De kommunisten en het nationale vraagstuk

Printer-friendly version

“De nationale staat heeft zichzelf overleefd - hij kan niet langer dienen als ontwikkelingskader voor de productiekrachten, noch als basis voor de klassenstrijd en nog minder als staatsvorm van de dictatuur van het proletariaat” (Leo Trotski, Nashe Slovo, 4.2.1916).

De proletariërs hebben geen vaderland. Dat is de grondslag van de kommunistische analyse van het nationale vraagstuk. Gedurende heel deze eeuw werden duizenden proletariërs misleid, onder de wapenen geroepen en uitgemoord in naam van het vaderland, de nationale verdediging, de nationale bevrijding. In wereldoorlogen en in lokale oorlogen, in guerrillastrijd en in botsingen tussen grote nationale legers werden arbeiders uit alle landen ertoe aangezet hun leven te geven voor hun onderdrukkers. Niets werd in deze eeuw duidelijker aangetoond dan de volstrekte tegenstelling tussen het nationalisme en de internationale belangen van de arbeidersklasse.

Maar omdat het proletariaat de lessen van de geschiedenis alleen leert uit zijn eigen ervaring in het historisch proces kunnen de kommunisten het nationale vraagstuk alleen analyseren in historische termen, om te kunnen begrijpen waarom het verzet tegen elke vorm van nationalisme en van nationale strijd een van de klassengrenzen is geworden die de burgerlijke organisaties scheidt van de proletarische.

De kommunisten en het nationale vraagstuk in de negentiende eeuw

Ondanks bepaalde tegenstrijdigheden en beperkingen in hun analyses - beperkingen die zelf het product waren van de periode - hadden de grondleggers van het wetenschappelijk socialisme een wezenlijk punt begrepen dat vandaag, in de enorme poel van verwarring teweeggebracht door vijftig jaar contrarevolutie, nagenoeg vergeten is. Voor Marx en Engels bestond er geen twijfel dat de nationale staat en de nationale ideologie louter producten waren van de ontwikkeling van het kapitalisme, dat de natie het onmisbare kader was voor de groei van de kapitalistische productieverhoudingen vanuit en tegen de feodale maatschappij. Wat ook de tegenstrijdigheden mogen zijn in hun geschriften over de mogelijkheid van een socialistische ontwikkeling binnen de grenzen van de nationale staat, het algemene perspectief van Marx en Engels steunde op een analyse van de wereldmarkt en op het inzicht dat de toekomstige socialistische of kommunistische maatschappij een wereldwijde associatie van producenten en een algemene mensengemeenschap zou zijn. De Eerste Internationale werd trouwens opgericht op basis van de erkenning dat de arbeidersklasse een internationale klasse is die haar gevechten op wereldschaal moet verenigen.

Niettemin steunden Marx en Engels, als kommunisten en proletarisch internationalisten, dikwijls nationale bevrijdingsbewegingen en hun geschriften over dit vraagstuk zijn in de afgelopen tijd maar al te vaak gebruikt door zich ‘marxistisch’ noemende stromingen om hun steun aan ‘nationale bevrijdingsstrijd’ in de huidige periode te rechtvaardigen.

Het is echter een gegeven dat we in een andere historische periode leven dan Marx en Engels. Daarom kunnen kommunisten vandaag de dag de verwerping van de ‘nationale bevrijdingsstrijd’ tot een sleutelbegrip te maken van de revolutionaire kijk op de wereld. Marx en Engels schreven hun teksten in de historische periode van opgang van het kapitalisme. De bourgeoisie was toen zelf nog een vooruitstrevende en revolutionaire klasse die streed tegen de belemmeringen van de feodale overheersing. De burgerlijke revolutie tegen het feodalisme nam noodzakelijkerwijs een nationale vorm aan. Om de handelsbelemmeringen te vernietigen, die door de feodale lokale autonomie, douanerechten, tolrechten, gilden, enzovoort, opgelegd waren, moest de bourgeoisie zich op nationaal vlak verenigen. Lenin was zich daar terdege bewust van toen hij schreef:

“Het tijdperk van de definitieve overwinning van het kapitalisme op het feodalisme ging over de hele wereld met nationale bewegingen gepaard. Aan deze bewegingen ligt de economische voorwaarde ten grondslag, dat voor de volledige overwinning van de warenproductie de verovering van de binnenlandse markt door de bourgeoisie, zowel als de staatkundige aaneensluiting van gebieden met een gelijktalige bevolking noodzakelijk is, terwijl tevens alles wat de ontwikkeling van de desbetreffende taal, evenals haar ontplooiing in de literatuur belemmert, uit de weg moet worden geruimd. De taal is het belangrijkste middel voor de omgang tussen de mensen; de eenheid van taal en haar onbelemmerde ontwikkeling behoren tot de belangrijkste voorwaarden voor een werkelijk vrije, grootscheepse, in overeenstemming met het moderne kapitalisme zijnde handel [...]. Iedere nationale beweging heeft daarom de tendens nationale staten te vormen die aan deze eisen van het moderne kapitalisme het beste beantwoorden” (Lenin, Over het recht van de naties op zelfbeschikking, 1914).

Vanaf de vorming van een burgerleger tijdens de Franse revolutie tot aan de Italiaanse ‘Risorgimento’, vanaf de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog tot aan de burgeroorlog nam de burgerlijke revolutie steeds de vorm aan van een nationale bevrijdingsstrijd tegen de reactionaire koninkrijken en tegen de uit het feodalisme overgebleven klassen (de Amerikaanse slavenhouders zijn wel een bijzonder geval, maar ze vormden toch een reactionaire hinderpaal voor de kapitalistische ontwikkeling van Amerika). Deze gevechten hadden vooral tot doel de vervallen politieke bovenbouw van het feodalisme te vernietigen en het enge lokalisme en de autarkische huishouding op te ruimen, die de eenmaking van het kapitalisme tegenhielden.

Als wetenschappelijke socialisten, die hun oppositie tegen het kapitalisme steunden op materiële en niet op morele gronden, begrepen Marx en Engels dat het socialisme niet mogelijk was zolang het kapitalisme geen echte wereldmarkt geschapen had en het proletariaat geen werkelijke internationale klasse geworden was. In hun tijd vormden de kapitalistische warenverhoudingen nog de enige basis voor de progressieve ontwikkeling van de productiekrachten. Alleen vanuit dit standpunt konden de revolutionairen van die tijd hun steun geven aan nationale bevrijdingsstrijd. Zolang de wereldmarkt nog niet ten volle ontwikkeld was, zolang er geen wereldwijde industriële infrastructuur geschapen was, zolang het systeem zich nog uitbreidde naar overgebleven reusachtige voorkapitalistische gebieden en zolang de bourgeoisie nog in staat was de strijd aan te binden met feodalisme en absolutisme, was het noodzakelijk voor de arbeidersbeweging om actief te blijven deelnemen aan die nationale bevrijdingsstrijd, die de materiële grondslagen legde voor een toekomstige socialistische revolutie. En in die tijd leefde er onder de arbeiders inderdaad een oprecht solidariteitsgevoel met een aantal nationale bevrijdingsoorlogen. Ondanks de ontberingen en de werkloosheid, veroorzaakt door de Amerikaanse burgeroorlog (gevolg van de stopzetting van de katoenuitvoer) gaven de Engelse textielarbeiders hun volle steun aan de Noordelijken en voerden zij campagne tegen de stilzwijgende medeplichtigheid van de Britse heersende klasse met de Zuidelijke slavenhouders. In 1860 werkten de havenarbeiders van Liverpool onbetaald op zaterdagmiddagen om voorraden in te schepen voor Garibaldi's expeditie naar Sicilië. Een dergelijke houding staat in schril contrast tot de onverschilligheid of vijandigheid, die de arbeiders momenteel tonen ten opzichte van de campagnes van links om nationale bewegingen te steunen.

Maar de revolutionaire proletarische houding tegenover nationale oorlogen in die periode onderscheidde zich op twee punten. Eerst en vooral erkenden de kommunisten nooit enig abstract ‘recht’ op nationale zelfbeschikking dat te allen tijde voor elke natie van toepassing zou zijn.

