaard, 6.11.2003). Hetzelfde Eurostat constateerde in 2005: “De armoedegraad is hier het hoogst onder de werklozen: 32 procent…Dat komt omdat zoveel mensen in België niet werken, zegt de EU. Van alle gepensioneerden zouden er in België 21 procent in armoede leven. Het gemiddelde voor de 15 oude EU-landen is maar 17 procent.” (De Standaard, 21 mei 2005) En reeds een half jaar later moeten de cijfers nogmaals worden bijgesteld: “Vijftien procent van de Belgische bevolking of meer dan 1,5 miljoen mensen valt onder de armoedegrens, die gedefinieerd wordt als een maandelijks inkomen van 772 euro voor een alleenstaande. Werk blijkt niet langer een garantie tegen armoede. Onder de werkenden bevinden zich 4 tot 6 pct armen” (De standaard, 5 december 2005). Ludo Horemans tenslotte, ondervoorzitter van het Europees netwerk van armenorganisaties vindt het toch nog “Positief dat we het nog steeds beter doen dan het Europese gemiddelde. Maar er is wel een probleem. De jongste tien jaar is veel gezegd en aangekondigd, maar op een of andere manier slagen we er in België niet in om de armoede echt terug te dringen. We maken een pas op de plaats, en daardoor lopen we achter op andere Europese landen.” (De Standaard, 18 augustus 2005).
De tendens is duidelijk. Inderdaad de feiten zijn hoe langer hoe schokkender, in 2001 leefde reeds 21% van de wereldbevolking van minder dan $1,- per dag terwijl meer dan de helft van minder dan $3,- moest rondkomen; en dat is toch nauwelijks iets waar de bourgeoisie trots op kan zijn. En als de omstandigheden steeds meer beginnen te lijken op die van de jaren 1950, dan is dat zonder enige illusie van een ‘wederopbouw’. De perioden van economische ‘opleving’ worden steeds korter en oppervlakkiger en de recessies steeds dieper en langer. Het zijn de hobbels naar de afgrond, geen fluctuaties van een zich uitbreidende economie. En de recessie die begin 2001 inzette is nog lang niet voorbij.
Waals Marshallpact, Generatiepact, Competitiviteitspact, Marshallplan in wallonië, zovele maatregelen en keurslijven waarbij het venijn in de staart zit: de arbeidersklasse wordt ‘gepakt’: pensioenen worden onderuit gehaald, lonen geblokkeerd, de loopbanen (van ouderen) verlengd om de pensioenen te doen dalen, de zekerheid van een baan (voor jongeren) vervalt stilaan… Als de ondernemers bovendien klagen dat de lonen 8% boven het Europese gemiddelde liggen en vergeten te vertellen dat de arbeidsproductiviteit in België 20% boven het Europese gemiddelde ligt, dan geven ze enkel aan hoeveel ze onze inkomens zelfs op de korte termijn willen laten dalen. De hele campagne rond het ‘conservatisme’ in de beloningssystemen is er onder andere op gericht komaf te maken met overblijvende leeftijds- of anciënniteitsbarema’s. In de ‘vergeten passage’ van het Generatiepact werd dat als volgt gepresenteerd: “Er kan worden gedacht aan een gerichte aanmoediging voor de sectoren en ondernemingen om voor de nieuwe intreders op de arbeidsmarkt tot barema’s te komen waarin het element leeftijd minder zwaar weegt en waarin jongeren méér gaan verdienen dan vandaag.” (De Standaard, 16 maart 2006). Dat is ook nog aangeprezen als een uiting van de “voorzichtigheid van de ondernemers” in een “aantrekkende economie”; wat alleen maar bewijst dat de ondernemers zélf geen woord van geloven van de miraculeuze wederopstanding van de economie.
Op het vlak van het netwerk van gezondheidszorg, pensioenen en werklozensteun zien we dat de tendens zich onomkeerbaar verder zet naar sociale uitsluiting. Kijken we enkel naar de werkloosheid dan leren de officiële cijfers ons dat voor Brussel de werkloosheid in 2003 voor het eerst de 20% overschreed terwijl meer dan een kwart van de bevolking leefde in huishoudens zonder betaald werk; van de jongeren – heel onheilspellend – is dit zelfs 40% (1). Met één van de drie werkloos zijn vooral jongeren daar het slachtoffer van. Als de toestand in bijvoorbeeld Antwerpen en Gent, zonder wezenlijk verschillend te zijn, net iets beter is dan in Brussel, dan is die nog slechter in de grote steden van de Waalse regio zoals Luik en Charleroi. Het rapport van de Belgische federatie van voedselbanken leert ons dat in 2005 er 106.550 mensen beroep deden op voedselbedelingen tegenover 70.000 in 1995. Kortom: van een politiek van uitkering naar een politiek van soepbedeling!
Gezondheidszorg wordt met iedere ingreep van de regering onbereikbaarder en zou wel eens kunnen denken dat het geen toeval is dat een discussie over uitbreiding van de euthanasiewet op de agenda staat om ‘overbodige kosten te besparen’ op onproductieve delen van de bevolking. Kortom: van een politiek van gezondheidszorg naar een politiek van stervensbegeleiding!
Voor de sociale huisvesting gaat het probleem hoe langer hoe meer over het kunnen betalen van de huishuur en woonlasten. Kortom: van een politiek van sociale huisvesting naar een politiek van opvang van daklozen!
De bourgeoisie beweert de sociale uitsluiting te bestrijden, maar doet niets anders dan schijntegenstellingen versterken tussen werkenden en werklozen, het onderscheid tegelijk een ‘etnisch’ gezicht geven en de schuld van de werkloosheid te leggen bij de werklozen of de weerstand van bepaalde groepen om zich ‘te integreren’. Zo worden verschillende delen van de arbeidersklasse en niet-uitbuitende lagen van de bevolking tegen elkaar opgestookt door in te spelen op gevoelens van angst, haat, rancune en jalousie over ‘privileges’ van werkende ouderen of ‘profiterende’ etnische groepen.
Het aanvaarden van offers zal bankroete ondernemingen niet redden net zo min als de bankroete staat; wanneer de bourgeoisie dergelijke middelen structureel nodig heeft is het omdat haar systeem ten dode is opgeschreven. Zo leidt ieder offer tot nieuwe offers, en als één groep arbeiders offers aanvaard gaat dat ook onmiddellijk ten koste van alle andere arbeiders omdat de bourgeoisie probeert haar eigen ‘competitiviteit’ op de been te houden door de arbeiders tegen elkaar uit te spelen. Voor de arbeiders stelt zich ondertussen de vraag: moeten we onze hoop stellen op ondernemer en staat of juist op de strijd van onze eigen klasse?
De voorbije stakingen en betogingen in Frankrijk tegen het CPE maken volop deel uit van een wereldwijde opleving van strijd tegen de verpaupering die het zieltogend kapitalisme veroorzaakt. De beweging kondigt een richting van strijd aan en had niets gemeen met corporatisme of klassensamenwerking door de eerdere studentenbewegingen. Geconfronteerd met een aanval op de arbeidersjeugd die de onzekerheid en hachelijkheid institutionaliseert, en dan ook nog in naam van deze te bekampen, begreep de studerende jeugd dat hun verzet, een verzet was van de hele arbeidende klasse tegen bestaansonzekerheid en verpaupering. De solidariteit stond eens te meer centraal in de beweging, net zoals dit het geval was in de stakingsbewegingen van de laatste maanden bij de bagageafhandeling in het engelse Heathrow uit solidariteit met de afgedankte cateringwerkers, in de New Yorkse metro en de staking van anderhalf miljoen lokaal overheidspersoneel in Engeland tegen de aanval op de pensioenen voor de huidige en komende generaties. Eveneens bij de spontane staking van de postmannen in het Ierse Belfast tegen de verdeling in katholieke en protestantse sectoren, en bij de duitse arbeiders in de automobielindustrie die samen opkomen tegen de afslankingen en zo de pogingen dwarsbomen van de regering om hen tegen elkaar op te stoken. Iedere dag komen er nieuwe bewijzen bij dat de solidariteit weer centraal staat in de opkomende arbeidersstrijd tegen de effecten van de wereldcrisis en de schreeuwende armoede: de strijd van 40.000 textielarbeiders in Vietnam, de stakingsgolf die de verleden zomer door Argentina trok, de strijdbare revolte van de bouwvakkers in Dubai. Daar liggen de voorbeelden van strijd tegen het 'conservatisme' van een overjaars kapitalisme, de bouwstenen van een nieuwe maatschappij, van een 'wereldgemeenschap', van ‘verandering’ tegen de vernietigende wetmatigheden van de crisis n
Manus&Lac /13.04.2006
(1) Negende Armoederapport van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, april 2004, https://www.armoede.be [49].
De staking van het gemeentepersoneel tegen de aanvallen op de pensioenen vindt plaats op dezelfde dag waarop er in Frankrijk een algemene staking is tegen de aanvallen op de werkzekerheid van jonge arbeiders. Zo maken twee van de oudste en meest ervaren delen van de internationale arbeidersklasse aan de heersende klasse duidelijk dat ze niet bereid zijn haar aanvallen te slikken. Ze verwerpen de logica van de kapitalisten die wil dat de arbeiders hun levens - en arbeidsvoorwaarden moeten opofferen in het belang het kapitalistisch systeem; de logica die wil dat de gepensioneerden, de werklozen en de werkende arbeiders langer en harder moeten zwoegen om dit systeem in verval overeind te houden.
De staking van het gemeentepersoneel is waarschijnlijk één van de grootste gevechten in Groot-Brittannië van de laatste jaren. De vaste wil van de arbeiders, of ze nu jong of oud zijn, voltijds of deeltijds werken, is de uitdrukking van één van de machtigste wapens van de arbeidersklasse: haar solidariteit.
Liever dan zich te laten verdelen en tegen elkaar te laten opzetten hebben ze zich allen aaneengesloten in een gemeenschappelijke strijd.
Dergelijke solidariteit is het enige antwoord op de aanvallen van de heersende klasse. Gemeentewerkers wordt, net als alle andere arbeiders, verteld dat ze wat van hun pensioengeld moeten inleveren, dat ze pas na 40 jaar uitgebuit te zijn op rust kunnen gaan! Waarom? Blijkbaar omdat te veel arbeiders te lang leven en dat ze een last geworden zijn voor de jongere generaties! De gemeentewerkers hebben die logica verworpen. Oud en jong verenigen zich in de strijd omdat ze begrijpen dat het de verantwoordelijkheid van de generatie van nu is de belangen van de komende generaties te verdedigen.
Op die manier nemen ze hun plaats in binnen een internationale beweging waarin arbeiders in Frankrijk, Oostenrijk en de Verenigde Staten weigeren de aanvallen te slikken op hun pensioenen en die van hun kinderen. In 2003 hebben arbeiders in de openbare sector in Frankrijk massale demonstraties gehouden tegen de aanvallen op de pensioenen, net als in Oostenrijk, waar we de grootste betogingen zagen sinds de Tweede Wereldoorlog. Met kerstmis 2005 in New York staakten de arbeiders van het openbaar vervoer om hun pensioenen te verdedigen. Ze maakten duidelijk dat ze dit ook deden voor de generaties die na hen komen.
De arbeiders zijn niet enkel aan het vechten voor de pensioenen. In 2005 verenigden arbeiders uit de autosector zich met arbeiders uit andere sectoren in Duitsland tegen de ontslagen bij Daimler-Chrysler. In Spanje voerden de arbeiders bij SEAT in Barcelona wilde stakingen tegen het ontslag van 600 van hun kameraden. Sinds maart vechten studenten in Frankrijk tegen de invoering van de CPE, een wet die inhoudt dat iedereen onder de 26 om het even wanneer ontslagen kan worden tijdens de eerste twee jaar van zijn job. De studenten zijn naar bedrijven getrokken om er de arbeiders op te roepen hen te steunen, en honderdduizenden arbeiders hebben zich bij betogingen aangesloten.
De media hebben met betrekking tot Frankrijk alleen over ‘rellen’ gepraat, en sommige elementen hebben zich – aangemoedigd door de staat – laten meeslepen in het doodlopend straatje van gewelddaden, maar de meerderheid heeft Algemene Vergaderingen (AV's) gehouden waar ze op een bewuste en verenigde wijze gediscussieerd hebben over wat hen te doen staat. De meest vooroplopende AV's hebben andere arbeiders uitgenodigd aan hun discussies deel te nemen en zijn gaan discussiëren met werkende en werkloze arbeiders.
In Groot-Brittannië hebben de media en de politici het gemeentepersoneel voorgesteld als arbeiders die bevoorrecht zijn en die in de watten worden gelegd, in vergelijking met die in de privé-sector. Dat is een vuile leugen die moet dienen om de arbeidersklasse te verdelen. In werkelijkheid worden de pensioenen van alle arbeiders aangevallen. In de privé-sector zagen ze bij Rentokil hun pensioenen ter hoogte van het loon aan het einde van hun loopbaan afgeschaft, terwijl 80.000 arbeiders hun pensioen compleet kwijt zijn omdat bedrijven over de kop zijn gegaan. Hetzelfde is bezig in de openbare sector. Als de bazen de aanvallen van vandaag kunnen doordrijven, dan zullen ze gauw terugkomen voor méér: complete afschaffing van de eindloonpensioenen, verlaging van het pensioengeld, optrekken van de pensioenleeftijd. Het Turner Report beveelt aan dóór te laten werken tot 68 jaar, en dat is nog maar een begin!
Arbeiders in de privé-sector hebben ook tegen deze aanvallen gevochten. Vorige herfst staakten de Britse gasfitters om hun eindloonpensioenen te behouden voor alle nieuwe arbeiders. De pogingen om de arbeidersklasse te verdelen moeten afgewezen worden.
Deze verdeling wordt niet alleen doorgevoerd door de media en de politici, maar ook door de vakbonden. Een jaar geleden werd er gesproken over een staking in de openbare sector tegen de aanvallen op de pensioenen. En wat is er gebeurd? Niks. Nee, eigenlijk deden de vakbonden een heleboel. De vakbond van de staatsambtenaren ging ermee akkoord een aanval op de pensioenen te helpen doorvoeren die aan nieuwe arbeiders de eindloonpensioenen ontzegt. In de gezondheidszorg (1) begroeven Unison en andere bonden de kwestie onder de dekmantel van verder overleg over de pensioenen met de directies. In de gemeenten stelden de vakbonden strijd in het vooruitzicht temidden van duistere praatjes dat anderen in de openbare sector betere overeenkomsten zouden krijgen. Dus in een situatie van grote ontevredenheid in de hele openbare sector hebben de vakbonden nu drie onderscheiden groepen afgezonderd: de staatsambtenaren, de gezondheidswerkers en het gemeentepersoneel, en nu proberen ze de gemeentewerkers op te zetten tegen de anderen.
De huidige 24 uurs staking is een onderdeel van deze strategie. De vakbonden weten dat de gemeentewerkers woest zijn over de aanval en dat zij moeten tonen hoe goed ze de belangen van hun ‘leden’ wel verdedigen. Maar terwijl de 24 uurs staking zeker de grote strijdwil van de gemeentewerkers toont, laat ze de vakbonden ook toe de arbeiderswoede in bedwang te houden. Ze gebruiken ze ook om de gemeentewerkers onderling te verdelen. Niet alle vakbonden doen mee aan de staking. Wie lid is van een vakbond die niet staakt staat voor de keuze: ofwel aan de staking deelnemen met de kans op strafmaatregelen van de vakbond, ofwel door de stakingsposten heen breken. Verder zijn er veel gemeentewerkers die niet bij een vakbond aangesloten zijn en daarmee voor een gelijkaardige keuze gesteld worden.
Deze doelbewuste versnippering van de arbeiders maakt de noodzaak overduidelijk dat we bij elkaar moeten komen in massabijeenkomsten over alle vakbondsverdelingen heen, dat we direct naar andere werkplaatsen en sectoren moeten gaan om te discussiëren over hoe we de aanvallen samen moeten bestrijden. Niemand zal dat voor ons doen. De toekomst ligt in onze handen!
IKS / 25.03.2006
(1) in Groot-Brittannië: NHS (National Health Service)
De beweging van de studenten tegen de CPE (contract eerste aanstelling of startbaan) is er in geslaagd om de bourgeoisie te doen terugkrabbelen, die op 10 april haar CPE heeft ingetrokken. Maar ook al moest de regering terugkrabbelen, toch is dat ook en vooral gebeurd doordat de arbeiders zich gemobiliseerd hebben in solidariteit met de kinderen van de werkende klasse, zoals we hebben gezien tijdens de betogingen van 18 en 28 maart en 4 april.
Ondanks de ‘verrottingsstrategie’ die de regering toepaste om haar CPE (ook vertaald als ‘Contract pour se faire entuber’ = contract om zich te laten bedonderen) met geweld door te drukken, zijn de studenten niet bezweken voor de kapitalistische intimidatie met haar smerissen, haar dienstkloppers en haar klikspanen. Door hun vastberadenheid, hun voorbeeldige moed, hun diepe zin voor solidariteit, hun vertrouwen in de arbeidersklasse, zijn de strijdende studenten (en de meest bewuste en rijpe scholieren) erin geslaagd de arbeiders ervan te overtuigen om met hen mee de straat op te gaan. Talrijke arbeiders uit alle sectoren, van openbaar tot privé, waren in de betogingen aanwezig. Deze solidariteitsbeweging van heel de arbeidersklasse heeft de wereldbourgeoisie diep verontrust. Daarom hebben de media systematisch de werkelijkheid vervalst en heeft de Duitse bourgeoisie zich genoodzaakt gezien om het uitvoeren van een tweelingbroertje van de CPE in Duitsland af te remmen. In deze zin is de internationale weerklank van de strijd van de studenten in Frankrijk één van de grote overwinningen geweest van deze beweging.
De meest platte pennenlikkers van het kapitaal (zoals die van het dagblad Libération die in hun roze dagblad aankondigden dat ‘het grote feest’ van de kinderen van de middenklasse zou uitlopen op een ‘kater van jewelste’) kunnen nog altijd de mis gaan zingen of de Marseillaise: de strijd tegen de CPE was geen ‘fronde’ van koppensnellers geleid door Jacobijnen uit de moderne tijd, noch een soort ‘Oranjerevolutie' georkestreerd door fans van popmuziek. Zelfs indien de grote meerderheid van de strijdende studenten, bij gebrek aan ervaring en kennis van de arbeidersbeweging, nog geen helder bewustzijn heeft van de historische draagwijdte van hun strijd, dan nog hebben ze de deuren van de toekomst opengegooid. Ze hebben de fakkel overgenomen van hun voorgangers: van hen die een eind gemaakt hebben aan de oorlog van 1914-18 door de ontwikkeling van de internationale solidariteit van de arbeidersklasse op het slagveld; van degenen die later in de clandestiniteit de beginselen van het proletarisch internationalisme zijn blijven verdedigen tijdens de tweede wereldslachting; van degenen die vanaf mei 1968 een eind gemaakt hebben aan de lange periode van de stalinistische contra-revolutie en die daardoor de uitbarsting van een derde wereldoorlog verhinderden.
Een andere reden waarom de bourgeoisie is teruggekrabbeld, was om haar vakbonden uit de brand te helpen. De heersende klasse (die heeft kunnen genieten van de ‘solidariteit’ van heel de kapitalistische klasse van de grootmachten van Europa en Amerika) heeft ten slotte ingezien dat het beter was tijdelijk ‘gezichtsverlies’ te lijden dan haar apparaat van vakbondsinkapseling te verbranden. Het was wel degelijk om de meubels te redden dat het opperhoofd van de bazen, Laurence Parisot (die voor de gelegenheid zijn rol van ‘bemiddelaar’ en ‘partner’ van de sociale vrede briljant heeft gespeeld) is gaan onderhandelen met het vakbondsfront.
De regering is ten slotte gezwicht voor de druk van de straat omdat men in het merendeel van de bedrijven de houding van de vakbonden in vraag begon te stellen. Die hadden niets gedaan om de solidariteit van de arbeiders met de studenten tot uitdrukking te brengen, in tegendeel. In de meeste bedrijven, zowel van de openbare als van de privé-sector, was er geen enkel vakbondspamflet dat opriep tot de betoging van 18 maart. De stakingsaanzeggingen van de ‘actie- en mobilisatiedag’ van 28 maart en van 4 april werden door de vakbondsleidingen op het laatste moment en in de grootste verwarring gedaan. En wanneer de vakbonden alles in het werk gesteld hebben om het houden van soevereine Algemene Vergaderingen te vermijden, dan was dat met het argument dat loonarbeiders ‘niet dezelfde strijdmethodes hebben als studenten’ (aldus Bernard Thibault in een uitzending van De grote jury van RTL op 26 maart)! Hun dreiging met ‘verlengbare algemene staking’ aan het einde van de beweging was in de ogen van een groot aantal arbeiders niets anders dan een bluf uit het poppentheater!
De enige sector waar de vakbonden een maximum aan publiciteit hebben besteed om de arbeiders op te roepen tot staking tijdens de actiedagen van 28 maart en 4 april, was die van het transport. Maar deze stakingsoproepen hadden als enig doel om de solidariteitsbeweging van de arbeidersklasse tegen de CPE te saboteren. Het totaal blokkeren van het transport is inderdaad een klassieke manoeuvre van de vakbonden (en voornamelijk van de CGT) om de staking onpopulair te maken en de arbeiders tegen elkaar op te zetten. Het feit dat de vakbondsoproepen tot het blokkeren van het transport weinig weerklank vonden, heeft het mogelijk gemaakt dat zoveel mogelijk arbeiders kon deelnemen aan de betogingen. Het onthult ook het gezichtsverlies van de vakbonden in de bedrijven. Getuige daarvan was nog het feit dat in de betogingen een belangrijk aantal loontrekkers zich op het trottoir groepeerden, zo ver mogelijk af van de vakbondsspandoeken.
Ook vanwege het feit dat de arbeiders uit de privé-sector (zoals van SNECMA en Citroën in de Parijse regio) begonnen waren zich in solidariteit met de studenten te mobiliseren, waarbij ze de vakbonden dwongen om hen ‘te volgen’ wanneer die de controle niet kwijt wilden raken, hebben de bazen druk uitgeoefend op de regering om terug te krabbelen voordat er spontane stakingen zouden uitbreken in belangrijke bedrijven van de privé-sector. Om te vermijden dat de vakbonden compleet in hun hemd zouden komen te staan en overspoeld zouden worden door een oncontroleerbare beweging van de loonarbeiders, had de Franse bourgeoisie geen ander alternatief dan de vakbonden te hulp te snellen door de CPE zo snel mogelijk in te trekken na de betoging van 4 april.
De meest intelligente journalisten hadden het goed gezien toen ze op 7 maart op de TV beweerden: “Overal zit mijngas” (Nicolas Domenach). In die zin heeft De Villepin een deel van de waarheid gezegd toen hij voor het poppentheater van het nationale parlement, daags na deze ‘actiedag’, stelde dat zijn voornaamste bekommernis niet zijn persoonlijke trots was, maar ‘het algemeen belang’ (dat wil zeggen: van het nationaal kapitaal!). Geconfronteerd met deze toestand hebben de minst stupide sectoren van de heersende klasse aan de alarmbel getrokken door een ‘snelle uitweg’ uit de crisis aan te kondigen na de actiedag van 4 april, waarop enkele miljoenen betogers (waaronder talrijke arbeiders uit de privé-sector) de straat waren opgegaan.
Ondanks het voorbeeldige solidariteitsbetoon van de kapitalistische staat met zijn vakbonden, hadden deze laatste te veel veren gelaten om de arbeidersklasse te misleiden met hun ‘radicale’ taal. En het was juist om het hele sociale terrein te controleren en in te kapselen dat, eens te meer, de traditionele kaart van de ‘vakbondsverdeeldheid’ aan het einde van de beweging werd uitgespeeld door de oude centrales (CGT, CFDT, FO, CGC, UNEF) en de ‘radicale’ vakbonden SUD en CNT. Wat de ‘nationale coördinatie’ betreft, hebben we kunnen zien dat deze op het einde van de beweging er voornamelijk op uit was om de studenten af te matten, om ze voor de camera's te demoraliseren en belachelijk te maken – zoals in Lyon in het weekeinde van 8 en 9 april, toen de afgevaardigden van de universiteiten uit heel Frankrijk twee dagen lang hun tijd hebben verdaan met het stemmen… waarover ze zouden stemmen
!
Tegenover het verlies aan geloofwaardigheid van de vakbonden hebben we tenslotte het publieke optreden kunnen meemaken van de figuranten van deze Franse komedie: na de grote vakbondscentrales, zijn de ‘vrienden’ en ‘vriendinnen’ van Arlette Laguiller de dansvloer opgegaan tijdens de betoging van 11 april, om op hun beurt veel drukte te maken. Op 18 maart stonden de militanten van Lutte Ouvrière (trotskisten) nog op de stoep ballonnen op te blazen en “LO”-stickers op iedereen te plakken die zich in hun buurt waagde! Terwijl de regering en de ‘sociale partners’ beslist hadden om onderhandelingen op gang te brengen voor een ‘eerbare’ uitweg uit de crisis en de CPE op 10 april was ingetrokken, zagen we LO gesticuleren tijdens de begrafenis-manifestatie van 11 april in Parijs. Op die dag hadden ze een maximum aan scholieren en studenten, die tot het bittere einde door wilden gaan, opgeroepen de straat op te gaan om de beweging achter de rode vlaggen van LO te ‘radicaliseren’, naast de blauwwitte lappen van SUD of de rood-zwarte van de CNT. Al deze ultralinkse of anarchoïde klieks vonden elkaar in roerende eensgezindheid achter het ordewoord: “Intrekking van de CPE, van de CNE en de wet op de Gelijke Kansen!” of zelfs “Villepin aftreden!”
De meest ervaren arbeiders kennen het doel van een dergelijke kabaal maar al te goed: De studenten bedriegen die op zoek zijn naar een politiek perspectief, door een schijnradicalisme uit te spelen waarachter hun door en door kapitalistische aard schuilgaat. Ook proberen deze valse revolutionairen (in werkelijkheid gepatenteerde saboteurs) de kaart van het “radicale” of “basissyndicalisme” uit te spelen om de ‘verrottingsstrategie’ te voltooien. Ultralinks en de meest heetgebakerde anarchisten hebben geprobeerd om in Rennes, Nantes, Aix-en-Provence, en ook in Toulouse, studenten die tot het uiterste wilden gaan, stuk voor stuk tot fysieke botsingen te drijven met hun kameraden die voor het opheffen van de blokkade van de faculteiten begonnen te stemmen. Het vooruitschuiven van het ‘radicale’ of ‘basissyndicalisme’ is niets anders dan een goed uitgedokterd manoeuvre van bepaalde fracties van de staat om de meest strijdbare studenten en arbeiders achter de reformistische ideologie te scharen.
Heel het terrein van de overdenking wordt vandaag met een dicht netwerk van professionele saboteurs overtrokken door LO, SUD (ontstaan als een afsplitsing van de CFDT in de sector van de PTT in 1988) en vooral door de Ligue Communiste Révolutionnaire (zusterorganisatie van de belgische trotskisten SAP) – die de universiteiten altijd als haar privé jachtterrein heeft beschouwd en voortdurend de vakbonden heeft gedekt door de studenten op te roepen om ‘druk uit te oefenen’ op hun leidingen opdat die op hun beurt de arbeiders zouden oproepen om in strijd te gaan. Alle “radicale” fracties van het inkapselingsapparaat van de arbeidersklasse hebben zich voortdurend aan de studenten vastgeklit om de beweging te doen ontaarden of haar in te kapselen door haar af te leiden naar het verkiezingsterrein (heel dit mooie wereldje komt met kandidaten aandraven voor de verkiezingen) en dat komt neer op de verdediging van de “wettelijkheid” van de burgerlijke “democratie”.
Het is trouwens wel degelijk omdat de CPE een symbool was van het historische bankroet van de kapitalistische productiewijze, dat heel ‘radicaal’ links (lollie-roze, rood en groen) zich nu verstopt achter de etalage van de grote kameleon ATTAC, om ons te doen geloven dat men “de best mogelijke wereld” zou kunnen uitbouwen binnen een systeem dat gebaseerd is op de absurde wetten van het kapitalisme, die van de uitbuiting en van de zucht naar winst.
Zodra de arbeiders hun solidariteit met de studenten begonnen te betuigen, hebben we kunnen zien hoe de vakbonden, de linkse partijen en ultralinksen van allerlei pluimage het terrein gingen bezetten om de studenten terug in het gareel te krijgen van de klassensamenwerking van het weldenkende kleinburgerdom. De grote reformistische supermarkt werd opengesteld tijdens de discussieforums: iedereen werd uitgenodigd om de valse rotzooi te slikken van José Bové, van Chávez (kolonel, president van Venezuela en lieveling van de LCR) of van Bernard Kouchner en andere “artsen zonder grenzen”, die de proletariërs regelmatig komen afpersen of opzadelen met een schuldgevoel door hen te doen geloven dat het geld van hun ‘humanitaire’ giften de hongersnoden en epidemieën in Afrika zouden kunnen oplossen! De loonarbeiders die zich tegen de CPE hebben gemobiliseerd worden er nu toe opgeroepen vertrouwen te stellen in de vakbonden die als enige het monopolie van de staking in handen hebben – en vooral van geheime onderhandelingen met de regering, de bazen en het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Wij drukken hieronder de tekst af die een sympatisant ons heeft opgestuurd ter gelegenheid van de stille mars georganiseerd in Antwerpen na de straatmoorden op 11 mei.
Eens te meer slaat de sociale ontbinding toe: een jongere zonder perspectieven ‘slaat door’ en knalt drie personen neer op straat. Een maand eerder vermoorden andere jongeren een jongeman en beroofden hem van zijn MP3. Jammer genoeg is dergelijk geweld de laatste vijftien jaar steeds minder een uitzondering geworden: een kind verkracht door jongeren in Groot-Brittannië, moorden op Amerikaanse scholen, anti-vreemdelingen pogroms in Duisland, geweld tegen moslims in Nederland.
De bourgeoisie gebruikt deze gebeurtenissen, die een gevolg zijn van de verrotting van haar eigen uitbuitingssysteem, het gewettigde gevoel van afschuw die ze oproepen en het medeleven dat ze opwekken, om de bevolking in het algemeen en het proletariaat in het bijzonder op te roepen om zich achter de staat en de democratie te scharen. Deze worden voorgesteld als de enige mogelijke dammen tegen het irrationele geweld dat uitbarst in de grote steden. Het kapitalisme heeft geen enkele oplossing te bieden tegen dit geweld: in tegendeel, zijn eigen voortbestaan veroorzaakt het.
De tekst die wij afdrukken is veelbelovend vanuit meer dan één invalshoek: eerst en vooral toont hij aan dat niet iedereen zomaar de ‘uitleg’ van de bourgeoisie aanvaardt, dat er steeds meer een tendens opkomt om kritisch na te denken over de ideologische campagnes van de heersende klasse. Vervolgens is de tekst zelf een oproep tot collectieve discussie aangezien hij door zijn auteur in zijn omgeving werd verpreid. Hij nodigt hen, die het doelwit zijn van de cmpagnes van de bourgeoisie, uit tot debat en op die manier draagt hij bij tot het tegengif dat de arbeidersklasse vormt tegen het ideologische venijn van de bourgeoisie.
Wij steunen dus volop deze aanpak en wij kunnen onze lezers er alleen maar toe aanzetten om dezelfde richting in te slaan.
Onlangs ontving ik verschillende uitnodigingen om deel te nemen aan de ‘Witte mars’ van vrijdag. Deze mars komt er als reactie op de moorddaden te Antwerpen gepleegd door een jongeman van achtien. Nadat deze jongere zichzelf kaalschoor, kocht hij een jachtgeweer en ging vervolgens op moordtocht. Hij doodde een Afrikaans meisje en een tweejarig kind en verwondde een meisje met een hoofddoek. Vervolgens werd hij zelf verwond door de politie, opgepakt en verhoord. Tijdens zijn verhoor vertelde hij dat hij bewust allochtonen had neergeschoten.
De gepleegde moorden zijn verschrikkelijk en vallen niet goed te praten. Velen toonden hun medeleven met de slachtoffers. Men is geshockeerd door het irrationele geweld dat er vandaag de dag heerst en wil dit tonen door mee te stappen in een mars, georganiseerd door de overheid. Dit is best begrijpelijk, maar toch stel ik me hier veel vragen bij.
Wat is nu de bedoeling van deze mars? "Voor een betere wereld zonder zinloos en racistisch geweld" (De Standaard, 26 mei 2006) Om te tonen aan de samenleving dat we tegen zinloos geweld zijn. Zijn we dat niet al jaren? Is het geweld gestopt? Zal het nu stoppen? Pakken we de werkelijke oorzaken van het geweld aan? Ik denk dat het belangrijk is de diepgaande wortels van het probleem te achterhalen, ons vragen te stellen over de wereld waarin we leven. Het is niet door passief mee te stappen in een mars dat er iets zal veranderen.
Waarom bestaat er zulk irrationeel geweld? Waarom bestaat er xenofobie (= angst voor vreemdelingen)? Hoe komt het dat in de hedendaagse periode xenofobe, extreem rechtse ideeën zoveel succes hebben? Dit zijn volgens mij algemene, fundamentele vragen die moeten worden gesteld. Vragen die de huidige maatschappij zelf in vraag stellen en niet binnen haar logica blijven steken.
Volgende vragen werden naar voren gebracht door de media en de politiekers: "Is het Vlaams Belang verantwoordelijk? In welke mate is het verantwoordelijk? Welke straf moeten we de dader geven? Wat kunnen we tegen dit geweld doen, zonder dat het onze ‘democratie’ aantast?" Deze vragen zijn een valstrik. Men redeneert binnen de grenzen van de maatschappijlogica, binnen haar beperkingen. Men pakt alleen maar de gevolgen aan in plaats van de maatschappij zelf te veranderen, want het zijn haar fundamenten zelf die wankel staan.
Het Vlaams Belang bijv. zou de oorzaak zijn van het probleem. Deze argumentatie gaat niet op. Extreem rechtse partijen zijn een gevolg, geen oorzaak, van een maatschappij die een zondebok zoekt voor haar miserie. Deze partijen wakkeren die haat wel aan, maar in wezen zijn zij een uitdrukking van het gedachtegoed dat de hedendaagse maatschappij schept.
Welke straf moet de misdadiger krijgen? Als we ons nu eens de vraag stelden: waarom bestaan er misdadigers? Wat maakt dat mensen moorden? Frustratie, depressie? Hoe komt het dan dat er vandaag zovelen zich niet goed in hun vel voelen? (in 2004 was gemiddeld 8 % van de bevolking van 15 jaar en ouder depressief) Is het de uitzichtloosheid, een gebrek aan vertrouwen in de toekomst?
Wat u ook doet, ik vraag u die algemene vragen te stellen, erover na te denken, met anderen erover te praten en niet blindelings in de leuzen van de organisatoren te vertrouwen. Stel u vragen bij de mars zelf. Wie organiseert ze? Wie roept op om mee te stappen? Wie heeft er belang bij? Zelf zal ik niet aanwezig zijn op de mars n
Met oprechte groeten,
Y.
In de vorige artikels in deze reeks hebben we duidelijk gemaakt hoe de BWP doorheen heel zijn totstandkoming getekend werd door een oppervlakkige assimilatie van het marxistisch analysekader en door een diepgaande invloed van de anarchistische ideeën van Proudhon of de putchistische theorieën van Blanqui.
In de vorige artikels in deze reeks hebben we duidelijk gemaakt hoe de BWP doorheen heel zijn totstandkoming getekend werd door een oppervlakkige assimilatie van het marxistisch analysekader en door een diepgaande invloed van de anarchistische ideeën van Proudhon of de putchistische theorieën van Blanqui. De jaren van strijd tegen deze ideeën brachten de BWP er steeds meer toe wettelijke actie tegenover avonturisme, provocatie en samenzwering te plaatsen. In die logica moest elke spontane actie, voortkomend uit een woede-uitbarsting of een impulsieve eis wel met wantrouwen bekeken worden omdat ze de socialistische leiders in een onverwachte en destabiliserende situatie bracht. Bovendien hadden zij de neiging elke vorm van kritiek te beschouwen als een buitensporigheid die de partijdiscipline met de voeten trad.
We hebben ook onderlijnd hoe de BWP van bij haar oprichting een snelle ontwikkeling kende inzake aanhang en invloed. Haar actie binnen de normen van de burgerlijke wettelijkheid voedde al snel illusies over de mogelijkheid voor de arbeidersklasse om die normen in haar eigen voordeel te gebruiken. De massa-actie wordt steeds meer vervangen door de parlementaire actie en door tactische akkoorden (zoals het kartel met de liberalen vanaf 1902, iets dat nergens anders in Europa bestond) (1).
Naarmate de mogelijkheid van een geweldige en onoplosbare economische crisis van het kapitalisme zich leek te verwijderen en de voorspoed voortduurde, bedwelmt de stelselmatige verbetering van de situatie van de arbeiders door economische en politieke strijd steeds meer elementen in de socialistische beweging. Dit zet de deur open voor reformistische illusies, waarbij elk streven wordt opgegeven naar de politieke machtsgreep door het proletariaat in het perspectief van de socialistische revolutie. De verwezenlijking van eisen die reeds lange tijd gesteld werden doet hen duizelen en versterkt nog de reformistische illusies. In een context waarin de arbeidersklasse in België na tal van inspanningen eindelijk enkele tastbare hervormingen kan afdwingen, is het begrijpelijk dat de Belgische socialistische leiders zich makkelijk hebben laten meeslepen op de weg van het opportunisme. Ze zullen er de BWP en heel de Internationale tenslotte toe brengen het idee op tafel te gooien dat de arbeidersklasse de macht zou kunnen veroveren na een lange evolutie waarbij ze pijnloos door hun aantal zegevieren en enkel dankzij het stembiljet ! Kortom: van een organisatie die in wezen gericht was op een revolutionaire toekomst, veranderde de sociaal-democratie geleidelijk aan in een organisatie die vastgepind zat op het heden en op het bekomen van onmiddellijke verbeteringen in de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse.
Verschillende verantwoordelijken en militanten van de BWP ontdeden het marxisme van zijn inhoud, en stelden de machtsovername voor als het uiteindelijke bereiken van een socialistische meerderheid in het parlement. Dit zou samen gaan met een opeenvolging van hervormingen die doorheen een compleet geweldloos proces doorgevoerd zouden worden binnen het kader van de socio-economische structuren van het kapitalisme. Elke andere methode, zei men, zou leiden tot een nieuwe Commune van Parijs, waarvan men alleen de nederlaag onthouden had. Elke andere kijk op de toekomst was slechts een oprakelen van anarchisme of blanquisme. Dat gebrek aan inzicht in de revolutionaire strijd bracht hen er van bij de revolte van 1886 toe in talloze verklaringen te herhalen dat de stakingen op het juist gekozen moment moeten ingezet worden, en dat ze strikt geweldloos en legaal moeten zijn.
Tot dan toe had de opeenvolging van talrijke gevechten met revolutionaire allures in de jaren 1885-94 de verleiding bezworen toe te geven aan de reformistische ideologie, maar daarna wordt deze steeds invloedrijker en vrijpostiger. De zwakheden van vroeger worden nu echte hinderpalen.
Onder de Socialistische Jonge Wacht was er steeds een beroering die leidde tot de vorming van kleine oppositiegroepen, voornamelijk in Gent, Brussel en Antwerpen. Dat zal van belang zijn voor het opduiken van internationalistische kernen tijdens de oorlog. Daarnaast onderscheidt men drie belangrijke stromingen in de oppositie tegen het opportunisme van de BWP : de revolutionaire radicalen, de revolutionaire syndicalisten en tenslotte de marxistische linkerzijde. De oudste revolutionaire radicalen waren de stroming rond Alfred Dufuisseaux en daarna rond Jules Destrée. Het was een voornamelijk Waalse stroming, die eerder gekenmerkt werd door jakobijns, blanquistisch en democratisch radicalisme, dat een gewelddadige en radicale arbeidersstrijd propageerde, dan door socialistische fundamenten. Deze stroming duikt vooral op wanneer de politiek van de Algemene Raad van de BWP en haar parlementairen frontaal botst met de grote bewegingen van de arbeidersklasse. Rond Dufuisseaux, die uit de BWP uitgesloten werd, ontstaat in 1887 de Parti Socialiste Républicain, waarbij heel de beweging in Henegouwen aansluit. Maar al gauw wordt duidelijk dat het in de PSR stikt van de betaalde provocateurs en dat haar meest extremistische ordewoorden afkomstig zijn van individuen die direct betaald worden door de Staatsveiligheid. Door hun gewelddadige en geïsoleerde acties in 1888 lokken ze de repressie uit die er bijna in slaagt de strijdbaarste delen van de klasse te onthoofden en te desorganiseren. De hereniging met de BWP gebeurt in 1889. Deze ervaring versterkt de BWP in haar verbeten strijd tegen het reële gevaar van het avonturisme aan de ene kant, maar vergroot anderzijds haar onvermogen om de klassegevechten richting te geven en brengt haar ertoe de spontane acties van de klasse af te remmen, waarbij ze de lessen van de IAA van Marx vergeet met betrekking tot de initiële zwakheden van de opstand van de Commune van Parijs. Het is nog steeds de oppositionele stroming van Destrée die direct na de Algemene staking van 1902 het verbond tussen de BWP en haar bourgeois bondgenoten aan de kaak stelt, maar aan de vooravond van de oorlog lost deze oppositionele stroming op in het niets en Jules Destrée wordt één van de meest hartstochtelijke verdedigers van een ultranationalistisch 'oorlogssocialisme'.
De botsing tussen de geweldige arbeidersstrijd en de BWP-leiding die de revolutionaire potentie afremde, vooral vanaf 1893 en ook nogmaals in 1902, deed niet alleen radicale interne opposities binnen de BWP, maar ook een veelzijdige revolutionaire dissidentie ontstaan, zoals de Revolutionaire Socialistische Arbeiderspartij in Vlaanderen of de Ligue Ouvrière (waarbij de jonge J. Jacquemotte zich aansloot, later medeoprichter van de KPB) en La bataille in Wallonië. Vanaf 1908 merken we pogingen tot hergroepering van een uiterste linkerzijde met de revolutionaire dissidenten van de BWP, die een Revolutionaire Federatie gaan vormen. De meeste onder hen glijden van het antiparlementarisme steeds verder door naar het afwijzen van elke politieke strijd. Sommigen smelten samen met anarchistische stromingen of komen in hun vaarwater terecht. De opportunistische politiek van getalm en voortdurende aarzelingen, de neiging tot onderhandelingen met de progressieve liberalen en het maar laten aanmodderen vanwege de BWP brengen inderdaad mee dat in de arbeidersklasse een tendens groeit die politieke actie gelijk gaat stellen met parlementaire activiteit, parlementaire activiteit met opportunisme en tenslotte opportunisme met het idee zelf van politieke partij. De meeste van degenen die toen zeer kritisch stonden tegenover het parlementarisme waren erg beïnvloedbaar door de tijdloze en radicale antiparlementaire standpunten van de anarchisten. Een ander antwoord dat vele militante revolutionaire arbeiders gaven op de ontwikkeling van het opportunisme, van een politiek van de Werklieden Partij die volledig onderworpen is aan de parlementaire routines en die hen voorkwam als iets totaal onaangepast om zich voor te bereiden op de socialistische omvorming van de maatschappij, was de verwerping van de politieke activiteit in haar geheel, en het zich terugtrekken op de 'directe actie' van syndicaal type. Vaak vinden ze de radicale dissidenten terug op hun terrein. De revolutionaire syndicalistische beweging was aldus een echt proletarische oppositiebeweging en stelde zich tot doel vakbonden op te bouwen die de eenheidsorganen van de arbeidersklasse zouden zijn. Deze zouden in staat moeten zijn én haar te groeperen met het oog op de verdediging van haar economische belangen, én in staat haar ook voor te bereiden op de dag waarop ze de macht zou grijpen door middel van de algemene staking én in staat als organisatorische structuur te dienen voor de toekomstige kommunistische samenleving. Lenin merkte terecht op dat "het revolutionair syndicalisme het rechtstreeks en onontkoombaar resultaat was van opportunisme, reformisme en parlementaire domheid". Zoals C. Renard juist vooropstelt in zijn studie : "In feite begingen de revolutionaire syndicalisten precies dezelfde fout als de reformisten die ze veroordeelden, maar dan omgekeerd ; ook zij verwarden politieke actie met parlementaire tactiek ; zij overlaadden de partij op zich met alle grieven die voortvloeiden uit de opportunistische praktijken die verantwoordelijk waren voor haar ontaarding" (2). In zijn eerste nummer stelde L'Exploité, orgaan van de Belgische revolutionair syndicalisten, dat het syndicalisme de hoofdrol te spelen zou krijgen in de omverwerping van de burgerlijke maatschappij en de instelling van de collectivistische of kommunistische samenleving van morgen, in navolging van de voorbeelden van de CGT van Sorel en Monatte in Frankrijk.
Vooral tussen 1903 en 1909 zien we een reeks initiatieven in die zin. Een revolutionair syndicalistische oppositie wordt opgericht in Luik en in Charleroi en, nog belangrijker, zij het minder politiek, in Verviers. Kernen ontstaan ook in Gent, Antwerpen en Brussel. Een Belgische CGT wordt opgericht, die op het hoogtepunt van haar bestaan 4000 leden telt. De linkerzijde in de BWP en haar syndicale commissie reageren door een nieuw soort vakbondsconfederatie te creëren, breder en nog meer gericht op de klassenstrijd, met meer politieke onafhankelijkheid tegenover de BWP. Sommige dissidenten sluiten zich dan (terug) aan bij de vakbonden van de BWP. In maart 1911 wordt hun blad L'Exploité opgericht, socialistisch orgaan van directe actie, dat zeer snel aan invloed wint. Jacquemotte wordt één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de oppositie in de BWP (hij wordt secretaris van de Vakbond van Socialistische Bedienden in Brussel en lid van de Syndicale commissie van de BWP). Zij verzetten zich tegen het verbond met de liberalen en stellen dat de parlementaire actie de sociale kwestie niet kan oplossen. Op het BWP-congres van 1913 zijn Jacquemotte en zijn vrienden de enigen die de stellingen van Vandervelde over de oorlog bevechten. Op twee trouwens onderling nauw verbonden vraagstukken, de rol van de vakbonden en die van de partij, waren ze een heel eind geëvolueerd naar standpunten die dicht bij die van de marxisten lagen. Tenslotte lokte de reactie op de opportunistische politiek ook, parallel met de syndicale oppositie, het opduiken uit van -zij het zwakke- marxistische fracties. Het gaat om de oppositie rond Hendrik De Man en Louis de Brouckère, die gedurende enkele jaren een openlijk marxistische tendens leiden, vooral in Brussel, Antwerpen en Luik. In het begin drukt de oppositie van Louis de Brouckère zich vooral uit tegen de voortdurende toenadering tussen de arbeidersbeweging en de liberalen en tegen de groeiende parlementarisering die blijkt uit die evolutie. Maar vooral vanaf de verkiezingen van 1908, tijdens een debat over het ministerialisme, omdat er volgens hen in het kader van een burgerlijke maatschappij geen "socialistische ministers kunnen zijn, gevangenen van de kapitalisten en gedwongen dezen te dienen tegen de arbeiders." De staat is een instrument van de heersende klasse en dus kan "de socialist die aanvaardt te functioneren in die machine, wat ook zijn persoonlijke gevoelens zijn, niets anders doen dan haar te laten functioneren tegen het proletariaat. Het goedkeuren van begrotingen, zoals dat van de oorlog, van binnenlandse zaken of justitie, maakt de socialisten bovendien verantwoordelijk voor de repressie tegen de arbeiders en maakt het voortzetten onmogelijk van de noodzakelijke antimilitaristische campagne. De socialisten worden zo bij de proletariërs ambtshalve advocaten van de bourgeoisie." (3) Meteen snijdt Louis de Brouckère ook met grote helderheid de kwestie aan van de machtsgreep: "het bewuste proletariaat zal de regering van de maatschappij maar overnemen wanneer het in staat zal zijn met geweld de stem van zijn kiezers te ondersteunen en elk verzet te breken dat ertegen gevoerd wordt." Op dat ogenblik "richt de socialistische macht zich op op de ruïnes van de voorgaande orde." De motie die hij indiende tegen het ministerialisme wordt gesteund door een kwart van de stemmen van het congres. Zo krijgt een marxistische linkerzijde stilaan vorm.
Van 1911 tot 1913 geeft de linkse oppositie binnen de BWP als tendens een eigen blad uit, De Klassenstrijd. In 1913 bekritiseren ze, hoewel nog niet op eensgezinde wijze, de beslissing van het "Nationaal comité voor het Algemeen stemrecht en de Algemene staking" om de actie stop te zetten ten voordele van een grondwetsherziening. Ze stellen zelfs voorop dat de Algemene Staking van nu af het kapitalisme zelf als doelwit moet kiezen, en die massa-actie lijkt hen een nuttige inleiding op de 'klassendictatuur' van het proletariaat, die zij nodig en onvermijdelijk vinden. Hendrik de Man en vooral Louis de Brouckère publiceren in 1911 hun theoretische kritieken op de politiek van de BWP-leiding in een studie in de 'Neue Zeit' van de Duitse SPD. En hoewel de BWP geen stroming omvat die zich openlijk op het revisionisme beroept, belet dat de BWP niet -zegt de Brouckère in zijn studie- "dat revisionisme in praktijk te brengen", "het bernsteinisme zonder Bernstein". In de allerlaatste jaren voor de oorlog raakt de oppositie buiten adem, en vooral de Brouckère en De Man sluiten zich terug bij de leiding aan in haar oppositie tegen de ontwikkeling van arbeidersbewegingen in 1913 en ze verdedigen volop de nationalistische en de tot het uiterste doorgedreven lijn gedurende de oorlog van 1914-1918: "Uit de rangen gestapt om het reformisme te bekritiseren, zijn ze er terug in gestapt toen ze er overheen moesten gaan" (M. Liebman).\
De strijd voor een revolutionair programma impliceert altijd een strijd tegen het opportunisme in de rangen van het proletariaat. Omgekeerd is het opportunisme altijd bereid de kleinste kier in de waakzaamheid en concentratie van de revolutionairen uit te buiten en hun fouten voor zijn eigen doeleinden te gebruiken. Die stelling wordt volop door de geschiedenis van de BWP bevestigd. "Het Belgisch voorbeeld is dus op dat vlak zeer verhelderend over de manier waarop opportunisme en reformisme aan de vooravond van de oorlog de overheersende tendens geworden waren in haast alle partijen die aangesloten waren bij de IIe Internationale. Stap van spectaculaire verloochening. Een langzame en onstuitbare afgang onder de dekmantel van vele dubbelzinnigheden. Een diepe aanpassing, niet alleen aan de specifieke voorwaarden in elk land, maar ook aan de specifieke voorwaarden van het burgerlijk parlementarisme in elke staat." (4) De stemmen die de leiding van de BWP bekritiseerden waren ontegensprekelijk talrijk, om niet te zeggen permanent. Het is echter minder de permanentheid, maar eerder de politieke zwakheid van die kritiek die we in de verf moeten zetten. Zoals hoger beschreven was de marxistische traditie aan de zwakke kant, terwijl de anarchistische en ook het revolutionair syndicalisme daarentegen sterker stonden en de Belgische arbeidersbeweging tekenden, en dus ook het verzet tegen de reformistische ontaarding.
De politieke organisaties van het proletariaat waren nooit een monolithisch blok van identieke opvattingen. De meest gevorderde elementen bevonden zich vaak in de minderheid. Zij die beweren dat de BWP en de IIe Internationale in het algemeen een burgerlijke beweging waren omdat ze onder invloed stonden van de heersende ideologie, begrijpen de arbeidersbeweging niet, met haar onophoudelijke strijd tegen het binnendringen van de ideeën van de heersende klasse in haar rangen, en evenmin de bijzondere voorwaarden waarin de partijen van de IIe Internationale zelf die strijd voerden. Het gevecht om de IIe Internationale op een marxistische basis op te bouwen en daarna de strijd van de Linkerzijdes om haar op die marxistische basis te handhaven tegen de reformistische tendensen, en daarna, zoals we in het laatste deel zullen zien, tegen de 'sociaal-patriotten'.
Lac / 07.04.2006
1. De trage en moeilijke strijd voor de vorming van arbeidersorganisaties, Internationalisme, nr. 324; Sociale hervorming of revolutie?, Internationalisme, nr. 325
2. C. Renard, Octobre 17 et le mouvement ouvrier belge, p. 36
3. L. de Brouckère in Le Peuple, mei 1909
4. C. Renard, Octobre 17 et le mouvement ouvrier belge, p. 14
Onze kameraad Clara is op zaterdag 15 april 2006 op de leeftijd van 88 jaar overleden in het Tenon-ziekenhuis in Parijs.
Clara werd op 8 oktober 1917 in Parijs geboren. Haar moeder Rebecca was van Russische afkomst. Ze was naar Frankrijk gekomen omdat ze in haar geboortestad Simferopol op de Krim als Joodse geen toelating kreeg tot de medicijnenstudie die ze graag wilde doen. In Parijs kon ze tenslotte verpleegster worden. Maar al vóór haar komst naar Frankrijk was ze een militante van de arbeidersbeweging en was ze deelgenoot aan de oprichting van de afdeling in Simferopol van de sociaal-democratische partij. De vader van Clara, Paul Geoffrey, was een gekwalificeerd arbeider gespecialiseerd in het maken van juwelenkoffers. Voor de Eerste Wereldoorlog was hij lid van de CGT, in de anarcho-syndicalistische beweging, en daarna, met de Russische Revolutie van 1917, ontwikkelde hij zich in de richting van de Kommunistische Partij. Vanaf haar prille jeugd werd Clara dus opgevoed in de tradities van de arbeidersbeweging. Zij werd lid van de Kommunistische Jeugd (JC) toen ze zo’n vijftien jaar was. In 1934 ging Clara met haar vader naar Moskou op bezoek bij de zuster van haar moeder die ze op haar twaalfde verloren had. Wat ze in Rusland zag, onder meer de nieuwe woningen die gebouwd werden voor een minderheid van bevoorrechten en niet voor de arbeiders, riep vragen bij haar op over het ‘socialistisch vaderland’, en bij haar terugkeer brak ze met de JC. In die tijd had ze al talloze discussies met onze kameraad Marc Chirik (die ze op haar negende had leren kennen, want haar moeder was een vriendin van de zuster van de eerste partner van Marc), ondanks het verzet van haar vader die trouw was gebleven aan de CP en die het niet op prijs stelde dat zij contacten onderhield met ‘trotskisten’.
In 1938, op de dag dat ze meerderjarig werd en de goedkeuring van haar vader niet meer nodig had, werd Clara officieel de gezellin van Marc.
Marc was toen lid van de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde, en hoewel Clara zelf geen lid was, was ze wel sympathisante van de groep. Tijdens de oorlog werd Marc opgeroepen voor het Franse leger, hoewel hij geen Fransman was en zijn enige identiteitsbewijs jarenlang een uitwijzingsbevel was waarvan de uitvoeringstermijn elke twee weken opnieuw werd uitgesteld. Hij was in Angoulême gelegerd op het moment van de Franse overgave. Met een kameraad van de Italiaanse Fractie uit België, die als Jood op de vlucht was voor de oprukkende Duitse troepen, verliet Clara Parijs per fiets om zich bij Marc te voegen in Angoulême. Toen ze daar aankwamen, was Marc samen met andere soldaten al aangehouden door het Duitse leger, dat gelukkig nog niet vastgesteld had dat hij Joods was. Clara bracht hem burgerkleren en slaagde erin Marc met een andere Joodse kameraad te laten ontsnappen uit de kazerne waar ze gevangen zaten. Marc en Clara vluchtten naar de vrije zone en bereikten in september 1940 per fiets Marseille. Daar zette Marc zich in voor het reorganiseren van de Italiaanse Fractie die bij het begin van de oorlog uiteen gevallen was.
Hoewel ze er formeel geen lid van was, nam Clara deel aan de werkzaamheden en discussies waardoor de ontwikkeling van het werk van de Italiaanse Fractie terug op het goede spoor gezet kon worden. Ondanks de gevaren van de Duitse bezetting bracht zij politieke documenten geadresseerd aan andere kameraden van de Italiaanse Fractie van de ene stad naar de andere.
Gedurende die periode nam Clara ook deel aan de activiteiten van de OSE (Organisatie voor Hulp aan Kinderen) die Joodse kinderen opnam en verborg om ze te beschermen tegen de Gestapo.
Eigenlijk was het op het moment van de ‘bevrijding’ dat Marc en Clara het grootste doodsgevaar gelopen hebben, toen stalinistische ‘verzetslui’ van de PCF hen in Marseille arresteerden. Ze werden ervan beschuldigd verraders te zijn, ‘medeplichtigen van de Moffen’, omdat men bij een huiszoeking bij hen schriften in het Duits gevonden had. In feite maakten die schriften deel uit van een cursus Duits die Marc en Clara hadden gevolgd bij Voline, een Russische anarchist die had deelgenomen aan de revolutie van 1917. Ondanks de zwarte ellende waarin hij leefde, wilde Voline geen materiële hulp aanvaarden. Marc en Clara hadden hem toen gevraagd hen een cursus Duits te geven, waarna hij wel bereid was samen met hen maaltijden te nuttigen.
Bij de huiszoeking hadden de stalinisten ook internationalistische pamfletten gevonden in het Frans en in het Duits, die gericht waren aan de soldaten uit beide kampen.
Dankzij een gaullistische officier die aan het hoofd stond van de gevangenis (en wiens vrouw Clara kende omdat ze samen voor OSE gewerkt hadden) konden Marc en Clara op het nippertje ontsnappen aan de moordenaars van de PCF. Die officier had eerst belet dat de stalinisten Marc en Clara zouden vermoorden (de verzetslui van de PCF hadden Marc inderdaad gezegd: “Stalin heeft je niet te pakken gekregen, maar wij krijgen je wel”). Verwonderd dat Joden ‘collaborateurs’ konden zijn, wilde de officier de politieke houding begrijpen van Marc en Clara die propaganda maakten voor verbroedering tussen Franse en Duitse soldaten. Hij legde zich er rekenschap van af dat die houding niets met enig ‘verraad’ te maken had ten gunste van het nazi-regime. Daarom liet hij hen discreet, in zijn eigen auto, uit de gevangenis ontsnappen en gaf hen de raad zo snel mogelijk Marseille te verlaten, vóór de stalinisten hen konden terugvinden.
Marc en Clara gingen naar Parijs, waar ze andere kameraden (en sympathisanten) terugvonden van de Italiaanse en van de Franse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde. Clara bleef tot 1952 het werk van de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk (GCF, de nieuwe naam van de Franse Fractie) steunen.
In 1952 besloot de GCF, gezien de dreiging van een nieuwe wereldoorlog, dat een aantal van haar leden Europa moesten verlaten teneinde de organisatie veilig te stellen wanneer het continent opnieuw door oorlog geteisterd zou worden. Marc vertrok in juni 1952 naar Venezuela. Clara volgde hem in januari 1953, toen hij daar eindelijk vast werk gevonden had.
In Venezuela nam Clara weer haar beroep van onderwijzeres op. In 1955 richtte ze met een collega een Franse school op in Carácas, het College Jean-Jacques Rousseau, dat in het begin maar twaalf leerlingen telde, voor het merendeel meisjes die niet naar de enige andere Franse school konden die door paters werden geleid. Het College, waarvan Clara directrice was (en Marc beheerder, tuinman en chauffeur van de schoolbus), telde uiteindelijk meer dan 100 leerlingen. Verschillende daarvan bleven, onder de indruk van de doeltreffendheid, maar ook van de pedagogische en menselijke gaven van Clara, met haar tot aan haar dood in contact. Eén van haar oud-leerlingen, gevestigd in de Verenigde Staten, heeft haar zelfs nog bezocht in 2004.
Na het vertrek van Marc en andere kameraden valt de GCF uiteen. Pas vanaf 1964 kan Marc een kleine kern vormen van zeer jonge elementen die in Venezuela begonnen met het uitgeven van het tijdschrift Internacionalismo.
In de loop van die periode is Clara niet rechtstreeks betrokken bij de politieke activiteiten van Interna-cionalismo, maar haar school levert materiële middelen en is de vergaderplaats voor de activiteiten van de groep.
In mei 1968 komt Marc naar Frankrijk om er deel te nemen aan de sociale bewegingen en opnieuw contact te leggen met zijn oude kameraden van de Kommunistische Linkerzijde. Tijdens zijn verblijf in Frankrijk doet de Venezolaanse politie huiszoeking op het College Jean-Jacques Rousseau en heeft er het politiek materiaal ontdekt dat zich daar bevond. Het College wordt gesloten en afgebroken. Clara moet in alle haast Venezuela verlaten en voegt zich bij Marc. Vanaf dan installeren Marc en Clara zich opnieuw in Parijs.
Vanaf 1968 neemt Marc deel aan de werkzaamheden van de groep Révolution Internationale (RI) die in Toulouse was gevormd. Vanaf 1971 gaat Clara deel uitmaken van de activiteiten van RI, dat de afdeling in Frankrijk van de IKS wordt.
Sindsdien is ze in onze organisatie een trouwe militante gebleven, die haar deel van de werklast van de IKS opnam. Na de dood van Marc, in december 1990, zette ze haar militante activiteit verder in de organisatie waaraan ze altijd zeer gehecht geweest is. Ook al was ze persoonlijk erg onder de indruk van het vertrek van enkele oude kameraden die betrokken waren bij de oprichting van Révolution Internationale en zelfs van Internacionalismo, dan hebben die deserties haar inzet voor de IKS op geen enkel moment aan het wankelen gebracht.
Ondanks haar problemen met ziekte en ouderdom heeft ze tot het laatste moment altijd willen blijven deelnemen aan de activiteiten van de IKS. Ze bleef met grote regelmaat haar maandelijkse contributie betalen en wilde de discussies blijven volgen, ook al kon ze niet meer aan alle vergaderingen deelnemen. Haar zicht was erg achteruitgegaan, maar ze bleef zoveel mogelijk de pers en de interne documenten van de IKS lezen (de organisatie drukte ze voor haar af met extra groot lettertype). Telkens als een kameraad haar bezocht, vroeg ze hem verslag te doen van de discussies en activiteiten van de organisatie.
Clara was een kameraad waarvan de zin voor broeder-lijkheid en solidariteit alle militanten van de IKS erg beïnvloed heeft. Ze werden altijd zeer warm door haar ontvangen. Ze hield ook broederlijke banden met de oude kameraden van de Kommunistische Linkerzijde, bracht hen met name solidaire steun in geval van ziekte (zoals het geval was met Serge Bricianer, ex-lid van de GCF, of Jean Malaquais, sympathisant van de GCF, die ze kort voor zijn dood in 1998 in Genève ging bezoeken). Na de dood van Marc bleef ze die traditie van broederlijkheid en solidariteit die de arbeidersbeweging in het verleden kenmerkte, doorgeven aan de nieuwe generaties militanten. Met grote vreugde zag ze hoe die solidariteit van de klasse die draagster is van het kommunisme weer op magistrale wijze opduiken in de beweging van de studenten in Frankrijk. Een beweging die Clara met enthousiasme heeft begroet voor ze ons verlaten heeft.
Ondanks haar fysieke verzwakking en haar zeer beproevende gezondheid die ze met een bewonderenswaardige moed heeft gedragen, heeft Clara ons verlaten op het moment waarop een nieuwe generatie de poorten naar de toekomst openzet.
Clara geeft ons het voorbeeld van een vrouw die heel haar leven gevochten heeft naast en in de arbeidersklasse, waarbij ze blijk gaf van uitzonderlijke moed (toen ze met name haar leven riskeerde tijdens de jaren van de contrarevolutie). Een vrouw die tot het einde trouw is gebleven aan haar revolutionaire ideeën en betrokkenheid.
Toen de IKS het bericht van haar overlijden vernam, hebben de afdelingen (en individuele kameraden) aan het centraal orgaan een groot aantal getuigenissen gestuurd die de menselijke warmte, de toewijding aan de zaak van het proletariaat en de zeer grote moed die Clara haar leven lang getoond heeft begroetten.
Clara is op zaterdag 22 april begraven op het Parijse kerkhof van Ivry (hetzelfde waar op 31 januari 1889 de man van Clara Zetkin, Ossip, begraven werd). Na de plechtigheid heeft de IKS een bijeenkomst georganiseerd om hulde te brengen aan haar nagedachtenis, in aanwezigheid van talrijke internationale delegaties van de IKS, van vele sympathisanten die Clara persoonlijk gekend hebben, en van leden van haar familie.
Aan haar zoon Marc, aan haar kleinkinderen Miriam en Jan-Daniel betuigen we onze grote solidariteit en sympathie. Hieronder (p.6) publiceren we een groot deel uit de brief die de IKS geschreven heeft aan haar zoon en zijn familie.
IKS / 25.04.2006
De IKS
Beste kameraad Marc,
Met deze weinige woorden willen we in de eerste plaats onze solidariteit en sympathie betuigen na het verdwijnen van Clara, jouw moeder en onze kameraad. We willen je ook de emotie overbrengen van alle kameraden van onze organisatie.
De meesten onder ons hebben Clara in de eerste plaats gekend als de gezellin van Marc, je vader, die een zo belangrijke rol gespeeld heeft in de strijd van de arbeidersklasse, in het bijzonder gedurende de ergste momenten die deze doormaakte, en ook als belangrijkste grondlegger van de IKS. Dat was op zich al een reden tot ontroering en respect jegens Clara: de gezellin van Marc kan alleen maar een goede persoon zijn. De moed en waardigheid die ze betoont heeft toen je vader overleed, waarvoor ze toch een immense liefde koesterde, hebben ons haar grote karaktersterkte bevestigd, een kwaliteit die we al van haar kenden en die ze tot op het laatste is blijven tonen. Onder andere daarom was Clara voor de militanten van de IKS méér dan enkel de gezellin van Marc, veel meer dan dat. Het was een kameraad die tot het einde toe trouw is gebleven aan haar overtuiging, die is blijven deelnemen aan onze strijd, die ondanks de moeilijkheden die haar leeftijd en haar ziekte meebrachten, erop stond op de hoogte te blijven van het leven van onze organisatie. Alle kameraden waren onder de indruk van haar levenswil en van de volledige helderheid die ze tot op het laatst behouden heeft. Daarom zijn de ontroering en het respect die elkeen onder ons vanaf het begin voor haar koesterde in de loop der jaren enkel nog gegroeid.
Korte tijd voor zijn dood vertrouwde je vader ons toe hoe ongelooflijk tevreden hij was met de verdwijning van het stalinisme, die beul van de revolutie en van de arbeidersklasse. Tezelfdertijd drukte hij de ongerustheid uit die hij voelde door van de negatieve gevolgen die deze gebeurtenis zou uitoefenen op het bewustzijn en de strijd van de arbeidersklasse. Clara, die haar revolutionaire overtuiging overeind hield, beleefde hoe de laatste dagen van haar bestaan verlicht werden door de heropleving van de strijd door de nieuwe generaties. Voor ons is dat, ondanks ons verdriet, een reden tot troost.
Met Clara verdwijnt één van de laatste personen die getuige en deelneemster is geweest in die verschrikkelijke jaren waarin de revolutionairen werden teruggebracht tot een heel kleine minderheid met als taak het blijven verdedigen van de internationalistische principes van het proletariaat, een strijd die met name gevoerd werd door de militanten van de Italiaanse Linkerzijde, de Hollandse Linkerzijde en de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk. Zonder deze strijd zou de IKS momenteel niet bestaan. Clara vertelde ons nu en dan over deze kameraden en wij konden in haar woorden de grote waardering en ontroering voelen die zij voor hen koesterde. In die zin bleef Clara voor ons, na het verdwijnen van je vader, een levende band met die generatie van kommunisten waar wij ons met trots op beroepen. Het is die band die we nu, naast de persoon van onze kameraad Clara, verloren hebben. Nogmaals, beste kameraad Marc, willen wij onze solidariteit betuigen en we vragen je die solidariteit ook over te brengen aan je kinderen en aan de andere leden van je familie.
IKS / 17.04.2006
De drievoudige aanval van 24 april in Dahab, een Egyptische badstad, op het hoogtepunt van de toeristische toevloed, eiste meer dan 30 doden en 150 gewonden. Hij herinnerde de wereldbevolking eraan dat niemand nog veilig is voor de woede van terrorisme en oorlog die de planeet teistert. En het zijn niet de ‘unanieme veroordelingen’ en de schijnheilige verklaringen van de staatslieden bij wie deze aanslag “gevoelens opwekt van gruwel en verontwaardiging”, of die deze daad verwerpen als een “afgrijselijk geweld”, die daaraan iets zullen veranderen.
In tegendeel, deze aanval die gericht was op onschuldigen die er een paar vakantiedagen doorbrachten, geeft hen een nieuwe kans om achter hun krokodillentranen weer eens hun “strijd tegen het terrorisme” op te kloppen, dat wil zeggen het voortduren ervan met zicht op nog grotere afslachtingen.
We kunnen de hele doeltreffendheid aanschouwen van deze zogenaamde “genadeloze strijd tegen de gesel van het terrorisme” en voor “de vrede en stabiliteit”. Hij wordt gevoerd door de grootmachten, de Verenigde Staten voorop, en kan afgemeten worden aan de barbarij die letterlijk is uitgebarsten in talrijke streken van de wereld. Nooit zijn er zoveel spanningshaarden, militaire botsingen, herhaalde blinde aanslagen geweest, waarvoor de grootmachten en hun kleinere broertjes de directe verantwoordelijkheid dragen. Van Afrika tot Azië en via het Midden-Oosten dreigen zij voortdurend in omvang toe te nemen.
De oorlog in Afghanistan en die van Irak zijn uitgemond in een reeks van rampen met als resultaat de verbreiding van de chaos en de onmogelijkheid van enige terugkeer naar stabiliteit in deze landen, net zoals de groeiende instabiliteit van de omliggende gebieden.
Wat Irak betreft spreken de vernietigingen en de gruwelen die zich daar dagelijks afspelen voor zich. Ze kondigen het wegzinken aan in de hel van openlijke of bedekte gewapende botsingen. Wij komen hier niet terug op de toestand van dit land waarover we in de vorige aflevering berichtten (zie Internationalisme, nr. 325).
In Afghanistan, waarbij de inval door de troepen van de Amerikaanse coalitie ‘gewettigd’ werd door de strijd tegen het terrorisme, zoals belichaamd door Bin Laden, als gevolg van de aanvallen van 11 september op de Tweelingtorens, is de stagnatie totaal. De regering van Kaboel is het voorwerp van onophoudelijke aanvallen en de hoofdstad ligt regelmatig onder raketvuur van verschillende Pashtoen en Afghaanse klieken die om de macht strijden. In het zuiden en het oosten van het land, hebben de Taliban opnieuw terreinwinst geboekt met aanslagen en commando-operaties. Ook de Verenigde Staten zagen zich verplicht om deze maand een nieuwe operatie op te zetten van de militaire politie genaamd ‘Mountain Lion’, zo’n 2500 man sterk en ondersteund door een bijzonder indrukwekkende luchtmacht. Het werd duidelijk gezegd dat de doelstellingen van deze operatie massale vernietigingen zijn net zoals in 2001 en 2002. Toch probeerden de media op aandrang van de Amerikaanse staat het belang ervan te verdoezelen waarbij vooral het ‘psychologisch’ karakter van dit nieuwe offensief werd benadrukt. Want het zou er immers vooral om gaan “druk uit te oefenen op de neo-taliban en de indruk te ver,ijden dat zij de overhand zouden hebben, zowel in de ogen van de Afghaanse bevolking, die ‘gerustgesteld’ moet worden, als de internationale publieke opinie” (Le Monde, 13 april). Dat is wat men noemt massale psychologische afschrikking.
Het Midden-Oosten begint nog verder in de barbarij af te zinken. Niet alleen zijn de Verenigde Staten niet in staat geweest een consensus af te dwingen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit, maar hun onmacht om de agressieve en provocerende politiek van Sharon te matigen heeft de politieke crisis opgedreven zowel in de bezette gebieden als in Israël zelf. Zo verscheuren de verschillende Israëlische politieke fracties elkaar steeds meer. Maar het is vooral aan Palestijnse kant dat de nederlaag het meest opzienbarend is, met de sterke opkomst van de Hamas, een buitengewoon achterlijke en radicaal anti-Israëlische Palestijnse fractie, die bovendien nog in de clinch ligt met de Fatah. Zo regelen de beide Palestijnse kampen hun conflicten met vuurwapens in de Gazastrook. Dit is een ware drukketel van 1.600.000 inwoners (de dichtste mensenconcentratie ter wereld) van wie 60% vluchteling is, die steeds verder in de ellende worden gedompeld door het stopzetten van de internationale hulp en de leegloperij veroorzaakt door de slagbomen en identiteitscontroles van het Israëlische leger die de bevolking belet om in Israël te gaan werken.
De bouw door de Israëlische staat van de ‘Apartheidsmuur’ op de Westelijke Oever kan de spanning alleen maar verder opdrijven en de opeengeperste, misprezen Palestijnse bevolking wordt steeds meer geronseld door islamistische groepen. Dit drijft hen tot een nog grotere radicalisering naar het terrorisme. Wanneer de muur af zal zijn, komen 38 dorpen met 49.400 Palestijnen in enclaves terecht en kome de 230.000 Palestijnse inwoners van Jeruzalem aan de andere Israëlische kant van de demarcatielijn terecht. Globaal genomen zal deze constructie uitlopen op het opsluiten van de bevolking in een serie van ‘bantoestans’ die van elkaar gescheiden blijven.
Sinds 2003 is de krachtmeting tussen Iran en de grootmachten rond de beschikking van Teheran over kernenergie de voorbije zomer toegenomen on nu tot een hoogtepunt te komen. Met het ultimatum dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties stelden en waarbij Iran werd aangemaand om vóór 28 april te stoppen met elke activiteit in verband met het verrijken van uranium en de weigering van dit land om zich daaraan te onderwerpen, zijn de diplomatieke spanningen verder toegespitst. In een internationale context waar de oorlogsgekte van de kapitalistische wereld doorlopend wordt uitgestald, en in een streek van de planeet waar dagelijkse moordpartijen hoogtij vieren, is de krachtmeting tussen de Iraanse staat en de Verenigde naties vol van gevaren. Er dreigt een nieuwe uitbreiding en verheviging van de barbarij.
Het spreekt voor zich dat Iran al het mogelijke doet om over kernwapens te kunnen beschikken, en dat al sinds 2000. Het gezwets van zijn leiders over het uitsluitend ‘vreedzaam’ en ‘burgerlijk’ gebruik van dit vermogen om kernenergie op te wekken zijn klinkklare leugens. Vroeger was het een bruggenhoofd van het Amerikaanse blok en vervolgens werd het verlaagd in rang tot een achterlijke figurant in de jaren na het regime van Khomeini. Het bloedde leeg op het vlak van mensenlevens en op economisch gebied door de oorlog tegen Irak in het midden van de jaren 1980 en herstelde zich geleidelijk aan in de loop van de jaren 1990. Het genoot de Russische militaire hulp en de verzwakking van Irak (zijn historische rivaal met betrekking tot de controle over de Perzische Golf) als gevolg van de Eerste Golfoorlog en de herhaalde aanvallen van de Verenigde Staten tegen Bagdad tot het definitief vernietigende Amerikaanse offensief van 2003. Momenteel wil Iran zich duidelijk opstellen als een regionale macht waarmee weer rekening moet worden gehouden. Zijn troeven zijn niet te veronachtzamen.
Dat komt tot uiting in uitdagender en misprijzender verklaringen van de Iraanse regeringsleiders tegenover de Verenigde Naties, en vooral tegenover de Verenigde Staten.
De Iraanse staat stelt zich voor als een sterke en stabiele staat, met het weer aan de macht komen van de meest reactionaire en islamistische fractie, terwijl rondom zich, in Irak en Afghanistan, de chaos heer en meester is. Deze toestand maakt het mogelijk een pro-Arabisch ideologisch offensief te voeren om zich op te werpen als het speerpunt van een ‘onafhankelijke’ pan-islamitische identiteit (in tegenstelling tot Saoedie-Arabië dat wordt voorgesteld als de slippendrager van de Verenigde Staten) via anti-Israëlische geklets en zijn openlijke oppositie tegen de Verenigde Staten van Amerika.
Het feit dat Washington maar niet in staat is om de pax americana te laten gelden in Irak en Afghanistan levert koren op de molen van deze anti-Amerikaanse propaganda. En het verleent geloofwaardigheid aan de Israëlische verklaringen dat de dreigingen van het Witte Huis flauwekul zijn.
De toestand in Irak zelf heeft de militaire aspiraties van Iran alleen maar kunnen aanwakkeren. Behalve de evidente mislukking van Bush, is er de aanwezigheid van een belangrijke sjiïtische overheersing in de bevolking en in de regering, zoals in Iran. Dat heeft de Iraanse imperialistische honger opgewekt door het perspectief op een grotere invloed zowel in dat land zelf als in de Perzische Golf.
Maar het zijn eveneens de patente meningsverschillen tussen de verschillende landen die in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zijn vertegenwoordigd, die door de Iraanse staat tot de laatste druppel wordt uitgemolken. Zo komt het dat, hoewel al deze landen verklaren zich te ‘verzetten’ tegen het perspectief van een Iran voorzien van kernwapens, vormt de openlijke verdeeldheid onder elkaar voor Teheran nog een reden om een hogere toon aan te slaan tegenover de eerste wereldmacht. Als de Verenigde Staten en Groot-Brittannië reageren door te dreigen met een interventie, dan zien we Frankrijk daarentegen verklaringen afleggen tegen iedere militaire interventie in Iran. China en Rusland, zijn op hun beurt, net zoals Duitsland (dat nu tijdelijk toenadering zoekt tot Rusland), onverzettelijk tegen elke, zeker iedere militaire, vergeldingsmaatregel die aan Iran zou kunnen worden opgelegd. Deze beide landen, en Moskou op kop, leverden in het verleden materiaal aan Iran zodat het zijn kernarsenaal kon ontwikkelen.
Met een dergelijke toestand komt de regering Bush in de problemen. De Iraanse provocatie dwingt haar te reageren, bijvoorbeeld met welgerichte luchtbombardementen (op slecht geïdentificeerde doelwitten, dikwijls in het hart van de grote steden). Deze nieuwe fase in de oorlog in het Midden-Oosten kan het anti-oorlogsgevoel aanwakkeren dat zich ontwikkelt in de Amerikaanse bevolking die zich steeds meer keert tegen de oorlog in Irak.
Maar de Verenigde Staten zouden eveneens het hoofd moeten bieden aan een radicalisering van de Arabische landen en van alle islamistische groepen, zonder nog de golf van aanslagen mee te tellen waarmee Iran duidelijk herhaaldelijk heeft gedreigd.
Wat ook de uitkomst is van de ‘Iraanse crisis’, er valt niet aan te twijfelen dat deze zal uitlopen op een verergering van de oorlogsspanningen tussen de landen van het Midden-Oosten en de Verenigde staten. Maar ook tussen de eerste wereldmacht en haar rivalen die op een verkeerde stap van het Witte Huis zitten te wachten om er ‘punten tegen te scoren’ door het te brandmerken als oorlogsstoker. Wat het lot van de bevolking betreft die, net zoals anderen voor hen, gedecimeerd worden door de oorlog, dat is de allerlaatste bekommernis van deze imperialistische bandieten, kleine en grote.
Mulan / 25.04.2006
Wij wensen uitdrukkelijk onze solidariteit te betuigen met de strijd van de 23.000 arbeiders van de metaalindustrie, sinds 3 mei in Vigo in de provincie van Galicië (Spanje), waarvan een groot deel jonge arbeiders. Zonder uitzondering hebben de media en de websites van de vakbonden en de politieke organisaties die zichzelf als radicaal betitelen een doodse stilte bewaard over deze gebeurtenis, zowel in Spanje zèlf als op internationaal vlak (1). Voor de arbeidersklasse is het belangrijk dat er discussie wordt gevoerd over deze ervaring, dat we er met een kritische geest lering uit trekken om ze in praktijk te brengen. Want alle arbeiders gaan gebukt onder dezelfde problemen: bestaansonzekerheid, steeds onverdraaglijker arbeidsvoorwaarden, prijsstijgingen, aankondigingen van aanvallen op de pensioenen, aanvallen op de arbeiders in de openbare diensten…
Op hetzelfde moment dat het helse trio regering-bazen-vakbonden nieuwe hervormingen van de arbeid ondertekent die, onder het voorwendsel van de ‘strijd tegen de bestaansonzekerheid’, niets anders doen dan deze juist des te meer verbreiden door de vergoedingskosten bij ontslag te verlagen en door een veralgemening voor te stellen van contracten van tijdelijke duur beperkt tot twee jaar, brak er in de metaalsector een massale staking uit, waarin ongeveer 70% van de arbeiders uit deze sector betrokken was, met als belangrijkste motief juist de strijd tegen de bestaansonzekerheid.
De strijd tegen de nieuwe hervorming van de arbeid verloopt niet via actiedagen en ‘acties’ georganiseerd door de talrijke radicale vakbonden. Het is integendeel een strijd van de arbeiders zèlf, stakingen waartoe collectief wordt besloten: het zijn zulke stakingen die ondersteund en uitgebreid moeten worden. Want zo kunnen de krachten worden verzameld om zich te weer te stellen tegen de voortdurende aanvallen van het kapitaal.
De staking in de metaal was massaal en werd georganiseerd onder de vorm van algemene en openbare vergaderingen op straat. De arbeiders besloten dat deze vergaderingen open zouden staan voor allen die hun mening wilden geven, die de staking ondersteunen, vragen wilden stellen of eisen wilden formuleren. In het stadscentrum werden massale betogingen georganiseerd. Meer dan tienduizend arbeiders kwamen dagelijks bijeen om de strijd te organiseren, om te beslissen over de te ondernemen acties, om te beslissen tot welke bedrijven men zich moest wenden voor solidariteit van andere arbeiders, om te luisteren naar de weinige informatie die over de staking werd verspreid, om discussies aan te gaan met de bevolking op straat en ga zo maar door.
Het is veel betekenend dat de arbeiders van Vigo dezelfde strijdmiddelen gebruiken als de studenten in Frankrijk tijdens de laatste gebeurtenissen. De algemene vergaderingen staan open voor andere arbeiders, actieven, werklozen en gepensioneerden. De algemene vergaderingen vormden op beide plaatsen ook de zuurstof van de beweging. Het is ook veelbetekenend dat nu in 2006 de arbeiders van Vigo naar dezelfde middelen teruggrijpen als in 1972: het dagelijks houden van grote algemene vergaderingen die toen de arbeiders van de hele stad bijeenbrachten. De arbeidersklasse is een internationale en historische klasse en het zijn deze twee kenmerken waaruit zij kracht kan putten.
Van het begin van de beweging af probeerden de strijdende arbeiders om de solidariteit van andere arbeiders te verkrijgen, vooral die van de grote bedrijven van de metaalsector die genieten van bijzondere overeenkomsten en die, zich daardoor niet ‘niet betrokken zouden voelen’. Zij stuurden massale afvaardigingen naar de scheepswerven, naar Citroën en naar de belangrijkste andere fabrieken. De scheepswerven zijn op 4 mei uit solidariteit unaniem in staking gegaan. Vanuit het egoïstische en koude standpunt van de burgerlijke ideologie van de heersende klasse dat ieder maar zijn eigen boontjes moet doppen kan deze actie enkel maar als een ‘bevlieging’ worden begrepen. Maar voor de arbeidersklasse vormt deze actie het beste middel om de bestaande situatie te lijf te gaan en om de toekomst voor te bereiden. Voor de bestaande situatie omdat elke sector van de arbeidersklasse zich slechts sterk kan maken als zij kan steunen op de strijd van de anderen. Om de toekomst voor te bereiden omdat de maatschappij die het proletariaat nastreeft de mensheid in staat zal stellen om verlost te worden van de dilemma’s van het kapitalisme haar oorsprong vindt in de solidariteit, in de menselijke wereldgemeenschap.
Op 5 mei kwamen bijna 15.000 arbeiders uit de metaal bijeen bij de ingang van de grootste fabriek van de stad (Citroën, met 4.500 arbeiders), om ze op te roepen tot een algemene vergadering voor de poorten van de fabriek om deel te nemen aan de discussie in een poging ze te overtuigen om zich bij de strijd aan te sluiten. Deze waren onderling verdeeld, de eén bereid om in staking te gaan terwijl de ander aan het werk wilde. Terwijl de discussie zich ontwikkelde begonnen groepen vakbondsmensen eieren en andere etenswaren te gooien naar de arbeiders van Citroën en deden de balans overslaan naar het zich niet aansluiten bij de stakers. Uiteindelijk gingen ze allemaal aan het werk. Maar het zaad dat gezaaid was door de massale afvaardiging van die dag wierp zijn vruchten af: op dinsdag 9 mei begonnen de werkonderbrekingen zowel bij Citroën als in andere grote bedrijven.
De solidariteit en de uitbreiding van de strijd waren ook de belangrijkste sterke punten van de beweging van de studenten in Frankrijk. In feite was het zo dat onmiddellijk toen er in de grote bedrijven een spontaan gevoel van solidariteit met de studenten op gang kwam, zoals bij Snecma of Citroën, de Franse bourgeoisie de CPE introk. Solidariteit en uitbreiding van de strijd kenmerkten ook de algemene staking van Vigo in 1972, die de ijzeren vuist van de franquistische dictatuur liet terugkrabbelen. Ook daar kunnen we de internationale en historische kracht van de arbeidersklasse zien.
Op 8 mei, toen 10.000 arbeiders optrokken naar het station om na een algemene openbare vergadering reizigers te informeren werden ze van alle kanten met een ongehoord geweld aangevallen door de politie. De charges van de politie waren uitermate gewelddadig. De kleine groepjes verspreide arbeiders werden ongenadig lastig gevallen door de ordestrijdkrachten. Er waren verschillende gewonden en dertien arrestaties. Vanaf dat moment werd de black-out verbroken in de Spaanse media, maar enkel om het geweld van de botsingen tussen arbeiders en politie in beeld te brengen.
Deze repressie zegt genoeg over de ‘democratie’ en haar mooie gezwets over ‘onderhandelingen’, over de ‘vrijheid van betoging’ en de ‘vertegenwoordiging van alle burgers’. Wanneer de arbeiders op hun klassenterrein vechten aarzelt het kapitaal geen ogenblik om de repressie te ontketenen. En daar kan men de ware aard zien van de cynische kampioen van de ‘dialoog’, mijnheer Zapatero, socialist en regeringsleider. Hij weet op wie hij moet terugvallen: zijn laatste socialistische voorloper, de mijnheer Gonzalez, was reeds verantwoordelijk voor de dood van een arbeider tijdens de strijd op de scheepswerven van Gijón (1984) en van een andere in Reinosa tijdens de strijd van 1987. Zij gaan verder in de traditie van een andere beroemde bourgeois, de grote linkse republikein Azaña, die in 1933 het bevel gaf om ‘in de buik te schieten’ bij de slachtpartij van de dagloners in Casas Viejas.
De klopjacht in het spoorwegstation had wel een belangrijk politiek doel: de arbeiders opsluiten in uitputtende gevechten met de ordestrijdkrachten, ze te dwingen om massale acties op te geven (betogingen en algemene vergaderingen) ten voordele van de verspreiding tijdens botsingen met de politie. Het doel is duidelijk om ze in de val te lokken van op voorhand verloren, regelrechte veldslagen waarmee ze de geloofwaardigheid zouden verspelen die ze bij de andere arbeiders hadden opgebouwd.
De Franse regering probeerde dezelfde manoeuvre uit tegen de beweging van de studenten: “De diepgang van de beweging van de studenten komt eveneens tot uiting in haar capaciteit om niet te trappen in de valstrik van het geweld die de bourgeoisie verschillende keren voor haar had uitgezet, daarbij inbegrepen het gebruiken en manipuleren van de ‘herrieschoppers’: de politiebezetting van de Sorbonne, de valstrik op het einde van de betoging van 16 maart, de politiecharges op einde van die van 18 maart, het geweld van de ‘herrieschoppers’ tegen de betogers van 23 maart. Zelfs indien een kleine minderheid van studenten, en voornamelijk diegenen die beïnvloed zij door de anarchiserende ideologie, zich laten verleiden hebben door botsingen met de politie, dan heeft de grote meerderheid onder hen het toch ter harte genomen om de beweging niet te laten wegrotten in herhaalde botsingen met de oproerpolitie.” (Stellingen over de studenten beweging van de lente 2005 in Frankrijk, www.nl.internationalism [50]).
De arbeiders mobiliseerden zich vervolgens massaal om de vrijlating te eisen van de aangehouden arbeiders, met een betoging van 10.000 mensen en waarmee het doel werd bereikt. Het is veelbetekenend dat de media (El País, El Mundo, de televisie…) die tot op dat moment een totaal stilzwijgen bewaard hadden over de beweging van de algemene vergaderingen, de massale betogingen en de solidariteit, de botsingen van 8 mei uitspitten. De boodschap die ze ons willen overbrengen is duidelijk: “Als je wil opvallen of de aandacht op je wil vestigen, organiseer dan gewelddadige acties!” De bourgeoisie is de eerste die profijt haalt uit het demoraliseren van de arbeiders in steriele gevechten.
Het is al lang geleden dat de vakbonden nog om een wapen van de arbeiders waren en zich omvormden tot een schild van het kapitaal. Dat werd aangetoond door hun deelname aan alle hervormingen voor de arbeidshervormingen van 1988, 1994, 1997 en 2006, die zoveel hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de bestaansonzekerheid en de ‘hotdogbaantjes’. De drie vakbonden (Comisiones Obreras, UGT en CIG (2)) namen enkel aan de staking deel om haar van binnenuit te kunnen ondermijnen en er weer onder controle te krijgen . Dat wordt aangetoond door het feit dat ze zich, zonder enig succes, verzetten tegen het sturen van massale afvaardigingen naar andere bedrijven, door daarvoor in ruil een algemene staking van de metaalsector op 11 mei ‘aan te bieden’. De arbeiders hebben niet op hen gewacht en weigerden geloof te hechten aan deze ‘J’ dag (‘overwinningsdag’) van de kant van de vakbonden. Ze brachten de werkelijk proletarische methode in praktijk: het sturen van massale afvaardigingen, direct contact met andere arbeiders, de massale en collectieve actie.
Maar op 10 mei, na 20 uur onderhanden, ondertekenden de vakbonden een overeenkomst die, goed verdoezeld, een mokerslag betekende omdat de belangrijkste eisen verkwanseld waren in ruil voor prullaria en ze haastten zich om de hun oproep tot de algemene staking van de sector voor de volgende dag in te trekken. Een groot deel van de arbeiders uitte onmiddellijk zijn verontwaardiging en de stemming over de ondertekening van deze overeenstemming werd verdaagd tot 11 mei.
Er moet lering worden getrokken uit deze manoeuvre van de stakingsbrekers: men kan de onderhandelingen niet in vakbondshanden laten, ze moeten geheel en al worden gevoerd worden door de algemene vergaderingen. Deze moeten een onderhandelings-comité benoemen dat dagelijks rekenschap aflegt over de onderhandelingsresultaten. Dat is wat er in de jaren 1970 gebeurde en wat we weer moeten opnemen als we niet bedrogen willen worden door deze lakeien.
We weten niet hoe de strijd verder zal verlopen. Maar wat ook de uitkomst zal zijn, hij biedt ons al wezenlijke lessen. De crisis van het kapitalisme biedt geen ruimte meer voor een stopzetting van de aanvallen. Het is nu al meer dan twintig jaar dat de bestaansvoorwaarden van het proletariaat van alle landen in vrije val zijn, en de aanvallen zullen steeds erger worden. We worden gedwongen ons te verdedigen, we moeten de kracht van de arbeidersklasse weer herontdekken en in deze beweging verstrekt een strijd als die van Vigo ons een belangrijke les: wij hebben genoeg van de strijdmethodes van de vakbonden die enkel leiden tot ontmoediging en onmacht. alleen de proletarische strijdmiddelen die we in Vigo zagen en die in de lijn liggen van de beweging van de studenten in Frankrijk geven ons de kracht en de eenheid die we nodig hebben. Ze stellen ons in staat om niet langer gemanipuleerd te worden door vakbondsleiders en zo worden we een klasse die kan nadenken, beslissen en strijden op een bewuste, eensgezinde en solidaire wijze.
IKS / 10.05.2006
(Naar een stellingname op de website van onze afdeling in Spanje.)
(1) De CNT, de meest ‘radicale’ vakbond, bewaarde een oorverdovende stilte over de strijd tot aan 8 mei.
(2) CIG: Confédération Intersyndicale de Galice. Radicaal-nationalistische vakbond die een heel ‘strijdbare’ rol speelde als tegenwicht voor de ‘gematigdheid’ van de twee anderen.
In de drie vorige delen van deze serie hebben we duidelijk gemaakt hoe de BWP van bij haar oprichting een snelle ontwikkeling in aantal en in invloed doorgemaakt heeft. Het succes van de parlementaire en syndicale strijd voor het bekomen van daadwerkelijke hervormingen zal ervoor zorgen dat het idee zelf van een revolutie steeds meer verdwijnt ten voordele van het uitsluitend nastreven van hervormingen. De zwakheden van de partij veranderen in een doctrine. De BWP wordt net als de andere sociaal-democratische partijen verteert door het gangreen van het opportunisme en reformisme, ondanks de dagelijkse strijd van de marxistische linkerzijde tegen dit verval. En dat des te meer omdat de bourgeoisie er actief naar streefde de sociaal-democratie onder controle te krijgen om zo de arbeidersklasse in te kaderen die volop in ontwikkeling was en een steeds grotere dreiging inhield voor haar heerschappij.
In de drie vorige delen van deze serie hebben we duidelijk gemaakt hoe de BWP van bij haar oprichting een snelle ontwikkeling in aantal en in invloed doorgemaakt heeft. Het succes van de parlementaire en syndicale strijd voor het bekomen van daadwerkelijke hervormingen zal ervoor zorgen dat het idee zelf van een revolutie steeds meer verdwijnt ten voordele van het uitsluitend nastreven van hervormingen. De zwakheden van de partij veranderen in een doctrine. De BWP wordt net als de andere sociaal-democratische partijen verteert door het gangreen van het opportunisme en reformisme, ondanks de dagelijkse strijd van de marxistische linkerzijde tegen dit verval. En dat des te meer omdat de bourgeoisie er actief naar streefde de sociaal-democratie onder controle te krijgen om zo de arbeidersklasse in te kaderen die volop in ontwikkeling was en een steeds grotere dreiging inhield voor haar heerschappij (1).
In het begin van de 20e eeuw is de vorming van de wereldmarkt voltooid en daarmee wordt de concurrentie tussen de verschillende kapitalistische naties op de spits gedreven. De economische oorlog tussen de naties kan enkel uitmonden op een wereldwijd militair conflict. De eerste wereldoorlog illustreert op bijzonder bloedige manier dit begin van de doodsstrijd van het wereldkapitalisme. Het kapitalistisch systeem heeft zijn historische missie volbracht en maakt het aantreden van een andere productiewijze mogelijk en noodzakelijk, de kommunistische maatschappij. Vanaf dat moment is het de historische taak van het proletariaat te strijden voor de omverwerping van het kapitalisme, de enige reële uitkomst van de strijd voor zijn onmiddellijke belangen. De intrede van de kapitalistische productiewijze in haar vervalperiode plaatst het proletariaat en zijn organisaties brutaal voor de keuze 'oorlog of revolutie'.
Gedragen door de theoretische vooruitgang in de arbeidersbeweging gedurende de 19e eeuw en het begin van de 20e, verzekert de BWP net als haar zusters in de gehele wereld het proletariaat dat zij zich met alle middelen tegen de wereldslachting die zich aankondigt zal verzetten en onderschrijft ze de verklaringen van de congressen van de IIe Internationale. Want hoewel ze verteert wordt door reformisme en opportunisme had de IIe Internationale, onder impuls van haar revolutionaire minderheden, al snel stelling gekozen tegen de oorlogsvoorbereidingen en de oorlogsdreiging. Zo had ze zich, op het congres van 1907 in Stuttgart, bevestigd door dat in Kopenhagen (1910), dat van Basel (1912) en zo door tot de laatste dagen van juli 1914, verzet tegen de oorlogspropaganda en het militaristische streven van de heersende klasse. Het internationalisme gaf de toon aan van die resoluties. Maar het uitbreken van de oorlog op 4 augustus 1914 betekent een ramp zonder voorgaande voor de arbeidersbeweging. Parallel met de intense nationalistische ideologische hersenspoeling vanwege de bourgeoisie is het doorslaggevende element dat haar gaat meesleuren in deze ongehoorde moordpartij het verraad van de voornaamste sociaal-democratische arbeiderspartijen. Hun parlementsfracties keuren de oorlogskredieten goed in naam van de Heilige Eenheid en drijven de arbeidersmassa's ertoe elkaar uit te moorden in het belang van de imperialistische mogendheden in een vreselijke chauvinistische hysterie. Wanneer ze finaal voor de keuze geplaatst worden stemmen alleen de Russische bolsjewieken en de Servische socialisten tegen de oorlogskredieten. De vakbonden vaardigen van bij het begin van de oorlog een stakingsverbod uit. In België is het oude sociaal-democratische apparaat aan de vooravond van de oorlog al compleet verrot door opportunisme en reformisme,zoals blijkt uit het slot van de speech van BWP-voorzitter E. Vandervelde voor de Kamer in december 1911: "De dag waarop België aangevallen zal worden zullen wij het verdedigen. Wij zullen evengoed vechten als de anderen, misschien wel harder dan de anderen." Of nog eens dezelfde Vandervelde die in 1913 vond dat Frankrijk zijn republikeinse instellingen moest verdedigen tegen keizerlijk Duitsland. Wat een verschil met zijn boodschap van socialistisch internationalisme uit de bloeitijd van de BWP: "Er komt een moment waarop de arbeiders die gij in de kazernes opgesloten hebt zich echt te stom vinden omdat ze op andere arbeiders schieten, een moment waarop de proletariërs zullen zeggen: die Duitser, die Fransman, dat is een arbeider zoals wij. Het is een makker in onze arbeid, in onze ellende. We houden zielsveel meer van hem dan van de vette kapitalisten die ons uitbuiten. Voor mannen als Jaurès of Liebknecht koesteren we veel meer broederlijke sympathie dan voor een Woeste of Helleputte bijvoorbeeld." (Kamer van Volksafgevaardigden, zitting van 17.12.1894) en "Er komt een moment", roept Vandervelde, "waarop gij van deze mensen (de arbeiders, nvdr) niet langer zult bekomen dat zij zo dom zijn u te verdedigen, uw waakhonden te zijn!" (idem) We herinneren eraan dat het Charter van Quaregnon uit 1894 (het programma van de BWP) stelt dat "de socialisten van alle landen solidair moeten zijn, de bevrijding van de arbeiders is geen nationale maar een internationale opdracht". Wat is er geworden van de massale antimilitaristische betogingen, zoals die van augustus 1897 op initiatief van de BWP, toen tienduizenden opstapten achter de slogan "het socialisme breekt het laatste geweer", "Weg met de oorlog, weg met sabels en kanonnen"?
Van bij het uitbreken van de oorlog dienen de 'sociaal-chauvinisten' in België net als in de voornaamste industrielanden als ronselaars voor de imperialistische slachting en verraden daarbij definitief de arbeidersklasse. De BWP vond dat een oorlog tussen allianties een oorlog was 'ter verdediging van de democratie' tegen de 'militaire monarchieën'. En het argument dat de Belgische socialisten enkel een 'defensieve oorlog' aangingen na de schending van de Belgische 'neutraliteit' door het Duitse imperialisme, was enkel nuttig voor de propaganda van de rechterzijde en zou tot in 1917 het centrum misleiden. Dit argument was bedrog : behalve de complete onderwerping van de Belgische sociaal-democraten aan de heilige eenheid van bij het begin van de oorlog, maken de verklaringen van de leiders van de BWP voor 1914 al overduidelijk dat ze klaarstonden om verraad te plegen en alle lessen en analyses van de arbeidersbeweging overboord te gooien, over het imperialisme, de oorlog en het proletarisch internationalisme. Het is duidelijk dat de Belgische neutraliteit niets meer dan politieke fictie was in de imperialistische wereld van 1914. De 'neutrale landen' hadden alleen maar een façade van 'neutraliteit'. Door een koloniaal rijk te veroveren en door actief deel te nemen aan de invloedsstrijd voor de controle over de wereldmarkt had het Belgische kapitalisme zich volop op het terrein van de imperialistische tegenstellingen geplaatst. Louis de Brouckère schreef daarover: "We hebben gestemd voor de annexatie van Congo en we dachten de kolonie in de hand te houden. Vandaag blijkt dat de kolonie ons in haar greep heeft. Wij zijn opgenomen in de kring van 'wereldmachten' en de groten zullen ons niet los laten. We moeten hun beweging volgen, ons bewapenen wanneer zij dat zeggen, geld uitgeven wanneer zij dat zeggen." (2). Het argument dat België, afzonderlijk beschouwd een defensieve oorlog zou voeren, ontging niet aan de aandacht van Lenin. "Laten we aannemen," zei hij in 1915 "dat alle staten die er belang bij hebben de internationale verdragen te respecteren de oorlog verklaren aan Duitsland om te eisen dat dit land België verlaat en schadeloos stelt. In dit geval zou de sympathie van de socialisten natuurlijk uitgaan naar de vijanden van Duitsland. Maar de 'Drievoudige (en Viervoudige) Alliantie' voert de oorlog niet omwille van België, dat is algemeen bekend, en alleen hypocrieten zullen dat verbergen. Op het terrein van de huidige oorlog van de huidige regeringen is het niet mogelijk België te helpen anders dan door te helpen Oostenrijk of Turkije enz. te versmachten! Wat komt die 'verdediging van het vaderland' daarbij dan doen?" (3) Het geval van België kon dus de algemene aard van de oorlog niet veranderen. Het geeft één van beide imperialistische blokken alleen de mogelijkheid zijn redenen om ten oorlog te trekken wat te verfraaien door het internationaal recht in te roepen en de barbaarsheid van de tegenstander aan te klagen. Bovendien is de BWP zeker niet de laatste die struikelt over de drempel van de 'verdediging van de geboortegrond'. In één klap keuren de socialistische afgevaardigden de 200 miljoen oorlogskredieten goed en applaudisseren ! De BWP steunt voortaan de heilige eenheid voor de oorlog. De BWP had trouwens het trieste voorrecht de eerste socialistische partij te zijn die toetrad tot een regering van nationale eenheid. Als ronselaar voor de bourgeoisie roept ze de Belgische arbeiders te schieten op de Duitse. En op 4 augustus 1914, de dag waarop de invasie van België door het Duitse leger begint, wordt haar leider E. Vandervelde gebombardeerd tot minister van staat in de oorlogsregering. Zo verklaart hij: "de klassenstrijd wordt opgeschort, het ganse volk wijdt zich aan de verdediging van grondgebied en vrijheid" (4). Daarna wordt hij in 1916 minister van burgerlijke en militaire bevoorrading in de Belgische regering die zetelt in Le Havre. In die hoedanigheid gaat hij op verzoek van de koning naar het front om het patriottisme aan te wakkeren dat door lange jaren van eindeloze slachtingen verzwakt is, en om de jacht te openen op deserteurs en internationalistische arbeiders. Vier jaar lang zal Vandervelde als voorzitter van de Internationale en van de BWP een belangrijke propagandapion zijn voor de zaak van de geallieerden. Als voorzitter van de Internationale richt hij een oproep aan de Russische socialisten om hun strijd tegen het tsarisme voorlopig opzij te schuiven en de Europese democratie tegen het Pruisisch militarisme te verdedigen (in feite het tegendeel van de resolutie van Basel uit 1912). Naast hem zal E. Anseele, minister vanaf 1916, zich ontpoppen als een echte havik, oorlogspropagandist tot de eindoverwinning. Maar ook een reeks oude opposanten van de opportunistische politiek zoals Jules Destrée horen tot de meest gedreven herauten van wat men het oorlogssocialisme is gaan noemen. Zijn ongebreideld en ongenuanceerd patriottisme maakte van hem een doorgedreven verdediger van de burgerlijke democratie. Zo legt hij in het parlement ronkende verklaringen af die de stelling verwerpen dat 'de arbeiders geen vaderland hebben' om daarop te verkondigen dat "alle volkeren de plicht hebben de territoriale integriteit van hun land te verdedigen" (5). Hij werd trouwens met een missie belast naar het toen neutrale Italië om er "het voor het proletariaat verzwakkende en kwalijke effect te bestrijden van de neutralistische theorieën" (6). Maar er waren ook Louis de Brouckère en De Man die de marxistische oppositie lieten vallen en zich als vrijwilliger opgaven voor het Belgisch leger. Hun voorbeeld werd gevolgd oor meerdere opposanten, waaronder ook uit de Socialistische Jonge Wacht (SJW). Dat betekent dat de socialistische beweging unaniem was wat betreft de verdediging van het grondgebied en dat zij zich volmondig aan de zijde van de geallieerden schaarde.
Ondanks al dat chauvinisme en die misleidende oorlogspropaganda ontwikkelen zich vanaf de zomer van 1916 belangrijke massabewegingen, met name in Duitsland, om de woede van de arbeiders uit te drukken tegen het lijden, ontbering en ellende die door de oorlog veroorzaakt werden. Zo brak in 1917 een muiterij uit in een groot deel van het Franse leger. Soldaten die op verlof vertrokken zongen de Internationale in de treinen en eisten vrede. De lastigste eenheden worden onder vuur genomen door hun eigen kanonnen en 55 'muiters' moeten voor de krijgsraad verschijnen en worden geëxecuteerd (7).
Het echte begin van de revolutionaire golf situeert zich in de maand februari 1917, in Rusland. In Petersburg is er een uitbarsting van al de woede die opgekropt zit in de arbeidersrangen -en in de andere arme lagen van de bevolking- tegen de voedselbevoorrading van de toenmalige hoofdstad van Rusland die van dag tot dag ontoereikender is, en tegen de overuitbuiting die opgelegd wordt door de oorlogseconomie. De beroepssoldaten die opgetrommeld worden om de opstand neer te slaan, sluiten er zich bij aan. De revolutionaire gebeurtenissen in Rusland krijgen natuurlijk een enorme weerklank bij het proletariaat in Europa en in de hele wereld, maar in de eerste plaats toch bij degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de interimperialistische slachtpartij. Het komt overal tot betogingen en gedreven sympathiebetuigingen met de Rode Oktober, en België vormt hierop geen uitzondering, met in het bijzonder uitingen van verbroedering tussen soldaten van de tegenover elkaar staande legers. Wanneer de Russische revolutie op gang begint te komen in 1917 trekt de leiding van de BWP ten strijde tegen het bolsjewistisch gevaar. In het begin had de BWP nog, zoals de meeste sociaal-democratische partijen, via tussenkomst van Vandervelde, de Brouckère en Colon uit Le Havre een telegram naar het comité van Petersburg gestuurd om de zege op het tsarisme te begroeten (8 maart 1917). Maar dan veroordeelt E. Vandervelde de revolutionaire arbeiders van Rusland en steunt hij openlijk Kerenski en de contrarevolutie: "de politiek van de bolsjewieken speelt in de kaart van de koning van Pruisen", "het bolsjewisme is de negatie van socialisme". De Man en de Brouckère gaan met Vandervelde in mei-juni 1917 naar Rusland om het streven naar vrede en de opkomst van het bolsjewisme tegen te gaan en Rusland aan te sporen de heilige oorlog tegen Duitsland voort te zetten in plaats van te luisteren naar hen die uitnodigen de wapens tegen de eigen bourgeoisie te richten. Wat een contrast met de solidariteitsbeweging tijdens de opstand in Rusland in 1905 toen Huysmans in naam van de Internationale opriep tot steun aan de Russische Revolutie, onder meer door wapens te kopen en te verschepen.
Maar het is in Duitsland, waar de machtigste arbeidersbeweging huist, dat de doorslaggevende gevolgen zich voordoen. Na een tijd van 'incubatie' gedurende 1917, zwelt de arbeidersrevolte gedurende het jaar 1918 aan om tot ontbranding te komen begin november. Rode vanen wapperen op de Duitse oorlogsvloot die in Kiel voor anker ligt. Overal worden arbeiders- en soldatenraden gevormd, zoals in Brussel, waar de Duitse soldaten op 10 november 1918 in opstand komen tegen hun officieren. Ze bezetten de Kommandantur, verkiezen een Revolutionaire soldatenraad en doen een oproep tot solidariteit bij de Belgische arbeiders en vakbonden. Maar die geven geen krimp, ook al speelt Jacquemotte er een belangrijke rol. De BWP heeft de Belgische arbeiders immers verboden zich solidair te tonen. Er is wel geen onmiddellijk gevaar in België, maar de gebeurtenissen in Rusland en Duitsland en de vorming van een revolutionaire soldatenraad in Brussel hebben indruk gemaakt. De bourgeoisie beseft nu dat de arbeiders in uniform die uit de loopgraven komen geen genoegen zullen nemen met de vooroorlogse toestand. Diezelfde socialisten (zoals Joseph Wauters) onder dekmantel van het Nationaal Comité voor Voedselhulp in Brussel gaan nu praten met E. Franqui van de Société Générale, de industrieel E. Solvay of de liberaal P.E. Janson over de voorbereiding van een regering van nationale eenheid die voor een goedkope relance moet zorgen, teneinde de besmetting door revolutionaire bewegingen te voorkomen. Dat leidt tot de onderhandelingen met de koning in het kasteel van Loppem op 12 november. De socialisten krijgen belangrijke ministerposten toegewezen; Vandervelde op Justitie, Anseele op Openbare Werken en Nijverheid en Joseph Wauters op Arbeid. De koning is het met Anseele eens dat, om België in kalmte en orde herop te bouwen, alle partijen de strijdbijl moeten begraven en toetreden tot een regering van nationale eenheid die enkele belangrijke eisen van de arbeiders moet inwilligen: zo wordt het Algemeen Stemrecht toegekend, wordt artikel 310, tegen vakbondsstakingen, uit de strafwetboek geschrapt, worden belangrijke toegevingen gedaan inzake de achturendag en wordt een ouderdomspensioen van 700 frank ingevoerd.
In feite moet dit programma de smeulende brand blussen, en mag enkel ruimte laten voor pseudo-revolutionaire rellen (8). Want sociale beroering was er zonder twijfel. Die kwam krachtig tot uitdrukking tussen 1919 en 1921 in een groot aantal wilde stakingen (1919: 160.000 stakers en 1920: 290.000 stakers). De socialisten doen al wat ze kunnen om de stakingen te breken. Wauters bijvoorbeeld door de paritaire comités in te stellen. Louis Bertrand stelt de verplichte bemiddeling voor bij sociale conflicten, en Destrée betwist het stakingsrecht voor ambtenaren. Eind 1921 krijgt de beweging een symbolische betekenis. Een staking van de metaalarbeiders in Seraing breidt uit naar de mijnwerkers en naar andere arbeiders en radicaliseert wanneer de vakbondsleiding en de socialistische burgemeester Merlot een verzoening proberen door te drukken. De stakers komen regelrecht in opstand tegen de vakbondsleiding die de beweging weigert te steunen. Voor het eerst in de geschiedenis van de BWP bestormen de proletariërs een Volkshuis van de BWP, wat de historische draai illustreert die de BWP en het vakbondsapparaat gemaakt hebben.
Tot besluit nog twee voorbeelden van de politiek van de BWP in de regering, die haar overstap naar de bourgeoisie duidelijk maken. Om te beginnen kiest de BWP volop partij voor de annexatie van de Oostkantons en van de Duitse kolonies Burundi en Ruanda, en was Vandervelde één van de medeondertekenaars van het Verdrag van Versailles (28-06-1919), iets wat voor de oorlog compleet ondenkbaar zou geweest zijn. Later in hetzelfde jaar 1919 kiest ze de kant van de Duitse sociaal-democratie SPD die de repressie organiseert tegen de arbeiders die in Berlijn in opstand gekomen waren. Bovendien aanvaardt ze dat de Belgische regering met het sturen van een militair expeditiekorps naar het Ruhrgebied deelneemt aan de 'pacificatie' van dit industriegebied.
De politieke organisaties van het proletariaat sterven omdat ze overwonnen worden, omdat ze verraad plegen door naar het kamp van de vijand over te lopen. Dat was ook het geval met de BWP. Maar fracties van de organisatie, de linkerzijdes, waren sterk genoeg om de armen niet te laten zakken onder druk van de heersende klasse. Zij verzekerden de continuïteit van wat de organisatie aan proletarische elementen bevatte. In die zin betekent zich beroepen op continuïteit doorheen de verschillende politieke proletarische organisaties, zich beroepen op de actie van de opeen volgende linkse fracties die als enigen in staat waren die continuïteit te verzekeren. Maar die strijd wordt niet om het even hoe gevoerd. Hij speelt zich af binnen de organisaties die de meest gevorderde elementen van de arbeidersklasse groeperen. Proletarische organisaties die, ondanks al hun zwakheden, steeds een levende uitdaging geweest zijn voor de bestaande orde.
"Wij stoten de halve maatregelen, de leugens en de luiheid van de versleten officiële socialistische partijen ver van ons af, wij kommunisten, verenigd in de IIIe Internationale, wij zien onszelf als de rechtstreekse opvolgers van de inspanningen en de heldhaftige opoffering van een lange reeks revolutionaire generaties, van Babeuf tot Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg. De Ie Internationale heeft de komende ontwikkelingen voorzien en de wegen voorbereid, de IIe Internationale heeft miljoenen proletariërs bijeengebracht en georganiseerd, en de IIIe Internationale zal de Internationale van de massa-actie zijn, de Internationale van de verwezenlijking van de revolutie." (Manifest van het oprichtingscongres van de Kommunistische Internationale aan de proletariërs van de gehele wereld!, maart 1919.
LAC / 05.08.2006
(1) De trage en moeilijke strijd voor de vorming van arbeidersorganisaties, Internationalisme nr. 324; Sociale hervorming of revolutie ?, Internationalisme nr. 325; De opkomst van reformisme en opportunisme, Internationalisme nr. 326.
(2) Louis De Brouckère, Socialisme et lutte de classe, nr.14, juli 1914.
(3) Lenin, Socialisme en oorlog: Het voorbeeld van België, 1915.
(4) Vandervelde, Le parti ouvrier belge 1885-1925, p. 68.
(5) Toespraken van Furnémont et Destrée, Parlementaire annalen, 1912-13, p. 661 , 665, 942.
(6) Jules Destrée, Les Socialistes et la Guerre européenne, Parijs, 1916, p. 75.
(7) De muiters van 1917 horen thuis in het geheugen van het wereldproletariaat, niet in dat van de natie!, in Internationalisme, nr. 247, december 1998.
(8) Leo Picard, Geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in België, Tussen de twee oorlogen, p. 493.
Met de intrede van de herfst zien we ook de terugkeer van het verkiezingscarnaval, deze keer op het niveau van de steden en gemeenten; zoals altijd gaat het gepaard met een opstapeling van bluf, politiek gemanoeuvreer, leugens en illusies. Eens te meer zal men ons vragen om onze ‘burgerplicht’ te vervullen, om, door het uitbrengen van onze stem, mee te werken aan een goed beheer van het systeem, deze keer op stedelijk of gemeentelijk vlak, om ons te mobiliseren voor de ‘verdediging van de democratie’. In werkelijkheid zijn de teerlingen al op voorhand geworpen: het is altijd de bourgeoisie die de verkiezingen wint. Op dit verrotte terrein hebben de arbeiders niets te verdedigen. De proletariërs hebben de ervaring al lang opgedaan: of links of rechts het nu haalt, of de een of andere kandidaat verkozen wordt, voor hen komt het neer op dezelfde politiek van onophoudelijke aanvallen op alle levensvoorwaarden van de arbeidersklasse.
Om die reden roepen de revolutionairen de arbeiders dan ook vandaag op om af te zien van elke deelname aan de verkiezingen in naam van de verdediging van hun onmiddellijke en historische belangen. Door hun strijd te ontwikkelen op hun eigen klassenterrein, tegen de ellende, op de werkplaats, in de stakingen en betogingen kunnen zij hun woede werkelijk tot uiting brengen.
Deze houding van de revolutionairen is niet specifiek voor de gemeenteraadsverkiezingen die in oktober in België zullen doorgaan. Het dateert al uit het begin van vorige eeuw dat de arbeiders, in tegenstelling tot de 19e eeuw geen enkele mogelijkheid meer rest om van de verkiezingen gebruik te maken om hun belangen te verdedigen.
In de 19e eeuw, tijdens de ganse bloeiperiode van het kapitalisme, ging de arbeidersstrijd tegen de uitbuiting en de repressie door de bourgeoisie noodzakelijkerwijs via een strijd voor hervormingen, via moeizame eisenstrijd voor het veroveren en ontrukken van mogelijke, werkelijke en duurzame verbeteringen van werk- en bestaansvoorwaarden van de arbeidersklasse op het economisch en politiek terrein. Toentertijd kon het parlement nog gebruikt worden als een tribune waardoor de arbeidersklasse haar stem kon laten horen en zich een plaats kon veroveren in het kapitalisme dat nog volop in bloei was. Wegens dit feit, en door de illusies te bestrijden dat het mogelijk was om via democratische, vreedzame en reformistische wegen tot het socialisme te komen, namen de revolutionairen desalniettemin volop deel aan de strijd voor het verkrijgen van het algemeen kiesrecht. Zij riepen de arbeiders op om in bepaalde gevallen deel te nemen aan de verkiezingen en het burgerlijk parlement, om dergelijke hervormingen er door te krijgen door in te spelen op de tegenstellingen tussen progressieve en reactionaire fracties van de heersende klasse die met elkaar botsten.
Op het einde van de 19e en bij het begin van de 20e eeuw in tegendeel kon het kapitalisme dat zijn heerschappij over het geheel van de planeet had uitgebreid, niet langer een progressief systeem zijn. Het kan de economische tegenstellingen die het belagen niet langer overstijgen, het kan de cyclische overproductiecrises niet meer oplossen want het botst op de grenzen van de wereldmarkt die steeds meer oververzadigd geraakt. Alle sociale productieverhoudingen, privaat eigendom, loonarbeid, natie, die het kader gevormd hadden waarmee het kapitalisme er in geslaagd was om zich over de hele planeet te veralgemenen en die een formidabele ontwikkeling van de productiekrachten hadden mogelijk gemaakt, vormen zich om tot zovele hindernissen voor deze verdere ontwikkeling.
Het kapitalisme treedt definitief zijn permanente historische crisis binnen. Van dan af kan het niet langer meer overleven tenzij via een helse spiraal van crisis, oorlog, heropbouw, nieuwe nog scherpere crisis, die het samen met de rest van de mensheid doen afglijden naar een steeds grotere barbarij en ellende.
Deze onoverkomelijke tegenstellingen die het kapitalisme aanvreten sinds het begin van de 20e eeuw, krijgen door hun intensiteit, hun duur, hun veralgemening over alle landen een kwalitatief nieuwe dimensie. Zij plaatsen de arbeidersklasse voor de noodzaak en de mogelijkheid om direct over te gaan tot het omverwerpen van het kapitalisme.
Van dan af aan, en rekening houden met de verbitterde concurrentie tussen de verschillende nationale fracties van de bourgeoisie die elkaar de steeds schaarser wordende afzetmarkten betwisten op de wereldmarkt, houdt de overleving van het kapitalisme in, dat de uitbuiting en de aanvallen op alle levensvoorwaarden van de arbeidersklasse geïntensifieerd worden. Voortaan is er voor de bourgeoisie geen sprake meer van het toekennen van werkelijke en duurzame hervormingen aan de arbeidersklasse, om het even op welk vlak, economische of politiek. Zij dringt het tegendeel op: steeds meer opofferingen, ellende, uitbuiting en barbarij.
Onder deze voorwaarden is het voor het proletariaat niet langer mogelijk zich te verdedigen op het terrein van de burgerlijke instellingen. Haar enige taak bestaat er voortaan in om zich voor te bereiden op het bevestigen van haar eigen revolutionair perspectief met de bedoeling dit zieltogende systeem van top tot teen te vernietigen.
Om dat te bereiken moet het alle strijdvormen uit het verleden die waardeloos geworden zijn verwerpen: de strijd in de vakbonden en op het verkiezingsterrein. Deze middelen die het in de 19e eeuw mogelijk maakten om zich waar te maken en als klasse te vormen zijn nu wapens van de bourgeoisie geworden, misleidingkrachten die voor niets anders dienen dan om de arbeiders te ontwapenen, hen af te leiden van het werkelijke terrein van hun strijd tegen het kapitaal.
Daarom heeft de arbeidersklasse vandaag geen keuze. Ofwel laat ze zich meesleuren op het verkiezingsterrein van de burgerlijke staat, die haar uitbuiting en onderdrukking organiseert, het terrein waarop zij niet anders dan geatomiseerd kan worden, en dus machteloos gemaakt wordt om weerstand te bieden aan de aanvallen van het kapitalisme in crisis. Ofwel ontwikkelt zij haar collectieve strijd, op solidaire en eensgezinde wijze, om haar levensvoorwaarden te verdedigen. Alleen op die manier zal zij haar klassenkracht kunnen ontwikkelen, zich kunnen verenigen en organiseren buiten de burgerlijke instellingen om de strijd te voeren met het oog op het omverwerpen van het kapitalisme. Slechts op dergelijke wijze zal zij, in de toekomst, een nieuwe maatschappij kunnen opbouwen die zal ontdaan zijn van uitbuiting, ellende en oorlogenn
Internationalisme
Hieronder publiceren we de beginselverklaring van een nieuwe proletarische groep in Turkije: Enternayonalist Komünist Sol, Internationalistisch Kommunistisch Links. De IKS publiceerde al eerder op zijn website een pamflet van deze groep ter gelegenheid van 1 Mei dat we hielpen verspreiden. Om in contact te komen met de EKS, schrijf naar: [email protected] [53].
De standpunten van de EKS zijn basisstandpunten voor toetreding. Ze zijn vlug neergeschreven vanuit het oogpunt van een groep, die oorsprongkelijk samenkwam voor het opmaken en verspreiden van pamfletten voor specifieke manifestaties, en die zich ontwikkelde in de richting van een politieke formatie. En als zodanig zijn ze onderhevig aan toekomstige verandering. Ze zijn een stellingname over wat we momenteel zien als de basisstandpunten die revolutionairen verdedigen:
We definiëren onszelf noch als een ‘marxistische’ noch als een ‘anarchistische’ groep. Alhoewel de meeste van onze leden zichzelf als kommunisten beschouwen sluiten wij geen gemeenschappelijk werk uit met anarchisten, die aansluiten bij de basisstandpunten van de arbeidersklasse, in de dezelfde politieke organisatie. Wij zijn van mening dat in de huidige toestand in Turkije, waar bijna niemand revolutionaire standpunten verdedigt, het een grote misvatting zou zijn om mensen uit te sluiten die fundamenteel dezelfde standpunten verdedigen als wij, op grond van historische argumenten over zaken die plaatsvonden in het begin van de voorbije eeuw. Dit betekent evenwel niet dat wij deze thema’s niet bediscussiëren en dat wij niet zouden proberen om daarover meer helderheid te verwerven.
Enternasyonal Komünist Sol.
1. Verwerping van parlementarisme en sociaal-democratie
Het idee dat de bestaande orde veranderd kan worden via parlementaire of democratische middelen is de belangrijkste hindernis waarmee de arbeidersbeweging geconfronteerd wordt bij elke stap die ze zet. Alhoewel deze illusie bewust in het leven wordt geroepen door de heersende klasse, wordt ze ook verdedigd en voorgesteld als een oplossing door de linkse groepen, die niet in staat zijn tot het vatten van de klassenaard van het parlement, die gebaseerd is op het idee dat de arbeidersklasse belang heeft bij de natie. Maar in werkelijkheid is het niet meer dan een circus dat probeert het idee door te drukken dat een beweging op klassenbasis zowel onbetekenend als zinloos is, met de bedoeling het proletariaat te mobiliseren achter de belangen van de bourgeoisie. Ook de sociaal-democratie, die de ideologie verdedigt van democratische rechten en vrijheden, en de verandering van het bestaande evenwicht ten gunste van de arbeidersklasse door middel van hervormingen, die niet langer mogelijk zijn onder het kapitalisme, dient vanuit haar positie als een middel om een tussenpositie in te nemen tussen de heersende klasse en de arbeidersklasse, wat neerkomt op het verdedigen van de belangen van de bourgeoisie. Terwijl de sociaal-democratie geen hindernis vormt voor de heersende klasse, is ze anti-arbeidersklasse, en neemt zij een contra-revolutionair standpunt op momenten dat de proletarische beweging opkomt, en zij vormt een ideologie van samenwerking met de klassenvijand ten behoeve van de bourgeoisie.
Net zoals het parlement organiseren de vakbonden de arbeiders als een deel van het kapitaal. Daarbij komt nog dat zij wegens hun plaats in het centrum van de arbeidersklasse, de allereerste hindernis zijn voor de proletarische strijd. Wanneer de arbeidersklasse passief lijkt, en haar strijd tegen het kapitaal niet duidelijk is, geradicaliseerd of veralgemeend, organiseren de vakbonden de arbeidersklasse als variabel kapitaal, en als loonslaven, net zoals ze de illusie veralgemenen dat dit zowel respectabele als rechtvaardige manieren zijn om te leven. Niet alleen zijn de vakbonden niet in staat tot revolutionaire actie maar ze zijn evenmin in staat om de levensstandaard van de arbeiders in het hier en nu te verdedigen. Dit is de belangrijkste reden waarom de vakbonden burgerlijke, pacifistische, chauvinis-tische en staatstactieken zijn. Wanneer de beweging van de arbeiders radicaliseert en tot ontwikkeling komt, schuiven de vakbonden democratische en revolutionaire slogans naar voren, en op die manier proberen zij de beweging te manipuleren, alsof het niet het belang van de arbeidersklasse zou zijn zich te bevrijden van de loonslavernij, maar die in verschillende vormen te bestendigen. De methoden van de ‘vakbondsbasis’ en het zelfbeheer worden op verschillende plaatsen en omstandigheden gebruikt, met geen ander gevolg dan dat de arbeiders uit eigen wil de heerschappij van het kapitaal aanvaarden. In werkelijkheid bestaat het enige wat de vakbonden doen uit het verdelen van de arbeiders in verschillende sectoriële groepen en staan ze met hun klassenbelangen als geheel achter de sociaal-democratische slagzinnen.
Nationalisme is de basisslogan die de bourgeoisie gebruikt om de arbeidersklasse te organiseren achter de kapitalistische belangen. De bewering dat, onafhankelijk van hun klassenpositie, ieder lid van de natie in dezelfde boot zou zitten, dient alleen om het revolutionair potentieel van de arbeidersklasse te vernietigen door twee aan elkaar tegengestelde klassen op ideologisch vlak samen te smelten. Vertrekkend vanuit deze vaststelling komt het er op neer dat iedereen maar moet werken voor ‘zijn’ of ‘haar’ eigen natie, eigen kapitalistische klasse, en dat de strijd voor hun eigen klassenbelangen zou uitlopen op het doen zinken van het schip. In tegenstelling tot wat heel links beweert vertonen zowel het Turkse als het Koerdische nationalisme geen andere eigenschappen.
De fundamentele waarheid die ontkend wordt door mensen die het hebben over nationale bevrijdingsstrijd tegen het imperialisme is dat de karaktertrekken van de strijd van de arbeidersklasse boven de naties staat. De bevrijding van de arbeidersklasse kan allen worden bereikt door de vlag van de klassenstrijd te hijsen tegen ieder soort van nationale bevrijding, demagogie, en imperialistische oorlog. Momenteel bevinden mensen die het hebben over een ‘nationaal front’ tegen de imperialisten en over nationale onafhankelijkheid, zich in een wedren met de liberalen, waartegen ze denken zich te verzetten, om klassentegenstellingen te ontkennen. Het Koerdisch nationalisme, de zogenaamde tegenspeler van het Turkse nationalisme waaraan het ook voedsel geeft, verwerkelijkt de volledige deling van de arbeidersklasse door dezelfde rol te spelen als het Turkse nationalisme voor de arbeiders in de eigen gebied.
Kommunisme is geen mooie utopie die ooit eens bereikt kan worden, noch een theorie waarvan de noodzaak wetenschappelijk bewezen is, maar het is de strijd van de arbeiders voor hun eigen belangen als een beweging. In die zin heeft kommunisme niets te maken met de ultra-linkse definities daarvan. Het wordt eerder geboren uit de arbeidersstrijd voor zijn onmiddellijke belangen en is een uitdrukking van hun behoefte aan bevrijding van de loonarbeid, van kapitaal en de staat. Als gevolg daarvan is het de verwerping van alle delingen tussen intellectuelen en arbeiders, tussen uiteindelijke doelen en onmiddellijke belangen, tussen ‘vakbondsbewustzijn’ en ‘socialistisch bewustzijn’, tussen doel en middelen. Telkens als de arbeiders de strijd aangaan voor hun eigen belangen, onafhankelijk van de vakbonden en zelfverklaarde arbeiderspartijen, bloeit het kommunisme op in hun strijd. Op dezelfde wijze wordt de kommunistische organisatie binnen de strijd organische gevormd, en ontstaat uit de internationale vereniging van de tussenkomsten van de meest radicale en vastbesloten minderheden in de klassenstrijd, waarin de tegenstelling tussen arbeiders en kapitaal tot uiting komt.
06.2006
Men kan niet anders dan met verontwaardiging en walging worden vervuld door deze nieuwe manifestatie, deze uitbarsting van de oorlogsbarbarij in het Nabije-Oosten: 7000 luchtaanvallen op Libanees grondgebied, meer dan 1200 doden in Libanon en in Israël (waaronder meer dan driehonderd kinderen van onder de twaalf jaar), bijna 5000 gewonden, een miljoen burgers die op de vlucht sloegen voor de bombardementen en die probeerden weg te komen uit de gevechtszones. Anderen, te arm om de gevechtszones te ontvluchten, verschansen zich naar het mogelijke, met pijn in de buik van de angst.... Hele wijken, hele dorpen zijn herschapen in ruïnes, ziekenhuizen worden overspoeld en zijn propvol: dat is de voorlopige balans van een maand oorlog in Libanon en Israël als gevolg van het offensief dat de Tsahal inzette om de toenemende invloed van Hezbollah te verminderen en in antwoord op één van de vele moordadige aanvallen van de islamitische milities over de Israëlisch-Libanese grens heen. De vernietigingen worden geschat zes miljard euro te bedragen, zonder dan nog de kosten te rekenen van de oorlog zélf. Uiteindelijk is de oorlogsoperatie uitgelopen op een mislukking die ook een smadelijke tegenslag vormt en een abrupt einde maakt aan de mythe van onoverwinnelijkheid, van de onkwetsbaarheid van het Israëlische leger. Het is ook een nieuwe terugslag en een verdere verzwakking van het Amerikaanse leiderschap. Hezbollah komt daarentegen versterkt uit het conflict en heeft in de ogen van het geheel van de Arabische landen een nieuwe legitimiteit verworven door zijn verzet.
Deze oorlog luidt een volgende stap in van het in vuur en vlam zetten van heel het Midden-Oosten en van het wegzinken in een steeds maar oncontroleerbare chaos, waartoe alle imperialistische machten hebben bijgedragen, van de grootste tot de kleinste, in de schoot van de zogenaamde internationale gemeenschap. Vanwaar deze slachtpartijen, deze golf van moordende gevechten?
De patstelling in het Nabije-Oosten was al een feit met het aan de macht komen van de ‘terroristen’ van Hamas op het Palestijnse grondgebied (met een onverzettelijkheid van de Israëlische regering waardoor deze bijdroeg tot het provoceren van een ‘radicalisering’ van een meerderheid van de Palestijnse bevolking) en de openlijke verscheurdheid binnen de Palestijnse bourgeoisie, tussen Fatah en Hamas, waardoor iedere oplossing door onderhandelingen onmogelijk werd gemaakt. De Israëlische terugtrekking uit Gaza om de Westelijke Oever beter te isoleren en af te sluiten zal niet veel zoden aan de dijk hebben gezet. Israël had geen andere oplossing dan een andere richting in te slaan om de toenemende invloed tot staan te brengen van Hezbollah in Zuid-Libanon, die gesteund, gefinancierd en bewapend wordt door de Iraanse peetvader. Het voorwendsel dat door Israël werd gegeven om de oorlog te ontketenen bestond uit het vrij krijgen van de twee soldaten die Hezbollah gevangen had genomen: bijna twee maand na hun ontvoering zijn ze nog steeds gevangenen van de sjiitische milities, en het eerste getouwtrek over dit onderwerp is nog nauwelijks door de Verenigde Naties begonnen. De andere opgegeven reden bestond uit het ‘neutraliseren’ en ontwapen van Hezbollah, waarvan de aanvallen en de invallen op Israëlisch grondgebied vanuit Zuid-Libanon een belangrijke bedreiging zouden vormen voor de veiligheid van de Hebreeuwse staat. Dit staat net zo in wanverhouding tot de werkelijkheid als het doden van een mug met een bazooka. De Israëlische staat heeft zich met een ongelooflijke brutaliteit, met beest-achtigheid en verbetenheid, overgeleverd aan een ware politiek van de ‘verschroeide aarde’ tegen de burgerbevolking van de dorpen in Zuid-Libanon, die zonder enig mededogen van hun land en uit hun huizen werden gejaagd, die honger moesten lijden, geen drinkwater hadden en blootgesteld werden aan de ergste epidemieën. Er zijn ook negentig bruggen en ontelbare verbindingswegen stelselmatig afgesneden (wegen, autosnelwegen…), drie elektrische centrales en duizenden woningen werden vernield, de luchthaven van Beiroet werd onbruikbaar gemaakt, en er werd onophoudelijke gebombardeerd. De Israëlische regering en haar leger herhaalde tot vervelens dat ze de ‘burgerbevolking wilden spare’ en slachtpartijen zoals die van Kanaa werden afgedaan als ‘betreurenswaardige incidenten’ (zoals het fameuze ‘collatoral dammage’, de ‘zijdelingse schade’ in de Golfoorlogen en in de Balkan). Maar het is wel onder deze burgerbevolking dat de meeste slachtoffers vallen, en verreweg de meeste: 90% van de doden!
Deze oorlog kon niet uitbarsten zonder het groene licht van de Verenigde Staten. De Verenigde Staten, die hun hoofd in het wespennest van de oorlog in Irak en in Afghanistan hebben gestoken, en na de mislukking van hun ‘vredesplan’ om het Palestijnse vraagstuk op te lossen, moeten de regelrechte mislukking vaststellen van hun tactiek van het omsingelen van Europa, waarvoor de Nabije en het Midden-Oosten de strategische hoofdkaarten vormden. Vooral de Amerikaanse aanwezigheid in Irak is al drie jaar uitgedraaid op een bloedige chaos, een ware afschrikwekkende burgeroorlog tussen rivaliserende fracties, dagelijkse aanslagen die de bevolking blindelings treffen, in een ritme van tachtig tot honderd doden per dag. Al deze mislukkingen en deze onmacht getuigen van de historische verzwakking van de Amerikaanse bourgeoisie in deze regio, die bovendien in de hele wereld haar leiderschap steeds meer ter discussie gesteld ziet. Dat is trouwens de reden waarom nieuwe imperialistische pretenties van andere staten steeds meer op de voorgrond treden, te beginnen met die van Iran. In deze samenhang stond het buiten kijf dat de Verenigde Staten zelf zouden ingrijpen, terwijl het doel in de regio eruit bestaan om de staten aan te pakken die zij aanklagen als ‘terroristisch’ en als belichamingen van de ‘as van het kwaad’, zoals Syrië en vooral Iran waarvan Hezbollah de steun geniet. Het Israëlische offensief, dat als waarschuwing moest dienen aan deze twee staten, laat zien dat de belangen van het Witte Huis en die van de Israëlische bourgeoisie volkomen parallel lopen. De Verenigde Staten remden binnen de Verenigde Naties trouwens wekenlang de overeenkomsten over een staakt-het-vuren af en saboteerden die zelfs om het Israëlische leger in de gelegenheid te stellen haar operationele bases dieper in Libanees grondgebied te laten doordringen, tot aan de beroemde Litani rivier.
Behalve het feit dat er voor de Hebreeuwse staat geen sprake van kan zijn zich blijvend te nestelen in Zuid-Libanon, maken de problemen waarmee de Verenigde Staten en de staat Israël worden geconfronteerd in het Nabije en het Midden-Oosten deel uit van dezelfde dynamiek: dezelfde aandrang om vooruit te vluchten in militaire avonturen om hun imperialistische belangen te waarborgen en vooral hun statuut van politieagent. Ze komen steeds meer vast te zitten in hetzelfde wespennest, in hetzelfde onvermogen om een steeds groeiende chaos onder controle te houden, die door hun ingrijpen wordt veroorzaakt en die even zo vele dozen van Pandora opent.
Binnen de Israëlische bourgeoisie schuiven burgers en militairen de verantwoordelijkheid voor een slecht voorbereidde oorlog op elkaar af. Israël doet de bittere ervaring op dat een militie die opgaat in de bevolking niet op dezelfde manier bestreden kan worden als een staand leger van een gevestigde staat (1). Hezbollah net als Hamas was in het begin niet meer dan één van de vele islamitische milities die werden opgericht tegen de Israëlische staat. Zij werd gevormd tijdens het het Israëlische offensief in Zuid-Libanon in 1982. Dankzij haar sjiitische samenstelling kon ze genieten van de financiële steun van het regime van de Iraanse ayatollah’s en molla’s. Ook Syrië, dat omvangrijke logistieke steun verleende, maakte er gebruik van als achterhoede toen het in 2005 werd gedwongen om zich uit Libanon terug te trekken. Deze bende van bloeddorstige moordenaars is er tezelfdertijd in geslaagd om geduldig een machtig netwerk te vormen van rekruteringsagenten door medische, sanitaire en sociale voorzieningen terug te betalen uit kassen die gespijsd worden door gulle giften die voortkomen uit het petroleummanna van de Iraanse staat. Momenteel veroorloofd deze zich het herstel te vergoeden van door de bommen en raketten vernielde of beschadigde huizen, om haar in staat te stellen de burgerbevolking in haar rangen te ronselen. Zo konden we reportages zien van dit ‘schaduwleger’ samengesteld uit kinderen van tussen de tien en de vijftien jaar, die in de bloedige afrekeningen mogen dienen als kanonnenvlees.
Syrië en Iran vormen op dit ogenblik het meest homogene blok rond Hamas en Hezbollah. Vooral Iran loopt te koop met zijn ambities om de belangrijkste imperialistische macht van de regio te worden. Door het bezit van atoomwapens zou het die rol inderdaad kunnen spelen. Al maandenlang tart de Iraanse regering de Verenigde Staten door zijn atoomprogramma voort te zetten. Vandaar dat Iran zijn arrogante provocaties opdrijft en met zijn oorlogsbedoelingen te koop loopt, zelfs verklarend dat het de staat Israël van de kaart te vegen.
Het toppunt van het cynisme en schijnheiligheid wordt bereikt door de Verenigde Naties die tijdens de maand die de oorlog duurde in Libanon voortdurend zijn ‘vredeswil’ uitsprak terwijl het zijn ‘onmacht’ (2) ten toon spreidde. Dit is een schaamteloze leugen. Dit ‘rovershol’ is het moeras waar de meest monsterachtige krokodillen van de planeet met elkaar ravotten. De vijf permanente leden van de Veiligheidsraad zijn de grootste roversstaten van de planeet. De Verenigde Staten, waarvan de alleenheerschappij berust op de machtigste militaire armada ter wereld en waarvan de militaire misdrijven sinds het uitroepen in 1990 van “een tijdperk van vrede en voorspoed” door Bush senior (de twee Golfoorlogen, de interventie in de Balkan, de bezetting van Irak, de oorlog in Afghanistan…) voor zich spreken.
Groot-Brittannië heeft dusverre deelgenomen aan de afstraffingscampagnes van de Verenigde Staten om zijn eigen belangen te verdedigen. Zo hoopt het de invloedszone te heroveren waarover het beschikte door zijn oud protectoraat in deze regio (vooral Iran en Irak). Het probeert koste wat kost zijn aanwezigheid in de regio te behouden, hopende daarvan in de komende jaren de dividenden op te strijken.
Rusland, dat verantwoordelijk is voor de ergste wreedheden tijdens zijn twee oorlogen in Tsjetsjenië en dat met moeite de ineenstorting van de USSR verteerd en zijn wraaklust herkauwt, komt momenteel met nieuwe imperialistische pretenties op de proppen door te profiteren van de zwakte van de Verenigde Staten. Daarom speelt het de kaart van steun aan Iran en wat discreter van Hezbollah. China, dat winst slaat uit zijn groeiende economische invloed, droomt ervan om toegang te krijgen tot nieuwe invloedszones buiten Zuidoost-Azië. En het lonkt naar Iran, omdat het ook één van de staten is waarop het zijn zinnen heeft gezet om zijn doel te bereiken. Deze twee staten hebben elk doorlopend voorop gelopen om de resoluties van de Verenigde Naties te saboteren.
Wat Frankrijk betreft, het bloed dat aan zijn handen kleeft maakt die niet minder vuil dan die van de anderen. Het heeft niet alleen volop deelgenomen aan de eerste Golfoorlog in 1991, maar het speelde ook de pro-Servische kaart op de Balkan, waar het in het kader van de Verenigde Naties koelbloedig aanstuurde op het laten afslachten van de Bosnische bevolking in de enclave van Srebrenica in 1993. Het naam deel aan het opjagen van de Taliban in Afghanistan (de dood van twee soldaten van de ‘speciale strijdmachten’ van de COS heeft pas geleden het volle licht geworpen op deze tot dusverre heel erg discrete activiteit)(3).
Maar het is vooral in Afrika dat het Franse imperialisme betrokken is bij duistere zaakjes. Het is Frankrijk dat de inter-etnische afslachtingen uitlokte in Rwanda door de liquidatie aan te moedigen van Tutsies door Hutus met de meest barbaarse methodes, voor de verdediging van zijn smerige imperialistische belangen op Afrikaanse bodem.
De Franse bourgeoisie heeft heimwee naar een tijdperk waarin het met Groot-Brittannië de invloedszones verdeelde in het Midden-Oosten. Met het noodgedwongen opgeven van zijn bondgenootschap met Saddam Hoessein tijdens de eerste Golfoorlog in 1991 en vervolgens met het vermoorden van zijn ‘beschermeling’ Massoed in Afghanistan, concentreert het zijn hoop op juist het heroveren van Libanon. Daar was het met geweld verjaagd tijdens de eerste oorlog van Libanon in 1982/83 door het offensief van Syrië tegen de Libanees-christelijke regering en vervolgens door de Israëlische tussenkomst die werd geleid door de ‘slager’ Sharon en op afstand bediend door de Verenigde Staten. En Syrië, dat toen tot het kamp van de voormalige Sovjet-Unie behoorde, was toen gedwongen om Libanon te verlaten en zich te schikken naar het westerse kamp. Het heeft Syrië nooit de moord in februari 2005 (toegeschreven aan Bachir al-Assad) vergeven op de voormalige Eerste Minister Rafic Hariri, die een grote ‘vriend’ was van Chirac en van Frankrijk. Dat is de reden waarom het, ondanks zijn verlangen om met Iran te flirten (dat voorgesteld wordt als een ‘groot land’ waarmee onderhandeld moet worden), Frankrijk zich toch achter het Amerikaanse plan voor Libanon schaart, rond de fameuze resolutie 1201 van de Verenigde Naties, en zelfs het plan bekokstoofde voor het inzetten van UNIFIL-troepen. Ondanks de terughoudendheid van de generale staf die protesteerde vanuit de overweging dat de militaire operaties van Frankrijk in het buitenland ‘onder spanning staan’ (rond de 15.000 man ingezet bij vele verschillende fronten: Ivoorkust met de operatie Licorne, Tsjaad, Kongo, Djiboeti, Darfour, Kosovo, Macedonië, Afghanistan), heeft de Franse regering de schepen achter zich verbrand. Het heeft toegezegd om voor Zuid-Libanon 400 tot 2.000 soldaten te leveren voor UNIFIL. Maar op enkele voorwaarden: namelijk de verlenging van zijn mandaat voor het algemene bevelhebberschap over de tot februari 2007 15.000 ingezette mannen met het gebruik van geweld in geval van agressie. Inderdaad, de herinnering bij nazinderen aan de aanslag op het gebouw Drakkar in Beiroet waar het Franse contingent in oktober 1983 was gelegerd en die uitliep op het verlies van 58 parachutisten door een aanval van sjiitische terroristen wat leidde tot het vertrek van Frankrijk uit Libanon. Toch zijn de aarzelingen van de Franse bourgeoisie om van het diplomatieke terrein over te stappen naar een meer militair terrein niet van de baan. De belangrijkste taak van UNIFIL bestaat uit het ondersteunen van een zeer zwak Libanees leger dat nog maar nauwelijks weer is opgericht – slechts 15.000 man sterk – en belast met het ontwapenen van Hezbollah. Deze missie is des te gevaarlijker omdat twee leden van Hezbollah deel uitmaken van de Libanese regering, en omdat Hezbollah, dat zelf een aureool van prestige heeft omdat het in zijn eentje de mislukking van het machtige leger van de Tsahal heeft bewerkstelligd, zich nooit zo sterk en vol zelfvertrouwen heeft gevoeld (het heeft zijn capaciteit laten zien om raketten af te vuren en tot aan het tekenen van de wapenstilstand de steden van Noord-Israël te bedreigen) en vooral omdat het Libanese leger in aanzienlijke mate door haar is geïnfiltreerd. Ook andere grootmachten staan te trappelen, zoals Italië, dat, in ruil voor het leveren van grootste contingent van de troepen van de Verenigde Naties, na 2006 het oppercommando van UNIFIL in Libanon krijgt overgedragen. Nauwelijks een paar maanden na de terugtrekking van de troepen uit Irak doet Prodi, die de Berlusconi-ploeg zo scherp bekritiseerde voor de deelname aan de oorlog in Irak, hetzelfde in Libanon, waarmee de Italiaanse ambities om zich onder de groten te begeven worden bevestigd, maar dan wel met het risico wat veren te laten.
De patent hachelijke situatie voor Israël en de Verenigde Staten vertegenwoordigt een nieuwe belangrijke stap voorwaarts in de verzwakking van de Amerikaanse hegemonie. Maar verre van een factor te zijn die de oorlogsspanningen zal verminderen zal het die vergroten. Het vormt een aanmoediging om de imperialistische pretenties van al de andere staten nog te vergroten. Zo kondigt het geen enkel ander vooruitzicht aan dan dat van ontwrichting en groeiende chaos.
Het Nabije- en Midden-Oosten bieden momenteel een samenballing van de irrationele aard van de oorlog waarin elke van de imperialismes steeds meer zwelgt om zijn eigen belangen te verdedigen ten koste van een steeds verdere en steeds bloediger uitbreiding van de conflicten waarin steeds meer staten betrokken raken. Syrië en Iran staat op het punt betrokken te raken. Omgekeerd drijft die situatie de Verenigde Staten en Israël tot een nog gruwelijker en bloediger antwoord. De Israëlische Minister van Defensie liet dan ook duidelijk voelen dat de wapenstilstand niet meer dan tijdelijk is om de krachten opnieuw te verzamelen om een tweede aanval te openen waarmee hij beloofde Hezbollah definitief te vernietigen.
De uitbreiding van de gebieden waarin bloedige confrontaties plaatsvinden is een uiting van het onontkoombaar karakter van de kapitalistische oorlogsbarbarij. Oorlog en militarisme zijn allang de permanente bestaanswijze geworden van een kapitalisme in verval en in volle ontbinding. Dat is één van de belangrijkste kenmerken van de tragische impasse waarin een systeem is terechtgekomen dat de mensheid niets anders meer te bieden heeft dan het zaaien van dood en verderf.
Er komt steeds meer verzet tegen de oorlog op gang. Vorig jaar vonden er grote manifestaties plaats in Tel-Aviv en Haïfa uit protest tegen de stijging van de levenskosten. De regering werd er daarbij van beschuldigend dat haar opdrijving van de militaire begroting ten kosten van de sociale begroting onevenredig was en daarmee een buitensporige inflatie aanwakkerde. De mislukking van de oorlog kan momenteel uitingen van sociale onvrede enkel bevorderen.
In de Palestijnse gebieden komt de woede van de ambtenaren die al maanden geen loon meer hebben ontvangen (door de kredietbevriezing door de Europese Unie sinds de verkiezing van Hamas) steeds sterker tot uiting.
Toch worden van de proletariërs en van de burgerbevolking miljoenen mensen, of die nu van oorsprong joods, Palestijns, sjiitisch, soennitisch Druzisch, Koerdisch, christen-maronitisch of nog anders zijn, in gijzeling genomen en onderworpen aan een dagelijkse terreur.
Welke solidariteit kunnen we betuigen met de bevolking die in deze gruwelijke oorlog wordt geslachtofferd? De Franse bourgeoisie verklaarde naar het voorbeeld van het tijdschrift Marianne van 12 augustus dat we ons erop moeten beroepen “allemaal zionisten, Palestijnse nationalisten en Libanese patriotten te zijn.” De revolutionairen daarentegen heffen luid en duidelijk de eenheidsslogan aan van de arbeidersklasse: “De proletariërs hebben geen vaderland!” De arbeidersklasse heeft geen enkel nationaal belang en geen enkel kamp te verdedigen Die nationale belangen zijn altijd de belangen van de bourgeoisie die haar uitbuit. Zich verzetten tegen de oorlog betekent zich verzetten tegen alle kapitalistische kampen. Alleen de omverwerping van het kapitalisme kan een einde maken aan het uitbreken van de oorlogsbarbarij. De enige ware solidariteit binnen het proletariaat met de klassenbroeders die worden blootgesteld aan de ergste bloedbaden bestaat uit het op de been komen op éigen klassenterrein tegen de éigen uitbuiters. Dat betekent zich teweer te stellen en de maatschappelijke strijd te ontwikkelen tegen de éigen nationale bourgeoisie. En dat gebeurde tijdens de stakingen die het vliegveld Heathrow in Londen lamlegden en tijdens de staking van het transport in New York in 2005, net als tijdens de staking van de arbeiders van de Seat-fabriek in Barcelona in het begin van dit jaar, en net als met de mobilisatie van de toekomstige proletariërs tegen de startbaancontracten in Frankrijk en van de metaalarbeiders in Vigo in Spanje. Die strijd, die getuigt van een heropleving van de strijd van de klasse op internationale schaal vormt de enige sprank van hoop op een andere toekomst, op een alternatief voor de mensheid tegenover de kapitalistische barbarij.
Wim / 28.08.2006
(1) De kritieken op de manier waarop de oorlog voorbereidt en gevoerd werd stapelden zich op en raakt zelfs het hoge Israëlische militaire hoofdkwartier. Zo kon een journalist verklaren dat het leger dat in het algemeen ‘de grote stomme’ wordt genoemd ‘de grote kletskous’ was geworden.
(2) Dit cynisme en deze schijnheiligheid werden ter plaatse heel duidelijk tijdens een gebeurtenis van de laatste oorlogsdagen: een konvooi bestaande uit een deel van de bevolking van een Libanees dorp, met menige vrouwen en kinderen die probeerden de gevechtszones te ontvluchten, kwam onder vuur van Tsahal. De leden van het konvooi zochten bijgevolg toevlucht bij een nabijgelegen kamp van de Verenigde Naties. Ze kregen als antwoord dat ze onmogelijk gehuisvest konden worden omdat daarvoor geen enkel mandaat bestond. De meesten (58 van hen) werden gedood door het vuur van het Israëlische leger en onder de passief toezien van de UNIFIL-troepen (volgens een getuigenverklaring op de televisie van de moeder van een ontsnapt gezin).
(3) De ongebruikelijk nadruk van de media op deze gebeurtenis die ‘gelegen’ komt dient ertoe de bevolking te wennen aan het idee dat er meer soldaten zullen sneuvelen en dat er vele slachtoffers zullen vallen tijdens de militaire operaties waaraan Franse strijdkrachten in het kader van UNIFIL in Zuid-Libanon zullen deelnemen.
Het Front Populaire in Frankrijk was een belangrijk moment in de voorbereiding op de imperialis-tische wereldoorlog door het proletariaat massaal op te trommelen voor de verdediging van de kapitalistische staat in naam van de strijd tegen het fascisme. Die realiteit staat lijnrecht tegenover de ideologische campagnes van de bourgeoisie die deze periode momenteel afschilderen als een periode van ‘overwinningen voor de arbeidersklasse’. In onderstaand artikel gaat het over de oorlog in Spanje, die de ultieme etappe was van die mobilisering van het wereldproletariaat, steeds in de eerste plaats onder de misleidende vlag van de ‘strijd tegen het fascisme’, door alle linkse fracties en de vakbonden.
Deze vreselijke tragedie voor de arbeiders die momenteel nog steeds cynisch wordt voorgesteld als ‘Spaanse revolutie’ of als ‘grote revolutionaire ervaring’ betekende daarentegen, met de ideologische en fysieke verplettering (meer dan één miljoen doden tussen 1931 en 1939 in Spanje) van de laatste levendige krachten van het Europees proletariaat, de triomf van de contrarevolutie. Die moordpartij vormde de generale repetitie die de weg breed openlegde voor het ontketenen van de mperialistische wereldoorlog.
De jaren 1930 tot 1939 zijn jaren van voorbereiding op de oorlog die zich zal afspelen op de as van de revolutionaire golf die voortkwam uit de Eerste Wereldoorlog. Overal ter wereld was het proletariaat gebroken, verslagen, in de greep genomen door het kapitalisme, dat het van zijn klassenterrein afleidde met de valse keuze ‘fascisme of democratie’ en het onderwerpt aan de nationalistische hysterie die het onherroepelijk naar de oorlog voert.
Tegelijkertijd worden bijna alle arbeidersorganisaties, die al volop in ontaarding zijn, na de dood van de Kommunistische Internationale die beklonken werd met het uitroepen van het ‘socialisme in één land’, opgeslokt door het kamp van de bourgeoisie of ze vallen geheel uiteen. De ‘kommunistische partijen’ worden simpele doorgeefluiken voor de politiek van ‘verdediging van het socialistische vaderland’ ten dienste van de stalinistische contrarevolutie. De enige stemmen die zich tegen de stroom in verheffen en stevig klassenstandpunten handhaven, zoals Bilan (van 1933 tot 38 blad van de Kommunistische Linkerzijde van Italië in het buitenland) blijven beperkt zich tot die van een handvol revolutionairen.
Spanje, waar zich nog een fractie van het proletariaat bestond die nog niet verpletterd was omdat het land niet had deelgenomen aan de Eerste Wereldoorlog, wordt het doelwit van een grootse manoeuvre van de verenigde bourgeoisie om de arbeiders ertoe te brengen hun klasseterrein te verlaten en hen af te leiden naar het kapitalistische terrein van een uitsluitend militair en imperialistisch gevecht.
Door zijn geopolitieke positie aan de poort van Europa, waar het aan de ene kant de Middellandse Zee afsluit en aan de andere kant wegen naar de Atlantische Oceaan en naar Afrika opent, vormde Spanje een ideaal terrein waar de imperialistische spanningen zich konden botvieren die door de economische crisis op de spits gedreven waren, vooral voor het Duitse en het Italiaanse imperialisme die probeerden een sterke positie te veroveren aan de Middellandse Zee, en die de gang naar oorlog versnellen.
Daarbij boden de verouderde structuren van dit land, die grondig door elkaar werden geschud door de economische wereldcrisis van het kapitalisme in de jaren 1930, een gunstig terrein om het proletariaat af te leiden. De mythe van een ‘burgerlijk-democratische revolutie’ die de arbeiders zouden moeten doorvoeren, wordt opgevoerd om hen op te trommelen achter het alternatief ‘republiek of monarchie’ dat de weg bereidt voor de strijd van ‘antifascisme tegen fascisme’.
Na de militaire dictatuur van Primo de Rivera, ingesteld in 1923, en die kan rekenen op de actieve steun van de socialistische vakbond UGT, werkt de Spaanse bourgeoisie vanaf augustus 1930 het ‘Pact van San Sebastian’ uit, waar de beide grote vakbonden bij betrokken zijn, de UGT en de CNT, die gedomineerd wordt door de anarcho-syndikalisten. Het Pact legt preventief de basis voor een ‘republikeins alternatief’ voor de monarchistische macht. Dan, op 14 april 1931 dwingt ze koning Alfons XIII tot aftreden met de dreiging van een treinstaking en roept ze de republiek uit. De verkiezingen brengen een sociaal-republikeinse coalitie aan de macht. De nieuwe regering, ‘republikeins en socialistisch’, toont meteen hoezeer ze tegen de arbeiders gekant is. De repressie daalt genadeloos neer op de stakingsbewegingen die opduiken tegenover de snelle stijging van de prijzen en van de werkloosheid. Onder de arbeiders vallen honderden doden en gewonden, met name in januari 1933 in Casas Viejas in Andalusië. Tijdens deze vlaag van repressie beveelt de ‘linkse’ republikein Azana aan de soldaten: “Geen gewonden, geen gevangenen, schiet op de buiken!”
Die bloedige onderdrukking van de arbeidersstrijd, uitgevoerd in naam van de democratie, zal twee jaar duren en geeft de krachten van rechts de tijd zich te organiseren, tegelijk met het buiten adem raken van de regeringscoalitie. In 1933 haalt rechts de meerderheid. Een deel van de Socialistische Partij, die ten zeerste misprezen wordt vanwege de repressie die ze uitgevoerde, maakt daarvan gebruik om een ruk naar links door te voeren.
De voorbereiding van het imperialistisch oorlogsfront, dat wil zeggen de noodzaak het proletariaat af te leiden van de stakingen die zich ontwikkelen, is de realiteit waarbinnen de activiteit van de linkse politiek organisaties tot ontwikkeling komt. In april-mei 1934 breiden de stakingen zich uit. De metaalarbeiders in Barcelona, de spoormannen, en vooral de bouwvakkers in Madrid gaan zeer harde strijd aan. Tegenover die strijd richt heel de propaganda van links en ultra-links zich op het antifascisme, om de arbeiders mee te sleuren in een politiek van ‘eenheidsfront van alle democraten’, een ware dwangbuis voor het proletariaat.
Van 1934 tot 1935 worden de arbeiders onderworpen aan een ware ideologische hersenspoeling in het vooruitzicht op de verkiezingen om een programma van Volksfront in te voeren en ‘het hoofd te bieden aan het fascistisch gevaar’.
In oktober 1934 tuimelen de arbeiders in Asturië, daartoe aangespoord door de linkse krachten, in de vakstrik van een suicidaire confrontatie met de burgerlijke staat. Die slaat hen bloedig neer. Hun opstand en daarna hun heldhaftige verzet in de mijngebieden en in de industriële zones rond Oviedo en Gijon wordt door de PSOE en UGT volledig afgezonderd om met alle middelen te verhinderen dat de strijd zich zou uitbreiden naar de rest van Spanje, vooral naar Madrid. De regering brengt 30.000 soldaten met tanks en vliegtuigen op de been in Asturië om de arbeiders genadeloos te verpletteren, waarmee een periode van gewelddadige onderdrukking volgt in het hele land.
Op 15 januari 1935 wordt het kiesverbond van het Volksfront ondertekend door alle linkse organisaties en door de trotskiserende gauchisten van de POUM. De anarchistische leiders van CNT en FAI laten hun ‘anti-verkiezingsprincipes’ varen om deze onderneming toe te dekken met een medeplichtige stilte die duidelijk gelijkstaat aan een steun. In februari 1936 wordt de eerste Volksfrontregering verkozen. Terwijl een nieuwe golf van stakingen tot ontwikkeling komt, roept de regering op tot kalmte, vraagt zij aan de arbeiders op te houden met staken en zegt dat die stakingen in de kaart spelen van het fascisme. De PCE gaat zelfs zo ver te zeggen dat “de bazen de stakingen uitlokken en aansporen voor politieke redenen van sabotage.” In Madrid, waar op 1 juni een algemene staking uitbreekt, verhindert de CNT elke rechtstreekse confrontatie met de staat door hun fameuze leuze van het zelfbeheer te lanceren. Dat zelfbeheer zal ertoe dienen de arbeiders op te sluiten in ‘hun’ fabriek, ‘hun’ landbouwzone of ‘hun’ dorp, met name in Catalonië en Aragon.