Nationale bewegingen werden alleen gesteund als ze beschouwd werden als een bijdrage tot de vooruitstrevende ontwikkeling van het wereldkapitalisme. Een van de voornaamste criteria voor Marx en Engels om de vooruitstrevendheid vast te stellen van een nationale beweging was of ze al of niet de macht van het Russische absolutisme uitdaagde dat toen het bolwerk van de reactie was voor het hele Europees continent - niet alleen tegen het kommunisme, maar ook tegen de burgerlijke democratie, het liberalisme en de nationale eenmaking. Zo kregen de Duitse en Poolse nationale bewegingen steun, terwijl een aantal Slavische nationale bewegingen die niet kregen omdat ze reactionair waren, overheerst door voorkapitalistische klassen en gebruikt door het tsarisme om zijn absolutisme te versterken en uit te breiden. Hetzelfde gebeurde in de kapitalistische koloniën waar de kommunisten, in hun strijd tegen hun nieuwe imperialistische meesters, wel de koloniale plunderingen en uitbuiting veroordeelden, maar niet de inlandse oorlogsheren en stamhoofden steunden. Over de opstand in Egypte tegen de Britten, geleid door Ahmed Arabi Pasha, schreef Engels in 1882 aan Bernstein:

"Ik denk wel dat we aan de kant van de onderdrukte fellahs kunnen staan zonder hun monetaire illusies te delen (een boerenvolk moet eeuwen bedrogen worden voor het zich hier, door zijn ervaring, van bewust wordt) en tegen de Engelse brutaliteiten, zonder partij te kiezen voor hun militaire tegenstanders van het ogenblik.” (Briefe an Eduard Bernstein, London, 9 August 1882, MEW Band 35, blz. 348)

Dergelijke bewegingen werden meer beschouwd als pogingen van inlandse feodale vorsten of Aziatische despoten om hun greep over ‘hun’ boeren te handhaven en dan als uitingen van een revolutionaire nationale bourgeoisie. Anderzijds werden sommige koloniale volksopstanden - zoals in China - gesteund voorzover zij een basis schenen te verschaffen voor een onafhankelijke nationale ontwikkeling van het kapitaal, vrij van koloniale overheersing, of als mogelijke ontstekers van de klassenstrijd in het onderdrukkende moederland. Dit laatste criterium werd door Marx in het bijzonder toegepast op het geval van Ierland, omdat hij meende dat de Britse overheersing van dat land de klassenstrijd in Engeland vertraagde en het klassenbewustzijn afleidde naar nationaal chauvinisme.

We stellen niet voor om een discussie aan te gaan over het feit of Marx en Engels gelijk hadden om deze of gene nationale beweging te steunen. In bepaalde gevallen, zoals in Ierland, was de mogelijkheid van nationale bevrijding al verpletterd toen Marx ze nog verdedigde; in andere gevallen bleek deze steun naderhand ten volle gerechtvaardigd. Wat echter belangrijk is, is het begrijpen van het kader, waarmee de kommunisten bepaalden of een nationale beweging progressief was of niet. Zij steunden hun oordeel niet op de ‘gevoelens’ van de onderdrukte volkeren, op een eeuwig ‘recht’ op nationale zelfbeschikking en zelfs niet op de bijzondere voorwaarden in een of ander land. “Hun stellingnamen - juist of verkeerd - werden onveranderlijk gesteld in het kader van een duidelijk perspectief: wat op wereldvlak de rijping van de voorwaarden van de proletarische revolutie begunstigde, was progressief en moest de steun van de arbeiders krijgen.” (Bérard, Rupture avec Lutte Ouvrière et le Trotskysme, 1973).

Op de tweede plaats begrepen de kommunisten de kapitalistische aard van de nationale bevrijdingsstrijd. Daarom begrepen ze ook de noodzaak voor het proletariaat om volstrekte politieke onafhankelijkheid te handhaven ten opzichte van de bourgeoisie, zelfs wanneer de arbeiders de strijd van de bourgeoisie tegen het absolutisme steunden. Er bestond geen verwarring over de onmogelijkheid van nationale strijd, geleid door burgerlijke fracties, om te komen tot - hoe misvormd dan ook - een soort van ‘socialisme’ of ‘arbeidersstaat’. Die illusie is nu een van de grote misleidingen van het stalinisme en trotskisme (we vinden dat teug het idee dat de in China, Cuba, Vietnam, enzovoort, gevormde stalinistische regimes een proletarisch karakter hebben). In de periode van de burgerlijke revolutie en het opkomende kapitalisme kon het proletariaat haar eigen permanente organisaties in stand houden en was de strategie van ‘kritische steun’ van het proletariaat aan progressieve fracties van de bourgeoisie dus mogelijk. Hoewel er altijd het gevaar bestond - zoals bleek in de revoluties van 1848 - dat de bourgeoisie zich, zodra ze kon, tegen de arbeiders zou keren, was de situatie nog zo dat de bourgeoisie dikwijls steunde op de arbeidersklasse als voorhoede in de nationale bevrijdingsoorlogen, terwijl de bourgeoisie in die periode, binnen het kapitalisme, ook het bestaan kon tolereren van onafhankelijke proletarische massaorganisaties. De strijd van de arbeidersklasse voor ‘democratische vrijheden’ - vrijheid van vergadering en pers, vakbondsvrijheid, enzovoort - was toen nog niet de verlakkerij die het geworden is in de vervalperiode, nu de bourgeoisie geen echte hervormingen meer kan toestaan aan het proletariaat. Er bestond dus nog enige mogelijkheid voor de arbeidersklasse om voor haar eigen doeleinden deel te nemen aan nationale oorlogen, en niet louter als kanonnenvlees voor de bourgeoisie.

Het nationale vraagstuk bij het aanbreken van de imperialistische vervalperiode

In de opkomstperiode kon er, uitgaande van bepaalde grondbeginselen, sprake zijn van een debat binnen de arbeidersbeweging over de vraag welke strijd gesteund kon worden. Na 1914, toen het kapitalisme definitief aan zijn vervalperiode begon, met zijn permanente historische crisis, werd het debat binnen het revolutionaire kamp, als gevolg van de onvermijdelijke achterstand van het subjectieve proletarische bewustzijn op de objectieve historische omstandigheden, nog enige tijd doorgezet. Bepaalde fundamentele klassengrenzen - zoals de noodzaak van de vernietiging van de burgerlijke staat - hadden de revolutionairen zich al aan einde van de negentiende eeuw (na de ervaring van de Commune van Parijs) eigen gemaakt. Maar andere klassengrenzen konden pas worden vastgesteld door de bittere ervaringen van de Eerste imperialistische Wereldoorlog en de revolutionaire golf die erop volgde. In de loop van deze gebeurtenissen werd de contrarevolutionaire rol van de vakbonden, van het parlementarisme en van de sociaaldemocratie duidelijk aangetoond. Maar ook dan kon een organisatie, in die bewogen tijd, een fundamenteel revolutionair karakter hebben en toch nog diepgaande illusies koesteren over de aard van deze instellingen. Zolang er nog leven zat in de revolutionaire dynamiek van de klasse als geheel, konden de fouten en verwarringen in haar politieke uitingen voortdurend gecorrigeerd worden in het licht van de proletarische ervaring. Pas met het definitieve uitdoven van de revolutionaire golf kwamen de klassengrenzen tussen de verschillende organisaties duidelijk vast te liggen en werd datgene, wat vroeger fouten waren, tot de normale politiek van contrarevolutionaire tendensen. Zo waren de Bolsjewiki bijvoorbeeld een tijdlang in staat de internationale revolutionaire beweging aan te voeren, ondanks hun gebrek aan helderheid met betrekking tot een aantal vraagstukken. Maar hun onbekwaamheid om alle lessen te trekken uit de nieuwe periode droeg er evenzeer toe bij dat ze later instrumenten van de contrarevolutie werden. Dit was niet alleen het geval met betrekking tot het vakbondsvraagstuk, het parlement en de sociaaldemocratie, punten waarop de Bolsjewiki onder druk van de opkomende contrarevolutie probeerden formules toe te passen die enkel bruikbaar waren in de voorbije periode, maar ook met betrekking tot het nationale vraagstuk.

In feite vond de heropening van de discussie over het nationale vraagstuk plaats al enige tijd voordat de nieuwe periode door de imperialistische wereldoorlog ondubbelzinnig werd ingeluid. Na 1871 voerde de bourgeoisie van de grotere kapitalen geen nationale oorlog van de oude stempel meer. De onstuimige imperialistische ontwikkeling van het laatste gedeelte van de negentiende eeuw vertegenwoordigde de snelle beweging van het kapitalisme in de richting van zijn hoogtepunt - maar hoe dichter het naar dat punt oprukte, des te sneller naderde het ook zijn verval. Het koortsachtige imperialistische gegrabbel in de decennia voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, de toename van de economische problemen, de opkomst van de klassenstrijd, waren belangrijke voortekenen van de nadering van een nieuwe periode, signalen die opgemerkt en besproken werden in de arbeidersbeweging in de jaren negentig van de negentiende eeuw en de beginjaren van de twintigste eeuw.

Zo was bijvoorbeeld Rosa Luxemburgs opstelling tegen de Poolse onafhankelijkheid in die periode gebaseerd op het inzicht dat de aard van Rusland sinds de tijd van Marx veranderd was. Rusland ontwikkelde zich nu snel tot een grote kapitalistische natie, terwijl de Poolse bourgeoisie haar belangen gekoppeld had aan het Russische kapitaal. Tegelijkertijd was de mogelijkheid geopend van een klassenverbond tussen Poolse en Russische arbeiders. Luxemburg drong er bij de sociaaldemocratie op aan om uit alle macht dit verbond te bevorderen, en geen campagne te voeren voor afzondering van de Poolse arbeiders onder de ‘onafhankelijke’ uitbuiting van door de Poolse bourgeoisie. Toch hield ze nog vol dat de onmiddellijke taak van de Russische en Poolse arbeidersklasse was: de instelling was van een verenigde democratische republiek, en niet de socialistische revolutie. Bovendien gaf ze haar volledige steun aan de nationale opstand van de Grieken tegen de Turken in 1896 en stelde ze in Hervorming of Revolutie (1898) dat het tijdperk van de historische crisis van het kapitalisme nog niet aangebroken was. Haar meningsverschillen met de rest van de sociaaldemocratie bleven nog beperkt tot het vlak van de strategie, van een discussie over hoe de gebeurtenissen op wereldvlak, binnen het kader van de kapitalistische maatschappij, het beste konden uitpakken voor de arbeiders. Het perspectief van een onmiddellijke revolutionaire vereniging van het wereldproletariaat was nog niet op realistische wijze gesteld.

Niettemin waren de debatten binnen de sociaaldemocratie toentertijd een uitdrukking van de veranderende historische voorwaarden. Aan de ene kant getuigden de ideeën van Luxemburg van een werkelijk begrip van de noodzaak zich aan te passen aan deze veranderingen. Aan de andere kant toonde de verkalking van de sociaaldemocratische gevestigde leiding niet alleen haar onbekwaamheid om de nieuwe ontwikkelingen te begrijpen, maar toonde zij ook tekenen van een terugval in vergelijking met de samenhang van de Eerste Internationale. Die terugval was min of meer onvermijdelijk gezien de functie die de sociaaldemocratie in de arbeidersbeweging vervulde. Haar belangrijkste taak van de sociaaldemocratie was, in de periode van stabiele groei, te vechten voor hervormingen in de ontwikkelde kapitalistische landen, en deze strijd voor hervormingen speelde zich af op een specifiek nationaal vlak. Aangezien de nationale bourgeoisie hervormingen kon toestaan, werd het voor de reformisten gemakkelijk de arbeiders ervan te overtuigen dat ze inderdaad een heleboel belangen gemeen hadden met hun eigen natie. In 1896 begon de Tweede Internationale de fatale formule aan te nemen van het recht van de naties op zelfbeschikking, van toepassing op alle volkeren. De gevolgen hiervan zouden in de volgende tientallen jaren maar al te duidelijk blijken...

Het standpunt van de Bolsjewiki

Hoewel hun breuk met de Mensjewiki in 1903 liet zien dat de Bolsjewiki duidelijk deel uitmaakten van de revolutionaire vleugel van de Tweede Internationale, was hun standpunt over het nationale vraagstuk hetzelfde als dat van het centrum van de sociaaldemocratie: het recht van de naties op zelfbeschikking was opgenomen in hun programma van 1903. De verbetenheid waarmee de Bolsjewiki vasthielden aan dit standpunt, ondanks de oppositie van binnenuit en van buitenaf, vindt haar verklaring in het feit dat tsaristisch Rusland de onderdrukker van naties bij uitstek was (‘de kerker der volkeren’) en dat de Bolsjewiki, die (in geografische termen) voornamelijk een ‘Groot Russische’ partij vormden, het verlenen van het recht op afscheiding aan de volkeren, die door Rusland onderdrukt werden, beschouwden als het beste middel om het vertrouwen van de massa’s in deze landen te winnen. Dit standpunt was, hoewel het verkeerd bleek te zijn, gestoeld op een proletarisch perspectief. In een periode waarin de sociaal-imperialisten van Duitsland, Rusland en elders zich verzetten tegen het recht van de volkeren, die door het Duitse of Russische imperialisme onderdrukt werden, om te vechten voor nationale bevrijding, werd de leuze van nationale zelfbeschikking door de Bolsjewiki voorgesteld als middel om het Russische en andere imperialismen te ondermijnen en de voorwaarden te scheppen voor een komende eenmaking van de arbeiders van de onderdrukkende en onderdrukte naties.

Deze standpunten vinden hun helderste uitdrukking in de geschriften van Lenin voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog (Lenin’s standpunt met betrekking tot dit vraagstuk is altijd het officiële standpunt van de Bolsjewiki geweest). Er kwam voor en na 1917, van de kant van de Linkerzijde van de partij, echter aanzienlijke oppositie tegen zijn standpunt, zelfs van vooraanstaande Bolsjewiki als Boecharin, Dzjerzjinsky en Pjatakov. In het bijzonder Boecharin baseerde zijn opvatting op het concept van een wereldeconomie en imperialisme, dat volgens hem nationale zelfbeschikking utopisch en onverenigbaar maakte met de proletarische dictatuur. Lenin zag, net als Marx en Engels, heel goed dat de nationale bevrijdingsstrijd een burgerlijk karakter had. Verder erkende hij de noodzaak het probleem op historische wijze te benaderen. In Het recht van de naties op zelfbeschikking stelde hij dat de eis van nationale zelfbeschikking voor de revolutionaire partijen van de ontwikkelde westerse landen een dode letter geworden was, aangezien de bourgeoisie daar al de taken van nationale eenmaking en onafhankelijkheid volbracht had. Maar Lenin verdedigde, tegen de kritiek van Luxemburg, het vasthouden van de Bolsjewiki aan deze leuze op grond van het feit dat in Rusland en de koloniën de burgerlijke taken van omverwerping van het feodalisme en het verwerven van nationale onafhankelijkheid nog niet volbracht waren. Dus probeerde hij voor deze streken de methode toe te passen die Marx gebruikte voor het negentiende eeuwse kapitalisme:

“Juist omdat - en uitsluitend omdat - Rusland, samen met zijn nabuurlanden, nu dit tijdperk doormaakt, hebben wij in ons program het punt over het recht op zelfbeschikking van de naties nodig” (Lenin, Het recht van de naties op zelfbeschikking).

Volgens Lenin hadden de nationale bevrijdingsbewegingen, die zich toen in de koloniale wereld manifesteerden, een progressieve inhoud omdat ze de basis legden voor een onafhankelijke kapitalistische ontwikkeling, en dus voor de vorming van een proletariaat. In die landen schiep de strijd tegen de voorkapitalistische sociale structuren de voorwaarden voor een ‘normale’ klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat en daarom bepleitte Lenin de kritische deelname van het proletariaat aan deze strijd:

“Het burgerlijk nationalisme van elke onderdrukte natie heeft een algemeen democratische inhoud die gericht is tegen de onderdrukking, en het is die inhoud die wij onvoorwaardelijk steunen. Tegelijkertijd onderscheiden we deze inhoud duidelijk van de tendens tot nationale exclusiviteit; we vechten tegen de tendens van de Poolse bourgeoisie om de joden te onderdrukken enzovoort, enzovoort” (Lenin, Idem).

Een dergelijke formulering houdt duidelijk in dat de bourgeoisie nog in staat geacht wordt voor democratische vrijheden te vechten, en dat het proletariaat dus, zonder zijn politieke autonomie te verliezen, aan deze strijd kan deelnemen. Met andere woorden: de burgerlijke revolutie was nog mogelijk in deze streken. Het proletariaat van de onderontwikkelde landen zou dergelijke bewegingen moeten steunen omdat die de democratische vrijheden konden garanderen die essentieel zijn voor het voeren van de klassenstrijd, en omdat ze gunstig zijn voor de materiële ontwikkeling van het proletariaat. De arbeiders van de ontwikkelde, onderdrukkende landen zouden op hun beurt een dergelijke strijd moeten steunen omdat ze op die manier konden helpen om zowel ‘hun’ imperialisme te verzwakken als het vertrouwen van de massa’s in de onderdrukte landen te winnen. (Hier werd een wederzijdse strategie beoogd, waarbij de revolutionairen van de onderdrukkende landen het recht op afscheiding van de onderdrukte landen erkenden, terwijl de revolutionairen in de onderdrukte landen geen afscheiding bepleitten, maar de noodzaak van eenmaking met de arbeiders van de onderdrukkende landen benadrukten.)

In Lenin’s geschriften over het nationale vraagstuk bestaat een opmerkelijk gebrek aan helderheid over de vraag of de burgerlijke revolutie in de achtergebleven landen nu vooral gericht was tegen het binnenlandse ‘feodalisme’, of tegen het buitenlandse imperialisme. In vele gevallen waren deze beide machten gelijkelijk gekant tegen een onafhankelijke kapitalistische ontwikkeling, en de imperialismen behielden soms opzettelijk de voorkapitalistische structuren in stand ten koste van een inlands kapitalisme (strikt genomen waren de meeste van deze voorkapitalistische structuren helemaal niet feodaal, maar vormen van Aziatisch despotisme). Anderzijds kwamen de belangen van de voorkapitalistische heersende klassen vaak op een gewelddadige manier in botsing met het Westerse kapitalisme dat hen met uitroeiing bedreigde. Maar hoe dan ook, Lenin’s theoretische analyse van het imperialisme, het meest kernachtig verwoord in Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme bracht hem ertoe te concluderen dat burgerlijke revoluties in de koloniale gebieden nog mogelijk waren.