De militairen voelen zich sterk genoeg om in juli vanuit Marokko een ‘Verklaring’ uit te geven onder leiding van ene Franco die zijn eerste wapenfeiten als generaal verzameld onder bevel van de Republiek die door de socialisten geleid wordt. Het weerwoord van de arbeiders volgt onmiddellijk: op 19 juli 1936 roepen de arbeiders de staking uit tegen de opstand van Franco en trekken massaal naar de kazernes om die poging te ontwapenen, zonder zich iets aan te trekken van de tegengestelde richtlijnen van het Volksfront en de republikeinse regering. De arbeiders verbinden de eisenstrijd aan de politieke strijd en stoppen door hun actie de moordende hand van Franco. Maar tegelijk worden de oproepen tot kalmte die uitgaan van het Volksfront – “De regering beveelt, het Volksfront gehoorzaamt” – op andere plaatsen nagevolgd. In Sevilla bijvoorbeeld, waar de arbeiders de opdracht van de regering af te wachten opvolgen, en in een vreselijk bloedbad door de militairen worden afgeslacht.
De linkse krachten van het kapitaal ontplooien dan volop hun manoeuvres om de arbeiders achter zich te mobiliseren (1). Binnen de 24 uur ruimt de regering, die met de franquistische troepen onderhandelde en met hen de moordpartij op de arbeiders organiseerde, de plaats voor de regering Giral, ‘linkser’ en ‘antifascistischer’, die zich aan het hoofd plaatst van de arbeidersopstand om die uitsluitend te richten op de confrontatie met Franco, enkel en alleen op militair terrein! De arbeiders worden enkel bewapend om hen naar het ‘front’ te sturen tegen de troepen van Franco, weg van hun klassenterrein. Erger nog: de regering spant de misdadige valstrik van een zogenaamd ‘verdwijnen van de republikeinse kapitalistische staat’, terwijl die zich enkel verschuilt achter een pseudo-‘arbeidersregering’ die de arbeiders afleidt naar een heilige eenheid tegen Franco via organismen zoals het Centraal Comité van de Anti-fascistische Milities en de Centrale Raad van de Economie. De illusie van een ‘dubbele macht’ wordt gewekt, en die levert de arbeiders definitief over aan hun beulen. De bloedige moordpartijen die dan plaatsvinden in Aragon, Oviedo, Madrid, zijn het resultaat van het misdadige manoeuvre van de republikeinse en linkse bourgeoisie waardoor de arbeidersreacties van 19 juli 1936 mislukken. Daarna worden honderdduizenden arbeiders ingelijfd in de milities van de anarchisten en van de POUM om de ‘sociale revolutie te verdedigen’. Ze worden door de Volksfrontregering de dood ingestuurd op het ‘anti-franquistisch’ imperia-listisch front. Die milities worden al snel gemilitariseerd en de meest strijdbare arbeiders dienen dan als kanonnenvlees voor de kapitalistische belangen die ze denken te bestrijden.
Nu het zijn klassenterrein verlaten heeft, wordt het proletariaat in de oorlog de keel doorgesneden en ziet het zich onderworpen aan een wrede extra uitbuiting in naam van de ‘anti-fascistische’ oorlogseconomie van het Volksfront: loondaling, inflatie, rantsoenering, militarisering van de arbeid, verlenging van de arbeidsdag en stakingsverbod...
Het proletariaat van Barcelona komt andermaal in opstand, in mei 1937, maar in wanhoop, en het wordt afgeslacht door de regering van het Volksfront, door de PCE en zijn Catalaanse filiaal PSUC op kop, terwijl de franquistische troepen vrijwillig hun oprukken stilleggen om de stalinistische beulen de ruimte te geven de arbeiders te verpletteren:
“Op 19 juli 1936 verpletterden de proletariërs van Barcelona met de blote handen de aanval van de bataljons van Franco, tot de tanden bewapend. Op 4 mei 1937 lieten diezelfde proletariërs, bewapend, veel meer slachtoffers achter op de straatstenen dan in juli toen ze Franco moeten terugdrijven, en het is de anti-fascistische regering – waarin tot zelfs de anarchisten zetelen en waarmee de POUM onrechtstreeks solidair is – die het uitschot van de repressietroepen loslaat op de arbeiders” schrijft Bilan in 1938 in het artikel Lood, mitraille, gevang: zo dient het Volksfront de arbeiders van Barcelona van antwoord.
In deze bloedige tragedie hebben alle zogenaamde arbeidersorganisaties niet alleen aangetoond dat ze in de burgerlijke staat geïntegreerd zijn, maar hebben ze ook deelgenomen aan de verplettering van het proletariaat. De enen, zoals de PCE en de PSUC, toonden zich grote partijen van de burgerlijke orde, PSOE en UGT namen ook rechtstreeks hun rol waar van beulen, anderen, zoals de CNT, de FAI, de POUM, dreven de arbeiders ertoe hun klassenterrein te verlaten in naam van het ‘anti-fascistisch front’ om hen zo in de armen te drijven van hun moordenaars en in de imperialistische warboel. De aanwezigheid van anarchistische en CNT-ministers in de Catalaanse regering en daarna in de centrale regering van Caballero was een machtige factor om de arbeiders te misleiden ten gunste van het Volksfront. De anarchisten hebben voor de bourgeoisie een rol van eerste orde gespeeld in de manoeuvre om de arbeiders te bedriegen over de klassenaard van de Volksfrontregering:
“Zowel op het vlak van de principes als uit overtuiging is de CNT altijd tegen de staat geweest en vijandig tegen elke regeringsvorm. Maar de omstandigheden hebben de aard van de Spaanse regering en staat veranderd. Momenteel is de regering, als instrument dat de staatsorganen controleert, niet langer een kracht die de arbeidersklasse onderdrukt, net zoals de staat niet langer een organisme vertegenwoordigt dat de maatschappij in klassen verdeelt. De ene zowel als de andere onderdrukken het volk nog minder nu dat leden van de CNT daarbij betrokken zijn.” (Frederica Montseny, anarchistisch minister, 4 november 1936).
Alle organismen van het Volksfront, en in het bijzonder de stalinisten die er de gewapende arm van waren, riepen een wreedaardige oorlog uit tegen de elementen van de zeldzame stromingen die te midden van deze vreselijke verwarring streden om revolutionaire standpunten te verdedigen. Ze stuurden hen naar de gevaarlijkste plaatsen aan het front, lieten hen achter zonder munitie, lieten hen in de gevangenis werpen door de politie van de ‘republikeinse krachten’ of vermoordden hen simpelweg.
De gebeurtenissen van Spanje leggen bloot wie degenen écht waren die beweerden aan de kant van de arbeiders te staan, de democraten in het algemeen, de socialisten, ‘kom-munisten’ of anarchisten, die in de praktijk de meest verbeten verdedigers waren van de burgerlijke staat en van het nationale kapitaal, de ergste vijanden van de arbeidersklasse.
De oorlog in Spanje sleept zich voort tot in 1939 en mondt dan uit op de militaire overwinning van Franco, op het moment waarop de andere fracties van het wereldproletariaat, overal overwonnen door de contrarevolutie, op hun beurt als kanonnenvlees dienden in de algemene imperialistische confrontatie achter hun ‘eigen’ nationale bourgeoisieën.
C.B.
(1) Het aanpassingsvermogen van de Spaanse bourgeoisie tegenover het proletariaat kan geïllustreerd worden aan de hand van de politieke loopbaan van Largo Caballero: voorzitter van de vakbond UGT vanaf 1914, zit in het parlement voor de PSOE, wordt lid van de Staatsraad van dictator Primo de Rivera en daarna Minister van Arbeid in de eerste republikeinse ‘coalitieregering’ tussen 1931 en 1933, daarna is hij één van de voornaamste voortrekkers van het Volksfront, waarna hij naar ‘gauchistische’ standpunten overhelt die hem in staat stellen leider te worden van de regering tussen september 1936 en mei 1937.
De Britse politieagent die de arrestatie van een aantal verdachten bekendmaakte in het meest recente bommencomplot vertelde dat de groep “massamoord op een onvoorstelbare, ongeziene schaal” aan het plannen was.
Wanneer ze inderdaad van plan waren om vliegtuigladingen vol passagiers boven steden in de Verenigde Staten te vernietigen, dan zou het zeker gaan om een plan voor massamoord. De methoden van Bin Laden en de ‘jihad-strijders’ die hem bewonderen zijn de methoden van het barbarendom. De slachtoffers van hun aanvallen zijn in de eerste plaats de uitgebuiten en onderdrukten, de arbeiders, de armen. Het ‘islamitisch verzet’ vermoord al wie naar hun werk gaan, die van de ene dag in de andere proberen te overleven in een vijandige maatschappij, in New York, Madrid, Londen, Mumbai, Beslan, en iedere dag opnieuw in Irak. In feite zijn de methoden van de ‘jihad-strijders’ dezelfde als die van de ‘ongelovige’ machten die ze beweren te bestrijden: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Israël, Rusland en de rest.
Juist op het moment dat de regeringen van ‘het Westen’ de islamofobie en het racisme proberen aan te wakkeren tegen degenen die als moslims worden geïdentificeerd, bestaat het antwoord van de ‘jihad-strijders’ uit het prediken van racisme tegen de ‘kafirs’, en in het bijzonder tegen de Joden, waarbij zij de ergste leugens van het Hitlerisme doen herleven. Deze ideologieën worden gebruikt om de massaslachting van niet-moslims te rechtvaardigen – waarin ook moslims bij duizenden om het leven worden gebracht, zoals momenteel in Irak. De ‘jihad-strijders’ zijn het werkelijke spiegelbeeld van Bush en Blair met hun ‘oorlog tegen het terrorisme’.
En dat is precies ons punt. Terroristische gruweldaden tegen onschuldigen zijn noch ‘onvoorstelbaar’ noch ‘ongezien’. Diegenen die aan de macht zijn en die de beoogde gruweldaad veroordelen, verrichten zelf veel grotere gruweldaden omdat zij over superieure vuurkracht beschikken. Zij zijn de ‘democratische’ jihad-strijders, die de belangrijkste staten van de wereld besturen, en die verantwoordelijk zijn voor het afslachten van burgers op een veel grotere schaal – in Irak, Libanon, Afghanistan en in Tsjetsjenië... De oorlogen die de ‘democratische’ machten ontketenen zijn het suprème model van de terreur: hoe anders kun je het gebruik van grofste militaire machtsvertoon noemen om hele volkeren te intimideren? Wat is de verwoesting van Libanon door Israël anders dan terreur, wat de ‘shock-and-awe’-campagne van de Verenigde Staten in 2003? Om nog maar te zwijgen over Churchills ‘oppervlakte-bombardementen’ van Duitsland aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Imperialistische oorlog is terreur tegen de mensheid. De staten die hem voeren zijn even goed thuis in de duistere methoden van de ‘terroristen’ als in de openlijke, massieve terreur van luchtbombardementen. Wie anders dan de ‘democratische’ Verenigde Staten van Amerika trainden Bin Laden om tegen de Russen te vechten? Wie gebruikte de protestantse bendes in Ulster om moorden en bomaanslagen te plegen anders dan het ‘democratische’ Groot-Brittannië? Wiens stichters waren even goed terroristen als Menachim Begin, anders dan het ‘anti-terroristische’ Israël? En door zijn spionnen en informanten kan de ‘democratische’ staat bovendien de terroristische bendes op subtiele wijze gebruiken, zelfs wanneer ze ‘aan de andere kant’ staan. De officiële polemiek tegen ‘samenzweringstheorieën’ ten spijt bestaat er toenemend bewijs dat de Verenigde Staten Al Qaïda toelieten zijn aanvallen in september 2001 uit te voeren. Het doel hiervan was om een nieuw ‘Pearl Harbour’ te creëren en zo een groot imperialistisch offensief in Afghanistan en Irak te rechtvaardigen, iets dat eerder al openlijk was overwogen door de ‘neo-conservatieve’ theoretici. De staat kan echter net zo goed terroristische samenzweringen ‘fabriceren’ waar ze niet bestaan: Jean-Charles de Menezes liet zijn leven in een van deze set-ups in Stockwell, en de massieve overval in Forest Gate afgelopen juni had bijna opnieuw een ‘toevallig slachtoffer’ tot gevolg. Onverlet of het om een werkelijke of om een ‘verzonnen’ dreiging gaat, de staat zal de activiteiten van terroristen altijd gebruiken om zijn arsenaal aan onderdrukkingswetten en zijn omvangrijke inlichtingen- en surveillance-apparaat te versterken.
Na 11 september stelde Bush ons voor een valse keuze: met óns, of met de terroristen. Momenteel hebben miljoenen gezien waar Bush voor staat, maar ze zijn niet ontsnapt aan de valse keuze. Vele jonge mensen die inzien dat de wereld waarin we leven op een catastrofe afstevent, worden misleid door het terrorisme als ‘het enige alternatief’. Maar dat is een vals alternatief, een net zo rampzalige doodlopende weg, die hen tot recruteerders maakt voor een suïcidale mars naar de imperialistische oorlog. Dat wordt duidelijker in de oorlog die zich over het Midden-Oosten verspreidt, en die zijn weerslag heeft in de Verenigde Staten en in Europa.
Maar tegenover het onverbiddelijke verval van de huidige maatschappij, die afglijdt in oorlog en chaos, bestaat er een andere kant: die van de uitgebuite klasse, het proletariaat, van de grote meerderheid van ons, die er geen belang bij heeft om zich te laten meeslepen in broedermoord en inter-imperialistische bloedbaden.
Tegenover de versnellende ineenstorting van het kapitalisme, dat in alle hoeken van de planeet heeft bewezen het overleven van de mensheid zélf in gevaar te brengen, bestaat er slechts één oorlog die het waard is om gevochten te worden: de klassenoorlog die de arbeiders van alle landen en kleuren verenigt tegen de gangsters die de planeet regeren en die er steeds meer de controle over verliezen.
De klassenstrijd, die volgens de beweringen van velen allang begraven zou zijn, staat op het punt opnieuw uit te breken. Dit zien we in een aantal recente bewegingen:
- In de Algemene Vergaderingen en manifestaties van de studenten in Frankrijk, die massaal in staking waren aan de universiteiten en in de scholen, van alle kleuren en overtuigingen tezamen, en die een beweging ontketende, die, net als in 1968, de heersende machten schokte, vooral toen steeds grotere aantallen loonarbeiders samen met de studenten begonnen op te trekken;
- In de wilde stakingen van de arbeiders bij de posterijen in Belfast; officieel ‘Loyalistisch’ en ‘Katholiek’ marcheerden ‘onofficieel’ tezamen door ‘vijandige’ straten en trotseerden daarmee het nationale schisma en de paramilitaire bendes van beide kampen;
- In de staking op Heathrow in de zomer van verleden jaar, waarbij de bagageafhandelaars het werk neerlegden uit solidariteit met de arbeiders bij Gate Gourmet, en zich over raciale en seksuele scheidslijnen heen verenigden door hun gemeenschappelijke verontwaardiging over de tirannieke methoden van het management, opnieuw alle ‘vakbondswetgeving’ trotserend.
In deze uitingen van klassensolidariteit van de arbeiders zien we de contouren van de werkelijke gemeenschap van de mensheid, een gemeenschap die wordt geschapen door een menselijke activiteit voor andere mensen, en die daardoor niet langer verslaafd is aan religie of aan de staat.
World Revolution / 14.08.2006
In de twee vorige artikels (Internationalisme, nr. 323 en nr. 325) zagen we dat al het gedoe rond de delocalisaties in de eerste plaats dient als chantagemiddel om de arbeidersklasse te dwingen alsmaar lagere lonen en alsmaar slechtere werkvoorwaarden te aanvaarden.
De onomkeerbare crisis die het kapitalisme doormaakt vertaalt zich steeds weer in het massaal ontslaan van arbeiders. De arbeidskracht, wier uitbuiting de bron is van de kapitalistische winst, ziet haar prijs als gevolg daarvan steeds verder dalen (zoals gebeurt met elke waar die in overvloed op de verzadigde markt aanwezig is), omdat de drastische vermindering van de productiekosten (waarbij het loon op de eerste plaats staat) het enige middel is waarover de bourgeoisie beschikt om de concurrentie aan te kunnen op de steeds nauwere markten die met waren verzadigd zijn. Sinds bijna honderd jaar bevindt het kapitalistisch systeem zich in zijn vervalfase en het toont hoe weinig het in staat is degenen die het uitbuit een andere toekomst te bieden dan een toenemende afbraak van hun bestaansvoorwaarden : massale werkloosheid en absolute verpaupering waarin steeds bredere delen van de bevolking terecht komen, zelfs wanneer ze nog werk hebben.
De arbeidersklasse heeft in haar strijd overal ter wereld dezelfde opdracht. Ze kan zich niet langer beperken tot een strijd die probeert de gevolgen van de uitbuiting te beperken. Het enige realistische vooruitzicht waardoor ze een einde zal kunnen maken aan alle kwellingen waartoe het kapitalistisch systeem haar veroordeelt, is de oorzaken zelf van haar uitbuiting aan te pakken. De enige uitweg uit de kapitalistische economische crisis en de enige weg die het proletariaat naar een menswaardig bestaan kan leiden is de afschaffing van de arbeidskracht als waar, dat wil zeggen de vernietiging van de kapitalistische sociale verhoudingen en de afschaffing van de loonslavernij op wereldschaal.
De delocalisaties worden ook rechtstreeks gebruikt om het proletariaat te koppelen aan de ideologie van de concurrentie, het op te sluiten in het kader van de verdediging van het nationaal kapitaal en het zo te onderwerpen aan de vereisten daarvan. Dat is wat in de eerste plaats beoogd wordt door de burgerlijke propaganda wanneer die het idee opwerpt dat de kapitalistische staat een 'beschermende factor' zou kunnen zijn tegen de ‘wandaden van de mondialisering’. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de Verenigde Staten met het gedoe rond de maatregelen die genomen worden om te beletten dat ondernemingen die delokaliseren zouden kunnen meedingen naar openbare aanbestedingen, of met het opbod in overbluffen van parlementaire initiatieven uit het kamp van de Democraten om "een consultatie van het personeel en van de verkozenen uit de streek verplicht te maken vooraleer de productie naar het buitenland verplaatst kan worden" (1). De praatjes van de regering, net als van de oppositie, volgens dewelke er "in dit land iets gedaan moet worden om de burgers tewerkstelling in het land te garanderen" (G. Bush) hebben geen ander doel dat de misleiding versterken dat de staat 'boven de klassen staat' en ‘ten dienste staat van alle burgers’, en de illusie overeind te houden dat de belangen van de heersende klasse te verzoenen zijn met die van de arbeidersklasse binnen het nationale kader. Integendeel: de staat kan op generlei wijze een bondgenoot van de arbeiders zijn. Hij staat tegelijk garant voor de belangen van de heersende klasse, door het in stand houden van haar uitbuitingssysteem, en hij is een werktuig in haar handen om de aanvallen tegen het proletariaat te organiseren. Zoals de genadeloze economische oorlog tussen alle staten van de wereld aantoont, en het losbranden van oorlogsconflicten, vormt de nationale staat het middel waarmee de verschillende naties hun ongeremde concurrentie botvieren. Op geen enkele wijze is de staat een reddingsboei voor de arbeidersklasse, hij is klaar en duidelijk een van haar geduchtste vijanden. In zijn strijd zal het proletariaat juist met de staat de confrontatie aangaan.
Anderzijds schuift de burgerlijke propaganda de schuld voor de aftakeling van de levensvoorwaarden van het westers proletariaat af op de schouders van de Poolse, Chinese of Indiase arbeiders, wat niet anders is dan een verfoeilijke poging de verschillende delen van het wereldproletariaat tegen elkaar op te zetten. Zo heeft de bourgeoisie eind 2004 en gedurende heel het jaar 2005 van het ‘conflict’ bij Vaxholm in Zweden het model gemaakt van de ‘antiliberale strijd’. De tewerkstelling op een werf van Letse arbeiders, die minder goed betaald worden dan de Zweedse arbeiders, werd door de vakbonden gebruikt om een reusachtige campagne te voeren die ruim uitgespeeld werd door de bourgeoisie, ook in het buitenland. In naam van de ‘solidariteit’ en het ‘weigeren van discriminatie tussen arbeiders’ werd de scheepswerf door verschillende vakbondsfederaties geblokkeerd, met slogans als ‘Go Home’, totdat de Letse arbeiders van hun inkomsten beroofd werden en zich gedwongen zagen te vertrekken. De campagne leidde tot een brede nationale mobilisatie om de arbeiders aan de kant te krijgen van de overheid, de sociaal-democratische regering en de vakbonden, voor de ‘bescherming van het Zweeds sociaal model’ en de verdediging van ‘de arbeidswetgeving, onze zekerheid’! Die ervaring toont maar één ding: de proletariërs uitnodigen te vechten tegen ‘de zogenaamd minst sociale’ komt erop neer het proletariaat op te sluiten, fractie per fractie, in de verdediging van ‘hun’ uitbuitingsvoorwaarden binnen elke kapitalistische natie, van het op te splitsen in tegengestelde en concurrerende eenheden. Door de arbeidersklasse zo in de val te lokken in het kader van de verdediging van het nationaal kapitaal en op het terrein van het nationalisme, probeert de bourgeoisie de proletariërs tegen elkaar op te zetten en hen elke mogelijkheid tot eenheid en solidariteit tussen arbeiders over de grenzen heen te ontnemen.
Deze kwestie van solidariteit krijgt al een concrete draagwijdte wanneer de bazen de arbeiders van verschillende geografische vestigingen van eenzelfde bedrijf tegen elkaar laten concurreren door middel van delocalisaties.
De arbeiderssolidariteit zal in de toekomst een doorslaggevende rol spelen in de toekomst van de klassenstrijd. Zowel in het land van oorsprong als in dat van bestemming van de delocalisatie mag geen enkele fractie van het proletariaat buiten de huidige heropkomst van de strijd blijven die veroorzaakt wordt door de economische crisis in alle delen van de wereld. Onze pers heeft al nieuws gebracht over arbeidersstrijd in India (Révolution Internationale, nr. 367), Dubaï en Bangladesj (Révolution Internationale, nr. 370). In China neemt de arbeidersstrijd vandaag ook uitbreiding en "treft vandaag zowel de privé-sector als de bedrijven van de kustgebieden die op export gericht zijn. Bedrijven die in onderaanneming werken voor buitenlandse firma's dankzij een overvloedige en gewillige arbeidskracht [...] omdat de arbeiders, vooral die van de nieuwe generaties, meer en meer bewust zijn van hun rechten. Zij hebben ook een punt bereikt waarop de toestand niet langer aanvaardbaar is." (2) Vietnam werd eind 2005-begin 2006 meerdere maanden dooreen geschud door een golf van wilde stakingen die losbarstte buiten elke controle van de vakbonden en waarbij meer dan 40.000 arbeiders uit de vrijhandelszones van Saigon en het binnenland betrokken waren. "Het conflict over lonen en arbeidsvoorwaarden begon in december in Vietnam [...] waar dozijnen buitenlandse bedrijven fabrieken geïnstalleerd hebben om profijt te halen uit de enorme massa goedkope arbeidskracht. [...] Die golf van spontane stakingen, beschouwd als de ergste sinds het einde van de Vietnamese oorlog, begon bijna drie maanden geleden voornamelijk in bedrijven met buitenlands kapitaal in de zuidrand van Saigon." (3) We vinden er dezelfde tendensen in terug die de huidige arbeidersstrijd kenmerken, die de kwestie van arbeiderssolidariteit centraal plaatsen en waarbij tienduizenden arbeiders uit alle sectoren bij betrokken zijn. Sinds eind december "volgen werkonderbrekingen elkaar al meer dan een maand op en zijn verhard nadat 18.000 arbeiders het werk neerlegden bij Freestend, een Taiwanese firma waarvan de fabriek schoenen maakt voor rekening van merken als Nike en Adidas." (4). Op 3 januari "staakten 11 duizend werkers in 6 fabrieken in de streek van Linh Xuat, provincie Thuc Duc, voor hoger loon. Vanaf de volgende dag treft de staking de bedrijven van Hai Vunh en Chutex. Dezelfde dag sluiten vijfduizend arbeiders van de firma Kollan & Hugo zich bij de staking aan om het optrekken van de minimumlonen te eisen. [...] Bij het bedrijf Latex gaan alle 2340 mensen in staking uit solidariteit met die van Kollan en vragen een verhoging van de laagste lonen met 30%. Die arbeiders trekken naar het bedrijf Danu Vina en overhalen het personeel daar zich bij hun staking aan te sluiten. Op 4 januari betogen de Vietnamese arbeiders van de plantage Grawn Timbers ltd in de provincie Binh Duong bij Saigon tegen de plotse verlaging van de lonen, zonder aankondiging of uitleg. Dezelfde dag gaan duizenden arbeiders van de bedrijven Hai Vinh, Chutex, in dezelfde industriezone als Grawn Timbers, in staking om te protesteren tegen de lonen. Op 9 januari duren de stakingen in deze streek nog voort. In de buitenwijken van Saigon breken vier nieuwe stakingen uit waaraan duizenden arbeiders deelnemen." (5). In de kapitalistische wereld is concurrentie de wortel van de sociale verhoudingen en die spaart de arbeiders des te minder want de bourgeoisie speelt haar uit om de arbeiders te verdelen en te verzwakken en er zo profijt uit te trekken. De arbeidersklasse kan haar eigen kracht enkel ontwikkelen door tegenover de heersende concurrentie het principe te stellen van haar klassesolidariteit. Enkel die solidariteit laat de ontwikkeling toe van de arbeidersstrijd als daadwerkelijk middel om tegen de staat in te gaan en als basis voor een alternatief maatschappijmodel voor deze wereld van ieder voor zich : de maatschappij zonder klassen, de maatschappij van het kommunisme. Die solidariteit kan natuurlijk enkel internationaal gezien worden. In de huidige maatschappij is de arbeidersklasse de enige klasse die in staat is solidariteit op wereldschaal te ontwikkelen. De arbeidersbeweging heeft trouwens van bij het begin haar internationale aard benadrukt. In de tijd van Marx was één van de onmiddellijke redenen voor de oprichting van de Internationale de noodzaak voor de Engelse arbeiders hun strijd te coördineren met de Franse arbeiders, omdat de bazen probeerden arbeiders van daar over te brengen als stakingsbrekers. "De economische crisis verscherpte de sociale tegenstellingen en de stakingen volgden elkaar op in alle landen van West-Europa. [...] In vele gevallen slaagde (de Internationale) erin het inschakelen van stakingsbrekers tegen te houden, en daar waar buitenlandse arbeiders, door hun onwetendheid inzake de plaatselijke omstandigheden, als stakingsbrekers gebruikt werden, bracht zij er hen vaak toe solidair te zijn. In andere gevallen organiseerde ze intekenlijsten om de stakers te steunen. Dat betekende niet alleen een morele ondersteuning voor de stakers, maar joeg de bazen ook de stuipen op het lijf: ze hadden niet langer af te rekenen met 'hun' arbeiders, maar met een nieuwe en duistere macht die overeen internationale organisatie beschikte." (6). Het proletariaat is nooit sterker dan wanneer het zich als een internationale en eengemaakte kracht opstelt tegenover de bourgeoisie.
Scott / 07.2006
(1) L'Expansion, 13.02.2004.
(2) Le Monde, 14.10.2006.
(3) Telex van AFP, 15.03.2006.
(4) Courrier International, nr. 706
(5) Massale stakingen in Vietnam om degelijke lonen af te dwingen op Viettan.org; en Marianne, nr. 470, 22 april 2006.
(6) B. Nicolaïevski, O. Maenchen-Heffen, La vie de Karl Marx, NRF, Gallimard, p. 317.
Sinds enige tijd verschijnen er niet alleen in de ultra-linkse milieus (van de trotskistische partijen tot de stalinisten van de PvdA), maar zelfs in de burgerlijke media pleidooien over de noodzaak van een “volkspartij links van de SP.a/PS of de Groenen.” In deze logica zijn er verschillende initiatieven gelanceerd om een dynamiek op gang te brengen die zou moeten leiden tot de opkomst van een dergelijke partij.
Bovendien heeft de bourgeoisie ook een zekere aandacht besteed aan het 'verkiezingssucces' van de 'ex-stalinistische' PvdA, die het aantal van zijn gemeenteraadsleden heeft verdrievoudigd. Zij heeft in het bijzonder haar nieuwe oriëntatie naar een ‘links populisme’ naar Nederlandse voorbeeld verwelkomd. Nochtans komt die heroriëntatie een beetje laat. De stalinistische en maoïstische stempel staat er nog zo duidelijk op gedrukt dat deze nieuwe bocht van de PvdA verre van evident is.
De wedloop naar de stichting van een nieuwe partij links van de SP.a is nu volop gestart onder het waakzame oog van de bourgeoisie. In dit perspectief hebben de LSP en de SAP campagne gevoerd voor een reeks oproepen voor een 'andere politiek' (CAP = Comité voor een Andere Politiek) en een 'ander links' (UAG = une autre gauche). Hun argumentatie gaat als volgt: “De arbeidersklasse heeft nood aan een partij die haar belangen verdedigt, die een andere stem laat horen in de debatten, die de bevolking kan informeren en mobiliseren, en die weigert zich te plooien naar de neo-liberale logica die er op gericht is om af te rekenen met al wat onze grootouders en ouders door strijd verworven hebben. Het is mogelijk! In Duitsland heeft een nieuwe formatie, de Linkspartei, pas nog 8,7% behaald bij de laatste parlementsverkiezingen. In de beweging tegen de hervormingen van Schröder, hebben syndicalisten van verschillende vakbonden zich verenigd met andere activisten in een campagne voor de nieuwe partij. Dit heeft geleid tot de oprichting van de WASG, die zich samen de PDS aangeboden heeft bij de verkiezingen onder de naam Linkspartei” (Website van de LSP/MAS). Voor deze fans van een ‘ander links’ was zaterdag 28 Oktober een grote dag, want toen is er in Brussel een ‘Comité voor een Andere Politiek’ (CAP) opgericht rond een reeks van persoonlijkheden van de socialistische en syndica-listische linkerzijde (zoals de ex-volksvertegenwoordiger Sleeckx en de vroegere baas van de socialistische vakbond Debunne) en men heeft meteen beslist om deel te nemen aan volgende parlementsverkiezingen.
En voor de arbeiders? Is deze nieuwe partij, is dit ‘ander links’, deze ‘andere politiek’ werkelijk een bijdrage tot hun strijd?
De overduidelijke anti-arbeiderspolitiek van de socialistische partijen SP.a/PS, die al 18 jaar in de regering zitten, net zoals de corruptie en de schandalen die hen geregeld teisteren, maken dat vele elementen die op zoek zijn naar een alternatief tegenover de barbarij van het wegrottende kapitalisme zich van hen afkeren. Daarmee geconfronteerd kan het logisch lijken om die mensen op te roepen tot het opbouwen van een 'echte linkse partij' om hun belangen te verdedigen in het vertegenwoordigingssysteem van de burgerlijke staat, van de gemeente of van het nationale parlement. Maar het is niet de eerste keer dat een partij zich opwerpt als manifestatie van een 'ander links' en oproept om voor haar te stemmen met de belofte van een 'andere politiek': van verschillende ‘communistische’ partijen tot de PDS in Duitsland of de ‘Arbeiders partij’ van Lula in Brazilië, hebben deze partijen 'links van de SP.a/PS' dat allemaal beloofd. Het heeft hen niet gehinderd om, van ‘president’ Lula tot de ‘ex-communisten’ in Frankrijk of in Duitsland, een politiek van versterking van het nationale kapitaal te voeren en te ondersteunen. Evenzo in Italië, waar de Partito de Rifundazione Comunista tot de sociaal-liberale coalitie van Romano Prodi toegetreden is en bevestigt dat het bereid is tot ‘regeren’, dat wil zeggen om de nodige maatregelen te nemen om de concurrentiekracht van het nationale kapitaal te versterken.
Voor de revolutionairen was het verraad van de socialistische partijen, en later dat van de ‘communistische’ of ‘arbeiderspartijen’ geen toeval, geen ongelukje of een gevolg van slechte leiders. Het is het resultaat van de evolutie zelf van het kapitalistische systeem en van zijn huidige fase. In de huidige fase van zijn verval, van de wereldcrisis, van de chaos en de veralgemeende oorlogen, is het geheel van de burgerlijke staten geëvolueerd naar een systeem waarin de partijen niet langer de uitdrukking zijn van de strijd tussen burgerlijke fracties om de controle over de staat, maar waarin het geheel van de partijen het uitvloeisel zijn van de belangen van het nationale kapitaal en meewerken aan de verdediging ervan in de machtsstrijd tussen de imperialistische rovers op internationaal vlak.
Geloven dat in een dergelijke context, die geheel onder controle staat van de burgerlijke staat, zich een partij zou kunnen ontwikkelen die opkomt voor de belangen van de uitgebuiten in het kader van het parlementaire verkiezingssysteem, en zelfs de macht zou kunnen veroveren, betekent zichzelf sprookjes vertellen, zich in slaap wiegen met illusies.
In het begin van de twintigsteeeuw hebben de opportunistische fracties in de schoot van de Sociaal-Democratie, verblind door de exponentiële groei van het kapitalisme en de indrukwekkende ontwikkeling van hun eigen krachten, de illusie verspreid van een geleidelijke overgang naar het socialisme via een overname van de controle over de burgerlijke staat door middel van de hefboom van de verkiezingen. Honderd jaar later, na twee wereldoorlogen, verschrikkelijke economische crises en een groeiende chaos en barbarij over de hele planeet, kan het naar voren brengen van een dergelijke opvatting slechts worden beschouwd als een onbeschaamde misleiding die de bedoeling heeft om de arbeiders op te sluiten in een suicidaire koers.
Wanneer er twijfels worden geuit over het nut van een dergelijke partij in het kader van het parlementaire systeem, krijgen we van de ultralinksen als antwoord in het oor gefluisterd: “Wij laten ons niet bedotten. Wij weten dat deze nieuwe partij niet de revolutionaire partij zal zijn, dat deze of gene politieke- of vakbondsleider nog verraad zal plegen, maar deze negatieve ervaring is een onontkoombare fase voor de arbeiders om te leren wie de werkelijke revolutionairen zijn” (MAS, Voor een nieuwe arbeiderspartij, 06.04.06) Deze aanpak stemt volop overeen met de manipulatorische visie van de klassenstrijd, die eigen is aan trotskistische groepen, die vinden dat de arbeidersklasse een schaapachtige massa is die men in de ene of andere richting kan leiden. Laten geloven dat het opsluiten van de arbeiders in een reformistische logica en een perspectief van zelfmoordacties de bewustwording zou stimuleren, getuigt van cynisme zonder grenzen. In plaats van te steunen op de ervaring van haar eigen kracht en organisatie die de arbeidersklasse kan verwerven in de strijd, stelt de LSP/MAS als perspectief voor de bewustwording… de individuele ervaring van ‘elke arbeider apart’. De democratische misleiding verandert ‘elke arbeider apart’ in een ‘burger’ die alleen in het stemhokje staat, met de illusie dat zijn stembriefje invloed gaat hebben op zijn sociale levensvoorwaarden. De ultralinkse aanpak beweert dat men moet vertrekken van de illusies van de arbeiders om ze mee te slepen in een negatieve ervaring opdat zij bewust zouden worden. Beweren dat het bewustzijn ontstaat uit verwarring, uit de misleiding en de ontmoediging, getuigt van het meest verachtelijke cynisme en maakt het ondertussen mogelijk om de arbeidersklasse op te sluiten in de democratische campagnes van de bourgeoisie.
Wanneer de arbeidersklasse er geen enkel belang bij heeft om op te komen voor de oprichting van een nieuwe linkse partij, hoe is het dan met de bourgeoisie gesteld? Geconfronteerd met het ongeloofwaardig worden van de ‘klassieke’ linkse partijen, heeft ze er ongetwijfeld belang bij dat nieuwe, meer geloofwaardige krachten de fakkel overnemen: krachten die niet ongeloofwaardig zijn door het uitoefenen van de macht maar die de arbeidersklasse, via hun radicale taal en imago, naar dezelfde valstrikken van het parlementarisme en de illusie van de strijd voor hervormingen binnen de burgerlijke staatsstructuren leiden.
Vanuit dit gezichtspunt leveren organisaties als de LSP, SAP of de PvdA, daadwerkelijk puik werk af… ten dienste van de bourgeoisie. Voor deze organisaties zou het inderdaad voor de arbeiders een prioriteit moeten zijn om zich in te zetten om een partij die ‘linkser’ is dan de SP.a/PS naar het burgerlijk parlement te sturen. Het eerste doel is dan ook om actief aan de verkiezingen deel te nemen, een programma uit te werken voor systeemhervormingen, persoonlijkheden op de voorgrond plaatsen zoals Sleeckx en Debunne, die burgerlijke politici zijn, vakbondsleiders die zich altijd hebben opgesteld voor de verdediging van de belangen van de staat en tegen de arbeidersklasse. Kortom, om met radicale taal politieke praktijken en programma’s te bemantelen die burgerlijk zijn. De referentiepunten van deze nieuwe arbeiderspartij zijn eveneens overschotten van stalinistische partijen zoals de PDS in Duitsland (ex-communistische partij in de ex-DDR), de WASG van Lafontaine (ex-leider van de SPD), Rifondazione (overblijfsel van de ex-Communistische Partij van Italië), de Socialistische Partij in Nederland (een ex-maoïstische partij die zich tot het linkse populisme heeft bekeerd). Om het nog maar niet te hebben over de PT van Lula in Brazilië en de oude en nieuwe ultralinkse iconen van Latijns-Amerika, zoals Castro, Morales of Chavez. Ziedaar de referenties die de arbeiders moeten overtuigen om eindelijk eens vertegenwoordigers naar het parlement te sturen die komaf zouden maken met de bezuinigingspolitiek.
Het doel van deze campagnes voor een ‘echt links’ komt in werkelijkheid helemaal niet neer op het bieden van een perspectief aan de strijd van de arbeidersklasse, maar in tegendeel op het afleiden van het ongenoegen dat steeds meer tot uiting komt in doodlopende acties. Om zo de bewustwording en het nadenken in de schoot van het proletariaat omtrent de perspectieven en strijdmiddelen tegenover de groeiende barbarij van de burgerlijke maatschappij te vermijden. De druk van de crisis en de soberheid overal in Europa stimuleert de hervatting van de strijdbaarheid van de arbeidersklasse, die zich overal ter wereld met steeds meer kracht begint af te tekenen. In België heeft de strijd tegen het ‘generatiepact’ eind 2005 eveneens een begin laten zien van strijdbaarheid. En de bourgeoisie heeft begrepen dat deze hervatting van de strijdbaarheid, ook al is ze er in geslaagd om de arbeiders een nederlaag in de maag te splitsen (de wet is doorgevoerd) tevens vergezeld gaat van een begin van bewustwording over het feit dat de nederlaag het resultaat is van de vakbondssabotage. Het doel van de campagne rond een ‘ander links’ is dus om de onvrede en dit begin van bewustwording om te leiden naar het terrein van de verkiezingen. Daar speelt de propaganda voor een nieuwe arbeiderspartij op in. Ze probeert de illusies in de meest strijdbare vakbonden te doen herleven en in de mogelijkheid om de zaak van de arbeiders in het parlement of in de gemeenteraad te verdedigen. De bourgeoisie bereidt zich voor op een nieuwe periode van confrontatie tussen de klassen die bevestigd wordt door de mobilisatie van de jongere generaties van proletariërs tegen de CPE (startbanencontract) in Frankrijk. Daarin kwamen immers de nieuwe kenmerken van de arbeidersstrijd tot uiting, zoals de solidariteit in de strijd en het in handen nemen ervan door de Algemene Vergaderingen (zie Internationalisme, nr. 326, De beweging tegen de CPE: een rijke ervaring voor de komende strijd).
“De arbeiders de verwarring en de misleiding insturen opdat ze duidelijk inzicht zouden verwerven”: dat is nu een van de meest cynische doelen van de campagne rond de “echte linkse partij”. Het illustreert perfect de vuile rol de deze ‘revolutionairen’, die de trotskisten of de PvdA beweren te zijn, in werkelijkheid spelen: de elementen die op zoek zijn naar een werkelijk alternatief tegen het kapitalisme terugleiden naar de verdediging van de democratie en de strijd voor hervormingen, om bij hen elke dynamiek van bewustwording te vernietigen.
Betekent dat nu voor ons dat een politieke organisatie nutteloos is? Wel in tegendeel, wij bevestigen dat een revolutionaire politieke organisatie onmisbaar is, maar in geen geval de arbeidersklasse mag lanceren op het zelfmoordspoor van het reformisme, en nog minder om zich in te zetten op het burgerlijke terrein van de gekozen vertegenwoordiging in de organen van de kapitalistische staat. In tegendeel haar rol bestaat er in de historische ervaring van de klassengevechten te verdedigen en in de voorhoede van haar bewustwording te zijn, juist door zonder toegevingen alle illusies te bestrijden in de democratie, in de vakbonden, in links in het algemeen. Het behoort tot haar verantwoordelijkheid om de meest markante ervaringen van de strijd te veralgemenen, de ervaringen die de dynamiek van de politisering van de nieuwe generaties van proletariërs onderstrepen, zoals de strijd tegen de CPE, of andere gevechten, de stakingen van de Metro in New York, bij Mercedes-Benz in Duitsland, die van de metaalarbeiders in Vigo in Spanje, waarin overal de kenmerken opdoken van proletarische solidariteit, de Algemene Vergaderingen net als de eis tot directe onderhandelingen met de tegenstander, zonder vakbondsbemiddeling (zie Internationalisme, nr. 326). En daar waar het mogelijk is, komt de IKS tussen als een revolutionaire organisatie, zonder het oppeppen van enige illusie. De arbeidersklasse heeft er behoefte aan om haar zwakheden te leren kennen als troeven om zich voor te bereiden op de komende strijd, want alleen de waarheid is revolutionair.
J. & J. / 01.11.2006
De gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006 gaan de geschiedenis in als “De Slag om Antwerpen”. Televisieploegen uit half Europa kwamen in “de hoofdstad van extreem-rechts” bijeen voor wat een mediatsunami is genoemd: zou burgemeester Patrick Janssens van de sociaal-democratische SP.a een halt kunnen toeroepen aan het populistische succes van het verketterde Vlaams Belang? Zou het cordon sanitaire rond het intolerante VB standhouden? De Morgen titelde op 7 oktober vol trots op de voorpagina:“Heel Europa staart naar Antwerpen”. De oorlogskreet was: “Extreem rechts, No Pasaran!” Gedragen door de hele burgermaatschappij waren het artiesten van Helmut Lotti, Wil Tura en Adamo tot aan Gorki, Zap Mama, Clouseau, Arno en dEUS die in Antwerpen, Gent, Brussel en ook Charleroi op de been kwamen om vooral de jeugd te bewerken in een campagne ‘voor verdraagzaamheid’. Een dag later kon de televisie wereldwijd ‘opgelucht’ melden dat de opzet was geslaagd. Aan de horizon van wat “Zwarte Zondag” dreigde te worden “verscheen een rode gloed die hoop doet opflakkeren” (De Morgen, 10 oktober). Patrick Janssens verklaarde verheerlijkend: “Ik stel vast dat je het VB kunt tegenhouden door een positief beleid te voeren.” Er werd gesproken in de overtreffende trap, er werden tranen geplengd, er werd voor de camera’s geknuffeld, en vervolgens begon het gekonkelfoes rond de verdeling van de schepenambten.
De gepolariseerde ‘presidentscampagne’ van de ‘democraat’ Patrick Janssens tegen de ‘fascist’ Filip Dewinter leek verdacht veel op de anti-fascistische tweestrijd uit 1936 in Brussel tussen de democratische Eerste Minister Van Zeeland tegen de leider van de rexisten Degrelle. Janssens bedankte ook de sociaal-democratische Amsterdamse burgemeester Job Cohen, de burgerlijk-democratische tegenhanger van het populisme, voor zijn voorbeeldfunctie bij het nemen van ‘positieve maatregelen’ in de grote stadspolitiek. Zo trad Patrick Janssens naar voren als de kampioen van de ‘democratie’ en de ‘redelijkheid’ tegenover intolerantie en haat, van ‘positieve’ maatregelen tegenover ieder ‘negativisme’.
In wezen kan de bourgeoisie best leven met een rechts-populistische vleugel. De onvrede houdt een dreiging in en de bourgeoisie heeft uiteindelijk liever dat er, binnen zekere grenzen, op Vlaams Belang wordt gestemd dan dat de klassenstrijd oplaait. Ze kan het rechtse populisme in bepaalde omstandigheden gebruiken: neemt het echter een te grote omvang aan dan dreigt het zich tegen haar te keren doordat ‘onverantwoordelijke’ en ‘oncontroleerbare’ politiekers belangrijke mandaten krijgen.
Maar het belang van het rechtse populisme is ook tanende om een andere reden: de bourgeoisie moet zich voorbereiden op de verandering in de krachtsverhouding tussen de klassen en haar politieke geschut zo gunstig mogelijk opstellen tegenover het proletariaat. Er is een nieuwe generatie voor wie het woord ‘solidariteit’ weer betekenis heeft. Zolang de klassenstrijd niet uitbreekt denkt de bourgeoisie haar soberheidsmaatregelen het beste ‘voorzichtig’ te verkopen, met als ‘sociaal rechtvaardig’ uitgekraamde, vooral sluipende en stiekeme maatregelen, genomen door een weer geloofwaardig gemaakte burgerlijke politiek met regelmatige politieke wisseling van de regeringswacht. De zachte taal van de ‘tolerantie’ verbergt zo de komende harde maatregelen.
De bourgeoisie moet, vooral bij de jongeren, de illusie wekken dat de burgerlijke democratie de onvrede kan wegnemen en de problemen zo al niet oplossen dan toch in ieder geval onder controle houden. Zo wordt de arbeidersklasse meegesleept in de valse keuze tussen rechts-populisme en burgerlijke democratie, op grote afstand van strijd op haar eigen klassenterrein. Precies daarvoor staat het ‘positieve’ beleid van Patrick Janssens model: onvrede en strijdbaarheid worden bij voorbaat gekwalificeerd als ‘negativisme’. Dat betekent dat we de komende soberheidsmaatregelen zonder morren moeten slikken omdat we anders het risico lopen gelijk in de zeurderige hoek van het Vlaams Belang, of meer in het algemeen in dat van ‘extremisme’, ‘onverantwoordelijkheid’ en ‘onredelijkheid’ te worden gedrukt.
De ‘strijd tegen het rechtse populisme’ is voor de bourgeoisie vooral een saamhorigheidsoperette achter het Belgische staatsapparaat. Het hele verkiezingscircus is er op gericht de onvrede binnen de arbeidersklasse wat meer op te sluiten binnen de klassieke politieke structuren van de bourgeoisie. De nieuwe ‘geloofwaardigheid’ zal vervolgens worden gebruikt om verdere aanvallen op de arbeidersklasse voor te stellen als ‘sociaal gerechtvaardigd’, als ‘redelijk’ en ‘onvermijdelijk’. En dat wordt de arbeiders opgelepeld als de ‘grote overwinning’ van de democratie over het rechtse populisme.
Er heeft binnen de burgerlijke politiek een ‘zuivering’ op ongekende schaal plaatsgevonden. Na de stoelendans van ‘overstappende’ politiekers, met linker- en rechtervoorwielen die van de verschillende partijwagens afdraaiden, met bestuurders die ‘hun verantwoordelijkheid namen’ door op te stappen, na de Dutroux-affaire, de witte marsen, een falende politie en justitie, ontsnappende criminelen, comploterende militairen, corruptieschandelen in SP/PS, dolle koeien, dioxinekippen en varkenspest, kortom na eindeloze ideologische bombardementen, probeert de bourgeoisie het politieke landschap weer wat stabiliteit te geven. Ook aan de Waalse kant verandert er weinig en wist de gezuiverde sociaal-democratische PS van Elio Di Rupo – “J’en ai marre des parvenus”; ik ben de omhooggevallen baantjesjagers spuugzat – zich te handhaven. De slachtoffers, beschuldigd van corruptie, vriendjespolitiek en zakkenvullerij verdwijnen om plaats te maken voor ‘competente bestuurders’ die weer vertrouwen moeten inboezemen. Partijnamen en partijvoorzitters zijn vervangen. Of, wat volgens de Mechelse Bart Somers nodig is: “Interne cohesie, goed bestuur en permanent uitleggen dat je hard werkt.” (De Morgen, 10 oktober). Maar hoe netjes ook gepresenteerd, de uitbuiting en de aanslag op de arbeids- en levensomstandigheden blijven; thema’s die in de verkiezingscampagnes geheel ontbraken.
De vraag is ook gerechtvaardigd in hoeverre de bourgeoisie de situatie binnen Antwerpen niet bewust heeft laten wegrotten om nu haast te maken met het ‘schoon schip maken’. Er is jaren geharreward over de ‘pijnpunten’ van de ‘multi-culturele samenleving’. Eerdere immigrantengeneraties hadden geen grote integratieproblemen omdat ze de hoop konden hebben hun kinderen een betere toekomst te bieden. Nu met de groeiende werkloosheid die hoop grotendeels vervlogen is ontstaan er problemen die de bourgeoisie tegen de arbeidersklasse uitspeelt zonder ze nog op te kunnen lossen: ‘radicalisering’ aan de ene kant, ‘intolerantie’ aan de andere. De bourgeoisie gaf een ‘etnisch’ gezicht aan de oplopende werkloosheid en stak voor de gevolgen van de economische crisis een beschuldigende vinger uit naar de immigranten. Goedkope ‘illegalen’ dragen ondertussen hele sectoren zoals de bouwindustrie en bedreigen ‘Belgische’ banen en helpen de lonen te drukken. Het democratisch-burgerlijke vreemdelingenbeleid bood zo een gratis platform aan Filip Dewinter voor diens haat-campagnes. Zo schiep de bourgeoisie zelf de ‘intolerantie’ die ze vervolgens tegen de arbeidersklasse uitspeelt door schuldgevoelens aan te praten, een gevoel van onmacht en chauvinistische schaamte op te dringen, en waartegenover ze voor zichzelf het monopolie van ‘solidariteit’ opeist. “We zijn ertoe veroordeeld met elkaar samen te leven, wat ook onze politieke overtuiging, onze godsdienst of onze etnische achtergrond is. Of we dat doen in een steeds verder escalerend conflictmodel dan wel in een poging tot constructieve dialoog, is de keuze die Vlaanderen zondag zal maken voor de volgende zes jaar.” (Yves Desmet in De Morgen, 7 oktober). Het wordt de arbeiders op het ene moment aangepraat dat ze een fantastische overwinning van de ‘tolerantie’ hebben geboekt, en op het andere worden ze juist gebrandmerkt als de eigenlijke bron van de ‘intolerantie’.
Dat er een beetje kwade opzet in het spel is blijkt ook daaruit dat er in de laatste twintig jaar geen enkele nationale politieker uit het Antwerpse is geweest, een stad waar de politiek steeds meer tot een spel van loutere zakkenvullerij en baantjesjagerij was verworden. Patrick Janssens, een reclamemaker vers uit het bedrijfsleven, is pas sinds drie jaar ingezet om er het populistische tij te keren. Maar waaruit bestaat diens ‘positieve beleid’ anders dan uit de soberheidsmaatregelen die nu al tientallen jaren geleidelijk en soms wat harder en sneller, en onder steeds wisselende voorwendsels, worden doorgevoerd? De sociale controle is versterkt waarbij intimiderende ‘huisbezoeken’ normaal zijn geworden, een maatregel die zelfs Filip Dewinter niet gemakkelijk zou hebben durven afkondigen. Uitbetaling van overuren en premies staan op de helling, het is alles flexibilisering, opdrijven van de werkdruk, meer verantwoordelijkheid voor de stadswerkers en ontslag voor wie het niet meer aankan. Patrick Janssens heeft niet de politiek, maar wel de marketingstrategie veranderd.
De taken tussen SP.a-Spirit, VLD en CD&V-N-VA waren in Antwerpen vooraf netjes verdeeld: de laatste twee brachten vrijwillig offers om de SP.a te ‘depanneren’ en vooral deze partij de kans te geven het VB voorbij te streven. SP.a-Spirit heeft in de grote Vlaamse steden in dertig jaar niet zo’n stemmental gehaald en zelden een groter verkiezingsoverwinning geboekt (1). Het werd Filip Dewinter duidelijk dat hij het burgemeestersambt van Antwerpen kan vergeten; de bourgeoisie liet hem enkel zijn recalcitrante bijrolletje spelen voorzover dat van pas kwam. Vlaams Belang verloor desalniettemin nog niet in Antwerpen, terwijl het in de provincie nog een aanzienlijke stemmenwinst verkreeg. Ondanks dat Borgerokko weer Borgerhout wordt genoemd scoort de partij voor heel Vlaanderen nog altijd ruim 20%. Toch werd ietwat voorbarig uitgekreten dat dit het begin was van de historische neergang van het VB. Maar omdat het ‘gevaar’ nog niet is geweken kan deze ideologische campagne zonder problemen ook de inzet worden van de landelijke verkiezingen volgend jaar waarvoor een meer definitieve overwinning van de burgerlijke democratie over het rechtse populisme in het vooruitzicht wordt gesteld.
Het Vlaams Belang is voor de bourgeoisie deels een graadmeter en uitlaatklep voor bestaande onvrede. Een stem uit onvrede voor het Vlaams Belang verraadt niet alleen een zwak klassenbewustzijn, maar door de gezaaide xenofobie vormt het ook een belangrijke hindernis voor de eensgezinde verdediging van de materiële belangen van de arbeidersklasse. Zo maakt het populisme, zowel dat van rechts dat nu wordt ‘bevochten’ als dat van links dat om de toekomst voor te bereiden in de maak is (2), momenteel een onmisbaar onderdeel uit van het burgerlijke politieke landschap.
Verhofstadt zal het komende jaar met de regeringspartners slag gaan leveren over de onderlinge verdeling van de stemmen (de SP.a/PS mag tenslotte ook niet té groot worden) maar de nadruk zal liggen op de campagne tegen het Vlaams Belang en de ‘redelijkheid’ van de staatspolitiek en vooral van de democratisch te nemen maatregelen: nieuwe aanslagen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse en de hele niet-uitbuitende bevolking.
Voor de bourgeoisie waren deze verkiezingen een geweldig succes. Niet alleen werd het rechtse populisme tot beheersbare proporties teruggebracht; de hele burgerlijke politiek won aan geloofwaardigheid en de campagne rond ‘goed bestuur’ heeft het bedje gespreid voor nieuwe besparingsmaatregelen. De arbeidersklasse wacht een zware taak deze manoeuvres te doorzien en er mee af te rekenen door de strijd op eigen klassenterrein aan te gaan.
Manus / 31.10.2006
(1) Filip Dewinter van de VB daarentegen sprak niet geheel onterecht van een ‘pyrrus-overwinning’: de stemmenwinst van de SP.a was er vooral een van een ‘kannibaal’ die zijn eigen coalitiepartners, het liberale VLD van premier Verhofstadt en van de christelijke CD&V-N-VA, had opgevreten om zelf de grootste te kunnen worden. Patrick Janssens verklaarde dan ook heel royaal te zullen zijn tegenover de verliezende partijen bij de verdeling van de schepenambten: “Ik wil alle andere meerderheidspartijen bedanken. Ik begrijp dat ze dit resultaat niet helemaal rechtvaardig vinden, ik geef hen gelijk.”. En VLD-lijsttrekker Ludo Van Campenhout merkte direct op: “er is ook een politieke logica en die zegt dat Janssens een flink stuk zal moeten terugbetalen van wat hij zondag heeft binnengehaald” (De Morgen, 8 oktober). Kortom, “CD&V en VLD hebben al wel laten verstaan hard te willen onderhandelen, om te vermijden dat over zes jaar Janssens opnieuw als enige met de bonus wegloopt.” (De Morgen, 10 oktober 2006).
(2) Zie het artikel elders in dit blad.
De ernst van de opwarming van het klimaat als gevolg van de broeikasgassen is een ‘waarheid die ongelegen komt’. Dat vertelt Al Gore ons in ieder geval, voormalig vice-president van de Verenigde Staten die sinds zijn verkiezingsnederlaag in 2000 van de ene conferentie naar de andere vliegt (Verenigde Staten, Japan, China, Duitsland,...) om de wereld, als een vogel die een onheilsboodschap brengt, te berichten over deze ‘vervelende waarheid’. Het was dus te verwachten dat filmmaker David Guggenheim - pro-Democraat - één van die talloze conferenties in beeld zou brengen met de voor de hand liggende titel: An Unconvenient Truth.
Het ‘pijnlijke’ aan deze zaak is dat het een hoge functionaris van de Amerikaanse bourgeoisie is die ons op wereldschaal het verhaal vertelt in een magistrale uiteenzetting op reuzenscherm... Albert Gore heeft een geweldige ontdekking gedaan! Al bijna dertig jaar buigt de wetenschappelijke gemeenschap zich over het probleem en al tien jaar is ze het er unaniem over eens dat de aarde steeds verder opwarmt als gevolg van industriële vervuiling. De enige en uitsluitende openbaring van de film bestaat uit Al Gore zelf, met zijn aangeboren talent om komedie te spelen. Inderdaad, hij doet zichzelf voor als kampioen in alle categorieën van de milieuverdediging, al sinds zijn studies op Harvard waar hij aandachtig de lessen volgde van professor Roger Revelle (pionier van de globale opwarmingstheorie). Toch was hij degene die met Clinton "het lozen heeft toegelaten van dioxine in de oceanen en die in de Verenigde Staten de grootste ontbossing uit de geschiedenis veroorzaakte." (The Independent, aangehaald in Courrier International, 15.06.2006).
Albert Gore, deze spons die zich volgezogen heeft met huichelarij is een zeer waardig vertegenwoordiger van zijn sociale klasse. Alle staten zijn op de hoogte van de gevaren voor het klimaat. Ze belijden allemaal luid en duidelijk hun wil om tot daden over te gaan om het natuurlijke milieu van de menselijke soort te beschermen en de toekomst voor de komende generaties veilig te stellen. Maar ondanks de vurige verklaringen op de Aardetop in Rio (1992) en de fantastische resoluties van het protocol van Kyoto (1998) neemt de vervuiling zienderogen toe en wordt het gevaar door de ontregeling van het klimaat groter. Per slot van rekening is de waarheid die zo ongelegen komt, en die de bourgeoisie verbergt achter al haar conferenties en nu ook deze film, het feit dat de kapitalistische wereld helemaal niet in staat is om een oplossing te vinden voor de klimatologische gevaren... en dat des te meer omdat zij er de hoofdverantwoordelijke voor is.
Het kapitalistisch systeem dat nu al bijna een eeuw bankroet is, vertegenwoordigt geen enkele vooruitgang meer voor de mensheid. Zijn voortbestaan gebeurt op een zieke en vernietigende basis. De rampzalige ecologische gevolgen die sinds de jaren 1950 merkbaar zijn, vormen daarvoor een verder bewijs.
IJskolommen liegen niet! Ze worden verzameld in Antarctica en geven ons een beeld van de samenstelling van de atmosfeer over verschillende honderdduizenden jaren. Ze tonen duidelijk aan dat de CO2-concentratie nog nooit zo hoog was als vanaf de helft van de twintigste eeuw. De uitstoot van broeikasgassen, kenmerkend voor de kapitalistische productiewijze, is voortdurend groter geworden en de gemiddelde temperatuur stijgt eveneens met een regelmatig ritme. "De planeet is vandaag warmer dan ze ooit geweest is tijdens de laatste twee millennia, en als deze tendens zich doorzet zal ze aan het einde van de 21e eeuw waarschijnlijk heter zijn dan ooit gedurende de laatste twee miljoen jaar." (The New Yorker, geciteerd in Courrier International, oktober 2006).
Deze snelle opwarming is trouwens met het blote oog zichtbaar aan beide polen van de wereld. Het smelten van de Noordpool gaat zo snel dat hij rond het jaar 2080 verdwenen zal zijn. Alle grote gletsjers slinken en de oceanen warmen op. In 1975 hield James Hansen, directeur van het Goddard Institute voor Ruimtestudies (GISS), zich bezig met klimaatveranderingen. "In zijn stelling over de planeet Venus werpt hij de hypothese op dat als die planeet nu een gemiddelde oppervlaktetemperatuur heeft van 464 °C, dat komt doordat de planeet omgeven wordt door een mist van koolzuurgas die een aanzienlijk broeikaseffect veroorzaakt. Enkele tijd later bracht een ruimtesonde het bewijs dat Venus inderdaad geïsoleerd wordt door een atmosfeer die voor 96% uit koolstofdioxide bestaat." (The New Yorker). Dat is wat de aarde in een verre toekomst te wachten zou kunnen staan onder invloed van de voortdurende opstapeling van CO2... de uitroeiing van elke vorm van leven. Maar we hoeven ons niet zover in de toekomst te verplaatsen om de verwoestende invloed te zien van de klimaatopwarming. Lang voordat het broeikaseffect de aarde omgevormd zal hebben tot een oven van 400 °C zullen de voortekenen van de ommezwaai in het klimaat al ruimschoots volstaan om een ware slachting aan te richten onder de menselijke soort: overstromingen, epidemieën, orkanen...
De directeur van de British Antarctic Survey, Chris Rapley, deed begin 2005 opmerken dat de gletsjertong van Westelijk Antarctica aan het smelten is. Deze tong, zo groot als Groenland, bevat voldoende water om het niveau van de zeeën met 7 meter te doen stijgen, wat het onderlopen betekent van grote bewoonde gebieden in Thailand, India, Nederland, en de Verenigde Staten.
Een andere directeur, die van INSERN, stelde in 2000 al vast dat "de voortplantings- en besmettingscapaciteit van een aantal insecten en knaagdieren, verspreiders van parasieten en virussen, afhankelijk is van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van het milieu. Anders gezegd: een temperatuurstijging, hoe bescheiden ook, zet het licht op groen voor de groei van een aantal ziektefactoren voor mens en dier. Dat is het geval met parasitaire ziekten zoals moeraskoorts [...] en met infectieziektes als knokkelkoorts, sommige hersenvliesontstekingen en bloedkoortsen die de laatste jaren terrein hebben gewonnen. Ofwel duiken ze weer op in gebieden waar ze verdwenen waren, ofwel treffen ze gebieden die tot nu toe gespaard waren gebleven waren..."
Een laatste illustratie is get aantal en de kracht van orkanen die met de opwarming toeneemt. Inderdaad, de vochtige luchtkolom waardoor orkanen ontstaan vormt zich pas wanneer de oppervlaktetemperatuur van de zee hoger is dan 26 °C. Wanneer de oceanen opwarmen, worden de gebieden waar deze grens overschreden wordt groter. Toen Katrina categorie 5 bereikte in de orkaanklassering, bedroeg de temperatuur van het oppervlaktewater in de Golf van Mexico ongeveer 30 °C. Volgens Kerry Emmanuel van het Massachusetts Institute of Technology "dreigt de verdere opwarming het vernietigend potentieel te vergroten van tropische cyclonen en, met de toename van de kustbevolking, in de 21ste eeuw ook in aanzienlijke mate het aantal slachtoffers tengevolge van orkanen." Nadat hij de statistieken over de kracht van orkanen in de laatste vijftig jaar uitgeplozen had, komt K. Emmanuel tot de conclusie dat de meest recente orkanen gemiddeld langer duren en dat de windsnelheden 15% hoger liggen, wat de vernietigde kracht met 50% verhoogt.
Kortom genoeg om de tien plagen van Egypte en alle zondvloeden van de Bijbel op een picknick te doen lijken.
In tegenstelling tot Venus waar het klimaat op natuurlijke wijze naar helse temperaturen evolueerde, heeft de huidige opwarming van de aarde een heel andere oorzaak... de industriële activiteit van de mens. Maar die waarheid bevat helemaal niets nieuws want veel klimatologen (en de bourgeoisie zelf) maken er geen geheim van. De affiche voor de film van Al Gore is nog explicieter want ze toont een fabrieksschoorsteen waaruit een wolk komt die de vorm van een cycloon aanneemt. "De industrie is schuldig!" Dat is een wel erg gewillige zondebok, want in feite is het niet de industrie als dusdanig die er schuld aan heeft, maar wel hoe die wordt gebruikt, met andere woorden: de manier waarop het kapitalisme werkt. De kapitalistische productiewijze heeft het milieu steeds vervuild, ook al in de negentiende eeuw toen ze nog een factor van vooruitgang was. Het kapitalisme trekt zich niks aan van de gezondheid van het milieu. "Accumulatie om de accumulatie, productie om de productie, dat is het ordewoord van de politieke economie die de historische missie van de burgerlijke periode aankondigt. En ze heeft nooit stilgestaan bij de pijn die het scheppen van rijkdom met zich meebrengt: waartoe zou dat gejammer dienen dat toch niets verandert aan de historische onafwendbaarheden?" (Karl Marx, Het Kapitaal, Boek I). De accumulatie van kapitaal is het hoogste doel van de kapitalistische productie en het lot dat de mensheid of het milieu beschoren wordt heeft geen belang... zolang het rendeert, is het goed. De rest is tenslotte een ‘quantité négligeable’, een onbelangrijk detail.
Maar wanneer het systeem bij het begin van de twintigste eeuw aan zijn vervalfase begint, neemt de vernieling van het natuurlijk milieu hele andere dimensies aan. Ze wordt genadeloos, net zoals de genadeloze strijd die de kapitalistische ratten met elkaar leveren om zich te handhaven op de wereldmarkt. De productiekosten tot het minimum herleiden om zo concurrentieel mogelijk te zijn wordt een onafwendbare regel om te overleven. In die context worden maatregelen om de industriële vervuiling in te perken een onaanvaardbare kostenpost.
Die voortdurende economische noodzaak om de laagste kosten te bereiken verklaart ook de omvang van de materiële en menselijke schade die aangericht werd sinds het begin van vorige eeuw. Bouwconstructies in golfkarton, slecht onderhouden dijken, falende reddingssystemen... het kapitalisme is zelfs niet in staat een minimum aan bescherming te bieden tegen natuurrampen, epidemieën en andere plagen die het blijft voortbrengen.
De cinematografische onderneming van Mijnheer Gore komt ons tenslotte vertellen dat we over de macht beschikken om de stand van zaken te veranderen, het aangerichte kwaad te herstellen en het gevaar van klimaatopwarming af te wenden als we maar de moeite willen doen om volmaakt... 'groene burgers' te worden. Daarom somt de aftiteling van zijn film een lange lijst van aanbevelingen op: "verander van thermostaat", "plant een boom",... "stem voor een kandidaat die het milieu verdedigt... en als die er niet is, kom dan zelf op !" En tenslotte : "als je gelovig bent, bid dan opdat de anderen hun gedrag zouden veranderen". Dat laatste is misschien de enige zinnige raad, een bourgeois waardig: "voor de zon verduisterd wordt en de sterren uit de hemel vallen, kniel neer en bidt". Een ware bekentenis van onmacht van de bourgeoisie en haar wereld!
De arbeidersklasse kan het zich niet veroorloven nog langer het lot van de planeet over te laten aan dergelijke mensen en hun systeem. De ecologische crisis is een bewijs te meer van het feit dat het kapitalisme vernietigd moet worden voor het de wereld meesleept in de afgrond.
Een samenleving scheppen die de mens en zijn toekomst centraal plaatst is een dwingende noodzaak geworden. Het kommunisme is die wereld die nodig is en de proletarische revolutie is de weg die de mensheid daar heen voert.
Jude / 20.10.2006
Vijftig jaar nadat de arbeidersopstand als een schokgolf door Hongarije ging in 1956, ‘vieren’ de gieren van de bourgeoisie opnieuw de verjaardag ervan op de hun gebruikelijke manier. De traditionele burgerlijke pers doet weemoedig over het heldhaftige verzet van het ‘Hongaarse volk’ voor ‘nationale onafhankelijkheid’ en tegen de ‘verschrikkingen van het Kommunisme’. Dergelijke herinneringen beschrijven louter de verschijningsvorm van de opstand en verdoezelen en verdraaien dus zijn ware betekenis.
De arbeidersopstand van 1956 in Hongarije, is geen uiting van de wil van het ‘volk’ om het ‘Kommunisme’ naar stalinistisch model te hervormen of om de onafhankelijkheid van de natie te winnen. Hij is het directe resultaat van de onoplosbare tegenstellingen van het kapitalisme in Oost-Europa en in de hele wereld.
Nauwelijks was de Tweede Wereldoorlog ten einde of de druk van de inter-imperialistische wedijver tussen Moscou en Washington, dwong het Kremlin om zich in een razende wapenproductie te storten. Zware industrie en militaire productie werden versneld opgetrokken ten koste van de consumptiegoederen en de levensstandaard van de arbeidersklasse.
De USSR als overwinnaar en bezetter van Oost-Europa, eist inderdaad van de vers onderworpen satellietstaten dat ze hun productieapparaat volledig onderwerpen aan de militaire en economische belangen van de Sovjet-Unie.
Een waar bloedzuigerssysteem wordt ingesteld vanaf 1945-1946 met bijvoorbeeld de ontmanteling van sommige fabrieken en hun overplaatsing (met inbegrip van de arbeiders) naar Russische bodem. In Rusland en zijn satellietstaten ondergaan de arbeiders een systeem van over-uitbuiting van hun arbeidskracht dat de hel zoals beschreven door Dante benaderd. Zo wordt in Hongarije, dankzij het stalinistische recept van het stachanovisme, in het plan van 1950 de wapenproductie vervijfvoudigd.
De Russische bourgeoisie moest de lonen laag houden en de zware industrie zo snel mogelijk uitbreiden. In de periode van 1948-53 daalde de levenstandaard over heel Oost-Europa onder het vooroorlogse peil, maar de Sovjet-Unie verrees uit deze periode met een atoombom en zijn Spoetniks.
In deze omstandigheden groeit geleidelijk de woede binnen het proletariaat. De opgevoerde uitbuiting wordt steeds ondraaglijker; de opstand stond op uitbreken. De Tsjecho-Slowaakse arbeiders net als die van Oost-Berlijn waren al in opstand gekomen en maakten het ingrijpen door Russische tanks nodig om de orde te herstellen. De opstandswind tegen het stalinisme die in het oosten waaide zou zijn hoogtepunt vinden in de Hongaarse opstand van oktober 1956.
De opstand in Budapest op 23 Oktober kwam er aanvangkelijk naar aanleiding van een massabetoging, die oorspronkelijk georganiseerd was door studenten, ‘uit solidariteit met het volk van Polen’, dat net tevoren op haar beurt had gepoogd om op te komen tegen de loodzware druk van de stalinistische regimes.
Het onvermurwbare antwoord van de gezagshebbers, die de betogers als ‘fascisten’ en ‘contrarevolutionairen’ bestempelden, de bloedige repressie door de AVO (geheime politie), en vooral het feit dat de ‘studenten’betoging aangegroeid was met duizenden en duizenden arbeiders, vormde het vreedzame protest om tot een gewapende opstand voor democratische hervormingen en de terugkeer aan de macht van de ‘hervormingsgezinde’ leider Nagy.
We gaan hier niet in op alle details die leidden tot de opstand van 23 Oktober en de uiteindelijke Russische tussenkomst die duizenden doden eiste, in meerderheid jonge arbeiders. Wij willen enkel het algemene karakter van de opstand in beschouwing nemen om hem te redden van de verschrikkelijke verwarringen die er rond geweven worden.
De oppositie tegen de ‘oude garde’ kwam op twee manieren tot uiting. De eerste was van binnen de bourgeoisie zelf, geleid door de liberale bureaucraten en gesteund door de eerder radicale studenten, intellectuelen en kunstenaars. Zij kwamen op voor een meer democratische en voordelige vorm van het staatskapitalisme in Hongarije. Maar de ‘andere oppositie’ was het spontane verzet van de arbeidersklasse tegen de monsterachtige uitbuiting die haar werd opgelegd. In Hongarije ‘versmolten’ deze twee bewegingen in de opstand. Maar het was de beslissende tussenkomst van de arbeidersklasse die een protestbeweging omvormde tot een opstand, en het was vervolgens de besmetting van de arbeidersopstand met al de democratische en nationalistische ideologie van de intellectuelen die de proletarische beweging zouden verzwakken.
Deze ontvankelijkheid van de arbeidersklasse voor het nationalistische vergif was niet meer dan het gevolg van de historische koers tot dan toe, die van de contrarevolutie die begon in de jaren 1920. Het proletariaat beschikte op wereldschaal over haar geringste kracht, ideologisch platgewalst door de nederlaag van zijn eerste revolutionaire golf van 1917-1923, fysiek verpletterd door de wereldoorlog, en ingekaderd door de vakbonden en zijn neven van de politie. Daardoor was het, zonder helder vooruitzicht, onmogelijk om verder te gaan dan het stadium van de revolte en in de richting van de revolutie te gaan, net als dat het in Hongarije moeilijk was zichzelf teweer te stellen tegen de nationalistische propaganda van een burgerlijke fractie en van zijn leger.
De arbeiders deden de protestbeweging uitbarsten omwille van de ondraaglijke levens- en werkvoorwaarden waartoe zij gedwongen werden. Eenmaal de arbeiders hun gewicht in de beweging hadden geworpen verkreeg deze een gewelddadig en onverzettelijk karakter dat niemand had verwacht. Alhoewel verschillende elementen deelnamen aan de gevechten (studenten, soldaten, boeren, enz.) waren het overwegend de jonge arbeiders die in de eerste dagen van de opstand het eerste contingent vernietigden van de Russische tanks die naar Budapest waren gestuurd om de ‘orde’ te herstellen. Het was vooral de arbeidersklasse die de Hongaarse politie en het leger deed uiteenvallen en zichzelf bewapende voor het gevecht met de AVO en het Russische Leger. Toen de tweede golf van Russische tanks aankwamen om de opstand te neer te slaan, waren het de arbeiderswijken die in puin moesten geschoten worden want daar zaten de voornaamste weerstandsnesten. En zelfs na het herstel van de ‘orde’ en de installatie van de regering Kadar, zelfs nadat duizenden arbeiders afgeslacht waren, bleef het proletariaat verzet plegen door middel van talrijke en bittere gevechten.
De krachtigste uitdrukking van het proletarische karakter van de opstand was het opduiken van echte arbeidersraden over heel het land. Verkozen op fabrieksniveau, verbonden deze raden hele industriegebieden en steden, en waren zonder twijfel de organisatorische kern van de hele opstand. Ze namen de taak op zich van de organisatie van de distributie van wapens en voedsel, voerden de algemene staking, leidden de gewapende strijd. In sommige steden waren ze onbetwist heer en meester. Het verschijnen van deze raden zaaide ongerustheid en afgrijnzen onder de kapitalistische klasse, in het oosten als in het westen.
Maar de Hongaarse arbeidersstrijd ten hemel prijzen, zonder zijn uiterste zwakheden en verwarringen te analyseren, zou verraad betekenen aan onze taak als revolutionairen. Die komt er op neer om niet passief de arbeidersstrijd toe te juichen maar zijn beperkingen te bekritiseren en de algemene doelstellingen van de beweging van de klasse uit te stippelen. Ondanks het feit dat de arbeiders tijdens de opstand feitelijk de macht hadden in grote delen van Hongarije, was de rebellie van 1956 geen bewuste poging van het proletariaat om voor zichzelf de politieke macht te grijpen en een nieuwe maatschappij op te bouwen. Het was een spontane revolte die er niet in slaagde tot een revolutie uit te groeien, omdat de arbeidersklasse een duidelijk politiek inzicht miste van de historische doelstellingen van haar strijd, omdat zij nog ten volle gebukt ging onder het ideologisch gewicht van de contrarevolutie.
In onmiddellijke zin was de belangrijkste hindernis voor de Hongaarse arbeiders, de enorme dam van nationalistische en democratische ideologie, die van alle kanten rondom hen werd opgetrokken. De studenten en intellectuelen waren de meest actieve verspreiders van deze ideologie, maar de arbeiders gingen zelf ook gebukt onder al deze illusies. Dus, in plaats van de zelfstandige belangen van het proletariaat te stellen tegen die van de kapitalistische staat en van alle andere klassen, neigden de raden er toe om de arbeidersstrijd gelijk te stellen met de strijd van het ‘volk’ om de staatsmachine om te vormen en ‘nationale onafhankelijkheid’ te verwerven. Nationale onafhankelijkheid is een reactionaire utopie in het tijdperk van het verval van het kapitalisme en het imperialisme. In plaats van op te roepen – zoals de sovjets in Rusland in 1917 hadden gedaan – tot het vernietigen van de burgerlijke staat en de internationale uitbreiding van de revolutie, beperkten de raden zich tot het eisen van de terugtrekking van de Russische troepen, een ‘onafhankelijk socialistische Hongarije’ onder leiding van Imre Nagy, vrijheid van meningsuuiting, zelfbeheer van de fabrieken, enzovoort. De strijdmethoden die gebruikt werden door de raden waren impliciet revolutionair, en drukten intrinsiek de revolutionaire aard uit van het proletariaat. Maar de doelstellingen die zij aannamen bleven steken binnen het politieke en economische kader van het kapitalisme. De tegenspraak waarin de raden gevangen zaten kan opgesomd worden in de volgende eis die naar voren gebracht werd door de arbeidersraad van Miskolc:
“De regering moet de vorming voorstellen van een Nationale Revolutionaire Raad, gebaseerd op de arbeidersraden van de verschillende departementen en van Budapest, en samengesteld door democratisch door hen verkozen afgevaardigden. Tezelfdertijd moet het oude parlement worden ontbonden.” (geciteerd in Bureaucratie en Revolutie in Oost-Europa door Chris Harman, p. 161).
Maar in plaats van deze stap te nemen, stelden de raden hun eis tot ontbinding van het parlement en het opzetten van een centrale arbeidersraad door de regering van Imre Nagy, dit wil zeggen van diezelfde macht die zij hadden moet opruimen! Zo'n illusies konden enkel leiden tot het neerslaan van de raden, of van hun integratie in de burgerlijk staat. Het komt de meerderheid van de arbeidersraden toe dat zij verkozen om vechtend ten onder te gaan of zichzelf ontbonden toen zij inzagen dat er geen perspectief zat in verdere strijd en dat zij gedoemd waren om marionetten te worden van de regering Kadar.
Het feit dat de Hongaarse arbeiders niet in staat waren om een revolutionair inzicht te verwerven van hun toestand, kwam ook tot uiting in het feit dat, voor zover wij weten, er geen enkele revolutionaire politieke organisatie tot stand kwam bij deze immense uitbarstingen. Zoals Bilan, de publicatie van de Italiaanse Linkerzijde, schreef over Spanje in de jaren 1930, was het falen van het Spaanse proletariaat om een partij van de klasse in het leven te roepen, ondanks de radicale aard van zijn strijd, fundamenteel de uitdrukking van de diepe inzinking waarin de internationale proletarische beweging weggezonken was. Tegen 1956 was deze toestand in zekere zin nog erger: de laatste kommunistische Linkerzijdes waren verdwenen, en niet alleen in Hongarije, maar over heel de wereld, zag het proletariaat zichzelf verstoken van bijna elke eigen politieke uitdrukking. De zwakke revolutionaire stemmen die er nog waren, werden gemakkelijk vermalen door het gebrul van die krachten van de contrarevolutie wier taak het is om te spreken 'in naam' van de arbeidersklasse. De stalinisten aller landen toonden hun brutale reactionaire aard door de arbeidersopstand af te doen als een samenzwering in dienst van de clan rond ex-dictator Horthy (1) of van de CIA. Uit afkeer stapten vele individuen in die tijd uit de kommunistische partij, maar die partijen zelf stonden vierkant achter de woeste repressie van de Hongaarse arbeiders. Bovendien bekritiseerden sommigen onder hen, geleid door de grote roerganger voorzitter Mao in Beijing, Kroetsjov omdat hij de Hongaarse arbeiders niet krachtdadig genoeg had neergeslagen! Van hun kant kan het zo lijken dat de trotskisten die hun ‘steun’ uitbazuinden voor de opstand, aan de kant van de arbeiders hebben gestaan. Maar door de opstand te definiëren als een ‘politieke revolutie’ voor ‘arbeidersdemocratie’ en voor ‘nationale onafhankelijkheid’, dragen ze bij tot het versterken van de bedrieglijke misleiding dat de staat in Hongarije al een arbeiderskarakter had en dat hij alleen moest gezuiverd worden van zijn bureaucratische misvormingen om weer volledig in arbeidershanden te komen.
Niet alleen hebben de trotskistische organisaties een ideologisch gif gespuid bedoeld om te proberen de arbeidersstrijd binnen het kader van de burgerlijke staat te houden, maar ook ondersteunden ze openlijk de meest ‘liberale’ vleugel van de bureaucraten van de stalinistische regimes. De stellingname in 1956 door de druïde van de Vierde Internationale, Ernest Mandel, met betrekking tot de overwinning van de Gomulka-clique in Polen laat hierover geen twijfel bestaan: “De socialistische democratie zal nog veel veldslagen moeten winnen in Polen, (maar) de voornaamste, die het mogelijk maakte dat miljoenen arbeiders zichzelf weer identificeren met de arbeidersstaat, is al gewonnen.” (geciteerd in Harman, p. 108).
Sinds 1956 zijn er meer ‘radicale’ analyses gemaakt van de Hongaarse gebeurtenissen, maar weinige breken daadwerkelijk met het analysekader van de trotskisten. De libertairen van Solidarity bijvoorbeeld zien in hun brochure over Hongarije 1956 de eis voor arbeiderszelfbeheer (zoals het werd uitgewerkt door de Hongaarse vakbonden!) als een werkelijke revolutionaire kern van de opstand. Maar deze eis, net zoals die voor nationale onafhankelijkheid en voor democratie, was alweer een afleiding van de allereerste taak van de arbeiders: de vernietiging van de kapitalistische staat, het grijpen van de macht door de raden, niet louter de economische maar ook de politieke.
Naar de jaren 1950 wordt door vele fracties van de bourgeoisie met heimwee teruggeblikt, want het was de periode toen de kapitalistische ideologie een absolute controle leek te hebben verworven over de arbeidersklasse. De arbeiders van Oost-Europa waren dus geïsoleerd en onderworpen aan al de illusies die gevoed werden door een schijnbaar ‘bijzondere’ toestand. Met het kapitalisme in het Westen dat schijnbaar zo voorspoedig en vrij leek, was het voor de arbeiders van het Oostblok niet zo moeilijk om de ‘Sovjet-Unie’ of het ‘stalinisme’ als hun vijand te zien en niet het wereldkapitalisme zelf. Dit verklaart de vreselijke illusies die de opstandelingen dikwijls hadden over de ‘democratische’ regimes van het Westen. Velen hoopten dat het Westen ‘hen ter hulp zou snellen’ tegen de Russen. Maar het Westen had de Sovjet-Unie in Yalta al het ‘recht’ verleend om de arbeiders van de Oostbloklanden uit te buiten en te onderdrukken, en had er geen belang bij om enige hulp te verstrekken aan iets dat zo oncontroleerbaar was als een massale arbeidersopstand.
De kapitalistische wereld is niet langer wat hij was in 1950. Sinds het einde van de jaren 1960 is het hele systeem dieper en dieper aan het wegzinken in een onoplosbare economische crisis, de uitdrukking van de historische neergang van het kapitalisme sedert bijna honderd jaar. In antwoord op deze crisis heeft een nieuwe generatie arbeiders een nieuwe tijdperk ingezet van klassenstrijd op internationaal vlak. Als men de stakingen van de jaren 1970-1980 in Polen vergelijkt met de opstand in Hongarije, kan men zien dat vele illusies van de jaren 1950 hun greep zijn beginnen verliezen. De arbeiders van Polen streden niet als ‘Polen’ maar als arbeiders; en hun onmiddellijke vijanden waren niet ‘de Russen’ maar hun eigen bourgeoisie; hun onmiddellijke doel was niet de verdediging van ‘hun’ land maar de verdediging van hun eigen levensstandaard. Het is dit opnieuw opduiken van het internationale proletariaat op zijn eigen klassenterrein, dat eens te meer de kommunistische wereldrevolutie op de historische agenda heeft geplaatst. Maar alhoewel de Hongaarse opstand behoort tot een periode die door de arbeidersklasse achterhaald is, toch heeft ze de huidige arbeidersklasse nog veel te leren in haar strijd om bewust te worden van haar revolutionaire opdracht. Doorheen zijn vergissingen en verwarringen heeft de opstand veel cruciale lessen onderstreept over wie de vijanden van de arbeidersklasse zijn: nationalisme, zelfbeheer, stalinisme in al zijn vormen, de ‘westerse democratie’, enzovoort, enzovoort. Maar tegelijkertijd vormde de opstand de heldhaftige aankondiging van de toekomst die het proletariaat overal wacht, in de mate dat het de bourgeoisie van Oost en West de stuipen op het lijf joeg met het spook van de bewapende arbeidersraden.
Naar World Revolution, krant in Groot-Brittannië van de IKS
(1) Horthy: admiraal die de Revolutie van 1919 neersloeg in Hongarije, anti-semiet, collaboreerde met het nazi-regime.
Eind oktober 2006 werd in de Zuid-Koreaanse steden Seoel en Ulsan een conferentie gehouden van internationalistische organisaties waartoe was op-geroepen door het Socialistisch-Politiek Verbond (SPV). Hoe bescheiden het deelnemerstal ook was, de SPV is (voorzover ons bekend) de eerste geor-ganiseerde uiting in het Verre Oosten van de beginselen van de Kommunistische Linkerzijde, en deze conferentie was zeer zeker de eerste in zijn soort. Als zodanig heeft hij een historische betekenis, en de IKS verleende van ganser harte zijn steun door een delegatie te sturen om de conferentie toe te spreken (1).
In de dagen voorafgaand aan de conferentie werd het belang op de lange termijn van de doelstelling overschaduwd door de dramatische verscherping van inter-imperialistische spanningen in de regio door het tot ontploffing brengen van Noord-Korea’s eerste atoombom en de manoeuvres die daarop volgden van vooral de verschillende regionale machten (Verenigde Staten, China, Japan, Rusland, Zuid-Korea). Tijdens de conferentie werd dit vraagstuk dan ook uitvoerig besproken wat aanleiding gaf tot de aanvaarding van onderstaande tekst door de deelnemers waarvan de namen onderaan de verklaring te vinden zijn:
Volgend op het nieuws over de nucleaire tests in Noord-Korea; wij, kommunistische internationalisten bijeengekomen in Seoel en Ulsan:
Veroordelen de ontwikkeling van het vermogen van nog meer kapitalistische staten om kernbommen te maken: de atoombom is het ultieme wapen in de inter-imperialistische oorlogvoering waarvan het enige doel bestaat uit de massale uitroering van de burgerbevolking in het algemeen en de arbeidersklasse meer in het bijzonder.
Veroordelen onvoorwaardelijk deze nieuw stap in de richting van oorlog door de kapitalistische Noord-Koreaanse staat die hiermee (alsof dat nog nodig was) andermaal laat zien dat deze in het geheel niets te maken heeft met arbeidersklasse of kommunisme, en dat hij niets anders is dan een heel extreme en groteske versie van de algemene tendens naar militaristisch barbarendom van het kapitalisme in verval.
Veroordelen onvoorwaardelijk de huichelachtige campagne door de Verenigde Staten en hun bondgenoten tegen hun Noord-Koreaanse vijand die niets anders is dan de ideologische voorbereiding voor het laten uitbreken – zodra ze daarvoor over de middelen beschikken – van hun eigen preventieve aanvallen waarvan de werkende bevolking het belangrijkste slachtoffer zal worden, net als momenteel in Irak. We zijn niet vergeten dat de Verenigde Staten de enige supermacht is die atoomwapens heeft ingezet om de burgerbevolking van Hirosjima en Nagasaki uit te moorden.
Veroordelen onvoorwaardelijk de zogenaamde ‘vredesinitiatieven’ die onvermijdelijk onder de hoge bescherming van andere imperialistische gangster zoals China staan. Deze zullen niet over vrede gaan, maar over de eigen imperialistische belangen in de regio. De arbeiders kunnen geen vertrouwen stellen in de ‘vredelievende bedoelingen’ van welke kapitalistische staat dan ook.
Veroordelen onvoorwaardelijk iedere poging van de Zuid-Koreaanse bourgeoisie om onder het voorwendsel van verdediging van nationale vrijheid of democratie repressieve maatregelen te nemen tegen de arbeidersklasse of tegen activisten in hun verdediging van internationalistische beginselen.
Bevestigen onze volledige solidariteit met de arbeiders van Noord- en Zuid-Korea, China, Japan en Rusland die als eersten zullen lijden onder militaire actie wanneer die uitbreekt.
Verklaren dat alleen de wereldwijde arbeidersstrijd voor altijd een eind kan maken aan het voordurende dreiging van barbarendom, imperialistische oorlog en nucleaire vernietiging dat tijdens het kapitalisme over de mensheid hangt.
De arbeiders hebben geen land te verdedigen!
Arbeiders aller landen, verenigt u!
Deze verklaring werd ondertekend door de volgende organisaties en groepen:
Een aantal bij de Conferentie aanwezige kameraden tekenden deze verklaring eveneens op persoonlijke titel:
(1) Nadere gegevens over deze conferentie volgen.
Het vastlopen van de oorlog in Irak en de vermenigvuldiging van dodelijke aanslagen maken overduidelijk dat de strijd tegen het internationale terrorisme, zowel in het Midden-Oosten als in de rest van de wereld, compleet mislukt is. De Verenigde Staten worden niet slechts vernederd maar krijgen striemende klappen.
Hoe is het mogelijk dat het sterkste leger van de wereld, uitgerust met de meest moderne technologie, de meest doeltreffende inlichtingendiensten, de meest verfijnde wapens om doelen te lokaliseren en op honderden kilometers afstand te treffen, vastzit in een dergelijk wespennest? Voor de heersende klasse is het antwoord vanzelfsprekend: het kan slechts te maken hebben met de onbekwaamheid van Bush jr., de “slechtste president uit de geschiedenis van de Verenigde Staten: onwetend, arrogant en volkomen stupide” (in de woorden van de schrijver Norman Mailer). Kortom, een halve imbeciel die wordt omgeven door een bende nietsnutten. Deze uitleg is simpel en werkt des te beter omdat Bush echt niet veel moet doen om dit aannemelijk te maken. Maar zij staat ver bezijden het werkelijke probleem, en daaruit bestaat juist haar nut voor de bourgeoisie. Of het kapitalisme deze of gene richting opgaat, hangt niet af van het ene of andere individu aan de top van de staat. Het is de toestand van het systeem die politieke oriëntaties opdringt. De eerste wereldmacht moet noodzakelijkerwijze haar rangorde verdedigen. De Verenigde Staten kunnen geen andere politiek voeren dan die Paul Wolfowitz (een eminent lid van de republikeinse beleidsploeg) sinds het begin van de jaren 1990 naar voren bracht: “De wezenlijke politieke en militaire missie van Amerika in het tijdperk na de Koude Oorlog zal er uit bestaan om te verhinderen dat er een rivaliserende militaire supermacht kan opkomen in West-Europa, in Azië of in de gebieden van de vroegere Sovjet-Unie.” Deze ‘doctrine’ is openbaar gemaakt in maart 1992 toen de Amerikaanse bourgeoisie nog illusies koesterde over het succes van deze strategie, kort na de ineenstorting van de USSR en de hereniging van Duitsland. Met dit doel voor ogen verklaarden deze lieden enige jaren geleden dat er “een nieuw Pearl Harbour nodig was”, om de natie te mobiliseren, om de democratische waarden van Amerika aan de wereld op te leggen, en om de imperialistische rivaliteiten in de kiem te smoren. Daarom past het om er aan te herinneren dat de aanval op de Amerikaanse marinebasis in december 1941, die aan Amerikaanse kant 4.500 doden en gewonden kostte, de Verenigde Staten in staat stelde om aan de oorlog deel te nemen aan de kant van de Geallieerden, door de publieke opinie, die eerder voor het grootste deel aarzelde tegenover de deelname aan de oorlog, te doen omzwaaien. En dat terwijl de hoogste Amerikaanse politieke autoriteiten op de hoogte waren van dit project en niet tussen beide kwamen. Sindsdien werd slechts dezelfde politiek uitgevoerd: de aanslagen van 11 september 2001 hebben hen een 'nieuw Pearl Harbour' in de schoot geworpen en het is in naam van deze nieuwe kruistocht tegen het terrorisme dat zij de inval in Afghanistan en vervolgens in Irak hebben kunnen rechtvaardigen.
De balans van deze politiek, de enige die de eerste wereldmacht kan voeren, is verpletterend: 3.000 gesneuvelde soldaten sinds het begin van de oorlog in Irak ongeveer drie jaar geleden (waaronder meer dan 2.800 aan Amerikaanse zijde), 655.000 Irakezen zijn omgekomen tussen maart 2003 en juli 2006, terwijl de moorddadige aanslagen en de botsingen tussen sjiitische en soennitische fracties alleen maar erger geworden zijn. Er zijn 160.000 man bezettingstroepen aanwezig op Irakees grondgebied onder het oppercommando van de Verenigde Staten. Deze zien zich niet in staat om "hun missie van ordehandhaving te waarborgen" in een land dat op het punt staat om uiteen te spatten in een burger-oorlog. Niet alleen bevechten de sjiitische en soennitische milities elkaar al maanden met geweld, maar verscheuren ook rivaliserende sjiitische bendes elkaar onderling en zaaien ze terreur, voornamelijk de bende onder het bevel van Moqtada al-Sadr (met zijn zelfuitgeroepen 'Mehdi-leger') en de Al-Badr brigades (verbonden aan de heersende partij in de regering), die verantwoordelijk zijn voor de voornaamste bloedbaden in Amara, Nasirijja, Basra waar ze proberen hun wet op te leggen. In het zuiden van het land hebben soennitische activisten, die prat gaan op hun banden met Al Qaïda onlangs een 'islamitische republiek' uitgeroepen, terwijl in de regio van Bagdad de bevolking geconfronteerd wordt met autobommen, exploderende bussen of zelfs fietsen, naast de afpersingen van plunderaars. De Amerikaanse troepen hoeven hun neus maar te laten zien of ze staan al bloot aan hinderlagen.
De oorlogen in Irak en Afghanistan slokken bovendien kolossale sommen geld op die de begroting van de Verenigde Staten steeds verder aanvreten en hen met torenhoge schulden opzadelen. De toestand in Afghanistan is niet minder rampzalig. De niet-aflatende jacht op Al Qaïda en de aanwezigheid, ook daar, van een bezettingsleger geven de Taliban weer krediet (ze wasin 2002 uit de macht verdreven, maar werd vervolgens door Iran en China herbewapend), en ze vermenigvuldigen hun hinderlagen en aanslagen.
De ‘terroristische demonen’ als Bin Laden of het regime van de Taliban zijn trouwens allebei ‘scheppingen’ van de Verenigde Staten geweest om de USSR tegen te werken ten tijde van de imperialistische blokken, na de inval van de Russische troepen in Afghanistan. De eerstgenoemde is een ex-spion die gerekruteerd werd door de CIA in 1979. Nadat hij gediend had als financieel tussenpersoon in een wapenhandel tussen Saoedi-Arabië en de Verenigde Staten voor de Afghaanse ‘ondergrondse’ werd hij na de Russische inval bemiddelaar van de Verenigde Staten om geld uit te delen onder het Afghaanse verzet. De Taliban van hun kant zijn bewapend en gefinancierd door de Verenigde Staten en zij zijn destijds aan de macht gekomen met de volledige instemming van Uncle Sam.
Het is bovendien ook overduidelijk dat de grote kruistocht tegen het terrorisme, in plaats van uit te monden in de uitroeiing ervan, slechts is uitgelopen op een vermenigvuldiging van terroristische acties en zelfmoordaanslagen, wier enige motief is om zoveel mogelijk slachtoffers te maken.
Vandaag staat het Witte Huis machteloos tegen de meest vernederende lange neus die de Iraanse staat maakt. Dit geeft trouwens staten van vierde of vijfde rang vleugels, zoals Noord-Korea, dat zich veroorloofde om op 8 oktober een kernproef uit te voeren die het tot de achtste land met kernwapens maakt. Deze gigantische uitdaging brengt heel het evenwicht van Zuidoost-Azië aan het wankelen en zal op zijn beurt de aspiraties aanwakkeren van nieuwe pretendenten voor het verwerven van kernwapens. De snelle remilitarisering en herbewapening van Japan en zijn oriëntatie op de productie van kernwapens hebben er pas weer een voorwendsel bij gekregen om zich tegen de onmiddellijke buren van Japan te keren.
Daarbij moet ook de verschrikkelijke chaos vermeld worden van de toestand in het Midden-Oosten, en in het bijzonder in de Gaza-strook. Als gevolg van de verkiezingsoverwinning van Hamas eind januari werd de internationale hulp stopgezet en heeft de Israëlische regering de blokkering doorgevoerd van de fondsen van belastinginkomsten en douanerechten aan de Palestijnse Autoriteit. 165.000 ambtenaren worden al zeven maanden niet meer betaald maar hun woede, net als die van een hele bevolking waarvan 70% onder de armoedegrens leeft, en met een werkloosheid van 44%, wordt gemakkelijk ingekapseld door straatgevechten waarin sinds 1 oktober Hamas en Fatah weer tegenover elkaar staan. De pogingen van het vormen van een regering van nationale eenheid stranden de een na de ander. Tezelfdertijd belegert de Tsahal, na zijn terugtrekking uit Zuid-Libanon, opnieuw de grenszones met Egypte in het zuiden van de Gaza-strook en heeft het zijn bombardementen op de stad Rafah hervat, onder het voorwendsel op de terroristen van Hamas te jagen.
De bevolking leeft er in een klimaat van permanente terreur en onzekerheid. Sinds 25 juni zijn er in dit gebied al 300 doden gevallen.
Het fiasco van de Amerikaanse politiek is dus overduidelijk. Daardoor komt het dat de Bush-regering zo erg ter discussie staat, zelfs in eigen, republikeinse kamp. 60% van de Amerikaanse bevolking denkt dat de oorlog in Irak een ‘slechte zaak’ is, een groot deel ervan gelooft niet meer in de stelling dat de kernbewapening tegengehouden kan worden of aan het bestaan van banden tussen Saddam met Al Qaïda. De mening vat post het dit slechts een voorwendsel was om een militaire tussenkomst in Irak te rechtvaardigen. Een half dozijn recente boeken (waaronder een van de journalistieke vedette Bob Woodward die het Watergate-schandaal ten tijde van Nixon had onthuld) heeft een ongenadige beschuldiging opgesteld om deze 'staatsleugen' aan te klagen. Deze boeken spreken zich uit voor een terugtrekking van de troepen uit Irak. Dat betekent helemaal niet dat de militaristische politiek van de Verenigde Staten in de grond geboord wordt, maar wel dat de regering verplicht is hiermee rekening te houden, haar eigen tegenstellingen moet blootleggen om te proberen zich aan de nieuwe politieke situatie aan te passen.
De nieuwste zogenaamde ‘miskleun’ van Bush om toe te geven dat er een parallel bestaat met de oorlog in Vietnam valt samen met de ‘lekken’… die georkestreerd werden door interviews met James Baker. Het plan van de ex-chef van de generale staf van Reagan, en staatssecretaris ten tijde van Bush senior, mikt op de opening van een dialoog met Syrië en Iran en vooral op een gedeeltelijke terugtrekking van de troepen uit Irak. Deze poging om beperkt te paraderen onderstreept het peil van de verzwakking van de Amerikaanse bourgeoisie die zich een algehele terugtrekking niet kan veroorloven omdat dit de meest striemende kaakslag uit zijn geschiedenis zou zijn. De parallel met Vietnam is eigenlijk een bedrieglijke onderschatting. Want indertijd stelde de terugtrekking van de troepen uit Vietnam de Verenigde Staten in staat tot een strategische heroriëntatie ten voordele van hun bondgenootschappen en om China binnen hun eigen kamp te trekken tegenover de USSR. Daarentegen zou het terugtrekken van de Amerikaanse troepen uit Irak een zuivere capitulatie zonder compensatie betekenen die de Amerikaanse grootmacht compleet ongeloofwaardig zou maken. Deze tegenstrijdigheden zijn schreeuwende uitingen van de verzwakking van het Amerikaanse leiderschap en de opgang van het ‘ieder voor zich’. Een verandering van de meerderheid in het nieuwe Congres zal geen andere ‘keuze’ aanreiken dan een vlucht naar voren in steeds moorddadigere militaire avonturen die een uiting zijn van de impasse van het kapitalisme.
In de Verenigde Staten is het gewicht van het chauvinisme dat ten toon gespreid werd na 11 september voor het grootste deel weggeëbd met de ervaring van het dubbele fiasco van de ‘strijd tegen het terrorisme’ en het wegzakken in het moeras van de oorlog in Irak. De rekruteringscampagnes voor het leger hebben moeite om kandidaten te ronselen die bereid zijn om zich in Irak aan flarden te laten schieten, terwijl de troepen zelf door demoralisatie overmand worden. Ondanks de risico's vinden er duizenden deserties plaats. Men heeft vastgesteld dat al meer dan duizend deserteurs hun toevlucht hebben gezocht in Canada.
Deze toestand licht een sluier op van een heel ander perspectief. Het steeds meer ondraaglijk worden van de oorlog en de barbarij in de maatschappij is een onmisbare dimensie in de bewustwording van de proletariërs van het niet te herstellen bankroet van het kapitalistisch systeem. Het enige antwoord dat de arbeidersklasse tegenover de imperialistische oorlog kan stellen, de enige solidariteit die zij kan betuigen aan haar klassenbroeders die blootgesteld zijn aan de ergste afslachtingen, is om in verweer te komen op haar eigen klassenterrein om een eind te maken aan dit systeem.
W / 21.10.2006
Op de avond van 14 december kondigde de RTBF het einde van België aan; het Vlaamse parlement zou gestemd hebben voor de onafhankelijkheid. Het was pas een half uur later dat de RTBF de kijkers op de hoogte bracht door een ondertitel te plaatsen: ‘dit is wellicht fictie’. De verontwaardigde reacties van de belangrijkste politieke leiders waren gespeeld. Wie kan er nu geloof aan hechten dat deze mensen niet op de hoogte waren van de inhoud van deze ‘politieke fictie’? Ze staat al tien jaar in de steigers, en het centrale thema ervan, het uiteenspatten van België, was toch niet aan zijn proefstuk op de nationale zenders? Buiten de groteske dramatisering ervan door de media en de politieke middens om de boodschap over te brengen, moet er vooral worden vastgesteld dat deze ‘elektroshock’-uitzending over het communautaire vraagstuk niet zomaar uit de lucht is komen vallen: ze vond plaats op het moment zelf dat de ganse bevolking en de arbeidersklasse van het land zich zorgen maakte over de brutale slag die aan de arbeiders van VW werd toegebracht. De RTBF had er beter aan gedaan om haar uitzending als volgt te ondertitelen: ‘Dit is absoluut geen toeval’.
De communautaire spanningen hebben natuurlijk hun historische wortels in de vorming van de Belgische staat (zie onze artikels over dit vraagstuk in Internationalisme, nr. 319, 321 en 323). Het was een contrarevolutionaire en kunstmatige schepping, op getouw gezet door de grootmachten van die tijd, als een benepen en niet vooruitstrevend kader, ongunstig voor de industrialisering en de invoering van moderne sociale verhoudingen. Het is vooral de intrede van het verval van het kapitalisme die onvermijdelijk het inherente gebrek aan samenhang van de ‘Belgische natie’ zal blootleggen en de tendens zal inzetten om de tegenstellingen binnen de bourgeoisie steeds verder op de spits te drijven. De verbreiding van de ontbinding en van het ‘ieder voor zich’ op het einde van de twintigste eeuw versterkt deze middelpuntvliedende krachten en de communautaire spanningen nog verder en maakt het zoeken naar het opleggen van evenwicht steeds moeilijker. En dat mondt regelmatig uit in het feit dat de regionale fracties van de Belgische bourgeoisie en hun politieke partijen met getrokken messen tegenover elkaar staan.
Maar ondanks deze voortdurende moeilijkheden, die onlosmakelijk verbonden zijn aan de vorming van haar staat, is de Belgische bourgeoisie er altijd in geslaagd om haar eigen zwakheden op een magistrale manier uit te spelen tegen de arbeidersklasse. Dat realiseert ze door zelfs van de communautaire verdelingen en tegenstellingen een van haar speerpunten te maken bij de inkapseling en sabotage van de arbeidersstrijd. Al vijftig jaar worden deze systematisch gebruikt om de eenmaking van de arbeidersklasse op haar strijdterrein te beletten, door in te spelen op de verschillen tussen de regio’s: het regionalistische wapen was een krachtig middel om de strijd tegen de mijnsluitingen onder controle te houden en ongevaarlijk, eerst in Wallonië en later in Vlaansderen, daarna van de staalnijverheid in Wallonië en vervolgens van de scheepswerven in Vlaanderen. En vandaag hameren de burgerlijke media er de hele dag op dat ‘het onderwijs beter zou zijn in Vlaanderen’, dat ‘minder werklozen gesanctioneerd worden in Wallonië’, enzovoort. Evenzo is het één van de inkapselingsvormen van de vakbonden; ze scheiden de arbeiders niet alleen van elkaar per sector en per bedrijf, maar ook per streek.
Maar de verschrikkelijke agressie tegen de arbeiders van VW druiste juist diametraal in tegen deze tendens: door de geografische positie van de fabriek (Brussel) en vooral door de samenstelling van de arbeidskracht uit bijna gelijke delen van arbeiders uit de beide regio’s, kon de kaart van de regionalistische misleiding, de verdeling tussen Walen en Vlamingen, niet worden uitgespeeld bij het opleggen van de herstructureringsmaatregelen bij VW. In tegendeel zelfs, via de aanval op zich, maar ook via de uitingen van solidariteit die uit alle regio’s kwamen, begon het bewustzijn onder de arbeiders te kiemen over het feit dat de vijand niet de Waalse of Vlaamse arbeider was, maar een perspectiefloos systeem en dat de kracht om zich te verdedigen daaruit wordt geput dat ze tot een klasse behoren: tegen alle sectoriële, regionale en nationale verdelingen. Dat vormt de belangrijkste inzet van de komende strijd. Een begin van bewustwording dus waarbij ter discussie wordt gesteld wat historisch gezien één van de fundamentele dammen is die de Belgische bourgeoisie heeft opgeworpen tegen de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, vooral in de vervalperiode (een bewustwording die patroons, vakbonden en partijen trouwens probeerden in te perken door het idee te laten insijpelen dat de Duitse arbeiders verantwoordelijk zouden zijn voor de keuze van VW om eerder in België dan in Duitsland te ontslaan). Voor de bourgeoisie kwam het er absoluut op aan om dit inzicht ten koste van alles te voorkomen door de traditionele tegenstellingen weer in het centrum van de belangstelling te plaatsen om de arbeiders opnieuw te strikken in de netten van het burgerlijke bedrog.
Om al deze redenen mag de arbeidersklasse zich niet inlaten met de veelvuldige misleidingen die in deze campagne is ontwikkeld, noch zich illusies te maken over het komende verkiezingscircus. Want daar zullen wij zien hoe aan de ene kant het regionale getetter zal worden opgedreven, en aan de andere kant dat over de noodzaak om samenhang van de staat te bewaren. Met het trekken van lering uit het conflict bij VW moeten de arbeiders de strijd voortzetten en zich inspannen om alle valstrikken van de bourgeoisie te doorzien, als stappen vooruit in het parcours van de herovering van hun gevoel tot een klasse te behoren.
Januari 2007
Bijna twee maanden zijn de arbeiders van VW-Vorst in staking geweest tegen de drastische afslanking van het bedrijf. Met gevoelens van hoop en vertwijfeling werden zij als een speelbal heen en weer geslingerd tussen patronaat, regering en vakbonden, tussen Duitse, Spaanse, Belgische, en nog tal van andere nationale en regionale belangen. Voor de arbeiders is het vandaag belangrijk lessen te trekken uit deze strijdervaring. Eén ding staat vast: met vereende kracht hebben de burgerlijke partijen en organisaties er alles aan gedaan om de strijdbaarheid van de arbeiders te bekoelen en om de realiteit van de economische crisis die aan de basis ligt van de herstructureringsplannen te verdoezelen. Voor hen kwam het erop aan het failliet van het kapitalistische marktmechanisme weg te moffelen en de woede van de arbeiders op te vangen in de perspectiefloze ‘actie’-methodes van de vakbonden. En vooral de dynamiek naar de opbouw van een echte solidariteit – deze tussen de arbeiders onderling en niet die met het kapitaal in moeilijkheden – te dwarsbomen.
De media schrijven bladzijdenlang over de “hemeltergend hoge vertrekpremies”, de “superhoge lonen” van de VW-Vorst-arbeiders. Waar ze echter als vermoord over zwijgen is dat de herstructureringsmaatregelen die in VW-Vorst aangekondigd worden een uittekening zijn van hetgeen niet alleen de overblijvende VW-arbeiders maar ook de ganse arbeidersklasse te wachten staat.
De inlevering wordt immers bijzonder zwaar: slechts 2000 à 2200 jobs zullen overblijven van de ongeveer 5200 rechtstreekse werknemers. In 2009, als alles goed verloopt, zou er in totaal terug voor 3000 man werk zijn, zo wordt er beloofd, weliswaar voor een deel in andere meer precaire contracten. 950 werknemers gaan met brugpensioen, maar volgens de regels van het nieuwe generatiepact. 1950 verlaten op ‘vrijwillige basis’ het bedrijf, met voor de eerste 1500 een oprotpremie als beloning. Voor de meeste onder hen met werkloosheid als enig perspectief. Voor de blijvers is er een systeem van ‘langdurige tijdelijke werkloosheid’ maar vooral, bovenop de 33% productiviteitsstijging die de arbeiders reeds realiseerden in de periode 2001-2005 en de nieuwe regeling inzake flexibiliteit sedert de zomer van 2006 (werktijden tot 10 uur per dag en 48 uur per week), wordt er een nieuwe CAO afgesloten met lagere loon- en productiekosten. De productievoorwaarden zouden in 2009 gelijk moeten zijn met die van de VW-vestiging in het oostelijk Duitse Mosel waar de loonkosten 16,9 euro per uur bedragen tegenover 23,8 euro vandaag voor VW-Vorst. Met andere woorden: een bijzonder harde opdrijving van productiviteit, flexibiliteit met wellicht tot meer dan 20% loonsverlaging er bovenop. En dan zwijgen we nog over de vele duizenden arbeiders van de toeleveringsbedrijven die grotendeels aan hun lot worden overgelaten en voor het overgrote deel ontslagen zullen worden aan veel slechtere voorwaarden nog als hun collega’s bij VW. Indien VW jarenlang door de bourgeoisie als een modelbedrijf geprezen werd op het vlak van loon- en arbeidsvoorwaarden en werkzekerheid staat het ongetwijfeld nu model voor wat diezelfde bourgeoisie ons vandaag nog kan aanbieden: verregaande offers voor een systeem dat volledig op de dool is.
De media schrijven bladzijdenlang over de interne politiek van VW, de specifieke problemen van de automobielsector, het getouwtrek tussen de noden van de Belgische en Duitse economie, de zogenaamd overdreven winsten bij VW. Waarover men echter zwijgt is de realiteit van de crisis van het kapitalistische systeem, de wezenlijke oorzaak achter de herstructurering van VW.
Zo legt de socialistische metaalvakbond de verantwoordelijkheid voor dit bloedbad niet bij de patroons en de burgerlijke staat maar bij de Duitse arbeiders zelf en ‘hun’ bonden, die om de ‘Duitse banen’ te redden de ‘Belgische jobs’ bij VW-Vorst zouden opgeofferd hebben! Een afschuwelijke leugen! Schrapt VW niet ook 20.000 jobs in Duitsland, met daarbovenop loonsverlaging en arbeidstijdverlenging? De Duitse arbeiders, zoals die van alle landen, zijn net zo goed het slachtoffer van de kapitalistische agressie. De onomkeerbare historische crisis die het kapitalisme op wereldvlak doormaakt, vertaalt zich immers in het massaal ontslaan van arbeiders in alle landen. De arbeidskracht, wiens uitbuiting de bron is van de kapitalistische winst, ziet haar prijs als gevolg daarvan steeds verder dalen (zoals gebeurt met elke waar die in overvloed op de verzadigde markt aanwezig is) omdat de drastische vermindering van de productiekosten (en hierbij staat het loon op de eerste plaats) het enige middel is waarover de bourgeoisie beschikt om de concurrentie aan te kunnen op de steeds nauwere markten die met waren verzadigd zijn. Delokalisaties en herstructureringen dienen in de eerste plaats als drukkingsmiddel om de arbeidersklasse overal te dwingen almaar lagere lonen en almaar slechtere arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Arbeiders hier worden opgezet tegen de arbeiders van de andere landen in een eindeloze spiraal van loondalingen, productiviteitsver-hogingen en verloedering van de levensvoorwaarden (1). Wat biedt deze eindeloze spiraal van genadeloze concurrentie nog tenzij sluitingen (Renault Vilvoorde, Sabena, …), massale ontslagen (NMBS, Ford Genk, INBEV, DHL, Agfa Gevaert, …) en inleveringen (‘generatiepact’, ‘flexibiliteitpact’, ‘concurrentie- en werkgelegenheidspact’, …)?
De media schrijven bladzijdenlang over de negatieve invloed van de jarenlange ‘stakingscultuur’ van de VW-arbeiders en anderzijds over de constructieve en verantwoordelijke wijze waarop de vakbonden ‘actie’ gevoerd hebben. Wat ze hiermee nastreven is in feite de VW-arbeiders en tegelijk ook de ganse arbeidersklasse te overtuigen dat zij maar beter haar volle vertrouwen kan schenken aan de ‘realistische’ aanpak van de vakbonden, die, in overleg met de ‘behulpzame’ regering en met het patronaat het onderste uit de kan zal halen voor de arbeiders in de context van een nationale economie die verwikkeld is in een bikkelharde concurrentie op de wereldmarkt.
Herstructureringen en delokalisaties worden aldus gebruikt om het proletariaat te verdelen en te koppelen aan de ideologie van de concurrentie. Arbeiders worden opgesloten, fractie per fractie, en gericht op de verdediging van ‘hun’ uitbuitingsvoorwaarden, van het eigen bedrijf, van het fabrieksmerk ‘VW’, van het nationaal kapitaal. Vanuit deze logica is het kinderspel voor de burgerlijke propaganda – en de bonden spelen hierbij een vooraanstaande rol – om de gedachte ingang te doen vinden dat de kapitalistische staat en zijn regering een ‘beschermende factor’ zijn tegen de ‘wandaden’ van de ‘mondialisering’: “Premier Verhofstadt wist het Duitse topmanagement van VW tot garanties over een doorstart te overtuigen, in ruil voor een royaal aanbod van overheidshulp” (De Standaard, 09/01/2007). De regering wordt zo een ‘objectieve’ bondgenoot van de arbeiders teneinde de Duitse bonzen van VW tot rede te brengen en op te roepen de arbeiders ergens anders het mes op de keel te zetten (zoals in Spanje).
En de bourgeoisie weet maar al te goed dat deze boodschap het best aanslaat als er een gevoel van onmacht kan opgeroepen worden bij de arbeidersklasse en een afwezigheid van perspectief om collectief als klasse weerstand te bieden. Hiervoor zorgden de vakbondsmanoeuvres: vanaf het begin werden de arbeiders naar huis gestuurd, geïsoleerd van elkaar, zonder informatie of perspectieven. Een eindeloze aanslepende staking werd in het vooruitzicht gesteld, zonder algemene stakersvergaderingen waar echte discussies en beslissingen mogelijk waren, zonder gekozen, gecontroleerd en afzetbaar stakingscomité, zonder mobiliserende meetings, zonder massale delegaties die actief de solidariteit en uitbreiding zoeken naar andere delen van de arbeidersklasse. Elke uitbouw van echte strijdmiddelen en van een dynamiek om de strijd te versterken werd in de kiem gesmoord. De gedachte zélf van strijd voeren werd hoe langer hoe meer als zinloos ervaren. Er restte de arbeiders tenslotte niets anders dan te berusten in hun lot en al hun vertrouwen te stellen in de regerings- en vakbondsonderhandelaars.
En tenslotte schreven de media ook bladzijdenlang over het gebrek aan solidariteit binnen de arbeidersklasse met de VW-arbeiders en onder VW-arbeiders zelf. “Spontane solidariteitsacties, zoals in 1997 voor het personeel van Renault Vilvoorde, zijn er niet geweest” (De Standaard, 09/01/2007). Niet toevallig werd door de bourgeoisie – meer bepaald door de vakbonden – bijzondere aandacht besteed aan dit aspect van de campagne gedurende de ganse strijd:
De intensiteit van deze campagne is in feite een uitstekende indicator voor de angst die de bourgeoisie bij dit conflict bevangt. Door de ligging van VW in het Brusselse en het feit dat er evenveel getroffen arbeiders uit beide landsregio’s komen kon de kaart van de regionalistische en linguïstische misleiding veel moeilijker uitgespeeld worden. Bijgevolg was zij precies bijzonder bevreesd voor het ontstaan van een breed gevoel van solidariteit onder de arbeiders, over de sectoriële, regionale en taalkundige verdeeldheid heen, geen solidariteit uit ‘medelijden’ dus, maar een solidariteit van de arbeiders onderling, voor gemeenschappelijke belangen en dus belangeloos, zonder egoïsme, tegen dit barbaars systeem in ontbinding.
Al is de bourgeoisie met haar vakbondssabotage er uiteindelijk in geslaagd om de strijdbaarheid van de VW werknemers in te kapselen en te ontkrachten, toch laat de betoging van 2 december precies een ander facet van de sociale werkelijkheid zien. Door de dagelijkse aankondigingen van ontslagen en herstructureringen in fabrieken, dienstensector en openbare diensten groeit het besef bij steeds meer arbeiders dat iedereen wordt aangevallen. De sluiting van een sterk en strijdbaar bedrijf zoals VW roept niet enkel ‘medelijden’ op zoals de kranten schreven, maar vooral ook verontwaardiging, algemene ongerustheid over de toekomst. Velen kwamen betogen omdat dit de enige mogelijkheid was in de huidige omstandigheden om solidariteit te betonen. De aanwezigheid van veel jongeren sprak boekdelen: “Wij staan hier samen met onze ouders, wat rest er ons nog.” Ook tal van gepensioneerden waren aanwezig.
Deze toenemende strijdbaarheid zit weliswaar nog in een aanvangsfase maar er is een groeiende vastberadenheid in de arbeidersklasse om tegen de ontslagen te vechten. Jarenlang hebben de arbeiders aanvallen geslikt op hun arbeidsvoorwaarden, op hun lonen en werkzekerheid teneinde de werkgelegenheid te behouden op hun werkplek zelf. Maar vandaag zijn steeds minder werkenden bereid om deze eindeloze offers te brengen. Velen weten nog niet goed hoe samen te strijden, soms ook niet goed tegen wie of op wat zich te richten, hetgeen verklaart waarom het vandaag nog mogelijk is dat zij zich achter vakbond en regering scharen. Ondanks de grootse ideologische campagnes heerst er echter veel scepticisme ten aanzien van de gedane beloftes bij VW en dus ook elders. Het voorbije conflict kan niet afgedaan worden noch als een voorbeeld van een overwinning noch als dat van een nederlaag. Er heerst woede, wantrouwen en niet enkel verslagenheid in de arbeidersklasse als geheel.
Daarom is de bourgeoisie ook ongerust. Zij is zich bewust dat de klasse uit deze gebeurtenissen en sabotagemanoeuvres belangrijke lessen kan trekken. Daarom juist doet ze zoveel inspanningen om de solidariteit te kleineren. Werkloosheid bestrijden is niet eenvoudig. Dikwijls zullen de patroons inderdaad de stakingen net aanwenden als een voorwendsel om hun sluitingsplannen door te voeren (die sowieso gepland waren), zoals bij VW. Ze zullen hierin des te gemakkelijker slagen als de weerstand van de arbeiders geïsoleerd blijft tot een fabrieksvestiging of bedrijf. Anderzijds kan de dreiging of de reële uitbreiding van de strijd over de grenzen van vakbonds-, sectoriele of andere verdelingen heen – kortom de dreiging tot massastaking – de heersende klasse dwingen terug te krabbelen, zoals dit het geval was bij de strijd tegen de CPE in Frankrijk. Zo’n terugtocht is uiteraard tijdelijk. De verdieping van de economische crisis zal haar dwingen om terug tot het offensief over te gaan en nog meer desperate aanvallen uit te voeren op de arbeids- en levensvoorwaarden. Uiteindelijk, en dat is de voornaamste les, is de massale werkloosheid een onmiskenbaar teken van het bankroet van de kapitalistische samenleving. Voor de arbeidersklasse moet dit de stimulans zijn om niet enkel tegen de effecten van de uitbuiting weerstand te bieden maar tegen de uitbuitingsmaatschappij zelf.
Lac / 06.01.2007
(1) Zie de artikelenserie over de delokalisaties in Internationalisme, nr. 323, 325 en 328.
De wetten Sarkozy van 2003 en 2006 hebben de anti-immigrantenpolitiek aanzienlijk verscherpt. De uitwijzingen uit Frankrijk volgen elkaar op in een hels tempo: 12.000 in 2003, 15.000 in 2004, meer dan 20.000 in 2005 en waarschijnlijk 25.000 in 2006. Met het hart in de keel verstoppen duizenden families zich, geterroriseerd door de gedachte teruggestuurd te worden naar een plek op de wereld waar slechts de dood op hen wacht. Wat kan men anders dan verontwaardigd en woedend zijn tegenover een dergelijke onmenselijke politiek? Zelfs schoolgaande kinderen kunnen een razzia meemaken om te “vermijden dat het schoolgaan een nieuwe vorm van onwettige immigratie zou worden.” (sic!). Hoe te reageren en te strijden tegen deze wrede en onaanvaardbare maatregelen? De linkse organisaties en verenigingen wijzen allen dezelfde verantwoordelijke aan: de minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy. Om aan dat alles een einde te maken zou het volstaan Sarko uitde macht te verwijderen. “Stemt, stemt tegen Sarko in mei 2007 en alles zal beter gaan”, dat is in wezen de boodschap die onophoudelijk wordt herhaald door alle linkse krachten. Maar is dat werkelijk de oplossing?
Natuurlijk niet! Men zou zichzelf in slaap wiegen met illusies wanneer men gelooft dat de socialistische en communistische partijen een andere politiek zouden voeren als zij aan de macht zouden komen. Om zich daarvan te overtuigen hoeft men zich slechts enkele grote wapenfeiten van deze burgerlijke fracties in herinnering te roepen. De PCF heeft nooit afgezien van de meest brutale middelen om zich te ontdoen van de immigranten die zij ongewenst vond. Zo heeft de PCF in 1981 de illegale Malinesiërs in een van zijn steden, Montreuil-sous-Bois, doodgewoon met de bulldozer verjaagd. Wat de PS betreft kan haar politiek samengevat worden in de volgende opzienbarende verklaring van de socialistische eerste minister Michel Rocard in 1989: “Frankrijk kan niet alle ellende van de wereld ontvangen.” En “om niet alle ellende van de wereld te ontvangen” heeft de socialiste Edith Cresson in 1991 de massale uitwijzingen ingesteld, gebruik makend van chartervluchten. Het is om “om niet alle ellende van de wereld te ontvangen” dat Jean-Pierre Chevènement tijdens het Jospin-tijdperk zijn honden ophitste en op de illegalen losliet door zijn ordestrijdkrachten het bevel te geven de uitwijzingen te vermenigvuldigen: “De activiteit met betrekking tot het verwijderen van buitenlanders staat op een abnormaal laag peil. [...] Ik zou het op prijs stellen wanneer er in de laatste maanden van 1999 een beduidende toename van het aantal daadwerkelijke uitwijzingen zou zijn.” (1). Zo wordt de schijnheilige sluier van de grootspraak van links over het humanisme en het recht op waardigheid aan stukken gescheurd!
In feite hebben rechts en links, sinds 1974, elkaar afgelost op de hoogste staatsposten en dezelfde anti-immigrantenpolitiek bleef aan. Aan het einde van de jaren 1960 betekende de terugkeer van de economische crisis het einde aan de volledige tewerk-stellingspolitiek en de toename van de werkloosheid. Omdat ze niet meer waren dan fabrieksvlees dat niet meer kon worden uitgebuit, werden de immigranten steeds meer tot een last. Daarom besloot de toenmalige president Giscard d’Estaing de immigratie te ‘onderbreken’ en vervolgens, drie jaar later een ‘hulp bij terugkeer’ in het leven te roepen. Sindsdien zijn de anti-immigratiewetten bij elke recessie alleen maar verscherpt en dat door alle regeringen zonder uitzondering.
Dit zieltogende kapitalisme is niet langer in staat om een al maar groeiend deel van de mensheid op te nemen in het productieproces. Zijn ‘oplossing’ bestaat er uit om het ‘overschot’ ver over zijn grenzen uit te wijzen opdat het elders zou creperen. De volgende regering, van welke politieke kleur ze ook zal zijn, zal deze druk nog versterken. Het enige verschil tussen links en rechts zal de taal zijn, de ideologische verpakking. Het is waar dat de PS er meester in is geworden om de meest onmenselijke maatregelen een roze tintje te geven. De ‘gekozen immigratie’ maakt aldus plaats voor een ‘gedeelde immigratie’ gebaseerd op ‘het contractueel vaststellen van de migratiestromen samen met de landen van oorsprong’. In klare taal gaat het om een ‘krachtige politiek tegenover de illegale immigratie’ met als toegift het in leven roepen van een ‘gezamenlijke politie aan de grenzen van de Unie’. (2). Maar men kan er zeker van zijn, de uitwijzingen zullen met de PS zeer pedagogisch aangepakt worden, zoals François Hollande trots bevestigt: “Onze wetten op de immigratie moeten aan onze partners worden toegelicht.” Kortom, zoals Laurent Fabius zegt: “men kan humanist zijn zonder daarom laks te zijn!” (3)
In feite zou geen enkele vooruitziende man (of vrouw) aan het hoofd van de staat een andere politiek kunnen volgen. De wortels van het probleem liggen veel dieper en zijn verbonden met de aard van het kapitalistische systeem en zijn historische crisis. Via het tragische probleem van de emigratie zien wij hoe dit uitbuitingssysteem niet meer in staat is om een over-levingsminimum te verzekeren voor een steeds groter massa mensen die op de vlucht zijn voor de hel van honger, oorlogen en epidemieën. In dertig jaar is het aantal migranten in de wereld van 75 tot 200 miljoen mensen gestegen! En sinds het begin van de 21ste eeuw is de gezondheidstoestand wereldwijd aanzienlijk verslechterd. Vandaag is er een nieuwe kwalitatieve stap vooruit gezet met de woekering van gewapende conflicten en de afschrikwekkende ontwikkeling van de ellende; de exodus bereikt een in de geschiedenis van de mensheid nog niet eerder geziene omvang. Tegenover deze vloedgolf sluiten alle naties hun grenzen.
In de Verenigde Staten zal er tegen 2008 langs de Mexicaanse grens een werkelijke muur van 1.200 km gebouwd worden met radars, detectors, infraroodcamera's en een leger van 18.000 grensbewakers. De staat maakt zelfs gebruik van satellieten en robotvliegtuigen! Terwijl er al elk jaar honderden mensen in de woestijn omkwamen in de hoop de Verenigde Staten te bereiken, zullen het er, met deze ‘muur van de schaamte’, weldra duizenden zijn die daar met open mond gaan creperen.
In Europa is de toestand nog dramatischer. Rondom heel de Schengen-zone schieten de kampen waar men de illegalen opeenpakt als paddestoelen uit de grond. Een jaar geleden kwam deze gruwel openlijk ter sprake toen ons, in verband met de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in het Noorden van Marokko, beelden bereikten van mensen die letterlijk gespietst werden op de prikkeldraadversperringen aan de grens, die getroffen werden door politiekogels of die als schurftige honden midden in de woestijn gedropt werden. Dit barbaarse optreden werd trouwens uitgevoerd op bevel van de Spaanse regeringsleider, de zeer ‘democratische’ en ‘pacifistische’ meneer Zapatero, die eens te meer aantoonde dat zich achter het humanistische masker het hatelijke en bloeddorstige gezicht verbergt van de sociaal-democratie. Sindsdien is de situatie alleen maar verslechterd doordat ze zich heeft veralgemeend over heel Zuid- en Oost-Europa. Dit jaar zijn er op de ‘paradijselijke’ Canarische Eilanden in de Atlantische Oceaan 27.000 mensen aangespoeld in sloepjes van het (nood)lot, dat wil zeggen vijf maal meer dan in 2005! Dezelfde tragedie speelt zich af aan de kusten van Italië, op het eiland Lampedusa, op Malta en op Cyprus. Dezelfde tragedie aan de grens met Oekraïne, waar de zeer democratische Europese landen in het geheim het beheer van de kampen uitbesteden aan de Hongaarse staat, met werkelijke sloppenwijken waar duizenden illegalen uit de voormalige USSR of uit Azië zijn opeengepakt. En het ergste moet nog komen. Zoals dit zonder omwegen wordt bevestigd door Froilán Rodriguez (vice-minister voor immigratie van de Canarische Eilanden), “moet men zich voorbereiden op nooit geziene lawines” (4). Bewust van deze versnelling en bewust dat de toestand alleen maar zal verslechteren, zijn de Europese bourgeoisieën bezig om zich uit te rusten met een hoogtechnologisch uitgerust leger, belast met het de dood indrijven van duizenden migranten, net zoals in de Verenigde Staten: oprichten van kampen, infraroodkijkers, lucht- en zeepatrouilles…
Het kapitalisme is ten einde raad en het lot dat het voor de mensheid in petto heeft zit samengeperst in wat het deze massa van immigranten doet ondergaan. Door in te zien dat al deze ellende en onmenselijkheid voortkomt uit het kapitalisme in verval wordt één werkelijkheid overduidelijk: stemmen in mei 2007, voor wie dan ook, dient helemaal niets anders dan om zichzelf in slaap te wiegen met illusies. Opdat de mensheid kan leven, moet het kapitalisme sterven. Eenmaal bewust van wat er op het spel staat, en van de omvang van deze taak, is de eerste reactie dikwijls “maar in afwachting van deze ‘grote dag’ moet er toch iets gedaan worden!” Ja, natuurlijk moet er iets gedaan worden. Er moet gestreden worden, gestreden op het terrein van de arbeidersklasse. In de strijd komen de diepste gevoelens van solidariteit tot een praktische uitdrukking. En juist vandaag is de arbeidersklasse weer bezig met het terugvinden van deze weg, ze vindt haar strijdbaarheid terug, haar instincten van eenheid en solidariteit.
Op het onmiddellijke vlak zijn het de leerkrachten en ouders die in staking gaan en die zich fysiek verzetten tegen de politie die kinderen direct uit de klas komt halen. In alle lagere scholen, colleges en lycea waar zich ‘illegalen’ bevinden in korte broek, ontwikkelen zich discussies over hoe men de razzia’s kan beletten, hoe het ene of het andere kind verstoppen. Er zijn arbeiders die het werk stilleggen ter verdediging van hun fabriekskameraden zonder papieren die met uitwijzing bedreigd worden.
Ten slotte is er nog de strijd die getuigt van de diepgaande solidariteit en eenheid van het proletariaat, zoals die van de bagageafhandelaars die meerdere dagen de luchthaven van Heathrow in Londen hebben geblokkeerd, in Augustus 2005, uit solidariteit met de Pakistaanse arbeiders in de ravitaillering, die het slachtoffer waren van een gemene aanval van hun werkgever Gate Gourmet. Nochtans werden deze bagageafhandelaars niet bedreigd met ontslag en toch versloegen de media overal tegelijkertijd (5) de staatspropaganda van de heer Blair (nog een socialist!), die juist de haat opklopte tegen de Pakistani, die allemaal afgeschilderd werden als potentiële terroristen. In deze voorbeeldige strijd was het verschil bijna voelbaar tussen de verrotting van de burgerlijke ideologie en de grootsheid van de proletarische moraal.
De solidariteit van de arbeidersklasse heeft niets te maken met medelijden en neerbuigende gevoelens. Het gaat om een werkelijke solidariteit, gesmeed door het bewustzijn te behoren tot éénzelfde strijd, klassenbroeders te zijn, slachtoffers van hetzelfde systeem, van dezelfde uitbuiting, wat ook haar nationaliteit, kleur of godsdienst moge zijn. Door te stellen dat een natie “niet alle ellende van de wereld kan ontvangen”, drukt Michel Rocard de gedachtegang van heel de bourgeoisie uit. Maar de arbeidersklasse hoeft deze logica van het kapitalisme en zijn nationale grenzen niet te aanvaarden. In tegendeel, zij moet er haar internationalistisch wezen tegenover stellen door ronduit te bevestigen: “De arbeiders hebben geen vaderland. Arbeiders aller landen, verenigt u!”
Pavel / 16.10.2006
(1) Ministeriële circulaire van Oktober 1999.
(2) Maatregel aangenomen eind maart in het kader van de ‘Commissie voor het project 2007’ van de Parti Socialiste.
(3) Libération van 24 augustus 2006.
(4) Libération van 12 september 2006.
(5) Staking op hetzelfde moment als aanslagen in de Londense metro.
Ondanks de spiraal van nationalistische haat die in Israël en Palestina doorgaans de klassenstrijd in Israël en Palestina verlamt, drijven de grote economische ontberingen als gevolg van de permanente staat van oorlog de arbeiders van de twee tegenover elkaar staande kampen ertoe om voor hun eigen klassenbelangen op te komen. In september zette kantoorpersoneel van de Westelijke Oever en de Gaza-strook stakingen en betogingen op touw. Ze eisten van de Hamas-regering de uitbetaling van meerdere maanden achterstallige lonen, na de blokkering van de internationale fondsen door de staat Israël. Zo sloten ze zich aan bij de eisen van een groot deel van de 170.000 stakende ambtenaren. Ook de leerkrachten gingen sinds 4 september in staking met stakingspercentages die gaan van 80 tot 95%, van Rafah (in het zuiden van de Gaza-strook) tot Jenin (in het noorden van de Westelijke Oever). Deze beweging heeft zich uitgebreid tot in de Palestijnse politie en vooral begin oktober tot de gezondheidszorg waar de hygiënische toestand dramatisch is, met inbegrip van de Westelijke Oever. De ambtenaren van het Ministerie van Gezondheid ontvingen slechts drie gedeeltelijke lonen in zeven maanden en ze hebben beslist om over te gaan tot een onbeperkte staking om de betaling van hun loon op te eisen.
Parallel daaraan berichtte de site van Libcom.org, op 29 november dat er een algemene staking was uitgebroken onder de Israëlische ambtenaren, op de vliegvelden en de havens en dat alle postkantoren gesloten waren. 12.000 ambtenaren van de gemeentediensten, zoals de brandweer, gingen in staking, daarmee gehoor gevend aan de oproep van de vakbondscentrale Histradroet (de Algemene Federatie van de Arbeid) als antwoord op niet respecteren van de akkoorden tussen de vakbonden en lokale en religieuze autoriteiten. Histradroet heeft ook verklaard dat deze nog achterstallig moeten betalen en dat het geld van de ambtenaren dat in pensioenfondsen gestort moest worden was verdwenen.
De imperialistische oorlog vergroot de economische ruïne en de ellende van de proletariërs in de regio. De bourgeoisie van beide kampen is steeds minder in staat om zijn loonslaven te betalen.
Deze twee acties vormden het voorwerp van allerhande politieke manipulaties. Op de Westelijke Oever en in Gaza heeft de nationalistische oppositie, de Fatah, geprobeerd om de stakingen te gebruiken om druk uit te oefenen op hun rivalen van Hamas.
In Israël heeft de Histradroet al een lange traditie van ‘algemene stakingen’, die onder grote controle staan om de woede van de arbeiders weg te leiden naar burgerlijke terrein en ten gunste van de een of andere fractie. Maar het is veelbetekenend dat in Israël de algemene staking van de Histradroet (die na vierentwintig uur werd stopgezet) werd voorafgegaan door een golf van minder gecontroleerde stakingen onder bagagepersoneel, leerkrachten, universiteitsprofessoren, bankpersoneel en ambtenaren.
De ontgoocheling rond het militaire fiasco van Israël in Libanon heeft dit groeiend ongenoegen zonder enige twijfel gevoed. Tijdens de staking in de Palestijnse gebieden in september veroordeelde de regering van Hamas de actie van de ambtenaren als indruisend tegen het nationale belang en probeerde zij de stakende leerkrachten tot andere gedachten te brengen: “Als u wilt betogen, betoogt dan tegen Israël, de Amerikanen en Europa!”
In feite gaat de klassenstrijd tegen het nationaal belang in en stelt zich daardoor op tegen de imperialistische oorlog.
Amos / 2.12.2006
Beste,
Ik kan het niet goed opmaken uit de propaganda die jullie verspreiden of uit de berichten op jullie site, maar ik vraag mij af of Internationalisten, linkskommunisten morgen ook betogen.
Staan jullie niet achter de betoging die solidariteit met de VW-ARBEIDERS beoogt, een betoging die er is gekomen vanuit de woede van de basis. Als de vakbondsleiders geen directe actie ondernemen omdat zij tot de politieke bourgeoisie horen, moeten we de arbeiders nog niet in de steek laten, toch? (M.B.)
Ons antwoord:
Beste kameraad,
Je hebt overschot van gelijk om te beweren dat men de arbeiders niet kan laten vallen. En het staat ook zonder meer vast dat het fundamenteel is om onze solidariteit te betuigen met de ontslagen arbeiders van VW. Maar hoe kunnen de revolutionairen hun solidariteit tot uitdrukking brengen met de arbeiders van VW? Wat ons betreft, hebben de revolutionairen voor alles de verantwoordelijkheid om zo duidelijk mogelijk te zijn met betrekking tot de perspectieven die zich aftekenen voor de strijd en zijn organisatie: geen verhaaltjes vertellen aan de arbeiders, ze niet in slaap wiegen met illusies, hun werkelijke krachten vooropstellen en hun valse vrienden aanklagen en de valstrikken die deze voor hen uitzetten. Daarom klagen de internationalisten de valse nationale tegenstellingen aan als pogingen om hen te laten geloven dat de regering, de patroons en de arbeiders solidair zouden moeten zijn voor het behoud van de nationale economie. Daarom ook stellen ze voorop, zoals wij gedaan hebben in ons pamflet, dat de vakbonden van vandaag professionele saboteurs zijn van de strijd en dat een cruciale voorwaarde voor de ontwikkeling van de strijd, het in handen nemen van de strijd door de arbeiders zelf is, via dagelijkse en soevereine algemene vergaderingen.
Om deze perspectieven te verdedigen heeft de IKS een pamflet wijd verspreid ontrent de ontslagen bij VW, niet alleen aan de fabriek zelf maar op talrijke plaatsen in verschillende steden in heel België, want de vragen die worden opgeworpen door het conflict bij VW gaan heel de arbeidersklasse aan. Het pamflet is eveneens op de internetsite van de IKS geplaatst en is daar vertaald in het Duits en in andere talen. Verder was de IKS aanwezig op de betoging van 2 december om er het pamflet te verspreiden, en haar pers te verkopen en om te discussiëren met de arbeiders. Met het doel om een brede discussie mogelijk te maken ontrent de perspectieven van de beweging, hebben wij eveneens een speciale openbare bijeenkomst georganiseerd en wijden wij nu een ruime plaats aan de lessen uit het conflict in onze krant. Wij kunnen jou, net als onze andere lezers, er enkel toe aanmoedigen om aan deze overdenking deel te nemen opdat de strijd van de arbeiders bij VW kan bijdragen tot het smeden van de wapens voor de komende strijd van de arbeidersklasse.
Internationalisme
Verontwaardigd door een drama zoals dat bij VW en door het cynische antwoord van het patronaat en de sociaal-liberale regering, voor wie “het nutteloos is om zich te verzetten tegen de wetten van de economie, de mondialisering en volgens wie het beter is om er het beste van te maken door nog meer opofferringen te aanvaarden en door, uitbuiters en uitgebuiten, eendrachtig de handen in elkaar te slaan in het belang van de nationale economie”, vragen vele arbeiders zich af: Wat te doen? Hoe te reageren? Groepen van ‘socialistisch links’, zoals de PvdA, de SAP of de LSP, beweren een antwoord aan te dragen voor deze lastige vragen. Met radicale slagzinnen als: “Handen af van onze tewerkstelling”, “Geen ontslagen”, “Solidariteit met de arbeiders van VW en van de onderaannemers”, “Een andere politiek is nodig”, werpen deze ‘gauchistische’ organisaties zich op als onverzettelijke verdedigers van de belangen van de arbeiders. Maar laten we eens kijken achter de slogans, en een licht werpen op de pamfletten die verdeeld werden op 2 december, tijdens de vakbondsbetoging in solidariteit met de arbeiders van VW, en zien welke perspectieven zij echt vooropstellen voor de strijd en de organisatie ervan.
1. Deze ‘socialistische linksen’ roepen in de eerste plaats de arbeiders op om zich te mobiliseren tegen de ‘arrogantie van de multinationals’ en de ‘superwinsten’ van rijke aandeelhouders: “Volkswagen schrapt 4.000 jobs in België en 20.000 in Duitsland. Nochtans bulken de groep en zijn aandeelhouders van het geld”; “Als er vandaag duizenden families in België in angst leven, dan is dat om de familie Porsche, het vijfde grootste Duitse fortuin met 5,1 miljard Euro, aan te dikken” (Solidair, PvdA, 29.11.2006). Alsof de Belgische ondernemingen niet zouden rationaliseren en delokaliseren! Alsof de reden van de vernietigende spiraal van economische kaalslag en oorlog die de wereld vandaag meesleurt zou liggen in de superwinsten van enkele schatrijke families! Via dergelijke argumenten moffelen deze organisaties in werkelijkheid de ware redenen weg, van de ramp die onze wereld treft. Het probleem ligt niet in de gulzigheid van enkele oude vrekken maar in de doodscrisis die de grondvesten zelf van de kapitalistische productiewijze aantast en aantoont dat deze historisch voorbijgestreefd is. Wat op tragische wijze wordt aangetoond door de massale ontslagen bij VW, is juist het onafwendbare ineenstorten van dit economisch systeem in verval waarvan de langzame doodsstrijd gepaard gaat met een ononderbroken opeenvolging van economische rampen en oorlogsslachtingen.
Door in het bijzonder de multinationals en de ‘grote fortuinen’ aan te klagen, doen deze ‘gauchistische’ groepen tegelijkertijd het idee binnensijpelen dat de arbeidersklasse druk zou moeten uitoefenen op de nationale staat om op te treden als een mogelijke medestander van de arbeiders: zo beweren ze, met betrekking tot VW, dat “indien de multinational niet op zijn beslissing terugkomt, de regering de terugbetaling moet eisen van de toegekende belastingvoordelen. Ja, zelfs beslag moet leggen op het kapitaal van een miljard Euro van zijn coördinatiecentrum” (Solidair). Deze kapitalistische staat die de soberheid oplegt, de strijd onderdrukt en voortdurend de levensvoorwaarden aanvalt van de arbeidersklasse, diegene die ontslaat bij de NMBS en de Post, wordt dus voorgesteld als een bondgenoot van wie de arbeiders heil zouden kunnen verwachten!
2. Datzelfde ‘socialistisch links’ stelt als strijdperspectief het aanpassen van de arbeids- en levensvoorwaarden binnen het systeem. Zo roept de PvdA de arbeiders van VW er toe op om te strijden voor “het instellen van een nieuwe spreiding van de productie binnen de groep”, “een evenredige herverdeling van de modellen en de productie ervan over de verschillende Europese vestigingen” (pamflet Raak niet aan mijn job, PvdA). Met andere woorden, druk uitoefenen op het patronaat voor de ‘evenredige spreiding’ van de soberheid, ja zelfs aan de arbeiders van andere landen vragen om meer soberheid te aanvaarden ‘uit solidariteit’!
Anderen schijnen ‘radicalere’ perspectieven naar voren te schuiven: zij dringen aan op de druk die moet uitgaan van de strijd op de ‘overheid’ voor het doorvoeren van een beheer en een reconversie van de economie ten gunste van de arbeiders: “De overheid zou in de vestiging van Vorst echt de belangen van de arbeiders moeten dienen door de productie te heroriënteren op basis van een maatschappelijk debat ontrent de mobiliteit” (pamflet van de LSP); “een politiek die de controle van de arbeiders en hun vertegenwoordigers in de bedrijven versterkt, opdat er echte alternatieven zouden kunnen voorop gesteld worden [...] reconversie van de productie, onder controle van de vakbonden en de arbeiders” (pamflet van het Comité voor een Andere Politiek).
Het geheel van de voorstellen heeft één leidmotief: de acties moeten druk uitoefenen met het oog op het aanpassen van het systeem, het invoeren van hervormingen ten gunste van de arbeiders. Het idee dat er natuurlijk aan ten grondslag ligt is dat de arbeiders en de kapitalisten fundamenteel in hetzelfde schuitje zitten en dat voldoende druk op de ‘rijken’ het mogelijk moet maken om een beter sociaal en ecologisch evenwicht te vinden. Met dergelijke oriëntaties verdoezelen de ‘gauchisten’ de historische crisis van het kapitalisme en wat er daaruit voortvloeiend op het spel staat: de soberheidspolitiek van de laatste dertig jaar net zoals de ellende, de oorlogsslachtingen en de chaos op wereldschaal die niet voortvloeien uit de slechte wil van de ‘rijke aandeelhouders’ maar uit een economisch en politiek systeem dat op drift geslagen is. Het gaat er dus niet langer om het kapitalisme te hervormen maar het te vernietigen voor het de mensheid om zeep helpt. Want voor het behoud van haar privileges zal de bourgeoisie niet aarzelen om de arbeidersklasse in de meest barre ellende te storten, om haar te gebruiken als kanonnenvlees en de mensheid in het ergste barbarendom te doen wegzinken.
3. Achter hun radicale taal roepen de PvdA, de SAP en de LSP, er in de grond toe op om te strijden voor het hervormen van de democratische staat, die een dam zou vormen die de arbeiders beschermt tegen de uitwassen van de ‘neo-liberale logica’. De arbeidersklasse zou de ‘sociale dimensie’ moeten verdedigen van de democratische staat tegen de neo-liberale uitglijders en de druk op de ‘overheid’ zou moeten waarborgen dat de sociale voorwaarden terug aanvaardbaar zouden worden en de weerslag van de herstructureringen zou verminderen: “werktijdvermindering zonder loonverlies in de verschillende vestigingen van de groep”; “prépensioen op 55 jaar voor iedereen” (pamflet Raak niet aan mijn job, PvdA); “Het generatiepact moet worden teruggeschroefd” (pamflet van de vakbondsbasis, 15 DeBe/Mo 15 De). Of deze verdediging van de democratische staat wordt gesteld op het Belgisch vlak of zelfs op het vlak van een “Europese politiek die de macht van de aandeelhouders aan banden moet leggen en de concurrentie moet doen ophouden tussen de generaties en tussen de landen” (pamflet van het Comité voor een Andere Politiek, beweging voor een nieuw socialistisch links), het beeld dat wordt opgehangen van een sociale staat die de arbeider in bescherming neemt in het kader van de democratie, is in elk geval een valstrik. Het zijn daadwerkelijk de kapitalistische staten en hun regeringen die, met behulp van soberheidsplannen en tewerkstellings-, competitiviteits- en generatiepacten, de flexibiliteit verhogen en de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse aantasten.
De democratische staat wordt niet alleen geacht de arbeiders te beschermen, hij zou ronduit, en dank zij een ‘werkelijk reconversieplan’, de reconversie kunnen paren aan een maatschappij met respect voor de mens en de natuur: “De verdediging van de tewerkstelling van de arbeiders van deze sector houdt dus, op termijn, haar reconversie in naar de productie van sociaal nuttige en ecologisch draagbare producten. De fabriek in Vorst zou zich, bijvoorbeeld, kunnen wijden aan de productie van voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer en van materiaal voor het uitrusten van het Brusselse streekvervoer of aan het lanceren van een openbaar initiatief van de productie van een veilig en ecologisch verantwoord voertuig” (Pamflet van de SAP). Buiten het feit dat dit voorstel een hersenschim is, illustreert het eens te meer de misleidende aard van het zelfmoordperspectief dat door deze groepen aan de arbeiders wordt voorgesteld.
Kortom de argumentatie van de ‘gauchistische’ groepen mikt er op om het idee op te dringen dat de staat, in plaats van ten dienste te staan van de patroons, de arbeiders zou kunnen verdedigen, dat de staat tot een beschermheer van de loontrekkers zou kunnen worden en niet langer ‘in dienst van het patronaat’ zou staan. Niets is minder waar. In het kapitalisme in verval is het in werkelijkheid de staat die de aanvallen van de bourgeoisie coördineert. Hij is het die de meest algemene aanvallen leidt die de arbeidersklasse in haar geheel treffen: omtrent de pensioenen, de sociale zekerheid, tegen de werklozen. Het is de staat als patroon, die zelf het voorbeeld geeft van de brutaliteit van de aanvallen door het massaal verminderen van het aantal van zijn ambtenaren en door hun lonen gedurende jaren te blokkeren. De staat kan enkel de verdediger bij uitstek zijn van de belangen van de burgerlijke klasse door alle omstandigheden te verzekeren voor de verdediging van de belangen van het nationale kapitaal tegen de arbeidersklasse.
4. Wat de organisatie van de strijd betreft roepen de PvdA, de SAP en de LSP, de arbeiders er toe op om druk uit te oefenen op ‘hun’ vakbondsorganisaties en ‘hun’ délégués om de strijd te organiseren. En dit terwijl de vakbonden van bij het begin elke arbeidersmobilisering onderdrukt hebben door de arbeiders naar huis te sturen en aldus elke mogelijkheid hebben uitgeschakeld van uitbreiding naar andere bedrijven. En op het ogenblik dat deze professionele saboteurs de voorwaarden scheppen die hen in staat moesten stellen om de solidariteitsbetoging voor te stellen als een uitdrukking van de onmacht (zie artikel hiernaast), doet de LSP op een schijnheilige manier het idee schuimen onder de arbeiders omtrent de illusies in de vakbonden: “Waarom geen gebruik maken van het succes van deze betoging om een algemene 24 urenstaking aan te kondigen tegen de ontelbare herstructureringen?” (pamflet van de LSP).
De vakbonden zijn niet aan hun proefstuk: denken wij maar even terug aan het ‘solidariteitspact’ een jaar geleden. “Onaanvaardbare maatregelen” bazuinde het ABVV in oktober; maar ondanks het diepe algemene ongenoegen binnen de arbeidersklasse, dat in het bijzonder tot uiting kwam op de bijeenkomst van 100.000 arbeiders in Brussel tijdens de nationale vakbondsbetoging van 28 oktober, kondigde diezelfde organisatie eind december zonder verpinken aan: “opschorting van de acties en het zoeken naar meer doelgerichte drukkingsmiddelen” (sic!). En het parlement nam zonder tegenstand in december het ‘solidariteitspact’ aan net als de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Zoals de aanval op de arbeiders van VW eens te meer heeft laten zien, is het overlaten van de belangen van de arbeiders in de handen van de vakbonden de beste waarborg voor een totale nederlaag. Nu al sedert meer dan honderd jaar verdedigen de vakbondsorganisaties niet langer de belangen van de arbeidersklasse maar zijn ze omgevormd tot de waakhonden van de bourgeoisie in de fabriek. En door hun kritische steun aan deze organisaties waarborgen de ‘gauchistische’ groepen hun geloofwaardigheid, door de arbeiders die zich vragen stellen telkens terug in het vakbondsgareel terug te brengen.
Deze opstelling van de ‘gauchistische’ organisaties zoals de PvdA, de SAP en de LSP is niet eenmalig. Achter hun radicaal gepraat dat hen in staat stelt om de elementen aan te zuigen die ontgoocheld zijn door de voortdurende sabotage van de strijd door de vakbonden en door de openlijke deelname van traditioneel links aan de soberheids- en herstructureringspolitiek, vormen de strijd- en organisatieperspectieven die door deze groepen worden voorgesteld een zelfmoordkader voor de strijd. Dit kader kan enkel leiden tot ontmoediging en oriënteert de solidariteit naar verrotte perspectieven die leiden tot berusting en het slikken van de aanvallen. De schijnbare radicaliteit van hun stellingen is dus een lokvogel om de elementen die op zoek zijn naar een werkelijk alternatief voor het kapitalisme af te leiden naar de verdediging van de democratie en de strijd voor hervormingen, en om bij hen uiteindelijk elke dynamiek van bewustwording te kelderen.
Geconfronteerd met het verlies aan geloofwaardigheid van de ‘klassieke’ linkse partijen heeft de bourgeoisie er alle belang bij om nieuwe geloofwaardige krachten in stelling te brengen om de wacht af te lossen. Krachten die nog niet aangetast zijn door uitoefening van de macht maar die, via een radicaler gepraat en image, de arbeiders leiden naar dezelfde valstrikken van het parlementarisme en de illusoire strijd voor de hervorming van de burgerlijke staatstructuren. Vanuit dit standpunt doen de organisaties van ‘socialistische links’ zoals de LSP, de SAP en de PvdA een uitstekend werk... in dienst van de burgerlijke klasse.
Jos / 01.01.2007
De Franse OCL (Organisation Communiste Libertaire) publiceerde in haar maandblad Courant Alternatif in de zomer van 2006 een lang dossier onder de veelbelovende titel: “De rellen in de voorsteden in het licht van de beweging tegen de CPE.” Er zijn weinig organisaties die vandaag nog terugblikken op de voorbeeldige strijd van afgelopen voorjaar. De beweging van de studenten in Frankrijk is nochtans een goudmijn voor het hele wereldproletariaat. Haar dynamiek en methoden vormen even zovele lessen voor de arbeidersklasse om overal de strijd in eigen handen te nemen. De rellen in de voorsteden willen begrijpen ‘in het licht van de beweging tegen de CPE’ is dus van het grootste belang. En de OCL stelt meteen de juiste vraag : “Het enorme elan van solidariteit waarvan begin 2006 de schoolgaande jeugd genoten heeft in haar beweging tegen de CPE [...] zet ertoe aan opnieuw na te denken over de sociale revolte die vele volkswijken afgelopen herfst getroffen heeft [...] Waarom kon die revolte op zo weinig sympathie rekenen bij de bevolking ?”
Maar voor deze libertaire organisatie is die mooie intentieverklaring niets meer dan een alibi om kolom na kolom op de de beweging van vorig voorjaar te spugen en zich laatdunkend over de strijdende studenten uit te laten.
In werkelijkheid buigt de OCL zich niet één keer over de rellen ‘in het licht van de beweging tegen de CPE’ (Contrat de Première Embauche: het startbaancontract). Geen enkele keer probeert ze te begrijpen ‘in het licht’ van de Algemene Vergaderingen die voor alle arbeiders openstonden en van de verenigende ordewoorden van de strijd van de studenten, waarom het in brand zetten van de volkswijken slechts angst teweeggebracht heeft en het op zichzelf terugtrekken van de grote meerderheid van de arbeiders, waarom het slechts een versterking van de veiligheidspolitiek en de repressiemaatregelen van de staat vergemakkelijkt heeft.
Terwijl ze zichzelf drapeert met valse radicaliteit geeft de OCL zich daarentegen over aan een lofzang op het geweld. Ze rechtvaardigt punt voor punt het in band steken van lijnbussen, van scholen, auto’s, sportzalen... om te bewijzen dat dit geen ‘doelloze daden’ zijn, dat deze ‘doelwitten’ een revolte tonen tegen alles wat de jongeren van de buitenwijken dagelijks onderdrukt. Als bewijs geeft ze ons mee: “Waarom personenauto’s vernielen [...] ? Omdat wanneer 1/3 tot 2/3 van de huishoudens in sommige wijken geen geld hebben om er een te kopen, het bezit van een auto, net als het hebben van een vaste baan, voor sommige jongeren iets van de bevoorrechten is.” Nee, precies zijn buurman aanvallen omdat hij iets minder in de ellende zit, dat is wel de antithese van proletarische strijd. De woede van die jonge relschoppers is natuurlijk terecht, hun leven vandaag en morgen is ondraaglijk en onaanvaardbaar, maar meegesleurd door de woede van de wanhoop en het ‘no future’ kunnen ze zich slechts uitdrukken op het verrotte terrein van haat en vernieling.
Hun rellen konden niet uitmonden op enige solidariteitsbeweging in de arbeidersklasse. Ook al konden vele arbeiders de woede van die jonge uitgeslotenen ‘begrijpen’, dan nog waren ze er de eerste slachtoffers van. Op geen enkel moment konden ze zich herkennen in dergelijke methoden die inderdaad niet tot de klassenstrijd behoren.
Daarom heeft de staat tijdens de beweging tegen de CPE de ene provocatie na de andere gelanceerd, in de hoop de studenten op hun beurt mee te trekken in de impasse van gewelddadige rellen. De bedoeling was duidelijk : het “immense elan van solidariteit” moest gebroken worden, de dynamiek van de ontwikkeling van eenheid en vertrouwen in het proletariaat moest gebroken worden door de jonge betogers af te schilderen als relschoppers om zo de arbeiders, die zich in steeds grotere aantallen bij de betogingen aansloten, schrik aan te jagen. Begin maart werd de Sorbonne door tot de tanden gewapende CRS-oproerpolitie belegerd, waardoor in het Quartier Latin een sfeer van stadsoorlog geschapen werd. De studenten zaten in de val, weigerden op te geven, en zaten zonder water en eten. Alles werd in het werk gesteld om ze te doen buigen en confrontaties uit te lokken. Maar de studenten hebben niet toegegeven. Op 16 maart is het hetzelfde liedje: de regering, met de medeplichtigheid van de vakbonden waarmee over de route van de betogingen onderhandeld wordt, zetten een ware muizenval uit voor de Parijse betogers die aan het einde van het parcours ingesloten worden door de politie. Maar opnieuw trappen ze niet in de val van de opwinding over een gespierde confrontatie. En opnieuw geven de media een compleet vertekend beeld van wat zich op deze dag afgespeeld heeft door de camera's alleen te richten op enkele honderden jongeren uit de voorsteden die zich in de marge van de betoging overgeven aan stenengooien en ander zinloos geweld. Tenslotte is het op de 23e, met de zegen van de aanwezige politie, dat groepen jongeren zich tegen de betogers gekeerd hebben om hen te beroven of om hen zonder reden af te rossen. Niet alleen in Frankrijk, maar wereldwijd probeert de bourgeoisie op deze wijze de aandacht van de arbeidersklasse te richten op het verrotte terrein van vernielingen en knokpartijen met de politie. In Groot-Britannië, in de Verenigde Staten... namen de nieuwsjagers alleen nog maar het woord ‘riots’ (rellen) in de mond.
In het licht van deze feiten zijn de stellingnamen van de OCL ronduit walgelijk. Voor haar is het enige positieve dat we uit de beweging tegen het CPE moeten onthouden juist die vernietigingsdrang: “Een actieve minderheid heeft zich ingezet om de beweging te radicaliseren, zowel door gewelddadige acties in de marge van de betogingen als met wilde bezettingen.” De OCL stelt verder: “Een geradicaliseerde minderheid van studenten of revolutionaire militanten toonde zich vastbesloten om het uit te vechten met de politie en om etalageruiten en andere symbolen van de consumptiemaatschappij te vernietigen.” En deze ‘heldhaftige’ daden zouden een “samengaan in dezelfde gewelddadige houding” moeten vertegenwoordigen met “degenen die uit de volkswijken komen.” Hier komt tenslotte het ware gezicht tevoorschijn van de solidariteit met de jongeren uit de voorsteden waar de OCL zo de nadruk op legt: het navolgen van dezelfde rellenmethodes, heel de jeugd en alle arbeiders aanmoedigen om zich in die brandhaard en die strijd zonder vooruitzichten te gooien. De OCL doet dus niets anders dat het spelletje van de staat meespelen die ze zegt zo te haten. Precies die “minderheid van geradicaliseerde studenten” en die zogenaamd “revolutionaire militanten” heeft de bourgeoisie gebruikt om de beweging in diskrediet te brengen en er angst, wantrouwen en verdeeldheid in te zaaien.
Maar de OCL speelt niet alleen mee in het spel van de bourgeoisie, ze gaat nog verder door schaamteloos de strijd van de studenten af te kammen: “We begrijpen hier beter wat voor zware gevolgen het stopzetten van de mobilisatie tegen de CPE heeft gehad voor de jongeren uit de volkswijken: door op dat punt toe te geven, kreeg de regering de handen vrij om de rest van de wet over gelijke kansen en de CESEDA inzake immigratie onveranderd door te voeren.” Je moet maar durven! De onophoudelijke aanvallen die vandaag op de arbeidersklasse regenen zouden tenslotte vergemakkelijkt zijn door de strijd van het afgelopen voorjaar. Sterker nog: “De ‘zege’ van de beweging tegen de CPE werd [...] gedeeltelijk behaald over de rug van de jongeren die onderaan de sociale ladder vastzitten, door voor anderen de kansen veilig te stellen om die te kunnen beklimmen.” De studenten zouden tenslotte niets anders zijn dan kleinburgers die vechten voor hun eigen portemonnee, om hun voorrechten te kunnen behouden, zonder zich te bekommeren om de andere arbeiders, en nog minder om de jongeren in de volkswijken. Het zouden slechts individuen zijn die “voor examens willen slagen om op te klimmen in de sociale hiërarchie.” Niets is minder waar! (1).