Volgens Lenin was het imperialisme in wezen een beweging van de ontwikkelde kapitalismes om de dalende winstvoet te compenseren, een daling die ondraaglijk werd door de hoge organische samenstelling van het kapitaal in de metropolen. In Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme raakt Lenin’s overwegend beschrijvende benadering van de imperialistische fenomenen niet aan de kern van de zaak, aan de economische grondslag van de imperialistische expansie. Maar het idee dat de hoge organische samenstelling van het kapitaal in de metropolen deze dwingt om zich uit te breiden naar de koloniale streken is al vervat in zijn concept van het bestaan van een ‘overvloed aan kapitaal’ in de metropolen en van de ‘superwinsten’, die behaald kunnen worden door kapitaal uit te voeren naar de koloniale gebieden. Het belangrijkste kenmerk van het imperialisme was dan ook de kapitaaluitvoer op zoek naar een hogere winstvoet in de koloniën, waar goedkope arbeid en grondstoffen in overvloed aanwezig waren. Door zo hun leven te rekken met de ‘superwinsten’ van de koloniale uitbuiting, waren de ontwikkelde kapitalen parasieten geworden van de koloniën waarvan ze voor hun overleving afhankelijk waren - vandaar de imperialistische confrontatie op wereldschaal om het bezit en de verwerving van koloniën. Een dergelijke visie verdeelde de wereld in imperialistische, onderdrukkende landen en onderdrukte landen van de koloniale wereld. Daarom vereiste de wereldwijde strijd tegen het imperialisme niet alleen de revolutionaire inzet van het proletariaat in de imperialistische metropolen, maar ook de nationale bevrijdingsbewegingen in de koloniën, die door het verwerven van hun nationale onafhankelijkheid en het doorbreken van het koloniale systeem een fatale slag konden toebrengen aan het wereldimperialisme. Hierbij moet natuurlijk wel opgemerkt worden dat Lenin geen aanhanger was van de ‘Derde Wereld’ hersenspinsels van sommige van zijn zelfbenoemde volgelingen, die zowaar beweren dat de nationale bevrijdingsstrijd de revolutionaire opstand van het proletariaat van de metropolen veroorzaakt door een ‘omsingeling’ van de ontwikkelde landen (volgens de maoïsten, de trotskisten en anderen hebben de nationale bevrijdingsbewegingen zelfs een ‘socialistisch’ karakter). Maar toch was in Lenin’s werk over imperialisme het zaad voor dergelijke verwarringen al gezaaid: zijn idee van de ‘arbeidersaristocratie’, een laag van het proletariaat in de metropolen die ‘omgekocht’ was met de koloniale ‘superwinsten’ om de arbeidersklasse te verraden, kon gemakkelijk verdraaid worden tot de ‘Derde Wereld’ ideologie dat de gehele Westerse arbeidersklasse in het kapitalisme geïntegreerd was dankzij de imperialistische uitbuiting van de ‘Derde Wereld’ (deze prachtige theorie heeft natuurlijk zware klappen te verduren gekregen door de massale nieuwe golven van arbeidersstrijd in de ontwikkelde landen sinds 1968). Bovendien is het idee dat de nationale bevrijdingsstrijd het imperialisme op een fatale manier kan verzwakken fanatiek ter hand genomen door stromingen, die hun steun aan nationale en stalinistische bewegingen in de ‘Derde Wereld’ willen rechtvaardigen. Belangrijker dan deze monsterlijke nakomelingen is echter het feit dat Lenin’s theorie het kader vormde voor de praktische politiek die de Bolsjewiki voerden nadat ze aan de macht waren gebracht in Rusland: een beleid dat, zoals we nog zullen zien, actief bijdroeg tot de wereldwijde nederlaag van het proletariaat van die tijd.

Luxemburg’s kritiek op de Bolsjewiki

Rosa Luxemburg's kritiek op de nationale bevrijdingsstrijd in het algemeen en op de bolsjewistische nationaliteitenpolitiek in het bijzonder was de meest grondige van die tijd, omdat zij zich baseerde op een analyse van het wereldimperialisme die veel verder ging dan die van Lenin. In teksten als De accumulatie van het kapitaal (1913) en de De crisis der sociaaldemocratie (Juniusbrochure) toonde ze aan dat imperialisme niet zomaar een vorm van roof was, die de ontwikkelde landen pleegden op de onderontwikkelde landen, maar in de eerste plaats een uitdrukking van de totaliteit van de kapitalistische wereldverhoudingen:

“De imperialistische politiek is niet het werk van een of enige staten, zij is het product van een bepaalde graad van rijpheid in de wereldontwikkeling van het kapitaal, een van huis uit internationaal verschijnsel, een ondeelbaar geheel, dat slechts kenbaar is in al zijn wederkerige betrekkingen en waaraan zich geen enkele staat kan onttrekken.” (Rosa Luxemburg, De crisis der sociaaldemocratie (Juniusbrochure), 1915).

Volgens Luxemburg moest de historische crisis van het kapitalisme niet uitsluitend worden gezocht in de dalende winstvoet, die op zichzelf voortdurend gecompenseerd wordt door de toenemende hoeveelheid waren die geproduceerd en verkocht wordt. Zij beweerde dat de specifieke oorzaken van de historische crisis liggen in het probleem van de realisering van de meerwaarde. In de De accumulatie van het kapitaal en de Anti-kritiek toont zij aan dat de totale meerwaarde, onttrokken aan de arbeidersklasse als geheel, niet uitsluitend binnen de kapitalistische sociale verhouding kan gerealiseerd worden. Want de arbeiders kunnen niet alle waren terugkopen, die ze geproduceerd hebben, omdat ze niet de volle waarde terugbetaald krijgen die ze met hun arbeidskracht geschapen hebben. Verder is de kapitalistische klasse (waartoe in dit geval alle lagen gerekend worden die uit de kapitalistische opbrengst betaald worden) als geheel niet in staat het totale overschot te verbruiken, omdat een deel daarvan moet dienen voor de uitgebreide reproductie van het kapitaal en dus geruild moet worden. Dus is het globale kapitaal voortdurend genoodzaakt verbruikers te vinden buiten de kapitalistische maatschappelijke verhoudingen. In de eerste stadia van de kapitalistische evolutie waren er, in de gebieden waar de kapitalistische ontwikkeling zich afspeelde, nog talrijke niet-kapitalistische lagen (boeren, ambachtslieden, enzovoort) aanwezig, die als basis konden dienen voor een voorspoedige expansie van het kapitaal. Desalniettemin bestond van meet af aan een constante tendens om markten te zoeken in landen buiten deze gebieden: de industriële revolutie in Engeland werd in belangrijke mate bevorderd door de vraag uit de Engelse koloniën. Maar omdat de kapitalistische maatschappelijke verhoudingen in de oorspronkelijke gebieden algemeen werden, werd de ‘opmars’ van de kapitalistische productie in de richting van de rest van de wereld versneld. In plaats van wedijver tussen individuele ondernemers om de markten binnen het nationale kader lag de nadruk nu op de concurrentie tussen nationale kapitalen om de overblijvende niet-kapitalistische gebieden op de aardbol. Dit was het wezen van het imperialisme, dat eenvoudigweg de uitdrukking vormt van ‘normale’ kapitalistische concurrentie op een ‘internationaal’ vlak, geruggensteund natuurlijk door de gewapende staatsmacht, iets wat kenmerkend is voor wedijver op deze schaal. Zolang deze imperialistische ontwikkeling beperkt bleef tot enkele ontwikkelde kapitalen, die uitbreidden naar een nog aanzienlijke niet-kapitalistische sector van de wereld, bleef de concurrentie betrekkelijk vredelievend; behalve vanuit het oogpunt van de voorkapitalistische volkeren die op grote schaal geplunderd werden door de imperialistische kartels (in casu China en Afrika). Maar zodra het imperialisme de hele wereld in de kapitalistische verhoudingen integreerde, zodra de wereldmarkt volledig opgedeeld raakte, kon de globale kapitalistische wedijver alleen nog maar een gewelddadig en openlijk agressief karakter aannemen, waaraan geen enkele natie, ontwikkeld of achtergebleven, groot of klein, zich kon ‘onttrekken’, omdat ze allemaal onweerstaanbaar meegesleurd werden in de nek‑aan‑nek race van concurrentie op een verzadigde wereldmarkt.

Rosa Luxemburg beschreef een globaal historisch proces, een proces als geheel. Omdat ze begreep dat alles tenslotte bepaald werd door de ontwikkeling van de wereldmarkt, was ze in staat de onmogelijkheid in te zien van een verdeling van de wereld in twee van elkaar gescheiden historische sectoren: een afgetakeld kapitalisme aan de ene kant en een jong, dynamisch kapitalisme aan de andere kant. Het kapitalisme is één geheel dat opkomt en ondergaat als een enkelvoudige entiteit, waarvan de delen van elkaar afhankelijk zijn. De fundamentele fout van Lenin was te veronderstellen dat in sommige delen van de wereld het kapitalisme nog ‘progressief’ of zelfs revolutionair kon zijn, terwijl het in andere delen al in ontbinding was. Net zoals hun opvatting, dat het proletariaat in ieder geografisch gebied ‘andere’ nationale taken heeft, een kader verraadde dat uitgaat van iedere nationale staat afzonderlijk, zo vertoonde ook hun imperialisme-opvatting datzelfde verkeerde kader.

Omdat ze uitging van de ontwikkeling van de wereldmarkt, zag Luxemburg in dat nationale bevrijdingsstrijd niet langer mogelijk was toen deze markt helemaal opgedeeld was onder de imperialistische machten. De Eerste imperialistische Wereldoorlog vormde het doorslaggevende bewijs van de verzadiging van de wereldmarkt. Vanaf dat moment kon er geen werkelijke uitbreiding van de wereldmarkt meer plaatsvinden, maar alleen een gewelddadige herverdeling van de al bestaande markten. Daarbij beroven de imperialistische machten elkaar van hun buit, een proces dat, zolang de sociale revolutie niet uitbreekt, onvermijdelijk leidt tot de ondergang van de beschaving. In dit kader werd het voor elke nieuwe nationale staat onmogelijk om op onafhankelijke wijze toegang te krijgen tot de wereldmarkt of het proces van primitieve accumulatie door te maken buiten dit barbaarse wereldschaakbord om. Conclusie: “Op deze wijze is het altijd weer het historische milieu van het tegenwoordige imperialisme, dat het karakter van de oorlogen in de afzonderlijke landen bepaalt, en dit milieu maakt, dat tegenwoordig nationale verdedigingsoorlogen in het algemeen niet meer mogelijk zijn.” (Rosa Luxemburg, idem, 1915).