De realiteit is, integendeel, dat de studenten, bewust van de onzekerheid van hun huidige en toekomstige situatie, zich in de arbeidersklasse hebben herkend. Ze hebben zich massaal in de strijd geworpen voor de toekomst van de HELE maatschappij, van alle generaties, van de werklozen en de precaire arbeiders, en dus ook om de jongeren uit de volkswijken een perspectief te bieden en hen de gelegenheid te geven om uit de wanhoop te klimmen waarin het blinde geweld van november 2005 hen heeft geduwd. De faculteit Censier in Parijs heeft een ‘Vommissie Voorsteden’ opgericht, belast om te gaan praten met de jongeren uit de achtergestelde wijken, met name om hen uit te leggen dat de strijd van studenten en leerlingen ook in het belang is van de jongeren die in de wanhoop van de massale werkloosheid en de sociale uitsluiting gestort zijn. In de algemene vergaderingen werden regelmatig tussenkomsten gehoord als: “Door de CPE af te wijzen, vechten wij zowel voor ons als voor de minstbedeelden.” Het meest overtuigende bewijs is waarschijnlijk de eis van amnestie voor alle jongeren die veroordeeld werden gedurende de ‘hete herfst’ van 2005. In tegenstelling tot de leugens die de OCL verspreidt, heeft de kracht van de beweging tegen de CPE, het vermogen van de studenten om een gevoel van solidariteit mee te dragen in de strijd, een onmiddellijk resultaat gehad, namelijk dat een grote meerderheid van de jongeren uit de voorsteden zich bij die strijd heeft aangesloten. Naarmate de strijd zich ontwikkelde, zijn de leerlingen van de lycea in de voorsteden zich in steeds grotere getale komen aansluiten bij de betogers, waardoor de afpersers en ander kleine misdadigers in de minderheid en in de marge bleven. Terwijl de rellen slechts een klein gedeelte van de jongeren in de hysterie van geweld konden meeslepen, terwijl de rest zich afgeschrikt opsloot, heeft de strijd van de studenten, haar methoden en doelstellingen, een andere manier om strijd te voeren en een perspectief geboden.
Omdat de strijd van de schoolgaande jeugd tegen de CPE zich de echte strijdmethoden van de arbeidersklasse heeft eigen gemaakt (met name de Algemene Vergaderingen, de verenigende ordewoorden en de straatbetogingen), heeft ze kunnen rekenen op de sympathie en solidariteit van een groeiend aantal proletariërs. Juist omdat de beweging tegen de CPE niet steunde op vernielingen in arbeiderswijken, maar op solidariteit tussen de generaties, tussen alle sectoren van de arbeidersklasse, tegen de aanvallen van de bourgeoisie, heeft ze duizenden jongeren kunnen aantrekken die enkele maanden nog ten prooi waren aan wanhoop, en heeft deze beweging een sociale kracht kunnen opbouwen die in staat was om de regering terug te dringen.
Pavel / 19.11.06
(1) Het is dan ook uiterst komisch om in de conclusie van dit dossier te kunnen lezen: “In de eerste plaats moet worden getracht om een solidariteit tussen proletariërs te bewerkstelligen, door de aandacht te vestigen op het gemeenschappelijke lot van de kapitalistische uitbuiting en de precariteit die allen bedreigt (zonder na te kunnen laten er iets aan toe te voegen) ofschoon in verschillende mate.”
De repressie die de Mexicaanse staat ontketend heeft tegen de bevolking van Oaxaca legt de bloeddorstige wreedaardigheid van de democratie bloot. Sinds vijf maanden is Oaxaca omgevormd tot een waar kruitvat, met paramilitaire korpsen en politie als gewapende arm van de staatsterreur. Huiszoekingen, opsluitingen en martelingen worden elke dag gebruikt door de staat om ‘orde en vrede’ te herstellen. De uitspattingen van de politie hebben tientallen ‘verdwijningen’ tot gevolg, talloze gevangenen en minstens drie doden (zonder het twintigtal personen mee te rekenen dat tussen mei en oktober dit jaar vermoord werd door de witte gardisten).
Zes jaar geleden verklaarde de heersende klasse dat met de regeerperiode van Fox een ‘tijd van veranderingen’ ingeluid werd. Maar de realiteit maakt duidelijk dat welke partijen of personen er ook in de regering zetelen, het kapitalisme geen enkele verbetering te bieden heeft... en het is duidelijker dan ooit dat het huidige systeem niets anders te bieden heeft dan uitbuiting, ellende en repressie. De hele arbeidersklasse moet zeer grondig de lessen trekken uit wat in Oaxaca is gebeurd om te begrijpen dat de toestand van geweld en repressie die zich daar ontwikkeld heeft niet gebonden is aan een regering in het bijzonder, maar dat ze in de aard van het kapitalisme zelf besloten ligt.
Opdat de komende strijd beter voorbereid zij, is het nodig een stand van zaken te bepalen omtrent de betekenis van de huidige mobilisaties.
De huidige betogingen in Oaxaca zijn zonder twijfel een uitdrukking van de ontevredenheid die er onder de arbeiders bestaat tegen de uitbuiting en de schande van het kapitalisme. De mobilisaties in die streek drukken de onvrede uit over de toenemende aftakeling van de levensvoorwaarden. Ze zijn het resultaat van een diepe woede en bewijzen een ware moed en strijdwil. Maar ze werden echter misbruikt door de bourgeoisie die erin geslaagd is de doeleinde, methodes en organisatie van de acties aan de controle van de arbeiders te onttrekken.
De conflicten die zich ontwikkelen binnen de bourgeoisie (die verdeeld is in rivaliserende fracties) hebben geholpen om de sociale onvrede af te leiden door de strijd voor looneisen te herleiden tot een beweging zonder vooruitzichten, afgeleid door één van de fracties van de bourgeoisie, de ‘democratiserende’, tegen een andere, bestaande uit oude kopstukken.
Geconfronteerd met de mobilisatie heeft het sysreem duidelijk zijn bloeddorstige aard getoond, maar dat gebruik van terreur door de staat gaat verder dan de repressie tegen de betogers van Oaxaca. Het optreden van de militaire en politiemacht heeft niet als hoofddoel de Volksassemblee van de volkeren van Oaxaca (APPO) van de kaart te vegen, maar wil fundamenteler terreur verbreiden als een waarschuwing en dreiging tegen het geheel van de arbeiders. De staatsterreur werd ontketend door de repressiekrachten van de staat te koppelen aan die van de federale regering, waarbij duidelijk getoond werd dat zelfs wanneer er een strijd bestaat tussen verschillende groepen van de bourgeoisie, deze er steeds in slagen een akkoord te bereiken om hun repressieve taak tot een goed einde brengen. De veronderstelling dat het mogelijk zou zijn een ‘dialoog’ aan te gaan met een deel van de bourgeoisie, komt erop neer de ijdele hoop te voeden dat er binnen de bourgeoisie een ‘progressieve’ of ‘verlichte’ fractie zou kunnen bestaan. Door het ontslag van Ulises Ruiz (1) als hoofddoel van de beweging voorop te stellen, heeft de APPO de illusie gewekt dat het kapitalistisch systeem verbeterd kan worden door het te democratiseren of door de mensen die de macht dragen te vervangen.
Het ordewoord van de APPO om de krachten te bundelen tegen Ulises Ruiz versterkt op geen enkele manier de collectieve overdenking en de bewuste actie. Het betekent integendeel het verspreiden van verwarring en het onderwerpen van de sociale actie aan de belangen van één van de fracties van de bourgeoisie tegen een andere. Het duidelijkste bewijs van die afleiding en van de groeiende verwarring wat betreft de objectieven blijkt uit het feit dat de loonkwestie, die aan de basis van de beweging lag, naar de achtergrond verschoven is. Vakbonden en federale regering hebben de loonkwestie herleid tot een eenvoudig technisch probleem van adequate steun voor de streek door een planning van de openbare uitgaven, waardoor ze de kwestie konden isoleren en haar voorstellen als een ‘plaatselijk’ probleem, zonder enig verband met de rest van de loontrekkers.
De strijdmethodes die vooropgesteld werden, piketten, blokkades, uitputtende marsen en uitzichtloze confrontaties, hebben belet dat solidariteit tot uiting kwam. Ze hebben de beweging integendeel geïsoleerd, haar kwetsbaar gemaakt tot ze een gemakkelijk doelwit werd voor de repressie.
De samenstelling van de APPO (bestaande uit ‘sociale-’ en vakbondsorganisaties) toont al dat deze organisatie, en de beslissingen die ze neemt, ontglippen aan de handen van het proletariaat. Omdat ze de discussie en overdenking overgelaten heeft aan de vakbonden en de groepen van de linkerzijde van de bourgeoisie, heeft deze structuur haar niet-proletarische aard voldoende aangetoond. Ze heeft er duidelijk voor gezorgd dat de kracht van destrijdende arbeiders finaal verdund en verzwakt werd, een kracht die zich nooit kan uitdrukken in een structuur die, hoewel ze zich voordoet als zogenaamd open assemblee, in de praktijk haar ware aard toont, namelijk die van een interklassefront dat geleid wordt door de verwarring en wanhoop van de middenlagen. De oproep die op 9 november 2006 gelanceerd werd om de APPO om te vormen tot een permanente structuur (Staatsassemblee van de volkeren van Oaxaca) bewijst dat goed, namelijk wanneer ze de Grondwet van 1917 van de Mexicaanse bourgeoisie omschrijft als "een historisch document dat de bevrijdende traditie van ons volk bevestigt" en door op te roepen die te verdedigen, "alsmede het grondgebied en zijn natuurlijke grondstoffen". Het radicalisme beperkt zich tot de verdediging van de nationalistische ideologie, die puur vergif is voor de arbeiders. De oproep bevat bovendien een regelrecht vervalsing van het proletarisch internationalisme wanneer ze de noodzaak uitroept van "het smeden van banden van samenwerking, solidariteit en broederschap met alle volkeren van de aarde voor de opbouw van een rechtvaardige, vrij en democratische maatschappij, een echte menselijke samenleving"... door de strijd voor de "democratisering van de VN"!
De oprichting van de APPO was geen stap vooruit voor de beweging van de arbeiders, ze is integendeel verbonden aan de verplettering van hun onvrede. De APPO heeft zich ontpopt tot een echte ‘dwangbuis’ om de proletarische strijdwil aan banden te leggen. De stalinistische, maoïstische en trotskistische groepen en de vakbonden die er deel van uitmaken hebben de moed en de uitdrukkingen van solidariteit van de arbeidersklasse van hun ware aard kunnen ontdoen door er een oriëntatie en een actie aan op te leggen die mijlenver verwijderd is van de belangen van de arbeiders en van de andere uitgebuiten. De vergelijkingen die de APPO durft te maken tussen haar structuur en die van de sovjets, hun pretentie dat ze een ‘embryo van arbeidersmacht’ zijn, dat alles zijn allemaal beledigingen aan het adres van de arbeidersbeweging.
De authentieke proletarische organisatie onderscheidt zich hierin, dat de doeleinden die ze zich stelt direct verbonden zijn aan haar klassebelangen, dat wil zeggen aan de verdediging van haar levensvoorwaarden. Ze stelt zich niet tot doel de ‘nationale economie’ te verdedigen, de verstaatste economie of de democratisering van het systeem dat haar uitbuit. Ze streeft vóór alles haar politieke onafhankelijkheid te verdedigen tegenover de heersende klasse, een onafhankelijkheid die haar in staat stelt haar strijd te voeren tegen het kapitalisme.
In die zin houdt de eisenstrijd van de arbeiders de voorbereiding in van een radicale kritiek van de uitbuiting: ze drukken het verzet uit tegen de economische wetten van het kapitalisme en de radicalisering ervan opent de weg naar de revolutie. Dat zijn momenten die deel uit maken van de voorbereiding op de revolutionaire gevechten die het proletariaat zal moeten leveren, en in die zin zijn ze de kiemen van de revolutionaire strijd.
Als internationale en internationalistische klasse moet het proletariaat in alle landen zich de ervaringen van zijn voorbije gevechten eigen maken en assimileren. Het is dus onmisbaar om de ontwikkeling van zijn bewustzijn aan te zwengelen dat het zich bijvoorbeeld de lessen eigen maakt van de mobilisatie die ontwikkeld werd door studenten en arbeiders in Frankrijk in het voorjaar 2006 tegen het Startbaancontract (CPE). De wezenlijke les van die beweging was haar organisatievermogen waardoor het voldoende controle over de strijd kon behouden om de gauchisten en vakbonden te verhinderen de beweging van haar centraal doel af te leiden, de strijd tegen de precariteit. De strijd die de arbeiders in Vigo (Spanje) in dezelfde periode gevoerd hebben gaat in dezelfde zin met hun looneisen en de uitbreiding van de strijd via de controle over hun assemblees tegen de sabotage door de vakbonden.
De verdediging van hun levensvoorwaarden, de organisatorische zelfstandigheid en de massale overdenking die in deze bewegingen bereikt werden, zijn lessen voor het gehele proletariaat, lessen die het voorop zal moeten stellen om zijn toekomstige gevechten te ontwikkelen.
Gebaseerd op een artikel in Revolucion Mundial, orgaan van de IKS in Mexico / 18.11.2006
(1) Gouverneur van de Staat van Oaxaca, lid van de voormalige leidende partij van Mexico, de PRI, corrupt en clientelist.
De bourgeoisieën van de meest ontwikkelde landen, met inbegrip van de Verenigde Staten, hebben ieder uit imperialistisch eigenbelang het verschijnen van het plan Baker voor de Amerikaanse buitenlandse politiek toegejuicht. Het werd uitgewerkt door een studiegroep die bestond uit de Amerikaanse top-politici: conservatieven zowel als democraten. Na de gevoelige nederlaag van president Bush en zijn regering bij de verkiezingen voor de het huis van afgevaardigden en de senaat moest de Amerikaanse bourgeoisie wel reageren. Die nederlaag werd vooral veroorzaakt door de totale mislukking van de imperialistische politiek van de Verenigde Staten in Afghanistan en vooral in Irak. Het steeds verder vastlopen van haar leger in Irak, de totale afwezigheid van enig perspectief, en de hand over hand toenemende chaos zijn slechts uitingen van de versnelde aftakeling van de grootste wereldmacht. Nu ze is een volslagen impasse is geraakt werkt de Amerikaanse bourgeoisie al maandenlang zeer officieel aan een nieuwe koers die geloofwaardiger moet overkomen en de verdediging van haar imperialistische belangen beter dient. Dat was de reden voor de oprichting van een onderzoekscommissie voor Irak die, in het voetlicht van de media, zo juist haar verslag heeft uitgebracht.
Het Amerikaanse imperialisme kan zijn aftakeling in de imperialistische arena niet ongedaan maken. Dit plan omvat de hele imperialistische politiek van de Verenigde Staten aan. Het begint met de voor de hand liggende vaststelling dat de oorlogspolitiek in Irak geen schijn van kans maakt. Maar het gaat verder, het benadrukt de opkomst van grote druk van anti-Amerikaanse en anti-Israëlische politiek in heel het Nabije en Midden-Oosten. Het lijkt er op dat dit verslag ingaat tegen de politiek die de Verenigde Staten in dit deel van de wereld al jarenlang voeren. Het voorziet in een geleidelijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak en de massale versterking van het Iraakse leger dat onder de leiding zou moeten komen te staan van de eerste minister Noeri Kamal Al Malaki. Terwijl de bloedige aanslagen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen, met een volslagen machteloze regering en een Amerikaans leger dat zich verschanst heeft in versterkte kampen, wordt onmiddellijk duidelijk wat een dergelijk voorstel is: onrealistisch, onuitvoerbaar en niet van deze wereld. Dat is zo overduidelijk dat men zich er in het plan Baker voor hoedt om de streefdatum voor de terugtrekking van de Amerikaanse troepen op te geven. Dat geldt ook voor de andere voorstellen die in dit rapport worden gedaan. Wat bij het lezen van het rapport eveneens opvalt zijn de voorstellen om de dialoog met Syrië en Iran officieel weer aan te gaan. Het verslag brengt dat nauwkeurig onder woorden: “Iran moet aanmoedigende voorstellen ontvangen, zoals herstel van de betrekkingen met de Verenigde Staten, en anderzijds afschrikkende om de vloed van wapens te stelpen die bestemd is voor de Iraakse milities. Het land moet geïntegreerd worden in de Studiegroep omtrent Irak.” (Courier International, 14 december 2006). Dit voorstel van het rapport is zo onrealistisch dat het duidelijk de totale impasse aantoont waarin de Verenigde Staten zich in Irak bevinden. En het is nog erger, ze zijn steeds minder in staat om de toenemende aanmatigingen van Syrië en Iran te temperen. De onmogelijkheid van het Amerikaanse leger om de toestand in Irak te beheersen drijft de Amerikaanse bourgeoisie er zelfs toe om in overweging te nemen Iran te betrekken in een poging om de Iraakse chaos te beheersen. Deze alternatieve politiek kan op niets anders uitlopen dan op toenemende eisen van Iran, op het vlak van de ontwikkeling van een kernwapen, maar ook strategisch, in het gehele Nabije en Midden-Oosten. Dergelijke eisen en stappen vooruit van het Iranese imperialisme zijn noch voor Israël, noch de verenigde Staten zelf aanvaardbaar. Het is hoogst waarschijnlijk dat in de komende maanden de toon van de Amerikaanse redevoeringen voor wat betreft de internationale betrekkingen gematigder zal worden en zal oproepen tot meer ‘internationale samenwerking’ in wat de bourgeoisie de strijd tegen het internationale terrorisme noemt. In het weinig waarschijnlijke geval dat dit slaagt zal de chaos zich over het gehele Nabije en Midden-Oosten uitbreiden. De toon is trouwens al gezet met de verklaring van de koning van Saoedie-Arabië, Abdallah aan de Amerikaanse vice-president Dich Cheney, bij zijn bezoek aan Riyad enkele weken geleden: “Saoedie-Arabië heeft de regering Bush laten weten dat in het geval van terugtrekking van Amerikaanse troepen het koninkrijk financiële steun zou kunnen gaan verlenen aan de Soennieten in Irak in om het even welk conflict waarin zij tegenover de Sjiieten zouden staan.” (Courier International, 13 december 2006). In Irak staan de Verenigde Staten met de rug tegen de muur. Geen van de voorgestelde mogelijkheden op militair vlak is bevredigend voor het Amerikaanse imperialisme. De toenemende betwisting van de Amerikaanse oppermacht niet alleen door Iran, maar tevens door imperialistische landen als Frankrijk, Duitsland en zelfs Rusland, kan de Verenigde Staten in de toekomst enkel drijven tot een steeds moorddadigere en barbaarsere vlucht vooruit, ongeacht de ontwikkeling van hun politiek in Irak. Dit kapitalisme in volle ontbinding zal ons nog veel meer vernietigende en irrationele militaire ingrepen voorschotelen.
Rossi
Sinds de winter van 2003 is er een ware volkerenmoord aan de gang in Darfoer, de westelijke regio van Soedan die grenst aan Tsjaad. Officieel telt men al meer dan 300.000 doden en 2.500.000 mensen zijn verdreven naar kampen waar geen enkele veiligheid verzekerd is. Anderen dwalen rond in een zone die ligt tussen Tsjaad en Soedan, omkomend van honger en de aanvallen ondergaand van min of meer gecontroleerde bewapende bendes die de streek onveilig maken. Dorpen worden geregeld gebombardeerd door de Soedanese luchtmacht en de bevolking wordt onderworpen aan afpersingen van de ‘janjaweeds’, met steun van de regering die hen betaalt. Het zijn bloeddorstige milities die in 1988 in Darfoer opdoken na de nederlaag van Khadafi in Tsjaad en van zijn Tsjaadse bondgenoot, die in deze regio onder bescherming van Khartoem stond. Deze laatsten verkrachten vrouwen en kinderen, plunderen en steken dorpen en velden in brand, vallen het vee aan en voeren een politiek van systematische vernietiging.
Het was pas in 2004 dat de Verenigde Naties zich, in de persoon van Kofi Annan, zou gaan ‘bekommeren’ om de toestand door het voor te stellen als een ‘etnisch en raciaal’ conflict. En ondanks de verklaringen van ‘goede bedoelingen’ hebben de pseudo-bedreigingen met vergeldingsmaatregelen de omstandigheden alleen maar verslechterd. En het zijn niet de luttele 7.000 soldaten die door de Afrikaanse Unie zijn gestuurd, zonder middelen of duidelijke doelstellingen, die daarin verandering kunnen brengen. In januari 2005 spreekt de Verenigde Naties duidelijk over ‘misdaden tegen de menselijkheid’ en roept het met zijn tweede resolutie nr. 1593 het internationaal gerechtshof op om vervolgingen in stellen tegen de verantwoordelijken van de begane misdaden. In augustus 2006 stemt de Veiligheidsraad voor het zenden van 17.000 soldaten en 3.000 politieagenten die echter niet worden toegelaten door Omar Al Bechir, de Soedanese president, die dit beschouwt als een ‘invasie’.
Momenteel, nu de Soedanese staat zijn militaire druk opvoert op de rebellenbewegingen, voornamelijk op het Bevrijdingsleger van Soedan, waarvan de opkomst het voorwendsel vormde voor de ontketening van dit geweld, verdubbelt de afpersing van de bevolking. En het is op dit moment Tsjaad dat de rebellengroepen tegen Khartoem steunt onder het welwillend oog van Frankrijk, dat zelf weer hulp verleent aan de Tsjaadse rebellen. Daardoor worden de moorden geëxporteerd naar Centraal Afrika, terwijl de Verenigde Naties zich nog steeds machteloos toont, ondanks de ‘zeer vruchtbare discussies’ in Addis Abeba.
In werkelijkheid trekt niemand in dit wespennest zich iets aan van de bevolking en de aarzelingen weerspiegelen de achtereenvolgende belangen, waarvoor de bevolking geslachtofferd wordt. Want Soedan met zijn olie wordt door de ontwikkelde landen het hof gemaakt, en dat stelt dit land in staat om zijn politiek van de verbrande aarde in Darfoer voort te zetten en nog op te drijven. Dit geldt ook voor de Verenigde Staten, die voor de show één van zijn vele wapenembargo’s heeft afgekondigd en waarvan de ondoeltreffendheid alom bekend is. Ook voor Groot-Brittannië heeft zich vierkant opgesteld tegen elke militaire interventie. En dan nog Frankrijk, dat reeds banden met Soedan had en daarom de ogen sluit. Het is slechts door het risico op de destabilisering van Tsjaad en Centraal Afrika, twee van zijn laatste bolwerken in Afrika, dat de Franse regering wenst om ‘Darfoer te stabiliseren’ om zo een domino-effect te vermijden. Anders gezegd, zolang ze verrekken in Darfoer is dat van geen belang, maar ze moeten niet komen rotzooien in de Franse achtertuin! Wat China betreft, een bijzonder actieve wereldwijde wapenhandelaar, die heeft er een afzetmarkt gevonden voor de afzet van zijn militair materiaal.
En zelfs indien de Verenigde Naties zijn ‘vredestichtende’ soldatentroepen stuurt naar Darfoer, kan men er zeker van zijn dat dit slechts de aanleiding kan worden tot een nieuwe periode van verdere destabilisering, want elk van de hoofdrolspelers heeft geen ander doel dan het verdedigen van zijn eigenbelang via de steun aan rebellenbendes.
Eens te meer zien we de werkelijkheid van deze kapitalistische wereld in volle ontbinding, waarbij de mensheid gegijzeld en tot de speelbal wordt gemaakt van interne twisten en oorlogen tussen bewapende klieken die zich vermenigvuldigen op de planeet, ondersteund door de grootmachten, groot en klein, die elkaar onderling verscheuren achter hun leugenachtig en cynisch gepraat.
Mulan / 24 .11.2006
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 413.3 KB |
Nadat de directie van Airbus zich meerdere weken in allerlei bochten heeft gewrongen, en na een ontmoeting tussen Chirac en Merkel, is nu de valbijl gevallen: 10.000 banen in Europa verdwijnen en verschillende fabrieken zullen worden gesloten of verkocht.
Met de hand op het hart vertelt ons de directie “er zullen geen gedwongen ontslagen vallen”, “alles zal met vroegtijdige pensionering en vrijwillig vertrek worden geregeld”. Er komen geen ontslagen bij Airbus, maar dat betreft slechts de helft van het personeel dat wordt geraakt: de 5000 uitzendkrachten of loonarbeiders bij onderaannemers worden verzocht om op te hoepelen. Wat voor de loonarbeiders van Airbus het “vrijwillig vertrek” betekent, kunnen we op de vingers van één hand natellen: pesterijen door allerlei lagere chefs om hen te doen afknappen. Alles bij elkaar genomen zal er nog meer werkloosheid zijn, vooral onder de jongeren die werk zoeken. En voor wie blijft: als maar helsere arbeidsritmen, meer werken voor hetzelfde salaris, of minder.
Om de crisis van Airbus te verklaren en om dergelijke maatregelen te rechtvaardigen, zingt een ieder zijn eigen liedje. Voor Gallois, de baas van Airbus, is het in de eerste plaats vanwege de sterke Euro: de vliegtuigen van Airbus zijn te duur in vergelijking met die van Boeing. Voor de vakbonden gaat het om een kwestie van slecht management of om de inhaligheid van de aandeelhouders. Voor de bazen is het omdat de staat zich heeft willen inmengen in de industriële politiek, wat zijn rol niet zou zijn: men moet de privé-investeerders het onder elkaar laten uitzoeken. Voor de linkse partijen is het omdat de staat zijn rol van aandeelhouder niet heeft gespeeld. Voor de Franse pers is het vanwege de Duitse staat die de dekens naar zich toe heeft getrokken. De Duitse pers, en de Duitse bourgeoisie die erachter staat, valt het moeilijk om dit argument om te keren, aangezien dat de chemiegigant Bayer net de opheffing van 6100 arbeidsplaatsen heeft aangekondigd, terwijl de directie van Deutsche Telekom terzelfdertijd heeft besloten om 50.000 arbeiders naar onderaannemers over te plaatsen – wat een manier is om hun ontslag voor te bereiden, dat zal volgen wanneer ze eenmaal in vele kleine bedrijfjes zijn ondergebracht en dit alles zonder dat de fransen hier voor iets tussen zitten. En om maar meteen met een ruime maat te meten, moeten degenen die achterblijven vijf uur per week extra werken zonder loonsverhoging. Door haar media probeert de Duitse bourgeoisie de arbeiders bij Airbus te vertroosten door te zeggen dat het voor hen nog erger had kunnen zijn: het zijn immers de Franse arbeiders die het meest getroffen worden. De Spaanse pers laat hetzelfde klokgeluid horen: Wanneer we niet al te slecht af zijn, is dat omdat we competitiever zijn. En om een regeltje aan het nationalistische refrein toe te voegen, worden de Duitsers en de Fransen ervan beschuldigd ieder hun eigen potje te koken zonder de Spanjaarden te raadplegen.
De Britse pers van zijn kant daar domineert vooral discretie: Op dit moment worden honderdduizenden arbeiders in de gezondheidszorg aangevallen met een bevriezing van hun toch al bijzonder lage salarissen.
Voor de Duitse vakbonden zijn de moeilijkheden van Airbus maar één voorbeeld onder meerdere van het slechte beheer door de bazen, dat ook al verantwoordelijk wordt gesteld voor de moeilijkheden bij Deutsche Telekom en bij Bayer. Zij eisen om nog meer betrokken te worden bij het beheer van de ondernemingen, terwijl ze praktisch al 50% van alle ondernemingsraden vertegenwoordigen, en ze al betrokken zijn geweest bij alle beslissingen bij Airbus en in andere sectoren. In dat kader stellen ze voor dat de te nemen maatregelen “om de toekomst van Airbus veilig te stellen” lokaal bediscussieerd worden, fabriek per fabriek, door de bazen en de vakbonden.
De Franse vakbonden klagen op hun beurt eveneens het “slechte bestuur” van de huidige directie aan, en stellen voor de staat een zwaardere stem te geven in het beheer van Airbus. Dit perspectief wordt ook gesteund door de Eerste Minister en door de rechtse en centrum-kandidaten bij de aanstaande presidentsverkiezingen Sarkozy en Bayrou. De socialistische kandidate Ségolène Royal doet er nog het voorstel bovenop dat de regio’s in het kapitaal van de vliegtuigbouwer moeten deelnemen. Dat bestaat al in Duitsland, waar de Länder deelnemen aan het kapitaal van Airbus, met het intussen bekende resultaat!
Er kan een greintje waarheid zitten in sommige van deze verklaringen. Het klopt dat de sterke Euro de verkoop van vliegtuigen die in Europa zijn geproduceerd hindert tegenover de concurrentie van Boeing. Het is juist dat er beheersproblemen zijn bij Airbus. In het bijzonder klopt het dat de concurrentie tussen de Duitse en de Franse staat de zaken niet heeft geregeld. Iedereen kan een stukje van de waarheid vertellen, maar allemaal delen deze lieden dezelfde leugen: dat de arbeiders die vandaag opdraaien voor de moeilijkheden van Airbus dezelfde belangen zouden hebben als hun bazen. Kortom, ze zouden met het doel van deze praatjes moeten instemmen: Airbus moet rendabel worden tegenover Boeing. En dat is precies wat de Amerikaanse bazen aan de Amerikaanse arbeiders vertellen, en waarom de laatsten in de afgelopen jaren tienduizenden ontslagen hebben ondergaan. Per slot van rekening willen alle praatjes die de “verantwoordelijken” afsteken – regering, bazen of vakbonden – de boodschap doen overkomen dat de Amerikaanse arbeiders de vijanden zouden zijn van de Europese, net als de Franse, Duitse, Engelse en Spaanse arbeiders allemaal elkaars vijanden zouden zijn. Uiteindelijk wil het geheel van de burgerlijke krachten in de economische oorlog van vandaag de arbeiders in de verschillende landen tegen elkaar opzetten net zoals ze dat in de militaire oorlogen doet.
De kapitalisten houden niet op om ons te vertellen dat ze elkaar onderling beconcurreren, en dat klopt zeker. De oorlogen van de twintigste eeuw hebben ons laten zien dat het de arbeiders zijn die het meeste te verliezen hebben in deze rivaliteiten tussen kapitalistische naties, en dat ze geen enkel belang hebben om zich aan de bevelen en de belangen van hun respectievelijke nationale bourgeoisie te onderwerpen. In de logica van het kapitalisme moeten de Amerikaanse net als de Europese arbeiders steeds meer offers brengen. Wanneer Airbus rendabeler wordt ten opzicht van Boeing, zullen de Amerikaanse arbeiders nieuwe aanvallen ondergaan. Er is trouwens vanaf vandaag al een banenverlies van 7000 aangekondigd. Vervolgens is het aan de Europese arbeiders om opnieuw de rekening te betalen. Ieder terugwijken van de arbeiders tegenover de kapitalistische eisen zal overal slechts de weg bereiden voor nieuwe aanvallen, die nog gewelddadiger zullen zijn dan de voorgaande. Het kapitalistische systeem heeft geen andere “opties”, want het verkeert in een onoplosbare crisis. Het enige antwoord dat het daarop heeft bestaat eruit als maar meer banen te schrappen en de arbeiders die “de kans hebben” om hun baan... voor het moment te behouden een steeds wredere uitbuiting op te leggen.
Voor de arbeiders die vandaag door de maatregelen van de directie van Airbus worden getroffen, bestaat er geen alternatief dan de strijd aan te gaan. In verschillende fabrieken van Airbus hebben ze dat onmiddellijk begrepen. Meteen na de aankondiging van de directieplannen zijn de 1000 arbeiders van de fabriek in het Zuid-Duitse Laupheim spontaan in staking gegaan, op hetzelfde moment dat de arbeiders in Méaulte, Picardië, het werk neerlegden. Ze hebben daar het werk weer hervat nadat de vakbonden hen hebben verteld dat de fabriek niet zou worden verkocht, wat een leugen was.
Maar de arbeiders van Airbus zijn niet de enigen die in deze strijd betrokken zijn. Alle uitgebuiten moeten zich solidair voelen tegenover de aanvallen die vandaag op de arbeiders in de luchtvaartsector neerkomen, die morgen opnieuw de automobielsector zullen treffen, de Telecom, de chemie, en alle sectoren.
De arbeiders moeten zich in soevereine algemene vergaderingen verenigen, waarin ze over doelen en middelen van hun strijd discussiëren en beslissen. Hun strijd, dat is de zaak van de arbeiders zelf. Dat is niet de zaak van verkiezingskandidaten, die hun beloften vergeten zodra ze aan de macht zijn. Dat is ook niet de zaak van hun gepatenteerde “vertegenwoordigers”, de vakbonden. Die besteden hun tijd met verdeeldheid te zaaien tussen de arbeiders onderling, of het nu in één fabriek is dan wel in eenzelfde productie-eenheid. We zien dat vandaag in Toulouse, waar de praatjes van de belangrijkste vakbond, “Force Ouvrière” proberen de ‘blauwe boorden' in de fabrieken tegen de ‘witte boorden’ van het hoofdkantoor uit te spelen, die zelf ook zwaar worden getroffen. Of die de arbeiders in het ene land tegenover die van een ander proberen te stellen, want de vakbonden zijn de eersten die de nationale dweilen uithangen. Voor de Franse vakbonden van Airbus, met “Force Ouvrière” aan het hoofd, moet er worden “gestreden”, inclusief het lamleggen van de productie, voor een “betere verdeling van de offers”. Met andere woorden: om de Duitse arbeiders nog zwaarder te treffen. En zelfs wanneer een vakbond als IG-Metall voor medio maart een gezamenlijke actiedag voorstellen voor de arbeiders uit de verschillende landen met Airbus-nederzettingen, is dat slechts een manoeuvre om te voorkomen dat de arbeiders zich ervan bewust worden dat hun belangen niet die van het nationale kapitaal zijn, en om in één adem door zijn verklaringen tegen de staking als toonbeeld van “verantwoordelijkheid” voor te stellen.
Tegelijkertijd is het een middel om een “solidariteit” tussen de Europese arbeiders van Airbus te cultiveren die tegenover de Amerikaanse arbeiders van Boeing worden gesteld, die in de herfst van 2005 een massieve staking hebben gehouden tegen de aanvallen van hun bazen.
De noodzakelijke solidariteit van alle arbeiders is begonnen zich te manifesteren, notabene door spontane werkonderbrekingen in fabrieken die relatief gespaard blijven, zoals in Hamburg en Bremen, de belangrijkste in Duitsland. Onlangs hebben de arbeiders van Airbus in het zuiden van Spanje, die nu worden aangevallen, hun steun betuigd aan de manifestaties van de families van arbeiders van het automobiel-uitrustingsbedrijf Delphi, die op straat gegooid waren door de sluiting van de fabriek in Puerto Real. Dat is de weg die alle arbeiders op moeten gaan.
Tegenover de oproepen van de bazen om het schrappen van banen, loonsverlagingen, en verslechtering van de arbeidsomstandigheden te accepteren is slechts één antwoord mogelijk: de offers afwijzen, die nog brutalere aanvallen voorbereiden! Alleen de strijd loont!
Tegenover de pogingen om de arbeiders per fabriek of per land te verdelen – de solidariteit van de hele arbeidersklasse!
Tegen het isolement, dat altijd naar de nederlaag leidt: de uitbreiding van de strijd! De arbeidersvergaderingen moeten massale delegaties naar de andere ondernemingen sturen, opdat het geheel van de arbeiders deel neemt aan een solidariteitsbeweging.
Tegenover een kapitalistisch wereldsysteem dat ten einde raad is, dat steeds brutalere aanvallen onderneemt tegen alle arbeiders in alle sectoren en alle landen, bestaat er voor de arbeidersklasse geen ander alternatief dan steeds vastberadener, steeds omvangrijker en steeds meer solidaire gevechten te voeren. Dat is het enige middel om een hindernis op te werpen aan een verscherping van de uitbuiting, aan steeds onmenselijker arbeids- en levensomstandigheden, en om zich voor te bereiden op de omverwerping van dit systeem, dat ellende, oorlog en barbarij zaait.
Internationale Kommunistische Stroming / 5 maart 2007
Sinds enkele tientallen jaren ondersteunen de verschillende ultralinkse organisaties, en dan vooral de trotskistische, ‘de gerechtvaardigde strijd van het Palestijnse volk’ tegen ‘het Amerikaanse imperialisme’ in naam van de ‘nationale bevrijdingsstrijd’. Momenteel worden de Palestijnse gebieden in volledige chaos gestort door onderlinge strijd. Sinds de president van de Palestijnse Autoriteit op 16 december vervroegde presidentiële en parlementaire verkiezingen aankondigde vonden in Gaza gewapende confrontaties plaats tussen rivaliserende fracties, enerzijds de islamisten van Hamas die de regering vormen en anderzijds Fatah van president Mahmoud Abbas. De confrontaties zijn bloedig: straatgevechten, aanslagen met bomauto’s, herhaaldelijk ontvoeringen. Het vereffenen van hun onderlinge rekeningen zaait dood en terroriseert de bevolking van de Gazastrook, die al te gronde is gericht is door de armoede.
Wat vinden trotskistische organisaties zoals Lutte Ouvrière (LO) of de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR, zusterorganisatie van de SAP in België) van een dergelijke ontketening van geweld en barbarij?
Onveranderd wijzen LO en de LCR met de vinger naar diegenen die volgens hen als enigen schuldig zijn: de Verenigde Staten en de ‘zionistische staat Israël’. LO verklaart in een artikel in zijn weekblad van 6 oktober: “Chaos en confrontaties zijn het onmiddellijke gevolg van de financiële sancties die door de Europese Unie, de regering van de Verenigde Staten en die van Israël werden opgelegd” en ook: “Het zijn wel degelijk Israël en zijn westerse meesters die verantwoordelijk zijn voor de rampzalige toestand waarin de Palestijnen verkeren” (LO, nr. 2003, 22 december 2006). Het imperialisme is onlosmakelijk verbonden aan het leven van iedere burgerlijke nationalistische fractie en komt tot uiting in een strijd ter verdediging van het nationaal kapitaal tegen alle concurrerende staten, van de grootste tot de kleinste. Er dient aangestipt te worden (tot ongenoegen van de trotskistische groepen) dat, wanneer Fatah kan rekenen op de steun van Israël, Verenigde Staten en de Europese Unie en Hamas financieel gesteund en bewapend wordt door Iran en Syrië, dat juist komt door het bestaan van Palestijnse burgerlijke klieken.
Door zogenaamd ‘alle Palestijnen’ te ondersteunen, moedigt LO de arbeidersklasse in feite aan om zich te scharen achter de burgerlijke klieken en zich te laten ronselen als kanonnenvlees voor de verdediging van het Palestijnse vaderland. Dat is wat deze organisatie, net als het geheel van de trotskistische groepen, altijd doet en ook enkel de politiek van bepaalde landen, van bepaalde staten, als imperialistisch aanduidt.
Wat de LCR betreft, die steekt het evenmin onder stoelen of banken door luid en duidelijk haar directe steun te betuigen niet aan het ‘Palestijnse volk’ in het algemeen, maar direct aan de een of andere fractie of militie. Daags na de verkiezingen waarbij Hamas als overwinnaar uit de bus kwam, verklaarde een communiqué van de LCR van 26 januari 2006: “Fundamenteel dragen de Israëlische regeringen, en die van Sharon op kop, en de Verenigde Staten een grote verantwoordelijkheid in wat sommigen een ‘politieke aardverschuiving’ noemen. Deze gespierde politiek van Bush en Sharon heeft de leiders van de Fatah parten gespeeld en Hamas in de kaart gespeeld.” De trotskistische organisaties zijn gebrand op het voortdurend kiezen voor één van de aanwezige kampen in alle oorlogen, in ieder conflict. En die politiek wordt hier ronduit belachelijk. Zo hebben we kunnen meemaken hoe bij de LCR de steun geleidelijk aan verschoof van Fatah naar Hamas: “De Verenigde Staten en Israël proberen de president van de Palestijnse Autoriteit te versterken [...] om de regering van Hamas te verzwakken, die massaal verkozen is en gesteund wordt door de meerderheid van de Palestijnen” of nog meer onomwonden: “Dat is de achtergrond van de bloedige botsingen van de laatste weken in Gaza, tussen de militanten van Fatah en die van Hamas, en waarvoor Fatah de volledige verantwoordelijkheid draagt.” (door ons vet gedrukt).
Die windhaanpolitiek veroorzaakt ontreddering binnen de trotskistische stroming en daarvan getuigt het woedende gebekvecht op het forum van de ‘revolutionaire marxisten’ (https://forumtrots.agorasystem.com/lcr [59]) dat onderhands onderhouden en gecontroleerd wordt door de LCR. Terwijl de oorlog tussen de Palestijnse fracties voortwoekert, gaat het er haar om voor één van deze fracties te kiezen, opdat het Palestijnse volk, in slijk en bloed, eindelijk de weg van haar ‘nationale bevrijding’ kan inslaan. Sommigen willen Fatah ondersteunen, dat progressief zou zijn. Anderen willen daarentegen, om dezelfde redenen, Hamas ondersteunen.
Een kleine bloemlezing, de één stelt “Eén van de fracties is burgerlijk nationalistisch en de andere vertegenwoordigt het groene fascisme. Ik verkies Fatah!” Een ander antwoordt hem: “Wat wij in deze crisis duidelijk kunnen merken is dat Fatah toch een drempel heeft overschreden als hulptroep van het imperialisme door de regering van Hamas te veroordelen […] en door naar alle middelen te grijpen om die te destabiliseren.” Een derde drukt zich als volgt uit: “Hamas verdedigt noch de bourgeoisie noch het fascisme maar een feodaal systeem gestoeld op het religieuze obscurantisme terwijl Fatah, nationalistisch en niet-confessioneel […] een zelfstandige staat verdedigt die geleid wordt door een nationale bourgeoisie […]. Ik kies voor de PLFP.” Nog een andere trotskistische sympathisant doet er nog een schepje bovenop: “Zelfs indien de PLFP de Hamas zou ondersteunen?” Antwoord van de voorafige: “Bij afwezigheid van een marxistische en revolutionaire organisatie die in staat zou zijn om een gewicht in de schaal te werpen bij de huidige gebeurtenissen, betuig ik mijn kritische steun aan wie ik kan! En dus aan de PLFP in dit geval…”. In naam van de democratie laat de LCR deze argumenten op een cynische manier onbeantwoord. En met reden, de wanklank van het debat is niets meer dan de weerspiegeling van de eigen innerlijke tegenspraken.
LO en de LCR vermijden zorgvuldig om de vraag te stellen: wáár stelt zich de verdediging van de belangen van de arbeidersklasse, in Palestina, in Israël of elders in de wereld? De wrede uitbuiting van de arbeidersklasse door de Palestijnse en Israëlische bourgeoisie is als bij toverslag verdwenen. De “verdediging van het Palestijnse vaderland, in naam van de gerechtvaardigde rechten van de Palestijnen” wordt er als slogan ingehamerd om de arbeidersklasse te ronselen voor het inter-imperialistische wespennest. Zo verspreiden de trotskistische broeinesten het ergste nationalistische gif in het bewustzijn van de arbeiders. Iedere bourgeoisie, Palestijns of Israëlisch, roept de arbeiders die op hun grondgebied wonen er toe op om deel te nemen aan de oorlog. Enerzijds moet er gestreden worden voor “de gerechtvaardigde zaak van het Palestijnse volk” en anderzijds zou men “Israël moeten verdedigen tegen de dreiging van het fanatisme van de Arabische moslimwereld.” Wat zijn de gevolgen van een dergelijk standpunt zowel voor de arbeiders die in Palestina leven als in Israël? Wat moet de houding zijn van de arbeiders overal ter wereld ten opzichte van dit conflict? Deze vragen en de antwoorden die er op komen zijn niet van bijkomstig belang voor de arbeidersklasse, integendeel, zij zijn van levensbelang voor de ontwikkeling van de klassenstrijd en het proletarische bewustzijn.
Overal hebben de arbeiders dezelfde belangen te verdedigen, tegen dezelfde klasse van uitbuiters. Dat betekent slechts één ding voor de arbeidersklasse: tegenover de imperialistische en nationale oorlogen van de bourgeoisie kan het proletariaat enkel zijn klassenoorlog stellen en zijn internationale eenheid. Rosa Luxemburg, een van de grootste persoonlijkheden van het revolutionaire proletariaat, beklemtoonde dit bijna een eeuw geleden al luid en duidelijk: “In het tijdperk van het ontketende imperialisme kan er geen nationale oorlog meer zijn. De nationale belangen zijn niets anders dan een misleiding die tot doel heeft om de werkende volksmassa’s in dienste te stellen van hun doodsvijand: het imperialisme” (1). Onder het mom van een gerust geweten en in naam van de verdediging van een Palestijns vaderland waar de rechten van het volk gerespecteerd zouden worden, zien we met welk vuil werk organisaties als LO en de LCR zich bezighouden. Erger nog! Wanneer zij geconfronteerd worden met organisaties die op een werkelijke en concrete wijze het proletarisch internationalisme verdedigen, behandelen zij die als ‘onverschilligen’. Het enig mogelijke marxistische en revolutionaire standpunt is dat wat gesteld werd door een aanhanger van de standpunten van het Links Kommunisme, die het woord nam op het trotskistische Forum: “Wat er in Gaza gebeurt toont eens te meer aan wat de nationalistische ideologie voor de arbeidersklasse betekent. Wanneer de arbeidersklasse vergiftigd is door deze ideologie wordt deze er telkens toe gebracht om elkaar onderling uit te moorden voor belangen die niet de hunne zijn. Dat hebben we gezien in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog, tijdens de conflicten tussen het Oostblok en het Westen. Nu weer met de ontwrichting van de Palestijnse Autoriteit worden de Palestijnse arbeiders er toe gebracht om elkaar af te maken in naam van het feit dat het ene of het andere kamp progressief zou zijn. En dat terwijl alle aanwezige kampen een nationale zaak verdedigen die niet het terrein is van de arbeidersklasse. Tegenover een dergelijke toestand moet eens te meer de oorlogskreet van de arbeidersklasse worden aangeheven: proletariërs hebben geen vaderland!”.
Tino / 22.01.2007
(1) Stellingen over de internationale democratie.
Na 90 jaar blijft de ontketening van de Russische Revolutie in 1917 de meest reusachtige, meest bewuste massabeweging van de uitgebuiten. Ze was rijker aan ervaringen, aan initiatieven en aan creativiteit dan welke andere gebeurtenis uit de geschiedenis ook.
Na 90 jaar blijft de ontketening van de Russische Revolutie in 1917 de meest reusachtige, meest bewuste massabeweging van de uitgebuiten. Ze was rijker aan ervaringen, aan initiatieven en aan creativiteit dan welke andere gebeurtenis uit de geschiedenis ook. Miljoenen proletariërs zijn er toen werkelijk in geslaagd om hun isolement te doorbreken, om zich bewust te verenigen, om zich de middelen te verschaffen om collectief, als één macht op te treden, en om de instrumenten voor de omverwerping van de burgerlijke staat en het veroveren van de macht in werking te brengen: de arbeidersraden (sovjets). Belangrijker nog dan de omverwerping van het eeuwenoude tsaristische regime was dat deze bewuste massabeweging niets minder aankondigde dan het begin van de proletarische wereldrevolutie in het kader van een internationale golf van revoltes van de arbeidersklasse tegen de oorlog en tegen het kapitalistisch systeem in zijn geheel.
De bourgeoisie heeft zich hierin niet vergist; zij verspreidt sinds decennia de meest doortrapte leugens over deze historische gebeurtenis. Met een heel palet aan spitsvondigheden doen de burgerlijke historici in feite niets anders dan één van de meest afgezaagde legendes herhalen, die de Russische Revolutie van februari 1917 afschildert als een beweging voor ‘democratie’, die door een bolsjewistische staatsgreep verkracht zou zijn. Februari 1917 zou een waar ‘democratisch feest’ geweest zijn, Oktober 1917 een platvloerse ‘staatsgreep’, een manipulatie door de bolsjewistische partij van de achterlijke massa’s van tsaristisch Rusland. Deze schaamteloze vervalsing is het product van de angst en de woede die de wereldbourgeoisie voelt tegenover een collectief en solidair werk, een bewuste actie van de uitgebuite klasse, die het hoofd durft te verheffen en de bestaande orde der dingen in vraag stelt.
De opstand van de arbeiders van St. Petersburg (Petrograd) in Rusland in februari 1917 komt niet als een donderslag bij heldere hemel. Hij ligt in het verlengde van de hard onderdrukte economische stakingen die door de Russische arbeiders vanaf 1915 gevoerd worden tegen de wreedheid van de wereldoorlog, tegen de honger, de zwarte ellende, de doorgedreven uitbuiting en de ononderbroken terreur van de staat van oorlog. Deze stakingen en revoltes beperken zich in die periode niet tot het Russische proletariaat, maar maken deel uit van de strijd en de acties van het internationaal proletariaat. Een soortgelijke golf van arbeidersverzet ontwikkelt zich in Duitsland en Oostenrijk, in Groot-Britannië... Aan het front, vooral bij het Russische en het Duitse leger, vinden muiterijen, collectieve deserties, en verbroedering tussen soldaten van beide kanten plaats. Nadat het zich had laten meeslepen door het vergif van het patriottisme en het ‘democratisch’bedrog van de regeringen, gesteund door het verraad van de meeste sociaal-democratische partijen en vakbonden, stak het wereldproletariaat opnieuw de kop op en begon het uit de mist van de chauvinististische dronkenschap te ontwaken. Aan het hoofd van de beweging bevonden zich de internationalisten – bolsjewieken, spartakisten, heel de linkerzijde van de IIe Internationale die de oorlog, nadat die in augustus 1914 was uitgebroken, onophoudelijk aanklaagden als een imperialistische rooftocht, als de uitdrukking van het failliet van het wereldkapitalisme, als het signaal voor het proletariaat om zijn historische missie ten uitvoer te brengen: de internationale socialistische revolutie. Deze historische uitdaging is de arbeidersklasse aangegaan vanaf 1917 tot in 1923. In de voorhoede van deze proletarische beweging die een einde maakte aan de oorlog en die de mogelijkheid opende voor de wereldrevolutie stond het Russische proletariaat in de maand februari van 1917. Het losbarsten van de Russische Revolutie was dus geen nationale gebeurtenis of een op zichzelf staand fenomeen – dat wil zeggen een vertraagde burgerlijke revolutie die zich ertoe beperkte het feodale absolutisme omver te werpen. Ze vormde integendeel het hoogtepunt van het antwoord van het wereldproletariaat op de oorlog, en op een nog fundamenteler niveau: op de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode.
Tussen 22 en 27 februari ontketenen de arbeiders van St. Petersburg een opstand in antwoord op het historisch probleem dat gesteld wordt door de wereldoorlog als uitdrukking van het verval van het kapitalisme. De staking begint bij de textielarbeiders die de aarzelingen bij de revolutionaire organisaties opzijzetten, en omvat binnen drie dagen praktisch alle fabrieken van de hoofdstad. Op de 25e hebben 240.000 arbeiders het werk stilgelegd. Ze blijven geenszins passief in hun werkplaatsen, maar komen bijeen in meetings en straatbetogingen, waar de ordewoorden van het eerste uur om ‘brood’ te eisen al snel versterkt worden tot ‘weg met de oorlog’ en ‘weg met de autocratie.’
Op de avond van de 27e heerst de opstand, gevoerd door het bewapende proletariaat, als heer en meester over de stad, terwijl arbeidersstakingen en betogingen op gang komen in Moskou, en in de dagen daarna ook in de provinciesteden Samara, Saratov en Charkov... Geïsoleerd en niet bij machte een leger, dat sterk verzwakt is door de oorlog, in te zetten tegen de revolutionaire beweging, ziet het tsaristisch regime zich gedwongen om af te treden.
Wanneer eenmaal de eerste ketenen gebroken zijn, willen de arbeiders niet meer wijken. Om niet blindelings te handelen, bouwen ze voort op de ervaring van 1905 en richten ze sovjets op, die toen al spontaan waren ontstaan tijdens de massastaking. De arbeidersraden waren de directe uitdrukking van duizenden arbeidersvergaderingen in de bedrijven en de wijken. Ze pasten de soevereiniteit toe van de assemblees en de centralisatie via verkozen en permanent afzetbare afgevaardigden. Een dergelijk sociaal proces kan vandaag voor veel arbeiders utopisch lijken, maar het is het proces van transformatie van een onderworpen en verdeelde massa tot een verenigde klasse die als één enkel mens optreedt en in staat is zich in de revolutionaire strijd te gooien. Meteen na 1905 beschreef Trotski wat een arbeidersraad is : “Wat was de sovjet van arbeidersafgevaardigden? De sovjet werd gevormd om aan een praktische nood te beantwoorden die voortkwam uit de loop der gebeurtenissen. Het was een gezaghebbende organisatie maar die niet op tradities boogde, die in één klap een versnipperde massa van honderdduizenden mensen kon samenvatten, bijna zonder organisatieapparaat, die de revolutionaire stromingen in het proletariaat verenigde, die in staat was om initiatieven te nemen en om zichzelf op een spontane manier te controleren en, het belangrijkste van allemaal, die binnen 24 uur vanuit de illegaliteit naar buiten kon treden.” (Trotski, 1905). Deze “eindelijk gevonden vorm van de dictatuur van het proletariaat”, zoals Lenin het uitdrukte, maakte de permanente organisatie in vakbonden vervallen en overbodig. In de periode waarin de revolutie historisch gezien op de agenda staat, breekt de strijd spontaan uit en neigt hij ertoe zich over alle productiesectoren uit te breiden. Het spontane ontstaan van de arbeidersraden is dus het directe resultaat van het explosieve en ongeprogrammeerde karakter van de revolutionaire strijd.
De arbeidersraden ten tijde van de Russische Revolutie waren niet een eenvoudig passieve product van uitzonderlijke objectieve omstandigheden, maar het product van een collectieve bewustwording. De radenbeweging heeft zelf het materiaal aangedragen voor de zelfopvoeding van de massa's. De arbeidersraden vermengden voortdurend de economische en politieke aspecten (van de strijd) tegen de heersende orde. Zoals Trotski schreef : “Een revolutie leert, en wel snel. Daarin is haar kracht gelegen. Iedere week bracht de massa’s iets nieuws. Iedere twee maanden waren een tijdperk. Eind februari – de opstand. Eind april – optreden van gewapende arbeiders en soldaten in Petrograd! Begin juli – een nieuw optreden op veel grotere schaal en onder veel positievere leuzen. Eind augustus – de poging tot een staatsgreep van Kornilov, afgeslagen door de massa’s. Eind oktober – machtsgrijping door de bolsjewiki. Onder deze gebeurtenissen, die verbluffend zijn door hun wetmatige verloop, voltrokken zich diepgaande, interne processen welke de verschillende delen van de arbeidersklassen samensmolten tot één politiek geheel. (...) Men hield bijeenkomsten in de loopgraven, op dorpspleinen, in fabrieken... Maandenlang was in Petrograd en in heel Rusland elke straathoek een politieke tribune...” (Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie)
Door de arbeidersraden het overwicht te geven, verschafte het Russische proletariaat zich de middelen om zijn strijd te voeren, maar desondanks bevond het zich vanaf februari in een bijzonder gevaarlijke situatie. De krachten van de internationale bourgeoisie probeerden immers dadelijk de situatie in haar voordeel te keren. Omdat ze de beweging niet in bloed konden smoren, probeerden ze haar te richten op burgerlijk ‘democratische’ doeleinden. Enerzijds werd een officiële voorlopige regering gevormd met als doel de voortzetting van de oorlog. Anderzijds werden de sovjets in het begin overspoeld door mensjewieken en sociaal-revolutionairen. Deze laatsten, waarvan de meerderheid met de oorlog overgelopen was naar het kamp van de bourgeoisie, genoten bij het begin van de februarirevolutie van een immens vertrouwen onder de arbeiders. Ze kwamen vanzelf terecht in het Uitvoerend Comitee van de Sovjet. Vanuit die strategische positie probeerden ze op alle mogelijke manieren de sovjets te saboteren, ze te vernietigen. Van een situatie van ‘dubbele macht’ kwam men daardoor in een situatie van ‘dubbele onmacht’ terecht in mei en juni 1917 omdat het Uitvoerend Comitee van de sovjets als masker diende voor de bourgeoisie om haar doelen te realiseren, met in de eerste plaats het herstellen van de orde aan het front en in het achterland om de imperialistische slachting te kunnen voortzetten. De demagogen van mensjewieken en sociaal-democraten deden steeds opnieuw beloftes over vrede, over een oplossing voor het landbouwprobleem, over de invoering van de achturendag, enzovoort, zonder dat daar ooit iets van terechtkwam. Ook al waren de arbeiders, tenminste die in Petrograd, ervan overtuigd dat alleen de sovjetmacht hun aspiraties kon verwezenlijken, en al zagen ze dat geen rekening gehouden werd met hun wensen en eisen, dan geloofde men in de provinciesteden en onder de soldaten nog in de ‘verzoeners’, in degenen die opkwamen voor de zogezegde burgerlijke revolutie. Tenslotte was het Lenin die met zijn Aprilstellingen, twee maanden na het ontketenen van de beweging, zijn gedurfde platform onthulde om de partij van de bolsjewieken te herbewapenen, die ook al de neiging had om zich met de voorlopige regering te verzoenen. Zijn Stellingen maakten overduidelijk welke weg het proletariaat opging en formuleerden de perspectieven van de partij: “1. In onze houding tegenover de oorlog die (...) ook onder de nieuwe regering (...) onvoorwaardelijk een imperialistische oorlog blijft, zijn ook de geringste concessies aan de ‘revolutionaire vaderlandsverdediging’ ontoelaatbaar.” “3. Generlei steun aan de Voorlopige Regering, het aan het licht brengen van heel de leugenachtigheid van al haar beloften... Ontmaskering van de Voorlopige Regering in plaats van de ontoelaatbare, tot illusies aanleiding gevende ‘eis’ dat deze regering, de regering van de kapitalisten, moet ophouden imperialistisch te zijn.” “5. Geen parlementaire republiek – van de Sovjets van arbeidersafgevaardigden daarheen terugkeren zou een stap achteruit betekenen – maar een republiek van Sovjets van arbeiders-, landarbeiders- en boerenafgevaardigden in het gehele land, van onder tot boven.” Gewapend met dit stevige kompas was de bolsjewistische partij bij machte concrete voorstellen te doen die beantwoordden aan de noden en mogelijkheden op elk moment van het revolutionair proces door het vooruitzicht van de machtsgreep in het vizier te houden, en door een werk van “bijzonder grondig, volhardend en geduldig” uitleggen” (Lenin). En in deze strijd van de massa’s om de controle over hun organisaties in handen te nemen tegen de sabotage door de bourgeoisie, werd het na verschillende politieke crises, in april, in juni en vooral in juli, mogelijk de Sovjets te vernieuwen, waarin de bolsjewieken tenslotte de meerderheid behaalden. De doorslaggevende activiteit van de bolsjewieken heeft dus als centrale krachtlijn de ontwikkeling van het klassenbewustzijn, met een vertrouwen in de capaciteit tot kritiek en analyse van de massa’s en een vertrouwen in hun vermogen tot vereniging en zelforganisatie. De bolsjewieken hebben de massa’s nooit willen onderwerpen aan een vooraf opgesteld ‘actieplan’ dat hen zou verheffen zoals men een leger leidt. “De voornaamste kracht van Lenin was daarin gelegen, dat hij de innerlijke logica van de beweging begreep en daarnaar zijn politiek richtte. Hij drong zijn plan niet aan de massa’s op. Hij hielp de massa’s hun eigen plan te zien en te verwezenlijken.” (Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie, hoofdstuk ‘de reorganisatie van de partij’) Zo kwam het dat de bolsjewieken vanaf september in de vergaderingen van arbeiders en soldaten duidelijk de kwestie van de opstand stelden. “Tot de opstand werd om zo te zeggen besloten op een vastgestelde datum: 25 oktober. Daartoe werd niet besloten op een geheime vergadering, maar openlijk en publiekelijk, en de zegevierende revolutie had precies op die 25e oktober plaats...” (idem.) Ze veroorzaakte een enthousiasme zonder weerga bij de arbeiders van de gehele wereld en werd het ‘lichtbaken’ dat de toekomst van alle uitgebuiten verlichtte. Vandaag nog is de vernietiging van de politieke en economische macht van de heersende klasse een dwingende noodzaak om te overleven. De dictatuur van het proletariaat, georganiseerd in soevereine Raden blijft de enige realistische weg om de basis te leggen voor een nieuwe, waarachtig communistische maatschappij. Dat moeten de proletariërs zich herinneren in het licht van de ervaring van 1917.
SB
Sinds enkele weken hebben de media het startsein gegeven voor de verkiezingscampagne van 10 juni. Ze prenten ons in dat “De burger, zoals om de vier jaar, zal kunnen deelnemen aan het bepalen van de politiek van het land en zijn democratische vertegenwoordigers zal kunnen kiezen.” En ze tonen ons ook wat er op het spel staat bij deze verkiezingen: Zullen Verhofstadt en zijn ‘ethisch-progressieve’ coalitie de meerderheid behouden of zullen de christen-democraten en hun ‘moreel reveil’ een nieuwe meerderheid behalen? Zal de toekomstige eerste minister de liberaal Verhofstadt zijn, de christen-democraat Leterme of de socialist Di Rupo? Komt er een nieuwe ronde van gemeenschapsonderhandelingen om de bevoegdheden te regionaliseren of eerder een zekere ‘her-federalisering’ van bepaalde financiële middelen? Ze stellen ons ook de wedijverende programma’s voor: terwijl de liberalen meer de individuele vrijheden willen om het land beter te integreren in de gemondialiseerde maatschappij, dan beweren de christen-democraten anderzijds dat zij de staat beheren als ‘een goede familievader’ met behoud van ‘een zorgzame samenleving’ die zich bekommert om de ‘allerarmsten’. De socialisten van hun kant roepen op tot een verbond van progressieven en groenen om een ‘sociaal rechtschapen en milieuvriendelijke maatschappij op te bouwen’. Maar op socio-economisch vlak zijn alle partijen het eens over het wezenlijke, zelfs al spelen ze in op enkele verschillen omtrent de aanvullende maatregelen: de groei van de nationale economie gaat de goede richting uit en alles moet in het werk gesteld worden ‘om de competitiviteit ten koste van alles te handhaven’ tegenover de concurrenten op de internationale markt waar de wedijver wreed is. Zijn zij trouwens niet allen betrokken bij het uitvoeren van deze politiek op de verschillende machtsniveaus? De liberalen leiden de federale regering, de christen-democraten de Vlaamse regering, de socialisten de Waalse deelregering en het Brussels gewest.
En juist op het sociaal vlak is er één vraagstuk dat totaal ontbreekt in het verkiezingsdebat, namelijk dat van de arbeids- en levensomstandigheden van de bevolking in het algemeen en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Weggeveegd de crisis, de ontslagen, de loonsdalingen, de flexibiliteit, de stress, een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld, jongeren die doorslaan… Deze stilte hoeft ons niet te verbazen want op het vlak van de aanvallen tegen de arbeidersklasse, zijn alle partijen het roerend eens en hun ministers zitten tot over de oren verwikkeld in de getroffen maatregelen.
Achter de verkiezingsheisa schuilt de heilige eenheid om de arbeidersklasse aan te vallen
Denken wij even terug aan de hoofdlijnen van het offensief van de bourgeoisie zoals geformuleerd tijdens de conferenties voor tewerkstelling van september 2003 (cf. Internationalisme, nr. 300, 15.11.03), die het geheel van de patronale, syndicale en politieke krachten bijeenbracht. Ze hadden vijf werkterreinen vooropgesteld voor de aanvallen op de loontrekkenden: daling van de bedrijfslasten, loonmatiging, vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid, verlenging van de werkweek en loopbaanverlenging en tenslotte de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Tegenover het misleidende gepraat van de partijen is het niet nutteloos om de vernietigende gevolgen van deze voorbedachte politiek even in herinnering te roepen:
- Daling van de bedrijfslasten:
Belastingwijzigingen voor de bedrijven, het versoepelen van ontslagprocedures en vooral maatregelen die de flexibiliteit doen toenemen volgden elkaar op. Het patronaat heeft berekend dat de toegekende matige loonstijgingen de laatste jaren ruimschoots gecompenseerd worden door een duizelingwekkende productiviteitsstijging, dank zij de toename van de flexibiliteit, mogelijk gemaakt door een verdubbeling van de maximaal toegestane arbeidstijd (in 2006 ging het aantal arbeidsuren per jaar boven de officiële arbeidstijd van 65 naar 130 arbeidsuren, ofwel een gemiddelde van twee uur per week), en een sterkere lastendaling voor de werkgevers, toegekend door de regering. In 2003 stond België op de tweede plaats op de wereldranglijst van de productiviteit per gewerkt uur en in 2006 staat het nog altijd in de top-3 (na Luxemburg en Noorwegen) (The Conference Board, in De Morgen, 27.01.07). De Belgische arbeider produceert per uur 12% meer waarde dan in de USA, wat veel zegt over het ritme en de flexibiliteit van de arbeid, die volgens de bourgeoisie nochtans moeten worden verbeterd.
- Loonmatiging:
Sinds minstens tien jaar kunnen de lonen de prijzenindex met moeite te volgen en dikwijls, zoals in 2005, is er een ‘officiële’ daling van de koopkracht, net als trouwens in andere landen van Europa en in de Verenigde Staten (De Morgen, 05.06.06). In elk geval is de ‘automatische loonindexering’ zelf een mythe in de mate dat er met de index geknoeid is (petroleumproducten en producten ‘schadelijk voor de gezondheid’ zijn er uitgehaald). Bovendien heeft de bourgeoisie sinds 1990 een ‘loonnorm’ ingevoerd om de index te ‘matigen’ door te bepalen dat de voorziene loonstijgingen niet hoger mogen zijn dan het gemiddelde toegekend in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Voor 2007-2008 is die vastgelegd op 0,5% onder die welke voorzien zijn in deze landen. Men hoeft er dus niet verbaasd over te zijn dat de koopkracht van de Belgische arbeider de laagste is van alle industrielanden van Europa, bijvoorbeeld 25% minder dan in Nederland (cijfers van de Federatie van Europese Werkgevers, De Morgen, 05.06.06).
- Vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid:
Onder de mom van de veel te hoge werkloosheidsgraad in verhouding tot de werkaanbiedingen (cf. De Nationale Bank onderstreept dat de werkloosheidsgraad van 8% te hoog blijft in verhouding tot de economische groei terwijl de bedrijven geen kandidaten vinden (De Morgen, 15.02.07), pleiten regering en patronaat met steeds harder voor het verminderen van de werkloosheidsuitkeringen en voor het beperken van de duur ervan. Zo heeft de Vlaamse socialistische minister voor tewerkstelling, F. Vandenbroucke een systematische politiek gevoerd van het individueel volgen van jonge werklozen om hen onder druk te zetten en te sanctioneren als ze niet ‘proactief zijn op de arbeidsmarkt’. Bovendien pleit hij voor hogere werkloosheidsvergoedingen… maar van beperkte duur om de druk op te voeren want de ‘werkaanbiedingen kunnen niet meer worden ingevuld.’
- Verlenging van de werkweek en loopbaanverlenging:
Tegenover een tewerkstellingsgraad van 60,9%, één van de laagste van Europa, heeft het ‘generatiepact’, aangenomen in 2005, de loopbaanbeëindiging vastgelegd op 65 jaar (in afwachting van de 67 jaar zoals in Duitsland?) en iedere kans op vervroegd pensioen vóór 60 jaar drastisch ingeperkt.
- Alternatieve financiering van de sociale zekerheid:
Sedert meer dan tien jaar zijn de sociale minima geblokkeerd of door de opeenvolgende regeringen karig opgetrokken: “Onze sociale zekerheid wordt ernstig bedreigd” erkennen zelfs de geleerde sociologen van het Centrum voor Sociale Studies van de Universiteit van Antwerpen (De Morgen, 26.02.07). De pensioenen en sociale uitkeringen, vooral de minimum-uitkeringen van het OCMW, zijn in België lager dan elders (in vergelijking met de toegekende uitkeringen in Nederland en Frankrijk) en ze liggen dikwijls onder de Europese armoedegrens (De Standaard, 07.02.06). 15% van de Belgen leeft onder de armoedegrens (27% in Brussel) en in de arbeiderswijken van de grote steden zoals Charleroi, Luik, Brussel, Antwerpen of Gent, benadert de werkloosheid 30% of overstijgt die: 14,3% van de Belgische volwassenen en 13,5% van de jongeren leven in een gezin waarin helemaal niemand werk heeft (De Standaard, 20.02.07).
Kortom, de werkenden zagen hun koopkracht dalen, betalen meer belastingen (directe, of indirecte ‘voor het milieu’) op hun loon en krijgen een steeds hoger ritme opgelegd in het kader van de opgedreven flexibiliteit. Dit houdt bovendien een feitelijke verhoging van de gemiddelde arbeidstijd in, door de bepalingen voor de lengte van de arbeidsdag te vervangen door bepalingen over de arbeidsmaand. Daar bovenop zijn de ontslagregelingen versoepeld en de werkloosheidsuitkeringen, net als de sociale uitkeringen en de pensioenen, verlaagd. En dit in een land waar de kwaliteit van de lucht en het water en meer in het algemeen de toestand van het leefmilieu catastrofaal is: “De druk op de waterlopen en de grondstoffen ligt bij de hoogste van alle OESO-landen” (Rapport van de OESO, aangehaald in De Morgen, 26.09.06). Bijgevolg is ook de druk op hun fysieke en mentale gezondheid enorm. In Vlaanderen is het peil van de stress gestegen van een waarde van 15 op de stressindex in 2000 tot het peil van 19 vandaag, ofwel een stijging van meer dan 25%.
Wie denkt dat het daarmee gedaan is begrijpt nog steeds weinig van het helse raderwerk van de opgedreven concurrentie op de verzadigde wereldmarkt waarin de bourgeoisie gevangen zit. Die drijft haar tot het steeds harder aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse: ondanks een uitzonderlijk productiviteitspeil, zijn het banenverlies en de ontslagen in België verveelvoudigd: tienduizenden arbeidsplaatsen zijn in de laatste jaren verdwenen tot bij de meest prestigieuze bedrijven: Philips, Siemens, Ford, Opel, ARCELOR, Bayer, Belgacom, De Post en de NMBS. VW-Vorst is daarvan het laatste karikaturale voorbeeld. Hoewel het bedrijf sterk presteerde, heeft de zelfmoordkoers van de productiviteit geleid tot het ontslag van meer dan de helft van de arbeiders met inbegrip van een productiviteitsstijging van 20% voor diegenen die blijven met het opleggen van de 38-urenweek terwijl zij slechts betaald worden voor 35 uur en een deel van de lonen en variabele premies afhankelijk te maken van de bedrijfsresultaten.
De verkiezingen dienen de belangen van de bourgeoisie
Dit systematisch offensief tegen de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse – die men trouwens overal aantreft in het geheel van de industrielanden (cf. het soberheidsplan van de ‘grote coalitie CDU-SPD in Duitsland) – is, niet te vergeten, het product van een meer bewuste en systematische politiek waaraan het merendeel van de politieke krachten hebben meegewerkt op beleidsniveau of elders. Ook al heerst er eenstemmigheid onder het geheel van de politieke partijen, toch moeten zij - ter behoud van enige geloofwaardigheid en vooral om aan de aanvallen een aureool van billijkheid te geven - deze onderdompelen in een dikke mist van ideologisch bedrog. De verkiezingen en de democratische tamtam dienen juist om dit te verwezenlijken.
De heisa rond de verkiezingen bestaat er uit om de arbeiders ervan te overtuigen dat stemmen het belangrijkste wapen is van de arbeidersklasse ter verdediging van haar belangen, en vooral dat men moet stemmen voor het ‘verbeteren’, ‘veranderen’, het opbouwen van een ‘rechtvaardigere’ maatschappij. Het is er fundamenteel op gericht om ze op te sluiten in de valse keuze van het democratische bedrog: een beetje minder directe belastingen of een beetje meer indirecte in naam van het leefmilieu en van de mobiliteit; het stimuleren van de individuele verantwoordelijkheid of eerder het versterken van collectieve beperkingen op het vlak van de ‘sociale zekerheid’; het begunstigen van de vrije concurrentie of het opleggen van sociale verplichtingen voor de arbeidsmarkt. Het ‘debat’ draait altijd rond het aanpassen van de ‘rationaliserings’-maatregelen, onder de vorm van ‘onvermijdelijke’ offers, nooit over het beginsel of de logica die daaraan ten grondslag ligt. De verkiezingscampagne maakt deel uit van een veel breder manoeuvre die er op gericht is om de arbeidersklasse er van te overtuigen dat zij zich moet inzetten in de burgerparticipatie en voor de verdediging van de democratische instellingen. En dit brengt het billijken van de soberheidspolitiek met zich mee ‘uit burgersolidariteit’. Via deze weg gaat het er in feite om de ‘democratisch vastgestelde’ offers op te leggen en de aandacht van de werkenden af te leiden van de werkelijke redenen voor de herstructureringsmaatregelen en de soberheid: de spiraal zonder uitweg van rationalisaties ter verhoging van de rentabiliteit waarin het kapitalistische systeem in verval is terechtgekomen.
Als de verkiezingscampagnes voor de bourgeoisie een kostbaar ideologisch instrument zijn geworden van het democratisch bedrog, dan zijn ze momenteel voor de arbeidersklasse lokaas. Ze laten immers het idee binnensijpelen dat de arbeider ‘als burger’ de politiek van de bourgeoisie kan beïnvloeden, zelfs bepalen. De verkiezingen zijn voor de arbeidersklasse een valstrik, waarmee de illusie in stand wordt gehouden dat men via een stem als individuele ‘burger’ in het stemhokje invloed zou kunnen uitoefenen op de politiek van de bourgeoisie, en die zelfs radicaal zou kunnen ombuigen. In het kapitalisme in verval is het de burgerlijke staat die de politieke koers uitwerkt om op de beste manier de nationale belangen te verdedigen in de strijd om de markten op internationaal vlak. De verschillende parlementaire fracties zijn niets anders dan uitingen van deze politiek. De (betrekkelijke) waaier van hun programma’s, slogans en kleuren en de organisatie van verkiezingen en van verkiezingscampagnes dienen slechts om de ‘democratische illusie’ in stand te houden. Ze dienen om de ‘burger’ de indruk te geven, en vooral aan de loontrekkende werkenden, dat zij om de vier jaar werkelijk de politiek van hun ‘vaderland’ kunnen bepalen zowel als de politici die deze moeten uitvoeren. In werkelijkheid sluiten zij, net zoals het stemhokje met de kiezer doet, de arbeider op als een burger in een absurde, helse zelfmoordspiraal van moordende concurrentie die het in het nauw gebrachte kapitalistische systeem aan de wereld oplegt.
De arbeidersklasse kan het zich niet de minste zinsbegoocheling veroorloven over de mogelijkheid van lotsverbetering via de stembus, noch door vertrouwen te schenken aan diegenen die beweren de rijkdommen anders te zullen verdelen. Het is net het tegenovergestelde. Daarmee kan zij slechts dieper wegzinken in een steeds ondraaglijker ellende. In feite heeft de arbeidersklasse niets te zoeken op het verkiezingsterrein. Het is doorgestoken kaart: de verkiezingen dienen alleen maar één klasse, die van de uitbuiters. Men hoeft zich daar geen enkele illusie over te maken. Dit uitbuitingssysteem kan niet hervormd worden. Het moet worden vernietigd. Enkel de ontwikkeling van haar strijd voor het omverwerpen van dit systeem op wereldschaal kan het mogelijk maken dat er zich voor haar een ander perspectief ontvouwt .
Jos / 27.02.07
De klinkende verkiezingsoverwinning van Chavez, die bij de verkiezingen van 3 december 2006 63% van de geldige stemmen kreeg tegenover 37% voor de oppositiekandidaat, versterkt en wettigt niet alleen de macht van de chavistische sector van de bourgeoisie, maar betekent ook een overwinning voor de gehele Venezolaanse bourgeoisie. Eens te meer heeft de confrontatie tussen fracties van de bourgeoisie, die de politieke scène beheerst sinds Chavez in 1999 aan de macht kwam, de bevolking in haar ban kunnen houden en haar ertoe gebracht massaal aan de verkiezingsstrijd deel te nemen: volgens cijfers van de Nationale Verkiezingsraad (CNE) lag de massa niet-stemmers van 25% ver onder het gemiddelde van rond de 40%.
Door opnieuw delen van de oppositie aan het verkiezingstoneel deel te laten nemen (die zich afzijdig hielden van de parlementsverkiezingen van 2005) is de bourgeoisie erin geslaagd het bedrog van democratie en verkiezingen nieuw leven in te blazen. Maar de belangrijkste steun aan dit streven kwam van het chavisme zelf dat de strijd op de spits dreef door de oppositiekandidaat ervoor uit te maken de kandidaat van de ‘duivel Bush’ te zijn, en dat als hij zou winnen dit het bestaan van de ‘missies’ (waarmee de regering haar beleid van ‘politieke rechtvaardigheid’ ten uitvoer brengt) en de verworvenheden van de ‘revolutie’ in gevaar zou brengen. Op die manier worden het proletariaat en de massa’s van sociaal uitgeslotenen opnieuw in de tang genomen. Door de tegenstellingen tussen burgerlijke frakties op de spits te drijven wordt ervoor gezorgd dat ze hun hoop richten op een deel van de bourgeoisie die handig gebruik maakt van een links-populistische politiek gericht op de armste lagen van de maatschappij door gebruik te maken van de hoge olie-inkomsten. Dat beleid bestaat uit niets anders dan het beheer van de schaarste en de bestaansonzekerheid door aan te sturen op een ‘gelijkheid’ die het geheel van de maatschappij op het laagste niveau gelijkschakelt, de middenlagen verarmt maakt en ook de arbeiders en uitgeslotenen nóg armer maakt. Dat is het recept van het ‘socialisme van de 21e eeuw’ dat het chavisme exporteert naar Bolivia, Ecuador en Nicaragua en dat dient als stokpaardje om zich te versterken in de geopolitieke situatie van de regio.
Het ‘radicale’ anti-Amerikanisme van Chavez (dat door de anti-globalistische bewegingen zo hard wordt toegejuicht), de steun aan andere ultralinkse regeringen zoals die van Bolivia, Ecuador en Nicaragua, alsook de ‘hulp’ aan andere landen uit de regio via een daling van de oliefactuur voor die landen, gebruikt de olie om de regio te beheersen, ten koste van de belangen van de Amerikaanse bourgeoisie die Latijns-Amerika altijd als haar privé-achtertuin heeft beschouwd.
Wat steekt er achter de ‘massale volkssteun’ voor Chavez?
De chavistische sector van de bourgeoisie, geleid door enkele militaire en burgerlijke sectoren van links en ultra-links, heeft als sociale basis de steun van de uitgebuite massa’s, voornamelijk de sociaal uitgesloten massa’s, de massa’s waaraan ze de illusie verkochten dat ze uit hun situatie van armoede zouden kunnen geraken in... 2021!!
Het ‘grote inzicht’ van dit deel van de bourgeoisie bestond eruit zichzelf voor te stellen als van volkse komaf en als naast de armen staand. Dit bestaan als ‘arme’ dient om zich als slachtoffer voor te doen van de ‘burgerlijke slagen onder de gordel’, vooral van de kant het Amerikaans imperialisme, dat als dreiging van buiten wordt gebruikt en dat ‘de revolutie’ ervan zou weerhouden ‘de armoede uit te bannen’.
De regering Chavez heeft halverwege het jaar 2003 de ‘sociale uitgaven’ in een andere richting gestuurd met de oprichting van de zogenaamde ‘missies’, sociale plannen. Daarmee deelt de staat kruimels uit aan de bevolking, met twee belangrijke doelen: het bewaren van de sociale vrede en het versterken van de controle over de verarmde massa’s om zo de actie tegen te werken van de delen van de bourgeoisie die al meerdere pogingen deden om Chavez de macht te ontnemen. Deze ‘sociale uitgaven’ gingen samen met een ongeziene ideologische manipulatie die eruit bestond het staatskapitalistisch beleid van het chavisme voor te stellen als dat van een welwillende staat die de rijkdom op ‘rechtvaardige’ wijze verdeeld. Zo wordt bij de verpauperde massa’s de illusie gewekt dat de staat over onuitputtelijke middelen beschikt, dat de kraan van de oliedollars alleen maar hoeft te worden opengedraaid en dat de frakties van de bourgeoisie er daadwerkelijk belang bij hebben de problemen aan te pakken en op te lossen.
Om de presidentsverkiezingen te winnen (waarin het 7 miljoen stemmen behaalde, terwijl het doel 10 miljoen was, op een kiesgerechtigde bevolking van 16 miljoen), heeft het chavisme, zoals eerdere regeringen ook deden in verkiezingsjaren, het overgrote deel van zijn staatsuitgaven in het jaar 2006 gedaan. In de eerste maanden werd de invoer van voedingswaren opgevoerd die vervolgens tegen gesubsidieerde bedragen werden verkocht; door allerlei werken op te starten waarvan sommigen niet werden uitgevoerd, door vaste arbeiders in mei en september een verhoging van het minimumloon te geven; door de uitkeringen van ouderdomspensioenen te versnellen; door achterstallige schulden aan arbeiders uit te betalen, door te onderhandelen over aflopende collectieve arbeidsovereenkomsten, en ga zo maar door. Tenslotte ontvingen ambtenaren, gepensioneerden en leden van de ‘missies’ enkele dagen voor de verkiezingen eenmalige premies. De regering organiseerde dat ‘groot festijn’ met het ‘zwarte goud’, de olie, om bij de bevolking een illusie van welvaart op te wekken. Die uitgaven, bovenop die van een ongekende toename van de invoer, de aankoop van wapens, ‘hulp’ aan andere landen, enzovoort, zijn er verantwoordelijk voor dat de staatsuitgaven in 2006 met 58% stegen ten opzichte van 2005, wat neerkomt op 35% van het Bruto Intern Product. Een tijdbom die vroeg of laat gevolgen zal hebben op het vlak van de economische crisis.
De ‘sociale verworvenheden’ van het chavisme maken de verpaupering nog erger
Volgens de propaganda die het chavisme in binnen- en buitenland verspreidt (met de hulp en goede raad van linkse leiders en intellectuelen, daarbij vooraanstaande leiders van de andersglobalistische beweging waaronder François Ramonet een belangrijke plaats inneemt) stevent Venezuela af op het uitbannen van de armoede tegen 2021.
De werkelijkheid die achter de verstikkende publiciteit van de chavistische regering schuilgaat is heel anders. Het volstaat een bezoek te brengen aan de armenwijken van het uiterste oosten (Tetare) of westen (Catia) van de hoofdstad Caracas, of zelfs het centrum van de stad, om de tastbare ellende te zien die achter dat rookgordijn wordt verborgen: ontelbare behoeftigen, meestal jongeren, leven en slapen op straat, onder de bruggen en langs de rivier de Guaire (een open riool waarin het afvalwater van de stad wordt geloosd). Straten en pleinen liggen vol vuil dat ratten aantrekt en ziekten verspreidt. Tienduizenden rondtrekkende straatventers (‘buhoneros’) die wat basisvoedingsmiddelen verkopen, doen de rangen van de zogenaamde informele economie aanzwellen. De omvang van de criminaliteit heeft Caracas tot één van de gevaarlijkste steden van de regio gemaakt terwijl Venezuela als geheel hard op weg is om het land met de grootste criminaliteit van het continent te worden, waarbij het Colombia onttroont dat een tijdlang in dat klassement bovenaan stond. Op nationaal vlak neemt het aantal gevallen van malaria en gewrichtsontstekingen toe terwijl de sterfte van kinderen en moeders groeit. Dat beperkt zich niet tot Caracas, maar geldt voor alle grote steden en verovert stilaan de middelgrote en kleinere steden. Hoewel de regering maatregelen heeft genomen om al die ellende te verbergen, of haar toeschrijft aan ingrepen van de oppositie of van het Amerikaans imperialisme, kunnen de bewijzen van de verarming niet worden weggemoffeld.
Met hemeltergende schijnheiligheid bekritiseren de sectoren van de oppositie die uitingen van armoede om zichzelf voor te stellen als de betere keuze ter ‘verdediging van de armen’, terwijl hun ware bedoeling er natuurlijk uit bestaat de controle over het staatsapparaat weer in handen te krijgen. De regeringspropaganda bericht op zijn beurt niet over de situatie of bagatelliseert die, wat trouwens niet eigen is aan de Venezolaanse steden, maar een gemeenschappelijke noemer met steden in andere landen aan de periferie.
Naast deze zichtbare uitdrukkingen van armoede zijn er ook minder opvallende tekenen van verarming van de proletarische massa’s: via de door de staat aangemoedigde coöperaties werd de losse tewerkstelling geïnstitutionaliseerd omdat de arbeiders van de coöperaties minder verdienen dan de vaste arbeiders en ze, volgens de verklaringen van vakbonden en de coöperaties zélf, niet eens het officiële minimumloon verdienen. De discussie over de collectieve arbeidsovereenkomsten, vooral die voor de ambtenaren, heeft grote vertraging opgelopen. De loonsverhogingen worden toegekend via decreten en in de grote meerderheid door losse premies die geen invloed hebben op de sociale verzekering en die, als ze al uitbetaald worden, dan is het met grote vertraging. Door de ‘missies’ en andere regeringsplannen worden naast de officiële nieuwe dienstverleningsorganen geschapen in de sectoren als gezondheidszorg en onderwijs, en die worden gebruikt om de vaste arbeiders onder druk te zetten en hun arbeidsvoorwaarden aan te tasten. Zoals we kunnen zien zijn bestaansonzekerheid en flexibiliteit van het werk en de aanvallen op de lonen van de arbeiders, kenmerkend voor ‘ongetemde’ kapitalisme, onvermijdelijk voor elke bourgeoisie, de chavistische, die zich zo ‘anti-neo-liberaal’ voordoet, daarbij inbegrepen.
De loonafhankelijken en uitgesloten massa’s betalen de prijs van de groeiende staatsuitgaven. De ‘nieuwe’ chavistische bourgeoisie probeert die te compenseren door een opgedreven inflatie, die de laatste drie maanden de hoogste van heel Latijns-Amerika was (2004: 19,2%; 2005: 14,4%; 2006: 17%, volgens de officiële cijfers). Die toename, die fundamenteel veroorzaakt wordt door de economische staatspolitiek, heeft de levensvoorwaarden van het geheel van de bevolking ondergraven, vooral van de massa’s armen die 70% van hun inkomsten uitgeven voor voedsel. Volgend de cijfers van de Venezolaanse Centrale Bank bedroegen de gezamenlijke prijsverhogingen in de gemelde periode daarvoor 152% (26% in 2006). De schattingen voor 2007 zijn geenszins rooskleuriger, want men verwacht een inflatie boven de 20%; die van januari 2007 alleen al bedroeg 2%, de hoogste van de regio.
Door de verkiezingsoverwinning krijgt het chavisme groen licht om zijn aanvallen op de arbeiders voor te zetten
Enkele dagen na de verkiezingen versnelde de regering een geheel van maatregelen om haar doelstelling van ‘socialisme van de 21e eeuw’ te versterken, met het argument dat ‘het volk’ bij de verkiezingen zijn steun aan die doelstelling had verleend.
Om te beginnen toonde regering haar spierballen aan de vijandige sectoren van de bourgeoisie, zowel van het nationaal kapitaal als op internationaal vlak, door een aantal nationalisatiemaatregelen aan te kondigen in verschillende economische sectoren (Zoals telecommunicatie, audiovisuele middelen en energie), een meerderheidsaandeel te nemen in de olie-ontginning die tot dan toe in handen was van multinationals, en een vergroting van de belastingdruk. Die maatregelen tonen het hoofddoel van de chavistische bourgeoisie: het verwerven van een directer controle over de nationale economie apparaat door radicaal staatskapitalistische maatregelen.
De bourgeoisie weet dat de crisis, als gevolg van de excessieve staatsuitgaven die bij het politieke model van het chavisme horen, vroeg of laat zal uitbreken. Daarom voorzien de zogenaamde ‘motoren van de bolivariaanse revolutie’ in maatregelen voor groter politieke en sociale controle over de arbeiders en de bevolking in het algemeen via de zogenaamde ‘Volksmacht’ en de Gemeenteraden.
Terwijl ze de versterking aankondigde van deze sociale controle-organen begon de regering het nieuwe jaar ook met het nemen of aankondigen van maatregelen tegen de levensvoorwaarden van de arbeiders en de bevolking:
– controle- en repressiemaatregelen tegen de straatventers in de hoofdstad en daarna in het gehele land;
– aankondiging van een verhoging van de benzineprijs, die vroeger of later in werking zal treden;
– de ‘missies’ worden gedeeltelijk aan hun lot overgelaten (bijvoorbeeld die van voedseldistributie en gezondheidszorg), wat leidde tot het sluiten van meerdere instellingen en het wegvallen van de bevoorrading van bepaalde basisproducten met door de staat vastgestelde prijzen. De regering heeft heel slim delen van het privé-kapitaal ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor deze situatie, terwijl die voortvloeit uit maatregelen van de regering;
– er is een strijd aangekondigd tegen de bureaucratie en de corruptie. In dat kader heeft Chavez geëist dat de hoge lonen van top-bureaucraten van de staat verlaagd worden (die in sommige gevallen het vijftigvoudige bedragen van een officieel minimumloon). Het gaat om een afleidingsmanoeuvre, want het chavisme kocht zelf de trouw van de top-bureaucraten van staat en leger door hen met lonen tot multimiljonairs te maken en door hen een beheer van de staatsmiddelen mogelijk te maken waarover geen ophef wordt gemaakt. Het ware doelwit van deze maatregel bestaat enkel uit het aanpakken van de kleine bureaucraten, dat wil zeggen door de banen van het kantoorpersoneel in overheidsdienst op de tocht te zetten (zoals door hen te verplichten coöperatieven te vormen) en zelfs door ze te ontslaan.
De regering, gesterkt door haar grote populariteit, is bezig volop haar ware gelaat als burgerlijke regering te tonen. Nadat ze de arbeiders en de uitgebuite lagen in de verkiezingen heeft gebruikt, kondigt ze nu maatregelen van soberheid en repressie aan.
In die omstandigheden hebben de arbeiders in Venezuela, net als in de rest van de wereld, geen ander uitweg dan hun strijd te ontwikkelen tegen de onophoudelijke aanvallen van het kapitaal. We weten dat die strijd niet gemakkelijk zal zijn, deels ook door de verwarring die de chavistische ideologie heeft gezaaid en waardoor ieder begrip van socialisme verzwakt en gemanipuleerd is, dat wil zeggen het te bovenkomen van het rijk van de bestaansonzekerheid door de revolutionaire strijd van het proletariaat.
IKS / 18.02.2007
“Het inschrijvingsgeld van de cursussen voor volwassenen in Vlaanderen wordt sterk verhoogd vanaf september 2007 en dat geldt ook voor de cursus Nederlands voor allochtonen die hier wonen. Daartegen is er vandaag donderdag 11.01.07 een betoging geweest bij de Vlaams Ministerie van Onderwijs, in Brussel, waar leraars en cursisten een actie gevoerd hebben […]. Graag jullie commentaren en eventueel steun. Dat gaat niet alleen over Nederlands te kunnen leren, maar ook over andere cursussen voor volwassenen. T & G.”
We willen graag ingaan op deze oproep en op verdere reacties hierover van verschillende lezers en contacten omdat ze kenmerkend zijn voor de onrust die deze nieuwe bezuinigingsmaatregel van Vlaamse minister van Onderwijs, de ‘socialist’ Vandenbroucke zaait. Deze reacties zijn ook kenmerkend voor de dynamiek en de vele vragen die door de acties worden opgeroepen. Wie is er getroffen? Hoe reageren? Samen de straat op gaan? De lessen onderbreken? Hoe oproepen tot solidariteit? De vele vragen die de actievoerders zich stellen over de weg die moet afgelegd worden om een werkelijke krachtsverhouding op te bouwen zijn inderdaad een essentieel onderdeel voor een succesvol verzet.
Een nieuwe aanval die de arbeidersklasse viseert
“Om te vermijden dat cursisten van de ene ‘huis- tuin en keukencursus’ naar de andere shoppen, stelt de minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke (SP.A), voor om het inschrijvingsgeld te verhogen.” (De Standaard, 14.02.2007). Concreet gezien komt het er op neer het inschrijfgeld per lesuur op te trekken naar 1 Euro, wat in de praktijk neerkomt op een verdrie- of verviervoudiging van de kosten (per cursus dikwijls een stijging van 100 naar 300 EUR) ! Maar zegt Vandenbroucke: “Nu fladderen te veel volwassenen van, pakweg, een cursus bloemschikken naar een cursus Italiaans en terug. Deze hobbycursisten bevolken het volwassenenonderwijs, maar in de lessen zitten evengoed volwassenen die de opleiding hard nodig hebben. Door een financiële drempel op te werpen, moeten vooral nog de gemotiveerde volwassenen overblijven. ” (De Standaard, 14.02.2007). Daar zullen die ‘volwassenen die de opleiding hard nodig hebben’ zeer tevreden mee zijn (sic)! Dit is de zoveelste nieuwe regelrechte aanval op de leefomstandigheden van de werkende bevolking. Deze keer via het Volwassenonderwijs. Het zal een deel van de werkende klasse belemmeren om zich verder te scholen of om te scholen en om alzo zelf te proberen hun jobkansen en levenskwaliteit te verbeteren. Voor de allochtonen zal nog een groter bedrag afgeroomd worden van hun (over)leefloon en wordt het hen nog moeilijker gemaakt om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. En dan zwijgen we nog over de druk die uitgeoefend wordt met betrekking tot de aanwezigheden van de cursisten (die soms afwezig zijn omdat ze moeten werken in jobs met zeer flexibele en moeilijke uurroosters). Sommige overheidsinstanties gaan zover om van de scholen te eisen dat ze voor hen gaan klikken over wie wel of niet aanwezig is.
Dit staat in schril contrast met de veel gehanteerde slogan en beloften over de waarborg op ‘levenslang leren’ of op een ‘sociaal onderwijsbeleid’ van dezelfde ‘socialistische’ minister die hij al heel de legislatuur verkondigt en die zo breed worden uitgesmeerd in de media. Ook in Frankrijk probeerde men de CPE aanvankelijk te verkopen als een “sociale maatregel om jongeren aan werk te helpen”, ook bij VW worden de massale afdankingen en loonsverlaging verkocht “om de toekomst veilig te stellen”. Eens te meer wordt een bezuinigings- of rationalisatiemaatregel verkocht als een ‘sociale’ beslissing die de ‘toekomst moet waarborge’! De zoveelste les dus dat we van welke regering ook, met of zonder socialistische ministers, niets anders kunnen verwachten dan maatregelen die de overlevingskansen van het kapitalistisch uitbuitingssysteem moeten verhogen. Minder productiekosten, minder indirect loon, minder sociale uitgaven, duurder onderwijs, duurder cultureel en sociaal aanbod, hogere bijdrage voor gezondheid.
Maar men zou kunnen denken dat de minister misschien met de besparingsmaatregel de lonen van de leerkrachten wil verdubbelen? Wel integendeel: in heel Vlaanderen wil Vandenbroucke de vormingscentra per regio samenvoegen, rationaliseren dus, ‘vraag en aanbod beter afstemmen op elkaar’ wordt dit in vakjargon genoemd. Dit wil zeggen met minder personeel en minder logistieke ondersteuning en een betere ‘benuttigingsgraad’ van de geïnvesteerde middelen de boel doen draaien. Deze situatie roept juist, op zijn zachtst gezegd, veel vragen en onrust op bij het personeel: hoeveel jobs gaan hier sneuvelen en volgens welke criteria? Bovendien zouden de directies ‘goede’ leerkrachten mogen ‘belonen’ in de zin van: de ene geeft 15 uur en de andere 25 uur, voor hetzelfde loon. Leve de willekeur en het favoritisme dus! Een meesterzet van verdeel en heers.
Solidariteit opbouwen
Zowel leerkrachten, logistiek personeel als de cursisten lieten zich niet in slaap wiegen omdat ze zich bewust waren dat dit een georkestreerde bezuinigingsmaatregel is die aan de ribben zal blijven plakken van veel arbeidersgezinnen: meer dan 200.000 cursisten en enkele duizenden personeelsleden. De actie van 11 januari door leerkrachten en cursisten waarvan boven sprake was immers een eerste spontane reactie van leerkrachten en cursisten samen. Een zoektocht waarin de ordewoorden van vakbonden en directies niet werden afgewacht. In de voorbije maanden volgden in die zin verschillende acties verspreid over heel Vlaanderen terwijl de vakbonden ‘in alle stilte’ aan het onderhandelen waren. (zie ondermeer:www.neeaanleuro.be [62] en www.platformvolwassenenon [63]derwijs.be). Vakbonden en inrichtende machten en centra reageerden prompt door eigen ‘acties’ te lanceren via het ‘platform volwassenenonderwijs’ en op te roepen om de lessen gedurende twee dagen tien minuten te onderbreken. Wat een uitzichtloos perspectief! Hun eisenbundel bulkt bovendien uit van visies die de ene categorie tegen de andere uitspeelt en ‘constructief ingaat’ op tal van deelaspecten van het plan van de minister. Geen illusies! Om zo'n maatregel tegen te houden zullen wij moeten rekenen op de solidariteit binnen de arbeidersklasse en die ook actief gaan zoeken. Wij mogen niet geïsoleerd blijven. En daar rekenen de beleidsmakers en hun lakeien de vakbonden op. Dan kunnen zij, ieder in zijn eigen rol, de maatregel er door rammen. Wij hebben gezien hoe de arbeiders bij VW gemanipuleerd werden (zie elders in deze krant) om tot slot (en dank zij de vakbonden) afdankingen en loonsdaling door de strot geduwd te krijgen, “in naam van het gezond verstand”. Dat is wat de actievoerders willen vermijden. Maar hoe, want dat is de vraag die overal in de gesprekken die we voerden naar voor springt. Zoals de gebeurtenissen bij VW andermaal lieten zien, moeten wij onze inspanningen richten op het actief zoeken van solidariteit en daardoor naar een uitbreiding van onze strijd en het opentrekken naar gemeenschappelijke eisen. Daarvoor zullen we zelf de organisatie van de strijd in eigen handen moeten houden door tot algemene vergaderingen van de betrokkenen op te roepen en de inzet te verbreden.
Alleen door een krachtsverhouding op te bouwen tegenover de bourgeoisie kunnen wij haar besparingswoede en alle ellende van dien tijdelijk doen terugwijken. Want zij kent geen ander beginsel dan productiviteit, kostenbesparing en nastreven van winst en daarvoor moet alles wijken. De strijd van de arbeidersklasse echter kan maar leven via de solidariteit en draagt in zich de kiemen van een maatschappij die streeft naar een productie voor de werkelijke behoefte van de hele mensheid .
K. Stof&Lac / 3.3.2007
Na alle ophef over de documentaire film van Al Gore (An Inconvenient Truth; Een ongerieflijke waarheid) en vervolgens het ‘ecologisch verbond’ van televisiepresentator Nicolas Hulot in Frankrijk heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (1), in vergadering eind januari te Parijs om de conclusies te trekken uit het eerste deel van zijn rapport voor 2007, op zijn beurt de alarmklok voor het klimaat geluid. Dit keer zijn de vijfhonderd belangrijkste deskundigen ter wereld (onder het gezag van de Verenigde Naties) formeel en eensgezind: de aarde ondergaat een ingrijpende klimaatverandering die nooit eerder is gezien. “De paleoklimatologische gegevens (2) bevestigen dat de opwarming van de laatste vijftig jaar afwijkt van minstens de laatste 1300 jaar” (Samenvatting voor besluitvormers). Op kleinere schaal stelt het IPCC vast dat van de laatste twaalf jaar er elf zijn die behoren tot “de twaalf warmste jaren sinds de oppervlaktetemperatuur wordt gemeten (sinds 1850).”
De opwarming van het klimaat schrijdt voort, en als de mens de uitstoot van CO2-gas, dat het broeikaseffect veroorzaakt, niet drastisch vermindert, zal de temperatuur van de aarde tot het jaar 2100 tussen de twee en vier graden Celsius stijgen. In één enkele eeuw veroorzaakt de menselijke activiteit dus een radicale klimaatverandering die anders alleen in miljoenen jaren van natuurlijke ontwikkeling teweeg kan worden gebracht. Vandaar dat de toekomst die deze groep van deskundigen door middel van een reeks van mogelijke scenario’s schildert niet echt schitterend is: de komende klimaatomstandigheden voor het menselijk leven zijn apocalyptisch... daarbij inbegrepen: in “het beste geval”!
De eerste gevolgen van een vijandige en dodelijke natuurlijke omgeving laten niet op zich wachten: “Groter en langduriger droogte wordt sinds 1970 waargenomen over grote oppervlakten, vooral in de tropische en sub-tropische gebieden”... en ook: “de waarnemingen maken duidelijk dat er ongeveer sinds 1970 een toename is van tropische cycloon-activiteit in het noorden van de Atlantische Oceaan, in samenhang met een verhoging van de oppervlaktetemperatuur van de zee in de tropen.”
“Sinds 1970...”, het is dus oud nieuws... “Welk nieuws”, zo vraagt Le Nouvel Observateur zich af, “bieden onze wetenschappers in hun uitgave van 2007?”“Terwijl het geheim heel goed bewaard werd waren de voorbereidende werkzaamheden alleen toegankelijk voor de specialisten die hun mond hielden.”
We moeten de oren dus wijd openen voor de openbaring van dit “goed bewaarde geheim” en er vooral niets van missen: “de hoofdmoot van de waargenomen opwarming van de laatste vijftig jaar is heel waarschijnlijk het gevolg van de door de mens voortgebrachte toename van concentraties van gas dat het broeikaseffect veroorzaakt.” Tussen het rapport van 2001 en dat van 2007 zijn we zo overgegaan van “waarschijnlijk” tot “heel waarschijnlijk” en de uitdrukking “door de mens voortgebracht” is er aan toegevoegd. Wat een geweldige wetenschappelijke vooruitgang! Wie had dat nu kunnen denken?
Het enig nieuwe in dat alles is dat vijfhonderd wetenschappers (“met jarenlange ervaring”, volgens Le Nouvel Observateur) van hun stoel zijn gevallen en nu sterretjes zien... ongetwijfeld een harde klap!
De aarde warmt op en de menselijke activiteit is daar niet vreemd aan... Er was toch niet veel nodig om zich daarvan rekenschap af te leggen. “Sinds 1970...” hebben de internationale conferenties elkaar opgevolgd (Stockholm, Rio, Kyoto...), die telkens dezelfde machteloosheid tentoonspreidden maar ook steeds minder ruimte hadden om te ontkennen wat overduidelijk is... deze ongerieflijke waarheid.
Hoe dan ook, het idee (bijna een waarheid als een koe) volgens welk “de mens de belangrijkste oorzaak vormt van de ontregeling van het klimaat” is niet aan dovemansoren gericht. Het wordt onmiddellijk uitgebaat in het voordeel van de heersende klasse om deel te gaan uitmaken van haar ruime verzameling van allerlei gezichtsbedrog.
“Het wordt warmer: de schuld van de mens” (titel van een artikel in Libération van 2 februari). Daar is hij weer, die stoute bengel, zo onredelijk en egoïstisch, die de planeet vernietigt zoals men speelgoed stukmaakt. Het aanwijzen van een liefst zo onbestemd mogelijke zondebok is gemakkelijk, met als groot voordeel dat het eigenlijke, inderdaad ongerieflijke probleem met één klap van tafel is geveegd, namelijk dat van de productiewijze. En toch is de mens sinds hij op aarde is niet bezig het milieu te vernietigen en heeft hij het klimaat niet grootschalig in de war gebracht omdat de thermostaat dan allang op “+400 ºC” had gestaan. Deze ongekende ecologische crisis ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw en is dus nauw verbonden met het bestaan van een productiewijze (die zelf ook ongekend is in de geschiedenis van de menselijke soort): de kapitalistische productiewijze. De industriële activiteit binnen het raamwerk van het kapitalisme (een systeem dat geen andere wet kent dan die van de economische rentabiliteit voor zoveel mogelijk concurrentiekracht en winsten) en wat dat de mensheid en haar leefmilieu kost...: dat is de ware kern van het probleem dat opgelost moet worden.
De mensen, de bevrediging van hun behoeften, de lucht die ze inademen, hun toekomst... alles wat het meest wezenlijk is wordt in deze wereld op de laatste plaats gesteld.
We kunnen heel geleerd doen en ons in wetenschappelijke objectiviteit kleden maar we maken daarom niet minder deel uit van een systeem en dan zijn er als altijd waarheden die liever verborgen worden gehouden.
De klimaat-chaos klopt op de deur en dus is er “gezien de urgentie geen tijd meer voor halve maatregelen: het is tijd voor de revolutie in de eigenlijke betekenis van het woord. De revolutie van het geweten. De economische revolutie.” En het is een ‘revolutionair in ruste’ die het ons meedeelt: Jacques Chirac. Deze clowneske oproep van de Pancho Villa (4) van het Elysée is vooral een manifest teken van het overduidelijke onvermogen van de bourgeoisie om de ecologische crisis die haar systeem veroorzaakt te boven te komen. De veertig landen die op 3 februari bijeenkwamen voor de Conferentie van Parijs (om uitspraak te doen over het rapport van de IPCC) eisten evenzo plechtig de aanvaarding van een “Universele verklaring van milieurechten en -plichten”; “Dit gemeenschappelijke handvest zal de huidige en komende generaties garanties verlenen voor een nieuw mensenrecht: het recht op een onbedorven en beschermd milieu.” Maar omdat ze nogal kort van memorie zijn is het nodig er aan te herinneren dat dezelfde landen al op de Top van de Aarde in Rio in 1992 bij alle heiligen zworen, “vastbesloten te zijn het klimaatsysteem te beschermen voor de huidige en komende generaties” ... en de uitstoot van gas dat het broeikaseffect veroorzaakt terug te dringen! Kortom, of het nu op zijn Chirac’s met “Viva la Revolucion!” gaat of met lyrische en plechtige verklaringen over ‘Mensenrechten’, over ‘De Burger’ of ‘De Aarde’; de heersende klasse is onverbeterlijk niet in staat om de huidige en komende generaties een toekomst te bieden.
Het is trouwens tekenend dat de enige uitweg die de bourgeoisie ons voorspiegelt bestaat uit de oprichting van een “energiesobere en zuinige” maatschappij naar het voorbeeld van de mediaonderneming van 1 februari: “Vijf minuten adempauze voor de planeet”, waarbij de Europese gezinnen door zeventig ecologische verenigingen werden opgeroepen om hun elektriciteitsverbruik te onderbreken. “Pas op, de toevoer wordt afgesloten!” ... en zo wordt de mensheid, na alle inspanning, met het omzetten van één enkele schakelknop in het duister geworpen, als voorproefje voor de terugkeer naar het stenen tijdperk. Als een wereld bankroet gaat is het niet verbazingwekkend dat men over een toekomst als grotbewoners begint na te denken.
De arbeidersklasse kan geen tijd verspillen aan dergelijke hersenspinsels. Want deze wereld is de hare niet, en omdat zij via alle poriën de pestlucht van de dood opneemt zal zij zich daar zonder rouwen van ontdoen om de grondslag te leggen voor een nieuwe maatschappij, die in staat is om van de aarde het kostbaarste bezit van het leven en van de menselijke activiteit te maken..
Jude / 19.02.2007
(1) IPCC, Intergouvernementeel panel over de klimaatverandering.
(2) paleoklimatologie = de studie van het klimaat tot een miljoen jaar geleden.
(3) Volgens sommige schattingen zou de opwarming van de planeet over de hele wereld de migratie van meer dan 200.000.000 mensen kunnen veroorzaken: de ‘klimaatvluchtelingen’.
(4) een Mexicaans bandiet-revolutionair.
Op 27 februari antwoordde 76% van de arbeiders bij VW-Vorst met “Ja” op de enige vraag die in het door de vakbonden georganiseerde referendum werd gesteld: “Gaat u akkoord of niet akkoord om met Audi verder te gaan?” Terwijl in november 2006 de regering ‘verontwaardiging’ veinsde over de brutaliteit van de aanvallen teneinde de woede van de arbeiders te kalmeren, spreekt zij nu haar voldoening uit over een stemming waarmee dezelfde aanvallen worden bekrachtigd: “De eerste minister, Guy Verhofstadt sprak zijn voldoening uit over de bij VW-Vorst gehouden stemming. Het gezonde verstand voerde de boventoon, zei de eerste minister die zich verheugde in het vooruitzicht van een concretisering van een mooi industrieel plan, zoals het was voorgesteld tijdens zijn onderhoud met de heren Piëch en Winterkorn op 1 december 2006. De eerste minister benadrukte nogmaals dat de positieve stemming van de arbeiders bij VW-Vorst niet alleen arbeidszekerheid verschaft voor 2.200 arbeiders van Audi/VW maar tevens voor de duizenden arbeiders die worden tewerkgesteld door de toeleveringsbedrijven.” (Agence Belga, 27/02/2007). De provocerende wijze waarop de vraag was geformuleerd stelde de arbeiders voor een valse keuze: ófwel een vermindering aanvaarden van de loonmassa et slechtere arbeidsomstandigheden, ófwel de maatregelen verwerpen en een zelfmoord-weg inslaan die zou uitlopen op een verlies van de 2.200 overblijvende arbeidsplaatsen en van nog eens duizenden bij de onderaannemers. In dat laatste scenario zou de bourgeoisie de hele verantwoordelijkheid voor de fabriekssluiting bij de arbeiders kunnen leggen en ze een schuldgevoel kunnen aanpraten voor de ontslagen bij de onderaannemers.
Drie maanden lang werden de arbeiders van VW-Vorst geheel en al in het ongewisse gelaten over hun toekomst. Het gaat er hier niet om te speculeren over de bedoelingen van VW om de fabriek al dan niet te sluiten, waarmee er chantage werd gepleegd, want het resultaat van het ultimatum is er vandaag: de arbeiders hebben moeten slikken, zonder enige garantie voor de toekomst, dat er 3.000 arbeidsplaatsen verloren gaan met nieuwe offers voor de overblijvende 2.200 banen waaronder de verlenging van de arbeidstijd tot 38 betaalde uren per week, tegen het loon van de 35 huidige uren. Dat de bourgeoisie er drie maanden over deed om dit resultaat te bereiken kan niet alleen worden verklaard door de strijdbaarheid onder de arbeiders van VW, maar vooral door de algemene onrust die daarmee vergezeld gaat. Het Belgische kapitalisme kan haar erg hoge productiviteit en concurrentiekracht momenteel alleen handhaven door een voortdurende afbraak van de arbeids- en levensomstandigheden van de hele arbeidersklasse. Daarom gaat het om een algemene onrust die bij alle arbeiders heerst. Daarom zijn al de loontrekkenden ook zo gevoelig voor de strijd bij VW. De bourgeoisie wilde de arbeidersklasse derhalve een flinke nederlaag bezorgen voordat deze onvrede werd omgezet in algemene strijdbaarheid. Vandaar dat de aanzienlijke economische en sociale afbraak die de bourgeoisie momenteel weet op te leggen aan de arbeiders van VW alle werkenden raakt en die voelen heel goed dat deze afbraak in de nabije toekomst ook voor hen in het verschiet ligt.
In november 2006, toen het conflict bij VW uitbrak, veroorzaakte het besluit om 4.000 arbeiders te ontslaan een schok in de hele arbeidersklasse in België. Vanwege het algemene klimaat van gespannen sociale verhoudingen moest de bourgeoisie bijgevolg enige voorzichtigheid betrachten en ze liet de vakbonden alle ruimte om de arbeiders op dood spoor te zetten. Toen de woede groot was in vele delen van de arbeidersklasse, zoals duidelijk werd met de manifestatie van 2 december, deden de vakbonden er alles aan om een daadwerkelijke solidariteit te voorkomen. Om ieder strijdperspectief te ontnemen, van uitbreiding en van algemene vergaderingen, aanvaardden de vakbonden snel het verlies van 3.000 arbeidsplaatsen door die om te zetten in brugpensioenen en een ontslagpremie... die de directie van VW op haar beurt in alle haast aanvaardde: “950 werknemers gaan met brugpensioen, maar volgens de regels van het nieuwe generatiepact. 1950 verlaten op ‘vrijwillige basis’ het bedrijf, met voor de eerste 1500 een oprotpremie als beloning. Voor de meeste onder hen met werkloosheid als enig perspectief. Voor de blijvers is er een systeem van ‘langdurige tijdelijke werkloosheid’ maar vooral, bovenop de 33% productiviteitsstijging die de arbeiders reeds realiseerden in de periode 2001-2005 en de nieuwe regeling inzake flexibiliteit sedert de zomer van 2006 (werktijden tot 10 uur per dag en 48 uur per week), wordt er een nieuwe CAO afgesloten met lagere loon- en productiekosten. De productievoorwaarden zouden in 2009 gelijk moeten zijn met die van de VW-vestiging in het oostelijk Duitse Mosel waar de loonkosten 16,9 euro per uur bedragen tegenover 23,8 euro vandaag voor VW-Vorst.” (Internationalisme, nr. 329).
De verdelingsmanoeuvres van de vakbonden kregen geleidelijk de overhand en de strijdvoorwaarden werden steeds ongunstiger: “Hiervoor zorgden de vakbondsmanoeuvres: vanaf het begin werden de arbeiders naar huis gestuurd, geïsoleerd van elkaar, zonder informatie of perspectieven. Een eindeloze aanslepende staking werd in het vooruitzicht gesteld, zonder algemene stakersvergaderingen waar echte discussies en beslissingen mogelijk waren, zonder gekozen, gecontroleerd en afzetbaar stakingscomité, zonder mobiliserende meetings, zonder massale delegaties die actief de solidariteit en uitbreiding zoeken naar andere delen van de arbeidersklasse. Elke uitbouw van echte strijdmiddelen en van een dynamiek om de strijd te versterken werd in de kiem gesmoord. De gedachte zélf van strijd voeren werd hoe langer hoe meer als zinloos ervaren. Er restte de arbeiders tenslotte niets anders dan te berusten in hun lot en al hun vertrouwen te stellen in de regerings- en vakbondsonderhandelaars.” (Internationalisme, nr. 329). Zo ging een werkelijk strijdperspectief geleidelijk in rook op.
Regering en vakbonden slaagden er in toenemende mate in om een gevoel van alleen-staan en onmacht op te leggen aan de 2.200 overblijvende arbeiders. Het was juist de strijdsabotage door de vakbonden die de bourgeoisie in staat stelde om nu des te vastbeslotener en brutaler een ware chantage aan te arbeiders op te leggen. De ‘onderhandelingen’ tussen directie en vakbonden werden in het geheim gevoerd om de arbeiders voor een voldongen feit te kunnen plaatsen. Maar als de vakbonden, al ‘onderhandelend’ achter hun rug om, dachten dat ze de maatregelen voor de ‘redding’ konden opleggen zonder de arbeiders zelfs maar te raadplegen dan slaagden ze er niet in de reactie van de arbeiders te voorkomen; die aarzelden niet om na drie uitputtende maanden van onzekerheid andermaal in staking te gaan, en wel twee dagen voordat de vakbonden het akkoord met de directie zouden ondertekenen. Volslagen onwetend gehouden over hun lot gingen de overblijvende arbeiders spontaan in staking: “De drie vakbonden zouden zelf beslissen over het al dan niet goedkeuren van de directieplannen. Maar de arbeiders zagen dat anders. Maandagochtend weigerden ze om naar de assemblagelijnen te gaan. Later protesteerden ze voor de ramen van de zaal waar de ondernemingsraad bijeenkwam. Ze veroordeelden het gebrek aan informatie over de inhoud van het plan en verweten hun vertegenwoordigers hen niet te raadplegen.” (Le Soir, 27/02/2007).
Maar na drie maanden later waren de omstandigheden niet meer dezelfde. Gezien het vertrek van de meer dan helft van de arbeiders en het volslagen ontbreken van enig breder strijdperspectief dat de vakbonden de arbeiders hadden kunnen ontnemen, konden ze hun woede enkel uiten in een laatste strijd om hun eer te redden. De bourgeoisie en haar media lieten niet af openlijk druk uit te oefenen door de arbeiders voor ‘onverantwoordelijk’ uit te maken indien wanneer ze het akkoord dat door de vakbonden was gesloten niet zouden aanvaarden. Terwijl in december 2006 de regionale en de taal-kaarten niet kon worden uitgespeeld om de arbeiders die zich in de strijd hadden verenigd op te delen, dan bloeien nu de verdelingsmanoeuvres op rond de zogenaamde Waalse ‘heethoofden’ van het FGTB en de ‘gewillige’ Vlamingen van de ACV. In die grondig veranderde krachtsverhoudingen konden de vakbonden een referendum met geheime en individuele stemming houden over een vraag die geen andere keuze liet dan het legitimeren van de ondertekening van het akkoord dat de vakbonden met de directie hadden gesloten. Deze stemming vertegenwoordigt niet slechts een overwinning voor de directie van VW, maar ook van de regering en vooral van de vakbonden, en een nederlaag voor de arbeiders, niet alleen die van VW in België, in Duitsland en in Spanje, maar ook voor de gehele uitgebuite klasse in België. Deze overwinning van de bourgeoisie zal als voorbeeld gaan dienen om de productiviteit over de rug van de arbeiders nog verder op te voeren en de concurrentie onder hen op te drijven. Maar ondanks deze tijdelijke nederlaag is de arbeidersklasse nog in staat lering te trekken uit haar mislukkingen; de ervaring kan op termijn enkel leiden tot een bewustwording dat we alléén niet kunnen winnen en dat de solidariteit niet passief kan blijven. Een nieuwe dynamiek in die betekenis komt onvermijdelijk met de komende strijd.
Internationalisme / 01.03.2007
Toen Lenin, terugkerend uit zijn ballingschap in Zwitserland, op 4 april 1917 in Petrograd aankwam, wendde hij zich onmiddellijk tot de duizenden arbeiders en soldaten die in het station waren toegestroomd met de volgende woorden: "Waarde kameraden, soldaten, matrozen en arbeiders, ik heb de eer in u de overwinnende Russische revolutie te begroeten, u te begroeten als de voorhoede van het proletarisch wereldleger... De Russische revolutie die door u tot stand is gebracht heeft een nieuw tijdperk geopend !...". Negentig jaar later zijn de bourgeoisie, haargeschiedschrijvers en de media aan haar leiband nog steeds volop bezig de ergste leugens en historische verdraaiingen in stand te houden over de proletarische wereldrevolutie die in Rusland begon.
Al de haat en minachting van de heersende klasse tegenover de titanenstrijd van de uitgebuite massa's komt samen in het belachelijk maken en tot beuzelarij kwalificeren van de kommunistische voornemens van de arbeidersklasse; het 'aantonen' van haar fundamentele onvermogen om op wereldschaal een nieuwe sociale orde, waarvan zij de enige draagster is, in te stellen. De ineenstorting van het Oostblok in 1989 heeft deze klassenirritaties enkel aangewakkerd. Sindsdien is er een reusachtige campagne gestart om de duidelijke mislukking van het kommunisme, dat met het stalinisme vereenzelvigd wordt, in alle windrichtingen uit te bazuinen, en daarmee ook de mislukking van het marxisme, de klassenstrijd zou achterhaald zijn net als natuurlijk het hele idee van de revolutie, die enkel zou kunnen uitdraaien op terreur en de Goelag. In het midden van deze weerzinwekkende propaganda staat de politieke organisatie, de belichaming van de omvangrijke opstand van 1917, de Partij van de Bolsjewieken, en daarop spitst het publiek aan de kaak stellen door de verdedigers van de bourgeoisie zich dan ook toe. Voor al deze goedpraters van de kapitalistische orde, waaronder de anarchisten, en wat ook hun zogenaamde onderlinge meningsverschillen mogen zijn, gaat het erom dat Lenin en de bolsjewieken een bende machtshongerige fanatici zouden zijn geweest die er alles aan deden om de democratische verworvenheden van Februari 1917 de nek om te draaien (zie Internationalisme, nr. 330) teneinde Rusland en de wereld te storten in één van de rampzaligste ervaringen uit de geschiedenis.
Ten opzichte van die ongelooflijke laster over het bolsjewisme is het aan de revolutionairen om de waarheid te herstellen en de kern van de zaak over de Partij van de Bolsjewieken andermaal naar voren te brengen. Deze partij was geen product van de barbarij en de achterlijkheid van Rusland, van een gedeformeerd anarcho-terrorisme, of van de absolute machtshonger van haar leiders. Het bolsjewisme was op de eerste plaats een product van het wereldproletariaat, verbonden aan de marxistische traditie; het vormde de voorhoede van een internationale beweging om iedere uitbuiting en onderdrukking af te schaffen. De stellingen die Lenin redigeerde toen hij in 1917 in Rusland terugkeerde, en die bekend staan als de Aprilstellingen, vormen een uitmuntend uitgangspunt om de leugens te bestrijden die over de Partij van de Bolsjewieken zijn uitgestrooid, over haar aard, haar rol en haar banden met de proletarische massa's.
In een eerder artikel (Internationalisme nr. 330) herinnerden we eraan dat de arbeidersklasse in Rusland met de gebeurtenissen van Februari 1917 de weg opende voor de kommunistische wereldrevolutie door het tsarisme omver te werpen, door zich in Sovjets te organiseren en door van een groeiende radicaliteit blijk te geven. De opstand leidde tot een situatie van dubbele macht. De officiële macht was die van de 'Voorlopige Regering' van de bourgeoisie, die aanvankelijk werd geleid door de 'liberalen', maar die later een wat 'socialistischer' kleur aannam onder leiding van Kerenski. Anderzijds bevond de werkelijke macht zich in brede zin al in handen van de sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden. Zonder toestemming van de Sovjets had de regering weinig kans om haar richtlijnen aan de arbeiders en soldaten op te leggen. Maar de arbeidersklasse had nog niet de politieke rijpheid verworven die nodig was om de macht in haar geheel over te nemen. Ondanks haar steeds radicaler acties en houding, werd de meerderheid van de arbeidersklasse, en daarachter de boerenmassa's, teruggehouden door illusies over de aard van de bourgeoisie, door het idee dat in Rusland niet meer dan de burgerlijke democratische revolutie op de agenda stond. Deze toonaangevende ideeën in de massa's werden binnen de sovjets weerspiegeld in de overheersing door de mensjewieken en de sociaalrevolutionairen. Zij deden er alles aan om deze organen machteloos te maken tegenover het burgerlijk regime dat net was geïnstalleerd. Deze partijen, die in handen waren gevallen van de bourgeoisie of daarnaar op weg waren, gebruikten alle middelen om de groeiende revolutionaire beweging te onderwerpen aan de doelen van de Voorlopige Regering, vooral wat betreft het voortzetten van de oorlog. In een situatie zo vol van gevaren en zo vol van beloften, bevonden de bolsjewieken, hoewel ze de internationale strijd tegen de oorlog hadden geleid, zich zelf op dat moment in een bijna volslagen verwarring en waren ze politiek volkomen gedesoriënteerd. Bijvoorbeeld : "In het 'Manifest van het centraal comité van de bolsjewieken', dat terstond na de zege van de opstand uitgevaardigd was, heette het : 'de arbeiders in de fabrieken en werkplaatsen moeten evenals de opstandige troepen terstond hun vertegenwoordigers in de revolutionaire Voorlopige Regering kiezen'. [...]. Zij handelden niet als vertegenwoordigers van een proletarische partij, die zich voorbereidt op zelfstandige strijd om de macht, maar als linkervleugel van de demokratje [...]". (Trotski, Geschiedenis der Russische revolutie, deel. I, Amsterdam, Van Gennep, 1978, p. 340). Erger nog, vanaf het moment in maart waarop Stalin en Kamenjev de leiding van de partij in handen nemen, volgt er een wending naar rechts. Het officieel orgaan van de partij, de Pravda, neemt openlijk een 'verdedigings-standpunt' in ten opzichte van de oorlog : "Niet het 'Wég met de oorlog', dat zonder inhoud is, is onze leus. [...] ieder [blijft] als strijder op zijn post". (aangehaald in Trotski, idem, p. 345). Het flagrant verlaten van het standpunt van Lenin over de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog leidde tot verzet en zelfs woede binnen de partij en onder de arbeiders in Petrograd, in het hart van het proletariaat. Maar deze meest radicale elementen vermochten het niet een helder programmatisch alternatief te stellen tegenover de wending naar rechts. Zo werd de partij als vanzelf naar het compromis en het verraad gezogen, onder invloed van de mist van de democratische roes ontstaan in de opstand van Februari.
Het was dus aan Lenin, vanaf het moment dat hij terugkeerde uit zijn ballingschap, om de partij politiek te herbewapenen en om in zijn Aprilstellingen, "die het effect hadden van een inslaande bom" (Trotski, idem), het doorslaggevend belang te verdedigen van de revolutionaire leiding. Het oude programma van de partij was achterhaald en liep sterk achter op de spontane actie van de massa's. De opdracht waarachter de 'oude bolsjewieken' zich schaarden was voorbijgestreefd. Lenin maakte duidelijk dat de "democratische dictatuur van het proletariaat en de boerenstand" al verwezenlijkt was (Lenin, Brieven over de tactiek). Niettemin, "Het eigenaardige van de tegenwoordige situatie in Rusland ligt in de overgang van de eerste etappe van de revolutie, die als gevolg van het onvoldoend ontwikkeld klassenbewustzijn en van de onvoldoende georganiseerdheid van het proletariaat de bourgeoisie aan de macht heeft gebracht, naar de tweede etappe van de revolutie, die de macht in handen moet geven van het proletariaat en van de armste lagen van de boeren." (tweede van de Aprilstellingen, Lenin, Keuze uit zijn werken, Moskou, Progres, 1973, deel. I, p. 407). Lenin was één van de eersten om het revolutionair belang te begrijpen van de sovjet als orgaan van proletarische politieke macht. En nogmaals gaf Lenin een les in marxistische methode door duidelijk te maken dat het marxisme het tegendeel was van een dogma, maar dat het, vanuit zijn eigen wezen, een levende wetenschappelijke theorie is, die voortdurend moet worden getoetst in het laboratorium van de sociale bewegingen.
Tegenover het standpunt van de mensjewieken, volgens wie het achterlijke Rusland nog niet rijp was voor het socialisme, argumenteerde Lenin als echt internationalist, dat de onmiddellijke taak er niet uit bestond om het socialisme in Rusland in te voeren (Stelling 8). Als Rusland, op zichzelf, nog niet rijp was voor het socialisme, dan had de imperialistische oorlog duidelijk gemaakt dat het wereldkapitalisme als geheel al overrijp was. Voor Lenin net als voor alle toenmalige internationalisten, was de wereldrevolutie niet enkel een vrome wens maar vooral een concreet vooruitzicht. Het kwam tot ontwikkeling beginnend met de internationale proletarische revolte tegen de oorlog zoals de stakingen in Groot-Brittannië en Duitsland, via politieke manifestaties, muiterijen en verbroederingen in de legers in verscheidene landen, tot natuurlijk in de opkomst van het revolutionaire getij in Rusland zelf, wat het geheel van de beweging blootlegde. Vandaar ook de oproep tot een nieuwe Internationale aan het einde van de stellingen. Dit vooruitzicht werd volledig bevestigd na de Oktoberopstand door de uitbreiding van de revolutionaire golf naar Italië, Hongarije, Oostenrijk en vooral Duitsland.
Deze nieuwe omschrijving van de taken van het proletariaat brengt ook een geheel andere opvatting mee over de rol en het functioneren van de partij. Ook hier staan de 'oude bolsjewieken' zoals Kamenjev in het begin tegenover de visie van Lenin; tegenover zijn idee van de machtsgreep door de sovjets enerzijds, anderzijds verzetten zij zich tegen de nadruk die hij legt op de klassenzelfstandigheid van het proletariaat tegenover de burgerlijke regering en de imperialistische oorlog, zelf wanneer dat betekent dat men zekere tijd in de minderheid zal blijven en niet zoals Kamenjev "tot aan het einde de partij blijven van de revolutionaire massa's van het proletariaat". Kamenjev stelt de 'de massapartij' tegenover de opvatting van Lenin over een vastbesloten partij van revolutionairen, met een helder programma, verenigd, gecentraliseerd, in de minderheid, in staat om aan de burgerlijke en kleinburgerlijke verlokkingen te weerstaan net als aan de illusies die binnen de arbeidersklasse bestaan. Deze opvatting over de partij heeft niets te maken met die van een blanquistische terroristische sekte, waarvan Lenin werd beschuldigd, of een anarchistische, onderworpen aan de spontaneïteit van de massa's. Geheel in tegenstelling daartoe ontwikkelde hij juist de opvatting dat in een periode van massale revolutionaire woelingen, in een periode van bewustzijnsontwikkeling binnen de klasse, de partij niet langer de massa's kon organiseren, noch de massa's kon inkaderen of de stappen vooruitzien zoals de samenzwerings-organisaties uit de negentiende eeuw. Lenin sloot zich aan bij de visie van Rosa Luxemburg in haar magistrale analyse van de massastaking in de vervalperiode van het kapitalisme: "laten we de betweterige theorie ter zijde leggen over een voorbeeldige staking, die kunstmatig in scène wordt gezet door de Partij en de vakbonden en die uitgevoerd wordt door een georganiseerde minderheid; laten we daartegenover het levende beeld eens bekijken van een ware volksbeweging die voortkomt uit verontwaardiging over de conflicten tussen de klassen en de politieke situatie [...] de taak van de sociaal-democratie zou niet bestaan uit de voorbereiding van de technische leiding van de staking maar uit de politieke leiding over het geheel van de beweging". Al de energie van Lenin wordt derhalve gericht op de noodzaak de partij te overtuigen van deze nieuwe taken. Het moet die op de schouders nemen en ten opzichte van de arbeidersklasse wordt de centrale hoofdlijn die van de ontwikkeling van het klassenbewustzijn. De vierde stelling formuleert dit helder: "Aan de massa's moet uiteengezet worden, dat de Sovjets van arbeidersafgevaardigden de enige mogelijke vorm van een revolutionaire regering zijn en dat het, zolang deze regering zich door de bourgeoisie laat beïnvloeden, slechts onze taak kan zijn geduldig, stelselmatig, standvastig, in het bijzonder aangepast aan de praktische behoeften van de massa's de fouten van hun tactiek uiteen te zetten [...], waarbij wij tegelijkertijd de noodzakelijkheid propageren dat de gehele staatsmacht overgaat in handen van de sovjets van arbeidersafgevaardigden, opdat de massa's zich door de ervaring van hun fouten ontdoen[...]". Deze benaderingswijze, de wil om heldere en duidelijke klassenbeginselen te verdedigen. wetende dat het tegen de stroom in is, had dus niets te maken met purisme of sektarisme. Integendeel, hij stoelt op een begrip van de werkelijke beweging die zich op ieder moment binnen de klasse afspeelt, op een vermogen om het woord en de leiding te geven aan de radicaalste elementen binnen het proletariaat. De opstand is onmogelijk zolang de revolutionaire standpunten van de bolsjewieken, standpunten die tot ontwikkeling kwamen tijdens het hele revolutionaire proces in Rusland, de sovjets nog niet bewust in hun greep hadden. We staan hier dus erg ver af van de laag-bij-de-grondse verzinsels van de bourgeoisie over de vermeende putchistische houding van de bolsjewieken! Lenin stelt duidelijk: "Wij zijn geen charlatans [...] we moeten ons uitsluitend baseren op het bewustzijn van de massa's" (aangehaald bij Trotski, zie boven).
De beheersing van de marxistische methode door Lenin, waarmee hij de schijn en de oppervlakkigheid van de gebeurtenissen doorzag, stelt hem tezamen met de beste elementen van de partij in staat om de werkelijke dynamiek te doorgronden van de beweging die zich onder hun ogen voltrok. Hij kan zich aansluiten bij de diepste verlangens van de massa's door hen de theoretische bronnen te verschaffen om hun standpunten te verdedigen en hun acties te verhelderen. Dat stelt hen tevens in staat zich te oriënteren op de confrontaties met de bourgeoisie door de valkuilen bloot te leggen en te ontlopen die deze voor het proletariaat had gegraven, zoals tijdens de julidagen van 1917. We beroepen ons dan ook op de fundamentele rol die Lenin gespeeld heeft in de wederopbouw van de Partij van de Bolsjewieken, zonder welke het proletariaat nooit of te nimmer in Oktober 1917 de macht had kunnen overnemen. Dat alles in tegenstelling tot de mensjewieken van dat ogenblik en hun talrijke anarchistische, sociaal-democratische of radenistische navolgers, die een schandalige karikatuur hebben gemaakt van de weinige werkelijke vergissingen van Lenin (1), en wel enkel om het proletarisch karakter van de Oktoberrevolutie van 1917 te kunnen ontkennen. De levenslange strijd van Lenin voor de opbouw van de revolutionaire organisatie is een historische verworvenheid van de arbeidersbeweging. Hij liet aan de huidige revolutionairen een onvervangbare basis na voor de wederopbouw van de klassepartij en stelde hen in staat te begrijpen wat zijn rol moet zijn binnen de klasse als geheel. De geslaagde opstand van Oktober 1917 vormt een bevestiging voor Lenins gezichtspunt. Het isolement van de revolutie na de mislukking van de revolutionaire pogingen in de andere landen van Europa maakt een einde aan de dynamiek van de internationale revolutie die de enige garantie vormt voor een plaatselijke overwinning in Rusland en maakt het mogelijk dat de sovjetstaat de opkomst begunstigt van het stalinisme, de beul van de revolutie en van de ware bolsjewieken. Wat belangrijk blijft is dat de Lenin van de Aprilstellingen op geen enkel moment een geïsoleerde profeet was, noch de grote schepper die boven de vulgaire massa's zweefde; hij was de helderste stem van de meest revolutionaire tendensen binnen het proletariaat, een stem die de weg aangaf in de richting van de overwinning van Oktober 1917. "In Rusland kon het probleem enkel worden gesteld. In die zin is de toekomst overal aan het 'bolsjewisme" (Rosa Luxemburg, De Russische Revolutie).
S.B.
(1) Onder hen hebben de radenisten een hele heisa gemaakt rond de theorie van 'het bewustzijn dat van buitenaf wordt ingebracht', zoals ontwikkeld in Wat te doen?. Maar Lenin heeft deze fout later openlijk erkend en hij heeft in de praktijk uitvoerig bewezen dat hij tot een juiste opvatting was gekomen over het ontwikkelingsproces van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse.
Tegenover de steeds fletsere verkiezingsprogramma’s van de traditionele partijen, SP.a en PS inbegrepen, verschijnen er, tot in de burgerlijke media toe, oproepen voor de oprichting van een ‘strijdbare volkspartij links van de SP.a of de Groenen’. In het licht van de verkiezingen van 10 juni werden er verschillende initiatieven gelanceerd om een dergelijke dynamiek op gang te trekken. Zo heeft de bourgeoisie het ‘verkiezingssucces’ opgeklopt van de Partij van de Arbeid van België (de ex-stalinistische PvdA), die haar aantal gemeenteraadsleden tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen heeft verdrievoudigd. Zij heeft in het bijzonder haar ‘links populistische’ heroriëntering begroet naar het voorbeeld van de Nederlandse SP. Anderzijds is er enkele maanden geleden het CAP (Comité voor een Andere Politiek) opgericht, dat personaliteiten uit het linkse en vakbondsmilieu groepeert (zoals de ex-volksvertegenwoordiger Sleeckx en de ex-patroon van de socialistische vakbond Debunne). Dit initiatief wordt gesteund door de trotskisten van de LSP/MAS en er werd meteen beslist om deel te nemen aan de komende wetgevende verkiezingen. Dit ‘andere links’ beweert een programma ‘links van de SP.a’ voor te stellen, een progressief alternatief tegenover de gevoerde politiek van de traditionele sociaal-democratische partijen. Wat is daar van waar als men hun programma en hun doelstellingen nader onderzoekt?
Deze partijen beweren dat hun programma’s het mogelijk maken om een werkelijke politiek van verandering op gang te brengen tegenover de neo-liberale logica van het kapitalisme. Laten we hun belangrijkste krachtlijnen overlopen:
-de economie ‘moraliseren’: “de mensen eerst, niet de winst”, “de grootste vervuilers moeten de zwaarste lasten dragen” (PvdA), het onder controle brengen van de speculatie of het openen van de boeken van de bedrijven. Met andere woorden, de functionering van de economie onderwerpen aan meer ‘morele’ regels zou volstaan om te evolueren naar een meer rechtvaardige maatschappij. Het is echter niet het gebrek aan menselijkheid dat de oorzaak is van de crisis, de soberheid, de massale ontslagen en de loonsdalingen, het is net het tegenovergestelde: de ontwikkeling van steeds cynischere en ongenadigere gedragscodes is in werkelijkheid het directe gevolg van het doodlopende straatje waarin de kapitalistische productiewijze is terechtgekomen. Alle middelen zijn goed om haar waren te slijten op een oververzadigde wereldmarkt. Geen enkele ‘redelijke’, ‘eerlijke’ of ‘morele’ maatregel zal beletten dat de soberheid en de barbarij ravages aanrichten over de hele planeet. Dergelijke programmatische oriënteringen mikken er echter wel op om de illusie te verspreiden dat men het wegrottende kapitalistische systeem kan “humaniseren door het te reguleren”, en dat het dus niet vernietigd moet worden.
- “de rijken doen betalen”: “belasting op de grote fortuinen” (PvdA), “herverdeling van de 27 miljard winst van de negentien grootste bedrijven” (CAP). Voor het ‘andere links’, zou de oplossing voor de werkloosheid en de ellende die wordt voortgebracht door het kapitalisme, liggen in een “billijke herverdeling” van de winsten. Daardoor doen ze niets anders dan de mythe verspreiden dat de ellende, die wordt voortgebracht door het kapitalisme, niet het resultaat is van zijn tegenstrijdigheden die steeds erger oplopen, maar dat het gewoon een kwestie is van een “meer rechtmatige verdeling van de rijkdom”. Voor hen zouden de sociale ongelijkheden en de werkloosheid voortvloeien uit het feit dat de ‘rijken’ te veel poen opstapelen die zij niet willen delen, en niet uit de logica zelf van de kapitalistische productieverhoudingen.
Welnu, sinds Marx en zijn brochure Loon, prijs en winst, hebben de revolutionairen juist met uiterste energie de illusie bestreden omtrent de mogelijkheid om een rechtvaardige en billijke maatschappij in te stellen in de schoot van het kapitalisme, de illusie die er uiteindelijk op neerkomt dat er een kapitalisme zonder winst mogelijk zou zijn. Zij hebben duidelijk gemaakt dat de winst de motor is van de kapitalistische uitbuiting. Zoals Rosa Luxemburg zei: “De kapitalistische productiewijze draagt deze bijzonderheid in zich dat de menselijke consumptie, die in alle voorafgaande economieën het doel was, niets meer wordt dan een middel ten dienste van het eigenlijke doel: de kapitalistische accumulatie. De groei van het kapitaal doet zich voor als het begin en het einde, het einde op zich, en de zin van heel de productie… Het fundamenteel doel van elke sociale productievorm: het onderhoud van de maatschappij door werk, het voldoen van de behoeften, treedt hier naar voren compleet omgekeerd en op zijn kop gezet, aangezien de productie voor de winst en niet voor de mens de wet wordt die de wereld overheerst en de onder-consumptie van de enorme meerderheid van de mensheid de regel wordt” (Rosa Luxemburg: Inleiding tot de Politieke Economie).
Het is deze ijzeren loonwet, deze onwrikbare logica die ten grondslag ligt aan de aard van het kapitalisme. Het is om die reden niet verwonderlijk te zien hoe bedrijven en nationale staten zich steeds wreder en roofzuchtiger gaan gedragen, in een alsmaar meer verbeten concurrentie tussen de naties, om te voldoen aan hun steeds toenemende behoeften aan winst. Wanneer dit ‘andere links’ bij de arbeiders het idee probeert in te lepelen van een kapitalisme waarvan het volstaat het ‘rechtvaardiger te maken’, dan dient dat vooral om te verbergen dat het enige historische antwoord dat de arbeidersklasse kan geven ten overstaan van de ongerechtigheden die door dit systeem worden te weeg gebracht, neerkomt op het vernietigen ervan, op het afschaffen van de loonarbeid door de ontwikkeling van de strijd tegen de uitbuiting van de arbeidskracht en de kapitalistische productieverhoudingen.
- de controle van de ‘overheid’ op de economie versterken: door de staat op te roepen om dwangmaatregelen te nemen tegen de ‘privé patroons’, bijvoorbeeld in de farmaceutische industrie, of nog om “prepensioen terug in te voeren met de verplichting tot het aanwerven van jongeren”, door het opleggen van ‘een vermindering op de gas- en elektriciteitsfactuur’, wijzen PvdA en CAP de privé patroons en hun “slecht beheer van het bedrijf” aan als de oorzaak van de ellende van de uitgebuiten. Voor hen ligt de oplossing voor de hand: het zou volstaan om de productiemiddelen te concentreren in de handen van de staat. Vandaar hun verkiezingseisen: “stop de privatisering van de Openbare Diensten”. Deze staat en bijgevolg ook zijn regering worden voorgesteld als een scheidsrechter verheven boven de sociale klassen, die de kant kan kiezen van de ene of andere klasse: de bourgeoisie of het proletariaat. Het verwijt dat ze maken aan de ‘overheid’ is dat deze “zich ten dienste stelt van de patroons”, “cadeaus geeft aan het patronaat”. Zo verdoezelen zij de aard van de kapitalistische staat door doen te geloven dat hij het is die de privé patroons dient, terwijl, zelfs al kunnen er meningsverschillen bestaan tussen de staten en bepaalde patroons, dit geenszins afbreuk doet aan het feit dat deze laatste uiteindelijk handelen in overeenstemming en in de zin van het nationaal belang en van de staat van de landen waarvan zij afhankelijk zijn. Het is de staat die de prijzen, de collectieve arbeidsovereenkomsten, de uitbuitingsgraad, de productie, enz. reglementeert. Hij is het die, via zijn fiscale, monetaire en kredietpolitiek, enz. de voorwaarden dicteert van de ‘vrije markt’, zowel in de financiële als in de productiesectoren. Sinds het einde van de jaren 1960, met het heropduiken van de economische crisis, is het de staat die verantwoordelijk is geweest voor de grote ontslagplannen in naam van de industriële herstructurering van de staalnijverheid, de mijnen, de scheepswerven, de automobiel, en de aderlating die vandaag verder gezet wordt in de luchtvaartsector, de automobiel, de telecommunicatie, enz. Het is de staat die duizenden jobs geschrapt heeft bij de Post, bij de NMBS, in de hospitalen en die dat blijft doen in de openbare diensten, in het onderwijs, enz. Hij is het die voortdurend knaagt aan de sociale minima, die de toename van de armoede begunstigt, van de precariteit, die duidelijk snijdt in de sociale budgetten (huisvesting, pensioenen, gezondheid, opvoeding). Door haar programma veegt het ‘andere links’ de spons over de allereerste verantwoordelijke voor de kapitalistische soberheid en de werkloosheid, de eerste beslisser bij ontslagen en sociale achteruitgang: de staat van de bourgeoisie die alleen maar een burgerlijke, kapitalistische staat kan zijn.
De algemene indruk die wordt opgewekt door de eisen, die door het ‘andere links’ naar voren worden geschoven, is dat het behoud van de lonen, de schepping van tewerkstelling of het vrijwaren van de sociale zekerheid ‘voordelen’ zijn die ‘ontrukt’ zouden zijn aan de kapitalistische winsten. Het is net het tegenovergestelde. De rijkdommen worden geproduceerd door de arbeid, niet door het kapitaal. En het is deze laatste die zich een deel toeeigent op de rug van de arbeiders via de meerwaarde. De verkoop van de producten van de loonarbeid in het kader van de wereldmarkt is de onmisbare voorwaarde om deze meerwaarde te realiseren. De fundamentele oorzaak van de soberheid en de ellende die zich uitstort over de arbeidersklasse, is wel degelijk de overproductiecrisis die de concurrentie tussen kapitalisten op een oververzadigde markt op de spits drijft, die hen er toe drijft om hun productiekosten te verlagen, de flexibiliteit ten top te drijven, de lonen te verlagen en overal te ontslaan. Dat toont duidelijk aan waarom een ‘andere politiek’, dat wil zeggen een politiek die zou breken met de dynamiek van ellende en oorlog, niet mogelijk is in de schoot van het kapitalisme en zijn ‘democratische staat’.
Tegenover de onmiskenbare anti-arbeiderspolitiek van de socialistische partijen SP.a/PS die al tien jaar in de regering zetelen, net als tegenover de corruptie en schandalen die hen periodiek teisteren, kan het logisch lijken om op te roepen tot het oprichten van ‘een echte linkse partij’, die werkelijk de belangen zou vertegenwoordigen van de werkers bij de verkiezingen en hun belangen zou verdedigen in het vertegenwoordigingssysteem van de burgerlijke staat, in het nationale parlement. Nochtans is het niet de eerste keer dat een partij zich opwerpt als de uitdrukking van een ‘ander links’ en oproept om voor haar te stemmen met de belofte om een ‘andere politiek’ te voeren: van de verschillende ‘communistische’ partijen tot de PDS in Duitsland, de Partido de la Rifondazione Comunista in Italië of de ‘Arbeiderspartij’ van Lula in Brazilië, al deze partijen ‘links van de SP’ hebben dat beloofd maar dat heeft hen niet belet, van ‘president’ Lula in Brazilië tot de ‘ex-communisten’ van Italië of in Duitsland, om een politiek te ondersteunen van het versterken van het nationale kapitaal, van de nodige maatregelen te nemen om de concurrentiecapaciteit van het nationale kapitaal te verstevigen.
Voor de revolutionairen is het verraad van de socialistische partijen en later dat van de ‘communistische’ of ‘arbeiders’partijen niet het gevolg van het toeval, van pech of van slechte leiders, het is het product van de evolutie zelf van het kapitalistisch systeem en van zijn huidige fase. In de huidige fase van het verval, van de wereldcrisis, van de chaos en de veralgemeende oorlog, zijn de burgerlijke staten in hun geheel geëvolueerd naar een systeem waarbij de partijen niet zozeer de uitdrukking zijn van de strijd tussen burgerlijke fracties om de controle over de staat, maar waarbij het geheel van deze partijen eerder het uitvloeisel is van de belangen van het nationale kapitaal en zich inzetten voor de verdediging ervan, in de krachtmeting tussen de imperialistische rovers op het internationaal vlak. Geloven dat in een dergelijke context die volkomen wordt gecontroleerd door de burgerlijke staat, er zich een partij zou kunnen ontwikkelen die de belangen van de uitgebuite klasse zou kunnen verdedigen binnen het kader van het parlementaire verkiezingssysteem, ja zelfs de macht veroveren, komt neer op zichzelf verhaaltjes wijsmaken, zich in slaap wiegen met zinsbegoochelingen.
Bij de aanvang van de twintigste eeuw hebben de opportunistische fracties van de sociaal-democratie, verblind door de exponentiële groei van het kapitalisme en door de indrukwekkende ontwikkeling van hun eigen krachten, de illusie verspreid van een geleidelijke overgang naar het socialisme door de controle te nemen over de burgerlijke staat door middel van de verkiezingshefboom. Honderd jaar later, na twee wereldoorlogen, verschrikkelijke economische crises, een groeiende chaos en een barbarij over de hele planeet, betekent het komen aandraven met een dergelijke opvatting niets anders dan een schaamteloze misleidingsonderneming die er op gericht is om de werkers de weg op te drijven van de zelfmoord.
Tegenover de twijfel omtrent het nut van dergelijke programma’s en organisaties, brengen de ‘radicaalste’ onder hen, zoals de trotskisten van LSP/MAS, daar tegen in: “Wij laten ons niet vangen. Wij weten heel goed dat deze nieuwe partij geen revolutionaire partij zal zijn, dat de ene of andere politieke leider of vakbondsman nog verraad zal plegen, maar deze negatieve ervaring is een verplichte ervaring voor de werkers opdat zij zouden leren inzien wie de werkelijke revolutionairen zijn” (LSP, Voor een nieuwe partij van de arbeiders, 06.04.06). Doen geloven dat het opsluiten van de arbeiders in een reformistische logica en een perspectief van zelfmoordactie de ontwikkeling van de proletarische bewustwording zou kunnen begunstigen, getuigt van een grenzeloos cynisme. Verre van te steunen op de kracht en de organisatie die de arbeidersklasse kan verwerven in haar strijd, stelt LSP als doelstelling voor de ontwikkeling van de bewustwording… de individuele ervaring van ‘iedere arbeider’, de democratische misleiding die ‘elke arbeider’ omvormt tot een ‘burger’, alleen, geïsoleerd in zijn stemhokje, met de illusie dat zijn stembiljet invloed zal hebben op zijn sociale levensvoorwaarden. De gauchisten beweren dat men moet vertrekken van de illusies van de arbeiders om hen mee te sleuren in een negatieve ervaring opdat zij zouden bewust worden. Beweren dat bewustwording ontstaat uit de verwarring, uit de misleiding en de ontmoediging, getuigt van walgelijk cynisme en onthult alleen maar de ware aard van dergelijke initiatieven: niet het ontwikkelen van het bewustzijn van de arbeidersklasse maar in tegendeel het vertroebelen ervan door de klasse in de val te lokken van de democratische campagnes van de bourgeoisie.
Deze campagnes rond de ontwikkeling van een ‘echte linkerzijde’ bieden dus geen enkel strijdperspectief aan de arbeidersklasse. In tegendeel, ze leiden de woede die steeds meer tot uitdrukking komt af naar de valstrik van de verkiezingen en de democratische hervormingen. En zo vermijden zij de ontwikkeling van het nadenken in de schoot van het proletariaat omtrent de perspectieven en de middelen van de strijd tegen de toenemende barbarij van de burgerlijke maatschappij.
Jos / 01.04.07
Geconfronteerd met de angst voor de toekomst, de schrik voor de werkloosheid, het balen van de soberheid en de bestaansonzekerheid, gebruikt de bourgeoisie de verkiezingen om het nadenken binnen de arbeidersklasse te belemmeren.
De weigering om deel te nemen aan het verkiezingscircus is geen vanzelfsprekende zaak voor het proletariaat omdat deze misleiding nauw verbonden is met de kern van de ideologie van de heersende klasse: de democratie. Heel het sociale leven van het kapitalisme wordt door de bourgeoisie georganiseerd rond de mythe van de ‘democratische’ staat. Deze mythe is gegrondvest op het leugenachtige idee dat alle burgers ‘gelijk’ en ‘vrij’ zouden zijn om via hun stem, te ‘kiezen’ voor hun politieke vertegenwoordigers en het parlement, dat voorgesteld wordt als de weerspiegeling van de ‘volkswil’. Dit ideologische bedrog is voor de arbeiders moeilijk te ontzenuwen, ook al omdat de verkiezingsmis-leiding gedeeltelijk steunt op bepaalde waarheden. De bourgeoisie misbruikt ze, via het vervalsen van de geschiedenis van de arbeidersbeweging, door de herinnering op te roepen van de heldhaftige strijd van de arbeidersklasse voor de verovering van het stemrecht. Tegen de grove propagandistische leugens is het noodzakelijk om terug te grijpen opde werkelijke standpunten die werden verdedigd door de arbeidersbeweging en haar revolutionaire organisaties. En dat niet op zichzelf, maar met betrekking tot de verschillende perioden van de ontwikkeling van het kapitalisme en van de behoeften van de revolutionaire strijd van het proletariaat.
De negentiende eeuw is de periode van volle ontwikkeling van het kapitalisme, waarbij de bourgeoisie het algemeen stemrecht en het parlement gebruikte in haar strijd tegen de adel en haar eigen reactionaire fracties. Zoals Rosa Luxemburg in 1904 onderstreepte in haar tekst Sociaal-democratie en parlementarisme: “Verre van een absoluut product te zijn van de democratische ontwikkeling, van de vooruitgang van het menselijke geslacht of van soortgelijk schoons, is het parlementarisme veeleer de bepaalde historische vorm van de klassenheerschappij van de bourgeoisie en – dit is dan de keerzijde van deze heerschappij – van de strijd van de bourgeoisie tegen het feodalisme. Het burgerlijke parlementarisme blijft slechts zolang in leven als de strijd tussen de bourgeoisie en het feodalisme duurt.” (Rosa Luxemburg, Orde heerst in Berlijn, L.J.C. Boucher, Den Haag) Met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, schaft de bourgeoisie de lijfeigenschap af en breidt zij de loonarbeid uit voor de behoeften van haar economie. Het parlement wordt de arena waar de verschillende burgerlijke partijen elkaar bevechten om te beslissen over de samenstelling en de oriënteringen van de regering die belast wordt met de uitvoerende macht. Het parlement wordt tot het centrum van het burgerlijke politieke leven, maar in dit democratisch parlementair systeem, zijn alleen de notabelen kiezers. De proletariërs hebben geen spreekrecht, noch het recht van organisatie.
Onder druk van de Eerste en vervolgens van de Tweede Internationale gingen de arbeiders sociale strijd van grote omvang voeren, dikwijls ten koste van hun eigen leven, om verbeteringen af te dwingen van hun levensvoorwaarden (vermindering van de werktijd van veertien tot tien uren, verbod op kinderarbeid en op zwaar werk voor de vrouwen… ). Aangezien het kapitalisme toen nog een sociaal systeem in volle bloei was, stond zijn omverwerping door de proletarische revolutie nog niet op de dagorde. Dat is de reden waarom de eisenstrijd op het economische vlak, via de vakbonden, en de strijd van zijn politieke partijen op het parlementaire terrein, het voor het proletariaat mogelijk maakten om hervormingen in zijn voordeel in de wacht te slepen. Een dergelijke deelname “maakte het voor de arbeidersklasse mogelijk druk uit te oefenen ten gunste van deze hervormingen, en tegelijkertijd de verkiezingscampagnes te gebruiken als propaganda- en agitatiemiddel voor het proletarisch programma en het parlement te gebruiken als tribune om de schandelijke politiek van de bourgeoisie aan de kaak te stellen. Daarom ook was in een groot aantal landen de strijd voor het algemeen kiesrecht gedurende de hele 19e eeuw één van de belangrijkste gelegenheden voor de mobilisatie van het proletariaat ” (1). Dit zijn de stellingen die Marx en Engels gedurende heel deze periode van de bloei van het kapitalisme verdedigden in goedkeuring van de deelname van het proletariaat aan de verkiezingen.
Aan de dageraad van de twintigste eeuw had het kapitalisme de wereldmarkt veroverd. Toen het opbotste tegen de grenzen van zijn geografische uitbreiding, stuitte het op de objectieve beperkingen van de markten: de afzetmarkten van zijn productie worden steeds meer ontoereikend. De kapitalistische productieverhoudingen vormen zich vanaf dat moment om tot belemmeringen van de ontwikkeling van de productiekrachten. Het kapitalisme komt als een geheel terecht in een periode van crises en oorlogen van wereldomvang.
Een dergelijke omwenteling zal een diepe verandering teweegbrengen in de politieke levenswijze van de bourgeoisie, in het functioneren van haar staatsapparaat en, a fortiori, in de voorwaarden en strijdmiddelen van het proletariaat. De rol van de staat wordt overheersend want hij alleen is in staat om ‘de orde’ en de samenhang te verzekeren van een kapitalistische maatschappij die wordt verscheurd door haar eigen tegenstellingen. De burgerlijke partijen worden steeds vanzelfsprekender tot instrumenten van de Staat die belast worden met het doen aanvaarden van diens politiek. De politieke macht vertoont de neiging om zich te gaan verplaatsen van de wetgevende naar de uitvoerende macht en het burgerlijke parlement wordt tot een lege huls. Het beschikt niet meer over een werkelijke beslissingsmacht. Deze werkelijkheid werd in 1920, op haar Tweede Congres, door de Kommunistische Internationale duidelijk gekenschetst. “De houding van de Derde Internationale ten overstaan van het parlementarisme wordt niet bepaald door een nieuwe doctrine maar door de verandering van de rol van het parlement zelf. In het voorbije historische tijdperk heeft het parlement als instrument van het kapitalisme in ontwikkeling, in zekere zin, meegewerkt aan de vooruitgang van de geschiedenis. Onder de moderne voorwaarden van ongebreideld imperialisme is het parlement een wapen van valsheid, bedrog, en geweld geworden, een plaats van opgewonden gebabbel. [...] In de huidige tijd kan het parlement, voor de kommunisten, in geen enkel geval, nog dienst doen als de arena voor de strijd voor hervormingen en verbeteringen van de levensstandaard van de arbeidersklasse, zoals dat het geval was op bepaalde momenten in het vorige tijdperk. Het brandpunt van het politieke leven is volledig en voorgoed naar buiten de grenzen van het parlement verschoven." (2).
Sindsdien was er voor de bourgeoisie geen sprake meer van het toestaan van werkelijke en duurzame hervormingen van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse. Het tegendeel dringt zich op aan het proletariaat: steeds grotere opofferingen, ellende en uitbuiting. De revolutionairen zijn eensgezind in de erkenning van het feit dat het kapitalisme zijn historische grenzen heeft bereikt, en dat het in zijn vervalfase is binnengetreden, zoals bleek uit de ontketening van de Eerste Wereldoorlog. Voortaan was het alternatief: socialisme of barbarij. Het tijdperk van de hervormingen was definitief afgesloten en de arbeiders konden niets meer verkrijgen op het terrein van de verkiezingen.
Desalniettemin ging er zich een debat ontwikkelen in de loop van de jaren 1920 in de schoot van de Kommunistische Internationale omtrent de mogelijkheid, verdedigd door Lenin en de Bolsjewistische Partij, van de ‘tactiek’ van ‘het revolutionaire parlementarisme’. Geconfronteerd met de ontelbare vraagstukken die werden opgeworpen door de intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode, woog het gewicht van het verleden door op de arbeidersklasse en haar organisaties. De imperialistische oorlog, de proletarische revolutie in Rusland, en vervolgens de terugval van de proletarische strijdgolf op wereldvlak vanaf de jaren 1920 brachten Lenin en zijn kameraden er toe om te denken dat men het parlement van binnen uit zou kunnen vernietigen of het parlement zou kunnen gebruiken als een revolutionaire tribune. In feite zou deze foute ‘tactiek’ de Derde Internationale steeds verder doen afdrijven naar compromissen met de ideologie van de heersende klasse. Het isolement van de Russische Revolutie, de onmogelijkheid van haar uitbreiding naar de rest van Europa door het neerslaan van de revolutie in Duitsland, zouden eerst de Bolsjewiki en de Internationale, en vervolgens de Kommunistische Partijen, doen afdrijven naar een ongebreideld opportunisme. Dit opportunisme zou hen er toe brengen om de revolutionaire standpunten van de Eerste en de Tweede Congres van de Kommunistische Internationale in vraag te gaan stellen om daarna, tijdens de daaropvolgende congressen, te ontaarden in het verraad van het stalinisme dat tot speerpunt werd van de triomferende contrarevolutie.
Tegen dit opgeven van de beginselen reageerden de meer linkse fracties in de Kommunistische Partijen (3). Te beginnen met de Italiaanse Linkerzijde met Bordiga aan het hoofd ervan die, reeds vóór 1918, de verwerping van de verkiezingsactie voorstond. Eerst gekend als ‘Abstentionistische kommunistische fractie’, werd die formeel opgericht na het Congres van Bologna in oktober 1919 en, in een brief gestuurd vanuit Napels naar Moskou, bevestigde zij dat een werkelijke partij die zich moest aansluiten bij de Kommunistische Internationale, alleen kon worden opgericht op basis van antiparlementaire grondslagen. Anton Pannekoek bandrukte ook duidelijk de onmogelijkheid voor de revolutionairen om het parlement te gebruiken, want een dergelijke tactiek zou enkel kunnen leiden tot het sluiten van compromissen, van toegevingen aan de heersende ideologie. Zij kon er enkel toe leiden om een schijn van leven te verlenen aan deze afstervende instellingen, tot aanmoedigen van de passiviteit van de arbeiders, terwijl de revolutie een actieve en bewuste deelname vereist van het geheel van het proletariaat.
In de jaren 1930, zou de Italiaanse Linkerzijde, via haar tijdschrift Bilan op concrete wijze aantonen hoe de strijd van de Franse en Spaanse proletariërs werd omgebogen naar het verkiezingsterrein. Bilan beweerde terecht dat de ‘tactiek’ van de volksfronten in 1936, het mogelijk had gemaakt om het proletariaat als kanonnenvlees in te kaderen in de tweede imperialistische wereldslachting. Op het einde van deze afschuwelijke holocaust was het de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk (waar de IKS uit voortkomt) die het tijdschrift Internationalisme publiceerde, die op de duidelijkste manier de ‘tactiek’ van het revolutionaire parlementarisme zou aanklagen: “De politiek van het revolutionaire parlementarisme heeft ruimschoots bijgedragen tot het ontaarden van de partijen van de Derde Internationale en de parlementaire fracties hebben gediend als forten van het opportunisme [...]. De waarheid is dat het proletariaat voor zijn bevrijdingsstrijd geen gebruik kan maken van ‘het politieke strijdmiddel’ dat eigen is aan de bourgeoisie en bestemd is voor zijn onderwerping. Het revolutionaire parlementarisme heeft als werkelijke activiteit in feite nooit bestaan om de eenvoudige reden dat de revolutionaire actie van het proletariaat, wanneer deze er mee geconfronteerd werd, inhield dat het zich als klasse mobiliseerde op een buiten-kapitalistisch vlak, en niet gebonden aan stellingen binnen de kapitalistische maatschappij” (4).
Sindsdien is het niet deelnemen aan de verkiezingen een klassengrens tussen de proletarische en de burgerlijke organisaties. Onder deze voorwaarden worden, sinds meer dan tachtig jaar, de verkiezingen op wereldschaal door alle regeringen gebruikt, wat ook hun politieke kleur is, om het ongenoegen van de arbeiders af te leiden naar een steriel terrein en om de mythe van de ‘democratie’ geloofwaardig te houden. Het is trouwens geen toeval dat vandaag, in tegenstelling tot de negentiende eeuw, de ‘democratische’ staten een verwoede strijd leveren tegen het abstentionisme (het niet-stemmen) en tegen de leegloop van de partijen, want de deelname van de arbeiders aan de verkiezingen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van de democratische zinsbegoocheling.
In tegenstelling tot de onpasselijk makende propaganda die ons ervan wil overtuigen dat de stembus regeert, moeten wij opnieuw bevestigen dat de verkiezingen een pure maskerade zijn. Natuurlijk kunnen er meningsverschillen bestaan bij de verschillende fracties die deel uitmaken van de burgerlijke staat over de wijze waarop de belangen van het nationale kapitaal het best verdedigd worden, maar fundamenteel organiseert en controleert de bourgeoisie het verkiezingscarnaval opdat het resultaat zou overeenstemmen met haar behoeften als heersende klasse. Dat is de reden waarom de kapitalistische staat haar dienstbare media organiseert, manipuleert en gebruikt. Zo is er sinds het einde van de jaren 1920 tot op heden, onafhankelijk van het resultaat van de verkiezingen, van het feit of het rechts was of links dat zegevierend uit de verkiezingen kwam, tenslotte altijd dezelfde anti-arbeiderspolitiek gevoerd.
De laatste maanden is het georkestreerd focussen van de bourgeoisie op de presidentsverkiezingen van mei 2007 in Frankrijk er tijdelijk in geslaagd om de aandacht van de arbeiders aan te trekken en hen er van te overtuigen dat deze een inzet vormen voor hun toekomst en voor die van hun kinderen. Niet alleen stort de bourgeoisie de arbeidersklasse in een absolute verpaupering, maar bovendien vernedert ze haar door haar ‘het brood en spelen van het verkiezingscircus’ te geven. Vandaag blijft er voor het proletariaat geen andere keuze over. Ofwel laat het zich meeslepen op het verkiezingsterrein van de burgerlijke staten die haar uitbuiting en onderdrukking organiseren, een terrein waarop het slechts kan geatomiseerd worden en waarop het geen weerstand kan bieden aan de aanvallen van het kapitalisme in crisis. Ofwel ontwikkelt het zijn collectieve strijd, op een solidaire een eensgezinde wijze, ter verdediging van zijn levensvoorwaarden. Het is alleen op deze wijze dat het proletariaat zijn kracht zal kunnen terugvinden als revolutionaire klasse: zijn eenheid en zijn capaciteit om te strijden buiten en tegen de burgerlijke instellingen om (parlement en verkiezingen), voor de omverwerping van het kapitalisme.
Tegenover de verergering van de aanvallen en de electorale hersenspoeling ten spijt, is het proletariaat bezig met het ontwikkelen van een diepere overdenking van de betekenis van de massale werkloosheid, van de onophoudelijke aanvallen, van de ontmanteling van de pensioensystemen en de sociale bescherming. Op termijn kunnen de anti-arbeiderspolitiek van de bourgeoisie en het proletarisch verzet hiertegen slechts uitmonden in een groeiende bewustwording in de schoot van de arbeidersklasse, van het historisch bankroet van het kapitalisme. Het proletariaat moet niet meewerken aan het smeden van zijn eigen ketenen, maar moet ze stuk breken! De versterking van de kapitalistische staat moeten de arbeiders beantwoorden met de wil om hem te vernietigen!
Het alternatief van vandaag blijft dus hetzelfde als dat wat door de marxistische Linkerzijde in de jaren 1920 werd ontwikkeld: verkiezingen en misleiding van de arbeidersklasse of ontwikkeling van de bewustwording van de klasse en uitbreiding van de strijd naar de revolutie!
D.
(1) Platform van de IKS
(2) Tweede Kongres van de Kommunistische Internationale
(3) De IKS is de erfgename van deze Kommunistische Linkerzijde en onze standpunten zijn er de voortzetting van.
(4) Lees hiervoor het artikel van Internationalisme, nr.36 van juli 1948, opnieuw gepubliceerd in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr.36.
Als we de bourgeoisie zouden geloven, die van rechts en die van links, dan zou het kapitalisme gezond en in volle groei zijn. Het ongelooflijk dynamisme van de Chinese economie zou daar het onweerlegbaar bewijs van zijn. Werkloosheid? Ontslagen bij de vleet? Toenemende verarming? Dat zou enkel het gevolg zijn van uitwassen, de fout van winstgeile leiders zonder scrupules. Met wat minder liberalisme en wat meer staat zou alles nog beter gaan in de best mogelijke van alle werelden. Dit alles is één grote leugen. In werkelijkheid is het kapitalisme een systeem in doodsnood en maakt zijn economische wereldcrisis momenteel een nieuwe versnelling door. Wat voor toekomst heeft de heersende klasse voor ons in petto, voor een arbeidersklasse die al een voortdurende aftakeling van haar bestaansvoorwaarden ondergaat?
Op dinsdag 27 februari onderging de beurs van Sjanghai in China in enkele uren een plotse daling van 8,8%, en sleurde daarbij de beurzen van de hele wereld in haar kielzog mee. In New York bijvoorbeeld ging Wall Street er 3,5% op achteruit, de grootste daling in vijf jaar.
Hoe kon de marktdaling in Sjanghai een golf van aandelenverkopen teweegbrengen die de hele wereld troffen, terwijl de specialisten dag na dag opscheppen over de goede gezondheid van de beursmarkten? In feite hebben de records die de beursindexen de laatste jaren bereiken geen andere basis dan speculatie. Overal, in alle sectoren en alle landen, worden investeerders met hetzelfde probleem geconfronteerd: overproductie. Zo is speculatie het enige middel geworden om winst te maken. In het grote casino van de virtuele economie is het doel van het spel aandelen te kopen in de hoop die op het juiste moment duur te verkopen. Maar bij het minste slechte nieuws steekt een wind van paniek op. Iedereen wil tegelijk verkopen, wetende dat het merendeel van die aandelen in werkelijkheid niets vertegenwoordigt, geen fabriek, geen goederen. De kleine oprisping in Sjanghai geeft aan wat voor stormen er in de toekomst kunnen opsteken.
Het inzakken van de beurs van Sjanghai is voor een deel verbonden met wat de economisten de verhitting van de Chinese economie noemen. Teveel investeringen, overcapaciteit inzake productie, grote schuldenlast: de Chinese economie is compleet uit balans en stevent steeds duidelijker af op een bijzonder brutale recessie. Natuurlijk, enkele jaren geleden kende de Chinese economie nog een zeer hoge groeivoet en een versnelde industriële ontwikkeling. In 2006 bereikte die groei zelfs 10,7%. Maar de arbeiders in dit land, die leven en werken in echte industriële strafkampen, ondervinden aan den lijve wat die expansie betekent. In werkelijkheid draait die rond twee pijlers die een kritisch breukpunt bereiken. De eerste pijler is de schuldenlast. De schuld van China groeit dubbel zo snel als zijn Bruto Nationaal Produkt! Zijn banksysteem zit opgescheept met 50% ongedekte schulden! De tweede pijler is de noodzaak voor China om een groeiend deel van zijn waren af te zetten op de Amerikaanse markt, terwijl die, op de rand van de recessie, serieus aan het krimpen is. De binnenlandse Chinese markt is inderdaad zeer zwak en kan wat het land produceert geenszins opnemen. Zijn economie is dus compleet afhankelijk van de uitvoer. En de tijd dat de Amerikaanse economie de wereldeconomie vooruittrok loopt ten einde, zonder dat een ander land in staat is het voortouw over te nemen.
De Chinese eerste minister, Wen Jiabao, die het grote gevaar van overproductie beseft, heeft onlangs verklaard dat de regering de groei in 2007 tot 8% zal beperken. Dat zal gaan via een verstrakken van het monetaire beleid. Geld lenen zal duurder worden. Duidelijk gezegd: in het vervolg zal het moeilijker worden te investeren om te vermijden dat de economie buiten proporties op hol slaat!
Gedurende die zwarte week van de beurzen over de wereld was de Amerikaanse staatssecretaris van de schatkist, Hank Paulson, op rondreis door Azië. Hij moest de Chinese staat overtuigen van de stevigheid van de Amerikaanse economie, door als een echte praatjesmaker de ernst van de vastgoedcrisis en de monetaire en financiële risico's te bagateliseren. Een belangrijk deel van de Chinese economie wordt inderdaad gevoed met massale Amerikaanse tegoeden en deviezen, dollars die China deels opnieuw in de Verenigde Staten investeert en die dienen om de groei van het Amerikaans tekort te beperken. Om al die redenen worden beide economieën geconfronteerd met een verschrikkelijke tegenstelling: ze worden gedwongen een hardnekkige oorlog te voeren en tegelijk zijn ze uiterst afhankelijk van elkaar geworden, waarbij de recessie van de één de recessie van de ander veroorzaakt. En vandaag zijn beide inderdaad aan het wegzakken.
A. Greenspan, de voormalige grote goeroe van het Amerikaanse financieel beleid, erkent zeer officieel de mogelijkheid van een recessie in 2007 in de Verenigde Staten. De meest zichtbare en onmiddellijke reden voor die vertraging is zonder twijfel dat de vastgoed ballon van dit land aan het ontploffen is. De prijzen in die activiteitssector zijn al met een kwart gedaald, en dat is nog maar een begin. Sommige economisten schatten dat die markt met 40% overschat is. De correctie zou kunnen neerkomen op 6000 miljard dollar, dat is zowal één derde van het Amerikaans Bruto Binnenlands Produkt! De vastgoedcrisis slaat nu over naar Groot-Brittannië: "Dit is slecht nieuws dat kan alarmeren. Kensington, leider inzake riskant vastgoedkrediet in Groot-Brittannië, heeft op vrijdag 23 maart toegegeven 23% van zijn aandeel verloren te hebben." (Le Monde, 24.03.07). Die haai van het krediet leent geld aan meer dan 15.000 gezinnen, die op hun beurt insolvent geacht worden.
De gevolgen voor de arbeidersklasse zullen verschrikkelijk zijn. In de Verenigde staten hadden de huishoudens de gewoonte aangenomen via hypothecair krediet geld te lenen naarmate de waarde van hun appartement toenam. De fenomenale stijging van de vastgoedprijzen in de laatste jaren gaf de arbeiders de indruk dat ze rijker geworden waren! Met tienduizenden zullen de huishoudens nu niet langer in staat zijn hun afbetalingen te voldoen, ze zijn letterlijk geruïneerd en kunnen op straat worden gezet. Erger nog: de vastgoedsector en de bouw zorgden voor 40% van de werkgelegenheid in de laatste drie jaar! De crisis in deze sector betekent dus dat tienduizenden arbeiders werkloos zullen worden. Die ladingen ontslagen komen bovenop die in de autosector die zwaar in de problemen is en aan de rand van het failliet staat. In zijn herstructureringsplan, dat van het vierde kwartaal 2005 tot het eerste kwartaal 2008 loopt, voorziet Ford koudweg de sluiting van 40% van zijn Noord-Amerikaanse vestigingen en het 'vertrek' van 50.000 van de 130.000 arbeiders. Eén van de laatste sectoren die nog overeind bleef aan de andere kant van de Atlantische oceaan, de dienstensector, deed dat vooral dankzij de groei van de activiteiten in de financiële sector. Ook deze sector gaat dus duistere dagen tegemoet met massale ontslagen.
Het binnenlands verbruik in de Verenigde Staten kan dus enkel verder en steeds sterker inkrimpen in de komende maanden. Het probleem voor de bourgeoisie is dat dit verbruik in de USA de voornaamste motor is waarop de wereldeconomie momenteel draait. Voor Europa, China, Japan, India... zal een groeiend deel van hun waren onverkoopbaar worden. De overproductie, bepalende factor van de wereldcrisis van het kapitalisme gaat nieuwe toppen scheren!
De besmetting van de economische wereldcrisis strekt zich vanzelfsprekend uit tot het monetaire front, en meer bepaald tot de dollar die in de komende maanden zal blijven dalen. De Verenigde Staten, die over alle redelijke grenzen heen in de schulden zitten (de Amerikaanse schuld bedraagt 7800 miljard dollar en stijgt met 1,64 miljard dollar per dag), zullen de buitenlandse kapitalen die de economie op de rand van de verstikking kwamen helpen, massaal zien wegvluchten. In Amerika is een gewelddadige daling van de groei nu onafwendbaar, die in haar kielzog een algemene recessie van de wereldeconomie zal veroorzaken. Niemand kan op dit ogenblik overzien met welke snelheid en diepgang deze nieuwe aardbeving het geheel van de economie zal treffen. Maar de gevolgen voor het proletariaat zijn niet moeilijk te raden. De arbeiders in India en China leven in omstandigheden die nog erger zijn dan die van hun klassenbroeders in Europa in de negentiende eeuw. Onder het juk van het wreedste aller uitbuitingen overleven de arbeiders er in ellende en ontbering. Geconfronteerd met het failliet van haar systeem en met de economische oorlog, werkt de bourgeoisie koudweg verder aan het exporteren van die wreedaardige uitbuitingsvoorwaarden naar het hart van het kapitalisme, naar de Verenigde Staten en West-Europa.
De enige toekomst die dit systeem voor ons in petto heeft, is die van steeds meer ellende. Geloven in een menselijker en beter beheerd kapitalisme is een luchtspiegeling, een utopie. Er is slechts één oplossing en die ligt in de handen van het proletariaat: een nieuwe wereld opbouwen, zonder klassen en zonder uitbuiting.
Tino / 28.03.07
Na alle ophef over de documentaire film van Al Gore “An Inconvenient Truth”, het Intergovernmental Panel on Climate Change eind januari te Parijs, was er de top van de EU in maart die zich boog over de klimaatsopwarming. Ze belijden allemaal luid en duidelijk hun wil te handelen om het natuurlijk milieu te beschermen en de toekomst van de komende generaties veilig te stellen. Nochtans, ondanks de vurige verklaringen eerder op de Aardetop in Rio (1992) of de resoluties van het protocol van Kyoto (1998) stijgt de vervuiling zienderogen en nemen de bedreigingen verbonden aan een ontregeling van het klimaat in omvang toe. Onmiskenbaar wekt de alarmklok voor het klimaat die nu geluid wordt heel wat onrust onder de bevolking en vooral bij jonge mensen die hun toekomst daardoor nog somberder inzien.
In de wirwar van verklaringen en misleidende campagnes blijven heel wat vragen, die onvermijdelijk rijzen, naar oorzaken, verbanden en oplossingen onbeantwoord.
Om dit overdenkingproces te stimuleren organiseert de IKS verschillende publieke bijeenkomsten om een werkelijk debat op gang te brengen. Dit was onder meer het geval in Brussel op 17 maart. Om de discussie op deze publieke bijeenkomst zo levendig en open mogelijk te maken vroegen we aan een jonge sympathisant of die de inleiding wilde houden. Heel enthousiast aanvaarde die het voorstel en de inleiding werd door de IKS en alle aanwezigen, waarvan zowat de helft jongeren, erg verwelkomt. De discussie op de bijeenkomst was zeer levendig onder meer door de actieve deelname van een ruim aandeel van de jongeren. De belangeloze en eerlijke inspanning van alle aanwezigen getuigde van een gemeenschappelijke bezorgdheid van de deelnemers om samen met de IKS deze zoektocht te ondernemen naar duidelijke argumenten en antwoorden. Zoals een deelnemer naar voor bracht: "Het zoeken naar de waarheid is belangrijker dan de waarheid zelf".
Niet alle onderwerpen konden echter behandeld worden, wat door sommige aanwezigen als frustrerend werd aangevoeld. Een positieve frustratie die getuigde van de honger naar meer die door het debat werd opgewekt! Afspraken voor een vervolg werden dan ook gemaakt.
Hieronder publiceren we de inleiding alsook de grote lijnen van het gevoerde debat.
Het is nu officieel: het VN-klimaatrapport zegt ons dat er op dit moment dreigende klimaatsveranderingen plaatsvinden die in de toekomst nog meer voelbaar zullen worden. Over de geloofwaardigheid van dit rapport kan gediscussieerd worden. Een artikel in EOS (Ongemakkelijke waarheden?, EOS, nr. 1, januari 2007), een maandblad over wetenschap en technologie, vertelt ons dat de gegevens waarop het Intergovernmental Panel on Climate Change, de onderzoeksgroep van de Verenigde Naties die de klimaatsveranderingen bestudeert, zich op onvoldoende en onvolledige gegevens baseert. Zeker is dat er belangrijke klimaatsveranderingen plaatsvinden en dat we ons kunnen verwachten aan de ergste rampscenario's: dieren, planten, hele ecosystemen zullen verdwijnen of verhuizen; droogte en hongersnood nemen toe; tijdens hittegolven zullen meer kinderen, ouderen en zieken sterven; in regio's die geteisterd zullen worden door stormen en intense regenval zullen nog meer slachtoffers vallen; ziektes zullen zich sneller verspreiden; indien de oceaanstromen stoppen kan het in West-Europa extreem koud worden; we kunnen miljoenen ecovluchtelingen verwachten; etc. Maar de bedoeling van de discussie die we vandaag zullen houden is niet om de klimatologie opnieuw uit te vinden, maar om over het maatschappelijke aspect te spreken, om stil te staan bij de propaganda van de heersende klasse.
- Zijn de klimaatsveranderingen de schuld van 'de mens' of van 'de mensheid', zoals het VN-klimaatrapport het ons voorschotelt? De krant De Morgen titelt: "Het is bijna zeker: het is onze schuld", waarmee ze verwijst naar het VN-rapport waarin staat dat 'de mens' zeer waarschijnlijk verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde door het gebruik van fossiele brandstoffen. 'De mensheid', wat betekent dit abstract begrip? Is dit het onnadenkende, egoïstische monster, dat niet op lange termijn kan denken, dat niet aan de volgende generaties denkt? Maar hebben wij hier, jij of ik, die wel bezorgd zijn over de toekomst, iets te zeggen over de manier waarop regeringen met dit probleem omgaan? Neen, volgens mij is de oorzaak niet 'de mens' of 'de mensheid'.
- Ligt de oorzaak van klimaatveranderingen dan bij de burger of met andere woorden het individu? We verbruiken te veel energie, te veel water, we rijden te veel met de auto. Dat is wat de media ons constant aanpraten. Is het aan elk individu om zijn consumptiegedrag of zijn energieverbruik aan te passen? Maar in de huidige maatschappij kan je enkel kiezen tussen een vervuilende en een minder vervuilende auto, tussen een minder dure, vervuilende verwarming en dure zonnepanelen. Waarom werkt men 's nachts en met de lampen aan i.p.v. overdag bij zonlicht? Neen, de schuld ligt niet bij het individu.
- Ligt de oorzaak dan bij de industrie? De industrie zelf is in wezen niet iets slechts. In de negentiende eeuw, met het kapitalisme in volle ontwikkeling, bloeide de industrie op, een bewijs van het toen vooruitstrevende karakter van het kapitalistische productiesysteem, aangezien de industrie ons voor het eerst in de geschiedenis de mogelijkheid bood te veel te produceren. Vanaf dat moment konden potentieel de basisbehoeften van alle mensen bevredigd worden.
- Of ligt de verantwoordelijkheid van de klimaatsveranderingen bij de kapitalistische maatschappij, bij het kapitalistische productiesysteem? Volgens mij ligt de werkelijke oorzaak van de klimaatsveranderingen inderdaad niet bij de 'destructieve aard van de mensheid', of bij het 'bewuste of onbewuste vervuilende gedrag van het individu', of tenslotte bij het productieapparaat als dusdanig, maar bij de manier waarop de industrie, de wetenschap en de techniek vandaag wordt gebruikt en ontwikkeld, dus bij het huidige productiesysteem. Want als de huidige technieken en wetenschappelijke inzichten ons de mogelijkheid bieden deze milieuramp te vermijden of zo veel mogelijk te beperken, waarom biedt de kapitalistische maatschappij ons die mogelijkheid dan niet?.
Kunnen we het probleem van klimaatsveranderingen oplossen binnen de huidige kapitalistische maatschappij, binnen de huidige economische, politieke en sociale structuren? Kan de staat dus of een vereniging van staten het probleem oplossen? Dat is de volgende vraag die we ons moeten stellen. Kan het kapitalisme bijvoorbeeld via haar politieke structuren, via de staat de mensheid redden? Ik betwijfel het. Vera Dua, voorzitter van Groen!, schreef in maart 2007 op de site van Groen!: "Er wordt amper minder CO2 uitgestoten dan in het beginjaar 1990. Terwijl nu al duidelijk is dat er in de periode na Kyoto nog veel zwaardere inspanningen zullen moeten volgen." Het is dus duidelijk: zelfs de bourgeoisie geeft toe dat haar 'revolutionaire' Kyoto-protocol niets uithaalt. En wat betekenen die 'zwaardere inspanningen' concreet? Meer betalen voor vuilniszakken, elektriciteit en water? Een deel van ieders loon afstaan 'voor het milieu'? Kunnen staten over de hele wereld zich verenigen over de grenzen heen en een blok vormen om deze ramp te voorkomen? Als de onderhandelingen tussen staten in hetzelfde tempo resultaten opleveren als op de recente EU- klimaattop, kunnen we het wel vergeten. In brede zin komt dit ecologisch probleem neer op de vraag of het kapitalisme de menselijke behoeften kan bevredigen, en dus ook een gezond milieu voor iedereen kan verzekeren. Indien ze zou bestaan om de menselijke behoeften te bevredigen zouden er niet tegelijk een overschot aan voedsel en hongersnood bestaan, zou men al lang milieuvriendelijke vervoersmiddelen gebruiken, zou men de wetenschap ontwikkelen voor andere doeleinden dan hoogtechnologische, uiterst vervuilende wapens.
De laatste en misschien belangrijkste vraag die dan te beantwoorden valt is: Welk alternatief dan voor de kapitalistische maatschappij, die de oorzaak lijkt te zijn van deze ecologische miserie? Het debat is open.
Verschillende deelnemers toonden met heel wat voorbeelden aan dat reeds met de huidige wetenschap en technologie inderdaad veel mogelijk is met veel minder schadelijke gevolgen. Zo werden onder meer opzienbarende projecten in verschillende werelddelen door een architectenbureau uit NY naar voor gebracht. Maar de discussie toonde al snel aan dat dergelijke experimenten vandaag enkel gerealiseerd worden als dit voldoende winst oplevert. In een aantal gevallen dienen de projecten enkel als imago van 'goodwill' of als prestigeproject om de slechte faam te verdoezelen van erg vervuilende bedrijven (vb Shell, Nike, Monsanto). Deze discussie maakte echter impliciet duidelijk, dat wetenschappelijk en technologisch gezien de kiemen voor een andere manier van produceren en leven aanwezig zijn. De aanwezigen waren het eens dat de enige grens om dit alternatief te realiseren die van het kapitalisme met zijn marktwetten is, niet de grenzen van de technologie of wetenschap.
Al snel draaide de discussie dan rond de vraag "Wat zijn de oorzaken dan?: de menselijke aard, het individu of het kapitalisme". Het Rapport van Parijs wijst de mens en het individu als consument aan als vervuiler: 'ieder deelt in de problematiek (auto, plasticzakken,verwarming,…)' zo wordt gesteld. Maar alles is geïndividualiseerd, opgebouwd volgens de wetten van de moordende concurrentie, en is dus niet individueel op te lossen, repliceren de aanwezigen. Dit rapport praat alleen een schuldgevoel aan.
Verschillende deelnemers probeerden aan te tonen dat de mens inderdaad zijn omgeving, de natuur modificeert, en de klimaatwijzigingen niet enkel een natuurlijk fenomeen zijn maar meer en meer veroorzaakt worden door de menselijke activiteit. Dat is niet nieuw. Vroeger kenden we de ontwikkeling van de veeteelt en de landbouw, de groei der grote steden, die massale ontbossing tot 60% van de wereldvoorraad met zich meebracht, vooral in de achttiende en negentiende eeuw. Maar indien vroeger de gevolgen beperkt bleven - hoewel veel ziektes erdoor kunnen verklaard worden - dan zijn die momenteel wereldwijd onmiskenbaar geworden op grote schaal. Wanneer het systeem bij het begin van de twintigste eeuw aan zijn vervalfase begint, neemt de vernieling van het natuurlijk milieu hele andere dimensies aan. Ze wordt genadeloos, net zoals de genadeloze strijd die de kapitalistische ratten met elkaar leveren om zich te handhaven op de wereldmarkt. De productiekosten tot het minimum herleiden om zo concurrentieel mogelijk te zijn wordt een onafwendbare regel om te overleven. In die context worden maatregelen om de industriële vervuiling in te dijken natuurlijk een onaanvaardbare meerkost. Het kapitalisme heeft zich nooit om het welzijn van de planeet noch van de mens bekommert maar met het historisch verval van het kapitalisme is het veel erger geworden en versnelt dit proces zich. De accumulatie van kapitaal is het hoogste doel van de kapitalistische productie en het lot dat de mensheid of het milieu beschoren wordt heeft geen belang... zolang het rendeert, is het goed. De rest is tenslotte 'quantité négligeable', een onbelangrijk detail.Een deelnemer citeerde in dit verband Marx: "Accumulatie om de accumulatie, productie om de productie, dat is het ordewoord van de politieke economie die de historische missie van de burgerlijke periode aankondigt. En ze heeft nooit stilgestaan bij de pijnen die het scheppen van rijkdom met zich meebrengt: waartoe zou dat gejammer dienen dat toch niets verandert aan de historische onafwendbaarheden?" (Karl Marx, Het Kapitaal - Boek I)
Een aspect dat eveneens uitvoerig aan bod kwam was of het ecologisch drama de motor kan zijn voor een groeiend bewustzijn op wereldvlak. Enerzijds argumenteerden sommigen dat de frustratie in positieve zin kan omgezet worden: "zo kan het niet verder, maar er zijn oplossingen". De ganse mensheid op wereldvlak is betrokken, er is een gezamenlijke vijand. Dus is er een breed draagvlak mogelijk voor het alternatief.
Maar, voerden anderen aan, de ideologische campagnes die nu met veel heisa gevoerd worden gaan de bewustwording dat het kapitalisme de oorzaak is tegen. Zij voorkomen dat het probleem van de klimaatwijziging nu in verband wordt gebracht met de andere grote rampen op wereldschaal: de honger, de oorlog, de vluchtelingenstroom, de ziektes, de overproductiecrisis. Met de campagnes rond de huidige dreiging probeert de bourgeoisie, net zoals ze dat deed met de atoomdreiging in de jaren 1950 tot 1990, de boodschap te verspreiden van: "schakel dit probleem uit en er is geen probleem meer", het kapitalistische productie-systeem met zijn imperialistische uitwassen en vernietiging wordt op zich niet in vraag gesteld. In feite wordt, paradoxaal genoeg, het probleem geëxploiteerd om offers te eisen, niet van de bourgeoisie maar van de arbeidersklasse. Allerlei vormen van soberheidsmaatregelen en van milieubelasting worden via slinkse trucs doorgevoerd (dikke truiendag, autoloze zondagen, fietsdagen, taks op oude auto's, op plasticzakken, op verwarming,…). Maar daar blijft het niet bij. De problematiek wordt ook gebruikt in de concurrentieslag met andere landen. Zo probeert men China ecologische normen op te leggen om de eigen markten te beschermen. Of in naam van de vervuiling militaire actie te rechtvaardigen zoals in Kosovo waar een belangrijke fabriek gesloten werd. Ook in het nucleair debacle zien we iedere staat zijn eigen belangen verdedigen, en helemaal geen algemeen plan van aanpak. Tenslotte werd ook nog aangehaald dat er zelfs sprake is van een soort van 'ramptoerisme'. Canada opent nieuwe uitwegen door het smelten van het ijs, allerlei firma's proberen winst te slaan via het commercieel etiket 'dit is ecologisch'.
De actieve deelname van het merendeel van de aanwezigen aan het debat bracht met zich mee dat er geen ruimte meer was voor een uitgebreide discussie over de alternatieven en duurzame oplossingen. De meeste waren het eens met de aard en de ernst van de problemen en ook met de globale analyse. Allen waren het bovendien eens dat een samenleving creëren waar de mens en zijn toekomst centraal staan een dwingende noodzaak is geworden. Probleem voor veel aanwezigen was dat ze niet goed zagen hoe te beginnen aan de omvorming van deze maatschappij. In de conclusie gaf de IKS enkele oriëntaties in dit verband en de aanwezigen vroegen een verdere discussie daarover te organiseren.
Lac / 09.04.2007
Nog maar net waren de 3000 afdankingen bij VW Vorst en de duizenden andere bij de toeleveringsbedrijven vastgelegd, waren de productiviteitsstijgingen en de loondalingen bij de 2200 arbeiders “die het geluk hebben om bij VW te mogen blijven” opgelegd of een nieuwe grootscheepse aanval werd ontketend in de automobielsector: 1400 ontslagen onder de 4500 arbeiders in de GM vestiging in Antwerpen. En steeds opnieuw, hetzelfde syndicale gekonkel om elke poging tot weerstand te ontkrachten en de arbeiders af te leiden van een reflectie over de ware betekenis van deze sociale catastrofe:
– het nationalisme: ze doen alles om de arbeiders van de verschillende vestigingen tegen elkaar op te zetten: “De Duitsers van Opel, de Britten van Vauxhall, de Zweden van Saab hebben het op een akkoord gegooid op de kap van de Belgen” (zie DM, 19.04.07);
– het corporatisme: gedurende jaren maakten de bonden de arbeiders wijs dat ze ‘de beste van de klas’ waren en dat GM Antwerpen de herstructureringsdans zou ontspringen indien ze hun eisen matigden en de flexibiliteit aanvaardden. Vandaag roepen ze diezelfde arbeiders op om te tonen dat ze de beste zijn door niet in staking te gaan maar nog harder te werken en om te vertrouwen op de vakbondsonder-handelaars voor het afdwingen van het “best mogelijk plan voor de fabriek”;
– het isolement: tijdens de staking bij VW Vorst nog, riepen de bonden op om afstand te houden van de ‘heethoofden’ van VW en om de solidariteit te beperken tot mooie woorden. Vandaag zetten ze duidelijk uit wat zij onder solidariteit verstaan, precies op dezelfde wijze als de bourgeoisie dat ziet: het verdelen van de offers in het belang van de economische wetmatigheden: “Hoopgevend is het dat het vakbondsfront van alle Opel-vestigingen de sluiting van een volledige fabriek heeft weten te voorkomen. [...] Alle vestigingen dragen een deel van de saneringsinspanning. Dat was helemaal niet zo bij VW Vorst, waar van grensoverschrijdende solidariteit geen sprake was” (H. Jorrissen, voorzitter van de Socialistische metaalvakbond, De Standaard, 18.04.07).
In werkelijkheid hebben patroons, vakbonden en regering gezamenlijk deze aanval gepland en ten uitvoering gebracht, door eerst de duizend afdankingen bij Gevaert erdoor te drukken, om vervolgens het ‘probleem’ VW aan te pakken, en dan tenslotte pas de arbeiders van GM te treffen, terwijl ze sedert maanden perfect op de hoogte waren van de bedoelingen van de internationale leiding van GM. Vandaag bundelen ze hun krachten om de arbeiders te overtuigen dat er niets te ondernemen valt tegen de ‘natuurlijke wetten van de economie’, om te verdoezelen hoezeer deze maatregelen precies de uitdrukking zijn van een steeds duidelijker wordend failliet van de kapitalistische productiewijze.
Terwijl de bourgeoisie genoodzaakt is ten gevolge van de economische impasse om steeds hardere aanvallen uit te voeren, vermenigvuldigen zich echter ook binnen de arbeidersklasse woede en strijdbaarheid. Arbeiders wachten niet langer op syndicale ordewoorden maar gaan spontaan in staking: bij het openbaar vervoer in Wallonië of in Brussel, bij de NMBS of de veiligheidsdiensten en de brandweerlieden op de luchthaven van Zaventem, en last but not least bij verschillende toeleveringsbedrijven van de Fordfabrieken in Genk, waar arbeiders spontaan in staking gingen, eerst bij SML (motoren), om vervolgens uit te breiden naar Lear (zetels), IAC (instrumentenborden) et TDS (losse stukken).
Over het algemeen haasten de bonden zich in de huidige periode om zulke bewegingen te erkennen om ze op die manier onder controle te krijgen. Bij de uiterst gespannen sfeer in de automobielsector echter, probeerden de bonden de spontane staking bij de toeleveraars meteen de kop in te drukken door de ‘onverantwoordelijkheid’ van de actie aan te klagen en cynisch te stellen: “Er is niet alleen het economische verlies voor Ford. Voor de fabriek dreigt ook imagoverlies” (H. Jorrissen, De Morgen, 18.04.07). De waakzaamheid en de zenuwachtigheid van de bourgeoisie en haar bonden valt te verklaren door het feit dat ze zeer goed weet dat het hier niet gaat om lokale, regionale of zelfs nationale problemen. Zoals de volgende tekst laat zien, regent het aanvallen in alle industrielanden en staan de bonden overal op de eerste rij om de ontwikkeling van de weerstand van de arbeiders te ondergraven.
Afdankingen, afschaffingen van betrekkingen, sluiting van bedrijven, toenemende bestaansonzekerheid, delocalisaties… Steeds meer loontrekkers ondergaan deze verschrikkelijke werkelijkheid van de versnelling van de kapitalistische crisis. Het zijn dezelfde aanvallen, in Europa voor de groep EADS-Airbus, bij Alcatel-Lucent, Volkswagen, Deutsche Telekom, Bayer, Nestlé, Thyssen Krupp, IBM, Delphi… Net als op het Amerikaanse continent, met Boeing, Ford, General Motors, Chrysler. Deze plannen, die voortaan op wereldschaal gemaakt worden, zijn steeds omvangrijker en treffen niet alleen meer de sectoren die niet meer mee kunnen of verouderd zijn, maar ook speerpuntsectoren zoals de luchtvaart, de informatica, de elektronica… Ze treffen niet alleen de kleine en middelgrote bedrijven maar breiden zich uit tot de grote groepsleiders van de industrie en hun onderaannemers. Ze beperken zich niet langer tot arbeiders aan de productielijnen maar nemen ook ingenieurs, commerciële kaders, de sectoren van het onderzoek in het vizier.
Elke staat, elke leider van een bedrijf weet heel goed dat deze toestand er toe leidt dat alle loontrekkers, van de privé zowel als van de openbare sector waar proletariërs precies hetzelfde lot ondergaan, zich steeds meer prangende vragen stellen over de toekomst die hun te wachten staat, en nog meer over de toekomst van hun kinderen. Het blijkt steeds duidelijker dat de loontrekkers van alle landen in dezelfde lekkende boot zitten. In deze niet eerder geziene context gaat de eerste zorg van de bourgeoisie er niet slechts naar uit om te proberen de meest gapende lekken in haar systeem te dichten maar ook om tijd te winnen, om te verhinderen dat de proletariërs zich bewust worden van deze werkelijkheid.
Dat is de reden waarom de vakbonden, die binnen het staatsapparaat de specifieke rol vervullen om de arbeidersklasse in te kapselen en te controleren, overal het voortouw nemen en het sociale terrein bezetten om het gras voor de voeten weg te maaien van iedere poging tot een verenigende mobilisatie van de arbeiders tegen deze massale en frontale aanvallen. Hun wezenlijke taak bestaat er vandaag uit om de controle te verkrijgen over de strijd, om de aanvallen te laten slagen door de onderlinge concurrentie en verdeeldheid tussen de arbeiders in stand te houden, per werkplaats, per locatie, per bedrijf, per sector, per land.
De vakbonden, de regering, de directie, heel de politieke klasse en de media hebben de aandacht toegespitst op de 10.000 arbeidsplaatsen die verloren gingen bij Airbus (dat tot dan toe voorgesteld werd als een ‘paradepaardje’) waar zij de manoeuvres hebben vermenigvuldigd om de verdeeldheid te organiseren onder de arbeiders, om hun woede te verbrokkelen en hun strijdbaarheid te laten verdampen.
Om te beginnen wilden de Franse vakbonden doen geloven dat ze niet op de hoogte waren van wat er op touw gezet werd, dat ze de werkgelegenheid en de belangen van de arbeiders zouden verdedigen. En dat terwijl ze gedurende maanden volledig betrokken waren bij het fameuze plan Power 8. In feite had de directie daarvoor een ‘stuurcommissie’ in het leven geroepen dat gevormd werd door de HRM (directie van de Personeelsdienst) en de vakbonden. Dit had juist tot doel om “zich voor te bereiden op elke sociale impact die haar maatregelen zouden kunnen hebben” (volgens een interne directienota van het bedrijf van Toulouse-Blagnac). De vakbonden hebben overal dezelfde taal gehanteerd, die van het minimaliseren van de aanval toen die werd voorbereid, en door de leugens van de directie en de betrokken staten volledig voor hun rekening te nemen. Vervolgens hebben ze de arbeiders van Méaulte, die twee dagen vóór de officiële aankondiging van het plan Power 8 spontaan in staking waren gegaan, het werk doen heropnemen. Zij beweerden dat de fabriek niet zou worden verkocht, terwijl de directie tezelfdertijd liet weten dat geen enkele beslissing over dit onderwerp was aangehouden.
Naar gelang de bijzondere situatie van iedere fabriek hebben de vakbonden de verdeeldheid georganiseerd, zoals in Toulouse: tussen de getroffen en de gespaarde sectoren. Sterker nog, gedurende maanden hebben ze er op gehamerd dat als Airbus in een dergelijke situatie terecht is gekomen dat ‘de schuld is van de Duitsers’. In Duitsland was het al net zo: ‘het is de schuld van de Fransen’. De vakbonden hebben niet opgehouden met het ophitsen van het ‘economisch patriottisme’. In een pamflet van 7 maart dat mede ondertekend was door FO-Metaal (vakbond met ruime meerderheid in Toulouse), de CFE-CGC (vakbond van de kaders) en de CFTC, verklaarden zij bijvoorbeeld: “Het belang van de Franse, lokale en regionale economie staat op het spel [...] Laten wij gemobiliseerd blijven [...] om Airbus te verdedigen, onze belangen, ons arbeidsinstrument, onze competenties en onze kennis ten dienste van de hele lokale, regionale en nationale economie.” Deze weerzinwekkende propaganda duwde de arbeiders in de richting van de concurrentielogica van het kapitaal. Dat was ook al aanwezig tijdens een mobilisatie van de vakbonden uit de verschillenden landen van Europa waar de bedrijven van Airbus zijn ingeplant: “Laten wij samen ons arbeidsinstrument verdedigen, als loontrekkers van Airbus, als onderaannemers van alle bedrijven van Airbus in Europa” (gemeenschappelijk pamflet van de vakbonden op 5 februari 2007).
Na de betogingen van 6 maart, hebben ze een Europees antwoord voor 16 maart voorgespiegeld en kondigden ze een grote betoging aan in Brussel, om deze vervolgens drie dagen tevoren af te gelasten en te vervangen door betogingen die nog altijd werden aangekondigd als ‘een Europese mobilisatiedag’, maar die beperkt bleven tot de arbeiders van Airbus, versplinterd over de verschillende lokale bedrijven. En de kers op de taart was te zien in Toulouse waar de vakbonden de arbeiders bij de ingang van de fabriek oppikten en in volgepropte bussen afvoerden naar een totaal verlaten verzamelpunt. Vervolgens lieten ze hen tot aan het kantoor van Blagnac marcheren waar ze werden opgewacht door een zee van tv-camera’s die ‘de gebeurtenis’ helemaal in de kijker zetten. Zodra ze daar waren aangekomen werden ze andermaal in de bussen gestouwd op weg naar de fabriek om het werk te hervatten (1).
Net zoals het geheel van de bourgeoisie hielden de vakbonden er niet aan vast om, in de context van aanvallen van alle kanten, een brede mobilisatie te zien van arbeiders op een Europese schaal, waarbij de arbeiders zouden samenkomen, elkaar ontmoeten, met elkaar discussiëren en hun ervaringen uitwisselen.
Er was voor de vakbonden evenmin sprake van dat de betoging in Parijs van de loontrekkers van Alcatel-Lucent tezelfdertijd zou plaatsvinden. Deze ging in tegen het herstructureringsplan van de groep die 12.500 arbeidsplaatsen gaat kosten, waarvan ten minste 3.200 in Europa tegen 2008. Ze werd voorgesteld als een Europese eenheidsbetoging maar er kwamen slechts 4.000 mensen opdagen. Ze waren afkomstig van alle getroffen Franse bedrijven, in het bijzonder uit Bretagne, maar ook uit de buurlanden, met uitsluitend symbolische vakbondsafvaardigingen van Spanje, Duitsland, Nederland, België en Italië. En die werden dan bedolven onder een woud van... Bretonse vlaggen op marsmuziek van de Bretonse doedelzak! In een reeks kleinere stakingen zoals bij Peugeot-Aulnay hebben de vakbonden de arbeiders meegesleurd in een lange uitputtingsslag rond loonsverhogingen. Terwijl in de Renaultfabriek van Le Mans, 150 arbeiders door de CGT werden meegesleurd in een staking die heel erg beperkt bleef, rond een nieuw flexibiliteitcontract dat door de andere vakbonden was goedgekeurd. Wanneer men weet dat zowel PSA als Renault op hun beurt binnenkort ontslagplannen bekend zullen maken, merkt men dat het werkelijke doel van deze vakbondsstakingen en -acties is om de arbeidersstrijdbaarheid af te matten om deze aanvallen er gemakkelijker door te drukken. Dat was net zo bij de zoveelste actiedag, waartoe de leerkrachten op 20 maart werden opgeroepen. Ook daar was het doel hen uit te putten om hen vervolgens gemakkelijker alle aanvallen op te leggen waarvan zij het doelwit zijn.
De arbeiders hebben geen enkel gemeenschappelijk belang te verdedigen met hun bourgeoisie. In tegendeel, de toestand dwingt hen er toe, te erkennen wat hun gemeenschappelijke belangen zijn tegenover dezelfde (massale en gelijktijdige) aanvallen waarmee ze overal geconfronteerd worden. Een dergelijke situatie begunstigt de ontwikkeling van in-vraag-stelling en nadenken. Daaruit vloeien op hun beurt, op steeds duidelijker wijze, de behoeften voort aan uitbreiding van de strijd, aan eenheid en solidariteit in de schoot van het proletariaat. Deze vormen de sleutel van de toekomstige strijd. Zelfs indien de vakbonden er op dit ogenblik in slagen om zonder zichtbare hindernissen hun sabotage-, verdeel- , isolerings- en opsluitingsmanoeuvres van de proletariërs door te drukken, zijn ze er toe gedwongen worden om zich steeds openlijker ongeloofwaardig te maken in de ogen van de arbeidersklasse. Het is vandaag dat de voorwaarden rijpen die het morgen de strijdende arbeiders mogelijk maken om samen te discussiëren, bij elkaar te komen, om hun ervaringen uit te wisselen, om zich buiten de vakbonden om en over de nationale grenzen heen te organiseren.
Wim / 24.03.2007
(1) De volgende dag titelde Libération (17 maart): Ongeziene radicalisering tegen de directie van vliegtuigbouwer Airbus: de loontrekkers van alle landen hebben zich verenigd.
Welke houding in te nemen tegen de oorlog? Vele tijdschriftartikels; discussies op websites en in discussiekringen; uiteenlopende verklaringen en een bonte menigte anti-oorlogsmanifestanten laten zien dat velen zich momenteel die vraag stellen en geschikte antwoorden zoeken. In deze zoektocht wordt het verband gezocht tussen de oorlogen en hun oorzaken, om de schuldigen te veroordelen en de oorlog uit te bannen. Maar hoe de oorlogshysterie een halt toeroepen, met wie, tegen wie?
De IKS stelt, net als steeds meer andere groepen en individuen, dat deze oorlogen veroordeeld moeten worden vanuit een internationalistisch standpunt: we hoeven niet te kiezen tussen de pest en de cholera, geen partij te kiezen tussen de oorlogsvoerende partijen. Hoe klein ook, momenteel verdedigen ze alle imperialistische belangen, ze zijn pionnen in het schaakspel van het kapitaal in doodscrisis. Alleen als het kapitalisme vernietigd wordt kan de imperialistische oorlog voorgoed uitgebannen worden.
Naar aanleiding van een discussie tussen enkele jongeren rond de anti-oorlogsmanifestatie tegen de Amerikaanse inval in Irak eerder dit jaar hield de IKS een Publieke Bijeenkomst in Antwerpen rond dit thema. We nodigden de jongeren in kwestie uit en gingen in de inleiding uit van hun vraagstelling. In dit kort artikel halen we eerst de voornaamste punten aan uit de oproep van een van hen en vervolgens ook uit de reactie hierop van een ander. Verder gaan we wat nader in op de thema’s die werden aangestipt in de uitgebreide discussie op deze bijeenkomst.
Oproep:
Aanstaande zondag is er de klassieke vredesbetoging (een soort van herdenking voor de illegale invasie van de VS in Irak, als een invasie al legaal kan zijn). Wel u kan zeggen, deze betoging haalt toch niets uit. U hebt waarschijnlijk gelijk, maar het is gewoon een democratische plicht om op de straat te komen tegen malafide zaken in de wereld. Het zijn de grote ontvoogdingsstrijden en emancipatiebetogingen [...] die de wereld ten gunste veranderden (en geen invasie in Irak, Afghanistan of Somalië). Libanon werd kapotgeschoten, maar toch verloor Israël, de gewone bevolking van zowel Libanon als Israël betaalt weer het gelag van de imperialistische honger.
Afghanistan is er ook niet beter af dan na de Amerikaanse inval. De Taliban werd gewoon even opzij geschoven om Osama Bin laden niet te vinden. nu controleert de Taliban terug delen van Afghanistan en is de opiumteelt de enige bron van inkomsten voor een door de wereld vernietigd land. geen wonder dat de bevolking er zich tot het extremisme bekeert.
Het is onze taak, als jongelingen, om niet hypocriet mei 1968 nostalgisch staan te wezen, maar zelf een mondiaal verzet te bieden tegen het oorlogsgeweld dat de wereld in een sociale en ecologische crisis stort. Ben je nu groen, sociaal-democraat, liberaal, socialist, communist, anarchist, of gewoon jezelf, de wereld heeft u nodig. [...]. Een andere wereld is mogelijk!
Discussie over de inhoud van de mail en betoging is welkom en nodig.
Reactie:
Deze oproep om mee te protesteren tegen de oorlog in het Midden-Oosten is eerlijk/oprecht/gemeend! Ik steun deze oproep en zal zelf naar de betoging gaan!
Twee opmerkingen:
– We moeten wel zeer kritisch zijn tegenover de politieke partijen en organisaties die zullen meestappen in de betoging, omdat deze laatste niet per sé tegen de oorlog en de sociale miserie in de regio zijn, maar vaak hun eigen economische, imperialistische, militaire, politieke en strategische belangen verdedigen. Wie steunt, financiert, bewapent immers de terroristische organisaties in deze landen, organisaties die in feite relatief klein zijn tegenover het VS-leger? Want het is bijv. bekend dat de Verenigde Staten de Taliban zelf opleidden om mee te vechten tegen het Russisch blok tijdens de Koude Oorlog. Het is bekend dat Frankrijk en België een belangrijke rol speelden in de bewapening van milities in Rwanda. Waar halen de terroristen van vandaag hun kracht vandaan? Welke grootmachten staan achter deze groepen? Zij die (onder bedekte termen) terroristische organisaties verdedigen, omdat zij zogezegd 'vrijheidsstrijders' zijn, omdat zij de zwakken zijn tegenover de sterke Verenigde Staten, doen in feite mee aan de oorlog. Terroristen zijn en blijven massamoordenaars en wakkeren mee de onmenselijke chaos aan die vandaag in het Midden-Oosten heerst! Welk kamp verdedigen deze goedpraters van terroristen?
– De Golfoorlog in 1991 was goedgekeurd door de VN en dus 'legaal', maar het spreekt de 100.000den doden niet goed. Al zou deze oorlog 'legaal' zijn, al zou Irak nucleaire wapens hebben gehad (die hebben de Verenigde Staten, Frankrijk, Israël, India, Pakistan, Noord-Korea, het Verenigd Koninkrijk... toch ook?), dan zie ik nog niet in wat er aan deze oorlog te verdedigen valt.
Genoeg stof tot discussie dus.
Tegen oorlog! Tegen terrorisme! Tegen elk nationalisme!
Voor de Vrede! Voor het internationalisme!
Na een korte inleiding rond de kernpunten van deze bijdragen ontspon zich een uitgebreide discussie vooral rond volgende thema’s:
– Is de oorlog een product van de slechte inborst van leiders? Het kapitalisme is een onmenselijk systeem en kan dus alleen onmenselijke leiders voortbrengen die het ten koste van alles zullen verdedigen. Het systeem is immers gebaseerd op winstbejag en de uitbuiting van de arbeidersklasse. De bloedige imperialistische botsingen tussen de concurrerende naties voor economische en strategische belangen is het onvermijdelijk antwoord van alle machthebbers.
– Wat zijn de werkelijke oorzaken van de huidige oorlogen? Deze vraag sloot direct bij de voorgaande aan want kapitalistische oorlogen spelen zich af temidden van een bikkelharde concurrentiestrijd op een oververzadigde wereldmarkt. Sinds het begin van de vervalperiode van het kapitalisme zijn alle landen, groot of klein, imperialistisch geworden omdat de hele wereldbol kapitalistisch is geworden. En ze proberen elkaars markten en grondstoffen in te pikken. Door deze economische crisis met al zijn menselijke drama’s en ellende die blijft voortwoekeren, blijven de conflicten aanslepen en ontstaan er steeds nieuwe. In de huidige periode ontaarden zij steeds meer in louter strategische botsingen tussen imperialistische staten.
– Waarom viel de Verenigde Staten Irak binnen? Voor grondstoffen of uit strategisch belang? De inval in Irak en de oorlog in de Balkan en Afghanistan tonen heel concreet en duidelijk aan wat boven besproken werd en dat de oorlogen in de huidige periode elke rationaliteit verloren hebben. Waar blijven de winsten voor de landen die aan deze oorlogen deelnemen? Het gaat in de huidige periode van verval en ontbinding van het kapitalisme vooral nog om strategische belangen al was het maar om het gras voor de voeten van de concurrenten weg te maaien zonder er zelf onmiddellijke winst bij te halen.
– Waarom zijn er nu geen duidelijke imperialistische blokken, zoals tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog of zoals ten tijde van de Koude Oorlog? Het is waar dat er nu geen directe dreiging is van een wereldoorlog, waarbij blokken gevormd worden, maar dat is een gevolg van het feit dat wij leven in een periode waarin noch de bourgeoisie (wereldoorlog) noch de arbeidersklasse (wereldrevolutie) er in slaagt om hun antwoord op de problemen door te zetten. Wij zitten in een soort patstelling die de IKS de ontbindingsfase van het kapitalisme noemt en waarbij de kapitalistische maatschappij ter plekke wegrot. Het perspectief van de revolutie kan ook in deze fase wegzinken in het drijfzand als de arbeidersklasse niet bewust gaat strijden voor haar eigen ontvoogdingsperspectief.
In een tweede deel van de discussie over hoe de oorlogsspiraal te doorbreken, en door wie, waren het vooral de volgende thema's die aan bod kwamen:
– Kan het pacifisme de oorlog beëindigen? De geschiedenis heeft duidelijk bewezen dat geen enkele pacifistische actie of manifestatie heeft bijgedragen tot het voorkomen of beëindigen van de oorlog. Noch de deserties, noch de sabotagedaden, noch de drie miljoen betogers in Groot-Brittannië hebben Blair & Co er van weerhouden om toch, met de Verenigde Staten, Irak binnen te vallen. Als voorbeeld werden ook de vruchteloze betogingen voor de Eerste Wereldoorlog en de tonnen petities voor de Tweede Wereldoorlog aangehaald. Pas toen de arbeidersklasse in opstand kwam werd de oorlog beëindigd, bijvoorbeeld door de revolutionaire golf van 1917-1923. Als de arbeidersklasse zich niet als alternatief opwerpt wordt elke oorlog tot het bittere einde uitgevochten zoals de Tweede Wereldoorlog illustreert met de totale vernietiging van Duitsland en Japan of zoals Afghanistan en Irak nu.
– Waarom komen er niet meer mensen op de been terwijl het zo belangrijk is voor het overleven van de mensheid? Staan de arbeidersklasse en de bourgeoisie dan zo verschillend tegenover de oorlog? Dat was inderdaad de hamvraag die verbonden is met het inzicht dat geen enkel deel van de bourgeoisie, hoe 'humaan' of goedbedoelend ook, verder kan gaan dan medelijden met oorlogsslachtoffers. Als deel van de kapitalistenklasse moeten zij het winstbejag en het voortbestaan van het kapitalisme verdedigen en dat betekent onvermijdelijk het op de spits drijven van de concurrentie en de gewapende confrontatie met andere naties aangaan. De arbeidersklasse van haar kant is niet alleen slachtoffer van deze oorlogen, maar door haar collectief karakter als klasse die geen specifieke belangen heeft bij het voortbestaan van dit systeem, draagt haar verzet het alternatief in zich van een andere maatschappij gebaseerd op de menselijke behoeften. Alleen wereldwijde arbeidersstrijd kan een eind maken aan de voortdurende oorlogsdreiging van alle imperialistische machten die in het kapitalisme over de mensheid hangt. Oorlog kan enkel gestopt worden door de vernietiging van het kapitalistisch systeem!
Met dit perspectief moest de discussie, hoewel ver van uitgeput, voorlopig beëindigd worden.
Lac & K.Stof
De gebeurtenissen van Juli 1917 in Petrograd, die bekend staan als de 'Julidagen', vertegenwoordigen één van de meest markante episoden uit de Russische Revolutie. Temidden van de gisting onder de arbeiders begin juli 1917, bleek de partij van de bolsjewieken inderdaad in staat te voorkomen dat het aan gang zijnd revolutionair proces uitliep op een tragische nederlaag als gevolg van een voorbarige krachtmeting geprovoceerd door de burgerlijke krachten. De lessen die we heden nog kunnen leren uit deze gebeurtenissen zijn fundamenteel voor de strijd van het proletariaat op weg naar zijn bevrijding!
De gebeurtenissen van Juli 1917 in Petrograd, die bekend staan als de 'Julidagen', vertegenwoordigen één van de meest markante episoden uit de Russische Revolutie. Temidden van de gisting onder de arbeiders begin juli 1917, bleek de partij van de bolsjewieken inderdaad in staat te voorkomen dat het aan gang zijnd revolutionair proces uitliep op een tragische nederlaag als gevolg van een voorbarige krachtmeting geprovoceerd door de burgerlijke krachten. De lessen die we heden nog kunnen leren uit deze gebeurtenissen zijn fundamenteel voor de strijd van het proletariaat op weg naar zijn bevrijding.
De Februariopstand leidde tot een situatie van dubbele macht: die van de arbeidersklasse, georganiseerd in sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden, en die van de bourgeoisie, vertegenwoordigd door de Voorlopige Regering ondersteund door de mensjewistische en sociaalrevolutionaire 'verzoeners', met name binnen het Uitvoerend Comité dat door de Sovjets was gekozen (1). Deze situatie van dubbele macht werd, met de ontwikkeling van de revolutie, volslagen onhoudbaar.
In slaap gewiegd en voorzien van ijdele hoop door nooit gehouden beloften van de mensjewistische en sociaalrevolutionaire demagogen over de vrede, over 'oplossing voor het landbouwvraagstuk', over de toepassing van de achturendag, enz. begonnen de arbeiders van vooral Petrograd zich er rekenschap van te geven dat het Uitvoerend Comité van de sovjets op geen enkele wijze tegemoet kwam aan hun eisen en verlangens. Zij begonnen bovendien te begrijpen dat het Uitvoerend Comité integendeel diende als dekmantel waaronder de Voorlopige Regering haar doel kon bereiken. Op de allereerste plaats bestond dat uit het herstel van de orde in het achterland en aan het front om in staat te zijn de imperialistische oorlog voort te zetten. De arbeidersklasse, in zijn radicaalste bolwerk Petrograd, voelde zich steeds meer bedrogen, voor de gek gehouden, verraden door dezelfden aan wie ze de leiding van de raden had toevertrouwd. Hoewel nog verward, begon de voorhoede van de arbeidersklasse het werkelijke vraagstuk te stellen : wie oefent werkelijk de macht uit, de bourgeoisie of het proletariaat. De radicalisering van de arbeiders begint zich midden april door te zetten na een provocerende nota van de liberale minister Miljoekov waarin nogmaals werd bevestigd dat Rusland er zich met de geallieerden toe verbond de imperialistische oorlog voort te zetten. Reeds getergd door alle soorten van ontberingen antwoordden de arbeiders en soldaten onmiddellijk met spontane demonstraties en massale bijeenkomsten in de wijken en de bedrijven. Op 20 april dwingt een gigantische manifestatie het ontslag van Miljoekov af. De bourgeoisie moet (tijdelijk) terugwijken met haar oorlogsplannen. De bolsjewieken zijn buitengewoon actief in deze proletarische gisting en hun invloed groeit onder de arbeidersmassa's. De radicalisering van het proletariaat vindt vooral plaats rond de slogan die Lenin in zijn Aprilstellingen naar voren had gebracht: "Alle macht aan de Sovjets", wat, in de maanden mei en juni, het streven van de arbeidersmassa's wordt. De hele maand mei kwam de bolsjewistische partij steeds meer naar voren als de enige partij die zich daadwerkelijk inzette aan de kant van de arbeiders. In alle hoeken van Rusland vindt een koortsachtige organisatieactiviteit plaats als teken van de revolutionaire gisting. Heel het werk van uitleg en betrokkenheid van de bolsjewieken voor de macht van de sovjets komt bovendien tot uiting op de Conferentie van industriearbeiders in Petrograd doordat deze fractie van het proletariaat, de meeste strijdbare, hen eind mei de meerderheid verschaft in de fabriekscomités. De maand juni is er een van intense politieke propaganda die op de 18e spectaculair uitloopt in een gigantische manifestatie. Oorspronkelijk bijeengeroepen door de mensjewieken om de Voorlopige Regering te ondersteunen, die net besloten had tot een nieuw militair offensief, en door het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd die nog door hen beheerst wordt, keert de manifestatie zich tegen de 'verzoeners'. De betoging neemt in overgrote meerderheid de bolsjewistische slogans over: "Weg met het offensief!", "Weg met de kapitalistische ministers!", "Alle macht aan de Sovjets!".
Terwijl het nieuws van de mislukking van het militair offensief de hoofdstad bereikt en daar het revolutionair vuur aanwakkert, is daar in de rest van het land nog geen sprake van. Om het hoofd te bieden aan een zeer gespannen situatie probeert de bourgeoisie in Petrograd een voortijdige revolte te provoceren teneinde de arbeiders en de bolsjewieken te verpletteren en de schuld van de mislukking van het militair offensief aan het proletariaat van de hoofdstad te geven dat "een mes in de rug" zou hebben gestoken van degenen die aan het front stonden.
Zo'n manoeuvre is mogelijk omdat de voorwaarden voor de revolutie nog niet rijp zijn. Hoewel de arbeiders en soldaten overal in het land ontevreden zijn, bereikt dat zeker niet dezelfde diepte en reikwijdte als in Petrograd. De boeren hebben nog vertrouwen in de Voorlopige Regering. Onder de arbeiders zelf, ook die van Petrograd, heerst het idee dat de macht niet moet worden overgenomen, maar dat de 'socialistische' leiders met kracht gedwongen moeten worden deze "werkelijk in handen te nemen". Het is zeker dat met een verpletterd proletariaat in Petrograd en met een gedecimeerde bolsjewistische partij het zo onthoofde proletariaat in Rusland binnen korte tijd in zijn geheel zou zijn overwonnen.
Petrograd bruist. De mitrailleurs die met de matrozen van Kroonstad binnen het leger de meest vooroplopende vleugel vormen van de revolutie willen onmiddellijk tot actie overgaan. De stakende arbeiders gaan rond langs de regimenten en nodigen hen uit om de straat op te gaan en bijeenkomsten te organiseren. In dat verband kon de bourgeoisie gemakkelijk een aantal 'gepaste' maatregelen nemen om de revolte in de hoofdstad te laten uitbreken. Zo neemt de partij van de cadetten de beslissing om vier ministers uit de Voorlopige Regering terug te trekken teneinde de leuze van de onmiddellijke macht aan de Sovjets onder de arbeiders en soldaten opnieuw ingang te laten vinden. En inderdaad betekende de weigering van de mensjewieken en sociaalrevolutionairen om de slogan "Alle macht aan de Sovjets" te onderschrijven, die ze tot dan toe met de mond hadden beleden onder het voorwendsel samen te werken met de vertegenwoordigers van de 'democratische bourgeoisie', dat er geen enkel gesprek meer mogelijk was. Bovendien, naast andere provocaties, dreigt de regering ermee om de revolutionaire regimenten van de hoofdstad onmiddellijk naar het front te sturen. In enkele uren komt het proletariaat van heel de stad op de been, verenigd onder de slogan "Alle macht aan de Sovjets".
Het is trouwens vanaf de betoging van 18 juni dat de bolsjewieken de arbeiders al publiek waarschuwden tegen een voorbarige actie. Omdat ze echter meenden dat het niet mogelijk zou zijn de beweging te doen stoppen, besloten ze haar te steunen en zich aan het hoofd ervan te plaatsen, maar aan de bewapende betoging van 500.000 arbeiders en soldaten een "vreedzaam en georganiseerd karakter" te geven. De avond zelf gaven de arbeiders zich rekenschap van de tijdelijke impasse van de situatie, verbonden met de onmiddellijke onmogelijkheid om de macht te grijpen. De volgende dag volgen ze de bolsjewistische ordewoorden en blijven ze thuis. Dan komen in Petrograd de 'verse' troepen aan die de bourgeoisie en haar mensjewistische en sociaalrevolutionairen handlangers komen bijstaan. Om hen dadelijk tegen het bolsjewisme 'in te enten' worden ze met geweerschoten onthaald door gewapende provocateurs van de bourgeoisie die als 'bolsjewieken' voorgesteld werden. Dan begint de repressie. De jacht op de bolsjewieken is open. Ze wordt door de bourgeoisie in het teken geplaatst van een campagne die hen ervan beschuldigt Duitse agenten te zijn om de troepen tegen de arbeiders op te zetten. Het resultaat is dat Lenin en andere bolsjewistische leiders moeten onderduiken, terwijl Trotski en anderen aangehouden worden. "De klap die de massa's en de partij in juli te verwerken krijgen is zeer zwaar. Maar de klap is niet beslissend. Slachtoffers vielen er met tientallen, maar niet met tienduizenden. De arbeidersklasse doorstond de beproeving zonder onthoofd te worden of leeg te bloeden. Ze behoudt volledig haar strijdkaders, en die kaders hadden veel geleerd." (2).
Tegen de campagnes van de bourgeoisie van nu die de Oktoberrevolutie 17 voorstellen als een bolsjewistisch complot tegen de 'jonge democratie' die ingesteld werd door de Februarirevolutie en tegen de al even democratische partijen die toen aan de macht kwamen, cadetten, sociaalrevolutionairen en mensjewieken, zorgen de gebeurtenissen van juli op zich al voor een ontkrachting van die stelling. Ze tonen duidelijk dat de complotsmeders juist die democratische partijen waren, in samenwerking met andere reactionaire sectoren van de Russische politieke klasse, en met de bourgeoisie van de met Rusland geallieerde imperialistische landen, om te proberen het proletariaat een beslissende slag toe te brengen.
Juli 1917 toonde ook dat het proletariaat zich vóór alles moet hoeden voor partijen die vroeger proletarisch waren en die verraad gepleegd hebben, en dat het dus zijn illusies in die partijen moet opgeven. Zo'n illusie woog nog zwaar op de arbeidersklasse tijdens de julidagen. Maar deze ervaring heeft definitief duidelijk gemaakt dat de mensjewieken en sociaalrevolutionairen onherroepelijk naar de contrarevolutie overgelopen waren. Vanaf half juli trekt Lenin duidelijk deze les : "Na 4 juli haalt de contrarevolutionaire bourgeoisie, die opstapt met de monarchisten en de Zwarte Honderd, gedeeltelijk door intimidatie de sociaalrevolutionaire en mensjewistische kleinburgers aan haar zijde en zij vertrouwt de effectieve staatsmacht toe aan de cavaignacs, aan de militaire kliek die de weerspannigen aan het front fusilleert en de bolsjewieken afslacht in Sint-Petersburg." (3).
De geschiedenis toont dat een geduchte tactiek van de bourgeoisie tegen de beweging van de arbeidersklasse erin bestaat voorbarige confrontaties uit te lokken. In 1919 en 1921 in Duitsland was het resultaat een bloedige onderdrukking van het proletariaat. Als de Russische revolutie er het enig groot voorbeeld van is hoe de arbeidersklasse in staat was zo'n valstrik en een bloedige nederlaag te vermijden, is dat vooral omdat de bolsjewistische klassepartij haar beslissende rol van voorhoede, van politieke leiding van de klasse kon vervullen.
De bolsjewistische partij was ervan overtuigd dat het haar verantwoordelijkheid is voortdurend de krachtsverhouding tussen beide vijandelijke klassen te analyseren, om in staat te zijn op elk moment van de ontwikkeling van de strijd correct te kunnen tussenkomen. Zij weet dat het van cruciaal belang is de aard, strategie en tactiek van de vijandelijke klasse te bestuderen om haar manoeuvres te kunnen identificeren, begrijpen en er het hoofd aan te bieden. Zij is doordrongen van het marxistisch inzicht dat de revolutionaire machtsgreep een soort kunst of wetenschap is en zij is zich er volmaakt van bewust dat een opstand op het verkeerde moment even fataal is als de mislukking van een poging tot machtsgreep die op het juiste moment gebeurt. Het diepe vertrouwen dat de partij heeft in het proletariaat en in het marxisme heeft, haar vermogen te steunen op de kracht die beide historisch vertegenwoordigen, stellen haar in staat met overtuiging op te komen tegen de illusies in de arbeidersklasse. Ze laten haar ook toe de druk van anarchisten en "gelegenheidsvertolkers van de verontwaardiging van de massa's" zoals Trotski ze noemt (2) terug te drijven die, geleid door hun kleinburgerlijk ongeduld, de massa's opjutten met het oog op onmiddellijke actie.
Maar wat ook beslissend was in die julidagen, was het diepe vertrouwen van de Russische arbeiders in hun klassepartij, die deze laatste in staat stelde in de klasse tussen te komen en zelfs de rol van leiding op zich te nemen, al was het voor iedereen duidelijk dat de partij noch hun onmiddellijke doel, noch hun illusies deelde.
De bolsjewieken boden het hoofd aan de repressie die op 5 juli begon, zonder enige illusie in de democratie en zich met hand en tand verzettend tegen de laster waar ze het voorwerp van waren. Vandaag, 80 jaar later, is de bourgeoisie niet van aard veranderd, maar is ze integendeel nog meer ervaren en cynisch geworden. Met dezelfde 'logica' voert ze vandaag een campagne tegen de Kommunistische Linkerzijde zoals die welke ze in juli 1917 tegen de bolsjewieken ontplooide. In juli 17 wou ze doen geloven dat de bolsjewieken, die weigerden de Entente te steunen, niet anders dan aan de Duitse kant konden staan ! Vandaag wil ze het idee ingang doen vinden dat als de Kommunistische Linkerzijde weigerde het 'antifascistisch' imperialistisch kamp te steunen in de tweede wereldoorlog, dat was omdat zij, en haar opvolgers vandaag, aan de kant van de nazi's staan. Revolutionairen die vandaag de betekenis van dergelijke campagnes tegen hen onderschatten, die enkel komende pogroms voorbereiden, moeten nog veel leren van de ervaring van de bolsjewieken die na de julidagen hemel en aarde bewogen hebben om hun reputatie in de arbeidersklasse te verdedigen.
Gedurende die beslissende dagen stelde de actie van de bolsjewistische partij de opkomende revolutie in staat de valstrikken uitgezet door de bourgeoisie te ontlopen. Zij heeft niets te maken met de uitvoering van een plan dat vooraf bedacht werd door een generale staf die buiten de arbeidersklasse staat, zoals de bourgeoisie meestal voorhoudt wanneer ze het over de Oktoberrevolutie heeft. Ze is integendeel het werk van een levende uitdrukking van de arbeidersklasse. Drie maanden eerder bevond de bolsjewistische partij zich in een toestand van diepe ontreddering tegenover de situatie omdat ze niet begreep dat de Februarirevolutie de machtsgreep door de arbeidersklasse aan de orde van de dag plaatste in Rusland. Nadat ze zich een duidelijke oriëntatie gaf, was ze in staat, steunend op haar eigen ervaring en die van heel de arbeidersbeweging, haar verantwoordelijkheden op te nemen.
KB
(1) Zie Internationalisme, nr. 330 en 331.
(2) Trotski, Geschiedenis van de Russische revolutie.
(3) Lenin, Over ordewoorden, in Volledige Werken, deel 25.
We publiceren hieronder een brief van een lezer uit Brazilië die sympathiseert met het beleid gevoerd door Chavez (en Lula) ten gunste van de meest noodlijdende bevolkingslagen. Die sympathiebetuigingen aan het adres van het chavisme worden steeds maar talrijker, zoals we kunnen merken op onze publieke bijeenkomsten en in de forums waaraan we deelnemen. Ze drukken een reële bekommernis uit met de situatie van verpaupering die de meest noodlijdende lagen ondergaan (waaronder miljoenen proletariërs) en de verwerping van de vreselijke imperialistische politiek van de Verenigde Staten. Velen zien Chavez en zijn ‘socialisme van de 21e eeuw’ als een redmiddel om uit de armoede te geraken en het ‘yankee-imperialisme’ te verzwakken. In ons antwoord proberen we aan te tonen dat de ‘verschijnselen’ als Chavez, Lula, Evo Morales en Correa. enkel uitingen zijn van het aan de macht komen van fracties van de Zuid-Amerikaanse bourgeoisie die in staat zijn te ‘surfen’ op de thema’s van ‘sociaal links’ en op de wil tot verandering bij de bevolking en de nadruk te leggen op werkonzekerheid en verpaupering.
Als bewoner van het Zuid-Amerikaans continent bekijk ik met wantrouwen alle kritiek die van links zowel als rechts geuit wordt op het chavisme. Chavez (net als Lula in Brazilië) is een leider afkomstig uit de laagste economische klassen en hij geeft daarvan ook blijk, zowel in woorden als in daden; hij verlangt een betere situatie voor de meest noodlijdende en voor de middenklasse in Venezuela. Hij heeft het hoofd geboden aan een burgerlijke staatsgreep en hij is gedragen door het volk teruggekeerd in de regering. Of hij nu populistisch is of niet heeft geen belang omdat hij de dromen van zijn volk verwezenlijkt. Tot nu toe is het grootste deel van zijn beleid zeer samenhangend geweest en bijzonder moedig. De confrontatie aangaan met de wereldreus is een gevecht van David tegen Goliath en dat is geen gemakkelijke zaak. Andere recente leiders van het continent reiken hem de hand: Evo Morales en Raphael Correa. China drijft aanzienlijk zijn betrekkingen op met Venezuela. Trek dus maar jullie conclusies.
Groeten !
F.
Beste F.
Het klopt dat Chavez in zijn redevoeringen zegt dat hij “een betere situatie verlangt voor de meest noodlijdende en de middenklasse in Venezuela” (en dat geldt ook voor andere staatsleiders zoals Lula, Morales, Correa, en zelfs voor die ‘duivel’ van een Bush, elk voor de eigen bevolking). Maar in de praktijk moeten we vaststellen dat er een steeds grotere kloof gaapt tussen redevoeringen en werkelijkheid. Achter de sluikse propaganda van het chavisme (zowel in binnen- als buitenland) die de ‘successen’ van de ‘bolivariaanse revolutie’ voor de armen ophemelt, bestaat er in werkelijkheid een toenemende verpaupering van de proletariërs en van de meest noodlijdende lagen, de middenklasse daarbij inbegrepen. En dat terwijl de nieuwe elite van het chavisme rijkelijke inkomsten opstrijkt (vaak meer dan tienduizend dollar per maand, tot vijftig keer het minimumloon dat een arbeider verdient) en ze gouden zaakjes doet met de weldaden van de olierente die nu in haar schoot valt.
Die kloof tussen redevoering en praktijk is niet eigen aan het chavisme, maar ligt aan de basis van het schijnheilig gedrag dat kenmerkend is voor de heersende klasse tegenover de uitgebuite massa’s, die ze onder controle moet houden door bij hen de hoop te wekken dat het mogelijk is hun armoedige toestand te boven te komen zonder aan de grondvesten van het kapitalistisch systeem te raken. Daarom heeft de chavistische folklore de natuurlijke tendens van het kapitalisme tot concentratie van de rijkdom in weinige handen en het veroordelen van een steeds groeiende bevolkingsmassa tot leven in volstrekte armoede niet doen verdwijnen maar is ze er in tegendeel in geslaagd die tendens verder te zetten.
We moeten de rol verduidelijken van Chavez als leider “afkomstig uit de laagste economische klassen”. Het feit dat een leider of een regering voortkomt uit het ‘volk’ of zelfs uit het proletariaat betekent zeker niet dat deze automatisch een ‘verdediger van de meest ontberenden’ is en dus niet gerekend zou moet worden tot de heersende klasse en haar staat. De geschiedenis puilt uit van voorbeelden van individuen van dat slag die van zeer groot nut geweest zijn voor de heersende klassen, juist op momenten van scherpe crisis: Lech Walesa in Polen (in de jaren 1980) en Lula in Brazilië, bijvoorbeeld. Die twee ‘arbeidersleiders’ hebben de bourgeoisie van hun land een onschatbare dienst bewezen, en doen dat nog steeds. Chavez, zoon van een onderwijzer, is ook een grote hulp geworden voor de Venezolaanse bourgeoisie. Het feit dat het een arbeiderszoon is of een zoon van een notoire bourgeoisfamilie die staatshoofd is, verandert niets aan de zaak: de een zowel als de ander hebben verantwoordelijkheid als staatshoofd en worden daardoor de hoogste beheerder van het orgaan dat de heerschappij van het nationaal kapitaal (privé of staatskapitaal) uitoefent en als zodanig maken hij en zijn aanhangers deel uit van de uitbuitende klasse.
Het opduiken van ‘verschijnselen’ als Chavez, Lula, Kirchner en recent nog Morales in Bolivia en Correa in Ecuador is het gevolg van de haast algemene uitputting van de sociaal-democratische en sociaal-christelijke partijen die tot in de jaren 1990 regeerden en die, onderhevig aan ontbinding en politieke aderverkalking, in ernstige moeilijkheden kwamen om de politieke crises te controleren wat tot nieuwe ideologische vormen leidde waarmee de sociale malaise wordt tegengegaan. Door zich te steunen op hun volkse afkomst, hebben die leiders munt kunnen slaan uit de malaise van de proletariërs en de uitgeslotenen door populistische beleid te ontwikkelen waarmee ze de ‘dromen van hun volk’ kunnen kanaliseren in dienst van de belangen van het nationaal kapitaal. Die nieuwe leiders zijn de nieuwe beheerders van de sociale onzekerheid.
Wanneer we van populistische politiek spreken, dan doen we dat niet in dezelfde ongunstige betekenis als sommige delen van de bourgeoisie die zich verzetten tegen die nieuwe leiders van het kapitaal. We verwijzen wel naar regeringen die in Latijns-Amerika en in andere landen aan de periferie opgekomen zijn, zoals die van Peron in Argentinië (1946-1955), of die van Getulio Vargas in Brazilië (1930-1954), onder andere; aan degenen die de illusies van de armsten op de spits drijven, juist in periodes waarin de regeringen van de nationale bourgeoisie een diepe crisis doormaken. Geen enkele van die regeringen heeft de armoede van de massa’s die hun hoop op hen gesteld hadden kunnen verlichten, en hun vervanging door andere, even burgerlijke regeringen heeft evenmin iets veranderd, behalve dan dat die massa’s in nog diepere ellende gestort werden in afwachting van een andere Messias die hun ‘dromen’ weer op gang brengt. Dat is en blijft het drama van de lagen die in armoede leven, zolang het proletariaat niet de leiding heeft genomen van de sociale bewegingen en door zijn revolutionaire strijd de oorzaken opruimt van de verpaupering en de sociale onzekerheid zoals die eigen zijn aan het functioneren zélf van de kapitalistische uitbuitingswijze.
Het lijdt geen twijfel dat Chavez zich verzet tegen de ‘wereldreus’ en we weten dat die strijd van “David tegen Goliath” geen “gemakkelijke zaak is”. Maar die strijd tegen het Noord-Amerikaans imperialisme is niets anders dan een strijd om het ‘kleine’ Venezolaanse imperialisme in de regio te versterken, dat zijn olie gebruikt (op dezelfde manier als de Verenigde Staten hun economische en militaire macht gebruiken) als een middel om chantage te plegen en druk uit te oefenen om zich op geopolitiek vlak te versterken. Net zoals de imperialistische politiek van de Verenigde Staten gevoerd wordt op de rug van het proletariaat en de bevolking van de Verenigde Staten, zo wordt de imperialistische politiek van de Venezolaanse bourgeoisie (met aan haar hoofd de chavistische fractie) ontwikkeld ten koste van de levensvoorwaarden van de sociale lagen die het chavisme beweert te verdedigen. Het gedeelte van het nationale begroting dat besteed wordt aan de strijdkrachten, aan de aankoop van wapens (die vroeg of laat tegen de Venezolaanse bevolking of die van een ander land uit de regio gebruikt zullen worden) is nu hoger dan het gedeelte dat dient voor de zogenaamde ‘sociale uitgaven’.
Het ‘anti-yankee-imperialisme’ dient al meer dan een eeuw om de ambities van de bourgeoisieën van de regio te verbergen. Die verzetten zich tegen de Noord-Amerikaanse bourgeoisie omdat de Zuid-Amerikaanse leiders natuurlijk de enige uitbaters willen zijn van de productiekrachten van hun achtereenvolgende landen. In die zin zijn de ‘raadgevingen’ van de Cubaanse bourgeoisie aan Chavez geen toeval: het ‘anti-yankee-imperialisme’ heeft in Cuba gedurende meer dan veertig jaar gediend om het proletariaat en de Cubaanse bevolking uit te buiten en de grootste offers te rechtvaardigen. Verder is het op zijn minst tegenstrijdig dat ondanks de ‘radicale confrontatie’ van Chavez met de Verenigde Staten dit land de voornaamste handelspartner van Venezuela blijft. Het proletariaat moet elk imperialisme bestrijden, of het nu groot is of klein.
Wat de terugkeer aan de macht van Chavez betreft na de “burgerlijke machtsgreep” moeten we verduidelijken dat die terugkeer niet echt gebeurd is “gedragen door het volk”, maar wel gedragen door loyale militairen, nadat de militairen die hem omvergeworpen hadden aan de kant waren gezet. Deze laatsten besloten inderdaad zich over te geven toen het bleek hoe zwak de sectoren van de bourgeoisie waren die de leiding namen in de staatsgreep tegen Chavez, die twee dagen later al weer aan de macht was. Het was het chavisme dat de meeste voordeel heeft getrokken uit die gebeurtenis omdat het zich kon presenteren als slachtoffer van de fracties die de staatsgreep beraamden, maar bovendien ook van de Noord-Amerikaanse regering die de staatsgreep leek te steunen omdat ze hem niet veroordeelde. Natuurlijk heeft een deel van de bevolking geroepen en zelfs gehuild voor de terugkeer van Chavez, maar de loop van de gebeurtenissen lag in handen van het leger, dat in dergelijke omstandigheden de uiteindelijke beslissing neemt welke fractie van de bourgeoisie de leiding van de staat krijgt. De terugkeer van Chavez “gedragen door het volk” behoort tot de mythologie die hijzelf geschapen heeft om zichzelf van een aureool te voorzien om de massa’s te bedriegen die hun vertrouwen in hem gesteld hebben, een mythologie die door de anders-globalisten van de regio en elders hoog wordt gehouden en op ruime schaal verspreid.
Tenslotte willen we nog duidelijk maken, en ons antwoord maakt dit duidelijk, dat onze kritiek niet deel uitmaakt van de waaier van kritieken vanuit linkse of rechtse standpunten, die wij beschouwen als politieke krachten die elkaar aanvullen in hun verdediging van de belangen van de bourgeoisie. Onze kritiek situeert zich op een ander terrein, dat van de Kommunistische Linkerzijde.
Kameraad F., we nodigen je uit over de kwesties die hier gesteld werden te discussiëren omdat wij menen dat dit de enige manier is om zich bewust te worden van het perspectief van het revolutionair socialisme.
Met broederlijke groeten,
De IKS
De twee eerste ervaringen met de sociaal-democratie in de regering leveren dus de volgende onherroepelijke vaststellingen op: het bloedig neerslaan van het revolutionaire proletariaat en het ronselen ter voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens tonen de talrijke voorbeelden hoe de ‘moderne’ sociaal-democratie, zowel in de regering als in de oppositie, haar smerige werk tegen de arbeidersklasse voortzet. Laten wij even naar de Franse en Belgische voorbeelden kijken.
Na de ‘algemene staking’ van1968 in Frankrijk komt F. Mitterrand aan de leiding van een PS van ‘linkse eenheid’ op het congres van Epinay-sur-Seine in 1971, met als opdracht tot een regeerakkoord te komen met de PCF. De toon werd door Mitterrand in zijn toespraken gezet: hij sprak van ‘revolutie’, van ‘anti-kapitalistische breuk’ en van ‘klassenfront’. Gedurende heel de jaren 1970 zou deze moderne sociaal-democratie, belichaamd door Mitterrand, haar wapens slijpen in de oppositie. In plaats van af te wachten zou deze oppositie de PS in de gelegenheid stellen fundamentele steun te verlenen aan de bourgeoisie. Dit deed ze door het opvangen van de arbeiderswoede als gevolg van de aanvallen van rechts, en door zichzelf voor te stellen als een geloofwaardig regeringsalternatief, daarmee de democratische en parlementaire illusies in arbeidersrangen nog versterkend.
In 1981 werd Mitterrand gekozen tot president, en leek het moment aangebroken om de zo dikwijls op het congres van Epinay gescandeerde ‘anti-kapitalistische breuk’ in praktijk te brengen. De illusie zou niet lang standhouden. Na een jaartje respijt valt het masker met de soberheids-programma’s die sinds 1982 worden opgesteld door de eerste minister P. Mauroy: einde van de automatische prijscompensatie, hoewel de inflatie sinds 1981 niet eens onder controle kon worden gehouden, herstructurering van grote bedrijven die met honderdduizenden ontslagen gepaard gaan in de grote sectoren, ontstaan van werkonzekerheid door het invoeren van tijdelijke arbeidscontracten bij de openbare instellingen. Tenslotte de werkloosheid die in deze jaren onophoudelijk zou stijgen, terwijl de uitkeringen alsmaar kleiner werden.
De tweede zevenjarige ambtstermijn van Mitterrand was van hetzelfde laken een broek: versterking van de politiestaat, ontwikkeling van de jacht op illegale gastarbeiders, eerste overpeinzingen over hervorming van de pensioenen, andermaal vermindering van de werkloosheidsuitkering. Maar het beeld van wat de sociaal-democratie tot stand bracht zou onvolledig zijn als wij geen melding zouden maken van een van de grootste aanvallen op de arbeidersklasse sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog: de 35 uren. Deze wet, gedragen door M. Aubry, minister van werkgelegenheid onder eerste minister L. Jospin, raakte heel de arbeidersklasse door het invoeren van zoveel mogelijk flexibiliteit in de uitbuiting die bijdroeg tot een loonstop.
De rol van de socialistische partij in België, herdoopt tot BSP, en vervolgens opgesplitst in een Franstalige PS en een Nederlandstalige SP.a, wijkt daar nauwelijks van af. Tijdens de grote stakingen van 1960-1961 in België herhaalden de partijleidingen en vakbonden: “Wij hebben alles in het werk gesteld om… de staking te beperken tot één enkele sector” (L. Major), en dit om de beweging vervolgens te verdelen en te vangen in het regionalisme. Tijdens de stakingen in de mijnen van Limburg in 1966 gaf de socialistische minister van binnenlandse zaken, A. Vranckx, opdracht om op stakers te schieten. En bij alle rationaliseringen en soberheidsprogramma’s liepen Claes, Mathot, Tobback, Spitaels en Vande Lanotte voorop; ze worden vereenzelvigd met herstructureringen in de staalnijverheid in de jaren 1970, met de sluiting van de mijnen van Limburg in 1987, met de rationalisering van de NMBS en De Post in de jaren 1990; met de soberheid die werd opgelegd aan de gemeentebedienden in Luik en Antwerpen, de soberheidsplannen om de Euro te kunnen invoeren van Dehaene in de jaren 1990, tot aan het Generatiepact, dat opgelegd werd door de regering Verhofstadt in 2005.
Dat nu is de ‘mooie toekomst’ die deze sociaal-democratie ons biedt! Haar ‘nieuwe politieke cultuur’ is bovendien grof bedrog dat er uit bestaat haar vroegere daden te doen vergeten. Zo zijn de dreigementen van Vandenbroucke en Onckelinkx tegen de werklozen helemaal geen onhandige of uitzonderlijke uitvallen. De sociaal-democratie heeft sinds haar verraad aan het internationalisme in 1914 geen enkele band meer met de arbeidersbeweging. Al negentig jaar zijn de socialistische partijen grafdelvers van de arbeidersbelangen. Of ze nu in de regering zit-ten of in de oppositie, ze dienen enkel de belangen van hun klasse en van de staat, en als het moet steken ze zonder aarzelen een handje toe, zelfs als ze zich daarbij met arbeidersbloed besmeuren.
Jos / 01.06.2007
Al meer dan twee weken zijn dagelijks alsmaar gewelddadigere gevechten uitgebroken in het noorden van Libanon. Officieel worden er al 90 doden geteld, onder de soldaten van het Libanese leger en bij de strijders van de Fatah al-Islam, maar ook bij de Palestijnse burgerbevolking in het kamp Nahr al-Bared, één van de twaalf die het land telt waarin 400.000 Palestijnen proberen te overleven, die de Israëlisch-Arabische oorlog van 1967 zijn ontvlucht! Van de 31.000 personen die dat kamp telt, zijn 26.000 de botsingen ontvlucht, sommigen om op elkaar geperst te worden in het naburige kamp van Baddaoui, anderen op een onzekere dwaaltocht. Ze zitten in de ellende en worden onderworpen aan de maffiawetten van de Palestijnse groepen die hen ‘beschermen’ als vee dat hier en daar onder de hoede van het Rode Kruis en de Verenigde Naties wordt geplaatst. De overige 5.000 Palestijnen zijn helemaal overgeleverd aan de verschrikkingen. Tussen het kruisvuur van de Libanese strijdkrachten, die het kamp omsingelen en met mitrailleurs of raketten beschieten, en dat van de Fatah al-Islam, die hen gebruiken als menselijke schilden, worden mannen, vrouwen en kinderen verstikt in een dodelijke muizenval.
De beslissing van de VN om een tribunaal ‘met internationaal karakter’ op te richten, belast met het veroordelen van de moordenaars van Rafik Hariri en het vooruitzicht van presidentsverkiezingen in Libanon, heeft het lont in het kruidvat gestoken. Deze spiraal van geweld kent geen gelijke na het begin van de jaren 1970, tijdens het ergste moment van de Koude Oorlog. Uiteraard wordt Syrië in het bijzonder in het vizier genomen. Het recente opduiken van de Groep Hamas al-Islam, blijkbaar een afsplitsing van een pro-Syrische groep die verwant zou zijn aan Al Qaïda, de Hamas al-Intifada, die zelf voorkomt uit de oude PFLP van George Habbasj, die zich tegen Jasser Arafat keerde en die zijn basis in Damascus had, roept de verdenking op dat de Syrische staat in de huidige situatie een rol speelt. En dat des te meer omdat deze splintergroep geen enkele Palestijnse eis vertegenwoordigt. Bovendien doet Syrië met zijn radicale afwijzing van het tribunaal, dat Syrische verantwoordelijken officieel onder verdenking stelt, andermaal met de vinger op zich wijzen vanwege zijn implicatie in de moord op Hariri. Herinneren eij ons dat de moord op de Libanese leider in 2005 het vertrek van de Syrische troepen van de Golanhoogte tot gevolg had, die historisch wordt opgeëist door Syrië, en die een voortdurende twistappel blijft in de betrekkingen tussen Damascus en Beiroet.
Zeker, de ‘internationale gemeenschap’ wordt door een dergelijke situatie in beroering gebracht, in een land dat 4.500 blauwhelmen telt, het ‘internationale vredesleger’ dat momenteel de grootste concentratie van VN-strijdkrachten ter wereld vormt. Voor één keer zitten Frankrijk en de Verenigde Staten op dezelfde golflengte, en stonden ze in de eerste rij om hun goede diensten aan te bieden: “De Libanese regering doet wat zij moet doen om een zeer gevaarlijke terroristische groep te bestrijden en om wet en orde te herstellen in het land”, hoorde men in Washington op 25 mei. En in hetzelfde elan kwamen er zes met wapens volgestouwde vrachtvliegtuigen in Libanon aan om de actie van het leger van Beiroet te ‘ondersteunen’.
Bij zijn “solidariteitsbezoek” aan Libanon heeft de onmisbare ‘french doctor’ Bernard Kouchner, genietend van de media- aandacht, verklaard dat “de Franse politiek ongewijzigd blijft”, stelde hij zonder schroom voor om, militaire uitrusting en wapens aan de Libanese regering te leveren, om ‘humanitaire’ redenen, wel te verstaan.
Het is duidelijk, beide imperialistische haaien gaan de oorlogsconfrontaties alleen maar aanwakkeren, en er zelfs direct aan deelnemen. Frankrijk en de Verenigde Staten zijn in feite beide een direct belang om in de situatie in Libanon tussen te komen.
De Verenigde Staten, die in het begin van de jaren 1990 de Golanhoogte aan Syrië hadden overgelaten als beloning voor zijn samenwerking met Washington en om de Fransen in Libanon het gras onder de voeten weg te maaien, willen Syrië laten boeten voor zijn steun aan de pro-Irakese soennitische krachten en aan de terroristen van Al Qaïda, die het sinds de Amerikaanse inval in Irak heeft gesteund. Ook zal het Witte Huis niet zuinig zijn met Beiroet middelen aan te bieden om hard op te treden tegen de indringing van Syrië via de Fatah al-Islam.
Voor Frankrijk, dat zijn belangen in het Midden-Oosten altijd al voornamelijk via Libanon verdedigde, gaat het erom met alle middelen te proberen er opnieuw een voet aan de grond te krijgen. Na het gedwongen vertrek van de pro-Franse generaal Aoun in 1992, die van de Verenigde Staten moest opkrassen om Syrië zich beter in de Golanhoogte te laten nestelen en om Syrië zijn greep op de Libanese staat te laten versterken, heeft de Franse staat hemel en aarde bewogen om zijn invloed in de regio te herstellen.
Vandaar dat er helemaal geen sprake kan zijn van een bondgenootschap tussen de Verenigde Staten en Frankrijk tot herstel van de vrede in Libanon, net zo min als voor het geheel van de regio. Integendeel, in werkelijkheid stuurt de imperialistische concurrentie hun bedoelingen, wat slechts nieuwe botsingen en opnieuw een versnelling van de oorlogsconflicten in deze zone van de wereld zal voortbrengen.
Hun leugenachtige praatjes willen ons doen geloven dat ze een gemeenschappelijk doel nastreven om het vraagstuk te regelen. Daar is totaal geen sprake van. Als ze dan al hetzelfde belang hebben om Syrië en de terroristen van Hamas al-Islam hun biezen te zien pakken en Libanon uit te zetten, dan geldt dat niet voor Libanon zelf, dat een belangrijke inzet zal blijven voor deze twee imperialistische concurrenten in het Midden-Oosten. De stabilisatie van Libanon maakt het voor de Verenigde Staten mogelijk om Syrië te controleren en onder druk te zetten. Het vormt immers een achterland voor de anti-Amerikaanse krachten in Irak. Frankrijk heeft als dubbele inzet om zijn pretenties van imperialistische wereldmacht te handhaven – het wil zich bevestigen als een macht ‘die meetelt’ in het Midden-Oosten – en om een steunpunt in deze regio in te richten om de militaire en strategische politiek van de Verenigde Staten te saboteren, in Irak zoals in heel het Nabije en Midden-Oosten.
Het kruitvat van het Midden-Oosten staat niet op het ount uit te doven. De gebeurtenissen in Libanon hebben hun tegenhangers in de bezette gebieden van de Gaza-strook, die al weken onder vuur liggen van het Israëlische leger. Ook daar vinden we dezelfde hoofdrolspelers uit de ontwikkelde landen, die als barmhartige Samaritanen altijd bereid zijn om een ‘vredeskwartet voor het Midden-Oosten’ te vormen (de Europese Unie, de Verenigde Staten, de VN en Rusland), dat vruchteloos oproept om het geweld tussen Israël en de Hamas in de Gaza-strook, en tussen Hamas en Al Fatah in het noorden van Libanon te doen staken.
De waarachtigheid van de goede bedoelingen van degenen die deze wereld regeren is af te meten aan de mate waarmee zij de bevolking en de arbeidersklasse overal doen lijden: bloed, zweet en ellende. Dat is de enige taal die de bourgeoisie spreekt, het is de taal van het kapitalisme.
Mulan / 2.6.2007
De laatste weken waren de Belgische federale verkiezingen van 10 juni het centrale onderwerp in het nieuws. Er is veel commentaren geleverd op het ‘Waterloo van de socialisten’ in zowel Wallonië (-20% van de zetels) als Vlaanderen (-30% van de zetels) en er wordt uitgebreid gespeculeerd over de komende coalitie. Er wordt gewezen op de overwinning van de christen-democraten in het Noorden en de Liberalen in het Zuiden van het land. Eén thema is tijdens de campagne en in het commentaar bij de uitslag echter zorgvuldig vermeden: het sociale vraagstuk, dat van de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse.
Daarom werd de verkiezingscampagne vooral voorgesteld als een strijd tussen persoonlijkheden: in Vlaanderen werd de ‘kiesplichtige burger’ opgeroepen om te kiezen tussen de aftredende eerste minister, de liberaal G. Verhofstadt en zijn ‘ethisch progressieve’ politiek (homohuwelijk, wet op de euthanasie, …) of de verandering voorgesteld door zijn uitdager, de christen-democraat Y. Leterme, de huidige minister-president het Vlaamse Gewest, die de nadruk legt op ‘goed bestuur’ en ‘solidariteit… met de zwaksten’. In Wallonië werden de schijnwerpers vooral gericht op het hanengevecht tussen de vertegenwoordiger van de corrupte Waalse PS-staat, de Waalse minister-president E. Di Rupo, en zijn uitdager, de liberale minister van economie en bewonderaar van Sarkozy, D. Reynders. Alles werd dus in het werk gesteld om niet te polariseren rond de ‘netelige vraagstukken’ zoals de rationaliseringen en de bedrijfssluitingen, verhoging van arbeidsritme en flexibiliteit, de systematische verlaging van het levenspeil, soberheidspolitiek en geleidelijke ontmanteling van de ‘welvaartsstaat’. Al deze vraagstukken zijn in de debatten vermeden en met reden: er heerst immers volledige overeenstemming tussen al de partijen over deze politiek en de toekomstige regering, wat ook haar samenstelling moge zijn, zal op dat vlak de voorafgaande politiek voortzetten.
Waaruit bestaan dan de politieke omwentelingen die in het nieuws zo breed wordt uitgemeten? Om deze politiek te kunnen voeren in een wereldwijde samenhang van toenemende verrotting van de maatschappelijke structuur neigt de bourgeoisie er toe om haar meest stabiele partijen aan het roer van de staat te plaatsen. Welnu, de twee ‘families’ van de paarse regering bleken de laatste jaren kwetsbaar en hinderlijk wankelbaar: aan de kant van de liberalen werd de Vlaamse partij verscheurd door interne twisten met zelfs een afsplitsing naar rechts, de Lijst Dedecker die meer dan 6,5% van de stemmen haalde. De socialistische familie, op haar beurt, werd geteisterd door corruptieschandalen in de Waalse PS waarin de verschillende clans slaags raakten. Het is dus niet verwonderlijk dat de bourgeoisie haar oude christen-democratische partij weer aan het werk zet, sinds haar stichting de trouwe vertegenwoordigster van de Belgische staatsbelangen en gelouterd door acht jaar oppositie. Dat geeft de socialistische partijen, die zwaar aangeslagen zijn door twintig jaar ononderbroken regeringsdeelnames, de gelegenheid een gezondheidskuurtje te doen in de oppositie.
Er is nog iets anders dat de mediatamtam over de ‘politieke verandering’ verklaart; het idee dat de burger ‘zijn stem kan laten horen via de stembus’ vormt de doorslaggevende illusie om de geloofwaardigheid van de burgerlijke democratie overeind te houden. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat in marmer gebeiteld: “Alle mensen worden vrij en gelijk voor de wet geboren.” Vandaar dat elke burger een onvervreemdbaar recht heeft: het stemrecht. Deze ideologie berust op het simpele uitgangspunt: één persoon = één stem. Toch hangt deze mooie beginselverklaring in het luchtledige. In de werkelijke wereld zijn de mensen alles behalve gelijk. In de werkelijke wereld is de maatschappij in klassen verdeeld. Daarboven, de teugels stevig in handen houdend, heerst de bourgeoisie; daarover bevinden zich alle andere lagen van de maatschappij en in het bijzonder de arbeidersklasse. In de praktijk betekent dit dat een minderheid de staat, de kapitalen en de media in handen heeft. Zo kan de bourgeoisie iedere dag haar ideeën verspreiden, haar propaganda voeren: de heersende ideologie is de ideologie van de heersende klasse. De pletwals van de media rolt voortdurend over het kiezerskorps. De propaganda houdt niet op. Deze hersenspoeling is niet nieuw. Het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale verklaarde al in 1919: “[De persvrijheid] is een leugen zolang de beste drukkerijen en de grootste papiervoorraden door de kapitalisten gemonopoliseerd worden […]. De kapitalisten noemen de mogelijkheid van de rijken om de pers te corrumperen, de mogelijkheid om hun rijkdom te gebruiken om de zogenaamde publieke opinie te vormen en te ondersteunen persvrijheid.” (Stellingen over de burgerlijke democratie en de proletarische dictatuur, ingediend door Lenin op 4 maart 1919).
Als de politiek van de belangenverdediging van de nationale bourgeoisie het onveranderlijke programma is van iedere nationale regering, dan dient de verkiezingspropaganda juist om deze rauwe waarheid te verbergen door de mogelijkheid van een alternatief voor te spiegelen: “Ja, een andere politiek is mogelijk… als je goed stemt.” Leugens en zand in de ogen! Of het nu gaat om een nieuwe ‘blauw-oranje’ regering , zoals toen het ging om de paarse regering van Verhofstadt, of de ‘rood-oranje’ regering van Dehaene aan het einde van de jaren 1990, ze behoren allemaal tot dezelfde familie… de bourgeoisie. De verschillen die de burgerlijke partijen van elkaar scheiden betekenen niets in vergelijking met wat ze gemeen hebben: de verdediging van het nationaal kapitaal. Daarom zijn ze zo goed in staat tot nauwe samenwerking, vooral achter de gesloten deuren van de parlementaire commissies en in de hoogste regionen van het staatsapparaat. En in de vergaderzaal van het parlement debatteren en gebaren ze druk voor de camera’s om verontwaardiging te veinzen over de een of andere maatregel, tegenover het een of andere ‘misplaatste’ woord van een andere afgevaardigde. Zo wordt de indruk gewekt dat de democratie springlevend is; zo wordt de geloofwaardigheid van de burgerlijke democratie overeind gehouden.
Dat de sociale werkelijkheid heel anders is blijkt enerzijds uit de herstructureringen (Opel Antwerpen, De Post, Johnson Control, …) en anderzijds uit de arbeidersstrijd (postbedienden, gemeenteambtenaren, arbeiders bij de toeleveringsbedrijven voor de automobiel, …) die zelfs midden in de electorale campagnes door ging. Die uiteenlopende bewegingen, die strijdbaarheid laten zien, maar soms ook van de ontreddering door de afwezigheid van alternatieven, bevinden zich op het werkelijke terrein van de verdediging van de arbeidersbelangen tegenover de aanvallen. Ze laten zien dat er binnen de klasse, zij het vaak nog weifelend, wordt nagedacht, over de wijze waarop de strijd gevoerd kan worden en over de doelen die daarin voorop horen te staan. Deze strijd, die dikwijls spontaan begint, is moeilijk omdat hij stelselmatig erkend wordt door de vakbonden om hem des te beter te kunnen saboteren. De verschillende bewegingen worden zo van elkaar gescheiden en verstikt in uitzichtloze acties of eisen. Meer dan ooit moet de richting van de strijd gedragen worden door het oproepen tot solidariteit, door het op gang brengen van massale bewegingen, het nadenken over de doelen die voorop moeten staan tegenover het bankroet van het systeem, en niet het verkiezingsterrein waarop de arbeidersklasse niets te winnen heeft. De bourgeoisie daarentegen vormt de arbeiders om tot kiesplichtige burgers, zij lost ze op in de massa van de bevolking, isoleert ze van elkaar. Alleen en dus machteloos kunnen ze zo naar hartelust worden gehersenspoeld.
Jos / 12.06.2007
“Naar het beeld van de ruiters van de Apocalyps, die bij dageraad neerstrijken op de rebelse dorpen en bij hun passage slechts een spoor van verbrande huizen achterlaten, is alles in dit conflict in het halfduister gehuld. Hoeveel doden zijn er sinds vier jaar gevallen? Tienduizend volgens de Soedanese gezaghebbers, vierhonderdduizend volgens de niet-gouvernementele organisaties (NGO’s). Hoe moet de tragedie van Darfoer worden ingeschat? Oorlog tegen de opstand meent men in Khartoem; oorlogsmisdaden oordeelt de Verenigde Naties; misdaad tegen de menselijkheid verzekert de Europese Unie; eerste volkerenmoord van de éénentwintigste eeuw stellen westerse intellectuelen onlangs in opbod en in antwoord op een oproep van hun achtereenvolgende regeringen. Hoe kan hieraan een eind worden gemaakt? De rebellenlegers ontwapenen stelt generaal en president Omar el Béchir; de rebellenlegers bewapenen antwoorden de intellectuelen en hun lobbies daarop; onderhandelen en het Soedanese regime afstraffen, zo wil de Verenigde Naties… In deze maalstroom van passies, bijgedachten , manipulaties en soms onverantwoordelijkheid komen toch een paar zekerheden bovendrijven.” (Jeune Afrique, 1-14 april 2007).
Maar er bestaat wel degelijk zekerheid over wie verantwoordelijk is voor de misdaden: het zijn de imperialistische grootmachten en hun gewapende bendes ter plaatse, de regering van Khartoem en de rebellen. Het zijn deze kapitalistische bandieten (vooral de Chinese en Amerika en Frankrijk, hier tijdelijke bondgenoten, terwijl ze elkaar elders in de haren vliegen) en hun locale knechten die deze afgrijselijke afslachtingen straffeloos begaan hebben en nog begaan. Het zijn ‘misdaden tegen de menselijkheid’.
“Tegenover deze kroniek van een aangekondigde ramp nemen de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie vooral symbolische en vertragende maatregelen. Sinds twee jaar wordt er in Darfoer een inter-Afrikaanse strijdmacht ontplooid van zevenduizend vijfhonderd man, de Afrikaanse Missie in Darfoer (AMIS). [...] Deze strijdkracht is volslagen ondoeltreffend gebleken. In feite zijn haar middelen te zwak: ze zou uit minstens dertigduizend man moeten bestaan om de vijfhonderdduizend vierkant kilometer van Darfoer te kunnen bestrijken. Bovendien beschikt de gebrekkig bewapende AMIS beschikt slechts over een belachelijk beperkt mandaat: de soldaten hebben niet het recht om offensieve patrouilles uit te voeren, zij moeten zich beperken tot ‘onderhandelen’ en zich in feite tevreden stellen met het optekenen van de bloedbaden. [...] Privé verklaren de Afrikaanse soldaten zelf ontgoocheld: ‘Wij zijn nutteloos’” (Le Monde Diplomatique, maart 2007).
Als dat nog nodig was illustreert dit de walgelijke schijnheiligheid van de imperialistische grootmachten die de wereld regeren en die in Darfoer hun ware gelaat laten zien van cynische kapitalistische barbaren. Deze leiders die ‘vredesresoluties’ in stemming brengen en onder de kleuren van de Verenigde Naties soldaten naar Darfoer zenden, wier enige opdracht bestaat uit het ‘vaststellen van de bloedbaden’ en niet die te beletten zoals met veel tamtam wordt aangekondigd. Maar wat kan men verwachten van de Verenigde Naties, dit rovershol waar al deze bandieten bij elkaar zitten, deze immorele gieren die vechten om de resten van een wegrottend Afrika?
Daar vallen de maskers, maar het toppunt van cynisme bestaat er uit dat de bourgeoisie van de grootmachten probeert om de eigen verantwoordelijkheden voor de tragedie van Darfoer weg te moffelen met onophoudelijke ‘pelgrimstochten’ van de media te midden van de stervende slachtoffers.
Om elk nadenken en iedere bewustwording in verband met de werkelijke doelstellingen van hun gedoe in Darfoer beter in de kiem te smoren, organiseren de ‘grote democratieën’ regelmatig ‘humanitaire safari’s’ in Darfoer en bijeenkomsten in de metropolen “ter ondersteuning van de slachtoffers van de Soedanese volkerenmoord”. En inderdaad, in het kielzog van Hollywoodsterren (zoals Georg Cloney & Co.) werd op 20 maart in Parijs een bijeenkomst georganiseerd op initiatief van een geheel van verenigingen die ‘Noodkreet Darfoer’ (Urgence Darfour) is gedoopt. Deze was voornamelijk samengesteld uit media-beroemdheden (Bernard Kouchner, Bernard-Henri Lévy, Romain Goupil en andere vertegenwoordigers van de ‘humanitaire’ lobbies) die zich tot doel stelden om “Darfoer op de agenda te zetten van de presidentsverkiezingen.” En inderdaad hebben deze laatsten (met Ségolène Royal en François Bayrou op kop) de oproep beantwoord door een tekst te ondertekenen die, samen met andere maatregelen, de interventie van Franse troepen (die al actief zijn in Tsjaad en Centraal-Afrika) aanbeveelt, om in Darfoer een ‘humanitaire corridor’ mogelijk te maken. En als ware volksmenners gingen de genoemde presidentskandidaten nog een stap verder in hun cynisme: “Getuigend van een in Frankrijk ongeziene vastberadenheid voorkwam het document niet dat sommige presidentskandidaten nog verder gingen, zoals Ségolène Royal (Socialistische Partij) en François Bayrou (UFD, Franse liberalen), die voorstelden de Olympisch Spelen van Beijing in 2008 te boycotten om druk uit te oefenen op China, dat wordt aangewezen als de voornaamste steun van Khartoem in de Veiligheidsraad van de Verenigde naties.” (Jeune Afrique).
Wat een huichelaars, wat een gewetenloze bedriegers, deze Amerikaanse en Franse burgerlijke klassen! Kortom, deze vermomde verdedigers van de belangen van hun eigen imperialisme doen alsof Frankrijk er niet al tot over zijn oren in was betrokken, als bondgenoot van het regime in Tsjaad dat het nu direct steunt, de tegenstander van het Soedanese regime van de ‘volkerenmoord’. Dat is trouwens de bedoeling van de ‘politiek-humanitaire’ oproep, die openlijk de interventie aanbeveelt van het Franse leger om een zogenaamde ‘humanitaire corridor’ in de gevechtszones te openen. En het is geen toeval dat met name China wordt aangeklaagd als voornaamste steun van Khartoem want: “Ver achter de Verenigde Staten en China hult Frankrijk zich in het duister om zijn plaatselijke klanten te bedienen die door het Soedanese regime worden bedreigt. Parijs heeft Khartoem lange tijd de handen boven het hoofd gehouden tegen de ‘Angelsaksische’ vijandigheid, maar dat is nauwelijks in dank afgenomen door het islamistische regime. De petroleumlicenties van Total in het zuiden van Soedan zijn nog altijd geblokkeerd wegens juridisch gebekvecht, en de milities van het regime zijn in de weer om de bondgenoten van Frankrijk vanuit Darfoer te destabiliseren: de Tsjadische president Idriss Déby Itno en zijn Centraal-Afrikaanse ambtgenoot François Bozizé” (Le Monde Diplomatique, maart 2007).
En tenslotte zijn er nog bepaalde sectoren van de Franse bourgeoisie die zich ronduit afvragen of het regime in Beijing er niet op uit is om de Fransgezinde regimes ter plaatse in Centraal-Afrika, via het uitrusten van milities die optreden voor Khartoem en die doorgestoten zijn tot in de voorsteden van N’Djamena, omver te werpen. Beijing is vandaag inderdaad de grootste wapenleverancier en de grootste afnemer van de Soedanese petroleum. Zo ziet men waarom Beijing niet wil dat er een resolutie wordt uitgevoerd die niet “de Soedanese nationale soevereiniteit zou respecteren”, maar waarom het helemaal niet gaat. Daar komt nog bij dat het Franse imperialisme zich ook om andere redenen zorgen maakt en dat het ware doel laat zien van de media- en humanitaire-campagnes tegen de imperialistische concurrenten, China en de Verenigde Staten. Deze blijven natuurlijk niet achter in het uitblinken in vergaand cynisme. Zo gaf Bush op 18 april “een laatste waarschuwing aan de Soedanese regering om zich spoedig te houden aan haar verplichtingen om een eind te maken aan de volkerenmoord in Darfoer.”
In feite weten wij dat Washington, de ogen sluitend voor de wreedheden van de bloeddorstige klieken, Khartoem spaart, zijn ijverige bondgenoot in de ‘strijd tegen het terrorisme’. Dat komt overduidelijk neer op het stiekem uitsteken van een hand in de richting van een versterkt bondgenootschap met Soedan dat het in het openbaar bedreigt.
Wat er uiteindelijk schuilgaat achter de redevoeringen over ‘vredesacties’ en andere ‘humanitaire corridors’ voor Darfoer is de werkelijkheid van de smerige strijd van de kapitalistische aaseters te midden van een voortdurende opeenstapeling van lijken.
Amina / 23.04.2007
Een stakingsgolf overspoelde begin dit jaar verschillende sectoren in Egypte; in cement- en pluimveebedrijven, in de mijnen, bij de bussen en de spoorwegen, in de gezondheidssector, en vooral in de textielindustrie. Daar hebben de arbeiders een reeks van stakingen gevoerd tegen de snel dalende reële lonen en de kortingen op de toelagen. Men kan een glimp opvangen van het strijdbare en spontane karakter van deze strijd in de beschrijving van hoe in december vorig jaar de strijd uitbrak bij het grote Mahalla al-Kubra Mirs spinnerij- en weefcomplex ten noorden van Kaïro, dat het epicentrum van de beweging was. Het uittreksel komt uit Egyptian textile workers confront the new economic order door Joel Beinin en Hossam el-Hamalawy, gepubliceerd in Middle East Report Online en libcom.org, en gebaseerd op interviews met twee arbeiders van het bedrijf, Muhammed Attar en Sayyid Habib.
“De meer dan 24.000 arbeiders van het Mahalla al-Kubra Misr spinnerij- en weefcomplex waren verheugd over het nieuws van 3 maart 2006 dat de eerste minister Ahmad Nazif had besloten tot een verhoging van de jaarlijkse bonus die aan alle arbeiders wordt toegekend, gaande van 100 Egyptische pond (ongeveer 15 Euros) tot een bonus van twee maandlonen. De laatste keer dat de jaarlijkse bonussen waren opgetrokken was in 1984 – van 75 naar 100 pond.
‘We lazen het decreet en begonnen erover te praten in de fabriek’ zei Attar: ‘Ironisch genoeg maakten zelfs de pro-regerings-vakbondsvertegenwoordigers het nieuws bekend als een van hun verwezenlijkingen’. Hij vervolgde: ‘December kwam er aan [wanneer de jaarlijkse bonussen worden uitbetaald] en iedereen was gespannen. We ontdekten dat we bestolen waren. Ze gaven ons alleen dezelfde 100 pond als voorheen. In feite juister gezegd 89 ponden, omdat er geld werd ingehouden [voor belastingen]’.
Er hing een geest van verzet in de lucht. De volgende twee dagen waren er groepen arbeiders die weigerden hun lonen in ontvangst te nemen als teken van protest. Dan, op 7 december, kwamen er duizenden arbeiders van de ochtendploeg samen op het Mahalla’s Tal’at Harb Plein, tegenover de ingang van het textielbedrijf. Het ritme van de fabrieksarbeid was toen al aan het verlagen, maar de productie viel helemaal stil toen een 3.000 tal vrouwelijke kledingarbeidsters hun ateliers verlieten en naar de spinnerij- en weefafdelingen gingen waar hun collega’s het werk nog niet hadden neergelegd. De vrouwelijke arbeidsters stormden er binnen al zingend: ‘Waar zijn de mannen? Hier zijn de vrouwen!’ Beschaamd sloten de mannen zich bij de staking aan.
Rond de 10.000 arbeiders verzamelden zich op het plein roepend ‘Twee maanden! Twee maanden!’ om hun eis voor de hun toegezegde bonussen kracht bij te zetten. Zwart geklede oproerpolitie werd haastig ingezet rond de fabriek en door heel de stad, maar trad niet op om het protest te smoren. ‘Ze waren geschrokken van ons aantal’ zei Attar. ‘Ze hoopten dat we tijdens de nacht of de volgende dag de aftocht zouden blazen’. Onder druk van de staatsveiligheidstroepen bood de directie een bonus aan van 21 werkdagen. Maar zoals Attar zich lachend herinnerde ‘de arbeidsters verslonden al de vertegenwoordigers van de directie die het waagden om te komen onderhandelen’.
Bij het invallen van de nacht, zei Sayyid Habib, vonden de mannen het ‘heel moeilijk om de vrouwen er van te overtuigen naar huis te gaan. Ze wilden blijven en er de nacht doorbrengen. Het duurde uren voor we hen er toe konden bewegen om naar huis te gaan, naar hun gezinnen en de volgende dag terug te komen’. Breed glimlachend voegde Attar daar aan toe, ‘De vrouwen waren veel militanter dan de mannen. Ze werden geïntimideerd door de veiligheidstroepen en bedreigd maar ze hielden vol’.
Nog voor de ochtendgebeden bestormde de oproerpolitie de poorten van het bedrijf. Zeventig arbeiders, met inbegrip van Attar en Habib, sliepen toen in het bedrijf waarin ze zichzelf hadden opgesloten. ‘De officieren van de veiligheidstroepen van de staat vertelden ons dat we met maar weinigen waren en maar beter naar buiten kwamen’, zei Attar. ‘Maar ze wisten niet met hoeveel we binnen waren . We logen en zeiden dat we met duizenden waren’. Attar en Habib maakten haastig hun kameraden wakker en de arbeiders begonnen luid te slaan op ijzeren vaten. ‘We maakten iedereen in het bedrijf en de stad wakker. Onze gsm’s gingen plat door het bellen naar onze families en vrienden buiten waarbij wij vroegen hun ramen te openen om de veiligheidstroepen te laten weten dat ze in de gaten werden gehouden. We riepen alle arbeiders die we kenden op om snel naar de fabriek te komen’.
Tegen die tijd had de politie water en elektriciteit van het bedrijf afgesloten. Staatsagenten haastten zich naar de treinstations om arbeiders die van of naar de stad gingen te vertellen dat de fabriek was gesloten wegens elektriciteitsuitval, maar het bedrog mislukte.
‘Meer dan 20.000 arbeiders kwamen opdagen’, zei Attar. ‘We hielden een massale betoging met symbolische begrafenissen van onze bazen. De vrouwen brachten ons eten en sigaretten en sloten zich bij de betoging aan. De ordetroepen durfde het niet aan om op te treden. Lagere school-kinderen en studenten van nabijgelegen middelbare scholen kwamen op straat om de stakers te ondersteunen’. Op de vierde dag van de bezetting van het textielbedrijf boden in paniek rakende regeringsambtenaren een bonus aan van 45 dagen en verzekerden dat het bedrijf niet zou worden geprivatiseerd. De staking werd toen opgeheven. Het succes van de ‘wilde actie’ van de arbeiders van het Spinnerij- en Weefbedrijf Misr was vernederend voor de door de regering gecontroleerde vakbondsfederatie.”
De overwinning bij Mahalla inspireerde de arbeiders in een aantal andere sectoren om de strijd aan te gaan en de beweging is nog lang niet verflauwd. In april kwam het conflict tussen de arbeiders bij Mahalla en de staat opnieuw aan de oppervlakte. De arbeiders beslisten om een grote afvaardiging naar Kaïro te zenden om met het hoofd van de Algemene Federatie van Vakbonden te onderhandelen (!) over de looneisen en over het afzetten van het Mahalla vakbonds-comité vanwege zijn steun aan de bazen bij de staking in december. Het antwoord van de veiligheidstroepen van de staat bestond uit het onder beleg plaatsen van de fabriek. Als antwoord daarop gingen de arbeiders in proteststaking en twee andere grote textielbedrijven verklaarden hun solidariteit, Mahalla-Ghaz Shebeen en Kafr el-Dawwar. De verklaring van de laatste was bijzonder scherpzinnig:
“Wij textielarbeiders van Kafr el-Dawwar verklaren onze volledige solidariteit met jullie om jullie gerechtvaardigde eisen ingewilligd te krijgen, die dezelfde zijn als de onze. We veroordelen krachtig het optreden van de veiligheidstroepen dat de afvaardiging van de arbeiders van Mahalla verhinderde om zich naar een sit-in te begeven voor het hoofdkwartier van de Algemene Vakbondsfederatie in Kaïro. We veroordelen eveneens Saïd al-Gohary’s (1) verklaring aan Al-Masry Al-Youm van vorige zondag, waarbij hij jullie houding omschreef als ‘onzin’. We volgen gespannen wat jullie overkomt en verklaren onze solidariteit met de staking van de textielarbeiders van eergisteren en met de gedeeltelijke staking in de zijdefabriek.
We willen dat jullie weten dat wij arbeiders van Kafr el-Dawwar en jullie arbeiders van Mahalla dezelfde weg bewandelen en eenzelfde vijand hebben. We ondersteunen jullie beweging omdat we dezelfde eisen hebben. Sinds het eind van onze staking in de eerste week van februari heeft het Vakbonds-Fabriekscomité geen hand uitgestoken om onze eisen die aan de basis liggen van onze staking ingewilligd te krijgen. Het Vakbonds-Fabriekscomité heeft onze belangen geschaad… We ondersteunen jullie eis om het loonsysteem te hervormen. We wachten net als jullie tot eind april om te zien of de Minister van Arbeid onze eisen inwilligt of niet. Wij verwachten weliswaar niet veel van de minister, aangezien we noch haar, noch het Vakbonds-Fabriekscomité enige stappen hebben zien ondernemen. Het zal van onszelf afhangen als we onze eisen ingewilligd willen zien.
Daarom benadrukken we dat:
1. We in hetzelfde schuitje zitten als jullie en samen met jullie de reis aanvangen.
2. We verklaren onze volledige solidariteit met jullie eisen en verzekeren jullie dat we bereid zijn tot het houden van solidariteitsacties, als jullie besluiten tot stakingen.
3. We zullen stappen ondernemen om de arbeiders van Artificial Silk (Kunstzijde), El-Beida Dyes en Misr Chemicals te informeren over jullie strijd en bruggen te bouwen om het solidariteitsfront uit te breiden. Alle arbeiders zijn broeders in tijden van strijd.
4. We moeten een breed front in het leven roepen om onze strijd met de regeringsvakbonden te beslechten. We zullen deze vakbonden nu opzij moeten zetten, niet later.” (vertaling van de Arabawy website en oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd libcom.org).
Dit is een voorbeeldige verklaring omdat zij de fundamentele basis voor elke echte klassensolidariteit laat zien die de verdelingen per bedrijfstak of bedrijf overstijgt – het besef tot dezelfde klasse te behoren en te strijden tegen dezelfde vijand. Ze is ook bijzonder duidelijk over de noodzaak de strijd aan te gaan met de staatsvakbonden.
In deze periode zijn er ook elders stakingen uitgebroken: vuilnismannen bestormden de bedrijfskantoren omdat hun lonen niet werden uitbetaald; 2.700 textielarbeiders in Monofiya bezetten een textielfabriek; 4.000 textielarbeiders in Alexandrië gingen voor een tweede keer in staking nadat de directie had geprobeerd om loon in te houden wegens de vorige staking. Ook dit waren onwettige, wilde stakingen.
Er zijn ook andere pogingen geweest om de beweging met geweld te onderdrukken. Veiligheidspolitie sloot of dreigde met het sluiten van de ‘Centra voor Vakbonden en Arbeidersdiensten’ in Nagas Hammadi, Helwan en Mahalla. De centra worden er van beschuldigd van aanstoken tot een ‘stakingscultuur’.
Het bestaan van deze centra toont aan dat er moeite worden gedaan om nieuwe vakbonden op te richten. In een land als Egypte, waar de arbeiders enkel ervaringen hebben met vakbonden die openlijk optreden als politie op de werkvloer, is het onvermijdelijk dat de arbeiders gevoelig zullen zijn voor het idee dat het antwoord op de problemen ligt in de oprichting van werkelijk ‘onafhankelijke’ vakbonden, op vergelijkbare wijze als onder de Poolse arbeiders in 1980-1981. Maar wat duidelijk naar voor komt uit de manier waarop de staking was georganiseerd in Mahalla (via spontane optochten, massale afvaardigingen en bijeenkomsten aan de fabriekspoorten), is het feit dat de arbeiders het sterkst staan wanneer zij de zaak in eigen hand nemen eerder dan hun macht over te hevelen naar een nieuw vakbondsapparaat.
In Egypte kunnen de kiemen van de massastaking al ontwaard worden – niet alleen in het vermogen van de arbeiders om tot massale en spontane actie over te gaan, maar ook in het hoge niveau van het klassenbesef dat tot uiting kwam in de verklaring van Kafr el-Dawwar.
En toch is er nog geen bewust verbandband tussen deze gebeurtenissen en andere stakingen aan de verschillende kanten van de imperialistische scheidingslijnen in het Midden-Oosten: in Israël voor loonsverhogingen bij de dokwerkers, kantoorpersoneel van de openbare diensten, en meest recent bij leerkrachten, en studenten die botsten met de politie in betogingen tegen stijgingen van inschrijvingsgelden bij het onderwijs; in Iran waar duizenden arbeiders op 1 Mei de officiële regeringsoptochten verstoorden door anti-regerings-slogans te scanderen of waar ze deelnamen aan niet toegestane manifestaties en strenge politierepressie riskeerden. Maar het gelijktijdig karakter van deze bewegingen heeft een gemeenschappelijke bron – de drang van het kapitalisme om de arbeidersklasse overal ter wereld de armoede in te drijven. In deze zin bevatten ze de kiemen van de toekomstige internationalistische eenheid van de arbeidersklasse over de muren heen van nationalisme, godsdienst, en imperialistische oorlog.
Amos / 01.05.2007
(1) Leider van de textielvakbond, Saïd El-Gohary, beschuldigde de arbeiders ondermeer ervan "terrorristen te zijn die de onderneming willen saboteren".
Het feit dat het leven van de Belgische bourgeoisie sinds lang dooreen wordt geschud door innerlijke spanningen heeft nooit voorkomen dat deze spanningen sinds het begin van de twintigste eeuw meesterlijk worden gebruikt tegen de arbeidersklasse. Het stelselmatige gebruik ervan is een constante in de arbeidersvijandige politiek van de Belgische bourgeoisie sinds de Eerste Wereldoorlog en meer in het bijzonder sinds de heropleving van de klassenstrijd aan het einde van de jaren 1960, en dat in meerdere opzichten:
– De politiek van ‘machtoverdracht aan de regio’ heeft vooral gediend ter wettiging van het doorvoeren van herstructuringen in de industrie en de administratie, zoals andermaal op karikaturale wijze bleek uit het recente ‘Marschall Plan voor Wallonië’ van de Waalse regionale regering. Sinds de jaren 1970 zijn de begrotingsverlagingen en het inperken van personeelsbezetting en werkingsmiddelen onder voorwendsel van ‘groter doelmatigheid’ een karaktertrek van de ‘geregionaliseerde’ regeringen, zoals in het onderwijs, de openbare werken, het openbaar vervoer, het stadspersoneel en de werkloosheid. Wat betreft de noodlijdende industrieën – de staalindustrie in Wallonië en de scheepswerven in Vlaanderen –, deze zijn gerationaliseerd en gesloten in naam van het regionale dynamisme dat geen ‘kwakkelende bedrijven’ als blok aan het been kon hebben.
– De communautaire en regionale confrontaties zijn bewust uitgespeeld en gedramatiseerd om de aanvallen op de arbeidersklasse te verbergen. Zo trok het federaliseringsproces heel de jaren 1990 veel media-aandacht op momenten waarop uiterst harde soberheidsmaatregelen werden genomen om het begrotingstekort van de staat drastisch te verminderen. De verbale separatistische dreigementen, waarop de getrouwe unitaristen van repliek dienden werden opgeblazen om de aandacht van de bevolking, en natuurlijk vooral de arbeiders, daarop te richten om de werkelijke inzet uit het zicht te houden.
– Er is een voortdurende mediacampagne ontwikkeld om de arbeiders te mobiliseren achter de belangen van ‘hun’ taalgemeenschap en er werd alles aan gedaan om wedijver tussen de regio’s in te blazen. Zo hameren de media er hele dagen op dat ‘Vlaanderen niet langer wil opdraaien voor de verlieslijdende Waalse staalindustrie’, dat ‘Wallonië niets te maken heeft met de toekomstloze Vlaamse scheepswerven’, dat ‘het onderwijs in Vlaanderen van betere kwaliteit is’, dat ‘werklozen in Wallonië minder sancties krijgen’, enzovoort. Het ‘sub-nationalistische’ bedrog van de ‘regionale macht’ dient maar één enkel doel: de arbeiders mobiliseren achter hun bourgeoisie (nationaal of regionaal), daarbij de Waalse arbeiders opstokend tegen hun Vlaamse klassenbroeders en omgekeerd, en ze de onvermijdelijkheid van crisis en offers aan te praten.
– Het regionalistische vergif is tenslotte stelselmatig door de bourgeoisie gebruikt om de oplaaiende arbeidersstrijd te verdelen en te isoleren. Tijdens de algemene staking van 1960-1961 spelen de Waalse socialisten en syndicalisten het bedrog van het federalisme uit om de arbeidersstrijd te verdelen en naar een impasse te voeren; het Vlaamse nationalisme speelde een niet verwaarloosbare rol in de sabotage van de wilde stakingen van de Limburgse mijnwerkers in 1966 en 1970; onlangs, tijdens de drastische rationalisaties bij VW Vorst probeerden de arbeiders het regionalistische keurslijf te doorbreken maar patronaat, regering en vakbonden verenigden zich om de beweging te breken door het communautaire vergif weer in te spuiten.
De arbeiders mogen zich ook niet laten inpakken door de campagne rond de toekomst van België, die er fundamenteel toe dient om ze het klassenspoor bijster te laten worden maar in tegendeel afstand te nemen en te begrijpen welke krachten er in het spel zijn. Met het ‘sub-nationalistische bedrog’ wordt geprobeerd de arbeidersklasse te verbergen dat het een veralgemeende wereldcrisis is die de Waalse industrie om zeep helpt en die de Vlaamse industrie vernietigt, dat het kapitalisme in zijn geheel in crisis is en ter discussie moet worden gesteld. En de bourgeoisie gebruikt het verstoorde evenwicht van haar staat net als de uitingen van ontbinding van haar eigen politieke leven om te voorkomen dat het bewustzijn van deze werkelijkheid bij de arbeiders tot ontwikkeling komt, om de strijdbaarheid te ondergraven en in een poging ze te binden aan ‘hun’ regionale bourgeoisie ter ‘verdediging van hun regio’.
Jos / 10.09.2007
De zomer van 2007 heeft de verergering van de gruwelen en oorlogschaos in een groot deel van de wereld alleen maar bevestigd. Al is de toestand in Libanon betrekkelijk en heel tijdelijk bedaard, in Afghanistan zagen we een toename van de strijd en van terroristische aanslagen door de Taliban. En dan blijft vooral Irak dat wegzinkt in het weerzinwekkende. Dagelijks zijn er tientallen doden, zowel bij bewapende botsingen als in zelfmoordaanslagen en slachtpartijen onder de bevolking. Deze blinde en dolle woede neemt overhand toe en breidt zich uit over het land als een echte vlucht voorwaarts die oncontroleerbaar is geworden. In de maand augustus zijn vijfhonderd mensen van de Yazidie gemeenschap (1) vermoord in vier achtereenvolgende zelfmoordaanslagen. Ondertussen ontketenen zich met ongehoorde brutaliteit afpersingen tussen Koerden, Soennieten en Sjiieten, en dikwijls nog binnen hun eigen milieu. In juli alleen al werden er 1.650 Iraakse burgers omgebracht en het ziet er naar uit dat de balans van de maand augustus nog erger zal zijn.
Dat weerhoudt de Iraakse president niet om te verklaren: “Er bestaat geen sjiitisch-soennitische oorlog, maar wel verdeeldheid binnen deze gemeenschappen” (2). Niet meer, niet minder!
Sinds 2003 zijn er meerdere tienduizenden Irakiërs gedood als rechtstreeks gevolg van de oorlog, de bevolking lijdt honger, zit zonder zorgstelsel, elektriciteit is een luxe geworden, net zoals water. Bagdad is omgevormd tot een verzameling ommuurde getto’s en herbergt rivaliserende bendes en aan elkaar vijandige gemeenschappen, terwijl hele families totaal uit elkaar gerukt zijn.
Meer dan twee miljoen mensen zijn binnen het land zelf verdreven met geen ander perspectief dan op het onmiddellijke vlak aan de slachtpartij te ontsnappen, en eenzelfde aantal is naar het buitenland gevlucht met een toekomst die al even onzeker is.
Wat het Amerikaanse leger betreft, dat telt al meer dan 3.000 ‘officiële’ doden, terwijl bepaalde officieuze Amerikaanse hospitaalbronnen het al hebben over 10.000, zonder de zelfmoorden te tellen die in 2006 al tegen de honderd bedroeg, en er doen geruchten de ronde dat er binnen het leger verzetshaarden zijn die met de dag duidelijker worden.
Dat is de onmiddellijke ‘erfenis’ van de grote strijd tegen het terrorisme van de ploeg rond Bush, en de coalitie die met hem is meegelopen, in een oorlog die nu door 58% van de Amerikanen wordt veroordeeld.
In deze context van schreeuwende onmenselijkheid is Kouchner, een fervent verdediger van de oorlog in Irak net als alle andere oorlogen ter wereld, als het maar ‘voor de goede zaak’ is, zich gaan bemoeien met Bagdad. Dit ‘verrassingsbezoek’ diende voor het overbrengen van een “simpele vriendschapsboodschap”, als drager van de internationale humanitaire vlam. Deze onvermoeibare reiziger van het Franse imperialisme heeft van de Irakiërs “geduld” gevraagd want men was juist aan het “begin van, naar hij hoopte, het einde gekomen van de crisis.” Wat een man met visie!
Nochtans kleeft er aan die enigszins belachelijke en ijdele aspecten van deze reis een onderliggende betekenis van de bedoeling van Frankrijk om weer mee te spelen op het Iraakse toneel, waar het graag weer invloed zou willen winnen. Het is vanzelfsprekend dat Frankrijk geen enkel werkelijk gewicht in de schaal kan werpen in de Iraakse toestand, naar het evenbeeld van de Verenigde Naties, naar het engagement van wie Kouchner met hart en ziel verwijst. Of het nu is in de context van de eventuele terugtrekking van de Verenigde Staten of in die van het voortzetten van hun aanwezigheid, terwijl Groot-Brittannië alle voorbereidingen treft voor zijn vertrek, kan men niet zien wat de objectieve inbreng van Parijs zou kunnen zijn bij het “helpen van de Verenigde Staten om een achterdeur te vinden om Irak te verlaten” (3). En dat terwijl de Franse inlichtingendiensten voortdurend aan de Franse president berichten over de elementen van chaos en van de groeiende ramp die het Amerikaanse leger ondergaat. Bovendien zou Frankrijk door zijn betrokkenheid weer in het vizier komen van terroristen.
Toch dient de schanddaad en het cynisme van de Franse regering en haar vertegenwoordigers aangestipt te worden die, bedekt met de humanitaire vredesmantel, de monsterachtigheden van de oorlog aanwenden, er ogenschijnlijk over ontsteld te zijn, om vervolgens achterbaks hun imperialistische en militaire behoeften na te jagen.
De anti-terroristische kruistocht van de Verenigde Staten is een totale mislukking die Washington werkelijk in een doodlopend straatje heeft gewerkt. De verschillende mogelijkheden die momenteel in overweging worden genomen zijn allemaal ongunstig. Bush is niet in staat gebleken om in Irak een regering met een minimum aan geloofwaardigheid op de been te houden. Ze is de directe uiting van de meningsgeschillen tussen Sjiieten en Soennieten, een regering die al drie jaar lang de helft van de door het Pentagon geleverde wapens aan de officiële Iraakse gezaghebbers hebben gestolen ten gunste van hun achtereenvolgende klieken. En dan nog zonder het te hebben over een politie waarvan vele elementen zelfmoordterroristen toegang verlenen tot de Amerikaanse militaire kampen. Dat is de betrouwbaarheid van de instanties en van de mannen die door de Verenigde Staten op Iraaks grondgebied in het zadel zijn geholpen. Als de Verenigde Staten blijven zal dat niets aan de toestand veranderen behalve hem ter plekke nog verergeren en in de Verenigde Staten zelf de anti-oorlogsoppositie verder aanwakkeren. Het vertrek zal enkel over verschillende maanden gespreid kunnen plaatsvinden. Omdat er 150.000 man ter plaatse is met hun materieel is het voor het Amerikaanse leger zelf gevaarlijk, omdat het de weg opent naar een uitbarsting van alzijdige oorlogsterreur die nog erger zou zijn dan de huidige en de poorten zou openen voor Iran dat zijn kans afwacht. En het zijn niet de 90 man die de Verenigde Naties daarheen wil sturen, in plaats van de huidige 65, die het tegengewicht gaan vormen!
Toch wordt het vooruitzicht van minstens een gedeeltelijke terugtrekking onder ogen gezien door de Bush-administratie. En het is in die zin, en om tegengewicht te bieden aan de overheersingsdrang van Teheran, dat er inspanningen worden geleverd om een blok op de been te brengen van Arabische landen die bondgenoten zijn van Amerika, door hen versterking aan te bieden van hun militair potentieel: de komende tien jaar twintig miljard ultraverfijnde bewapening voor Saoedi-Arabië, Qatar, Bahrein, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten en dertien miljard dollar voor Egypte in dezelfde periode. Maar daar zit ’m de kneep, want Israël eist zijn tegenwaarde, wegens het feit dat zijn militaire heerschappij in twijfel zou kunnen worden getrokken, net als zijn rol van ‘politieagent’ van de regio. Daarom hebben de Verenigde Staten Israël een ‘compensatie’ van dertig miljard dollar aan wapens toegekend. Dit wil zeggen een aanzienlijke toename van 25% van hun militaire leveringen aan Tel Aviv.
Zo ziet men dat de Amerika zelf een opbod aan bewapening organiseert in een hoogst riskante regio en voor landen zoals Saoedi-Arabië dat in Washington zelfs beschuldigd wordt van het ondersteunen van de terroristische Soennieten, ja zelfs van Al Qaïda. In een wereld waar de regel heerst van het ‘ieder voor zich’ bestaat het antwoord dat de grootste wereldmacht probeert te geven uit niets anders dan het verergeren van het opvoeren van dit ‘ieder voor zich’ en de oorlogsspanningen.
Breed genomen bestaat er een koortsachtige wapenwedloop, die zich sinds eind 2006 aanzienlijk ontwikkelt en die zich verbreidt over talrijke grootmachten. En in deze versnelling van de kapitalistische oorlogsgekte, staat de kernbewapening steeds meer bovenaan. Op zich is dat geen verrassing. De kernproeven van Noord-Korea begin 2006, de sinds een jaar herhaalde Iraanse aankopen van kerntechnologie en raketten van Rusland, de weifelende houding van tweederangs mogendheden zoals Brazilië over hervatting van hun kernprogramma, enzovoort, waren tekens aan de wand dat elk land er niet langer genoegen mee neemt om schuil te gaan onder de kern-‘paraplu’ van de een of andere grootmacht, maar in tegendeel zichzelf wil gaan verdedigen.
In januari 2007 werd een weersatelliet vernietigd door een Chinese raket, een vernietiging in de ruimte die de zwakte duidelijk maakte van het Amerikaanse vermogen om de lucht-, zee- en landbewapening in ver afgelegen conflicten te geleiden. En de Verenigde Staten stonden eveneens aan de basis van deze versnelling door het voorstel om het anti-raketschild bijna tot aan de grens van Rusland uit te breiden. Rusland moest dat natuurlijk beantwoorden, en zaten er slechts op te wachten, via vage bedreiging om te gaan richten op Europa en later via de meer concrete dreiging van het installeren van raketten in Kaliningrad, aan de Baltische Zee, net tussen Polen en Litouwen, op een paar passen van het Amerikaanse schild.
Maar de wedloop van de kernbewapening draait niet langer enkel om de grootmachten. We zien inderdaad dat er zich een kernstrook ontwikkelt van het Midden-Oosten naar het Nabije Oosten en tot in Oost-Azië. Als we Iran meetellen als mogelijke kernmacht zouden we een bijna doorlopende cirkel kunnen trekken die volgestouwd is met kernraketten, gaande van Israël naar Noord-Korea, via Pakistan, India en China, overkoepeld door het Russische arsenaal. Kortom een atoom kruitvat, in het bijzonder in bepaalde regio’s die nu al kruitvaten zijn en plekken van voortdurende oorlogsconflicten.
In de context van het hedendaagse voortwoekeren van allerlei conflicten wordt de draad waaraan het zwaard van Damocles van de kernbedreiging die boven ons hoofd hangt steeds verder gespannen. En het zijn niet de Salt-akkoorden die daartegen enige waarborg bieden. Enkel de massale ontwikkeling van de arbeidersstrijd die kan leiden tot het omver werpen van deze kapitalistische maatschappij, en die noodzakelijk is om een eind te maken aan de terroristische en kernoorlogsdreiging, kan de weg openen van een toekomst voor de mensheid.
Mulan / 30.08.2007
(1) De Yazidies zijn een religieuze gemeenschap die beschouwd worden als ketters door de Soennitische moslimorthodoxie. Een groot aantal onder hen zijn Koerden.
(2) Le Monde, 22 augustus 2007.
(3) Geciteerd door Le Canard Enchaîné van 22 augustus 2007.
De opstand was het werk van de sovjets, maar ze hadden die niet tot een goed einde kunnen brengen zonder de doorslaggevende rol van de bolsjewistische partij, die gedurende heel het revolutionair proces in symbiose gehandeld heeft met de klasse in haar geheel. Haar activiteit had de ontwikkeling van het klassenbewustzijn als centrale krachtlijn: “Het is inderdaad een geduldig werk van verheldering van het klassenbewustzijn en van samenhang van de proletariërs van de stad en van het platteland” (2). Anderzijds stelde zij vertrouwen in het vermogen tot eenheid en zelforganisatie van het proletariaat: “Geloof niet in woorden. Laat u niet inpakken met beloften. Overschat uw krachten niet. Organiseer u in elk bedrijf in elk regiment en in elke compagnie, in elke wijk. Werk dag na dag, uur na uur om u te organiseren...” (3). De zege van de revolutie “dankten de bolsjewieken aan hun kennis van de behoeften van de arbeidersklasse” (1). Bovendien is het zo dat het proletariaat, in tegenstelling tot de bourgeoisie en als gevolg van haar specifieke situatie in de maatschappij, over geen enkele economische of politieke basis beschikt binnen de maatschappij. Zijn enige wapens zijn haar bewustzijn (product van de lessen die het trekt uit zijn historische ervaring tegen het kapitalisme, en actieve factor in zijn strijd) en zijn organisatie (enerzijds de eenheidsorganisatie, de arbeidersraden, en anderzijds zijn politieke organisatie, de partij die de meest bewuste elementen van de klasse groepeert). De latere nederlaag van de revolutie die in Rusland begonnen was, zal in de eerste plaats te wijten zijn aan de nederlaag van de wereldrevolutie (mislukking van de Duitse revolutie voorop) en aan het isolement van het eerste proletarisch bastion. Wat betreft de kunst van de opstand zei Lenin: “De opstand, om met succes bekroond te worden, moet als steunpunt niet een complot hebben, niet een partij, maar een geavanceerde klasse. Dat om te beginnen. De opstand moet zich steunen op het revolutionair elan van het volk. Dat in de tweede plaats. De opstand moet steunen op een keerpunt in de geschiedenis van de groeiende revolutie, op het moment waarop de activiteit van de volksmassa’s haar hoogste graad bereikt, waarop de aarzelingen in de rangen van de vijand hun hoogste graad bereiken, net als bij de zwakke vrienden van de revolutie, de dubbelzinnigen en onbeslisten. Dat op de derde plaats. Door deze manier van de drie voorwaarden van de opstand te stellen, verschilt het marxisme van het blanquisme.” (Marxisme en Opstand). In die zin blijft de proletarische Oktober levend door het voorbeeld dat hij ons geeft van de noodzaak, de mogelijkheid en de middelen om de proletarische wereldrevolutie tot stand te brengen.
De ineenstorting van het Oostblok in 1989 heeft het ontketenen van leugens met betrekking tot de proletarische revolutie van Oktober 1917 verdubbeld. De smerigste van die leugens is die welke beweert dat de overweldigende ineenstorting van de regimes van het Oostblok, het definitief bankroet van het stalinisme, in feite juist het failliet van de revolutie van Oktober 1917 is. ‘Het kommunisme is dood’ herhalen ze tot vervelens toe. In die schandalige gelijkstelling van kommunisme met stalinisme, terwijl dat laatste het afzichtelijk concentraat is van het kapitalisme in verval, hebben demokroten en stalinisten alsook de trotskistische groepen elkaar altijd, over hun tegenstellingen heen, teruggevonden in een heilig verbond om de arbeiders wijs te maken dat het, ondanks alle fouten en misvormingen, het socialisme was dat heerste in het Oostblok. Het in stand houden van die monsterlijke fictie van het ‘socialisme’ in het Oostblok is vandaag meer dan ooit van groot belang voor de bourgeoisie. Het gaat erom de arbeiders te doen geloven dat er buiten het kapitalisme niets te verwachten valt. Als volgens de bourgeoispropaganda revolutie gelijkstaat aan goelag, dan is dat omdat Oktober 1917 in ieder geval niets meer was dan een ‘vulgaire staatsgreep’ begaan door de ‘boosaardige bolsjewieken’. Die cynische vervalsing bewijst dat de wereldbourgeoisie vóór alles een onderneming vreest zoals die van Oktober, waarin miljoenen proletariërs, die achter zich alle andere uitgebuite lagen van de maatschappij meetrekken, erin geslaagd zijn zich bewust te verenigen en collectief te handelen om meester te worden van hun eigen lot. Inderdaad, de revolutie van oktober 1917 in Rusland en de internationale revolutionaire golf die erop volgde tot in de jaren 1920, blijven tot op vandaag het enig moment in de geschiedenis waarop de burgerlijke overheersing ofwel omvergeworpen werd door het proletariaat (in Rusland in 1917) of echt daardoor bedreigd werd (in Duitsland in 1919).
SB
(1) Victor Serge, L’An I de la Révolution Russe, deel I, Ed. Maspéro.
(2) Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie.
(3) Lenin, Inleiding tot de conferentie van april 1917.
Enkele maanden geleden ontvingen we via internet (1) twee berichten over Che Guevara van een kameraad die E.K. tekent. Wij drukken hier de brief af die we hem begin april stuurden, maar maken van de gelegenheid gebruik om ons antwoord te verbreden en te vervolledigen over kwesties die toen niet werden uitgewerkt. We publiceren deze correspondentie omdat, zoals EK zelf opmerkt, we middenin “de herdenkingen zitten van veertig jaar sinds zijn dood in de strijd”. Voor ons, de IKS, gaat het er niet om mee te doen aan deze herdenkingsronde, maar integendeel, om te proberen te begrijpen of Che Guevara inderdaad een revolutionair was en of de arbeidersklasse en de jonge generaties zich al dan niet moeten beroepen op zijn actie.
Voor kameraad EK is Che een authentieke strijder voor de zaak van de onderdrukte volkeren. Voor hem staat inderdaad “het internationalisme van Che buiten kijf. Hij staat model voor de internationale strijder en voor de solidariteit tussen de volkeren.” Hij zou bijvoorbeeld een van de weinige revolutionairen zijn geweest die het regime van de Sovjet-Unie bekritiseerd heeft: “Tijdens het tweede studiedag van de Afro-Aziatische solidariteit bekritiseert Che zonder omwegen de conservatieve en uitbuitersstandpunten van de Sovjet-Unie.” En tenslotte zet EK in zijn eerste bericht zijn visie op het proletariaat en op de rol van de revolutionairen uiteen: “Wat betreft de historische uitvoerder van de sociale omvorming is er naar mijn oordeel geen reden om het begrip van het proletariaat te beperken tot enkel de arbeiders als absolute negatie van de menselijke conditie. [...] Het is de taak van de intellectuelen om, met uitermate politieke middelen, het bewustzijn van zijn omstandigheden bij het proletariaat binnen te brengen.”
Na ons eerste antwoord stuurde EK ons zeer snel een tweede bericht waarin hij zich sterk afzet tegen al degenen die Che in een icoon veranderen, met een massa T-shirts en allerlei posters met zijn beeltenis: “De verheffing van Che tot een mythe via de vermenigvuldiging van zijn beeld neigt ertoe zijn leven en werk te verdoezelen.” Maar vooral benadrukt hij dat “Che, door duidelijk afgelijnde doelen na te streven, er heel logisch toe afstand neemt van het sociaalimperialistisch model van de Sovjet-Unie. De CIA en de KGB werken zelfs samen om zich van hem te ontdoen tijdens zijn revolutionaire poging in Bolivia.” En de kameraad besluit: “Ernesto Che Guevara heeft zijn intellectuele oprechtheid met de dood betaald. Hem eer betonen betekent zijn teksten lezen; de herinnering aan hem te doen voortleven betekent zijn strijd voort te zetten; hem recht doen betekent zijn waarden overnemen. Aan de vooravond van de herdenking van veertig jaar sinds zijn dood in de strijd, is het hoog tijd zijn gedachten kracht bij te zetten en zijn ideeën leven in te blazen.”
We bedanken je voor je bericht van begin april. Gelieve ons te verontschuldigen voor deze late aanvulling op ons antwoord. Wij willen hier kritiek leveren op wat je ons schreef. Deze kritiek betekent voor ons geen complete afwijzing, integendeel. Wij zijn steeds bereid je vragen en standpunten te beantwoorden. We willen antwoorden op wat je schreef over Che Guevara door, zoals je vraagt, zo oprecht en serieus mogelijk te onderzoeken waaruit “zijn waarden”, “zijn ideeën” en “zijn strijd” werkelijk bestonden.
Is Che Guevara een voorbeeld voor de revolutionaire jeugd van vandaag?
In oktober dit jaar is het veertig jaar geleden dat Che Guevara stierf, gedood door het Boliviaanse leger, in dienst van de Amerikaanse CIA.
Sinds 1967 is ‘El Che’ een symbool geworden voor de eeuwige ‘romantische revolutionaire jeugd’: jong gestorven, met de wapens in de hand, in de strijd tegen het Amerikaans imperialisme, grote “verdediger van de arme massa’s van Latijns Amerika”. Heel de wereld kent dat beeld van Che met de baret met de ster op zijn hoofd, de trieste blik op oneindig.
Zijn beroemde ‘reisdagboeken’ hebben er veel toe bijgedragen de geschiedenis van deze gerevolteerde bekend te maken. Hij kwam uit een gegoede, een beetje ‘bohémien’ familie uit Argentinië, en stort zich in een avontuurlijke reis op de motor door Zuid Amerika, waarbij hij zijn medische kennis in dienst stelt van de armen... Hij leeft in Guatemala op een moment (1956) dat de Verenigde Staten daar de zoveelste staatsgreep beramen tegen een regering die hen niet aanstaat. Die voortdurende greep op de landen van Latijns Amerika door de Verenigde Staten zal bij hem heel zijn leven een gloeiende haat daartegen voeden. Later sluit hij zich aan bij de Cubaanse groep van Castro, die naar Mexico is gevlucht na een mislukte poging de Cubaanse dictator Batista, die lang door de Amerikanen gesteund werd (2), omver te werpen. Na een reeks avonturen nestelt de groep zich in de bergen op Cuba, tot aan de nederlaag van Batista begin januari 1959. De ideologische kern van deze groep is het nationalisme, ‘marxisme’ is maar een bijkomstig omhulsel voor een heftig ‘verzet’ tegen de yankees, ook al noemen enkele elementen, waaronder Guevara, zichzelf ‘marxist’. De Cubaanse Communistische Partij, die op een bepaald moment Batista trouwens steunde, stuurt in 1958 Carlos Rafael Rodríguez, een van haar leiders, om slechts enkele maanden voor deze overwint, met Castro te praten.
Die guerrilla is geenszins de uitdrukking van enige boerenrevolte, en nog minder van de arbeidersklasse. Ze is de militaire uitdrukking van één fractie van de Cubaanse bourgeoisie die een andere fractie wil omverwerpen om haar plaats in te nemen. Aan de machtsgreep door de guerrilla van Castro komt geen ‘volksopstand’ te pas. Zoals wel vaker in Latijns Amerika neemt het de vorm aan van de vervanging van de ene militaire kliek door een andere militaire formatie waarin de uitgebuite en verarmde lagen van de bevolking van het eiland, al of niet opgetrommeld door de putschistische strijders van de guerrilla, geen belangrijker rol spelen dan die van het toejuichen van de nieuwe machthebbers. Geconfronteerd met het tamelijk zwakke verzet van de soldaten van Batista lijkt Guevara een onverschrokken guerrillero wiens vastberadenheid en groeiend charisma zijn meester Fidel in de schaduw dreigt te stellen. Na de overwinning op Batista belast Fidel Castro Che met het installeren van ‘revolutionaire rechtbanken’, een bloedig schimmenspel in de beste traditie van de afrekeningen tussen fracties zoals die gebruikelijk is bij verschillende nationale bourgeoisieën, vooral in Latijns Amerika. Che Guevara neemt zijn nieuwe rol ter harte, met overtuiging en ijver, door een ‘volksgerecht’ in te stellen waarin men om de massa’s stoom te laten afblazen niet alleen de voormalige beulen van het Batistaregime veroordeelt, maar ook om het even wie die het ongeluk heeft ‘aangegeven’ te worden. Guevara gaat daar later trouwens prat op, wanneer hij voor de Verenigde Naties in antwoord op Latijns Amerikaanse vertegenwoordigers die zich als brave ‘democratische’ zielen verontwaardigen over zijn methodes, verklaart: “Wij hebben gefusilleerd, wij fusilleren en zullen blijven fusilleren zolang dat nodig is.” Die praktijken hebben niets te maken met een of andere onhandige uitvoering van wat voor revolutionaire rechtvaardigheid dan ook. We herhalen het: het zijn de typische methodes van een fractie van de bourgeoisie die met wapengekletter de overhand behaald heeft over een andere fractie.
Men kan zich in zijn dromen dan nog vereenzelvigen met de sobere ‘held’ van de Sierra Maestra, met de ‘heldhaftige guerrillero’ die enkele jaren later sneuvelt in de Boliviaanse bergen, maar in de werkelijke wereld heeft hij alleen de rol gespeeld van uitvoerder van smerige werkjes bij de vestiging van een regime dat alleen in naam kommunistisch is.
Je schrijft dat “het internationalisme van Che buiten kijf staat” en dat “tijdens het tweede studiedag van de Afro-Aziatische solidariteit Che zonder omwegen de conservatieve en uitbuiters standpunten van de Sovjet-Unie” bekritiseerde.
Het nationalistisch regime van Castro drapeerde zich al snel in een mantel van ‘kommunisme’, anders gezegd: het regime koos partij voor... het imperialistisch kamp dat door de Sovjet-Unie werd beheerst. Omdat Cuba maar op enkele zeemijlen van de Amerikaanse kust ligt, moest dat de leider van het Westers blok natuurlijk verontrusten. Het proces van stalinisering van het eiland, met een ruime aanwezigheid van burgerpersoneel, militairen en geheime agenten uit het Oostblok, groeit naar een hoogtepunt tijdens de ‘rakettencrisis’ van 1962.
In de loop van dat proces wordt Che Guevara, nu minister van industrie (1960-1961) door Castro naar de landen van het Oostblok gestuurd om het nieuwe verbond met het ‘socialistische kamp’ te versterken. Che zingt daar de lof van de Sovjet-Unie: “dit land dat zo diep van de vrede houdt”, “waar gedachtenvrijheid heerst”, “de moeder van de vrijheid”... Hij bezingt evenzeer het “buitengewone” Noord Korea, en het China van Mao waar “iedereen vol enthousiasme is, iedereen overuren maakt”, en ga zo maar verder voor het geheel van de Oostbloklanden: “de prestaties van de socialistische landen zijn buitengewoon. Er is geen vergelijk mogelijk tussen hun levenswijze, hun ontwikkelingsmodel, en dat van de kapitalistische landen.” Een ware verheerlijker van het stalinistisch model! We komen straks nog terug op de ‘liefdesbreuk’ van Guevara met de Sovjet-Unie. Maar in tegenstelling tot wat je zegt heeft Che nooit enige principiële twijfel geuit over het stalinistisch systeem. Voor hem waren de Sovjet-Unie en haar blok het “socialistisch, vooruitstrevende” kamp en zijn eigen strijd maakte volop deel uit van het Russische blok tegen het Westerse. De slogan die Che aanhief was: “Twee, drie, vele Vietnams”. Dat was geen ‘internationalistische’ slogan, maar klip en klaar nationalistisch en in het voordeel van het Russische blok! Het criterium waar hij vanuit gaat is niet de sociale verandering, maar de haat tegen het andere blokhoofd, de Verenigde Staten.
Inderdaad werd de wereld na de Tweede Wereldoorlog verdeeld in twee tegengestelde blokken, het ene onder de knoet van de Amerikaanse mogendheid, het andere onder dat van de Sovjet-Unie. De ‘nationale bevrijding’ blijkt dan een perfect ideologisch bedrog om de bevolking telkens weer militair te mobiliseren. In die oorlogen hadden noch de arbeidersklasse, noch de andere uitgebuite klassen iets te winnen, ze dienden enkel als massa’s waarmee de verschillende fracties van de heersende klasse en hun imperialistische peetvaders konden manoeuvreren. De verdeling van de wereld in twee imperialistische blokken na de akkoorden van Yalta betekende dat wanneer een land van het ene blok afscheurde, het onvermijdelijk in het andere blok terechtkwam. En daarvan bestaat geen beter voorbeeld dan dat van Cuba: dat land stapte over van de corrupte dictatuur van Batista, onder de directe controle van Washington, zijn geheime diensten en allerlei soorten maffia, over naar de greep van het stalinistisch blok. De geschiedenis van Cuba is in een notendop de tragische geschiedenis van de ‘nationale bevrijdingsstrijd’ gedurende bijna een halve eeuw!
Dus, fundamenteel, voordat we kunnen vaststellen wanneer en hoe Guevara zich min of meer zou hebben ‘afgekeerd’ van de Sovjet-Unie, moeten we duidelijk scheppen over de aard van de Sovjet-Unie en haar blok. Achter de verdediging van een ‘revolutionaire’ Che Guevara schuilt het idee dat de Sovjet-Unie, min of meer, of men wil of niet, ondanks al haar gebreken... toch het “socialistisch, vooruitstrevende blok” was. Dat is de grootste leugen van de twintigste eeuw. Zeker, er is een proletarische revolutie geweest in Rusland, maar ze werd verslagen. De stalinistische vorm van de contrarevolutie hief de slogan “opbouw van het socialisme in één land” aan, een slogan die lijnrecht tegenover de natuurlijke en fundamentele basis van het marxisme staat. Voor het marxisme geldt: “de proletariërs hebben geen vaderland” (3)! Dit internationalisme, een zeer tastbaar internationalisme, was het kompas van de internationale revolutionaire golf die begon in 1917, het kompas van alle revolutionairen van die tijd, van Lenin en de bolsjewieken tot aan Rosa Luxemburg en de Spartakisten (4). De absurde aanname van de ‘theorie’ van een ‘socialistisch vaderland’ dat verdedigd zou moeten worden ging samen met het systematisch gebruik van een burgerlijke methode: die van terreur en staatskapitalisme, van het laarzengestamp, van de meest totalitaire en wrede vorm van kapitalistische uitbuiting!
Aan de kritieken van Che op de Sovjet-Unie ligt de ‘rakettencrisis’ van 1962 ten grondslag. Voor de Sovjet-Unie vormde het een buitenkansje dat ze de hand kon leggen op Cuba. Zo kon ze de Verenigde Staten met gelijke munt betalen, die de Sovjet-Unie vanuit haar buurlanden, zoals Turkije, kon bedreigen. De Sovjet-Unie begon op enkele zeemijlen van de Amerikaanse kust lanceerinstallaties voor raketten met atoomkoppen te plaatsen. De Verenigde Staten reageerden onmiddellijk door een algeheel embargo af te kondigen voor het hele eiland, waardoor de Russische schepen rechtsomkeer moesten maken. Chroesjtsjov, toen meester van het Kremlin, wordt uiteindelijk gedwongen zijn raketten terug te trekken. In oktober 1962 bracht de imperialistische confrontatie tussen degenen die zich ‘de vrije wereld’ noemden en degenen die zich voorstelden als de ‘vooruitstrevende socialistische wereld’ de mensheid enkele dagen lang op de rand van de afgrond. Chroesjtsjov wordt dan door de Castristische leiders beschouwd als een ‘slappeling’, te laf was om de Verenigde Staten aan te vallen. In een aanval van patriottische hysterie, waarin de Castristische slogan ‘vaderland of dood’ zijn meest sinistere betekenis krijgt, waren ze bereid het volk te offeren op het altaar van de nucleaire oorlog (zij zouden gezegd hebben dat het volk bereid was zich op te offeren). In dat perverse delirium moest Guevara wel de spits afbijten. Hij schreef: “Zij hebben gelijk [de landen van de OEA (5), die de ‘Cubaanse subversie’ vrezen], want dit is het afschrikwekkende voorbeeld van een volk dat bereid is zichzelf met atoomwapens te laten vernietigen opdat zijn as dient als cement voor nieuwe maatschappijen, en dat, wanneer een akkoord gesloten wordt over de terugtrekking van de atoomraketten zonder daarbij geraadpleegd te zijn, geen zucht van verlichting slaakt of erkentelijk is voor het bestand. Het werpt zich in de arena [...] om zijn beslissing kracht bij te zetten de strijd voort te zetten, desnoods geheel alleen, tegen alle gevaren in, en zelfs tegen de atoomdreiging van het yankee imperialisme.” (6). Deze ‘held’ heeft besloten dat het Cubaanse volk bereid was zichzelf te laten vernietigen voor het vaderland... Blijkt dus dat de grond voor de ‘teleurstelling’, van de kritiek op de Sovjet-Unie niet was gelegen in het verlies van geloof in de deugden van het ‘sovjetkommunisme’ (in werkelijkheid het stalinistisch kapitalisme), maar integendeel in het feit dat dit systeem haar oorlogslogica niet tot het eind wil volgen, tot aan de confrontatie op het hoogtepunt van de periode van de ‘koude oorlog’. En de rede die Che Guevara in Algiers afstak en waarop jij je beroept om te kunnen beweren dat Che zich afkeerde van het sociaalimperialistisch model van de Sovjet-Unie verandert niets aan het feit dat Guevara bleef vasthouden aan de stalinistische standpunten. Integendeel! In die fameuze redevoering stelt hij wel de ‘koopmansgeest’ in de verhoudingen tussen de landen van het blok van de Sovjet-Unie ter discussie, maar hij blijft hen socialistisch en “bevriende volkeren” noemen: “De socialistische landen zijn, in zekere mate, medeplichtig aan de imperialistische uitbuiting [...]. [Ze] hebben de morele plicht hun stilzwijgende medeplichtigheid te beëindigen met de uitbuitende landen van het Westen.” Een dergelijke kritiek mag dan radicaal lijken, maar het is de kritiek van iemand van binnenin het stalinistisch systeem. Erger nog, het is de kritiek van een verantwoordelijke die met al zijn krachten heeft deelgenomen aan het invoeren van een dergelijk staatskapitalistisch systeem op Cuba! Later zal Guevara officieel trouwens nooit meer enige kritiek uitbrengen op de Sovjet-Unie.