Alleen al de pogingen van kleine en grote naties om zich te 'verdedigen' tegen een imperialistische aanval noodzaakten hen tot allianties met andere imperialismen, imperialistische expansie ten koste van nog kleinere landen, enzovoort. Al die 'socialisten' die tijdens de Eerste Wereldoorlog opriepen tot nationale verdediging van welke aard dan ook, dienden in werkelijkheid slechts als advocaten en ronselaars voor de imperialistische bourgeoisie.

Luxemburg mag dan onhelder geweest zijn over de mogelijkheid van nationale zelfbeschikking na de socialistische revolutie, en nooit de gelegenheid hebben gehad om haar standpunt in al zijn aspecten uit te werken, toch gaat de hele logica van haar analyse in de richting van het aantonen dat de door het kapitalisme ontwikkelde productiekrachten hevig in botsing zijn gekomen met de kapitalistische maatschappelijke verhoudingen. Dit betekent natuurlijk dat de productiekrachten opgesloten worden binnen het raam van de nationale staat. Imperialistische oorlogen vormden een onmiskenbare illustratie van dit onoverkomelijke conflict, en dus van de onomkeerbare verrotting van de kapitalistische productiewijze. In deze omstandigheden heeft de nationale bevrijdingsstrijd, die ooit de uitdrukking was van een revolutionaire bourgeoisie, niet alleen haar progressieve inhoud verloren, maar is zij ook actief omgevormd tot een imperialistische kannibalenstrijd van een klasse, waarvan het bestaan een hinderpaal is geworden voor verdere menselijke vooruitgang.

Luxemburg's bekwaamheid om te begrijpen dat elke nationale bourgeoisie alleen nog maar kan handelen binnen het imperialistische wereldsysteem, bracht haar ertoe scherpe kritiek te leveren op de nationaliteitenpolitiek van de Bolsjewiki na 1917. Terwijl ze erkende dat de Bolsjewiki nationale onafhankelijkheid verleend hadden aan Finland, de Oekraïne, Litouwen en anderen om de massa's van die landen te winnen voor de Sovjetmacht, wees ze er op dat juist het tegendeel was gebeurd:

" Elk van deze ‘naties’ gebruikte deze nieuw verkregen vrijheid om zich als doodsvijand van de Russische Revolutie aan te sluiten bij het Duitse imperialisme en droeg onder bescherming daarvan de banier van de contrarevolutie tot in Rusland zelve.” (Rosa Luxemburg, De Russische Revolutie, 1918)

Het idee dat er in de periode van de proletarische revolutie, ja zelfs tot aan de grenzen van het proletarische bolwerk, nog sprake kon zijn van gelijklopende belangen van proletariaat en bourgeoisie, was een regelrechte utopie. De beide klassen konden niet langer wederzijds voordeel halen uit de nationale ‘onafhankelijkheid’. Nu ging het om een strijd op leven en dood. De grote schadelijkheid van de leuze van nationale zelfbeschikking lag daarin, dat hij door de bourgeoisie als een ideologische dekmantel gebruikt kon worden voor haar klassenbelangen, wat in deze periode alleen maar een verplettering van de revolutionaire arbeidersklasse kon betekenen. Onder deze leuze moordde de bourgeoisie van de aan Rusland grenzende landen de kommunisten uit, ontbond ze de Sovjets en liet ze haar grondgebied gebruiken als bruggenhoofd voor de legers van het Duitse imperialisme en de Witte reactie. Zelfs naar burgerlijke maatstaven was zelfbeschikking voor deze gebieden bespottelijk. Want vanaf het moment waarop de kleine Oost-Europese naties zich losrukten van het Russische rijk, vielen ze ten prooi aan het Duitse of aan een ander imperialisme (om sindsdien van het ene naar het andere kamp te verhuizen totdat ze zich uiteindelijk meer dan veertig jaar onder de vleugels van het Sovjet-imperialisme nestelden). De bolsjewistische nationaliteitenpolitiek liet niet alleen de contrarevolutie in de grensgebieden de vrije teugel, maar verhoogde in het algemeen ook de ideologische geloofwaardigheid van de ‘democratische’ bourgeoisie van de Volkenbond, van de aanhangers van de Amerikaanse president Wilson en anderen, wier versie van nationale zelfbeschikking toen voor een beslissende krachtproef stond, geconfronteerd met de eisen van het internationale kommunisme. De bolsjewistische verdediging van het zelfbeschikkingsrecht is sindsdien inderdaad door talloze stalinistische, neo-fascistische, zionistische en andere kwakzalvers gebruikt ter rechtvaardiging van het bestaan van een reeks van de kleine imperialistische regimes.

Toen Luxemburg haar kritiek formuleerde, deed ze dat als een revolutionaire die haar diepe solidariteit tot uitdrukking bracht met de Bolsjewiki en de Russische revolutie. En inderdaad, zolang er nog leven zat in de revolutie, zolang de Bolsjewiki nog in het belang van de wereldrevolutie probeerden te handelen, kon hun nationaliteitenpolitiek (en andere misvattingen) bekritiseerd worden als een fout van een revolutionaire arbeiderspartij. In 1918, toen Luxemburg hun methoden bekritiseerde, stelden de Bolsjewiki nog al hun hoop op het uitbreken van een proletarische revolutie in het Westen. Maar tegen 1920, toen het revolutionaire tij overal keerde, toonden de Bolsjewiki steeds duidelijker tekenen van verlies aan vertrouwen in de internationale arbeidersklasse. Vanaf dat moment kwam de nadruk steeds meer te liggen op het verbond van de Russische revolutie met de nationale bevrijdingsbewegingen in het Oosten, die beschouwd werden als een kille bedreiging voor het imperialistische wereldsysteem. Vanaf het congres van Bakoe in 1920 tot aan het vierde congres van de Kommunistische Internationale kreeg die nadruk steeds meer gewicht, terwijl een toenemende hoeveelheid materiële hulp werd verleend aan nationale bewegingen van allerlei allooi. De rampzalige gevolgen van deze politiek drongen amper door tot hersens van de bolsjewistische bureaucratie, die steeds minder in staat was de onmiddellijke nationale voordelen voor Rusland te onderscheiden van de belangen van het wereldproletariaat. Neem nu het voorbeeld van Kemal Ataturk[1]. Hoewel deze de leiders van de Turkse KP in 1921 had laten terechtstellen, bleven de Bolsjewiki geloven in het ‘revolutionaire’ potentieel van Ataturk’s nationale beweging. Pas toen hij, in 1923, openlijk tot een compromis probeerde te komen met de imperialistische machten van de Entente, begonnen de Bolsjewiki hun politiek ten opzichte van hem te herzien, maar toen was er al niets revolutionairs meer aan de buitenlandse politiek van de Russische staat. Kemal was geen ongelukje, maar eenvoudigweg een uitdrukking van de nieuwe periode, van de totale onverzoenlijkheid van nationalisme en proletarische revolutie, van de complete onmogelijkheid voor welke burgerlijke fractie dan ook om zich onafhankelijk op te stellen van het imperialisme. Eenzelfde bolsjewistische politiek leidde tot een fiasco in Perzië en het Verre Oosten. De ‘nationale revolutie’ tegen het imperialisme was een gevaarlijke mythe die ontelbare arbeiders en kommunisten het leven kostte. Vanaf die tijd werd het steeds duidelijker dat nationale bewegingen helemaal geen bedreiging vormden voor de overheersing van het imperialisme, en alleen nog pionnen waren op het imperialistische schaakbord. Wanneer het ene imperialisme verzwakt werd door een of andere nationale beweging, dan was er altijd een ander imperialisme dat erbij won. De stap die onvermijdelijk moest volgen was, dat ‘Sovjet’-Rusland zelf ondubbelzinnig zijn intrede deed in de imperialistische concurrentieslag met de gevestigde kapitalismes. Met de wereldrevolutie in verwarring, met het Russische proletariaat verzwakt en uitgedund door burgeroorlog en hongersnood en verpletterd bij zijn laatste grote poging in Petrograd en Kronstadt om de politieke macht terug te krijgen, eindigde de bolsjewistische partij als de zaakvoerder en opzichter van het Russische nationale kapitaal. En omdat er in de vervalperiode voor de nationale staten geen andere keuze bestaat dan de imperialistische expansie, kan de buitenlandse politiek van de Russische staat vanaf het midden van de jaren 1920 de steun aan nationale bevrijdingsbewegingen inbegrepen, niet langer gezien worden als de weerspiegeling van de fouten van een proletarische partij, maar als de uitdrukking van de imperialistische behoeften van een grote kapitalistische macht. Het is daarom onjuist om te spreken van ‘fouten’ of ‘verraad’ van de kant van Stalin of de Komintern, toen de politiek van alliantie van de Komintern met de ‘nationale democratische revolutie’ in China rechtstreeks leidde tot de massale uitmoording van Chinese arbeiders na de opstand van Shanghai in 1927. Met hun sabotage van de Chinese arbeidersopstand vervulden zij gewoon hun klassenfunctie als een fractie van het wereldkapitaal.

Het nationale vraagstuk vanaf de jaren 1920 tot aan de Tweede Wereldoorlog

In het begin van de jaren 1920 drukte de politieke reactie van het proletariaat op de ontaarding van de Derde Internationale zich uit middels de zogeheten ‘ultralinkse’ groepen. De linkskommunisten klaagden de pogingen van de Komintern aan om oude tactieken uit de vorige periode opnieuw toe te passen, op een moment dat de noodzaak van een onmiddellijke machtsgreep door het proletariaat die tactieken juist verouderd en reactionair maakte. Zolang de revolutie nog op de dagorde stond in de ontwikkelde Westerse landen, gingen de belangrijkste discussies tussen de Derde Internationale en haar Linkerzijde over het probleem van de instelling van de dictatuur van het proletariaat daar. Het vraagstuk van de vakbeweging, van de relatie tussen partij en klasse, van het parlementarisme en het eenheidsfront waren daarom de meest brandende vraagstukken van de dag. Betreffende verschillende van deze vraagstukken beklemtoonden de linkskommunisten een compromisloze samenhang, die sindsdien in de kommunistische beweging nauwelijks nog geëvenaard werd.

In vergelijking met deze problemen leken de nationale en koloniale vraagstukken van minder onmiddellijk belang, en in het algemeen waren de linkskommunisten over dit vraagstuk helemaal niet zo duidelijk als over andere vraagstukken. In het bijzonder Bordiga bleef de stelling van Lenin verbreiden over een ‘progressieve’ koloniale revolte die zich verbindt met de proletarische revolutie in de ontwikkelde landen, een idee dat ook nu nog op kortzichtige wijze naar voren wordt gebracht door de meeste ‘bordigistische’ volgelingen. De Duitse Linkerzijde was in ieder geval duidelijker dan Bordiga. Vele militanten van de KAPD - Kommunistische Arbeiderspartij van Duitsland - bleven trouw aan het Luxemburgse standpunt van de onmogelijkheid van nationale bevrijdingsoorlogen. In de brochure onder de titel De Wereldrevolutie, (ook gepubliceerd in het Engelse linkskommunistische blad The Workers’ Dreadnought, 9, 16 en 23 februari, 1, 15 en 29 maart, en 10 mei 1924) viel Gorter de bolsjewistische leuze van nationale zelfbeschikking aan en beschuldigde hij de Derde Internationale aldus:

“Gij [...] steunt het opkomend kapitalisme in Azië: gij spoort het Aziatische proletariaat aan zich te onderwerpen aan zijn inlandse kapitalisme.” (De Wereldrevolutie, 1918).

Terwijl hij alle nadruk legde op de proletarische machtsgreep in Duitsland, Engeland en Noord-Amerika, bleef Gorter echter spreken van de onvermijdelijkheid van burgerlijk-democratische revoluties in de onderontwikkelde landen. Zoals het geval was met vele stellingnames van de KAPD ter verdediging van klassenstandpunten, was ook de verwerping van nationale bevrijdingsoorlogen eerder gesteund op een levendig klasseninstinct dan op een diepgaande theoretische analyse van de ontwikkeling van het kapitaal als een maatschappelijke verhouding die op wereldschaal haar neergaande periode was ingegaan. De werkelijkheid was dat de beroering van de revolutionaire jaren de revolutionairen ervan weerhield alle implicaties van de nieuwe periode te doorzien. Spijtig genoeg werden vele van deze implicaties niet eerder duidelijk werden begrepen dan bij de definitieve overwinning van de contrarevolutie in alle landen.

Met de nederlaag van de revolutionaire golf van 1917-1923 en de beweging van het kapitaal op weg naar een volgende imperialistische herverdeling van de wereldmarkt, werden de revolutionairen ertoe gedwongen dieper dan ooit tevoren na te denken over de redenen van die nederlaag en over de nieuwe ontwikkelingen binnen het kapitalisme. Deze overdenking werd ter hand genomen door de fracties die de ontbinding van de linkskommunistische beweging wisten te overleven gedurende het midden en einde van de jaren 1920.

De restanten van de Italiaanse Linkerzijde in ballingschap, gegroepeerd rondom het blad Bilan, leverden de belangrijkste bijdrage tot het begrip van het verval van het kapitalistische systeem, door Rosa Luxemburg’s analyse van de verzadiging van de wereldmarkt toe te passen op de concrete realiteit van de nieuwe periode en door de onvermijdelijkheid van een nieuwe imperialistische wereldoorlog te erkennen, tenzij deze tegengehouden werd door het uitbreken van de proletarische revolutie.

De verplettering van het Chinese proletariaat was voor Bilan het onomstotelijk bewijs van de noodzaak tot herziening van de oude tactiek met betrekking tot het koloniale vraagstuk. In 1927 kwamen de arbeiders van Shanghai in opstand waarbij ze, temidden van een situatie van gisting in heel China, de controle over de hele stad wisten te verwerven. Maar de Chinese Kommunistische Partij die, wat betreft de steun aan ‘nationaal-democratische revoluties’ tegen het imperialisme, trouw de lijn van de Komintern volgde, haalde de arbeiders ertoe over de stad op een presenteerblaadje aan te bieden aan het oprukkende leger van Tsjiang K’ai-sjek [2], die toentertijd in Moskou werd geroemd als de held van de Chinese nationale revolutie. Met behulp van plaatselijke kapitalisten en gangsterbendes - en hartstochtelijk toegejuicht door alle imperialistische machten - verpletterde Tsjiang de arbeiders van Shanghai in een orgie van massamoord. Voor Bilan bewezen deze gebeurtenissen op overtuigende wijze, dat:

“De stellingen van Lenin op het Tweede Congres [van de Derde Internationale] [...] aangevuld moeten worden zodat hun inhoud radicaal verandert. Deze stellingen erkenden de mogelijkheid voor het proletariaat steun te verlenen aan anti-imperialistische bewegingen, voor zover deze de voorwaarden voor een onafhankelijke proletarische beweging naderbij brachten. Voortaan, na deze ervaringen, moet erkend worden dat het inlands proletariaat geen steun kan geven aan zulke bewegingen. Het kan enkel de voorvechter van een anti-imperialistische strijd worden als het zich verbindt met het internationale proletariaat om zo, in de koloniën, een sprong te maken net zoals die van de Bolsjewiki, die in staat waren het proletariaat meteen van een feodaal systeem naar de proletarische dictatuur te leiden.” (Projet de résolution sur la situation internationale, Bilan nr.16, februari-maart 1935).

Bilan begreep dus dat de burgerlijke contrarevolutie wereldwijd was en dat het kapitaal, zowel in de koloniën als overal elders, alleen zijn voortbestaan kon garanderen door “corruptie, geweld en oorlog om de overwinning te voorkomen van de vijand die het zelf verwekt heeft: het proletariaat van de koloniale landen” (Les Problèmes de l’Extrême-Orient, Bilan  nr.11, september 1934).

Nog belangrijker was echter Bilans algemeen inzicht dat in het kader van een wereld, beheerst door imperialistische rivaliteit en onverbiddelijk op weg naar een nieuwe wereldoorlog, de strijd in de koloniën enkel kon dienen als een proefterrein voor nieuwe wereldbranden. Daarom weigerde Bilan consequent om een of andere de strijdende partij te steunen in de locale inter-imperialistische conflicten die elkaar in de jaren dertig opvolgden: China, Ethiopië, en tenslotte Spanje. Met het oog op de voorbereidingen van de bourgeoisie op een nieuwe wereldoorlog stelde Bilan dat:

“(...) het standpunt van het proletariaat van ieder land moet bestaan uit een genadeloze strijd tegen alle politieke standpunten die het probeert te binden aan de zaak van een of andere imperialistische formatie, of aan die van een of andere koloniale natie, een zaak die voor het proletariaat de ware aard van de nieuwe wereldslachting verborgen houden.” (Projet de résolution sur la situation internationale, Bilan, nr. 16).

Naast de Italiaanse Linkerzijde waren de radenkommunisten in Nederland, Amerika en elders nagenoeg de enigen die weigerden verstrikt te raken in de fatale imperialistische valkuilen van de jaren 1930. In 1935-1936 schreef Paul Mattick een lang artikel onder de titel De tegenstellingen tusschen Luxemburg en Lenin. Mattick steunde hierin weliswaar Lenin tegen de economische theorieën van Luxemburg, maar verdedigde niettemin met overtuiging het politieke standpunt van Luxemburg over het nationale vraagstuk tegen dat van Lenin.

De kritiek van Luxemburg op de nationaliteitenpolitiek van de Bolsjewiki, zo schreef hij, scheen oppervlakkig gezien fout geweest te zijn. Toen zij tegen deze bolsjewistische politiek polemiseerde, scheen de grootste bedreiging van de Sovjetmacht te bestaan uit een militaire aanval door de imperialistische machten. Luxemburg beweerde dat de nationaliteitenpolitiek van de Bolsjewiki de imperialisten een rechtstreekse militaire opening bood om de revolutie fysiek te verpletteren. In feite boden de Bolsjewiki de imperialistische interventie het hoofd en de consequente politiek van de Russische Kommunistische Partij, om steun te verlenen aan nationale bewegingen, droeg aanzienlijk bij tot de versteviging van de Russische staat. Maar, zo zei Mattick, de prijs die hiervoor betaald werd was zo hoog, dat de kritiek van Luxemburg tenslotte gerechtvaardigd bleek:

“Wel bestaat het bolsjewistische Rusland nog, maar niet als dat wat het was in het begin; niet als uitgangspunt der wereldrevolutie, maar als een tegen haar gericht bolwerk.” (Paul Mattick, De tegenstellingen tusschen Luxemburg en Lenin, september 1935).