Toen Che Guevara in 1967 door de CIA en het Boliviaanse leger vermoord werd, was hij niet alleen het slachtoffer van het Amerikaans imperialisme, maar ook van de nieuwe politieke oriëntatie van het Kremlin, namelijk de “vreedzame coëxistentie” met het Westerse Blok. We gaan hier niet uiteenzetten hoe de leiding van de Sovjet-Unie en haar blok tot die ‘ommezwaai’ kwam. Die ‘ommezwaai’ heeft echter niets te maken met enig ‘verraad’ aan de volkeren die ‘zich wilden bevrijden’ van het imperialisme, noch aan het proletariaat. Het beleid van de stalinistische heersende klasse veranderde wel vaker naar gelang haar belangen als heersende klasse, en juist de rakettencrisis bewees de leiders van het stalinistisch imperialisme dat ze niet de middelen hadden om het hoofd van het andere blok net aan zijn voordeur uit te dagen, en dat ze voorzichtig moesten zijn in Latijns Amerika. Dat wilden Guevara en een fractie van de Cubaanse leiders niet begrijpen, tot op het punt dat ze hinderlijk werden, niet alleen voor de Sovjet-Unie, maar ook voor hun eigen Cubaanse vrienden. Van dat moment af was het lot van Guevara bezegeld: na het rampzalige avontuur in Kongo (7) bevindt hij zich helemaal alleen in Bolivia, met een handvol wapenmakkers, in de steek gelaten door de Boliviaanse Communistische Partij die zich uiteindelijk tot de lijn van Moskou bekeerde. Voor de meest Moskougezinde fracties waren de voorstanders van de ‘foco’-tactiek (guerrillahaard) kleinburgers op zoek naar avontuur, “afgesneden van de massa’s”. En voor de fracties van de Communistische Partij die voor de gewapende strijd waren, met hun kritische steun van allerlei slag, waren de ‘officiëlen’ van de KP enkel “salon-revolutionairen”, verburgerlijkte bureaucraten... en eveneens “afgesneden van de massa’s”. Voor ons, die ons beroepen op de Kommunistische Linkerzijde, gaat het hier om twee vormen van dezelfde contrarevolutie, twee varianten van de grootste leugen van de eeuw, die eruit bestaat de stalinistische contrarevolutie te laten doorgaan voor voortzetter van de Oktoberrevolutie, en de Sovjet-Unie voor kommunistisch.
Voor jou bestaat de taak van de intellectuelen er uit “het bewustzijn van zijn omstandigheden bij het proletariaat binnen te brengen...”. Je lijkt hier de visie over te nemen van Che over de “revolutionaire elite”. Maar verbergt het standpunt van Che in feite geen diep misprijzen voor de arbeidersklasse? Waarover gaan zijn lyrische uithalen over “de nieuwe mens in de Cubaanse revolutie” eigenlijk?
De proletarische revolutionaire eenheid heeft een zeer concrete praktische basis: de klassensolidariteit. Die spontane solidariteit in de organisatie van de strijd, die bestaat uit onderlinge hulp en broederlijkheid, voedt de kwaliteiten van proletarische revolutionaire toewijding. Maar die ‘toewijding’ klinkt uit de mond van Guevara, in het beste geval, als een haast mystieke oproep tot het hoogste offer (men moet hem nageven dat hij altijd klaarstond om dat offer te brengen, en waarschijnlijk was hij bereid een ‘martelaar’ te worden van de imperialistische zaak die hij verdedigde, samen met het ‘vrijwillige’ Cubaanse volk, tijdens de rakettencrisis)... Maar belangrijker dan zijn eigen ‘voorbeeldige’ gedrag blijft er de visie van ‘offer’ of ‘heldendom’ (van hetzelfde allooi als het patriottisch idealisme dat verheerlijkt en verspreid werd door de stalinisten van het ‘Verzet’ tijdens de Tweede Wereldoorlog) dat van bovenuit moest worden opgelegd, al naar gelang de behoeften van de staat en onder de knoet van een líder maxímo (opperste leider). Deze visie berust op het misprijzen van een kleinburgerlijk intellectueel voor de ‘proletarische massa’ die van bovenuit bekeken wordt, die men zegt te willen ‘opvoeden’ zodat ze de ‘weldaden van de revolutie’ zouden kunnen begrijpen. “De massa”, verklaarde Guevara neerbuigend, “handelt niet als een gedweeë kudde. Het is waar dat ze zonder aarzelen haar leiders volgt, vooral Fidel Castro...” “Als men de zaken oppervlakkig bekijkt, dan kan men denken dat zij die spreken van onderwerping van het individu aan de staat gelijk hebben, maar de massa’s realiseren met ongeëvenaard enthousiasme en discipline de taken die de regering vooropstelt, of die nu economisch, cultureel, inzake verdediging of sportief zijn... Het initiatief komt meestal van Fidel of van het oppercommando van de Revolutie en wordt aan de bevolking uitgelegd die het tot het hare maakt” (Socialisme en de mens op Cuba, 1965).
In feite put jouw redenering, wanneer je ons zegt “dat er geen redenen zijn om het begrip proletariaat te herleiden tot alleen de arbeiders”, zonder twijfel en ongewild haar wortels uit deze misprijzende visie op de arbeidersklasse. Een van de kenmerken van de incarnaties die het stalinisme aanneemt (van Maoïsme tot Castrisme) is het wantrouwen en misprijzen voor de arbeidersklasse, waarbij van een mythische arme boerenstand de ‘drijfkracht van de revolutie’ wordt gemaakt, geleid door intellectuelen die, zij wel, het bewustzijn bezitten en dat in de hersens van de massa’s ‘binnenbrengen’. In het beste geval is de arbeidersklasse voor die neostalinisten een massa waarmee gemanoeuvreerd kan worden en die als historische referentie dient, een figurant in hun revolutie. In de geschriften van deze pseudo-revolutionairen vindt men nooit enige verwijzing naar een georganiseerde arbeidersklasse als dusdanig en naar de machtsorganen van de klasse, de sovjets. Deze klonen van het stalinisme hebben er geen behoefte meer aan hun staatskapitalistische ideologie te verbergen en te spreken van arbeidersraden of andere uitdrukkingen van het proletarische leven in de Russische Revolutie. Er is alleen nog een staat die geleid wordt door enkele ‘verlichte’ geesten en daaronder de massa, die men soms nog ‘initiatief’ laat nemen, georganiseerd in de ‘comités ter verdediging van de revolutie’ en andere organismen van sociale controle.
En op Cuba liepen de vakbonden eens te meer voorop bij de organisatie van, en leiding over de arbeidersklasse, en dat hoeft ons geenszins te verbazen. De Cubaanse vakbonden (CTC) waren al vakbonden op z’n Amerikaans, perfect geïntegreerd in het ‘liberale kapitalisme’ en in zijn corruptie. In 1960 worden ze door de Cubaanse leiding zeer snel omgevormd tot vakbonden met een stalinistisch sausje, op een bureaucratische en staatsgebonden leest. De eerste beslissingen van het Castristisch regime belastten de vakbonden met het organiseren van de gelijkschakeling van de lonen naar beneden toe en het laten respecteren van het stakingsverbod in de bedrijven, als gepatenteerde politiemannen! Eens te meer zal die aanval op de arbeidersklasse worden gerechtvaardigd met de anti-Amerikaanse ideologie en de “verdediging van het Cubaanse volk”. Toen in die periode arbeiders van bedrijven die afhingen van Amerikaanse kapitalen in staking gingen tegen de loonsdaling, maakten de Castristische leiders van de gelegenheid gebruik om deze staking van ‘bevoorrechten’, bij monde van de nieuwe Castristische leider van de CTC, te veroordelen, en een “staking tegen de staking” uit te roepen.
In de voorbije weken kregen we controverses voorgeschoteld over leven en werk van Che. Enerzijds, in de lijn van de apostelen van de ‘dood van het kommunisme’, warmden de rechtse fracties van de bourgeoisie, braaf geholpen door enkele historici die altijd bereid zijn de ‘anti-democratische’ rol van Che op te kloppen, zijn rol van beulschef als verantwoordelijke voor de ‘revolutionaire’ rechtbanken in het begin van de Castristische periode, waarbij ze elkaar de mantel uitveegden over de kwesties of die executies nu al of niet buitensporig waren, of er een ‘bloedbad’ had plaatsgevonden of niet, of de rechtspraak ‘gematigd’ dan wel ‘willekeurig’ was. Voor ons, zoals we hierboven al zeiden, speelde hij gewoonweg zijn rol die nodig was voor het invoeren van een nieuw regime dat even burgerlijk en onderdrukkend was als het vorige. Aan de andere kant worden we platgeslagen met leugens en halve waarheden om hem te vereren. We hoeven maar te zien hoe de Ligue Communiste Révolutionnaire, met haar ambitie de Franse Communistische Partij te vervangen als eerste ‘anti-kapitalistische’ partij van Frankrijk, ‘El Che’ ophemelt en zijn ‘jong en rebels’ imago uitbuit.
Beste kameraad EK, de realiteit is deze: bij al die jongeren die T-shirts dragen met de beeltenis van Che zijn er zeker met een groot en eerlijk hart, die het onrecht en de verschrikkingen van deze wereld willen bestrijden. Bovendien, als Che naar voren wordt geschoven, dan is het vooral om het enthousiasme te steriliseren dat de revolutionaire passie voedt. Maar Che is zelf slechts één figuur uit de lange lijst nationalistische en stalinistische leiders, misschien wat innemender dan de anderen, maar evengoed een vertegenwoordiger van die tropische incarnatie van de stalinistische contrarevolutie, het Castrisme.
Ondanks onze meningsverschillen, kameraad EK, blijft de discussie natuurlijk open... Meer nog: we nodigen je er hartelijk toe uit.
IKS
(1) https://fr.internationalism.org/contact [69].
(2) De onderneming werd feitelijk met het succes van de omverwerping van Batista door Castro en Guevara bekroond door de steun van de Verenigde Staten en de welwillendheid van een rechtse partij die de corruptie van het regime veroordeelde. Door het wapenembargo waartoe de Amerikaanse regering voor Cuba besloot ontbrak het Batista aan doorslaggevende middelen om tegen de guerrilla op te treden. Het is pas na enkele maanden dat de betrekkingen tussen de nieuw macht en de Verenigde Staten verslechteren en het is onder dreiging van een militaire interventie dat Castro zich tot het Russische Blok wendt.
(3) Beroemd citaat uit Het communistisch manifest, geschreven door Marx en Engels.
(4) Zie onze artikelen over Oktober 1917, met name: De arbeidersmassa’s nemen hun lot in handen (Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 131) en: Het stalinisme is de doodgraver van de Russische revolutie (Révolution Internationale, nr. 383).
(5) Organisatie van Amerikaanse Staten, continentaal orgaan om de belangen van ‘Uncle Sam’ en zijn heerschappij veilig te stellen over de andere Latijns-Amerikaanse staten, waarvan Castristisch Cuba was uitgesloten.
(6) Geschreven tijdens de ‘rakettencrisis’, pas in 1968 uitgegeven door een Cubaans legertijdschrift. Hier overgenomen uit de lijvige biografie Ernesto Che Guevara, een legende uit onze eeuw, door Pierre Kalfon, verschenen in het Spaans en Frans, 1997.
(7) In 1965, wellicht om de leuze “Twee, drie, vele Vietnams” in praktijk te brengen, strijken enkele tientallen Cubanen neer in het oosten van de Kongolese Republiek (voormalig Zaïre) om een “anti-imperialistische foco” (guerrillahaard) te organiseren, het geheel onder auspiciën van de Cubaanse geheime dienst en met goedkeuring van de Sovjet-Unie (misschien ook om zich van Che te ontdoen...). Het is onmiddellijk een voorzienbare ramp: Guevara staat onder politieke leiding van een bende Kongolese leiders (waaronder Kabilla, toekomstig bloedig president-dictator van Zaïre in de jaren 1990), avonturiers die dankzij Russische en Chinese financiële steun op grote voet leven. Wat de bevolking aangaat, die geacht werd deze bevrijders met open armen te ontvangen, die was verbijsterd bij het zien van deze lui die uit het niets opdoken. Dat liep vooruit op wat zich het volgende jaar in Bolivië zou afspelen. Daaraan moet worden toegevoegd dat duizenden Cubanen, nog altijd voor rekening van het Russische imperialisme, bleven dienen als ‘militair raadgever’ in de talrijke ‘nationale bevrijdingsoorlogen’ op Afrikaanse bodem (Guinee Bissau, Mozambique, Angola, ...) tot aan de ineenstorting van de Sovjet-Unie en haar blok in de jaren 1990.
(8) We gaan hier niet in op de vraag wat de arbeidersklasse of het proletariaat is, wat voor ons hetzelfde is. Maar onze opvatting heeft niets te maken met de sociologie of met het verheerlijkende beeld van de arbeider in blauwe werkplunje.
(9) De grote man van de Franse LCR, Olivier Besancenot, verklaart momenteel dat zijn partij zich heel wat meer met Che Guevara vereenzelvigt dan met Trotski, hoewel deze organisatie vanaf haar geboorte haar toebehoren tot de arbeidersklasse valselijk legitimeerde door zich te beroepen op deze grote militant van de Bolsjewieken.
We hebben twee conferenties gehouden over het thema Socialisme en het verval van het kapitalisme aan twee van de universiteiten van de Dominicaanse Republiek: Santiago de los Caballeros (de tweede stad) en Santo Domingo (de hoofdstad). Deze debatten werden mogelijk gemaakt door de wil en de organisatorische inspanningen van een internationalistische discussiekern. Wij willen hen hartelijk bedanken voor het werk dat zij verzet hebben. Die bijeenkomsten hadden niets academisch. Net als tijdens een soortgelijke ervaring aan een universiteit in Brazilië (1), werden er ongerustheid en zorgen geuit over de toekomst die het kapitalisme ons biedt, over de wijze waarop we kunnen vechten voor een maatschappij die de tegenstellingen overstijgt waarin het huidige systeem ondergedompeld is, over de sociale krachten die in staat zijn die verandering door te voeren...
Deze debatten maken deel uit van de pogingen tot bewustwording door minderheden van het proletariaat. De internationale dimensie van deze inspanning staat vast. Onze samenvatting van de discussies in de Dominicaanse Republiek beantwoordt aan een dubbel doel: deelnemen aan de ontwikkeling van een internationaal debat en ertoe bijdragen dat de debatten en discussies die zich in één land ontwikkelen hun plaats vinden in het enige kader waarin ze vruchten kunnen afwerpen: het internationaal en internationalistisch kader (2).
Na de inleiding (3) werden talloze vragen gesteld, waarvan sommige een discussie in de zaal uitgelokt hebben. In de samenvatting die we hieronder geven hebben we ze per thema georganiseerd in een vraag-en-antwoord vorm.
Er zijn in de twintigste eeuw veel revoluties geweest. Toch veroordelen jullie de meeste ervan, uitgezonderd de Russische Revolutie, waarvan jullie zeggen dat ze een mislukking was. Jullie zijn onrechtvaardig tegenover de inspanningen van de volkeren die vechten voor hun bevrijding.
Het gaat er niet om de strijd van de uitgebuite en onderdrukte klassen te kleineren, maar wel om te begrijpen wat er vanaf de twintigste eeuw echt aan de orde is in de revolutie. Vanuit dat gezichtspunt is er een fundamentele verandering vanaf het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog, die verbijsterende records van onmenselijkheid heeft bereikt, toonde aan de hele wereld dat het kapitalisme een sociaal systeem in verval geworden was, dat de mensheid niets meer te bieden heeft dan oorlogen, hongersnood, vernietiging en ellende. Hij maakte een einde aan de periode van burgerlijke revoluties, dat wil zeggen aan de democratische, reformistische en nationale volksrevoluties. Van toen af aan werden die bewegingen simpelweg het opknappen van de façade van de staat. Vanaf de Eerste Wereldoorlog is de enige revolutie die vooruitgang kan betekenen voor de mensheid de proletarische revolutie, die tot doel heeft het kommunisme in te stellen in de gehele wereld. De Russische Revolutie van 1917, en heel de revolutionaire golf die erop volgde, drukken die stand van zaken uit. Het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale, in maart 1919, bevestigde dit: “Een nieuwe periode is aangebroken. De periode van ontbinding van het kapitalisme, van zijn interne ineenstorting. Een periode van kommunistische revolutie van het proletariaat” (4).
Waarom blijven jullie steken in het dogma van een wereldrevolutie en waarom verwerpen jullie de geleidelijke vooruitgang via nationale revoluties?
De burgerlijke revoluties hadden een nationaal karakter en konden lange tijd overleven binnen hun landsgrenzen. Zo zegevierde de Engelse revolutie in 1640 en overleefde ze in een wereld die nog feodaal bleef tot aan de burgerlijke revoluties tegen het einde van de achttiende eeuw. De proletarische revolutie daarentegen zal wereldwijd zijn of niet zijn. Om te beginnen is de productie vandaag wereldwijd. De arbeidersklasse is internationaal. Maar ook omdat het kapitalisme een wereldmarkt gecreëerd heeft en de marktwetten ook internationaal zijn. De problemen verbonden met het kapitalisme zijn internationaal en kunnen alleen opgelost worden door de verenigde strijd van het gehele wereldproletariaat.
Wat is jullie standpunt over Trotski en het trotskisme?
Trotski was zijn hele leven een revolutionair militant. Hij vervulde een zeer belangrijke rol tijdens de Russische Revolutie van 1917. Maar hij streed ook tegen de ontaarding van de Russische Revolutie door internationalistische standpunten te blijven verdedigen. Hij was de voornaamste kracht van wat de Linkse Oppositie genoemd werd, die een heroïsche strijd voerde in verzet tegen de stalinistische contrarevolutie, zowel in Rusland als in de verschillende kommunistische partijen in de wereld. Toch hebben Trotski en de Linkse Oppositie nooit de ware aard van de USSR begrepen en beschouwden haar als een ‘arbeidersstaat met bureaucratische afwijkingen’ die toch verdedigd moest worden. De gevolgen van deze vergissing waren rampzalig. Nadat hij op laffe wijze vermoord was door Ramon Mercader, moordenaar in dienst van Stalin, riepen degenen die zich de erfgenamen van Trotski noemden op om deel te nemen aan de Tweede Wereldoorlog en werden zij een stroming die steeds, natuurlijk op ‘kritische’ wijze en met een ‘radicale’ taal, dezelfde stellingen verdedigde als de stalinistische en sociaal-democratische partijen (5).
Jullie behandelen Chavez onrechtvaardig, maar het kan nog erger: jullie houden geen rekening met het revolutionair proces dat door Chavez op gang gebracht is en dat zich vandaag ontwikkelt in heel Latijns Amerika, dat in volle revolutionaire beroering is.
Het dilemma Chavisme-anti-Chavisme is een valstrik, zoals pas nog aangetoond is door de mobilisaties van studenten in Venezuela die zich proberen los te werken uit die steriele en destructieve tegenstelling tussen Chavisme en oppositie (6).
Chavez steunt zowel de versterking van de staatstussenkomst in de economie als de concentratie van de macht in handen van één enkel persoon (de grondwetshervorming die zijn permanente herverkiezing mogelijk maakt). Hij lanceert ‘sociale’ programma's die misschien de situatie van enkele gemarginaliseerde lagen tijdelijk verbeteren, maar die in feite passen in een programma van versterkte uitbuiting van de arbeiders en van verarming van het grootste deel van de bevolking. Dat soort programma’s dient er alleen voor om de bevolking de ergste ellende te doen aanvaarden. Het gaat om formules die gedurende de hele 20e eeuw steeds opnieuw gebruikt zijn en die steeds tot klinkende mislukkingen hebben geleid. Ze hebben aan het kapitalisme niets veranderd, ze hebben er enkel toe bijgedragen het in leven te houden, en ook het lijden van de overweldigende meerderheid van de bevolking doen voortduren (7).
Chavez beweert anti-imperialist te zijn onder het voorwendsel dat hij zich halsstarrig verzet tegen de ‘duivel Bush’. Het zogenaamde anti-imperialisme van Chavez is niets anders dan camouflage waarachter hij zijn eigen imperialistische plannen nastreeft. De arbeiders en onderdrukten kunnen hun strijd niet baseren op een gevoel van haat of wraak tegen een almachtig rijk als de Verenigde Staten, want dat gevoel wordt gemanipuleerd door de Latijns Amerikaanse bourgeoisieën – zowel door de fracties in de regering als door die in de oppositie – om ervoor te zorgen dat de bevolking zich blijft opofferen voor hun belangen. Er bestaat geen nationale oplossing voor de wereldwijde crisis van het kapitalisme. De oplossing kan alleen wereldwijd zijn en steunen op de internationale solidariteit van het proletariaat, in de ontwikkeling van zijn zelfstandige strijd.
Waarom hebben jullie het alleen over arbeiders, en niet over boeren en andere lagen van de bevolking?
Hoe groot of klein haar aantal ook is in elk land afzonderlijk, de arbeidersklasse is de enige internationale klasse wier belangen mondiaal zijn. Haar strijd als klasse vertegenwoordigt de belangen en toekomst van de gehele onderdrukte en uitgebuite mensheid. De arbeidersklasse probeert de boeren en de gemarginaliseerde lagen in de grote steden voor haar strijd te winnen. Het gaat er geenszins om een ‘front van sociale bewegingen’ te vormen, want het fundamentele belang, de echte bevrijding van de arbeiders, boeren, en gemarginaliseerden van de steden is geen optelsom van corporatistische eisen, maar de gemeenschappelijke vernietiging van het juk van de loonslavernij en de commerciële uitbuiting.
Vervallen jullie niet in achterhaalde recepten en formules? De arbeidersklasse bestaat niet meer, en hier in Amerika zijn haast geen fabrieken meer.
De arbeidersklasse bestond nooit alleen maar uit industriearbeiders. Wat de arbeidersklasse kenmerkt, is de sociale verhouding gebaseerd op de uitbuiting van de loonarbeid. De arbeidersklasse is geen sociologische categorie. De arbeiders uit de industrie, de arbeiders op de velden, de overheidsambtenaren en veel ‘intellectuele’ arbeiders maken deel uit van het proletariaat. We moeten ook rekenen met al de arbeiders die werkloos gemaakt zijn en die om te overleven verplicht zijn spulletjes op straat te verkopen.
Is er geen mentaliteitsverandering nodig opdat de arbeidersmassa’s de revolutie zouden kunnen doorvoeren?
Natuurlijk! De proletarische revolutie is niet eenvoudigweg het resultaat van onafwendbare objectieve factoren, ze steunt hoofdzakelijk op bewuste, collectieve en solidaire actie van de grote arbeidersmassa’s. In ‘De Duitse ideologie’ stellen Marx en Engels dat de revolutie niet alleen nodig is om de staat te vernietigen die de meerderheid onderdrukt, maar ook opdat die meerderheid zich zou bevrijden van de ideologische overblijfselen van de oude maatschappij die hen aan het lijf kleeft. De proletarische revolutie wordt voorbereid door een gigantische verandering van de mentaliteit van de massa’s. Ze zal het product zijn van de zelfstandige inspanning van de massa’s, die niet alleen bestaat uit strijd, maar ook uit gepassioneerde debatten.
IKS
(1) Zie https://es.internationalism.org/ccionline/2006_brasil.html [72]
(2) Wanneer de kameraden belangstelling hebben voor het organiseren van dergelijke debatten in hun stad of land, zijn we graag bereid om daaraan mee te werken.
(3) De inleiding is op onze website te vinden als aanhangsel van dit artikel (in het Spaans).
(4) Zie onze brochure over de revolutie in Rusland 1917 (in druk en op de website)
(5) Zie onze brochure over Trotski en het stalinisme
(6) Zie https://es.internationalism.org/ccionline/2007_hojaestudiantes [73]
(7) Zie https://es.internationalism.org/ccionline/2007/Chavez [74] en: https://es.internationalism.org/ccionline/2007/elecvenez [75].
De geweldige schat aan ervaringen, opgedaan tussen februari en oktober 1917 door het proletariaat in Rusland, heeft aan de proletariërs van de hele wereld getoond dat het mogelijk is de macht van de bourgeoisie omver te werpen. De opstand van Oktober betekende de zege van de bewuste arbeidersmassa’s georganiseerd in arbeidersraden en met in hun schoot hun politieke voorhoede, de bolsjewistische partij (zie Internationalisme, nr. 333). Het verloop van de gebeurtenissen na de Oktoberopstand, dat wil zeggen het ontaardingsproces van de Russische revolutie, waaruit het stalinisme zou ontstaan, kan enkel begrepen worden vanuit de dynamiek van de nederlaag van de internationale revolutionaire golf waarvan dat proces een gevolg is. Die ontaarding heeft dus niets te zien met de burgerlijke leugen van de zogenaamde continuïteit tussen de dictatuur van het proletariaat die voortkwam uit oktober 1917 en het stalinisme dat zich integendeel op de assen van de revolutie heeft ontwikkeld.
De Russische revolutie van 1917 was geen alleenstaand verschijnsel, gevolg van omstandigheden eigen aan Rusland, ze was het hoogtepunt van de eerste internationale revolutionaire golf die de burgerlijke orde dooreenschudde van Duitsland tot de Verenigde Staten, van Europa tot Azië, tot in het Zuid-Amerikaans continent. Die revolutionaire golf was het antwoord op de imperialistische oorlog die de periode van verval van het wereldkapitalisme inluidde. Van nu af was één enkel alternatief in staat de kapitalistische barbarij te weerstaan: de proletarische wereldrevolutie.
Als Lenin en de bolsjewieken optreden als de voorhoede van de revolutionairen, is het in de overtuiging dat enkel de wereldrevolutie van het proletariaat het alternatief kan zijn voor de wereldoorlog. Als internationalisten zagen ze in de Russische Revolutie enkel “de eerste etappe van de proletarische revoluties die onvermijdelijk zullen uitbreken als gevolg van de oorlog”.
De machtsgreep in Rusland, zodra hij mogelijk wordt door de rijping van de voorwaarden op wereldschaal en in Rusland zelf, wordt door de revolutionairen gezien als een elementaire plicht van het Russisch proletariaat tegenover het wereldproletariaat. In antwoord op de argumenten van de mensjewieken die stelden dat de revolutie in een meer ontwikkeld land moest beginnen, rechtvaardigt Lenin als volgt de noodzaak van de machtsgreep: “De Duitsers, dat wil zeggen de Duitse internationalistische revolutionairen, met enkel Liebknecht (die bovendien in de gevangenis zit), zonder persorganen, zonder vergaderrecht, zonder raden, tegenover de gigantische vijandigheid ten opzichte van de ideeën van het internationalisme van alle klassen van de bevolking, tot in het laatste boerengehucht toe, tegenover de geweldige organisatie van de grote, middelgrote en kleine imperialistische bourgeoisie, de Duitsers, dwz. de Duitse internationalistische revolutionairen, de arbeiders in uniform en de matrozen, zijn in opstand beginnen komen in de vloot, met een krachtsverhouding van misschien één tegen honderd tegen hen. Maar wij, die dozijnen kranten hebben, die vrij zijn vergaderingen te houden, die de meerderheid behaald hebben in de sovjets, wij die in vergelijking met de internationalistische proletariërs van de hele wereld in de beste voorwaarden verkeren, wij zouden moeten nalaten de Duitse revolutionairen te steunen met onze opstand. Men zal dezelfde argumenten gebruiken als Scheidemann en Renaudel: het zinnigste is niet in opstand te komen, want als we gefusilleerd worden, verliest de wereld in ons zulke prachtige, zulke redelijke revolutionairen. Laat ons een resolutie aannemen van sympathie met de Duitse opstandelingen. Dat zou echt redelijk internationalisme zijn.” (Brief aan de kameraden bolsjewieken op het congres van de sovjets van de regio noord).
Minder dan een jaar na de machtsgreep in Rusland lijdt het geen twijfel dat de rest van het proletariaat in de andere landen het voortouw moet overnemen om de wereldrevolutie verder te stuwen: “De Russische revolutie is slechts een detachement van het socialistisch wereldleger en het succes en de triomf van de Russische revolutie die wij uitgevoerd hebben hangen af van de actie van dat leger [...] Het Russische proletariaat is zich bewust van zijn revolutionair isolement, het ziet duidelijk dat zijn overwinning als onmisbare voorwaarde en als fundamentele premisse de eensgezinde interventie van de arbeiders van de hele wereld heeft” (Lenin, Rede van 23 juli 1918 op de conferentie van fabrieks-comités van Moskou).
De Russische revolutie liet het er niet bij haar lot passief toe te vertrouwen aan het uitbreken van de proletarische revolutie in andere landen, ze nam voortdurend initiatieven om die revolutie uit te breiden. Het zwaartepunt van de krachtsverhouding tussen de klassen lag in Duitsland en een grote verantwoordelijkheid rustte op de schouders van de arbeidersklasse in dat land. “Het Duits proletariaat is de trouwste, de zekerste bondgenoot van de Russische revolutie en van de proletarische revolutie” (Lenin).
De Duitse revolutionairen van hun kant begrepen volop wat er in de situatie op het spel stond: “[...] het lot van de Russische revolutie: ze zal haar doel uitsluitend bereiken als proloog van de Europese revolutie van het proletariaat. Als integendeel de Europese, Duitse arbeiders toeschouwers blijven van dit boeiend drama en de kijklustigen blijven spelen, dan zal de Russische macht van de sovjets zich aan niets anders kunnen verwachten dan aan het lot van de Commune van Parijs (dwz. een bloedige nederlaag)” (Spartakus, januari 1918).
De revolutionaire gisting die zich met name in Duitsland en centraal Europa ontwikkelde in de loop van 1918 hield alle verwachtingen levend over de naderende wereldrevolutie.
Op 15 december namen in Brussel meerdere tienduizenden arbeiders deel aan de nationale betoging voor het behoud van de koopkracht en voor de solidariteit waartoe alle vakbonden, broederlijk verenigd, hadden opgeroepen (“Red de koopkracht en de solidariteit”).
Voor de arbeiders zijn een grote mobilisatie en de ontwikkeling van solidariteit inderdaad nodig om het hoofd te bieden aan de aanvallen op hun levensomstandigheden en tegen de mediacampagnes rond de nationalistische hersenschimmen. ! Vooral sinds deze zomer worden de aanvallen op de leefkwaliteit van de arbeidersklasse opgestapeld (lees hierover het artikel: Of het nu Belgisch, Vlaams, Waals of Brussels is: In naam van solidariteit met het systeem steeds meer armoede, in Internationalisme, nr. 334): – een ongekende stijging van de prijzen van benzine en stookolie, van gas en elektriciteit, net als van de producten voor de eerste levensbehoeften: zo zijn de prijzen van voedingsproducten in één jaar met gemiddeld 4,4% gestegen (De Standaard, 12.12.2007) en is voor een aantal voor 2008 een verdubbeling aangekondigd (De Morgen, 13.12.2007); – een voortdurende achteruitgang van de arbeidsvoorwaarden van de werkenden (productiviteitsopdrijving, verlaging van de loonnorm, geleidelijke uitholling van het sociale verzekeringssysteem);
– onophoudelijke golven van reorganisaties en ontslagen in alle sectoren.
In werkelijkheid kondigt het jaar 2008 een diepe recessie aan voor het geheel van de geïndustrialiseerde landen, wat andermaal laat zien dat het kapitalistische systeem verkankert, en de huidige verwarring binnen de politieke krachten van de bourgeoisie laat boven onze hoofden donkere wolken samenpakken van komende soberheidsmaatregelen: het laatste rapport van de Nationale Bank voorspelt al een toename van de inflatie, een begrotingstekort voor 2007 en 2008 en een afname van de industriële groei (De Morgen, 13.12.2007).
* Na zes maanden onderhandelingen, gekibbel, breuken, na een verkenner, twee informateurs en twee formateurs, heeft de Belgische bourgeoisie een voorlopige regering moeten aanstellen om de meest dringende lopende zaken te behartigen. Maar de gegevens van de laatste maanden lieten eveneens zien hoe de bourgeoisie in staat is haar innerlijke tegenstellingen te gebruiken (zie Internationalisme, nr. 333, De problemen van de bourgeoisie zijn niet die van de arbeiders) om oorverdovende campagnes te voeren om de ‘publieke opinie’ een keuze te laten maken tussen alternatieven die allemaal even nationalistisch en ronkend patriottisch zijn.
Al zes maanden ondergaan de arbeiders een ongekende uitbarsting van nationalistisch en regionalistisch geschreeuw waarin ze worden opgeroepen om kamp te kiezen als Waalse, Vlaamse, Brusselse of Belgische ‘burger’. Deze campagnes zijn wel heel fnuikend omdat:
– ze de aandacht van de arbeidersklasse afleiden van de aanvallen die onophoudelijk worden uitgevoerd en die nu wel heel krachtig zijn;
– ze worden vooral gevoerd rond een hoofdprobleem voor de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, de solidariteit, om die weg te leiden naar nationalistisch of regionalistisch vlak: solidariteit onder alle Belgen, solidariteit van alle Vlamingen of alle Franstaligen.
Kortom, een grote mobilisatie van de arbeiders en het ontwikkelen van solidariteit zijn meer dan ooit noodzakelijk. Des te meer omdat met de berichten over stijgende kosten van levensonderhoud en afnemende leefkwaliteit, samengaand met een toenemende beeld van chaos en onverantwoordelijkheid van de politici, onder de arbeiders de laatste weken steeds meer een gevoel van onvrede heeft gevoed. Tegelijk neemt het aantal geïsoleerde stakingen tegen rationalisaties, ontslagen en loonsdalingen toe: Janssens Pharma Beerse, Volvo Cars Gent, Bayer Antwerpen, het gemeentepersoneel van Antwerpen, de treinbestuurders ... en een studentenbeweging tegen het rationalisatieplan van de universiteiten tekent zich ook af in Vlaanderen. Deze tendens tot toenemende woede en strijdbaarheid was duidelijk voelbaar tijdens de betoging van 15 december. Bovendien moet de toestand in België worden gezien in een bredere context: de huidige periode wordt gekenmerkt door sociale gisting in meerdere Europese landen: stakingen van treinbestuurders in Duitsland, bij de Franse spoorwegen en metro’s, van ambtenaren, scholieren en studenten in Frankrijk, belangrijke sociale bewegingen in Hongarije en Griekenland, scholierenmanifestaties in Nederland, en ga zo maar door.
In die omstandigheden moet de organisatie en het doel van de betoging van 15 december worden gezien: vormde die werkelijk een eerste stap naar grotere mobilisaties en naar een ontwikkeling van solidariteit in de strijd?
* Heeft de betoging van 15 december de uitbreiding en vereniging van het verzet bevorderd? De oproep tot betogen verwees met geen woord naar de verschillende, gelijktijdige, maar versplinterde bewegingen die in België op gang kwamen, evenmin naar de strijdbaarheid die in heel Europa tot uiting kwam. Het geheel van deze strijdbewegingen maakte het groeiend potentieel duidelijk voor uitbreiding van de strijd net als van de grote inzet ervan tegenover de uitzichtloosheid van dit systeem in doodsnood. In tegendeel, de krantencommentaren van de woordvoerders van de vakbonden waren veelbetekenend voor de doelstellingen van de vakbonden:
– “Maar betogers vinden op een zaterdag, midden december, blijkt niet zo makkelijk [...] ze hebben van alles te doen die zaterdag” (De Standaard, 12.12.07). In plaats van de nadruk te leggen op de gezamenlijke dynamiek van de strijd ontmoedigden de vakbonden de arbeiders ieder afzonderlijk, op een weekeinde net voor de eindejaarsfeesten, een moment dat de vakbonden welbewust kozen voor hun betoging;
– “Er weegt nog een tweede bedreiging op de betoging. De kleine onafhankelijke vakbond van de machinisten van de spoorwegen – die overhoop ligt met de grote vakbonden – dreigt zaterdag te staken” (Idem). Eens te meer, en terwijl zij zich voorstelden onder een éénheidsvlag, speelden de vakbonden in op de verdeling onder de arbeiders door het lamleggen van het spoorverkeer uit te lokken, wat hen in staat moest stellen om te vermijden dat er een massale ‘ongecontroleerde’ samenkomst zou plaatsvinden van arbeiders op de plaats van de betoging ;
– “De mobilisatie verloopt moeilijk. De bonden mikken op 25.000 deelnemers. Daarvoor zijn ‘contingenten’ afgesproken: ABVV en ACV moeten elk 15.000 betogers ‘leveren’, de liberale bond ACLVB 5.000. Als ze ieder wat onder die cijfers blijven, halen ze toch nog de 25.000” (Idem). Konden ze nog duidelijker hun bedoelingen bekennen? De vakbonden richtten zich helemaal niet op een massale mobilisatie. Om ‘ontsporingen’ te voorkomen regelden ze de zaken onder elkaar om ‘voetvolk’ aan te leveren: ze spraken zelfs de aantallen af!
Het was dus helemaal niet verrassend dat na de betoging de cijfers van de organisatoren en die van de politie overeenkwamen (20.000 deelnemers), een bewuste onderschatting van het aantal betogers: men wou er niet meer en er mochten er ook niet meer zijn! Achter alle grootspraak over de noodzaak een halt toe te roepen aan de daling van de koopkracht is het de vakbonden er overduidelijk niet om te doen tot strijd aan te sporen, maar om het voortouw te nemen, om het sociaal terrein te bezetten en iedere mogelijkheid van ontwikkeling of uitbreiding in te kapselen en te ontmoedigen.
* Heeft de betoging dan wellicht de solidariteit bevorderd? Aan de behoefte aan solidariteit onder de arbeiders in strijd werd door de vakbonden een andere draai gegeven met een mobilisatie tegen de opsplitsing van de sociale zekerheid zoals die wordt geëist door een deel van de Vlaamse bourgeoisie, en vóór een oproep tot ‘een verantwoordelijke regering’ die maatregelen kan nemen ‘voor een sterke en federale sociale zekerheid’. Zo heroriënteerden ze het groeiend besef in de arbeidersklasse over het belang van solidariteit in de strijd tot een nationalistische betoging achter de één van fracties die met elkaar in de clinch liggen, naar steun voor de nationale staat, dezelfde die ten grondslag ligt aan de soberheidsgolven en rationalisaties die de arbeiders al jarenlang ondergaan. Het is trouwens aan dezelfde nationale staat dat de vakbonden hun eisen richten, om maatregelen te treffen ter verdediging van de koopkracht van de arbeiders ... in overleg met diezelfde vakbonden (alle uitkeringen welvaartsvast, in overleg met de sociale partners, een krachtig werkgelegenheidsbeleid, een méér evenwichtige fiscaliteit, …). Met andere woorden, voor de vakbonden bestaat het ontwikkelen van solidariteit uit het verspreiden van het ergste nationalistische en democratische bedrog, waarbij de arbeidersklasse met handen en voeten wordt gebonden aan haar ergste vijand, de burgerlijke staat.
Achter het geschetter over verdediging van koopkracht en solidariteit organiseerden de vakbonden deze manifestatie in werkelijkheid om iedere tendens in de richting van uitbreiding en vereniging van de strijd te saboteren en om de cruciale kwestie van arbeiderssolidariteit om te buigen naar ‘burgerlijke verantwoordelijkheid’ ter ondersteuning van de democratische nationale staat. Zo zetten ze enkel hun tactiek voort die ze al volgden in de strijd zoals bij VW-Vorst, Opel Antwerpen, bij De Post en de gemeenteambtenaren: initiatieven nemen om het sociale terrein te bezetten om de strijdbaarheid op te sluiten, om iedere uitbreiding van de beweging te voorkomen en ieder nadenken over de behoefte aan solidariteit onder de arbeiders in de kiem te smoren. Zo vormde de manoeuvre van de betoging van 15 december een uitgelezen gelegenheid om via leuzen over ‘bestaansvoorwaarden’ en ‘handhaving van de solidariteit’ de beweging op te sluiten en om te buigen in de richting van het nationalisme.
Om massaal en verenigd met alle arbeiders in strijd te gaan, onmisbaar door het onvermijdelijke verder zetten van de aanvallen, moet er lering worden getrokken uit de sabotage door de vakbonden. En één van de belangrijkste lessen bestaat er uit dat om doelmatig strijd te leveren, om verenigd en solidair de handschoen op te nemen door steeds meer te proberen de strijd uit te breiden, de arbeiders alleen op eigen kracht kunnen rekenen. Zij hebben geen andere keus dan de strijd in eigen hand te nemen en alle valkuilen te ontwijken, al de manoeuvres ter verdeling en sabotage door de vakbonden n
IKS / 14.12.2007
Na meer dan zes maanden (192 dagen om precies te zijn) van onderhandelingen, twisten, breuken, na een verkenner en twee informateurs is de Belgische bourgeoisie er nog altijd niet in geslaagd om een definitieve regering te vormen en heeft ze een interim regering van drie maanden op de been moeten helpen onder leiding van de ex-eerste minister Verhofstadt voor het nemen van dringende maatregelen. Een ze geeft zichzelf tot Pasen de tijd om de spanningen tussen de verschillende fracties uit te vlakken.
Gedurende deze laatste maanden is de toestand in België regelmatig heet van de naald geweest in de Europese media. Het heeft de buurlanden verontrust en zelfs de Belgische burgerlijke media geërgerd. Vandaar de noodzaak om de betekenis van de feiten te begrijpen, en te verklaren waarom één van de meest ontwikkelde landen van Europa in een dergelijke toestand terecht kon komen. Maar men moet ook de gevolgen zien die deze politieke knoeiboel teweeg heeft gebracht voor de toestand van de arbeidersklasse.
Met de verdwijning van het Russische en het Amerikaanse blok kregen de middelpuntvliedende krachten in de kapitalistische maatschappij in verval, die tot dan toe met grote inspanning onder controle werden gehouden door de hiërarchie van de twee blokken, de vrije loop, zelfs in de politieke systemen van de grote ontwikkelde landen. Zo is het feit dat de machtigste bourgeoisie ter wereld, de Amerikaanse bourgeoisie, het land twee ambtstermijnen heeft laten regeren door de bende onbekwame knoeiers, waaruit de regering Bush bestaat, onthullend voor de diepgaande crisis van de heersende klassen. En dat heeft op zijn beurt bijgedragen tot de versterking van het ‘ieder voor zich’, en een uitbarsting van chaos en barbarendom over heel de planeet. Vandaar dat de gevolgen van de ontbinding van de burgerlijke maatschappij en de noodzaak om die het hoofd aan te bieden een zaak van het grootste belang wordt voor de politiek van de bourgeoisie.
De problemen van de bourgeoisie om regeringsploegen samen te stellen zijn bijzondere uitingen van dit ‘ieder voor zich’, van de ontwikkeling van de ontbinding, en ze worden beslissende factoren in de politiek van de bourgeoisie (1). De Belgische bourgeoisie ontsnapt niet aan die algemene tendens van het kapitalistische systeem in crisis, dat alle landen meesleurt in sociale ontbinding. Vandaar dat de ‘Belgische politieke crisis’ geen puur Belgische, een beetje folkloristisch gebeuren is. Het laat de toenemende druk zien van de wegrotting van het systeem, van de politieke structuren van de bourgeoisie in de ontwikkelde landen. Dat bleek de laatste jaren eveneens uit het verkiezingssucces van de populistische partijen in Oostenrijk en onlangs nog in Zwitserland en uit de proteststemmen tijdens het referendum over de grondwet van de Europese Unie in Frankrijk en Nederland.
Zo groeide de laatste jaren bij de Nederlandse buren het ‘ieder voor zich’ net als de proteststemmen: na de ontwrichting van het partijensysteem van de bourgeoisie door het rechtse populisme van Pim Fortuyn en zijn partij volgde er een vloedgolf van ‘links populisme’ van de voorheen maoïstische Socialistische Partij die bij de laatste verkiezingen in Nederland de derde partij werd. Ondertussen komt er een nieuw rechts populisme op met de verwoed anti-islamitische PVV van Geert Wilders en de beweging van de ex-minister van Binnenlandse Zaken, Rita Verdonk, alom bekend door haar halsstarrige politiek in verband met het asielrecht. Dat gaat zo ver dat er, bij gebrek aan stabiele traditionele partijen, er een integristische religieuze partij (de ‘Christen Unie’) nodig was om de huidige meerderheidsregering te vormen.
In België, vooral in Vlaanderen, hebben deze irrationele en middelpunt vliedende krachten zich geuit door de spectaculaire ontwikkeling van een populistische en ultra nationalistische partij, het "Vlaamsblok/belang", die de tweede politieke partij geworden is in Vlannderen, en meer recent door de opkomst van een andere populistische en poujadistische rechtse partij, de "Lijst De Decker".
Deze algemene tendens tot ontbinding wordt in België versterkt door de spanningen tussen de ‘regionale’ fracties van de Belgische bourgeoisie, spanningen die al sinds de kunstmatige oprichting van de Belgische staat sluimeren. De draagwijdte van de ontbinding en van het ‘ieder voor zich’ in de wereld op het einde van de twintigste eeuw maakt het vinden en opleggen van een broos evenwicht tussen de regionale fracties steeds moeilijker en onzekerder, de spanningen en tegenstellingen worden steeds explosiever. En dat geldt vooral voor de Vlaamse bourgeoisie, die zich wil ontdoen van “de miljoenenput van de onrendabele Waalse industrie”.
Deze regelmatige spanningen brachten een reeks verschijnselen voort die de politiek van de Belgische bourgeoisie moeilijk beheersbaar maken:
– Er is eerst en vooral de fragmentering van het partijlandschap met, sinds het einde van de jaren 1960, de ‘communautarisering’ van de grote traditionele politieke families (de verdubbeling van de socialistische, liberale en christen-democratische partijen in een Waalse en een Vlaamse partij), het geleidelijke afkalven van de grote socialistische en christen-democratische volkspartijen die het politieke leven beheersten en de opkomst van regionalistische partijen.
– De bourgeoisie heeft geprobeerd om de regionalistische partijen uit te schakelen door ze te laten opslorpen door de traditionele partijen, maar dat is als een boemerang in haar gezicht teruggeslagen. In feite heeft deze politiek enkel een destabilisering van diezelfde traditionele partijen als gevolg gehad. Dat hebben we de laatste jaren kunnen zien bij de liberale partij van voormalig eerste minister Verhofstadt, de Vlaamse socialistische partij en nu zelfs bij de ‘winnaar’ van de verkiezingen, de christen-democratische CD&V van voormalig formateur Yves Leterme, slachtoffer van het kartel met een kleine separatistische Vlaamse formatie, de NVA.
De huidige politieke crisis is het gevolg van de verscherping van de spanningen tussen de ‘regionale’ fracties van de Belgische bourgeoisie tegenover de verdieping van de kapitalistische wereldcrisis. Om het hoofd te kunnen bieden aan de mondialisering, vertegenwoordigen zij inderdaad uiteenlopende richtingen voor de Belgische staatspolitiek:
– De Vlaamse bourgeoisie, als vertegenwoordigster van de economisch sterkere regio en één van de meest presterende van Europa, eist een zelfstandige politiek en economische flexibiliteit om voorin het peloton te blijven door de ballast van de minder presterende regio’s tot een minimum terug te brengen. Het toekennen van belangrijkere bevoegdheden en economische hefbomen aan de regio’s zou het moeten mogelijk maken om de ‘solidariteit’ met de zwakkere regio te beperken en de financiële middelen in te zetten voor haar eigen beter presterende sectoren;
– De Franstalige bourgeoisie, die de regio vertegenwoordigt met meer economische problemen, houdt er in tegendeel aan vast om de vloed van subsidies van de centrale staat in stand te houden en om de mechanismen van de economische ‘solidariteit’ tussen de regio’s maximaal te behouden.
Zowel de verklaringen van bedrijfsleiders als gepubliceerde economische studies wijzen er evenwel op dat de belangrijkste delen van de bourgeoisie de mogelijkheid van een simpele splitsing van het land niet bekijken vanuit een rationeel standpunt. De beschikbare cijfers benadrukken dat de kosten van een dergelijke operatie voor beide partijen erg duur zou uitkomen:
– Voor Wallonië zou de splitsing rampzalig zijn: het stopzetten van subsidies en overhevelingen vanuit Vlaanderen (5,6 miljard euro) zou een onmiddellijke vermindering van 15% tot 20% van de sociale uitkeringen betekenen en een terugval van 4% van de algemene levensstandaard van de bevolking.
– Maar ook voor Vlaanderen zou de weerslag uiteindelijk negatief zijn. Zo zou het de belastingsinkomsten verliezen van 200.000 Vlamingen die momenteel in Brussel werken; het zou ook zijn belangrijkste ‘buitenlandse’ afzetmarkt verliezen voor de verbruikssector (Brussel en Wallonië), terwijl het Brussel zou moeten opgeven dat in meerderheid Franstalig is, en het zou meerdere gemeenten rond de hoofdstad moeten opgeven aan de Franstaligen. Vooral het verlies van Brussel, ‘de motor van economische groei’, zou Vlaanderen duur komen te staan.
Kortom, ook al lijkt het perspectief van een splitsing voor het
ogenblik van de baan te zijn, toch gaat de krachtmeting tussen de twee fracties
door en het maakt de onderhandelingen bijzonder ingewikkeld en de politieke
toestand steeds verwarrender.
De IKS heeft in lengte geargumenteerd dat de ontwikkeling van de ontbinding in geen geval gunstig is voor de ontwikkeling van de klassenstrijd. De recente politieke toestand in België laat zien dat de bourgeoisie haar tegenstellingen gebruikt om de ‘publieke opnie’ te mobiliseren achter alternatieven, die allemaal even nationalistisch en patriottisch zijn. Vooral de zwakste fractie, de Franstalige bourgeoisie, voerde intensieve campagnes. Eind 2006 was er de beruchte ‘politieke fictie’ uitzending op de Franstalige televisie (RTBF) over de splitsing van België. Onlangs werd massaal de driekleurige Belgische vlag uitgehangen en was er een betoging van 35.000 mensen in Brussel ‘voor de eenheid van het land’. De belangrijkste fracties van de Vlaamse bourgeoisie daarentegen (vooral de CD&V van voormalig formateur Leterme) voeren propaganda dat onder druk een verdergaande regionalisering zou kunnen worden opgelegd voor financieel en sociaal beheer. En de meest radicale marginale groepen (rond NVA en Vlaams belang) hebben zelfs laten verstaan dat het uur geslagen had voor de ‘eenheid van alle Vlamingen voor een onafhankelijk Vlaanderen’.
Deze campagnes in België, van ongekende hevigheid sedert de jaren 1960, laat zien hoezeer we gelijk hadden toen we vaststelden dat het proletariaat geen voordeel haalt uit de ontbinding maar dat de bourgeoisie haar problemen handig verhaalt op de arbeidersklasse. Inderdaad:
– Deze campagnes zijn verderfelijk in de mate dat ze zich specifiek richten op een centrale thematiek voor de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, de solidariteit, door die om te buigen in nationalistische en regionalistische richting: de solidariteit tussen alle Belgen, de solidariteit tussen alle Vlamingen of alle Franstaligen.
- Bovendien wordt zo de aandacht van de arbeidersklasse afgeleid van de aanvallen die over haar blijven neerdalen. Die bestaan momenteel vooral uit een ongekende verhoging van de prijzen voor benzine en stookolie, van gas en elektriciteit, net als van vele basisvoedingsproducten.
De verlengde afwezigheid van een kapitein aan het roer van de staat neigt er uiteindelijk toe om de geloofwaardigheid van de Belgische staat en de slagvaardigheid van de nationale economie aan te vreten (de winsten van de bourgeoisie) in de bikkelharde strijd om de markten op internationaal vlak. Het eindeloos rekken van de politieke crisis wekt trouwens de indruk van chaos en het opgeven van de verantwoordelijkheden om de staat te beheren op een moment dat de berichten over de stijging van de bestaanskosten (verwarming, benzine, voeding) en de daling van de levensstandaard zich opstapelen, wat de laatste tijd in de arbeidersklasse sterk bijdroeg tot een gevoel van onvrede. Het is dus allerminst verrassend om juist deze drie punten terug te vinden in de opdracht die de interim regering tot Pasen kreeg, met een ‘beperkt programma’:
– Ter verdediging van het nationaal belang, van de positie die de Belgische bourgeoisie inneemt tegenover de rivaliserende grootmachten, kreeg de regering de opdracht om het imago en de geloofwaardigheid van België in het buitenland op te krikken (ten minste tegenover de twijfel die in talrijke artikelen in de internationale pers is geuit), door het versterken van haar aanwezigheid op Europees vlak en in de internationale missies.
– Voortdurend bedreigd door de scherpe concurrentie tussen de nationale economieën op een verzadigde wereldmarkt, zal de slagvaardigheid van de bedrijven gewaarborgd moeten worden door een versterkte controle op de staatsbegroting, een grotere flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden op de arbeidsmarkt;
– Tenslotte, ook al belooft de regering enkele marginale maatregelen voor het ‘behoud van de koopkracht van de burgers’, zoals daling van accijnzen op energieverbruik en afspraken met de energie- en distributiesectoren om de prijsstijgingen in te tomen, zal het programma vooral dienen om het ‘sociaal overleg’ met de vakbondsorganisaties aan te gaan en er zo voor te zorgen dat deze volop hun rol gaan spelen van het ontmijnen van de toenemende sociale onvrede en om de arbeiders te betrekken bij ‘de inspanning van de burger ter verdediging van het nationaal belang’.
Het is duidelijk dat dit met betrekking tot de levensstandaard van de arbeiders helemaal geen ‘interim’ politiek is, dat dit helemaal geen ‘beperkte’ maatregelen zijn. De golven van aanvallen die sinds enkele jaren op ons afkomen beantwoorden eenvoudigweg aan de overlevingsbelangen van de nationale bourgeoisie om haar aandeel in de wereldmarkt en haar winsten te waarborgen. Wat ook de regering is die het tot Pasen moet rooien, wat ook haar programma moge zijn, watuit ook de communautaire twisten bestaan die ondertussen blijven opduiken, de arbeidersklasse heeft niets te verwachten van de strubbelingen binnen de burgerlijke fracties. In tegendeel, het is door haar strijd, door het versterken van algemene solidariteit in de strijd, dat alleen zij een perspectief zal kunnen ontvouwen tegenover dit wegrottende systeem n
Jos / 29.12.07
(1) zie ook de "Resolutie over de internationale situatie " in de Internationale Revue nr. 130 (in het Engels, Frans en Spaans)
16 November: De huidige staking van de machinisten in Duitsland is een groots voorbeeld van de toegenomen strijdbaarheid en strijdwil van de arbeidersklasse. Al zeven maanden zwelt nu het conflict aan rond looneisen van de machinisten en een deel van het treinpersoneel. Al zeven maanden proberen de Duitse Spoorwegen (Deutsche Bahn) om met dreigementen, met represailles en krachtpatserij de personeelsleden te intimideren. Al zeven maanden maken de media stemming tegen de stakers. Al zeven maanden proberen gerecht en politici om diegenen die zich verzetten, het staken te verbieden of het hen af te raden. Al zeven maanden voeren de vakbonden die niet aan de staking deelnemen hetze tegen de strijdenden, en dat op een manier, die op het gebied van vijandigheid en verachting alles in de schaduw stelt, wat de werkgevers en de politici toe nog toe hebben uitgehaald. Al zeven maanden probeert de GDL (Duitse machinistenvakbond) de strijdbaarheid van de machinisten af te remmen, ze tot symbolische actie te beperken, waarbij deze nauwelijks een gelegenheid voorbij laat gaan om te betreuren, dat het er voor de GDL in de eerste plaats niet gaat over loonsverhogingen of arbeidsvoorwaarden van de machinisten, maar om het recht van een eigen vakbond, die afzonderlijke CAO’s kan afsluiten.
Maar de spoorweglieden hebben zich niet murw laten maken. Nu, na zeven maanden, hebben ze de grootste spoorwegstaking uit de naoorlogse geschiedenis van Duitsland op gang gebracht. Drie dagen lang werd het goederenverkeer gestaakt, twee dagen lang het personenvervoer in heel Duitsland. De gevolgen: één derde van alle lange afstandstreinen en de helft van alle regionale treinen vielen uit. In het oosten reed slechts 10% van de treinen. In de zeehavens begonnen de containers zich op te stapelen, en bij Audi in Brussel lag de lopende band stil omdat onderdelen uit Slowakije in het oosten van Duitsland bleven.
Toegegeven: de verwachte ‘grote chaos’ bleef uit. Geen wonder! De chaos die was aangericht, was het werk van slechts 6.000 machinisten en begeleiders, terwijl de leden van de andere vakbonden door hun zogenaamde belangenverdediging afgehouden werden van de staking, terwijl het treinpersoneel dat nog als ambtenaar werkt, moest vrezen voor de zwaarste represailles van ‘vadertje staat’ als ze aan de staking zouden deelnemen.
Het belangrijkste van deze staking – en uiteindelijk van iedere staking – is niet de mate waarin die chaos veroorzaakt, maar de mate waarin hij in staat is een perspectief te bieden tegenover de chaos waarin het kapitalisme de mensheid heeft gestort.
De staking bij de Duitse spoorwegen heeft niet enkel de strijdwil van
de loonafhankelijken aangetoond, hij liet de strijdvaardigheid van onze hele
klasse zien. Hij heeft de hele maatschappij er weer aan herinnerd dat wij in
een klassenmaatschappij leven, waarin alles afhangt van de arbeid van de
rechteloze, eigendomsloze werkende bevolking. De vertwijfelde toestand van de
spoorweglieden, die ze er toe dwingt zich te verweren, maakt duidelijk dat deze
klasse van de maatschappij niet alleen slecht behandeld wordt maar ook
uitgebuit. Tegelijk laat hij ook de potentiële macht van deze klasse zien, die
voortkomt uit het feit dat de loonafhankelijken door hun arbeid de hele maatschappij
op hun schouders torsen. Bovendien zijn deze producenten niet van elkaar
gescheiden, maar met elkaar verbonden door de productie, het transport en de
maatschappij. Na de val van de Berlijnse Muur gold: Het idee van de
klassenmaatschappij, van de klassenstrijd, van het socialisme, stamde uit een
arbeidersbeweging van de negentiende eeuw – met één woord: de ideeën van het
marxisme – zouden dood en begraven zijn, leve de klasseloze
prestatiemaatschappij. Nu begint het voor velen te dagen: wij leven in een
klassenmaatschappij. De klassenstrijd leeft.
De levende klassenstrijd van de spoorweglieden is ook daarom zo belangrijk, omdat door de afhankelijkheid van de moderne maatschappij van haar transportmiddelen, deze staking niet doodgezwegen kon worden. Iedereen wordt er door geraakt. Iedereen voelt zich genoodzaakt om stelling te nemen. Zo draagt deze strijd er in niet geringe mate toe bij om de sociale stemming in de maatschappij te veranderen. Daarbij zijn er twee gegevens van bijzonder belang.
Toevallig werd er in Duitsland en Frankrijk bij het spoor tegelijk
gestaakt. Dat het links van de Rijn ging om pensioenen, rechts van de Rijn om
lonen en arbeidsvoorwaarden, toon alleen aan hoe omvattend de aanvallen van het
kapitaal vandaag zijn. Maar de gelijktijdigheid van de stakingen laat vooral
zien dat de strijd van de arbeidersklasse werkelijk internationaal is, zoals
het Manifest van de Kommunistische Partij van Marx en Engels het ooit
formuleerde (“Proletariërs aller landen verenigt U”). In Duitsland
probeert de GDL de toestand van de spoorweglieden in Duitsland als uitzondering
voor te stellen. De lonen van de machinisten bij de Duitse Spoorwegen zouden in
vergelijking met Europa schrikwekkend laag zijn. Vandaar dat men deze
bedrijfstak bijzondere toeslagen zou kunnen toekennen, zonder daarbij de
algemene noodzaak te betwijfelen om de loonafhankelijke de broekriem te laten
aanhalen. In Frankrijk daarentegen beweerde de regering Sarkozy, dat de Franse
spoorweglieden een bevoorrechte minderheid zouden zijn, die men rustig kon
aanmanen om tot aan hun pensioen langer te werken. Maar juist de internationale
omvang van de klassenstrijd maakt duidelijk hoe alle arbeiders wereldwijd met
dezelfde verregaande maatregelen geconfronteerd worden.
Anderzijds is de populariteit van de staking bij de Duitse spoorwegen
onder de bevolking aanzienlijk. De mediameesters zelf zijn ontzet over dit
feit. Hoe kan het toch dat een kleine groep, die wezenlijke uit maar één
beroepstak bestaat, naar men beweerd, loonsverhogingen tot aan 31% eist, en
daartoe een staking organiseert die de werkende bevolking, vooral de forenzen,
treft – en daarbij ook nog zo zoveel sympathie krijgt? Op de derde stakingsdag
gaf een spoedenquêtes door de ARD (Duitse radio en televisie) aan dat 61% van
de ondervraagden instemde met de staking, ondanks alle last en hetze van de
heersende klasse!
Aangesproken op dit raadsel gaf de redactiechef van de Duitse staatstelevisie, de ARD, afdeling politiek, het volgende antwoord: “De stemming onder de bevolking is de laatste jaren ‘omgeslagen’. Tot zover werd de noodzakelijkheid van de ‘loonmatiging’ aanvaard, ook al was het met tegenzin. Ondertussen is er echter een wijdverspreide ergernis ontstaan en een ‘gevoel van ongerechtigheid’ ten overstaan van de toenemende kloof tussen arm en rijk. Men juichte de staking van de spoorweglieden derhalve toe omdat men deze als het ware als voorvechters beschouwt, die men zelf het liefst zou navolgen. En terwijl de ‘politiek’ reeds langer een algemene en groeiende afkeuring had ervaren tegenover de aanvallen op de sociale voorzieningen voor de werklozen (die ze nu door middel van kleine corrigerende maatregelen probeert te paaien), heeft men tot op heden onderschat hebben hoe groot de onvrede is geworden, vooral ten opzichte van de loonontwikkeling van de laatste jaren.”
De goede man heeft gelijk. Juist hier ligt het brandpunt van de staking: dat wat vele commentatoren de paradox van de strijd van de spoorweglieden hebben genoemd. De GDL, als organisator van de staking, propageert openlijk het afzien van de solidariteit binnen de arbeidersklasse. Iedere beroepscategorie moet op zichzelf strijd voeren. Het staat voor een trend die in het naoorlogse Duitsland relatief nieuw is, maar internationaal overvloedig bekend is: de trend naar sectorale vakbonden. Na de vereniging Cockpit voor de piloten en de Marburgse bond voor kliniekartsen komt nu de GDL op de proppen, met de belofte van een hemel op aarde voor de machinisten. Hun motto, dat open en bloot wordt uitgebazuind, luidt: “Wat de andere beroepen betreft, dat gaat ons niks aan!” De eenheidsvakbonden de DGB, op hun beurt hitsen, in naam van ‘éénheid’ en ‘solidariteit’, op tegen de stakende piloten, kliniekartsen of machinisten en schelden ze uit voor ‘bevoorrechten’, ja voor vijanden van de andere beroepsgroepen. Wat er achter deze trend naar sectorale vakbonden schuilgaat is het volgende. Enerzijds probeert men de arbeiders die zich in hele drommen afkeren van de bestaande vakbonden op te vangen in ‘alternatieve’ vakbonden, opdat de arbeidersklasse niet opnieuw zou beginnen, zoals in de jaren na 1968, om zelfstandig en zelfgeorganiseerd te strijden. Tegelijk wil men de loonafhankelijke voor de valse keuze plaatsen van inlijving bij de sociaal-democratische éénheidsvakbonden enerzijds of anderzijds bij de geïsoleerde niet solidaire acties onder regie van de sectorale vakbonden. Dat de SPD en de DGB knorrig reageren op de nieuwe macht van de sectorale vakbonden, omdat ze leiden tot een verzwakking van de eigen macht en voorrechten binnen het staatsapparaat, verandert niets aan het feit dat deze valse keuze tussen twee vakbondsvormen, de gehele heersende klasse ten goede komt in haar strijd tegen de arbeidersklasse. Het verleent in tegendeel deze keuze – en momenteel vooral dat van de sectorale vakbond – extra geloofwaardigheid.
Dat de heersende klasse met deze houding succes kan boeken bewijst de opkomst van de GDL. Als men echter nauwkeuriger toekijkt, dan merkt men de werkende bevolking niet wordt gedreven door de droom van los van elkaar strijdende beroepsgroepen – wat voor de arbeiders een nachtmerrie zou zijn. Achter de staking van de spoorweglieden tekent zich een groeiend gevoel af van arbeiderssolidariteit. Alleen het feit dat niet enkel de machinisten, maar ook de treinbegeleiders overgingen naar de machinistenvakbond, toont aan dat het er bij de betrokkenen niet gaat om beroepsverwaandheid, maar om een zoeken naar alternatieven voor de bestaande vakbonden. En de sympathie voor de spoorwegstaking onder de bevolking toont hetzelfde. Wat de arbeidersklasse nog onzeker en tastend zoekt, zal zij niet vinden bij (om het even welke) vakbond, maar wel in de gemeenschappelijke, solidaire strijd.
Dit aftasten, dit potentieel achter het verzet tegen de
kapitalistische aanvallen, mag de ogen niet sluiten voor het feit dat de
strijdende spoorweglieden door de vakbonden in een tactisch isolement zijn
gedreven. Zij moeten nu, zonder de grote meerderheid van de collega’s bij het
Duitse spoor, geïsoleerd en afgeschermd van andere delen van hun klasse, hun
strijd uitvechten. Het komt er nu op aan om initiatieven te ontwikkelen, om aan
dit isolement het hoofd te bieden, doordat men in gesprek gaat met andere
spoorwegbeambten, doordat men de werkende bevolking niet langer beschouwt als
‘treinklanten’, zoals de GDL dat doet, maar als medestrijders, die als
loonafhankelijken allen dezelfde belangen hebben. De spontane sympathie van de
bevolking toont aan hoe volkomen fout het zou zijn om de strijd tegen de
hongerlonen en slechte arbeidsvoorwaarden als een bijzonderheid van het spoor
te op te vatten. Wanneer de heersenden de laatste weken geleerd hebben om bang
te worden voor de strijd van de spoorweglieden en zij er nu niet langer mee
dreigen om een stakingsverbod af te kondigen, dan is dat vooral omdat ze weten
dat zich daarachter een algemene ontevredenheid van de arbeidersklasse ophoopt.
Bovendien moet men waakzaam zijn voor wat de ‘tariefrondes’ aan ‘oplossingen’ bekokstoven op kosten van de betrokkenen.
Voor de gehele arbeidersklasse komt het er op aan een voorbeeld te nemen aan de strijdvaardigheid van de spoorweglieden, opdat er uit een geïsoleerde botsing geleidelijk een meer algemene en solidaire strijd zou kunnen ontstaan .
IKS / 16.11.2007
De staking van de transportarbeiders (SNCF en RATP) die op 22 november is geëindigd heeft zich gelijktijdig afgespeeld met de strijd van de studenten tegen de wet ‘van de autonomie van de universiteiten’, die mikt op aanscherpen van de ongelijkheden van de kinderen van de arbeidersklasse en die van de bourgeoisie. Zij is het eerste betekenisvolle antwoord van de arbeidersklasse in Frankrijk op de aanvallen van de regering Sarkozy/Fillon/Pécresse en consorten.
De ontmanteling van de speciale pensioenregimes was slechts een begin, aangezien de regering duidelijk heeft aangekondigd dat de verlenging van de duur van de pensioenbijdragen op den duur voor iedereen gaat gelden. In die zin, en de pers is daarover duidelijk genoeg geweest, was het voor de bourgeoisie van het grootste belang dat ze erin zou slagen om deze aanval erdoor te drukken omdat die anders het succes van alle volgende in twijfel zou trekken. Om die reden hebben de transportarbeiders de hervorming verworpen en eisten niet alleen het behoud van hun speciale regimes, maar ook de afschaffing van dat ‘voorrecht’ dat alleen de arbeiders in concurrentie tegen elkaar kan opzetten. Het ordewoord van de spoormannen en de arbeiders van de RATP was dus: ’37,5 dienstjaren VOOR IEDEREEN’!
De aanval op de speciale regimes is het voorwerp geweest van een consensus van alle krachten van het kapitaal. De PS heeft het trouwens niet onder stoelen of banken gestoken: zij heeft duidelijk bevestigd dat ze vóór de hervorming is. Het enige ‘meningsverschil’ met de regering ging over de vorm (hoe ze erdoor te drukken) en niet over de inhoud. Om deze aanval door te voeren en het terrein voor te bereiden voor wat nog gaat komen, moest de bourgeoisie een reusachtige manoeuvre opzetten om de arbeidersklasse te nekken en haar bij te brengen dat ‘strijd niet loont.’ En om die boodschap ingang te doen vinden heeft de heersende klasse zich ook tot doel gesteld om alle lessen van de strijd van de jongere generaties tegen de CPE (eerstebaan-contract) in de lente van 2006, uit het geheugen van de proletariërs te wissen.
De bourgeoisie wist dat deze gewelddadige overgang zou botsen op het verzet van de arbeidersklasse. Dat werd bevestigd op de actiedag van 18 Oktober (die door regering en vakbonden werd gebruikt ‘om de temperatuur op te nemen’) waarbij een zeer sterke strijdbaarheid opviel: een recorddeelname aan de vervoersstaking en, desondanks een belangrijke deelname aan de betogingen van arbeiders uit alle sectoren. Te voet, met de fiets of gebruik makend van ‘car-pooling’, wilde men zijn afwijzing van de regeringsmaatregelen tonen.
Om deze strijdbaarheid te breken, is de bourgeoisie in twee etappes te werk gegaan.
Tegenover de wil van de arbeiders om de staking na de actiedag van 18 oktober voort te zetten, heeft de CGT uit alle macht afgeremd en gezegd: ‘Eén dag en niet meer’, en een tweede actiedag aangekondigd op 13 november. Het doel van 18 oktober was ‘stoom aflaten’ om te vermijden dat de stoomketel zou ontploffen. Daardoor werd de staking van 13 november, ondanks zijn talrijke deelname, minder opgevolgd dan die van 18 oktober.
Om de nek te breken van de arbeiders en toekomstige strijd te verhinderen heeft de bourgeoisie een klassieke strategie aangewend (die haar degelijkheid had bewezen in de jaren 1980 en 1990): zij heeft één sector ‘uitgekozen’ als doelwit, om haar manoeuvre te ontwikkelen, die van het transport en voornamelijk de SNCF. Een sector die getalsmatig relatief klein is en waarvan de staking niets anders dan een bepaald ongemak kon veroorzaken voor de andere arbeiders (de ‘gebruikers’). Het beoogde doel was om de transportstaking onpopulair te maken met de bedoeling om de ‘gebruikers’ op te zetten tegen de stakers. De tweede reden waarom de bourgeoisie beslist heeft om specifiek die sectoren aan te vallen die beschikten over een ‘speciaal regime’, is omdat bij de laatstgenoemden de vakbonden (en voornamelijk de CGT) erg sterk staan. Die zouden in staat zijn om een veel grotere controle te behouden over de strijdbaarheid en te vermijden dat ‘het uit de hand liep’. Tenslotte lag de derde reden, die de keuze rechtvaardigde van de ‘geviseerde’ sectoren, in het feit dat ze traditioneel bijzonder sterk doortrokken zijn van een corporatistische geest (voornamelijk bij de SNCF), die altijd op peil werd gehouden door de vakbonden.
De bourgeoisie moest spelen met ‘weinig manoeuvreerruimte’ want zij
heeft de aanvallen gelijktijdig doorgevoerd tegen alle sectoren van de
arbeidersklasse (medische franchise, de wet Hortefeux, de wet op de
‘zelfstandigheid’ van de universiteiten, speciale regimes voor gepensioneerden,
prijsverhogingen, schrappen van arbeidsplaatsen in de Openbare Diensten en
vooral bij het nationale onderwijs, enz.). De heersende klasse heeft zich er
dus op voorbereid om het hoofd te bieden aan een gelijktijdigheid van strijd in
verschillende sectoren. In het bijzonder de studenten waren al gemobiliseerd
toen de transportarbeiders in strijd gegaan zijn.
Het manoeuvre van verdeling en opdeling van de strijd moest zich dus afwikkelen volgens een zeer precieze agenda:
- de actiedag van de ambtenaren van 20 november moest niet alleen als ‘veiligheidsklep’ dienen tegenover de opkomende ontevredenheid in hun rangen, maar ook als een begrafenisdag voor de staking van de spoormannen en de arbeiders van de RATP; de ‘nationale rouwdienst’ als het ware;
- iedere vakbond moest zijn eigen partijtje in dit concert meeblazen. Eerst moest er tot aan de actiedag van 18 oktober, aan de spoormannen een gevoel van ‘kracht’ gegeven worden door de kaart uit te spelen van de éénheid van alle vakbonden. Na deze actiedag zijn de vakbonden begonnen om de kaart van de verdeling uit te spelen. Het was aan het FGAAC (de strikt corporatistische vakbond van de treinbestuurders) om de eerste stappen te zetten: het tekende een afzonderlijk akkoord alleen voor de treinbestuurders en riep op tot werkhervatting. Het ging erom tweedracht te zaaien bij de spoormannen. In bepaalde depots barstten de treinbestuurders uit: “De autonomen hebben ons in de kou gezet !”. Deze eerste slag onder de gordel werd door de media flink in de verf gezet;
- de tweede klap werd toegebracht aan de vooravond van de staking die van start ging op 13 december. Toen de spoormannen en de arbeiders van de RATP het verdelingsmanoeuvre begonnen te snappen (en 37,5 werkjaren eisten voor IEDEREEN’!), kondigde Bernard Thibault, de algemeen secretaris van de CGT aan dat hij afzag van een globale onderhandeling voor alle sectoren, die te maken hadden met de speciale regimes en stelde voor om per bedrijf te gaan onderhandelen. Deze smerige slag kon het verzet van de spoormannen alleen maar verzwakken;
- het derde bedrijf kon toen van start gaan: het vakbondsfront viel uit elkaar, voornamelijk door de oproep tot werkhervatting vanwege het CFDT, maar ook door de breuk tussen de CGT, de meerderheid, die (zonder veel ophef) de overgang aanvaardde naar de 40 werkjaren en de ‘radicale’ vakbonden, Sud en FO, die verder gingen met de eis tot intrekking van deze maatregel. Tezelfdertijd, beweerde Fillon, de eerste minister, dat er geen sprake van kon zijn om op de 40 werkjaren terug te komen en eiste daarbij bovendien de werkhervatting als voorwaarde voor het opstarten van de onderhandelingen. Deze politiek van een meesterafperser is niet nieuw: de stakers worden eerst opgeroepen om de wapens neer te leggen (en de ‘wet van de sterkste’ te aanvaarden) vooraleer er ‘onderhandeld’ wordt over een paar kruimels. Het is onaanvaardbaar voor de strijdende arbeiders, maar dat stelde de vakbonden in staat om ‘de opening van de onderhandelingen’ voor te stellen als een eerste overwinning. Daar hebben wij te maken met een ‘grote klassieker’ bij de taakverdeling onder bazen en vakbonden. In werkelijkheid zijn de dobbelstenen vervalst, aangezien de vakbonden en de bazen niet wachten op de officiële ‘onderhandelingen’ om voortdurend achter de rug om van de arbeiders te discussiëren: het gaat er namelijk voor de vakbonden om, aan de bazen verslag uit te brengen van de ‘temperatuur’, om samen beter te kunnen uitzoeken hoe er gemanoeuvreerd moet worden. Bij deze laatste strijd, vielen deze manoeuvres zo overduidelijk op dat ze zelfs in detail vermeld werden door bepaalde persorganen van de bourgeoisie! (1)
Om die reden was het opstarten van de ‘onderhandelingen’, die verdaagd waren tot na 21 november, na de stakingsdag van de Openbare Diensten, totaal onzinnig. Wanneer de CGT en de regering het begin van de officiële discussies vooruit geschoven hadden, dan was dat niet alleen opdat deze actiedag zou kunnen dienen als begrafenis voor de staking van het Parijse vervoerspersoneel en van de spoormannen, maar ook om de beweging zodanig te ‘rekken’ dat ze zou gaan ‘rotten’, door de ene arbeiders op te zetten tegen de andere, en dat alles tegen de achtergrond van een mediacampagne die de stakers criminaliseert.
Van deze ‘onderhandelings’ tafel, kwam de CGT terug met de aankondiging van ‘belangrijke vooruitgang’, met het opstellen van een ‘onderhandelingsagenda’ tot… 20 december. De besprekingen een maand lang verdagen, stond gelijk aan een signaal tot werkhervatting: de spoormannen waren natuurlijk niet bereid om hun beweging nog 4 weken langer te laten duren. De CGT, de meerderheidsvakbond bij de spoormannen, kondigde aan dat hij de algemene vergaderingen ‘zelf zou laten beslissen’. Hij riep niet officieel op tot werkhervatting, maar het leek er hard op.(2)
Van hun kant riepen Sud en FO er eerst toe op om de beweging voort te zetten, aangezien aan de voornaamste eis, het behoud van de 37,5 dienstjaren, niet was voldaan.
Maar de werkhervatting zette zich bij de SNCF depot na depot door, en lijn na lijn bij de RATP. De oppositie tussen de ‘gematigde’ en de ‘radicale’ vakbonden is niks nieuws en is ook helemaal niet geïmproviseerd. Het is een oude tactiek die zeer doeltreffend is gebleken in alle arbeidsconflicten sinds het einde van de jaren 1960. Een tactiek waar reeds in 1968 mee geëxperimenteerd is (en die zowel de ‘oude wijze’ Chirac als de ex-maoïst Kouchner zich perfect herinneren). Zo heeft de meerderheidsvakbond, de CGT, op het einde van de beweging van de arbeidersklasse in 1968, al de ‘gematigde’ rol gespeeld door op te roepen tot werkhervatting. En het was de minderheidsvakbond, de CFDT (!), die toen de eer had om de ‘radicaal’ uit te hangen door zich te verzetten tegen de werkhervatting. De ervaring van de arbeiders van de oude generatie toont aan dat het niet is omdat een vakbond ‘radicaler’ is, dat hij niet deelneemt aan de verdeel- en heers manoeuvres. Het is niet omdat men ‘tot het bittere eind wil doorgaan’ dat men de belangen verdedigt van de arbeidersklasse. Wat echter de kracht uitmaakt van de arbeiders, zijn niet langdurige minderheidsbewegingen waarbij men onnodig zijn energie en enorm veel geld verspilt, terwijl de verdeeldheid in de hand wordt gewerkt (tussen diegenen die werken en diegenen die niet aan het werk gaan) en wrok van diegenen die gestreden hebben met het gevoel dat de anderen hebben laten ‘stikken’. De kracht van de arbeiders bestaat in de eerste plaats uit haar éénheid.
Het is de massale uitbreiding van de beweging en niet de opsluiting van een minderheid in een ‘staking tot de finish’ (die bepaalde arbeiders tot wanhoopsdaden kan drijven, zoals het saboteren van werktuigen, wat op zijn beurt weer de deur openzet voor het criminaliseren van de stakers). In alle sectoren, de openbare even goed als de privé (en bij de studenten), zullen de proletariërs noodzakelijkerwijze tot het inzicht komen dat het ‘radicalisme’ van de minderheidsvakbonden die geïsoleerde acties voorstellen, hen niet tot ‘echtere verdedigers van de arbeidersklasse’ maakt dan de oproepen tot werkhervatting van de grotere en invloedrijkere centrales.
Dit gigantisch manoeuvre dat mikte op het nekken van de arbeiders, werd
bekroond met de planning van de begrafenisbetoging van 20 november die 750.000
arbeiders op de been bracht. De strategie van de vakbondsleidingen bestond er
uit om de arbeiders van de Openbare Diensten op te roepen om op straat te komen
uit protest tegen de vermindering van de effectieven en de daling van de
koopkracht, terwijl zij tegelijkertijd hun mobilisering saboteerden. Zo hebben
de vakbonden oproepen tot deelname aan deze betoging gelanceerd in pamfletten
die op de werkvloer zijn toegekomen… na 20 november! In het merendeel van de
hospitalen, hebben zij zich zelfs de moeite niet getroost om uur en plaats van
afspraak mee te delen. Om te weten te komen of deze betoging al dan niet zou
plaatsvinden moest men zijn plan trekken en de informatie bijeen scharrelen (op
het Internet, in de kranten of van mond tot mond). Vanwaar een dergelijke
sabotage? Omdat de ‘thermometer’ aanduidde dat de temperatuur in de Openbare
Diensten was gestegen. De staking van de spoormannen en de arbeiders van de
RATP, was verre van onpopulair (ondanks alle campagnes die verspreid werden op
de TV) en won steeds meer sympathie bij de ‘gebruikers’. De media en de
regering (met hun steeds meer ‘gespierde’ verklaringen, die werden afgewisseld
met belachelijke toelichtingen over de universiteitsrectoren, die de studenten
er van beschuldigden ‘Rode Khmers’ te zijn) hebben zeer weinig effect gehad.
Hoe meer de regering de stakers dreigde met de wapenstok, des te meer sympathie
de staking opwekte (en zelfs het gevoel dat men ‘solidair’ moest zijn en zich
niet moest laten ‘inpakken door de mediamanipulatie in dienst van Sarkozy’).
Aan de andere kant was het gezigzag van Thibault zo overduidelijk dat hij
overal doorging voor de grote ‘collaborateur’ van dienst, voor de ‘verrader’.
(3) De vakbonden moesten de mobilisering van de ambtenaren saboteren, om te
vermijden dat alle sectoren van de Openbare Diensten zij aan zij en eensgezind
de straat op zouden gaan. In tegenstelling daartoe hadden alle vakbonden van de
nationale politie hun troepen maximaal gemobiliseerd (4): op 20 november was
het de allereerste keer dat men zoveel politie zag betogen in Parijs.(5)
Bovendien hadden de vakbondsleidingen (die deze betogingen in overleg met de
politiebureaus hadden georganiseerd) er voor gezorgd om de stoet van de
smerissen helemaal in het midden van de betoging te plaatsen. Zo waren er veel
arbeiders en studenten, die niet wilden betogen achter de repressiekrachten en
verkozen om niet mee te doen aan die maskerade, op het trottoir blijven staan.
Het was in het bijzonder een probaat middel om de studenten, die men bovendien
nog verplicht had om drie uur lang in de stromende regen te staan trappelen, te
ontmoedigen om zich ‘aan te sluiten’ bij de loontrekkers.
Tijdens zijn tussenkomst op TV van 29 november, bracht de ‘alomtegenwoordige president’ Sarkozy “hulde aan alle sociale partners”, en begroette hij de vakbonden voor hun “verantwoordelijkheidszin” en preciseerde hij dat hij “ze nodig had voor de hervormingen” (6) (in klare taal: dat hij ze nodig heeft om alle aanvallen die gepland zijn voor 2008 tot een goed einde te brengen). Hij wist waarover hij het had en voor één keer zullen wij niet zeggen dat hij loog.
De staking van de transportarbeiders in november 2007 is eens te meer een bevestiging van wat de revolutionairen sinds tientallen jaren zeggen: ALLE vakbonden zijn organen voor de belangenverdediging, niet van de arbeidersklasse, maar van de bourgeoisie .
Sofiane / 30.11.2007
(1) Zie Marianne nr. 553: ‘Waarom Sarkozy de CGT wil redden’. Chérèque, de baas van de CFDT, is zelf uit de school geklapt: “Er bestaat een vorm van samenwerking tussen regering en de CGT om de spierballen te laten rollen. Het is waar dat zijn eigen troepen moeilijk aanvaarden dat hij (de CGT) de rol van ‘verrader’ heeft gespeeld”.
(2) Eén van de reden waarom de beweging niet werd ‘afgelast’ (zoals Bernard Thibault zei), berustte in het feit dat de CGT ‘vooruitgang’ heeft ‘bedongen’ over de werkdruk en enkele kruimels heeft verkregen: loonsverhogingen op het einde van de loopbaan (dat houdt geen steek: tegen die tijd weet iedereen dat de lonen en de koopkracht nog gaan dalen!). Dat was nog eens een oplichterij om de werkhervatting te rechtvaardigen en te proberen om de meubels te redden, want de bourgeoisie heeft de CGT nog altijd nodig. Zou de regering niet bereid zijn geweest om dit aalmoes ‘toe te geven’, dan zou de CGT niet hebben kunnen rondbazuinen:: “er is vooruitgang geboekt”. En deze grijpstuiver was al op voorhand afgesproken, via telefoontjes die bestemd waren om de maatregelen op punt te stellen en zodanig aan te passen dat de CGT zijn ondermijningswerk kan voortzetten. Zo had Thibault al vóór de ontmoeting tussen de CGT en de regering de werkhervatting aangekondigd. Dat toont duidelijk aan dat de verklaringen van de regering en de bazen tijdens de ‘onderhandelingen’ doorgestoken kaart waren!
(3) Dit te meer daar afvaardigingen van studenten zowat heel Parijs en de rest van het land doorkruist hebben met de oproep zich “aan te sluiten” bij de loontrekkers opdat er een “samengaan van de strijd zou komen”.
(4) De studenten hebben geen enkele afvaardiging gestuurd naar de politiecommissariaten en andere diensten van het ministerie van Binnenlandse Zaken om “aansluiting” te zoek bij de smerissen, want zij hebben zelf ondervonden dat de politieambtenaren niet aan hun kant staan.
(5) Zelfs de rechtse vakbond ‘Alliance’, die dicht bij de UMP aanleunt (en die de Marseillaise aanhief aan het begin van de betoging) was massaal aanwezig, aan de zijde van de vakbond UNSA (dicht bij de PS).
(6) Alle citaten zijn te vinden op de website van Le Monde (‘www.lemonde.fr [79]’).
Op 17 oktober verleende het Turkse parlement met overgrote meerderheid aan het Turkse leger het recht Koerdische guerrilla's van de PKK tot aan hun bases in Noord Irak te achtervolgen. Vier dagen later werden 13 Turkse soldaten gedood in een hinderlaag van de PKK. Daarmee werden de vlammen van de reeds begonnen oorlogscampagne verder aangewakkerd. Nationalistische betogingen, sommige bijzonder groot, werden over heel Turkije georganiseerd, volop gesteund door het leger, de politie en de meerderheid van de politieke partijen, de vakbonden, de media en het onderwijssysteem. Elke burger werd ertoe aangezet de Turkse vlag uit te hangen en die mee te nemen naar voetbalwedstrijden. Winkels en overheidsgebouwen wedijveren met elkaar om de grootste vlaggen aan hun gevels.
Voor de Turkse heersende klasse maakt dit deel uit van de ‘oorlog aan het terrorisme’ die natuurlijk het VS-waarmerk draagt. Maar de Amerikaanse bourgeoisie, die Turkije beschouwt als een sleutelpion in haar militaire strategie voor het Midden Oosten, is toch niet helemaal gelukkig met die nieuwe ontwikkeling. Net voor de beslissing van het Turkse parlement wierp de Democratische meerderheid in het US Congres de voor Turkije hoogst netelige kwestie op van de slachting van de Armeniërs in 1915. De Republikeinen, met Bush op kop, waarschuwden ertegen de woede van Turkije op te wekken door deze moordpartij te omschrijven als een vorm van ‘genocide’. Maar na de stemming van 17 oktober in het Turkse parlement heeft Bush zelf ervoor gewaarschuwd dat een escalatie van de Turkse aanwezigheid in Noord Irak (zoals Bush zelf liet verstaan beschikt het Turkse leger daar al over heel wat manschappen) de breekbare stabiliteit zou kunnen ondermijnen van de autonome Koerdische regio, de enige ‘veilige haven’ in Irak sinds de Amerikaanse invasie en het omverwerpen van Saddam het land in complete ontreddering gebracht hebben. De Turken beschuldigen de Koerdische partijen die de streek besturen ervan de PKK te dulden en te helpen, en hoewel mensen als Barzani en Talabani (de voornaamste Koerdische leiders in Irak) de PKK gemaand hebben haar aanvallen stop te zetten, blijft de situatie uiterst gespannen. Barzani heeft bijvoorbeeld verklaard dat de regering van Koerdisch Noord Irak, met haar intacte groepen peshmerga strijders, zich zeker zouden verdedigen, ook al willen zij geen partij zijn in enig conflict.
Deze sluimerende oorlog aan de Turks-Iraakse grens is weer een ander hoofdstuk in de horror story die nu al open oorlog in Irak, Afghanistan, Libanon en Israël/Palestina omvat en die de dreiging inhoudt van een uitbreiding van de oorlogsconflicten in Iran en Pakistan. Met het oog op dit verder afglijden in barbarij en chaos hebben de kameraden van de EKS (Internationalistische Kommunistische Linkerzijde) in Turkije de internationale stellingname uitgebracht die we hieronder afdrukken. Ze hebben dit pamflet samen met hun recente bulletin ‘Night Notes’ verdeeld, waarin ze melding maken van de strijdbare staking bij Türk Telekom, en waarin ze aangeven dat dergelijke strijd het enige alternatief is tegenover militarisme en oorlog.
De kameraden van de EKS komen tussen in een atmosfeer van door de staat opgewekte hysterie, in een land waar politieke moord (zoals iedereen weet die Orhan Pamuks boek Sneeuw kent) al een lange traditie kent. Ze verdienen de solidariteit en steun van de revolutionairen over de hele wereld.
Amos / 31-10-07
Het EKS-pamflet
Het komt omdat de burgerlijke staat in een situatie van crisis verkeert die gedurende lange tijd niet zo overduidelijk zichtbaar was. De fundamentele economische oorzaak ervan is het feit dat de arbeiders in Turkije de bourgeoisie niet langer hun bloed laten zuigen. En alsof dat nog niet genoeg is beginnen ze zelfs weerstand te bieden, zoals onlangs bij Turkish Airlines, of nu nog sterker in de stakingen bij Türk Telekom en Novamed. Toenemende internationale schuld, kapitaal dat met de dag fictiever wordt, de toenemende broosheid van de ‘geldmarkten’ - de arbeiders krijgen de gevolgen van dat alles te dragen. De bourgeoisie spuit nu racisme om deze situatie te laten voortduren; de Koerdische arbeiders worden tegen een lagere prijs uitgebuit en de Turkse arbeiders mogen in miserie op straat creperen. Het politieke gevolg van die situatie zijn de strijdkreten die we alsmaar weer horen, maar die niets oplossen. De ideologische muren van de burgerlijke staat barsten elke dag wat verder open. Hoe meer de arbeiders het geweld dat ze ondergaan in vraag stellen, hoe meer het kapitaal de samenleving in verval, ontaarding en ontbinding stort, en hoe meer het zijn sociale legitimatie verliest waaraan het zijn betekenis ontleende. Het antwoord van de burgerlijke politici op de meest recente moordpartij is de volgende: Voor de nationalistische vleugel van de bourgeoisie is de kwestie zoals steeds de ‘samenzwering’ die door de Verenigde Staten op touw gezet wordt. Volgens hen zal ‘de terreur uitgeroeid worden’ als het Turkse leger Irak binnenvalt. In feite is het pas drie jaar geleden dat de Verenigde Staten zelf arbeiderskinderen uit Turkije andere arbeiders in Irak wilden laten bevechten. Maar de Turkse bourgeoisie was toen niet in staat dit te doen omdat ze de arbeiders er niet van kon overtuigen de oorlog in te gaan en ook vanwege haar eigen onvermogen en zwakheid. De waarheid is dat de Turkse bourgeoisie zich altijd op één lijn gesteld heeft met de Verenigde Staten en dat de Turkse strijdkrachten klaarstaan om arbeiders te vermoorden in Libanon of Afghanistan, als dat nodig is. Dus in tegenstelling tot de leugen die de nationalistische vleugel van de bourgeoisie aan de arbeiders wil verkopen, is er geen belangenconflict tussen haar en het Amerikaanse imperialisme. Wel integendeel: er is een gemeenschappelijk belang en de Turkse strijdkrachten zijn de gewapende uitvoerders van dat verbond. Bovendien zal elke moordpartij die in Noord Irak begaan wordt meer soldaten doen sneuvelen en meer ‘burgers’ dwingen in concentratiekampen te leven of op de slagvelden vermoord te worden, maar ook zal ze beantwoord worden met meer bommen die in de grote steden zullen ontploffen.
De islamitische en de liberale vleugel van de bourgeoisie zijn zoals gewoonlijk niet erg betrouwbaar in hun steun aan de oorlog. Het feit dat ze twijfels hebben over de manier waarop de ‘operatie’ uitgevoerd zal worden betekent natuurlijk alleen dat ze proberen de toestemming van de Verenigde Staten te krijgen. Daarvoor hebben ze geen ander keus dan ‘geduldig’ te wachten op een compromis met Barzani en Talabani.
Wat betreft de linkervleugel van de bourgeoisie, die doet niets anders dan zeuren vanuit hun hoge praatstoelen. Honger, ellende, armoede of de dood van arbeiders kan hen natuurlijk geen zier schelen. Ze passen hun retoriek steeds meer aan voor hun meesters om hun positie te beschermen. Kort gezegd: ze bewijzen eens te meer dat parlementen nergens toe dienen.
Het resultaat is dat de arbeiders ook in Turkije meegetrokken worden in de doodlopende spiraal van meer oorlog, vernietiging, terreur en chaos die over het Midden Oosten uitgestort wordt door de bourgeoisie, die zich noch om hun leven, noch om hun dood bekommert. Omdat het kapitalisme de finale uitbraak van haar onoplosbare crisis alleen maar kan uitstellen door de mensheid mee te slepen in meer vernietiging.
Het antwoord van het proletariaat blijft de weg vooruit verlichten,
zoals we zagen in de Telekom staking. Een enkele staking die maar enkele dagen
geduurd heeft, bracht de bourgeoisie aan het sidderen. Alleen als de arbeiders
de solidariteit met hun klasse ontwikkelen en die strijd uitbreiden, alleen als
de arbeiders internationaal nee zeggen tegen de oorlog, kan de kapitalistische
moordpartij gestopt worden. De manier om oorlog en slachtingen te stoppen
bestaat er niet in die steeds verder uit te breiden, maar integendeel door
klassesolidariteit op te bouwen over de grenzen heen, over alle militaire
slagvelden heen. De vijand, dat zijn niet onze klassebroeders en -zusters in andere
landen, maar de kapitalisten hier bij ons, in hun warme huizen! n
EKS / oktober 2007
Alle prijzen gaan omhoog! De plotselinge stijging van de energieprijzen verhoogt de rekening van de stookkosten en maakt het woon-werkverkeer fors duurder. De prijs van noodzakelijke levensmiddelen, zoals brood en melk, ontploft letterlijk. In de supermarkt vult men met hetzelfde budget steeds minder het winkelkarretje! Alle prijzen gaan omhoog... maar niet de lonen.
“Het probleem is alomtegenwoordig. Misschien wel voor het eerst spreekt men dezelfde taal, of men nu in een rijk of een arm land leeft: de Italianen maken zich bezorgd omwille van de stijging van de pasta, de Guatemaltezen over die van de maïstortilla, de Fransen en de Senegalezen over die van het brood.” (1) De prijs van varkensvlees, het meest verbruikte vlees in China, is in een jaar tijd bijna verdubbeld, terwijl de koers van andere landbouw-producten, zoals gevogelte en eieren, de hoogte in schiet. In Japan, dat voor 60% afhankelijk is van ingevoerde producten, raakt de prijsstijging bijna alle voedingsmiddelen.
Volgens de bourgeoisie wordt de belangrijkste verklaring gevonden in ... een te gezonde Aziatische economie: “De vermindering van de productie (verergerd door de droogte en de ‘boom’ van de biobrandstof, onder andere) en de toename van de vraag (vooral vanwege de opkomende landen zoals India en China, die graag de westerse voedingsgewoonten imiteren) hebben dus een plotselinge prijsstijging veroorzaakt die even uitzonderlijk als onverwacht is.” (2) Kortom, het komt neer op een doodnormaal probleem van een (tijdelijke) verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod!
Zuivere verlakkerij! De prijsstijgingen vloeien rechtstreeks voort uit de economische crisis. Ze zijn de eerste terugslag op de levensvoorwaarden van de werkende klasse op wereldschaal van de nu reeds beruchte crisis van de subprimes (3) die laatstleden zomer in de Verenigde Staten is uitgebarsten. Om het ‘zwarte gat’ van de schulden van de Amerikaanse markt te vullen, was het enige antwoord van alle centrale banken het massaal inspuiten van goedkoop geld (door te gaan lenen bij speculanten met lage rentevoeten), in de hoop zo op korte termijn de besmetting en de schade te beperken. Maar deze politiek is zelfs geen pleister op een houten been. Het is de zoveelste vlucht vooruit in de verschulding (4), die in werkelijkheid de crisis slechts verscherpt. Door een enorme massa geld te storten op de banken en beurzen die met bankroet worden bedreigd, in de grootte-orde van honderden miljarden dollars, hebben de bourgeoisie en de centrale banken niets anders gedaan dan een diepgaande spiraal van inflatie op internationale schaal op gang te brengen. (5) Maar waarom beroert dit ‘inflationaire proces’ nu in het bijzonder de grondstoffen en de basislevensmiddelen, die onmisbaar zijn voor miljoenen mensen? Het antwoord is naar het beeld van dit wegrottende systeem: onmenselijk. “De grondstoffen trekken speculanten aan, die de hausse voeden door, na de Amerikaanse vastgoedcrisis van deze zomer, op zoek te gaan naar winstgevende afzetmarkten op andere markten.” (6) Zo laat de ‘irrationele woekering’ van de plotse prijsstijging van de brandstoffen zich verklaren door speculatieve investeringen “die zich teruggetrokken hebben uit bepaalde markten (acties, obligaties, geldbeleggingen) om zich op de ‘grondstoffen’, voornamelijk de olie te storten.” (7). Hetzelfde geldt voor de graangewassen: na de krach van augustus, “adviseerden Goldman-Sachs en Marc Faber, gevolgd door praktisch alle speculantengroepen, om te investeren in de landbouwmarkten, met hefboomsystemen om verschillende keren met dezelfde inzet te kunnen spelen.” (8). Om hun kapitaal te redden aarzelen deze gieren niet om zich in werkelijke uithongeraars te veranderen! Zoals met grenzeloos cynisme door één van hen wordt bevestigd: “als wij nu een vertraging meemaken op wereldvlak, dan zal dat geen gevolgen hebben voor de landbouwproducten, want de mensen blijven toch eten!” (9).
De Verenigde Naties schatten dat “wij terrein gaan verliezen tegenover de honger.” (10). Een lieflijke verbloeming! In de 82 armste landen, waar de uitgaven voor levensmiddelen gewoonlijk 60% tot 90% van het budget vertegenwoordigen, leidt de prijsverhoging met 20% doodeenvoudig tot hongersnood – en dus tot de dood – van een heel deel van de bevolking! Sinds 2006 zijn er in Mexico, Jemen, Brazilië, Burkina Faso, en ook in Marokko, reeds hongeropstanden uitgebroken. In China “stelt de etikettenwals de verbetering van de levensvoorwaarden in vraag.” (11) In de westerse landen wordt volwaardige voeding een luxe. In Frankrijk, waar het verbruik van 400 gram fruit en groenten (die vooropgesteld worden door het FAO) per persoon en per dag ongeveer 5% tot 12% opvreet van de minimum uitkering (SMIC), is het duidelijk dat talrijke arbeiders niet langer meer hun meest elementaire behoeften zullen kunnen bevredigen.
Wanneer wij de burgerlijke pers er op naslaan, wordt duidelijk dat de krach van 1929 en het spookbeeld van de Grote Depressie de bourgeoisie beklemt: “Stevenen wij af op een nieuw 1929?”
Het is waar dat vandaag en gisteren op elkaar lijken: de beurzen gaan op en neer en hun yoyo-bewegingen maskeren de val maar amper; de schuldenbergen die niet aflosbaar blijken, de vertrouwenscrisis tussen de banken, die allemaal hun verliezen vermenigvuldigen; de paniek van de kleine spaarders die in lange wachtrijen aanschuiven om hun spaarcenten af te halen, in de Verenigde Staten, in Duitsland en in Engeland; het perspectief voor een heel deel van de arbeidersklasse in de Verenigde Staten om van de ene dag op de andere beroofd te worden van een dak boven het hoofd en van hun werk.
In 1929 heeft de krach van de Beurs van New York, de beruchte ‘zwarte donderdag’(24 oktober 1929), de eerste majeure economische crisis ingeluid van het kapitalisme in verval, de Grote Depressie van de jaren 1930. Deze ineenstorting legde de chronische overproductiecrisis van waren bloot in de fase van het verval van het kapitalisme. Deze crisis van 1929 heeft de vorm aangenomen van een volledige ineenstorting die in het geheugen gegrift staat, want de bourgeoisie heeft de oude recepten toegepast die deugdelijk bleken tijdens de crises... van de 19e eeuw (dat wil zeggen toen het kapitalisme nog volop in ontwikkeling was, in zijn bloeiperiode) maar die toen niet alleen zonder gevolg bleven, maar de crisis in de nieuwe historische situatie (het verval van het kapitalisme) nog verscherpten. Concreet gezien had de beperking van de geldhoeveelheid op de markt, door de Amerikaanse Federale Bank, het bankroet van de meeste banken tot gevolg, de terugval van het krediet en een enorme afremming van de economische activiteit. De protectionistische maatregelen ten voordele van de nationale economie, die weldra bijna overal nagebootst werden, hadden de versplintering van de wereldeconomie tot gevolg, de blokkering van de internationale handel en tenslotte, een nog grotere terugval van de productie.
Ook al heeft de bourgeoisie sinds de jaren 1930 geen werkelijke oplossing gevonden voor de historische crisis van haar systeem (12), toch heeft zij zich aangepast aan deze permanente toestand van crisis, door haar over langere tijd uit te smeren. Haar kruik zinkt verder, maar als het ware langzamer. Zij heeft geleerd hoe ze de staatsmechanismen moet hanteren om het hoofd te bieden aan financiële crises door te manipuleren met de rentevoeten en door het injecteren van contant geld in het banksysteem. Dat is de reden waarom de huidige economische crisis, die sinds 1968 woedt, nietde vorm heeft aangenomen van de brutale ineenstorting van 1929. De neergang is geleidelijker geweest. De crisis is van de ene recessie naar de andere gesukkeld, die nog ernstiger en wijder verbreid was dan de voorgaande, afgewisseld met de ene pseudo-hervatting na de andere, die steeds korter en beperkter van omvang was. Dit verzeilen van de crisis in een neerwaartse spiraal heeft het de bourgeoisie mogelijk gemaakt om het bestaan zelf van de crisis en het bankroet van haar systeem te ontkennen. Maar dat gaat ten koste van het bedelven van het kapitalistisch systeem onder schuldenbergen en van een opeenhoping van tegenstellingen die voor het kapitalisme steeds gevaarlijker worden. De extreme fragiliteit van het financiële wereldsysteem getuigt van de slijtage van al deze lapmiddelen die gebruikt zijn door de bourgeoisie.
De huidige crisis zal dus zeker geen brutale stop teweegbrengen van de economie zoals in 1929. Maar in heel wat opzichten zal ze nog ernstiger en diepgaander zijn. In de jaren 1930, in de Verenigde Staten, toen de New Dealhet programma inluidde van de heropleving van de economie om te proberen het hoofd te bieden aan de overproductiecrisis, vertegenwoordigde de financiering van het geheel van kredietmaatregelen door staatsleningen slechts een onooglijk deel van de het jaarlijkse nationale inkomen (het equivalent van minder dan drie maanden van de militaire uitgaven tijdens de Tweede Wereldoorlog! Vandaag bereikt de Amerikaanse schuld al 400% van haar Bruto Nationaal Produc! De zekerheid van bepaalde kapitalistische milieus “dat de Zeer Grote VS Depressie (...) gevolgen zonder huns gelijke gaat hebben met de crisis van 1929, [...] zelfs als 1929 het laatste vergelijkbare punt blijft in de moderne geschiedenis” (13) getuigt van de ongerustheid van de bourgeoisie! De crisis van 2007 heeft een directe inslag gehad op wereldvlak. “Aangezien de besmetting van de werkelijke economie al aan de gang is, niet alleen in de Verenigde Staten maar tevens over het geheel van de planeet, staan nu reeds de ineenstorting van de Britse, Franse en Spaanse vastgoedmarkten op het eindejaar programma van 2007, terwijl Azië, China en Japan tegelijkertijd oog in oog zullen staan met de daling van hun uitvoer naar de Amerikaanse markt en de snelle baisse van alle activa in Amerikaanse dollars (VS deviezen zoals schatkisttegoeden, aandelen in VS-bedrijven, enz.)” (14).
Dit perspectief van een strenge recessie, vergezeld van een inflatiestoot, zal zich vertalen in een brutale degradatie van de levens- en uitbuitingsvoorwaarden voor de arbeidersklasse overal ter wereld, en een onomkeerbare toenemende verpaupering. Ondanks alle beloften van de politikasters van allerlei slag is het kapitalisme, dat al zijn redmiddelen heeft uitgeput, vandaag niet meer in staat om een uitweg te vinden en om zijn openlijk bankroet te maskeren. Het enige perspectief dat het de mensheid nog te bieden heeft, is steeds meer en ergere ellende. De toekomst, de hoop en het heil van de mensheid hangen af van de strijd van de arbeidersklasse!
Scott / 26.11.2007
(1) Le Monde, 17 oktober 2007.
(2) Geciteerd door Courrier International, nr. 888.
(3) Subprimes: riskante hypothecaire kredieten.
(4) Na het uiteenspatten van de speculatieve Internet luchtbel in 2000-2001 en tegenover het risico van een brutale duik in de recessie, heeft de Amerikaanse staat indertijd, bewust en opzettelijk, met kunst en vliegwerk een nieuwe luchtbel in elkaar geflanst om de consumptie te ondersteunen, de vastgoed-luchtbel, door het systematiseren van leningen aan de armste Amerikaanse huishoudens. Enkele jaren volstonden om deze op haar beurt te doen uiteenspatten, met nog grotere risico’s voor de wereldeconomie (lees ons artikel De vastgoedcrisis, een symptoom van de crisis van het kapitalisme in Wereldrevolutie, nr. 112 (najaar 2007) en op onze website.
(5) “De massa van circulerend geld wordt bepaald door de som van de prijzen van de waren (voor een constante waarde van het geld), en deze som van de prijzen door de massa van de waren die in omloop zijn” (Engels, Over het Kapitaal). De verhoging van de hoeveelheid geld in omloop zonder verhoging van de warenproductie betekent een devaluatie; de prijzen (monetaire uitdrukking van de waarde) moeten dus in de zelfde verhouding vermeerderen om de waarde van de waren uit te drukken, die zelf niet verandert.
(6) Libération, 2 november 2007.
(7) Le Monde, 20 oktober 2007.
(8) Nouvelle Solidarité, 3 september 2007
(9) Bloomberg, 19 augustus 2007.
(10) J. Sheeran, uitvoerende directrice van het wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties.
(11) Nanfang Zhoumo, krant uit Kanton.
(12) En met reden, want er bestaat er geen andere dan de vernietiging van het kapitalisme!
(13) Global Europe Anticipation bulletin, nr. 17.
(14) Idem.
Alle prijzen gaan omhoog! De plotselinge stijging van de energieprijzen verhoogt de rekening van de stookkosten en maakt het woon-werkverkeer fors duurder. De prijs van noodzakelijke levensmiddelen, zoals brood en melk, ontploft letterlijk. In de supermarkt vult men met hetzelfde budget steeds minder het winkelkarretje! Alle prijzen gaan omhoog... maar niet de lonen.
“Het probleem is alomtegenwoordig. Misschien wel voor het eerst spreekt men dezelfde taal, of men nu in een rijk of een arm land leeft: de Italianen maken zich bezorgd omwille van de stijging van de pasta, de Guatemaltezen over die van de maïstortilla, de Fransen en de Senegalezen over die van het brood.” (1) De prijs van varkensvlees, het meest verbruikte vlees in China, is in een jaar tijd bijna verdubbeld, terwijl de koers van andere landbouw-producten, zoals gevogelte en eieren, de hoogte in schiet. In Japan, dat voor 60% afhankelijk is van ingevoerde producten, raakt de prijsstijging bijna alle voedingsmiddelen.
Volgens de bourgeoisie wordt de belangrijkste verklaring gevonden in ... een te gezonde Aziatische economie: “De vermindering van de productie (verergerd door de droogte en de ‘boom’ van de biobrandstof, onder andere) en de toename van de vraag (vooral vanwege de opkomende landen zoals India en China, die graag de westerse voedingsgewoonten imiteren) hebben dus een plotselinge prijsstijging veroorzaakt die even uitzonderlijk als onverwacht is.” (2) Kortom, het komt neer op een doodnormaal probleem van een (tijdelijke) verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod!
Zuivere verlakkerij! De prijsstijgingen vloeien rechtstreeks voort uit de economische crisis. Ze zijn de eerste terugslag op de levensvoorwaarden van de werkende klasse op wereldschaal van de nu reeds beruchte crisis van de SUBPRIMES (3) die laatstleden zomer in de Verenigde Staten is uitgebarsten. Om het ‘zwarte gat’ van de schulden van de Amerikaanse markt te vullen, was het enige antwoord van alle centrale banken het massaal inspuiten van goedkoop geld (door te gaan lenen bij speculanten met lage rentevoeten), in de hoop zo op korte termijn de besmetting en de schade te beperken. Maar deze politiek is zelfs geen pleister op een houten been. Het is de zoveelste vlucht vooruit in de verschulding (4), die in werkelijkheid de crisis slechts verscherpt. Door een enorme massa geld te storten op de banken en beurzen die met bankroet worden bedreigd, in de grootte-orde van honderden miljarden dollars, hebben de bourgeoisie en de centrale banken niets anders gedaan dan een diepgaande spiraal van inflatie op internationale schaal op gang te brengen. (5) Maar waarom beroert dit ‘inflationaire proces’ nu in het bijzonder de grondstoffen en de basislevensmiddelen, die onmisbaar zijn voor miljoenen mensen? Het antwoord is naar het beeld van dit wegrottende systeem: onmenselijk. “De grondstoffen trekken speculanten aan, die de hausse voeden door, na de Amerikaanse vastgoedcrisis van deze zomer, op zoek te gaan naar winstgevende afzetmarkten op andere markten.” (6) Zo laat de ‘irrationele woekering’ van de plotse prijsstijging van de brandstoffen zich verklaren door speculatieve investeringen “die zich teruggetrokken hebben uit bepaalde markten (acties, obligaties, geldbeleggingen) om zich op de ‘grondstoffen’, voornamelijk de olie te storten.” (7) Hetzelfde geldt voor de graangewassen: na de krach van augustus, “adviseerden Goldman-Sachs en Marc Faber, gevolgd door praktisch alle speculantengroepen, om te investeren in de landbouwmarkten, met hefboomsystemen om verschillende keren met dezelfde inzet te kunnen spelen.” (8) Om hun kapitaal te redden aarzelen deze gieren niet om zich in werkelijke uithongeraars te veranderen! Zoals met grenzeloos cynisme door één van hen wordt bevestigd: “als wij nu een vertraging meemaken op wereldvlak, dan zal dat geen gevolgen hebben voor de landbouwproducten, want de mensen blijven toch eten!” (9)
De Verenigde Naties schatten dat “wij terrein gaan verliezen tegenover de honger.” (10) Een lieflijke verbloeming! In de 82 armste landen, waar de uitgaven voor levensmiddelen gewoonlijk 60% tot 90% van het budget vertegenwoordigen, leidt de prijsverhoging met 20% doodeenvoudig tot hongersnood – en dus tot de dood – van een heel deel van de bevolking! Sinds 2006 zijn er in Mexico, Jemen, Brazilië, Burkina Faso, en ook in Marokko, reeds hongeropstanden uitgebroken. In China “stelt de etikettenwals de verbetering van de levensvoorwaarden in vraag.” (11) In de westerse landen wordt volwaardige voeding een luxe. In Frankrijk, waar het verbruik van 400 gram fruit en groenten (die vooropgesteld worden door het FAO) per persoon en per dag ongeveer 5% tot 12% opvreet van de minimum uitkering (SMIC), is het duidelijk dat talrijke arbeiders niet langer meer hun meest elementaire behoeften zullen kunnen bevredigen.
Wanneer wij de burgerlijke pers er op naslaan, wordt duidelijk dat de krach van 1929 en het spookbeeld van de Grote Depressie de bourgeoisie beklemt: “Stevenen wij af op een nieuw 1929?”
Het is waar dat vandaag en gisteren op elkaar lijken: de beurzen gaan op en neer en hun yoyo-bewegingen maskeren de val maar amper; de schuldenbergen die niet aflosbaar blijken, de vertrouwenscrisis tussen de banken, die allemaal hun verliezen vermenigvuldigen; de paniek van de kleine spaarders die in lange wachtrijen aanschuiven om hun spaarcenten af te halen, in de Verenigde Staten, in Duitsland en in Engeland; het perspectief voor een heel deel van de arbeidersklasse in de Verenigde Staten om van de ene dag op de andere beroofd te worden van een dak boven het hoofd en van hun werk.
In 1929 heeft de krach van de Beurs van New York, de beruchte ‘zwarte donderdag’(24 oktober 1929), de eerste majeure economische crisis ingeluid van het kapitalisme in verval, de Grote Depressie van de jaren 1930. Deze ineenstorting legde de chronische overproductiecrisis van waren bloot in de fase van het verval van het kapitalisme. Deze crisis van 1929 heeft de vorm aangenomen van een volledige ineenstorting die in het geheugen gegrift staat, want de bourgeoisie heeft de oude recepten toegepast die deugdelijk bleken tijdens de crises... van de 19e eeuw (dat wil zeggen toen het kapitalisme nog volop in ontwikkeling was, in zijn bloeiperiode) maar die toen niet alleen zonder gevolg bleven, maar de crisis in de nieuwe historische situatie (het verval van het kapitalisme) nog verscherpten. Concreet gezien had de beperking van de geldhoeveelheid op de markt, door de Amerikaanse Federale Bank, het bankroet van de meeste banken tot gevolg, de terugval van het krediet en een enorme afremming van de economische activiteit. De protectionistische maatregelen ten voordele van de nationale economie, die weldra bijna overal nagebootst werden, hadden de versplintering van de wereldeconomie tot gevolg, de blokkering van de internationale handel en tenslotte, een nog grotere terugval van de productie.
Ook al heeft de bourgeoisie sinds de jaren 1930 geen werkelijke oplossing gevonden voor de historische crisis van haar systeem (12), toch heeft zij zich aangepast aan deze permanente toestand van crisis, door haar over langere tijd uit te smeren. Haar kruik zinkt verder, maar als het ware langzamer. Zij heeft geleerd hoe ze de staatsmechanismen moet hanteren om het hoofd te bieden aan financiële crises door te manipuleren met de rentevoeten en door het injecteren van contant geld in het banksysteem. Dat is de reden waarom de huidige economische crisis, die sinds 1968 woedt, niet de vorm heeft aangenomen van de brutale ineenstorting van 1929. De neergang is geleidelijker geweest. De crisis is van de ene recessie naar de andere gesukkeld, die nog ernstiger en wijder verbreid was dan de voorgaande, afgewisseld met de ene pseudo-hervatting na de andere, die steeds korter en beperkter van omvang was. Dit verzeilen van de crisis in een neerwaartse spiraal heeft het de bourgeoisie mogelijk gemaakt om het bestaan zelf van de crisis en het bankroet van haar systeem te ontkennen. Maar dat gaat ten koste van het bedelven van het kapitalistisch systeem onder schuldenbergen en van een opeenhoping van tegenstellingen die voor het kapitalisme steeds gevaarlijker worden. De extreme fragiliteit van het financiële wereldsysteem getuigt van de slijtage van al deze lapmiddelen die gebruikt zijn door de bourgeoisie.
De huidige crisis zal dus zeker geen brutale stop teweegbrengen van de economie zoals in 1929. Maar in heel wat opzichten zal ze nog ernstiger en diepgaander zijn. In de jaren 1930, in de Verenigde Staten, toen de New Deal het programma inluidde van de heropleving van de economie om te proberen het hoofd te bieden aan de overproductiecrisis, vertegenwoordigde de financiering van het geheel van kredietmaatregelen door staatsleningen slechts een onooglijk deel van de het jaarlijkse nationale inkomen (het equivalent van minder dan drie maanden van de militaire uitgaven tijdens de Tweede Wereldoorlog)! Vandaag bereikt de Amerikaanse schuld al 400% van haar Bruto Nationaal Product! De zekerheid van bepaalde kapitalistische milieus “dat de Zeer Grote VS Depressie (...) gevolgen zonder huns gelijke gaat hebben met de crisis van 1929, (...) zelfs als 1929 het laatste vergelijkbare punt blijft in de moderne geschiedenis” (13) getuigt van de ongerustheid van de bourgeoisie! De crisis van 2007 heeft een directe inslag gehad op wereldvlak. “Aangezien de besmetting van de werkelijke economie al aan de gang is, niet alleen in de Verenigde Staten maar tevens over het geheel van de planeet, staan nu reeds de ineenstorting van de Britse, Franse en Spaanse vastgoedmarkten op het eindejaar programma van 2007, terwijl Azië, China en Japan tegelijkertijd oog in oog zullen staan met de daling van hun uitvoer naar de Amerikaanse markt en de snelle baisse van alle activa in Amerikaanse dollars (VS deviezen zoals schatkisttegoeden, aandelen in VS-bedrijven, enz.)” (14)
Dit perspectief van een strenge recessie, vergezeld van een inflatiestoot, zal zich vertalen in een brutale degradatie van de levens- en uitbuitingsvoorwaarden voor de arbeidersklasse overal ter wereld, en een onomkeerbare toenemende verpaupering. Ondanks alle beloften van de politikasters van allerlei slag is het kapitalisme, dat al zijn redmiddelen heeft uitgeput, vandaag niet meer in staat om een uitweg te vinden en om zijn openlijk bankroet te maskeren. Het enige perspectief dat het de mensheid nog te bieden heeft, is steeds meer en ergere ellende. De toekomst, de hoop en het heil van de mensheid hangen af van de strijd van de arbeidersklasse! n
Scott / 26.11.2007
(1) Le Monde, 17 oktober 2007.
(2) La Republica, geciteerd door Courrier International nr. 888.
(3) Subprimes: riskante hypothecaire kredieten.
(4) Na het uiteenspatten van de speculatieve Internet luchtbel in 2000-2001 en tegenover het risico van een brutale duik in de recessie, heeft de Amerikaanse staat indertijd, bewust en opzettelijk, met kunst en vliegwerk een nieuwe luchtbel in elkaar geflanst om de consumptie te ondersteunen, de vastgoed-luchtbel, door het systematiseren van leningen aan de armste Amerikaanse huishoudens. Enkele jaren volstonden om deze op haar beurt te doen uiteenspatten, met nog grotere risico’s voor de wereldeconomie (lees ons artikel ‘de vastgoedcrisis, een symptoom van de crisis van het kapitalisme’ in Wereldrevolutie nr. 112 (najaar 2007) en op onze website.
(5) “De massa van circulerend geld wordt bepaald door de som van de prijzen van de waren (voor een constante waarde van het geld), en deze som van de prijzen door de massa van de waren die in omloop zijn” (Engels, Over het Kapitaal). De verhoging van de hoeveelheid geld in omloop zonder verhoging van de warenproductie betekent een devaluatie; de prijzen (monetaire uitdrukking van de waarde) moeten dus in de zelfde verhouding vermeerderen om de waarde van de waren uit te drukken, die zelf niet verandert.
(6) Libération, 2 november 2007.
(7) Le Monde, 20 oktober 2007.
(8) Nouvelle Solidarité, 3 september 2007
(9) Bloomberg, 19 augustus 2007.
(10) J. Sheeran, uitvoerende directrice van het wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties.
(11) Nanfang Zhoumo, krant uit Kanton.
(12) En met reden, want er bestaat er geen andere dan de vernietiging van het kapitalisme!
(13) Global Europe Anticipation bulletin n°17.
(14) Idem.
Op 19 december 2007 werd een discussie georganiseerd in samenwerking met [het studentenblad] de Moeial met als thema ‘studentenbetogingen’. Deze discussie werd gehouden naar aanleiding van de betoging van 6 december 2007 tegen het plan Vandenbroucke. Dit is een artikel dat probeert een schets te geven van de meningen die werden geuit.
De studentenbetoging van 6 december is geen geïsoleerde gebeurtenis: terwijl dat de Franse studenten betoogden tegen de onzekerheid van hun toekomst in 2006 (het decreet Contract Première Embauche – Startbaancontract – CPE), protesteerden de Griekse studenten maandenlang tegen soortgelijke maatregelen. De Franse studenten slaagden erin om het decreet CPE geheel terug te fluiten. Vandaag betogen ze opnieuw tegen een ander decreet: de vorming van elite- en 'prullenbak'-universiteiten. Ook in Nederland demonstreren scholieren tegen de verslechtering van de kwaliteit van hun onderwijs.
De bezuinigingen van de Vlaamse regering vinden niet enkel plaats bij de studenten, ook de arbeiders bij openbare diensten en bedrijven zien hun levensstandaard zienderogen dalen. Aan Waalse kant is het onderwijs in een nog slechtere staat dan aan de Vlaamse kant. Het is duidelijk dat de bezuinigingen van het plan Vandenbroucke behoren tot een globaal probleem. Maar wat staat er eigenlijk in het plan Vandenbroucke?
Het decreet is een labyrint van achterpoortjes verspreid over negenhonderd bladzijden; het is onmogelijk om een balans op te stellen van de werkelijke gevolgen van dit decreet. Enkel de specialisten bij het ministerie van Onderwijs weten op kwantitatief niveau dat het gaat om een bezuiniging. Voor ons is het koffiedik kijken.
Toch kan men algemene conclusies trekken: de instellingen worden niet meer gefinancierd op basis van het aantal studenten ('input' financiering), maar op basis van de resultaten (‘output’ financiering). De gevolgen hiervan voorspellen is moeilijk, maar men kan een vergrote rivaliteit tussen departementen verwachten. De druk op het personeel en de onzekerheid kan groeien. Op de website van de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) staat het volgende:
“De minister wil binnenkort hogescholen en universiteiten gaan financieren op basis van behaalde studiepunten en diploma’s. Dat zet de onderwijskwaliteit onder druk en maakt de minder goed doorstromende kansengroepen financieel minder aantrekkelijk. De manifestanten eisen daarom dat àlle doelgroepen worden erkend en structureel extra middelen krijgen: ook studenten van allochtone origine, studenten met laaggeschoolde ouders en studenten uit een TSO/BSO vooropleiding. Het aanmoedigingsfonds voor gelijke kansen is met 1% van het budget een druppel op een hete plaat. Het niet financieren van gedelibereerde studiepunten zet instellingen aan tot nultolerantie waarbij geen enkel buispunt nog door de vingers wordt gezien. Vandenbroucke wil nog slechts een handvol aanvullende opleidingen financieren. Het inschrijvingsgeld voor de andere manama’s zal stijgen tot 5400 euro of zelfs 25000 euro, zonder enige sociale correctie voor beursstudenten of werklozen. Ook wie niet snel genoeg afstudeert, komt in de problemen. Hij verliest zijn recht op inschrijving en betaalt het dubbele als hij toch nog ingeschreven geraakt. Verder is het nieuwe financieringsdecreet een grote bedreiging voor de onderwijskwaliteit. Bijna de helft van de basisfinanciering zal gebaseerd worden op onderzoeksresultaten. Daardoor gaan proffen nog meer belang hechten aan publiceren en dit ten koste van hun onderwijstaken. Tenslotte blijft het probleem onopgelost van de structurele onderfinanciering van het hoger onderwijs in het algemeen, de hogescholen in het bijzonder. De kunstopleidingen en humane wetenschappen worden zelfs in hun voorbestaan bedreigd.”
Verder wordt de verdeling en concurrentie tussen studenten vergroot door verschillende 'gewichten' toe te kennen. Ook worden studenten in de 'inhumane' wetenschappen (bijvoorbeeld wetenschappers of ingenieurs) anders behandeld. Studenten worden in een vakje geïsoleerd: op basis van de studierichting, op basis van de sociale achtergrond (allochtoon of autochtoon, diploma en inkomst van de ouders), op basis van de resultaten (geslaagd in het eerste jaar en de graden), op basis van de universiteit, taal en regio.
De Vlaamse regering wil dat haar universiteiten op internationale ranglijsten hoger aangeschreven staan en dat ze op internationaal vlak mee kunnen concurreren. In Frankrijk tracht de regering momenteel een gelijkaardig plan door te voeren: de vorming van enkele elite universiteiten met alle middelen en de ‘prullenbak’ universiteiten. Er worden dan selectieronden georganiseerd zodat enkel de briljante scholieren kunnen genieten van degelijk onderwijs. Deze selectieronden zijn zwaar en de inschrijvingskosten zijn hoog. De parallellen tussen de Franse en Belgische situatie zijn duidelijk: in Vlaanderen wilt men enkel de meer performante universiteiten en studenten financieren.
In Nederland geldt al lang dit scenario bij het secundair onderwijs: er is een tekort aan leerkrachten omwille van het lage loon; sommige scholen hebben al jaren geen wiskunde leraar meer. De scholieren willen zinvolle lessen en daarvoor zijn meer leerkrachten nodig, niet meer lessen.
Er is niets ‘democratisch’ aan het onderwijs zoals het nu bestaat: mensen met meer geld kunnen van een betere secundaire school afstuderen en verder studeren. Studenten van een minder gelukkige sociale achtergrond hebben minder kansen. Nu wordt het ‘democratisch’ gehalte nog vermindert: het volstaat niet meer om over motivatie en redelijke sociale omstandigheden te beschikken, men moet ook nog geld hebben. Zoals in Frankrijk en Nederland stijgt in België de inschrijvingskost (in Frankrijk bedraagt deze al duizenden euro's en in België wordt dezelfde stijging verwacht).
Op de betoging wisten weinig mensen wat er in het plan Vandenbroucke staat. Dit is niet verwonderlijk: de media geven een verwarrend beeld van het decreet en er werden geen discussies of informatiesessies georganiseerd opdat we bewust zouden worden van het probleem. Toch bleken veel mensen op de betoging ongerust over dit decreet.
Zodra de mogelijke gevolgen van dit decreet duidelijk worden, lijkt de
betoging van 6 december angstwekkend ‘slap’. Maar hoe komt dit? Het is
duidelijk dat het moeilijk is om zo’n gecompliceerd decreet alleen te vatten;
tijdens een discussie is het gemakkelijker om inzicht te verwerven en zich een
coherent beeld te vormen. Dan worden meningen uitgewisseld en het bewustzijn
gevormd; de discussie tussen mensen is de eerste stap. Het is echter tijdens
een betoging dat we beseffen hoeveel mensen dezelfde mening delen. Dat is een
enorme aanmoediging, het versterkt en bevestigt de meningen. Het wordt dan ook
duidelijk dat we niet betogen voor onszelf: er zijn sommige betogers die voordeel
zullen halen uit dit decreet, maar misschien niet hun medebetoger, broer, zus,
collega, vriend of toekomstig kind.
Het is ook een gelegenheid om met elkaar in contact te komen, meningen uit te wisselen en algemene vergaderingen te organiseren waar het verdere verloop van de beweging kan besproken worden. Een beweging eindigt niet bij een betoging, ze gaat verder. De betoging van 6 december was ingekaderd, ze begon en eindigde op dezelfde dag.
Waarom werden er geen discussies of informatiesessies georganiseerd?
Waarom werd de betoging zo laat gehouden? Waarom werd er bier uitgedeeld en
waren we verdeeld? Tijdens de discussie werd het duidelijk dat de vakbonden en
de regering een constructieve en massale demonstratie hadden gesaboteerd:
– In Gent werd op 29 november een betoging georganiseerd door het COC (Christelijke Onderwijscentrale), VSOA (Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt) en VVS (Vlaamse Vereniging van Studenten) waar 4000 studenten en personeelsleden (volgens de Morgen maar 2000) aan deelnamen. Alle studenten en personeelsleden worden vroeg of laat het slachtoffer van dit decreet, waarom wordt er dan een afzonderlijke betoging gehouden voor de algemene betoging? De verdeling tussen studenten wordt hierdoor enkel versterkt en het verminderd het aantal mensen dat tezamen betoogd.
– De VVS wilde de betoging vroeger organiseren, maar er moesten nog enkele details besproken worden tussen de vakbonden en Vandenbroucke waardoor de datum van de betoging steeds later kwam. Wat deze ‘enkele details’ mogen zijn is niet duidelijk. In ieder geval is het opschuiven van de datum een slechte zaak voor de betogers: de examens naderen, het weer wordt slechter en er blijft steeds minder tijd over om na de betoging nog samen te komen. De organisatie van de betoging heeft met andere woorden de datum niet zelf gekozen, maar laten afhangen van de minister.
– Ook de plaats van de betoging (Brussel-Noord en het ministerie van Onderwijs) belemmert een massale opkomst en de discussie. Terwijl we buiten in de regen stonden hadden we ook in aula's kunnen discussieren en steun kunnen vragen aan andere studenten en personeelsleden. We hadden naar andere universiteiten kunnen gaan om de banden tussen elkaar te versterken. Voor en achter de betogers werden de straten afgezet door de politie, zo wordt elk contact met de buitenwereld verhindert.
– De hogescholen hebben niet opgeroepen tot betogen omdat Vandenbroucke hen een week voor de betoging 7 miljoen euro beloofde (de voorwaarde was dat ze niet zouden meebetogen). Na jarenlange onderfinanciering van de hogescholen is een éénmalig aanbod van 7 miljoen hallucinerend weinig en toont het dat de regering openlijk chantage gebruikt.
– Het uitdelen van bier, fluitjes, toeters, de spectaculaire speeches (waaronder een speech gegeven door iemand verkleed als sinterklaas) en het spelen van luide muziek bevorderen op geen enkele wijze de discussie tussen de mensen. De betoging leek meer op een St-Vé dan een unieke gelegenheid voor uitwisseling van meningen of perspectieven. Het omvormen van een betoging tot een circus van 'politieke' kleuren en slogans is typisch voor vakbondsbetogingen. De gevolgen va dit decreet zijn ernstig, waarom is de betoging dat niet?
– De socialistische vakbond ACOD riep officieel niet op tot betogen aangezien de minister van Onderwijs Vandenbroucke zelf een ‘socialist’ is. Welke belangen verdedigen de vakbonden eigenlijk, die van de regering of die van de studenten?
– Alle studenten en personeelsleden zijn het slachtoffer van dit decreet, waarom lopen we dan in verschillende kleuren (rood, groen of blauw)? Wie geeft er gratis vuilniszakken en petjes weg? De hele aanloop naar de betoging wordt gekenmerkt door een verdeel en heers techniek, elke verdeling is in ons nadeel. De studentenraad van de Associatie K.U.Leuven (StAL) heeft niet opgeroepen tot betogen omdat deze universiteit voordeel zou kunnen halen uit het decreet. Niet alleen is dit een teken egoïsme, maar ook van naïviteit: over enkele jaren zal Vandenbroucke een plan voorstellen dat de ongelijkheid tussen de Leuvense universiteit en de andere 'rechttrekt'. Zo kan de minister eerst de kleinere universiteiten aanpakken en dan de grotere.
– De ACV, ABVV en ACLVB (respectievelijk de christelijke, socialistische en liberale vakbond) hebben op 15 december een nationale betoging georganiseerd voor solidariteit en tegen dalende koopkracht. Het plan Vandenbroucke verbreekt de solidariteit tussen studenten door ze met verschillende gewichten te behandelen en de prijs van het onderwijs stijgt. Waarom werd de studentenbetoging dan niet samen gehouden met deze betoging ondanks de overeenkomsten?
Hieruit kunnen we enkel concluderen dat de vakbonden en de regering verraderlijke partners zijn.
Twee jaar geleden betoogden studenten ook tegen dit plan, er is ondertussen weinig veranderd.
Wordt het niet tijd dat we anders betogen? Een voorbeeld van een succesvolle studentenbetoging is de anti-CPE beweging in Frankrijk van 2006.
In 2006 trachtte de Franse regering het Contract Première Embauche op
te leggen; de gevolgen van dit nieuw contract voor afgestudeerde studenten is
een vermindering van het aantal anciënniteitsjaren (de eerste jaren die men
werkt tellen niet mee bij de berekening van het loon).
De studenten organiseerden algemene vergaderingen in de aula’s waar de maatregelen werden
uitgelegd en er gediscussieerd werd over de acties. Deze vergaderingen werden in alle universiteiten gehouden en tussen de universiteiten waren er contacten om gezamenlijk actie te voeren. De vergaderingen gaven de studenten de mogelijkheid om zelf te beslissen hoe ze actie wouden voeren en andere studenten bij de beweging te betrekken.
Al gauw werd het de Franse studenten ook duidelijk dat een succesvolle betoging enkel mogelijk was indien ze steun kregen van de hele bevolking. De studenten gingen daarom naar
bedrijven en openbare diensten om hun problemen uit te leggen en steun te vragen. De arbeiders begrepen heel goed dat deze studenten toekomstige arbeiders waren en dat ze de belangen van hun kinderen ook verdedigden. Daarom besloten veel arbeiders om met de studenten mee te betogen.
Een massale opkomst met studenten en arbeiders die bewust zijn van de
precaire toekomst (betogingen op 18 maart, 24 maart en 4 april 2006 met
gemiddeld 700.000 betogers) bleek de Franse regering zodanig af te schrikken
dat het gehele CPE decreet werd ingetrokken. De angst bij de regeringen was
echter ook op internationaal vlak doorgedrongen: in Duitsland had de regering
dezelfde wetten willen doorvoeren, maar de reactie in Frankrijk was een
waarschuwing. De Duitse CPE werd ook teruggetrokken, zonder dat er Duitse
studenten hadden betoogd.
Aan het einde van de discussie was er een gevoel van machteloosheid:
de examens naderen, de betoging is voorbij en het decreet wordt in januari
goedgekeurd door het parlement. Het is niet mogelijk om nu nog iets te
organiseren. Het belangrijkste wat nu moet gebeuren is de lessen trekken uit de
mislukking en ze onthouden. Enkel door terug te kijken en te leren, kunnen we
vooruit gaan. De conclusies die men kan halen zijn van fundamenteel belang voor
de volgende keer:
– De eerste stap is de discussie, anders kan men geen inzicht verwerven en zich een coherent beeld van de situatie vormen. Het is tijdens de discussie dat we bewust worden en de ernst van de zaak duidelijk wordt. Een algemene vergadering moet gehouden worden waar iedereen zijn mening mag uitten en beslissingen genomen worden door studenten en personeel.
– We mogen ons niet laten verdelen per studierichting, regio, afkomst of taal. Er moet gezamenlijk gediscussieerd worden en actie ondernomen worden. Elke verdeling zorgt voor een verzwakking van de krachtsverhouding. De vorige betoging is begraven door de verdeel en heers techniek.
– De organisatie moet gebeuren door de studenten en personeelsleden zelf, niet door de vakbond. Wij moeten beslissen wanneer en hoe dat we willen betogen. Daarbij mag men de acties niet inkaderen of scheiden: alle studenten (hogescholen en universiteiten), scholieren, werkenden en werklozen zijn vroeg of laat de dupe van de maatregelen. We moeten steun vragen aan alle sociale lagen en generaties. Enkel een massale, bewuste en brede betoging kan succesvol verlopen; de anti-CPE beweging in Frankrijk is het voorbeeld.
Twee jaar geleden betoogden studenten tegen het plan Vandenbroucke, net zoals toen was de betoging van 6 december geen succes. Toch is er iets veranderd: mensen zijn gekomen naar de discussie van 19 december en hebben hun ontevredenheid geuit. Samen hebben we belangrijke conclusies kunnen trekken die een basis zijn voor de volgende keer. Dit was daarvoor nog niet gebeurd.
Wij publiceren hier lange uittreksels van een artikel uit World Revolution, nr. 258 van oktober 2002 (orgaan van de IKS in Groot-Brittannië) over de dynamiek van een discussiegroep die in the Midlands werd opgericht in 2000. Het laat de behoefte zien aan dit soort groepen voor het verhelderen van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse. Van de MDG (Midlands Discussion Group) maken sinds acht jaar mensen deel uit van Leicester en Birmingham afkomstig uit uiteenlopende politieke middens (links-kommunisten, radenisten, anarchisten, ecologische beweging, ultra-links). Doel van deze groep was het bediscussiëren van het proletarisch alternatief tegenover het kapitalisme naar het voorbeeld van discussiegroepen die bestaan hebben in Mexico, in India, in Frankrijk, in Spanje, in Zwitserland en in Australië.
Discussiekringen kunnen slechts opduiken in de context van de historische ontwikkeling van het klassenbewustzijn. Zij maken deel uit van de inspanning van het proletariaat om het klassenbewustzijn te ontwikkelen door te proberen de betekenis en de gevolgen te begrijpen van de crises van het kapitalisme vanuit van de politieke standpunten van het proletariaat.
In de huidige historische context, dat wil te zeggen van toenemende imperialistische en economische chaos wordt het proces van de ontwikkeling van het klassenbewustzijn steeds moeilijker, vooral na de ineenstorting van het Oostblok. Het werk van discussiekringen is dan ook van groot belang voor de toekomstige ontwikkeling van het inzicht van het proletariaat over zijn eigen historische rol.
De MDG is oorspronkelijk ontstaan als een discussiegroep uit Leceister (LDG) met mensen die in die regio discussieerden en al lang in contact waren met de IKS (Internationale Kommunistische Stroming). Deze discussies werden versterkt door vragen over de oorlog in Kososvo. Om daaraan een systematischer en vruchtbarer vorm te geven, stelde de IKS voor dat ze een discussiekring zouden oprichten. De eerste discussies van de MDG gingen over een artikel waarin de IKS de politieke lessen trok uit een discussiegroep die had bestaan in Zürich, Zwitserland, in de jaren 1990. Daarin werd gesteld dat “een kring een open maar geen permanente verzameling is van arbeiders die samenkomen om te discuteren en politieke vraagstukken te verhelderen. Deze kringen vormen een plaats die het proletariaat in het leven roept opdat haar bewustzijn er op zou vooruitgaan, vooral op momenten waarin er geen enkele partij of arbeidersraad bestaat [...] Wij beschouwen ze als een concrete uiting van de klasse. Zij zijn een uitdrukking van de bewustwording en tonen aan dat ze niet zomaar bereid zijn om de crisis en het bankroet van het kapitalisme te ondergaan zonder blijk van verzet; zij laten de wil zien van om zich te verdedigen tegen de aanvallen van het kapitalistisch systeem. Tezelfdertijd zijn ze de uiting van een poging tot het uitzoeken van strijdmiddelen en van het ontwikkelen van een revolutionair perspectief” (Discussiekringen in de arbeidersklasse: een verschijnsel op wereldvlak, in World Revolution, nr. 202, september 1997). Omdat een discussiekring geen organisatie is die zich schaart rond een politiek platform kan hij ook geen permanente of stabiele bestaan leiden. Het vormt een moment van politieke verheldering dat de militanten in staat stelt om, door deelname aan een proces van collectieve discussie, uit te zoeken waar zij politiek staan ten opzichte van de uitgebuite klasse en van de historische stromingen die in het internationalistisch marxistisch proletarisch milieu al bestaan.
Een belangrijk punt in de discussies van de MDG was de wil om beter de voornaamste theoretische en historische vraagstukken van de arbeidersbeweging te begrijpen en dit te laten samengaan met het bediscussiëren van belangrijke nationale en internationale gebeurtenissen.
Zo debatteerde de kring na 11 september 2001 ook over de pamfletten en communiqués van de IKS en van andere groepen de Kommunistische Linkerzijde. Tijdens een buitengewone bijeenkomst kenschetste de groep deze aanslag als een uitdrukking van de verergering van de imperialistische spanningen. Deze wil om de imperialistische oorlog te veroordelen vanuit proletarisch standpunt was een grote kracht van de groep. Alle deelnemers gaven duidelijk blijk van hun verzet tegen de oorlog in Kosovo en Afghanistan net zoals alle imperialistische oorlogen.
Het publiceren in World Revolution, nr. 257 van het verslag van een discussie over de Commune van Parijs laat de diepgang en kwaliteit van deze discussies zien. De MDG discussieerde onder andere over de anti-kapitalistische beweging, over de Russische revolutie (die door de groep als proletarisch wordt beschouwd, ook al zijn er meningsverschillen over de rol van de Bolsjewieken en de oorzaken van haar ontaarding), over het bewustzijn van de bourgeoisie en over de rol van de linkse partijen tegenover de arbeidersklasse.
Vanaf het begin heeft de MDG de Kommunistische Linkerzijde als referentiepunt genomen. Hij heeft groepen van de Kommunistische Linkerzijde uitgenodigd om aan het debat deel te nemen. Dat stelde de deelnemers niet alleen in staat om een beter inzicht te krijgen in de standpunten van de verschillende groepen maar ook om ervaring op te doen in discussies met politieke organisaties van het proletariaat. De IKS is sinds de oprichting van de groep aanwezig op de bijeenkomsten en ook de CWO (Communist Workers Organisation, afdeling van de IBRP) was onlangs aanwezig.
De MDG heeft volop zijn belangrijkste rol vervuld, die van de verheldering. Maar hij heeft een groot politiek debat moeten leveren om zover te komen. Vooral moest hij het hoofd bieden aan verwarring over zijn eigen aard en de rol die hij te spelen heeft.
De MDG baseerde zijn functioneren aanvankelijk op de lessen uit de langste ervaring van de arbeidersklasse, namelijk die van de discussiekring in Zürich. Toch werd het geheel en al opnemen van deze lessen belemmerd door verwarringen binnen de groep over zijn verhouding tot de IKS. Sommige mensen die in het begin de noodzaak inzagen van een open debat, begonnen de rol van de MDG te zien als een plaats van discussie over de standpunten van de IKS. Die visie neigde ertoe de groep te beschouwen als een soort wachtkamer voor de IKS. De IKS heeft deze visie fel verworpen en er bij de groep vaak op aangedrongen de geschieenis van de arbeidersbeweging meer in het algemeen te bediscussiëren net als de standpunten van de andere kommunistische organisaties.
De IKS heeft altijd verdedigd dat discussiekringen plaatsen vormen van verheldering en geen aanhangsels, ‘privaat eigendom’ of ‘jachtgebied’ zijn van proletarische politieke organisaties. Deze discussiekringen moeten openstaan voor eenieder die op zoek is naar verheldering. De enige redenen die zouden kunnen rechtvaardigen dat iemand (of een groep) kan worden uitgesloten van het debat moeten gebaseerd zij op bepaalde elementaire grondbeginselen van proletarisch gedrag: sabotagemanoeuvres of pogingen om de controle te verwerven over deze discussiekringen (evenals het verklikken).
Ook mensen die voortkwamen uit het ultra-linkse milieu namen deel aan de bijeenkomsten van de MDG, wat een politieke confrontatie mogelijk maakte met de standpunten van de burgerlijke ideologie. Verre van een misser te zijn leidden dergelijke discussies tot verheldering over aard en rol van ultra-links.
Net zoals bij de MDG kunnen discussiekringen heel heterogeen zijn. Daar is niets mis mee. Proberen criteria op te leggen (andere dan diegene die hierboven werden vermeld) voor deelname aan discussiekringen komt neer op het afzwakken van hun fundamentele kracht: hun open aard die een debat tussen verschillende standpunten mogelijk maakt. Dergelijke criteria zouden inderdaad met zich meebrengen dat er vooraf overeenstemming zou bestaan over politieke standpunten – dat wil zeggen een bepaald niveau van verheldering, waarmee het paard achter de wagen zou worden gespannen. Elke poging dergelijke criteria op te leggen leidt tot het bevriezen van het proces van verheldering. De politieke ontwikkeling van de deelnemers aan de discussie kan enkel het resultaat zijn van de confrontatie met uiteenlopende standpunten. De IKS, van haar kant, heeft altijd vertrouwen gehad in het oordeelsvermogen en het ‘gezond verstand’ van diegenen die loyaal willen discussiëren, zonder beperkingen en zonder vooroordelen (en daarbij inbegrepen diegenen die militant geweest zijn in burgerlijke partijen).
Als een kring geen ‘eigendom’ kan zijn van een organisatie, dan is hij evenmin een politieke groep of een organisatie als dusdanig.
Dat wil niet zeggen dat proletarische politieke organisaties het opkomen van dergelijke groepen niet moeten stimuleren of daaraan niet zouden moeten deelnemen om bij te dragen tot de meest doeltreffende verheldering. Het uitgangspunt van de IKS bestaat uit “De georganiseerde, verenigde en gecentraliseerde tussenkomst op internationaal vlak om bij te dragen tot het proces dat leidt naar de revolutionaire actie van de arbeidersklasse” (Basisstandpunten van de IKS). Het behoort tot de taak van de IKS en van andere proletarische politieke organisaties om het woord te voeren binnen discussiekringen met als doel de deelnemers beter vertrouwd te maken met de historische groepen van de Kommunistische Linkerzijde en stelling in te nemen, door de debatcultuur te ontwikkelen.
De MDG heeft ook te maken gehad met een persoonlijke spanningen in zijn rangen. Toch waren alle deelnemers, na een vrije en vranke discussie, het erover eens feit dat de belangen van de groep voorop staan en het personaliseren verworpen moet worden.
Toen die problemen waren overstegen kon de groep zich ontplooien en werden de debatten rijker. Begin 2002 hield de MDG een bijeenkomst over het proletarisch verzet tegen de imperialistische oorlog. Deze bijeenkomst trok mensen aan die nooit eerder waren gekomen, vergezeld van de CWO en van de SPGB (Socialist Party of Great-Britain) (zie hiervoor World Revolution, nr. 252). De meeste van die mensen zijn vervolgens blijven deelnemen aan het debat van de MDG.
De MDG vormde in Groot-Brittannië een grote inspanning van het proletariaat om zijn klassenbewustzijn te ontwikkelen. De dynamiek die de deelnemers bleven behouden toonde de politieke vitaliteit van deze groep aan. De mensen die er de kern van uitmaken doorliepen een daadwerkelijk proces van politieke verheldering. Dat wil niet zeggen dat iedereen reeds een perfect en helder bewustzijn heeft van wat er op spel staan in de historische situatie. Maar het betekent wel dat de deelnemers helderder zijn over wat zij verdedigen, over de wijze waarop zij hun eigen politieke toekomst bezien.
Sommige mensen van de MDG (een kleine minderheid) willen lid worden van de IKS terwijl de discussiegroep verder gaat met regelmatig bijeenkomen. Ze voeren een politiek van openheid naar de anderen door informatie op de site libcom.org en nemen deel aan bijeenkomsten van anarchistische groepen. De mensen van de groep komen ook regelmatig naar onze bijeenkomsten in Birmingham. En wij, van onze kant, blijven deelnemen aan de bijeenkomsten van de discussiegroep.
Naar World Revolution, nr. 258 (oktober 2002)
Kenia, met een lange reputatie als “haven van vrede” of “exotische safari” bij uitstek, gepromoot in grootschalige Hollywood films, is verwikkeld geraakt in één van de verschrikkelijkste chaossen waarop het Afrikaanse continent het trieste monopolie heeft.
“Lang bekend als één van de stabielste democratieën in Afrika, trekt Kenia meer dan een miljoen toeristen per jaar. Dit beeld werd doorprikt in minder dan een seconde voor een koppel Amerikanen die om een vliegticket smeekten. ‘We zagen net voor onze ogen een vrouw levend verbrand worden. We moeten absoluut vertrekken’ pleit de man (…) Want voor Westerlingen is Kenia belangrijk. Het enige Afrikaanse land dat vreedzaam genoeg wordt beoordeeld om verschillende agentschappen van de Verenigde Naties te herbergen, herbergt ook de zetels van een honderdtal NGOs, multinationals, banken en medias. Haar snelgroeiende economie leek de motor te worden van de welvaart in de regio.” (Courrier International, 16 januari 2008).
Inderdaad, na de bekendmaking van de uitslagen van de presidentiële verkiezingen van december jongstleden die de president (Mwai Kibaki) met zijn rivaal (Raila Odinga) tegenover elkaar stelden, heeft de eerstgenoemde snel zijn “overwinning” uitgeroepen en heeft de tweede hierop onmiddellijk geantwoord door zichzelf eveneens “overwinnaar” te noemen. Terwijl deze twee politiekers samen konden regeren in 2002 zonder enige verwijzing naar hun etnische oorsprong, heeft ieder nu op een cynische wijze zijn “ethnie” gemobiliseerd om de moordpartijen te ontketenen die gaande zijn en al bijna 1000 doden en meer dan 250 000 vluchtelingen tot gevolg hadden. En vele huizen branden nog steeds met in sommige gevallen hun inwoners er binnen. Kortom, we zijn getuige van afschuwelijke massa-afslachtingen die de media “etnische oorlogen” of “genocide” noemen.
Omdat de kandidaten volledig ongeloofwaardig zijn en niet in staat zijn om de behoeften van de bevolking te bevredigen, manipuleren ze de menigten en maken ze onhoudbare beloftes om zich te laten herverkiezen. Wanneer ze daarin niet slagen, besluiten ze op een smerige wijze hun onderlinge rekeningen te verheffen middels het tegen elkaar opstoken van uitgebuite klassen en bevolkingsgroepen.
Hier nog een illusie die in rook is opgegaan: Kenia, eilandje van “vreedzame democratieën” is plotseling tot een nachtmerrie geworden, niet alleen voor de bevolking die slachtoffer is van de barbarij die er zich afspeelt, maar ook voor alle internationale instituten van de bourgeoisie die de auteurs van deze misdaden afdekken of ondersteunen. Eerlijk gezegd zien we niet in hoe een land als Kenia, dat chronisch onderontwikkeld is en dat omringd wordt door landen die met elkaar op een permanente voet van oorlog staan - waarin het op zijn beurt is verwikkeld - een “vreedzame democratie” kan worden genoemd, of het moet wel op een tijdelijke basis zijn. Sinds zijn onafhankelijkheid in 1963 overleeft deze staat met voortdurende bloedige interne conflicten.
Dat alles zijn niets anders dan leugens en propaganda van de bourgeoisie die de wereld, en de arbeidersklasse in het bijzonder, wil misleiden om haar te verhinderen zich bewust te worden van de fundamentele oorzaken van de chaos: het wegzinken van Kenia en het hele Afrikaanse werelddeel in de dodelijke crisis van het kapitalisme. De sociale ontbinding vertaalt zich in een extreme ellende voor de bevolking, waarvan meer dan de helft ondervoed is, met een massale werkloosheid zonder uitkeringen. Er heerst een chronisch tekort aan zorg voor de massa zieken, waarvan meer dan twee miljoen door AIDS is aangetast, zonder enige zorg, zorgvuldig ver van camera's en toeristen weggehouden in de immense en spookachtige krottenwijken rond Naïrobi.
Op het moment van het schrijven van dit artikel gaat het bloedbad door en zijn de vertegenwoordigers van de VN, van de Afrikaanse Unie en van de imperialistische grootmachten, net als de Verenigde Staten onder-secretaris voor Afrikaanse zaken, bezig met hun gebruikelijke diplomatieke balletten door huichelachtig op te roepen tot “terughoudendheid”.
Het is duidelijk dat de imperialistische grootmachten zoals de VS en het Verenigd Koninkrijk een zware verantwoordelijk dragen in de tragedie die zich in Kenia afspeelt: “[...] Ze hebben zich gedragen als de peetvaders van de opeenvolgende regeringen die ze overspoeld hebben met complimenten en met financiële hulp (16 miljard dollar in vier jaar tijd). Het feit dat de economische stagnatie, de ongelijke verdeling van het land en van de rijkdom en de corruptie overal aanwezig is, heeft ze nooit gestoord. In tegendeel: ze hebben enkel lof gehad voor “deze haven van rust, vrijheid en democratie”. Tot en met George W. Bush die de regering van Kibaki heel vanzelfsprekend heeft geronseld voor de oorlog tegen het terrorisme.” (Jeune Afrique, januari 2008).
Een dergelijke verergering van de bloedige confrontaties in Kenia zijn geen onschuldig feit. Men moet zich inderdaad herinneren dat de eerste slag tussen de eerste wereldmacht en Bin Laden plaatsvond in Kenia in 1998, toen de Amerikaanse ambassade in Nairobi verwoest werd door een terroristische aanslag die werd opgeëist door de leider van Al Qaeda. Sinds toen is Kenia één van de voorposten van de Verenigde Staten geworden in hun strijd tegen de islamisten, eerst in Soedan vervolgens in Somalië en in de rest van het Afrikaanse continent.
Als voormalige Britse kolonie (van 1887 tot 1963) verkreeg zij de ‘onafhankelijkheid’ met de wapens en door een bloedbad waar de bevolking het slachtoffer van was. Kenia is nooit uit de onderontwikkeling geraakt (net als de rest van Afrika), met alle gevolgen van een absolute ellende voor de bevolking. De ‘onafhankelijkheid’ van Kenia is een illusie want het land is nooit iets anders geweest dan een pion van de voormalige Britse koloniale grootmacht, om vervolgens geleidelijk de voornaamste bondgenoot van de Verenigde Staten in de Hoorn van Afrika te worden. De gebeurtenissen die dit land treffen zijn geen geïsoleerde en kortstondige verschijnselen, maar zijn de voorbode van een chaos van het type Rwanda en Ivoorkust; dit houdt in dat we genocidaire slachtingen van nog grotere omvang moeten verwachten, en een verdeling van het land in oorlogsgebieden onder controle van criminele bendes die elkaar van tijd tot tijd uitmoorden en die de bevolking teisteren.
Kenia is dus net toegetreden tot de trieste ‘club’ van landen waar een permanente barbarij heerst die wordt versterkt door de rivaliteiten tussen de imperialistische grootmachten, die hen willen beheersen, zoals dat al het geval is in zijn buurlanden Soedan en Somalië. Achter deze gruweldaden schuilt de verantwoordelijkheid van de ontwikkelde, ‘democratische’ landen die deze bloeddorstige klieken bewapenen en financieel steunen om onderhands het vuile werk voor hen te doen.
Amina / 18.01.2008
Als we de opeenvolging van gebeurtenissen zien die leidt naar de reusachtige mobilisatie van 13 mei 1968, dan is het duidelijk dat het niet zozeer de actie van de studenten is die verantwoordelijk is voor de omvang van die mobilisatie, maar wel het optreden van de overheid zelf, die voortdurend olie op het vuur gegooid heeft, tot ze zich met de staart tussen de benen terugtrok. In feite waren de studentenacties in Frankrijk, voor de escalatie van mei 1968 op gang kwam, veel minder massaal of diepgaand dan strijd in andere landen, met name in de Verenigde Staten en Duitsland.
In de eerste wereldmacht gaan zich vanaf 1964 de meest massale en betekenisvolle bewegingen ontwikkelen uit deze periode. Meer bepaald aan de universiteit van Berkeley, in Noord-Californië, zal het studentenverzet voor het eerst een massaal karakter krijgen. De eis die als eerste de studenten op de been brengt is die van de ‘free speech movement’, de beweging voor vrije politieke meningsuiting binnen de universiteit, met name tegen de oorlog in Vietnam en tegen de rassensegregatie. In eerste instantie reageren de autoriteiten uiterst repressief, met name met het inzetten van de politie tegen de ‘sit-ins’, de vreedzame bezetting van lokalen, waarbij 800 arrestaties worden uitgevoerd. Tenslotte laat de universitaire overheid begin 1965 politieke activiteiten toe op de universiteit die een van de belangrijkste centra wordt van het studentenverzet in de Verenigde Staten, terwijl juist onder de slogan ‘de rommel opruimen op Berkeley’ Ronald Reagan tegen alle verwachtingen in eind 1965 tot gouverneur van Californië wordt gekozen. De beweging zal zich massaal ontwikkelen en radicaliseren in de volgende jaren, rond het protest tegen de rassenscheiding, voor de verdediging van vrouwenrechten en vooral tegen de Vietnamoorlog. Terwijl jonge Amerikanen, vooral studenten, massaal naar het buitenland vluchten om niet naar Vietnam te worden gestuurd, worden de meeste universiteiten van het land getroffen door massale bewegingen tegen de oorlog, terwijl zich oproer ontwikkelt in de zwarte getto’s van de grote steden (naar verhouding worden veel meer jonge zwarten als soldaat naar Vietnam gestuurd dan het nationaal gemiddelde). Van 23 tot 30 april 1968 wordt de universiteit van Columbia, in New York, bezet uit protest tegen de bijdragen die haar departementen leveren aan het Pentagon, en uit solidariteit met de bewoners van het nabijgelegen getto van Harlem. Het is één van de hoogtepunten van het studentenverzet in de Verenigde Staten die haar gewelddadigste momenten zal beleven eind augustus in Chicago, met echt oproer, tijdens de Conventie van de Democratische Partij.
Veel andere landen kenden studentenrevoltes in de loop van deze periode:
Japan: vanaf 1965 betogen studenten tegen de oorlog in Vietnam, met name onder leiding van de Zengakuren die zware gevechten organiseren tegen de politie. In 1968 lanceren zij de slogan: “vorm de Kanda [de universiteitswijk van Tokio] om tot Quartier latin”.
Groot-Brittannië: de opkomst begint vanaf einde 1967 in de zeer respectabele ‘London School of Economics’, een Mekka van het burgerlijk economisch denken, waar de studenten protesteren tegen de benoeming tot president van een personage dat bekend staat om zijn banden met de racistische regimes in Rhodesië (nu Zimbabwe) en Zuid-Afrika. Het verzet duurt voort begin 1968 met name met massale betogingen tegen de ambassade van de Verenigde Staten terwijl ook andere universiteiten, met name Cambridge, getroffen worden. Er zijn honderden gewonden en arrestaties.
Italië: de studenten komen in maart op de been aan vele universiteiten, met name in Rome, tegen de Vietnamoorlog en ook tegen het beleid van de universiteitsoverheden.
Spanje: ook in maart wordt de universiteit van Madrid ‘voor onbepaalde tijd’ gesloten wegens de studentenagitatie tegen de Vietnamoorlog en tegen het Franco-regime.
Duitsland: terwijl de studentenagitatie zich al vanaf 1967 ontwikkelt tegen de oorlog in Vietnam en de invloed groeit van de ultra-linkse SDS beweging die afgesplitst is van de sociaal-democratische jeugd, radicaliseert de beweging zich en neemt ze een massaal karakter aan nadat een jong heethoofd, overduidelijk beïnvloed door de hysterische campagnes die door persmagnaat Axel Springer gevoerd worden, een aanslag pleegt op de voornaamste leider van ultra-links, Rudi Dutschke. Gedurende verscheidene weken, tot de aandacht zich verplaatste naar Frankrijk, diende de studentenbeweging in Duitsland als referentiepunt voor het geheel van bewegingen die aan de gang waren in de meeste landen van Europa.
Eveneens in België gingen de studenten de straat op tegen de gruwel van de Vietnamoorlog, de opvoering van de spanningen tussen Oost en West onder meer door de installatie van een rakettenschild in Europa. Zowat in alle universiteiten, in tal van hogescholen en ook onder de middelbare scholieren groeide een protestbeweging voor een radicale hervorming van het onderwijs die niet direct in dienst van 'staat en kapitaal' stond. De leuze "Arbeiders, studenten: één front" verscheen op tal van manifestaties die gepaard gingen met de opkomst van de arbeidersstrijd vanaf 1969 en vooral tijdens de wilde stakingen in 1970 van de Limburgse mijnwerkers met zijn doden die vielen onder de rijkswachtkogels.
Deze lijst is verre van volledig. vele landen aan de periferie van het kapitalisme werden eveneens getroffen door studentenbewegingen in de loop van 1968 (onder meer Brazilië en Turkije, naast vele andere). We moeten hier de beweging in Mexico vermelden die zich aan het einde van de zomer ontwikkelde en die de regering besloot in bloed te smoren (tientallen, zo niet honderden doden, op 2 oktober op het plein van de Drie Culturen - Tlatelolco - in Mexico) zodat de Olympische Spelen vanaf 12 oktober ‘in alle rust’ zouden kunnen doorgaan.
Wat al die bewegingen kenmerkt is natuurlijk in de eerste plaats de verwerping van de oorlog in Vietnam. Maar terwijl de stalinistische partijen, verbonden aan de regimes van Hanoi of Moskou, logisch gezien de leiding ervan moesten nemen, zoals dat gebeurde met de anti-oorlogsbewegingen tijdens de Koreaanse oorlog begin jaren 1950, was dat nu helemaal niet het geval. Integendeel: die partijen hebben nu hoegenaamd geen invloed en keren zich vaak compleet tegen de bewegingen. Dat is één van de kenmerken van de studentenbewegingen eind jaren 1960 dat de diepe betekenis die zij hebben blootlegt, een betekenis die we in een volgend artikel zullen onderzoeken.
Fabienne / 03.2008
Met de crisis van de riskante hypotheken (‘subprimes’) tekent de economische wereldrecessie zich duidelijk af. Tegelijkertijd worden over heel de wereld honderdduizenden proletariërs hard getroffen door de economische crisis. Onder de belangrijkste slachtoffers zijn de gezinnen die uit hun huizen werden gezet omdat zij hun leningen niet meer konden afbetalen of die hun baan verliezen. Op één jaar is in de Verenigde Staten de graad van inbeslagnemingen/uitzettingen verdubbeld: 200.00 inbeslagnamen per maand in het tweede semester van 2007 vergroten het verschijnsel van de ‘spooksteden’. Zo spreekt de galopperende verpaupering veel sterker de bestaande voedselhulpprogramma’s aan (1). Bovendien zijn er 27.000 ontslagen gepland in de bouwsector, 28.000 in de voedingssector. Voor de automobielsector worden er 12.000 voorzien bij het schrappen van 12.000 jobs voor de Fordfabrieken! Er worden 74.000 ‘vrijwillige uittreders’ gevraagd bij General Motors. In 2006 had het ontslag van 30.000 arbeiders, die op uurloon werkten, al de vastbeslotenheid van de directie laten zien om “de productiviteit van de Aziatische constructeurs in te lopen”. Het huidige plan brengt diezelfde wil tot uiting met het “aanwerven van nieuwkomers die drie keer minder worden betaald : 25 dollar per uur in plaats van de huidige 75, sociale prestaties inbegrepen” (2). Daaraan moet “het grote verschil met de voorgaande plannen” worden toegevoegd: de arbeiders moeten “aanvaarden dat zij hun ziekteverzekering en hun ouderdomspensioen kwijtaken wanneer ze door de fabriekspoort gaan”(3). De ontslagen vermenigvuldigen zich in de verwerkende industrie, de kleinhandel, enz. Het is duidelijk dat er een ramp op komst is in de dienstensector. In de financiële wereld zijn er al 26.000 ontslagen voorzien, en die raken tempels zoals HSBC, UBS. De Citigroup voorziet tussen 17.000 en 24.000 ontslagen!
Momenteel kan deze frontale shock verbonden aan de crisis niet meer verschoven worden naar de periferie van het kapitalisme, naar de arme landen. Nu worden het hart van het kapitalistisch systeem en zijn meest geconcentreerde wereldproletariaat getroffen. In Europa, in een land als Duitsland, waar men zich niettemin beroept op de prestaties van de uitvoer en het dynamisme van de bedrijven, vermenigvuldigen zich de rijen van ontslagen: bij Deutsche Telekom 35.000 ontslagen tegen einde 2008. Bij BMW sneuvelen er 8.000 banen omwille van de ‘rentabiliteit’. Hetzelfde bij Siemens dat 3.000 kantoorbedienden op straat wil zetten in zijn afdeling Enterprise Network (SEN). De operator Nokia maakt zich klaar om te verhuizen naar Roemenië waar de arbeidskracht veel goedkoper is. Ook elders, in de sector van de telecommunicatie, wil het Nederlandse bedrijf KPN 2.000 jobs te schrappen bovenop de 8.000 die al waren voorzien door een plan dat in 2005 werd uitgebracht. In Frankrijk zijn er buiten de al voorziene 23.000 geschrapte banen in de openbare diensten en de gemeenten 18.000 ontslagen bij Peugeot gepland die gespreid worden tot 2010. Een melkweg van bedrijfsfaillissementen brengt nu reeds directe ontslagen teweeg, vooral voor de meest kwetsbare arbeiders, namelijk de gastarbeiders in een ongereguleerde situatie, zonder papieren, maar ‘legaal’ tewerkgesteld in de bouwsector, de horecasector, de elektronica,… Deze ramp die nog maar in zijn beginstadium verkeert, raakt alle andere landen van Europa en de rest van de wereld. Zelfs in wat men ons voorstelt als het El Dorado, China, leidt de inkrimping van de wereldmarkt tot ontelbare bankroeten en ontslagen (4).
Men hoeft zich geen illusies te maken, de verpaupering neemt overal steeds meer toe! Wat ons door de bourgeoisie wordt voorgesteld als ‘afslankingen’ en volgens bepaalde economisten een ‘heilzame zuivering’ is, is in werkelijkheid slechts één van de duidelijkste uitingen van het bankroet van het kapitalistisch systeem.
WH / 23.02.2008
1. Voor de kinderen verstrekt ‘Kids Café’ in al achttien districten maaltijden. In de staat New York zijn de voedselbedelingen in één jaar met 24% toegenomen.
2. Libération, 23 februari 2008.
3. Idem.
4. Om zich aan te passen “past China sinds januari 2008 een nieuw arbeidsrecht toe, waarvan de uitvaardiging al maandenlang massale ontslagen veroorzaakt”. In Zuid-China (Shenzhen) wordt in deze industriële megapolis één op de tien bedrijven tot sluiting gedwongen. Zie: www.lagrandeepoque.com [85].
De laatste vijf jaar zijn we getuige van een internationale ontwikkeling van de klassenstrijd. Deze strijd heeft zich ontwikkeld als antwoord op de omvang van de kapitalistische crisis. En de dramatische verslechtering van de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse in de hele wereld.
Momenteel zijn we in Duitsland getuige van het begin van een nieuwe etappe in deze dynamiek. In dit belangrijke industrieland van Europa zijn talrijke stakingen gevoerd in de hoofdsectoren van de economie. Massale ontslagen, sterke loonsdalingen en drastische verslechtering van de arbeidsvoorwaarden zijn het gist voor de ontwikkeling van deze strijd in een land waar de arbeidersklasse nog maar enkele jaren geleden bekend stond voor de hoogste levensstandaard van Europa.
Het jaar 2008 begon ermee dat de spoorwegmaatschappij ‘Deutsche Bahn’ een loonsverhoging moest toekennen van 11% en een verkorting van de werkweek voor machinisten. Dit was het resultaat van een tien maanden durend conflict, dat nóch door het buiten de wet stellen van de staking op nationaal vlak, nóch de verdeling van de arbeiders van de DB door de vakbonden, werd ondermijnd.
Deze staking werd gevolgd door een grote mobilisering in het Ruhr-gebied, met de lamleggen van de productie van draagbare telefoons bij Nokia. Op een solidariteitsdag met het kantoorpersoneel van Nokia in Bochum bijvoorbeeld kwamen arbeiders van verschillende sectoren op de been en er werden afvaardigingen uit verschillende delen van Duitsland gestuurd. Met name de arbeiders van de automobielfabrieken van Opel in Bochum gingen die dag in staking gegaan als steun aan de ‘Nokianers’. De rol van de automobielfabriek in Bochum kan niet onderschat worden want het is waar dat het kantoorpersoneel van Nokia zich gedemoraliseerd en geïntimideerd voelden door de provocerende brutaliteit waarmee de sluiting van het bedrijf werd aangekondigd. En het was juist met het massale ingrijpen van de Opel-arbeiders dat – met oproepen tot strijd en de belofte zich daarbij aan te sluiten zodra het begon – dat de mobilisering mogelijk werd.
Maar het is de opening van de jaarlijkse loononderhandelingen, die vanaf midden februari talrijke uitingen van arbeidersstrijdbaarheid teweegbracht. Daarmee sneuvelde de mythe van een ‘model van Duits sociaal overleg’, dat de bourgeoisie zo na aan het hart lag. De beurtstakingen van de arbeiders in de staalnijverheid werden gevolgd door verrassingsstakingen van tienduizenden arbeiders in de openbare diensten. Sinds januari neemt de spanning haast overal toe. Zo riep de vakbond Verdi het kantoorpersoneel van de ziekenhuizen, en zelfs de artsen, het personeel van spoorwegen en streektransport (niet beheerd door de DB), van de kinderopvang, van de spaarbanken en talrijke openbare administraties, van luchthavens, piloten inbegrepen, op om in staking te gaan en te betogen voor een loonsverhoging van 12%. De regering daarentegen wil slechts een verhoging van 4% toekennen, terwijl de reële lonen officieel met 3,5% gedaald zijn, gepaard gaand met een verlenging van de werkweek met twee uur!
Verdi was oorspronkelijk van plan om de loonarbeiders de pil van dit akkoord te laten slikken, maar de kracht van de vijandigheid tegen dit akkoord was zo groot en de risico’s van overrompeling van de vakbonden zodanig dat deze zich gedwongen zag om een stap terug te doen en zich te haasten voorop te lopen in het ongenoegen door op te roepen tot staking, maar dan wel streek per streek.
Maar het was vooral de onbeperkte algemene staking van de transportarbeiders in Berlijn waarmee sinds het einde van de eerste week van maart die liet zien dat dit jaar in loononderhandelingen het kapitalistisch offensief tegen de arbeidersklasse een halt werd toeroepen. Deze staking van 10.000 arbeiders – nu al de meest massale en langdurigste van deze sector in de Duitse naoorlogse geschiedenis – heeft een strijdbaarheid en vastberadenheid laten zien die bij de bourgeoisie als een verrassing is aangekomen. Dit conflict barstte op een moment dat de Duitse spoorwegen een laatste poging deden om de concessies aan de treinbestuurders van de DB ongedaan te maken, die er vervolgens mee dreigden om opnieuw in staking te gaan, en dat op het moment waarop de onderhandelingen met de ambtenaren dreigden stuk te lopen. Deze staking van het stadsvervoer, met uitzondering van de buurtspoorwegen (S-Bahn, die behoort tot de DB) werd zorgvuldig afgezonderd van de stakingen die zich in het hele het land ontwikkelden en in andere bedrijfstakken in Berlijn zelf. In de context van gelijktijdige strijd die zich in heel Duitsland ontwikkelde op basis van dezelfde looneisen, en na sterke uitingen van solidariteit binnen de arbeidersklasse, zoals wij zagen bij de sluiting van Nokia, moesten de ondernemers en de vakbonden aan de alarmbel trekken. Als afleidingsmanoeuvre plande Verdi een actiedag op een zaterdag eind februari in een poging om het akkoord met de BVG, de patroon van het personeel van het stadsvervoer, aanvaard te krijgen. Dit akkoord voorzag in het bevriezen van de lonen tot in 2007, met enkel verhogingen voor wie sinds 2005 waren aangenomen. Maar de woede van de arbeiders was zo groot dat zij 24 uur voor de voorziene datum in staking gingen, zonder te wachten op de ‘toestemming’ van de vakbonden. De verontwaardiging was zo groot, niet alleen over de lonen, maar ook over de overduidelijke poging om verdeeldheid te zaaien tussen ‘jonge’ en ‘oudere’ arbeiders, dat Verdi zijn poging om tot een ‘onderhandeld en hartelijk akkoord’ te komen moest opgeven en in een oogwenk het geweer van schouder verwisselde door met radicale taal tot staking op te roepen… maar er daarbij wel voor zorgend dat de arbeiders in werkelijkheid werden opgesloten in ‘hun’ strijd en hen te isoleren van hun klassenbroeders. Terwijl de stakingsbeweging in de luchthavens massaal voelbaar was in Stuttgart, Keulen, Bonn, Hamburg en Hannover, zorgde Verdi er voor dat de luchthaven van Berlijn geen staking noch werkonderbreking kende, onder het voorwendsel het Duitse toerismebeurs niet te willen ‘saboteren’. In dergelijke omstandigheden deed ook de DB al snel een stap terug enkele uren voor de hervatting van een algemene staking van Berlijnse treinbestuurders. Het was een staking die feitelijk de pogingen van de directie verijdelde om de akkoorden die in januari waren afgesloten over de 11% en werkvermindering weer op de helling te zetten. Deze staking liet het begin zien van verzet tegen de vakbonden en leidde tot een openlijke botsing met de coalitie van het stadsbestuur in Berlijn, namelijk van de linkervleugel van de sociaal-democratie met de ‘Linkspartei’. Die laatste komt voort uit de Stalinistische SED en stond vroeger aan het hoofd van de DDR (Oost-Duitsland). Ze wint nu terrein in het voormalig West-Duitsland, met steun van de oude leider van de SPD, Oskar Lafontaine, en veroordeelde de staking als uiting van de ‘mentaliteit van bevoorrechting’ van de ‘verwende’ West-Berlijners!
Als gevolg van deze ontwikkeling verschenen er meerdere blogs op internet, waarin spoorwegarbeiders alsook piloten en verplegend personeel hun bewondering voor, en hun solidariteit uitdrukten met de staking bij de BVG. Dat is van groot belang omdat in deze bedrijfstakken, waar het gewicht van het corporatisme bijzonder sterk is en krachtig gevoed wordt door de vakbonden, want ze brengen een diepgaande tendens tot uiting in de richting van éénheid en solidariteit voor de komende periode.
Wilma / 21.03.2008
Ter gelegenheid van de verjaardag van de Russische Revolutie van Oktober 1917, hebben de pennenlikkers van de heersende klasse ons regelmatig hetzelfde refreintje voorgezongen: de dictator Stalin zou de erfgenaam zijn van Lenin; zijn misdaden zouden het gevolg zijn van de politiek van de Bolsjewieken vanaf 1917. Moraal: de kommunistische revolutie kan enkel leiden tot de terreur van het stalinisme. Ter gelegenheid van de verjaardag van de Russische Revolutie van Oktober 1917, hebben de pennenlikkers van de heersende klasse ons regelmatig hetzelfde refreintje voorgezongen: de dictator Stalin zou de erfgenaam zijn van Lenin; zijn misdaden zouden het gevolg zijn van de politiek van de Bolsjewieken vanaf 1917. Moraal: de kommunistische revolutie kan enkel leiden tot de terreur van het stalinisme (1).
Het zijn de mensen die de geschiedenis maken, maar zij doen dat in bepaalde omstandigheden die doorwegen op hun daden. Zo bestond de belangrijkste reden van het instellen van het terreurregime in de Sovjet-Unie uit het tragische isolement van de Oktoberrevolutie van 1917. Want zoals Engels schreef vanaf 1847, in zijn Beginselen van het Kommunisme, kan de proletarische revolutie enkel zegevieren op wereldschaal:
“De kommunistische revolutie (…) zal geen zuivere nationale revolutie zijn ; ze zal tegelijkertijd plaatsvinden in alle beschaafde landen (…) Ze zal ook op alle andere landen van de wereld een aanzienlijk invloed uitoefenen en ze zal het verloop van hun ontwikkeling volledig omvormen en versnellen. Ze is een universele revolutie ; ze zal bijgevolg een universeel terrein bestrijken.”
De Russische revolutie werd niet overwonnen door de legers van de bourgeoisie, tijdens de burgeroorlog (1918-1920), maar van binnenuit, door de geleidelijke identificatie van de Bolsjewistische Partij met de Staat. Dat heeft de bourgeoisie in staat gesteld om de grootste leugen uit de geschiedenis te verspreiden, dat wil zeggen de Sovjet-Unie voor te stellen als een proletarische staat, ofwel wijs te maken dat de proletarische revolutie enkel kan leiden tot een regime van het stalinistische type.
In tegenstelling tot wat de ideologen van de bourgeoisie beweren, was er geen continuïteit tussen de politiek van Lenin en die van Stalin na diens dood. Het fundamenteel verschil dat hen onderscheidde berustte in de sleutelkwestie van het internationalisme. De stelling van het ‘Socialisme in één land’, in 1925 aangenomen door Stalin, betekende een werkelijk verraad aan de grondbeginselen van de proletarische strijd en van de kommunistische revolutie. In het bijzonder betekende deze stelling die door Stalin werd voorgesteld als één van de ‘beginselen van het leninisme’, het volledige tegendeel van het standpunt van Lenin. Het onverzettelijke internationalisme van Lenin, dat zijn volledige aanhankelijkheid betoonde aan de strijd van het proletariaat voor zijn ontvoogding, was een constante in zijn leven (2). Zijn internationalisme was niet uitgedoofd met de zege van de Russische revolutie van Oktober 1917. Integendeel, hij beschouwde deze enkel als een eerste stap en een opstap naar de wereldrevolutie: “De Russische revolutie is slechts een detachement van het socialistische wereldleger, en het succes en de zege van de revolutie die wij hebben doorgevoerd hangen volledig af van de activiteit van dit leger. Dat is een feit dat niemand onder ons vergeet [...]. Het Russische proletariaat is zich bewust van zijn revolutionair isolement, en het ziet duidelijk dat het verenigde ingrijpen van de arbeiders wereldwijd, de onmisbare voorwaarde en de fundamentele premisse zijn voor zijn zege” (Rapport voor de Conferentie van Fabriekscomités van de provincie van Moskou).
Om die reden speelde Lenin, met Trotski, een beslissende rol in de stichting van de Kommunistische Internationale (KI, Komintern) in maart 1919. Het was vooral Lenin die één van de fundamentele teksten van het stichtingscongres van de KI heeft geredigeerd: de Stellingen omtrent de burgerlijke democratie en de dictatuur van het proletariaat.
Ten tijde van Lenin leek de KI helemaal niet op wat ze geworden is onder de controle van Stalin: een instrument van de diplomatie van de Russische kapitalistische staat en de speerpunt van de contra-revolutie op wereldvlak.
In tegenstelling tot Lenin beweerde Stalin dat het mogelijk was om het socialisme in één land op te bouwen. Deze nationalistische politiek van verdediging van het ‘socialistisch vaderland’ in Rusland vormde een verraad aan de proletarische grondbeginselen die door Marx en Engels geformuleerd werden in het Kommunistisch Manifest: “De arbeiders hebben geen vaderland. Proletariërs alle landen verenigt U!” Deze politiek diende om het staatskapitalisme te versterken in de Sovjet-Unie door het aan de macht komen van een klasse van bevoorrechten, de bureaucratie, die teerde op de wrede uitbuiting van de arbeidersklasse. Stalin was de gewapende arm en het boegbeeld van de contra-revolutie.
Als hij tot beul kon worden van de Russische revolutie, dan was het ook omdat hij bepaalde karaktertrekken had die hem meer dan andere leden van de Bolsjewistische Partij, geschikt maakten om deze rol te spelen. Het waren juist deze karaktertrekken die Lenin gedoodverfd had in zijn testament:
– “Kameraad Stalin heeft door algemeen secretaris te worden een onmetelijke macht geconcentreerd in zijn handen en ik ben er niet zeker van of hij daar altijd met voldoende omzichtigheid mee weet om te gaan [...].”
En in een naschrift, aan de vooravond van zijn dood, voegde hij er aan toe:
– “Stalin is te brutaal, en dit gebrek is volkomen te verdragen onder ons, kommunisten, maar wordt onverdraaglijk in de functie van algemeen secretaris. Daarom stel ik aan de kameraden voor om een middel te bedenken om Stalin uit deze post te verwijderen en in zijn plaats iemand te benoemen die zich op alle vlakken superieur is aan Stalin, dat wil zeggen, dat hij geduldiger is, loyaler, beleefder en bezorgder voor de kameraden, minder wispelturig, enzovoort. Deze omstandigheid kan een onbetekenende peulschil lijken, maar ik denk dat om een afsplitsing te voorkomen, en vanuit het gezichtspunt van de verhoudingen tussen Stalin en Trotski die ik hierboven heb onderzocht, dat het geen kleinigheid is, tenzij een kleinigheid die van doorslaggevende betekenis kan worden” (Testament van Lenin, 4 januari 1924).
Vanaf het midden van de jaren 1920 voerde Stalin een politiek van ongenadige politieke liquidering van alle oude medestrijders van Lenin door tot het uiterste misbruik te maken van de repressieorganen die de Bolsjewistische Partij had doorgevoerd om verzet te plegen tegen de witte legers (voornamelijk de politieke politie, de Tsjeka).
Na het overlijden van Lenin in januari 1924, haastte Stalin zich om zijn bondgenoten te plaatsen op sleutelposten in de partij. Hij had het vooral gemunt op Trotski, het alter ego van Lenin tijdens de Oktoberevolutie van 1917. Stalin sloot op opportunistische wijze een bondgenootschap met Boecharin, die de fatale vergissing maakte van het vertheoretiseren van de mogelijkheid van het socialisme in één land (later zou Stalin geen enkele scrupule vertonen om Boecharin te laten terechtstellen).
Vanaf 1924 kwamen een hele reeks meningsverschillen aan het licht binnen de Bolsjewistische Partij. Verschillende opposities vormden zich waarvan de belangrijkste geleid werd door Trotski waarbij andere militanten van de oude Bolsjewistische garde zich aansloten (namelijk Kamenev en Zinoviev). Met de opkomst van de bureaucratie binnen de partij had de Linkse Oppositie begrepen dat de Russische revolutie aan het ontaarden was.
Stalin bekleedde een sleutelpost. Hij controleerde het apparaat van de partij evenals de promotie van de leiders. Dat stelde hem in staat om zijn mannetjes te plaatsen en de Bolsjewistische Partij om te vormen tot een verbrijzelingsmachine. Hij begunstigde in het bijzonder de toetreding tot de partij van een grote massa arrivisten. Dat soort mensen, waar Stalin op steunde, waren er enkel op uit om carrière te maken binnen het staatsapparaat.
Hij had van toen af de handen vrij om de grote zuivering op te zetten binnen de partij, met als voornaamste doel het weren uit de leiding van de belangrijkste figuren van de Oktoberrevolutie (Kanenev, Zinoviev, Boekharin en vooral Trotski) om ze tenslotte allemaal uit de weg te ruimen.
Geleidelijk aan onttrok Stalin aan Troski al zijn politieke bevoegdheden tot op het moment dat hij hem liet uitsluiten uit de partij in1927 en uit Rusland in 1928. Dat was de periode waarin de tegenstanders van Stalin en de verdachten de ‘goelags’ vulden. De processen van Moskou (1936-1938) stelden Stalin in staat om de oude Bolsjewistische garde uit de weg te ruimen onder het voorwendsel van het verdrijven van ‘terroristen’, als gevolg van de moord op de partijchef van Leningrad, Sergeï Kirov, op 1 december 1934.
Tienduizenden Bolsjewieken werden aldus vervolgd, gevangen gezet, en tenslotte uitgeroeid in de meest verschrikkelijke omstandigheden. Dat was het tijdperk van de grote stalinistische campagne van de aanklacht tegen de ‘Hitler-troskisten’. In naam van hun gebrek aan ‘trouw’ aan ‘het socialistische vaderland’ liet Stalin ook duizenden Bolsjewistische militanten terechtstellen, waaronder diegenen die het nauwst betrokken waren bij de Oktoberrevolutie. Het kwam er op aan om definitief allen te muilkorven die vasthielden aan hun internationalistische en kommunistische overtuigingen. Alles wat ook maar in de verste verte herinnerde aan de Oktoberrevolutie van 1917 moest uit het geheugen gewist worden. Alle getuigen, die geacht werden de ‘officiële’ versie van de geschiedenis tegen te spreken, moesten verdwijnen omdat zij zijn grootste leugen konden blootleggen: het idee volgens hetwelk Stalin de uitvoerder zou geweest zijn van het testament van Lenin, het idee van een continuïteit tussen de politiek van Lenin en die van Stalin (3).
Wat was de reactie van de grote democratieën op de barbaarse stalinistische repressie? Toen Stalin vanaf 1936 de schandelijke ‘processen van Moskou’ organiseerde, waarbij te zien was hoe de oude medestrijders van Lenin, gebroken door foltering, zichzelf beschuldigden van de meest verwerpelijke misdaden en voor zichzelf een voorbeeldige straf eisten, liet diezelfde democratische pers betaald door het kapitaal verstaan dat er ‘geen rook was zonder vuur’ (zelfs indien bepaalde kranten enkel schuchtere kritieken hadden opgeworpen ten overstaan van de politiek van Stalin door te beweren dat hij ‘overdreef’).
Het was met de medeplichtigheid van de bourgeoisie van de grootmachten dat Stalin zijn monsterlijke misdaden pleegde, dat hij in zijn gevangenissen en in zijn concentratiekampen, honderdduizenden kommunisten en miljoenen arbeiders en boeren uitroeide. En de sectoren van de bourgeoisie die blijk geven van de grootste ijver in deze medeplichtigheid, waren de ‘democratische’ sectoren (en in het bijzonder de sociaal-democratie), diezelfden die vandaag de stalinistische misdaden met uiterste heftigheid aanklagen en zich voordoen als modellen van deugdelijkheid.
Het was wel degelijk omdat het regime dat zich vestigde na de dood van Lenin en het neerslaan van de revolutie in Duitsland (1918-23), slechts een variant was van het kapitalisme, en zelfs een speerpunt van de contra-revolutie, dat het een warme steun kreeg van alle bourgeoisieën die enkele jaren voordien de macht van de sovjets wreedaardig hadden bestreden. Inderdaad, in 1934 aanvaarden diezelfde ‘democratische’ bourgeoisieën de Sovjet-Unie in de Volkerenbond (de voorloper van de Verenigde Naties), die door revolutionairen als Lenin bij zijn oprichting gekwalificeerd was als een ‘rovershol’. Het was het teken dat Stalin een ‘respectabele Bolsjewiek’ geworden was in de ogen van de heersende klasse van alle landen, diezelfde die de Bolsjewieken in 1917 voorstelde als barbaren met het mes tussen de tanden. De imperialistische rovers hebben in dit personage een van de hunnen herkend. Diegenen die van toen af vervolgd werden door heel de wereldbourgeoisie, zijn de kommunisten die zich verzetten tegen het stalinisme.
In een dergelijke internationale context wordt Trotski uitgewezen, van land tot land, elk moment onderworpen aan politiebewaking, moet hij het hoofd bieden aan de meest smerige kwaadsprekerij die de stalinisten tegen hem ontketenen en die met veel voldaanheid wordt overgenomen door de bourgeoisieën van het ‘democratische’ Westen.
Maar daar waar de medeplichtigheid van de democratische grootmachten het meest duidelijk werd lag in het feit dat geen enkele onder hen bereid was om Trotski asiel te verlenen, toen hij verbannen werd uit de Sovjet-Unie. Overal werd de oude leider van het Rode Leger beschouwd als een ongewenst persoon (persona non grata). De wereld was voor Trotski een ‘planeet zonder visa’ geworden.
Tijdens zijn verblijf in Frankrijk in 1935, zou de intelligentsia samengesteld uit journalisten en andere leden van de Franse Academie (zoals Georges Lecomte) zelfs zo ver gaan om het gerucht de ronde te laten gaan dat Trotski een ‘terroristische staatsgreep’ aan het voorbereiden was. Als gevolg van die geruchten werd Trotski uitgewezen door de ‘democratische’ Franse staat. Om te beletten dat hij overgeleverd zou worden aan de politieke politie van Stalin, bood de Noorse staat hem voorlopig politiek asiel aan, vooraleer ook zij hem uiteindelijk uitwees.
Na meer dan tien jaar omzwervingen werd Trotski tenslotte verwelkomd door de Mexicaanse regering in 1939, dankzij de schilder Diego Rivera die sympathieën koesterde voor het trotskisme. Na een eerste poging tot moordaanslag, door een commando geleid door de stalinistische schilder Siqueiros, werd Trotski op 20 augustus 1940 vermoord door een agent van Stalin, Ramón Mercader, die was geïnfiltreerd in zijn entourage door één van de medewerksters van de oude revolutionair te verleiden.
Trotski viel onder de slagen van de stalinistische repressie op het moment dat hij begon in te zien dat de Sovjet-Unie geen ‘proletarische staat met bureaucratische afwijkingen’ was, een visie die zo dierbaar is aan de Vierde Internationale (waarop bepaalde trotskistische organisaties, zoals de LCR, Lutte Ouvrière en de LSP/MAS (het CWI) zich beroepen).
Onze goeie hedendaagse democraten (zoals Marc Ferro en Stéphane Courtois) schreeuwen altijd moord en brand over de afschuwelijke misdaden van de Bolsjewistische Partij. Zij zullen er niet toe in staat zijn om deze geschiedkundige feiten uit ons geheugen te wissen: het is wel degelijk met de medeplichtigheid en de goedkeuring van hun voorgangers dat Stalin zijn lage streken heeft kunnen uitvoeren.
Deze herinnering aan één van de meest tragische episodes van de twintigste eeuw brengt, als dat nog nodig was, aan het licht dat er geen enkel continuïteit bestaat, maar wel degelijk een radicale breuk tussen de politiek van Lenin en die van Stalin (4). Op zijn sterfbed had Lenin juist geoordeeld: Stalin had te veel macht geconcentreerd in zijn handen. Zijn vervanging zou evenwel de loop van de geschiedenis niet hebben gewijzigd: een ander leider van zijn kaliber zou de rol op zich genomen hebben van beul van de Revolutie. Maar dat hij zich heeft weten op te dringen lag aan zijn persoonlijkheid, die hem het meest geschikt maakte om deze rol te spelen. Net zoals bij Hitler, die in de gunst kwam van de Duitse bourgeoisie die belust was op revanche na haar nederlaag van 1918 en na de schrik die haar in de benen was geslagen met de proletarische revolutie tussen 1918 en 1923.
In tegenstelling tot de leugens die door de ‘democratische’ propaganda ten overvloede verspreid worden, zat de worm niet in de vrucht vanaf Oktober 1917. Het Bolsjewisme van het eerste uur bevatte niet in de kiem de terreur van het stalinisme. Want het is wel degelijk de verplettering van de revolutie in Duitsland die de weg wijd geopend heeft voor de contra-revolutie in Rusland. Net zo heeft het overlijden van Lenin op 20 januari 1924 de laatste hindernissen opgeruimd voor de machtsgreep van Stalin in de Bolsjewistische Partij.
Deze laatste werd tot de stalinistische partij met de aanvaarding van de theorie van het ‘socialisme in één land’.
Het Bolsjewisme behoort toe aan het proletariaat, niet aan zijn beul, het stalinisme.
Sylvestre / 20.01.2008
(1) Zie hiervoor ons artikel op onze web-site: Groet aan de proletarische revolutie!
(https://fr.internationalism.org/ri386/Russie_Octobre_1917_Salut_à_l-a_R... [87]).
(2) Zie hiervoor ons artikel in Révolution International, nr. 344, te raadplegen op onze website: Lenin, een groot strijder van het wereldproletariaat (https://fr.internationalism.org/ri344/Lenine.htm [88]).
(3) Om elk spoor van het verleden, elke getuigenis uit te wissen, heeft Stalin zelfs geprobeerd om buitenlandse militanten die in de Sovjet-Unie verbleven, zoals Victor Serge, gevangen te zetten. Deze laatste was een schrijver die een zekere bekendheid genoot. Als hij kon gered worden dan was dat dank zij een campagne van internationale mobilisering.
(4) Het is trouwens om deze reden dat de geneesheer van Lenin, op bevel van Stalin, oordeelde dat het niet langer nodig was zijn doodstrijd te verlengen en tot euthanasie werd overgegaan (dit ‘humanitaire’ gebaar had de ‘verdienste’ te verhinderen dat Lenin zijn laatste richtlijnen zou kunnen geven betreffende de ontsporingen van de partij).
Maar pas op: de vakbonden, die zichzelf voordoen als vertegenwoordigers van de arbeiders, dienen er in werkelijkheid toe ons verdeeld te houden. Dat wordt nergens duidelijker dan in de onderwijswereld. De staking op 24 april betreft leden van de NUT in lager- en middelbaar onderwijs. Het betreft niet de leraren in het hoger onderwijs die ‘andere’ bazen hebben. Ook worden leraren van andere vakbonden er niet in betrokken, zoals van de NAS/UWT die beweert dat het niet over loon gaat, maar over werkdruk. Net zo min worden duizenden werkenden in het onderwijs die geen les geven er in betrokken, zoals assistenten, onderhoudspersoneel, schoonmakers, kantinepersoneel enzovoort, hoewel die eveneens reden tot klagen hebben. En hoewel de NUT nu harde taal gebruikt riep het in 2006, toen veel van dit personeel in staking ging, op om zich daarbij niet aan te sluiten.
Hetzelfde verhaal geldt bij de ambtenarij, bij de gemeentelijke diensten, bij de metro en de spoorwegen, en heel veel andere bedrijfstakken waar arbeiders verdeel worden over verschillende categorieën en vakbonden. De Britse staat heeft het allang onwettig gemaakt dat wie voor verschillende ondernemers werken uit solidariteit met elkaar in staking gaan. Door arbeiders aan deze wetten te houden voeren de vakbonden het werk van de staat op de bedrijfsvloer uit. Datzelfde geldt voor de wetten waardoor het de arbeiders verboden wordt om in massabijeenkomsten over stakingsacties te beslissen. Met het gedaas over vakbondsstemmingen worden de handen van de arbeiders op hun rug gebonden en wordt er voorkomen dat ze beslissingen nemen als één collectieve kracht.
Daaruit volgt dat als we zo’n macht willen opbouwen we de strijd in eigen hand moeten nemen en niet overlaten aan de vakbonds-‘specialisten’. Gemeentelijke arbeiders in Birmingham stemden in een massabijeenkomst voor deelname aan de stakingen rond 24 april. Dat is een voorbeeld om te volgen: we hebben bijeenkomsten nodig in alle bedrijven waar alle arbeiders, al dan niet vakbondslid en van alle vakbonden, deelnemen aan de besluitvorming. En we dienen er op aan te dringen dat besluiten die in massabijeenkomsten worden genomen bindend zijn, niet afhankelijk van vakbondsverkiezingen, besloten bijeenkomsten of vakbondsvertegenwoordigers.
Eenheid op de werkvloer is onverbreekbaar verbonden aan het opbouwen van eenheid met arbeiders van andere bedrijven en bedrijfstakken, of we dat nu doen door het sturen van delegaties naar hun bijeenkomsten, door deel te nemen aan hun poortblokkades of door tezamen te komen bij manifestaties en demonstraties.
Alle arbeiders oproepen gezamenlijk bijeen te komen, te staken en te demonstreren voor gezamenlijke eisen is natuurlijk ‘onwettig’ voor een straat die de ware klassensolidariteit buiten de wet wil stellen. Dit kan in het begin afschrikwekkend lijken, een al te grote stap. Maar het is precies die stap van de dingen in eigen hand nemen en zich te verenigen met andere arbeiders waaruit we vertrouwen en moed kunnen putten om de strijd voort te zetten.
En gezien het onheilspellende vooruitzicht dat het wereldwijde kapitalistische systeem ons biedt – een toekomst van crisis, oorlog en ecologische rampen – is er geen twijfel dat de strijd moet voortgaan. Hij moet vertrekken van de verdediging van onze fundamentele levensomstandigheden om deze hele sociale orde ter discussie te stellen en uit te dagen.
Amos 05/04/2008
Op 26 maart vond een discussie plaats te Antwerpen naar aanleiding van de vijf jaar oorlog in Irak op initiatief van enkele jongeren. Iedereen was welkom om mee te discussiëren en visies te delen omtrent de oorzaken van de oorlogen die de wereld maar niet lijken te verlaten. De bedoeling was zoals op de uitnodiging te lezen viel “een vrije discussie te houden, waar oprecht wordt gezocht naar antwoorden”. De IKS steunt dit iniatief. De inleiding en de discussie bevestigen andermaal de stelling van ons laatste Internationaal Congres waar we vaststelden dat er een nieuwe generatie van revolutionairen opkomt. Een toenemend aantal mensen in alle uithoeken van de planeet stellen zich dezelfde fundamentele vragen over de aard van de kapitalistische maatschappij en willen debatteren over de manier waarop een alternatief gevestigd kan worden. Als organisatie willen we aan dit proces bijdragen overal en zoveel als we kunnen, met de middelen die ons ter beschikking staan. We publiceren hier de inleiding en een korte synthese van het debat dat volgde dat we van een der iniatiefnemers ontvingen.
Naar aanleiding van de 5 jaar oorlog in Irak houden we vandaag een discussieavond over de oorlogen die deze wereld teisteren en waar geen eind aan lijkt te komen. In de eerste plaats denken we aan de oorlog in Irak, maar ook die in Afghanistan, Israël-Palestina, Sudan, Tsjaad, Congo, Somalië, Kenya, Tsjetsjenië en onlangs nog de spanningen tussen Venezuela, Ecuador en Colombia. Voor de discussie van vanavond vertrekken we van de situatie in Irak, maar het is niet uitgesloten dat die andere ook aan bod komen. We kunnen ons bijv. de vraag stellen of er een verband bestaat tussen deze oorlogen en of er een gemeenschappelijke voedingsbodem voor deze oorlogen is.
Ik begin met een kleine schets van de toestand vandaag in Irak, om toch maar niet te vergeten wat deze oorlog concreet is: 94.000 doden, 4,4 miljoen vluchtelingen, 3000 miljard $ aan militaire kosten, vernieling van elektriciteit- en watervoorzieningen, rampzalige gezondheidszorg, ‘elke dag’ wel een aanslag (bijv. midden maart blies een vrouw zich op en maakte tientallen doden en gewonden), elke buurt in Bagdad weerspiegelt de militie waardoor ze wordt gecontroleerd, corruptie alom (bijv. verkopers moeten Iraakse legerposten omkopen als ze hun goederen aanvoeren “We zijn er slechter aan toe dan de mensen in Gaza – als ze me niet doorlaten daar, moet ik het hele gebied rond om een andere controlepost te bereiken. 99 procent kans dat ik dan dood ben.”)T.o.v. deze feiten is de eerste vraag van de meeste mensen hoe deze waanzin te stoppen. Om dit te weten dienen we een andere vraag te stellen: ‘waarom deze oorlog?’ Ik stel voor van deze twee hoofdvragen – ‘waarom deze oorlog?’ en ‘hoe de oorlog stoppen?’ – te vertrekken om de discussie op gang te brengen.
Hoe is zo’n oorlog mogelijk, niemand wil zoiets toch? Toch beweren velen dat de oorlogen in Irak en Afghanistan door enkele mannen van “slechte” wil worden gevoerd: Bush, Donald Rumsfeld, Blair… of Osama Bin Laden, Saddam Hoessein, Moqtada El Sadr… Maar worden oorlogen wel gemaakt door individuen? Maken enkele personen de geschiedenis? Kan meneer Bush de koers van de machtigste staat in de wereld op zijn eentje bepalen? Is hij de leider of is hij de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten haar politiek? En brengt de maatschappij waarin we leven, het kapitalisme, niet de leiders voort die ze nodig heeft?
Als het dan geen kwestie is van persoonlijkheden, is het dan misschien een kwestie van slecht beleid? Hebben de leiders ‘verkeerde’ beslissingen genomen? Of was de oorlog een goede zaak, maar werd ze verkeerd gevoerd? Dat is althans wat vele politiekers en media ons opdringen. Maar waarom oorlog voeren?
Vijf jaar geleden argumenteerde de Verenigde Staten samen met Groot-Brittannië dat Irak massavernietigingswapens bezat. Sinds wanneer steekt een staat miljarden in een oorlog enkel om een land te ontwapenen? Wie vindt de rationaliteit achter ‘een oorlog om de vrede te bewaren’ ? (“War is peace, freedom is slavery, ignorance is strength”, de leuze van de totalitaire staat uit George Orwels’ boek 1984) Na vijf jaar is het al voldoende bewezen dat dit argument hol is en niet de ware beweegreden was van de oorlog.
Wordt de geschiedenis, en dus ook oorlogen, gestuwd door persoonlijkheden, door mensen van slechte wil, een toevallig ‘slecht bestuur’ of een willekeurige goesting om een oorlog te starten? Ik denk van niet. De vragen die ik me stel zijn: Welke maatschappelijke krachten maken dat deze oorlog(en) moet(en) worden gevoerd? Wat zijn de drijfveren die de heersende klasse stuwen tot oorlog voeren? (Want zelfs de bourgeoisie wil vrede, maar wegens haar natuur als verdediger van het kapitalisme kan ze niet anders dan hypocriet zijn en de oorlog blijven mennen.) Wat is de voedingsbodem van deze oorlog(en)? Waar liggen de wortels van de oorlog? Dit zijn denk ik de essentiële vragen die ons leiden naar een antwoord gestoeld op materiële argumenten.
Volgens de antiglobalisten, altermondialisten of vele linkse organisaties zou de oorlog gevoerd worden om de olie in Irak, voor verdere verkoop of voor eigen gebruik. Hetzelfde argument geldt trouwens voor sommige oorlogen in Afrika: multinationals en/of grootmachten zouden oorlogen steunen om de grondstoffen. Maar ik kan me moeilijk inbeelden dat een oorlog waarin 3000 miljard $ in gepompt is, wordt gevoerd om de onmiddellijke winst of het eigen gebruik. Daarenboven heeft de Verenigde Staten zelf verschillende olievelden en heeft ze voldoende akkoorden met Midden- en Zuid-Amerikaanse landen om zich van petroleum te voorzien. Een ander argument is dat de Verenigde Staten en andere landen Irak binnenvielen, niet om de olie zelf, maar om de controle over de olie en de regio. Werd de oorlog gevoerd om de invloedssfeer van ieder land te vergroten? Maar invloed over wat en waarom? Invloed over een economie die er amper is? Een afzetmarkt zijn de bezette landen ook zeker niet. Zijn het dan militaire, strategische belangen die de oorlog bepalen? Maar is het kapitalisme niet in de eerste plaats een productiewijze gericht op economisch profijt? Waarom dan Irak aanvallen? Welke belangen wegen er door: economische of strategische?
“Hoe de oorlog stoppen?” is misschien de meest gestelde of in ieder geval de meest prangende vraag. Tienduizenden protesteerden recent te Londen tegen de oorlog, tienduizenden protesteerden in de Verenigde Staten. Ook in andere landen kwamen mensen op straat. Toch houden zij en de miljoenen betogers van de afgelopen jaren de oorlog niet tegen. Hoe komt dit? Kan de oorlog wel gestopt worden zonder vernietiging van het kapitalistisch systeem? Draagt het kapitalisme de oorlog niet in zich? Wie kan de oorlog tegenhouden en hoe? We kunnen enkele historische voorbeelden aanhalen om te begrijpen wie en wat een oorlog wel en niet kan stoppen:
- aan de vooravond van de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden eveneens pacifistische betogingen georganiseerd en toch braken beide oorlogen uit.
- WO I werd niet uitgevochten tot het bittere einde, zoals de Tweede Wereldoorlog, maar kwam tot stilstand. Er was massale desertie en verbroedering tussen soldaten van beide kampen, zowel aan het Oostfront als aan het Westfront. De Russische Revolutie brak uit in 1917 en in 1918 braken er stakingsgolven uit in Duitsland. Bestaat er tussen deze gebeurtenissen een verband? Ik geloof van wel.
- De oorlog in Vietnam werd gestopt, wegens enerzijds gewijzigde allianties tussen de Verenigde Staten, China en de Sovjet-Unie, maar anderzijds door een druk vanuit het Amerikaanse leger zelf, waar duizenden GI’s zich organiseerden tegen de oorlog en vanuit de VS, waar arbeiders in staking gingen tegen de oorlog. We kunnen ons afvragen in hoeverre het laatste het eerste bepaalde, maar dat zou ons misschien te ver brengen.
Moeten we kamp kiezen in deze oorlog(en)? Moeten we kiezen tussen terroristen, Iraakse nationalisten en imperialisten? Of zijn ze allen even imperialistisch? Ikzelf weiger te kiezen en denk dat geen enkel nationalisme, of het nu Iraaks, Amerikaans, Turks of Koerdisch is, nog iets te bieden heeft buiten nog meer oorlog, nog meer bloedvergieten. Enkel het tegenovergestelde, het internationalisme, biedt volgens mij een uitweg.
Tijdens de discussie die volgde bleken er meningsverschillen te zijn over een aantal punten. Zo bleef de vraag open of economische of strategische beweegredenen doorwogen om de oorlog te voeren. Was de oorspronkelijke bedoeling van de oorlogvoerende landen om olie te winnen en is dit uitgemond in een rampzalige mislukking? Maar wat met Afghanistan, waarvan we weten dat er economisch, buiten opium, niets te winnen valt? Strategische belangen nemen hier de overhand. Of was dit enkel een “oefenterrein” voor de latere oorlog in Irak? Is Irak dan ook een voorbereiding op een volgende oorlog?
Ook de manier om een oorlog te stoppen werd bediscussieerd. Is af en toe een ‘actiedag’ genoeg om druk te zetten op staten en hun oorlogspolitiek te wijzigen? Door zulke eenmalige acties zonder enigszins diepgaande overdenking wordt de oorlog en de maatschappij zelf die ze voortbrengt niet echt in vraag gesteld. Is het pacifisme daarbij zo onschuldig als ze lijkt?
De aanwezigen hebben tezamen op een dynamische wijze door uitwisseling van argumenten verschillende vraagstukken verhelderd. Maar nieuwe vragen dringen zich op. Het debat is duidelijk een deel van een ophelderingproces. Een ongedwongen gevoel en een werkelijke zoektocht naar antwoorden zorgden voor een aangename discussiesfeer.
Een van de initiatiefnemers / 26.03.08
ijfers en citaten:
- De Standaard, 19.03.08
- https://archive.intal.be/nl/article.php?articleId=267&menuId=1 [90]
-https://www.nrc.nl/buitenland/article976972.ece/Internationale_Rode-_Kru... [91]
- https://www.icrc.org/Web/Eng/siteeng0.nsf/htmlall/iraq?OpenDocument [92]
- https://www.indymedia.be/fr/node/26620 [93]
“De Belgische consument moet zich in de komende maanden verwachten aan de hoogste veralgemeende prijsstijgingen sinds het begin van de jaren 1990, Dixit het federaal Planbureau” (De Standaard, 1.3.2008). Met de duizelingwekkende prijsstijging van basisvoedselproducten en energie neemt de inflatie een hoge vlucht. Ze wordt vandaag op 4,39% geraamd, het hoogste peil sinds 1985, terwijl de economisten enkele maanden geleden nog mikten op 2%. In de dagelijkse werkelijkheid zijn de prijzen van de voornaamste voedingsproducten (brood, pasta en granen, melkproducten, fruit, groenten, vlees…) en energie de laatste maanden met 20 tot 50% gestegen. Stookolie, bijvoorbeeld, is op een jaar tijd met 50% gestegen (De Morgen, 12.4.2008). En daarbij gaat het ongetwijfeld om de eerste vlagen van een verschrikkelijk onweer dat zich aankondigt.
De snel stijgende verpaupering is noch ‘nationaal’ noch conjunctureel. En de huidige verdieping van de wereldcrisis, die zich manifesteert in een ernstige recessie, aangekondigd met de vastgoedcrisis in de Verenigde Staten, uitlopend op een zeer ernstige crisis van het bankwezen die veroorzaakt is door een politiek van onbeperkte kredieten, via een sterke daling van de beurskoersen, dolgedraaide speculatie op grondstoffen, heeft over heel de wereld steeds groter gevolgen. In landen als Egypte, de Filippijnen, Haïti en Burkina Faso barsten al hongerrevoltes uit tegen de duizelingwekkende stijging van de prijzen van de basislevensmiddelen. In de Verenigde Staten kwam het probleem van de huisvesting centraal te staan en sinds de voorbije zomer worden er elke maand gemiddeld 200.000 mensen op straat gezet. En deze opkomende golf raakt Europa steeds meer. In de grote Europese steden zitten de arbeiders dikwijls samengehokt in steeds ongezonder krotten, terwijl de prijzen van huur, gas, openbaar vervoer en brandstof onophoudelijk stijgen. Behalve de fameuze wijken in de randsteden die de staat heeft laten verloederen, ontstaan er aan de rand daarvan krottenwijken (die de overheid in het begin van de jaren 1980 zogenaamd helemaal beweerde te hebben uitgeroeid) met erbarmelijke beschuttingsplaatsen of werkelijke ‘favella’s zoals in de ‘Derde Wereld’.
In België leeft 14,6% van de bevolking onder de armoededrempel. In Wallonië klimt dit cijfer zelfs op tot 17% en in Brussel heeft die al 25% bereikt. De voedselbedelingen (te beginnen met de ‘Restos du Coeur’) worden steeds meer bezocht door loonarbeider. Het aantal uitgedeelde voedselpakken stijgt fors en de vraag om hulp bij het OVMW om het hoofd te bieden aan een onbeheersbare schuld is in 2007 met 21% gestegen. Met de vermenigvuldiging van de onzekere, tijdelijke en deeltijdse baantjes, is er een toenemend aantal werknemers zonder vast loon, waardoor zelfs de gezinnen die boven de armoededrempel zitten in de problemen komen. De daling van de lonen net zoals de onzekerheid op de tewerkstellingsmarkt scherpen deze tendensen nog aan (cf. De Morgen, 12.4.2008).
Kunnen de werknemers hopen op een politiek van sociale hulp door de regering en de partijen die deze ondersteunen? Na negen maanden van niet aflatend psychodrama heeft de Belgische bourgeoisie eindelijk een regering voortgebracht, geleid door de Christen-democraat Yves Leterme. En als wij het regeringsprogramma mogen geloven dan zou de barometer daadwerkelijk goed weer aangeven: daling van de belastingen, schepping van 200.000 nieuwe jobs, loonsverhoging, het afromen van een overschot van 1% voor investeringen in het zilverfonds, en ga zo maar door. Kortom, de belofte van een sociaal paradijs! In werkelijkheid is deze verklaring louter bedrog, zoals trouwens wordt erkend door de burgerlijke economen: “Deze regering wil de lasten verlagen, de uitgaven verhogen én een overschot boeken [...]. Eigenlijk zouden al die voornemens een collectieve schaterlach moeten uitlokken. Want deze regering maakt ons gewoon iets wijs” (De Grauwe, professor economie, KU-Leuven, DM, 29.03.2008).
Ook al is het huidige regeringsprogramma slechts zand in de ogen, ook al is de regering Leterme slechts andermaal een ‘voorlopige’, een ‘overgangs’-regering, (voor een analyse van de politieke crisis, zie ons artikel De politieke crisis belet geen eendrachtige aanval op de arbeidersklasse, in Internationalisme, nr. 335), toch heeft de Belgische bourgeoisie eens te meer tijd moeten rekken tot 15 juli voor onderhandelen tussen de verschillende fracties die betrokken zijn bij een groot compromis betreffende een globaal pakket van maatregelen voor de reorganisatie van de Federale Staat, de sanering van de begroting en de versterking van de concurrentiepositie van de nationale economie. In dit kader zou het laten verrotten van de economische toestand door een jaar van politieke verlamming, wel degelijk kunnen wijzen op een gevolgde strategie van het opvoeren van de druk op de verschillende regionale fracties om deze achter een gemeenschappelijke politiek te krijgen.
Want ook al illustreren het moeizame geploeter voor de regeringsvorming en de vaststelling van haar programma de toenemende problemen van de Belgische bourgeoisie in het beheer van haar instellingen, de arbeiders kunnen zich geen illusies maken: wat ook de uiteenlopende meningen zijn binnen de burgerlijke partijen, wat ook de bestaande spanningen zijn, toch herwint de bourgeoisie altijd haar éénheid als het er om gaat de arbeidersklasse aan te vallen. En de sirenen van de regeringsverklaring van april wijzen enkel op de rijping van de omstandigheden voor het afkondigen van dergelijke aanvallen:
– De inkt van het regeringsprogramma was nog niet droog of de experts legden er al de nadruk op dat het vastgelegde begrotingsevenwicht niet houdbaar was en dat er onvermijdelijk maatregelen zouden moeten worden genomen tijdens de ‘begrotingscontrole’ van de zomer.
– De economische indicators staan op onweer: de groeivooruitzichten voor de Belgische economie gaan in vrije val van 1,9% naar 1,4% (terwijl de groei nog 2,7% bedroeg in 2007). De economische instabiliteit op wereldvlak zal nog minder bedrijven er toe aanzetten om te investeren en de mensen zullen minder geld te besteden hebben door het feit dat hun reële inkomen zal dalen door de opkomende inflatie. Nu is er al een daling in de bouwnijverheid van 12% terwijl begroting en regeringsprogramma rekenden op een groei van 1,9%.
– Voor het eerst in vijftien jaar is de handelsbalans van België negatief. “Dat is een belangrijk signaal dat onze concurrentiekracht fors achteruitgaat. En dat voor een land als België dat er prat op gaat een exportland te zijn” (Economist G. Noels in DM, 16.04.2008).
– Wanneer de bourgeoisie een zware slag wil toebrengen aan de lonen haalt ze het monster van Loch Ness boven, de automatische koppeling van de lonen aan de index, zoals begin april. Toen gaf de directeur van de Nationale Bank, Guy Quaden, te kennen dat deze loonindexering geschrapt moest worden. Dat stelde de vakbonden in staat om de reddende engel te spelen bij het ‘redden van de index’, terwijl de regering maatregelen doorvoert tegen de lonen door bijvoorbeeld de samenstelling van de index te wijzigen (net als de regering Dehaene in 1994), door een ‘indexsprong’ op te dringen (als in de jaren 1980) en door een aanvullende norm in te voeren (de Belgische loonsverhogingen mogen niet hoger zijn dan het gemiddelde van die van de belangrijkste concurrenten). Zoals gouverneur Quaden cynisch opmerkt: “De index is belangrijk als element van sociale vrede in België, maar dat systeem mag economisch ook niet al te kostelijk (sic) worden.” (DM, 12.04.2008).
De richting van het ‘geheime programma’ van de regering dat wordt voorbereid door Leterme, met de actieve steun van de socialistische partijen (de Franstalige PS, die al jarenlang deelneemt aan de ‘zaken’ in alle geledingen van de overheid, en de Vlaamse SP.a, die volop haar verantwoordelijkheid neemt in de Vlaamse deelregering), laat er geen twijfel over bestaan: er komt een nieuwe aanval op de lonen die zal samengaan met andere maatregelen: verlaging van de pensioenen en de toepassing van het wettelijk recht op pensioen op 65 jaar, of nog erger zoals in Duitsland (op 67 jaar) of in Groot-Brittannië (op 68 jaar). Verder een productiviteits-verhoging via strijd tegen het absenteïsme en de vermindering van de pauzes of compensatiedagen; verhoogde ‘flexibiliteit’ en bestaansonzekerheid in de privé; afslanking van de openbare diensten ; aantasting van het recht op uitkering voor werklozen en in de verschillende regio’s van het land het opvoering van de druk om hen aan het werk zetten. En dat komt op een moment dat er, onder druk van de verscherping van de crisis, plannen bestaan tot massale ontslagen in sectoren als banken en verzekeringen.
De arbeidersklasse is het allereerste slachtoffer van de verscherping van de economische crisis. Het kapitalisme in crisis heeft geen andere middelen ter beschikking om proberen het hoofd te bieden aan de concurrentie op de wereldmarkt dan het verhogen van de productiviteit door het verminderen van de tewerkstelling en het doen dalen van de lonen van de arbeidskracht: verlies van tewerkstelling en daling van de lonen; maar de groeiende verpaupering en bestaansonzekerheid die de arbeidersklasse treffen brengen ook het bankroet van het kapitalistisch systeem aan het licht. Het kapitalisme is steeds minder in staat tot het in stand houden van de arbeidskracht van wie wordt uitgebuit: het onvermogen om een steeds groter deel van de proletariërs in de productie op te nemen, die weerspiegeld wordt in massale werkloosheid en arbeidsonzekerheid, komt nog bovenop het onvermogen om ze te voeden, te huisvesten, ze degelijk te verzorgen.
De huidige versnelling van de economische crisis en de golf van verpaupering die ermee gepaard gaat, spelen zich af tegen een achtergrond waarbij de arbeidersklasse nu al sinds enkele jaren, terug het hoofd opheft en een toenemende strijdbaarheid vertoont. Deze nieuwe aanvallen die er door de bourgeoisie doorgeramd worden, gaan een vruchtbare bodem vormen waarop de strijd van het proletariaat en zijn éénheid zich gaan ontwikkelen. Nu reeds is er een stijging merkbaar van deze woede, waarvan de ‘stakingsvlaag’ van de winter van 2008 een getuigenis was.
Tegenover de prijsstijgingen en ondanks de afwezigheid van een regering, brak er midden januari spontaan een sociaal conflict uit bij een toeleveringsbedrijf van Ford Genk voor ‘één Euro meer’, dat zich als een strovuur uitbreidde tot een werkelijke stakingsgolf voor verhoging van de koopkracht. Het waren diezelfde arbeiders die toen onder druk stonden van de herstructureringen bij Ford, Opel en Volkswagen in het begin van het jaar, die het vuur aan het lont staken. Eerst sloeg de spontane eisenbeweging over naar Ford Genk en daarna naar praktisch alle bedrijven uit de onmiddellijk omgeving om vervolgens heel de provincie Limburg te beslaan en de metaalnijverheid. De stakingsgolf heeft zich geleidelijk uitgebreid naar andere industrietakken en andere provincies, vooral in het Nederlandstalige landsdeel en in Brussel.
Om die brandhaarden te blussen hebben vakbonden en bedrijfsleiders de eisen gekanaliseerd in de richting van eenmalige premies en bonussen gekoppeld aan resultaten. Dikwijls probeerden de patroons zelfs de sociale vrede af te kopen, om zo een eind aan de stakingen te maken vooraleer de arbeiders daadwerkelijk in beweging kwamen. “"Omdat ze zelf af te rekenen hebben met plots oplaaiend protest, maar meer nog omdat ze te allen prijze een wilde staking willen vermijden en mogelijke onrust dus liever vooraf afkopen" (Interview met H. Jorissen, voorzitter van de Vlaamse metaalbond van het ABVV in De Morgen, 02/02/2008) Want als een rode draad door heel de beweging "is dat het niet gaat om stakingen die door de vakbonden georganiseerd werden, maar om wilde stakingen. Het is de basis die in opstand komt, en het zijn de vakbonden die proberen om te bemiddelen." (Eén van de getuigenissen op het discussieforum van DS over de stakingsgolf).
De vakbonden stellen alles in het werk om de versplintering van de strijd te bewerkstelligen omdat die haar ontkracht. Hun rol van inkapseling berust geheel en al op hun vermogen om de strijd te verdelen en te isoleren om te beletten dat de proletariërs zich bewust worden van hun collectieve bekwaamheid om zich te verweren tegen de aanvallen. Tegenover deze sabotage is het nodig dat de arbeiders er toe komen om de talrijke gelijktijdige strijdhaarden, die vandaag uitbarsten, te verenigen, bijvoorbeeld via gemeenschappelijke eisen of strijdprogramma’s. Op die manier zou zij een werkelijke dynamiek kunnen op gang trekken van éénheid en solidariteit, die deze strijdbewegingen in zich dragen en die niet enkel het enige middel zijn om zich te verzetten tegen de aanvallen die alle arbeiders raken in alle sectoren, maar die zou uitlopen op een vooruitzicht van het ter discussie stellen van het doodlopende straatje waarin het kapitalisme hen stort.
Jos / 15.04.2008
De westerse politici en hun media waren hevig verontwaardigd over deze toestand en drongen dreigend aan de grenzen te openen voor de internationale hulp en de komst van humanitaire werkers. Van de Verenigde Naties tot de Europese Unie via Bush hekelden allen de ‘paranoia’ van de Birmaanse gezaghebbers, de ‘regelknevelarij’ die opzettelijk wordt opgedrongen door de gezaghebbers bij het toekennen van visums, de hemeltergende ontoereikendheid van de hulp die met mondjesmaat Birma binnen sijpelt door de beslotenheid en het wantrouwen van de staat, enzovoort. Kortom zij wilden eensgezind aantonen welk belang de ‘grote democratieën’ hechten aan de bevolking en hun humanitaire bereidheid om alles in het werk te stellen om de lijdende Birmanen te hulp te schieten, die tot in de ergste ramp gebukt gaan onder het juk van een militaire dictatuur. Als de kuiperijen van de junta van Myanmar, die honderdduizenden, ja zelfs miljoenen mensen laten creperen, van een weerzinwekkende monsterachtigheid getuigen, wat moeten wij dan denken van de verontwaardiging van de grootmachten? Voor hen is het een koud kunstje om de vinger uit te steken naar de gebreken van deze achterlijke Birmaanse clique, die aangevreten is door de corruptie en zich laat leiden door bekrompen praktijken en achterhaald geloof in de astrologie.
De reacties ten overstaan van China, dat een veel genuanceerdere mediabehandeling kreeg, bieden een begin van antwoord. Het land werd getroffen juist in één van de streken die grenzen aan Tibet dat al twee maanden lang gebukt gaat onder een wrede repressie door Chinese strijdkrachten en politie. Net zoals de ontwikkelde landen die zonder terughoudendheid de Birmaanse junta verketterden, zo verzekerde Sarkozy met goedwillendheid de Chinese regering van zijn ‘persoonlijke steun’. Allen hebben zij geloof gehecht aan de inspanningen van de Chinese regering om de toestand het hoofd te bieden. Toch is het diezelfde Chinese staat met zijn leger, net zoals die van Birma, die het leeuwendeel van de hulp naar de getroffen gebieden organiseert, en daarbij elke ‘buitenlandse’ tussenkomst bij de hulpverlening nauwgezet controleert. Ook daar heeft de omvang van de ramp hele steden en dorpen van de kaart geveegd als gevolg van goedkope bouwmethodes. En het stuit bijzonder tegen de borst om vast te stellen dat er meer dan 700 scholen, die overhaast in elkaar geflanst waren met de allergoedkoopste materialen, ingestort zijn op tienduizenden kinderen, terwijl de aangrenzende gebouwen nog overeind staan.
Het is waar dat voor het geheel van de westerse landen de handelsmarkten met China geen vergelijking kunnen doorstaan met die van Birma en vooral, omdat het door het slijk halen van de Chinese staat ‘diplomatieke’ schokgolven zou kunnen teweegbrengen die nog meer wanorde zouden veroorzaken. Zelfs het feit dat de aardbeving en de zondvloedregens die momenteel de getroffen regio teisteren, het risico doen toenemen op het ineenstorten van een bepaald aantal van de veelvuldige en reusachtige stuwdammen, die in een ijltempo zijn gebouwd voor de noden van de bevloeiing in China, brengt van de kant van de ontwikkelde staten nochtans geen noemenswaardige reacties op gang over de ondeskundigheid van de Chinese staat, ondanks alle risico’s op een rampenketen die dat zou kunnen veroorzaken voor miljoenen mensen. En met reden! Achter deze schijnheiligheid van schijnbaar humanitair medelijden, proberen de grote democratieën eveneens hun eigen even verwerpelijk misprijzen te laten vergeten voor het menselijk leven waarvan ze onlangs nog blijk gaven. Laten wij even enkele recente feiten in herinnering brengen. De tsoenami van december 2004, die meer dan 200.000 doden opgeëist heeft in Indonesië, in India, in Thailand en Sri Lanka, waarvan de duidelijke waarschuwingstekens genegeerd werden, zowel door verwaarlozing als door een gebrek aan uitrusting en voorzorgen die, in kapitalistische termen, te ‘buitensporig’ werden geacht. De humanitaire hulp die daarop gevolgd is bestond voor het merendeel uit particuliere giften voornamelijk uit ontwikkelde landen zoals Duitsland, de Verenigde Staten of Groot-Brittannië, waar de fondsen werden ingezameld door de bevolking die de hulp van de staten zelf overtroffen.
Laten wij ook even terugdenken aan de cycloon Katrina, eind augustus 2005, die het zuiden van de Verenigde Staten verwoestte en voornamelijk de streek en de stad New Orleans trof. Terwijl het geweld en de kracht van de cycloon voorzien waren en wetenschappelijk uitgetekend waren, werd de ramp deze keer wel goed aangekondigd. Maar het was pas twee dagen vooraf dat de regering de uitzonderingstoestand afgekondigde, terwijl er geen werkelijke middelen ter beschikking werden gesteld voor de redding van de meerderheid van de bevolking. De grootste economische wereldmacht van de planeet heeft de bevolking van de arme en misdeelde wijken, die leefden in huizen die als kaartenhuisjes werden weggeveegd, laten stikken. Het kwam er op neer dat er voornamelijk gezorgd werd voor het beschermen van de rijke stadswijken. Toen het bevel tot ontruiming van New Orleans en van de kust van de Golf van Mexico werd gegeven, gebeurde dat op een typisch kapitalistische manier, het was ieder voor zich. Diegenen die nog benzine konden betalen vertrokken naar het noorden en het westen en zochten beschutting in hotels, motels of bij vrienden en familie. Maar de meerderheid van de armen bevond zich op de route van de cycloon en kon niet wegvluchten. In New Orleans openden de locale gezagsdragers het stadion Superdome en het conferentiecentrum als beschutting tegen de cycloon, maar zij leverden bijstand noch voedsel noch water, niets. De mensen zaten er opeengepakt in de gebouwen en werden aan hun lot overgelaten. De enige bekommernis van de administratie ging uit naar de ordehandhaving om eventuele oproer onder de duim te houden en naar onderdrukkingsmaatregelen. De balans was officieel 1.500 doden, 250.000 mensen zonder huis, waarvan het merendeel nu nog altijd geherbergd wordt in noodopvangcentra, en meer dan één miljoen ontheemden.
Het cynisme en de schijnheiligheid sijpelen door alle poriën van de kapitalistische maatschappij en tonen eens te meer aan dat alle leiders overal worden geleid door dezelfde gemene klassenbelangen. In tegenstelling tot hun beweringen, hangt hun houding niet af van het dictatoriaal of democratisch regime van de regering, noch van de kloof tussen de rijke en arme landen. Zij proberen niet alleen hun volledige onbekwaamheid te verdoezelen tegenover het onheil dat zijzelf voortbrengen, maar zij doen alles wat in hun macht ligt om het totale bankroet te verbergen van dit systeem, dat de uiting is van de politiek van allen die het verdedigen, als de grootste ramp uit de geschiedenis van de mensheid en dat met wortel en tak moet uitgeroeid worden.
Wilma / 25.5.2008
(1) Het weinige voedsel dat ze het land liet binnenkomen werd in beslag genomen door het leger en van nieuwe verpakking voorzien om de bevolking wijs te maken dat de junta aan haar behoeften tegemoet kwam. Dat is nog sterker dan Kouchner die zich in 1990 met een zak rijst op de schouders liet fotograferen in Somalië! Uit pure verwaandheid stuurde Kouchner het oorlogsschip Le Mistral vol voedsel richting Birma zonder daarvoor een overeenkomst te hebben afgesloten met de plaatselijke autoriteiten en deze zending lag vervolgens in de buurt van de territoriale wateren van Birma weg te rotten en moest uiteindelijk heel zielig worden ontscheept in Thailand.
De verpaupering, de bestaansonzekerheid, en prijsstijgingen voor basisvoeding zijn tot onderwerpen geworden van wereldwijde bezorgdheid. De bourgeoisie zelf maakt zich ongerust over de omvang die deze fenomenen wereldwijd aannemen.
Momenteel sterven er in de wereld dagelijks 100.000 mensen van de honger. Het geheel van de voedselprijzen is de laatste drie jaar met 83% gestegen. Voor graan was dat 181%. De Verenigde Staten heeft zelfs besloten om voor rijst rantsoenkaarten in te voeren. Tijdens de grote hongersnoden die in de loop van de laatste twintig jaar de bevolking decimeerden in de Sahel, in Ethiopië en Darfoer, stelden de media die voor als een noodlot of een ‘natuurramp’ terwijl de verantwoordelijkheid van het kapitalisme duidelijk was. Nu wordt de prijs van de basisvoeding onbetaalbaar voor een toenemend deel van de wereldbevolking! De Wereldbank meent dat de bevolking van 33 landen worden getroffen door deze ramp. “Wij gaan een periode tegemoet van rellen en conflicten, van regionaal oncontroleerbare destabiliseringsfases” verklaarde Jean Ziegler, de speciale verslaggever van de Verenigde Naties voor het recht op voeding, in een interview met Libération (14.04.2008). Hij zei ook dat “er vóór het oplopen van de prijzen al [...] 854 miljoen mensen ernstig ondervoed waren. Er tekent zich een ramp af”. De wereldbank waarschuwde er trouwens voor dat “de inflatie in de voedingsector geen tijdelijk verschijnsel is en dat het niveau tot 2015 hoger zou blijven dan dat van 2004.” Waarom wordt een groot deel van de wereldbevolking de komende maanden bedreigd met hongerdood? Niet door enige plaatselijke hongersnood, maar omdat het kapitalistisch systeem wegzinkt in een onafwendbare crisis, door inflatie en prijsverhogingen. Nu er niet langer kan worden gespeculeerd op onroerend goed is het de beurt aan de grondstoffen en vooral aan de voedingsproducten, wat steeds meer mensen de hongerdood indrijft.
De eerste uiting van deze verergering van de crisis, is de wereldwijde vermenigvuldiging van hongeroproer. Die zijn in talrijke landen uitgebroken waar de bevolking aan de hongerdood wordt overgeleverd. Door nee te zeggen tegen de ellende die we nu al ondergaan of die met rasse schreden nadert, verdedigt het grootste deel van de mensheid zich tegen deze maatschappij, tegen het kapitalisme dat aan alle uitgebuiten van de wereld een steeds onzekerder bestaan opdringt (2). Dit hongeroproer breidt zich vooral in Afrika uit: Burkina Faso, Kameroen, Egypte, Mauritanië, Ethiopië, Senegal. Maar ook over zowat de hele wereld: Haïti, de Filippijnen, Indonesië, Thailand, Bangla Desh…
In Haïti brachten betogers hun razernij tot uiting over de prijsverhogingen, waarbij de prijs van een zak van 120 pond rijst steeg 35 tot 70 dollar. Staatschef Réné Préval verklaarde cynisch: “De betogingen en vernielingen zullen de prijzen niet verlagen noch een oplossing bieden voor de problemen van het land. Integendeel, ze kunnen de ellende nog vergroten en de investeringen in het land belemmeren.” En dat alles gebeurt niet omdat er geen voedsel meer is, maar omdat het in een paar weken te duur is geworden voor de schamele inkomsten. 80% van de bevolking van Haïti leeft van twee dollar per dag, duidelijk onder de armoedegrens die nu de drempel is geworden van een zekere dood.
Net als in de andere landen waar er rellen zijn, heeft de bourgeoisie daar maar één antwoord aan wie zijn honger uitschreeuwt: er op los schieten! 200 doden tijdens de onderdrukking van de rellen in Burkina Faso in februari, 100 doden in Kameroen, 5 doden in Haïti, en in Egypte waren het twee jongeren van 9 en 20 jaar die het loodje legden onder het vuur van tegen de rellen ingezette troepen. Het kapitalisme heeft hen verder niets te bieden. Het is één van de bewijzen van het bankroet van het kapitalisme en de impasse waarin het de mensheid brengt.
Toch zijn het niet alleen de revoltes van een groeiende massa verschoppelingen in de wereld die aantonen dat deze geenszins in berusting afglijden, maar vooral dat ze niet alleen blijven staan. Dezelfde strijdbaarheid en woede over de prijsstijgingen van goederen voor de bevrediging van basisbehoeften nemen wereldwijd ook toe en uiten zich in arbeidersrangen, tegen armoedelonen, tegen steeds onmenselijker uitbuitingsomstandigheden. Stakingen en betogingen nemen in talrijke landen overhand toe, in de ontwikkelde landen net als in de onmetelijke industriële strafkampen van de armere landen. Heel dikwijls bestaat de propaganda van de bourgeoisie er uit de inwoners van het noorden van de planeet op te zetten tegen die van het zuiden alsof de eersten ‘bevoorrecht’ zouden zijn of profiteurs en de laatsten onbekwaam. Het is één van haar manieren om ons verantwoordelijk en schuldig te laten voelen voor de rampen die echter voortkomen uit haar eigen economisch systeem in crisis. Deze tactiek begint ernstige barsten te vertonen. De bedrijven vertrokken naar landen waar de arbeiders veel lagere lonen ontvangen. Dit eldorado begint in rook op te gaan. Steeds meer arbeiders weigeren deze doorgedreven uitbuiting te aanvaarden. Ze doen hun eigen strijdervaringen op. In een wereld die wordt aangevreten door steeds groter wedijver tussen staten, bedrijven en uitbuiters van allerlei slag, wil men ons wijsmaken dat juist de arbeidersklasse individualistisch is en het ‘ieder voor zich’ verdedigt. Men wil ons wijsmaken dat de kanker van deze teloorgaande maatschappij ook de uitgebuiten en de arbeiders aanvreet. Maar nee! In de meeste strijd komt er onder de arbeiders juist een sterk gevoel van solidariteit tot uiting.
In de laatste jaren kwam in de hele wereld belangrijke arbeidersstrijd tot ontwikkeling. Die manifesteert zich voortaan zowel in de armere landen van de periferie als in het hart van het kapitalistisch systeem, voornamelijk in West-Europa.
Sinds meer dan twee jaar hebben er in Egypte talrijke conflicten plaatsgevonden, voornamelijk uitgaande van de textielfabriek Ghaz al-Mahalla ten noorden van Kaïro (3), een speerpunt van arbeiderswoede, waar de politie een groep arbeiders heeft aangevallen en meer dan 300 aanhoudingen heeft verricht. Daar was de zwakte van de vakbondsinkadering een factor in het massaal worden van de strijd en het radicaliseren van de arbeiderseisen. De vakbondsorganisaties laten duidelijk zien zijn, namelijk integrale delen van de staat, en er bestaat geen enkele illusie over hun arbeidersvijandige aard. Dat is één van de aspecten die het mogelijk maakt dat de arbeidersstrijd makkelijker opleeft en zich uitbreidt naar verschillende sectoren. De geest van solidariteit bij de strijd in Egypte kwam de laatste maanden nog tot uiting in het feit dat andere industriesectoren en andere proletariërs zoals de spoorwegarbeiders, de belastingsambtenaren de postbodes en ook de professoren aan de universiteit van Kaïro, van Alexandrië en Mansoera, in staking sedert 23 maart, zich bij de strijd hebben aangesloten. Al deze stakingen brachten wezenlijk gelijkaardige eisen tot uiting: zoals tegen de levensduurte, protest tegen de vernederende lonen die niet toereikend zijn om hun gezinnen te voeden, tegen te dure en ongezonde huisvesting.
In Iran schudde een krachtige stakingsgolf het land door elkaar: in januari waren de autobusbestuurders in Teheran in staking. Een honderdtal arbeiders werd aangehouden en twee leiders van de beweging zitten nog altijd gevangen. Op 18 februari betoogden de arbeiders van een suikerrietfabriek in Tsjoetsj (in het zuiden van het land) om hun achterstallige lonen van januari en februari te uitbetaald te krijgen. In september 2007 waren ze al eerder om dezelfde reden in staking. Ze waren niet in staat om de eindejaarsfeesten te verzekeren voor hun gezinnen en kinderen (het nieuwe jaar begint daar einde maart). Achterstallige lonen zijn de oorzaak geweest van het merendeel van de talrijke werkonderbrekingen en betogingen die zich over het land verbreidden. Het ging voornamelijk om kantoorpersoneel van de fabriek Patsjmineh Baft in de stad Ghazvine (westen), arbeiders van de textielfabriek Mehrpoeja in Isfahan (centrum) en het bedrijf Navard in Karadj (westen), kantoorpersoneel van de telecommunicatie en van het bedrijf Sandoegh Nasoez in Teheran. In het noorden van het land in de streek Rasht, blokkeerden de arbeiders (vooral die van de textiel), wier loon al sedert maanden niet was uitgekeerd, de straten van de stad en gingen betogen voor de regeringsgebouwen met bordjes waarop stond “Wij hebben honger”. In de naburige provincie Gilan zijn arbeiders al dertien maanden niet meer uitbetaald. Betogingen en gelijkaardige stakingen kwamen tot ontwikkeling in de stad Elam in het westen van het land, net als in een bedrijf van farmaceutische producten in Teheran. Telkens beantwoorde de regering dit met brute onderdrukking. Op 21 februari werden in het zuiden van het land, in Masjed Soleiman, 800 stakers van de stuwdam Abbaspoer gewelddadig bestormd door strijdkrachten van de staatsveiligheid en geheime politie (VEVAK). Op 14 april, na drie dagen staking, viel de politie met een bulldozer een bezette fabriek van bandenproductie aan in de streek Alborz, in het noorden van het land, om stakers te verjagen die op het fabrieksterrein autobanden in brand staken om hun woede te uiten (ook al wegens achterstallige lonen). Een duizendtal van hen werden aangehouden na gewelddadige botsingen met de veiligheidstroepen.
Sinds het begin van het jaar zijn er in Vietnam 150 stakingen geweest in de bedrijven van het land. Laatst was er de staking van 17.000 arbeidsters van een schoenfabriek van Nike in het zuiden van Vietnam, die in staking gegaan waren voor een loonsverhoging van 200.000 dôngs (8 Euros), tegenover het opflakkeren van de consumptieprijzen. Zij verkregen de helft van wat zij eisten, maar bij de werkhervatting vonden er botsingen plaats waardoor de fabriek 3 dagen moest sluiten. Tienduizend arbeiders die speelgoed fabriceerden in Danang gingen in staking om een verhoging te verkrijgen van hun premies en verlenging van hun verlofperiode voor de Tet-feesten.
In Roemenië verkregen de arbeiders van de Dacia-Renault fabriek een loonsverhoging van 100 euro (40%) na een staking van een aantal weken. En in Galati, in het oosten van land, zijn 4.000 arbeiders van Arcelor Mittal in onbeperkte staking gegaan. Zij eisen een netto verdubbeling van hun loon, een verhoging van de premies voor werk in het weekeinde en een verhoging van de steun die wordt toegekend aan de families van verongelukte of overleden staalarbeiders. De leiding heeft onmiddellijk een verhoging van 12% toegezegd. Maar de staking werd opgeheven door een gerechtelijk beslissing om “reden van veiligheid en wegens het ontploffingsgevaar van de site wegens het minimaal functioneren van bepaalde hoogovens van de cokesfabriek.” Deze stakingen bij Dacia-Renault en Arcelor Mittal zijn een ontkrachting van alle chantage en van alle pogingen van de bourgeoisie om de arbeidersklasse op te delen volgens nationale grenzen. Ze roepen in de herinnering dat de arbeidersklasse in alle landen dezelfde uitbuiting ondergaat en dus dezelfde strijd heeft te voeren. Over de hele planeet is er slechts één enkele arbeidersklasse die eensgezind en solidair moet worden!
In Polen, zijn in januari en februari de mijnwerkers van de steenkool van Budryk in Ornontowice in Silezië voor 46 dagen in staking gegaan om een gelijkstelling van hun lonen te eisen naar die van andere mijnen in het land (alle mijnen zijn inmiddels opnieuw onder staatscontrole gebracht). Het is de grootste staking in deze sector sinds 1989 waarbij de mijnschachten werden bezet. Deze staking werd ondersteund door tweederde van de bevolking. De grote staking was in 1980 afgeremd en vervolgens gebroken door de oprichting van de vakbond Solidarnosc, die toegejuicht werd door de hele bourgeoisie van de westerse wereld. En het was juist diezelfde vakbond, Solidarnosc en de centrale ZZG, die hand in hand met de directie de arbeiders uitscholden voor ‘uitschot’. De mijnwerkersvrouwen gingen in Warschau betogen om hun strijd te verdedigen. Een week na de werkhervatting en toen de directie de loonsverhogingen vertraagde om ze gelijk te stellen met die van de andere mijnen dreigden 900 mijnwerkers er mee opnieuw in staking te gaan.
Maar het verzet van de arbeiders komt ook tot uiting in de centrale landen van het hart zelf van het kapitalisme.
In Groot-Brittannië zagen we op 24 april de mobilisatie van meer dan 400.000 ambtenaren tegen de vermindering van de koopkracht en tegen de aanvallen van de ‘arbeiders’-regering van Gordon Brown, met als koploper de eerste nationale staking van leerkrachten in 21 jaar, die meer dan 200.000 van hen bijeenbracht om een loonsverhoging te eisen wegens de prijsstijgingen. Andere ambtenaren sloten zich daar bij aan, gaande van de 900 kustbewakers tot de redders op zee, die al aan hun derde 24-urenstaking toe waren sinds 7 maart (voor dit beroep voor het eerst in de geschiedenis van het land) tot de onderwijzers en ambtenaren van verschillende ministeries en gemeente ambtenaren (20.000 in Birmingham), en ook van de douane en de inspecteurs van de rijscholen. De arbeiders en het kantoorpersoneel van de raffinaderij van Grangemouth in Schotland zouden eveneens in staking gaan vanwege een conflict over hun pensioenregeling. In de Londense metro heeft een stakingsdreiging van drie dagen tussen 6 en 8 april, uitgaande van de 7.000 bestuurders de aanval van de directie, die van plan was om de veiligheidsnormen te herzien om besparingen door te voeren, teruggedrongen
In Duitsland vond er in februari, na de mobilisering van de arbeiders van Bochum (en voornamelijk die van Opel) ter ondersteuning van de arbeiders van Nokia die dreigden hun werk te verliezen (4), een reeks werkonderbrekingen plaats in de staalnijverheid met een eis van 5,4% loonsverhoging voor de 93.000 werkenden in de sector, die werd aanvaard door de Vakbond IG-Metall. Sindsdien werd het land in de week van 3 tot 7 maart overspoeld door een golf van ‘harde’ stakingen, vooral in de openbare sector en bij de ambtenaren.
De vakbonden werden er toe gedreven om een ‘stakingswaarschuwing’ te lanceren in het openbaar vervoer (bus en regionale treinen bleven in het depot, in het bijzonder in Berlijn waar 12% loonsverhoging werd geëist); alles werd stilgelegd in ziekenhuizen, bij banken, kindercrèches en het merendeel van de luchthavens (Frankfurt, Düsseldorf, Hamburg, Stuttgart, Hannover) en verschillende openbare administraties. Onder druk van de arbeiders dreigde de vakbond Verdi met een massale en onbeperkte staking voor eind maart of begin april voor een loonsverhoging van 8% (gaande tot 200 euro per maand) terwijl de directie de helft aanbood. Om dezelfde reden werd een onbeperkte staking aangekondigd bij de Duitse Post vanaf 2 mei waarbij tegelijkertijd een loonsverhoging van 7% werd geëist, gewaarborgde werkgelegenheid tot 2010 en het afblazen van een verlenging van de werktijd (een half uur per week), terwijl de directie kwam aandraven met een loonsverhoging van 5,5% en een vage belofte niet te ontslaan. In Berlijn heeft Verdi ook een stakingsaanzegging gelanceerd vanaf 20 april bij het bustransport, de metro en de trams, net zoals bij de diensten van de benzinelevering en bij de reinigingsdiensten van de Berlijnse openbare vervoersmaatschappij. Het op het toneel verschijnen van het Duitse proletariaat, dat de volle laag heeft gekregen van de bloedige contra-revolutie in de jaren 1920 (in het bijzonder de verplettering van de opstanden van 1919 en 1923), en dat zo’n grote ervaring heeft, is een buitengewoon bemoedigende factor voor de toekomst van de klassenstrijd.
Het meest in het oog springende bij al deze voorbeelden is de gelijktijdigheid van de arbeiderswoede. Eerst en vooral maken de veralgemeende verhoging van de prijzen en de lage lonen het leven, ja zelfs het overleven, steeds moeilijker. Daar moet overal nog worden aan toegevoegd de ondraaglijke arbeidsomstandigheden, een steeds meer onbereikbare en armoedige pensionering, steeds minder toegankelijke medische verzorging die in sommige gevallen zelfs niet meer bestaat. Sommigen worden tot de hongerdood gedreven, anderen vallen in een steeds verder gaande verpaupering en bestaansonzekerheid. We moeten de richting zien die de arbeidersklasse al een paar jaar tijd is ingeslagen. Ze heeft niet enkel de weg van de strijd teruggevonden, maar haar strijd bereikt geleidelijk aan een nieuwe dimensie, zowel wat betreft hun bijna gelijktijdig plaatsvinden als hun uitbreiding. Er bestaat een diepgaande band van de arbeidersstrijd in de periferie met die in het hart van het kapitalisme. Hij opent voor de toekomst nieuwe perspectieven voor de ontwikkeling van de arbeidersstrijd.
Terwijl de strijdbaarheid in de periferie met een ongeziene en zo massale omvang tot uiting komt, ontwikkelen dezelfde kenmerken zich in de centrale landen zoals Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland, met heel hun historische strijdervaring met de valstrikken die de bourgeoisie onvermijdelijk uitzet. En het is omwille van die onmisbare en onvervangbare ervaring dat deze laatstgenoemden meer dan ooit van centraal en doorslaggevend belang zijn voor de ontwikkeling van de internationalisering en veralgemening van de strijd in de toekomst.
Maar tegelijkertijd betekent de enorme strijdbaarheid in de landen van de periferie van het kapitalisme voor de arbeiders van de centrale landen een aanmoediging om de strijd aan te gaan door de omvang aan te tonen van de internationale ontwikkeling van de arbeidersstrijd. Het toont vooral de kracht aan van de arbeidersklasse: zelfs in uiterst moeilijke omstandigheden, en levend in armoede en onder wrede en bloedige onderdrukking is onze klasse in staat om te strijden, om het hoofd op te richten, om de berusting te verwerpen. Het gevoel van waardigheid is één van de diepe morele waarden van de arbeidersklasse. Dat is wat ons vertrouwen in onszelf en in onze kracht moet geven!
Map / 25.04.2008
(1) Zie het artikel over de hongerrevoltes op pagina 1.
(2) Voor de honderdduizenden mensen die veroordeeld worden tot de hongerdood omdat zij niets meer te eten kunnen kopen, gaat de bourgeoisie proberen om ons met een schuldgevoel op te zadelen en ons mee te sleuren in niets opleverende campagnes terwijl het haar politiek economisch systeem zélf is dat werkelijk verantwoordelijk is voor dit drama.
(3) Zie hiervoor: Révolution Internationale, nr. 384 (november 2007): Strijd in Egypte: Een uitdrukking van de strijdbaarheid en de solidariteit van de arbeiders, en nr. 389 (april 2008): Blokkades, piketten, bezettingen: de uitbreiding van de strijd is een noodzaak.
(4) Zie: Duitsland: de toenemende strijdbaarheid van de arbeidersklasse op wereldschaal (Révolution Internationale, nr. 385, februari 2008).
Tijdens de tweede helft van 2007 voerde de bourgeoisie intense communautaire campagnes die erop gericht waren beslag te leggen op het sociale terrein door middel van nationalistische of regionalistische misleidingen om de aandacht van de arbeiders af te leiden van de aftakeling van het levensniveau en iedere neiging tot strijdbaarheid te verlammen. Deze fnuikende campagnes konden echter niet voorkomen dat de onvrede toenam en er steeds meer strijd ontstond. Vandaar dat de bourgeoisie in het begin van 2008, geconfronteerd met een toename en met gelijktijdige arbeidersacties van strategie veranderde:
– De doodzwijgen in de media van de arbeidersstrijd werd algemeen, tussen de regio’s en op internationaal niveau.
– Vakbonden en ondernemers proberen de vuurhaarden van de strijdbaarheid te blussen, niet door toe te geven aan looneisen, maar door eenmalige toeslagen onder de vorm van eenmalige premies en bonificaties gebonden aan de bedrijfsresultaten. Vaak proberen de patroons zelfs de sociale vrede af te kopen om een eind te maken aan de stakingsgolf voordat de arbeiders daadwerkelijk in actie zijn gekomen. “omdat ze te allen prijze een wilde staking willen vermijden en mogelijke onrust dus liever vooraf afkopen” (Interview met H. Jorissen, voorzitter van de Vlaamse metaalbond van het ABVV in De Morgen, 02/02/2008). Dezelfde tactiek wordt gebruikt in het recente akkoord bij de NMBS waar de patroons van de ‘openbare sector’ en de vakbonden een geldpremie van 1000 euro aanbieden verdeeld over drie jaar (De Morgen, 03.06.2008).
– De vakbonden liepen voorop om de toenemende strijdbaarheid af te remmen. Zij namen hun afstand tov de socialistische partijen, promoten hier de eenheid, daar de verdeling. Ook werd er in de bedrijven gebruik gemaakt van de sociale verkiezingen om luidruchtige campagnes te voeren over ‘sociale democratie’ en het belang van arbeidersvertegenwoordiging via hun syndicale afvaardigingen.
– De algemene vakbondsacties, zoals de manifestatie van 15.12.2008 rond het “redden van de koopkracht en de solidariteit” of de syndicale actieweek ter sensibilisering per regio midden juni, beogen allen hetzelfde doel:
a) de vakbonden voordoen als dragers bij uitstek van solidariteit;
b) de arbeiderssolidariteit te koppelen aan de verdediging van een valse nationale solidariteit, de solidariteit met de nationale staat en de structuren van sociale controle.
Deze campagnes worden gevoerd om de arbeidersklasse op het verkeerde been te zetten in het vraagstuk van de solidariteit.
Als de bourgeoisie momenteel, het uitbarsten van strijd niet meer kan voorkomen, dan moet ze het terrein belegeren om uitbreiding en vereniging van de strijd te voorkomen, de solidariteit in de strijd voor de verdediging van de proletarische belangen te ontkrachten naar een strijd voor het behoud van nationale staatsstructuren van sociale controle. En in deze politieke strategie is er voor de vakbonden een cruciale rol weggelegd.
Sinds een jaar wordt de politieke situatie in België gekenmerkt door een haast volledige afwezigheid van een regeringspolitiek (en zelf van een regering als zodanig). Als tijdens de tweede helft van 2007 deze ‘regeringsverlamming’ deel uitmaakte van de campagnes rond de toekomst van België dan wordt de afwezigheid van politieke richting in een context van economische aftakeling en verzwakking van de concurrentiepositie van het Belgische kapitaal stilaan ontoelaatbaar voor de bourgeoisie:
– Geen sluitende begroting, (er werd uitgegaan van een groei van 1,9%) die het financiële evenwicht in de waagschaal leggen die zelf het resultaat was van een tiental jaren van soberheid;
– Voor het eerst in vijftien jaar een negatieve handelsbalans: “Dat is een belangrijk signaal dat onze concurrentiekracht fors achteruitgaat. En dat voor een land als België dat er prat op gaat een exportland te zijn” (Economist G. Noels in De Morgen, 16.04.2008).
– Toenemende problemen in de bedrijven en in verschillende sectoren: de luchtvaart waar de meeste maatschappijen in de rode cijfers staan door de stijging van de brandstofprijzen; de banksector met grote problemen die ook Belgische banken raken als Fortis (beursnotering -12%), Dexia (winstdaling van 60% en beursnotering -21%, 15.05.2008); KBC (beursnotering -14%).
De beruchte einddatum van 15 juli, die de Belgische bourgeoisie zichzelf oplegde voor de onderhandelingen tussen de verschillende politieke fracties die betrokken zijn in een groot compromis over een globaal maatregelenpakket voor de reorganisatie van de federale staat, wordt nog veel meer een cruciaal moment om maatregelen te nemen om het begrotingsevenwicht te herstellen en versterking van de concurrentiepositie van de nationale economie. Zo gezien kan het verdere wegrotten van de economische situatie als gevolg van de politieke verlamming van de laatste maanden heel goed deel uitmaken van een strategie om eerst de strijdbaarheid uit te putten binnen een syndicaal korset om vervolgens de verschillende regionale fracties te herenigen rond een gemeenschappelijke politiek van het redden van de Belgische economie.
Het vraagstuk van de indexering van de lonen kan een centraal onderdeel uitmaken van de opsmuk van de aanval. Terwijl de bourgeoisie de lonen een flinke klap wil geven brengt ze het monster van Loch Ness naar boven van de automatische koppeling van de lonen aan de index. Dat stelt de vakbonden in staat om zich op te werpen als kampioenen van de solidariteit door te mobiliseren voor het ‘redden van de index’ terwijl die ‘automatische koppeling’ allang veel meer een mythe dan werkelijkheid is. De index is al op allerlei manieren gemanipuleerd en begrensd door een ‘loonnormering’ die voor schrijft dat loonsverhogingen in geen geval het gemiddelde mag overschrijden van dat bij de belangrijkste concurrenten.
Jos / 14.06.2008
Zoals we eerder vermeldden komen in sommige steden en regio’s in de wereld vaak jonge mensen bijeen, verontwaardigd door de huidige situatie en bang voor de toekomst van de mensheid, om hun overdenkingen uit te wisselen en bijgevolg discussiekringen te vormen. Soms gaat het bij hen om het verwerven van inzicht over het hoe en waarom de huidige maatschappij wegzinkt in oorlogsbarbarij en in steeds meer wordt ondergedompeld in ellende. Andere keren worden dergelijke kringen opgericht om lessen te trekken uit strijd die ze voerden, om te begrijpen waardoor deze begrensd bleef of gewoon waarom hij mislukte. Het gaat er dan om de volgende strijd voor te bereiden en te propageren.
Deze weg werd ingeslagen door een handvol studenten van de faculteit van Mirail in Toulouse. Zij richtten een discussiekring op onder de naam ‘Comité de Réflexion Communiste’ (Kommunistische Overdenkingskring). Een deel van deze studenten was inderdaad nauw betrokken bij de strijd die in Frankrijk in november 2007 werd gevoerd. Met deze strijdbare instelling kwamen ze eerst bijeen met het idee dat de strijd niet voorbij was en dat het mogelijk was om naar middelen te zoeken om die te weer te laten opleven. Maar vrij snel werd het duidelijk dat het weer opstarten van de strijd voorlopig niet mogelijk was en dat het doel van de discussies van het comité er dus vooral op gericht waren om met het oog op de toekomst de balans op te maken van de strijd van november.
In elke ontwikkelingsfase van deze kring werden er vragen opgeworpen die besproken moesten worden. Het was voor allen vanzelfsprekend dat de vakbonden de voornaamste verantwoordelijken waren voor het feit dat de strijd zich niet had kunnen ontwikkelen – ook al moest daarvoor het hele verloop van de gebeurtenissen nog eens onder de loep genomen worden opdat iedereen zich bewust kon worden van deze feiten. Zodoende werd in het comité de vraag opgeworpen hoe het kwam dat ‘het strijdcomité’ van de studenten aan de universiteit het strijdtoneel werd van de verschillende vakbonden die werden gestimuleerd door verschillende politieke groeperingen. Dit wekte de wrevel op van de studenten die niet behoorden tot deze of gene politieke organisatie of vakbond, en die daardoor het strijdcomité vaarwel zegden (en soms de strijd zelf). Evenzeer drong zich de vraag op waarom de vakbonden het samengaan saboteerden van studenten met strijdend spoorwegpersoneel net zo goed als zij duidelijk het samengaan verhinderden van dat spoorwegpersoneel met dat van gas- en elektriciteitsbedrijven? De vakbonden gingen zelfs zover om de studenten (die deel uitmaken van het comité) en die het woord namen op de algemene vergaderingen van het spoorwegpersoneel te gaan belasteren omdat zij zogenaamd niet gemandateerd waren! Deze gebeurtenissen waren het startpunt van de eerste probleemstellingen binnen het comité: waarom voeren de vakbonden een dergelijke politiek? Zijn zij wel in staat om strijd te voeren? Zou dat voortvloeien uit de politieke organisaties die hen infiltreren (de Socialistische Partij voor de studentenvakbond UNEF, de Communistische Partij voor de FSE en de Trotskistische LCR voor de SUD, beiden laatsten arbeidersvakbonden)? Kortom zou een dergelijke politiek niet voortvloeien uit het feit dat de vakbondsvorm zelf, als strijdmiddel voor de arbeidersklasse, definitief ongeschikt is voor de huidige periode?
Deze discussie leidde tot het ter discussie stellen van de betogingen die door de vakbonden worden georganiseerd: moet er worden deelgenomen aan deze betogingen die door de leden van het comité werden aangevoeld als door de vakbonden georganiseerde processies om stoom af te blazen, zonder mogelijkheid de staat terug te drijven? Volgens andere leden van het comité riepen de vakbonden tot deze betogingen op omdat zij niet anders kunnen en om te beletten dat de woede niet zou uitbarsten in een omvang die ze niet meer onder controle hadden. Deze betogingen zouden dus momenten zijn waarop strijdende arbeiders elkaar kunnen ontmoeten en hun solidariteit tot uiting brengen – zelfs tegen de vakbonden in, die op het einde van de betoging iedereen zo vlug mogelijk naar huis proberen te jagen onder het mom van dat men alles gedaan had wat men maar kon doen en dat er verder niets anders overbleef dan het onderhandelen maar aan hen over te laten.
Het comité probeerde ook om te antwoorden op vragen die tijdens de strijd werden opgeworpen door het probleem van een andere kant te benaderen: als de vakbondsacties van de verschillende bedrijfstakken de studenten niet zijn bijgesprongen, was dat dan niet omdat de toestand in deze bedrijfstakken in feite nogal comfortabel was? Was de strijd van het spoorwegpersoneel en die van de leerkrachten… er niet een van die sociaal-economische categorieën die er eerder op bedacht waren om hun verworvenheden te behouden en niet als uitdrukking van de strijd van de arbeidersklasse? Met ander woorden, in het comité kwam de vraag op of men de arbeidersklasse niet eerder moest opvatten als bestaande uit mensen in een situatie van werkonzekerheid, werklozen en wonenden in de voorsteden. De discussie die daarover plaatsvond leidde tot de conclusie dat het begrip ‘middenklassen’ in feite een andere ideologische spitsvondigheid was van de heersende klasse om een groot deel van de proletariërs er toe te brengen zichzelf niet langer als arbeiders te beschouwen. En desondanks, in welke sectoren ze ook werken, ambtenaar of in de privé-sector, in fabrieken of op kantoor, werkloos of gepensioneerd, behoren ze toch tot dezelfde klasse die steeds meer bestaansonzekerheid kent, die uitgebuit wordt en aangevallen en het steeds moeilijker heeft om de ‘eindjes aan elkaar te knopen’. Het comité kwam ook tot de conclusie dat niet het zeer lage loon of het feit of men al dan niet huiseigenaar is doorslaggevend is om de een of andere mens te beschouwen als een proletariër, maar wel het feit dat hij enkel over zijn arbeidskracht (hoofd- of handarbeid) kan verkopen. Zo kon in de discussie geconcludeerd worden dat de bewoners van de buitenwijken, die door het kapitalisme worden gemargina-liseerd, evenzeer proletariërs zijn als het merendeel van de zogenaamde ‘middenklassen’. Dat de afschuwelijke ellende en de marginalisatie waarin het kapitalisme hen stort hen er toe drijft om zich te werpen in geïsoleerde – en jammer genoeg uitzichtloze – revoltes, verandert niets aan deze werkelijkheid en dit betekent dat de toekomst van de strijd niet ligt in de oproer maar in de solidaire strijd samen met andere proletariërs.
Door de rol van de vakbonden als rem of saboteurs van de strijd kwam in het comité de vraag op waarom de algemene vergadering niet in staat bleek zich te verzetten tegen die politiek. Er werden verschillende antwoorden aangedragen: volgens sommigen was het nodig dat een minderheid de algemene vergadering zou leiden zodat deze de middelen zou hebben om de strijd te ontwikkelen; voor anderen kan een minderheid in geen geval in plaats van de algemene vergadering bijdragen tot de versterking van de strijd. Zoals geldt voor heel de arbeidersklasse, zijn het de arbeiders zelf en enkel zijzelf die de strijd kunnen ontwikkelen en er over beslissen. In dat kader hebben de minderheden die een beter inzicht hebben in de middelen om de strijd te ontwikkelen tot taak om het geheel van de arbeiders die bijeenkomen in algemene vergadering te overtuigen van de richting die het mogelijk maakt om de strijd te ontwikkelen. Deze discussie maakte het mogelijk om te debatteren over de wijze waarop de bewustwording van de arbeiders en de studenten individueel en collectief ontwikkeld.
Al deze vragen lagen aan de basis van de uiteenlopende inschattingen van de leden van het Comité. Er werd besloten tot het lezen en bediscussiëren van een aantal oude teksten over de arbeidersbeweging, die een belangrijke invalshoek gaven. Het was dus uitgaande van het zoeken naar antwoorden op de door de strijd opgeworpen vragen dat het comité besloot het boek van Rosa Luxemburg Massastaking, Partij en Vakbonden te gaan lezen. Dit maakte het mogelijk om niet allen de ontwikkeling van de vakbonden te begrijpen, maar ook om in te zien welke rol de kommunisten in de strijd spelen. Als gevolg van de discussie van dit eerste boek bediscussieert het comité op dit ogenblik het boek van Léon Trotsky Balans en Perspectieven.
Tenslotte heeft het comité bepaald zich niet te beperken tot deze vraagstukken en heeft besloten om vraagstukken te bediscussiëren die te maken hebben met de aangevoelde noodzaak om de maatschappij te veranderen. In die zin bijvoorbeeld heeft het comité de beslissing genomen om de werkelijkheid en de gevolgen te onderzoeken van de politiek die gevoerd wordt door Hugo Chávez in Venezuela.
Zoals we boven zagen, is dit comité geen geïsoleerd geval. In heel wat andere landen werken arbeiders en studenten dergelijke discussies uit. Natuurlijk lopen alle discussies, zoals men kan afleiden uit wat voorafging, niet uit op een akkoord binnen het comité, maar de IKS begroet het in het leven roepen ervan en moedigt de ontwikkeling van dergelijke groeperingen aan. Want het is enkel door dergelijke discussies dat de belangrijke vraagstukken over de oorzaken van de catastrofale toestand van de huidige wereld, over de middelen die aangewend moeten worden voor het ontwikkelen van de strijd en over het perspectief van het kommunisme opgehelderd kunnen worden. Daarom en met deze instelling neemt de IKS telkens als het kan deel aan dit soort debatten.
Deze groeperingen maken deel uit van het feit dat de arbeidersklasse haar wapens smeedt voor de onvermijdelijke strijd die in het verschiet ligt.
Paul / 28.3.2008
(1) Zie vooral onze artikelen over de discussiekringen in de Midlands in Groot-Brittannië en te Brussel en Antwerpen.
(2) De leden van deze discussiekring in Toulouse veroordeelden in de hitte van de strijd bovendien schriftelijk deze sabotage door de vakbonden van de eenheid van studenten en spoorwegpersoneel, die we op onze websites publiceerden onder de titel: Comment les syndicats ouvriers et étudiants pourrissent la lutte et la réflexion (témoignages dans la lutte).
We hebben in Spanje een brief ontvangen van een kameraad die zich vragen stelt over de realiteit van de ecologische crisis: “Hoeveel waarheid steekt er achter dat wereldwijde gedoe over de klimaatverandering? Zitten daar geen verborgen belangen achter? [...] Rekening houdend met de reële situatie van vernietiging van de wereld (weten we wat daarvan aan is, hoe groot ze precies is?), kunnen en mogen we het consumptieniveau aanhouden dat door de massa’s bereikt is? Kan het systeem zijn model van productie en consumptie veranderen? Welke klasse, proletariaat of bourgeoisie, zal het zwaarst getroffen worden door de klimaatrampen die zich aankondigen? Zijn die voor binnenkort?” De kameraad vraagt zich af of we voor een groot ecologisch probleem staan, danwel of het integendeel enkel nog een propagandacampagne is om ons de soberheidsmaatregelen te doen aanvaarden onder het voorwendsel ‘de planeet te redden’.
Het volstrekt waar dat het kapitalisme geen moment aarzelt zich in het groen te hullen om daar zijn voordeel uit te halen. De bedrijven draven vandaag overal op met hun ‘groene’ publiciteit. Het cynisme van die aanstellerij mag blijken uit één voorbeeld uit duizenden: het Spaanse elektriciteitsbedrijf Endesa toont zich in zijn publiciteit uiterst respectvol voor de natuur, maar is in Chili pas aan een enorm plan van hydro-elektrische centrales begonnen dat daar onherroepelijk wouden, rivieren, meren en gletsjers van Chileens Patagonië zal verwoesten (Le Monde diplomatique, Spaanstalige uitgave, februari 2008)! Het is ook bijzonder weerzinwekkend te zien hoe alle regeringen proberen ons met een schuldgevoel op te zadelen. We zouden moeten geloven dat de slechte gewoonte met de auto naar het werk te gaan, regelmatig een douche te nemen, afval te produceren, enz., de oorzaak zou zijn van de milieukwalen.
Maar onder die opeenstapeling van schaamteloze propaganda blijft toch een zeer reëel en groot probleem bestaan: het kapitalisme is bezig de planeet onomkeerbaar te vernietigen. In ons artikel in de Internationale Revue (Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave), nr. 104, Alleen de proletarische revolutie zal de menselijke soort redden, stelden we reeds vast dat: “Gedurende de jaren 1990 het vernietigen van de planeet zich aan een koortsachtig ritme voortzette: ontbossing, bodemerosie, giftige vervuiling van de lucht, ondergrondse waterbekkens en oceanen, leegplundering van de fossiele natuurlijke grondstoffen, verspreiding van chemische en nucleaire stoffen, uitroeiing van plant- en diersoorten, uitbarsting van infectieziekten, en tenslotte continue toename van de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de aardbol (de zeven warmste jaren van het millennium vielen in de jaren 1990)”. We citeerden in datzelfde artikel de analyse van een rapport van het IPCC over de klimaatverandering: “Nieuwe analyses wijzen uit dat de 20e eeuw waarschijnlijk de belangrijkste opwarming gekend heeft van alle eeuwen sinds 1000 jaar in de Noordelijke hemisfeer [...] vermindering van de dikte van het ijs met 40% aan de Noordpool [...] de zeespiegel is gedurende de twintigste eeuw met 10 tot 20 cm gestegen [...] het stijgingsritme van de zeeën was in de 20e eeuw ongeveer 10 keer zo sterk als gedurende de laatste drieduizend jaar.” Ons artikel citeerde ook uit het tijdschrift Manière de voir: “Het vermogen van veel insecten en knaagdieren – dragers van parasieten en virussen – om zich voort te planten en om besmetting te verspreiden is functie van de temperatuur en vochtigheid van het milieu. Anders gezegd: een stijging van de temperatuur, hoe bescheiden ook, geeft groen licht voor de uitbreiding van talrijke ziekteverwekkers bij mens en dier. Zo hebben parasitaire ziekten – zoals malaria, schistosomiasen en slaapziekte – en virale infecties – zoals denguekoorts, sommige hersenvliesontstekingen en hemorrhagische koortsen – de laatste jaren terrein gewonnen. Ofwel hebben ze de kop weer opgestoken in gebieden waar ze verdwenen waren, ofwel treffen ze nu streken die tot nu toe gespaard gebleven waren. [...] De vooruitzichten voor het jaar 2050 tonen dat malaria dan drie miljard mensen zal bedreigen. [...] Terwijl cholera sinds 1960 praktisch verdwenen was uit Latijns-Amerika, heeft de ziekte tussen 1991 en 1996 1.368.053 slachtoffers gemaakt.”
We menen dus dat we bevestigend moeten antwoorden op de vragen die de kameraad zich stelt over de gevaren van klimaatverandering. We kunnen ook bevestigen dat de arbeiders en de werkende massa’s het hardst getroffen zullen worden, maar de kwestie is globaler en diepgaander: het gaat om de dreiging van een complete vernietiging van het natuurlijk milieu waarin we leven!
Een elementaire vraag werpt zich op: wat is de verhouding tussen mens en natuur? In de Dialectiek van de natuur stelt Engels dat “het dier enkel de uiterlijke natuur gebruikt en daarin enkel door zijn aanwezigheid veranderingen veroorzaakt; door de veranderingen die hij aanbrengt, gebruikt de mens de natuur voor zijn eigen doeleinden, domineert hij ze. En daarin ligt het uiteindelijke wezenlijke verschil tussen de mens en de rest van de dieren” (1). De menselijke maatschappijen proberen het natuurlijk milieu aan hun behoeften aan te passen en zijn rijkdommen maximaal te exploiteren. Een dubbele verhouding wordt dus doorheen de geschiedenis ingesteld tussen de mensheid en de natuur: transformatie maar tevens plundering (dat wil zeggen roof die leidt tot vernietiging). Onder de productiewijzen die aan het kapitalisme voorafgingen (primitief kommunisme, slavernij, feodalisme) oefende de natuur een verpletterende heerschappij uit over de mens en het vermogen van de mens om haar te veranderen bleef zeer beperkt. Die verhouding wordt radicaal omgekeerd met het kapitalisme. In de eerste plaats bereiken de productiekrachten (machines, transportmiddelen, evoluties in industrie en landbouw) een ongezien belang. In de tweede plaats breidt het kapitalisme zich uit over de gehele wereld, en onderwerpt het alle landen aan de macht van zijn productiewijze. En tenslotte wordt de exploitatie van de natuurlijke middelen (landbouw, visvangst, mineralen, vee) systematisch en extensief, waardoor de natuurlijke cyclussen en processen grondig gewijzigd worden (klimaat, regeneratie van de bewerkte gronden, bossen, waterlopen...). Voor het eerst ontwikkelt de mens zo productiekrachten die de bestaande natuurlijke hulpbronnen uitputten en onherroepelijk veranderen.
Dat vermogen van de menselijke maatschappij om haar natuurlijk milieu te transformeren betekent een zeer belangrijke historische vooruitgang. Maar het kapitalisme zorgt ervoor dat die vooruitgang zich fundamenteel manifesteert met zijn negatieve en vernietigende kant. De transformaties die het kapitalisme realiseert gebeuren op een chaotische en ongeregelde manier, lopen op korte termijn zonder rekening te houden met de gevolgen op langere termijn. Bovendien heeft het kapitalisme de productiekrachten ontwikkeld in een monsterachtig keurslijf: de verdeling in klassen en de felle concurrentie tussen bedrijven en tussen naties. Dat kan vanzelfsprekend enkel schade veroorzaken aan het ecologisch wereldsysteem waarvan de rampzalige gevolgen nu duidelijk beginnen worden et nog dramatischer resultaten in het vooruitzicht.
Als product van een lange historische evolutie hebben de productiekrachten zeker met het kapitalisme zonder twijfel een fantastische ontwikkeling bereikt, maar het systeem blijft fundamenteel destructief. Engels herinnerde er in het geciteerd werk aan dat “we de krachten van de natuur getemd hebben en gedwongen zich ten dienste van de mens te tellen; wij hebben zo de productie tot in het oneindige vermenigvuldigd, zo sterk dat vandaag een kind meer produceert dan destijds honderd volwassenen. En wat is het gevolg daarvan? Meerarbeid die steeds toeneemt en ellende die steeds groter wordt voor de massa’s, met, alle tien jaar, een grote ineenstorting”. Lichaam en geest van de arbeiders leiden onder de ravages van het kapitalisme: fysieke en psychologische vernietiging, morele en materiële ellende, wilde concurrentie, atomisering, extreme versnippering van de menselijke vermogens, monsterachtig ontwikkeld in sommige gevallen, en niet minder monsterachtig verdrukt in andere. We komen tot een vreselijke paradox: “Naarmate de mensheid meester wordt over de natuur, lijkt de mens de slaaf te worden van zijn gelijken of van zijn eigen laagheid. Zelfs het pure licht van de wetenschap lijkt enkel te kunnen schijnen op de duistere ondergrond van de onwetendheid. Al onze ontdekkingen en al onze vooruitgang lijken tot resultaat te hebben de materiële krachten van intellectueel leven te voorzien en het menselijk leven tot een materiële kracht te herleiden” (2).
De kameraad die ons schrijft vraagt zich af of het kapitalisme tijdig de ramp zal kunnen afwenden die het veroorzaakt heeft. Wij denken dat de wetten en interne tegenstellingen van het systeem het kapitalisme niet alleen verhinderen hier een eind aan te stellen, maar dat het systeem de toestand enkele kan verergeren, telkens weer. De behoefte te produceren om te produceren, te accumuleren om te accumuleren, drijven het kapitalisme ertoe zich vast te lopen in onoplosbare tegenstellingen: “Aangespoord door de concurrentie, door de wanordelijke rivaliteit tussen kapitalistische eenheden die vechten om de controle over de markten, gehoorzaamt het kapitalisme aan een interne kracht om zich uit te breiden tot de meest verst mogelijke limieten, en in zijn onophoudelijk oprukken naar zijn auto-expansie kan het niet stilhouden om rekening te houden met de gezondheid of het welzijn van zijn producenten, of met de ecologische gevolgen van wat het produceert en hoe het produceert” (3).
Reeds gedurende de opgaande periode van het kapitalisme, in de negentiende eeuw, veroordeelden Marx en Engels bij talloze gelegenheden hoe de winsthonger van dit systeem de arbeids- en levensvoorwaarden van de arbeidersklasse vergiftigde. Ze waren zelfs van mening dat de grote industriesteden reeds in die tijd te groot geworden waren om een basis te vormen voor leefbare menselijke gemeenschappen en ze beschouwden “de afschaffing van de tegenstelling tussen stad en platteland” als een volwaardig onderdeel van het kommunistisch programma. Het probleem is zich gedurende de vervalperiode dramatisch erger geworden, een periode waarin we de wildgroei zagen van reuzensteden met tien of twintig miljoen inwoners, die gigantische problemen meebrengen inzake vervuiling, zoals waterbevoorrading, afvalverwijdering, waterzuivering, wat weer nieuwe bronnen doet ontstaan van vernietiging van het ecologisch evenwicht zoals ziekten en misvormingen. Maar het verval van het kapitalisme voegt daar nog een ander, kwalitatief nieuw verschijnsel aan toe. Gedurende eeuwen heeft de mensheid geleden onder de brandmerken van de oorlog, mar de oorlogen uit het verleden kunnen niet vergeleken worden met de oorlogen van de twintigste en éénentwintigste eeuw, die de marxisten aanduiden met een term die nu historische nieuwigheid weerspiegelt: de imperialistische oorlogen. We kunnen dit thema hier niet uitdiepen (4), maar beperken ons ertoe aan te geven dat hun gevolgen voor het milieu rampzalig zijn: nucleaire verwoestingen, ontwikkeling van ziekteverwekkers door het gebruik van bacteriologische en chemische wapens, brutale verstoring van het ecologisch evenwicht door het massaal gebruik van fossiele brandstoffen en atoomwapens... De balans van meer dan een eeuw imperialistische oorlogen voor het milieu moet nog opgemaakt worden, omdat die toe nu toe ontkend of radicaal onderschat wordt door de bourgeoisie (5).
De globale ecologische problematieken vragen om een globale oplossing. Maar spijts alle internationale conferenties, spijts alle vrome wensen over internationale samenwerking, berust het kapitalisme fundamenteel op de concurrentie tussen nationale economieën. We hoeven niets te verwachten van het kapitalisme. Het spreekt voor zich dat het boek van de voormalige vice-president van de Verenigde Staten, het meest vervuilende land van de planeet, Al Gore, onder een schijnbaar ‘moedige’ titel (Een ongerieflijke waarheid) wezenlijk niets anders voorstelt als zulke groteske maatregelen als minder vlees eten, de afwas met de hand doen, de was te drogen hangen en van huis uit werken!
Tegenover een probleem van planetaire afmetingen dat, zoals we gezien hebben, voortkomt uit de verhouding tussen de sociale organisatie en de organisatie van de natuur, kan deze mijnheer alleen de onmacht van de vertegenwoordigers van het kapitaal bloot te leggen die niet in staat zijn iets anders voor te stellen dan een waslijst van ‘goede burgergewoonten’ die even belachelijk als nutteloos zijn. Al Gore stelt ons voor een ‘onberispelijke groene handelwijze aan te nemen’, en door de verantwoordelijkheid voor de ecologische catastrofe op de rug van de ‘burger’ te schuiven, probeert hij ons allen op te zadelen met de schuld voor alle kwalen van de aarde, en daarmee in een klap ook de ware aanstichter van al die rampen die ons bedreigen vrij te pleiten.
Wij moeten luid en duidelijk laten horen, tegen Al Gore en andere propagandisten van het ‘groene’ denken in, wat de waarheid is die ‘ongemakkelijk’ is voor het kapitalisme: “In de huidige fase van doorgedreven ontbinding verliest de heersende klasse steeds meer de controle over haar sociaal systeem. De mensheid kan het zich niet langer veroorloven het lot van de planeet in handen te laten van de bourgeoisie. De ‘ecologische crisis’ is een bewijs te meer van het feit dat het kapitalisme vernietigd moet worden voor het de gehele mensheid mee de afgrond in sleurt.” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 63).
De proletarische revolutie moet de staten en de nationale grenzen afschaffen, ze moet de verdeling van de maatschappij in klassen uitschakelen, een einde maken aan de handelsproductie en de uitbuiting van de mens door de mens, het systeem vernietigen dat leidt tot de vernietiging van de menselijke soort en van het ecologisch milieu van de planeet. De samenleving waar het proletariaat naar streeft steunt op een wereldwijde menselijke gemeenschap, die bewust de sociale productie plant en die een harmonieuze verhouding met het natuurlijk milieu in zich draagt. De verhoudingen van broederschap en solidariteit, collectief bewustzijn, die vervat zijn in de menselijke wereldgemeenschap strekken zich vanzelfsprekend uit tot de verhoudingen met het milieu.
IKS / 24.02.2008
1) Friedrich Engels benadrukt in dit boek ook dat de mensheid integraal deel uitmaakt van het natuurlijk milieu en er in geen geval een vreemd element voor is: “En zo herinneren de feiten er bij elke stap aan dat wij geenszins over de natuur heersen zoals een veroveraar heerst over een vreemd volk, als iemand die buiten de natuur stat, maar dat wij tot haar behoren met ons vlees, ons bloed, onze hersens, dat wij in haar schoot zijn en dat onze heerschappij over haar enkel schuilt in het voordeel dat wij hebben over het geheel van de andere schepsels van haar wetten te kennen en die slim in ons voordeel kunnen gebruiken.”
2) Karl Marx, Rede bij de verjaardag van de People’s Paper, 1856.
3) Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 63, Het kapitalisme vervuilt de planeet.
4) Zie Wat is imperialisme?
5) Zie bijvoorbeeld Irak, Afghanistan, Kosovo: de ravages van de wapens met verarmd uranium.
Het kapitalisme zal de handdoek niet in de ring gooien. Nooit heeft een uitbuitende klasse de werkelijkheid erkend van haar falen en op een galante manier haar macht overgedragen aan diegenen die haar zouden opvolgen. Maar wat wij zien is dat na meer dan 100 jaar van rampen en stuiptrekkingen, elke economische politiek waarmee de kapitalistische staat geprobeerd heeft om het hoofd te bieden aan de problemen, niet alleen gefaald heeft maar zelfs de problemen verergerd heeft. Daarom kunnen we geen nieuwe pogingen verwachten van het kapitalisme om ‘uit de crisis te geraken’, want wij kunnen er zeker van zijn dat ze alleen maar meer lijden, meer ellende, hevigere stuiptrekkingen zullen brengen.
Daarom is het een utopie om te vertrouwen op wat er zou kunnen voortkomen uit een veronderstelde ‘uitweg’ van het kapitalisme uit de huidige crisis. Die bestaat niet. En het ganse systeem is vandaag niet in staat om zijn failliet weg te moffelen. Het enige realistische is bij te dragen opdat het proletariaat leert te vertrouwen op zichzelf, in de kracht die zijn eigen strijd als klasse hem kan geven en dat het proletariaat heel geduldig via zijn strijd, via debat, via de inspanning tot zelforganisatie, gaat bouwen aan de sociale kracht die het in staat moet stellen om zich op te werpen als een revolutionair alternatief tegenover de huidige wegrottende maatschappij.
IKS / 08.10.2008
(1) De Eerste Wereldoorlog maakt een definitief einde aan het progressieve karakter van het kapitalisme en bepaalt de omvorming van het systeem dat nog slechts oorlogen crises en een grenzeloze barbarij voortbrengt. (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 134)
(2) Om dit concreet te maken, kan men als voorbeeld geven dat in de Verenigde Staten, voorgesteld als het mekka van het neo-liberalisme, de staat de voornaamste klant is van de ondernemingen. In de informaticasector worden ondernemingen verplicht een kopij van hun nieuwe programma’s en van de componenten van de hardware die zij maken aan het Pentagon te leveren.
(3) De bewering als zou de Amerikaanse economie gedereguleerd zijn, dat de staat schuchter optreedt is een sprookje. De beurs wordt gecontroleerd door een specifiek federaal agentschap , de banken door de SEC, de Federal Reserve bepaalt de economische politiek door verschillende instrumenten zoals de interestvoeten.
(4) In een artikelenreeks Dertig jaar kapitalistische crisis, gepubliceerd in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nrs. 96, 97 en 98, maken we een analyse van de technieken en methodes die het staatskapitalisme aangewend heeft om de ineenstorting van de economie te begeleiden, af te remmen en ervoor te zorgen dat dit in etappes zou gebeuren.
Hoe komt het toch dat er successen behaald worden via spontane solidariteitsstakingen en niet via de super georganiseerde bewegingen van de vakbonden? Dit is een vraag die vele stakers zich op dit ogenblik stellen. Hoe komt het dat de ‘solidariteitsacties van de vakbonden tegen de nieuwe hypermarkt in Brugge hoegenaamd niets opleveren? Daarvoor moeten wij gaan kijken naar de manier waarop de vakbonden de ‘strijd (des)organi-seren’: eerst en vooral ageren de vakbonden binnen het nationaal en wettelijk kader (van kapitalistische wetten), zij zitten mee in de paritaire comités die waken over de concurrentiekracht van de nationale economie (weeral volgens kapitalistische normen), en als de druk op de ketel te groot wordt vanuit de basis en de leden niet meer binnen dat keurslijf geperst kunnen worden, plannen ze ‘acties’ die ze binnen de krijtlijnen van het atelier of de sector proberen te houden. Altijd slaan ze iedereen om de oren met argumenten over ‘specifieke’ voorwaarden binnen dit of dat bedrijf, die zogenaamd niets gemeen zouden hebben met die in andere bedrijven. Dit is een leugen!! De vakbonden zijn zich immers bewust van het ongenoegen binnen de arbeidersklasse en doen alle moeite om de strijd onder controle te houden. De arbeiders weten dat maar vinden het moeilijk om het heft in eigen handen te nemen omdat de vakbonden het strijdterrein bezetten en altijd met acties aankomen die deze strijd kanaliseren en krachteloos maken.
Arbeiders kunnen alleen kracht ontwikkelen om aan deze logica te ontsnappen door zich te verenigen met andere arbeiders, door samen te komen over alle verdelingen heen van vakbond of sector, door samen te discussiëren over hoe zich te verzetten tegen de aanvallen. Dat betekent dat zij de strijd in eigen handen moeten nemen en het niet overlaten aan ‘specialisten’, zodat alle arbeiders kunnen deelnemen in de beslissingen over hoe de staking te ontwikkelen. Daaruit volgt dat we ons moeten verenigen met andere arbeiders die vechten tegen dezelfde aanvallen op andere werkplaatsen en industrieën door het zenden van massale afvaardigingen naar andere algemene vergaderingen, pikketten en betogingen. Allen zo kunnen we sterker worden en de strijd vooruit brengen. Solidariteit is onze zuurstof !
Dit is het enige perspectief dat ons in staat kan stellen om onze levensomstandigheden te verdedigen en ons vertrouwen te ontwikkelen om het kapitalistisch systeem in vraag te stellen, dat ons enkel economische crises, oorlogen, ecologische rampen te bieden heeft, maar geen waardige toekomst. Voor de toekomst van de mensheid zal de arbeidersklasse zelf en op eigen kracht moeten opkomen.
KS / 11.11.08
Politici en economen weten niet meer hoe zij de ernst van de situatie onder woorden moeten brengen: “Aan de rand van de afgrond”, “Een economisch Pearl Harbor”, “Een naderende tsunami”, “Een financiële 11e September” (1) … enkel de verwijzing naar de Titanic ontbreekt nog!
Wat er is werkelijk aan de hand? Iedereen heeft vele prangende vragen over de economische storm die tot uitbarsting komt. Stevenen we af op een nieuwe krach zoals in 1929? Hoe zijn we hierin terechtgekomen? Wat kunnen we doen om onszelf te verdedigen? In wat voor wereld leven we?
We kunnen ons geen illusies maken. Op wereldschaal zal de mensheid in de komende maanden terechtkomen bij een gruwelijke aftakeling van haar levensomstandigheden. Het International Monetair Fonds (IMF) heeft onlangs in zijn laatste rapport aangekondigd dat “er tegen het jaar 2009 vijftig landen” zullen worden toegevoegd aan de macabere lijst van landen getroffen door hongersnood. Daaronder vele landen van Afrika, Latijns-Amerika, van de Caraïben en zelfs van Azië. In Ethiopië bijvoorbeeld zijn er officieel al twaalf miljoen mensen aan het verhongeren. In India en China, de nieuwe zogenaamde kapitalistische Eldorado’s, worden honderden miljoenen mensen getroffen door de ergste ellende. In de Verenigde Staten en Europa zal ook een groot deel van de bevolking wegzinken in onhoudbare ellende.
Alle sectoren zullen worden geraakt. In de kantoren, de banken, de fabrieken, de ziekenhuizen, in de hoogtechnologische diensten zoals de elektronica, in de automobiel, de bouw en de distributie; de ontslagen zullen in de miljoenen lopen. De werkloosheid zal aanzienlijk stijgen! Sinds begin 2008, en dan nog enkel voor de Verenigde Staten, zijn er bijna één miljoen mensen op straat gezet. En dat is slechts een begin. Deze golf van ontslagen betekent dat een huis hebben, zich verzorgen en voeden steeds moeilijker zal worden voor de arbeidersgezinnen. Dat betekent ook voor de jongeren van vandaag dat deze kapitalistische wereld hen geen toekomst meer te bieden heeft!
Dit rampzalige vooruitzicht proberen de leiders van de kapitalistische wereld, de politici en de journalisten in dienst van de heersende klasse, niet eens te verbergen. Hoe zouden ze dat trouwens kunnen? De grootste wereldbanken staan op de rand van het bankroet; ze overleven slechts dankzij honderden miljarden dollars en euro’s die hen worden toegestopt door de centrale banken, dat wil zeggen de staten. Voor de beurzen van Amerika, Azië en Europa is het een neergang zonder einde: sinds januari 2008 is er 25.000 miljard dollar in rook opgegaan, wat neerkomt op twee jaar de totale productie van de Verenigde Staten. Dat verklaart de ware paniek die zich overal ter wereld van de heersende klasse heeft meester gemaakt. Als momenteel de beurzen in elkaar storten, dan komt dat niet enkel door de rampzalige toestand van de banken, maar ook omdat de kapitalisten een duizelingwekkende daling van hun winsten verwachten. Dit is het gevolg van een massale vermindering van de economische activiteit, van een uitbarsting van de bedrijfsfaillissementen, van een recessie die nog erger zal uitvallen dan al de andere die we in de loop van de laatste veertig jaar hebben gezien.
De belangrijkste wereldleiders, Bush, Merkel, Brown, Sarkozy, Hu Jintao, houden de ene ontmoeting en ‘top’ na de andere (G4, G7, G8, G16, G27, G40). Ze proberen de schade te beperken, het ergste te vermijden. Half november komt er alweer een ‘top’, volgens sommigen bedoeld om het kapitalisme ‘op een nieuwe leest te schoeien’. De opwinding van de wereldleiders komt overeen met die van journalisten en ‘experts’: televisie, radio, kranten… de crisis is alomtegenwoordig in de media.
Waartoe dient die tamtam? Als de bourgeoisie de rampzalige staat van haar economie niet langer kan verbergen, dan probeert ze ons toch nog wijs te maken dat het er in heel deze geschiedenis absoluut niet om gaat het kapitalisme in twijfel te trekken. Het zou er slechts om gaan de strijd aan te binden met ‘uitglijders’ en ‘uitwassen’. Het zou de schuld zijn van de speculanten! De belastingparadijzen zouden verantwoordelijk zijn! Het zou aan het ‘liberalisme’ liggen!
Om ons in dit fabeltje te laten geloven worden alle professionele leugenaars te hulp geroepen. Dezelfde ‘specialisten’ die gisteren nog beweerden dat de economie gezond was, dat de banken solide waren… reppen zich nu naar de televisieplatformen om hun nieuwe grove leugens uit te braken. Dezelfden die ons wijsmaakten dat het ‘liberalisme’ dé oplossing was, dat de staat er van moest afzien om zich met de economie te bemoeien, roepen nu dat de regeringen moeten ingrijpen. Méér staat en méér ‘moraal’, dan zou het kapitalisme weer een mooie start kunnen maken! Dat is de leugen die ons wordt voorgehouden!
De crisis die nu in het wereldkapitalisme uitbreekt dateert niet van de zomer van 2007, met de onroerend goed-crisis in de Verenigde Staten. Al meer dan veertig jaar volgde de ene recessie de andere op: 1967, 1974, 1981, 1991, 2001. De werkloosheid is al tientallen jaren een maatschappelijke plaag en de uitgebuiten ondergaan voortdurende aanvallen op hun levensomstandigheden. Waarom?
Omdat het kapitalisme een systeem is dat niet produceert voor de bevrediging van de menselijke behoeften, maar voor de markt en de winst. De niet gelenigde noden zijn onmetelijk, maar ze zijn niet koopkrachtig, dat wil zeggen de grote meerderheid van de wereldbevolking niet over de middelen beschikt om de geproduceerde waren te kopen. Als het kapitalisme in crisis verkeert, als honderden miljoenen mensen, binnenkort miljarden, in een onhoudbare ellende en hongersnood worden gestort, dan is dat niet omdat dit systeem niet genoeg produceert, maar omdat het meer waren produceert dan het kan verkopen. Elke keer weet de bourgeoisie zich tijdelijk te redden door massaal toevlucht te zoeken in krediet en het scheppen van een kunstmatige markt. Daardoor bereiden heroplevingen telkens weer een nóg pijnlijkere toekomst voor, want uiteindelijk moeten al die kredieten worden afbetaald, moeten al deze schulden vereffend worden. Dat is het wat er nu aan de hand is. Heel de ‘fabelachtige groei’ van de laatste jaren was louter gebaseerd op schuldenmakerij. De wereldeconomie heeft op krediet geleefd en nu het moment van vereffening komt, zakt alles als een kaartenhuis in elkaar! De huidige stuiptrekkingen van de kapitalistische economie zijn niet het resultaat van ‘slecht beheer’ van politieke leiders, van speculatie door ‘traders’ of onverantwoordelijk gedrag van bankiers. Die leven allemaal volgens de wetten van het kapitalisme en het zijn juist deze wetten die het systeem in de vernieling helpen. Daarom zullen de miljarden die door alle staten en centrale banken in de markten worden gespoten daar niets aan veranderen. Erger nog! Ze gaan nog meer schulden ophopen naast de bestaande schulden, wat neerkomt op het blussen van een brand met benzine! Door deze wanhopige en niets uithalende maatregelen, spreidt de bourgeoisie haar onmacht ten toon. Al de reddingsplannen zijn vroeger of later tot mislukking gedoemd. Er zal geen echte heropleving komen van de kapitalistische economie. Geen enkele politiek, noch van links noch van rechts, kan het kapitalisme redden, want het systeem is aangevreten door een dodelijke en ongeneeslijke ziekte.
Toch worden er vergelijkingen gemaakt met de krach en de Grote Depressie van de jaren 1930. De beelden uit die tijd leven nog voort in het geheugen: eindeloze rijen wachtenden van werkloze arbeiders, van armen die in de rij stonden, gewoon om iets te eten te krijgen, fabrieken die wanhopig op de fles gingen… Maar is de huidige toestand werkelijk dezelfde? Het antwoord is natuurlijk nee. Het is feitelijk veel erger, zelfs als het kapitalisme, dat uit ervaring heeft geleerd, er in slaagt om een brutale ineenstorting te vermijden dank zij de tussenkomst van de staten en een betere internationale coördinatie!
Maar er is nog een andere verschil. De verschrikkelijk depressie van de jaren 1930 liep uit op de Tweede Wereldoorlog. Zal de huidige crisis uitmonden in een Derde Wereldoorlog? De vlucht naar voren in de oorlog is het enige antwoord dat de bourgeoisie kan geven op de onoplosbare crisis van het kapitalisme. En de enige kracht die zich daartegen kan verzetten is haar aartsvijand, de arbeidersklasse op wereldvlak. Deze klasse, die in de jaren 1930 een verschrikkelijke nederlaag had opgelopen als gevolg van het isolement van de revolutie van 1917 in Rusland, heeft zich toen laten ronselen voor de imperialistische afslachting. Maar het huidige proletariaat heeft sinds de grote conflicten die in 1968 begonnen, laten zien dat het niet bereid was om nogmaals zijn bloed te vergieten voor zijn uitbuiters. Sinds veertig jaar heeft het weliswaar soms pijnlijke nederlagen geleden, maar het staat nog altijd recht overeind en overal ter wereld gaat het sinds 2003 steeds meer de strijd aan. Het uitbreken van de crisis van het kapitalisme zal voor honderden miljoenen arbeiders, niet alleen in de onderontwikkelde landen, maar ook in de meest ontwikkelde, verschrikkelijk lijden met zich meebrengen, werkloosheid, ellende, ja zelfs hongersnood, maar het gaat ook, noodzakelijkerwijze, verzetstrijd uitlokken van de uitgebuiten.
Deze strijd is onmisbaar om de economische aanvallen van de bourgeoisie te beperken, om te beletten dat de uitgebuiten in absolute armoede vervallen. Maar het is duidelijk dat ze niet kunnen beletten dat het kapitalisme steeds verder wegzinkt in zijn crisis. Daarom beantwoordt de verzetsstrijd van de arbeidersklasse nog aan een andere, veel belangrijkere noodzaak. Hij maakt het de uitgebuiten mogelijk om hun collectieve kracht, hun éénheid, hun solidariteit en bewustwording tot ontwikkeling te brengen met het oog op het enige alternatief dat de mensheid een toekomst kan bieden: de omverwerping van het kapitalistische systeem en zijn vervanging door een maatschappij die functioneert op basis van geheel andere grondslagen. Een maatschappij die niet langer gebaseerd zal zijn op uitbuiting en winst, op productie voor een markt, maar gebaseerd op productie voor menselijke behoeften; een maatschappij die geleid wordt door de arbeiders zelf en niet door een bevoorrechte minderheid: de kommunistische maatschappij.
Gedurende acht decennia stelden alle fracties van de bourgeoisie, van rechts zowel als van links, de regimes die in het Oostblok en China heersten voor als ‘kommunistisch’. Maar het waren juist uiterst barbaarse vormen van staatskapitalisme. Zo werden de uitgebuiten er van overtuigd dat het nutteloos was om van een andere wereld te dromen, dat er geen andere horizon was dan die van het kapitalisme. Nu het kapitalisme blijk geeft van zijn historisch bankroet, moet het perspectief van een kommunistische maatschappij juist steeds meer de leidraad worden van de strijd van het proletariaat.
Tegenover de aanvallen van een kapitalisme in ademnood; om een eind te maken aan uitbuiting, ellende, aan de oorlogsbarbarij van het kapitalisme: Leve de strijd van de arbeidersklasse op wereldschaal! Proletariërs aller landen verenigt u!
Internationale Kommunistische Stroming / 25.10.2008
(1) Achtereenvolgens: Paul Krugman (laatste Nobelprijs voor economie), Warren Buffet (Amerikaans investeerder, bijgenaamd het ‘orakel van Omaha’, zo wordt in de financiële wereld de mening gewaardeerd van een miljardair uit de kleine Amerikaanse stad in Nebraska), Jacques Attali (econoom en raadgever van de Franse president Nicolas Sarkozy) en Laurence Parisot (voorzitster van de Franse werkgeversvereniging).
Sinds het begin van het jaar heeft de economische wereldcrisis, die aantoont dat het kapitalistisch systeem in een doodlopend straatje zit, in vele landen hongerrellen uitgelokt, terwijl zich tegelijkertijd arbeidersstrijd afspeelde voor loonsverhogingen, met name vanwege grote prijsstijgingen. De gemeenschappelijke noemer van de hongerrellen die sinds het begin van het jaar op vele plaatsen uitgebarsten zijn, in Haïti, Mexico, de Filippijnen, Egypte, is de verhoging van de prijzen van voedingsmiddelen of het schreeuwend gebrek eraan waardoor de arme bevolking en de arbeiders van die landen getroffen worden.
Het plunderen van winkels is een volkomen begrijpelijke reactie op een onhoudbaar geworden situatie van overleven van de daders van dergelijke daden en hun familie. In die zin mogen voedselrellen, ook al veroorzaken ze vernielingen en geweld niet op dezelfde manier bekeken worden en hebben ze niet dezelfde betekenis als rellen in de randsteden (zoals in Brixton in Groot-Brittannië in 1981 of in de Franse buitenwijken in 2005) of de rassenrellen (zoals in Los Angeles in de Verenigde Staten in 1992) (1).
Hoewel ze de ‘openbare orde’ verstoren en materiële schade aanrichten dienen die laatste tenslotte enkel de belangen van de bourgeoisie, die perfect in staat is deze rellen om te keren tegen de relschoppers zelf, maar ook tegen het geheel van de arbeidersklasse. Die uitingen van uitzichtloos geweld (waarbij vaak elementen uit het lompenproletariaat betrokken zijn) bieden in het bijzonder steeds de gelegenheid aan de heersende klasse om haar repressieapparaat te versterken. Dat soort rellen is een puur product van de ontbinding van het kapitalistisch systeem. Ze zijn een uiting van de wanhoop, van het ‘no future’ die de ontbinding meebrengt en die zich uitdrukt in hun volkomen absurde aard. Dat is bijvoorbeeld zo bij de rellen die de buitenwijken in Frankrijk op hun kop zetten in november 2005, waarbij het zeker niet in de rijke buitenwijken was, bewoond door uitbuiters, dat de jongeren hun gewelddaden ontketend hebben, maar in hun eigen buurten, die daardoor nog harder geteisterd en onbewoonbaar werden. Bovendien verraadt het feit dat hun eigen families, buren en naasten de voornaamste slachtoffers waren van de verwoestingen, de volkomen blinde, hopeloze en suïcidale aard van dat soort rellen. Het waren inderdaad de auto’s van arbeiders die in die wijken wonen die in brand gestoken werden, scholen en gymnasia die door hun broers en zussen of de kinderen van hun buren bezocht worden die vernield werden. En juist vanwege dat absurd karakter van die rellen kan de bourgeoisie ze gebruiken om ze tegen de arbeidersklasse te keren. Door hen breed uit te smeren over de media kon de heersende klasse een maximum aantal arbeiders uit de volksbuurten ervan overtuigen dat die jonge relschoppers geen slachtoffers zijn van het kapitalisme in crisis, maar enkel maar ‘boefjes’. Elke reactie van solidariteit van de arbeidersklasse met die jongeren werd zo de grond ingeboord.
Aan de andere kant zijn hongerrellen in de eerste plaats een uitdrukking van het failliet van de kapitalistische economie en de irrationaliteit van zijn productie. Die vertalen zich momenteel in een voedselcrisis die niet alleen de meest misdeelde lagen uit de ‘arme’ landen treft, maar ook steeds meer loonarbeiders, ook in de zogenaamd ‘ontwikkelde’ landen. Het is geen toeval dat de meeste arbeidersstrijd die zich momenteel in alle delen van de wereld ontwikkelt als voornaamste eis loonsverhoging heeft. De hollende inflatie, de prijsstijgingen van de basisproducten, bovenop de daling van de reële lonen en pensioenen die aangevreten worden door de inflatie, de werkonzekerheid en de golven van ontslagen, het zijn allemaal uitingen van de crisis die elk de kiemen in zich dragen voor de kwestie van de honger, de strijd om te overleven, zoals die zich begint te stellen binnen de arbeidersklasse. En juist omdat de kwestie van de voedselcrisis de arbeiders al treft in de ‘arme’ landen (en meer en meer ook die in de centrale landen van het kapitalisme) dat de bourgeoisie steeds meer moeite zal hebben om de voedselrellen te gebruiken tegen de klassenstrijd van het proletariaat.
Natuurlijk zijn die rellen ook een uiting van wanhoop van de meest verpauperde massa’s in de ‘arme’ landen en dragen ze op zichzelf geen enkel perspectief in zich op omverwerping van het kapitalisme. Maar in tegenstelling tot de stedelijke of rassenrellen vormen de hongerrellen een uiting van de absolute armoede waarin het kapitalisme elke dag een groter deel van de mensheid onderdompelt.
In die zin dragen die rellen bij tot de bewustwording van het proletariaat van het onomkeerbaar bankroet van de kapitalistische economie. Ze tonen ook met hoeveel cynisme en welke hevigheid de heersende klasse de woedeuitbarstingen beantwoordt van degenen die zich overgeven aan het plunderen van winkels om niet van honger om te komen: de repressie, het traangas, de kloppartijen en het geweervuur.
Anderzijds, anders dan de rellen van de buitenwijken, zijn de voedselrellen geen factor die de arbeidersklasse verdeelt. Integendeel, ondanks het geweld en de vernielingen die ze kunnen meebrengen, wekken de hongerrellen meestal spontaan een gevoel van solidariteit op bij de arbeiders in de mate dat deze zelf ook bij de slachtoffers horen van de voedselcrisis en steeds meer moeite hebben om hun familie te voeden. In die zin zijn de voedselrellen veel moeilijker te gebruiken door de bourgeoisie om de arbeiders tegen elkaar op te zetten en verdeeldheid te zaaien in de volkswijken.
Met de verergering van de crisis zullen de hongerrellen en de arbeidersstrijd allebei op een steeds algemenere en gelijktijdiger wijze toenemen. Toch zit in beide niet hetzelfde potentieel. Inderdaad, alleen de strijd van het proletariaat, op zijn eigen klasseterrein, kan een einde maken aan de ellende, aan de veralgemeende hongersnood, door het kapitalisme omver te werpen en een nieuwe samenleving te creëren zonder ellende, zonder honger en zonder oorlog.
LE
(1) Wat betreft de rassenrellen in Los Angeles, zie ons artikel Tegenover de chaos en de moordpartijen kan enkel de arbeidersklasse een antwoord bieden in Internationale Revue, Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave, nr. 70. Over de rellen in de Franse buitenwijken in de herfst van 2005, zie Sociale rellen: Argentinië 2001, Frankrijk 2005... enkel de klassenstrijd van het proletariaat is draagster van de toekomst in dezelfde Internationale Revue, nr. 124, en Stellingen over de studentenbeweging van lente 2006 in Frankrijk, in nr.125.
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 504.25 KB |
“De versnelling van de historische situatie, ongezien in de geschiedenis van de arbeidersbeweging, wordt gekenmerkt door het samenvloeien van de volgende twee dimensies:
- de uitbreiding van de ernstigste open economische crisis in het bestaan van het kapitalisme, gecombineerd met de verscherping van de inter-imperialistische spanningen en gepaard gaande met een trage maar geleidelijke opkomst in diepgang en in de breedte van de rijping in de schoot van de arbeidersklasse, sinds 2003.- en de ontwikkeling van een internationalistisch milieu, die bijzonder merkbaar is in de landen van de periferie van het kapitalisme.
Deze versnelling verhoogt nog de politieke verantwoordelijkheid van de IKS, stelt haar hogere eisen in termen van theoretische en politieke analyses en van tussenkomst in de klassenstrijd en naar de zoekende elementen (…)”.De balans die wij kunnen opmaken uit het 18e internationaal congres van onze organisatie moet zich baseren op het feit of deze laatste in staat is om haar verantwoordelijkheden op te nemen.
Voor een waarlijk ernstige communistische organisatie is het altijd erg netelig om luidkeels te gaan verkondigen dat de ene of andere van haar acties een succes is geweest. En dat om meerdere redenen.In de eerste plaats omdat de capaciteit van een organisatie, die strijdt voor de communistische revolutie, om haar verantwoordelijkheden op te nemen, niet op korte maar op lange termijn wordt afgemeten. Want al zit haar rol permanent verankerd in de historische werkelijkheid van haar tijdperk, toch bestaat deze voor het merendeel niet in het beïnvloeden van de onmiddellijke realiteit, ten minste op grote schaal, maar in het voorbereiden van de toekomstige gebeurtenissen.
Op de tweede plaats, omdat er voor de leden van een organisatie altijd het gevaar bestaat om de ‘zaken mooier voor te stellen dan ze zijn’, om blijk te geven van overdreven toegeeflijkheid aan de zwakheden van een collectief waaraan zij hun toewijding en hun inspanningen wijden en dat zij voortdurend verplicht zijn te verdedigen tegen de aanvallen van de openlijke of bedekte verdedigers van de kapitalistische maatschappij.Bewust van het gevaar om onszelf illusies te maken en met de nodige voorzichtigheid die daar uit voortvloeit, stellen we niettemin zonder aarzelen dat het 18e congres van de IKS opgewassen is geweest tegenover de hoger vermelde vereisten en de voorwaarden heeft geschapen opdat wij onze activiteit in die richting zouden kunnen verder zetten.
Wij kunnen hier geen verslag maken van alle elementen die deze bewering kunnen onderbouwen. Wij onderstrepen er slechts de belangrijkste:- het feit dat het congres zijn werkzaamheden begon met de bekrachtiging van de integratie van twee nieuwe territoriale secties, in de Filippijnen en in Turkije;
- de aanwezigheid van vier groepen uit het proletarisch milieu;- de houding van openheid naar buiten van onze organisatie die o.a. geïllustreerd wordt door deze aanwezigheid;
- zijn wil om zich scherpzinnig te buigen over moeilijkheden en zwakheden die onze organisatie moet te boven komen;
- de broederlijke en enthousiaste sfeer die er heerste bij de werkzaamheden van het congres. (1)
Onze pers heeft reeds verslag uitgebracht van de integratie van nieuwe secties van de IKS in de Filippijnen en in Turkije (het was de verantwoordelijkheid van het congres om deze beslissing tot integratie te bekrachtigen die was aangenomen door het centraal orgaan van onze organisatie begin 2009)(2). Bij deze gelegenheid schreven wij: “De integratie van deze twee nieuwe secties in de schoot van onze organisatie verruimt in een belangrijke mate haar geografische uitbreiding”. Wij preciseren ook nog twee feiten betreffende deze integraties: - zij zijn niet het gevolg van een haastige ‘rekrutering’ (zoals dat de gewoonte is bij de troskisten en jammer genoeg zelfs bij sommige groepen uit het proletarische kamp) maar vloeien voort, zoals dat de praktijk is bij de IKS, uit een heel werk van diepgaande discussies gedurende vele jaren met de kameraden van de EKS in Turkije en met die van Internasyonalismo in de Filippijnen, waarvan verslag werd uitgebracht in onze pers;
- zij ontkrachten de beschuldigingen van ‘eurocentrisme’, die onze organisatie dikwijls werden aangewreven.
De integratie van de twee nieuwe secties is geen frequent feit voor onze organisatie. De laatste integratie gaat terug tot 1995 met de sectie in Zwitserland. Onnodig dus te stellen dat de toetreding van deze twee nieuwe secties (die volgde op de oprichting van een kern in Brazilië in 2007) door het geheel van de militanten van de IKS aangevoeld werd als een zeer belangrijk en positief element. Zij bevestigt tegelijkertijd de analyse die onze organisatie al jarenlang heeft gemaakt over de nieuwe mogelijkheden van de ontwikkeling van het klassebewustzijn die vervat zitten in de huidige historische situatie en de geldigheid van de gevoerde politiek ten overstaan van groepen en elementen die zich richten naar revolutionaire standpunten. En dat des te meer gezien er op het congres afvaardigingen aanwezig waren van vier groepen uit het internationalistische milieu.De aanwezigheid van internationalistische groepen
In de balans die wij opgemaakt hebben van het vorige congres van de IKS, hebben wij het belang onderstreept dat dit congres verleend had aan de aanwezigheid, voor het eerst in tientallen jaren, van vier groepen van het internationalistische milieu komende uit Brazilië, Korea, de Filippijnen en Turkije. Ditmaal waren er ook vier groepen uit dit milieu. Maar dit betekent helemaal geen ‘stilstand’, aangezien twee van de groepen die de vorige keer aanwezig waren, inmiddels secties van de IKS zijn geworden en dat wij het genoegen hadden om twee nieuwe groepen te verwelkomen: een tweede groep komende uit Korea en een groep gebaseerd in Centraal-Amerika (Nicaragua en Costa Rica), LECO (Liga voor de Emancipatie van de Arbeidersklasse), die had deelgenomen aan de ‘Ontmoeting van internationalistische kommunisten’ (3) die deze lente werd gehouden op initiatief van de IKS en OPOP, de internationalistische groep waarmee onze organisatie sedert verschillende jaren broederlijke en zeer positieve relaties onderhoudt. Andere groepen die deelgenomen hadden aan deze ontmoeting waren eveneens uitgenodigd, maar konden geen delegatie sturen, omdat Europa steeds meer een onbereikbaar fort wordt voor mensen die niet geboren zijn in het selecte kringetje van de “rijke landen”.De aanwezigheid van groepen van het internationalistische milieu vormde een zeer belangrijk element in het succes van het congres en voornamelijk in de sfeer die er heerste bij de discussies. Deze kameraden betoonden zich zeer hartelijk tegenover de militanten van onze organisatie, brachten vragen aan, voornamelijk over de economische crisis en de klassenstrijd, in termen waaraan wij niet gewoon zijn in onze interne debatten, wat alleen maar kon leiden tot het stimuleren van het nadenken van het geheel van onze organisatie.
Tenslotte vormde de aanwezigheid van deze kameraden een bijkomend element in de houding van openheid die de IKS zich tot doel heeft gesteld sedert enkele jaren, een openheid naar andere proletarische groepen maar ook naar elementen die toenadering zoeken tot communistische standpunten. Een openheid ook in onze bekommernissen en overdenkingen, vooral op het gebied van onderzoek en ontdekkingen op wetenschappelijk vlak (4), en dat werd geconcretiseerd door de uitnodiging van een lid uit de wetenschappelijke wereld op een zitting van het congres.
Om op onze manier het ‘Darwin-jaar’ te vieren en in de schoot van onze organisatie de ontwikkeling te tonen van de belangstelling voor wetenschappelijke vraagstukken, hebben wij aan een onderzoeker, die gespecialiseerd is in het vraagstuk van de evolutie van de taal (de schrijver van een werk getiteld ‘Naar de oorsprong van de taal’), om voor het congres een voorstelling te geven van zijn werkzaamheden, die natuurlijk gebaseerd zijn op een darwinistische benadering. De originele overdenkingen van Jean-Louis Desalles (5) over de taal, de rol ervan in de ontwikkeling van de sociale verhoudingen en de solidariteit bij de menselijke soort hebben een band met de overdenkingen en discussies die gevoerd werden, en worden verder gezet in onze organisatie met betrekking tot de ethiek en de debatcultuur. De uiteenzetting van deze onderzoeker werd gevolgd door een debat dat wij moesten inperken in de tijd, rekening houdend met de eisen van de dagorde, maar dat zich nog uren had kunnen verder zetten, omdat de aangeboorde vraagstukken het merendeel van de deelnemers aan het congres zo hebben aangegrepen. Wij houden er aan om Jean-Louis Desalles te bedanken die, ook al deelt hij onze politieke ideeën niet, aanvaard heeft om op een zeer hartelijke wijze een deel van zijn tijd te wijden aan het verrijken van de overdenking in de schoot van onze organisatie. Wij houden er ook aan om het zeer hartelijke en meelevende karakter te begroeten van de antwoorden die hij bracht op de vragen en tegenwerpingen van de militanten van de IKS.
De discussies van het congres
De werkzaamheden van het congres hebben ook de klassieke punten behandeld die tot de taken behoren van een internationaal congres:- de analyse van de internationale situatie ;
- de activiteiten en het leven van onze organisatie.De resolutie over de internationale situatie vormt een soort synthese van de discussies van het congres betreffende de analyse van de huidige wereldtrends. Natuurlijk kan ze geen verslag uitbrengen van alle aspecten in deze discussies (noch van deze van de voorbereidende rapporten). Ze heeft drie belangrijke doelstellingen:
- begrijpen wat de werkelijke oorzaken zijn en wat er op het spel staat bij de huidige en ongeziene verergering van de economische crisis van het kapitalistische systeem tegenover alle misleidingen, die de verdedigers van dit systeem niet zullen aarzelen op te rakelen;- begrijpen welke de weerslag zal kunnen zijn op de imperialistische conflicten van het aan de macht komen, in de eerste wereldmacht, van de democraat Barak Obama, die voorgesteld wordt als de aanbrenger van een nieuwe situatie in de conflicten en als een hoop voor hun verzachting ;
- perspectieven ontwikkelen voor de klassenstrijd, voornamelijk in de voorwaarden die geschapen zijn door de brutale aanvallen die het proletariaat begint te ondergaan als gevolg van het geweld van de economische crisis.Over het eerste aspect, het begrijpen van wat er bij de huidige crisis van het kapitalisme op het spel staat, is het van belang om de volgende aspecten te onderstrepen:
“de huidige crisis is de ernstigste die het systeem heeft gekend sinds de grote depressie die begon in 1929. (…) Zelfs als het kapitalistisch systeem niet als een kaartenhuis gaat ineenstorten (…) dan heeft het, gezien het historisch in het slop zit, geen ander perspectief dan het toenemende wegzinken in steeds op grotere schaal terugkerende stuiptrekkingen waardoor het vandaag wordt aangetast ”. (‘Resolutie over de internationale situatie’ in International Review nr.138).Wat betreft de ‘nieuwe situatie’ die gevormd wordt door de verkiezing van Obama, verwoordt de resolutie heel duidelijk dat:
“… het perspectief dat zich voor de planeet ontvouwt na de verkiezing van Obama aan het hoofd van de eerste wereldmacht, niet fundamenteel verschillend is van de toestand die er tot op heden heerste: verder zetten van de botsingen tussen de eersterangs of tweederangs wereldmachten, een verder duren van de oorlogsbarbarij met steeds tragischere gevolgen (hongersnoden, epidemieën, massale verplaatsingen) voor volkeren die wonen in de betwiste zones”. (Ibidem).Tenslotte wat betreft het perspectief van de klassenstrijd, probeert de resolutie, net zoals de debatten tijdens het congres, de weerslag in te schatten die deze ondervindt als gevolg van de brutale verergering van de kapitalistische crisis.
“De aanzienlijke verslechtering van de huidige crisis van het kapitalisme betekent natuurlijk een eerste rangselement in de ontwikkeling van de arbeidersstrijd (…) Zo rijpen de omstandigheden voor de ontwikkeling van het idee van de noodzaak aan het omverwerpen van dit systeem op een aanzienlijke wijze in de schoot van het proletariaat. Voor de arbeidersklasse volstaat het echter niet om in te zien dat het systeem in een doodlopend straatje zit, dat het zou moeten plaats maken voor een andere maatschappij, opdat zij in staat zou zijn om zich te richten naar een revolutionair perspectief. Zij moet daarbij ook nog de overtuiging hebben dat een dergelijk perspectief mogelijk is en ook dat zij de kracht heeft om dat te verwezenlijken (…) Opdat de mogelijkheid van de communistische revolutie betekenisvol aan terrein kan winnen bij de arbeidersklasse, is het nodig dat het vertrouwen in eigen kracht groeit. En dat gaat alleen via de ontwikkeling van massale strijd. De enorme aanval die de arbeidersklasse vandaag ondergaat op wereldvlak, zou een objectieve grondslag moeten vormen voor dergelijke strijd”. (Ibidem).Het congres heeft een positieve balans opgemaakt wat betreft de activiteiten en het leven van de IKS voor de voorbije periode, zelfs al blijven er zwakheden voortleven die moeten overstegen worden:
“De balans van de activiteiten van de twee laatste jaren toont de politieke vitaliteit van de IKS aan, haar capaciteit om aan te sluiten bij de historisch context, om zich open te stellen, om een actieve factor te zijn in de ontwikkeling van het klassebewustzijn, haar wil om zich te investeren in initiatieven van samenwerking met andere revolutionaire krachten. (…) Op het vlak van het interne leven de organisatie is de balans ook positief, ondanks de werkelijke moeilijkheden die er blijven bestaan in de eerste plaats op het vlak van het organisatorisch weefsel en, in mindere mate, op het vlak van de centralisering” (Activiteitenresolutie van de IKS)
Om deze moeilijkheden te overstijgen heeft het congres eveneens de discussie op de dagorde geplaatst van een meer algemene tekst over het vraagstuk van de centralisering. Deze discussie, die zeer nuttig was voor het bevestigen en verfijnen van de communistische opvattingen over dit vraagstuk bij de ‘oude garde’ van onze organisatie, bleek vooral bijzonder belangrijk voor de nieuwe kameraden en de nieuwe secties die onlangs in de IKS geïntegreerd zijn. Inderdaad, een opvallend kenmerk van het 18e congres en door alle ‘oudere’ kameraden met een zekere verrassing waargenomen, was de aanwezigheid van een groot aantal ‘nieuwe gezichten’, waarbij de jongere generatie in belangrijke mate vertegenwoordigd was.
Deze belangrijke aanwezigheid van jonge deelnemers op het congres is een belangrijke factor geweest voor het dynamisme en het enthousiasme dat zijn werkzaamheden heeft doordrongen. In tegenstelling tot de burgerlijke media, cultiveert de IKS niet de ‘jongerencultuur’, maar de komst van een nieuwe generatie militanten in de schoot van onze organisatie is van het grootste belang voor het perspectief van de proletarische revolutie. Enerzijds zijn zij, net zoals voor ijsbergen, de ‘zichtbare spits’ van een proces van diepgaande bewustwording die aan de gang is in de schoot van de arbeidersklasse op wereldvlak. Anderzijds schept het de voorwaarden voor een aflossing van de communistische krachten. Zelfs al behouden de ‘oude’ militanten van de IKS al hun overtuiging en hun inzet, dan is het aan de nieuwe generatie om een beslissende bijdrage te leveren aan de komende revolutionaire strijd van het proletariaat n IKS / 05.07.2009
1) Er bestaat een meer gedetailleerde versie van dit artikel, dat dieper ingaat over de positieve punten maar ook over de moeilijkheden die we gekend hebben. Zie Internationale Revue.
2) Zie ‘Groet aan de nieuwe secties van de IKS!’ op onze website
3) In verband met deze ontmoeting, zie ons artikel Een Ontmoeting van internationalistische kommunisten in Latijns-Amerika in dit blad
4) Zoals wij dat al geïllustreerd hebben in verschillende artikels die wij recentelijk gepubliceerd hebben over Darwin en het darwinisme.
5) De lezer die zich een idee wil vormen van deze overdenkingen verwijzen wij naar de website van J-L Desalles.
Het bestaan van die strijd is weinig of niet bekend in de rest van de wereld. De media, die ten dienste staan van de bourgeoisie, zwijgen hem compleet dood. Niets of weinig sijpelt door, noch van de enorme stakingen, noch van de vreselijke repressie die stelselmatig neerkomt op de strijdbare arbeiders.
Zo laten de kranten een loden stilte hangen over de massale strijd die recent Bangladesh en China getroffen heeft.De textielarbeiders in dit landen bezitten een treurig wereldrecord, dat van de laagste lonen : 0,22 $ per uur ! In India, waar de bevolking in grote ontbering leeft, zijn de lonen nog dubbel zo hoog (dus 0,44 $ per uur). En toch is de toestand onlangs nog erger geworden : in een aantal fabrieken werden die hongerlonen niet meer uitbetaald ! Na maanden lijden en ontbering was het massale karakter en het geweld van de reactie van de arbeiders op het niveau van die onmenselijke behandeling. Op 10 mei ll., in een fabriek waar Rupashi pullovers gemaakt worden in Narayanganj (havenstad en centrum van de textielindustrie van het land), lieten de arbeiders hun woede botvieren en gebruikten ze fysiek geweld tegen hun baas. “De volgende morgen vonden de arbeiders van Rupashi die naar het werk gingen hun fabriek gesloten en van hangsloten voorzien. De arbeiders besloten toen allen samen in groep naar andere bedrijven van de stad te trekken, slogans scanderend tegen de uitbuiting. Duizenden andere arbeiders verlieten hun arbeidspost om zich bij hen aan te sluiten. Er waren botsingen met de veiligheidsagenten van de bedrijven. Het geweld verspreidde zich als een lopend vuurtje : 20.000 arbeiders in opstand begonnen tientallen textielfabrieken en katoenspinnerijen te plunderen en in brand te steken.” (1)
In 2006 hadden duizenden gerevolteerde arbeiders al verschillende industriële centra verwoest. Maar dit keer gingen de stakers nog massaler en gewelddadiger te werk. Ze aarzelden niet alle veiligheidsbarrières te doorbreken die hun fabrieken omringen om zich te kunnen groeperen en de confrontatie aan te gaan met het leger, wat aanleiding gegeven heeft tot zeer bloedige straatgevechten.