De Russische staat overleefde, maar enkel op basis van het staatskapitalisme. De contrarevolutie was niet van buitenaf, maar van binnenuit gekomen. De ‘tactiek’ van de Derde Internationale om nationale bevrijdingsbewegingen te steunen was een bloedig wapen geworden tegen de arbeidersklasse:

“De ‘bevrijde’ naties vormen een fascistische gordel rondom Rusland. Het ‘bevrijde’ Turkije slacht, met de het door Rusland geleverde wapens, de kommunisten af. Het in zijn nationale bevrijdingsstrijd door Rusland en de Derde Internationale gesteunde China, smoort zijn arbeidersbeweging naar het voorbeeld van de Parijse Commune. Duizenden en nog eens duizenden arbeiderslijken bevestigen de opvatting van Rosa Luxemburg, dat de frase van het zelfbeschikkingsrecht niets anders dan ‘kleinburgerlijke humbug’ is. Hoezeer ‘de strijd voor de nationale bevrijding een strijd voor de democratie is’ bewijzen wel de nationalistische avonturen van de Derde Internationale in Duitsland, die ook tot de voorwaarden voor de fascistische zege behoren. Men heeft de arbeiders zelf tot fascisten opgevoed, doordat men tien jaar lang met Hitler geconcurreerd heeft om het werkelijke nationalisme. En naar aanleiding van het Saar-plebisciet viert Litvinov in de Volkenbond de overwinning van de gedachte van Lenin inzake de zelfbeschikking der volkeren.” (Paul Mattick, idem)

“Met het oog op deze ontwikkeling moet men zich waarlijk verbazen over mensen als Max Schachtman, die vandaag nog volhouden dat: “Ondanks de scherpe kritiek van Rosa op de nationaliteitenpolitiek van de Bolsjewiki na de revolutie, deze laatste door de resultaten niettemin werd bevestigd”.” (Paul Mattick, idem; het citaat van Schachtman verscheen in The New International, maart 1935).

Het enige wat ‘bleek uit de resultaten’ was het gelijk van de luxemburgisten en linkskommunisten ten opzichte van het oude leninistische standpunt. Zoals Bilan en Mattick beiden hadden voorspeld, bleken de nationale conflicten in de jaren 1930 inderdaad voorbereidingen te zijn voor een nieuwe wereldwijde imperialistische oorlog - een oorlog waarin, zoals zij eveneens voorzien hadden, Rusland als ‘gelijke partner’ zou deelnemen aan de slachting. Diegenen die het proletariaat hadden opgeroepen partij te kiezen in de verschillende nationale confrontaties in de jaren 1930, namen nu zonder aarzeling deel aan de imperialistische Tweede Wereldoorlog. De trotskisten, die hadden opgeroepen tot steun aan Tsjiang K’ai-sjek tegen Japan, tot steun aan de republiek tegen Franco, enzovoort, hielden gedurende de hele imperialistische slachting vast aan hun anti-fascistische en nationale bevrijdings-woordkramerij. Ze schiepen daarmee een nieuwe vorm van ‘nationale verdediging’, door op te roepen tot steun aan de ‘ontaarde arbeidersstaat’ Rusland. Natuurlijk konden al deze vormen van ‘verdediging’ alleen in praktijk gebracht worden door zich, hoe kritisch dan ook, in dienst te stellen van de ‘democratische’ imperialistische machten.

De Tweede Wereldoorlog maakte pijnlijk duidelijk dat het onmogelijk was voor ‘nationale bevrijdingsbewegingen’ om tegen de ene imperialistische macht te vechten zonder een verbond aan te gaan met het andere. Het ‘heldhaftige anti-fascistische verzet’ in Italië, Frankrijk en elders, de partizanen onder leiding van Tito[3], de ‘volkslegers’ van Ho Tsji Minh en Mao Tse-toeng [4] en vele anderen dienden als nuttige aanhangers van de voornaamste geallieerde imperialistische machten tegen het Duitse, Italiaanse en Japanse imperialisme. En allen toonden ze, tijdens of na de oorlog, hun openlijk arbeidersvijandige aard door de arbeiders op te zetten elkaar af te slachten, door de helpende hand te bieden bij het neerslaan van stakingen en arbeidersopstanden, door kommunistische militanten te vervolgen. In Vietnam hielp Ho de ‘buitenlandse imperialistische machten’ om in 1945 de arbeiderscommune van Saigon neer te slaan. In 1948 marcheerde Mao de Chinese steden binnen, orders uitvaardigend dat het werk gewoon moest doorgaan en dat stakingen verboden waren. In Frankrijk klaagde de stalinistische ‘maquis’[5] het handjevol internationale kommunisten aan als ‘fascistische collaborateurs’, omdat deze tijdens de bezetting en de ‘bevrijding’ de arbeidersklasse actief opgeroepen hadden tegen beide blokken te strijden. En onmiddellijk na de oorlog traden diezelfde stalinistische ‘revolutionairen’ van het ondergrondse verzet toe tot de regering De Gaulle, en veroordeelden ze stakingen als ‘wapens van de trusts’.

De situatie na de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de nationale bewegingen in de koloniën zich op twee manieren, die beiden voortgingen op de weg, die in de voorafgaande decennia was ingeslagen. Op de eerste plaats kon men in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een sterke tendens waarnemen naar vreedzame dekolonisatie. Ondanks het bestaan van sterke en soms gewelddadige nationale bewegingen in India, Afrika en elders, accepteerde de meerderheid van de oude koloniale machten de ‘nationale onafhankelijkheid’ van de meeste van hun vroegere koloniën. In een artikel, geschreven in 1952, gaf de Franse groep Internationalisme (die zich in 1944 van de Italiaanse Linkerzijde had losgemaakt naar aanleiding van een meningsverschil over de oprichting van een partij midden in een donkere periode van contrarevolutie) de volgende analyse van de situatie:

“In het verleden geloofde men in de arbeidersbeweging dat de koloniën zich alleen maar konden emanciperen in het kader van de socialistische revolutie. Als ‘zwakste schakel in de imperialistische keten’ (die een verergering van de kapitalistische uitbuiting en repressie in die gebieden mogelijk maken) waren zij zeker bijzonder gevoelig voor sociale bewegingen. Hun onafhankelijkheid was altijd verbonden met de revolutie in de metropolen.

Maar in de laatste jaren zijn de meeste koloniën onafhankelijk geworden: de koloniale bourgeoisie heeft zichzelf min of meer van de overheersing van de metropolen geëmancipeerd. Dit verschijnsel, hoe beperkt het in werkelijkheid ook mag zijn, kan niet langer begrepen worden in de context van de oude theorie, die het koloniale kapitalisme slechts beschouwde als de lakei van het imperialisme, als een gewone makelaar.

De waarheid is dat de koloniën niet langer een extra-kapitalistische markt zijn voor de metropolen; het zijn nieuwe kapitalistische landen geworden. Ze hebben dus hun eigenschap van afzetmarkt verloren, waardoor de oude imperialismen meer openstaan voor de eisen van de koloniale bourgeoisie. Daar moet nog aan worden toegevoegd dat de eigen problemen van die imperialismen, in de loop van beide wereldoorlogen, de expansie van de koloniën hebben bevorderd. Het constant kapitaal vernietigde zichzelf in Europa, terwijl de productie-capaciteit van de koloniën of semi-koloniën toenam, wat leidde tot een explosie van inheems nationalisme (Zuid-Afrika, Argentinië, India, enzovoort). Het is opmerkelijk dat die nieuwe kapitalistische landen, vanaf hun ontstaan als onafhankelijke staten, overgaan tot het stadium van staatskapitalisme, waarbij ze dezelfde aspecten vertonen van een economie gericht op oorlog, zoals elders werd onderstreept:

De theorie van Lenin en Trotski heeft geen betekenis meer. De koloniën zijn geïntegreerd in de kapitalistische wereld en hebben die zelfs gesteund. Er is geen ‘zwakke schakel’ meer, de heerschappij van het kapitaal is gelijk verdeeld over de hele planeet.” (L’évolution du capitalisme et la nouvelle perspective, Internationalisme nr. 45, 1952).

De bourgeoisie van de vroegere koloniale rijken, verzwakt door de wereldoorlogen, bleek niet meer in staat de koloniën als koloniën te behouden. Het ‘vreedzaam’ uiteenvallen van het Britse imperium is daar het beste voorbeeld van. Het was echter vooral omdat de koloniën, zodra ze zelf kapitalistisch waren geworden, niet langer konden dienen als basis voor de verdere reproductie van het globale kapitaal, en daardoor hun betekenis verloren voor de belangrijkste imperialismen (het waren dan ook de meer achtergebleven koloniale machten, zoals Portugal, die zich het meest aan hun koloniën vastklampten). De dekolonisatie was eigenlijk alleen maar een formele bevestiging van een reeds bestaande toestand: het kapitaal accumuleerde niet meer door expansie naar voorkapitalistische gebieden, maar op de grondslag van het verval, in de vorm van een cyclus van crisis, oorlog, en wederopbouw, door verspillingsproductie, enzovoort.