Deze centra zijn echte industriële gevangenissen, een soort kampen die omringd zijn met prikkeldraad en die constant bewaakt worden door gewapende gardes. Door zich in de strijd te gooien tegen de fabrieken en tegen het leger wilden de 20.000 arbeiders zowel de machines vernietigen, echte marteltuigen die hen water en bloed doen zweten, dag en nacht, als hun gevangenbewaarders, en dit op gevaar van hun eigen leven.China wordt de laatste 15 jaar voorgesteld als het nieuwe kapitalistische Eldorado. Als we de gepatenteerde goedpraters van de economie zouden moeten geloven, dan zou het Rijk van het Midden vandaag gespaard blijven van de economische crisis. Beter nog, China zou de wereldeconomie morgen uit de recessie helpen! Natuurlijk is de werkelijkheid heel anders. Dit land wordt ook volop en brutaal getroffen door de crisis, en daar net als elders is de arbeidersklasse er het eerste slachtoffer van. Bijvoorbeeld alleen al in Daqing (2) kondigt men sinds 2 jaar het ontslag aan van 88.000 bedienden (3). In heel het land hebben de afgelopen zomer ongeveer 30 miljoen migrerende arbeiders (seizoenarbeiders) hun werk verloren. Maar beetje bij beetje ontwikkelt zich de strijdwil. Ondanks de genadeloze repressie vanwege de Chinese Kommunistische Partij aanvaarden de arbeiders het steeds minder als werkpaarden behandeld te worden. Sinds begin maart “uiten duizenden arbeiders in Noordoost-China hun onvrede op straat, om de betaling te eisen van hun uitkeringen en de vrijlating van hun vertegenwoordigers (4). De betogingen hebben plaats in de steden van Daqing en Liaoyang, in het hart van het industriebekken van Mandsjoerije, dat zwaar getroffen wordt door de economische crisis. Rond deze steden doen de staatsindustrieën rechtstreeks of onrechtstreeks negen op de tien personen leven. Maar het rendement van deze zware industrieën is dalende en de sociale plannen volgen elkaar op. Sinds men hen aangekondigd heeft dat ze geen toelage voor chauffage meer zouden krijgen en dat hun sociale zekerheid zou wegvallen in geval van ontslag, gaan de arbeiders van Daqing, met duizenden, soms tot 30.000, elke dag de straat op sinds de 1e maart. Verenigd op het plein van de IJzeren Man, naam van een legendarische held van het proletariaat in de jaren 1960, trekken ze de wacht op voor de lokale zetel van PetroChina, het overheidsbedrijf dat hen tewerkstelt. “De IJzeren mannen, dat zijn wij” roepen ze onder de ramen van hun werkgever. In Liaoyang hebben gelijkaardige redenen de arbeiders ertoe gebracht de koude en de zandwinden te trotseren om met tienduizenden te protesteren voor de zetel van de plaatselijke regering” (5).
Deze strijdgolf is representatief voor de algemene opkomst van de strijdwil van het proletariaat in China tegenover de ravages die de economische crisis aanricht. “Gedurende de eerste drie maanden van dit jaar, terwijl het ritme van de jobs die verloren gaan en van de terugkeer van migrerende arbeiders naar hun streek van oorsprong pijlsnel toeneemt, waren er in China 58.000 'massale incidenten'. De regering zelf spreekt van stakingen, betogingen, wegblokkeringen en andere vormen van strijd van de bevolking. Die cijfers worden gegeven door in Hong Kong gevestigde agentschappen die belast zijn met het waken over de politieke stabiliteit in continentaal China. Als deze tendens zich het geheel jaar doorzet, dan zal 2009 alle voorgaande records breken met meer dan 230.000 van die 'massale incidenten', in vergelijking met de 120.000 uit 2008 en de 90.000 uit 2006” (6).
Van Vietnam tot Dubai, van China tot Bangladesh breken steeds belangrijker en gewelddadiger stakingen uit. De vraag die zich dan stelt is wat de toekomst is van deze gevechten? Om daarop te antwoorden moeten we ze beschouwen als deel uitmakend van een internationaal proces, namelijk de geleidelijke terugkeer van het proletariaat, zowat overal ter wereld naar het terrein van de klassestrijd.In de 'opkomende' landen zijn de strijdwil van de arbeiders, het massale karakter van de stakingen en ook de grote moed tegenover de wrede repressie, een kracht die de proletariërs in alle landen kan en moet inspireren.
Maar de wanhoop die hen drijft, zoals in Bangladesh, tot het vernietigen van fabrieken als uitlaatklep voor hun woede of de confrontaties met de repressiekrachten zonder ander vooruitzicht dan te sterven in een bloedbad, legt anderzijds bloot hoezeer die proletariërs nood hebben aan de strijd van de arbeiders in de centrale landen, in Europa of de Verenigde Staten, om zich de lange ervaring van de oudste bataljons van het wereldproletariaat eigen te maken.Opdat al die strijd weerklank zou krijgen, dat de strijdwil van de enen de anderen zou aanmoedigen en de ervaring van de ene van nut zou zijn voor de anderen, moet het loden gewicht afgegooid worden van de black-out in de media die door de bourgeoisie georganiseerd wordt, moeten op de breedst mogelijke schaal nieuws verspreid worden en gediscussieerd, op internationale schaal, over elke nieuwe belangrijke strijd n
Map / 1.7.2009
1) Bron: “Des nouvelles du front”.
2) Stad met een miljoen arbeiders in de provincie Heilongjiang.
3) Bron: “Des nouvelles du front”.
4) Deze vertegenwoordigers zijn a priori elementen die de Chinese staat opgemerkt heeft als meest strijdbare arbeiders sinds het begin van de beweging en waarop ze haar pijlen gericht heeft door hen in de gevangenis te werpen. Nochtans weten we op basis van de informatie waarover we beschikken niet onder welke voorwaarden en tot op welke hoogte deze 'vertegenwoordigers' erkend worden door het geheel van de arbeiders in strijd.
5) Bron: “Des nouvelles du front”.
6) Bron: “Des nouvelles du front”.
Wij publiceren hieronder de stellingname die gemeenschappelijk werd aangenomen door groepen of organisaties uit 8 verschillende landen van Latijns-Amerika (1). Daarin wordt ook verslag gedaan van de werkzaamheden van die internationalistische bijeenkomst die onlangs gehouden werd (2).
Deze bijeenkomst, waarvoor het voorstel al een jaar geleden gedaan was, werd op de eerste plaats mogelijk door de opkomst van groepen die voor het merendeel (behalve OPOP en de IKS) 3 jaar geleden nog niet eens bestonden. Bovendien zou deze gebeurtenis nooit hebben kunnen plaatshebben zonder de gemeenschappelijke wil van de groepen in kwestie om het isolement te doorbreken en een gemeenschappelijke politieke arbeid te verrichten (3). De grondslag voor een dergelijk werk was de aanvaarding door de deelnemers van toetredingscriteria waarmee het proletarische kamp afgegrensd werd van dat van de bourgeoisie en die uiteengezet worden in de hiernavolgende stellingname.
De eerste activiteit van deze bijeenkomst was noodzakelijkerwijze de politieke discussie die moest toestaan helderheid te scheppen omtrent de bestaande overeenkomsten en verschillen onder de deelnemers, opdat er een kader kon worden uitgewerkt om de meningsverschillen op te helderen.
Wij begroeten in het bijzonder het feit dat deze bijeenkomst plaats heeft kunnen vinden en in staat is geweest om belangrijke discussies ter hand te nemen, zoals over de huidige toestand van de internationale klassenstrijd evenals over de aard van de crisis die het kapitalisme vandaag teistert. Wij hebben het volste vertrouwen in de vruchtbare voorzetting van het debat (4).
Wij zijn ons ervan bewust dat deze bijeenkomst nog maar een heel kleine stap is op de weg naar de vorming van een internationale referentiepool; een referentiepool wiens bestaan, wiens publieke debatten en wiens tussenkomst in staat zouden moeten zijn oriëntaties te bieden aan elementen, collectieven en groepen uit de hele wereld die op zoek zijn naar een proletarisch internationalistisch antwoord op de steeds ernstigere toestand waarin het kapitalisme de mensheid meesleurt.
Niettemin is deze bijeenkomst in vergelijking met de ervaringen uit het verleden – zoals bijvoorbeeld de Internationale Conferenties van het Kommunistische Linkerzijde, die dertig jaar geleden werden gehouden - wel in staat gebleken om een aantal zwakheden te overstijgen die zich toentertijd manifesteerden (5). Terwijl de Conferenties er niet toe gekomen waren een gemeenschappelijke verklaring aan te nemen tegenover de oorlog in Afghanistan, die toen een grote bedreiging vormde, verdedigt de stellingname die nu in unanimiteit door de deelnemers is aangenomen op een zeer heldere wijze de proletarische standpunten tegenover de crisis van het kapitalisme.
Wij willen in het bijzonder de nadruk leggen de felle aanklacht die de stellingname doet tegen de huidige kapitalistische alternatieven van ‘links’ welke in zwang zijn op het hele Amerikaanse continent en die in de hele wereld niet te verwaarlozen illusies wekken. Van de Verenigde Staten, met het verschijnsel Obama, tot in het Argentijnse Patagonië, wordt het continent ‘door elkaar geschud’ door de opkomst van regeringen die beweren de armen, de arbeiders, de uitgeslotenen te verdedigen en die zich voordoen als de dragers van een ‘sociaal’, ‘humaan’ kapitalisme, of in een nog ‘radicalere versie’ (zoals Chavez in Venezuela, Morles in Bolivia en Correa in Ecuador), beweren niet minder dan het ‘socialisme van de XXIe eeuw’ te belichamen.
Wij denken dat het van het grootste belang is dat er zich, tegenover deze misleidingen, een eensgezinde, broederlijke en collectieve pool van internationalistische minderheden opricht. Dit kan de weg openen voor de discussie en het formuleren van standpunten van internationale solidariteit, van onverzoenlijke klassenstrijd, van een strijd voor de wereldrevolutie, tegenover het staatskapitalisme, het nationalisme en de uitbuiting die deze ‘nieuwe’ profeten proberen te laten voortduren.
IKS / 26.4.2009
Gemeenschappelijk stellingname
De strijd voor het echte kommunisme, dat wil zeggen een klasseloze maatschappij, zonder ellende en zonder oorlog, wekt opnieuw een groeiende belangstelling op bij minderheden in de hele wereld. In maart 2009 werd op initiatief van de Internationale Kommunistische Stroming en de Arbeiders Oppositie (Oposição Operaria, OPOP), in Latijns-Amerika een bijeenkomst voor internationalistische discussie gehouden, waaraan verscheidene groepen, kringen en individuele kameraden van dit continent hebben deelgenomen die zich duidelijk op internationalistische en proletarische standpunten stellen.
Buiten de IKS en OPOP waren de volgende groepen aanwezig:
- Grupo de Lucha Proletaria (Peru),
- Anarres (Brazilië),
- Liga por la Emancipación de la Clase Obrera (Costa Rica en Nicaragua),
- Núcleo de Discussión Internacionalista (Dominicaanse Republiek) en
- Grupo de Discusión Internacionalista (Ecuador).
Bovendien hebben ook kameraden uit Peru en Brazilië deelgenomen aan de werken van de bijeenkomst. Andere kameraden uit andere landen hadden eveneens hun verlangen geuit om deel te nemen, maar hebben dat, om materiële of administratieve redenen, niet kunnen realiseren.
Het geheel van de deelnemers kon zich vinden in de beginselen die hieronder afgedrukt staan. Het waren globaal dezelfde als die welke gediend hadden voor het houden van de Conferenties van de Kommunistische Linkerzijde op het einde van de jaren 1970 en begin jaren 1980:
1. Een beroep op het proletarische karakter van de Oktoberrevolutie van 1917 en de Kommunistische Internationale door deze ervaringen te onderwerpen aan een kritische balans die het mogelijk moet maken om nieuwe revolutionaire pogingen van het proletariaat richting te geven.
2. De verwerping zonder reserve van elk idee volgens welke er in de wereld landen zouden bestaan met een socialistisch regime of met een arbeidersregering; al dan niet ‘gedegenereerd’; evenals de verwerping van elke vorm van staatskapitalistische regering, zoals degene die zich baseren op de ideologie van ‘het socialisme van de XXIe eeuw’.
3. Het aanklagen van de socialistische en communistische partijen, evenals hun handlangers, als partijen van het kapitaal.
4. De categorische verwerping van de burgerlijke democratie, het parlementarisme en de verkiezingen, wapens waarmee de bourgeoisie er talloze keren in geslaagd is om de arbeidersstrijd in te kapselen en af te leiden, door de arbeidersklasse te plaatsen voor de valse keuze: democratie of dictatuur, fascisme of anti-fascisme.
5. De verdediging van de noodzaak voor de internationalistische revolutionairen om te werken aan de vorming van een internationale organisatie van de proletarische voorhoede, een onmisbaar wapen voor de proletarische revolutie.
6. De verdediging van de rol van de arbeidersraden als organen van de proletarische macht, evenals de zelfstandigheid van de arbeidersklasse met betrekking tot andere klassen en lagen van de maatschappij.
De agenda van de discussies was als volgt:
1. De rol van het proletariaat en zijn huidige toestand, de krachtsverhouding tussen de klassen;
2. De situatie van het kapitalisme (in wiens schoot zich de huidige strijd afspeelt) en, als meer globale overdenking, het begrip van het verval en/of de structurele crisis van het kapitalisme;
3. De toenemende ecologische crisis waarin het systeem ons stort. Alhoewel dit punt, wegens tijdsgebrek, niet is bediscussieerd, werd er overeengekomen om deze discussie uit te diepen via Internet.
Wat betreft punt 1 werden voorbeelden uit Latijns-Amerika gebruikt om de analyses over het huidige niveau van de klassenstrijd te illustreren, maar de bekommernis van het merendeel van de tussenkomsten was om deze te beschouwen als een onderdeel van de algemene situatie van de proletarische strijd op internationaal vlak. Toch heeft de bijeenkomst besloten om in het bijzonder de verschillende regeringen van links - die op dit moment het merendeel van de landen van Latijns-Amerika regeren – aan te klagen als doodsvijanden van het proletariaat en zijn strijd. De aanklacht betreft eveneens diegenen die aan deze regeringen, ook al is het kritisch, steun verlenen. De bijeenkomst heeft ook het criminaliseren door deze regeringen van de arbeidersstrijd aangeklaagd. Hij heeft tenslotte benadrukt dat de arbeidersklasse zich geen illusies moet maken over de wettige en democratische middelen, maar enkel kan rekenen op haar eigen zelfstandige strijd. Deze aanklacht geldt voor de volgende regeringen:
- Kirchner in Argentinië
- Morales in Bolivië
- Lula in Brazilië
- Correa in Ecuador
En in het bijzonder het regime, dat geleid wordt door Chávez in Venezuela, wiens ‘Socialisme van de XXIe eeuw’ niets anders is dan een enorme leugen, die er op gericht is om de strijd van het proletariaat in dit land te onderdrukken en de arbeiders in andere landen te misleiden.
Wat betreft punt 2 kwamen de deelnemers tot een akkoord over de ernst van de huidige crisis van het kapitalisme, evenals over de noodzaak om er een grondiger inzicht in te krijgen, vertrekkend van een theoretisch en historisch perspectief.
Als conclusie van de discussies kwamen de deelnemers tot een akkoord over de volgende punten:
- het plaatsvinden van de bijeenkomst is een manifestatie van de huidige tendens van de ontwikkeling van de strijd en van de bewustwording van het proletariaat op internationaal vlak;
- de verscherping van de crisis van het kapitalisme vandaag kan, op termijn, deze tendens tot de ontwikkeling van de arbeidersstrijd enkel versterken en maakt de verdediging van revolutionaire standpunten in de schoot van het proletariaat steeds noodzakelijker;
- in die zin vinden alle deelnemers het nodig om de inspanning, die begonnen is met de organisatie van deze bijeenkomst, verder te zetten om actieve deelnemer te zijn in de internationale proletarische strijd.
Meer concreet werd er als eerste stap van deze inspanning het volgende besloten:
1. het opstarten van een internetsite in het Spaans (eventueel in het Portugees) onder de collectieve verantwoordelijkheid van de groepen die deelgenomen hebben aan de bijeenkomst. Ook werd de mogelijkheid overwogen om in het Spaans een bulletin te publiceren, gebaseerd op de inhoud van de internetsite;
2. de publicatie op die site van
- de stellingname (die ook zal gepubliceerd worden op de sites van de deelnemende groepen);
- de bijdragen die voorbereid werden voor deze bijeenkomst;
- het samenvattend verslag van de verschillende discussies die tijdens deze bijeenkomst zijn gevoerd;
- elke andere bijdrage van de aanwezige groepen en elementen, evenals van elke andere groep of kameraad die zichzelf herkent in de beginselen en bekommernissen die de ontmoeting hebben bezield.
Een van de bekommernissen die de ontmoeting heel in het bijzonder onderstreept is de noodzaak van een open en broederlijk debat tussen revolutionairen en de verwerping van elk sektarisme en kapelletjesgeest n
1) Mexico, Dominicaanse Republiek, Costa Rica, Nicaragua, Ecuador, Peru, Venezuela, Brazilië.
2) De deelnemers waren de volgende: Oposição Operária –OPOP (Brésil), IKS, LECO (Liga por la Emancipación de la Clase Obrera, Costa Rica – Nicaragua), Anarres (Brésil), GLP (Grupo de Lucha Proletaria, Pérou), Grupo de Discusión Internacionalista de Ecuador, Núcleo de Discusión Internacionalista de la República Dominicana, evenals kameraden uit dezelfde landen die hebben deelgenomen op individuele titel.
3) Wij hebben verslag uitgebracht van deze opbloei in Latijns-Amerika in ons artikel Twee nieuwe secties van de IKS (in Internationaliusme n°342 en Wereldrevolutie n°117).
4) Een van de beslissingen van de bijeenkomst ging over het openen van een Internet site waarop de gemeenschappelijk stellingname en de debatten gepubliceerd zullen worden. Zie encuentro.internationalist-forum.org
5) Lees bijvoorbeeld in de Internationale Revue n 16 (frans-, engels-, en spaanstalig), het artikel 2eme conférence internationale des groupes de la Gauche communiste
Deze dag bracht deelnemers van alle leeftijden bijeen en kenmerkte zich vooral door een actieve deelname van alle aanwezigen, door geanimeerde discussies die ieder’s wil liet zien om de aangesneden vraagstukken te begrijpen en te verdiepen. En dit alles in een hartelijke en warme sfeer, niet alleen tijdens de discussies maar ook tijdens de pauzes, in het bijzonder tijdens de BBQ die deze dag afsloot en voor velen een gelegenheid was om de discussies verder te zetten, of om beter met elkaar kennis te maken en ideeën uit te wisselen.
Deze dag was helemaal geen geïsoleerd evenement maar kadert volledig in een internationale dynamiek:
- gelijkaardige ontmoetingen vonden plaats in Frankrijk (Marseille, Parijs), Italië (Napels), Groot-Brittannië (Londen), de Verenigde Staten (New York), enz…
- overal ter wereld ontstaan discussiekringen en groepen die op zoek zijn naar politieke verheldering (van Duitsland tot Brazilië, van Nicaragua tot Zuid-Korea of Japan);
-er was een conferentie van internationalistische groepen in Latijns-Amerika.
Hoe kan men een dergelijke internationale dynamiek verklaren?
Deze komt vooral voort uit twee fundamentele noden:
- een nood om te begrijpen: de evolutie van de wereld leidt tot het nadenken over de oorzaken van zijn achteruitgang (ecologische rampen, economische crisis, werkloosheid, ellende, afwezigheid van economische en sociale perspectieven, oorlogen, slachtpartijen, hongersnoden,…) want zonder diagnose kan er geen afdoende remedie gevonden worden…;
- een nood om iets te doen: hoe te werk gaan om de ramp die zich aankondigt te beletten, om een alternatief voor te stellen voor deze wegkwijnende maatschappij? Welke zijn de krachten die dit alternatief kunnen verwezenlijken? Hoe zich organiseren en een krachtsverhouding uitbouwen die in ons voordeel uitdraait.
Moeilijke vraagstukken maar die van kapitaal belang zijn om steriele acties te vermijden, die enkel kunnen uitlopen op uitputting en ontmoediging.
De antwoorden op die vragen kunnen wij enkel samen vinden en niet ieder in zijn hoekje via het individualisme, het ‘ieder voor zich’ dat deze maatschappij ons wil opdringen. Collectief nadenken en lessen trekken uit ervaringen in het verleden, uit talrijke inspanningen en theoretische bijdragen die er geleverd werden (want wij zijn bijlange niet de eersten die deze antwoorden zoeken). En dit is slechts mogelijk wanneer er ruimte geschapen wordt voor deze politieke overdenking. Een dergelijke ruimte scheppen betekent:
- zo veel mogelijk op zoek gaan naar vraagstukken die leven door een zo groot mogelijke waaier van onderwerpen aan te snijden;
- iedereen kan zonder verplichting deelnemen en bijdragen volgens eigen kunnen en belangstelling;
- alle deelnemers moeten volop de kans krijgen om samen vrijelijk te discuteren, in een open en broederlijke sfeer waarbij iedereen zonder vrees zijn/haar vragen moet kunnen op tafel gooien, maar ook zijn/haar twijfels en zo bijdragen tot het debat op een bewuste en collectieve manier;
- bovendien is die ruimte slechts een schakel in een ketting, een moment in het proces van de overdenking en moet ze opgevat worden als een continuïteit zowel historisch als internationaal.
Om die reden neemt de IKS het initiatief om deze ontmoetings- en discussiedagen actief te organiseren en er aan deel te nemen, zoals dat nu het geval was in Antwerpen. In een volgend nummer van Internationalisme zullen wij de gelegenheid hebben om terug te komen op de bijdragen aan deze dag.
Natuurlijk volstaat één enkele discussiedag niet om alle gestelde vragen te beantwoorden. Omdat nog vele andere vragen, die door de uitgenodigden werden opgeworpen, niet aan bod kwamen. Omdat de wereldsituatie het vraagstuk stelt van de toekomst van de kapitalistische maatschappij, is het nodig om het debat verder te zetten.
Met dit doel voor ogen, en naast onze regelmatige discussiebijeenkomsten en publieke bijeenkomsten, wordt er nog een ander ontmoetingsmoment georganiseerd door de IKS, dat zal doorgaan in Rijsel (Frankrijk) in de maand oktober, De discussies en vragen van de zomerdag in Antwerpen kunnen dan terug opgenomen worden n
DM / 08.09.09
Maar in de eerste weken van juni gebeurde er iets dat duidelijk aantoonde dat het gewicht van de passiviteit en de angst geen fataliteit is. De arbeiders van de Londense metro hebben gestaakt om 1000 bedreigde banen te verdedigen. De arbeiders van de Post in Londen en in Schotland hebben strijd aangevat tegen ontslagen, verbroken contracten en het schrappen van jobs. En vooral, en op hetzelfde ogenblik, legden 900 bouwarbeiders van de raffinaderij in Lindsey het werk neer uit solidariteit met 51 van hun makkers die ontslagen waren. Die strijd stak de lont aan een reeks wilde stakingen uit solidariteit in de grootste bouwplaatsen van de energiesector in Groot-Brittannië, toen Total op 19 juni 640 stakers ontsloeg. Deze strijd toont dat we ons 'lot' niet zomaar moeten slikken.
Begin dit jaar stonden de arbeiders van de Lindsey-raffinaderij midden in een gelijkaardige golf wilde stakingen, naar aanleiding van het ontslag van arbeiders op de site. Die strijd werd in het begin afgeremd door het gewicht van het nationalisme, gesymboliseerd door de slogan 'Engelse jobs voor Engelse arbeiders!', en door het verschijnen van de Union Jack (Britse vlag) aan de stakingspiketten. Enkele van de stakende arbeiders zeiden dat men geen buitenlandse arbeiders moest aanwerven terwijl er Engelse arbeiders ontslagen werden. De heersende klasse gebruikte die nationalistische ideeën volop, overdreef hun invloed en stelde het voor alsof deze staking gericht was tegen de Italiaanse en Poolse arbeiders die op de site tewerkgesteld waren. Maar plots, en zeer voorspelbaar, werd er abrupt een einde gemaakt aan de staking, toen spandoeken begonnen te verschijnen die de Portugese en Italiaanse arbeiders opriepen zich bij de strijd aan te sluiten, met de slogan 'Arbeiders van de hele wereld, verenigt u!', terwijl de Poolse bouwvakkers zich bij de wilde stakingen in Plymouth aansloten. In plaats van een langdurig voorbereide nederlaag voor de arbeiders, met groeiende spanningen tussen de arbeiders uit verschillende landen, behaalden de arbeiders van Lindsey 101 extra arbeidsplaatsen, de Portugese en Italiaanse arbeiders behielden hun job, ze kregen de verzekering dat niemand ontslagen zou worden en gingen verenigd terug aan het werk.
De nieuwe strijdgolf, die steunde op deze goede dynamiek, brak uit op een basis die van meetaf aan veel duidelijker was : solidariteit met de 51 ontslagen arbeiders. Op hetzelfde ogenblik wierf een andere baas arbeiders aan. De ontslagen arbeiders vernamen via een post-it op hun stempelkaart dat men hen niet meer nodig had! Dat lokte een onmiddellijke reactie uit bij honderden arbeiders, die uit solidariteit het werk neerlegden. De indruk bestond dat deze arbeiders aangepakt werden vanwege de rol die ze gespeeld hadden in de vorige staking. Op 19 juni nam Total, eigenaar van de site, de onverwachte maatregel 640 stakers te ontslaan. Er waren al solidariteitsstakingen geweest in andere fabrieken, maar bij de aankondiging van de nieuwe ontslagen braken over het hele land stakingen uit. “Ongeveer 1200 woedende arbeiders verzamelden gisteren aan de belangrijkste ingangen en droegen borden waarop de hebzuchtige patroons aangeklaagd werden. Arbeiders van de elektriciteitscentrales, de raffinaderijen, de fabrieken in Cheshire, Yorkshire, Nottinghamshire, Oxfordshire, Zuid-Wales en de Teeside legden het werk neer om hun solidariteit te tonen.” (The Independent, 20-6-09) The Times rapporteerde “dat er tekenen waren dat de staking zich uitbreidde naar de nucleaire industrie, want EDF Energy zei dat contractuele arbeiders van de reactor in Hickley Point in Somerset het werk hadden neergelegd.”
De rechtse kranten The Times en The Daily Telegraph die meestal volop dergelijke nationalistische gevoelens uitspelen, maakten er dit keer geen melding van en concentreerden zich veeleer op de actie die Total opgestart had en het gevaar dat de strijd zich zou uitbreiden. De heersende klasse maakt zich bijzonder bezorgd over deze strijd, juist omdat ze die niet zo gemakkelijk kan afleiden in een nationalistische campagne. Zij vreest dat de strijd zou kunnen uitbreiden naar de gehele bouwsector en zelfs daarbuiten. De arbeiders kunnen zien dat als Total erin slaagt stakende arbeiders te ontslaan, zij daarin door andere patroons gevolgd zullen worden. De kwestie van de staking is duidelijk gesteld als een klassekwestie, die alle arbeiders aanbelangt.
De visie op solidariteit met buitenlandse arbeiders bevestigt het evidente klassekarakter van deze strijd. Zoals een ontslagen arbeider het duidelijk zegt : “Total zal zich binnenkort rekenschap geven van het feit dat ze een monster losgelaten hebben. Schandalig dat zoiets gebeurt zonder enig overleg. Het is onwettelijk en ik word er ziek van. Als ze (Total) hier mee wegraken, dan zal de rest van de industrie ineenzakken en moeten afslanken. De arbeiders zullen uitgedund worden en de ongeschoolde buitenlandse arbeiders zullen aan lagere lonen aangeworven worden, als vuil behandeld en weggestuurd zodra het werk klaar is. Er bestaat een grote kans dat de elektriciteit tengevolge hiervan afgesloten zal worden. We kunnen niet passief blijven toezien hoe arbeiders als vuile kleren weggegooid worden” (The Independent, 20-6-09).
De verontwaardiging van de arbeiders is die van heel de arbeidersklasse. Niet allen omwille van wat Total doet, maar omwille van alle aanvallen die ze ondergaan of zien gebeuren. Miljoenen arbeiders worden vandaag weggeworpen als waren ze afval van de heersende klasse. De bazen verwachten dat de arbeiders de loondalingen aanvaarden, dat ze zelfs gratis zouden werken en nog tevreden blijven! Het misprijzen dat Total tentoonspreidt is dat van de hele bourgeoisie.
Wat er ook gebeurt in de komende dagen, deze strijd heeft al aangetoond dat de arbeiders de aanvallen zomaar moeten slikken, dat ze verzet kunnen bieden. Meer dan dat: ze hebben gezien dat de enige manier om zichzelf te verdedigen erin bestaat elkaar te verdedigen. Voor de tweede keer dit jaar hebben we wilde solidariteitsstakingen gezien. Sommige verslagen zeggen dat de stakers in Lindsey vliegende piketten naar Wales en Schotland gestuurd hebben. Er zijn bouwwerven over het hele land, en vooral in Londen waar de bouwwerven van de Olympische Spelen talloze arbeiders van vele nationaliteiten bijeenbrengen. Delegaties naar die werven sturen om tot solidaire actie op te roepen zou een nog duidelijker boodschap brengen dat het om een kwestie gaat die de toekomst van alle arbeiders aangaat, waar ze ook vandaan komen. De arbeiders van de post en de metro in Londen proberen zich ook tegen gelijkaardige aanvallen te verdedigen en hebben er belang bij een gemeenschappelijk front te vormen.
De oude slogan van de arbeidersbeweging – arbeiders van de hele wereld, verenigt u! - wordt door de bazen vaak in het belachelijke getrokken omdat zij niet verder kunnen zien dan hun nationale belangen. Maar de wereldcrisis van hun systeem maakt steeds duidelijker dat de arbeiders overal dezelfde belangen hebben: ze moeten proberen zich te verenigen om hun levensvoorwaarden te verdedigen en het perspectief voorop te stellen van een ander soort maatschappij, gebaseerd op wereldwijde solidariteit en samenwerking n
Phil/ 21.06.2009
“Voor 20 september moeten wij een stabiliseringplan indienen bij de Europese Commissie, en daarna gaan wij over tot het budget 2010-2011. (…) Om onze sociale verworvenheden te vrijwaren moet er absoluut een solidere en meer dynamische economische infrastructuur komen dan vandaag. Europa moet aan het werk en België ook. (…) Wij zijn weer vertrokken voor een lange periode van aanpassing. Dat is trouwens allemaal doenbaar hé [sic, bedankt voor de aanmoediging] … in 1992 vertegenwoordigde het plan Dehaene een inspanning die gelijkstaat met de helft van die van vandaag … Dus vandaag moet men … het dubbele doen van wat men moest doen in 1992. Men zal zich moeten aanpassen. Vooral de bevolking [sic] zal zich moeten aanpassen. Men zal van discours moeten veranderen”. (Le Soir, 1.8.2009).
Dat was een bijzonder direct discours in volle zomerreces. De redding van de banken en de steun aan de kwakkelende economie hebben in de eerste plaats 15 jaar van budgettaire inleveringen en loonmatiging geannuleerd. Bovendien is het gat dat moet gevuld worden twee maal dieper en zal de inkrimping van de uitgaven twee maal forser zijn dan in de laatste 15 jaar. Via de verklaringen van de Eerste Minister belooft de regering ons nog meer bloed en tranen dan tijdens de jaren 1980 en dat voor minstens 10 jaar.
Aarzelingen
Geconfronteerd met de bedreigingen van haar levensomstandigheden, blijft de Belgische arbeidersklasse voor het ogenblik heel schuchter in haar antwoord en dat kan verrassend lijken. De meerderheid van de arbeiders kiest voor een afwachtende houding en is ontredderd, zoals wij merken bij Opel Antwerpen of bij Sonaca in Charleroi. Een kleine minderheid van de arbeiders reageert gewelddadig, omdat zij zich verplicht voelen om ‘iets te doen vooraleer het te laat is’ tegenover de druk van de ontslagen die zij ondergaan in hun bedrijf of hun streek, maar zij staan dan geïsoleerd (zoals bijvoorbeeld met de bezetting bij Bridgestone). Hoe kan men deze relatieve passiviteit uitleggen van een arbeidersklasse die, op andere momenten (zoals nog tijdens de golf van wilde stakingen begin 2008), haar strijdbaarheid wist tot uiting te brengen tegenover de aanvallen die ze onderging?
- Vooreerst door de voorzichtigheid waarmee de bourgeoisie zelf tewerk gaat bij het ten uitvoer brengen van haar aanvalsplannen. In tegenstelling tot de jaren 1970 of 1980, beschikt de bourgeoisie niet meer over zogenaamde politieke alternatieven om de crisis te lijf te gaan. Ze zijn allemaal al toegepast en hebben het allemaal al laten afweten: de belofte van tienduizenden nieuwe jobs in de openbare sector, de vermindering van de arbeidstijd (36u), de inperking van het juk van de staat, de beperking van de toevloed van vreemdelingen,… Vandaar dat zij, bewust van haar verminderde manoeuvreerruimte in een context van algeheel ongenoegen, handelt met omzichtigheid. Ze probeert elke provocatie te vermijden. Daarom vermijdt zij voor het ogenblik frontale maatregelen tegen de lonen en mikt zij eerder op ‘ecologische’ belastingen of op de vermindering van de uitgaven van de sociale zekerheid, op de vermindering van de toegekende fiscale voordelen aan het bijkomend pensioensparen, maatregelen die in wezen evengoed een aanval zijn op de lonen, maar op een indirecte manier. Bovendien probeert zij de evenredigheid en de wettelijkheid van de aangekondigde aanvallen te rechtvaardigen door zelf de trom te roeren over de noodzaak van “diegenen te laten betalen die de crisis veroorzaakt hebben” : de voorstellen voor een crisisbelasting voor de banken, de beperking van de bonussen voor de hogere kaders of zelfs de belasting op de financiële speculatie (Tobin tax) moeten de bevolking, en vooral de loontrekkers, er van overtuigen dat de opofferingen evenredig zullen gespreid worden.
- Vervolgens en vooral natuurlijk door de omvang en de brutaliteit van de crisis die breed uitgemeten wordt in de media in dienst van de bourgeoisie. In het begin is het normaal dat de arbeiders terugschrikken voor de omvang van de aanvallen en voor het niveau van antwoord dat deze vereisen: Hoe kan Opel Antwerpen het hoofd bieden aan een wereldwijd bankroet dat GM bedreigt en aan het schimmengevecht dat geleverd wordt door de directie van GM, de US regering en de Duitse regering? Hoe kan men de ontslagen bij Sonaca bestrijden als de vliegtuigbestellingen in de wereld in elkaar storten? Natuurlijk dringt zich de noodzaak elke dag meer op om zijn bedreigde levensomstandigheden te verdedigen, om een alternatief te bieden aan het kapitalisme dat niet in staat blijkt om de mensheid een deftig perspectief te bieden. Maar opdat de mogelijkheid om dat te doen op haar beurt algemeen gedeeld zou worden door de arbeidersklasse, moeten en nog belangrijke hindernissen opgeruimd worden.
Misleidingen
Een van de belangrijke stappen die de arbeiders moeten zetten is zonder twijfel de ontwikkeling van hun bekwaamheid om de valstrikken en de misleidingen te ontrafelen die de bourgeoisie naar voor schuift om hun opmars naar eenheid en ontwikkeling van hun bewustzijn te belemmeren. Al heeft de bourgeoisie het belang van de crisis niet verdoezeld, toch heeft zij haar campagnes opgedreven met het oog op het vertroebelen van het overdenkingsproces onder de arbeiders ontrent het soort antwoord en alternatief dat er moet aan gegeven worden. In het centrum van deze campagnes staat het behoud van de geloofwaardigheid van de burgerlijke democratie. Op internationale schaal mikte de intense campagne rond de verkiezing van Obama reeds op het terug geloofwaardig maken van het democratisch alternatief. In België is bij het verkiezingscircus van juni dezelfde doelstelling met groot meesterschap uitgebuit door de bourgeoisie.
Wat betreft de recente verkiezingen van juni 2009, valt het vooral op, en dat wordt in de pers breed uitgesmeerd, dat de winnaars en verliezers in het noorden en in het zuiden niet dezelfden zijn. In het Franstalige deel zijn het vooral de groenen (Ecolo) die gescoord hebben, terwijl in Vlaanderen de ‘gematigde’ en ‘salonfähige’ Vlaams-nationalisten van het NVA, die fors vooruit gingen ten koste van het de uiterst rechtse en vreemdelinghatende Vlaams-nationalisten van het Vlaams Belang. Die verliezen een derde van hun aanhang. Deze uitslag wordt door de burgerlijke politieke wereld voorgesteld als de grote overwinning van de democratie. In feite hebben deze resultaten de bourgeoisie in staat gesteld om de democratische misleiding uit te buiten tegen de ontwikkeling van het verzet van de arbeidersklasse op twee vlakken:
- door de nadruk te leggen op de tegengestelde oriënteringen in de twee regio’s (“de resultaten tonen dat wij in twee verschillende landen leven”) en de verschillende samenstelling van de deelregeringen (‘olijf’ en ‘links’ aan Franstalige zijde, centrum rechts aan Vlaamse zijde) versterkt zij de regionalistische verdelingen en bijgevolg ook de hindernissen bij de ontwikkeling van de eenmaking van de strijd;
- door het onderstrepen van de consolidering van de ‘democratische consensus’ via een zware nederlaag van uiterst rechts, verstevigt zij de democratische illusies en belet zij het overdenkingsproces ontrent alternatieven voor het zieltogende kapitalisme.
Een internationaal kader
De Belgische bourgeoisie heeft een enorme ervaring in het inkapselen van de ontevredenheid van de arbeidersklasse en zij beschikt over een vakbondsapparaat dat bijzonder doeltreffend is om te vermijden dat de woede zou omslaan in een in-vraag-stelling van het systeem. Enerzijds ondersteunen de vakbonden soms harde strijd (zoals de acties van de Waalse staalarbeiders of de lange bezetting van de fabriek van Bridgestone), maar altijd zo ingeperkt mogelijk tot het bedrijf, tot een sector of tot de streek, en die over het algemeen ondoeltreffend blijken te zijn en leiden tot ontmoediging. Anderzijds staan zij voorop voor een evenredige soberheid: het is inderdaad de socialistische vakbond die de noodzaak heeft vooropgesteld om aan de banken een crisisbijdrage op te leggen, niet om de arbeiders te verdedigen maar om het discours te doen slikken van “de collectieve opofferingen” en ongecontroleerde sociale uitbarstingen te vermijden: “Wij willen de bedrijven zeker helpen maar op een gerichte en liefst doeltreffende manier. (...). Het gevoel van te balen is niet te onderschatten. We maken hier gelukkig nog geen toestanden mee zoals in Frankrijk, waar boze werknemers zelfs dreigden met het opblazen van het eigen bedrijf, maar onderschat de groeiende woede niet. Ik zeg dat niet als dreigement, maar uit oprechte bezorgdheid”. (R. De Leeuw, voorzitter van de socialistische vakbond, De Morgen, 02.09.2009).
De arbeidersklasse in België wordt volop geconfronteerd met de vakbondssabotage van haar verzet. Dit maakt deel uit van de strijd van de internationale arbeidersklasse op langere termijn, die haar juist moet in staat stellen om de lessen te trekken uit haar huidige en voorbije ervaringen met de inkapselingsmethodes van de strijd door de vakbond en haar sociale verzoeningspolitiek in de schoot van het burgerlijk democratisch systeem. Het stelt haar ook in staat de organisatie van haar strijd zelf in handen te nemen, de uitbreiding en eenmaking van haar strijd te ontwikkelen en alternatieven voorop te stellen.
Het is ook op wereldvlak dat de eerste vooruitgang op deze weg tot uiting komt. Ondanks de media black-out, heeft de burgerlijke pers van de laatste maanden toch nog gewag gemaakt van massale strijd in Zuid-Afrika, in Bangla Desh en vooral in Egypte, waar de officiële vakbonden overspoeld zijn en waar de arbeiders op zoek zijn gegaan naar alternatieve strijdmethodes. In China zijn er bijna dagelijks gewelddadige botsingen tussen de arbeiders en de ordestrijdkrachten als gevolg van ontslagen en loonsdalingen. In Europa zelf hebben belangrijke bewegingen bij delen van de uitgebuite klasse de groeiende bewustwording onderstreept over wat er op het spel staat. Dat kwam begin 2009 tot uiting in de rellen van de studentenjongeren in Griekenland tegen de afwezigheid van perspectief en tegen het geweld van de staat. Ze werden hierbij gesteund door een groot deel van de arbeidersbevolking. In Spanje en in Groot-Brittannië, duiken de eerste uitingen op van het in handen nemen van de strijd en het zoeken naar solidariteit en uitbreiding van de strijd. Zo werd in de raffinaderij in Lindsey een schandelijke campagne, die ‘British jobs for British workers’ eiste, door de arbeiders zelf gecounterd, wat het mogelijk maakte om enkele maanden later de strijd opnieuw op te nemen op een hoger niveau van eenheid, met solidariteitsbetogingen tussen Britse arbeiders en gastarbeiders, Poolse en Italiaanse (zie hiervoor het artikel in dit blad).
De aanzienlijke verdieping van de huidige crisis van het kapitalisme vormt een element van eerste orde in de ontwikkeling van de arbeidersstrijd. Nochtans volstaat het voor de arbeidersklasse niet om vast te stellen dat het kapitalisme in een doodlopend straatje zit, dat het zou moeten wijken voor een andere maatschappij, opdat zij de weg zou inslaan naar een revolutionair perspectief. De weg die leidt naar revolutionaire botsingen en naar het in-vraag-stellen van het kapitalisme zal nog lang en moeilijk zijn. Enkel door de situatie van de arbeidersklasse in België in dit wereldkader van pogingen van de internationale arbeidersklasse om weerwerk te bieden aan de campagnes van de bourgeoisie en om haar strijd en bewustzijn te ontwikkelen in te schatten, zijn we in staat te vermijden in momenten van scepticisme of euforie te vervallen. Het is ook de enige houding die het de elementen, die bewust zijn van wat er op het spel staat, mogelijk maakt om politiek bij te dragen tot het opkrikken van de bekwaamheid van de arbeidersklasse om de democratische valstrikken en misleidingen, die de bourgeoisie hen voor de voeten werpt, te ontmijnen, om het vakbondskeurslijf te verbreken en om de strijd in eigen handen te nemen. Dat zijn fundamentele stappen voor een eensgezinde strijd tegen de verschrikkingen van het kapitalisme in crisis n
J / 05.09.2009
Het ‘Sociaal-Darwinisme’, een reactionaire ideologie van het kapitaal
De feiten en oorzaken die het voor de menselijke soort hebben mogelijk gemaakt om tot beschaving te komen vormen een van de onderwerpen die filosofen en denkers het meest hebben beziggehouden in de loop der eeuwen. Het gaat om niets minder dan het ontdekken van de motor van de geschiedenis. In 1848 bood de verschijning van het ‘Kommunistisch Manifest’ een revolutionaire visie van het vraagstuk, dat de mens en zijn activiteit, op het sociaal vlak, in het centrum plaatst van de historische vooruitgang. Deze visie kon vanzelfsprekend geen voldoening schenken aan de nieuwe heersende klasse, de bourgeoisie, die op enthousiaste wijze de volle opbloei van het kapitalistisch systeem beleefde. Enerzijds is deze opboei gebaseerd op een ideologie die in het bijzonder gericht is op het individualisme, en anderzijds was het voor de bourgeoisie veel te vroeg om, zelfs op louter intellectueel vlak, de mogelijkheid te vatten dat het kapitalisme ooit kon worden voorbijgestreefd.
Wanneer Charles Darwin elf jaar later het resultaat publiceerde van zijn werkzaamheden over de evolutie van de organismes ten gevolge van de natuurlijke selectie, was het voor de bourgeoisie zeer aanlokkelijk om er een onderzoeksspoor in te vinden van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen, die juist zou gebaseerd zijn op de selectiemechanismen van de meest aangepaste individuen. Deze denkrichting die men groepeert rond de term ‘sociaal-darwinisme’, is vandaag nog steeds actief, zelfs al moeten zijn vooronderstellingen nog ruimschoots worden bewezen en ook al werd zijn beginpostulaat, de ‘wedijver voor het bestaan’, vlug terzijde geschoven door Dawin zelf voor wat betreft de evolutie van de mens ([1]).
“Het Sociaal-Darwinisme is een vorm van sociologie waarvan de postulaten de volgende zijn: a) vermits de Mens deel uitmaakt van de natuur, zijn de wetten van de menselijke maatschappijen, direct of bijna indirect, natuurwetten;
b) haar natuurwetten zijn die van het overleven van de meest geschikte, de strijd voor het bestaan en de wetten van de erfelijkheid;
c) voor het welzijn van de mensheid is het nodig om te waken over het goed functioneren van deze wetten in de maatschappij.
Zo begrepen kan het sociaal-darwinisme historisch gedefinieerd worden als een tak van de evolutieleer (evolutionnisme) die postuleert dat er een minimale of nulafwijking is tussen de natuurwetten en de sociale wetten, allebei onderworpen aan de overleving van de meest geschikte, en het beweert dat deze natuurwetten direct een moraal en een politiek verschaffen.
Men gaat twee vormen onderscheiden van sociaal-darwinisme. De ene van individualistische inspiratie, beweert dat het individu het sociaal organisme is dat aan de basis ligt, en dat, naar het model van de strijd tussen individuen van dezelfde soort, de fundamentele wetten van de maatschappij voortkomen uit de strijd tussen individuen van éénzelfde soort, waarvan de strijd tussen etnische groepen (of rassen) slechts een uitvloeisel is. De andere, in tegendeel, vanuit holistische inspiratie, beweert dat de maatschappij het sociale organisme is dat aan de basis ligt, dat de motor van de geschiedenis de strijd is tussen rassen, en dat de strijd tussen individuen, van éénzelfde groep secundair is, ja zelfs een schadelijk feit voor de overleving van het ras (…).
Het individualistisch sociaal-darwinisme komt tot ontwikkeling vanaf de jaren 1850 (dus zelfs vóór de verschijning van ‘Over het Ontstaan van Soorten’) en vormt een belangrijke ideologie tot 1880. (…) Het is overwegend verbonden met het economische laissez-faire, en staat voor de non-interventie van de staat. (…) Het holistische sociaal-darwinisme, dat dikwijls racistisch is, ontwikkelt zich vooral na 1880. Het hangt voor het merendeel een staatstussenkomst aan in de maatschappij en een protectionistische praktijk (economische bescherming maar ook bescherming van het ras (…) de raszuiverheid verkeert in gevaar” ([2])
De meest gekende vertegenwoordiger van deze ideologie is een Engelsman uit de tijd van Darwin, Herbert Spencer. Als Ingenieur, filosoof en socioloog, ziet hij in ‘Over het Ontstaan van Soorten’ de sleutel die het hem mogelijk maakte om de ontwikkeling van de beschaving te begrijpen, vertrekkend van het postulaat volgens hetwelk de menselijke maatschappij zou evolueren volgens hetzelfde beginsel als de levende organismes.
Van daaruit vertrekkend zou het selectiemechanisme zoals beschreven door Darwin wel totaal toepasselijk zijn op het sociale weefsel. Spencer was een burgerlijk ideoloog die vast verankerd zat in zijn tijd. Sterk gemarkeerd door het individualisme en het optimisme eigen aan de heersende klasse van die tijd toen het kapitalisme in volle opbloei was, zou hij zich in grote mate laten beïnvloeden door de ‘in zwang zijnde’ theorieën, zoals het utilitarisme van Bentham (zie Internationale revue nr.21, Oriëntatietekst over Marxisme en ethiek deel II). Plechanov zou van hem zeggen dat hij een “conservatieve anarchist was, een burgerlijk filosoof” ([3]). Voor Spencer produceert en vormt de maatschappij briljante elementen die zullen geselecteerd worden om deze maatschappij in staat te stellen om verder vooruitgang te boeken. Afwijkend van de theorie van Darwin, wordt de opvatting van Spencer, toegepast op de maatschappij, “de selectie van de meest geschikten”.
Het sociaal-darwinisme, zoals het veel later na zijn uiteenzetting door Spencer zou genoemd worden, stelt als beginsel de superioriteit van de erfelijkheid op de opvoeding, dit wil zeggen het overwicht van de aangeboren karakters op de verworven karakters. Als er werkelijk natuurlijke selectieprincipes aan het werk zijn in de maatschappij, dan komt het er eenvoudigweg op aan om ze niet te dwarsbomen om de sociale vooruitgang te verzekeren en op termijn het verdwijnen van de ‘afwijkingen’, zoals de armoede of het niet aangepast zijn.
In zijn latere ontwikkelingen, zou het sociaal-darwinisme terug opgepikt worden als een hoeksteen voor heel wat standpunten en politieke rechtvaardigingen die gedicteerd werden door de noden van de kapitalistische ontwikkeling.
Ook vandaag wordt de theorie van Herbert Spencer nog altijd aangewend als pseudo-wetenschappelijke borg voor de reactionaire ideologie van de ‘winner’ en van de ‘wet van de sterkste’.
Vanuit strikt wetenschappelijk gezichtspunt zouden de werken van Spencer min of meer gevarieerde studies inspireren, zoals de schedelleer (studie van de vorm en omvang van de schedel, waarvan de resultaten uiteindelijk zouden blijken aangepast te zijn), pogingen om de intelligentie te meten of nog criminele antropologie met de theorie van de ‘geboren misdadiger’ van Lambroso, waarvan de echo’s vandaag nog waarneembaar zijn in de burgerlijke politieke sferen wanneer het er om gaat de toekomstige misdadiger zo snel mogelijk op te sporen.
Het overwicht van het aangeborene leidt bij Spencer ook tot het uittekenen van de krijtlijnen van een opvoedingspolitiek waarvan de weerslag nog merkbaar is in het Britse schoolsysteem van de lagere school, dat probeert aan het kind een omgeving te verschaffen die eigen is aan zijn persoonlijke ontwikkeling, aan zijn eigen onderzoekingen en ontdekkingen, eerder dan hem een onderwijs te verschaffen dat hem in staat stelt om nieuwe bekwaamheden te ontwikkelen. Het vormt bovendien de theoretische grondslag voor het begrip ‘gelijkheid van kansen’.
Maar de meest beroemde uitloper van het sociaal-darwinisme berust vooral in het eugenisme. Het was Francis Galton, neef van Charles Darwin, die de eerste begrippen van het eugenisme opstelt door de onderliggende intuïtie van Herbert Spencer te volgen. Als de natuurlijke selectie op een mechanische wijze zou leiden tot sociale vooruitgang zou volgens die theorie alles wat hem in de weg staat, alleen maar de opgang van de mensheid naar het geluk beletten. Eenvoudiger gezegd, Galton vreesde dat de sociale maatregelen waartoe de bourgeoisie verplicht werd, voor het merendeel onder druk van de klassestrijd, op termijn zouden leiden tot een globale ontaarding van de beschaving.
Terwijl Spencer eerder een aanhanger was van het ‘laissez-faire’, van de non-interventie van de staat (één van zijn werken in 1850 droeg de titel ‘Het recht om de staat te negeren’), zou Galton actieve maatregelen voorstellen om het verloop van de natuurlijke selectie te vergemakkelijken. Hij inspireerde lange tijd en min of meer direct de politiek van sterilisatie van geesteszieken, de praktijk van de doodsstraf voor misdadigers, enz. Het eugenisme wordt altijd al beschouwd als een centrale wetenschappelijke borg bij fascistische en nazi-ideologieën, zelfs al waren er bij Spencer al elementen aanwezig om racistische visies uit te werken die leidden tot de hiërarchiesering van de rassen. Vanaf de 19e eeuw werden de werken van Spencer gebruikt voor het aantonen van de biologische gronden van de technologische en culturele achterstand van de zogenaamde ‘wilde’ volkeren. Zo werd op wetenschappelijke wijze de koloniale politiek gerechtvaardigd door haar een morele karakteristiek te verlenen van beschaving, terwijl deze fundamenteel noodzakelijk was geworden door het samentrekken van de locale markten.
Nochtans maakte het eugenisme het mogelijk om een bijkomende stap te zetten in het in overweging nemen van het elimineren van massa’s individuen die ongeschikt geacht werden en dus potentieel de vooruitgang van de maatschappij zouden kunnen vertragen. Alexis Carrel zou in 1935 zelfs overwegen, en zelfs tot in de details het inrichten van instellingen beschrijven waar men de veralgemeende euthanasie zou uitvoeren.
Om die reden mag men het Sociaal-darwinisme niet louter zien vanuit de theoretische en wetenschappelijke hoek. Deze gedachtestroming moet eerst en vooral geplaatst worden in een historische context, die moet ingeschat worden en die het probeerde te begeleiden en te rechtvaardigen. De invloed van de periode is fundamenteel om te begrijpen hoe deze stroming zich heeft ontwikkeld net zoals het belangrijk is om, ook al zijn de antwoorden die het aanbrengt globaal fout, dan vormen de vragen die het stelt nog altijd de kern van wat de mens moet begrijpen over zijn eigen sociale ontwikkeling.
Wanneer Darwin ‘Over het Ontstaan van Soorten’ publiceerde, bevond Engeland zich in de Victoriaanse periode en had de Europese bourgeoisie zich in de macht geïnstalleerd, bereid om de wereld te veroveren. De maatschappij wemelde van voorbeelden van ‘self-made men’, mensen die van niks vertrokken waren en die, gedreven door de opkomst van het industriële kapitalisme, aan het hoofd stonden van welvarende bedrijven. Toentertijd werd de heersende klasse doorkruist door radicale stromingen die de erfelijke voorrechten in twijfel trokken, omdat die een rem waren op de nieuwe vormen van ontwikkeling, aangedragen door het kapitalisme. Spencer frequenteerde dit milieu van ‘dissidenten’, die stevig verankerd zaten in het anti-socialisme. ([4]) Hij ziet in de bittere ellende van de Engelse arbeidersklasse, slechts de voorlopige stigma’s van een maatschappij in wording, die zich onder het effect van de bevolkingsexplosie, uiteindelijk zou reorganiseren, en zo een factor vormen van vooruitgang. Voor hem is de vooruitgang onvermijdelijk, aangezien de mensen zich zouden aanpassen aan de evolutie van de maatschappij als gevolg van het feit dat men ze vrij laat.
Deze euforie werd door bijna de ganse bourgeoisie gedeeld. Daarbij voegde zich nog een sterk gevoel van te behoren tot een natie die haar opbouw voltooide en die misschien versterkt werd door de militaire gebeurtenissen zoals in Frankrijk als gevolg van de nederlaag tegen Pruisen. De ontwikkeling van de klassenstrijd die gepaard ging met ontwikkeling van het kapitalisme, zette de bourgeoisie er toe aan om een ander begrip te ontwikkelen van de sociale solidariteit, gegrond op de gegevens waarvan zij hoopte dat ze onloochenbaar waren.
Dit alles vormde de vruchtbare grond voor de theoretisering van de opbloei van het kapitalisme en zijn onmiddellijke gevolgen: de proletarisering in het zweet, de kolonialisering in het bloed, de concurrentie in de modder.
Dat was de fundamentele karaktertrek van het sociaal-darwinisme want vanuit het wetenschappelijk gezichtspunt bracht het geen enkel correct antwoord op de fundamentele vragen die het behandelde.
Nooit is de wetenschap er in geslaagd, om zelfs met de beste wil, de basishypothesen van het sociaal-darwinisme te bewijzen.
De naam alleen al van deze beweging klopt niet. Darwin is niet de vader van het eugenisme, noch van het economisch liberalisme, noch van de koloniale expansie, noch van het wetenschappelijk racisme. Darwin is evenmin een Malthusiaan. Meer nog, hij is het, die als één van de eersten de meest ontwikkelde tegenargumenten ontwikkelt tegen de theorieën van Spencer en Galton.
Nadat hij zijn visie op de ontwikkeling en de evolutie van de organismes had uiteengezet in ‘Over het Ontstaan van Soorten’, boog Darwin zich twaalf jaar later over de mechanismen die aan het werk zijn bij zijn eigen soort, de mens. Bij het publiceren van ‘De afstamming van de mens’ in 1871, gaat hij parallel alles tegenspreken van wat het sociaal-darwinimse aan het opbouwen was. Voor Darwin is de mens wel degelijk het product van de evolutie en situeert zich dus wel in het kader van de natuurlijke selectie. Maar bij de mens gaat dit proces van de strijd voor het overleven niet via de eliminatie van de zwakken: “Wij beschaafde mensen in tegendeel, doen al het mogelijke om het proces van eliminatie af te remmen; wij bouwen asielen voor idioten, de gebrekkigen en de zieken; wij maken wetten voor de armen; en onze dokters ontwikkelen hun bekwaamheid om het leven van iedereen te behouden tot op het laatste moment. Er is alle reden toe om te geloven dat de vaccinatie het leven gered heeft van duizenden individuen die, omwille van hun zwakke gestel, vroeger zouden bezweken zijn aan de mazelen. Zo planten de zwakke leden van de beschaafde maatschappijen hun aard voort” ([5]).
Door het beginsel van de evolutie ontrekt de mens zich zo aan het mechanisme van de natuurlijke selectie door zich te plaatsen boven de concurrentiestrijd voor het bestaan. Alles wat bijdraagt tot het begunstigen van het bschavingsproces, te weten de morele kwaliteiten, de opvoeding, de cultuur, de religie… wat Darwin de ‘sociale instincten’ noemt. Op die manier stelt hij de visie van Spencer in vraag van het overwicht van het aangeborene op het verworvene, van de aard op de cultuur. Voor de beschaving, op het sociale vlak dus, werkt de natuurlijke selectie niet meer op het vlak van de organismen. Ze leidt in tegendeel wel tot het selecteren van sociale gedragingen die zich opwerpen tegen de natuurlijke selectie. Dit wordt duidelijk aangetoond door Patrick Tort in zijn theorie over het ‘omgekeerde effect van de evolutie’ ([6]).
Terwijl het sociaal-dawinisme in de evolutie van de menselijke maatschappij niets anders ziet dan het resultaat van een selectie van de meest geschikte individuen, ziet Darwin daarentegen daarin de groeiende reproductie van sociale instincten zoals het altruïsme, de solidariteit, de sympathie, enz. De eerste opvatting stelt het kapitalisme als het meest geschikte kader voor de ‘sociale vooruitgang’, terwijl de tweede met kracht aantoont dat de economische wetten van het kapitalisme, gebaseerd op de concurrentie, de menselijke soort beletten om volop haar sociale instincten te ontwikkelen.
Door deze laatste historische hindernis op te ruimen, met het elimineren van het kapitalisme, zal de mensheid een maatschappij kunnen opbouwen waar haar sociale instincten zich volop kunnen ontplooien en de mensheid op hun beurt zullen leiden tot haar vervulling.
GD
[1] Dit artikel maakt gebruik van citaten en pistes uit verschillende artikels en teksten, waarvan het een hele klus zou worden om er systematisch naar te verwijzen. Ze worden hier door elkaar vermeld:
- Wikipedia (FR, voornamelijk de artikelen gewijd aan het sociaal-darwinisme, Herbert Spencer en Francis Galton).
- Dictionnaire de Sociologie, Le Robert / Seuil, 1999 (article ‘Darwinisme social’); - Brian Holmes, ‘Herbert Spencer’, Perspectives, vol XXIV, n°3/4, 1994;- Patrick Tort, ‘Darwin et le darwinisme’, Que sais-je?,PUF;
- Pierre-Henri Gouyon, Jacques Arnould, Jean-Pierre Henry, ‘Les avatars du gène, la théorie néo-darwinienne de l’évolution’, Belin, 1997 (partiellement disponible au téléchargement en anglais sur cette page)
[2] Dictionnaire du darwinisme et de l’évolution, PUF, pages 1008-1009.
[3] In ‘Anarchisme en Socialisme’.
[4] “Hoe erg ik ook de oorlog haat, ik haat het socialisme even erg, onder al zijn vormen”, geciteerd door Duncan, ‘Het leven en de brieven van Herbert Spencer’, 1908.
[5] Charles Darwin, ‘De afstamming van de mens’, 1871.
[6] Zie ons artikel over het laatste boek van Patrick Tort : ‘Het Darwin effect’.
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 242.19 KB |
Deze gebeurtenis liet de bourgeoisie toen toe een ideologisch wapen te gebruiken van massale vernietiging: de dood van het stalinisme zou zogezegd definitief bewijzen dat het kommunisme een gevaarlijke droom is die onherroepelijk leidt tot totalitarisme en bankroet! Door op frauduleuze wijze stalinisme gelijk te stellen aan kommunisme, door de economische teloorgang en de barbaarsheid van de stalinistische regimes voor te stellen als het onafwendbaar gevolg van de proletarische revolutie, wilde de bourgeoisie de arbeiders elk revolutionair perspectief de rug doen toekeren.
Meteen profiteerde de bourgeoisie ook van de gelegenheid om een tweede enorme leugen door te drukken van het soort waar zij een patent op heeft, namelijk dat met het verdwijnen van het stalinisme het kapitalisme zich finaal volop zou kunnen ontplooien. De toekomst, voorspelde zij, straalde. Zo verklaarde de Amerikaanse president George Bush senior op 16 maart 1991, gesterkt door zijn kersverse overwinning op het leger van Saddam Hussein, dat een 'nieuwe wereldorde' ontstaan was en de creatie van “een wereld waarin de Verenigde Naties, bevrijd van de impasse van de koude oorlog, in staat zouden zijn de historische visie van hun oprichters te verwezenlijken. Een wereld waarin vrijheid en mensenrechten door alle naties geëerbiedigd worden”. Deze tweede bluf zou niet lang standhouden. De jaren 1990 en 2000 werden getekend door een opeenvolging van oorlogen (van Joegoslavië tot Afghanistan, via een tweede keer Irak) en door een toenemende verarming van de wereldbevolking. Vandaag, terwijl we volop in een economische rampspoed zonder weerga verkeren, wordt de herdenking van de val van de muur veel discreter, bescheidener gehouden, in de mate dat de beloftes van 'vrijheid', 'vrede' en 'voorspoed' zich in de ogen van elkeen voordoen voor wat ze zijn: oplichterij.
De arbeidersklasse maakt zich geen illusies meer over dit uitbuitingssysteem. Ze weet vandaag dat de toekomst die het kapitalisme haar belooft enkel kan bestaan uit werkloosheid, ellende, oorlog en lijden. Waaraan het haar echter ontbreekt om de moed te vinden om de strijd aan te gaan, is een hoop, een perspectief, een mogelijke andere wereld waarvoor zij kan vechten. De leugens die kommunisme gelijkstellen aan stalinisme, die immense propaganda die losbarstte bij de val van de muur en de ineenstorting van het Oostblok, die weegt vandaag nog op de hoofden van de arbeiders, ook van de meest strijdbare.
Daarom publiceren we hieronder grote stukken uit een document dat we in januari 1990 publiceerden als bijlage bij onze territoriale pers en dat er juist op gericht was die weerzinwekkende campagne te bestrijden.
Het wereldproletariaat tov de ineenstorting van het Oostblok en het bankroet van het stalinisme(1)
Het stervend stalinisme bewijst vandaag nog een laatste dienst aan het kapitalisme. (…)
De dood van het stalinisme betekent vandaag voor de westerse bourgeoisie een ideologische overwinning. Het proletariaat krijgt een harde klap te verduren. Maar het zal moeten inzien dat het stalinisme nooit iets anders geweest is dan de meest karikaturale vorm van kapitalistische overheersing. (…) Het zal moeten begrijpen dat het kapitalisme, in oost en west, de uitgebuite massa's niets anders te bieden heeft dan steeds meer ellende en onmenselijkheid, met aan 't eind de vernietiging van de planeet. Het zal tenslotte moeten begrijpen dat er voor de mensheid geen uitkomst bestaat buiten de klassestrijd van het wereldproletariaat. Een strijd op leven en dood, die, door het kapitalisme omver te werpen, de opbouw zal mogelijk maken van een echte kommunistische wereldgemeenschap, een maatschappij bevrijd van crisis, oorlog, onmenselijkheid en onderdrukking onder al hun vormen.
Er bestaat geen continuïteit, maar een radicale breuk tussen het stalinisme en de revolutie van oktober '17
De bourgeoisie liegt wanneer ze luidkeels roept dat de stalinistische barbarij de rechtstreekse erfgenaam is van de Oktoberrevolutie van 1917, wanneer ze beweert dat Stalin niets anders gedaan heeft dan het systeem dat Lenin uitwerkte tot in zijn uiterste consequenties door te zetten. Alle journalisten, alle historici en andere ideologen die voor het kapitalisme werken weten maar al te goed dat er niet de minste continuïteit bestaat tussen de proletarische Oktober en het stalinisme. Zij weten allemaal dat de invoering van dit regime van terreur niets anders was dan de contrarevolutie die zich, met de nederlaag van de eerste internationale revolutionaire golf van 1917-23, installeerde op de ruïnes van de Russische revolutie. Want het was wel degelijk het isolement van het Russisch proletariaat, na de bloedige onderdrukking van de revolutie in Duitsland, dat de doodsteek gaf aan de macht van de arbeidersraden in Rusland.
De geschiedenis heeft enkel op tragische wijze bevestigd wat het marxisme sinds het ontstaan van de arbeidersbeweging steeds verdedigd heeft. De kommunistische revolutie kan alleen internationaal zijn. "De kommunistische revolutie (..) zal geen zuiver nationale revolutie zijn; ze zal zich tegelijkertijd voordoen in alle geciviliseerde landen (..). Ze zal ook een aanzienlijke weerslag hebben op alle andere landen van de aardhol en de gang van hun ontwikkeling compleet veranderen en versnellen. Zij is een universele revolutie; haar terrein zal bijgevolg universeel zijn" (F. Engels, Principes van het Communisme, 1847).
Dezelfde trouw aan de beginselen van het kommunisme en van het proletarische internationalisme drukte Lenin, wachtend op een aflossing door de revolutie in Europa, zo uit: "De Russische revolutie is maar één afdeling van het socialistisch wereldleger, en het succes, de zege van de revolutie die wij volbracht hebben hangt af van de actie van dat leger. Dat feit vergeet niemand van ons (..). Het Russisch proletariaat is zich bewust van zijn revolutionair isolement, en het ziet duidelijk dat zijn overwinning de eensgezinde tussenkomst van de arbeiders van heel de wereld als onmisbare voorwaarde en fundamenteel uitgangspunt heeft." (Lenin, Rapport aan de Conferentie van fabriekscomités van de provincie Moskou, 23 juli 1918).
Zo is het internationalisme altijd al de hoeksteen geweest van de gevechten van de arbeidersklasse en van het programma van haar revolutionaire organisaties. Dat programma hebben Lenin en de bolsjewieken voortdurend verdedigd. Gewapend met dat programma heeft het proletariaat, door de macht te grijpen in Rusland, de bourgeoisie kunnen dwingen een eind te maken aan de eerste wereldoorlog en zo zijn eigen perspectief voorop kunnen stellen: tegen de veralgemeende barbaarsheid van het kapitalisme, de omvorming van de imperialistische oorlog in klassenoorlog.
Elk in vraag stellen van dat essentieel beginsel van het proletarisch internationalisme is altijd synoniem geweest van breuk met het proletarisch kamp, overgang naar het kamp van het kapitaal. Toen de Russische revolutie van binnenuit ineenstortte betekende het stalinisme juist zo'n breuk. In 1925 stelde Stalin zijn stelling voorop van de 'opbouw van het socialisme in één land', waarop zich de verschrikkelijkste contrarevolutie ontwikkelde die de mensheid ooit gekend heeft. Van toen af had de USSR alleen in naam nog iets met 'sovjets' te maken. De dictatuur van het proletariaat via de macht van de 'arbeidersraden' of 'sovjets' werd omgevormd tot een onverbiddelijke dictatuur van de partij-staat over de arbeidersklasse.
Het afzweren van het internationalisme door Stalin, waardig vertegenwoordiger van de staatsbureaucratie, tekende het definitief doodvonnis van de revolutie. De politiek van de IIIe Internationale in volle ontaarding, wordt overal, onder de knoet van Stalin, een contrarevolutionaire politiek ter verdediging van de kapitalistische belangen. Zo gaat in China in 1927 de KP volgens de orders van Stalin op in de Kwomintang (Chinese nationalistische partij) en ontwapent ze het proletariaat dat in Shanghai in opstand komt, en ook haar eigen revolutionaire militanten. Aan handen en voeten gebonden worden ze overgeleverd aan de bloedige repressie van Tsjang Kai Tsjek, tot 'erelid' benoemd van de gestaliniseerde Internationale.
En tegen de Linkse Oppositie die zich dan tegen die nationalistische politiek begint te ontwikkelen, ontketent de stalinistische contrarevolutie al haar bloeddorstige haat. Alle bolsjewieken die tegen het tij in de beginselen van Oktober nog probeerden te verdedigen werden uit de KPSU gestoten, met duizenden gedeporteerd, opgejaagd en vervolgd door de GPOe en tenslotte beestachtig afgemaakt in de grote processen van Moskou (en dat met de steun en zegen van al de 'democratische' landen!).
Het stalinisme is een bijzonder brutale vorm
Zo heeft dat regime van terreur zich kunnen installeren, op de resten van de Oktoberrevolutie van 1917 heeft het stalinisme zijn heerschappij gegrondvest. Dankzij die ontkenning van het kommunisme, vervat in de theorie van het 'socialisme in één land', werd de USSR terug een compleet kapitalistische staat. Een staat waarin het proletariaat met het geweer in de rug onderworpen werd aan de belangen van het nationaal kapitaal, in naam van de verdediging van het 'socialistisch vaderland'.
Net zoals de proletarische Oktober, dankzij de macht van de arbeidersraden, het einde betekende van de imperialistische oorlog, zo kondigde de stalinistische contrarevolutie de deelname aan van de USSR aan de tweede imperialistische slachting, door elke revolutionaire idee te vernietigen, door elke mogelijkheid van klassestrijd te muilkorven en door terreur en militarisering van heel het maatschappelijk leven in te stellen.
Heel de evolutie van het stalinisme op het wereldtoneel in die jaren werd inderdaad gekenmerkt door zijn imperialistische koehandel met de voornaamste kapitalistische mogendheden die zich opnieuw voorbereidden om Europa te vuur en te zwaard te verwoesten. Eerst gokte Stalin op een verbond met het Duitse imperialisme om elke uitbreidingspoging van Duitsland naar het oosten tegen te gaan. In het midden van de jaren 30 liep hij over naar het 'democratische' kamp (toetreding van de USSR in 1934 tot het "trefpunt van bandieten", de Volkenbond, het pact Laval-Stalin van 1935, deelname van de KPen aan de 'volksfronten' en aan de Spaanse burgeroorlog, waarin de stalinisten er niet voor terugschrikten dezelfde bloeddorstige methodes te gebruiken om arbeiders en revolutionairen die hun politiek afwezen af te slachten). Aan de vooravond van W.O.II draaide Stalin weer om en verruilde met Hitler de neutraliteit van de USSR voor de controle over een aantal gebieden. Tenslotte sloot hij zich toch aan bij het kamp van de 'geallieerden' en stortte zich in de imperialistische slachting, waarin de stalinistische staat alleen al 20 miljoen mensenlevens offerde. Dat was het resultaat van de smerige intriges van het stalinisme met de imperialistische haaien van West-Europa. Op die lijkenhopen heeft de stalinistische USSR haar rijk opgebouwd, haar terreur opgelegd aan al de staten die met het verdrag van Yalta onder haar exclusieve heerschappij kwamen. Dankzij haar deelname aan W.O.II aan de kant van de overwinnende imperialistische mogendheden heeft de USSR zich, ten koste van het bloed van 20 miljoen slachtoffers, kunnen opwerken tot de rang van internationale supermacht.
Maar al was Stalin de 'man van de voorzienigheid' waardoor het wereldkapitalisme het bolsjewisme kon overwinnen, dan was het toch niet de tirannie van één individu -hoe paranoïde hij ook was- die op haar eentje die verschrikkelijke contrarevolutie doorgezet heeft. Zoals iedere kapitalistische staat wordt de stalinistische staat geleid door dezelfde heersende klasse als overal elders, de nationale bourgeoisie. Die bourgeoisie werd, toen de revolutie van binnenuit ontaardde, niet gevormd op basis van de oude tsaristische bourgeoisie, want die was in 1917 door het proletariaat uitgeschakeld. Ze werd gevormd uit de parasitaire bureaucratie van het staatsapparaat, waarmee de partij zich onder Stalin steeds meer vereenzelvigd had. Het is die bureaucratie van de partij-staat die, nadat ze eind jaren 20 alle sectoren uitgeschakeld had waaruit een privé-bourgeoisie had kunnen ontstaan, sectoren waarmee ze zich voordien verbonden had om het beheer van de nationale economie te verzekeren (grondbezitters en speculanten van de Nieuwe Economische Politiek), de controle over die economie naar zich toe trok.
Dat zijn de historische omstandigheden die verklaren waarom, anders dan in andere landen, het staatskapitalisme in de USSR zo'n totalitaire, karikaturale vorm aangenomen heeft. Het staatskapitalisme is de universele overheersingsvorm van het kapitalisme in zijn vervalperiode. De staat verzekert zich daarbij van de controle over heel het maatschappelijk leven en doet daarbij overal parasitaire lagen ontstaan. Maar in de andere landen van de kapitalistische wereld is die staatscontrole over heel de maatschappij niet tegenstrijdig met het voortbestaan van concurrerende privé-sectoren die een totale heerschappij van die parasitaire sectoren verhinderen. In de USSR daarentegen kenmerkt de bijzondere vorm die het staatskapitalisme er aanneemt zich door de extreme ontwikkeling van die parasitaire lagen die voortkomen uit de staatsbureaucratie en die zich niet tot doel stellen het kapitaal te ontwikkelen, rekening houdend met de marktwetten, maar die 't er enkel om te doen is hun eigen zakken te vullen ten koste van de belangen van de nationale economie. Vanuit het standpunt van de werking van het kapitalisme is die vorm van staatskapitalisme dus een wangedrocht dat noodzakelijkerwijs moest ineenstorten met de versnelling van de economische wereldcrisis. Precies die ineenstorting van het Russisch staatskapitalisme, voortgekomen uit de contrarevolutie, betekent het onherroepelijk bankroet van die beestachtige ideologie die meer dan een halve eeuw het stalinistisch regime aaneengehouden heeft en die loodzwaar doorgewogen heeft op miljoenen mensen.
Ziedaar hoe het stalinisme ontstaan is en waarom het nu afsterft. In slijk en bloed van de contrarevolutie heeft het zich opgedrongen op het toneel van de geschiedenis, in slijk en bloed gaat het nu ten onder, zoals in alle verschrikking blijkt uit de recente gebeurtenissen in Roemenië die enkel nog moordender slachtingen aankondigen in het hart zelf van het regime, in de USSR.
Wat de bourgeoisie en haar media ook mogen beweren, dit monsterlijk gedrocht heeft niets te maken met de vorm of de inhoud van de Oktoberrevolutie van 1917. De revolutie moest eerst ineenstorten voor het stalinisme zich kon opdringen. Die radicale breuk, die tegenstelling tussen Oktober en het stalinisme, moet door het proletariaat ten volle begrepen worden wil het niet ten prooi vallen aan een andere vorm van dictatuur van de bourgeoisie, die van de 'democratische' staat n
IKS, 8 januari 1990
1) Dit artikel is in zijn integrale versie beschikbaar op de website van de IKS
2) Tussentitel aan deze versie toegevoegd om de lectuur te vergemakkelijken.
De berg heeft een muis gebaard! Dat is de teneur van de perscommentaren na de aankondigingen van de plannen en de budgettaire bezuinigingsmaatregelen voor 2010, die genomen zijn door de federale regering en de regionale deelregeringen tijdens de maand oktober. Volgens de mededelingen van de regering zouden de verzekeringspremie die gevraagd wordt aan de banken, de bijdrage van Electrabel voor het langer in dienst houden van de kerncentrales, gecombineerd met enkele budgettaire besnoeiingen in de gezondheidszorg, het onderwijs, het openbaar vervoer en de openbare radio en televisie, moeten volstaan om een gat van 1,6 miljard te dichten in het voorziene budget. Wat de rest van de openbare schuld betreft, verzekert de regering ons dat die geleidelijk zal ingelost worden in de komende jaren via inkomsten uit de heropleving van de economie. Men zou gaan geloven dat de kwellingen van de economische wereldcrisis België ruimschoots gespaard hebben!
De terugval van de Belgische economie in 2009 bedraagt 3%, het slechtste resultaat sinds... 1939 ! En de weerslag op lange termijn van de huidige recessie op de NV België, net zoals op het geheel van de geïndustrialiseerde landen heeft nog lang niet al haar gevolgen getoond : “Ik vrees dat het ergste nog moet komen” (De Morgen, 03.11.09), erkent de Vlaamse minister-president Peeters. De financiële inspanning van de staat om de kwakkelende economie recht te houden is trouwens reusachtig geweest. Om dat globale financiële gat van 25 miljard Euro te dichten, kondigt men voor ettelijke jaren een soberheid aan die erger is dan die van de jaren 1990. Het opstellen van de budgetten is trouwens geen dilettantenwerk geweest, niet omdat de bourgeoisie voor de keuze stond om de soberheid wel of niet op te leggen – daar kan men vanuit het standpunt van de logica van het kapitalisme niet omheen – maar omdat zij haar zorgvuldig gepland heeft. De Belgische bourgeoisie heeft inderdaad langdurig overleg gepleegd over de maatregelen, door de maatregelen van de federale en de gewestregeringen op elkaar af te stemmen en complementair te maken en door een progressief aanzwellende soberheid door te voeren die loopt tot in... 2015!
Vandaag de bevolking via directe en massale regeringsmaatregelen aanvallen zou ongetwijfeld de recessie nog aanscherpen door de binnenlandse vraag te kelderen. Met betrekking tot de arbeidersklasse in het bijzonder, die natuurlijk in de eerste plaats getroffen wordt door dergelijke plannen, komt het er op aan om haar niet onhandig uit te dagen, op een moment dat zij volop getroffen wordt door de herstructureringen en de werkloosheid. Het is die vrees voor de arbeidersklasse die verklaart waarom de bourgeoisie eerst en vooral indirecte maatregelen naar voren schuift, door ze daarbij voor te stellen als “rechtvaardige” maatregelen, die er op gericht zijn om “diegenen die de crisis hebben uitgelokt” (de banken) of diegenen die “van de crisis profiteren” (Electrabel, die haar oude kerncentrales 10 jaar langer mag uitbaten), te doen betalen.
De aangekondigde heropleving is enkel toe te schrijven aan de financiële inspuitingen van de overheid en het aanvullen van de stocks. De arbeiders mogen zich dus geen enkele illusie maken : in de strijd op leven en dood om te produceren tegen concurrerende prijzen om competitief te blijven op de wereldmarkt, ziet de bourgeoisie zich verplicht om druk uit te oefenen op de prijs van de arbeidskracht. En als de Belgische bourgeoisie het noodzakelijk geacht heeft om een dergelijk overleg te voeren omtrent de manier om haar maatregelen te plannen en te verdraaien, dan is dat zeker niet omdat de gevolgen ervan onbetekenend zouden zijn!
De indirecte maatregelen zijn misschien geen frontale aanval, maar gaan steeds zwaarder doorwegen op de levensomstandigheden van de loontrekkers : zo hebben Eletrabel, de banken en de verzekeringen (+ 10%) reeds aangekondigd dat zij de bijdrage die de staat van hen eist, denken door te rekenen aan de 'burgers', dus eigenlijk aan de loontrekkers. Het zullen ook zij zijn die de ongemakken zullen voelen van de beperkingen bij de volksgezondheid, het onderwijs en bij de andere openbare diensten. De toevlucht tot volkskeukens en voedselbonnen, de aanvragen bij het OCMW nemen toe, want 15% van de bevolking leeft op dit ogenblik reeds onder de armoedegrens. Bij de werknemers stelt men een verveelvoudiging vast van de depressies, van de gevallen van 'burn out'.
Ondertussen blijft de verslechtering van de Belgische openbare financiën maar verder toenemen : volgens de Europese Commissie, zou het begrotingstekort 5,8% bedragen in 2010 en 2011 en zou de openbare schuld stijgen van 85% in 2007 tot 104% van het BNP in 2011 (DM, 04.11.09).Het is overduidelijk dat deze maatregelen slechts de voorhoede zijn die het terrein moeten voorbereiden voor radicalere maatregelen. De soberheid “wordt zwaarder dan het Globaal Plan van Dehaene in de jaren negentig. Toen bedroeg de inspanning minder dan 1 procent van het BBP. De nieuwe besparingsronde vergt meer dan 1 procent en de voorwaarden zijn minder gunstig” (L. Coene, vice-gouverneur van de Nationale Bank, DM 29.09.09). Het zou gaan om meer dan 3 miljard besparingen in 2011 en nog meer van 2012 tot 2015. De geleidelijke opvoering van de soberheid is dus duidelijk geprogrammeerd en verschillende ideeën om ze in praktijk om te zetten werden tijdens de laatste weken gelanceerd. Al zijn ze enerzijds provocaties die het mogelijk maken om de huidige maatregelen door te voeren als een 'mindere kwaal', toch zijn ze anderzijds verhelderend voor de denkpistes die de bourgeoisie voor het ogenblik bewandelt.
a) De lineaire vermindering van de lonen is een veelvuldig voorkomend proefballon (en wordt trouwens in sommige bedrijven al in praktijk gebracht, zoals bij HP) : 1% loonsvermindering voor de leerkrachten was een idee van de Vlaamse minister van Onderwijs. Een gelijkaardige maatregel voor het geheel van het Belgische ambtenarenkorps werd gesuggereerd door een oud-rector van de universiteit van Leuven, Oosterlinck (DM, 30.10.09).b) De drastische vermindering van het aantal ambtenaren is een andere piste die werd geprospecteerd. Verschillende recente studies hebben aangestipt dat met 2% van het Intern Bruto product en 18,5% van het totale nationale tewerkstelling, België veruit 'de duurste staat van Europa is' (DM, 30.10.09).
c) De versnelde precarisering van de openbare tewerkstelling wordt al in de praktijk gebracht : zo wil de Post een bepaald aantal van zijn postbodes vervangen door gepensioneerden en huisvrouwen, die aangeworven worden in tijdelijke dienst met precaire contracten.d) En tenslotte, naast de inperking van bepaalde uitkeringen, wordt het afschaffen van de mogelijkheid van vervroegde pensionering steeds openlijker vermeld en aangeraden door panels van 'experts' van de bourgeoisie.
De tendens naar een precaire tewerkstelling, naar loonsverlaging en het in vraag stellen van de pensioenvoorwaarden en -regelingen, is een algemene tendens in de landen van Europa (zie de plannen voor de verhoging van de pensioenleeftijd in Nederland en in Duitsland). Deze laatste maatregel betekent in het bijzonder een schok voor een generatie die een verhoging van de flexibiliteit en het werkritme heeft aanvaard met het perspectief op een pensioen waarvan zij zouden kunnen genieten. Getuigen van deze ongerustheid waren onlangs de massale protesten van luisteraars van een radio-uitzending waarin gediscuteerd werd over de noodzaak om het vervroegd pensioen af te schaffen!
Dat de bourgeoisie zich zo zorgvuldig heeft voorbereid blijkt uit de wijze waarop de aanvallen gepland zijn en georganiseerd worden, door ze op te splitsen, bedrijf per bedrijf, sector per sector, regio per regio. Men kan het ook vaststellen aan de manier waarop zij de vakbonden, haar controleorganen op het sociaal terrein, in stelling heeft gebracht. Hun initiatieven betekenen in feite een van de belangrijkste hindernissen bij de ontwikkeling van de tegenaanval van de arbeiders.
Wanneer er toch een sociale spanning opduikt, nemen de bonden een radicaal standpunt in om de voorgrond van het toneel te bezetten en te vermijden dat de arbeiderswoede tot uiting zou komen onder vormen die het referentiekader van de burgerlijke economische logica in vraag zouden stellen. Vervolgens leiden zij de werknemers die gevangen zitten in het web van de overleglogica naar het 'onvermijdelijk compromis'. Het voorbeeld van Opel Antwerpen is een tragische illustratie van deze tactiek : Wanneer GM bankroet verklaard werd en er een drastische herstructurering aangekondigd werd voor Opel Europe, gingen de vakbonden vooraan staan in de strijd en verklaarden zij te willen strijden tot het bittere einde voor het behoud van de fabriek. Hun actie bestond er in feite in te gaan lobbyen met het patronaat, de Vlaamse Gemeenschap en de federale staat bij GM en de Duitse staat om aan tonen dat de Antwerpse fabriek “ten minste even goede prestaties levert als haar Duitse concurrenten”, om de “Europese concurrentieregels” te doen naleven. Hierbij aarzelen ze niet om de kwaliteit van hun 'acties' als voorbeeld te stellen tegenover de “ongecontroleerde” strijdbewegingen bij Ford van vorig jaar : “wij zijn verantwoordelijk en hebben een lange termijn visie”, “in België gijzelen wij geen patroons zoals in Frankrijk”. In werkelijkheid is deze “voorbeeldige” strijd niets anders dan een corporatistisch doodlopend straatje : “Wir sind Opel”. Het komt enkel neer op een smerige koehandel om op een 'eerlijke wijze' de offers, de slachtoffers, de ontslagen te verdelen ten dienste van de logica van de kapitalistische rationalisering ; het leidt tot het verstikken van de strijdbaarheid et ontmoediging bij de arbeiders : niet te verwonderen dat er tijdens de internationale solidariteitsactie met Opel Antwerpen op 24 september zo weinig arbeiders van Antwerpen zelf aanwezig waren!
In de huidige toestand is het duidelijk dat de context voor het ontwikkelen van de tegenaanval zeer moeilijk is. Geconfronteerd met de aanvallen, en om hun klasse-identiteit terug te vinden tegenover de heisa omtrent “de solidariteit van alle burgers tegenover de crisis”, is het van belang dat de werknemers reageren. En verschillende acties breken inderdaad uit, die de werkelijke ontevredenheid en de wil om weerstand te bieden bevestigen : bij Sonaca en De Post, in de Luikse staalnijverheid en metaalbewerking, bij de NMBS. In Charleroi, hebben onlangs 10.000 arbeiders betoogd tegen de crisis. Tegelijkertijd hebben de arbeiders de grootste moeite om een gepast antwoord te vinden op de situatie, een antwoord dat vertrekt van hun klasse-identiteit, dat steunt op de solidariteit en rekening houdt met de intersectoriële en internationale dimensies van de problemen. Het is enkel door de uitbreiding van de strijd na te streven, door hem in eigen handen te houden via Algemene Vergaderingen, dat de arbeiders zich bewust zullen worden van hun kracht, dat zij steeds meer de vakbondsmanoeuvres zullen doorbreken en op die manier ook de frustraties en de ontmoediging die ermee gepaard gaan.Jos / 05.11.2009
Op de internetsites zijn talrijke vreemdsoortige, geheimzinnige, en overdreven “argumenten” naar voren gebracht om de pandemie van de varkensgriep uit te leggen. Deze argumenten en veronderstellingen drukken slechts het wantrouwen en de ontevredenheid uit van de bevolking ten aanzien van de officiële verklaringen, die beweren dat het gaat om een “natuurlijk risico”, dat verband houdt met de levenscycli van de virussen en met het toeval …, iets wat natuurlijk geenszins helpt om te begrijpen wat er gebeurd is. Het is ook geenszins verwonderlijk dat het linkse apparaat van het kapitaal en de vakbonden alles doen om het werkelijke probleem te verbergen door de oorsprong van de epidemie te zoeken in de perverse handelingen van een individu of van een land. Ze beweren dan ook dat de epidemie in Mexico met voorbedachten rade geschapen is door de Verenigde Staten, of dat het gaat om een publiciteitscampagne bedoeld om de geheime handelingen van de regering te verbergen met het oog op de financiële en handelsovereenkomsten.
Dit soort verklaringen, die zeer radicaal kunnen lijken, doen niet anders dan het idee verdedigen dat er een nationaal kapitaal met een “menselijk gezicht”zou kunnen zijn. Het zou voldoende om grenzen te stellen aan de handelingen van bepaalde “gangsterstaten”, een betere politiek te voeren of zich laten regeren door “eerlijke mensen” en “mensen van goede wil”…
Maar de oorsprong van deze epidemie ligt niet in een “complot”. Het is het resultaat van een ontwikkeling zelf van het kapitalisme dat vandaag een destructief systeem is geworden.
De ongebreidelde zucht naar winst en de steeds erger wordende kapitalistische concurrentie leiden tot een steeds meer verstikkende uitbuiting, waarbij de arbeidsvoorwaarden en de gezondheid van de loonarbeiders ernstig aangetast worden. Bovendien gebruikt de heersende klasse, in deze ongebreidelde race om de productiekosten te verminderen, steeds meer vervuilende en schadelijke methoden. En dat gebeurt zowel in de sfeer van de industriële productie als in die van de landbouw en de veeteelt, zowel in de hooggeïndustrialiseerde landen als in de landen weinig geïndustrialiseerd zijn (zelfs als de situatie in de laatste nog veel dramatischer is).
Bijvoorbeeld, als men de omstandigheden onder de loep neemt van de pluimvee en van de veeteelt, constateert men een misbruik van anabolen en van antibiotica (om de groei te doen versnellen), een opeenstapeling van dieren met een zeer hoog niveau van afval, dat vervolgens worden weggegooid zonder de minste voorzorg te nemen, waardoor er haarden van hoge besmetting en gevaar ontstaan. Door deze vorm van productie worden er pandemieën veroorzaakt zoals die van de “gekke koeien” en de verschillende varianten van de dodelijke griep. Noch de opwarming van de aarde, noch ontstaan van epidemieën zijn “ongelukken van de natuur”. Hun herhaling en hun verergering geven aan dat ze het gevolg zijn van een productiewijze, die van het kapitalisme in verval.
Daar moet nog de aanvallen op het stelsel van de gezondheidszorg en het gebrek aan voorzorg aan toegevoegd worden, die de verspreiding van virussen begunstigen. Men ziet dat heel goed in Mexico als men de onophoudelijke ontmanteling vaststelt van de ISSSTE en van de IMSS 1) en hun gezondheidscentra, die ongeveer de enige zijn waartoe de arbeiders toegang hebben. Sinds 2006 maken bepaalde verslagen gewag van studies door de Mexicaanse regering over het gevaar van een epidemie in het land. Er is zelfs al het feit ter sprake gebracht dat het gekende virus, genaamd de “griep type A”, de pluimveevogels en de zoogdieren zou kunnen infecteren, een mutatie zou ondergaan en de mensen zou aanvallen, wat het probleem nog zou vergroten. Er zijn rapporten gemaakt, er zijn projecten opgezet, maar alles bleef een dode letter, zonder dat er een cent voor beschikbaar komt.
De opkomst van deze griepepidemie in Mexico heeft nog eens een keer de hachelijke omstandigheden blootgelegd waarin de arbeidersklasse leeft: de verergering van het niveau van uitbuiting en de ondragelijke ellende vormen een gunstig terrein voor de ontwikkeling van ziektes en voortijdig overlijden.
Volgens de inlichtingen, die de journalisten naar buiten hebben gebracht, wist men vanaf 16 april al wat de gevolgen waren van het virus en toch heeft de regering zeven dagen gewacht om alarm te slaan. Ondanks de verwarrende en opgesmukte cijfers, die door de Minister van Gezondheid werden verstrekt over het aantal zieken en doden, kan men heel gemakkelijk de rekening opmaken: de enige slachtoffers van deze epidemie zijn de arbeiders en hun gezinnen. Het zijn de loonarbeiders en hun gezinnen die door dit kwaad dodelijk worden getroffen. Ze zijn gedwongen zich voort te slepen van het ene ziekenhuis naar het andere in een poging medische behandeling te ondergaan in overvolle gangen zonder antivirussen te vinden en zo kostbare tijd verliezen, die hen had kunnen redden. Terwijl de officiële verklaringen de epidemie presenteren als een affaire die “onder controle” is, ondergaat de arbeidende bevolking wreed het gebrek aan medische verzorging, aan medicijnen en aan voorzorgsmaatregelen. Het zijn ook de werkers in de gezondheidszorg (artsen en verpleegsters) die onder uiterst moeilijke en gevaarlijke omstandigheden uitputtende dagen hebben moeten maken. Om die reden hebben de interne artsen van het INER (Nationaal Instituut voor Ademhalingsziektes) op 27 april gedemonstreerd waarbij ze deze situatie aan de kaak te stelden.
De manier waarop deze epidemie werd beleefd tijdens de eerste weken is heel betekenisvol: de heersende klasse en haar staat stelden dat het een “veiligheidkwestie” was, die “nationale eenheid” vereiste.
Er kan geen twijfel over bestaan dat de heersende klasse, in het midden van april, verrast was en in paniek raakte toen het muterende virus ontstond, waarvoor geen vaccin beschikbaar was. Dit heeft haar ertoe gebracht overhaastige beslissingen te nemen, waardoor ze onder de hele bevolking een paniek verspreidde. In het begin was de heersende klasse dus overmand door de paniek, maar al zeer snel is ze begonnen om deze paniek tegen de arbeiders te gebruiken. Ze heeft deze campagne aan de ene kant gebruikt als een middel om aan haar regering een imago van efficiëntie en beschermende kracht te geven, en op die manier dus aan geloofwaardigheid te winnen. Aan de andere kant heeft ze hem gebruikt om angst te verspreiden, ze heeft iedereen aangemoedigd om zich op zijn eentje terug te trekken, door de bevolking aan te sporen niet naar buiten te gaan, zich te verstoppen, opgesloten in haar eigen woning. Zo heeft ze een algemene sfeer van wantrouwen geschapen, waarbij iedereen in de ander een mogelijke bron van besmetting zag. Dat is iets dat ingaat tegen de solidariteit die zich moet ontwikkelen in de schoot van de uitgebuite klasse. Men kan dan ook begrijpen waarom de Staatssecretaris van Gezondheid, Córdoba Villalobos, de agressie rechtvaardigt (en bijgevolg aanmoedigt) waarvan de inwoners van Mexico City (die ervan beschuldigd werd “geïnfecteerd” te zijn) het slachtoffer werden in de andere delen van het land. Deze hoge functionaris beweerde dat deze agressie slechts een natuurlijke uitdrukking is, eigen aan het “mens zijn”. De bourgeoisie is beducht voor de ontwikkeling van de solidariteit onder de arbeiders en zij is in staat geweest deze gebeurtenis te gebruiken om haar af te remmen door het chauvinisme en het localisme aan te moedigen. Het is deze zelfde nationalistische en xenofobische ideologie die het kapitaal overal (zowel in China, in Argentinië als in Cuba) gebruikt om de controles aan de in- en uitgang van de grenzen te rechtvaardigen.
De heersende klasse tracht, door de ontketening van haar campagne van verspreiding van de angst, de arbeidersklasse een gevoel van onmacht te injecteren; ze wil haar de boodschap overbrengen volgens welke men zich moet opstellen achter de “grote redder”, dat wil zeggen de staat.
Het enige tegengif tegen deze campagnes van verspreiding van de angst kan gevonden worden in de verheldering van het bewustzijn van de arbeiders, in een werk van overdenking die hen op termijn in staat zal stellen te begrijpen dat men van het kapitalisme niets anders kan verwachten dan steeds meer uitbuiting, ellende, epidemieën en voortijdige dood.Vandaag de dag, meer dan ooit, moeten we begrijpen dat het kapitalisme een maatschappelijke catastrofe voor de mensheid is geworden en dat men een einde moet maken aan dit systeem in verval.
Naar Revolución mundial, publicatie van de IKS in Mexico Juni 20091) Het Mexicaanse sociaal zekerheidsstelsel, het ene voor de ambtenaren en het andere voor de rest van de bevolking.
De zelfmoorden bij France Telecom: de uitdrukking van de onmenselijkheid van de kapitalistische uitbuiting
Drieëntwintig zelfmoorden (plus dertien zelfmoordpogingen) in achttien maanden tijd bij France Telecom! Ziedaar een nieuwe tragische getuigenis van het feit dat de proletariërs steeds meer geconfronteerd worden met een klimaat van terreur op het werk en met ondraaglijke druk. Voor de hoofdmanager van het bedrijf Didier Lombard, die de schuld legt bij de slachtoffers van de opgedreven uitbuiting, zou het daar eigenlijk enkel gaan om een simpel 'mode' verschijnsel dat alleen maar 'fragiele personen' zou treffen (1). Wat een cynisme!
Voor deze kapitalistische leider zonder scrupules, wiens mea culpa, op een ongepast moment uitgesproken, gewoon tot het communicatiebeleid behoort, berust de tragedie niet in het feit dat menselijke wezens vermalen worden door de ongenadige logica van de rendabiliteit van het kapitaal, maar in het diskrediet dat het marktimago van zijn onderneming aantast!
Tegenover een gedrag dat noodzakelijkerwijs gedicteerd wordt door de wetten van de 'geldla', doen een aantal politici, voornamelijk van links, alsof zij ontroerd zijn. Het zijn nochtans die schijnheiligen die de laatste twintig jaar de massale ontslagen begunstigd hebben in dit bedrijf, net zoals in vele andere. Zo hebben zij bijgedragen tot het opschroeven van de helse werkritmes die geleid hebben tot de drama's van vandaag. Het zijn diezelfde socialisten die de stress verhoogd hebben door de invoering van de 35 uren, waaraan een flexibiliteit verbonden werd waardoor de arbeider uitgeknepen werd als een citroen! Het zijn zij die o.a. France Telecom op de Beurs gebracht hebben in 1997 met de 'management' methodes die men kent! Het was niemand anders dan Jospin die in die tijd met een hoge borst verklaarde dat “de mutatie van het bedrijf een mooi succes was!”. Een manager van France Telecom geeft ons trouwens een idee van dit “mooie succes”: “Het is mijn werk om 5% besparingen te maken van semester tot semester. Om u maar te zeggen dat men al op het bot zit en dat nu de vraag rijst of men zich nu een arm of een been gaat afhakken!”(2). Om dit soort doelstellingen te bereiken, na deze golf van zelfmoorden, is het niet verwonderlijk dat men op zoek moet naar 'subtielere' wegen om het de loontrekkers te 'doen volhouden': dat is de zin van het ter beschikking stellen van een 'groen nummer' voor een bijkomende controle van de loontrekkers en het doorlichten van het management van dit bedrijf. Maar de grond van het probleem zal niet veranderen: het is heel duidelijk dat het doel van het kapitaal altijd zal zijn om winst te maken en steeds meer druk te leggen op de proletariër, tot voorbij zijn psychologische grenzen en tot aan de rand van de zenuwinzinking! Want overgeleverd aan zijn eigen dynamiek kan het kapitalistische systeem slechts uitmonden op de uitputting van de arbeidskracht. Vandaag zijn het niet enkel meer de arbeiders die worden uitgeperst als citroenen en het gelag moeten betalen maar ook de ingenieurs, de administratieve kaders, die door de crisis en de uiterste concurrentie geproletariseerd werden en wier arbeidsvoorwaarden fiks gedegradeerd zijn. Om zijn winsten te verzekeren reeds bij de dageraad van zijn ontwikkeling drong “de kapitalistische productie, die in wezen productie is van de meerwaarde, van opslorping van de meerarbeid (...) de verslechtering van de arbeidskracht van de mens op, door hem te beroven van de normale omstandigheden waarin hij functioneert, hetzij fysiek, hetzij moreel – en veroorzaakt de voortijdige dood van deze [arbeids]kracht”(3). Vandaag zijn het de intensivering van de arbeid en de arbeidsomstandigheden die deze uitputting opdringen,
Het verschijnsel van de zelfmoorden is jammer genoeg niet nieuw en ook niet beperkt tot Frankrijk. De golf van zelfmoorden op het werk kende een groeiende en voortdurend verhoging, zelfs al werden er niet echt cijfers opgeplakt (4). Sinds de jaren 1990, is het aantal zelfmoorden verergerd door het geweld en de brutaliteit van de economische crisis. Het is de vertaling van het feit dat de kapitalistische wereld geen toekomst heeft, geen ander perspectief heeft dan dat van het veroorzaken van de sociale ellende, van de barbarij en de dood. Overal in Europa en in de wereld richt de stress op het werk voortdurend ravages aan. In de Verenigde Staten kondigt het ministerie van Arbeid aan dat het “aantal zelfmoorden, die gepleegd werden, met 28% verhoogd is voor het jaar 2008. In het totaal werden 251 zelfmoorden geregistreerd, het hoogste aantal sinds 1992”(5). In China hebben de zelfmoorden zich de laatste tijd verveelvoudigd als gevolg van de bankroeten van bedrijven. Denken wij maar even terug aan het jaar 2007, toen wij reeds golven van zelfmoorden moesten betreuren in Frankrijk bij Technicentre van Renault Guyancourt, bij PSA, bij EDF-GDF (Chinon), bij de banken, bij de horeca (Sodexho)(6).
Er is niets veranderd, het is alleen maar erger geworden! De druk en het gepest door de chefs, de schrik voor de werkloosheid en het systematisch chanteren met ontslag, de groeiende werkoverlast worden steeds weer aangehaald. Het verschijnsel van uitputting op het werk of de 'burn out' vertoont de tendens om zich te ontwikkelen op een nog niet geziene schaal (7). Wat men 'moreel pesten' noemt wordt de regel, als een 'strategisch' middel bestemd om mensen onder dwang aan te passen of om zich bij hoogdringendheid, en tegen een lage kost, te ontdoen van loontrekkers die ongewenst zijn geworden of niet voldoende productief zijn. Er bestaan daarvoor trouwens pest 'specialisten' die men in dat verrotte milieu 'schoonmakers' noemt of 'overgangsmanagers'. Zij worden betaald voor dat vuile werk: dit wil zeggen om de persoonlijkheid te vernietigen van diegenen die deel uitmaken van de 'overtollige effectieven' of van de 'onaangepasten', de strijdvaardige arbeiders isoleren, hen in de fout doen gaan en diegenen aan de deur zetten die het meest anciënniteit hebben en die teveel kosten! Het doel is dubbel:
- maken dat diegenen die men buiten wil, uit zichzelf vertrekken zonder hiervoor een vergoeding te krijgen;
- het demoraliseren en intimideren van de andere loontrekkers die overblijven om ze makker te maken en over te leveren aan willekeur.
Nochtans kunnen de omstandigheden van de uitbuiting en het opdrijven van de aanvallen, verbonden aan de economische crisis zonder uitweg, niet anders dan er toe leiden dat op termijn de woede uitbarst, dat ze leidt tot collectieve strijd, tot een solidariteit en een bewustwording in de diepte, De toekomst ligt niet in de concurrentie onder de proletariërs, maar in hun groeiende eenheid in de strijd tegen de uitbuiting. Het is die toekomst die terug hoop kan geven, massale en solidaire strijd kan voorbereiden, en op termijn de weg openen naar een revolutionair perspectief n
WH / 18.09.2009
1) http ://info.france2.fr
2) http ://www.marianne2.fr [105]
3) Marx, 'Het Kapitaal', deel I hfst X
4) Bepaalde journalisten voelen zich gebelgd over het ontbreken van statistieken daaromtrent. Men moet er niet aan twijfelen dat ze bestaat. Maar voor de bourgeoisie moeten ze, om klaarblijkelijke redenen vertrouwelijk blijven.
5) Bron: courrierinternational.com/article
6) Zie Révolution Internationale n°379 (van mei 2007), op onze website.
7) Ernstig depressief verschijnsel gedefinieerd als een professionele uitputting die “deel uitmaakt van professionele psychosociale risico's, als gevolg van de blootstellng aan permanente en langdurige stress” en die door de psychoanalist Herbert Freundeberger in 1979 als volgt werd gedefiniëerd: “staat van chronische vermoeidheid, van depressie, en van frustratie aangebracht door toewijding aan een zaak, een levenswijze, of een relatie, die niet beantwoordt aan de verwachtingen en die uiteindelijk leidt tot het verminderen van de inzet en de verwezenlijking van het werk”.
Tijdens de maand oktober hebben de IKS-afdelingen van Frankrijk en België en Nederland, een ontmoetings- en discussiedag georganiseerd in Rijsel waarvan een van de discussiethema’s handelde over het ecologisch vraagstuk, met als titel “Kan de huidige politiek van duurzame ontwikkeling de aangekondigde ecologische ramp voorkomen?”. Wij publiceren hieronder de tekst van de inleiding op het debat die geschreven werd door een sympathisant. De uiteenzetting toont op een methodische wijze de illusoire en leugenachtige aard aan van de argumenten die de arbeidersklasse en de wereldbevolking een politiek van de staten willen ‘verkopen’ die voorgesteld wordt als ‘duurzame ontwikkeling’ of als ‘de strijd voor het beschermen van de planeet tegen rampen’. Om de onvermijdelijke mislukking van de burgerlijke politiek op dit gebied te verklaren, onderstreept hij de tegenstrijdigheden die de behoeders van het kapitalisme doorkruisen voornamelijk dan de concurrentie, de winsthonger en de belangenconflicten tussen de staten onderling. De bedenkingen van de tekstschrijver hebben het mogelijk gemaakt om belangrijke vraagstukken aan te kaarten, die van cruciaal belang zijn voor de arbeidersklasse. Deze bijdrage was een bron die uitwisseling, uitdieping en bedenkingen omtrent het onderwerp met ernstige argumenten mogelijk maakte. Het resultaat was des te positiever door de kritische en open geest, en de heel broederlijke sfeer die onder alle deelnemers heerste. De IKS begroet deze bijdrage hartelijk. Voor het debat in het internationalistisch milieu betekende dit onmiskenbaar een flinke opsteker.
In december 2009 zullen de Verenigde Naties in Kopenhagen een internationale klimaatconferentie houden die moet leiden tot een nieuw verdrag, als vervolg op het Kyotoprotocol, dat alle landen ertoe moet aanzetten om de uitstoot van broeikasgas drastisch te verlagen. Zulke conferenties zijn niet nieuw: sinds de jaren ’60 is er al een resem bijeenkomsten geweest met als doelstelling de bescherming van milieu en mens. (1) Telkens blinken deze conferenties uit in beloften, maar steeds opnieuw blijken ze niet in staat de toename van sociale en ecologische rampen te stoppen.
Dit falen blijkt duidelijk uit volgende feiten die de wereldsituatie op sociaal en ecologisch vlak schetsen.
· De atmosferische niveaus in koolstofdioxide (CO2) en methaan (CH4) zijn op hun hoogste niveau sinds 650 000 jaar geleden, waardoor de gemiddelde temperatuur op aarde in de komende honderd jaar tussen 1,1 en 6,4 graden Celsius zou stijgen met de rampzalige gevolgen van dien. (2) Momenteel heerst er in zeven Oost-Afrikaanse landen, waaronder Kenia, Somalië en Ethiopië, de meest ernstige droogte van de afgelopen 10 jaren. Tienduizenden dieren bezweken aan het gebrek aan water. 23 miljoen mensen lopen gevaar, ondermeer omdat de bevolking door herhaalde mislukte oogsten door haar voedselreserves heen is.(3) Ter vergelijking: de droogte van 1984 in Ethiopië leidde tot 250 000 à 1 miljoen doden.(4) In de toekomst zal door de klimaatopwarming dit soort fenomenen almaar toenemen.
· Bijna één op de zes Europese zoogdiersoorten is bedreigd met uitsterven en alle beviste mariene soorten zouden kunnen ineenstorten tegen 2050. De afname van bijen, vleermuizen en andere vitale bestuivers brengt de landbouwgewassen en ecosystemen in Noord-Amerika in gevaar. Het is dan ook niet toevallig dat 2010 in het teken staat van de biodiversiteit – of moet ik zeggen: “biohomogeniteit”?
· De vervuiling heeft ook een heel rechtstreekse impact. Zo veroorzaakt de stedelijke luchtvervuiling 2 miljoen vroegtijdige doden per jaar.
· Dan heb je nog de armoede en de oorlog: 2,5 miljard mensen van de totale wereldbevolking (bijna 7 miljard mensen) leven op minder dan 2 dollar per dag (5) en we kunnen stellen dat er sinds WOII geen moment voorbij ging zonder een oorlog op de wereld, oorlogen die trouwens een gigantische impact hebben op de ecologie van de aarde.
Al deze problemen bestonden al voor de laatste brutale uiting van de crisis, de meest hevige sinds die van ’29, en het is vrijwel zeker dat de aanhoudende crisis al deze fenomenen zal versterken. De titel van deze discussie is in feite slecht gekozen: de ramp kondigt zich niet meer aan, we zitten er middenin.
Om de mensheid en haar planeet te redden stellen de wereldleiders ons vandaag ‘duurzame ontwikkeling’ als oplossing voor. Wat is deze ‘duurzame ontwikkeling’? “Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheid voor toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in gevaar te brengen” zegt het Brundtland-rapport (6) ons. Tegen deze vage definitie kan niemand gekant zijn. De bourgeoisie blinkt dan ook uit in wazige stellingen als het om menselijke behoeften gaat.
Het wordt heikel wanneer we naar de concrete invulling van het begrip kijken. Duurzame ontwikkeling gaat volgens Brundtland om een ontwikkeling die erin slaagt de ecologische, economische en sociale noden en behoeften tegelijkertijd te voldoen door ze op elkaar af te stemmen. Zo heb je bedrijven als Ecover die schoolvoorbeelden zijn wat betreft duurzaamheid, omdat zij ‘groene’ afwasmiddelen produceren, zorgen voor werkgelegenheid en tegelijkertijd winst maken (ook tijdens de laatste heropleving van de crisis). Ze komen dus respectievelijk tegemoet aan “ecologische, sociale en economische behoeften”.
Maar globale problemen, vragen om globale oplossingen. Niet enkele bedrijven, maar de volledige wereldeconomie moet omgevormd worden tot een ‘groene economie’. Dat kan alleen als alle staten zich achter deze duurzame ontwikkeling scharen. De 50 miljoen nieuwe werklozen van het afgelopen jaar, plus de oude werklozen, plus de huidige loontrekkers, plus de miljoenen werkers die rottige deeltijdse baantjes doen, moeten immers worden opgevangen in een ecologisch verantwoorde economie. Hoe wil de bourgeoisie de huidige kapitalistische economie echter tot een ‘groene’ maken?
De geplande conferentie van Kopenhagen zou moeten leiden tot een betere samenwerking tussen staten tegen het ecologisch verval. Maar kunnen ze wel coöpereren? Zijn ze in staat gezamenlijk de wereldmarkt in een duurzame richting te stuwen? Laten we even redeneren binnen de grenzen van het systeem. Stel dat het kapitalisme op een ecologisch verantwoorde wijze kapitaal accumuleert, dan hebben we te maken met een ecologisch duurzaam kapitalisme. Om deze maatschappij tot een ‘groene’ om te bouwen zijn er echter diepgaande veranderingen nodig in industrie, infrastructuur, ruimtelijke ordening… die enorme investeringen vereisen in onderzoek, technologie, arbeidskrachten... Als die investeringen niet rendabel zijn op een voldoende korte termijn, zal de economie in haar geheel deze stap naar duurzaamheid niet wagen. In een oververzadigde markt heerst immers steeds de dreiging van failliet, vanwege de bikkelhard concurrentie. De staat moet bijgevolg interveniëren met premies, verboden en andere instrumenten om de markt in een ‘groene’ richting te sleuren.
Deze logica vergeet echter dat het kapitalisme verdeeld is in nationale economieën die onderling concurreren voor een zo groot mogelijk deel van de wereldmarkt. De staat bevindt zich daarbij niet boven de ‘vrije’ markt, maar maakt integraal deel uit van het syteem. Er heersen bijgevolg voortdurend belangenconflicten tussen staten op zowel economisch als strategisch vlak. Het is deze concurrentie die het ontstaan van een duurzame wereld onmogelijk maken. Dat werd ondermeer duidelijk toen G. W. Bush in een toespraak (juni 2001) het Kyotoverdrag verwierp om 2 redenen: 1) het zou een negatieve impact hebben op de economie van de VS met ontslagen voor werkers en prijsverhogingen voor consumenten als gevolg, 2) het verdrag zou niet gelden voor India en China, twee van de grootste bijdragers inzake klimaatopwarming.(7) We kunnen ons zelfs afvragen of het Kyotoprotocol werkelijk tot doel heeft de uitstoot van broeikasgassen aan banden te leggen of eerder een manier van oorlogvoering is door via verboden en geboden andere landen te remmen in hun economische ontwikkeling, opdat bepaalde imperialistische verhoudingen zouden blijven of verschuiven.
Naast de kapitalistische concurrentie, is er volgens mij een andere reden waarom duurzame ontwikkeling in het kapitalisme onmogelijk is die te maken heeft met de privatisering van de natuur.
De sleutel tot duurzame ontwikkeling ligt volgens sommige burgerlijke theoretici ( de ‘neoklassieke’ economen) in het beter integreren van het milieu in het marktmechanisme. Een voorbeeld ter verduidelijking: de uitstoot van vervuilende gassen door een fabriek brengt bepaalde indirecte financiële kosten met zich mee, zoals de ziekenhuiskosten van mensen die door de verontreiniging zijn aangetast of zoals de schade aan landbouwgewassen in de omgeving. Die kosten zouden dan als ‘prijs’ moeten dienen voor de uitstoot van zulke gassen. Door deze ‘internalisering’ van milieuverontreinigingkosten in de markt zou elke ongewenste impact op mens en natuur worden verminderd door de dynamiek van het marktsysteem zelf. Het komt er dan enkel op aan de planetaire ecosystemen hun goederen en diensten (8) te definiëren om ze vervolgens tot een waar te maken, dat dan net als alle andere waren aan de marktwetten van vraag en aanbod onderhevig is. Eventueel kunnen er nog bijzondere marktmechanismen en ‘beleidsinstrumenten’ tussenkomen om de prijzen van de ‘milieuwaren’ te beïnvloeden om een gewenst niveau van natuurbescherming te bekomen. M.a.w. de staat kan bepaalde regels opleggen om de markt te sturen. Dat is de theorie.
Is de natuur echter een waar? Is de natuur een nog te ontdekken markt? En is die ‘internalisering’, die in feite een soort privatisering van de natuur inhoudt, zo heilig als economen beweren? Bossen bestemd voor de houtindustrie maken zonder twijfel al deel uit van de kapitalistische economie. De meeste van dit soort bossen worden gekenmerkt door een extreme verdeling en simplificering van wat het woud vroeger was. Zo ook in de moderne landbouw waar gigantische velden van maïs, rijst, suikerriet tegenwoordig de norm zijn. Hoewel er gewassen op groeien, zijn deze monoculturen in feite woestijnen: geen ander dier of plant kan hierop leven. Zijn de landbouwgewassen ook geen voorbeeld van ‘internalisering’ van natuur in de markt?
Zal de markt daarenboven de juiste prioriteiten inzien? Zal zij een bedreigde (en geprijsde) vogelsoort kunnen beschermen tegen het verlies aan habitat dat zelf een gevolg is van de uitbreiding van de landbouwsector? De vele wetten en regels die de staat oplegt aan de markt, al dan niet ter bescherming van mens en milieu, geven weer hoe kunstmatig en geforceerde die “ecologische, economische en sociale noden en behoeften” op elkaar moeten worden afgestemd. Er lijkt een voortdurende druk tegen deze noden en behoeften te bestaan.
Neen, de verdere privatisering en integratie van natuur in de wereldmarkt zal haar volgens mij niet ten goede komen, maar haar enkel nog meer onderwerpen aan de werkelijke drijfkracht van het kapitalisme: de accumulatie van kapitaal. Het is dit winstbejag die het kapitalisme over de wereld heeft gedreven en een permanente druk uitoefent op elk ecosysteem. De dorst naar steeds meer winst in een wereld met eindige hulpbronnen is een fundamentele tegenstelling van het kapitalisme, die vooral in de vervalfase van de maatschappij tot uiting komt. Het is ook deze tegenstelling die duurzame ontwikkeling binnen de grenzen van het kapitalisme onmogelijk maakt. (9) n
F. / 09.2009
1) 1968: Biosphere, Intergovernmental Conference for rational Use and Conservation of the Biosphere (UNESCO). 1972: UN Conference on the Human Environment/UNEP. 1977: UN Conference on Desertification. 1984: International Conference on Environment and Economics (OECD). 1992: Earth Summit, UN Conference on Environment and Development (UNCED). 1995: World Summit for Social Development. 2000: UN Millenium Summit and the Millenium Development Goals. 2002: World Summit on Sustainable Development. Etc.
2) IPCC Fourth Assessment Report, Working Group I Report "The Physical Science Basis", 2007
3) De Standaard, 30 september
4) International Institute for Sustainable Development, The sustainable development timeline, 2007
5) State of the World, chapter 1, Worldwatch Institute, 2008
6) Brundtland Rapport: Rapport van de World Commission on Environment and Development dat sociale, economische, culturele en milieukwesties en globale oplossingen samenweeft. Het is dit rapport dat de term ‘duurzame ontwikkeling’ populariseerde.
7) Foster, Ecology against capitalism, 2002
8) Ecosystemen leveren ‘goederen en diensten’ (goods and services) aan de mens, bijvoorbeeld: een bos levert ons hout, een mangrovewoud buffert tsunami’s en biedt daarmee bescherming aan de kustbewoners…
9) Aanbevolen lectuur: International Communist Current, Capitalism is poisoning the earth, International Revue nr. 63, 1990 (https://en.internationalism.org/ir/63_pollution [106]) ; International Communist Current, The myth of the “green economy”, International Revue nr. 138, 2009 (https://en.internationalism.org/2009/ir/138/green-economy [107]) ; John Bellamy Foster, Ecology against capitalism, 2002; John Bellamy Foster, Marx’s Ecology, 2000
De nederlaag bij Ssangyong toont de noodzaak van uitbreiding van de strijd
Een van de meest betekenisvolle uitingen sinds vele jaren van de klassestrijd in Zuid-Korea was de bezetting van het autoconstructiebedrijf Ssangyong in Pyeongtaek bij Seoel, die begin augustus ten einde liep.
Nadat de fabriek gedurende 77 dagen bezet was geweest in omstandigheden waarin de arbeiders voedsel, water, gas en elektriciteit ontzegd was en waarin ze weerstand geboden hadden aan herhaalde aanvallen van de politie ondersteund door een eenheid rangers, door bandieten en stakingsbrekers, zagen de arbeiders zich gedwongen hun bezetting op te geven terwijl veel van hun voornaamste eisen niet ingewilligd waren, en ze werden onmiddellijk onderworpen aan een golf van repressie onder de vorm van aanhoudingen, ondervragingen en in sommige gevallen torenhoge boetes.
De Zuid-Koreaanse economie heeft zich nog niet echt hersteld van de rampzalige landing van de 'tijgers en draken' in 1997, een voorloper van de huidige kredietkrach. Sindsdien verkeert de hele autoindustrie er in een diepe crisis. Ssangyong Motor Company, dat nu onder controle staat van een Chinees conglomeraat van autobouwers, heeft zijn arbeidskracht geleidelijk aan verminderd en een plan voorgesteld om de fabriek als onderpand te geven om zich van leningen te verzekeren die het nodig hand om aan het faillissement te ontsnappen. Dit plan impliceerde nog veel meer ontslagen : 1700 arbeiders zouden gedwongen worden vervroegd op pensioen te gaan en 300 tijdelijke arbeiders zouden aan de deur gezet worden. Verder zou technologie naar China getransfereerd worden met de uiteindelijke bedoeling zich op de ruime markt van de machtige buur van Zuid-Korea te bevoorraden, waar mankracht aan lage prijs beschikbaar is.
De staking en bezetting van het bedrijf, die begon op de ochtend van 22 mei, gingen samen met de vraag niemand te ontslaan, niemand in een onzekere positie te brengen en het bedrijf niet in het buitenland te bevoorraden. Gedurende de bezetting heeft het duizendtal arbeiders dat het bedrijf bezette blijk gegeven van een voorbeeldige moed en vindingrijkheid om zich te verdedigen tegen de politiemacht die uitgerust was met helikopters, traangas, verlammende pistolen en ander militair materieel. Die weerstand vereiste niet enkel het fabriceren van geïmproviseerde wapens (metalen buizen, molotovcocktails, katapulten), maar ook een strategische zin en een verdedigingstactiek – zo hebben ze op de verpletterende overmacht van de repressiekrachten geantwoord door zich terug te trekken in de schilderafdeling, erop rekenend (terecht) dat de daar aanwezige ontvlambare materialen er de politie van zouden weerhouden traangas te gebruiken, vooral nadat er zich in Seoel onlangs een tragedie afspeelde waarbij vijf personen de dood vonden in een brand die aangestoken was tijdens een confrontatie met de politie.
Dergelijke acties vragen een uitgesproken zin aan initiatief en zelforganisatie. Het schijnt dat de arbeiders zich in 50 of 60 groepen van elk tien leden georganiseerd hadden, waarbij elke groep een afgevaardigde koos om de actie te coördineren.
De bezetting heeft ook solidariteitsacties uitgelokt vanwege andere arbeiders, waarvan er velen even onzeker zijn over hun toekomst. De arbeiders van de nabijgelegen autofabriek van Kia-Hyundai waren bijzonder actief, met honderden arbeiders die de fabriek kwamen verdedigen tegen de aanvallen van de politie. Pogingen om de bedrijfspoorten te bereiken en voedsel en andere voorraden naar de bezetters te brengen, stootten op geweld dat even brutaal was als het geweld dat gebruikt werd tegen de bezetters zelf. Het lijdt geen twijfel dat de bezetting ruime steun genoot van de hele Zuid-Koreaanse arbeidersklasse, een feit dat zich weerspiegelt in de houding van de nationale vakbondsfederatie KCTU, die een algemene staking uitriep van twee dagen en een nationale solidariteitsmeeting einde juli.
Welke lessen trekken uit deze nederlaag?
Maar hoewel sommige maatregelen die de bazen eerst hadden voorgesteld bij het einde van de staking geschrapt werden, is de bezetting toch op een nederlaag uitgedraaid. De arbeiders zijn verslagen en gekwetst uit de bezetting gekomen, sommigen ernstig verwond, en met een toename van het aantal zelfmoorden bij de arbeiders en hun families.
“Bij de slotonderhandelingen ging de plaatselijke vakbondssecretaris akkoord met het voorgesteld vervroegd pensioen (dat wil zeggen het ontslag met een ontslagvergoeding) voor 52% van de arbeiders, en met een verlof van één jaar zonder loon voor 48%, waarna die weer aangeworven zouden worden als de economische voorwaarden dat zouden toelaten. De maatschappij zou ook gedurende één jaar een maandelijkse vergoeding van 550.000 won betalen aan enkele arbeiders die naar commerciële posten verplaatst werden.
In de dagen volgend op deze beledigingen volgden ook de klappen tijdens de periode van voorhechtenis voor vele aangehouden arbeiders, in afwachting van het opstellen van aktes van beschuldiging en processen die door het bedrijf aangespannen werden tegen de vakbond KMWU waarvan ze 500 miljoen won eisen (45 miljoen VS $). Zoals al aangegeven staat de Koreaanse arbeidswetgeving in dit geval individuele processen toe en vervolgingen die in het verleden al arbeiders zonder enig bestaansmiddel gezet hebben. Het bedrijf eist een schadevergoeding van 316 miljard won (258,6 miljoen $), wat overeenstemt met een productieverlies van 14.600 voertuigen tengevolge van de staking.” (1)
Wat deze nederlaag vooral aantoont, is dat zelfs als men op de best mogelijke wijze de verdediging en bezetting van een fabriek organiseert, de strijd, wanneer hij niet uitgebreid wordt, in de grote meerderheid van de gevallen zal mislukken. De centrale noodzaak voor elke groep arbeiders die te maken krijgt met ontslagen, is andere arbeiders te gaan opzoeken, zich naar andere bedrijven en kantoren te begeven, en daar de noodzaak uit te leggen van een gemeenschappelijke actie teneinde een krachtsverhouding op te bouwen die in staat is bazen en staat terug te dringen. De actieve solidariteit die getoond werd door de arbeiders van Kia-Hyundai en andere bedrijven buiten de fabriekspoorten, bewijst dat dit geen utopie is, maar dat de beweging voorrang moet geven aan uitbreiding, eerder dan enkel weerstand te bieden aan de aanvallen van de politie tegen een bezet bedrijf, hoe noodzakelijk dat laatste ook mag zijn. De arbeiders die over deze nederlaag nadenken moeten zich de volgende vraag stellen: waarom vertaalden die authentieke uitdrukkingen van solidariteit zich niet in een directe uitbreiding van de strijd, naar Kia of naar andere arbeidsplaatsen? En verder: die militante minderheden die bezig zijn de strategie van de vakbonden in vraag te stellen, moeten zich verenigen in groepen en comités om aan te zetten tot uitbreiding van de strijd en tot de onafhankelijke organisatie ervan.
Voor ons ligt de sleutel van het probleem bij de kwestie dat de uitbreiding in handen gelaten werd van de vakbonden, voor wie het ontketenen van de staking deel uitmaakt van een vast ritueel, met symbolische acties die geenszins de bedoeling hebben een groot aantal arbeiders op de been te brengen, inclusief met hun steun aan de bezetting bij Ssangyong, waarbij ze uitbreiding van de strijd buiten beschouwing laten om hun eigen eisen voorop te stellen. Binnen de fabriek lijkt de vakbond KMWU de situatie globaal onder controle gehad te hebben. Loren Goldner, die in Korea was toen de strijd uitbrak en die in het bedrijf binnen geraakte, geeft de discussie weer die hij had met een arbeiders die aan de bezetting deelnam : “Ik praatte met een arbeider die actief aan de bezetting deelnam en de rol van de vakbond bekritiseerde. Volgens hem behield de KMWU de controle over de staking. Maar in tegenstelling tot de rol van de vakbonden in de strijd bij Visteon in het Verenigd Koninkrijk en in de ontmanteling van de autoindustrie in de Verenigde Staten, heeft de KMWU de illegale acties van bezetting van de fabriek en voorbereiding van haar gewapende verdediging gesteund. Anderzijds, in de onderhandelingen met het bedrijf, heeft hij zich geconcentreerd op de eis niemand te ontslaan en heeft hij zich toegevend opgesteld wat betreft de eisen van werkzekerheid voor allen en tegen de outsourcing.”
De uitbreiding van de strijd mag niet aan de vakbonden overgelaten worden. Ze kan enkel doeltreffend in handen genomen worden door de arbeiders zelf. Wanneer de vakbonden illegale acties steunen en wanneer hun plaatselijke vertegenwoordigers deelnemen aan een strijd, bewijst dat geenszins dat de vakbonden soms aan de kant van de strijd staan. Het bewijst in het beste geval dat de lagere vakbondsleiders, zoals in dit geval de plaatselijke KMWU-secretaris, vaak zelf arbeiders zijn en nog als arbeiders kunnen handelen. In het beste geval ook dient dit enkel om de illusie overeind te houden dat de vakbonden, ten minste op lokaal vlak, nog strijdorganen van het proletariaat zijn.
Goldner trekt volgende conclusies uit de nederlaag: “De nederlaag bij Ssangyong kan niet enkel toegeschreven worden aan de destabiliserende rol van de nationale organisatie van de KWMU die van bij het begin toeliet dat de onderhandelingen gekanaliseerd werden naar het nauw omlijnde doel van 'geen ontslag'... De nederlaag kan ook niet volledig verklaard worden uit het klimaat van economische crisis. Beide factoren speelden zeker een grote rol. Maar torenhoog boven hun onmiskenbaar impact is het de terugval, jaar na jaar, van de Koreaanse arbeidersklasse, vooral tengevolge van de werkonzekerheid, die nu meer dan de helft van de arbeidskracht treft. Duizenden arbeiders uit naburige fabrieken hebben herhaaldelijk hulp geboden aan de staking bij Ssangyong, maar dat was niet voldoende. De nederlaag van de stakers bij Ssangyong, ondanks hun heldenmoed en hun vasthoudendheid, zal de heersende ontmoediging nog vergroten tot een strategie ontwikkeld wordt die een bredere steun op de been kan brengen, niet om gewoonweg defensieve gevechten te leveren, maar om tot het offensief over te gaan.”
Wij gaan zeker akkoord over het feit dat de atmosfeer van economische crisis zeker een verlammend effect heeft op talrijke arbeiders, die enkel kunnen vaststellen dat het wapen van de staking dikwijls niet doeltreffend genoeg is wanneer de fabriek in elk geval toch gaat sluiten, en die zovele bezettingen tegen sluiting door een lange belegering hebben zien wurgen. De ontwikkeling van de werkonzekerheid speelt ook een rol door de arbeidskracht te versnipperen, hoewel we niet denken dat dit een doorslaggevende factor is en dat dit zeker niet enkel telt in het geval van Zuid-Korea. In elk geval is ze een aspect van de crisis zelf, één van de talrijke maatregelen die de bazen nemen om de kost van de arbeidskracht te verlagen en de weerstand te versnipperen.
En tenslotte heeft Goldner gelijk te zeggen dat de arbeiders tot het offensief moeten overgaan, dat wil zeggen dat ze de massastaking moeten aangaan die op termijn tot doel heeft het kapitalisme omver te werpen. Maar juist de ontluikende bewustwording van de omvang van die taak kan in een eerste tijd de arbeiders ook doen aarzelen de strijd aan te gaan.
Eén feit is zeker: de kwestie van de overgang van defensieve naar offensieve strijd kan niet enkel in Korea gesteld worden. Ze zal het resultaat zijn van een internationale rijping van de klassestrijd, en in die zin kunnen de nederlaag bij Ssangyong en de lessen die eruit getrokken kunnen worden een echte bijdrage zijn tot die ontwikkeling n
Amos / 1-09-2009
(1) Dit citaat is afkomstig van Loren Goldner, een geëngageerde intellectueel van Amerikaanse origine die lange tijd in Zuid-Korea gewoond heeft. Hij publiceerde talrijke artikels die vaak op een zeer pertinente manier de crisis van het kapitalisme en de klassenstrijd behandelen, in het bijzonder in Zuid-Korea. Hij heeft met name een gedetailleerde balans opgemaakt van de strijd in de fabriek van Ssangyong, te vinden op libcom.org, en waaruit dit en volgend citaat vandaan komen.
De laatste maanden stonden de boekenrekken vol met inslaande titels van boeken waarop grote portretten van Marx stonden. Er waren er van alle smaken. De bijbelse: 'Marx leeft nog steeds'. De klassieke: 'Marx is terug'. De hoogdravende: 'Marx, de reden van zijn wedergeboorte', Het afgezaagde bij gebrek aan verbeelding: 'De grote terugkeer van Marx'. Of het sobere maar in hoofdletters: 'Marx'(1). Op hun eigen manier, soms gekruid met enkele kritieken, bewierookten alle tijdschriften het genie van de 'grote denker'!
Deze plotse liefde kan ons verassen. Nog maar enkele jaren geleden werd Marx vergruisd als een duivel! Françoise Giroud heeft zelfs een biografie geschreven van Jenny Marx, de vrouw van Karl, met als titel: 'Jenny, de vrouw van de duivel'! Aan hem zouden we de verschrikkingen van het stalinisme, de werkkampen in Siberië en in China, de bloeddorstige dictaturen van Ceausescu of Pol Pot te danken hebben.
Vanwaar deze ommezwaai? Door de economische crisis. De huidige toestand verontrust de arbeidersklasse diep. En een gedeelte onder hen, een klein deel, probeert te begrijpen waarom het kapitalisme aan het wegkwijnen is, hoe verzet te bieden aan de verloedering van de levensomstandigheden, hoe terug te vechten en vooral – wat vandaag het moeilijkste is – uit te zoeken of een andere wereld mogelijk is... En natuurlijk wenden enkelen zich tot Marx. De verkoop van 'Het Kapitaal' heeft trouwens de laatste tijd een zekere opleving gekend. Het gaat niet om een massaal verschijnsel dat heel de arbeidersklasse aangaat, maar het begin van overdenking bij de minderheid, dat soms onderhuids werkt, verontrust de bourgeoisie. De heersende klasse huivert bij de gedachte dat de arbeiders zelf beginnen na te denken! Ze haast zich altijd om ze te overstelpen met haar propaganda, met haar leugens en vandaag met haar visie op Marx, haar visie op het marxisme.Marx voorstellen als de duivel volstaat vandaag niet meer om de meest nieuwsgierigen af te stoten van zijn werk en daarom was de bourgeoisie verplicht om van tactiek te veranderen. Zij is zachtaardig, vriendelijk en eerbiedig en zelfs vol lof geworden tegenover de oude baardige man... om hem meer te van zijn aard te ontdoen en hem te herleiden tot een ongevaarlijk icoon zoals de mummie van Lenin!
Als wij alle tijdschriften moeten geloven was Marx een genie op het economisch vlak (had hij niet lang voor Benedictus XVI de verderfelijke rol van het geld aangeklaagd als belangrijkste overbrenger van het onrecht?), een groot filosoof, een groot socioloog en zelfs een voorloper van de ecologie! De bourgeoisie is er vandaag toe bereid om alle talenten van Marx te erkennen, behalve één, dat hij een groot revolutionair was, een strijder van de arbeidersklasse! En dat het marxisme een theoretisch wapen is dat voor de arbeidersklasse werd gesmeed om het kapitalisme omver te werpen! Of om een uitdrukking van Lenin te hernemen: “Het marxisme is de theorie van de bevrijdingsbeweging van het proletariaat”(2).
De arbeidersklasse wint Marx voor het marxisme!
Marx werd niet geboren als kommunist, Hij is het geworden, en het is de arbeidersklasse die hem 'bekeerd' heeft. Als jongeling stond Marx zelfs zeer kritisch tegenover de kommunistische theorieën. Ziehier wat hij toen beweerde:
- Men “zou de kommunistische theorieën, onder hun huidige vorm zelfs niet kunnen opvatten als een theoretische realiteit, en dus nog minder hun praktische verwezenlijking wensen, of ze eenvoudigweg voor mogelijk houden”(3).
- Of nog, het kommunisme is “een dogmatische abstractie”(4).
In het begin beoordeelde Marx de 'kommunistische ideeën' dus als idealistisch en dogmatisch. Waarom? Sinds er onderdrukten waren op aarde, dromen de mensen van een betere wereld, van een soort paradijs op aarde, van een gemeenschap waar alle mensen gelijk zouden zijn en waar sociale rechtvaardigheid zou heersen. Dat was waar voor de slaven. Dat was waar voor de lijfeigenen (de boeren). Bij de grote Spartacusopstand tegen het Romeinse Rijk hebben de slaven geprobeerd om gemeenschappen op te richten. De eerste christelijke gemeenschappen predikten de universele menselijke broederschap en hebben geprobeerd om een communisme van goederen in te voeren. John Ball, één van de leiders van de grote boerenopstand in Engeland in 1381 (en er zijn talloze boerenopstanden geweest tegen het feodalisme) zei: “Niets zal in Engeland goed kunnen gaan zolang als alles niet gemeenschappelijk wordt beheerd ; wanneer er geen lords noch vazallen meer zullen zijn”. Jammer genoeg kon het slechts beperkt blijven tot een mooie droom. In het oude Griekenland of in Rome, in de Middeleeuwen, was de opbouw van een kommunistische wereld onmogelijk. Eerst en vooral produceerde de maatschappij niet genoeg om te voldoen aan het geheel van de behoeften. Er was slechts een minderheid die 'comfortabel' kon leven, door de meerderheid uit te buiten. Vervolgens bestond er geen sociale kracht die machtig genoeg was om een wereld van gelijken op te bouwen: de slaven of de boeren konden zich enkel laten afslachten bij elke opstand. Kortom, de 'kommunistische ideeën' konden allen maar utopisch zijn.
En de arbeidersklasse, die als klasse zelf wordt uitgebuit, nam deze oude droom voor haar rekening. In de 18e en in het begin van de 19e eeuw heeft zij in Engeland, en vooral in Frankrijk, geprobeerd om hier en daar gemeenschappen op te richten. Denkers hebben geprobeerd om, vertrekkend van verbeelding, een perfecte wereld uit te werken. Het was trouwens om die reden dat Marx aan 'utopisch' ook het bijvoeglijk naamwoord 'dogmatisch' toevoegde. Deze 'kommunistische ideeën' waren dogmatisch, omdat zij lukraak werden uitgedacht, vertrekkend van eeuwige en onveranderlijke idealen zoals Rechtvaardigheid, het Goede, de Gelijkheid... Ze werden niet geleidelijk opgebouwd, met een voortdurende wisselwerking tussen de materiële werkelijkheid en de hersenen van de mensen, maar de werkelijkheid moest zich plooien naar de eisen van de gedachten en hun verlangens naar Rechtvaardigheid, naar Gelijkheid...
Maar waarom zal Marx dan uiteindelijk zijn leven gaan wijden aan de strijd voor het kommunisme? In feite zal het zien van wat de arbeidersklasse is en het beleven van haar stakingen, hem totaal overrompelen. Via de strijd van de Silezische wevers van 1844 of even later die van het proletariaat in Frankrijk in 1848, gaat Marx ontdekken wat de arbeidersklasse is en wat haar strijd is. En hij gaat in de werkelijkheid van deze strijd de onmisbare motor ontdekken van de omvorming van de wereld, een levende belofte voor de toekomst, een mogelijkheid om voor het eerst in de geschiedenis de stap te zetten naar het kommunisme. Hieronder volgen enkele lijnen die aantonen hoezeer Marx werd getroffen door wat hij beleefde: “Wanneer de kommunistische arbeiders bijeenkomen, dan gaat hun intentie allereerst naar de theorie, naar de propaganda, enz. Maar tegelijk maken zij zich op die manier een nieuwe noodzaak eigen, de noodzaak van de maatschappij als geheel. (...) De gemeenschap, de vereniging, de conversatie die gericht is op het geheel van de maatschappij maakt hen gelukkig ; voor hen is de menselijke broederlijkheid geen holle frase, maar een waarheid, en uit hun door het werk geharde figuren, straalt de adel van menselijkheid op ons af”(5).
Het is een beetje lyrisch, maar wat Marx hier ziet is dat het proletariaat, in tegenstelling tot de uitgebuite klassen van het verleden een klasse is die werkt op een geassocieerde manier. Om te beginnen wil dit zeggen dat zij haar onmiddellijke belangen slechts kan verdedigen door middel van een geassocieerde strijd die haar krachten bundelt, Maar dat wil ook zeggen dat het uiteindelijke antwoord op haar levensvoorwaarden als uitgebuite klasse enkel kan liggen in het scheppen van een werkelijke menselijke gemeenschap, van een maatschappij die gegrondvest is op de vrije samenwerking, En vooral dat deze 'associatie' voor het eerst 'de middelen voor haar ambities' heeft, omdat ze kan steunen op de enorme vooruitgang die verwezenlijkt werd door de kapitalistische industrie. Technisch gezien is de overvloed mogelijk. Met de vooruitgang die geleverd werd door het kapitalisme, is het mogelijk om te voldoen aan de noden van heel de mensheid. Dat alles heeft Marx ingezien dank zij [de strijd van] de arbeidersklasse.
Het marxisme is een theoretisch wapen dat enkel kon gesmeed worden door de arbeidersklasse
Wij kunnen het als volgt samenvatten: vertrekkend van het standpunt van de arbeidersklasse en door zich aan te sluiten bij haar revolutionaire strijd, voortvloeiend uit de vergelijking van enerzijds het revolutionaire potentieel van het proletariaat en anderzijds van de tegenstrijdigheden die het kapitalisme treffen, zijn Marx, maar natuurlijk ook Engels, er stilaan toe gekomen te begrijpen dat het communisme tegelijk mogelijk en noodzakelijk werd. Mogelijk en noodzakelijk dank zij:
1. de ontwikkeling van de productiekrachten op wereldschaal; zonder die is er geen overvloed noch volledige voldoening mogelijk van de menselijke behoeften;
2. het ontstaan van het proletariaat, de eerste uitgebuite klasse, die door haar botsing met dit wereldkapitaal ertoe gebracht wordt om de grafdelver te worden van de oude wereld;
3. de uiteraard voorbijgaande aard van het kapitalisme.
Marx en Engels zouden dat alles nooit begrepen hebben als zij niet, voor alles, strijders geweest waren van de arbeidersklasse! Inderdaad, enkel een klasse wier ontvoogding noodzakelijkerwijze gepaard gaat met die van de hele mensheid, wier heerschappij geen nieuwe uitbuiting inluidt maar de afschaffing van alle uitbuiting, kon een marxistische benadering hebben van de menselijke geschiedenis en de sociale verhoudingen. Alle andere klasse waren, en zijn daartoe steeds onmogelijk in staat. Zoals eerder gezegd, kon voor de slaven en de lijfeigenen een andere wereld slechts in de verbeelding bestaan. Hun optreden, hun denken, kon dus om deze reden enkel utopisch, idealistisch zijn. Wat de heersende klassen betreft, de meesters, de adel en de bourgeois, voor hen was en is het onmogelijk om de werkelijkheid onder ogen te nemen, om objectief de evolutie van de menselijke geschiedenis en van hun eigen wereld te bestuderen, want dan zouden zij er onvermijdelijk toe gedwongen worden om te onderkennen dat hun klasse, hun wereld, hun voorrechten gedoemd zijn of waren om te verdwijnen.
De adel dacht dat zij bekleed was met een goddelijk en dus eeuwig gezag. Hoe had hij dan ook maar een sikkepit kunnen begrijpen van de evolutie van de menselijke maatschappijen ?
Ziehier nog een ander meer concreet voorbeeld uit de actualiteit. Marx wordt vandaag door alle economisten begroet die in zijn beroemd werk 'Het Kapitaal' de oplossingen gaan zoeken om het hoofd te bieden aan de huidige crisis. Dat lijkt heel erg op het zoeken naar de Graal, ijdel en irrationeel. Deze economisten kunnen massa's bladzijden van 'Het Kapitaal' lezen en herlezen, ze in alle richtingen verdraaien, maar ze zullen er geen drup levenselixir kunnen uitwringen om het bestaan van het kapitalisme eeuwig te rekken. Wel integendeel! Als Marx zich verdiept heeft in de economie, was het juist om te begrijpen via welke mechanismen het kapitalisme van binnenuit aangevreten wordt en dus veroordeeld is om ten onder te gaan. Het ging er niet om redmiddelen te ontdekken voor de ziekten van het kapitalisme maar om het te bestrijden en zijn omverwerping voor te bereiden. Al deze doktoren in de wetenschappen en andere specialisten van het ideologisch rookgordijn zullen nooit iets snappen van de economische werken van Marx, want zijn conclusies zijn voor hen uiteraard onaanvaardbaar en onverdraaglijk!
Een wetenschappelijke en objectieve houding aannemen over het vraagstuk van de menselijke maatschappijen, over het sociale vraagstuk, betekent inzien dat er een primitief kommunisme bestaan heeft, vervolgens de slavenmaatschappij, daarop de feodaliteit, dan het kapitalisme (en misschien daarna het communisme) omdat onze productiecapaciteiten evolueerden, omdat de wijze waarop de maatschappij zich moest organiseren om te produceren – onze productieverhoudingen – gelijke tred moesten houden en dat alles tenslotte belichaamd werd via de geschiedenis van de klassenstrijd. Men begrijpt waarom het marxisme – deze 'wetenschappelijke en objectieve benadering van het vraagstuk van de geschiedenis van de menselijke maatschappijen en van het sociale vraagstuk' – voor de bourgeoisie noodgedwongen ontoegankelijk is... Doodeenvoudig omdat de logische gevolgtrekking uit deze benadering is dat het kapitalisme moet verdwijnen en daarbij alle voorrechten van de bourgeoisie!
Het marxisme: een revolutionaire en levende wetenschappelijke methode
Door ons vandaag lukraak met Marx en het marxisme om de oren te slaan, probeert de bourgeoisie dat alles te verbergen achter haar leugens en vervalsingen, Zoals Lenin zei: “De grote revolutionairen zijn altijd vervolgd geweest tijdens hun leven: hun doctrine is altijd ten prooi gevallen aan de meest wrede haat, aan leugencampagnes en de allerlaagste laster vanwege de heersende klassen. Na hun dood probeert men hen te veranderen in onschadelijke iconen, hen als het ware heilig te verklaren, hun naam te versieren met een aureool van glorie als troost voor de onderdrukte klassen en om ze te bedriegen en tegelijkertijd verminkt men het wezen van hun revolutionaire boodschap, waarvan men de scherpe kant afstompt, die men in diskrediet brengt”(6). Dit einde van de zin is bijzonder van toepassing op de huidige propaganda: “ men verminkt het wezen van hun revolutionaire boodschap, waarvan men de scherpe kant afstompt, die men in diskrediet brengt”. Wij moeten in tegendeel onderstrepen dat Marx een revolutionaire strijder was, Meer zelfs: enkel een revolutionaire militant kan een marxist zijn. Deze eenheid tussen gedachte en daad vormt juist de grondslag van het marxisme. Dat is ook wat Marx zei: “Tot nu toe hebben de filosofen niets anders gedaan dan de wereld op verschillende manieren te interpreteren, het komt er nu op aan hem te veranderen”(7), of nog: “De theoretische opvattingen van de kommunisten berusten geenszins op ideeën, op beginselen uitgevonden door de een of andere wereldhervormer. Zij zijn de algemene uitdrukking van werkelijke omstandigheden van de bestaande klassenstrijd, van een historische beweging die zich voor onze ogen afspeelt”(8).
Het marxisme is noch een universitaire discipline noch de zoveelste wijze en ongevaarlijke theorie, noch een utopie, noch een ideologie, noch een dogma. Wel in tegendeel! Wij hernemen hier de vlammende stijl van Rosa Luxemburg en sluiten af met dit laatste citaat: “Het marxisme is geen kapel waar men brevetten aflevert van 'expertise' en waarvoor de massa van gelovigen haar blind vertrouwen moet uiten, Het marxisme is een revolutionaire opvatting van de wereld, die onafgebroken vecht voor het verwerven van nieuwe resultaten, een opvatting die vastgeroeste en definitieve formules verwerpt en die haar levenskracht slechts kan bewijzen via het gekletter van de wapens van de zelfkritiek onder de donderslagen van de geschiedenis”(9) n
Pavel / 08.10.2009
1) Respectievelijk: Challenges (decembver 2007), Courrier International (juli 2008), Magazine Littéaire (oktober 2008), Le Nouvel Observateur (augustus 2009), Le Point (speciale buiten serie van juni/juli 2009),
2) Het bankroet van de Tweede Internationale, 1915
3) Het kommunisme en de Allgemeine Zeitung van Augsburg
4) Brief aan A. Ruge
5) Filosofische en Economische Manuscripten, 1844,
6) Lenin, 'Staat en Revolutie',
7) Stellingen over Feuerbach
8) Het Kommunistisch Manifest
9) Rosa Luxemburg, 'De accumulatie van het Kapitaal'
De bourgeoisie en de pers die haar ter beschikking staat, maken zich ongerust over de ‘terugkeer van het marxistisch gedachtegoed' of over de ‘actualiteit van Marx en van het marxisme' en dit minder dan twintig jaar nadat zij zo triomfantelijk de ‘dood van het marxisme en van het communisme' hadden uitgeroepen, dat zij met veel tamtam hadden proberen te begraven na het ineenstorten van het Oostblok en de stalinistische regimes. Dat zij nu weer sidderen is niet verwonderlijk. We bevinden ons op een moment waarop, tegenover de ontketening van de crisis en de monsterachtige verschrikkingen die dit rottend systeem begaat, de internationale heropleving van de arbeidersstrijd de proletariërs aanzet tot een bewustwording van het feit dat er een perspectief bestaat dat aan de mensheid een uitweg kan bieden uit de impasse waarin het kapitalisme haar gestort heeft.
Sommigen spuwen hun gif uit door hun voorouderlijke haat en hun ziekelijke afkeer voor Marx en de revolutionairen uit te roepen en doen gewoon voort met hen door de modder te sleuren en te belasteren. De grootste leugen van de geschiedenis, die de hele 20e eeuw door werd gepropageerd, passen zij aan de smaak van de dag aan: de identificatie van Marx, het marxisme, het communisme en van de arbeidersklasse, aan één van de ergste vormen van de contrarevolutie, de stalinistische terreur. Net als ratelslangen, blijven ze met hun ideologische aanhangsels heftig te keer gaan. Ze beklagen zich over de ‘gevaarlijke terugkeer van de totalitaire ideologie', die volgens hen gekoppeld is aan de ‘uitspattingen van het liberalisme' en aan de duidelijke toename van de sociale ongelijkheid. Dezelfde angst voor de proletarische revolutie vinden we in feite terug bij al diegenen die Marx bewieroken om hem zo te bestrijden door zich hem toe te eigenen. Zo ziet men steeds meer journalisten en universitairen die er niet voor terugschrikken hem te bewieroken om hem vervolgens tot de profetische leermeester van de ‘alter-mondialisten' te maken, of nog tot de voorloper van de groenen. Dat illustreert eens te meer de noodzakelijke waakzaamheid, die Lenin met zoveel scherpzinnigheid formuleerde:
"De grote revolutionairen werden bij hun leven voortdurend vervolgd door de onderdrukkende klassen, die hun leer met de ruwste kwaadaardigheid, de woedendste haat en een teugelloze leugen- en lastercampagne bejegenden. Na hun dood worden pogingen gedaan hen in onschadelijke afgodsbeeldjes te veranderen, hen als het ware heilig te verklaren en hun naam een zekere wijding te verlenen tot ‘vertroosting' van de onderdrukte klassen en om hen daarmee beet te nemen, terwijl hun revolutionaire leer van haar inhoud en van haar revolutionaire scherpte wordt ontdaan en wordt gevulgariseerd.". (‘Staat en Revolutie', hoofdstuk 1).
Dit bijna profetische citaat bleek heel steekhoudend in de voortdurende leugens die alle stalinistische regimes van de wereld, die vijftig jaar lang heersten, gebruikten om de wrede uitbuiting van de proletariërs te rechtvaardigen door de lof te zingen over de grote revolutionairen. Door misbruik te maken van Marx en Engels, door ze te balsemen zoals Stalin heeft gedaan met Lenin, door voor hen standbeelden op te richten, legden zij zich er systematisch op toe om de revolutionaire inhoud van hun ideeën en activiteiten af te stompen, leeg te zuigen of te vervormen. Ze werden daarbij geholpen en aangevuld door de ‘democratische' bourgeoisie die het absolutisme en de ‘marxistische' onderdrukking van de landen onder de stalinistische knoet maximaal en openlijk in de verf zetten.
En als de bourgeoisie vandaag nog probeert om van Marx een ‘ongevaarlijk' icoon te maken, is dat omdat hij wel degelijk een waarachtig revolutionair was die zijn leven lang de meest hardnekkige strijd leverde tegen het kapitalisme. In die mate zelfs dat zijn werk en methode een zodanige revolutionaire kracht blijken te omvatten dat ze tot op vandaag nog altijd als het meest wezenlijke wapen voor de proletarische strijd worden beschouwd voor de omverwerping van het kapitalisme. Voor heel de bourgeoisie geldt, meer dan ooit, de eerste zin van het Communistisch Manifest "Een spook waart door Europa [en vandaag de hele wereld]: het spook van het communisme".
W / 20.09.2008
1 Zie Révolution Internationale nr. 366, maart 2006, ‘In verband met het boek van Attali: Was Marx een democraat of een revolutionair?'
Tussen 1998 en 2003 heeft de RDC, met de hulp van Angola, Namibië en Zimbabwe, de aanvallen uit Rwanda en Oeganda afgeslagen, en de vijandelijkheden zijn sindsdien blijven voortduren, vooral in Kivu. Ze bereikten het punt waarop in januari 2008 een vredesakkoord getekend werd met een complete wapenstilstand tussen de gewapende groepen.
Dat hield niet lang stand: in augustus waren opnieuw gevechten uitgebroken tengevolge van de aanvallen die het Nationaal Congres van de verdediging van het volk van Laurent Nkunda, een militie met 5500 manschappen, uitvoerde op steden, militaire kampen en vluchtelingenkampen. De verplaatsing van grote delen van de bevolking werd daardoor nog erger. 850.000 mensen waren hun woonplaats al ontvlucht gedurende de vorige twee jaren van conflict. Sinds augustus gingen nog eens 250.000 op de vlucht voor de gevechten, voor velen onder hen al voor de tweede of derde keer. In heel de RDC zijn er 1,5 miljoen vluchtelingen en 300.000 mensen zijn het land ontvlucht.
Nu Goma, de hoofdstad van Noord-Kivu, belegerd wordt door de troepen van Nkunda, en ook voor een stuk geterroriseerd door de Congolese soldaten die plunderen en verwoesten tijdens hun aftocht, bestaat er groot gevaar op een heroplaaien van de totale oorlog. Sinds 1998 vielen er al 5,4 miljoen doden, door de oorlog en door het geweld dat ermee samenhangt, door hongersnood en ziekten. De directeur van het Internationaal hulpcomité stelt dat "Congo het meest moordende conflict ter wereld is van de laatste 60 jaar" (Reuters).
Om de misdadige verantwoordelijkheid van de grootmachten te verbergen, stellen de burgerlijke media het bloedig conflict systematisch voor als een 'etnische oorlog' (anders gezegd een 'oorlog tussen wilden'). Het conflict lijkt inderdaad op confrontaties tussen etnieën die weerwraak op elkaar nemen. Laurent Nkunda schreeuwt luid en duidelijk dat zijn troepen in Noord- en Zuid-Kivu optreden omdat de RDC nagelaten heeft een aantal hutu-fracties voor het gerecht te brengen. De rol van groepen zoals de Democratische bevrijdingstroepen van Rwanda, waarvan het aandeel in de genocide van 800.000 Tutsi's voldoende gekend is, is echter dezelfde als die van de eigen troepen van Nkunda, die systematisch plunderen, verkrachten en moorden op hun weg door het land . Het zou niet de eerste keer zijn dat een oproep om 'het volk te verdedigen' in werkelijkheid enkel dient om de bevolking te terroriseren. Zowel in Rwanda als in de RDC blijft het aanzetten tot etnische haat en het verlangen naar wraak de situatie vergiftigen.
Want in werkelijkheid zijn het niet de bevolkingsgroepen van deze streek, arm, overuitgebuit en onderdrukt door hun regeerders en door gewapende bendes, die oorlog voeren. Zij worden integendeel als instrumenten gebruikt, door de imperialistische grootmachten die de plaatselijke Afrikaanse regimes en hun tegenstanders ondersteunen. Duidelijk gezegd: het zijn de grootmachten die openlijk of onderhands de criminele regimes en hun tegenstanders van op afstand leiden en die vandaag op massaschaal de bevolking blijven uitmoorden.
We moeten in het bijzonder op het misdadig cynisme wijzen van de Franse en Belgische overheden. In een echo van president Sarkozy, die in stilte Angola aanzet militair in te grijpen aan de kant van het Congolese regime (dat door Parijs gesteund wordt), onderscheidde Bernard Kouchner, Frans minister van buitenlandse zaken, zich weer eens door zich te gedragen als de cynische oorlogspoliticus. Van bij het heruitbreken van de moordpartijen op 29 oktober, riep hij als eerste publiekelijk op militaire versterkingen (1500 man) naar Kivu te sturen met als reden dat "dit een moordpartij is zoals er waarschijnlijk nooit een geweest is in Afrika".
De RDC is een territorium dat 90 keer zo groot is als Rwanda, met een bevolking die 6 keer zo talrijk is, maar ze beschikt over een betrekkelijk kleine militaire macht, zelfs met de bijstand van 17.000 UNO troepen. De snelle terugtrekking van haar leger voor het nieuwe offensief laat weinig twijfel bestaan. De staat van dit leger in ontbinding weerspiegelt de toestand waarin de heersende klasse zich bevindt die de grenzen van het land, of wie haar oversteekt, niet meer controleert. De realiteit van dozijnen zwaarbewapende groepen, waarvan de meeste gesteund worden door landen als Rwanda en Oeganda, en waarvan sommige zich meer toeleggen op de etnische conflicten, en andere eerder op de winst die ze kunnen slaan uit de exploitatie van natuurlijke rijkdommen, is een uitdrukking van het feit dat de kapitalistische maatschappij steeds meer kenmerken van gangsterisme aanneemt. In een wereld die beheerst wordt door het 'elk voor zich', kan de regering van de RDC de situatie niet langer onder controle houden, en kunnen de gewapende bendes geen andere ambitie hebben dan nog machtiger te worden, willen ze overleven.
Onder toezicht van de UNO sinds 1994 (jaar van de 'Rwandese genocide'), volgen
de oorlogen en 'vredesakkoorden' elkaar op in het gebied van de Grote Meren,
ondanks de resoluties en tussenkomsten van die UNO. Het is duidelijk dat zijn
voornaamste rol erin bestaat de ware reden van de tussenkomst van de grote
mogendheden in dit gebied te verbergen en de gewetens te sussen die door haar
eigen misdaden geschandaliseerd zijn. De aanwezigheid van de UNO-troepen in de
RDC kan zo samengevat worden: "de meest ambi-tieuze UNO-missie ter
handhaving van de vrede, waarbij 17.000 manschappen ontplooid worden in het
land. Anderzijds zijn de resultaten die deze missie bereikt heeft misschien nog
verontrustender. Niet alleen hebben de blauwhelmen getoond dat ze niet in staat
zijn het oprukken van de rebellen te stoppen, ze zijn er evenmin in geslaagd de
burgerbevolking te beschermen, wat nochtans hun opdracht was." (Courrier
international, 7 november 2008)
De UNO is niet enkel nutteloos, ze is ronduit misdadig. In feite zijn de 17.000
man niet ter plaatse om de bevolking te beschermen, zoals dat 'instituut'
beweert, maar om 'legaal' de misdaden toe te dekken van de verschillende
promotoren die schuil gaan achter de 'humanitaire hulp', onder het valse
voorwendsel dat de blauwhelmen niet het mandaat hebben de confrontatie aan te
gaan met gewapende groepen. Dat was ook al het geval aan de vooravond van de
monsterachtige moordpartijen in Rwanda, waar de UNO-soldaten (met de Belgische
blauwhelmen aan het hoofd) zich door hun regeringen lieten evacueren zodra de
fameuze 'machettes' op het toneel verschenen. Recenter, in 2004, was het onder
de ogen van de blauwhelmen dat de bevolking afgemaakt werd tijdens de gevechten
om de controle over de stad Bukavu.
Zo begrijpt men beter waarom zoveel inwoners openlijk hun ware 'valse beschermers' van de UNO verwerpen en hen met stenen en andere projectielen bekogelen wanneer ze voorbijkomen, uit protest tegen hun misdadige passiviteit.
Maar alles bij elkaar genomen zijn de bevolking van de RDC en met haar de arbeidersklasse, nog niet aan het einde van hun beproevingen. Inderdaad, hoewel ze compleet geruïneerd en in totale ontbinding ligt na 12 jaar massale verwoestingen, zal de RDC nog steeds, en meer dan ooit, aasgieren blijven lokken die op bloed uit zijn. Aan de ene kant omdat de grond er vol zit met grondstoffen, de meest gegeerde op de wereldmarkt (vooral diamant, kobalt, koper, goud en coltan - een metaalerts dat gebruikt wordt in gevorderde elektronica), aan de andere omdat het met zijn immens territorium (4 keer zo groot als Frankrijk) van groot strategisch belang is. Congo-Kinshasa, en heel de regio, blijft een bevoorrecht doelwit van alle imperialistische mogendheden die elkaar met hand en tand bestrijden. Het kapitalisme is niet enkel in economische crisis, het is ook de dodenakker die invreet op de oppervlakte van de planeet.
Caramina / 21.11.2008
Op 4 november 1918 sloegen duizenden matrozen aan het muiten in Kiel, een Duitse haven aan de Baltische zee, tegen het militair bevel scheep te gaan voor een zoveelste zeeslag.
Zo werd een hoogtepunt bereikt in de ontevredenheid en de verwerping van de oorlog. Na vier jaar van moorden met meer dan 20 miljoen doden, ontelbare gewonden, de uitputtende loopgravenoorlog waarin de verliezen groot waren, met de mosterdgasaanvallen in Noord-Frankrijk en België, het uithongeren van de arbeidersbevolking; na die eindeloze slachting was de arbeidersklasse de oorlog hartsgrondig beu en wilde ze zichzelf niet langer opofferen voor de imperialistische oorlog. De legerleiding wilde de voortzetting van de oorlog nochtans afdwingen met brutale repressie en stond klaar om de muitende matrozen genadeloos af te straffen.
In reactie daarop ontplooide zich een brede golf van solidariteit, die vanuit Kiel snel uitbreidde naar andere steden in Duitsland. Arbeiders legden hun werktuigen neer, soldaten weigerden bevelen op te volgen, en ze vormden arbeiders- en soldatenraden, zoals ze in januari 1918 al gedaan hadden in Berlijn, die ook snel in andere steden opdoken. Op 5-6 november kwamen Hamburg, Bremen en Lübeck in beweging; Dresden, Leipzig, Magdeburg, Frankfurt, Keulen, Hannover, Stuttgart, Nüremberg en München werden op 7-8 november overgenomen door arbeiders- en soldatenraden. Binnen een week was er geen grote Duitse stad meer zonder arbeiders- en soldatenraad.
Tijdens deze beginfase werd Berlijn al snel het centrum van de opstand : "Op 9 november kwamen duizenden arbeiders en soldaten de straat op in massale betogingen. Slechts even tevoren had de regering 'betrouwbare' bataljons bevel gegeven snel naar de hoofdstad op te rukken om de regering te beschermen. Maar op de ochtend van 9 november liepen de fabrieken aan hoog tempo leeg. De straten vulden zich met grote mensenmassa's. Aan de rand van de stad, waar de grootste fabrieken lagen, werden grote betogingen gevormd die op weg naar het centrum met elkaar versmolten. Waar er soldaten bijeenkwamen, was het meestal niet nodig een speciale oproep te lanceren : ze sloten zich vanzelf bij de marsen van de arbeiders aan. Mannen, vrouwen, soldaten, gewapende mensen, vloeiden door de straten naar de nabijgelegen kazernes." (R. Müller, November Revolution, Vol. 2, p.11) Onder invloed van de overvloedige massa's die bijeen waren in de straten veranderden de laatste resten van troepen die nog regeringsgetrouw waren van kamp; ze sloten zich bij de muiters aan en droegen hun wapens aan hen over. Het politiehoofdkwartier, de drukkerijen van de grote kranten, de telegraafkantoren, de gebouwen van parlement en regering werden allemaal op diezelfde dag bezet door bewapende arbeiders en soldaten; gevangenen werden bevrijd. Veel regeringspersoneel liep weg. Enkele uren volstonden om deze posten van burgerlijke macht te bezetten. In Berlijn werd een centrale raad van arbeiders- en soldatenraden gevormd - de Vollzugsrat (uitvoerende raad).
Zo volgden de arbeiders in Duitsland in de voetstappen van hun klassebroeders en -zusters in Rusland, die in 1917 ook arbeiders- en soldatenraden gevormd hadden en in Oktober 1917 met succes de macht gegrepen hadden. De arbeiders in Duitsland stapten bijna dezelfde weg op als de arbeiders in Rusland : het kapitalistisch systeem overwinnen door de macht te grijpen doorheen de arbeiders- en soldatenraden, nadat de arbeiders in Rusland de eerste stap gezet hadden in die richting.
Met deze opstandige beweging begonnen de arbeiders in Duitsland de grootste massastrijd ooit in Duitsland. Alle akkoorden inzake 'sociale vrede' die de vakbonden gedurende de oorlog aanvaard hadden werden door de arbeidersstrijd kapotgeslagen. Door op deze wijze in opstand te komen, schudden de arbeiders in Duitsland de gevolgen van zich af van de nederlaag van augustus 1914. Het fabeltje dat de arbeidersklasse in Duitsland volledig verlamd was door het reformisme vloog aan stukken. De arbeiders in Duitsland gebruikten dezelfde strijdmethodes die de vervalperiode gingen kenmerken en die eerder al getest waren door de arbeiders in Rusland in 1905 en 1917 : massastakingen, algemene vergaderingen, vorming van arbeidersraden, kortom het zelfinitiatief van de arbeidersklasse. Naast de arbeiders in Rusland vormden de arbeiders in Duitsland de speerpunt van de eerste grote internationale golf van revolutionaire strijd die opdook uit de oorlog. In Hongarije en Oostenrijk kwamen de arbeiders ook in opstand in 1918 en begonnen ze arbeidersraden te vormen.
Terwijl de proletarische initiatieven uitbreiding namen, bleef de heersende klasse niet passief toekijken. De uitbuiters en het leger hadden een kracht nodig die in staat was de beweging te saboteren en om te buigen. Ze hadden geleerd uit de ervaring in Rusland, en de Duitse bourgeoisie nam de touwtjes in handen via de leiders van de militaire staf. Generaal Groener, opperbevelhebber van het leger, stelde het later zo : "In Duitsland was er geen partij die genoeg invloed had op de massa's om de regeringsmacht te herstellen met het militair opperbevel. De rechtse partijen waren in elkaar gezakt en natuurlijk was het ondenkbaar een verbond te sluiten met uiterst links. Het militair opperbevel had geen andere keuze dan een verbond aan te gaan met de Sociaal-Democratie. We verenigden ons in onze gemeenschappelijke strijd tegen de revolutie, in onze strijd tegen het Bolsjewisme. Het was ondenkbaar te streven naar het herstellen van de monarchie. Het doel van ons verbond dat we in de avond van 10 november vormden was : totale strijd tegen de revolutie, herinstellen van een regering van orde, ondersteunen van de regering door de macht van de troepen en het zo spoedig mogelijk vormen van een nationale assemblee." (W. Groener over het akkoord tussen het Militair Opperbevel en F. Ebert op 10 november 1918)
Om te fout te vermijden die de heersende klasse in Rusland gemaakt had na de Februari-opstand, toen de Voorlopige Regering de imperialistische oorlog voortzette en zo het verzet van arbeiders, boeren en soldaten tegen het regime nog aanscherpte en zo de weg voorbereidde voor een succesvolle opstand in Oktober 1917, reageerde de kapitalistische klasse in Duitsland snel en op een meer doortrapte wijze. Op 9 november werd de Keizer gedwongen af te treden en werd hij het land uit gestuurd. Op 11 november werd de Wapenstilstand getekend, wat hielp om de doorn van de oorlog uit het vlees van de arbeidersklasse te verwijderen, de eerste factor die de arbeiders en soldaten er toe gebracht had de strijd aan te gaan. Zo slaagde de heersende klasse in Duitsland erin in dit vroege stadium de revolutie de wind uit de zeilen te halen. Maar naast de gedwongen troonsafstand van de Keizer en het tekenen van de wapenstilstand, was het overhandigen van de regeringsmacht aan de Sociaal-Democratie een beslissende stap in het saboteren van de strijd.
Op 9 november vormden drie leiders van de SPD (Ebert, Scheidemann, Landsberg), samen met drie leiders van de USPD (Onafhankelijke Sociaal-Democratische Partij (1), de Raad van Volkscommissarissen, in werkelijkheid een bourgeoisregering die het kapitalisme loyaal diende. Terwijl Karl Liebknecht, de bekendste Spartakistenleider, voor duizenden arbeiders de Socialistische Republiek uitriep en opriep tot eenmaking van de arbeiders in Duitsland met de arbeiders in Rusland, proclameerde SPD-leider Ebert een 'vrije Duitse Republiek' met de Raad van Volkscommissarissen aan het hoofd ervan. Deze zelfverklaarde (bourgeois) regering was in het leven geroepen om de beweging te saboteren. "Door in de regering te stappen snelt de Sociaal-Democratie het kapitalisme ter hulp en gaat ze de confrontatie aan met de opkomende proletarische revolutie. De proletarische revolutie zal over haar kadaver heen moeten stappen", zo had Rosa Luxemburg al in oktober gewaarschuwd in de Spartakusbrieven. En op 10 november waarschuwde de Rote Fahne (Rode Vlag), het blad van de Spartakisten : "Gedurende vier jaar hebben de Scheidemannen, de regeringssocialisten, jullie de verschrikkingen van de oorlog ingeduwd; ze zeiden jullie dat het nodig was het 'vaderland' te verdedigen, terwijl het niets anders was dan een strijd voor puur kapitalistische belangen. Nu het Duits imperialisme in elkaar stuikt, proberen ze voor de bourgeoisie te redden wat er te redden valt en doen ze hun best om de revolutionaire energie van de massa's te verpletteren. Geen eenheid met hen die jullie al vier jaar lang verraadden. Weg met het kapitalisme en zijn vertegenwoordigers."
Maar de SPD probeerde de reële klassenscheiding nu te verbergen. De SPD kwam aanzetten met de slogan 'geen broedermoord'. Ze schreef : "als één groep vecht tegen een andere groep, als één sekte vecht tegen een andere sekte, dan krijgen we een Russische chaos, algemene neergang, ellende in plaats van geluk. Zal de wereld, na de fantastische zege van de troonsafstand van de Keizer, nu getuige zijn van het spektakel van zelfverminking van de arbeidersklasse in een zinloze broedermoord ? Gisteren toonde de noodzaak aan van interne eenheid van de arbeidersklasse. Uit bijna alle steden horen we de roep tot herstel van de eenheid tussen de oude SPD en de pas opgerichte USPD." (Vorwärts, 10-11-1918) Voortbouwend op deze illusies van eenheid tussen SPD en USPD, drong de SPD er bij de Berlijnse Arbeiders- en Soldatenraad op aan dat, omdat de Raad van Volkscommissarissen samengesteld was uit drie leden van SPD en USPD elk, de afgevaardigden naar de Berlijnse arbeidersraad ook volgens die verhouding tussen de partijen samengesteld zouden worden. Het schopte het zelfs zo ver een mandaat te krijgen van de Berlijnse Arbeiders- en Soldatenraad om "de voorlopige regering te leiden" die in werkelijkheid de kracht was die zich rechtstreeks opstelde tegen de arbeidersraden. Rosa Luxemburg maakte later de balans op van de strijd in deze fase : "We konden moeilijk verwachten dat in het Duitsland dat het vreselijk spektakel gekend had van 4 augustus, en dat gedurende meer dan vier jaar de oogst binnenhaalde die op die dag gezaaid werd, er plots op 9 november 1918 een glorieuze revolutie kon opduiken, geïnspireerd op klaar klassebewustzijn, en gericht op een duidelijk omschreven doel. Wat op 9 november gebeurde was in kleine mate de zege van nieuwe principes; het was weinig meer dan een ineenstorting van het bestaande systeem van imperialisme. De tijd was rijp voor de ineenstorting van het imperialisme, een reus op lemen voeten, die van binnenuit verbrokkelde. Het gevolg van die ineenstorting was een min of meer chaotische beweging, die zogoed als niet over een beredeneerd plan beschikte. De enige bron van eenheid, het enige persistente en reddende principe was het wachtwoord 'Van arbeiders- en soldatenraden'." (Stichtingscongres van de KAPD, 1918/19)
In november en december, toen het revolutionair elan van de soldaten begon weg te ebben, begonnen zich meer stakingen te ontwikkelen in de fabrieken. Maar deze dynamiek stond pas bij zijn begin. En op dat moment was de radenbeweging onvermijdelijk nog versnipperd. De SPD greep haar kans en nam het initiatief tot het bijeenroepen van een nationaal congres van arbeiders- en soldatenraden, dat zou doorgaan in Berlijn op 16 december. Dus op het moment dat de beweging in de fabrieken nog niet op volle kracht was en de centralisatie van de raden nog voorbarig, wilde de SPD de gelegenheid van zo'n nationaal congres gebruiken om de raden politiek te ontwapenen. Bovendien bouwde de SPD op de illusie, toen nog wijdverbreid, dat de raden moesten functioneren volgens dezelfde principes als het burgerlijk parlementarisme. Bij de opening van het congres vormden de delegaties fracties (van de 490 afgevaardigden waren er 298 leden van de SPD, 101 van de USPD, waaronder 10 Spartakisten, en 100 behoorden tot andere groepen). Dus kreeg de arbeidersklasse te maken met een zelfuitgeroepen radencongres dat beweerde te spreken in naam van de arbeidersklasse, maar dat onmiddellijk alle macht in handen legde van de nieuwe zelfuitgeroepen 'voorlopige regering'. Een voorbeeld : een delegatie van Russische arbeiders die het congres kwam bijwonen, werd op bevel van de SPD aan de grens tegengehouden. Het presidium gebruikte tactische spelletjes om te verhinderen dat de leidende Spartakisten Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg aan de werkzaamheden van het congres zouden deelnemen en hen zelfs te beletten het congres toe te spreken, onder het voorwendsel dat zij geen arbeiders uit Berlijnse fabrieken zijn. Het congres sprak zijn eigen doodvonnis uit toen het besloot de oproep te steunen tot vorming van een nationale assemblee. Dit weggeven van de macht aan een burgerlijk parlement nam de raden hun wapens uit handen.
De Spartakisten, die druk wilden uitoefenen op het congres, organiseerden een massale straatbetoging met 250.000 arbeiders in Berlijn op 16 december. Het nationaal congres liet de heersende klasse een belangrijk punt scoren tegen het proletariaat. De Spartakisten concludeerden : "Het eerste congres vernietigde tenslotte het enige wat de arbeiders bereikt hadden - de vorming van arbeiders- en soldatenraden - beroofde zo de arbeidersklasse van haar macht en gooide het proces van de revolutie een eind achteruit. Door de arbeiders- en soldatenraden tot onmacht te veroordelen (door zijn beslissing de macht over te dragen aan de nationale assemblee) verkrachtte en verried het congres het mandaat dat het gekregen had. De arbeiders- en soldatenraden moeten de resultaten van dit congres nietig verklaren." (Rosa Luxemburg, 20-12-1918) In sommige steden protesteerden de arbeiders- en soldatenraden tegen de beslissingen van het nationaal congres.
Aangemoedigd en gesterkt door de resultaten van het congres begon de voorlopige regering militaire provocaties in gang te zetten. Op 24 december werden bij een aanval door het Freikorps (contrarevolutionaire troepen die in het leven geroepen werden door de SPD) in Berlijn enkele tientallen arbeiders gedood. Op 25 december gingen duizenden arbeiders de straat op om te protesteren. Omwille van deze openlijk contrarevolutionaire daden van de SPD trokken de USPD-commissarissen zich uit de Raad van Commissarissen terug op 29 december. Van 30 december tot 1 januari richten de Spartakisten, samen met de Internationale Kommunisten van Duitsland (IKD) in volle strijd de Duitse Kommunistische Partij (KPD) op. Op 3 januari 1919 maakte Rosa Luxemburg een eerste balans op waarin ze benadrukte : "de overgang van de revolutie van 9 november, die overwegend een 'soldatenrevolutie' was, naar een duidelijke arbeidersrevolutie, de overgang van een oppervlakkige, puur politieke verandering van regime naar een lang uitgesponnen proces van economische en algemene confrontatie tussen kapitaal en arbeid, vereist van de arbeidersklasse een totaal ander niveau van politieke rijpheid, training, en vasthoudendheid dan wat we in deze eerste fase van de strijd gezien hebben" (Rote Fahne, 3.01.1919).
De beweging ging toen, in januari 1919, een cruciale fase in, die we in het volgend artikel zullen behandelen.
Dino / 2.11.08
(1) De USPD was een centristische partij, bestaande uit op z'n minst twee vleugels die elkaar bekampten : een rechtervleugel, die tot doel had terug aan te sluiten bij de oude partij die overgestapt was naar de bourgeoisie, en een andere vleugel die aansluiting bij het revolutionair kamp nastreefde. De Spartakisten sloten zich bij de USPD aan om meer arbeiders te kunnen bereiken en hen voorwaarts te stuwen. In december 1918 splitsten de Spartakisten af van de USPD om de KPD op te richten.
2009 is gestart onder dezelfde sombere vooruitzichten als de tweede helft van 2008. Oktober 2008: « Zwaarste beurskrach sinds 1970 » (De Morgen, 11.10.2008), terwijl in België de aandelen van Fortis en Dexia ¾ van hun beurswaarden verloren. Januari 2009: « Obama erft een crisis van historische proporties en waarschuwt zelf voor een jarenlange recessie » (DM, 20.01.2009), terwijl de derde Belgische bank, de KBC, zijn beurswaarde ziet ineenzijgen onder het gewicht van de rommelkredieten. En het einde van de crisis van het banksysteem, dat nochtans de hartslag vormt van het functioneren van de kapitalistische productiewijze, ligt ongetwijfeld nog ver af: « Het is dus best mogelijk dat de kredieten waarvan bankiers vandaag beweren dat er geen vuiltje meer aan de lucht is, straks ook bij de rommel belanden en dat de hele kredietportefeuille onder de noemer van rommelkredieten terechtkomt (...) "Wees maar zeker dat er nog verliezen op de kredietportefeuilles worden geboekt. Door de crisis kunnen bedrijven hun schulden nog moeilijk afbetalen of ze gaan failliet. Particulieren worden werkloos en komen in betalingsmoeilijkheden" (I. Van de Cloot, hoofdeconoom van het Itinera Institute) » (DM, 24.01.09).
De onmacht van de
bourgeoisie
tegenover de economische crisis
De moeilijkheden van het banksysteem leiden tot zware liquiditeitsproblemen voor de bedrijven en bemoeilijken hun investeringscapaciteiten. Bijgevolg gaat de bankcrisis steeds duidelijker gepaard met een ineenstorting van de productie (terugval van de industriële productie in de Eurozone met 5,7% in één jaar tijd) en met de explosie van de werkloosheid (mogelijks 51 miljoen werklozen meer in 2009 t.o.v. 2007 volgens de Internationale arbeidsorganisatie) . Op één en dezelfde dag kondigden de multinationals wereldwijd aan 62.000 banen te schrappen (Corus, Caterpillar, Sprint Nextel, Philips, General Motors, Home Depot, DM 27.01.2009).
In een dergelijke internationale context, geconfronteerd met de noodzaak om haar bedreigde vitale belangen te verdedigen in de economische draaikolk (cf. Fortis en KBC, bijvoorbeeld), ziet de Belgische bourgeoisie zich verplicht om haar politieke stammentwisten tussen de regionale fracties opzij te zetten. Na 18 maanden van politiek immobilisme en crisis van de instellingen, en ondanks het voor haar verlammende perspectief van een nieuwe verkiezingsronde in juni (regionale en Europese verkiezingen), heeft zij een nieuwe regering op poten gezet onder leiding van de vroegere kamervoorzitter, Herman Van Rompuy. Als zij deze eindeloopbaan politicus er kunnen toe bewegen heeft om ‘met tegenzin' de post van eerste minister te aanvaarden, dan is het omdat zij er zich rekenschap van geeft dat ze niet kan wachten op het resultaat van de verkiezingsmanoeuvres om op de best mogelijke wijze de economische tsunami te beteugelen die het wereldkapitalisme overhoop haalt: de nieuwe eerste minister heeft trouwens gesproken van "de ergste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog".
Dat maatregelen zich opdringen om de belangen te vrijwaren van de Belgische bourgeoisie blijkt duidelijk uit de meest recente economische gegevens: rommelkredieten van de banken die nog 62 miljard Euros vertegenwoordigen in België (!!!) en die de regering zou moeten overnemen via bijvoorbeeld het in het leven roepen van een ‘bad bank'; een budgettekort van 10 miljard in 2009 (hetzij 3% van het Bruto Binnenlands Product) en tegen de 15 miljard in 2010 (hetzij 4,3% van het BBP, DM, 20.01.2009); een terugval van de uitvoer en een negatieve groei van het BNP van - 1,9% (een maand geleden voorzag de Nationale Bank nog een terugval van - 0,2%), massale technische werkloosheid die zich dreigt om te vormen tot 100.000 bijkomende werklozen voor 2009 (DM, 12.01.2009). Met een beperkte interne markt en een economie die massaal gericht is op uitvoer, met de belangrijkste schuldenberg in de EU, na Italië, die het niet mogelijk maken om het budgettekort te laten aanzwellen, heeft de Belgische bourgeoisie echter weinig middelen ter beschikking om een relanceplan op te zetten. Het verdedigen van haar belangen is bijgevolg wezenlijk gericht op twee krachtlijnen: het redden van haar eigen banksysteem en de verbetering van de concurrentiepositie van de nationale economie door de lasten van de bedrijven te verlagen. Om dit te doen moet zij toch de schulden laten oplopen (de inspanning van 10 jaar soberheid die aan de arbeiders werd opgedrongen is in 6 maanden tijd volkomen weggesmolten !). Verder bereidt ze plannen voor tot het verminderen van de sociale uitgaven van de staat en wil ze een loonmatiging doorvoeren. Kortom, of het op een directe of indirecte manier is, het zal eens te meer de arbeidersklasse zijn die voor het wezenlijk deel zal opdraaien voor de reddingspoging van de Belgische bourgeoisie, die meegezogen wordt in de wervelwinden van het kapitalisme in neergang.
Hoe kan men de bevolking, en vooral de arbeidersklasse deze zoveelste periode van een ‘onontkoombare' soberheid doen slikken? Hoe de offers doen aanvaarden voor het welzijn van de ‘nationale gemeenschap'? Voor de bourgeoisie is dat de prangende vraag. Ze is des te hachelijker omdat het vandaag moeilijk is om nog een perspectief aan te wijzen voor een heropleving van het kapitalisme: inderdaad, sinds de jaren 1970 hebben zowel het ‘reaganistisch' liberalisme, dat opriep tot minder staat, als de neo-keynesiaanse politiek die meer staatstussenkomst voorstond, hun beperkingen getoond. Bijgevolg streefde de burgerlijke mediacampagne er integendeel naar om de omvang van de catastrofe ruimschoots uit te stallen, met de bedoeling de arbeiders af te schrikken en hun de ‘onmisbare opofferingen' te doen aanvaarden als het minste kwaad. Verre van het verbergen van de omvang van de ramp die zich aankondigt, stouwen zij ellenlange bladzijden vol met onrustwekkende informatie en rampzalige scenario's om de arbeiders te terroriseren. Het doel van deze politiek is dubbel: eerst en vooral is het ontwikkelen van angst bij de bevolking een traditioneel middel om hen er toe te drijven om beschutting te gaan zoeken bij de staat en hem hun vertrouwen te schenken. Vervolgens mikt men er op om de arbeiders te overtuigen van de zinloosheid van hun verweer tegen de aanvallen en dus om hun woede te kanaliseren naar onmacht.
Om verweer te organiseren mag men niet rekenen op de vakbonden
De aanvallen van de regering en de patroons stapelen zich als donderwolken op aan de horizon: verlaging van de sociale budgetten; massale technische werkloosheid die dreigt permanent te worden, een steeds zwaarder drukkende schuldenlast. Tegenover de omvang van de bedreiging, manifesteert er zich een aarzeling, een zekere ontreddering bij de arbeiders over de manier waarop men het verweer kan organiseren. Dat is het moment dat de vakbonden kiezen om zich in december op te werpen als de belangrijkste advocaten van een interprofessioneel akkoord dat twee jaar ‘sociale vrede' moet waarborgen tegen een aalmoes van ongeveer 10 Euro aan loonsverhoging onder de vorm van maaltijdcheques (DM, 09.12.2008). Maar ze roepen vooral hun gesprekspartners op om "hun verantwoordelijkheden op te nemen voor het behoud van het model van sociaal overleg op zijn Belgisch". Voor de redding van de concurrentiepositie van de Belgische economie en de winsten van het nationaal kapitaal, zijn de vakbonden er toe bereid om mee te werken aan het opdringen van een drastische soberheid aan de arbeidersklasse.
Vanuit historisch oogpunt gezien is het niet voor het eerst dat zij zich aan het hoofd stellen van het heilig verbond ter verdediging van het kapitalisme. Reeds bij de uitbarsting van de Eerste Wereldoorlog bijna een eeuw geleden, hebben ze niet geaarzeld om zij aan zij te gaan staan met de kapitalisten voor de verdediging van het ‘vaderland' en om in de fabrieken alle verzet tegen de oorlog te breken als een daad van ‘hoogverraad'. En het ging er niet anders aan toe in de jaren 1930, tijdens de Tweede Wereldoorlog of tijdens de heropbouwperiode die er op volgde. Vandaag gaan ze niet anders tewerk: in december 2007 hadden alle vakbonden, broederlijk verenigd, een nationale betoging georganiseerd in Brussel, ter verdediging van het behoud van de koopkracht en vóór de solidariteit (‘redt de koopkracht en de solidariteit'); in de voorbije herfst zetten ze een stoere borst op en kondigden ze grote mobilisaties aan tegen de aanvallen. Vandaag echter ondersteunen ze de noodzaak van opofferingen wanneer de tijden hard zijn. Zo begroeten ze bijvoorbeeld de massale uitbreiding van de technische werkloosheid als een minste kwaad en smoren ze elke poging tot verweer in de bedrijven in de kiem. Zo hebben ze geweigerd om de wilde staking te erkennen van verschillende depots van het openbaar vervoer in Brussel. En toen ze merkten dat er een ‘interbedrijven' solidariteitscomité was opgericht door arbeiders uit verschillende sectoren rond Bekaert Hemiksem, dat met sluiting bedreigd wordt, wat deden ze toen ? Ze hebben het omgevormd tot een comité ter bescherming van de rechten van de vakbondenafgevaardigden in de bedreigde bedrijven ! Kortom, deze manifestatie van strijdwil en het zoeken naar solidariteit buiten het bedrijf en de sector en buiten de vakbondskanalen is omgevormd tot een instrument van de vakbondsstrijd. Streven naar het in de kiem smoren van elke uitdrukking van strijdbaarheid en het omvormen ervan tot een instrument van solidariteit met de burgerlijke democratie, dat is de manier waarop de vakbonden meesterlijk hun rol invullen binnen het geheel van de burgerlijk apparaat om de arbeidersstrijdbaarheid te neutraliseren, haar te ontkrachten en haar geen andere keuze voor te schotelen dan zich gedwee op te stellen achter de burgerlijke staat.
De schrik voor de economische recessie kan in een eerste fase belemmerend werken, een zekere ontreddering teweeg- brengen onder de arbeiders en het gevoel versterken van atomisering en onmacht tegenover de ravages van de crisis. Maar op termijn zal ze ook de vragen aanwakkeren omtrent de middelen en de doelstellingen van de strijd tegen de aanvallen op hun levensomstandigheden. Om een massale en ééngemaakte strijd van het geheel van de arbeiders te ontwikkelen die absoluut noodzakelijk is tegenover de onvermijdelijke aanvallen, is het immers onmisbaar om de lessen te trekken uit de sabotage door de vakbonden. En één van de centrale lessen is dat de arbeiders, om doeltreffend te strijden, om een ééngemaakt en solidair antwoord te geven door steeds meer op zoek te gaan naar de uitbreiding van hun strijd, enkel kunnen rekenen op eigen kracht. Zij zullen geen andere keuze hebben dan hun strijd in eigen handen te nemen en alle valstrikken, alle verdelingsmanoeuvres, elke sabotage van de vakbonden te verijdelen n
Jos / 30.01.2009
Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd op de Israëlische site van Indymedia en op Libcom.org. Het werd geschreven door een kameraad in Israël die, ook al behoort hij tot een extreme minderheid, de noodzaak aanvoelde om te antwoorden op de vaderlandslievende oorlogskoorts die woedt in Israël/Palestina naar aanleiding van de aanval op Gaza. Zijn beslissing om een standpunt in the nemen was voor een deel het gevolg van de aanmoediging die betoond werd door een aantal inzendingen op de site van Libcom (zowel vanwege het Libcom collectief, de IKS en de Turkse Links Kommunistische Groep EKS). Het is een bescheiden maar betekenisvolle bijdrage tot het opduiken van een werkelijke oppositie tegen het verraderlijke nationalisme dat op dit ogenblik overheerst in het Midden-Oosten.
WR / 10.01.2009.
Wat zit er achter een vlag? Een poging tot het aanduiden van een internationalistisch perspectief naar aanleiding van de huidige situatie op de Westelijke Jordaanoever, na de aanval van Israël tegen de Gazastrook.
De meeste mensen in Israël zullen zich later één zaak herinneren over het protest van zaterdag 3.1.2009 (1): dat de organisatoren naar het Hoger Gerechtshof gegaan zijn om er zeker van te zijn dat het hen toegestaan was om een Palestijnse vlag te tonen. Nu ben ik zelf voorstander van om het even welke vlag op om het even welk moment te mogen tonen. Maar men kan zich afvragen welk doel een Palestijnse (de vroegere PLO) vlag zou kunnen dienen ?
Het protest had blijkbaar tot doel de aanval op Gaza te stoppen. Wat heeft een Palestijnse vlag daar mee te maken ? Men zou kunnen antwoorden: "Wel, het betekent een steun aan het Palestijnse verzet". Daarop zou ik graag antwoorden met een volgende vraag: welk Palestijnse verzet ? De meeste gevoelige Palestijnen in Gaza zouden verdomd graag uit de hel van de bombardementen wegvluchten, in plaats van "verzet" te bieden onder de bommenregen. Wat betekent het trouwens om verzet te bieden tegen de overscherende gevechtsvliegtuigen ? Een vuist maken tegen de veroveraar ?
De vlag vertegenwoordigt het Palestijns nationalisme, op dezelfde wijze als de Israëlische vlag het Israëlische nationalisme verdedigt. Nu zullen de meeste lezers van deze website het Israëlisch nationalisme wel associëren met geweld en onderdrukking, die de kapitalistische heerschappij over ons land als een sluier bedekt. Waarom zou hetzelfde niet van toepassing zijn voor het Palestijnse nationalisme ? Op dit ogenblik worden de Palestijnen op de Westelijke oever brutaal onderdrukt en ingeperkt, Palestijnen die willen protesteren tegen diezelfde oorlog. Waarom ? Omdat de Palestijnse Autoriteit geen kritiek wil horen en geen stap opzij wil doen voor zijn reden van bestaan, de rol van onderaannemer van de controle van Israël over de Bezette Gebieden.
Juist één maand geleden weigerden diezelfde Hamasleiders, die zich nu verschuilen in bunkers en beveiligde huizen en boodschappen van verzet uitzenden naar ‘hun' volk, de leerkrachten te betalen, ze kraakten de Palestijnse vakbonden (2), doodden onschuldige Palestijnen op straat toen zij hun Fatah tegenstanders bevochten, en schoten lukraak raketten af op burgerdoelen, in plaats van te pogen om de levens te verbeteren voor de hardwerkende en werkloze bevolking van Palestina. Terwijl wij protesteren tegen de brutale bombardementen op Gaza door het Israëlisch nationalisme, moeten wij in gedachten houden dat het Palestijnse nationalisme alleen maar minder machtig is, maar niet minder brutaal. Jammer genoeg geeft dit incident met de vlag een ideologische aanleiding aan het nationalisme om het tegenstand tegen de regering af te leiden naar een automatische steun aan ‘de vijand'.
Natuurlijk, om cynisch te zijn, er is een goede reden om dit fiasco te verklaren. Het protest, georganiseerd door het Hadash Front (3) van de Israëlische Communistische Partij, kwam op gang één dag voor de officiële lancering van de verkiezingscampagne van de partij. En Hadash moet zijn Palestijnse nationalistische basis binnen de Groene Lijn (4) paaien om haar verkiezingskracht te behouden bij de volgende verkiezingen tegenover de Seculiere Nationalisten (Al-Tajimua) en de Moslimbeweging. En dat speelt in de kaart van het nationalisme, en uiteindelijk ook in die van de kapitalisten.
Dit kan enkel uitlopen in een helse cyclus van geweld, waar geen einde zal aan komen totdat men zich realiseert dat deze nationalismen gebruikt worden om ons oordeelsvermogen te benevelen en te verhinderen dat men zich toespitst op wat er werkelijk aan de hand is: wij worden uitgestuurd om te doden, en gedood te worden, om te wedijveren in dienst van mensen die niet onze maar hun eigen belangen nastreven. En dat geldt zowel voor Israëli's als voor Palestijnen. Laat ons de Gordiaanse knoop van het nationalisme doorhakken, en dan zullen wij de weg opgaan van een beter leven voor iedereen n
(De Indymedia versie eindigde met een link naar het IKS artikel over Gaza).
(1) Op 3 januari vond er een betoging plaats in Tel Aviv, Israël tegen de inval in Gaza, opgeroepen door Gush Shalom, de voornaamste Israëlische pacifistische organisatie, en twintig andere gauchistische, anarchistische organisaties en ook de Israëlische Communistische Partij. Er waren 10.000 aanwezigen, wat een significant teken is van een sterk opkomende anti-oorlogsgevoelens binnen de Israëlische bevolking. Om deze gevoelens beter te kunnen afleiden naar het verheerlijken van het nationalisme, hadden de organisatoren aan het Hoger Gerechtshof gevraagd om de Palestijnse vlag wettelijk toelaatbaar te maken zodat hij in de betoging kon getoond worden. (nota van de vertaler)
(2) Zonder iets af te doen van de waarde van de internationalistische stellingname van de kameraad, moet verduidelijkt worden dat wij stellen dat de bonden overal organen van de bourgeoisie geworden zijn en dat hun repressie binnen de Palestijnse micro-staat slechts het gevolg is van de bloederige strijd tussen burgerlijke fracties. Hamas is trouwens een bijzonder achterlijke en enge burgerlijke fractie, die niet in staat is om de meer verfijnde en doeltreffende wapens van de heersende klasse tegen het proletariaat te gebruiken : de democratie, het parlementarisme, de schijnvrijheid van de pers en ... de vakbonden. Dat is de reden waarom Hamas de bonden onderdrukt en gekraakt heeft.
(3) De Hadash, het Democratisch Front voor Vrede en Gelijkheid, vroeger Rakah genaamd, is een mantelorganisatie van de Israëlische KP, die haar actie voornamelijk richt naar de Israëlische Arabische bevolking, vooral arbeiders. Het drijft hen naar het pro-Palestijnse nationalisme en de verdediging van een Palestijnse Staat.
(4) De ‘Groene Lijn' verwijst naar de grenzen van Israël met een aantal van zijn buren (Syrië, Jordanië, Egypte) die bepaald werden bij de wapenstilstand van 1949, op het einde van het Israëlisch-Arabisch conflict van 1948
Wij publiceren hier de vertaling van het standpunt over de slachtingen in het Midden-Oosten en de Gaza-strook dat op onze internetsite in het Engels is verschenen vanaf 31/12/2008. Sedertdien hebben de gebeurtenissen zich in de richting ontwikkeld van onze aanklacht: het systematisch gebruiken van de brute terreur tegen de bevolking dat met bommen wordt bestookt van op het land, de zee en vanuit de lucht, alsook het binnenvallen van Gaza door de Israëlische troepen sedert 3 januari 's avonds. Anderzijds hebben wij ook de toenemende verontwaardiging van de wereldbevolking kunnen zien tegenover het losbarsten van deze gruweldaden en de hypocrisie van de grootmachten. Ook is er een gevoel van solidariteit opgetreden met de Palestijnse bevolking, dat als gijzelaar dient in dit conflict tussen fracties van de uitbuitende klasse. Als revolutionairen ontmaskeren wij al wie deze klassesolidariteit wil ombuigen op het verrotte terrein van het nationalisme, van de verdediging van één vaderland tegen een ander. Het enig middel dat de mensheid kan bevrijden van het imperialisme, oorlog en barbarij, is integendeel het ontwikkelen van het revolutionair internationalisme dat leidt naar het afschaffen van alle naties en grenzen en de oprichting van een werkelijke mensengemeen-schap: het communisme.
Na twee jaar economische verstikking van Gaza - geen benzine en geen medicijnen, waarbij de export wordt geblokkeerd en de arbeiders worden verhinderd om Gaza te verlaten om werk te vinden aan de andere kant van de Israëlische grens -, nadat de gehele Gazastrook tot een immens gevangenenkamp werd omgevormd, van waaruit radeloze Palestijnen zonder succes hebben geprobeerd te vluchten door de grens met Egypte over te steken, is de Israëlische militaire machine bezig deze dichtbevolkte, verarmde regio aan de waanzin van zijn luchtbombardementen te onderwerpen. Er zijn al honderden doden en de al overvolle ziekenhuizen kunnen de onophoudelijke stroom gewonden niet aan. De Israëlische verklaringen dat de staat het aantal burgerlijke slachtoffers probeert te beperken is een sinistere farce daar ieder "militair" doelwit zich vlakbij woonwijken bevindt, terwijl de moskeeën en de islamitische universiteit openlijk als doelwit werden uitgekozen, wat blijft er dan over van het onderscheid tussen burgers en militairen? Het resultaat is duidelijk: burgerlijke doelwitten, vele kinderen gedood of verminkt en een nog groter aantal levenslang geterroriseerd en getraumatiseerd door de onophoudelijke bombardementen. Op het ogenblik dat dit artikel werd geschreven, omschreef de Israëlische Eerste Minister Ehud Olmert dit offensief als een eerste fase. De tanks wachtten aan de grens en een totale invasie van de Gaza-strook was dus niet uitgesloten
De vergoelijking van Israël voor deze gruweldaad, gesteund door de Bush-administratie in de Verenigde Staten, is dat Hamas niet ophoudt raketten af te vuren op Israëlische burgers, een schending van een zogenaamd staakt-het-vuren. Hetzelfde argument werd aangewend om de invasie van Libanon te steunen twee jaar geleden. Het is inderdaad wel zo dat zowel Hezbollah als Hamas zich verschuilen achter de Palestijnse en Libanese bevolking en deze op een cynische wijze blootstellen aan de Israëlische wraak. Zij stellen abusievelijk de moord op een handvol Israëlische burgers voor als een voorbeeld van "weerstand" aan de Israëlische militaire bezetting. Maar het antwoord van Israël is helemaal typisch voor elke bezettingsmacht: de gehele bevolking straffen voor de activiteiten van een minderheid van gewapende strijders. De Israëlische Staat doet het met de economische blokkade, die werd opgelegd nadat Hamas de Fatah had verdreven van de controle over de administratie over Gaza. Israël deed het in Libanon en doet het met de bombardementen op Gaza. Dit is de barbaarse logica van de imperialistische oorlogen, waarin de burgers voor beide kanten als schild en doelwit dienen en uiteindelijk bijna altijd in grotere aantallen sterven dan de soldaten in uniform.
Net als in alle imperialistische oorlogen heeft het toebrengen van alle leed aan de bevolking, het vernietigen van huizen, ziekenhuizen en scholen, als enig resultaat het voorbereiden van toekomstige episodes van vernieling. Het uitgesproken doel van Israël is Hamas te verpletteren en de voorwaarden te scheppen voor een meer 'gematigd' leiderschap in Gaza. Maar zelfs ex-officieren van de Israëlische geheime diensten (op z'n minste de meest... intelligente) kunnen de lichtzinnigheid van zo'n argument inzien. Omtrent de economische blokkade van Gaza, verklaarde de ex-officier van de Mossad Yossi Alpher : "De economische belegering van Gaza heeft geen enkel van de verwachte politieke resultaten opgeleverd. Het heeft bij de Palestijnen niet geleid tot anti-Hamas haatgevoelens maar is waarschijnlijk contra-productief geweest. Het is dan ook alleen maar een nutteloze collectieve straf." Dit is nog meer het geval voor de luchtaanvallen. Zoals de Israëlische historicus Tom Segev het stelt: "Israël heeft altijd gedacht dat het doen lijden van de Palestijnse burgers hen zou doen rebelleren tegen hun nationale leiders. Het is gebleken dat die stelling opnieuw en altijd verkeerd is." (de twee citaten komen uit de Guardian van 30 december 2008). De Hezbollah in Libanon is sterker geworden na de Israëlische aanvallen in 2006; het offensief tegen Gaza zal waarschijnlijk hetzelfde resultaat opleveren voor Hamas. Maar of het nu versterkt of verzwakt is, Hamas kan alleen maar antwoorden met nieuwe aanvallen tegen de Israëlische bevolking en is het niet met raketten, dan zal het met menselijke bommen zijn.
De "betrokken" wereldleiders, zoals de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-Moon, of de paus, hebben ons ettelijke keren herhaald dat zo'n acties van Israël alleen maar de nationalistische haat aanwakkeren en de "geweldspiraal" in het Midden-Oosten voeden. Niks is minder waar: de cyclus van terrorisme en staatsgeweld in Israël/Palestina brutaliseert de bevolkingen en de strijders aan weerszijden en brengt nieuwe generaties fanatiekelingen en "martelaren" voort. Maar wat het Vaticaan en de Verenigd Naties ons niet vertellen is dat deze helse spiraal van nationalistische haat het product is van een sociaal systeem dat overal in verval is. De geschiedenis is niet anders in Irak waar Sjiieten en Soennieten elkaar kelen, in de Balkan waar de Serviërs hetzelfde doen met de Albanezen en de Kroaten en in India en Pakistan met het conflict tussen Hindoes en Moslims, of nog in Afrika waar de lijst oorlogen met gewelddadige etnische conflicten te lang is om hier op te sommen. De uitbarsting van die oorlogen overal ter wereld is de uitdrukking van een maatschappij dat geen toekomst meer te bieden heeft aan de mensheid.
Wat men ons ook niet verteld is de implicatie van de democratische en humanitaire wereldmachten in die conflicten. Men spreekt zelfs amper over hun onderlinge verdeeldheid. De Britse pers heeft niet gezwegen over de steun van Frankrijk aan de moorddadige hutu-bendes in Rwanda in 1994. Ze is minder welsprekend als het gaat over de rol die Groot-Brittannië en de Amerikaanse geheime diensten hebben gespeeld in de tegenstellingen tussen Sjiieten en Soennieten in Irak. In het Midden-Oosten is de steun van Amerika aan Israël en dat van Iran en Syrië aan Hezbollah en Hamas overduidelijk, maar de "verdoken" steun van Frankrijk, Duitsland, Rusland en andere mogendheden om hun eigen belangen te dienen is niet minder reëel.
Het conflict in het Midden-Oosten heeft zijn eigen kenmerken en specifieke historische oorzaken, maar het kan alleen worden begrepen in de globale context van een kapitalistische machine die gevaarlijk 'out of controle' is. De woekering van oorlogen over de gehele planeet, de onbedwingbare economische crisis, en de versnelde milieuramp maken ongetwijfeld deel uit van deze werkelijkheid. Maar hoewel het kapitalisme ons geen enkele hoop kan bieden op vrede en welzijn bestaat er in de wereld wel degelijk een bron van hoop: de revolte van de uitgebuite klasse tegen de brutaliteit van het systeem. Een revolte die in Europa de jongste weken tot uitdrukking kwam in de beweging van jonge proletariërs in Italië, Frankrijk, Duitsland en vooral in Griekenland. Dit zijn bewegingen die, door hun eigen aard, de noodzaak van klassesolidariteit en van het overstijgen van iedere etnische of nationale verdeling hebben vooropgesteld. Zij zijn een voorbeeld geweest dat kan worden gevolgd in de andere regio's van de planeet, waar de uitgebuite klasse wordt geteisterd door verdeling. Dit is geen utopie: de laatste jaren reeds staakten de arbeiders van de openbare sector in Gaza tegen het niet uitbetalen van hun lonen bijna op hetzelfde moment dat de arbeiders van de openbare sector in Israël streden tegen de gevolgen van de soberheid, een soberheid die zelf het rechtstreekse gevolg is van de tot het uiterste doorgedreven oorlogseconomie van Israël. Beide stakingsbewegingen waren zich niet bewust van elkaars bestaan maar zij tonen het objectieve gemeenschappelijke belang in de arbeidersrangen, aan weerszijde van de imperialistische opdeling.
Solidariteit met de bevolking die in de oorlogszones van het kapitalisme lijdt betekent geenszins kiezen voor "het minste kwaad" of "de zwakste" kapitalistische kliek steunen, zoals Hezbollah of Hamas, tegen de agressievere mogendheden zoals de Verenigde Staten of Israël. Hamas heeft al aangetoond dat het een burgerlijke onderdrukkings-macht was tegen de Palestijnse arbeiders, in het bijzonder wanneer het de stakingen in de openbare sector veroordeelde, als ingaande tegen de 'nationale belangen' en ook wanneer het, hand in hand met Fatah, de bevolking van Gaza heeft onderworpen aan de gevechten van de éne moorddadige factie tegen de andere voor de controle van de regio. Solidariteit met diegenen die meegesleurd worden in een imperialistische oorlog betekent het verwerpen van beide oorlogvoerende kampen en het ontwikkelen van de klassestrijd tegen alle heersers en uitbuiters in de wereld.
World Revolution , orgaan van de IKS in Groot-Brittannië / 31.12.2008
- In Italië, waren er massale betogingen op 25 oktober en op 14 november achter de slogan ‘Wij betalen niet voor de crisis !' tegen het Gelmini decreet, waartegen geageerd wordt omdat het budgetbesparingen inhoudt in de onderwijssector, hetgeen uitloopt op niet verlengen van de contracten van 87.000 tijdelijke leerkrachten en van 45.000 schoolpersoneel in het ABA en op een verminderde inbreng van openbare subsidiëring voor de universiteiten.
- In Duitsland kwamen er op 12 november 120.000 scholieren op straat in de belangrijkste steden van het land, met slogans als ‘Kapitalisme is crisis' in Berlijn, of met een bezetting van het provinciaal parlement zoals in Hannover.
- In Spanje betoogden op 13 november honderdduizenden studenten in meer dan 70 steden tegen de nieuwe Europese richtlijnen (de Bologna-richtlijnen) voor de hervorming van het hoger onderwijs en de universiteiten, waarbij de privatisering van de faculteiten wordt uitgebreid en het aantal trainingscursussen in de bedrijven wordt opgedreven.
Velen onder hen spiegelen zich aan de strijd van de Griekse studenten. Er zijn solidariteitsbetogingen en bijeenkomsten geweest in een aantal landen, volgend op de onderdrukking van de Griekse studenten - en deze solidariteitsbetogingen werden eveneens geconfronteerd met een min of meer brutale repressie.
De schaal van deze mobilisering tegen hetzelfde soort maatregelen van de staat is helemaal niet verrassend. De hervorming van het onderwijssysteem, die wordt ondernomen op Europees vlak, maakt deel uit van een poging om de jonge arbeidersgeneraties te doen wennen aan een beperkte toekomst en aan de veralgemening van de precaire tewerkstelling en de werkloosheid.
Het steigeren en de revolte van de nieuwe opgevoede proletarische generatie die geconfronteerd wordt met deze muur van werkloosheid, deze oceaan van onzekerheid die het kapitalisme in crisis voor hen in petto heeft, kan ook rekenen op sympathie van alle generaties van proletariërs.
De media, die de lakeien zijn van de leugenpropaganda van het kapitaal, hebben voortdurend geprobeerd om de werkelijkheid te vervormen van wat er aan de hand is in Griekenland sinds het vermoorden door politiekogels van de 15 jarige Alexis Andreas Grogoropoulos op 6 december. Zij hebben de botsingen met de politie voorgesteld als acties van een handvol anarchistische autonomisten en uiterst linkse studenten, die afkomstige waren uit gegoede middens, of van gemarginaliseerde vernielers. Zij hebben eindeloos beelden uitgezonden over gewelddadige botsingen met de politie en het beeld overgebracht van jonge heethoofden en gemaskerde relschoppers die auto's in brand staken, de etalages van boetieks en banken in elkaar ramden of winkels plunderden.
Dit is dezelfde methode van het vervalsen van de werkelijkheid die wij hebben gezien tijdens de anti-CPE mobilisering in 2006 in Frankrijk, die werd vereenzelvigd met de rellen in de buitenwijken van het jaar daarvoor. Wij zagen diezelfde grove methode gebruiken tegen de studenten die streden tegen de LRU in 2007 in Frankrijk - zij werden er van beschuldigd 'terroristen' en ‘rode khmers' te zijn!
Maar ook al bevond het hart van de onlusten zich in de Griekse studentenwijk van Exarchia, toch is het moeilijk om vandaag nog deze leugen overeind te houden: hoe kan deze opstand het werk zijn van enkele vernielers of anarchisten wanneer het zich als een lopende vuurtje heeft uitgebreid naar alle belangrijke steden van het land en naar de Griekse eilanden van Chios en Samos en zelfs naar de meest toeristische steden zoals Korfoe of Heraklion in Kreta?
Al de voorwaarden waren in Griekenland aanwezig voor het uitbarsten van de ontevredenheid van een hele generatie jonge proletariërs, die heel ongerust zijn over hun toekomst. Men vindt er immers een geconcentreerde uitdrukking van het doodlopend straatje waarin het kapitalisme de jonge arbeidersgeneraties instuurt: wanneer diegenen die gerekend worden tot de ‘600 euro generatie' beginnen te werken, hebben zij het gevoel bedrogen te zijn. De meeste van de studenten moeten twee jobs cumuleren om te overleven en hun studies te kunnen blijven betalen, meestal zwartwerk en onderbetaald. Zelfs als de jobs een beetje beter betaald worden, blijft een deel van hun werk in het zwart en dat vermindert hun toegang tot sociale tegemoetkomingen. Zij zijn over het algemeen verstoken van sociale zekerheid; overuren worden niet betaald en dikwijls kunnen zij de ouderlijke woning niet verlaten voor zij 35 zijn, aangezien zij niet genoeg verdienen om zich een dak boven het hoofd te kunnen permitteren. 23% van de werklozen in Griekenland zijn jongeren (het officiële werkloosheidscijfer voor de 15-24 jarigen is 25,2%) zoals een artikel aanwijst dat in Frankrijk geschreven is (1): "deze studenten voelen zich op geen enkele wijze beschermd; de politie schiet op hen, het onderwijs lokt hen in de val, het werk gaat aan hen voorbij en de regering liegt tegen hen". De werkloosheid van de jongeren en hun moeilijkheden om op de arbeidmarkt binnen te geraken heeft dus een klimaat van ongenoegen geschapen, van woede en veralgemeende onzekerheid. De economische wereldcrisis zal daar nog een golf van ontslagen bijbrengen. In 2009 voorziet men dat 100.000 banen geschrapt worden in Griekenland, wat een stijging met 5% zou teweegbrengen van de werkloosheid. Tegelijkertijd verdienen 40% van de arbeiders minder dan 1.100 euro's netto en heeft Griekenland de hoogste graad van arbeiders onder de armoedegrens van de 27 EU staten: 14%.
Het zijn niet enkel de studenten die op straat gekomen zijn, maar ook de armzalig betaalde leerkrachten en vele andere loontrekkers die met dezelfde problemen worden geconfronteerd, dezelfde armoede en bezield worden door dezelfde opstandige geest. De brutale onderdrukking tegen de beweging, waarvan de meest dramatische episode het vermoorden van de 15 jarige was, heeft de gevoelens van solidariteit, dat gepaard gaat met een veralgemeend sociaal ongenoegen, alleen maar uitgebreid. Zoals een student het stelde, waren vele ouders van scholieren eveneens diep geschokt en geërgerd: "Onze ouders hebben moeten ervaren dat hun kinderen zomaar op straat kunnen omkomen, door een politiekogel" (2). Zij worden er zich van bewust dat ze in een ondergaande maatschappij leven waar hun kinderen niet dezelfde levensstandaard zullen hebben als zijzelf. Tijdens de talrijke betogingen waren zij getuigen van gewelddadige slagen, hardhandige aanhoudingen, het vuren met echte kogels naar de menigte toe door leden van de rellenpolitie (de MAT) met hun dienstwapens.
De bezetters van de Polytechnische School,het zenuwcentrum van het studentenprotest, hebben de staatsterreur aangeklaagd, maar wij vinden diezelfde woede tegen de brutaliteit van de repressie ook terug in al de betogingen met slogans als "kogels voor jongeren, geld voor de banken". Een deelnemer aan de beweging verklaarde het nog duidelijker : "Wij hebben geen werk, geen geld, een staat die bankroet is door de crisis, en het enige antwoord op dat alles is wapens geven aan de politie" (3).
Deze woede is niet nieuw: de Griekse studenten waren in juni 2006 al gemobiliseerd tegen de hervorming aan de universiteiten, waarbij de privatisering ervan uitmondde in het uitsluiten van de studenten die het financieel moeilijk hebben. De bevolking had eveneens haar ergernis tot uiting gebracht tegenover de onbekwaamheid van de regering ten tijde van de bosbranden van 2007, waarbij 67 mensen omkwamen: de regering heeft nog steeds geen enkele compensatie toegekend aan velen onder de slachtoffers die have en goed verloren hebben. Maar het waren vooral de loontrekkers die zich massaal mobiliseerden tegen de hervorming van het pensioensysteem begin 2008, met twee dagen van ruim opgevolgde algemene stakingen op twee maand tijd, en betogingen van meer dan één miljoen mensen tegen het afschaffen van het prepensioen voor de zwaarste beroepen en de in vraagstelling van het recht van arbeidsters om op pensioen te gaan vanaf 50 jaar.
Geconfronteerd met de arbeiderswoede, was de algemene staking van 10 december die onder controle van de vakbonden stond, er op gericht om een domper te zetten op de beweging. Ondertussen riep de oppositie, met de socialistische en communistische partijen op kop, op tot het ontslag van de huidige regering en tot het houden van vervroegde verkiezingen. Het lukte haar niet in om de woede te kanaliseren en de beweging te doen stoppen, ondanks de veelvuldige manoeuvres van de linkse politieke partijen en de vakbonden om de dynamiek te blokkeren in de richting van een uitbreiding van de strijd, en ondanks de inspanningen van de hele bourgeoisie en haar media om de jongeren te isoleren van de andere generaties en van de arbeidersklasse als geheel door hen aan te zetten tot vruchteloze botsingen met de politie. Dagen en nachtenlang gingen de botsingen onverminderd door: gewelddadige charges door de politie die er op insloeg met de wapenstok, traangas gebruikte, en overging tot afranselingen en grote aantallen aanhoudingen.
De jonge generatie van arbeiders geeft het duidelijkst het gevoel aan van ontgoocheling en afkeer tegenover het tot op het bot corrupte politiek apparaat. Sinds het einde van de wereldoorlog, delen drie families de macht, sedert meer dan dertig jaar regeren de Karamanlis dynastie voor rechts en de Papandreoe dynastie voor links afwisselend over het land, als absolute machthebbers, met steekpenningen en verwikkeld in allerlei soorten schandalen. De conservatieven kwamen aan de macht in 2004 na de jaren 2000 waarin de socialisten tot aan hun nek verzopen in intriges en manoeuvres. Vele beschouwen het politiek en het vakbondsapparaat als totaal ongeloofwaardig : "het fetisjisme van het geld heeft de maatschappij overgenomen. De jongeren willen een breuk met deze maatschappij zonder ziel noch visie" (4). Met de ontwikkeling van de crisis vandaag, heeft deze generatie niet alleen een bewustwording ontwikkeld over de kapitalistische uitbuiting, die ze aan den lijve ondervinden, maar ook een bewustzijn omtrent de noodzaak van een collectieve strijd, door het spontaan vooropstellen van methodes van de [arbeiders]klasse en klasse-solidariteit. In plaats van weg te zinken in wanhoop, haalt ze haar zelfvertrouwen en zelfzekerheid uit het besef van de draagster te zijn van een andere toekomst, en steekt ze al haar energie in de opstand tegen de wegrottende maatschappij om haar heen. De betogers zeggen trots over hun beweging: "Wij zijn het beeld van de toekomst in het licht van het schaduwbeeld van het verleden". Ook al kan de toestand heel erg lijken op die van ‘Mei 1968', het besef van wat er op het spel staat, reikt veel verder.
Op 16 december slaagden de studenten er in om de TV-zender van de regering, NET, gedeeltelijk over te nemen en ontrolden spandoeken op het scherm die zegden: "stop met tv kijken - iedereen de straat op", en lanceerden een oproep: "de staat moordt. Jullie stilte wapent hen. Bezet alle openbare gebouwen!". Het hoofdkwartier van de anti-rellen politie in Athene werd aangevallen en een van hun patrouillewagens werd in brand gestoken. Deze acties werden door de regering snel afgedaan als "een poging tot het omverwerpen van de democratie" en het werd eveneens veroordeeld door de Griekse Communistische Partij, de KKE. Op 17 december werd het gebouw dat de belangrijkste vakbondsfederatie van het land huisvest, de GEEE, in Athene bezet door proletariërs die zichzelf ‘opstandige arbeiders' noemden en die alle proletariërs uitnodigden om deze plaats te gebruiken voor algemene vergaderingen die openstaan voor alle loontrekkers, studenten en werklozen (zie hun verklaring op onze Engelstalige website). Zij hingen een reuzengrote spandoek tegenover het Akropolis en riepen op tot een massabetoging de daarop volgende dag. Die avond probeerden vijftig vakbondsbonzen met wat potige aanhangers om het hoofdkwartier terug onder hun controle te krijgen maar ze moesten wegvluchten toen er versterking van studenten opdaagde die ‘solidariteit' zongen. Deze bestonden voor het merendeel uit anarchisten afkomstig van de Economische Universiteit, die bezet was en omgevormd tot een plaats voor meetings en discussies die openstonden voor alle arbeiders. De vereniging van Albanese immigranten, onder andere, deelde ook een tekst uit waarin zij hun solidariteit verklaarden met de beweging en had als titel "Deze dagen zijn ook de onze!". Er waren herhaalde oproepen tot een algemene onbeperkte staking vanaf 18 december. De vakbonden werden er toe gedwongen om die dag een staking van drie uur uit te roepen in de openbare diensten.
In de ochtend van de 18e werd een andere scholier van 16, die deelnam aan een sit-in in de buurt van zijn school in een voorstad van Athene, verwond door een kogel. Op dezelfde dag werden verschillende radio en tv-zenders bezet door betogers, namelijk in Tripoli, Chania en Tessaloniki. Het gebouw van de kamer van koophandel werd bezet in Patras, waar er nieuwe botsingen met de politie plaatsvonden. De reuzenbetoging in Athene werd gewelddadig onderdrukt: voor het eerst werden er nieuwe wapens gebruikt door de anti-rellen troepen: verlammend gas en doof makende granaten. Een pamflet tegen de staatsterreur, getekend ‘Meisjes in revolte', circuleerde vanuit de Economische Universiteit. De beweging begon, op een verwarde wijze, haar eigen geografische grenzen aan te voelen: om die reden verwelkomde men enthousiast de betogingen van internationale solidariteit die plaatsgrepen in Frankrijk, Berlijn, Rome, Moskou, Montreal of New York en men verklaarde: "deze steun is zeer belangrijk voor ons". De bezetters van de Polytechnische School riepen op tot een "internationale solidariteitsdag tegen de staatsmoorden" op 20 december. Maar om het isolement te doorbreken van deze proletarische opstand in Griekenland, is de enige weg die openligt die van de ontwikkeling van de solidariteit en klassenstrijd op een internationale schaal die steeds duidelijker tot uiting komt tegenover de internationale crisis.
Iannis / 20.12.2008
1 Marianne nr 608 van 13 december : « Grèce : les leçons d'une émeute »
2 Libération van 12/12/2008
3 Le Monde van 10/12/2008
4 Marianne, zie boven.
De propagandablitz van de verkiezingscampagne is na bijna twee jaar geëindigd. De mediawoordvoerders van de heersende klasse vertellen ons dat dit de belangrijkste verkiezing is geweest in de Amerikaanse geschiedenis, en eens te meer een demonstratie van de kracht van de ‘democratie'. Deze propaganda beweert niet alleen dat wij voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis een Afro-Amerikaan als president hebben, maar ook en vooral dat de overwinning van Obama het verlangen belichaamt naar verandering.
Men vertelt ons dat ‘het volk heeft gesproken' en dat ‘Washington heeft geluisterd' dank zij de ‘wonderbaarlijke' werking van de verkiezingen. Men maakt ons wijs dat Amerika het racisme nu heeft overwonnen en een land is geworden van ware broederschap.
Nu is Obama president. Maar wat houdt dat in? Obama beloofde verandering te brengen, maar deze belofte was een ideologisch sofisme. De hele campagne was een schijnheilige leugen die de hoop van de bevolking begeesterde, en vooral van de werkende klasse die in toenemende mate de ellende en de oorlog beu wordt, maar die nog altijd niet duidelijk haar eigen rol inziet in de maatschappij en tot nog toe niet in staat is om de misleidingen van de heersende klasse te verdrijven.
De ware winnaar in deze verkiezing is niet de fictieve ‘Joe de Loodgieter' van de Amerikaanse middenklasse, niet de Afro-Amerikanen die deel uitmaken van de arbeidersklasse, maar eerder de heersende klasse. Het is duidelijk dat er meer van hetzelfde op komst is en dat men de arbeiders nog erger gaat opdissen en de last van de ellende zal opvoeren. Obama was geen ‘vredeskandidaat'. Zijn kritiek op Bush was dat deze laatste zichzelf klem heeft gereden in Irak, de troepen te dun heeft gespreid, en het Amerikaanse imperialisme niet in staat heeft gesteld om gepast te reageren op de toekomstige uitdagingen tegenover zijn heerschappij. Obama wil nog meer troepen sturen naar Afghanistan en zich klaar maken om de bedreigingen van de Amerikaanse imperialistische belangen af te wentelen. Hij was een verwoede criticus van de regering-Bush die niet in staat was om de Russische invasie van Georgië deze zomer te beantwoorden. Dat soort vredesactivist is hij!
Tijdens de presidentiële debatten heeft Obama uitgelegd dat hij het onderwijs in Amerika wil versterken, omdat een opgevoede arbeidskracht van levensbelang is voor een sterke economie en geen enkel land kan een overheersende militaire macht blijven zonder sterke economie. Met andere woorden, hij ziet de uitgaven voor onderwijs als een voorwaarde voor imperialistische overheersing. Welk een idealisme! Er is dus niets te winnen voor de arbeidersklasse bij deze overwinning van Obama.Voor de heersende klasse daarentegen is deze verkiezing een succes dat haar stoutste dromen overstijgt.
Ze is er in geslaagd om de verkiezingsmisleiding en de democratische mythe een verjongingskuur te geven, die zo hard getroffen waren sinds 2000, vooral onder de jongere generatie, en die zoveel mensen misnoegd gemaakt hadden over het ‘systeem'.
De roes na de verkiezingen - het daadwerkelijk dansen in de straten waarmee de overwinning van Obama werd toegejuigd - getuigt van de omvang van deze politieke overwinning. De impact van de verkiezing is te vergelijken met de ideologische overwinning die plaatsvond onmiddellijk na 11 september 2001. Toen kon de bourgeoisie profiteren van een opstoot van nationale hysterie, die de werkende klasse bond aan de burgerlijke staat. Vandaag bindt de hoop in de democratie en het geloof in een charismatische leider brede sectoren van de bevolking aan de staat.
Binnen de
zwarte bevolking is het gewicht van deze roes bijzonder sterk ; het is een
wijdverspreid geloof geworden dat de onderdrukte minderheid nu aan macht heeft
gewonnen. De burgerlijke media vieren zelfs het feit dat Amerika het racisme te
boven zou zijn gekomen, een van de meest belachelijke beweringen ooit. Bijna
van de ene dag op de andere zou de zwarte bevolking in de Verenigde Staten zijn
omgetoverd tot een van de meest vervreemde, ontgoochelde sectoren van de
bevolking, naar één die pal achter de staat gaat staan, via de persoon van de
net verkozen president.
Op internationaal
vlak heeft de bourgeoisie bijna onmiddellijk kunnen profiteren van een
succesrijk afstand nemen door de nieuwe regering van de blunders van het
Bush-regime in de imperialistische politiek en het openen van nieuwe
mogelijkheden voor het herstel van het Amerikaanse politiek gezag,
geloofwaardigheid en leiderschap in de internationale arena.
Op het gebied van economische politiek zal de bekwaamheid van de Obama-administratie om noodzakelijke staatskapitalistische maatregelen te nemen voor het opkrikken van het onderdrukkings- en uitbuitingssysteem onovertroffen zijn. Zijn retoriek gaat over ‘herstel', terwijl het zal neerkomen op de grootste schuldenberg uit de geschiedenis van de Verenigde Staten, een tekort van een triljoen dollar, waarmee de toekomstige generaties van de arbeidersklasse zullen worden opgezadeld. Lokale en staatsregeringen zijn al bezig met het plannen voor het opheffen van sociale diensten en programma's vanwege de crisis, en dat op hetzelfde moment dat Obama opkomt voor nog meer ‘reddingsoperaties' van grote bedrijven, banken en verzekeringsmaatschappijen, die allen gefinancierd moeten worden door het zweet van de werkende klasse.
Bijna verbaasd door haar eigen succes, bewust dat zij aan de beloofde veranderingen tijdens de campagne niet wil en kan tegemoet komen, begint de heersende klasse al een retoriek te ontvouwen dat het ‘enthousiasme moet temperen'. Wij horen al zaken als ‘Obama kan alleen de gewetenloze politiek van Bush uitvlakken'. ‘Er was een hele bestuurstermijn van blunders', ‘Verandering kan er niet onmiddellijk komen', ‘Opofferingen zullen nodig zijn'.
Tegenover dit alles, verdedigen wij de historische standpunten van onze klasse:
- democratie is de dictatuur van de heersende klasse;
- de arbeidersklasse moet zich organiseren en strijden voor haar eigen belangen;
- alleen een wereldwijde kommunistische revolutie kan een einde maken aan kapitalistische uitbuiting en onderdrukking.
De roes kan niet lang aanhouden. De komende soberheidsprogramma's, die op gang gebracht zijn op een gedecentraliseerde manier via lokale en staatsregeringen, zullen dienen als een onontkoombare stimulans tot klassenstrijd. Het falen van de regering-Obama om de beloofde ‘verandering' en verbetering waar te maken zal onvermijdelijk leiden tot ontgoocheling en ziedende ontevredenheid.
Internationalism (US) / 11.11.2008
Dit jaar herdenken wij de 200e verjaardag van de geboorte van Charles Darwin (en de 150e sinds het verschijnen van het boek: ‘Het Ontstaan van Soorten'). De marxistische vleugel van de arbeidersbeweging heeft Darwins buitengewone bijdragen tot het begrijpen van de mensheid zelf en de natuur altijd toegejuicht.
In vele opzichten was Darwin typisch voor zijn tijd, geïnteresseerd in het waarnemen van de natuur en blij om experimenten te doen met dierlijk en plantaardig leven. Zijn empirisch werk met, onder meer, bijen, kevers, wormen, duiven en eendenmossels, was nauwgezet en gedetailleerd. Darwins koppige belangstelling voor deze laatste was zo groot dat zijn jongere kinderen "begonnen te denken dat alle volwassenen er op een gelijkaardige manier mee bezig waren, één van hen vroeg zelfs over een buurman vroeg: ‘Waar houdt hij zijn eendenmossels?' " (‘Darwin', Desmond & Moore).
Wat Darwin onderscheidde was dat hij in staat was om verder te gaan dan de details, om theorieën op te stellen en op zoek te gaan naar een historisch proces, waar anderen zich tevreden stelden met het catalogeren van de verschijnselen of het aanvaarden van de bestaande uitleg. Een typisch voorbeeld hiervan was zijn antwoord op het ontdekken van zeefossielen duizenden meters hoog in de Andes. Gewapend met de ervaring van een aardbeving en Lyells ‘Beginselen van de Geologie', was hij er toe in staat om te speculeren over de schaal van de aardkorstbewegingen die ervoor gezorgd hadden dat een zeebedding terecht gekomen was in de bergen, zonder dat hij hierbij zijn toevlucht moest nemen tot het bijbelse verhaal over de Zondvloed. "Ik hecht er een sterk geloof aan dat men zonder speculatie geen goede en originele waarnemingen kan doen" (zoals hij schreef in een brief aan AR Wallace, 22.12.1857).
Hij was evenmin bang om waarnemingen van een gebied te gebruiken in andere gebieden. Terwijl Marx de meeste geschriften van Thomas Malthus verachte, heeft Darwin diens ideeën over de menselijke bevolkingsaangroei gebruikt bij de ontwikkeling van zijn evolutietheorie. "In oktober 1838 las ik voor mijn ontspanning Malthus omtrent de bevolkingsaangroei, en er goed op voorberied om de strijd om het bestaan te aanvaarden die overal aan de gang is bij lang volgehouden waarnemingen van gewoontes van dieren en planten, trof het mij dat onder deze omstandigheden gunstige variaties de tendens hadden om bewaard te blijven, en de ongunstige om vernietigd te worden. Het resultaat daarvan zou het ontstaan zijn van nieuwe soorten. Hier had ik dan uiteindelijk een theorie gevonden waarmee ik kon werken" (Darwin's ‘Recollections of the Development of my mind and character', in het Nederlands ‘De Autobiografie van Darwin', uitg. Nieuwezijds, 2000).
Dit gebeurde 20 jaar vóór hij zijn theorie publiek bekend maakte met het ‘Ontstaan van Soorten', maar het wezenlijke was toen al aanwezig. In de ‘Oorsprong' legt Darwin uit dat hij de term ‘Strijd om het bestaan gebruikt in een brede en metaforische zin' en ‘voor het gemak van het gebruik' en dat hij met Natuurlijke Selectie bedoelt : "het bewaren van gunstige variaties en het verwerpen van nadelige variaties". De idee van evolutie was niet nieuw, maar reeds in 1838, was Darwin een verklaring aan het ontwikkelen over hoe de soorten evolueerden. Hij vergeleek de technieken van de hazewindkwekers en de duivenmelkers (kunstmatige selectie), met natuurlijke selectie en dacht dat dit ‘het mooiste deel was van mijn theorie' (Darwin, geciteerd in Desmond & Moore).
De methode van het historisch materialisme
Binnen de drie weken na de publicatie van ‘Het Ontstaan van Soorten', schreef Engels naar Marx: "Darwin die ik net gelezen heb, is prachtig. De teleologie was nog niet met de grond gelijk gemaakt in één opzicht, maar dat is nu gebeurd. Bovendien was er tot op heden nooit zo een schitterende poging gedaan om de historische ontwikkeling in de natuur te bewijzen, ten minste met zoveel succes". De ‘vernietiging van de teleologie' verwijst naar de opduvel die ‘Het Ontstaan' verkocht aan alle religieuze, idealistische of metafysische ideeën die de verschijnselen veeleer proberen ‘te verklaren' vanuit hun doel dan vanuit hun oorzaak. Dit is fundamenteel voor een materialistische visie op de wereld. Zoals Engels schreef in ‘Anti-Dühring' (hfst 1), "deelde (Darwin) de metafysische opvatting over de natuur de zwaarste slag toe door zijn bewijsvoering dat alle organische wezens, planten, dieren en de mens zelf, producten zijn van een evolutie die al miljoenen jaren aan de gang is".
In zijn voorbereidend materiaal voor ‘Dialectiek van de Natuur' zette Engels de betekenis uiteen van ‘Het Ontstaan van Soorten'. "Darwin ging in zijn baanbrekend werk uit van de breedst bestaande basis van het toeval. Juist de oneindig kleine, toevallige verschillen tussen individuen van dezelfde soort, verschillen die versterkt worden tot ze de kenmerken van de soort doorbreken, (...) dwongen hem tot het in-vraag-stellen van de vroegere basis van alle regelmaat in biologie, namelijk de vroegere opvatting van de soorten in hun metafysische starheid en onveranderlijkheid".
Marx las ‘Het Ontstaan' een jaar nadat het gepubliceerd was, en schreef meteen aan Engels (19.12.1860): "dit is het boek dat de basis bevat van onze ideeën in de natuurlijke geschiedenis". Hij schreef later dat het boek "als natuurwetenschappelijke basis diende voor de klassenstrijd in de geschiedenis" (brief aan Lasalle, 16.1.1862).
Ondanks hun enthousiasme voor Darwin, waren Marx en Engels niet kritiekloos. Zij waren zich wel degelijk bewust van de invloed van Malthus, en ook van het feit dat de inzichten van Darwin gebruikt werden door het ‘Sociaal Darwinisme' om de status-quo te rechtvaardigen van de Victoriaanse maatschappij met grote weelde voor enkelen en gevangenis, werkhuizen, ziektes, hongersnood en emigratie voor de armen. In zijn inleiding tot de ‘Dialectiek van de Natuur' schetst Engels enkele gevolgen ervan. "Darwin wist niet wat voor bittere satire hij schreef over de mensheid, (...) toen hij aantoonde dat de vrije concurrentie, de strijd om het bestaan, die door de economisten gevierd wordt als de hoogste historische prestatie, de normale toestand is in het dierenrijk". Het is enkel de "bewuste organisatie van de maatschappelijke productie" die de mensheid kan weghalen uit de overlevingsstrijd naar de expansie van de productiemiddelen als basis van het leven, het genot en de ontwikkeling, en dat de ‘bewuste organisatie' een revolutie vereist van de producenten, de arbeidersklasse.
Engels zag ook waar de strijd van de mensheid (en het marxistische begrip ervan) Darwins kader oversteeg: "Het begrip van de geschiedenis als een opeenvolging van klassenstrijd is reeds veel rijper in inhoud en dieper dan de visie die haar louter herleidt tot fasen van strijd om het bestaan" (Dialectiek van de Natuur, nota's en fragmenten).
Hoe dan ook, dergelijke kritiek ondermijnt de status niet van Darwin in de geschiedenis van het wetenschappelijke denken. In een speech aan het graf van Marx benadrukte Engels dat "Net zoals Darwin de wet van de ontwikkeling van de organische materie ontdekte, ontdekte Marx de wet van de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis".
Marxisme na Darwinisme
Terwijl Darwin in en uit de mode is geweest in het burgerlijk denken (maar niet bij de ernstige wetenschappers), is de marxistische vleugel van de arbeidersbeweging hem nooit afgevallen.
Plechanov beschrijft in een voetnoot bij ‘De Ontwikkeling van de monistische visie van de geschiedenis' (hfst 5), de verhouding tussen het denken van Darwin en Marx: "Darwin slaagde er in het probleem op te lossen van hoe plantaardige en dierlijke soorten ontstonden in de strijd voor het bestaan. Marx slaagde er in om het probleem op te lossen van hoe verschillende types van sociale organisatie opkwamen in de strijd van de mensheid voor zijn bestaan. Het is logisch dat het onderzoek van Marx begint daar waar het onderzoek van Darwin eindigt [...] De geest van hun onderzoek is absoluut dezelfde bij beide denkers. Om die reden kunnen wij zeggen dat marxisme darwinisme is dat toegepast is op de sociale wetenschap".
Een voorbeeld van de onderlinge relatie tussen marxisme en de bijdragen van Darwin komt terug in Kautsky's ‘Ethiek en de Materialistische Opvatting van de Geschiedenis'. Hoewel Kautsky het belang van Darwin overschat, gaat hij te rade bij de ‘Afstamming van de Mens', om het belang te schetsen van altruïstische gevoelens, van sociale instincten in de ontwikkeling van de moraal. In hoofdstuk 5 van de ‘Afstamming', beschrijft Darwin hoe de ‘oermens' sociaal werd en hoe zij "elkaar moeten gewaarschuwd hebben bij gevaar, en wederzijdse steun verleend bij aanvallen. Dit houdt een zekere graad in van sympathie, trouw en moed". Hij schetst "Wanneer twee stammen van oermensen ... met elkaar wedijverden, en wanner de ene bestond uit ... een groter aantal moedige, sympathieke, en trouwe leden, altijd bereid elkaar te waarschuwen bij gevaar, elkaar te helpen en te verdedigen, dan zou deze stam er ongetwijfeld het best in slagen om de andere te verslaan. Laat het duidelijk zijn hoe allerbelangrijkst, in de nooit eindigende oorlogen van de wilden, de trouw en moed moeten zijn. Het voordeel dat gedisciplineerde soldaten hebben over ongedisciplineerde horden volgt hoofdzakelijk uit het vertrouwen dat elkmens heeft in zijn kameraden. (...) Zelfzuchtige en twistzieke volkeren hangen niet aaneen, en zonder eendracht kan niets doeltreffend worden bereikt" . Darwin overdrijft ongetwijfeld de graad waarin primitieve maatschappijen verwikkeld waren in constante oorlogvoering onder elkaar, maar de noodzaak tot samenwerking als basis voor het overleven was niet minder belangrijk in activiteiten als de jacht en bij de verdeling van het sociaal product. Dit is de andere zijde van de ‘strijd om het bestaan', waarin wij de triomf zien van de wederzijdse solidariteit en het vertrouwen over de verdeeldheid en het egoïsme.
Van Darwin naar een kommunistische toekomst
Anton Pannekoek was niet alleen een groot marxist, maar ook een vermaard sterrenkundige (een krater aan de verre kant van de maan en een asteroïde zijn naar hem genoemd). Geen enkele discussie over ‘Marxisme en Darwinisme' kan compleet zijn zonder te verwijzen naar zijn tekst met die naam uit 1909 (die we in de International Review gaan publiceren).
Om te beginnen verfijnt Pannekoek ons begrip van de verhouding tussen Marxisme en Darwinisme. "Hier zien wij dus hoe datzelfde principe van de strijd om het bestaan, dat Darwin formuleerde en waar Spencer de nadruk op legde, bij mens en dier verschillend werkt. Het principe dat de strijd tot een volmaking van de wapens leidt waarmee gestreden wordt, bewerkt bij mens en dier verschillende resultaten. Bij het dier leidt deze strijd tot een voortdurende ontwikkeling van de natuurlijke lichaamsorganen. Dit is de grondslag van de afstammingsleer, de kern van het darwinisme. Bij de mens leidt hij tot een voortdurende ontwikkeling van de werktuigen, van de techniek, van de productiekrachten. Dit is echter de grondslag van het marxisme. Hier blijkt dus dat marxisme en darwinisme niet twee onafhankelijke theorieën zijn, waarvan elk op haar gebied geldt en die niets met elkaar gemeen hebben. In werkelijkheid komen zij op hetzelfde grondprincipe neer. Zij vormen een eenheid. De nieuwe richting die met het ontstaan van de mens ingeslagen wordt, de vervanging van de natuurlijke organen door kunstmatige werktuigen bewerkt dat dit grondprincipe zich in de mensenwereld op geheel andere wijze uit dan in de dierenwereld, dat in de laatste het darwinisme, in de eerste het marxisme de ontwikkelingswet weergeeft". [Dierorgaan en mensenwerktuig]
Pannekoek weidde ook uit over het idee van het sociaal instinct op basis van de bijdragen van Kautsky en Darwin: "Nu echter zullen diegenen zich het beste staande kunnen houden, [deze zijn] waarin de sociale driften het sterkst ontwikkeld zijn. Waar deze zwak zijn, worden de dieren gemakkelijk een prooi van de vijanden of vinden zij minder goede weideplaatsen. Deze driften worden de gewichtigste en beslissende kenmerken, die de doorslag geven voor het in leven blijven in de strijd om het bestaan. Daardoor worden de sociale driften door de strijd om het bestaan tot de allerhoogste graad aangekweekt.
"(...) De diergroepen waarin het wederzijdse hulpbetoon het sterkst ontwikkeld is, houden zich het beste in de strijd om het bestaan staande." [Het maatschappelijk samenleven]
Dit onderscheid tussen sociale dieren en de homo sapiens ligt, onder andere, in hun bewustzijn.
"Voor de mensen geldt nu ook alles wat voor de sociale dieren geldt. Onze aapachtige voorouders en de oermensen die zich hieruit ontwikkeld hebben, waren weerloze zwakke dieren die, zoals bijna alle apensoorten, oorspronkelijk in troepen samenleefden. Hier moesten dus dezelfde sociale driften en gevoelens ontstaan die zich later bij de mensen tot zedelijke gevoelens ontwikkeld hebben. Dat onze zedelijkheid en moraal niets anders zijn dan de sociale gevoelens van de dierenwereld is overbekend. Ook Darwin sprak al van de met hun sociale instellingen in verband staande eigenschappen van de dieren, "die men bij de mensen zedelijke eigenschappen zou noemen". Het verschil ligt alleen in de mate van het bewustzijn. Zodra de sociale gevoelens aan de mensen zelf klaar bewust worden, krijgen zij het karakter van zedelijke gevoelens." [Het maatschappelijk samenleven].
Het ‘Sociaal Darwinisme' wordt ook onder vuur genomen door Pannekoek wanneer hij beschrijft hoe het ‘burgerlijk darwinisme' in een vicieuze cirkel terechtkwam waarbij de wereld die werd beschreven door Malthus en Hobbes zonder enige verrassing lijkt op de wereld die wordt beschreven door Hobbes en Malthus ! "Daardoor komt het dat onder het kapitalisme de mensenwereld het meest op de wereld van de roofdieren gelijkt. Daardoor komt het dat de bourgeois-darwinisten hun voorbeelden voor de mensenmaatschappij bij de eenzaam strijdende dieren zochten. Hun uitgangspunt was daarbij inderdaad de ervaring, en hun fout bestond slechts daarin dat zij de kapitalistische verhoudingen voor de eeuwig menselijke aanzagen. De overeenkomst van de bijzondere kapitalistische strijdmethoden met die van de alleen levende dieren heeft Engels in het historische gedeelte van zijn Anti-Dühring op deze wijze beschreven (blz. 293):
"De grote industrie tenslotte en het ontstaan van de wereldmarkt hebben de strijd universeel en tegelijkertijd van een ongehoorde heftigheid gemaakt. In een strijd tussen de afzonderlijke kapitalisten zowel als tussen gehele industrieën en gehele landen beslist de gunst van de natuurlijke of kunstmatige productievoorwaarden. De overwonnene wordt zonder genade uit de weg geruimd. Het is de darwinistische strijd om het bestaan, man tegen man, uit de natuur met verdubbelde woede op de maatschappij overgebracht. Het natuur standpunt van het dier verschijnt hier als hoogtepunt van de menselijke maatschappij". [Kapitalisme en Socialisme].
Maar de kapitalistische levensomstandigheden zijn niet eeuwigdurend, en de werkende klasse is in staat om ze omver te werpen te werpen en een eind te maken aan de verdeling van de maatschappij in klassen met tegenstrijdige belangen.
"Met het verdwijnen van de klassen wordt de gehele beschaafde mensheid een grote solidaire productiegemeenschap. Daarvoor geldt hetzelfde wat voor elke gemeenschappelijke groep geldt. Binnen de groep houdt de wederzijdse strijd om het bestaan op. Deze wordt alleen nog maar naar buiten gevoerd. Maar in plaats van de vroegere kleine groepen is nu de hele mensheid gekomen. Dat wil dus zeggen dat de strijd om het bestaan in de mensenwereld ophoudt. Hij wordt alleen nog naar buiten gevoerd, niet meer als een wedstrijd tegen soortgenoten, maar als strijd om het levensonderhoud tegen de natuur. Maar de ontwikkeling van de techniek en van de daarmee gepaard gaande wetenschap bewerkt dat deze strijd nauwelijks meer een strijd genoemd kan worden. De natuur is aan de mensen onderworpen en biedt hun, met geringe moeite van hun kant, een zeker en overvloedig levensonderhoud. Daarmee slaat de ontwikkeling van de mensheid nieuwe banen in. Het tijdvak waarin zij zich geleidelijk uit de dierenwereld verhief en de strijd om het bestaan in eigen, door het werktuiggebruik bepaalde vormen voerde, neemt een einde. De menselijke vorm van de strijd om het bestaan houdt op, een nieuw hoofdstuk van de menselijke geschiedenis begint."[Kapitalisme en Socialisme].
Car 28.1.2009
Het eerste artikel in deze reeks (Internationalisme 341) handelde over het begin van de revolutie in Duitsland in november 1918. In dit tweede deel zullen we bekijken hoe de heersende klasse haar machtigste wapens gebruikte - niet alleen de gewapende repressie, maar ook de ideologische campagnes van de voormalige arbeiderspartij, de SPD, om de revolutionaire beweging een grote nederlaag toe te brengen.
Met haar opstand in november 1918 had de arbeidersklasse de bourgeoisie in Duitsland gedwongen een einde te maken aan de oorlog. Om de radicalisering van de beweging te saboteren en een herhaling van de 'gebeurtenissen in Rusland' te verhinderen, gebruikte de kapitalistische klasse de SPD als oorlogsmachine in de strijd tegen de arbeidersklasse. Dankzij een bijzonder doeltreffende sabotagepolitiek deed de SPD, met behulp van de vakbonden, al wat ze kon om de macht van de arbeidersraden te ondermijnen.
Tegenover de explosieve ontwikkeling van de beweging, met soldaten die overal aan het muiten sloegen en zich aansloten bij het kamp van de opstandige arbeiders, kon de bourgeoisie niet onmiddellijke overgaan tot repressie. Ze moest eerst politiek tegen de arbeidersklasse optreden en op die weg volgen teneinde een militaire overwinning te kunnen behalen. Toch begon de voorbereiding van de militaire actie vanaf het allereerste begin. Het waren niet de rechtse partijen van de bourgeoisie die deze repressie organiseerden, maar de partij die nog werd gezien als 'de grote Partij van het proletariaat', de SPD, en ze deed dat in nauwe samenwerking met het leger. Het waren deze fameuze democraten die zich inzetten om de laatste verdedigingslinie van het kapitalisme te vormen. Zij waren het die de meest doeltreffende borstwering van het kapitaal vormden. De SPD begon met het op de been brengen van commando-eenheden, daar het reguliere leger, besmet met het 'virus van de arbeidersstrijd', steeds minder aan de burgerlijke regering gehoorzaamde. Deze compagnies van vrijwilligers, die een speciaal soldij ontvangden, zouden dienen als hulptroepen van de repressie.
De militaire provocaties van 6 en 24 december
Precies één maand na het uitbreken van de strijd gaf de SPD de politie het bevel met geweld binnen te dringen in de kantoren van Die Rote Fahne, de krant van Spartakus. Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg en andere spartakisten, maar ook leden van De Uitvoerende Raad van Berlijn, werden gearresteerd. Op hetzelfde moment vielen troepen, die trouw waren gebleven aan de regering, een betoging aan van soldaten die gedemobiliseerd of gedeserteerd waren; 14 betogers werden gedood. In antwoord daarop gingen op 7 december verschillende fabrieken in staking. In alle fabrieken vonden algemene vergaderingen plaats. Voor het eerst was er, op 8 december, een betoging van gewapende soldaten en arbeiders waaraan 150.000 personen deelnemen. In steden in de Ruhr, zoals Mülheim, arresteerden arbeiders en soldaten enkele fabrieksbazen.
Tegenover die provocaties van de regering stuurden de revolutionairen niet aan op een onmiddellijke opstand, maar riepen ze de arbeiders op massaal in beweging te komen. De Spartakisten hadden de situatie ingeschat als nog niet rijp genoeg om de burgerlijke regering omver te werpen, in het bijzonder gezien de capaciteiten van de arbeidersklasse.
Het Nationale Radencongres, dat half december 1918 plaatsvond, liet zien dat dit inderdaad het geval was en de bourgeoisie zou gebruik maken van deze situatie. De afgevaardigden op dit Congres besloten hun beslissing te onderwerpen aan een Nationale Vergadering, die verkozen moest worden. Tegelijkertijd wordt een Centrale Raad (Zentralrat) gevormd, uitsluitend bestaande uit SPD-leden, die beweerde te spreken uit naam van de arbeiders- en soldatenraden in Duitsland. De bourgeoisie heeft deze zwakte van de arbeidersklasse uitgebuit door meteen na het Congres een andere militaire provocatie te ontketenen: op 24 december gingen commando-eenheden en regeringstroepen over tot de aanval. Elf mariniers en verschillende soldaten werden gewond. Eens te meer wekte dit grote verontwaardiging op bij de arbeiders. De arbeiders van het autobedrijf Daimler en verschillende andere fabrieken in Berlijn richtten een Rode Garde op. Op 25 december vonden er, in antwoord op de aanval, machtige betogingen plaats. De regering moest een stap terugdoen. De regeringsploeg verloor steeds meer aan krediet, en de USPD, die tot dan toe met de SPD in de regering zat, trok zich eruit terug.
Maar de bourgeoisie gaf niet op. Ze bleef ijveren voor de ontwapening van het proletariaat dat in Berlijn nog wapens bezat, en bereidde zich erop voor om het een beslissende klap toe te brengen.
De SPD roept op de kommunisten te vermoorden
Om de bevolking op te zetten tegen de klassebeweging, wordt de SPD de spreekbuis van een enorme lastercampagne tegen de revolutionairen; een campagne die er zelfs toe overgaat te eisen dat met name de Spartakisten ter dood gebracht worden.
Eind december trad de Spartakusgroep uit de USPD om met de IKD de KPD op te richten. De arbeidersklasse had nu dus een klassepartij die geboren was in het vuur van de beweging en die het doelwit werd van de aanvallen van de SPD, de voornaamste verdediger van het kapitaal.
Voor de KPD was de grootst mogelijke massa-activiteit van de arbeiders onmisbaar om zich te kunnen verzetten tegen die tactiek van het kapitaal. "Na de aanvankelijke fase van de revolutie, die van de voornamelijk politieke strijd, opent zich nu een fase van versterkte, intensievere en voornamelijk economische strijd" (Rosa Luxemburg op het Stichtingscongres van de KPD). De SPD-regering "zal de vlammen van de economische klassestrijd niet overleven" (ibid.) Daarom doet het kapitaal, met de SPD op kop, al wat het kan om iedere uitbreiding van de strijd naar dat terrein te verhinderen door voortijdig gewapende arbeidersopstanden uit te lokken en die dan vervolgens neer te slaan. Het moest eerst de beweging in haar centrum, Berlijn, verzwakken, om vervolgens de rest van de arbeidersklasse te kunnen aanvallen.
De valstrik van de voortijdige machtsgreep in Berlijn
In januari reorganiseerde de bourgeoisie haar troepen die in Berlijn gestationeerd waren. In totaal beschikte ze over meer dan 80.000 soldaten, verspreid over de stad, waarvan 10.000 stoottroepen. Aan het begin van de maand lanceerde ze een nieuwe provocatie tegen de arbeiders om hen militair te verdelen. Op 4 januari werd de politieprefect van Berlijn, Eichhorn, die in november door de arbeiders was aangesteld, door de burgerlijke regering uit zijn functie ontheven. De arbeidersklasse beschouwde dat als een aanval. Op de avond van 4 januari hielden de Vertrouwensmannen (Obleute) een meeting, waaraan Liebknecht en Pieck, namens de pas opgerichte KPD, deelnemen.
De KPD, de revolutionaire Obleute en de USPD riepen op tot een protestbijeenkomst op zaterdag 5 januari. Als gevolg van die bijeenkomst namen ongeveer 150.000 arbeiders deel aan de betoging voor de politieprefectuur. Op de avond van 5 januari bezetten een aantal betogers de kantoren van de SPD-krant, Vorwärts, en andere uitgeverijen. Die acties vonden waarschijnlijk plaats op aansporing van provocateurs en kwamen in ieder geval op gang zonder dat het Comité ervan op de hoogte was of er zijn goedkeuring aan had gegeven.
De voorwaarden waren inderdaad niet rijp voor een omverwerping van de regering en de KPD legde dat duidelijk uit in een pamflet dat begin januari uitgegeven werd:
"Als de arbeiders van Berlijn vandaag de Nationale Vergadering ontbinden, als ze de Eberts en de Scheidemannen in de gevangenis gooien, terwijl de arbeiders in de Ruhr, in Opper-Silezië en aan de Elbe rustig blijven, dan zal het kapitalisme morgen Berlijn kunnen uithongeren. Het offensief van de arbeidersklasse tegen de bourgeoisie, de strijd om de macht van de arbeiders- en soldatenraden moet het werk zijn van alle arbeiders van het Rijk. Alleen de strijd van de arbeiders in de steden en op het platteland, overal en op permanente wijze, die door te versnellen en toe te nemen tot hij een machtige golf wordt die met geweld neerkomt op heel Duitsland, enkel één enkele golf, die gevormd wordt door de slachtoffers van de uitbuiting en onderdrukking en die zich over het hele land uitbreidt, kan de kapitalistische regering doen uiteenspatten, de Nationale Vergadering ontbinden, en op de ruïnes de macht van de arbeidersklasse opbouwen die het proletariaat naar de complete overwinning zal leiden in de verdere strijd tegen de bourgeoisie. (...)
Arbeiders, mannen en vrouwen, soldaten en mariniers! Roep overal vergaderingen samen en leg duidelijk uit aan de massa's dat de Nationale Vergadering enkel bluf is. In elke werkplaats, in elke troepeneenheid, in elke stad, moet gij kijken en nagaan of uw arbeiders- en soldatenraad inderdaad verkozen is, of er geen vertegenwoordigers van het kapitalistisch systeem in zitten, geen verraders van de arbeidersklasse zoals de mannen van Scheidemann, of onstandvastige en aarzelende elementen zoals de Onafhankelijken."
Deze analyse laat zien dat de KPD duidelijk inzag dat de omverwerping van de kapitalistische klasse nog niet meteen mogelijk was en dat een greep naar de machts nog niet aan de orde was.
Na de enorme massabetoging van 5 januari kwamen de Vertrouwensmannen 's avonds in vergadering bijeen, met deelname van afgevaardigden van de KPD en vertegenwoordigers van de garnizoenstroepen. Onder de indruk van de machtige betoging van die dag, verkozen de aanwezigen een Revolutionair Comité van 52 leden, met Ledebourg als voorzitter, Scholze voor de revolutionaire Vertrouwensmannen en Karl Liebknecht voor de KPD. Ze besloten tot een algemene staking en nog een betoging voor de volgende dag, 6 januari.
Het Revolutionaire Comité verspreidde een pamflet dat opriep tot de opstand: "Laten we vechten voor de macht van het revolutionair proletariaat! Weg met de regering Ebert-Scheidemann!"
Soldaten verklaarden zich solidair met het Revolutionaire Comité. Een afvaardiging van soldaten verzekerde dat ze zich aan de kant van de revolutie zou scharen zodra de afzetting van de regering Ebert-Scheidemann aangekondigd zou worden. In antwoord daarop tekenden Liebknecht voor de KPD en Scholze voor de Vertrouwensmannen een decreet waarin verklaard werd dat de afzetting een feit was en dat de regeringszaken overgenomen werden door het Revolutionaire Comité. Op 6 januari manifesteerden ongeveer 500.000 personen door de straten. Betogingen en bijeenkomsten hadden plaats in elke wijk van de stad; de arbeiders van Groot Berlijn eisten dat men hen hun wapens zou teruggeven. De KPD eiste de bewapening van het proletariaat en de ontwapening van de contrarevolutionairen. Hoewel het Revolutionaire Comité het ordewoord "Weg met de regering !" gegeven had, nam het geen enkel ernstig initiatief om die oriëntatie tot een goed einde te brengen. In de bedrijven werd geen enkele strijdgroep georganiseerd, er werd geen enkele poging ondernomen om de staatszaken in handen te nemen en de oude regering te verlammen. Niet alleen had het Revolutionaire Comité geen enkel actieplan, maar bovendien werd het de 6e januari door de marine gedwongen zijn hoofdkwartier te verlaten.
De arbeidersmassa, die betoogde, verwachtte op straat richtlijnen te krijgen terwijl haar leiders hulpeloos bleven. Terwijl de proletarische leiding aarzelde en terugdeinsde, geen enkel actieplan had, kwam de regering, geleid door de SPD, op haar beurt al snel de schok te boven die vanaf het begin veroorzaakt was door dit offensief van de arbeiders. Van alle zijden kreeg ze steun. De SPD riep op tot stakingen en betogingen om de regering te ondersteunen. Er werd een nog meer verbeten en doortrapte campagne ontketend tegen de kommunisten.
De SPD en haar medeplichtigen waren dus bezig om, in naam van de revolutie en de belangen van het proletariaat, de afslachting van de revolutionairen van de KPD voor te bereiden. Met de meest verachtelijke dubbelhartigheid riep zij de raden op de regering te steunen tegen wat zij 'de gewapende bendes' noemde. De SPD bevoorraadde zelfs een militaire afdeling, die wapens verkreeg uit de kazernes, en Noske werd aan het hoofd geplaatst van de repressiekrachten met de woorden: "We hebben een bloedhond nodig en ik zal me niet onttrekken aan die verantwoordelijkheid."
Op 6 januari vonden de eerste schermutselingen plaats. Terwijl de regering troepen verzamelde rond Berlijn, kwam De Uitvoerende Raad van Berlijn 's avonds de 6e bijeen. Overheerst door SPD en USPD, stelde ze voor dat er onderhandelingen zouden komen tussen de revolutionaire Vertrouwensmannen en de regering, terwijl De Uitvoerende Raad had opgeroepen deze laatste omver te werpen. De Uitvoerende Raad speelde de 'verzoener' door voor te stellen het onverenigbare te verenigen. Die houding zaaide verwarring onder de arbeiders, vooral onder de soldaten die toch al aarzelden. De mariniers besloten dus een politiek van 'neutraliteit' te voeren. In een situatie van rechtstreekse confrontatie tussen de klassen kan elke besluiteloosheid ertoe leiden dat de arbeidersklasse al snel het vertrouwen in haar eigen capaciteiten verliest en dat er een wantrouwende houding ten opzichte van haar eigen politieke organisaties wordt ingenomen. Door deze kaart te trekken zorgde de SPD voor een dramatische verzwakking van het proletariaat. Tegelijkertijd gebruikte ze provocateurs (zoals later bewezen werd) om de arbeiders tot een confrontatie aan te zetten.
In het licht van deze situatie had de leiding van de KPD, in tegenstelling tot het Revolutionaire Comité, een zeer duidelijk standpunt, dat steunde op een analyse van de situatie die ze gemaakt had op haar oprichtingscongres et die oordeelde dat het nog te vroeg was voor een greep naar de macht.
De KPD riep de arbeiders dus op eerst en vooral de raden te versterken, door de strijd te ontwikkelen op hun klasseterrein, in de bedrijven, en door zich te ontdoen van de Eberts, de Scheidemannen en co. Door de druk via de raden op te drijven, zouden ze een nieuw elan aan de beweging kunnen geven om zich dan te werpen in de strijd voor een greep naar de politieke macht.
Dezelfde dag oefenden Luxemburg en Jogiches zware kritiek uit op het ordewoord van de onmiddellijke omverwerping van de regering dat door het Revolutionaire Comité gegeven was, maar vooral op het feit dat het Comité zich door zijn aarzelende en capitulerende houding getoond had niet in staat te zijn de klassebeweging te leiden. Ze verweten in het bijzonder Liebknecht dat hij op eigen houtje gehandeld had, en zich had laten meeslepen door enthousiasme en ongeduld, in plaats van de Partijleiding te consulteren en zich te steunen op het programma en de analyses van de KPD.
Deze situatie toont duidelijk aan dat het noch aan programma, noch aan analyses ontbrak, maar dat de Partij als organisatie niet in staat was haar rol te vervullen als politieke leiding van het proletariaat. Slechts enkele dagen eerder opgericht, had de KPD nog geen invloed op de klasse, en nog minder de organisatorische stevigheid en samenhang die de Bolsjewistische Partij in Rusland een jaar eerder wel had. De onrijpheid van de Kommunistische Partij van Duitsland lag ten grondslag aan de versnippering in haar rijen, iets dat nog grote en dramatische gevolgen zou hebben in de komende gebeurtenissen.
In de nacht van 8 op 9 januari gingen de regeringstroepen tot de aanval over. Het Revolutionaire Comité, dat de krachtsverhouding nog steeds niet goed geanalyseerd had, riep op tot actie tegen de regering: "Algemene staking! Te wapen!: Er is geen andere keus! We moeten vechten tot de laatste man!" Veel arbeiders gaven gehoor aan deze oproep, maar opnieuw wachtten ze tevergeefs op duidelijke instructies van het Comité. In feite was er niets gedaan om de massa's te organiseren, om aan te sturen op verbroedering tussen de revolutionaire arbeiders en de troepen... De troepen van de regering trokken Berlijn binnen en leverden gedurende verschillende dagen zware straatgevechten tegen de gewapende arbeiders. Velen raakten gewond of werden gedood in de versnipperde gevechten in vele delen van de stad. Op 13 januari besloot de USPD tot het einde van de algemene staking en op 15 januari werden Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht vermoord door de bloedhonden van het sociaal-democratisch regering. De misdadige campagne van de SPD, "Doodt Liebknecht!" werd voor de bourgeoisie dus met succes bekroond. De KPD werd beroofd van haar belangrijkste leiders.
De KPD had niet de kracht om de beweging in toom te houden, zoals de bolsjewiki dat gedaan hadden in juli 1917. Volgens Ernst, de nieuwe sociaal-democratische politiechef die de afgezette Eichhorn verving: "Elk succes voor de mensen van Spartakus was vanaf het begin uitgesloten omdat wij hen met onze voorbereidingen gedwongen hebben vroegtijdig toe te slaan. We konden in hun kaarten kijken zodra ze deze begonnen uit te spelen en daarom waren wij in staat hen te verslaan."
Na dit militaire succes begreep de bourgeoisie onmiddellijk dat ze haar voordeel gebruik moest maken. Ze ontketende een bloedige golf van geweld waarin duizenden Berlijnse arbeiders en kommunisten vermoord werden, gemarteld en in de gevangenis gegooid. De moorden op Liebknecht en Luxemburg waren geen uitzondering, maar verrieden de beestachtige vastberadenheid waarmee de bourgeoisie haar doodsvijanden,de revolutionairen, wilde uitschakelen.
Op 19 januari triomfeerde ‘de democratie': er vonden verkiezingen plaats voor de Nationale Vergadering. Onder druk van de arbeidersstrijd besloot de regering op hetzelfde moment naar Weimar te verhuizen. De Weimarrepubliek werd ingesteld op de dode lichamen van duizenden arbeiders.
(Naar een artikel uit International Review 83, 4e kwartaal 1995).
"Economen weten het ook niet meer en zijn het spoor bijster" titelen de media op zoek naar antwoorden en uitwegen voor de huidige economische crisis die als een verwoestende vloedgolf over de wereldbol raast. Enkel de massale kredietinjecties in de geldmarkten en de even omvangrijke begrotingstekorten hebben de bourgeoisie toegelaten om een totale implosie van het financiële systeem in de meeste centrale landen tijdelijk te voorkomen. Maar dit lost uiteindelijk de onderliggende historische crisis van haar systeem niet op.
Ze kan niet anders meer dan internationaal toegeven dat de wereld tegen zijn brutaalste ineenstorting sinds de Depressie van de jaren '30 aankijkt. Japan en Duitsland torsen op tegen adembenemende dalingen in export en industriële productie. In een groot deel van Oost-Europa dreigt een ramp op de schaal van wat in IJsland gebeurde en Griekenland, Ierland, Italië, Spanje, Oostenrijk en ook België staan in de rij aan te schuiven. De "nieuw opduikende markten" tonen ook tekenen van spanning - alleen al in China loopt het aantal ontslagen in de tientallen miljoenen - vermits deze economieën door de zelfde vloedgolf worden ingehaald. De OESO en het IMF voorspellen nu dat de wereldeconomie als een geheel dit jaar zal samentrekken - ongezien sinds Wereldoorlog II.
40 jaar na het einde van de naoorlogse economische boom lijkt het dat alle vormen van beleid die de bourgeoisie voerde om de crisis te beheren mislukt zijn. Decennia van staatsinterventie (d.w.z. staatskapitalisme) hebben de bourgeoisie enkel naar de afgrond gedreven. Het belangrijkste mechanisme om de vraag te handhaven - steeds meer krediet - tegenover de massale overproductie heeft nu een economie achtergelaten die het best te vergelijken is met een patiënt die te veel antibiotica heeft gebruikt: de doeltreffendheid van de tegenmaatregel is herleidt tot nul. Erger nog, het krediet is een deel van het probleem geworden: het geheel van het systeem is nu, letterlijk, failliet.
Allen roepen echter in koor dat het om een "tijdelijke" en "cyclische" crisis gaat. Allen focussen op een herstel dat er, naargelang de inspanningen die "we met zijn allen" leveren, in een paar maand of jaar moet komen. Ook de G20 top in Londen van 2 april werd in dezelfde woorden gezien als een tussenstap naar herstel. "De dag dat de wereld samenkwam om terug te vechten tegen de globale recessie, niet met woorden, maar met een plan voor een globaal herstel." (verklaring van de Engelse premier Gordon Brown). Maar de huidige crisis van overproductie heeft zijn wortels niet, zoals de economische deskundigen beweren, in een soort van tijdelijke "oneven-wichtigheid" van de wereldeconomie, maar in de fundamentele sociale relaties van het kapitalisme, waar de grote massa van de bevolking per definitie de producent is van de " meerwaarde" die enkel door een constante uitbreiding van de markt kan worden gerealiseerd. Niet langer bekwaam om zich uit te breiden en nieuwe markten te veroveren, heeft het kapitalisme gedurende decennia lang dit probleem voor zich uit geschoven door de echte markt te vervangen met de kunstmatige markt van het krediet.
De wereld is gebaseerd op een concurrentie voor markten. Vandaag kan een kapitalist slechts ten koste van een andere bloeien, en hetzelfde geldt voor kapitalistische naties. Natuurlijk hebben zij gemeenschappelijke belangen als uitbuitende klasse: zij werken samen als het erop aankomt de loonslaven in lijn te houden, en deinzen ook terug als gehele natiestaten de muur ingaan, zelfs wanneer zij hun concurrenten zijn, vooral omdat zij ook afzetmarkten voor hun goederen vertegenwoordigen of schuldenaars zijn. Maar zij kunnen niet eindeloos met zijn allen winsten blijven realiseren in een cirkel van onderlinge verkopen, en daarom worden zij getroffen door de vloek van de overproductie - de markt loopt vast en leidt tot een golf van faillissementen, ineenstorting van de industrie en een pandemie van werkloosheid. Voor de arbeidersklasse betekent dit duidelijk: een ongeziene aanval op banen, op lonen en levensomstandigheden waarbij de laatste 40 jaar wel een oase van welvaart lijken te zijn.
Wij worden allen getroffen
Sinds het begin van deze recessie verliezen iedere dag een stijgend aantal arbeiders hun banen en, in veel gevallen, alle middelen van bestaan. De officiële werkloosheidscijfers waren al volledig vertekend en geven nu helemaal geen reëel beeld meer. Zo wordt het aantal onvrijwillig deeltijdsen flink opgedreven (ook via collectieve beslissingen om iedereen deeltijds te doen werken). Een kwart van alle arbeiders in België is bovendien tijdelijk, economisch werkloos. Meer en meer gezinnen komen steeds dieper in de schulden terecht waar ze niet gemakkelijk meer vanaf komen. De leefloners bij OCMW stegen in 5 maanden met 10%. De toename van de werkloosheid gaat immers duidelijk gepaard met een toename van het aantal daklozen en de soepkeukens in alle industriële centra van de wereld. Zij die nog een baan hebben tenslotte, vrezen constant het slachtoffer te worden in de volgende ronde van "herstructureringen".
Zelfs de mythe over de "welvarende" naoorlogse baby-boomers, eens op pensioengerechtigde leeftijd gekomen, is meer en meer een fictie. De ouderdomspensioenfondsen van vele arbeiders zijn tenietgedaan en de dromen op een zorgeloze oude dag zijn in rook opgegaan. België kent reeds de laagste pensioenen in Europa en tot nu toe was het dank zij de zeer hoge spaarquota dat er nog een zekere welvaart was, hoewel de armoedegrens voor een steeds groter aantal ouderen werd overschreden. Deze spaarquota smelten nu met de financiële crisis als sneeuw onder de zon.
Ondertussen volgt de ene vraag om besnoeiingen goed te keuren de andere op. De Hoge Raad voor Financiën, de Nationale bank, de regeringscoalitie en nog zoveel andere tenoren van de nationale bourgeoisie zijn het erover eens dat: "de moeder aller besparingsplannen op ons afkomt en dat gedurende vijf tot tien jaar.". Salarissen en voordelen moeten omlaag, de werkbelasting omhoog. De pensioenen, sociale uitkeringen, studie-uitgaven en gezondheidszorg komen onder druk te staan. Vakanties en andere soorten van vergoed "absenteïsme" moeten naar beneden of vervangen door onbetaalde afwezigheid, alles gaat onder de bijl. En dit tracht men de arbeidersklasse te verkopen als "noodzakelijke solidariteit", waar de ellende moet verdeeld worden. In wezen gaat het over solidariteit met het kapitalistische systeem en niet over onderlinge solidariteit van de arbeidersklasse tegen de maatregelen van de bourgeoisie die haar crisis wil afwentelen op de schouders van de arbeidersklasse.
De staat kan ons niet redden
Natuurlijk, zo zegt men ons, kunnen wij de dingen hun beloop niet laten gaan zoals dit het geval was in de laatste decennia. De „vrije markt" zal leiden tot een verwoestende ineenstorting zoals in de jaren '30. Wat wij nodig hebben is meer staatsinterventie: de hebzucht van bankiers en speculanten moet onder controle komen en banken en andere zeer belangrijke economische sectoren moeten genationaliseerd worden wanneer andere middelen ontbreken. Dit is het nieuwe "Keynesianisme" die als de oplossing voor de mislukkingen van het "neoliberalisme" wordt voorgesteld. (zie artikel in dit blad: De staat is steeds de vijand van de arbeiders)
Maar denken dat het kapitalisme democratischer kan worden gemaakt, menselijker, groener, dankzij de interventie van de staat is een illusie. De kapitalistische sociale relaties zijn van nature onmenselijk. Zij zijn onafscheidelijk verbonden met de drift om winst te accumuleren en dan "komen de mensen nooit eerst". Dit is de duidelijkste les van de huidige crisis: 40 jaar van staatsinterventie is er niet in geslaagd om de problemen op te lossen inherent aan dit systeem. De oorlog, de massale werkloosheid, de armoede en de vernietiging van het milieu zijn niet het resultaat van "slechte regeringen". Zij zijn een rechtstreeks product van een seniel systeem, een sociale orde die zijn nut voor de mensheid al lang heeft overleefd.
Er is een echt alternatief : de klassenstrijd
"Harder en langer werken voor minder. Hoe sneller we dat accepteren, hoe beter" (De Standaard 15/3). Dat is de boodschap die in alle media wordt verkondigd voor de arbeidersklasse in België.
Neen! Weerstand is niet vergeefs! Weerstaan aan de economische aanvallen en de politieke repressie van het kapitalisme, weerstaan aan zijn vergiftigde ideologische campagnes, is het enige startpunt voor een beweging om de wereld echt te veranderen.
En deze weerstand is mogelijk: - De recente golf van opstanden door studenten, leerkrachten, werklozen en andere delen van de arbeidersklasse die de laatste maanden Europa overspoelden, en die culmineerde in de Griekse december; - De wilde stakingen in de olieraffinaderijen in Groot-Brittannië die het nationalisme aan de kaak stellen (zie verder in dit blad); - De fabrieksbezettingen tegen afslankingen in Frankrijk, Groot-Brittannië en Ierland; - De massastakingen in Egypte, Bangladesh, of de Antillen; - De hongerrellen in tal van landen. Allemaal tekens van echte en massale sociale onrust op een steeds ruimere internationale schaal. Dezelfde tekens zijn te herkennen in het groeiend aantal jongeren die revolutionaire ideeën via internet bespreken, discussiekringen vormen, de valse oplossingen in vraag stellen die door de heersende media en de gauchisten worden aangeboden.
Voor revolutionairen is er slechts één oplossing voor de crisis en dat is voor eens en voor altijd het kapitalisme naar de vuilnisbak van de geschiedenis verbannen. Maar dit zal niet automatisch gebeuren. Een sociale revolutie die de uitbuiting van de mens door de mens, de verdeling van de maatschappij in klassen, het bestaan van naties wil overwinnen ... kan slechts het product van een bewuste en collectief georganiseerde inspanning van het wereldproletariaat zijn. Geconfronteerd met meedogenloze aanvallen moeten de arbeiders consequent en keer op keer antwoorden door de logica van het kapitalisme te weigeren en de klassenstrijd tot zijn uiterste grenzen te ontwikkelen. Ze moeten een krachtsverhouding opbouwen gebaseerd op echte klassensolidariteit en eenheid, onder eigen controle.
Lac / 13.04.2009
De jongste weken hebben allerlei berichten omtrent gouden parachutes, stock-options, premies, bonussen of salarissen die aan grote bazen werden uitgekeerd ophef gemaakt. Er is echter niets nieuws onder de zon. Het kapitalisme is een systeem waar een minderheid de meerderheid uitbuit.
In deze tijden van crisis, is het zeker nog meer aanstotelijk dan gewoonlijk om te zien hoe aan de ene kant, de arbeiders de broeksriem moeten aantrekken, ontslagen worden en als een papieren zakdoek worden weggegooid en aan de andere kant, hoe grote bazen hun zakken vullen. De berichten dat miljoenen euros aan CEO's worden toegekend hebben, met recht, een diep gevoel van afkeer veroorzaakt.
Zo'n schandelijke en provocerende situatie zou de arbeiders wel eens tot strijd kunnen aanzetten. De bourgeoisie moest dan ook wel iets doen. Zij heeft zich getooid met haar meest hypocriete masker om op tafel te slaan, om deze «schofterige bazen » te hekelen. Met de code-Lippens wil ze de gouden parachutes inperken en de opzegvergoedingen van de topmanagers aan banden leggen. "Verontwaardiging over bonussen is geen populisme maar een beetje elementair maatschappelijk fatsoen en moreel normbesef." heet het dan.
Kortom de staat snelt de arbeiders ter hulp!
De staat is de ergste baas
"Verscheidene landen hebben al maatregelen genomen om paal en perk te stellen aan de premies en hoge bonussen die toplui van noodlijdende financiële instellingen zichzelf nog steeds toe-eigenen" (edito in De Standaard, 31/3/09). Dit refrein wordt inderdaad in koor overgenomen door alle wereldleiders. Van Obama tot Merkel, van Zapatero tot Brown, allen beloven ze dat de staten zullen ingrijpen om de economie te 'moraliseren'. Het werd zelfs voorgesteld als één van de hoofddoelen van de G20.
Het is dus noodzakelijk een heel eenvoudige waarheid in herinnering te brengen: voor de proletariërs is de staat altijd de ergste baas geweest ! Wie voert er voortdurend algemene aanvallen uit op de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse ? Wie heeft de toegang tot de zorgverstrekking bemoeilijkt, de pensioenleeftijd opgetrokken en de uitkeringen verminderd ? Wie heeft de werklozen het leven zuur gemaakt door ze een schuldgevoel aan te wrijven, door ze massaal uit de officiële statistieken te schrappen en hun rechten in te perken ? Wie heeft er steeds meer precaire nepcontracten ingevoerd? De staat, nog eens de staat, altijd de staat!
Nochtans, bestaan er vandaag in de arbeidersrangen nog vele illusies over de aard van dit burgerlijk orgaan. Dit is te verklaren door het geloof dat werd bijgebracht en onderhouden door links, de vakbonden en alle gauchisten. En de plotse belangstelling van de bourgeoisie voor Marx dient alleen om deze illusie in stand te houden: "Karl Marx zei het al : De staat is helemaal terug. Zelfs geharde neoliberalen pleiten nu voor nationalisering." (De Standaard 1/3/09). Zo zou de staat na Wereldoorlog II, allerlei maatregelen hebben genomen ter verbetering van het algemeen welzijn van de arbeidersklasse (zoals bv. de oprichting van de Sociale Zekerheid). Zo wordt de illusie in stand gehouden dat massale nationaliseringen de arbeidersvoorwaarden zouden kunnen verbeteren. Deze eis staat trouwens voorop in het huidige programma van geheel uiterst-links. Ziehier een aantal voorbeelden: "Een staatsbank is een eerste haalbare zet om de crisis op korte termijn te counteren. Je kunt niet meteen de hele financiële sector nationaliseren -hoewel dat op termijn zeker een optie is." (De Standaard, 1/3/09, E. DeBruyn, voorzitter Sp.a Rood); "Daarom zeggen wij dat er een volledige nationalisering moet komen van de financiële sector." (Alternative Socialiste, april 09 PSL); "de PvdA wil een openbare bank" (Solidair, 26 maart 09 PvdA). In tegenstelling tot die traditionele leugens van links en uiterst-links, zijn nationaliseringen nooit een goede economische maatregel geweest voor het proletariaat. Na Wereldoorlog II stelde de omvangrijke golf van nationaliseringen zich tot doel het vernietigde productieapparaat opnieuw op te bouwen door het arbeidsritme te verhogen. Laten we de woorden van Thorez, secretaris-generaal van de Franse 'communistische' partij en toenmalig vice-president van de door De Gaulle geleidde regering niet vergeten, woorden die hij in het gezicht slingerde van de arbeidersklasse en in het bijzonder van de arbeiders in de openbare diensten: « Indien er mijnwerkers zich dood werken, dan zullen hun vrouwen hen vervangen», of «Stroop uw mouwen op voor de nationale heropbouw! » of nog « Staking is een wapen van de trusts » Welkom in de wondere wereld van de genationaliseerde ondernemingen!
Revolutionaire communisten hebben, sedert de ervaring van de Commune van Parijs in 1871, steeds de wezenlijk anti-proletarische rol van de staat onderstreept: « De moderne staat, onder welke vorm ook, is een in wezen kapitalistisch werktuig, de staat van de kapitalisten , de ideale universele kapitalist. Hoe meer productiekrachten hij als eigendom overneemt, des te meer wordt hij werkelijk universeel kapitalist, des te meer staatsburgers buit hij uit. De arbeiders blijven loonarbeiders, proletariërs. De kapitaalverhouding wordt niet opgeheven , zij wordt veleer op de spits gedreven » (F. Engels in 1878) (1).
De staat kan de kapitalistische economie niet redden
De nieuwe golf van nationaliseringen die effectief is begonnen in de bank- en automobielsector in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zal niets goeds met zich meebrengen voor de arbeidersklasse. Hij zal de bourgeoisie ook niet toelaten om aan te knopen met een echte duurzame groei. Wel integendeel! Deze nationaliseringen kondigen toekomstige, nog zwaardere economische wervelwinden aan.
Inderdaad, in 1929 zijn de banken die failliet gingen de dieperik ingegaan met de spaargelden van een groot deel van de Amerikaanse bevolking, waardoor miljoenen arbeiders in de ellende terechtkwamen. Sedertdien, om een gelijkaardige ineenstorting te vermijden, werd het banksysteem in twee delen opgesplitst. Enerzijds, de zakenbanken die de ondernemingen financieren en die werken aan allerlei financiële operaties en anderzijds de spaarbanken die geld ontvangen van spaarders en die dit geld gebruiken voor relatief veilige beleggingen. Vandaag bestaan de Amerikaanse zakenbanken echter niet meer als gevolg van de golf van faillissementen in 2008. Het Amerikaans financieel systeem heeft zich heringericht zoals het vóór 24 oktober 1924 bestond ! Bij de volgende windstoot lopen alle, dankzij een gedeeltelijke of volledige nationalisering, 'overlevende' banken, op hun beurt het risico te verdwijnen maar dan wel met de karige spaarcenten en de lonen van de arbeidersgezinnen. Indien de bourgeoisie vandaag nationaliseert is het niet om een of ander nieuw relanceplan in te voeren maar om een onmiddellijke insolvabiliteit te vermijden van financiële of industriële mastodonten. Het ergste moet vermeden worden, de meubelen moeten worden gered (2).
Al is het dan niet met zijn relanceplannen, kan de staat toch niet DE redder zijn door miljarden dollars in de economie te pompen om deze opnieuw op te starten? Wel,nee! Deze hoop steunt op het idee dat een staat niet failliet kan gaan, dat het eindeloos geld uit zijn zakken kan halen (of beter dat het onbeperkt geld kan drukken). Ben Bernanke, de huidige voorzitter van de Fed (de Amerikaanse centrale bank) heeft ooit op 21 november 2002 een toespraak gehouden die beroemd is gebleven : hij beweerde dat in geval van crisis in de Verenigde Staten het zou volstaan om «eindeloos geld te drukken en het met helikopters rond te strooien».
Wanneer een particulier failliet gaat, verliest hij alles en komt hij op straat te staan. Een onderneming sluit haar deuren. Maar een staat ? Kan een staat failliet gaan ? Al bij al heeft men nog nooit een staat 'de zaak zien sluiten'. Niet echt, inderdaad. Maar een staking van betalingen, dat hebben we wel meegemaakt ! In 1982 zagen veertien met schulden overladen Afrikaanse landen zich genoodzaakt een staking van betalingen aan te kondigen. In de jaren 1990 zijn ook een aantal Zuid-Amerikaanse landen en Rusland in gebreke gebleven. Onlangs nog, in 2001, stortte Argentinië op zijn beurt in. Concreet gezien hielden die landen niet op te bestaan, de nationale economie is ook niet stil gevallen. Er was daarentegen wel telkens een soort economische aardbeving : de waarde van de nationale munt viel sterk terug, de geldschieters (meestal andere staten) verloren alles of een deel van hun investering en vooral, de staat verminderde zijn uitgaven drastisch door een groot aantal ambtenaren te ontslaan en diegenen die nog aan het werk bleven voor een tijdje niet uit te betalen.
Vandaag staan vele landen op de rand van deze afgrond: Ecuador, IJsland, Oekraïne, Serbië, Estland, enz... Dichterbij bij huis, heeft de Europese Gemeenschap onlangs een hulpplan ontwikkeld voor de zware financiële crisis die vier van zijn lidstaten teistert : Ierland, Griekenland, Oostenrijk en... België. J.L. Dehaene bevestigd dat "Indien wij het (de Europese munteenheid) niet zouden hebben, wij vandaag, net als IJsland, een failliet land zouden zijn." (Le Vif/l'Express 27/3/09). Maar hoe staat het met de grote mogendheden? A. Schwartzenegger, gouverneur van Californië, verklaarde eind december dat zijn staat zich in een «fiscale noodtoestand » bevond. De rijkste Amerikaanse staat, de « Golden State », staat op het punt om een omvangrijk deel van zijn 235 000 ambtenaren te ontslaan! Bij de voorstelling van het nieuwe budget, waarschuwde de ex-Hollywoodster dat « iedereen offers zal moeten brengen ». Dit is een duidelijk symbool van de zware economische moeilijkheden waarmee de eerste wereldmacht kampt. Het betreft hier natuurlijk geen staking van betalingen vanwege de Amerikaanse staat maar dit voorbeeld geeft duidelijk aan dat de financiële maneuvreerruimte vandaag heel beperkt is. De schuldenlast op wereldvlak lijkt het niveau van verzadiging te hebben bereikt (60 000 miljard dollars in 2007 en hij is sedertdien met nog meerdere duizenden miljarden dollars toegenomen). Aangezien de bourgeoisie gedwongen wordt om in dezelfde richting door te gaan zal dit vernietigende economische schokken veroorzaken. Alle economen op deze planeet vragen om een nieuwe New Deal en dromen dat Obama zich ontpopt tot een nieuwe Roosevelt, die de economie kan aanzwengelen, zoals in 1933, door middel van een grootschalig plan dat grote openbare werken financiert... op krediet. Maar het plan Obama, dat begin 2009 wereldkundig werd gemaakt, zou volgens de economisten zelf « ontgoochelend zijn »: 775 miljard dollars zullen worden vrijgemaakt om enerzijds een « fiscaal cadeau » van 1000 dollars per Amerikaans gezin (95% van de gezinnen zijn erbij betrokken) mogelijk te maken, dit om ze aan te sporen « opnieuw geld uit te geven ». Anderzijds wordt er een programma opgestart van grote openbare werken mbt energie, infrastructuur en onderwijs. Dit plan, belooft Obama, zou « in de komende jaren » drie miljoen jobs voortbrengen. De Amerikaanse economie vernietigt op dit ogenblik meer dan 500 000 jobs per maand. Deze nieuwe New Deal (ook al overtreft hij de beste verwachtingen, wat weinig waarschijnlijk is) heeft dus nog heel wat weg af te leggen.
Plannen om de schuldenlast van de staat, zoals bij de New Deal, doen toenemen heeft de bourgeoisie sedert 1967 al regelmatig uitgevoerd zonder werkelijk succes. De verschulding van de gezinnen, de ondernemingen of de staten is een lapmiddel, het geneest het kapitalisme niet van de overproductieziekte (3); het laat hoogstens toe de economie tijdelijk uit het moeras te halen maar enkel door nog zwaardere crisissen in de toekomst voor te bereiden. En toch zal de bourgeoisie deze wanhoopspolitiek verder zetten omdat zij geen andere keus heeft, zoals de verklaring van Angela Merkel van 8 november 2008 op de Internationale Conferentie in Parijs, voor de zoveelste keer aantoont: "Er bestaat geen andere mogelijkheid om de crisis te bestrijden dan bergen schulden op te stapelen »; de laatste tussenkomst van de hoofdeconomist van het IMF, Olivier Blanchard stelt hetzelfde : « wij staan voor een crisis van buitengewone omvang, waarvan het belangrijkste onderdeel een ineenstorting van de vraag is [...] Het is absoluut noodzakelijk om [...] de privé-vraag opnieuw aan te zwengelen, wil men voorkomen dat de recessie zich omvormt tot een Grote Depressie » Hoe? « door de openbare uitgaven te verhogen".
De schuldenberg die vier decennia lang werd geaccumuleerd heeft zich omgevormd tot een ware Everest, en vandaag kan niets nog voorkomen dat het kapitaal van deze helling aftuimelt. De toestand van de economie is werkelijk rampzalig. Maar dit betekent niet dat het kapitalisme in één klap vanzelf zal ineenstorten. De bourgeoisie zal HAAR systeem niet laten verdwijnen, zij zal hardnekkig, en met alle middelen, proberen de doodstrijd van haar systeem te rekken, zonder zich zorgen te maken om de schade die het de mensheid toebrengt. Wat echter wel vaststaat is dat de historische crisis van het kapitalisme van ritme is veranderd. Na veertig jaren van trage afdaling in de hel, staat we voor een toekomst van hevige schokken, van opeenvolgende economische stuiptrekkingen die niet alleen Derdewereldlanden of ex-Oostbloklanden zullen treffen maar ook de Verenigde Staten, Europa en de opkomende economieën in Azië...
De bourgeoisie kan dan wel proberen ons met zoete illusies in slaap te wiegen door ons te doen geloven dat de staten de economie onder controle hebben en dat zij vanaf nu het kapitalisme zullen 'moraliseren'. De werkelijkheid is dat in alle landen, de staten, zowel van links als van rechts, het speerpunt zullen zijn van de toekomstige aanvallen tegen de arbeidersklasse! n
Jennifer&Lac /13.04
1) In l'Anti-Duhring, Uitg. Progres 1978, p.329
2) Op die manier schept zij een terrein dat gunstiger is voor de ontwikkeling van de klassenstrijd. Door hun officiële baas te worden, zullen alle arbeiders nu rechtstreeks de staat tegenover hen vinden in hun strijd. In de jaren 1980 en 1990 vormde de omvangrijke golf van privatiseringen van grote bedrijven een extra moeilijkheid, die de klassenstrijd afleidde naar een dood spoor. De arbeiders werden niet allen door de vakbonden opgeroepen om de openbare bedrijven te redden, of m.a.w. om eerder door die ene baas te worden uitgebuit (de staat) dan door die andere (privé). Maar ook bevochten ze niet meer dezelfde baas (de staat) maar een reeks verschillende private patroons. Hun strijd was dikwijls versnipperd en dus zwak. In de toekomst daarentegen zal er meer vruchtbare bodem bestaan voor eensgezinde arbeidersstrijd tegen de staat.
3) Om diepgaander de economische crisis te begrijpen, lees ons artikel "La plus grave crise économique de l'histoire du capitalisme".
De wilde stakingsgolf die op gang gebracht werd door de bouwvakkers en de onderhoudsarbeiders op de raffinaderij van de groep Total van Lindsey is mee van de belangrijkste strijd geweest van de laatste twintig jaar.
Duizenden bouwvakarbeiders van andere raffinaderijen en elektrische centrales stopten het werk uit solidariteit. Massameetings werden georganiseerd en regelmatig gehouden. Andere arbeiders uit de bouw, het staal, de dokken of werklozen, hebben zich aangesloten bij de stakingspiketten en betogingen die plaatsvonden voor verschillende werven. De arbeiders trokken zich geen barst aan van het feit dat de acties onwettelijk waren omdat zij hun solidariteit uitdrukten tegenover hun kameraden die in strijd waren, hun woede tot uiting brachten over de aangroeiende golf van ontslagen en de onmacht van de regering om daaraan te verhelpen. Toen een 200tal Poolse bouwvakarbeiders de strijd vervoegden, bereikte deze zijn hoogtepunt doordat hiermee het nationalisme in vraag werd gesteld, dat de strijd had gekenmerkt van bij het begin.
Het ontslag van 300 arbeiders in onderaanneming bij de raffinaderij in Lindsey, het voorstel om een andere onderaannemer aan te werven die 300 Italiaanse en Portugese arbeiders zou tewerk stellen (wier loon lager is omdat het geïndexeerd is naar het loon van hun land van oorsprong), en de aankondiging dat er geen enkele Britse arbeider zou aangenomen worden bij dit nieuwe contract heeft de woede als een lopend vuurtje doen verspreiden bij de bouwvakkers. Al jarenlang neemt men steeds meer zijn toevlucht tot de uitbuiting van buitenlandse arbeiders onder contract, en over het algemeen met lonen die veel lager zijn en werkomstandigheden die veel slechter zijn, met als onmiddellijk resultaat een verscherping van de concurrentie onder de arbeiders om aan werk te geraken, en een druk die uitgeoefend wordt op alle arbeiders met loonsverlagingen en een sterkere verslechtering van de arbeidsomstandigheden. Dat alles gaat gepaard met een golf van ontslagen in de bouwindustrie en elders als gevolg van de recessie en heeft een diepgaande strijdbaarheid veroorzaakt die tot uitdrukking kwam in de recente strijd.
Van bij het begin werd de beweging geconfronteerd met een fundamenteel vraagstuk, niet alleen voor de stakers die er vandaag bij betrokken waren maar voor heel de arbeidersklasse vandaag en morgen: is het mogelijk om te vechten tegen de werkloosheid en alle andere aanvallen door zichzelf te beschouwen als ‘Britse arbeiders' en door in conflict te gaan met ‘buitenlandse arbeiders', of moeten wij onszelf beschouwen als arbeiders, met gemeenschappelijke belangen met alle andere arbeiders, waar ze ook vandaan komen? Het was een diepgaand politiek vraagstuk, dat deze beweging grondig moest aanpakken.
De leugens van de media
Van bij de start leek de strijd beheerst te worden door het nationalisme. Op de nieuwsberichten kon men beelden zien van arbeiders met eigengemaakte slogans waarop de eis stond ‘Britse jobs voor Britse arbeiders' en de spandoeken van de vakbonden van elke industrietak hadden dezelfde slogan. De officiële vakbonden verdedigden dezelfde ordewoorden en namen ze over ; de media spraken van een strijd tegen de buitenlandse arbeiders en hebben de arbeiders opgespoord die deze mening deelden. Deze wilde stakingsbeweging had kunnen uitmonden in de gifpoel van nationalisme en kunnen afstevenen op een smadelijke nederlaag voor de arbeidersklasse, waarbij arbeiders tegen elkaar op kwamen, met arbeiders die massaal achter de nationalistische kreten stonden en opriepen tot een tewerkstelling enkel voor de ‘Britse' arbeiders terwijl de Italiaanse en Portugese arbeiders hun werk zouden verliezen. Daardoor zou de capaciteit van heel de arbeidersklasse verzwakt zijn om te strijden en zou de heersende klasse beter in staat zijn geweest om de arbeiders aan te vallen en te verdelen.
De mediaheisa (en wat bepaalde arbeiders ook mogen gezegd hebben) heeft het mogelijk gemaakt om te laten geloven dat de eisen van de arbeiders van Lindsey ‘Britse jobs voor Britse arbeiders' waren. Maar dat was niet het geval. Zo heeft de BBC bijvoorbeeld schaamteloos het interview met een staker verknipt en vervalst, en het vervolgens ruim verspreid, verbonden aan de steun van de stelling van de ‘vreemdelingenhaat van de beweging', door hem in de mond te leggen: "Men kan niet werken met de Portugezen en de Italianen", terwijl op een andere zender met minder publiek, het werkelijke interview een heel andere betekenis kreeg: "Men kan niet werken met de Portugezen en Italianen; wij worden compleet van hen gescheiden, zij komen met hun eigen bedrijf", wat er op neerkomt dat het onmogelijk was om met hen contact te hebben aangezien zij bewust afgeschermd worden van de lokale arbeidskrachten. Bij deze gelegenheid heeft de BBC gediend als trouwe woordvoerder van een regering en een bourgeoisie die beducht zijn voor een heropleving van de strijdbaarheid en de solidariteit van de arbeiders en voor het gevaar van de uitbreiding van de strijd. De eisen die bediscussieerd en gestemd werden op de massale meetings hebben geen ordewoorden noch enige vijandigheid getoond tegenover de buitenlandse arbeiders, in tegenstelling tot de propagandabeelden die ruim werden verspreid en overgebracht in de media op internationaal vlak...! Deze eisen drukten vooral de illusies uit omtrent de bekwaamheid van de vakbonden om de patroons te beletten de arbeiders tegen elkaar op te zetten, maar zonder een openlijk nationalisme.
De arbeiders reageren tegen het gif van het nationalisme
Het nationalisme maakt volkomen deel uit van de kapitalistische ideologie. Elke nationale bourgeoisie kan slechts overleven door economisch en militair te wedijveren met haar rivalen. De cultuur, de media, het onderwijs, de sportindustrie, al deze burgerlijke ideologieën verspreiden onophoudelijk hun gif om de arbeidersklasse te lijmen aan de natie. De arbeiders kunnen niet ontsnappen aan de besmetting van deze ideologie. Maar wat van cruciaal belang is in deze beweging is dat het gewicht van het nationalisme in vraag gesteld werd toen de arbeiders het vraagstuk aanpakten van de elementaire verdediging van hun levens- en werkomstandigheden, van de materiële klassebelangen.
Het nationalistische ordewoord ‘Britse jobs voor Britse arbeiders', gestolen van de British National Party [equivalent van het Vlaams Belang en de partij van Wilders] door sociaal-democraat Gordon Brown, heeft in tegendeel veel ongenoegen en nadenken teweeggebracht bij de arbeiders en in de arbeidersklasse. Talrijke stakers hebben verklaard niet racistisch te zijn, dat hun strijd niets van doen had met het vraagstuk van de immigratie, of dat zij niet achter de BNP stonden, die zelfs door de arbeiders werd weggejaagd, toen ze probeerde zich in hun staking te infiltreren.
Terwijl zij de BNP verworpen, probeerden vele geïnterviewde arbeiders duidelijk na te denken over de betekenis van hun strijd. Zij waren niet tegen de buitenlandse arbeiders, zij moesten ook in het buitenland werken, maar ze waren werkloos of wilden dat hun kinderen ook aan de slag zouden kunnen en zij voelden het dus als een noodzaak aan dat het werk eerst zou gaan naar ‘Britse' arbeiders. Deze giftige woorden werden Gordon Brown in het gezicht geslingerd met de bedoeling om ironisch te onderstrepen hoe zijn beloften zuiver demagogisch en leugenachtig van aard waren. Maar dergelijke visies lopen er altijd op uit dat zij zich tegen de arbeiders zelf keren en dat ze hen opsluiten in een visie als ‘Britten' of als ‘buitenlanders', waarbij hun gemeenschappelijk klassebelang ontkend wordt, en ze gekneveld worden in de valstrik van het nationalisme.
Desalniettemin hebben de arbeiders bij deze gelegenheid de gemeenschappelijke belangen onderstreept van alle arbeiders, een teken dat er een proces van nadenken het licht begint te zien en ze hebben gezegd dat alle arbeiders, van welke afkomst ook, een job zouden moeten hebben. "Ik ben twee weken geleden ontslagen van mijn werk als dokwerker. Ik heb gedurende 11 jaar in Cardiff aan de Barry Dokken gewerkt en ik ben vandaag hierheen gekomen in de hoop de regering wakker te schudden. Ik denk dat het hele land in staking zou moeten gaan want heel de Britse industrie gaat naar de haaien. Ik heb niets tegen de vreemde arbeiders. Ik wil hen niet blameren omdat ze hier naar werk komen zoeken". (Guardian - Online, 20 januari 2009). Er zijn ook arbeiders geweest die verdedigden dat het nationalisme een werkelijk gevaar is. Een arbeider die in het buitenland werkt is tussengekomen op het Internetforum van de bouw over de nationale verdelingen die door de patroons worden uitgespeeld: "De media hebben de nationalistische elementen aangewakkerd en keren ze nu tegen jullie, door de betogers op de slechtst mogelijk manier te belichten. Het spel is uit. Het laatste wat de patroons en de regering willen is dat de Britse arbeiders zich zouden verenigen met de arbeiders van overzee. Ze denken dat ze idioten van ons kunnen maken en ons kunnen tegen elkaar opzetten. Zij krijgen er koude rillingen van als wij dat niet doen". In een andere e-mail verbond hij de strijd aan die van Frankrijk en Griekenland en aan de noodzaak tot internationale banden: "De massale betogingen in Frankrijk en Griekenland zijn slechts voorafspiegelingen van wat er op komst is. Heeft men er ooit aan gedacht om deze arbeiders te contacteren en banden te smeden en in Europa een brede protestbeweging op gang te brengen tegen het feit dat de arbeiders bij de neus genomen worden ? Dat klinkt als een betere optie dan het zoeken naar de partijen die werkelijk schuldig zijn, die kliek van patroons, verkochte vakbondsleiders en New Labour, die profiteren van de arbeidersklasse". (Thebearfacts.org) Andere arbeiders van andere sectoren zijn ook tussengekomen op dit forum in verzet tegen de nationalistische ordewoorden.
De discussie onder de stakende arbeiders, en in de arbeidersklasse in het algemeen, over het vraagstuk van de nationalistische ordewoorden bereikte een nieuwe fase op 3 februari toen 200 Poolse arbeiders zich bij de 400 andere voegden in een wilde staking ter ondersteuning van die van Lindsey, bij de centrale die in opbouw is in Langage, in Plymouth. De media deden al het mogelijke om deze daad van internationale solidariteit weg te moffelen: het lokale tv-station van de BBC maakte er geen enkele melding van en op nationaal vlak was het nog minder. De black-out was totaal.
De solidariteit van de Poolse arbeiders was bijzonder belangrijk want zij waren vorig jaar bij een gelijkaardige staking betrokken geweest. 18 arbeiders werden toen ontslagen en andere arbeiders hadden het werk neergelegd uit solidariteit, de Poolse arbeiders inbegrepen. De vakbond had geprobeerd om er een staking van te maken tegen de gastarbeiders, maar de vastberadenheid van de Poolse arbeiders boorde deze poging volkomen de grond in. De arbeiders van Langage hebben deze nieuwe strijd gestart toen ze ervan verwittigd werden hoe de vakbonden zich van het nationalisme bediend hadden om de arbeidersklasse te verdelen. De dag nadat zij in staking waren gegaan dook er een spandoek op bij de massameeting in Lindsey met de woorden: "Elektrische Centrale van Langage - de Poolse arbeiders hebben zich bij de staking aangesloten: Solidariteit". Dit betekende dat enkele Poolse arbeiders de reis van 7 uur moesten gemaakt hebben om daar te kunnen zijn, of dat er ten minste een arbeider van Lindsey was die hun actie in de verf wilde zetten.
Tegelijkertijd zag men een spandoek aan het piket van Lindsey met een oproep aan de Italiaanse arbeiders om de stakingsbeweging te vervoegen - hij was geschreven in het Engels en in het Italiaans - en wij weten ook dat sommige arbeiders bordjes droegen waarop stond: "Arbeiders aller landen, verenigt U!". (The Guardian, 5 februari 2009). Kortom wij hebben een begin kunnen merken van een bewuste inspanning van bepaalde arbeiders om, in tegenspraak tot de nationalistische, racistische en xenofobe reacties die hen aangewreven werden, een werkelijk arbeidersinternationalisme te ontwikkelen en naar voren te brengen, een stap die alleen maar kan leiden tot nog meer nadenken en discussie binnen de arbeidersklasse.
Dit alles heeft het noodzaak opgeworpen om de strijd op een ander niveau te brengen, dat rechtstreeks moest indruisen tegen de campagne om hem af te schilderen als een nationalistische reactie. Het voorbeeld van de Poolse arbeiders heeft een perspectief gegeven aan duizenden andere gastarbeiders om de strijd te versterken op de grootste bouwwerven van Groot-Brittannië, zoals die ten oosten van Londen voor de Olympische Spelen. Er bestond ook het gevaar dat de media de internationalistische slogans niet langer konden wegmoffelen. Dat zou de nationalistische dam doorbroken hebben die de bourgeoisie zo ijverig had opgeworpen tegen de stakende arbeiders en de rest van de klasse. Het is niet verwonderlijk dat de strijd zo vlug beklonken werd. Op 24 uur tijd kwamen vakbonden, patroons en regering tot een akkoord terwijl zij voordien hadden aangekondigd dat het conflict nog dagen kon aanslepen, ja zelfs weken. En zij hebben niet alleen met de aanwerving van 102 ‘Britse arbeiders' ingestemd maar ook hun voorafgaande beslissing ingetrokken van het wegsturen van de Portugese en Italiaanse arbeiders naar hun land van oorsprong. Zoals een staker het berichtte: "Waarom zouden wij nu al moeten strijden om werk te hebben?".
Op een week tijd hebben wij de belangrijkste wilde stakingen sinds tientallen jaren gezien, arbeiders die massale meetings hielden en zonder aarzelen overgingen tot onwettelijke solidariteitsacties. Een strijd die had kunnen uitmonden in het nationalisme, is begonnen met het in vraag stellen van dit gif. Dat wil niet zeggen dat het gevaar geweken is: het is een voortdurend gevaar, maar deze beweging heeft aan de toekomstige strijd de mogelijkheid verschaft om belangrijke lessen te trekken. Het feit van spandoeken te zien met "Arbeiders aller landen, Verenigt U!" voor een zogenaamd nationalistische stakerspost kan de heersende klasse alleen maar verontrusten omtrent wat haar te wachten staat in de toekomst.
Phil / 7.2.2009
Tijdens het laatste IKS-Congres stipten wij een internationale trend aan van opkomst van nieuwe groepen en individuen die evolueerden naar de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde, en wij haalden vooral het belang aan van dit proces en de verantwoordelijkheid die het legde op de schouders van onze organisatie:
"De werkzaamheden van het 16e Internationaal Congres [had als] belangrijkste taak (...) het onderzoeken van de heropleving van de klassenstrijd en de verantwoordelijkheden die deze oplegde aan onze organisatie, in het bijzonder nu wij geconfronteerd worden met de ontwikkeling van een nieuwe generatie van elementen die op zoek zijn naar een revolutionair politiek perspectief".(1)
"Het is de verantwoordelijkheid van revolutionaire organisaties, en van de IKS in het bijzonder, om een actieve rol te spelen in het denkproces dat reeds aan de gang is in de klasse, niet alleen door op actieve wijze tussen te komen in de strijd, wanneer die zich begint te ontwikkelen, maar ook door het stimuleren van groepen en elementen die proberen de strijd te vervoegen".(2)
"Het Congres (...) maakte een zeer positieve balans op van onze politiek naar de groepen en elementen die streven naar de verdediging van de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde (...). Het meest positieve aspect van deze politiek is ongetwijfeld dat wij in staat waren om banden met andere groepen aan te gaan en te verstevigen, gebaseerd op revolutionaire standpunten, zoals wordt geïllustreerd door de deelname van deze groepen aan ons Congres".(3)
Het was dus op ons laatste internationaal congres dat wij voor het eerst in een kwart eeuw, afvaardigingen mochten verwelkomen van verschillende groepen die uitgingen van duidelijke internationalistische klassestandpunten (OPOP uit Brazilië, de SPA uit Korea, de EKS uit Turkije en de groep Internasyonalismo uit de Filippijnen (4), alhoewel deze laatste niet in staat was om deel te nemen). Contacten en discussies werden sedertdien verder gezet met andere groepen en elementen uit andere delen van de wereld, voornamelijk in Latijns Amerika waar wij Publieke Bijeenkomsten hebben kunnen houden in Peru, Ecuador en in de Dominicaanse Republiek [Santo Domingo] (5). De discussies met de kameraden van de EKS en Internasyonalismo heeft voor hen geleid tot hun kandidatuur van toetreding tot de IKS, aangezien zij in groeiende mate akkoord gingen met onze standpunten. Een tijdlang hebben deze discussies plaatsgevonden in het kader van een integratieproces wiens algemene lijnen uitgetekend zijn in de tekst die op onze website gepubliceerd is: ‘Hoe aansluiten bij de IKS?'(6).
Tijdens deze periode hebben de kameraden dus diepgaande discussies gevoerd over ons Platform en ons op de hoogte gehouden van de verslagen van hun discussies. Verschillende afvaardigingen van de IKS hebben hen ter plaatse bezocht om met hen te discussiëren en konden zichzelf overtuigen van hun diepgaande kommunistische betrokkenheid en van de helderheid van hun overeenstemming met onze internationalistische beginselen. Als besluit van deze discussies heeft de jongste voltallige sessie van het centraal orgaan van de IKS beslist om beide groepen te integreren als nieuwe secties van onze organisatie.
De meeste van de IKS-secties zijn gebaseerd in Europa (7) of in Amerika (8), en totnogtoe was de enige sectie buiten deze twee continenten, de sectie in India. De integratie van deze twee nieuwe secties in onze organisatie verbreedt dus aanzienlijk de geografische uitbreiding van de IKS.
De Filippijnen zijn een uitgestrekt land in een regio van de wereld die recentelijk een snelle industriële groei heeft gekend, met als resultaat een toename in het aantal arbeiders - om niet te spreken van de diaspora van 8 miljoen Filippijnse gastarbeiders over de hele wereld. In de recente jaren heeft deze aangroei veel illusies in het leven geroepen over een ‘tweede wind' voor het kapitaal; vandaag daarentegen is het duidelijk dat de ‘opkomende' landen geen kans meer hebben om te ontsnappen aan de vernietiging van de om zich heen grijpende crisis in de ‘oude' kapitalistische landen. De kapitalistische tegenstrijdigheden zullen dus in de komende periode hard aangescherpt worden in de gehele regio, en dit zal onvermijdelijk sociale bewegingen uitlokken, die niet zullen beperkt blijven tot hongerrellen, zoals wij hebben meegemaakt in de lente van 2007, maar die de strijd van arbeidersklasse zal bevatten.
De vorming van een sectie in Turkije versterkt de aanwezigheid van de IKS op het Aziatisch continent, meer speciaal in een regio die behoort tot één van de brandhaarden van de imperialistische spanningen van vandaag: het Midden-Oosten. Inderdaad de kameraden van de EKS kwamen vorig jaar al tussen met een pamflet om de militaire manoeuvres van de Turkse bourgeoisie aan te klagen in het noorden van Irak (zie hiervoor ‘EKS - pamflet: ‘Tegen de jongste ‘Operatie' van het Turkse leger' op onze website https://www.internationalism.org [32]).
De IKS is er meer dan eens van beschuldigd een ‘Euro-centristische' visie te hebben omtrent de ontwikkeling van de arbeidersstrijd en het revolutionaire perspectief, omdat het de nadruk legt op de beslissende rol van het proletariaat uit de landen van West-Europa: "Pas als de strijd van het proletariaat het economische en politieke hart van het kapitaal raakt: is het niet langer mogelijk een economisch veiligheidscordon te leggen omdat de rijkste economie· daardoor getroffen zouden worden; zal het leggen van een politiek veiligheidscordon geen effect meer hebben omdat het meest ontwikkelde proletariaat tegenover de machtigste bourgeoisie staat; pas dan zal deze strijd het sein geven voor de revolutionaire wereldbrand (·)
Alleen door het hart en het hoofd te raken zal het proletariaat in staat zijn het kapitalistische monster te verslaan.
Al eeuwenlang heeft de geschiedenis het hart en het hoofd van de kapitalistische wereld in West-Europa geplaatst. De wereldrevolutie zal haar eerste stappen zetten waar ook het kapitaal haar eerste stappen zette. Hier zijn de voorwaarden van de revolutie, zoals hiervoor opgesomd, in hun hoogste vorm aanwezig (...)
Alleen in West-Europa, waar het proletariaat de langste strijdervaring heeft, waar het al tientallen jaren geconfronteerd wordt met het meest geraffineerde ‘arbeiders'-bedrog, kan het politieke bewustzijn, dat onontbeerlijk is in zijn strijd voor de revolutie, volledig tot ontwikkeling komen". (9)
Onze organisatie heeft geantwoord op deze beschuldiging van ‘Eurocentrisme': "Dit is geenszins een ‘eurocentristische' zienswijze. Het is de burgerlijke wereld zèlf die in Europa begon en die er het oudste proletariaat met de meeste ervaring voortbracht" (Idem).
Wij hebben er vooral altijd de nadruk op gelegd dat revolutionairen een levensbelangrijke rol te spelen hebben in de perifere landen van het kapitalisme:
"Dit betekent niet dat klassenstrijd en revolutionaire activiteit geen zin heeft in andere delen van de wereld. De arbeidersklasse vormt één geheel. De klassenstrijd bestaat overal waar arbeid en kapitaal de degens kruisen. De lessen van de verschillende uitingen van deze strijd gelden voor de hele klasse, ongeacht de vraag waaruit ze werden getrokken: in het bijzonder zal de ervaring van de strijd in de perifere landen de strijd in de centrale beïnvloeden. De revolutie zal wereldwijd zijn en zal alle landen omvatten. De revolutionaire stromingen van de klasse zijn kostbaar overal waar het proletariaat het opneemt tegen de bourgeoisie, dat wil zeggen overal ter wereld" (Idem).
Dit is overduidelijk van toepassing op landen zoals Turkije en de Filippijnen.
In deze landen is de strijd voor kommunistische ideeën inderdaad moeilijk. Hij moet er het hoofd bieden aan de klassieke misleidingen die de heersende klasse gebruikt om de ontwikkeling van de strijd en de bewustwording van de arbeidersklasse te blokkeren (illusies in de democratie en de verkiezingen, de sabotage van arbeidersstrijd door het vakbondsapparaat, en het vergif van het nationalisme). Maar bovendien krijgt de strijd van de arbeidersklasse en van de revolutionairen direct en onmiddellijk af te rekenen, niet alleen met de officiële repressiekrachten van de regering, maar ook met gewapende oppositiekrachten die zich opstellen tegen de regering. Zoals de PKK in Turkije of de verschillende guerrillabewegingen in de Filippijnen, wier brutaliteit en gebrek aan scrupules volledig die van de regering evenaren, om de eenvoudige reden dat ook zij het kapitalisme verdedigen, al is het dan onder een andere vermomming. Deze toestand maakt de activiteit van de twee nieuwe secties van de IKS gevaarlijker dan zij is in de landen van Europa en Noord-Amerika.
Vóór haar integratie in de IKS publiceerde de sectie in de Filippijnen reeds op haar eigen website zowel in het Tagalog (de officiële taal van dit land) als in het Engels (dat veel gebruikt wordt in de Filippijnen). De huidige omstandigheden maken het voor de kameraden onmogelijk om een regelmatige gedrukt pers uit te brengen (buiten de occasionele pamfletten) en onze website zal dus voor hen het voornaamste middel worden om onze standpunten daar te verspreiden.
De sectie in Turkije zal verder gaan met het publiceren van het tijdschrift ‘Dunya Devrimi' [Wereldrevolutie], dat voortaan de IKS-publicatie zal worden in dat land.
Zoals wij schreven in de International Review n°122: "Wij begroeten deze kameraden die nu toe groeien naar kommunistische standpunten en naar onze organisatie. Wij zeggen tot hen: ‘Jullie hebben een goede keuze gemaakt, de enig mogelijke als jullie willen aansluiten bij de strijd voor de proletarische revolutie. Maar dit is geen gemakkelijke beslissing: jullie zullen niet onmiddellijk veel succes hebben, jullie zullen geduld en vastberadenheid nodig hebben en moeten leren om niet op te geven als de resultaten die jullie bereiken maar mager zijn ten opzichte van waar jullie op hopen. Maar jullie zullen niet alleen staan: de militanten van de IKS staan aan jullie kant en zijn zich bewust van de verantwoordelijkheid die jullie aanpak aan hen toevertrouwt. Het is hun wil, die tot uitdrukking kwam op het 16e Congres, om die verantwoordelijkheden te vervullen" (IKS, 16e Congres, opt.cit.) Deze woorden werden gericht tot alle elementen en groepen die de keuze gemaakt hadden om de verdediging op te nemen van de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde. Dit is eerst en vooral van toepassing op de twee nieuwe secties die pas onze organisatie vervoegd hebben.
De ganse IKS heet de twee nieuwe secties, en aan de kameraden die er deel van uitmaken, hartelijk en broederlijk welkom n
De IKS
(1) International Review n°122
(2) International Review n°130, ‘Resolution on the international situation'
(3) International Review n°130, ‘The proletarian camp reinforced worldwide'
(4) OPOP: Oposição Opéraria (Arbeiders Oppositie); SPA: Socialist Polical Alliance; EKS: Internasyonalist Kommunist Sol (Internationaal Kommunistisch Links); Internasyonalismo (Internationalisme)
(5) Zie hiervoor op onze website ‘Internationalist Debate in the Dominican Republic', ‘Reunión Pública de la CCI en Perú': Hacia la construcción de un medio de debate y clarficación' en (‘Reunión Pública de la CCI en Ecuador: un momento del debate internacionalista').
(6) "De IKS heeft altijd op enthousiaste wijze de nieuwe elementen die ons wensen te vervoegen, begroet (...)Dit betekent nochtans niet dat dit enthousiasme omslaat in een op zichzelf staande rekruteringspolitiek, zoals bij de trotskistische organisaties (...). Onze politiek is niet gericht op voortijdige integraties op een onheldere, opportunistische grondslag (...). De IKS is geen ‘bed & breakfast' halte en is niet geïnteresseerd in het vissen naar leden.
Wij verspreiden evenmin illusies. Dat is de reden waarom lezers die zichzelf de vraag stellen: ‘Hoe kan je aansluiten bij de IKS?', moeten begrijpen dat deel worden van de IKS een tijdje duurt. Iedere kameraad die zijn/haar kandidatuur stelt moet daarom bereid zijn even geduld te oefenen. Het integratieproces is een middel waarbij de kandidaat voor zichzelf de grondigheid van zijn/haar overtuiging uitdiept, zodat de beslissing om en militant te worden niet lichtvaardig genomen wordt of in een bevlieging van een moment. Het is tevens de beste waarborg die wij kunnen bieden opdat zijn/haar wil tot een militant engagement niet zou uitlopen op een mislukking en demoralisering ".
(7) België, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Spanje, Nederland, Zweden, Zwitserland.
(8) Brazilië, Mexico, Verenigde Staten, Venezuela.
(9) Internationale Revue n°17 (NL), ‘Het proletariaat van West-Europa in het centrum van de veralgemening van de klassenstrijd'.
Links
[1] https://nl.internationalism.org/tag/7/117/internationalistisch-anarchisme
[2] https://nl.internationalism.org/tag/5/287/aanval-op-de-iks
[3] https://nl.internationalism.org/tag/7/128/parasitisme
[4] https://nl.internationalism.org/tag/7/111/internationaal-bureau-voor-de-revolutionaire-partij
[5] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/sociale-situatie-belgie
[6] https://nl.internationalism.org/tag/3/42/economie
[7] https://nl.internationalism.org/tag/6/108/irak
[8] https://nl.internationalism.org/tag/aktiviteiten-van-de-iks/openbare-discussiebijeenkomsten-permanenties
[9] https://nl.internationalism.org/tag/3/44/imperialisme
[10] https://nl.internationalism.org/tag/2/26/proletarische-revolutie
[11] https://nl.internationalism.org/tag/14/221/themas-verdiepen
[12] https://nl.internationalism.org/tag/9/143/1905-revolutie-om-rusland
[13] https://nl.internationalism.org/tag/2/39/revolutionaire-organisatie
[14] https://russia.internationalist_forum.org
[15] https://nl.internationalism.org/tag/4/87/midden-oosten
[16] https://nl.internationalism.org/tag/4/71/frankrijk
[17] https://nl.internationalism.org/tag/2/36/de-zogenaamde-arbeiderspartijen
[18] https://nl.internationalism.org/tag/18/283/opbouw-van-de-organisatie-belgische-werklieden-partij
[19] https://nl.internationalism.org/tag/7/126/trotskisme
[20] https://nl.internationalism.org/tag/4/55/afrika
[21] https://www.internationalism.org/dutch
[22] https://nl.internationalism.org/tag/7/122/officieel-anarchism
[23] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-nederland
[24] https://nl.internationalism.org/tag/18/296/het-proletariaat-tov-de-belgische-staat
[25] https://nl.internationalism.org/tag/4/95/rusland-kaukasus-centraal-azie
[26] https://nl.internationalism.org/tag/2/29/proletarische-strijd
[27] https://nl.internationalism.org/tag/11/151/congres-resoluties
[28] https://nl.internationalism.org/tag/4/68/belgie
[29] https://nl.internationalism.org/tag/11/155/tussenkomsten
[30] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/klassenstrijd-belgie
[31] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-belgie
[32] https://www.internationalism.org
[33] https://nl.internationalism.org/tag/3/52/terrorisme
[34] https://nl.internationalism.org/tag/9/147/1980-massastaking-polen
[35] https://nl.internationalism.org/tag/4/73/groot-brittannie
[36] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/economische-situatie-belgie
[37] https://nl.internationalism.org/tag/3/47/maatschappelijke-ontbinding
[38] https://nl.internationalism.org/tag/3/49/oorlog
[39] https://nl.internationalism.org/tag/8/133/de-beweging-van-zimmerwald
[40] https://nl.internationalism.org/tag/2/25/verval-van-het-kapitalisme
[41] https://nl.internationalism.org/tag/2/35/deelstrijd
[42] https://nl.internationalism.org/tag/8/139/internationale-kommunistische-stroming
[43] http://www.alasbarricadas.org
[44] https://nl.internationalism.org/tag/3/50/partij-en-fractie
[45] https://nl.internationalism.org/tag/8/132/tweede-internationale
[46] https://nl.internationalism.org/tag/4/80/spanje
[47] https://nl.internationalism.org/tag/3/51/religie-en-godsdienst
[48] https://nl.internationalism.org/tag/4/94/verenigde-staten
[49] https://www.armoede.be
[50] http://www.nl.internationalism
[51] https://nl.internationalism.org/tag/3/45/internationalisme
[52] https://nl.internationalism.org/tag/2/31/het-parlementaire-bedrog
[53] mailto:[email protected]
[54] https://nl.internationalism.org/tag/5/103/spanje-1936
[55] https://nl.internationalism.org/tag/3/48/milieu
[56] https://nl.internationalism.org/tag/2/40/klassenbewustzijn
[57] https://nl.internationalism.org/tag/4/85/mexico
[58] https://nl.internationalism.org/files/nl/Pamflet_AIRBUS.pdf
[59] https://forumtrots.agorasystem.com/lcr
[60] https://nl.internationalism.org/tag/18/328/russische-revolutie-1917
[61] https://nl.internationalism.org/tag/9/144/1917-de-oktoberrevolutie-rusland
[62] http://www.neeaanleuro.be
[63] http://www.platformvolwassenenon
[64] https://nl.internationalism.org/tag/7/121/ultra-links
[65] https://nl.internationalism.org/tag/4/86/venezuela
[66] https://nl.internationalism.org/tag/4/83/midden-en-zuid-amerika
[67] https://nl.internationalism.org/tag/4/88/irak
[68] https://nl.internationalism.org/tag/4/59/zuid-afrika
[69] https://fr.internationalism.org/contact
[70] https://nl.internationalism.org/tag/2/28/stalinisme-het-oostblok
[71] https://nl.internationalism.org/tag/11/153/lezersbrieven
[72] https://es.internationalism.org/ccionline/2006_brasil.html
[73] https://es.internationalism.org/ccionline/2007_hojaestudiantes
[74] https://es.internationalism.org/ccionline/2007/Chavez
[75] https://es.internationalism.org/ccionline/2007/elecvenez
[76] https://nl.internationalism.org/tag/11/152/correspondentie-met-andere-groepen
[77] https://nl.internationalism.org/tag/4/61/azie
[78] https://nl.internationalism.org/tag/7/109/kommunistische-linkerzijde
[79] http://www.lemonde.fr
[80] https://nl.internationalism.org/tag/4/96/afghanistan
[81] http://www.internationalism.org
[82] https://nl.internationalism.org/tag/9/146/1968-mei-frankrijk
[83] https://nl.internationalism.org/tag/4/65/pakistan
[84] https://nl.internationalism.org/tag/6/226/moordaanslag-op-benazir-bhutto
[85] http://www.lagrandeepoque.com
[86] https://nl.internationalism.org/tag/4/69/duitsland
[87] https://fr.internationalism.org/ri386/Russie_Octobre_1917_Salut_à_l-a_Révolution_prolétarienne.htm
[88] https://fr.internationalism.org/ri344/Lenine.htm
[89] https://nl.internationalism.org/tag/8/134/derde-internationale
[90] https://archive.intal.be/nl/article.php?articleId=267&menuId=1
[91] https://www.nrc.nl/buitenland/article976972.ece/Internationale_Rode-_Kruis_Irak_humanitair_drama
[92] https://www.icrc.org/Web/Eng/siteeng0.nsf/htmlall/iraq?OpenDocument
[93] https://www.indymedia.be/fr/node/26620
[94] https://nl.internationalism.org/tag/4/62/china
[95] http://www.rfi.fr
[96] http://www.libcom.org
[97] http://www.marxists.org]
[98] https://nl.internationalism.org/files/nl/n_isme343.pdf
[99] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/klassenstrijd-sosiale-beroering
[100] https://nl.internationalism.org/tag/historische-gebeurtenissen/2009-darwinjaar
[101] https://nl.internationalism.org/tag/3/41/cultuur
[102] https://nl.internationalism.org/files/nl/n_isme344.pdf
[103] https://nl.internationalism.org/tag/5/101/ineenstorting-van-het-oostblok
[104] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/mexicaanse-griep
[105] http://www.marianne2.fr
[106] https://en.internationalism.org/ir/63_pollution
[107] https://en.internationalism.org/2009/ir/138/green-economy
[108] https://nl.internationalism.org/tag/9/140/1848
[109] https://nl.internationalism.org/tag/18/294/duitsland-1919
[110] https://nl.internationalism.org/tag/9/145/1919-de-revolutie-duitsland
[111] https://nl.internationalism.org/tag/4/90/israel
[112] https://nl.internationalism.org/tag/4/72/griekenland
[113] https://nl.internationalism.org/tag/people/darwin
[114] https://nl.internationalism.org/tag/2/27/staatskapitalisme