Maar het feit dat de vroegere koloniën politiek onafhankelijk waren, betekende geenszins dat ze ook werkelijke onafhankelijkheid waren ten opzichte van de grote imperialistische machten. Na het kolonialisme ontstond het verschijnsel ‘neo-kolonialisme’. De grote imperialistische machten behouden hun effectieve heerschappij over de onderontwikkelde landen door de economische druk die ze uitoefenen: het opleggen van ongelijke ruilvoeten, het uitvoeren van kapitaal door ‘multinationale’ ondernemingen of door de staat en hun algemeen overwicht op de wereldmarkt dat de ‘Derde Wereld’landen ertoe dwingt hun economie aan te passen aan de behoeften van de meer ontwikkelde kapitalen (door ‘monocultuur’, door de oprichting van exportindustrie met behulp van goedkope arbeidskrachten door buitenlands kapitaal, enzovoort). En natuurlijk is er, om hieraan kracht bij te zetten, nog de militaire macht van de belangrijkste imperialismen, hun bereidheid om militair en politiek tussenbeide te komen om hun economische en strategische belangen te verdedigen. Vietnam, Guatemala, de Dominicaanse Republiek, Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Zaïre..., deze en andere landen waren het toneel van een rechtstreekse interventie van de grote imperialismen om hun belangen veilig te stellen bij een ontoelaatbare politieke of economische verandering.

Eigenlijk is die ‘vreedzame’ dekolonisatie meer schijn dan werkelijkheid. Ze vindt plaats binnen een wereld, overheerst door militaire imperialistische blokken, en het is de krachtsverhouding tussen die blokken die bepaalt in hoeverre vreedzame dekolonisatie mogelijk is. De ontwikkelde kapitalen hebben zich bereid getoond nationale onafhankelijkheid toe te staan voor zover hun vroegere koloniën tot hetzelfde imperialistisch blok bleven behoren. Omdat de Tweede Wereldoorlog alleen maar een herverdeling betekende van een reeds verzadigde wereldmarkt, kon de situatie die daaruit resulteerde alleen maar leiden tot een nieuw wereldwijd treffen van de machten die na de slachtpartij de eerste rang bezetten, in de eerste plaats de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Als gevolg hiervan was de tweede belangrijke tendens na de Tweede Wereldoorlog een hele nieuwe uitbarsting van nationale oorlogen. Hierdoor probeerden de grootste imperialistische machten hun invloedssfeer te verdedigen of uit te breiden, waarover na afloop van de Tweede Wereldoorlog slechts een voorlopig akkoord was bereikt.

De oorlogen in China, Korea, Vietnam, het Midden-Oosten en elders waren allen het product van de krachtsverhoudingen na de Tweede Wereldoorlog. Tegelijkertijd vormden ze een uitdrukking van de voortdurende onmacht van het kapitalisme om in de meest noodzakelijke behoeften van de mensheid te voorzien, en van de extreme sociale ontbinding van de vroegere koloniale gebieden. In deze oorlogen zijn de grote imperialistische machten zelden rechtstreeks met elkaar in conflict gekomen: plaatselijke conflicten dienden als ‘medium’ voor het achterliggende conflict tussen de ‘supermachten’. Evenzeer als de wereldoorlog zelf, hebben deze lokale oorlogen duidelijk gemaakt dat het voor de verschillende bourgeoisieën ter plaatse onmogelijk is om de overheersing door de ene imperialistische macht te bevechten zonder op de andere te steunen. Als een nationale bourgeoisie uit de klauwen van het ene blok wist te ontsnappen, dan viel het onmiddellijk ten prooi aan de muil van een andere. Om een paar voorbeelden te geven. In het Midden-Oosten vochten de zionisten tegen de door Engeland gesteunde Arabische legers met Russische en Tsjechische wapens. Maar Stalin’s plannen, om Israël in de Russische invloedssfeer te lokken, mislukten en Israël raakte geïntegreerd in de invloedssfeer van de Verenigde Staten. Van toen af aan is het verzet van de Palestijnen tegen het zionisme, dat voordien op het Engelse en Duitse imperialisme steunde, in de armen gedreven van imperialistische machten die vijandig stonden tegenover de Verenigde Staten en Israël, zoals Egypte, Syrië, Saoedi-Arabië, Rusland en China. Landen, waarvan in de loop der jaren trouwens het merendeel op zijn beurt naar het Amerikaanse kamp was overgegaan, zonder daarbij hun scherpe taal jegens Israël op te geven. In Vietnam hielp Ho Tsji Minh de Fransen en Engelsen om Japan te verslaan. Daarna verdreef hij, onder bescherming van Rusland, de Fransen en bracht vervolgens de Amerikanen zware slagen toe. Weer later brak het verenigde Vietnam met de vroegere bondgenoten China en Cambodja en zocht het toenadering tot de Amerikaanse bondgenoten in het gebied. Op Cuba onttrok Fidel Castro [6] zich aan de Amerikaanse heerschappij, om zich vervolgens, zonder enige aarzeling in de armen van de Russische imperialisten te storten. Ongetwijfeld werden imperialistische mogendheden door deze oorlogen en blokveranderingen hier en daar verzwakt, Maar elke keer als er één imperialistische macht werd verzwakt, werd er een andere sterker. Alleen degene die iets ‘niet-imperialistisch’ ziet in de stalinistische regimes, kan in de overgang van een land van het ene imperialistische blok naar het andere iets ‘progressiefs’ ontwaren. Maar hoe de theoretische kronkels van het trotskisme, maoïsme, en anderen het ook mogen bekijken, in de werkelijke wereld blijft de keten van het imperialisme ongebroken.

Dat betekent daarom nog niet dat de plaatselijke bourgeoisieën altijd louter marionetten van de grootmachten zijn. De lokale heersende klassen hebben elk hun eigen onderscheiden belangen en deze zijn ook imperialistisch. De expansie van Israël naar Arabisch grondgebied, de verovering door Noord-Vietnam van het Zuiden en zijn expansie naar delen van Cambodja, de rivaliteit tussen India en Pakistan om Kasjmir en Bengalen - ze zijn allemaal noodzakelijk gemaakt door de ijzeren wetten van de kapitalistische wedijver in het tijdperk van het imperialistische verval. De lokale bourgeois-fracties zijn niet alleen actief als agent van de grote imperialistische machten door de aanvaarding van hun hulp, advies en wapens. Ze worden zelf imperialistisch eenvoudigweg zodra ze zich meester maken over de staat. Omdat geen enkel land in volstrekte autarkie kan accumuleren, rest er geen andere keuze dan te beginnen met expansie ten koste van nog meer achtergebleven staten en dus meedoen in de politiek van annexaties, ongelijke ruil, enzovoort. In het tijdperk van het kapitalisme in verval is elke nationale staat een imperialistische macht. Desalniettemin blijft het een gegeven dat al die plaatselijke rivaliteiten alleen maar kunnen plaatsvinden binnen de meer globale wedijver tussen de imperialistische grootmachten. Om de hulp van de grootmachten te verwerven voor hun eigen lokale belangen, moeten de kleinere landen de globale eisen van de eerstgenoemden inwilligen. Slechts in bepaalde uitzonderlijke gevallen kan een voorheen onbeduidende macht een vrij belangrijke positie verkrijgen in de imperialistische wereldarena.

China is, dankzij zijn omvang en rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, zo’n voorbeeld, terwijl een land als Saoedi-Arabië daar, in ieder geval tot op heden, een ander voorbeeld van is. Maar de opkomst van nieuwe belangrijke imperialismen vormt nauwelijks een verzwakking van de greep van het imperialisme als geheel. In het geval van beide genoemde voorbeelden bleef de fundamentele rivaliteit tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie de wereldpolitiek dicteren. China brak in het begin van de jaren 1960 bijvoorbeeld met de Sovjet-Unie en heeft korte tijd geprobeerd een politiek van ‘autarkie’ te voeren. Maar de verdieping van de wereldcrisis, en de versterking van beide hoofdblokken die daar het gevolg van was, heeft China steeds meer gedwongen zich in het Amerikaanse blok te integreren.

Alle naoorlogse ontwikkelingen hebben overvloedig de onjuistheid bewezen van de tactiek om in de huidige periode nationale bevrijdingsbewegingen te steunen, om zo het imperialisme te verzwakken. Verre van het te verzwakken, dienen deze bewegingen er slechts toe om de greep van het imperialisme op de wereld te versterken, en om delen van het proletariaat te mobiliseren in dienst van een of ander imperialistisch blok.

 

[1] President van Turkije tussen 1923-1938.

[2] Generaal en aanvoerder van de nationalistische Kwomintang

[3] President van Joegoslavië van 1953 tot 1980.

[4] Van 1949 tot 1976 was hij eerste staatshoofd van de Volksrepubliek China.

[5] De ondergrondse verzetsbeweging in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog

[6] President en staatshoofd van Cuba van 1959 tot 2008.

People: 

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: 

Theoretische vraagstukken: 

Ontwikkeling van proletarisch bewustzijn en organisatie: