Begin dit jaar heeft de IKS de beslissing genomen het Vijftiende Congres van haar afdeling in Frankrijk om te vormen tot een Buitengewone Internationale Conferentie.
De voornaamste taak van die Conferentie bestond erin een organisatorische crisis het hoofd te bieden, de ernstigste sinds het ontstaan van de IKS. Die crisis was plots uitgebarsten meteen na haar Veertiende Internationale Congres in april 2001.
Onze lezers hebben er in onze pers kennis van kunnen nemen dat een ex-militant, Jonas, uit de IKS gesloten werd wegens politiek onwaardig gedrag, dat er onder meer in bestond het organisatorisch weefsel te vernietigen door voortdurend en onderhands de ergste roddels te verspreiden over kameraden van de organisatie, teneinde verwarring te zaaien in verschillende afdelingen van de IKS.
Dit individu heeft, vooral op basis van die roddels, andere militanten rond zich verzameld, die in beweging gekomen zijn voor een totale oorlog tegen de organisatie, waarbij ze de statutaire principes van een gecentraliseerde werking probeerden te vernietigen en zo het bestaan zelf van de IKS bedreigden.
Die ‘camarilla’ geleid door het individu Jonas heeft zichzelf tot ‘fractie’ uitgeroepen, hoewel ze geenszins in staat was ook maar het minste programmatisch meningsverschil op te werpen dat het gebruik van de titel ‘fractie’ zou kunnen rechtvaardigen. Het enige ‘principe’ dat de politiek van die elementen voortgedreven heeft, was de ontketening van een vernietigende haat en een onstilbare honger naar wraak. Omdat ze in de minderheid kwamen en omdat ze zichzelf in diskrediet brachten doordat ze niet de minste politieke argumentatie konden ontwikkelen, bestond heel hun optreden uit het smeden, in geheime vergaderingen, van een complot tegen het centraal orgaan van de IKS, en daarna uit het systematisch saboteren van de activiteit van de organisatie door manoeuvres, provocaties, roddelcampagnes, met de chantage en het dreigement hun roddels naar buiten te brengen, zoals blijkt uit de inhoud van hun beruchte ‘interne bulletins’ die nu naar bepaalde groepen en sympathisanten van de Kommunistische Linkerzijde opgestuurd worden.
Na een jaar lang vernietigend gedrag dat de organisatie moest destabiliseren (een lid van de ‘fractie’ zei het letterlijk op een geheime vergadering: “We moeten ze destabiliseren”) en dat militanten aanzette tot rebellie tegen de centrale organen van de IKS, beging de ‘camarilla’ van Jonas haar nieuwste en ellendigste actie tegen de organisatie. Ze weigerde op de Internationale Conferentie te verschijnen, tenzij de organisatie schriftelijk de ‘fractie’ zou erkennen en de sancties zou intrekken die ze in overeenstemming met haar statuten genomen had (en met name de uitsluiting van Jonas). Hoewel de delegaties van de IKS bereid waren de argumenten van die elementen in beroep te horen (ze hadden daartoe trouwens, net voor de Conferentie zou gehouden worden, een internationale commissie van beroep ingesteld, samengesteld uit militanten van verschillende afdelingen van de IKS, teneinde de vier Parijse leden van de ‘fractie’ de gelegenheid te geven hun argumenten naar voor te brengen), hadden ze in deze situatie geen andere keuze dan vast te stellen dat deze elementen zichzelf buiten de organisatie geplaatst hadden. Tegenover hun weigering zich voor de Conferentie te verantwoorden en zich te veredigen voor de beroepscommissie, heeft de IKS acte genomen van hun desertie en kon ze hen niet langer beschouwen als leden van de organisatie.
De conferentie heeft eveneens unaniem de misdadige methodes veroordeeld die de ‘camarilla’ van Jonas gebruikt heeft, en die erin bestond twee afgevaardigden van de Mexicaanse afdeling en leden van de ‘fractie’, die naar de Conferentie gekomen waren om er de standpunten van de ‘fractie’ te verdedigen, bij hun aankomst op de luchthaven te ‘kidnappen’ (met hun medeweten?). Terwijl de IKS hun reis had betaald zodat ze de werkzaamheden van de Conferentie zouden kunnen bijwonen en er de standpunten van de ‘fractie’ te verdedigen, werden de twee Mexicaanse afgevaardigden ontvangen door twee Parijse leden van de ‘fractie’ die hen meenamen en verhinderden naar de Conferentie te gaan. Toen wij protesteerden en terugbetaling van de tickets eisten als de Mexicaanse afgevaardigden (die een mandaat gekregen hadden van hun afdeling) niet op de Conferentie zouden verschijnen, lachte een Parijs lid van de ‘fractie’ (en voormalig lid van het centraal orgaan van de IKS) ons in het gezicht uit en zei met ongelooflijk cynisme “dat is jullie probleem!” Alle militanten van de IKS hebben hun diepe verontwaardiging geuit over dat achteroverdrukken van geld van de organisatie en de weigering beide door de organisatie betaalde tickets aan de IKS terug te betalen. Ze keurden een resolutie goed die dat gedrag veroordeelt dat de gangstermethodes blootlegt die de ‘camarilla’ van Jonas gebruikt. Die methodes, die geen haar beter zijn dan die van Chénier (die in 1981 materiaal van de organisatie stal), overtuigden tenslotte de laatste kameraden die nog aarzelden over de parasitaire en anti-proletarische aard van de zogenaamde ‘fractie’.
De Conferentie stond dus voor twee taken. De eerste en dringendste was de IKS en haar organisatorische principes zonder enige toegeving te blijven verdedigen tegen de herhaalde aanvallen en provocaties door die parasitaire groepering. De tweede was op diepgaande wijze de lessen te trekken uit deze gebeurtenissen: op welke zwakheden van de organisatie bouwde deze parasitaire groepering, die op aanstichten van Jonas ontstond en waarom kon zij zich zo snel en vernietigend ontwikkelen? Dit tweede aspect willen we in dit artikel ontwikkelen (voor het eerste aspect verwijzen we de lezers naar het artikel Een parasitaire aanval gericht tegen de IKS dat op onze internetsite staat).
Volgens de burgerlijke propaganda zijn de revolutionaire organisaties van het proletariaat tot mislukken gedoemd omdat de kommunistische principes die hun samenhang verzekeren, proletarische solidariteit en wederzijds vertrouwen binnen het proletariaat, onvermijdelijk in conflict treden met de egoïstische motieven en de wedijver die de individuen die er deel van uitmaken bewegen. Volgens die visie kunnen de revolutionaire organisaties niets anders dan de corruptie weerspiegelen die heerst binnen de politieke partijen van de bourgeoisie. De bourgeoisie beperkt er zich niet toe voortdurend propaganda te maken voor de ideologie van het ‘elk voor zich’, maar levert die ideologie ook nog praktische steun door openlijke repressie - als dat noodzakelijk blijkt - en door tweedracht te zaaien in de revolutionaire organisaties, door rechtstreeks of indirect de activiteit aan te moedigen van provocateurs, avonturiers en parasieten.
Dat de arbeidersklasse een uitgebuite klasse is, maakt haar revolutionaire organisaties bijzonde kwetsbaar voor de vernietigende druk van de burgerlijke maatschappij. De opbouw van revolutionaire organisaties vergt altijd voortdurende inspanning, constante waakzaamheid, een kritische houding, en zelfkritiek, zoniet lopen ze het risico vernietigd te worden, waarbij jaren van inspanningen verloren zouden gaan en het revolutionair proces uitgesteld zou worden.
De strijd van de marxisten in de Eerste Internationale voor het principe van de centralisatie en tegen de vernietigende intriges van Bakoenin; de strijd van Lenin en de bolsjewieken tegen het opportunisme op organisatorisch vlak en tegen het ‘grote heren anarchisme’ van de mensjewieken in 1903; de strijd van de Kommunistische Linkerzijde tegen de ontaarding van de Derde Internationale in de jaren 1920 en 1930; al die gevechten waren voorlopers van de strijd die de IKS sinds haar ontstaan gevoerd heeft voor het intern toepassen van de regels van een gecentraliseerde werking, tegen de sekte- en clangeest, tegen het individualisme en het kleinburgerlijk democratisme.
In dezelfde geest heeft de IKS, in tegenstelling tot de andere groepen van de Kommunistische Linkerzijde die ook door elkaar werden geschud door afscheuringen, altijd verslag gedaan van haar interne problemen, zodat de revolutionaire beweging er de lessen uit zou kunnen trekken die kunnen bijdragen tot de versterking van het gehele proletarisch politiek milieu. We zijn er ons volop van bewust dat de groepen en elementen van het parasitaire milieu zich weer eens als gieren op deze organisatorische crisis van de IKS zullen storten om hun roddels te voeden over de zogenaamde ‘stalinistische ontaarding’ van onze organisatie, maar wij blijven bevestigen dat de IKS uit elke crisis die haar getroffen heeft de lessen getrokken heeft en dat zij er telkens politiek versterkt uit is gekomen. Gezien de moeilijkheid een revolutionaire organisatie op te bouwen, spreekt het vanzelf dat het bijzonder gevaarlijk is te geloven dat ze geïmmuniseerd zou kunnen worden tegen opportunistische ontaarding - op programmatisch of organisatorisch vlak -, dat ze zich vredig en zonder problemen zou kunnen ontwikkelen.
Het is precies de ontwikkeling van zulke illusies binnen de IKS, het idee dat de organisatie voortaan zou kunnen worden uitgebouwd zonder noemenswaardige politieke strijd in haar schoot, die door de Internationale Conferentie op de korrel genomen werd. De IKS heeft blijk gegeven van een zekere naïviteit en een gebrek aan waakzaamheid inzake het voortbestaan in haar midden van de kliekjesgeest. Ze koesterde de illusie dat die zwakheid, voortgekomen uit de historische omstandigheden waarin de IKS opgericht werd (getekend door het gewicht van de kleinburgerlijke ideeën van mei 1968 met hun ultra-linkse en anarchiserende componenten), voor eens en altijd uitgeroeid was dankzij de strijd die we in 1993-1995 gevoerd hebben.
Die zwakheid legde niet alleen geheugenverlies bloot wat betreft de geschiedenis van de marxistische beweging, maar ook dat de uiterst moeilijke omstandigheden uit het oog verloren werden, waarin de IKS zich in stand houdt in de huidige periode van sociale ontbinding van het kapitalisme.
In feite was één van de factoren die de recente crisis van de IKS aan de oppervlakte bracht een discussie over het vertrouwen en de solidariteit binnen de organisatie, discussie die van meet af aan door de meerderheid van de leden van het Internationale Secretariaat (de permanente commissie van het centraal orgaan) een oriëntatie kreeg met een methode die vreemd is aan de wijze waarop de IKS haar debatten steeds gevoerd heeft. Vanaf de opening van de discussie hebben deze laatsten inderdaad een ware campagne ontwikkeld die tot doel had de kameraden die in de minderheid waren te in diskrediet te brengen om hen “uit de IKS” te zetten (in de woorden van een lid van de zogezegde ‘fractie’). Zij begonnen in de organisatie een monolithische opvatting, volledig vreemd aan de principes van de IKS, in te voeren in het centraal orgaan, en gingen zelfs zover zich te verzetten tegen de publicatie in de interne bulletins van bijdragen van kameraden die meningsverschillen hadden met de politiek van de meerderheid van het Internationale Secretariaat. Tegenover zo’n ernstige afwijking, die kon leiden tot het opgeven van de functioneringsbeginselen van de IKS en tot organisatorische ontaarding, nam het centraal orgaan van de IKS de beslissing, bekrachtigd door het Veertiende Internationale Congres, een onderzoekscommissie in te stellen die klaarheid moest scheppen over het slechte functioneren van zijn Secretariaat.
Toen de politiek van het Internationale Secretariaat afgekeurd werd, heeft Jonas onmiddellijk terugtreding aangekondigd, waarbij hij zich voorstelde als slachtoffer van een ‘slopersoperatie van de organisatie’. Volgens Jonas kon zo’n afkeuring van het Internationale Secretariaat (waarvan hij deel uitmaakte) door het centraal orgaan van de IKS enkel het werk zijn van een ‘agent’. Meteen na zijn aftreden heeft Jonas (die niet de moed had op het Veertiende congres zijn standpunten te komen verdedigen) meteen zeven naaste kameraden ertoe aangezet in het geheim bijeen te komen om een ‘fractie’ te vormen. Aan een delegatie van het Internationale Bureau heeft hij verklaard: “Omdat we de leiding niet meer hebben, is de IKS verloren”. De visie die Jonas vooropstelt (”de leiding” te hebben) is niet de opvatting die de IKS heeft over de rol van de centrale organen. Zijn visie is die van de burgerlijke klieken, van de kleine bureaucraten, van de avonturiers en de stalinisten die geen enkel meningsverschil kunnen dulden en die bij gebrek aan argumenten de methode van de roddel gebruiken om twijfel te zaaien in de organisatie en nu ook in het proletarisch politiek milieu.
Tegenover die politiek van manoeuvres van Jonas en zijn medestanders, die elk meningsverschil wil verstikken in naam van het ‘vertrouwen’ in de meerderheid van het Internationale Secretariaat (in feite ging het erom de IKS op te roepen het Internationale Secretariaat een blind en principeloos vertrouwen te schenken), moest het centraal orgaan het debat over vertrouwen en solidariteit meteen na het Veertiende Congres een nieuwe oriëntatie geven, vanuit een historisch en theoretisch kader dat door de ‘camarilla’ van Jonas voortdurend en zonder enige politieke argumentatie afgekraakt werd, zoals de Conferentie heeft kunnen vaststellen. Die oriëntatie heeft de Conferentie de kans gegeven een ernstig en beargumenteerd debat te beginnen, waarin alle militanten zonder uitzondering hun standpunt hebben kunnen verdedigen, hun twijfels of meningsverschillen uitspreken, in een opbouwende en kameraadschappelijke geest, die er niet op uit is kameraden zwart te maken omdat ze een standpunt niet delen, maar die de meningsverschillen wil uitklaren met als enige doel de organisatie te versterken als eengemaakt en dus gecentraliseerd politiek lichaam.
Onder de andere zwakheden van de organisatie waarop Jonas en zijn ‘camarilla’ zich konden baseren, heeft de Conferentie niet alleen gewezen op het gewicht van de kringgeest, maar ook op dat van de democratistische ideologie binnen de organisatie. In de IKS heeft het democratisme zich recent geuit in een opportunistische tendens tot het op de helling zetten van onze centralisatieprincipes, met name door het idee dat het vertrouwen zich in de organisatie enkel omgekeerd evenredig met de centralisatie kan ontwikkelen.
Toen de IKS zich eenmaal bewust werd van het gevaar dat onze centralisatieprincipes opgedoekt zouden worden onder het gewicht van de democratische ideologie, bleef alleen de clan van Jonas over om die revisionistische en liquiderende visie te verdedigen, die hen tot dit ellendig resultaat gebracht heeft. Zo heeft de zogenaamde ‘fractie’ vanaf 31 januari aan alle IKS-militanten een verklaring gestuurd (gepubliceerd in haar intern bulletin) waarin ze bevestigt elke loyaliteit met de IKS te verbreken. In plaats van een gecentraliseerd debat, dat in overeenstemming met de statuten van de IKS de meningsverschillen duidelijk stelt, eiste deze ‘camarilla’ dat al de militanten van de IKS haar litanie zouden overnemen van beledigingen en roddels tegen de centrale organen van de IKS en enkele van hun leden. Kortom: de vriendenclan van Jonas eiste een hele reeks burgerlijke rechten op. Het recht om de ergste leugens en roddels te verspreiden tegen militanten en tegen de centrale organen, in naam van het recht op ‘vrije meningsuiting’; het recht de organisatie te destabiliseren door achter haar rug complotten te smeden; het recht alle werkingsregels van de IKS aan hun laars te lappen; het recht maar 30% van hun contributies te betalen, het recht weg te blijven van vergaderingen waarvoor ze uitgenodigd waren, het recht de adressenbestanden van onze abonnees te stelen, het recht de nota’s van de centrale organen te stelen om ze te vervalsen, het recht geld van de IKS te stelen en twee afgevaardigden van de Mexicaanse afdeling af te houden van deelname aan de Conferentie (uit angst dat deze hen zou overtuigen). En dat alles in naam van de ‘vrije meningsuiting’, in feite de vrijheid tot sabotage en vernietiging! De Conferentie heeft duidelijk blootgelegd dat de manoeuvres van Jonas militanten te gronde gericht heeft door hen te veranderen in een bende bedriegers en vervalsers. Die elementen hebben de naïviteit zover gedreven dat ze geloofden dat ze, door zichzelf tot ‘fractie’ uit te roepen, hun kleinburgerlijk democratisme en hun vernietigend individualisme verborgen zouden kunnen houden voor onze centralisatieprincipes. Met andere woorden: de clan van Jonas volgde de libertaire ordewoorden van de studenten van mei 1968: hij nam zijn wensen voor werkelijkheid. En wanneer de IKS zich verdedigt, zich niet wil laten vernietigen door hun putschistische methodes, en de sancties toepast die door haar statuten voorzien zijn, wordt zij hysterisch aangeklaagd als ontaardende, stalinistische sekte die gemanipuleerd wordt door een ‘agent’ en door ‘Torquemada’s’ (in de woorden van Jonas)! Dat is de laag-bij-de-grondse motor die de vorming aangedreven heeft van die zogenaamde ‘fractie’, die in feite niets anders is dan het oorlogswapen van burger Jonas tegen het proletarisch politiek milieu, de schandelijkste en gevaarlijkste clan uit de hele geschiedenis van de IKS. De Buitengewone Conferentie van de IKS is begonnen aan de taak de ideologische en politieke wortels van die clan te analyseren.
De debatten van deze Conferentie waren heel vruchtbaar en toonden dat, in tegenstelling tot de roddels van de ‘fractie’ en van heel het anti-IKS parasitair milieu, onze organisatie geenszins meningsverschillen verstikt, maar integendeel al haar militanten opgeroepen heeft hun verantwoordelijkheid op te nemen en hun meningsverschillen uit te drukken. De politieke diepgang en de gedrevenheid die de debatten van de Conferentie aangevuurd hebben, tonen de vastberadenheid van de IKS zich te mobiliseren ter verdediging van de organisatie en haar principes. En tenslotte heeft de Conferentie zich rekenschap gegeven van het gevaar dat de methodes van de ‘camarilla’ van Jonas inhouden voor het proletarisch politiek milieu (hij probeert nu het IBRP te infiltreren om het mee te slepen in zijn politiek van vernietiging van de IKS).
Hoewel de IKS in de loop van haar geschiedenis verschillende scheuringen meegemaakt heeft, heeft ze steeds weten te weerstaan aan de negatieve gevolgen daarvan. Ondanks de numerieke verliezen is de IKS in staat gebleken een gecentraliseerde organisatie op wereldvlak, met afdelingen in veertien landen, in stand te houden en op politiek vlak te versterken. Hoewel de huidige crisis de ernstigste is uit heel de geschiedenis van de IKS en de manoeuvres van de ‘camarilla’ van Jonas onze afdelingen in de Verenigde Staten en Mexico bijna vernietigd hadden (net zoals de tendens Chénier tijdens de crisis van 1981 de hele IKS-afdeling in Groot-Brittannië bijna vernietigd had), is de IKS in staat gebleken de schade te beperken en zijn onze numerieke verliezen betrekkelijk klein in vergelijking met de ambities van de ‘fractie’ van Jonas. We hebben enkele militanten verloren, maar we hebben de organisatie en haar principes gered.
Met grote ontzetting heeft de Conferentie vastgesteld in welke vernietigende en zelfmoordzuchtige waanzin Jonas de militanten heeft meegesleurd die gedurende vele jaren onze strijdmakkers waren. Eén van hen in het bijzonder, die vanaf zijn toetreding tot de organisatie begin jaren 1970 altijd blijk heeft gegeven van de grootste loyaliteit ten opzichte van de IKS, het grootste vertrouwen in zijn centraal orgaan, en van een voorbeeldig doorzettingsvermogen in de verschillende gevechten voor de verdediging en opbouw van de organisatie. De IKS heeft slechts twee kameraden kunnen redden die actief deelgenomen hadden aan de geheime bijeenkomsten van het ‘collectief’ (dat later ‘fractie’ geworden is). Toen ze inzagen hoe bijzonder vernietigend en suicidair hun misstap was, hebben beide kameraden in detail verslag gedaan aan de Onderzoekscommissie over de wijze waarop ze meegetrokken werden in dat smerig avontuur. Twee andere militanten die Jonas voorstelde als ‘centristen’ en die eveneens aan de geheime vergaderingen van het ‘collectief’ hadden deelgenomen, gaven er de voorkeur aan zich terug te trekken, liever dan bij de ‘fractie’ aan te sluiten en het ellendig pad te volgen van die parasitaire groepering.
Wij zijn er ons ten volle van bewust dat wat de IKS volbracht heeft erg bescheiden is tegenover de kapitalistische vijandigheid die ons omringt. Maar dat doet niets af aan het feit dat het werk van verdediging van de organisatie dat pas door de Buitengewone Conferentie gerealiseerd werd niet alleen belangrijke lessen inhoud voor de versterking van de IKS, maar ook voor de voortzetting van een breder debat binnen het proletarisch politiek milieu over de gevaren die vandaag wegen op de revolutionaire organisaties. Heel het milieu moet in staat zijn te weerstaan aan de vernietigende krachten van de burgerlijke maatschappij, aan de verleiding van het opportunisme en de lokroep van het parasitisme waarmee het vandaag en in de toekomst geconfronteerd wordt.
IKS / 19.04.2002
Honderd dertig jaar geleden, in september 1872, werd in Den Haag het Vijfde Congres gehouden van de IWV, de Internationale Werklieden Vereniging (Eerste Internationale). Het gaat zeker om één van de meest belasterde episodes uit de geschiedenis van de arbeidersklasse. Bekend door de beslissing om Bakoenin, James Guillaume en de Jurafederatie de IWV uit te sluiten is dit congres voor sommigen zonder betekenis omdat het zich uitsluitend bezig zou hebben gehouden met ‘interne strubbelingen’. Voor anderen (zoals de anarchisten, maar ook burgerlijke geschiedschrijvers) ging het om een “oorlog tussen leiders” waarbij Marx zich van administratieve maatregelen bediend zou hebben om meningsverschillen te regelen over theoretische vraagstukken (zoals dat van de staat). Niets is minder waar.
Dit congres is juist één van de belangrijkste uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Het vormde het hoogtepunt van een lange strijd binnen de Internationale Werklieden Vereniging voor de opbouw van een organisatie in overeenstemming met de klassenaard en de historische behoeften van het proletariaat. Het draagt lessen over aan de volgende generaties van revolutionairen die tot op heden fundamenteel blijven:
De oprichting van de IWV in 1864 in Londen betekent een nieuwe etappe waarin de arbeidersbeweging zich doet gelden. Door de lessen te trekken uit de voorbije periode scheiden nieuwe proletarische elementen zich af van de bourgeoisie door de noodzaak van de zelfstandigheid van de arbeidersklasse ten opzichte van de andere klassen in de maatschappij te bevestigen, niet alleen op politiek gebied door een eigen programma aan te nemen maar ook op organisatorisch vlak door de proletarische beginselen die in sommige eerdere organisaties al bestonden over te nemen en verder te ontwikkelen. Zij definiëren de organisatie als een bewust organisme, collectief, eensgezind en gecentraliseerd. De eerdere fase van politieke sekten die hun activiteit opvatten als een scheiding tussen de onbewuste basis van het werkelijke politieke leven van de organisatie en de leiding van beroepssamenzweerders was voortaan voorbij. De nieuwe organisatie voorzag zichzelf onmiddellijk van een gecentraliseerde structuur die in 1866 de naam kreeg van Algemene Raad.
Tot aan de Commune van Parijs van 1871 verenigde de IWV een groeiend aantal arbeiders en vormde ze een van de belangrijkste factoren in de ontwikkeling van de twee fundamentele wapens van het proletariaat, zijn organisatie en bewustzijn. Daardoor werd zij het doelwit vansteeds meer verbeten aanvallen van de kant van de bourgeoisie: laster in de pers, infiltratie door verklikkers, vervolgingen tegen haar leden, enzovoort. Maar de aanvallen waardoor de IWV het grootste gevaar liep waren de aanvallen die kwamen van haar eigen leden en die zich keerden tegen de organisatiewijze van de Internationale zèlf.
Al tijdens de stichting van de IWV werden de voorlopige statuten ervan door de Parijse afdelingen, die sterk beïnvloed waren door de federalistische opvattingen van Proudhon, vertaald in een richting die het gecentraliseerde karakter van de Internationale gevoelig afzwakte. Maar de gevaarlijkste aanvallen komen later met de toetreding tot de IWV van de ‘Alliantie van de Socialistische Democratie’, gesticht door Bakoenin. Deze zou in belangrijke delen van de Internationale een vruchtbaar terrein vinden doordat op haar nog het gewicht rustte van de politieke onrijpheid van het proletariaat in die tijd. Het was een proletariaat dat zich nog niet geheel ontdaan had van de resten van de voorbije etappe in zijn ontwikkeling en dan voornamelijk van de sectaire bewegingen.
Deze zwakte was vooral toegespitst in de meest achtergebleven sectoren van het Europese proletariaat, daar waar het nog nauwelijks uit ambacht en boerenbedrijf was losgekomen, vooral in de Zuid-Europese landen. Dit zijn de zwakheden waarvan Bakoenin, die pas in 1868 tot de Internationale toetrad, gebruik wist te maken om te proberen haar te onderwerpen aan zijn ‘anarchistische’ opvattingen en om haar onder de controle te krijgen. Het middel van deze operatie werd gevormd door de ‘Alliantie van de Socialistische Democratie’, die hij opgericht had als een minderheid van de ‘Liga van de Vrede en de Vrijheid’. Deze laatste was een organisatie van burgerlijke republikeinen, gesticht op initiatief van met name Garibaldi en Victor Hugo, en waarvan een van de voornaamste doelstellingen het beconcurreren van de IWV onder de arbeiders was. Bakoenin maakte deel uit van de leiding van de ‘Liga’ waaraan hij ‘een revolutionaire stimulans’ beweerde te geven en waarbinnen hij had aangedrongen om de IWV een samensmelting voor te stellen, wat deze tijdens haar Congres van Brussel in 1868 afwees. Pas na de mislukking van de ‘Liga van e Vrede en de Vrijheid’ besloot Bakoenin toe te treden tot de IWV, niet als een gewone militant, maar om de leiding over te nemen.
“Om zich te laten erkennen als leider van de Internationale, moest hij zich voordoen als leider van een ander leger waarvan de absolute toewijding aan van zijn persoon door een geheime organisatie verzekerd moest worden. Na openlijk zijn genootschap in de Internationale geïmplanteerd te hebben rekende hij er op om er in alle afdelingen vertakkingen te krijgen en zo de absolute leiding te verwerven. Met dit doel stichtte hij in Genève de (de openbare) Alliantie van de Socialistische Democratie. [...] Maar achter deze openbare Alliantie ging een andere schuil, die op haar beurt geleid werd door de nog geheimere Alliantie van de Internationale Broederschap, de Honderd Wachters van dictator Bakoenin”. (1).
De Alliantie was dus een genootschap dat zowel openbaar als geheim was en dat in werkelijkheid het vormen van een Internationale binnen de Internationale beoogde. Haar geheime structuur en de ruggespraak die daardoor mogelijk was tussen haar leden moesten de ‘infiltratie’ verzekeren in zoveel mogelijk afdelingen van de IWV, daar waar de anarchistische opvattingen de grootste weerklank vonden. Op zichzelf vormde het bestaan van meerdere denkrichtingen geen enkel probleem. De intriges van de Alliantie daarentegen, die zichzelf wilde opleggen aan de officiële structuur van de Internationale, vormden een ernstige factor van ontwrichting van deze laatste en waren levensgevaarlijk voor haar. De Alliantie had gepoogd om op het Congres van Bazel in september 1869 de leiding van de Internationale over te nemen door, tegen de motie voorgesteld door de Algemene Raad, een motie in stemming te brengen ten gunste van de afschaffing van het erfrecht. Met dit doel voor ogen hadden haar leden, vooral Bakoenin en James Guillaume trouwens met hart en ziel een administratieve resolutie gesteund die de macht van de Algemene Raad zou versterken. Maar toen dit mislukt was begon de Alliantie, die zelf beschikte over geheime statuten gebaseerd op uiterste centralisatie, een campagne te voeren tegen de ‘dictatuur’ van de Algemene Raad waarvan zij de rol wilde beperken tot “een bureau voor correspondentie en statistieken” (volgens de eigen termen van de Alliantieleden), van ’brievenbus’ (zoals Marx hen antwoordde). Tegenover het beginsel van de centralisatie die de uitdrukking was van de eenheid van de Internationale van het proletariaat, stelde de Alliantie het ‘federalisme’, de volledige ‘autonomie van de afdelingen’ en het niet bindend karakter van congresbesluiten. In feite wilden ze in staat zijn om hun eigen gang te gaan in de afdelingen die zij onder controle hadden. Dat opende meteen de deur voor de volledige desorganisatie van het IWV. En het was dat gevaar dat het Congres van Den Haag van 1872 moest afweren. (2).
Als de strijd van de IWV dikwijls werd aangehaald als die van Marx en Engels, dan was dat vooral omdat de onverzettelijkheid van deze twee leden binnen de Algemene Raad voorbeeldig was voor de collectieve strijd van de hele organisatie. De vastbeslotenheid van de Algemene Raad had in de strijd tegen Bakoenin op zichzelf niet succesvol kunnen zijn indien deze niet de steun had gekregen - en gestimuleerd had - van de organisatie in haar geheel. Het geheime karakter van de Alliantie kan trouwens voor een deel worden verklaard door het feit dat haar stichters “heel goed wisten dat de grote massa van de internationalen zich nooit willens en wetens zouden onderwerpen aan een organisatie als de hunne als zij van het estaan daarvan op de hoogte waren geweest” (4). Toen de Alliantie tegenover het Congres van Den Haag haar laatste machtsgreep wou uitvoeren, door op de Conferentie van Rimini in augustus 1872 een congres voor te stellen tegenover dat van de IWV, moest dit project weldra worden afgeblazen omdat er weinig krachten in dit avontuur konden worden meegesleept.
Zwitserland, waar Bakoenin zijn meest solide thuishavens had, is een van de voorbeelden van de actieve strijd van alle militanten. Toen Bakoenin zijn manoeuvers lanceerde voor de overname van de Zwitserse afdeling in april 1870, botste hij op het verzet van de arbeidersafdelingen van Genève. Het opeisen door Bakoenin van de naam van het centraal orgaan voor zijn groep van intriganten bracht de Zwitserse militanten er toe om hem uit te sluiten (toen al!), hem en zijn meest actieve handlangers van de Jurafederatie.
Anderzijds, toen de Algemene Raad de manoeuvres van de leden van de Alliantie in de organisatie openbaar had gemaakt om hen aan te klagen en machteloos te maken, was de strijd van de voormalige alliantie-aanhangers die hun trouw aan de IWV bevestigden, beslissend voor het losweken van een maximum aan militanten die bedrogen waren door de parasitaire invloed van Bakoenin en om in Spanje opnieuw een federatie op te bouwen die loyaal was aan het IWV.
En de afdeling Ferré van Parijs die niet vertegenwoordigd was op het Congres van Den Haag suurde deze krachtdadige boodschap:
“Burgers, nooit was een congres plechtiger en belangrijker dan datgene dat u heden in Den Haag bijeenbrengt. Waar het hier werkelijk om draait is niet de een of andere onbelangrijke formele kwestie, het een of andere banaal reglementsartikel, maar het overleven van het Verbond. [...] de intriganten die tot hun schande uit ons midden werden verbannen, de Bakoenins, de Malons, de Gaspard Blancs en de Richards proberen om het even welke belachelijke federatie uit de grond te stampen, die volgens hun ambitieuze projecten het Verbond moet verpletteren. Wel burgers, het is deze kiem van tweedracht, die grotesk is door zijn hoogmoedige streven, maar gevaarlijk door zijn gewaagde manoeuvres, die we ten koste van alles moeten verdelgen. Haar bestaan is onverzoenbaar met het onze en wij rekenen op uw ongenadige energie om daarbij een beslissende en klinkende overwinning te behalen”.
De voortdurende manoeuvres van de alliantie-aanhangers zijn er verantwoordelijk voor dat het congres drie dagen moest uittrekken aan de verificatie van de mandaten van de afgevaardigden, dat wil zeggen controleren of iedere afdeling had voldaan aan de statutaire verplichtingen van de IWV (en in het bijzonder de allereerste daaronder: het overmaken van de lidmaatschapsgelden aan de organisatie) voordat ze hun rechten als lid konden laten gelden. Het Congres moest de afgevaardigden van verschillende afdelingen die onder controle van de Alliantie stonden en die weigerden hun lidmaatschapsgelden aan de Algemene Raad te betalen, bedreigen met het intrekken van hun mandaat om ze de schuld van hun afdeling te laten vereffenen.
Nadat de voorstellen van de Conferentie van Londen, die het jaar daarvoor was gehouden rond de noodzaak voor de arbeidersklasse om een politieke partij op te richten (wat een grotere centralisatie en meer beslissingsmacht voor de Algemene Raad noodzakelijk maakte) waren aangenomen, debatteerde het Congres over het vraagstuk van de Alliantie op basis van een rapport van een Onderzoekscommissie die hiervoor benoemd was.
Bepaalde leden van de Alliantie weigerden samen te werken met de verkozen Commissie, ja elfs haar te erkennen, en behandelden haar als “Heilige Inquisitie”.
Wat het Congres aan de Alliantie verweet was niet de propaganda voor haar standpunten, maar de flagrante schending van de statuten en toelatingsvoorwaarden van de IWV, evenals de openlijke vijandigheid en de manifeste wil om de organisatie te schaden. In de houding van de Alliantie identificeerde de IWV voor het eerst in de arbeidersbeweging de bedreiging van het politiek parasitisme. “Voor het eerst in de geschiedenis van de strijd van de arbeidersklasse botsen wij op een geheime samenzwering beraamd in de schoot zelf van deze klasse en er op gericht niet om het bestaande uitbuitingsregime te ondermijnen maar wel het Verbond zelf, die dit regime op de meest energieke wijze bestrijd”. (4). De arbeidersklasse werd geconfronteerd met parasieten die beweerden te behoren tot het kamp van het kommunisme en haar programma te onderschrijven, maar die al hun krachten wijdden aan het belasteren van de kommunistische organisatie en beginselloos en zonder geringste aarzeling streefden naar haar vernietiging. Wat er op het spel stond op het Congres was: “eens en voor altijd een einde te maken aan alle interne strijd binnen ons Verbond zoals die steeds veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van dit parasitair lichaam. Deze strijd is niet anders dan de verspilling van krachten die bestemd zijn voor het bestrijden van het huidige burgerlijke regime. In zoverre de Alliantie de actie van de Internationale tegen de vijanden van de arbeidersklasse verlamt is zij van bewonderenswaardig nut voor de bourgeoisie en de regeringen” (3).
Het Congres veroordeelde de geheime organisatie van de Alliantie die was opgezet om de controle over de organisatie over te nemen door de militanten op te delen in twee categorieën waarbij de enen de anderen moesten leiden zonder dat die het wisten, evenals de houding van haar aanhangers die systematische gebruik maakten van leugens en veinzerij om de IWV te om de tuin te leiden over het bestaan van de clandestiene organisatie en over het doel van hun woorden en daden.
Er werd geen enkele sanctie genomen tegen afgevaardigden die verklaarden te breken met de Alliantie.
De werkelijke strijd binnen de IWV vond dus plaats tussen:
De actie van de marxisten bestond er ook in de politieke zeden van de Alliantie aan te klagen die “Om haar doelstellingen te bereiken [...] voor geen enkel middel, geen enkele trouweloosheid terugschrok; leugens, laster, intimidatie, hinderlagen komen hen ook van pas. Tenslotte neemt ze [de Alliantie] in Rusland volledig de plaats van de Internationale in en begaat ze in haar naam misdaden volgens het burgerlijk recht, afpersingen, een moord, waarvoor de regeringspers ons Verbond verantwoordelijk heeft gesteld” (1). Deze actie bestond er ook uit om de klasseninhoud er van te bepalen (“gedeclaseerden die voortkomen uit de hogere lagen van de maatschappij”) en de politieke moraal te verwerpen die hen tot basis diende: de jesuitenmoraal volgens welke “het doel alle middelen heiligt” en die neergeschreven staat in de geheime statuten van de Alliantie die, gefascineerd door de onderwereld, “de avontuurlijke wereld van de misdaad” beschouwt als “de enige werkelijk revolutionaire” en daaraan zijn actiemethodes ontleent.
In tegenstelling daartoe moet het proletariaat niet alleen zijn eigen wapens ontwikkelen maar voor hem zijn het doel dat uit zijn aard voortspruit, het kommunisme, en de middelen om dit te bereiken, onderling afhankelijk. Net zoals Marx, stellen wij samen met Trotzki dat “slechts die middelen toelaatbaar en verplichtend zijn die de samenhang van het proletariaat doen groeien [...] die het doordrenken met het bewustzijn van zijn eigen historische missie [...]. Daaruit vloeit juist voort dat niet alle middelen zijn toegestaan. [...] en dat resulteert voor ons in het feit dat het grote revolutionaire doel alle onwaardige middelen, werkwijzen en methodes verwerpt die een deel van de arbeidersklasse opzetten tegen de anderen; [...] of die het vertrouwen van de massa’s in zichzelf en in de organisatie verminderen en vervangen door een verheerlijking van de ‘leiders’.” (5).
Dit Congres, het belangrijkste van de IWV, was tezelfdertijd “haar zwanenzang als gevolg van de verplettering van de Commune van Parijs en de ontmoediging die deze nederlaag veroorzaakte binnen het proletariaat. Marx en Engels waren zich van deze werkelijkheid bewust. Daarom stelden ze ook voor, buiten de maatregelen om het IWV te onttrekken aan de greep van de Alliantie, dat de Algemene Raad in New York geïnstalleerd zou worden, ver van de conflicten die de Internationale steeds verder verdeelden. Het was ook een middel om de IWV een rustige dood te laten sterven (voltrokken door de Conferentie van Philadelphia in juli 1876) zonder dat haar prestige kon worden overgenomen door de bakoeninistische intriganten” (2).
Het laat ook zien dat de opbouw van de proletarische organisatie een voortdurende strijd is en dat het geen vreedzaam proces is dat vrij zou zijn van de vernietigende invloed van de vijanden van de arbeidersklasse, evenmin als het buiten de kapitalistische sociale verhoudingen zou staan die het proletariaat moet opheffen. Toen het proletariaat de nederlaag van de Commune eenmaal te boven was gekomen dienden de bijdragen van de IWV, haar standvastigheid in het verdedigen van de proletarische beginselen betreffende organisatievraagstukken, als basis voor de oprichting van de revolutionaire partijen van de Tweede Internationale. De politieke lessen die de IWV gesmeed heeft moeten de strijd van de huidige revolutionairen blijven inspireren en ze zullen van fundamenteel belang zijn voor de opbouw van de partij van morgen.
FR
(1) De Alliantie van de Socialistische Democratie en de Internationale Arbeiders Associatie, rapport geschreven door Marx, Engels, Lafargue en andere militanten onder mandaat van het Congres van Den Haag.
(2) Internationale Revue, Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave, nr. 110.
(3) De Algemene Raad aan alle leden van het IWV, 4-6 augustus 1872.
(4) Rapport voorgesteld aan het Congres van Den Haag door Friedrich Engels.
(5) Trotzki, Hun moraal en de onze.
De nieuwe regering Balkenende is geïnstalleerd en de verhoudingen tussen de verschillende fracties van de bourgeoisie zijn voorlopig enigszins genormaliseerd. Na de oorverdovende ideologische aanval van het laatste half jaar wordt nu de frontale aanval op de arbeids- en levensomstandigheden ingezet.
Het afgelopen half jaar werd niet alleen Nederland, maar heel Europa geconfronteerd met een ideologische aanval op de arbeidersklasse. Een campagne die tot doel had om het proletariaat nog meer te binden aan de democratische staat en haar eigen strijdperspectief op klassenbasis tegen de verscherpte uitbuiting en onderdrukking bij voorbaat te vertroebelen. Daarbij werd het voorgesteld alsof het ging om een strijd tegen het gevaar van de extreem-rechtse racistische partijen dan wel om een zogenaamde nieuwe politieke koers tegen de gevestigde orde. Naast Frankrijk stond Nederland daarbij in het middelpunt van de politieke arena, wat alleen nog maar versterkt werd door de moord op de hoofdrolspeler.
“De opkomst van Pim Fortuyn net als zijn liquidatie toonden vooral de maatschappelijke verrotting, een tijdelijk controleverlies door de bourgeoisie in een land dat nu juist bekend stond om zijn grote democratische stabiliteit. Niet Fortuyn als het ‘rechtse gevaar’, maar de democratisch partijen werden er zèlf van beschuldigd een ‘heksenjacht’ te hebben geopend en ‘haat te hebben gezaaid’ door de democraat Fortuyn als ‘fascist’ te verketteren. Toch slaagde de bourgeoisie erin globaal de controle over de situatie te behouden en deze meer dan ooit te gebruiken ter versterking van democratische illusies en ter voorbereiding van nieuwe draconische maatregelen tegen de arbeidersklasse” (Internationalisme, nr.-286).
Er werd maandenlang over bijna niets anders gesproken dan over Fortuyn, over zijn onconventioneel optreden en het feit dat hij de ‘oude garde’ flink bij de neus wist te nemen. De LPF verzamelde onder haar paraplu de elementen die een grondige afkeer hadden gekregen van de bestaande politiek. Sindsdien is die campagne voor de democratie, met als belangrijkste doel om met name de arbeidersklasse aan de burgerlijke staat te binden, wel enigszins van karakter veranderd, maar nauwelijks verflauwd. Want het is de bourgeoisie die zoveel mogelijk wil profiteren van de verwarring die de hele heisa van de afgelopen maanden in het bewustzijn van de arbeiders teweeg heeft gebracht. Ze heeft zich voorgenomen volop van de gelegenheid gebruik te maken en de nieuwe regering Balkenende een ongekend harde aanval in te laten zetten op de levensomstandigheden van iedereen en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Er hoeft niet aan getwijfeld te worden dat ze daarbij net zozeer kan rekenen haar linkerfracties en de vakbewegig als onder de paarse regering.
Nederland staat niet alleen voor wat betreft de noodzaak van harde aanvallen op de inkomens van de arbeidersklasse. In de centrale landen van het kapitalisme zijn ze aan de orde van de dag nu de wereldeconomie al sinds de zomer van 2000 in de recessie wegglijdt en de gevolgen zich steeds steviger doen voelen (zie het artikel elders in dit blad). Na jaren van schijnopleving op krediet wordt de situatie met de dag ernstiger:
Deze factoren tezamen laten zien hoezeer de Nederlandse economie wordt meegesleept in de diepe en zeker langdurige wereldrecessie.
Werd er tijdens de verkiezingscampagne iets duidelijk, dan is het wel hoezeer het zo geroemde Poldermodel bankroet is. Was het voor de arbeidersklasse al duidelijk dat het Poldermodel niet de zegeningen bracht die de bourgeoisie er aan toedichtte, nu kon de bourgeoisie zelfs de schijn niet meer ophouden. De dijken bezweken onder de druk van de enorme tekorten die zich opstapelen en tegenover de groeiende onvrede die zich ontwikkelt in verschillende bevolkingslagen die zich aan hun lot voelen overgelaten.
De noodzaak om het roer drastisch om te gooien drong zich al geruime tijd op. Maar de partijen van de paarse coalitie hadden zich gebonden aan een politiek van ‘algemene consensus’. Dat wil zeggen: voorzichtige matiging, waarbij aan de ene kant geprofiteerd werd van de schijn-opleving van de economie die gevoed werd door speculatieve investeringen en aan de andere kant groeiende tekorten in veel sectoren van de economie die niet of maar met mondjesmaat werden opgevuld; ondertussen werd de onvrede murw gemaakt in eindeloze ‘overlegstructuren’.
Zo is het de LPF die nu de onvermijdelijkheid van grove bezuinigingen mag aankondigen. Terwijl de VVD zich in de luwte opstelt en het CDA zich als ‘redelijk alternatief’ voordoet, mag de LPF, als verzamelpunt van afkeer, frustratie, ongenoegen en rancune van middenklasse en lompenproletariaat de kastanjes voor de hele bourgeoisie uit het vuur halen. Het moet zien waar te maken dat het met reden van het ene moment op het andere de tweede partij van Nederland werd. Het moet daartoe de argumenten leveren om nieuwe aanvallen te rechtvaardigen en deze nietsontziend doordrukken.
Na de val van de regering Kok werden onmiddellijk berichten’gelekt’ over de slechtere economische situatie, over sombere vooruitzichten, niet-verwachte tegenvallers, onbetaalde rekeningen en tekorten in de staatskas. Hiermee bereidde de bourgeoisie welbewust het terrein voor om maatregelen te treffen die vervolgens door de LPF kunnen worden voorgesteld als ingrepen tegen bureaucratisering en verkwisting van de staatsfinanciën.
De plannen die de regering Balkenende nu, aan de vooravond van de derde dinsdag in september, op stapel heeft staan, liegen er dan ook niet om: de grootste bezuinigingsgolf ooit, maar liefst 7 miljard euro ofwel haast 500,- per modaal gezin, waaronder verhoging van de ziekenfondspremie met 85 euro op jaarbasis, vermindering van subsidie voor openbaar vervoer en verlaging van steun aan de hoge scholen en universiteiten. Bij een verwachte toename van de werkloosheid met 30%, de afschaffing van 20.000 ‘Melkert-banen’ (en 200 ontslagen bij de FNV) daarbij inbegrepen, worden uitkeringen en lonen zoveel mogelijk losgekoppeld terwijl ontslagregelingen direct in mindering worden gebracht op de uitkering. Daar komen de bezuinigingen en belastingverhogingen van de lagere overheden nog bovenop, net als de bedrijfssluitingen en inkrimpingen in de privé-sector.
En dat alles, wanneer het doorgevoerd kan worden, zal slechts de inleiding vormen op nog veel directer aanvallen op de inkomens zoals aangekondigd in de voorziene loonscorrecties die al duidelijk onder de inflatie blijven. De bezuinigingen zijn zó grof, dat het nu de werkgevers van VNO-NCW zijn die klagen dat ze bijdragen tot de economische inkrimping (NRC, 13 september). Zo wordt het kabinet in de ‘extreme’ hoek gedrukt terwijl heel de bourgeoisie van de resultaten kan profiteren.
De voorbereiding van aanvallen van een dergelijke omvang maakt het noodzakelijk dat de ideologische aanvallen op de arbeidersklasse onverminderd doorgaan en dat de bourgeoisie haar linkse apparaat heeft klaarstaan om de reacties op zijn minst op te vangen en te neutraliseren.
Aan de ene kant:
Aan de andere kant:
Zo wordt er een schijn-polarisatie gekweekt. Er moet genoeg krediet worden opgebouwd om komende arbeiderswoede in officiële vakbewegingskanalen te laten wegsissen, of beter nog, direct om te buigen in nieuwe democratische campagnes. Als preventieve slag heet de FNV daartoe voor de komende weken grootscheepse ‘ledenraadplegingen’ aangekondigd: enerzijds om de temperatuur op te nemen, anderzijds om zichzelf op te werpen als ware verdediger van de ‘verliezers’, om de arbeiders het gevoel te geven dat ze zonder vakbonden niet eens gehoord worden, en vervolgens om de zo gehavende PvdA weer geloofwaardig te maken.
De perspectieven voor de arbeidersstrijdWant dat er reacties zullen komen is duidelijk. Maar het is nu moeilijk zichzelf als klasse te zien en de strijd gaatde laatste jaren nagenoeg nooit het vakbondskader te buiten. De meeste recente voorbeelden daarvan zijn de cao-stakingen in de zuivelindustrie van de eerste helft van juni en de ‘wilde’ staking van de grondtechnici van de KLM op 27 juli. In beide gevallen slaagde de bourgeoisie er in om de strijd in een doodlopend straatje te laten lopen en de stakers in verwarring achter te laten.
In het eerste geval werden de boeren, die natuurlijk verontwaardigd waren dat hun melk niet meer opgehaald en verwerkt werd, tegen de staking opgezet. Na verloop van enkele dagen leidde dat tot de belegering van het stakingscentrum, het vakbondskantoor van de CNV in Heerenveen. Alhoewel de stakers zelf zich noch bedreigd, noch in de verdediging gedrukt voelden, vormde deze boerenbelegering voor het CNV-strijdcomité een afdoende voorwendsel om de staking af te blazen. Adagio: staken geeft alleen maar problemen en leidt uiteindelijk nergens toe.
In het tweede geval werd een ‘wilde’ staking geprovoceerd door het telkens vooruit schuiven van de beloofde salarisaanpassing aan het niveau van buitenlandse collega’s. En toen deze uitbrak werd de gelegenheid aangegrepen om de van meet af aan geïsoleerde arbeiders met hun kop tegen de muur te laten lopen om ze vervolgens een flinke veeg uit te pan te geven. Dit diende als een voorbeeld voor wat de hele arbeidersklasse te wachten staat: het is slikken of stikken.
Deze twee voorbeelden maken duidelijk dat de arbeidersklasse in Nederland op dit moment zwak staat tegenover de manoeuvres van de bourgeoisie. Maar er is geen andere keus dan de strijd aan te gaan, want het kapitalisme biedt enkel nog meer ellende. En het trekken van de juiste lessen uit gedeeltelijke nederlagen, en deze te verbinden aan de historische ervaring van de arbeidersklasse, vormt de onvermijdelijke voorwaarde voor toekomstige overwinningen.
D.&M. / 14.9.2002
In de discussies die gevoerd werden door de verschillende afdelingen van de IKS tijdens de openbare bijeenkomsten, de discussiebijeenkomsten of de verkoop van de pers waren onze gesprekspartners het in het algemeen nogal vlug eens met onze inschatting van de wereldtoestand en erkenden dat het kapitalisme de mensheid naar de afgrond sleurt. Maar wanneer het er om gaat te begrijpen dat de arbeidersklasse de enige kracht vormt die, door haar revolutionaire opstand, in staat is om de mensheid uit dit doodlopende straatje te halen, duiken er vlug heel grote twijfels op: “De arbeidersklasse is vandaag zelf wanhopig verdeeld. De centrale sectoren leven niet meer op de grens van het levensminimum zoals in de negentiende eeuw, maar hebben toegang tot de ‘verworvenheden’ van onze moderne cultuur en welvaart, zelfs al is dat op beperkte schaal. Het merendeel van de arbeiders voelt zich geen arbeider, meer en voelt de uitdrukking ‘arbeider’ aan als beledigend. De ‘echte proletariërs’ zoals honderd jaar geleden zijn vandaag voor een deel geëlimineerd en vervangen door bedienden van de dienstensector die niet meer productief zijn, en in elk geval geen ‘echte’ arbeiders meer zijn. Met de ineenstorting van het Oostblok, evenals de door de media aangehouden identificatie van kommunisme en stalinisme, is het laatste restje sympathie van de arbeiderswereld voor de theorie van de klassenstrijd en de ongebreidelde vijandschap tegen het kapitaal definitief uitgedoofd.”
Wij denken dat we krachtdadig moeten antwoorden op dergelijke argumenten. Een van de belangrijkste taken van de hedendaagse revolutionairen bestaat er juist in om deze argumenten te ontkrachten. En dan vooral omdat dergelijke ideeën niet langer verspreid worden door de gebruikelijke kleinburgers die zich verheven voelen, maar ook door enigzins bewuste en strijdvaardige arbeiders, door kameraden die opstaan voor de verdwijning van dit systeem. Bovendien leiden deze argumenten tot een zogenaamde ‘weerlegging van het marxisme’, wiens verdediging in de eerste plaats de taak is van de kommunistische organisatie.
De opvatting die actueel in zwang is, beweert dat de interpretatie door Marx en Engels omtrent de aard en de rol van het proletariaat weliswaar kon beantwoorden aan de werkelijkheid van de negentiende eeuw, maar vandaag niet meer opgaat. Een dergelijke opvatting steunt niet alleen op het gangbare misprijzen van de heersende burgerlijke ideologie voor de productieve klasse, een misprijzen dat nieuwe toppen scheert in het zwartmaken van het socialisme door de identificatie ervan met het stalinisme. Ze steunt ook op een sterk verspreide onwetendheid van wat Marx, Engels en de arbeidersbeweging effectief gezegd hebben over de aard van de klasse. Zo zou hun overtuiging dat het proletariaat de laatste klasse in de geschiedenis van de mensheid is, en de meest revolutionaire, geenszins gegrondvest zijn op de bijzonderheden van diens uitbuiting in dat tijdperk. Vandaag verspreidt men overal de bewering als zou, in de optiek van Marx, de grondslag van de revolutionaire roeping van het proletariaat berust hebben op het feit dat de arbeiders uit zijn tijdperk zich moesten uitsloven tot 18 uur per dag, zware fysieke arbeid moesten verrichten, terwijl zij over geen enkele soort van ziekteverzekering beschikten, noch over pensioenregeling en jaarlijks verlof. Het feit dat dit niet meer opgaat voor het merendeel van de arbeiders, ten minste in de industrielanden, zou betekenen dat de revolutionaire dromen uit zijn. Dat is de valse gevolgtrekking die men ons probeert te doen slikken. Zolang men op het armzalige terrein blijft van dit soort ‘verklaringen’ die de burgerlijke critici over Marx koesteren, is het onmogelijk om vooruit te komen. Wat heeft het marxisme werkelijk gezegd omtrent dit onderwerp?
In een der basisteksten, de ‘Anti-Dühring’, heeft Engels de tegenstelling van het kapitalisme gekenschetst tussen het sociale karakter van het productieproces en de kapitalistische private toeëigening ervan: ”De sociale productie wordt toegeëigend door individuele kapitalisten, (een) fundamentele tegenstelling waaruit alle tegenstellingen voortspruiten waardoor de maatschappij voortgedreven wordt en die de grootindustrie openlijk aan het daglicht heeft gebracht.”
Dit punt is absoluut beslissend voor het begrip van de revolutionaire aard van de arbeidersklasse. Het kapitalisme heeft niet alleen een omwenteling teweeg gebracht in het productieproces, in de technische en wetenschappelijke productiemiddelen, maar het heeft daardoor ook, voor het eerst, de voorwaarden geschapen voor een wereld zonder schaarste noch materiële achterstelling. Daarmee verbonden heeft het de aard en van de uitgebuite, productieve klasse radicaal omgevormd en gerevolutioneerd, zowel door de socialisering van de arbeid als door de complete scheiding van de producenten ten aanzien van de productiemiddelen. Via deze twee gedaantewisselingen verschilt het proletariaat fundamenteel van de productieve klassen die eraan voorafgingen zoals de slaven en de lijfeigenen, die zonder enige twijfel werden uitgebuit, maar geen revolutionaire klassen waren die een nieuwe maatschappij in zich droegen.
Slaven of lijfeigenen produceerden fundamenteel niet in het perspectief van de ruil, van de markt, maar om aan de locale en persoonlijke behoeften te voldoen van hun meesters. In de maatschappijen van slaven en lijfeigenen, waren de werktuigen individuele instrumenten. De basis van de productie was bijgevolg, geïsoleerde arbeid, lokaal en individueel beperkt. De producenten werden voornamelijk gewelddadig verplicht tot werken. Deze laatsten hadden geen enkele belangstelling voor hun werk en bezaten geen enkele werkelijk opleiding. En bovenal waren ze nauwelijks onder elkaar verenigd, aangezien ze aan hun meesters onderworpen waren via een persoonlijke verhouding.
De grootste omwenteling die door het kapitaal werd teweeggebracht komt juist voort uit de vervanging, als overwegende basis voor de productie, van de individuele arbeid door de collectieve arbeid. Dat betekent dat, voor het eerst in de geschiedenis, bijna alle producenten, door de steeds verder voortschrijdende ruil en werkverdeling, in het productieproces met elkaar verbonden zijn. In plaats van de individuele geïsoleerde arbeid, wordt het voortbrengen van goederen ontwikkeld via de geassocieerde arbeid van miljoenen menselijke wezens, meestal vergezeld van een werkverdeling die uitgespreid is op wereldschaal (een moderne auto bijvoorbeeld, is samengesteld uit afzonderlijke stukken die geproduceerd worden in ontelbare fabrieken en landen). Met de komst van de mechanisatie, heeft het kapitaal de individuele arbeidswerktuigen vervangen door collectieve productiesystemen, die in beweging gezet worden door werkelijke arbeidslegers. Op die manier heeft het kapitaal, in plaats van de verspreide uitgebuitenen, die geïsoleerd waren ten opzichte van elkaar, een klasse geschapen, die verenigd is doorheen haar collectieve arbeid (en dat op wereldschaal) en die slechts kan leven en werken dank zij deze eenheid. Het is vooral deze socialisatie van de arbeid die het kapitaal in staat heeft gesteld om zowel de competitiviteit van zijn productie op te drijven als om de andere vormen van voorkapitalistische productiewijzen te doen wijken. Alleen daardoor heeft het zijn triomfantelijke mars kunnen beginnen in de productie en zijn geografische uitbreiding. Maar tezelfdertijd heeft het, met het moderne proletariaat, zijn eigen doodgraver voortgebracht.
Door de veralgemening van de warenproductie, heeft het kapitaal tezelfdertijd de politieke verhoudingen tussen de klassen overhoop gehaald. De kapitalisten produceren niet langer voor de persoonlijke behoeften maar voor de markt. Daardoor worden de verhoudingen tussen de uitbuiters en uitgebuitenen totaal gedepersonaliseerd, en tezelfdertijd hoogst politiek. De verhoudingen van de slaven en de lijfeigenen met hun meesters waren voornamelijk persoonlijke verhoudingen, dat wil zeggen de uitbuitingsvoorwaarden hingen in de eerste plaats af van het feit of de uitbuiter in staat was om een zeker aantal soldaten en wachters te mobiliseren om de arbeidskrachten aan zich te binden en hen te dwingen tot producertie. In het kapitalisme daarentegen, hangen de productie-, arbeids-; en uitbuitingsvoorwaarden fundamenteel af van de markt, dat wil zeggen naargelang de economie in volle bloei is, in recessie, of naargelang de arbeidskrachten de markt overspoelen of slechts in beperkte hoeveelheden ter beschikking staan. Fundamenteel worden de arbeiders niet langer uitgebuit en geknecht door individuen maar, in tegendeel, door het systeem zelf. Daaruit vloeit voort dat de klassenstrijd tussen uitbuiters en uitgebuitenen in zijn huidige vorm, klasse tegen klasse, ten volle tot ontwikkeling gekomen, is mogelijk geworden. Tezelfdertijd heeft de volledige scheiding tussen de producenten (als loonarbeiders) en de productiemiddelen (als kapitaal) de vervanging teweeggebracht van het geweld door een economische dwang in de verplichting tot arbeid. De arbeiders moeten hun arbeidskracht verkopen om te kunnen werken en leven.
Het is slechts door het ontstaan van een ‘vrije’, ‘mobiele’ arbeidskracht die ‘vrijwillig’ gemotiveerd is door de economische dwang, dat de mogelijkheid kan voortvloeien van het veralgemenen en systematisch uitbuiten van de wetenschap en de techniek in het productieproces. Daaruit vloeit voort dat het moderne proletariaat zich niet onderscheidt door zijn boertigheid en onwetendheid (zoals de nostalgiekers van de romantische revoluties die denken dat de verdwijning van de arbeiders uit het vroege kapitalisme gelijkstaat met de onmogelijkheid van de revolutie), maar door hun hoog opleidingspeil en opvoeding. De auto, de ziekteverzekering en het jaarlijks verlof zijn geen geschenken noch pogingen tot omkoperij door het kapitaal, maar de minimale voorwaarden opdat de arbeiders zouden kunnen produceren en hun krachten reproduceren in de arbeidswereld van vandaag, die zeer complex is en veeleisend.
Volgens Marx en Engels berust de voornaamste tegenstelling van het kapitalisme in de tegenspraak tussen enerzijds, de overheersing van de sociale arbeid en anderzijds, de totaal privaat gerichte oriëntatie naar de grootst mogelijke winst van het economisch leven, gebaseerd op het privaat eigendom. In schijn gaat het om een zakelijke tegenstelling. In werkelijkheid gaat het om een tegenstelling die tot uiting komt binnen de maatschappij, tussen de klassen.
Zo wordthet sociale karakter van de arbeid belichaamd door het proletariaat. De arbeidersklasse onderscheidt zich door haar collectief karakter, georganiseerd, gedisciplineerd, methodisch, eensgezind, en vóór alles bewust, een kenmerk dat zowel merkbaar is in het arbeidsproces zelf als in de collectieve strijd. De hedendaagse maatschappij, privaat, individualistisch, chaotisch, anarchistisch, met haar concurrentie en oorlogskarakter, vertegenwoordigd door de bourgeoisie, vormt daarvan de tegenpool.
Terwijl de productie steeds systematischer, rationeler en wetenschappelijker wordt aangepakt vervalt het kapitalisme onder druk van de concurrentie in anarchie. Elke kapitalistische sector, en in het bijzonder elk nationaal kapitaal, zet zijn oorlog tegen alle anderen voort, en dat neemt steeds vernietigendere vormen aan. Uiteindelijk gaat het om het voortbestaan van de mensheid die bedreigd wordt door het overleven van een dergelijk systeem.
Deze tegenstelling tussen de steeds productievere arbeid en de steeds vernietigendere private toeëigening kan slechts geregeld en overstegen worden door de klassenstrijd. Aan het proletariaat valt de taak toe om deze tegenstelling op te lossen door het sociale karakter van de productie en de sociale toeëigening ervan te samen te brengen.
Dat betekent dat, om te komen tot een revolutionair bewustzijn, het er voor de arbeidersklasse niet om gaat om in haar schoot een theorie te laten doorsijpelen die van buitenaf komt of van gegevens die vreemd zijn aan haar eigen levenswijze. Voor haar gaat het er ‘enkel’ om haar eigen aard te begrijpen.
Aangezien het proletariaat niet de bezitter is van de productiemiddelen en aangeien het ingeschakeld is in een wereldnetwerk van sociale arbeid, kan het zijn taak slechts vervullen door de productiemiddelen te controleren en te socialiseren als vertegenwoordiger van de mensheid, niet door individualistisch maar door een collectief optreden. In tegenstelling tot de lagen die nog produceren op grond van een individuele organisatie van de arbeid, zoals de boeren, de ambachtslui, de vrije beroepen, de ‘intellectuele producenten’, en die nog de vruchten opeisen van hun individuele arbeid - en op die manier het rad van de geschiedenis willen terugdraaien, is het proletariaat, uit de aard van de zaak, gericht op de toekomst. Aangezien het geen oplossing kan vinden voor de crisis van het kapitaal, want zo’n oplossing bestaat er niet, ziet het zich er toe verplicht om op zoek te gaan naar het vinden van een oplossing buiten dit systeem.
Het moet duidelijk zijn dat noch zijn uitbuitingsvoorwaarden, noch zijn tijdelijke (sociologische) samenstelling, noch de aard van de werktuigen die het gebruikt op het werk, noch de opinie die de ‘gemiddelde’ arbeider van zichzelf of van zijn klasse heeft, hem in staat stellen om de diepere aard van het proletariaat te vatten. Het is iets veel belangrijker dat het proletariaat dat recht verleent: zijn collectieve, bewuste, massale en internationale aard die gericht is op de toekomst. Een aard die spontaan tot uiting komt in zijn revolutionaire theorie, maar die eveneens tot uiting komt in zijn gigantische strijdbewegingen. De klasse in haar geheel, kan haar ware aard niet zomaar om het even wanneer en in om het even welke omstandigheden aan het licht brengen. Daarvoor is het noodzakelijk dat zij haar theorie en haar programma verdiept; dat zij massaal in beweging komt tegen de slagen van de crisis; dat er creatieve massa-acties ontstaan tijdens de strijd. Er bestaat absoluut geen waarborg voor dat het proletariaat zijn weg zal vinden vóór het kapitalisme de mensheid vernietigt. Wat wij nochtans weten is dat, indien de subjectieve en objectieve voorwaarden in dit perspectief samenvallen, indien de klasse in een revolutionaire opwelling geraakt, haar aard zich zal ontluiken zoals het wetenschappelijk socialisme dat honderd vijftig jaar geleden heeft aangekondigd.
De korte levensduur van het kabinet Balkenende is de uitdrukking van een veel breder probleem dan alleen dat van de regering. Het zal niet verdwijnen door nieuwe verkiezingen of de electorale afgang van de LPF.
De economische recessie sinds het begin van het nieuwe millennium deed de onvrede groeien en tastte de populariteit van de paarse coalitie en vooral van de PvdA in hoog tempo aan. Het poldermodel, geschapen om onvrede te neutraliseren in uitzichtloze inspraakrondes over allang genomen beslissingen, liep stuk op de omvang van de te nemen maatregelen. Bij gebrek aan een tijdige aanpassing van de koers werd een stabiele regeringscoalitie na de chaotische verkiezingen van 15 mei 2002 onmogelijk. In Nederland, waar de bourgeoisie bij uitstek pocht op een wereldwijde reputatie van democratische stabiliteit, is een dergelijke crisis ongehoord.
De ontbinding van het kapitalisme brengt een verstikkende opeenstapeling van onoplosbare en voortwoekerende sociale problemen met zich mee die de geloofwaardigheid van de staatsinstellingen aantasten. Maar na de jarenlange campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse is ook het zelfvertrouwen ondermijnd in een eigen strijdperspectief; de arbeidersklasse heeft de grootste moeite om haar woede om te zetten in strijdbaarheid. De onvrede blijft daardoor opgesloten in vaak individuele, ongerichte woede uitbarstingen en tijdens de verkiezingen in richtingloze 'protest' stemmen. Dat vormt de voedingsbodem voor een demagogisch populisme waarin niet alleen de wanhoop van een gefrustreerde kleine burgerij en de perspectiefloosheid van het lompenproletariaat tot uiting komt, maar waarin ook delen van de arbeidersklasse worden meegesleurd.
De bourgeoisie weet telkens weer de symptomen van haar innerlijke ontbinding tegen de arbeidersklasse te keren. De strategie tegenover de chaos binnen het staatsapparaat was een viervoudige. In de eerste plaats werd iedereen opgeroepen om zich achter de 'democratische' staat op te stellen. Vervolgens kreeg het rechtse populisme op de korte termijn alle kans om zichzelf tot in de schoenen af te branden; de PvdA werd in de gelegenheid gesteld om in de oppositie aan te sterken ter voorbereiding van een nieuwe regeringsperiode; en ondertussen konden, “onder druk van de verkiezingsuitslag”, de ongekend harde aanvallen op de arbeids en levensomstandigheden, die al onder Paars waren voorbereid, onmiddellijk worden doorgevoerd.
In juni 2002 schreven we: “Een nieuwe regering zonder de Lijst Pim Fortuyn, die met 26 zetels van niets tot tweede fractie werd, is echter haast onmogelijk en zou ook volslagen ongeloofwaardig zijn. De nieuwe regering riskeert echter van de ene crisis naar de andere te gaan”, en: “Als stuurloze groep zonder leiding, zonder samenhangend programma en met kandidaten die op het laatste moment werden bijeengeharkt zijn er mogelijkheden te over om in het parlement de Fortuyn fractie uiteen te laten vallen, het land 'onregeerbaar' te verklaren en nieuwe verkiezingen uit te schrijven mocht dit nodig blijken”. Het CDA VVD LPF kabinet Balkenende hield het inderdaad nog geen drie maanden vol en op 15 oktober, de dag waarop de 'linkse' prins Claus werd bijgezet, liet de bourgeoisie de regering vallen (1).
Geholpen door de rivaliteiten binnen de LPF zelf, waarbij de zij elkaar voor heel televisiekijkend Nederland publiekelijk afmaakten, werd de volstrekte onverantwoordelijkheid van deze groepering breed uitgemeten. Het hele politieke toneel diende zich steeds openlijker aan als een wanstaltige klucht waarbij ook de geloofwaardigheid van CDA en VVD en van minister president Balkenende op het spel kwamen te staan. Het strovuurtje tussen de twistbroeders Heinsbroek en Bomhof hoefde nauwelijks te worden aangewakkerd om de hele LPF in de opiniepeilingen weg te vagen en vervolgens “de stekker uit het stopcontact te trekken”.
Toch is met 'zwevende kiezers' in de orde van 40% van de kiesgerechtigden het leed niet geleden. Een nooit vertoond aantal 'burgers' ziet geen verschil meer tussen de partijen, is het vertrouwen in het politieke bedrijf kwijt, weet niet of het wel gaat stemmen en zo ja, waarop!
Na de schrik over de politieke steekvlam Pim Fortuyn en de verkiezingen van 15 mei doen de burgerlijke politici dan ook hun uiterste best om aan te tonen dat ze de kiezer weer “au serieux” nemen, en van links tot rechts houden ze een wedstrijd in wie het best “de erfenis van Fortuyn” in ere houdt, wie de 'vragen' die hij opwierp het beste verwoordt en daarvoor de betere 'antwoorden' te bieden heeft.
Wanneer dat in het geheel niets verandert voor de globale politiek van de bourgeoisie is het wel de presentatie die een ander tintje kreeg. Een 'rechtse' regering vormde een gelegenheid om ongekend harde maatregelen te nemen zonder dat daarbij het “sociale gezicht” van burgerlijk links direct in het geding kwam. Maar het dilemma dat zich stelde was dat tegelijkertijd het 'sociale gezicht' van links des te harder nodig was om de maatregelen door te drukken en voor te stellen als het “minste kwaad in moeilijke omstandigheden”.
Zelfs in de officiële ramingen komt het moment van economische herstel na de wereldwijde recessie steeds verder weg te liggen. Onafhankelijk van wie er in de regering zit zal de bourgeoisie keiharde maatregelen nemen.
Paars werd vooral gekenmerkt door het 'afschatten' en 'korten' van invaliden, door maatregelingen tegen vluchtelingen, door saneringen en fusies in gezondheidszorg en onderwijs, door gettovorming, verkrotting en criminalisering in de grote steden en het bedelven van de gezinnen onder enorme schuldenlasten (2).
In de herfst van 2002 maakte de nieuwe regering Balkenende onmiddellijk duidelijk dat daar bovenop aanzienlijke inkomensdalingen over een lengte van jaren op de dagorde stonden. Tegelijkertijd gaan de tarieven en eigen bijdragen voor allerlei vaste uitgaven omhoog, niet in de laatste plaats voor ziektekostenverzekeringen en pensioenen. Daarbij komt nog een hele stoet van hogere afdrachten en belastingen aan de lagere overheden.
De ontmanteling van het toch al kaalgeschoren stelsel van sociale uitkeringen wordt voortgezet met verdere loskoppeling van de lonen (3). Het verkrijgen of behouden van een uitkering wordt gebonden aan steeds meer voorwaarden en hatelijke sancties terwijl de uitkeringen richting fysiek bestaansminimum gaan. Voor de WAO ligt het invoeren van een drastische toetredingsstop in het verschiet (de beruchte referte eis van 3 jaar, de beperking van de definitie tot “meetbare beroepsziekten”). Tegelijkertijd dienen WAO ers tot op hogere leeftijd te solliciteren voor baantjes die doorgaans een inkomensdaling betekenen.
Bij overheid en bedrijfsleven blijven massale ontslagen op de agenda staan. In de eerste plaats slaat de recessie toe bij banken en verzekeringen en in de technologische spitssectoren. Van CMG, Cap Gemini, Getronics via IBM tot Pink Roccade en Worldcom voert een hele rij gerenommeerde namen in de ICT sector drastische ontslagen door. In de elektronica ontslaat ASM Lithography massaal; in de telecom sector bijt het in hoge schulden stekende KPN Telecom de spits af. Ook hightech laboratoria in Nederland, zoals van Lucent (Philips en AT&T) en Ericsson voor draadloze communicatie staan op de nominatie om te worden opgedoekt. Philips kondigt in volle verkiezingscampagne een nieuwe ronde van massale ontslagen aan, zowel in de productie als bij de ondersteunende stafdiensten. De gevolgen van de recessie beperken zich geenszins tot bijzonder risicodragende of conjunctuurgevoelige sectoren: ontslagdreiging en voort-durende reorganisaties zijn er ook bij de post, bij personen-vervoersbedrijven (Connexion, NS reizigers) en in de kunstvezels (AKZO Nobel; Accordis). De massale ontslagen zullen worden begeleid door ontslagpremies die voortaan in mindering worden gebracht op de uitkering.
Onder de noemer 'veiligheid' valt een hele reeks van repressiemaatregelen. Daarbij lost een “lik op stuk beleid” de “gedoogcultuur” af en krijgt de criminaliteit een huidskleur. De opheffing van het wettelijke briefgeheim, de permanente legitimatieplicht, de mogelijkheid van het fouilleren en controleren van ook onverdachte personen, ze staan allemaal op de agenda, net als de wettelijke invoering van minimumstraffen. In toenemende mate wordt een hele generatie van een brede laag van de bevolking de criminaliteit ingedreven en vervolgens worden er harde sancties gesteld op wetsovertreding. Kregen de immigranten van enkele tientallen jaren geleden nog de mogelijkheid te 'integreren', dat wil zeggen de kans uitgebuit te worden, en hun kinderen een minimum aan onderwijs, nu is uitzichtloosheid troef en worden de verschillende groepen paria's tegen elkaar opgestookt. Het probleem is niet dat “Nederland vol is”, maar dat op een verzadigde wereldmarkt met moordende concurrentie de uitbuiting, zelfs tegen heel lage lonen, niets meer rendeert en steeds meer mensen maatschappelijk worden uitgesloten.
Andermaal wordt de reactie daartegen weggeleid naar de stembus. Dit keer, krijgen we te horen, zou het stemrecht “meer verantwoordelijk” gebruikt moeten worden, waarbij de boodschap met betrekking tot het huidige beleid is: eigen schuld, dikke bult!
In afwezigheid van arbeidersstrijd keren al die maatregelen zich niet tegen de bourgeoisie maar dragen ze eerder bij tot het succes van de verkiezingen. Andermaal wordt er campagne gevoerd om de bevolking als geheel en vooral de arbeidersklasse wijs te maken dat zij het zijn die als 'burger' uitmaken wat er in Den Haag gebeurt. Meer dan ooit wordt de schijn gewekt dat de belangrijke beslissingen nog niet in achterkamertjes zijn genomen maar in het stemhokje vallen. Waaróp gestemd wordt is van een tweede orde, áls er maar gestemd wordt; als de geloofwaardigheid van de 'democratische' staatsinstellingen als “het minst slechte van alle systemen” maar wordt opgepoetst!
Zolang Paars nog te vers in het geheugen ligt kan de PvdA moeilijk in de regering terugkeren maar is een 'populaire' campagne van die kant al even onmogelijk. Groen Links, dat zich onder Rosenmöller naar het voorbeeld van Duitsland en België opmaakte voor een plaats in de regering kon de taak van oppositionele stemmentrekker, ondanks de wissel aan de top, ook moeilijk op zich nemen. Wat overbleef was noodgedwongen een links populisme dat tijdelijk de 'protestvlag' van Fortuyn overnam.
Vandaar de geweldige mediacampagne rond de SP waarbij de kop van Marijnissen niet meer van het beeldscherm was te branden. Bij tijdelijk gebrek aan beter werd het populisme van extreem rechts overgeheveld naar ultra links wat voor de bourgeoisie twee voordelen had: het linkse populisme liep geen risico in de regering te belanden en het kon op termijn enkel de positie van de meer 'verantwoordelijke' PvdA versterken.
De PvdA, met fundamenteel hetzelfde programma als onder Paars, past, in de woorden van oud minister Pronk, enkel haar “stijl en beeld” aan. Wouter Bos, het nieuwe uithangbord van de partij, wil “de fouten van zijn voorgangers vermijden” en “de mensen er van overtuigen dat de PvdA zijn les geleerd heeft”. Van arrogante regentenpartij gaat het naar een meer 'bescheiden' en 'volkse' partij; maar dat komt er enkel op neer dat de functies van partijleider en regeringsleider niet langer, zoals onder Kok, in één persoon verenigd blijven. Toen diezelfde Bos, een bewonderaar van Joop den Uijl, op 13 februari aan de tand werd gevoeld door Balkenende en VVD boegbeeld Zalm, maakte hij niet alleen duidelijk dat de oude garde niet weerkeert, maar ook dat de PvdA 'zich sterk maakt' voor algemene inkomensverlagingen en de oorlog tegen Irak.
Het vooruitzicht blijft een terugkeer van de PvdA in de regering, aansluitend bij de politiek in de ontwikkelde landen, zoals in Duitsland, België en Groot Brittannië. Maar de bourgeoisie in Nederland moet voor het moment wel opteren voor een centrum rechtse regering met een krappe parlementaire meerderheid zodat de PvdA nog verder haar wonden kan likken. Zij loopt echter het risico dat de PvdA, met een onverwachte sterke opkomst in de peilingen in de laatste weken voor de verkiezingen, voortijdig weer in de regering moet worden opgenomen en zichzelf dan opnieuw voor de voeten loopt. De PvdA moet dan ook haar best doen, zoals Jan Blokker het verwoordde, om een te grote verkiezingsoverwinning te vermijden (4).
Het gat in het politieke landschap van de bourgeoisie ontstond met de desillusie over eerst de PvdA onder Paars, vervolgens over het LPF avontuur. Dat gat werd in zes maanden opgevuld wat duidelijk maakt dat de bourgeoisie de globale controle over de gebeurtenissen niet verloor. Toch is het tijdperk 'Pim Fortuyn', een periode van politieke instabiliteit, niet voorbij. Van de arbeiders wordt, niet echt geloofwaardig, gevraagd vertrouwen te schenken aan een 'realistische' PvdA die nog niet kan regeren, die ook geen oppositie kan voeren, maar die het er alleen van moet hebben dat ze, anders dan CDA en VVD, geen populistische vrijerij achter de rug heeft.
Welke regeringsploeg er na 22 januari ook wordt gevormd, de marsroute van de aanvallen van de bourgeoisie wordt niet door de stembusuitslag bepaald, maar door de recessie en de krachtsverhouding tussen de klassen. In grote lijnen is de koers vastgelegd in “het strategisch akkoord” van het kabinet Balkenende. De rol van de PvdA zal er, in de regering of in de oppositie, vooral uit bestaan om die aanvallen, die harder dan ooit zullen zijn, aan de bevolking te verkopen.
De arbeidersklasse heeft niets te winnen bij het verkiezingscircus. Het moet de strijd aangaan voor de verdediging van haar levensomstandigheden, op haar eigen klassenterrein. Daarvoor is een geweldige inspanning nodig om weer richting te vinden en vooral het vertrouwen in eigen kracht terug te winnen en de verontwaardiging om te zetten in gezamenlijke strijdbaarheid.
T&M / 16.01.2003
(1) Zie Nederland: De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in Internationalisme, nr. 286, 3 juni 2002.
(2) Zie Ongekende aanvallen onder democratische voorwendsels, in Wereldrevolutie, nr. 97, najaar 2002.
(3) Kok gaf bij het aantreden van zijn eerste kabinet in 1994 al te kennen dat de achterstand die de uitkeringen vanaf begin jaren 1980 hadden opgelopen ten opzichte van de loonontwikkeling nooit meer zal worden ingelopen.
(4) De Volkskrant, 13 februari 2002. Na de vorige verkiezingen werd de PvdA door veel mensen helemaal afgeschreven; we noteerden toen: “de bourgeoisie gooit geen werktuigen weg die al een eeuw het nut van hun diensten hebben bewezen”, in Internationalisme, nr. 286, 3 juni 2002.
De aanwezigheid van extreem rechtse groeperingen in de anti-globaliseringsbeweging en het openlijke nationalisme van ultra links daarin vormde voor De Fabel van de illegaal uit Leiden aanleiding om de kwestie van het nationalisme binnen een veel breder kader te plaatsen. Er bestond een tendens om afstand te nemen van het blinde activisme in een poging dat probleem uit te diepen. In de loop van het jaar 2000 probeerden we een debat met de medewerkers aan te gaan.
De aanwezigheid van extreem rechtse groeperingen in de anti-globaliseringsbeweging en het openlijke nationalisme van ultra-links daarin vormde voor De Fabel van de illegaal uit Leiden aanleiding om de kwestie van het nationalisme binnen een veel breder kader te plaatsen (1). Er bestond een tendens om afstand te nemen van het blinde activisme in een poging dat probleem uit te diepen. In de loop van het jaar 2000 probeerden we een debat met de medewerkers aan te gaan.
De internationalistische standpunten die wij verdedigen en de historische achtergrond daarvan wekten de interesse van sommige medewerkers, waarbij enkelen van hen zich erover verbaasden dat er al heel lang gedacht en gestreden was in richtingen die ook zijzelf leken in te slaan en dat ze blijkbaar niet alleen stonden. We drongen er dan ook vooral op aan verder te zoeken naar zowel een historische als collectief kader om dat debat te verdiepen en in onze pers en correspondentie hebben we geprobeerd daaraan bij te dragen.
Onze stelling was dat standpunten alleen ontwikkeld kunnen worden door bewust aan te sluiten bij de historische ervaring en het internationale debat daarover, en we legden er de nadruk op dat een activistische houding onvermijdelijk leidt tot kortzichtigheid.
Zoals blijkt uit onderstaande brief wijst De Fabel verdere discussie af. Geen woord meer over het gemeenschappelijke uitgangspunt, de afwijzing van nationalisme, terwijl de aanvankelijke breuk met de anti-globaliseringsbeweging wordt weggepoetst als louter “afstand nemen”. Daarmee verstrikken de medewerkers van De Fabel zich in de tegenspraken van de groep. De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.
Leiden, 29 oktober 2002
Beste mensen van de IKS,
Enkele jaren geleden zochten jullie contact met ons, omdat wij afstand namen van de gangbare analyses binnen de zogeheten anti-globaliseringsbeweging. We besloten tijdelijk op jullie uitnodigingen in te gaan, om jullie beter te leren kennen en wie weet wat er zich zou kunnen ontwikkelen. We waren ons er vanaf het begin af aan wel erg bewust van dat er fundamentele ideologische verschillen zijn tussen jullie en onze analyses. Volgens de IKS is er een enkele wereldwijde hoofdtegenstelling tussen bourgeoisie en arbeidersklasse. De strijd tussen kapitalisten-klasse en arbeidersklasse zou daarbij de allesbepalende motoriek van de gesciedenis zijn en zou uiteindelijk de hele gang van zaken in de wereld verklaren. Voor ons is dat een onbevredigende analyse met allerlei theoretische tekortkomingen en blinde vlekken. Zelf gaan wij uit van een analyse waar naast kapitalistische verhoudingen ook de racistische en patriarchale machtsverhoudingen een centrale rol spelen. In gesprekken en schriftelijke uitwisselingen met jullie hebben we dat steeds geprobeerd te benadrukken. Maar van een echte discussie, met wederzijdse openheid, is helaas nooit sprake geweest. Jullie redeneren vanuit een gesloten wereldbeeld en lijken er enkel en alleen, heel paternalistisch, op uit om jullie analyse aan ons uit te leggen. Zo zijn jullie bijvoorbeeld nooit werkelijk in gegaan op onze brief, waarin we pleiten voor het integreren van anti-racisme en anti-patriarchale analyses in jullie vertoog. En dat is uiteindelijk toch ook onze belangrijkste aanbeveling aan de anti-globaliseringsbeweging.
Ook jullie brief van 6 juli was weer een toonbeeld van zulk paternalisme. Jullie stellen je op als schoolmeesters die onze ontwikkeling willen sturen en beoordelen. Om jullie eens te laten merken hoe dat overkomt, zullen we de zaken eens omdraaien en zullen we jullie ontwikkeling eens beoordelen. Dat zou als volgt kunnen gaan: We hebben jullie inmiddels al een aantal keer uitgelegd hoe jullie verder zouden kunnen komen in jullie analyses, maar de laatste tijd lijkt het er helaas toch op dat jullie zijn blijven stilstaan. Het zag er twee jaar geleden nog zo veel belovend uit vanwege de stappen die jullie toen gezet hebben. Toen zochten jullie contact met critici rond de anti-globaliseringsbeweging, en leken een eerste stap te maken uit jullie uiterst eenzijdige anti-kapitalistische vertoog in de richting van een meer dimensionale analyse van de wereldproblemen. Het leek erop dat jullie een zoektocht waren begonnen naar de dieperliggende oorzaken van de huidige crisis. Maar helaas, nu ziet het er naar uit dat jullie je weer terugtrekken in de achterhaalde en eenzijdige anti-kapitalistische studeerkameranalyses die links al zo lang parten spelen. Al jullie bijdragen aan lopende linkse discussies zijn volledig voorspelbaar gebleven: alle problemen zouden sowieso altijd op “het kapitalisme in verval” terug te voeren zijn. Over de belangrijke invloeden van het patriarchaat, racisme en antisemitisme, met elk hun eigen dynamiek, reppen jullie met geen woord. Kortom, jullie zijn in de anti-kapitalisme val gelopen, of beter gezegd: vast blijven zitten. Wij menen dat het van belang is om helder en duidelijk te zijn over anti-racisme en anti-seksisme zodat jullie niet meegesleurd worden in de vloed van autoritair communistische en eenzijdig anti-kapitalistische propaganda die de anti-globaliseringsbeweging de laatste jaren is gaan domineren en die de stappen die jullie twee jaar geleden gezet hebben zouden teniet doen.
Om deze redenen heeft voor ons de discussie met jullie geen zin meer. Hierbij maken wij er van onze kant dus een einde aan. We gaan dus ook niet meer reageren op de artikelen in jullie kranten.
Met vriendelijke groet,
De Fabel van de illegaal
Het is mogelijk een debat uit de weg te gaan, maar niet om de feiten te ontlopen. In het artikel Niet meer thuis op anti-oorlogsdemonstraties lezen we over de demonstratie van 26 oktober 2002: “Onder de duizenden betogers bevonden zich helaas ook heel wat Arabische nationalisten, autoritaire communisten, libertariërs, antisemieten, anti-Amerikanisten en zelfs neo-Nazi's. [...] De Fabel van de Ilegaal voelt zich in ieder geval steeds minder thuis op dit soort demonstraties” en: “Kortom, het gaat om een complexe kwestie. De Fabel weet daar ook niet direct een antwoord voor. [...] Om daar uit te komen moet er van onderop een alternatief standpunt over oorlog ontwikkeld worden.” (2).
Eerlijk is dat in ieder geval, maar de oplossing ligt zeker niet in het zich afsluiten van debat en het zich verliezen in blind activisme. Want ondanks alle mooie woorden dreigen de medewerkers van De Fabel toch te worden meegezogen in de oorlogshetze. Zo lezen we over de Tweede Wereldoorlog: “Weliswaar hadden de geallieerden veeleer imperialistische dan anti-fascistische bedoelingen bij de Tweede Wereldoorlog, maar het resultaat was voor veel mensen toch een enorme kwalitatieve vooruitgang: burgerlijke democratieën in plaats van nationaal socialisme. Hoewel De Fabel dus in principe tegen elke oorlog en tegen het militarisme is, kan het niet ontkend worden dat oorlogen soms onbedoeld wel goede gevolgen kunnen hebben. In kringen van Iraakse vluchtelingen, ook communistische die niets van de VS moeten hebben, wordt het via de oorlog verdrijven van Hoessein soms nog als enige kans gezien om in Irak mogelijk weer wat op te bouwen.”
Het anti-nationalisme van De Fabel gaat hier voluit op de knieën voor het ‘mindere kwaad’ van een ‘democratisch’ nationalisme. Is het zo moeilijk in te zien dat het ‘anti-fascisme’ niets anders was dan de ideologische dekmantel van het Amerikaanse imperialisme (3)? Het ‘theoretische’ anti-nationalisme van De Fabel dreigt hier om te slaan in een praktische stellingname voor een oorlog in Irak die, weliswaar “onbedoeld”, toch nog een weldaad zou kunnen zijn, zoal niet voor de mensheid als geheel, dan toch in ieder geval voor de overlevenden in Irak!
In een ander artikel in hetzelfde blad wordt er verzekerd: “We zullen het er snel over eens zijn dat de huidige politiek van Israël volop bediscussieerd mag worden.” Vanwaar deze “snelle” beperking van “de discussie” tot louter de “huidige politiek van Israël” en ten koste van een principieel debat over nationalisme in het algemeen? Het antisemitisme vormt net zo min een rechtvaardiging voor het zionisme als dat de daden van Palestijnse terroristen kunnen worden goedgepraat met de misdaden van de Israëlische staat. Vanwaar die eenzijdige terughoudendheid in de veroordeling van het zionisme en de Israëlische staatsterreur (4)?
Voor het wereldproletariaat maakt het geen enkel verschil hoe de kapitalistische staat zich noemt waardoor het wordt uitgebuit. Het heeft geen enkel belang bij welk racisme of nationalisme dan ook. Internationalisten klagen alle imperialistische kampen in gelijke mate aan en roepen het wereldproletariaat op de strijd te ontwikkelen die een einde kan maken aan de barbarij. De strijdbaarheid van het wereldproletariaat beëindigde in 1918 de Eerste Wereldoorlog; voorkwam dat er een Derde Wereldoorlog uitbrak tussen de Amerikaanse en Russische blokken; en ook nu vormt het de enige rem op de imperialistische bloedorgieën.
Wanneer onze “eenzijdige propaganda” als “anti-kapitalistisch” wordt aangemerkt is onze ongetwijfeld onbeholpen uitleg toch nog enigszins begrepen. In de propaganda van De Fabel wordt echter nooit gesproken over het wezen van het kapitalisme, nooit over de loonarbeid waaraan de overgrote meerderheid van de bevolking van de kapitalistische centra onderworpen is. De ‘propaganda’ richt zich “tweezijdig” tegen racisme en patriarchalisme en nulzijdig tegen de kapitalistische uitbuiting. Toch ligt het bestaan van een klassenmaatschappij juist ten grondslag aan zowel de geïnstitutionaliseerde xenofobie als aan het imperialisme.
Zoals we eerder lieten zien stelt De Fabel kapitalistische, racistische en patriarchale verhoudingen voor als drie naast en onafhankelijk van elkaar bestaande verhoudingen die bijgevolg elk op zich, los van de anderen, bevochten zouden kunnen worden. Maar het is pas in en door de strijd van de arbeidersklasse, als uitgebuite en revolutionaire klasse, dat er een eind kan worden gemaakt aan alle klassenheerschappij, en alleen in die strijd kan ook worden afgerekend met xenofobie omdat het regelrecht ingaat tegen de behoeften en noodzakelijkheden ervan. De klassenstrijd is het beste medicijn tegen de xenofobische koorts.
Omdat De Fabel zich nooit op de arbeidersklasse beroept heeft het ook geen enkel kader om de problemen concreet te stellen en blijft alles steken in abstracte morele verontwaardiging vol van innerlijke tegenspraken. Het resultaat is dat nóch racisme, nóch patriarchalisme, nóch kapitalisme daadwerkelijk worden bevochten en dat eerder het één wordt toegedekt onder het mom van het ándere te bestrijden. Een debat over bijvoorbeeld xenofobie kan niet blijven steken in eindeloos herhaalde slogans waarmee de xenofobie niet uit de kolommen van De Fabel wordt geweerd.
De irrationele angst in De Fabel voor de arbeidersklasse komt tot uiting in de volgende redenering: “Sommige linkse activisten richten zich uiteindelijk tegen het kapitalisme. Wanneer het kapitalisme overwonnen is, verdwijnen vanzelf ook de patriarchale verhoudingen. De geschiedenis leert dat dit een sprookje is.” (5). Heel het argument komt voort uit het trauma van het voormalige, zogenaamd socialistische Oostblok en China. Wanneer medewerkers van De Fabel een paar mythes doorzien dan geloven ze nog altijd in de meest fundamentele en verwarren ze de revolutionaire strijd van 1917 met de stalinistische contra-revolutie.
De ineenstorting van het stalinistische Oostblok in 1989 leidde tot grote verwarring. De bourgeoisie kon oorverdovende campagnes voeren over de dood van het kommunisme, het bankroet van het marxisme en het verdwijnen van de arbeidersklasse. Het resultaat was de groei van een activisme langs populistische lijnen, zoals de anti-globaliseringsbeweging, en de ontwikkeling van anarchistische trends zonder enig klassenperspectief. Daarbinnen bestaat er uiteindelijk geen andere keuze dan die ten gunste van het ene of andere imperialisme omdat de enige sociale kracht die een alternatief kan bieden wordt gewantrouwd.
De breuk met de anti-globaliseringsbeweging was misschien moedig maar zeker niet grondig genoeg om onder druk van de gebeurtenissen stand te kunnen houden. De gigantische mediacampagnes tegen ‘links extremisme’ rond de moord op Pim Fortuyn en de aanslag door een paar neo-nazi's op het gebouw van De Fabel hebben bijvoorbeeld zeker bijgedragen tot de terugslag; er is veel politieke standvastigheid nodig om te midden van zoveel ideologisch en fysiek geweld niet een moment terug te deinzen. Daarom betreuren we het des te meer dat De Fabel niet inging op onze uitnodiging om daarover te debatteren (6).
Het activisme van De Fabel staat er borg voor dat de groep telkens weer wordt meegesleept in de politieke hoofdstroom van burgerlijk links. Het begin van een fundamentele en strijdbare kritiek van het linkse nationalisme raakt zo in het defensief tegenover de tendens om zich te gaan specialiseren in het doen van nederige “aanbevelingen” met betrekking tot racisme en patriarchalisme aan de anti-globaliseringsbeweging. Het ‘anti-kapitalisme’ raakt daarbij helemaal uit het zicht. Het nationalisme wordt dan vooral weer aangevallen in zijn ‘rechtse’ vorm onder vergoeilijking van het nationalisme van links (7). Wat daar achter op de loer ligt is de sluimerende tendens tot rechtvaardiging van het Amerikaanse en Israëlische imperialisme. De innerlijke tegenspraken van de groep dreigen zo aan de oppervlakte te komen, en dát moet het zijn wat De Fabel, in een poging de medewerkers ten koste van het debat bijeen te houden, héél discreet een “open wereldbeeld” noemt.
Achterop het blad vinden we: “Wij streven naar een vrij socialistische en feministische samenleving, zonder racisme, nationalisme of fascisme. Dat kan alleen via een fundamentele omwenteling van de sociale en bezitsverhoudingen op wereldschaal. Internationale solidariteit staat daarom centraal.” Maar in mei 2000 gaf De Fabel te kennen: “De Fabel van de illegaal is een basisgroep die bestaat uit zowel anarchistische als andere radicaal linkse mensen. Onze gemeenschappelijke basis vinden wij dan ook niet in één uitgewerkte ideologie, zoals bijvoorbeeld het anarchisme, maar in onze gezamenlijke afkeer van kapitalisme, patriarchaat, racisme en nationalisme.”
Wat de groep vooral verenigt is activisme, de wil om “iets te doen”, “uit afkeer”, zonder goed te weten wat of waarvoor. Ook zijn er medewerkers die het debat willen uitdiepen, maar zonder goed te weten hoe of in welke richting. Enerzijds moet de ervaring dienen als discussiemateriaal, anderzijds kan het debat richting geven aan de actie. Maar de dynamiek van het geheel kan niet komen uit beperkte, plaatselijke actie, niet uit wat De Fabel “van onderop” noemt, niet uit een poging het wiel opnieuw uit te vinden. Wat nodig is, dat is vooral de aansluiting bij heel de historische ervaring en openheid voor een debat dat internationaal wordt gevoerd, en dat veronderstelt een breuk met het blinde activisme.
Er is een zo breed mogelijke discussie nodig waarin verschillende standpunten kunnen worden ontwikkeld. Maar alles wat zweemt naar samenhang en duidelijkheid wordt kennelijk opgevat als uiting van dogmatisme en intolerantie. Er wordt de voorkeur gegeven aan het scheppen van een beschermd milieu waarin onsamenhangende standpunten vrij naar voren kunnen worden gebracht zonder dat er kritiek op mag worden uitgeoefend. Discussie is zo niets anders dan vrijblijvende uitwisseling van individuele ‘meningen’ in plaats van het zoeken naar gezamenlijke verheldering in een openbaar debat. In een confrontatie van verschillende standpunten voelen sommige medewerkers zich duidelijk nog minder “thuis” dan op zogenaamde vredesdemonstraties waar nationalisten van links en rechts de grote trom van de haat kunnen slaan (8).
Wanneer met ons “gesloten wereldbeeld” wordt bedoeld dat wij als politieke organisatie een samenhangend geheel van standpunten hebben dat we standvastig proberen te verdedigen bedanken we voor het compliment. Wanneer er echter wordt bedoeld dat voor ons alles vooraf vast ligt is het een schromelijke vergissing. Het marxisme maar moet zijn juistheid bewijzen in confrontatie met de werkelijkheid en in voortdurend debat.
De naderende oorlog in Irak zal een zware beproeving vormen voor het tere anti-nationalisme. We roepen dan ook op tot een nieuw, breed en principieel debat in open geest.
Manus / 08.01.2002
Voetnoten
(1) Zie Brochure over het Baskische vraagstuk: Een gezonde reactie op het nationalistische gif in Wereldrevolutie, nr. 92 en Internationalisme, nr. 270, Briefwisseling: Het nationalisme kan niet meer bijdragen aan de sociale vooruitgang in Internationalisme, nr. 274 en Attac: De Fabel van de illegaal geeft toe aan burgerlijk links nationalisme in Wereldrevolutie, nr. 96.
(2) De Fabel van de illegaal, nr. 56, januari-februari 2002.
(3) Nadat het Duitse proletariaat eerst ideologisch en vervolgens ook fysiek was verslagen kon het in gijzeling worden genomen door de Nazi’s. Daarna werd het gedecimeerd door de Brits-Amerikaanse bombardementen en het Russische leger. Vervolgens diende het dankbaar te zijn voor de stembus en de rol die het werd toebedacht als kanonnenvoer in de voorpost aan de twee zijden van de Koude Oorlog, terwijl het natuurlijk ook nog opdraaide voor de wederopbouw.
(4) Men vergelijke dat met de lekkere generalisatie die Pim Fortuyn niet mistaan zou hebben en die er zonder enig commentaar in nr. 56 tegenaan wordt gegooid: “De zogenaamd vrome mannen met baarden die iedere dag naar de moskee gaan en roepen dat homoseksualiteit duivels is, staan op de Zeedijk als eersten in de rij om een nummertje te maken bij de hoeren.” Wat hier door het flinterdunne anti-nationalisme breekt is een mooi staaltje van xenofobie achter anti-seksistisch vijgenblad. “De strijd van de Palestijnen voor gelijke rechten is niet gebaat bij het aanleunen tegen ranzige antisemitische publicaties”. Welke strijd van Palestijnen, wat voor gelijke rechten? Worden hier soms de corrupte kliek van Arafat en de terroristische Hamas en andere Islam-fundamentalisten, deze kampioenen van de ‘gelijke rechten’, vriendelijk verzocht om hun antisemitisme achterwege te laten? En als ze daar niet op ingaan, is dat dan een reden om de Israëlische staatsterreur toe te juichen?
(5) De Fabel van de illegaal, nr. 38/39, 2000; zie vooral Patriarchaat en klassenmaatschappij in Internationalisme, nr. 275, en De arbeidersbeweging en het vraagstuk van de onderdrukking van de vrouw in Internationalisme, nr. 289; dat waren antwoorden op de enige serieuze discussiebijdrage van De Fabel.
(6) In de gewraakte brief van 6 juli 2002 schreven we: “Het lijkt ons daarom een beetje vreemd dat jullie stilstaan na de stap die gezet was en jullie terugtrekken in het activisme en dat terwijl jullie standpunten zowat twee jaar geleden heel wat discussie hebben opengegooid. Wij betreuren dat omdat jullie bijdrage in het debat al bewezen had dat het mensen kon aanspreken die naar dieper liggende oorzaken van de huidige crisis en haar gevolgen wilden zoeken.”
(7) Zo snelt De Fabel van de illegaal in nr. 56 de Filippijnse stalinist Sison, die dissidente partijleden met executie bedreigt, te hulp. SP, SAP en IS worden bekritiseerd, terwijl niet met name genoemde loten van dezelfde stam, “meer democratische communisten”, milder worden beoordeeld, “Kritiek op Hoessein kwam er helaas ook uit die hoek nauwelijks.”
(8) We hebben talrijke discussies gevoerd met medewerkers van De Fabel en de reacties van de groep in onze pers geplaatst alvorens er op te antwoorden. In De Fabel van de illegaal verscheen in het geheel niets, het debat werd doodgezwegen, en zelfs de parodie van onze standpunten is niet afgedrukt. Terwijl de gezamenlijke basis voor discussie, afwijzing van het nationalisme, ongenoemd blijft, wordt er plotseling voorafgaande overeenstemming geëist op andere punten die nu juist níet als gemeenschappelijk uitgangspunt van debat kunnen dienen.
Tegenover de wil van de Verenigde Staten om hun wereldoverheersing andermaal te bevestigen horen we stemmen opgaan in alle rivaliserende staten van regeringen die het Amerikaans ‘imperialisme’ aanklagen als een factor van oorlog en destabilisatie. De voormalige bondgenoten van de Verenigde Staten zien geen reden meer om zich te onderwerpen aan de Amerikaanse voogdij sinds de ineenstorting van het Oostblok en de verdwijning van de gemeenschappelijk vijand. Deze rivalen maken gebruik van het feit om de Verenigde Staten, die als hoofd van het westers blok hebben deelgenomen aan het merendeel van de oorlogen sinds 1945 en die zich momenteel vastbesloten tonen om hun leiderschap en de wereldorde die in hun voordeel georganiseerd is, te verdedigen, te doen doorgaan voor de enige imperialistische staat.
Dit idee dat enkel de machtigste staat van de planeet imperialistisch zou zijn, vormen slechts voor de smaak van de dag opgewarmde prakken van de stalinistische ideologie van de koude oorlog en de propaganda van het Russische blok tijdens de botsing tussen de blokken. Trotskisten, anarchisten en maoïsten hebben ruimschoots bijgedragen tot het voeden van deze mythe sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog via het steunen van de zogenaamde bevrijdingsbewegingen. Sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie, is dit begrip niet verdwenen maar heeft het zich ruim verspreid op een bredere grond van anti-Amerikanisme in de officiële propaganda van de meeste staten.
Sinds de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode, vormen het militarisme en de oorlog een fundamenteel gegeven in het leven van het kapitalisme. Sedert de wereldmarkt gevormd werd in het begin van de twintigste eeuw en verdeeld werd in handels- en invloedszones tussen de ontwikkelde kapitalistische staten, heeft de verheviging en de ontketening van de wedijver tussen de naties die er het gevolg van was, geleid tot de verscherping van de militaire spanningen, tot de ongekende ontwikkeling van bewapening en de groeiende onderwerping van het geheel van het economisch en sociaal leven aan de militaire dwang van de permanente oorlogsvoorbereiding.
Rosa Luxemburg heeft brandhout gemaakt van de basis van de misleiding die maakt dat een staat, of een bepaalde groep staten, die beschikken over een zekere militaire macht, de enige veroorzakers zouden zijn van de oorlogsbarbarij. Ook al beschikken alle staten niet over dezelfde middelen, dan voeren ze toch allemaal dezelfde politiek.
Ook al kunnen de ambities tot wereldoverheersing slechts ontluiken bij de machtigste staten, dan is het niet minder waar dat de kleinere met dezelfde imperialistische honger behept zijn. Net zoals in het maffiamilieu waar enkel de grote peetvader de hele stad kan overheersen terwijl de pooier van de wijk slechts heerst over één enkele straat. Hun aspiraties en methodes verschillen dus in niets van die van de gangsters. Daardoor komt het dat alle kleine staten zoveel energie besteden als de anderen aan hun ambitie om een grotere natie te worden ten koste van hun buren.
Daarom is het ook onmogelijk om een onderscheid te maken tussen de onderdrukkende en de onderdrukte staten. In de krachtsverhouding die zich opdringt tussen de verschillende imperialistische haaien, zijn zij inderdaad allemaal concurrenten in de wereldarena. De burgerlijke mythe van de aanvallende staat of van het ‘agressieve blok’ dat met militarisme beheptis, dient enkel ter rechtvaardiging van de ‘defensieve’ oorlog. De stigmatisatie van het agressiefste imperialisme komt slechts neer op de propaganda van elke tegenstander om de bevolkingen te kadreren in de oorlog.
Het militarisme en de het imperialisme vormen de steeds openlijkere uitingen van de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode, zodanig dat ze van bij het begin van de twintigste eeuw de oorzaak zijn van een debat tussen de revolutionairen.
Na de periode van oorlogen voor de vorming van de nationale eenheid van de burgerlijke staten, en tegenover de groeiende stijging van de tegenstellingen tussen de kapitalistische grootmachten en de vorming van militaire bondgenootschappen in Europa die zouden leiden tot de ‘gewapende vrede’ vóór 1914, voorzag Engels vanaf 1887 een oorlog van nieuwe omvang:
“Het zou een wereldoorlog zijn van een ongekende omvang en kracht. Acht tot tien miljoenen soldaten zouden elkaar doden [...]. In de tijd van drie tot vier jaar zou dat kunnen leiden tot een verwoesting zo groot als die van de Dertigjarige Oorlog en uitgedeind over een heel continent, met honger, epidemieën, terugkeer tot de staat van wildheid, zowel van de troepen als van de volksmassa’s, als gevolg van een diepe ellende [...]”.
Omtrent het verschijnsel van het imperialisme zijn er verschillende theorieën ontwikkeld door de arbeidersbeweging om dit uit te leggen, voornamelijk door Lenin en Rosa Luxemburg. Hun analyses zijn gesmeed aan de vooravond en tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen de visie van Kautsky die van het imperialisme één van de andere mogelijke opties maakte voor de kapitalistische staten en dat zou kunnen uitmonden in een “fase van superimperialisme, van eenheid en niet van strijd tussen de wereldimperialismes, een fase waarin de oorlogen zouden gestaakt worden onder kapitalistisch regime, een gemeenschappelijke uitbuitingsfase van de hele wereld door het financiëel kapitaal verenigd op wereldschaal” (2).
De theorieën hebben gemeenschappelijk dat ze het imperialisme niet alleen beschouwen als een product van de tegenstellingen van het kapitalisme maar als een noodzaak die inherent is aan de wetten van het kapitalistisch systeem dat een specifieke fase bereikt heeft in zijn evolutie : zijn eindfase. Ze definiëren het wezenlijk als concurrentieverhoudingen tussen de kapitalistische staten, eerst economisch, en vervolgens militair.
De theorie van Lenin was van bijzonder belang want ze maakte het hem enerzijds mogelijk om tijdens het eerste wereldconflict een strikt internationalisme te verdedigen dat vervolgens het officiële standpunt werd van de Kommunistische Internationale in verband met het nationaliteitenvraagstuk en dat van de kolonies. Nochtans benadert Lenin het vraagstuk van het imperialisme vooral vanuit een beschrijvend gezichtspunt zonder er in te slagen de oorsprong van de imperialistische expansie duidelijk te verklaren. Voor hem is het in wezen een beweging uitgaande van de ontwikkelde landen dat als voornaamste kenmerk heeft van in de kolonies het kapitaal van de metropolen ‘in overvloed’ is uit te baten om ‘superwinsten’ te verkrijgen door te profiteren van een arbeidskracht die minder duur is en van de overvloedig aanwezige grondstoffen.
In deze opvatting worden de kapitalistische landen parasieten van de kolonies ; het verkrijgen van ‘superwinsten’, die onmisbaar zijn voor hun overleving, verklaart de botsing op wereldvlak omwille van het behoud of de verovering van kolonies. Ze heeft tot gevolg dat de wereld opgedeeld wordt in onderdrukkende naties, imperialistische enerzijds en onderdrukte naties in de kolonies anderzijds.
“Het aandringen van Lenin op het feit dat de koloniale bezittingen een ander kenmerk zouden dragen en zelfs onmisbaar zouden zijn voor het imperialisme heeft de tand des tijds niet doorstaan. Ondanks het vooruitzicht dat het verlies van de kolonies, gedreven door de nationale opstanden in deze regio’s, het kapitalistische systeem tot op zijn grondvesten zou doen daveren, heeft het imperialisme zich gemakkelijk helemaal aangepast aan de ‘dekolonisatie’. De dekolonisatie [na 1945] heeft alleen maar de neergang bevestigd van de oude imperialistische grootmachten en de triomf verzekerd van de imperialistische reuzen die niet werden gehinderd door een groot aantal kolonies op het moment van de Eerste Wereldoorlog. Zo konden de Verenigde Staten en de USSR een cynische ‘anti-koloniale’ politiek ontwikkelen om hun eigen imperialistische doelstellingen te realiseren. Steunend op de nationale bewegingen konden zij deze onmiddellijk omvormen in inter-imperialistische oorlogen via de ‘volkeren’ die er tussen gekneld werden” (3).
Vertrekkend van de analyse van het geheel van de historische periode en de kapitalistische evolutie als globaal systeem, kwam Rosa Luxemburg tot een veel completer en dieper begrip van het verschijnsel van het imperialisme. Zij heeft aangetoond dat de historische basis van het imperialisme ligt in de tegenstellingen zelf van het kapitalistisch systeem. Terwijl Lenin zich blindstaarde op het constateren van het verschijnsel van de uitbuiting van de kolonies, analyseert Rosa Luxemburg dat de koloniale veroveringen die constant vergezeld gaan van de kapitalistische ontwikkeling die zich laaft aan de onverzadigbare nood aan kapitalistische expansie en dat via het doordringen tot nieuwe markten, de invoering betekende van de kapitalistische verhoudingen in die geografische zones waar tot dn toe nog niet bestonden:
“De accumulatie is onmogelijk in een uitsluitend kapitalistisch milieu. Daaruit vloeit van bij het ontstaan van het kapitaal de nood aan expansie voort in het land en bij de niet-uitbuitende lagen, het bankroet van de ambacht en het boerenbedrijf, de proletarisering van de middenlagen, de koloniale politiek (de politiek van het ‘openen’ van de markten), de kapitaalexport. Het bestaan en de ontwikkeling van het kapitalisme vanaf zijn ontstaan is slechts mogelijk geweest door een constante expansie op het gebied van de productie en van nieuwe landen” (4).
Zo werd het imperialisme geboren uit de tegenstellingen van het kapitaal in het laatste kwart van de negentiende eeuw, van zodra de kapitalistische verhoudingen veralgemeend waren in de oorspronkelijke kapitalistische landen.
“Het kapitalisme dat ongevoelig en koortsachtig op zoek is naar grondstoffen en kopers die zelf geen kapitalisten zijn, noch loontrekkenden, vloog vooruit, de koloniale bevolkingen decimerend en uitmoordend. Dat was het tijdperk van het binnendringen en het uitbreiden van Engeland in Egypte, van Frankrijk in Marokko, Tunis en Tonkin, van Italië in Oost-Afrika, aan de grenzen met Abessinië, van tsaristisch Rusland in Centraal-Azië en in Mandchoerije, van Duitsland in Afrika en Azië, van de Verenigde Staten in de Filippijnen en Cuba, en tenslotte van Japan op het Aziatisch continent” (5).
Maar deze evolutie sluit het kapitalisme op in een fundamentele tegenstelling: hoe meer de kapitalistische productie zijn invloed uitbreidt over de wereld, hoe enger de grenzen worden van de markt die geschapen is voor de ongebreidelde zoektocht naar de winst, met betrekking tot de kapitalistische expansie. Buiten de concurrentie omwille van de kolonies identificeert Rosa Luxemburg een keerpunt in het leven van het kapitalisme namelijk de verzadiging van de wereldmarkt en het inkrimpen van de niet-kapitalistische afzetmarkten: het bankroet en de historische impasse van dit systeem dat “zijn functie van historische hefboom van de ontwikkeling van de productiekrachten niet meer kan ontwikkelen” (4) wat in de uiteindelijke analyse meteen de oorzaak aanwijst van de oorlogen die sedertdien de levenswijze van het kapitalisme in verval kenmerken.
Eenmaal de limieten bereikt zijn van de wereld door de kapitalistische markt, zet de inkrimping van de solvabele markt en van de nieuwe markten de permanente crisis in van het kapitalistisch systeem, terwijl de noodzaak aan expansie van levensbelang blijft voor elke staat. Voortaan zal deze expansie enkel nog gaan ten koste van de andere staten in een strijd om de herverdeling van de wereldmarkt.
“In het bloeitijdperk van het kapitalisme waren de oorlogen (nationale, koloniale en imperialistische veroveringen) de uitdrukking van de stijgende voortgang, van de gisting, van de uitbreiding en de expansie vaan het kapitalistische economische systeem. De kapitalistische productie vond in de oorlog de voortzetting van zijn economische politiek met andere middelen. Elke oorlog werd gerechtvaardigd en droeg vruchten omdat hij een nieuw veld opende van nog grotere expansie, die de ontwikkeling van een grotere kapitalistische productie verzekerde. [...] De oorlog was een onmisbaar middel dat voor het kapitalisme de mogelijkheden opende voor latere ontwikkelingen in het tijdperk waarin die mogelijkheden bestonden en slechts met geweld opengebroken konden worden” (6).
Voortaan “wordt de oorlog het enige middel, niet voor de oplossing van de internationale crisis, maar het enige middel waarmee elk nationaal kapitaal probeert te ontsnappen aan de moeilijkheden waarin het gevangen zit, ten koste van de imperialistische rivaliserende staten” (6). Deze nieuwe historische toestand dringt in alle landen de ontwikkeling van het staatskapitalisme op.
Elk nationaal dat zich beroofd ziet van de bases voor een krachtige ontwikkeling, wordt veroordeeld tot imperialistische wedijver en vindt in de staat de enige structuur die sterk genoeg is om heel de maatschappij te mobiliseren met het oog op het aanvallen van zijn economische rivalen op het militair vlak.
De functie van het staatskapitalisme is dus, onder andere, het vasthouden in een stalen korset van cohesie van de maatschappij die dreigt uit elkaar te vallen door de verloedering van haar economische fundamenten, en het op getouw zetten van de onmisbare militaire macht ter verdediging van zijn belangen in de wereldarena.
“De permanente crisis stelt de onafwendbaarheid, de onvermijdelijkheid, van het regelen van de imperialistische geschillen door de gewapende strijd. De oorlog en oorlogsdreiging zijn latente of manifeste aspecten van een permanente oorlogstoestand in de maatschappij. De moderne oorlog is een totale oorlog. Met het oog op de oorlog is een monsterachtige mobilisatie nodig van alle technische en economische bronnen van het land nodig. De oorlogsproductie wordt aldus de industriële spil van de productie en tot het belangrijkste economische werkvlak van de maatschappij” (6).
Dat is de reden waarom de technische vooruitgang volledig bepaald wordt door het militaire: de luchtvaart wordt eerst militair ontwikkeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, de atoomkracht als bom in 1945, de informatica en Internet werden door de NAVO opgevat als militaire hulpmiddelen. Het gewicht van de militaire sector in alle landen slorpt alle levende krachten van de nationale economie op, met het oog op het ontwikkelen van een bewapening om tegen de andere naties te gebruiken. De totale greep van de militaire sector op de puntsectoren van de economie vertegenwoordigt een aanzienlijke sterilisatie van productieve krachten.
En het is ook daadwerkelijk zo, het kapitaal dat bestemd wordt voor de militaire productie wordt uit het productieproces weggezogen. Het is kapitaal dat vernietigd is: de geproduceerde wapens of goederen zijn ofwel voorbestemd om weg te roesten als ze niet opgebruikt worden, of gaan in de rook op in de vernietigende heksensabbat van de imperialistische botsing.
Bij de aanvang van het imperialisme, aan de dageraad van het verval, werd de oorlog beschouwd als middel ter herverdeling van de markten.
Maar als uitdrukking van het historisch bankroet van het kapitalistisch systeem, verliest de imperialistische oorlog steeds meer elke economische rationaliteit. Van bij het begin van het verval neemt de strategische dimensie de overhand op de strikt economische vraagstukken. Het gaat om het veroveren van geostrategische stellingen tegen alle andere imperialismes in, om de strijd voor de alleenheerschappij, met de bedoeling zich op te dringen als grootmacht en zijn rangorde te verdedigen. In deze periode van neergang van het kapitalisme vertegenwoordigt de oorlog steeds meer een economische en sociale ramp. Deze afwezigheid van economische rationaliteit van de oorlog betekent niet dat elk nationaal kapitaal er zich zou van onthouden om de productiekrachten van de tegenstander of de overwonnene te plunderen. Getuige hiervan is bijvoorbeeld de roofzucht van Frankrijk bij de demontage van fabrieken en de inbeslagname van gekwalificeerde arbeidskrachten in zijn bezettingszone in Duitsland na 1945. Maar deze ‘roof’ vormt niet langer het hoofddoel van de oorlog, in tegenstelling tot wat Lenin dacht.
Wanneer de USSR haar militaire macht gebruikte om dit brutale plunderregime op te leggen… aan haar eigen bondgenoten, om zich staande te houden in de imperialistische competitie met het westerse blok, dan lag dat aan het feit dat zij een bijzonder karikaturale vorm was van staatskapitalisme, gebrandmerkt door een diepe economische achterstand.
Op het einde van de twee wereldoorlogen, hebben twee overwinnende grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië een belangrijke terugval gekend van hun economie en hun militaire macht in de wereldarena. De Verenigde Staten bevestigen hun rang van eerste wereldmacht maar in een context waarin het wereldkapitalisme als een geheel zijn historisch bankroet ontsluiert.
De intrede in de fase van de ontbinding leidt tot het witheet worden van de tegenstellingen die vervat zitten in het verval. Voor alle landen betekent elk bijzonder conflict waarin zij betrokken zijn een aderlating die ruimschoots de voordelen overstijgt die ze er uit kunnen puren.
Zonder te spreken over de afslachtingen, hebben de oorlogen enkel massale vernietigingen tot resultaat. Ze laten de landen waar ze zich afspelen leeggebloed en in ruines achter en zullen nooit meer heropgebouwd worden. Maar geen enkele rekensom of verlies kan de staten er van weerhouden om hun imperialistische aanwezigheid in de wereld te verdedigen, van saboteren van de ambities van hun rivalen, of van het verhogen van hun militaire budgetten. Wel in tegendeel, ze worden meegesleurd in een irrationele spiraal vanuit economisch gezichtspunt en vanuit de kapitalistische rendabiliteit. De irrationaliteit van de bourgeoisie miskennen komt er op neer dat men de werkelijke dreiging onderschat van de pure en simpele vernietiging, die weegt op de toekomst van de mensheid.
Scott
Voetnoten
(1) Marx-Engels, Werke, deel 21, p. 361.
(2) Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme.
(3) Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19, p. 11.
(4) Rosa Luxemburg, Anti-kritiek. In De accumulatie van het kapitaal toont ze aan dat de totaliteit van de onttrokken meerwaarde van de uitbuiting van de arbeidersklasse niet kan gerealiseerd worden binnen de kapitalistische sociale verhoudingen, want de arbeiders wier lonen lager zijn dan de waarde die gecreëerd wordt door hun arbeidskracht, kunnen niet alle waren kopen die zij produceren. De kapitalistische klasse kan niet alle meerwaarde consumeren, aangezien een deel ervan moet dienen voor de uitgebreide productie van het kapitaal en moet geruild worden. Het kapitalisme is dus, van globaal gezichtspunt constant gedwongen om op zoek te gaan naar kopers van zijn waren buiten de kapitalistische sociale verhoudingen.
(5) Het probleem van de oorlog door Jehan, 1935, geciteerd in Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19.
(6) Rapport op de conferentie van juli 1945 van de Gauche Communiste de France.
Bij alle grotere conflicten die de planeet sinds het verdwijnen van de blokken in vuur en vlam gezet hebben waren de voornaamste mogendheden van het voormalige Westers Blok betrokken. Er werd ons een beeld voorgeschoteld van een hechte eenheid tussen die landen, op politiek vlak zowel in militaire operaties ten dienste van de verdediging van het internationaal recht, van de mensenrechten, van de strijd tegen het ‘internationaal terrorisme’. Toen de huidige Iraakse crisis bijna een jaar geleden opdook, ontdekt de wereld met verbijstering hoe sterk de onenigheid is die nu zo brutaal aan het licht komt tussen die landen. Allianties die als een historisch gegeven beschouwd werden, zoals die tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, worden verbroken. We zien ook de ontwikkeling van anti-Amerikaanse of anti-Franse xenofobe campagnes, die door de media in dienst van de staat georganiseerd worden, en die herinneringen oproepen aan de vreselijkste momenten uit de geschiedenis van de twintigste eeuw.
In feite waren de tegenstellingen tussen de grootmachten al aanwezig voor de huidige crisis, maar ze zijn aanzienlijk verscherpt tot op het punt waarop de huichelachtige schijn wegvalt die de oorlogen respectabel leek te maken. Het wordt voor de bourgeoisie moeilijk nog langer te verzwijgen “wie de ware vijand van wie is”, maar haar oorlogszuchtige propaganda kan niet langer verbergen wat de werkelijke inzet van de oorlog is: de controle over essentiële strategische posities in de krachtsverhouding tussen de mogendheden.
De voornaamste imperialistische gangsters zijn het niet eens over de manier waarop ze de wereld gaan verdelen, en voor de peetvader, de sterkste onder hen, de Verenigde Staten, kan er natuurlijk geen sprake van zijn hun wereldheerschappij met anderen te delen.
Eigenlijk heeft gedurende heel de twintigste eeuw de kwestie van de verdeling van de wereld tussen de verschillende imperialisten, de machtigste bijgestaan door de minder sterke, aan de oorsprong gelegen van alle bondgenootschappen, van de blokken, van beide wereldoorlogen en van de lokale oorlogen die uitgevochten zijn gedurende de drie decennia van de Koude Oorlog.
Gedurende heel de periode van de Koude Oorlog waren de imperialistische spanningen gepolariseerd rond de confrontatie tussen beide imperialistische blokken, dat van het oosten en dat van het westen. Maar ze verdwijnen niet met het wegvallen van de blokken, integendeel. De complete en steeds duidelijker economische impasse van de kapitalistische productiewijze kan de oorlogstegenstellingen tussen de naties alleen maar steeds meer aanwakkeren.
Zeer snel na de ontbinding van het Westerse Blok organiseerden de Verenigde Straten de Golfoorlog. Ze lieten Saddam Hussein geloven dat hij Koeweit kon binnenvallen zonder gevaar op vergelding en schiepen zo de gelegenheid, onder het voorwendsel Koeweit te bevrijden in naam van de verdediging van het internationaal recht, tot militair machtsvertoon op een schaal die ongezien was sinds de Tweede Wereldoorlog. De voormalige bondgenoten van de Verenigde Staten binnen het Westers Blok hadden geen andere keuze, als ze hun rang in de imperialistische wereldarena wilden behouden, dan zich te onderwerpen door aan die eerste Golfoorlog deel te nemen of hem te helpen financieren. Zich er van bewust dat ze in die oorlog werden meegesleept tegen hun eigen belangen in, toonden de meeste van die landen, op Groot-Brittannië na, weinig interesse om zich achter het standpunt van de Verenigde Staten te scharen en zich aan te sluiten bij hun oorlogsinspanning. In dat verband zagen we verscheidene pogingen, vooral van Frankrijk en Duitsland, om door aparte onderhandelingen in naam van de bevrijding van gijzelaars de Amerikaanse politiek in de Golf te torpederen.
Deze oorlog legde een realiteit bloot die sindsdien alleen maar bevestigd is: het totale onvermogen van de Europese staten om een onafhankelijke gemeenschappelijke buitenlandse politiek te voeren die op termijn de politieke voorwaarden zou kunnen scheppen voor de oprichting van een Europees blok geleid door Duitsland. Hij illustreerde ook een feit dat sindsdien allen maar bevestigd is, namelijk dat de eerste wereldmogendheid voortdurend in het offensief moet zijn, zijn verpletterende militaire overwicht moet inzetten om zijn wereldleiderschap te behouden tegenover het verzet daartegen, vooral van de voormalige geallieerden van het Westers Blok.
De huidige Iraakse crisis laat zien dat die mogendheden belangrijke stappen hebben gezet om hun eigen imperialistische belangen te waarborgen.
Maar enkele maanden na de Golfoorlog van 1991 toonde het begin van de confrontaties in Joegoslavië het feit dat diezelfde mogendheden, met name Duitsland, vastbesloten waren hun imperialistische belangen te doen gelden ten koste van die van de Verenigde Staten.
Om toegang tot de Middellandse Zee te verkrijgen moedigde Duitsland de afscheiding aan van Slovenië en Kroatië, de noordelijke republieken uit Joegoslavië. Zo opende het een doos van Pandora van de Balkan die opnieuw een haard van conflicten werd tussen de imperialistische mogendheden in Europa. De andere Europese staten en de Verenigde Staten, die tegen dit Duitse offensief gekant waren, hebben inderdaad direct, of indirect door hun passiviteit, Servië en zijn milities aangemoedigd de ‘etnische zuivering’ te ontketenen in naam van de verdediging van de minderheden.
Door de verdere verslechtering van de toestand in de wereld konden de Verenigde Staten duidelijk maken dat de Europese Unie machteloos stond tegenover een situatie waarbij ze toch als eerste betrokken was, en dat er verdeeldheid heerste in de rangen van de Unie, ook tussen de “beste bondgenoten” van dat moment, Frankrijk en Duitsland. Ze slaagden er echter niet in het voortschrijden van sommige imperialismes te bedwingen, vooral van de Duitse bourgeoisie, die er over het algemeen in slaagde haar doelen in voormalig Joegoslavië te bereiken. De spectaculairste uiting van die autoriteitscrisis van de politieagent van de wereld werd vanaf 1994 gevormd door de breuk in het historisch verbond met Groot-Brittannië, op initiatief van dit laatste land. Na 1989 toonde de Britse bourgeoisie zich aanvankelijk de trouwste bondgenoot van de Amerikaanse, met name op het moment van de Golfoorlog. Maar die trouw had haar weinig opgeleverd. Verder vroeg de verdediging van haar eigen belangen in de Middellandse zee en de Balkan om een pro-Servische politiek. Dat leidde tot aanzienlijke meningsverschillen met hun bondgenoot en tot het systematisch saboteren van de Amerikaanse politiek van steun aan Bosnië. In die situatie slaagde de Britse bourgeoisie erin een stevige tactische alliantie op te bouwen met de Franse bourgeoisie.
Dat was natuurlijk een zware tegenslag voor de eerste wereldmacht omdat dit enkel de tendens van talrijke landen in alle continenten kon aanmoedigen om voordeel te slaan uit de herverdeling van de wereld om zich te ontworstelen aan de ijzeren greep waarin Uncle Sam hen tientallen jaren lang gehouden had. Om die verzwakking van hun positie tegen te gaan ontwikkelden de Verenigde Staten toen hun activiteiten rond Bosnië, nadat ze in de loop van 1992 tweemaal hun militaire macht vertoond hadden :
Met betrekking tot de oorlog van 1991 hebben de Verenigde Staten slechts met veel moeite een akkoord tot stand weten te brengen (de derde partij van de coalitie, Frankrijk, beperkte er zich toe verkenningsvliegtuigen te sturen).
Het vervolg van de oorlog in Joegoslavië werd tot de zomer van 1995 geïllustreerd door het voortdurende onvermogen van de Verenigde Staten op dit belangrijke terrein van imperialistische confrontaties. Toch komt Washington vanaf de zomer van 1995 weer krachtig opzetten in dit gebied, onder de vlag van de IFOR die de Unprofor moest opvolgen, die gedurende meerdere jaren het instrument was van de overwegende aanwezigheid van de Frans-Britse tandem. De zege die finaal door de Verenigde Staten met de akkoorden van Dayton in 1996 behaald werd betekende geen definitieve overwinning in dit deel van de wereld, noch het stopzetten van de algemene tendens tot verlies van leiderschap als eerste wereldmacht. Inderdaad, die tendens manifesteerde zich al snel bij twee gelegenheden:
De Verenigde Staten kregen het initiatief in 1999 weer in handen in ex-Joegoslavië door hun bondgenoten geen andere keus te laten dan die van een oorlog tegen het nieuwe uitverkoren doelwit, Milosevic. De oorlog was uitgebroken in Kosovo, bij deze gelegenheid in het kader van de NAVO gevoerd, vormt de belangrijkste gebeurtenis op het imperialistisch wereldtoneel sinds de ineenstorting van het Oostblok eind jaren 1980. Hij speelt zich niet af in een land van de periferie, zoals het geval was met de Golfoorlog van 1991, maar in een Europees land, met NAVO-bombardementen op Servië, Kosovo en Montenegro. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog wordt een Europees land, en met name zijn hoofdstad, massaal gebombardeerd. Het was ook voor het eerst sinds die tijd dat de voornaamste verliezer van die oorlog, Duitsland, rechtstreeks met de wapens tussenkwam in een militair conflict.
Voor de andere mogendheden die in de oorlog betrokken raakten, met name Groot-Brittannië en Frankrijk, bestond er een tegenstelling tussen hun traditionele bondgenootschap met Servië, die nog duidelijk gebleken was in de periode van de voormalige Unprofor die geleidwerd door deze mogendheden, en deze operatie in het kader van de NAVO. Toch zou niet deelnemen aan de operatie Determined Force betekenen dat ze uitgesloten werden uit het spel in een zo belangrijke regio als de Balkan. De rol die ze zouden kunnen spelen in de diplomatieke oplossing van de Joegoslavische crisis werd bepaald door het belang van hun deelname aan de militaire operaties.
In april 2002 schreven we: “de ‘oorlog tegen het terrorisme’ betekent veel meer dan een eenvoudige herhaling van de voorafgaande tussenkomsten van de Verenigde Staten in de Golf en de Balkan. Hij vertegenwoordigt een kwalitatieve versnelling in de ontbinding en de barbarij:
Een dergelijke stap vooruit van de Verenigde Staten zou niet mogelijk geweest zijn zonder de aanslagen van 11 september 2001, die de Amerikaanse geheime diensten klaarblijkelijk niet hebben proberen te verijdelen terwijl ze op de hoogte waren van de voorbereiding ervan. De slachtoffers van de Twin Towers waren inderdaad tegenover de wereld de ideologische rechtvaardiging die nodig was om de ontplooiing van de Amerikaanse militaire aanwezigheid op de planeet te rechtvaardigen. Op binnenlands vlak waren zij ook een middel dat het Vietnamsyndroom moest elimineren, dat wil zeggen het verzet onder de Amerikaanse arbeidersklasse om zich regelrecht op te offeren voor imperialistische avonturen van de Verenigde Staten.
“Heel deze situatie bevat de mogelijkheid van een ontwikkelingsspiraal die aan elke controle ontsnapt en die de Verenigde Staten dwingt steeds meer tussen te komen om hun gezag op te leggen, maar waarbij telkens meer krachten paraat staan om te vechten voor hun eigen belangen en daarbij dat gezag te ondermijnen. Dat geldt zeker ook in het geval van de voornaamste rivalen van de Verenigde Staten.” (ibid.). En inderdaad, de ongekende escalatie door de Verenigde Staten om hun leiderschap te behouden gaat vergezeld van een al even ongezien verzet daartegen door dezelfde imperialistische rivalen.
De spanningen hebben een dergelijk niveau bereikt dat ze niet meer verborgen kunnen blijven. Er zijn geen grenzen aan de chaos die deze dynamiek kan veroorzaken. De planeet kan daardoor onherstelbare schade oplopen die het uiteindelijk onmogelijk maakt dat het kapitalisme overstegen wordt door een kommunistische maatschappij. Een dergelijk vooruitzicht omvat echter niet de mogelijkheid van een rechtstreekse militaire confrontatie tussen sommige van die mogendheden aan de ene kant en de Verenigde Staten aan de andere. “Gefrustreerd door hun militaire inferioriteit en door sociale en politieke factoren die een rechtstreekse confrontatie met de Verenigde Staten onmogelijk maken, zullen de andere grote mogendheden hun pogingen tot verzet tegen het gezag van de Verenigde Staten verdubbelen met de middelen die zij ter beschikking hebben: oorlogen via andere landen, diplomatieke intriges, enz.” (ibid.).
De sociale factor die al die mogendheden, de Verenigde Staten daarbij inbegrepen, gemeen hebben is het feit dat in elk van die landen een proletariaat bestaat dat niet klaar staat, op het niveau van zijn uitbuiting of wat betreft het offeren van zijn leven, om de gevolgen van een totale oorlog te dragen. In die zin vormt het proletariaat, ook in de zeer moeilijke situatie die het kent sinds het begin van de jaren 1990, een rem op de oorlog. Alleen het proletariaat vormt de enige hoop voor de mensheid, omdat het als enige in staat is om zich door zijn strijd in deze maatschappij in ontbinding te doen gelden als de kracht die draagster is van een alternatief voor de kapitalistische barbarij.
Luc / 22.03.2003
Tijdens onze tussenkomst in één van de ‘pacifistische’ manifestaties op 15 februari ontvingen we een pamflet met de standpuntbepaling van De kommunist van heden ten opzichte van de oorlogsdreiging in Irak en het Midden-Oosten. We begroeten deze standpuntbepaling warm als steun aan het internationalistische kamp. Meer dan de meningsverschillen die kunnen bestaan hechten we aan de gemeenschappelijke stellingname ten opzichte van het oorlogsgevaar vanuit het standpunt van de arbeidersklasse.
Wanneer wij enkele vraagstukken aanstippen die naar onze mening verdieping behoeven dan verandert dat niets aan het grote belang dat we aan deze internationalistische stellingname toekennen, en het is uit onze solidariteit als proletarisch internationalisten dat we proberen om de discussie vooruit te brengen.
Het is nu een onweerlegbaar feit dat het Westerse blok dat na het uitéénvallen van de Sovjet-Unie en het Oostblok al verscheurd was, zich op het moment definitief aan het opblazen is. De tegenstellingen tussen de grote imperialistische landen van Europa en het Amerikaanse imperialisme inzake de kwestie Irak zijn zodanig verscherpt dat men zonder enig voorbehoud z’n vuile was buiten hangt. Terwijl de Verenigde Staten van Amerika en Groot-Brittannië hun troepen in de Golfregio geconcentreerd hebben, verzetten andere landen zich tegen een invasie in Irak en zeker tegen de manier waarop de eerder genoemde landen het land willen innemen. Men spreekt openlijk in de burgerlijke kranten en op regeringsniveaus over bijvoorbeeld de Frans-Duitse As wat doet herinneren aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog, toen men over de geallieerden en Duitsland en z’n bondgenoten sprak. Op het ogenblik rekent België zich ook tot het Duits-Franse bondgenootschap binnen de Transatlantische Verdrag (NAVO) dat van de kant van Rusland eveneens ondersteuning krijgt. Door de geschillen en ruzies dreigt zelfs de Europese Unie uit elkaar te vallen. De bourgeoisie in Europa en tevens in ieder land afzonderlijk is verdeeld over de te volgen politiek van de Verenigde Staten. Landen zoals Zweden, Finland en Oostenrijk volgen min of meer de lijn van Duitsland dat onder geen beding een militaire interventie van de Verenigde Staten wil toestaan. Zelfs het merendeel van de acht (Oost- en West-) Europese landen die een tijd geleden hun ondersteuning betuigden aan Washington hebben voet bij stuk gehouden en nemen nu een afwachtende houding aan.Zelfs in de hogere kringen van de bourgeoisie in Nederland heeft men op z’n minst sterke twijfels over de politiek van de Verenigde Staten of heeft begrip voor de Duits-Franse houding. Zo maakt een ongekend anti Amerikanisme zich meester van Europa en andere delen van de wereld waaronder Japan, een van de drie belangrijke kapitalistische centra in de wereld dat ook te kennen gegeven heeft de kwestie Noord-Korea ‘vreedzaam’ te willen oplossen. Aan de andere kant zijn de Amerikaanse regering en haar trawanten aan de andere kant van de Oceaan bezig allen die zich tegen de Irak-politiek van het land verzet als afvalligen te beschouwen. In het Amerikaanse Congres spreken de Republikeinse afgevaardigde zich uit over een bestraffing van Duitsland en Frankrijk door de Amerikaanse troepen uit Duitsland terug te trekken of een importbeperking op te leggen aan Frankrijk vanwege hun rebellie en ‘ondankbaarheid’ jegens de Verenigde Staten. Desondanks doen de bourgeoisieën in zowel Amerika als in Europa als in Japan en China alsof het daadwerkelijk om Irak gaat. Maar zelfs uit hun propaganda en oorlogsretoriek is op te merken dat het niet alleen om Irak - om over Saddam helemaal te zwijgen - gaat. Uiteraard speelt Irak een rol van niet geringe betekenis in deze oorlogsretoriek. Irak is allang niet meer van plan om het vuile werk van het Amerikaanse imperialisme te verrichten. Aan de andere kanten zijn andere kapitalistische landen, vooral Frankrijk en Duitsland, doorgegaan met het bewapenen van Irak en onderhouden banden met het regime aldaar. Het Midden-Oosten - waaronder Irak - is een plaats voor de kapitalistische landen om hun tegenstellingen en ruzies uit te vechten. Maar nu hebben deze tegenstellingen drastische vormen aangenomen. De Verenigde Staten willen koste wat kost hun hegemonie binnen het wereldkapitaal handhaven wat door andere kapitalistische machten ter discussie is gesteld. Bovendien willen de Verenigde Staten beslag leggen op de oliebronnen van Irak, niet omdat ze zo afhankelijk zijn van de olie uit Irak of het Midden-Oosten, maar omdat ze de olievoorraad van andere kapitalistische machten die veel meer afhankelijk zijn van de olie uit het Midden-Oosten in handen willen krijgen (De Verenigde Staten zijn slechts voor 15% afhankelijk van de import van olie). Bovendien beschikt het land over de omvangrijkste nucleaire energievoorziening op wereldschaal en is het van plan veel meer dan voorheen gebruik te maken van nucleaire in plaats van de fossiele energie). Dus dit kan nooit een oorlog zijn om alleen olie. Maar de bewegingen en activiteiten van het Amerikaanse imperialisme in onder andere Venezuela dat eveneens één van de grote exporteurs van olie is, laten zien dat het land een breed plan heeft om beslag te leggen op de olievoorraden van de wereld ten einde z’n hegemonie op de leggen aan andere kapitalistische machten en centra waarvan één deel zich openlijk rondom Duitsland verzamelt op weg naar een blokvorming die de Verenigde het hoofd moet bieden. De Verenigde Staten moeten op hun beurt één van de strategisch belangrijke plaatsen in de wereld, namelijk het Midden-Oosten, totaal onder hun militaire en politieke hegemonie te krijgen ten einde Europa en zeker Duitsland, Frankrijk en andere kapitalistische machten in een defensieve positie te drijven. Het innemen van Irak is zonder meer een brug slaan om deze plannen te realiseren. De bereidheid van Duitsland en Frankrijk om het regime van Saddam Hoessein op te geven zou niets anders betekenen dan het snijden in eigen vlees en het toegeven aan de plannen van de Verenigde Staten. Het is nu duidelijk dat vele andere kapitalistische landen nu meer dan ooit inzien wat dit daadwerkelijk betekent. Vandaar de enorme toename van het anti-Amerikanisme. Als de Verenigde Staten erin slagen Irak in te nemen dan is de weg vrij om ook in Iran na 25 jaar een pro-Amerikaanse regime te installeren en zodoende heel het Midden Oosten naar hun hand te zetten, en dat houdt in dat Amerika in Irak, Turkije, Iran, Afghanistan, Saoedi-Arabië, Koeweit en de Golfstaten militair aanwezig zal zijn, om niet te spreken over Israël als belangrijke bondgenoot of satelliet van Amerika waar de laatste sowieso militair aanwezig kan zijn. Pas daarna is de weg voor de Verenigde Staten vrij om verder op te rukken naar het Noorden en Oosten om rondom Rusland en China een militair arsenaal op te bouwen ten einde Europa en Japan helemaal te omsingelen. Toen G.W. Bush één jaar geleden drie landen te weten Irak, Iran en Noord-Korea in één adem als de as van het kwaad noemde bedoelde hij niet alleen deze landen op zich maar ook de imperialistische machten en centra die deze drie landen bewapenden, dan wel er sterke banden mee onderhielden, te weten Duitsland, Frankrijk, Rusland en China.
Uiteraard zitten de concurrenten van het Amerikaanse imperialisme niet te wachten totdat deze z’n plannen één voor één realiseert. Daarom is de oorlog in Irak het begin van een totale confrontatie tussen de kapitalistische machten. Een toegeven van Duitsland en Frankrijk aan de Verenigde Staten zou op dit moment een strategische nederlaag betekenen voor beide landen plus de landen die op dezelfde lijn zitten. Al met al is de NAVO gespleten en hetzelfde lot dreigt voor de Europese Unie.
Maar deze oorlog zal met of zonder de toestemming van de Verenigde Naties geen gemakkelijke opgave zijn voor de Verenigde Staten. De vijandigheid tussen de kapitalistische machten zal een explosief punt bereiken tot de oorlogsverklaring aan toe. Aan de andere kant zullen de terroristische activiteiten toenemen. Volgens de voorspellingen van de Verenigde Naties zelf zullen in de begindagen van de oorlog rond 500.000 mensen de dood vinden door de vreselijke bombardementen of het inzetten van de massavernietigingswapens dan wel door de ontberingen van de oorlog zoals honger en het op de vlucht slaan van miljoenen mensen die nergens onderdak zullen vinden. In deze oorlog zijn alle betrokkenen partijen kapitalistische barbaren. Degenen die alleen de Verenigde Staten als de agressor veroordelen strooien zand in de ogen van de arbeiders overal ter wereld waaronder de Iraakse arbeiders. Iemand die in deze oorlog partij kiest behoort ongetwijfeld tot het kapitalistische kamp. Deze oorlog kan nooit gestopt worden door het immoreel verklaren ervan en het verheerlijken van pacifisme, of door zich te scharen achter ‘minder gevaarlijke imperialisten’ of organisaties zoals de Verenigde Naties die geheel en al instrumenten zijn in de handen van de kapitalistische machten. Deze oorlog kan alleen door een sterke kommunistische beweging gestopt worden. Wij schuiven het kommunistisch alternatief niet naar voren omdat er nu een oorlog dreigt die heel de planeet in as kan leggen en kan leiden tot de vernietiging van de mensheid. Uiteraard is een kommunistisch antwoord op het moment acuter dan welk ander moment ook. Iets meer dan een decennium geleden bevonden de machthebbers van de landen die nu tegenover elkaar staan zich in een anti-kommunistische roes. De enige reden achter dit anti-kommunisme was inderdaad niets anders dan imperialistische tegenstellingen tussen het Westerse en get Oostblok en China. Maar desondanks is de anti-kommunistische campagne en propaganda van de bourgeoisie niet van de baan. Eén van de taken van het kommunistische milieu bestaat eruit deze anti-kommunistische propaganda van de bourgeoisie ongedaan te maken. In de komende tijd zullen de verkopers van de arbeidskracht - dat wil zeggen de moderne slaven - meer dan ooit gedwongen worden om zich te richten op het kommunisme, namelijk de vrijheid en de rechtvaardigheid, tegen het kapitalisme en de loonslavernij en daarmee alle soorten oorlog en barbarij zullen afschaffen.
Ze zullen ook zondermeer spontaan in actie komen tegen de klasse die bezig is de mensheid uit te roeien. Ze horen niet alleen stakingen te organiseren, de havens plat te leggen die oorlogsmateriaal naar de oorlogsgebieden verschepen, ze moeten ook hun arbeidersraden in het leven roepen die het kapitaal, ongeacht privé of staatseigendom, onteigenen en de productie en distributie in eigen handen nemen. Het organiseren van demonstraties en comité’s tegen de oorlog onder de werkelijke anti-oorlogleuzen is tevens een belangrijk middel tegen de plannen van de bourgeoisie die de arbeiders met ideologische propaganda naar het front stuurt en ‘thuis’ oorlog voert tegen de levensvoorwaarden van de arbeiders.
Verhef je stem tegen de vernietigende imperialistische oorlog!
Een werkelijke klassenoorlog tegen de oorlog!arbeidersraden, kommunisme, vrijheid!
De kommunist van heden
Sinds 1990 hebben de wereldwijde confrontatie tussen twee imperialistische blokken en de dreiging van een Derde Wereldoorlog plaats gemaakt voor een veel chaotischer ontwikkeling van regionale oorlogen, waarbij de tendens tot imperialistische blokvorming wordt tegengegaan wordt door de tendens van het ‘ieder voor zich’. De as Frankrijk-Duitsland is dan ook vooral een anti-Amerikaanse gelegenheidscoalitie tussen twee bourgeoisieën die voor het overige historische erfvijanden vormen, en waarbij de verschillende protagonisten ieder geheel eigen imperialistische doelen nastreven. Maar wanneer een Derde Wereldoorlog als directe confrontatie tussen twee gevormde blokken dan ook niet in het verschiet ligt, dan betekent dat niet dat de situatie daardoor minder ernstig zou zijn. Een vermenigvuldiging van locale oorlogen kan dezelfde uitwerking hebben als een wereldoorlog.
Ook is het zeker dat het proletariaat de enige rem vormt op de gang naar oorlog. Het wereldproletariaat heeft kunnen voorkomen dat de Derde Wereldoorlog uitbrak ten tijde van het bestaan van twee imperialistische blokken. Wanneer het proletariaat zekere grenzen stelt die de bourgeoisie niet kan overschrijden zonder heftige reacties van de arbeidersklasse te riskeren, dan mogen we nog niet verwachten dat het proletariaat in de huidige situatie deze locale oorlog kan voorkomen. Omgekeerd draagt de oorlogsdreiging wel bij de tot onvrede en bewustwording binnen de arbeidersklasse, vooral wanneer de open recessie andermaal grote offers vraagt op het altaar van de verdediging van de nationale economie waar al de offers voor de oorlogsinspanningen nog eens bovenop komen.
De arbeidersklasse is de draagster van de toekomst van de mensheid door haar ervaring en het historisch alternatief dat ze te bieden heeft.
De IKS heeft een openbare bijeenkomst gehouden in Moskou om onze brochure over het verval van het kapitalisme te presenteren die onlangs in het Russisch is verschenen.
Deze bijeenkomst en ook de publicatie van de brochure, zijn de uitdrukking van het verschijnen van een revolutionair milieu in Rusland, waaraan de IKS al talrijke artikels gewijd heeft (zie bijvoorbeeld Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 111).
Het inzicht dat het kapitalisme bij het begin van de 20e eeuw aan zijn vervalperiode begonnen is, was altijd al een cruciale kwestie voor de marxistische revolutionairen. Dit inzicht was de hoeksteen van de Juniusbrochure van Rosa Luxemburg, waarin ze schreef: “[De] noodzaak [van het socialisme] is volop gerechtvaardigd vanaf het moment waarop de andere, de heerschappij van de burgerlijke klasse, ophoudt draagster te zijn van historische vooruitgang en zij een keurslijf en een gevaar wordt voor de verdere ontwikkeling van de maatschappij. Dat is precies wat de huidige oorlog duidelijk maakt over de kapitalistische orde.” (Rosa Luxemburg, De crisis van de sociaal-democratie, februari-april 1915)
Verder voegt ze eraan toe: “Die triomfmars gedurende dewelke het kapitalisme zich met alle middelen een brutale weg baant, met geweld, met plundering en wandaden, heeft ook een lumineuze kant: ze schept de voorwaarden die nodig zijn voor zijn eigen definitieve verdwijnen; ze heeft de wereldwijde heerschappij van het kapitalisme ingesteld die alleen opgevolgd kan worden door de wereldrevolutie van het socialisme.” (ibid.)
Op basis van die methode maakt Rosa Luxemburg een historische analyse van de nationale kwestie: “De imperialistische politiek is niet het werk van één land of één groep landen. Hij is het product van de wereldwijde evolutie van het kapitalisme op een gegeven moment in zijn rijping. Het verschijnsel is internationaal van aard, een onscheidbaar geheel. Alleen vanuit dat oogpunt kan men in de huidige oorlog op juiste wijze de kwestie van de ‘nationale verdediging’ evalueren.” (ibid.)
Diezelfde methode werd door andere marxistische revolutionairen gebruikt op het ogenblik van het uitbreken van de eerste imperialistische oorlog. De IIIe Internationale paste haar in 1919 ook toe om het begrip te ontwikkelen van het ‘tijdperk van oorlogen en revoluties’.
Dezelfde methode wordt ook door de IKS gebruikt in haar brochure over het verval van het kapitalisme.
Het doel van de voorstelling door de IKS op de publieke bijeenkomst in Moskou was te tonen dat het begrip verval gisteren en vandaag de hoeksteen is van de kommunistische standpunten. Enkel vanuit dit gezichtspunt is het mogelijk de verandering van historische omstandigheden te begrijpen die onvermijdelijk de standpunten van de kommunisten beïnvloedt over de nationale kwestie, over de vakbondskwestie, over die van het parlementarisme, over de algemene voorwaarden van de strijd van de arbeiders, over de rol van de revolutionaire minderheden enz.
Maar hoewel het inzicht in het verval de hoeksteen is van de kommunistische standpunten vandaag, werd het niet altijd gedeeld door alle groepen en elementen van het proletarisch politiek milieu (de bordigistische en de radenistische groepen hebben altijd de neiging gehad het begrip verval te verwerpen).
We maken ook vandaag een tendens mee binnen het proletarisch politiek milieu om het begrip verval te verlaten - de recente verklaringen van het IBRP over dat onderwerp zijn zeer betekenisvol. Niet te verwonderen dus dat diezelfde vragen ook opduiken in het Russisch milieu. Wij hebben er al over gesproken in Revue Internationale, Engels-, Frans en Spaanstalige uitgaven, nr. 111, in antwoord op de Marxist Labour Party (MLP) en de Internationale Kommunistische Unie.
Hoewel die twijfels over het verval niet duidelijk tot uiting kwamen in de loop van de bijeenkomst, drukte een aantal vragen die gesteld werden en standpunten die ingenomen werden, in het bijzonder over de nationale kwestie en de kwestie van de oorlog, een gebrek uit inzake het begrip verval, en als dat begrip al begrepen leek te worden, dan werd het niet gesitueerd aan het begin van de 20e eeuw, zoals Rosa Luxemburg deed (alsook de IKS), maar eerder op het einde van die eeuw, met de ‘globalisering’ en het verschijnen van de computers.
Na de inleiding vanwege de IKS werd een vraag gesteld over het verschil tussen het standpunt van Lenin, het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, en het begrip verval. Ons antwoord was dat er in die rijd verschillen bestonden tussen Rosa Luxemburg, Lenin en Boekarin, maar dat ze allen van een proletarisch standpunt vertrokken. Rosa Luxemburg was het duidelijkst en toonde het onderliggend verband tussen de tendens tot overproductie en het imperialistische zoeken naar nieuwe markten en investeringsgebieden.
Boekarin was in staat, in zijn werk Imperialisme en wereldeconomie, de ontwikkeling te tonen van het staatskapitalisme en de gevolgen daarvan. Rosa Luxemburg en Boekarin pasten dezelfde basismethode toe: het kapitalisme als een geheel beschouwen en er de meest globale implicaties uit afleiden voor de proletarische beweging: “Net zoals het onmogelijk is het moderne kapitalisme en zijn imperialistische politiek te begrijpen zonder de tendensen van het kapitalistisch wereldsysteem te ontleden, zo is het onmogelijk de fundamentele evolutie van de proletarische beweging te begrijpen zonder het wereldkapitalisme te analyseren.” (N. Boekarin, Imperialisme en wereldeconomie, Merlin Press 1976, p. 161)
Een aantal deelnemers aan de bijeenkomst verklaarde nog altijd akkoord te zijn met de stellingen van Lenin over het ‘recht op nationale zelfbeschikking’ (anders gezegd het zelfbeschikkingsrecht der volkeren). De IKS toonde aan de hand van de voorbeelden van China, Turkije en Finland hoe het foute karakter van de standpunten van Lenin over de nationale kwestie geleid heeft tot moordpartijen op het proletariaat, hoewel het Stalin was die om heel andere redenen die politiek in China doorvoerde.
Het voorbeeld van Finland, één van de zeldzame landen die door de Oktoberrevolutie ‘bevrijd’ werden, is interessant. Finland de nationale onafhankelijkheid toestaan heeft als enig resultaat gehad dat de democratische illusies in de Finse arbeidersbeweging vergroot werden, en dat dus de voorbereiding van het Finse proletariaat op de onvermijdelijke revolutionaire confrontatie met zijn bourgeoisie uitgesteld werd. We moeten ook opmerken dat de Finse bourgeoisie, zodra ze van het tsaristisch juk bevrijd was, zich in de armen geworpen heeft van het Duitse imperialisme om de revolutie te kunnen verpletteren die in Finland op til was. De repressie was uiterst brutaal en het congres van de Kommunistische Internationale dat erop volgde keurde een resolutie goed die de witte terreur van de bourgeoisie veroordeelde.
Een andere belangrijke kwestie werd ook behandeld: Het standpunt van de Kommunistische Linkerzijde over de democratie.
De IKS ontwikkelde de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde over eenheidsfronten, over de imperialistische aard van de Tweede Wereldoorlog, over de valstrik die de democratie betekende in Spanje 1936, en in het algemeen over het valse alternatief fascisme/antifascisme. Het spreekt vanzelf dat er grote verwarring bestaat over die kwesties in het Russisch milieu, in het bijzonder over de aard van de Tweede Wereldoorlog, waar de stalinistische mythe van de ‘grote vaderlandslievende oorlog’ nog altijd invloed uitoefent. Enkele kameraden verdedigden het idee van een oorlog ‘tegen de barbarij’ of ‘om de beschaving te verdedigen’. Tegenover die illusies hebben de kameraden van de Groep van proletarisch-collectivistische revolutionairen (GPCR) en de Revolutionaire anarcho-syndicalistische groep (RAS) uit Moskou net als de IKS een strenge kritiek uitgebracht op die subtiele verdediging van de Tweede Wereldoorlog en hebben ze duidelijk gesteld dat dit een imperialistische oorlog was.
Het debat werd bijzonder levendig toen de kwestie aangeroerd werd van de oorlog in Tsjetsjenië. Deelnemers aan de bijeenkomst bleken deel te nemen aan bewegingen van humanitaire hulp aan de Tsjetsjeense bevolking. Eén van de argumenten was dat dit een middel was om toenadering te zoeken tot de Tsjetsjeense arbeiders, om bij hen ‘gehoor’ te vinden. Een idee die vaak terugkeerde was “wat kunnen we vandaag concreet doen?” Daarop hebben de kameraden van de GPCR en de RAS, en de IKS, herhaaldelijk geantwoord. Ze spraken zich niet uit tegen de uiting van menselijke solidariteit als dusdanig, maar benadrukten de illusie die erin bestaat te geloven dat het een middel kan zijn in de revolutionaire strijd. Om te beginnen schept het kapitalisme voortdurend meer ellende en barbaarsheid en alle humanitaire hulp van de wereld kan daaraan niet verhelpen. Verder bestaat de enige doeltreffende hulp aan de Tsjetsjeense arbeiders en het geheel van de bevolking uit de ontwikkeling van de strijd van de Russische arbeiders tegen hun eigen bourgeoisie, met het uiteindelijke doel de macht te grijpen in Rusland en in de gehele wereld om zo een einde te maken aan de imperialistische slachtingen. Zoals Lenin zei is het nodig “de imperialistische oorlog om te vormen tot een burgeroorlog”.
Het gaat om een illusie die wijdverbreid is onder talloze elementen van dit milieu, die een internationalistisch standpunt willen innemen tegenover de oorlog, maar dat afzwakken door de humanitaire hulp als een strijdmiddel te gebruiken, en daarmee dat standpunt over de imperialistische aard van de oorlog in Tsjetsjenië afzwakken. Het is een uitdrukking van opportunisme, een tendens om te capituleren voor de onmiddellijke feiten, om op zoek te gaan naar valse overwinningen en onmiddellijke oplossingen voor problemen die alleen op historisch wereldvlak kunnen opgelost worden.
De bijeenkomst in Moskou duurde lang en was bijzonder geanimeerd, en toonde zo de belangstelling en de militante houding en de inzet bij de elementen die opduiken in Rusland, en die de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde willen vatten.
Maar het is ook een zeer heterogeen en versnipperd milieu, dat aan enorme moeilijkheden het hoofd moet bieden, zowel materieel als ideologisch, en dat geconfronteerd wordt met het gewicht van de stalinistische contrarevolutie en dat van de huidige periode van ontbinding. Het is belangrijk dat een netwerk gevormd wordt om systematisch de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde te verspreiden binnen dat milieu en om het te verdedigen, teneinde zijn versnippering en zijn zwakheden te overwinnen.
De taken waar dit milieu nu voor staat zijn van aanzienlijk belang. Het verschijnen van dit milieu is een bevestiging van de internationale tendens naar de ontwikkeling van nieuwe revolutionaire krachten, maar is van bijzonder belang omdat het gebeurt in een land dat de wieg was van de eerste internationale revolutionaire golf.
Anders / 01.11.2002
Andermaal valt het Midden-Oosten ten prooi aan verschrikkingen. Net als zijn vader in 1991 belooft George Bush een ‘schone oorlog’. We weten wat dergelijke beloften waard zijn. Andermaal daalt er een bommenregen neer op Irak. En terwijl de ‘beschaafde’ machten dood en verderf zaaien onder een al uitgehongerde bevolking, wordt er een zondvloed van leugens uitgestort over de rest van de wereld om deze oorlog te rechtvaardigen, of om ieder werkelijk verzet daartegen van de wijs te brengen en te verdraaien.
Er wordt ons voorgehouden dat dit een oorlog is om massavernietigingswapens te ontmantelen. Maar het is een oorlog die gevoerd wordt door middel van massavernietigingswapens en één van de doelen ervan bestaat er juist uit te laten zien hoe massaal en vernietigend de wapens van de Verenigde Staten zijn, om zo een ieder die zich zou willen verzetten tegen hun wereldheerschappij de moed te laten verliezen. Bovendien zijn het de Verenigde Staten en Groot-Brittannië die Saddam in de jaren 1980 chemische wapens leverden; zij hielpen bij de inzet ervan in de oorlog Iran-Irak van 1980-1988, en zij lieten niets van zich horen toen Saddam in maart 1988 de Koerdische bevolking van Halabji vergastte.
Er wordt ons voorgehouden dat dit een oorlog is tegen het terrorisme. Maar alle staten - en niet slechts zwakke staten als Afghanistan of bijna-staten als de PLO - gebruiken het terrorisme als oorlogsinstrument. Groot-Brittannië maakt in Ulster al lang gebruik van zijn loyalistische bendes om het vuile werk te laten opknappen. Bin Laden, de vijand bij uitstek van de Verenigde Staten, werd opgeleid door de CIA om in Afghanistan oorlog te voeren tegen Rusland. Spanje, de huidige bondgenoot van de twee anderen, gebruikte de doodseskaders van de GAL om terroristen van de ETA zonder vorm van proces te elimineren. Erger nog, deze staten die heel de wereld de les willen lezen over het terroristische gevaar aarzelden niet om terroristische aanslagen tegen hun eigen bevolking uit te buiten om te mobiliseren ter ondersteuning van de oorlog. De bewijzen stapelen zich op dat de Amerikaanse staat, hoewel die lang van tevoren op de hoogte was van de plannen van Al Qaida om aanslagen te plegen op Amerikaanse bodem, niets deed om die te voorkomen.
Deze leugens worden iedere dag duidelijker. Maar de landen en de politici die verklaren ‘tegen de oorlog’ te zijn verspreiden nog veel gevaarlijker leugens.
Er wordt ons voorgehouden dat deze oorlog niet gerechtvaardigd is omdat hij niet is goedgekeurd door de Verenigde Naties. Maar in 1991 was de oorlog, die een bloedbad aanrichtte van honderdduizenden Irakiërs en die Saddam de vrije hand liet om ieder te vermoorden die tegen hem in opstand kwam, een ‘wettige’ oorlog met goedkeuring van de Verenigde Naties. De Verenigde Naties verdedigt helemaal geen soort van internationale justitie; het is een rovershol waar smerige intriges worden uitgebroed en waar de rivaliteiten tussen de grootmachten worden uitgespeeld.
Chirac, Schröder en Poetin hebben nu de gore moed om zichzelf aan te prijzen als ‘vredesstichters’. Maar de pacifistische taal van de anti-Amerikaanse ‘alliantie’ bestaat uit pure oplichterij: juist op dit moment voert Frankrijk - dat al de hoofdverantwoordelijke was voor de bewapening van de doodseskaders in Rwanda - een militaire interventie uit in Ivoorkust om zijn eigen imperialistische belangen te verdedigen. Duitsland veroorzaakte op zijn beurt een tienjarige oorlog in de Balkan door zijn steun aan de afscheiding van Kroatië en Slovenië van het voormalig Joegoslavië, om zijn invloed uit te breiden in het Middellandse Zee-gebied en in het Midden-Oosten. Wat Rusland betreft, zijn troepen blijven Tsjetsjenië verwoesten en de bevolking uitmoorden.
De landen die probeerden de oorlogsplannen van de Verenigde Staten te dwarsbomen deden dat om hun eigen nationale en imperialistische redenen. Zij weten dat het ware doel van ‘de oorlog tegen het terrorisme’ niet door Saddam of Bin Laden wordt gevormd, maar door henzelf.
De Verenigde Staten maken geen geheim van hun imperialistische strategie als geheel. Sinds de ineenstorting van het Russische blok, aan het einde van de jaren 1980, waren ze vastbesloten om hun verpletterende militaire overwicht in te zetten om de opkomst van iedere andere supermacht of coalitie die de concurrentie kon aangaan te voorkomen. Dat was het werkelijke doel van al de grote militaire acties die de Verenigde Staten sinds 1991 uitvoerden - de Golfoorlog in 1991, die van Kosovo in 1999, van Afghanistan in 2001. Tevergeefs. Elk van die acties dreef de andere machten, groot en klein, er steeds meer toe hun autoriteit aan te vechten. Daardoor voeren de Verenigde Staten hun strategie op nog groter schaal uit. Momenteel willen ze directe controle verwerven over Centraal-Azië en het Midden-Oosten, en hun actieterrein uitbreiden tot in het Verre Oosten. Geconfronteerd met het gebrek aan discipline van hun belangrijkste rivalen - met name Frankrijk en Duitsland - zijn zij uit op niet minder dan de omsingeling van Europa, en hun controle over de olie van het Midden-Oosten te gebruiken als wapen tegen de Europese machten en tegen Japan. Duitsland en de anderen zijn in het defensief maar daarom niet minder actief in dit grote imperialistische spel.
De kapitalistische staten gedragen zich niet zodanig omdat ze slechte of domme leiders zouden hebben, maar omdat sinds 1914 en de Eerste Wereldoorlog de wereldwijde uitbreiding van het kapitalisme globalisering van de oorlog betekent. Toen ze de heerschappij over de planeet verdeeld hadden konden de verschillende nationale machten zich niet meer vreedzaam uitbreiden zonder de hand te leggen op de markten en grondstoffen van hun rivalen. Tegenwoordig zijn alle staten imperialistisch en al de oorlogen van de twintigste en éénentwintigste eeuw imperialistische oorlogen - met inbegrip van de zogenaamde anti-fascistische oorlog van 1939-1945; met inbegrip van de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsoorlogen’; en met inbegrip van de ‘heilige oorlog’ zoals gepreekt door Bin Laden & Co.
Het kapitalisme kan niet meer leven zonder oorlog. Dat bewijst dat het sinds lang een belemmering is voor de menselijke vooruitgang. Dat het bestaan ervan zelfs de overleving van de mensheid bedreigt.
In februari kwamen miljoenen mensen op straat om deel te nemen aan manifestaties die werden uitgeroepen tot middel om ‘de oorlog te stoppen’. Maar de oorlog brak toch uit. Niet de veto’s in de Verenigde Naties, noch een beroep op mooie idealen zoals democratie en vrede, voorkwamen dat de oorlog voortwalst.
Honderd jaar van imperialistische conflicten hebben laten zien dat het pacifisme nooit kan voorkomen dat het kapitalisme oorlog voert. Het is juist altijd gebruikt om het oorlogsterrein voor te bereiden door het verspreiden van gevaarlijke illusies:- illusies over de vreedzame bedoelingen van sommige kapitalistische landen, van sommige kapitalistische partijen of van de Verenigde Naties;- illusies dat men zich tegen de oorlog zou kunnen verzetten met vreedzame en wettige middelen;- illusies dat ‘democratie’ een tegengif zou vormen voor de oorlogsneigingen, dat de ‘volkswil’ leiders zou kunnen afhouden van oorlogvoeren;- illusies dat vrede in de wereld ooit mogelijk zou zijn zonder zich van het kapitalistische systeem te ontdoen.
Het enige wat deze illusies kunnen ontwapenen is ieder werkelijk verzet tegenover de onherroepelijke oorlogsneigingen van het kapitalisme. En daarom worden ze aangemoedigd door al politieke krachten van de heersende klasse en vooral door de zogenaamd ‘linkse’ partijen, van sociaal-democraten tot stalinisten en trotskisten.
Alleen een beweging die geen enkel nationaal belang te verdedigen heeft - een internationale beweging van de arbeidersklasse - kan zich verzetten tegen de oorlog tussen kapitalistische naties.
In alle oorlogen betaalt de uitgebuite meerderheid de hoogste prijs, of het nu gaat om soldaten of burgers, aan het front of als producenten en consumenten aan wie gevraagd wordt harder te werken en minder te eten in het nationale belang.
Maar de arbeidersklasse is niet alleen passief slachtoffer van de oorlog. Het waren de massastakingen, de muiterijen van 1917-1918 en de revolutionaire strijd van de arbeiders die een einde maakten aan de Eerste Wereldoorlog; pas toen de revolutionaire golf uiteen was geslagen kon het kapitalisme zich storten op zijn tweede wereldslachting. En toen de arbeidersklasse weer op het toneel van de wereldgeschiedenis verscheen aan het einde van de jaren 1960 versperde haar verzet tegenover de crisis van het kapitalisme de weg naar een derde wereldoorlog. De belangrijkste reden van de vorm die de imperialistische conflicten nu aannemen - die van ‘politie’-acties tegen zondebokken als Saddam - ligt juist daarin, dat het kapitalisme nu niet in staat is de arbeidersklasse mee te slepen in een open conflict tussen de grote imperialistische machten.
De arbeidersklasse kan de confrontatie met het systeem dat ons uitbuit niet uit de weg gaan. De reden waarom het kapitalisme wegvlucht in de oorlog - zijn onvermogen om economische welvaart te brengen - leidt tot onophoudelijke aanvallen op het levenspeil van de arbeidersklasse door opgedreven uitbuiting, werkloosheid en afbouw van alle sociale bijstand. De gang naar de oorlog zal deze aanvallen nog verscherpen en zal steeds groter offers vragen van de uitgebuiten. Daardoor vormt de noodzakelijke en onvermijdelijke strijd tegen de gevolgen van de economische crisis tevens strijd tegen de oorlog.
De strijd van de arbeidersklasse kan momenteel slechts defensief zijn. Maar ze bevat de kiemen van een offensieve, revolutionaire strijd, van een klassenoorlog tegen het geheel van het kapitalistische systeem. Alleen deze strijd kan de kapitalistische oorlogsmachinerie vernietigen en de mensheid naar een wereldgemeenschap voeren die de imperialistische oorlogen en de nationale grenzen op de vuilnishoop van de geschiedenis gooit.
20 maart 2003, Internationale Kommunistische Stroming
Dit vlugschrift wordt verspreid in de volgende landen: de Verenigde Staten, Mexico, Venezuela Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië, Spanje, Nederland, België, Zweden, India, Australië, Rusland.
Tijdens de oorlog in Irak heeft De Fabel van de Illegaal, tegen heel het linkse milieu in, een internationalistisch standpunt gehandhaafd. In een eerder artikel stelden we vast dat de medewerkers van De Fabel zich verstrikten in de tegenspraken van de groep. “De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.” Omdat deze keuze uit de weg is gegaan kon De Fabel haar tere internationalisme alleen handhaven door de dilemma’s ervan nog uit te vergroten. In haar verwerping van de Golfoorlog en haar kritiek op de pacifistische campagnes lezen we:
“Door de huidige oorlog in Irak is de machtstegenstelling tussen de VS en de EU duidelijker aan het licht gekomen. Veel anti-oorlogsdemonstranten, maar ook heel veel andere Europeanen, menen helaas dat de VS machtsbeluster en militaristischer zijn dan het volgens hen veel vredelievender Europa. President Bush wordt door steeds meer mensen als het allergrootste kwaad gezien. Maar wat gebeurt er nu in Irak? De VS en Groot-Brittannië willen zich met geweld toegang verschaffen tot de Iraakse olie en in dat land hun mannetje neerzetten die er hun ‘orde’ gaat handhaven. ‘Vredelievende’ landen als Duitsland en Frankrijk hebben al toegang tot die olie en gebruiken zetbaas Saddam Hoessein om een groot deel van de plaatselijke bevolking er met geweld onder te houden. Die hoefden dus helemaal geen oorlog te voeren. Alle betrokken staten streven dus hun eigen machtsbelangen en economische doelen na ten koste van de Irakezen. En zowel de voorafgaande gewelddadige orde als de huidige oorlog zijn dus gruwelijk en misdadig. Wat dat betreft is eenzijdige kritiek op de VS dus anti-Amerikaans en kan de slogan "No blood for oil" dus evenzeer tegen Europese regeringen gescandeerd worden. Kortom, Europees kapitaal en Europese staten handelen niet vanuit een hogere moraal dan de VS. Ook Europese staten sturen immers regelmatig troepen naar ‘Derde Wereld’-landen om er hun ‘orde’ te herstellen. Dat het daarbij meestal niet om zulke grootschalige conflicten gaat, komt uitsluitend doordat men daartoe in Europa de macht nog niet heeft. Maar daar wordt helaas hard aan gewerkt.”.
De pacifistische campagnes vormden een poging om onder allerlei voorwendsels te mobiliseren voor één van de kampen in de oorlog door een afzonderlijke schuldige aan te wijzen. Het pacifisme heeft nooit oorlogen tegengehouden, maar juist geholpen ze voor te bereiden door de bevolking voor valse keuzen te stellen, en dan vooral de arbeidersklasse die als enige sociale kracht in staat is om de oorlogsneigingen van het kapitalisme af te remmen. De Fabel keert zich weliswaar tegen belangrijke aspecten van de pacifistische campagnes, maar blijft daarin toch ronddraaien bij gebrek aan een proletarisch alternatief. Die dubbelzinnige houding ligt in het verlengde van haar politiek ten opzichte van de anti-globaliserings-beweging: een aanvankelijke breuk die vervolgens werd weggepoetst als louter “afstand nemen”.
Tijdens de oorlog in Irak heeft De Fabel van de Illegaal, tegen heel het linkse milieu in, een internationalistisch standpunt gehandhaafd. In een eerder artikel stelden we vast dat de medewerkers van De Fabel zich verstrikten in de tegenspraken van de groep. “De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.” Omdat deze keuze uit de weg is gegaan kon De Fabel haar tere internationalisme alleen handhaven door de dilemma’s ervan nog uit te vergroten. In haar verwerping van de Golfoorlog en haar kritiek op de pacifistische campagnes lezen we:
“Door de huidige oorlog in Irak is de machtstegenstelling tussen de VS en de EU duidelijker aan het licht gekomen. Veel anti-oorlogsdemonstranten, maar ook heel veel andere Europeanen, menen helaas dat de VS machtsbeluster en militaristischer zijn dan het volgens hen veel vredelievender Europa. President Bush wordt door steeds meer mensen als het allergrootste kwaad gezien. Maar wat gebeurt er nu in Irak? De VS en Groot-Brittannië willen zich met geweld toegang verschaffen tot de Iraakse olie en in dat land hun mannetje neerzetten die er hun ‘orde’ gaat handhaven. ‘Vredelievende’ landen als Duitsland en Frankrijk hebben al toegang tot die olie en gebruiken zetbaas Saddam Hoessein om een groot deel van de plaatselijke bevolking er met geweld onder te houden. Die hoefden dus helemaal geen oorlog te voeren. Alle betrokken staten streven dus hun eigen machtsbelangen en economische doelen na ten koste van de Irakezen. En zowel de voorafgaande gewelddadige orde als de huidige oorlog zijn dus gruwelijk en misdadig. Wat dat betreft is eenzijdige kritiek op de VS dus anti-Amerikaans en kan de slogan ‘No blood for oil’ dus evenzeer tegen Europese regeringen gescandeerd worden. Kortom, Europees kapitaal en Europese staten handelen niet vanuit een hogere moraal dan de VS. Ook Europese staten sturen immers regelmatig troepen naar ‘Derde Wereld’-landen om er hun ‘orde’ te herstellen. Dat het daarbij meestal niet om zulke grootschalige conflicten gaat, komt uitsluitend doordat men daartoe in Europa de macht nog niet heeft. Maar daar wordt helaas hard aan gewerkt.” (1).
De pacifistische campagnes vormden een poging om onder allerlei voorwendsels te mobiliseren voor één van de kampen in de oorlog door een afzonderlijke schuldige aan te wijzen. Het pacifisme heeft nooit oorlogen tegengehouden, maar juist geholpen ze voor te bereiden door de bevolking voor valse keuzen te stellen (2), en dan vooral de arbeidersklasse, die als enige sociale kracht in staat is om de oorlogsneigingen van het kapitalisme af te remmen. De Fabel keert zich weliswaar tegen belangrijke aspecten van de pacifistische campagnes, maar blijft daarin toch ronddraaien bij gebrek aan een proletarisch alternatief. Die dubbelzinnige houding ligt in het verlengde van haar politiek ten opzichte van de anti-globaliserings-beweging: een aanvankelijke breuk die vervolgens werd weggepoetst als louter “afstand nemen” (3).
Anders dan De Fabel lijkt te denken, ging de oorlog niet over oliewinsten of louter over macht in het Midden-Oosten. Het is een veel breder strategisch imperialistisch vraagstuk: de Verenigde Staten proberen de Frans-Duitse As te ondergraven, en ze proberen om Duitsland, dat als enige uit zou kunnen groeien tot het nieuwe hoofd van een concurrerend imperialistisch blok, te omsingelen en te isoleren (4). Ze proberen hun wereldhegemonie te verzekeren door een gigantische militaire machtsontplooiing en zo een gruwelijk voorbeeld te stellen voor iedereen die het aandurft om die hegemonie in vraag te stellen. Vandaar bijvoorbeeld de pogingen om het “Nieuwe Europa” uit te spelen tegen het “Oude” en het belang dat de Verenigde Staten hebben bij een “vrede” in het Midden-Oosten onder eigen bescherming in maffia-stijl. Duitsland en Frankrijk proberen niet alleen de eigen imperialistische invloedssfeer in het Midden-Oosten te vergroten maar willen vooral ook het internationale gezag van de Verenigde Staten ondergraven (5).
De Fabel blijft steken in de simpele vaststelling dat de oorlog “gruwelijk en misdadig” is, dat wil zeggen moreel verwerpelijk in abstracto wegens achterliggende economische en regionale machtsbelangen, maar zonder de ware imperialistische doeleinden van alle partijen volledig te ontmaskeren en vooral zonder dat de volledige inzet ten opzichte van de verhouding van klassenkrachten wordt blootgelegd.
Het belangrijkste resultaat van de imperialistische spanningen bestaat echter uit groeiende chaos en instabiliteit, waarvan ditmaal de Iraakse bevolking het directe slachtoffer is, maar waardoor de hele mensheid in gevaar wordt gebracht. Wie ook het overwicht heeft, het resultaat bestaat uit een toename van slachtpartijen. Tegelijkertijd gaat het voor de Amerikaanse zowel als voor de Europese mogendheden om een volgende stap ter mobilisatie van de arbeidersklasse voor hun imperialistische oorlogsdoeleinden. Wanneer de Verenigde Staten zich leugenachtig beriepen op het “anti-terrorisme” en het “gevaar van de massa-vernietigingswapens”, dan gingen Duitsland en Frankrijk zich te buiten aan huichelarij over “vrede” en “internationaal recht”. Het was vooral uit angst voor de arbeidersklasse dat de imperialistische doeleinden door alle partijen werden verborgen achter “humanitaire” en “democratische” leuzen.
De stellingname tegenover de oorlog werd, op het moment dat deze in alle hevigheid woedde, bij De Fabel al teruggebracht tot niet meer dan een voetnoot. In afzonderlijke artikelen beperkt zij zich nog verder door vooral in te gaan tegen twee afzonderlijke tendensen binnen de pacifistische campagnes: het anti-Amerikanisme en het anti-semitisme. Het loutere feit dat die getolereerd werden verraadde afdoende de ware aard van de pacifistische campagnes. Maar bij De Fabel wordt een dergelijke conclusie nu juist niet getrokken; er wordt eerder aansluiting gezocht bij de “meest democratische” en “minst xenofobische” delen van burgerlijk links. Achter de veroordeling van het anti-semitisme gaat bij De Fabel bovendien een ‘kritische’ verdediging schuil van de imperialistische staat Israël (6), en daarachter sluimert voortdurend de neiging om de politiek van de Verenigde Staten uiteindelijk tóch goed te praten. Wanneer de oorlogspolitiek van Bush bijvoorbeeld wordt veroordeeld, dan blijven de uitspraken over het Amerikaanse imperialisme in het algemeen karig en vaag (7).
Wanneer De Fabel de wortels van het anti-semitisme onderzoekt, dan staat de arbeidersbeweging, waarnaar voor het overige zo min mogelijk wordt verwezen, plotseling in het middelpunt van de belangstelling (8). Daarbinnen wordt er echter weinig gezocht naar de invloed van de opportunistische stromingen. Weinig is er ook over het stalinisme, dat sprak uit naam van de arbeidersklasse en het marxisme, maar dat juist haar ergste vijand was. Nee, er wordt gezocht bij marxisten, bij Karl Marx zelf, bij Rosa Luxemburg en Franz Mehring, de ware internationalisten bij wie daarvan juist geen spoor is aan te treffen en die niet zelden zelf van joodse afkomst waren. We krijgen een lang kruisverhoor gepresenteerd met marxisten in de verdachtenbank. Dat laat de indruk na dat er, zelfs wanneer er uit het requisitoir blijkt dat er voor de beschuldiging geen redelijke grond bestaat, er toch reden blijft voor verdenking. Klassenstrijd en marxisme vormen het beste medicijn tegen de racistische en xenofobische ziekte, maar het is vooral tegenover de arbeidersklasse en de marxisten dat De Fabel de meeste achterdocht ontwikkelt en verspreidt.
Voorzover De Fabel begrip heeft van de arbeidersklasse dan is dat hooguit als uitgebuite klasse, als een willekeurige categorie tussen vele andere “slachtoffers van het systeem”, naast gevangenen, illegalen, etnische minderheidsgroepen, vrouwen in het algemeen en seksueel onderdrukten; die deels tot de arbeidersklasse kunnen behoren, maar die, los van de klassenstrijd, geen enkel perspectief hebben, laat staan voor de maatschappij als geheel. De Fabel werpt zichzelf op als verdediger van buitenaf van al deze “onderdrukte categorieën” en wil zichzelf vooral niet vereenzelvigen met de arbeidersklasse als productieve en revolutionaire klasse. Bij De Fabel gaat het dan ook niet om een “omwenteling van de productieverhoudingen op wereldschaal”, maar alleen om “sociale en bezitsverhoudingen” die echter direct van de maatschappelijke productie afhangen.
Het was ook de arbeidersklasse die door haar revolutionaire strijd een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog en die door haar voortdurende strijd voorkwam dat er een nucleaire Derde Wereldoorlog kon uitbreken tussen de twee voormalige imperialistische blokken. Zelfs wanneer de arbeidersklasse momenteel niet in staat is ook de lokale oorlogen te voorkomen dan geeft het toch grenzen aan die de bourgeoisie alleen met groot gevaar kan overschrijden en die haar vermogen tot mobilisatie ernstig beperken. De arbeidersklasse is de enige sociale kracht met materiële belangen tegenover de oorlogspolitiek. Het is in en door haar strijd tegen de verslechtering van haar levensomstandigheden (en de oorlog is een beslissende verslechtering) dat ze tot de ontwikkeling van een maatschappelijk alternatief wordt gedreven.
De Fabel vestigt haar hoop daarentegen op een bonte verzameling zogenaamd goedwillende “linkse” mensen die schijnbaar louter voor de gelegenheid en zonder duidelijke samenhang eenmalig op de been worden gebracht om van hun verontwaardiging blijk te geven. Maar het waren de linkse Schröder en de rechtse Chirac, die samen de pacifistische campagnes in Europa voorbereidden. Vervolgens durft De Fabel een ware klaagzang aan te heffen over het feit dat het anti-Amerikanisme als ideologie van “conservatieve kringen” in Europa in de demonstraties “helaas” zo’n hoge vlucht kon nemen, en dat zelfs het anti-semitisme niet werd geschuwd! Maar anti-Amerikanisme en anti-semitisme zijn van ouds ideologieën bij uitstek geweest ook van burgerlijk links, om de arbeidersklasse te mobiliseren in alle mogelijke slachtpartijen, aan de kant van zwakkere imperialistische machten en achter het voormalige Oostblok.
Enerzijds wil De Fabel geen partij kiezen in de oorlog, anderzijds laat ze zich, bij gebrek aan alternatief, meeslepen in campagnes waarin die oorlog juist wordt voorbereid. Eerder kwam zij tot de overweging dat de oorlog, die enerzijds verwerpelijk was, anderzijds nog collateraal voordeel zou kunnen afwerpen voor de bevolking in Irak. Dan hoeft het ook geen verbazing te wekken als zij terroristische middelen enerzijds verafschuwd, maar anderzijds de geschriften van de voormalige terroristische groep RaRa “inspirerend” noemt.
Het wantrouwen van De Fabel ten opzichte van arbeidersklasse en marxisme valt niet alleen meer te verklaren uit de invloed van de campagnes sinds de ineenstorting van het Oostblok over het “bankroet van het marxisme”, de “dood van het kommunisme” en het “verdwijnen van de arbeidersklasse”. We hebben doorlopend benadrukt dat het stalinisme, met inbegrip van al zijn xenofobische trekken, niets anders was dan een karikatuur van staatskapitalisme en we hebben De Fabel vruchteloos gevraagd daarover een mening te geven. Maar de medewerkers van De Fabel gaan kennelijk niet alleen ieder debat uit de weg, ze weigeren ook standpunt in te nemen ten opzichte van de klassen waaruit de kapitalistische maatschappij is samengesteld en hun eigen standpunten te begrijpen in klassentermen.
Zo kan het lijken alsof De Fabel geen historische wortels heeft en dat haar stellingnamen “origineel” of “nieuw” zijn. In werkelijk gaat het om standpunten die telkens weer opduiken als uitingen van een machteloze en in het nauw gebrachte revolterende kleinburgerij die niet kan kiezen tussen bourgeoisie en proletariaat, maar die wel heel hooghartig verkondigt “boven” de klassen te staan met een “hoger” moreel standpunt (9). Maar het is de kapitalistische productiewijze zèlf, gebaseerd op de loonslavernij, die zowel de imperialistische conflicten voortbrengt als de klassenstrijd die daaraan als enige een eind kan maken.
De enerzijds-anderzijds standpunten van De Fabel beperken zich bijgevolg ook voortdurend tot wat onmiddellijk waarneembaar is. Alle verschijnselen worden oppervlakkig begrepen zolang de historische en wereldwijde inzet duister blijft. Het zo kostbare internationalisme van De Fabel, zich niet ferm baserend op het maatschappelijk alternatief waarvan alleen de arbeidersklasse de draagster is, blijft daardoor abstract en steriel, zonder uitweg. Praktisch maakt De Fabel haar standpunten zo steeds afhankelijker van het moment, van de niet-begrepen krachtsverhouding tussen de klassen en tussen de imperialistische kampen, en blijven de medewerkers gevangen in een blind activisme waardoor ze voortdurend worden teruggedreven in de armen van burgerlijke links waaruit ze proberen te ontsnappen. Zo blijft het gevaar bestaan dat de “hogere”, “morele” stellingname tegenover de oorlog onder druk van de gebeurtenissen omslaat in de platste beginselloosheid. Voor mensen die daadwerkelijk op zoek zijn naar een consequent, proletarisch internationalisme blijft het daarom nodig te breken met de kleinburgerlijke dilemma’s en het debat aan te gaan
Manus / 11.07.2003
(1) De conservatieve wortels van het anti-Amerikanisme, De Fabel, nr. 58, mei-juni 2003.
(2) Zie over het pacifisme: Internationalisme, nr. 295 en 296.
(3) Zie Wereldrevolutie, nr. 98, en voor eerdere artikelen: Internationalisme, nr. 270, 274 en 289 en Wereldrevolutie, nr. 92 en 96.
(4) Zie over de argumenten waarin alles platvloers wordt teruggebracht tot een vraagstuk van onmiddellijk economisch gewin Internationalisme, nr. 295 en Wereldrevolutie, nr 98; voor een algemener analyse het Manifest dat we in 1991 uitgaven bij de ineenstorting van het Oostblok en de Resolutie over de internationale situatie elders in dit blad; zie ook het pamflet dat de IKS in zeventien talen wereldwijd en in grote aantallen verspreidde aan fabrieken, stempellokalen en op markten.
(5) Zie ook het artikel ‘Lutte ouvrière’ vervalst de ware aard van het imperialisme op p. 2.
(6) De Israëlische staat is gefundeerd op de illusie dat het de joodse bevolking bescherming zou bieden tegen het anti-semitisme terwijl het die bevolking juist gijzelt voor imperialistische doeleinden waarvan het zelf niet meer dan een speelbal is.
(7) We herinneren er slechts aan dat één van de campagnes in de Verenigde Staten zélf gevoerd werd onder de slogan: “Ware patriotten zijn tegen de oorlog!”.
(8) Anti-semitisme, een oude bekende van links, in De Fabel, nr. 58 en op de website de scriptie Marxisme, het joodse vraagstuk en het anti-semitisme. We hopen binnenkort uitvoeriger terug te komen op de vraagstukken van anti-semitisme en zionisme.
(9) Zie Karl Marx, De armoede van de filosofie.
In het eerste deel van dit artikel hebben we gezien dat het kommunisme niet alleen een oude droom was van de mensheid of een eenvoudig product van de menselijke wil, maar dat het zich aandient als de enige maatschappij die in staat is de tegenstellingen te overstijgen die de kapitalistische maatschappij verstikken. Na een formidabele ontwikkeling van de productiekrachten is het kapitalisme zijn vervalfase binnengetreden op het moment dat het de wereldmarkt veroverd had. Sindsdien is het kommunisme een materiële mogelijkheid geworden. De permanente barbarij, de twee wereldoorlogen en momenteel de ontbinding van de maatschappij zelf maken dat het kommunisme meer dan ooit noodzakelijk is: niet alleen voor de vooruitgang van de maatschappij maar ook en vooral voor haar overleven zelf. In tegenstelling ook tot de praatjes van diegenen die met groot vertoon de ‘dood van het kommunisme’ hebben aangekondigd met de ineenstorting van het stalinisme, een oud bastion van het kapitalisme in verval, is het onmogelijk het kapitalisme ‘aan te passen’ of te ‘hervormen’ om het ‘menselijker’ te maken. In dit tweede deel gaan we de opvattingen onderzoeken van diegenen die, ook al zijn ze het eens met een kritiek op het stalinisme, stellen dat in ieder geval de maatschappij zoals ze door Marx werd voorgesteld onmogelijk te verwezenlijken is, wat bewezen zou worden door het egoïsme, de machtswellust en ‘het ieder voor zich’, als werkelijke uitingen van een zogenaamde ‘menselijke aard’.
Deze ‘aard’ lijkt een beetje op de steen der wijzen waarnaar de alchemisten eeuwenlang op zoek waren. Tot op heden hebben alle studies over de ‘sociale constanten’ (zoals de sociologen dat zeggen), dat wil zeggen de kenmerken van het menselijk gedrag die geldig zijn in alle maatschappijtypes, vooral laten zien hoezeer de menselijke psychologie en gedragingen veranderlijk zijn en verbonden zijn aan het sociaal kader waarin elk individu zich ontwikkeld heeft. Als we in feite één fundamenteel kenmerk zouden moeten bepalen waarin zich deze ‘menselijke aard’ onderscheidt van die van de dieren, dan is het wel het enorme belang van het ‘aangeleerde’ ten opzichte van het ‘aangeborene’. Het is de beslissende rol die de opvoeding speelt, en dus de sociale omgeving voor de volwassen mensen.
“Een spin verricht werkzaamheden, die lijken op die van een wever; een bij doet door het bouwen van zijnhoningraat menig menselijke architect beschaamd staan. De slechtste architect onderscheid zich echter al direct van de beste bij doordat hij de cellen in zijn gedachten heeft gebouwd voordat hij ze in werkelijkheid vormde.” (Het Kapitaal, Deel 1, p. 116). De bij bezit op een genetisch geprogrammeerde wijze de kunst om perfecte zeshoeken te construeren, zoals de postduif haar nest kan vinden op 1000 km afstand. Daar staat tegenover dat de uiteindelijke vorm van het gebouw dat de architect gaat bedenken veel minder bepaald zal worden door welke erfelijkheid dan ook, maar door een hele reeks van elementen die hem geleverd worden door de maatschappij waarin hij leeft. Of het nu gaat om een gebouw waarvoor hij de opdracht heeft gekregen, de materialen en de gebruikte werktuigen, de productietechnieken van de verschillende beroepscategorieën die aan het project deelnemen, de wetenschappelijke kennis waaraan hij zich moet aanpassen, dit alles wordt bepaald door het sociale milieu.
Bij de aard van de gedragingen gaat het zoals bij de aard van de arbeidsproducten. Zo is de diefstal een misdaad, dat wil zeggen een verstoring van het functioneren van de maatschappij die, wanneer hij veralgemeend zou worden, catastrofale gevolgen zou hebben. Degene die steelt of die personen bedreigt of doodt, is een misdadiger, een wezen dat bijna unaniem beschouwd wordt als iemand die kwaad doet, als asociaal, en die men moet ‘beletten schade te berokkenen’ (tenzij hij het doet in het kader van de bestaande wetten, en in dat geval zal zijn handigheid om meerwaarde te persen uit de proletariërs aanvaard en dik beloond worden en zijn doeltreffendheid bij slachtpartijen van die proletariërs zal hem eretekens opleveren). Maar het gedrag ‘diefstal’ en de criminelen: ‘dieven’, ‘ontvoerders’ en ‘gemene moordenaars’ net als alles wat daarmee samenhangt: wetten, rechters, politieagenten, gevangenissen, politiefilms en ‘detective’-romans - zouden die bestaan als er niets te stelen viel, wanneer alle materiële goederen, vanwege de overvloed die mogelijk is door de ontwikkeling van de productiekrachten, vrijelijk ter beschikking zouden staan van alle leden van de maatschappij? Natuurlijk niet! En zo zouden we meer voorbeelden noemen die illustreren in hoeverre de gedragingen, houdingen, gevoelens en verhoudingen tussen de mensen worden bepaald door het sociale milieu.
Misantrope geesten zullen tegenwerpen dat, wanneer er asociale gedragingen bestaan, welke vorm die ook aannemen, dit te wijten is aan het feit dat er in het diepste van de ‘menselijke aard’ een soort anti-sociale houding, een agressiviteit tegenover de anderen, een ‘potentiële criminaliteit’ bestaat. En zij beweren: ‘Dikwijls steelt de dief niet uit materiële noodzaak’, ‘zuivere misdaad bestaat’, of nog sterker: ‘indien de nazi’s dergelijke verschrikkingen konden begaan, dan komt dat doordat de mens het kwade in zich draagt, dat zich openbaart zodra de voorwaarden hiervoor gunstig zijn’. Maar wat betekenen dergelijke tegenwerpingen anders dan het feit dat er geen ‘menselijke aard’ bestaat die op zichzelf ‘goed’ of ‘slecht’ is, maar wel een sociale mens wiens menigvuldige mogelijkheden zich anders manifesteren al naar gelang de voorwaarden waarin hij leeft. De statistieken spreken op dat vlak wel voor zich: is het de ‘menselijke aard’ die plots erger wordt tijdens de periodes van maatschappelijke crisis waarin men de criminaliteit en alle morbide gedragingen ziet toenemen? Is de ontwikkeling van ‘asociale’ houdingen bij een groeiend aantal individuen daarentegen niet eerder een uiting van een groeiende onaangepastheid van de bestaande maatschappij aan de menselijke behoeften, die wis en waarachtig sociaal zijn en waaraan niet langer kan voldaan worden in de schoot van wat juist steeds minder een maatschappij, een gemeenschap is?
Diezelfde misantropen of hun spitsbroeders baseren hun verwerping van de mogelijkheid van het kommunisme op grond van het volgende argument: “Jullie spreken over een maatschappij die zal voldoen aan de wezenlijke menselijke behoeftes, maar het eigendom, de macht over de anderen zijn juist wezenlijke menselijke behoeftes en het kommunisme, dat dit uitsluit, is werkelijk slecht gewapend om daaraan te voldoen. Het kommunisme is onmogelijk omdat de mens egoïstisch is”
In haar Inleiding tot de staatshuishoudkunde (1) beschrijft Rosa Luxemburg de opschudding onder de Engelse bourgeois die bij de verovering van India volkeren ontdekten die de privé-eigendom niet kenden. Ze troostten zich met de gedachte door te beweren dat het ‘wilden’ waren. Maar diegenen zelf die tijdens heel hun opvoeding geleerd hadden dat de privé-eigendom ‘natuurlijk’ was, voelden zich wel verveeld toen ze vaststelden dat het de ‘wilden’ waren die juist de meest ‘kunstmatige’ levenswijze hadden. In feite had de mensheid “zo’n schromelijk gebrek aan privé eigendom” dat ze het meer dan een miljoen jaar zonder kon stellen. En in heel wat omstandigheden is het met behulp van afslachtingen, zoals bij de Indiërs die aangehaald worden door Rosa Luxemburg, dat men deze mensen die ‘natuurlijke behoefte’ heeft bijgebracht. Hetzelfde geldt voor de handel, deze ‘natuurlijke en unieke’ vorm van goederencirculatie, waarbij de kolonist gebruuskeerd was door het feit dat deze de oorspronkelijke bewoners volslagen onbekend was: onlosmakelijk verbonden met de privé-eigendom ontstaat de handel met hem en zal dan ook met hem verdwijnen.
Een vrij gangbaar idee is dat niemand nog zou produceren wanneer de winst niet langer bestond als een stimulans voor de productie en haar vooruitgang, wanneer het individueel loon niet bestond als tegenprestatie voor de inspanningen die geleverd worden door de arbeider. Inderdaad zou niemand nog op kapitalistische manier produceren, dat wil zeggen in een systeem gebaseerd op de winst en de loonarbeid, waarbij de minste wetenschappelijke ontdekking ‘rendabel’ moet zijn, waarbij de arbeid, haar tijdsduur, intensiteit, haar onmenselijke vorm tot een werkelijke vloek is geworden voor de grote meerderheid van de proletariërs. Heeft de wetenschapper die door zijn onderzoek deelneemt aan de vooruitgang van de techniek een ‘materiële stimulans’ nodig om te werken? In het algemeen wordt hij minder betaald dan het commerciële kaderlid, dat zelf geen enkele bijdrage levert aan de vooruitgang van de kennis. Is de handarbeid noodzakelijkerwijze onaangenaam? Vanwaar komt dan de uitdrukking ‘liefde voor het vak’ of de geestdrift voor het knutselen en allerhande handenarbeid die weer fors in trek zijn? In feite wordt de arbeid, wanneer zij niet vervreemd, absurd en afmattend is, en wanneer haar producten zich niet omvormen tot dwang die tegen de arbeiders gebruikt wordt, maar tot middelen om te voldoen aan de behoeften van de gemeenschap, allereerst een menselijke noodzaak, een van de wezenlijke vormen van de ontplooiing van de menselijke vermogens. In het kommunisme zullen de mensen produceren voor hun plezier.
Van het alomtegenwoordige bestaan van leiders en gezagsdragers leidt men af dat geen enkele maatschappij leiders kan missen, dat de mensen zich nooit kunnen ontdoen van het juk van een gezag of het uitoefenen ervan op anderen.
We komen hier niet terug op wat het marxisme al heeft gezegd over de rol van politieke instellingen, over de aard van de staatsmacht en dat kan worden samengevat in het idee dat het bestaan van een politiek gezag, een macht van bepaalde mensen over anderen het resultaat is van het bestaan van tegenstellingen en botsingen tussen groepen van individuen in de maatschappij (de sociale klassen) met tegenstrijdige belangen.
Een maatschappij waar mensen elkaars concurrenten zijn, waar hun belangen tegenover elkaar staan, waar de productieve arbeid een vloek is, waar de dwang permanent is, waar de meest elementaire menselijke behoeften met de voeten worden getreden door de grote meerderheid - zo’n maatschappij heeft uiteraard leiders nodig, zoals ze ook de politie en de godsdienst nodig heeft. Maar wanneer al deze ontsporingen afgeschaft zouden worden, dan zou wel blijken of ook die leiders nog wel nodig zijn. “Ja” antwoordt de misantroop, “de mens heeft een drang om de ander te overheersen. In om het even welke maatschappijvorm zal er macht van enkelen over anderen blijven bestaan.” Het is waar dat de slaaf die altijd geketend is geweest de indruk heeft dat hij zonder ketens niet zal kunnen gaan. Maar de vrije mens heeft nooit die opvatting. In de kommunistische maatschappij zullen de vrije mensen niet handelen zoals de kikkers uit de fabels van De La Fontaine, die de democratie beu waren en om een koning riepen. De drang van mensen om macht uit te oefenen over anderen is de aanvulling op wat men de ‘slavenmentaliteit’ zou kunnen noemen. Een treffend voorbeeld daarvan is het beeld van het leger met een domme en gedisciplineerde adjudant, die voortdurend tegen zijn eigen mannen loopt te brullen. In feite is het zo dat, als de mensen zo’n drang hebben om macht uit oefenen over anderen, ze erg weinig vat hebben op hun eigen leven en op het geheel van wat er reilt en zeilt in de maatschappij. De machtsdrang van elke mens staat in verhouding tot zijn werkelijke onmacht. In een maatschappij waar de mensen geen machteloze slaven zijn, noch van de natuurwetten, noch van de economische wetmatigheden, waar zij ‘meesters zonder slaven’ worden, hebben ze geen nood aan dat armzalige substituut die de heerschappij over andere mensen eigenlijk is.
Met de agressiviteit is het net zo gesteld als met de ‘machtshonger’. Tegenover een permanente agressie van een maatschappij die op haar kop staat, die een voortdurende beklemming opdringt en de eigen verlangens steeds verdringt, wordt het individu noodzakelijkerwijze agressief: het is de eenvoudige en bij de dieren alom gekende manifestatie van het instinct tot zelfbehoud. De psychologen beweren dat de agressiviteit een impuls is die eigen is aan alle soorten van het dierenrijk, die zich onder alle omstandigheden moet bevestigen. Zelfs als dit zou kloppen: wanneer de mensen de kans zouden grijpen om de materiële struikelblokken op te ruimen die een steeds grotere ontplooiing beletten, valt nog te bezien of er nog behoefte bestaat om agressie uit te oefenen tegenover andere mensen.
Het ‘ieder voor zich’ zou nog zo’n wezenlijk kenmerk zijn van de mens. Het is onmiskenbaar een kenmerk van de burgerlijke mens, van de ‘self made man’, van het ‘geslaagde individu’. Maar dit is slechts een ideologische uitdrukking van het kapitalisme en heeft niet van doen met de ‘menselijke aard’. Anders zouden we tot de conclusie moeten komen dat deze ‘menselijke aard’ zich radicaal omgevormd heeft sinds het primitieve kommunisme of sinds het feodalisme met zijn dorpsgemeenschappen. In feite doet het individualisme zijn massale intrede in de ideeënwereld wanneer de onafhankelijke kleine eigenaars opduiken op het platteland (afschaffing van lijfeigenschap) en in de stad. De kleine eigenaar die het er goed heeft afgebracht - voornamelijk door zijn buren te ruïneren - de bourgeois omarmt deze ideologie op fanatieke wijze en verleent haar de titel van ‘natuurlijke aard’. En hij heeft geen scrupules om van de theorie van Darwin een rechtvaardiging te maken van de ‘strijd om het bestaan’, van de ‘strijd van elk tegen allen’.
Maar met het opduiken van het proletariaat, de geassocieerde klasse bij uitstek, komt er sleet op de onbetwiste heerschappij van het individualisme. Voor de arbeidersklasse is de solidariteit in de eerste plaats een elementair middel om de verdediging van haar materiele belangen te verzekeren. Op dit punt van de redenering kan al geantwoord worden aan diegenen die beweren dat de “mens egoïstisch van aard is”: ook al is hij egoïstisch, hij is ook intelligent en de loutere wil om zijn goed begrepen eigenbelang te verdedigen stuwt hem in de richting van de vereniging en de solidariteit zodra de sociale voorwaarden dat toestaan. Maar dat is nog niet alles. Bij dit sociale wezen bij uitstek zijn de solidariteit en het altruïsme zowel in de ene als in de andere richting wezenlijke noodzakelijkheden. De mens heeft de solidariteit van anderen nodig, maar hij heeft er zelf ook behoefte aan om hen deze solidariteit te betuigen. En het is dat kleine beetje dat veelvuldig tot uiting komt in onze zo vervreemde maatschappij en dat op een eenvoudige en courante manier erkend wordt als “ieder heeft er behoefte aan om zich nuttig te voelen voorde ander.” Sommigen zullen zelfs beweren dat het altruïsme nog een vorm is van egoïsme aangezien diegene die het in praktijk brengt, zich in de eerste plaats zelf een genoegen verschaft. Het heeft weinig belang! Maar daar stuiten we op een andere formulering van het idee verdedigd door de kommunisten volgens wie er geen wezenlijke tegenstelling is tussen het individueel belang en het collectief belang. Een tegenstelling tussen individu en maatschappij manifesteert zich in de uitbuitingsmaatschappijen, in de maatschappijen die het privé-bezit kennen, waarvan de meesten uitgesloten zijn, en daar is ook niets onlogisch aan: hoe zou er harmonie kunnen zijn tussen de mensen die de onderdrukking ondergaan en de instellingen die deze onderdrukking in stand houden. In een dergelijke maatschappij kan het altruïsme zich slechts manifesteren als een vorm van liefdadigheid of onder vorm van zelfopoffering, dat wil zeggen als ontkenning van zichzelf en niet als een bevestiging, als een gemeenschappelijke en elkaar aanvullende ontplooiing van zichzelf en van de ander.
In tegenstelling tot wat de bourgeoisie wil doen geloven is het kommunisme dus geen ontkenning van de individualiteit: het is in het kapitalisme, waar de proletariër tot een aanhangsel van de machine wordt, dat een dergelijke ontkenning plaatsvindt. Zij wordt tot het uiterste doorgedreven in de bijzondere manifestatie van zijn verval, het staatskapitalisme. In het kommunisme, in deze maatschappij die ontlast is van deze vijand van de vrijheid bij uitstek, de staat, doordat het bestaan ervan overbodig geworden zal zijn, heerst het rijk van de vrijheid voor elk lid van de maatschappij. Aangezien de mens zijn veelvuldige mogelijkheden sociaal zal verwezenlijken en de tegenstelling tussen individueel en collectief belang zal verdwijnen, zal er een nieuw gebied opengaan voor de ontplooiing van elk individu. In plaats van de droefgeestige uniformiteit die door het kapitalisme wordt veralgemeend nog te benadrukken, zoals de bourgeois beweren, zal het kommunisme bij uitstek de maatschappij van verscheidenheid zijn, omdat het zal breken met de arbeidsdeling die ieder individu vastpint op zijn rol voor de rest van zijn leven. Vanaf dat moment zal elke nieuwe vooruitgang van de kennis of de techniek niet meer het resultaat zijn van een nog verder doorgedreven specialisatie, en zal deze de diversiteit waarin elk individu zich kan ontplooien steeds verder uitbreiden! Zoals Marx en Engels schreven: “Zodra immers de arbeidsverdeling ontstaat, heeft eenieder een bepaalde, exclusieve werkkring die hem wordt opgedrongen en waaraan hij niet kan ontsnappen. Hij is jager, visser, herder of kritische criticus en moet dit blijven als hij zijn middelen van bestaan niet kwijt wil raken; – terwijl in de kommunistische maatschappij, waarin niemand één exclusieve sfeer van werkzaamheid heeft, maar iedereen zich in welke richting hij maar wil kan bekwamen, de maatschappij de algemene productie regelt en mij juist daardoor de mogelijk geeft, vandaag dit en morgen dat te doen, ’s ochtends te jagen, ’s namiddags te vissen, ’s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten kritiek te beoefenen, al naargelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden.” (2).
Ja, en of het de bourgeois en alle sceptische en misantrope geesten bevalt of niet, het kommunisme is er voor de mens, de mens kan in het kommunisme leven en het zelf doen leven!
Er moet nog een derde argument onderzocht worden: “Ja, het kommunisme is noodzakelijk en materieel mogelijk! Ja, de mens zou kunnen leven in het kommunisme! Maar hij is vandaag zodanig vervreemd in de kapitalistische maatschappij dat hij nooit de kracht zal hebben om een reusachtige omwenteling als het kommunisme te verwezenlijken!” Dat is wat we in de volgende aflevering van dit artikel zullen onderzoeken.
Naar Révolution Internationale, nr. 62
(1) Einführung in die Nationalökonomie, manuscript, in Gesammelte Werke, deel 5, Dietz Verlag, Berlijn 1975.
(2) Die Deutsche Ideologie, I. Feuerbach, Marx-Engels Werke, Bd. 3, 1969, blz. 33; Nederlandse vertaling: SUN, Nijmegen 1974, p. 35.
De huidige recessie, die al inzette in het voorjaar van 2001, is nu al de langste en diepste sinds het begin van de historische crisis van het kapitalisme in de jaren 1960. Recessie betekent dat er een economische inkrimping plaatsvindt waarvan de meeste effecten voor de arbeidersklasse pas op de langere termijn aan de oppervlakte komen, wanneer de bourgeoisie al weer begint te praten over een ‘nieuwe opleving’. In 2001 daalden volgens de Unctad de buitenlandse investering bijvoorbeeld wereldwijd met 41%, en in 2002 nog eens met 21%; de gevolgen daarvan worden pas geleidelijk voelbaar en de grote klappen komen dan ook nog.
Sinds het tweede kwartaal van 2003 is ook Nederland ‘officieel’ (dat wil zeggen voor een aaneengesloten periode van zes maanden) in de recessie afgedaald. De groeicijfers zijn neerwaarts bijgesteld en wordt voor 2003 geraamd op 0%, terwijl de verwachting voor 2004 1% is. Voor de eurozone zijn de groeiramingen voor 2003 gedaald tot 0,5%. De werkloosheid in Nederland neemt in 2003 met 7% toe. Hoewel met de werkloosheidscijfers al twintig jaar gekneed en geknoeid is laat het zien dat ondanks telkens nieuwe ‘definities’ en ‘afschattingen’ de werkelijkheid niet blijvend verborgen kan worden: ‘per 100 loonstrookjes zijn er nu 73 uitkeringen’ (Volkskrant, 6.9.03), hoewel het werkloosheidspercentage officieel maar 3% is. Door een nieuwe noodverordening krijgt de regering zelfs de mogelijkheid om de uitkeringen bij zulke aantallen met onmiddellijke ingang te bevriezen.
Vandaar de 17 miljard euro aan ‘bezuinigingen’ die op de derde dinsdag van september zullen worden afgekondigd. Het vormt de grootste bezuinigingsgolf ooit in de Nederlandse geschiedenis en stelt zelfs de bezuinigingen van 1983-1986 (30 miljard... gulden) onder Lubbers in de schaduw.
Voor zieken en gehandicapten geldt voortaan dat zij pas ‘recht op voorzieningen’ krijgen wanneer ze aantonen dat ze geen hulp kunnen verwachten van familie of kennissen, waarmee ze feitelijk worden overgeleverd aan de willekeur van hun omgeving. En als die omgeving er niet is hebben ze ook geen enkele sociale bescherming meer tegen de willekeur van de overheid. Medicijnen, dokterskosten en zelfs rolstoelen en ander vervoer zullen steeds vaker zelf moeten worden betaald. Enkele honderdduizenden chronisch zieken leven al op de armoedegrens, een aantal dat volgens ramingen snel richting het half miljoen zal gaan. Iedereen die voor de economie niet productief is wordt door een kapitalisme in nood uiteindelijke moreel afgeschreven als louter een post op de kostenbalans.
Naast vele andere maatregelen mag in het onderwijs de studie tot vier dagen worden beperkt. De oorzaak ligt niet in het tekort aan onderwijzers en leerkrachten zoals wordt voorgegeven, maar in de welbewuste geleidelijke beperking van onderwijs en opleiding in dienst van een krimpende arbeidsmarkt. Daardoor worden de eisen opgedreven voor de weinigen met kans op slagen maar daalt de motivatie bij de rest van leerlingen zowel als bij de onderwijzers, gaat de kwaliteit naar beneden en nemen intern de spanningen toe. Het kapitalisme investeert slechts in een volgende generatie van de arbeidersklasse voorzover die kan worden uitgebuit terwijl het de rest liever dom houdt; vandaar dat ook de kinderbijslag naar beneden gaat.
Naast enorme bezuinigingen op gezondheidszorg en onderwijs zijn het vooral de ‘niet actieven’ die via de ‘sociale zekerheid’ frontaal worden aangevallen: enerzijds de werklozen, anderzijds al de anderen die uit het productieproces verdwijnen of verdwenen zijn, niet zozeer omdat ze het tempo en de nieuwe ontwikkelingen niet meer kunnen volgen, maar omdat alleen een steeds kleiner percentage van de meest-productieven nog kan worden uitgebuit en er voor de overigen in het geheel geen plaats meer is.
De terugkeer van het kabinet werd op 8 augustus meteen luister bijgezet door de maatregel om met onmiddellijke ingang de WW-vervolguitkering af te schaffen. Dat scheelt veertigduizend uitkeringen per jaar en moet tegen 2012 een half miljard euro gaan opleveren. Het betekent dat ‘uitkeringsgerechtigden’ na het verstrijken van de uitkeringsduur (zes maanden tot vijf jaar, afhankelijk van het arbeidsverleden) nog slechts ‘aanspraak’ kunnen maken op een bijstandsuitkering. De korte werkloosheidsuitkering voor wie niet aan alle criteria voldoet wordt eveneens afgeschaft: dat scheelt nog eens zestigduizend uitkeringen per jaar. Het afglijden naar de bijstandsarmoede is al sinds de jaren 1980 versneld door met name verlagingen van de percentages van loongerelateerde uitkeringen (bijvoorbeeld van 90% naar 70% voor de WW), door beperkingen van de uitkeringsduur, door verscherpte voorwaarden en een strenger sanctieregime. Nu komen daar maatregelen bovenop die een frontale aanval vormen op eenieder die niet voor het kapitalisme productief is in het arbeidsproces.
Arbeidsongeschikten tot 55 jaar raken binnen de vijf jaar hun huidige uitkering kwijt en worden desnoods tegen hun wil in allerlei baantjes gemanoeuvreerd (als die er zijn) of belanden anders veel eerder in WW of bijstand. Wie nog enigerlei arbeid kan verrichten geldt niet meer als arbeidsongeschikt (gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid verdwijnt), onafhankelijk van de vraag of er werk is in de sector van de betrokkene. Bij ontslag was het een ‘zachte’ methode om oudere werknemers (57,5 plussers) ‘risicoloos af te laten vloeien’, waarbij de WW-uitkering met een aanvulling werd ‘overbrugd’ tot aan de AOW. Nu is daarover de strijdkreet ‘misbruik door werkgevers’ aangeheven: het zou een door de staat gesubsidieerde ontslagprocedure zijn geweest. Dat neemt niet weg dat dit ‘misbruik”; nu ten koste van de werknemers wordt ‘bestreden’. Vervroegd gepensioneerden gaan extra belasting betalen over wat ze uit VUT-potjes ontvangen en de AOW-leeftijd gaat op termijn omhoog hoewel ouderen nog kanslozer op de arbeidsmarkt zijn dan de rest. Zo zullen de meesten van ons lang voor het einde van hun ‘normale’ loopbaan worden geconfronteerd met het risico van een aanmerkelijke inkomensdaling en het vooruitzicht van een snellere terugval in de bijstand na verlies van de arbeidsplaats. Het uitzicht op een van loonslavernij bevrijde ‘rustige oude dag’ wordt daardoor op zijn minst vertroebeld. We zullen eerder gedwongen zijn om na onze eventueel vervroegde pensionering of ontslag tot op hoge leeftijd een uitkering aan te vullen met klusjes. Want als we zien wat ons te wachten staat boven de vijftig jaar, dan kunnen we op onze klompen aanvoelen dat de AOW en de pensioenen niet ongemoeid blijven. Tegelijk verhogen al deze maatregelen de druk op de actieven omdat de chantage met ontslag er een extra scherpe kant door krijgt.
In de crisis van jaren 1930 schreef de Groep van Internationale Communisten al over de ‘vijftigjarige grijsaards’ die door het kapitalisme waren afgeschreven. De werkelijkheid nu is dat het boven de leeftijd van 35 al buitengewoon moeilijk, en voor velen onmogelijk is om nog werk te vinden. Om die werkloosheid te verbergen en de meerderheid van de werklozen uit de statistieken te houden schiep de bourgeoisie in de jaren 1970 verschillende categorieën van mensen die formeel niet als werkloos telden: vooral zeer grote aantallen vervroegd gepensioneerden en invaliden. Nu de eigenlijke werkloosheid opnieuw begint te stijgen wordt het probleem zo urgent dat de bourgeoisie nog directer dan in het verleden moet aanvallen: de ‘vergrijzing’ zou het noodzakelijk maken dat er juist langer moet worden doorgewerkt hoewel de arbeidsmarkt daarvoor ontbreekt; vervroegde pensionering en invaliditeit verdwijnen goeddeels als afzonderlijke categorieën.
Dit betekent dat de groep van formeel werklozen explosief zal gaan stijgen, maar nu met nog sterker verminderde ‘rechten’ op een uitkering. Voor allen geldt dat het afkalvende bestaansminimum veel eerder zal worden bereikt. Zo groeien we naar een situatie waarin er geen andere ontsnapping uit het arbeidsproces meer bestaat dan via werkloosheid of overlijden.
Voor de bijstandsuitkeringen zelf geldt dat er alleen nog aanspraak op kan worden gemaakt voorzover er geen eigen vermogen meer is (koophuis of spaargeld). Tegelijkertijd wordt de Bijstandswet met gezwinde spoed teruggebracht tot louter gemeentelijke bedeling. Door een ‘reorganisatie’, waarbij de rijksbijdrage drastisch wordt terugschroeft, gaat het beheer van de bijstandsarmoede vergaand over naar de gemeentelijke overheden. Dat wil de bourgeoisie cynisch verstaan hebben als het ‘sluitstuk van de sociale zekerheid’.
Dat alles is een uitdrukking van de impasse van het kapitalisme die aantoont dat al het gepraat over ‘armoedebestrijding’, ‘activerend arbeidsmarktbeleid’, ‘het vermijden van de armoedeval’, niets anders is dan schijnheilig bedrog, en dat het niets te maken heeft met een ‘linkse’ of een ‘rechtse’ regering. Via haar kabinet Balkenende II geeft heel de bourgeoisie het signaal dat ze vastberaden is om een keiharde bezuinigingspolitiek te voeren ten koste van de overgrote meerderheid van de bevolking en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Wanneer er dermate in de uitkeringen wordt gekapt van al wie niet productief is, dan volgen onvermijdelijk ook de lonen van wie nog werken. Bij de ambtenaren worden de lonen alvast bevroren terwijl de pensioenpremies omhoog gaan.
In de privé-sector is het niet beter. Bij Fortis bijvoorbeeld verdwijnen er 750 banen (14% vermindering); bij Wessanen, na de 300 van het jaar 2003, nu nog eens 500 tot 700; de scheepswerf Van der Giessen-De Noord sluit en ontslaat 400 arbeiders; Philips gaat wereldwijd één op de drie fabrieken sluiten; Albert Heijn en V&D ontslaan enkele duizenden. En zijn al ramingen van meer dan duizend ontslagen per week. Tegelijk verschijnen er mededelingen dat er in het midden- en kleinbedrijf vele tienduizenden banen op de tocht staan. Loonsvermindering van de ambtenaren zal de druk op de lonen in de privé-sector versterken, nog afgezien van de doorwerking in de produktie van de dalende consumentenvraag door algemene inkomensdalingen.
De vakbonden komen weer prominent in beeld en slaan een steeds radicaler taal aan die zoals altijd door ultra-links was voorbereid. De Internationale Socialisten waren er bijvoorbeeld in juni al als de kippen bij om alles terug te brengen tot een kwestie van protest tegen louter de ‘rechtse regering’. Na het ‘afbreken van het overleg’ met het kabinet door de FNV-er Lodewijk de Waal in augustus begon de ABVA-KABO in zekere zin zelfs het platform Keer het Tij links in te halen. De vakbeweging probeert zich weer op te werpen als strijdorganisatie van de arbeidersklasse waarbij er op een gegeven moment niet voor wordt geschroomd het woord ‘nationale staking’ in de mond te nemen en het idee van een massale demonstratie, zoals van die van 20 september, af te doen als ‘stoom afblazen’ (1).
Met een PvdA die zich koest houdt - Wouter Bos ontkent nooit dat hij het met de grote lijnen van de bezuinigingen eens is - wint de SP natuurlijk aan populariteit als de ‘échte oppositiepartij’. Van het rechtse populisme van Pim Fortuyn slaat het zo enkel om naar het linkse populisme van Jan Marijnissen, en het scenario lijkt veel op dat van het begin van de jaren tachtig: ‘Links verdeelt, rechts slaat toe’.
Maar een groot verschil met de bezuinigingsgolven van begin jaren tachtig bestaat er uit dat er toen nog veel meer strijdbaarheid en een veel breder klassenbewustzijn bestond. Nu staan we pas aan het begin van een nieuwe ontwikkeling daarvan na vele jaren van teruggang. Vandaar dat al de romantiek met de verwijzingen naar de tijd Lubbers en Van der Schreur (radicale taal waarachter de strijdsabotage door de vakbeweging schuilging) een valse is. Toen was de taakverdeling tussen regering, werkgeversorganisaties en ‘radicale’ vakbonden hard nodig om de strijdbaarheid onder controle te houden, waartoe heel het ‘poldermodel’ met al zijn ‘afspraken’ en ‘overleg’ werd uitgevonden. Dat ‘model’ begint nu aan alle kant te lekken. “Het kabinet neemt een ferme houding aan, en pacificeert vervolgens de sociale partners in overleg. Dat de kabinetsmaatregelen op de tekentafel juist zijn, ontkennen werkgevers noch vakbeweging. Maar het gaat om de manier waarop de trendbreuken tot aan pensionering worden afgedwongen.” (De Volkskrant, 06.09.2003). Er wordt een arrogante houding aangenomen tegenover de arbeidersklasse, waarbij Zalm strijdvaardig aankondigt: “Ik zal naar de demonstranten op het Malieveld zwaaien.” Maar tegelijk bestaat er grote ongerustheid of de vakbeweging, in de ogen van de regeringspartijen een ‘vermolmd instituut’, de zaak onder controle kan houden en niet een tekort aan verbale bluf en radicaal ogende manoeuvres op het strijdterrein aan de dag legt.
Voor de arbeiders is er geen andere keus dan de strijd op te nemen, en wel op haar eigen klassenterrein, niet alleen door massaliteit, maar vooral ook door organisatie en bewustzijn. Het is meest van al nodig in algemene vergaderingen te debatteren over hoe de strijd gezamenlijk ontwikkeld kan worden en af te rekenen met alle verdelingen die door links en vooral de vakbeweging worden opgelegd. De voorwaarden rijpen voor een strijd waarin de arbeidersklasse haar illusies kan opgeven over de mogelijkheid het kapitalisme te hervormen en zelfvertrouwen kan ontwikkelen. Door de strijd om op het onmiddellijke vlak de economische aanvallen van de bourgeoisie terug te dringen en een gunstige krachtsverhouding op te bouwen kan op termijn bewust de politieke confrontatie worden aangegaan met een kapitalisme dat alleen armoede en ellende heeft te bieden n
Manus / 12.09.2003
(1) In die categorie viel de WAO-demonstratie van een half miljoen mensen op het Malieveld in september 1991.
De aanslag van 11 september op de Twin Towers in New York, twee jaar geleden opende de weg naar een versnelling zonder weerga van de oorlogsspanningen sinds het einde van de Koude Oorlog. Deze verdere stap van de wereld in de chaos werd gerechtvaardigd door de bewering een zogenaamde ‘strijd tegen het internationaal terrorisme’ te zijn, gepaard gaand van een ‘strijd ter verdediging van de democratie’. Deze leugenachtige propaganda kan de werkelijkheid van een toename van de imperialistische spanningen tussen de grootmachten en in het bijzonder tussen de Verenigde Staten en hun vroegere bondgenoten van het Westerse Blok niet meer verbergen (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 113 en 114).
Zoals we al dikwijls uitgelegd hebben in onze perskolommen, worden de Verenigde Staten voortdurend verplicht om op militair niveau hun wereldleiderschap te verzekeren, dat betwist wordt door hun vroegere bondgenoten. De voornaamste conflicten waarbij deze grootmachten betrokken zijn geweest sinds de ineenstorting van het Oostblok getuigen van deze logica. Het is met meer helderheid nog dat deze in Afghanistan en in Irak is gebleken. In deze twee landen spelen de Verenigde Staten een hoofdrol in de ordehandhaving en kennen zij toenemende moeilijkheden om het hoofd te bieden aan een situatie die we al kunnen kenschetsen als verstrikking.
Om te beletten dat hun belangrijkste rivalen hen stokken in de wielen zouden steken in Irak of in het Midden-Oosten hebben de Verenigde Staten er voor gezorgd dat zij de enige kapiteins zijn aan boord. Daarom ontzeggen ze aan de Verenigde Naties de mogelijkheid om enige rol van betekenis te spelen in de administratie van Irak. Alle andere delen van de internationale strijdmacht, die militair aanwezig is, zijn vandaag aan hun gezag onderworpen en de Amerikaanse onderneming is met succes bekroond. En toch bestaat er op dit ogenblik niet alleen geen zicht op een gevoelige daling van de militaire opstelling ter plaatse, die nu 145.000 man sterk is, maar bovendien lijkt die steeds meer ontoereikend om de situatie te controleren. De doelen die gesteld waren, en waarvan de wereld getuige was na hun militaire overwinning, schijnen met de dag verder weg te deemsteren terwijl het perspectief op de wederopbouw van de Irakese maatschappij verder verwijderd lijkt dan ooit.
Wat de Amerikaanse bourgeoisie ook moge beweren, zij heeft de toestand in Irak niet onder controle. Dat is een realiteit waarvan de anti-Amerikaanse propaganda met alle middelen gebruik maakt om er op te wijzen hoe schadelijk de Amerikaanse aanwezigheid is.
De levensvoorwaarden van de bevolking die al betreurenswaardig waren onder het regime van Saddam Hussein zijn sindsdien nog verslechterd wegens de oorlog en wegens het feit dat de bezetters er niet in slagen om de bevoorrading van de verbruiksgoederen en die van de primaire behoeften te verzekeren en om een minimum van infrastructuur op poten te zetten die onmisbaar is voor het dagelijkse leven. Omwille van de hongersnood zijn zeldzame winkels die voorraad hebben het doelwit van opruiers.
Gangsters overvallen banken terwijl knoeierij en speculatie van allerlei aard het hele land geselen.
De onveiligheid en onstabiliteit ontwikkelen zich als gevolg van het blinde terrorisme. Dit laatste treft vooral de Amerikaanse troepen en hun bondgenoten, zoals geïllustreerd werd door de aanslag die in Bagdad gepleegd werd op de Jordaanse ambassade. Maar doelwitten zijn ook de economische belangen van Irak, zoals de pijpleidingen voor water of olie.
De bezettingstropen betalen dagelijks een zware tol voor de verdediging van de imperialistische belangen van de Amerikaanse bourgeoisie. Daarvan getuigen de 62 GI’s die al de dood gevonden hebben in de aanslagen of de valstrikken sinds het einde van de oorlog. Grotendeel geterroriseerd, terroriseren de Amerikaanse troepen op hun beurt de bevolking en kweken zo een groeiende vijandigheid tegenover henzelf. De Amerikaanse oorlogsinspanning in dollars en mensenlevens is verre van ten einde, temeer daar er sinds de ‘overwinning’ nog eens meer dan 78 GI’s gedood zijn, ditmaal bij ‘ongevallen’.
Ondanks het ijzeren korset dat de Verenigde Staten proberen te weven op de puinen van de Irakese maatschappij, heerst er de meest tomeloze anarchie. Wat de Irakese aflossing betreft van de Amerikaanse heerschappij op het terrein, die riskeert even lang op zich te zullen laten wachten als de oprichting van een ‘democratische’ regering, het propagandaproject dat door het Witte Huis in de schijnwerpers geplaatst werd en dat diende als rechtvaardiging voor de oorlog. Bush kan mooi beweren dat een regeringscoalitie nog nooit in de geschiedenis zoveel verschillende partijen bijeengebracht heeft als de ‘Voorlopige Regeringsraad’ , ‘bewijs’ van zijn wil om een werkelijke ‘democratie’ op de been te brengen. Maar deze coalitie is helemaal geen geraamte van een toekomstige regering, het is niets anders dan een echte krabbenmand. De meest uiteenlopende en concurrerende belangen verscheuren er elkaar, zonder enige bekommernis om het ‘nationale’ belang. Erger nog, sommige pro-shiijtische fracties die er in zetelen zijn er steeds meer toe geneigd om een frontale strijd te voeren tegen Amerika en sluiten zo feitelijk elke mogelijkheid uit dat deze coalitie op een dag ook maar de minste rol zou kunnen spelen.
Wat het beloofde land betreft, de heropbouw van Irak, dat krijgt overduidelijk meer en meer lood in de vleugels: de verhoopte petroleuminkomsten zullen slechts voor een miniem aandeel kunnen bijdragen. Ze zijn nauwelijks toereikend voor het financieren van het heropstarten van de petroleuminstallaties. De vraag die gesteld werd is te weten wie er gaat opdraaien voor de financiële kater.
Hoewel de Verenigde Staten er in geslaagd waren om de invloed van hun rivalen in Irak totaal te elimineren, zijn ze nu de gevangenen van de tegenstellingen waar ze hopen uit te raken. De bezetting van Irak is een financiële aderlating en de verliezen aan mensenlevens bij de Amerikaanse troepen zullen op termijn de Amerikaanse bourgeoisie ernstig in de problemen brengen. Zij kan zich echter niet terugtrekken zonder de regio gestabiliseerd te hebben in haar voordeel, wat neerkomt op zware poker. Zij zoekt dus andere grootmachten te betrekken bij de financiële en militaire inspanning, mits zijzelf het monopolie behoudt van het commando, met Groot-Brittannië als luitenant. Aangezien er Franse en Duitse oppositie is tegen een terugkeer van de UNO als een simpele bankier en leverancier van kanonnenvlees, zonder het commando in handen te krijgen, stijgt de spanning opnieuw tussen de belangrijkste imperialistische rivalen.
De aanslagen op de GI’s net zoals die op de personaliteiten die geneigd zijn tot samenwerking met het Witte Huis willen de druk op de ‘yankee invaller’ opvoeren. Het huidige getrappel van de Verenigde Staten kan slechts een aanmoediging zijn van de vastberadenheid van alle groeperingen die op het terrein ageren of vanuit de buurlanden die vijandig staan tegenover de Amerikaanse aanwezigheid. De aanslag op een gematigde shijitische hoogwaardigheidsbekleder op 29 augustus in Nadjaf, met zijn 82 doden en 230 gewonden, is een bijkomende slag voor de geloofwaardigheid van de Amerikaanse bourgeoisie betreffende haar capaciteit van een politieke oplossing te bewerkstelligen in Irak. Het speelt duidelijk in de kaart van de belangrijkste rivalen van de Verenigde Staten, zonder dat deze er noodzakelijkerwijze de opdrachtgevers van zouden zijn.
Al deze terroristische acties zijn nochtans niet allemaal gericht tegen de Amerikaanse belangen zoals geïllustreerd werd door de aanslag op de zetel van de UNO in Bagdad op 12 augustus waarbij 20 personen gedood werden, waaronder de speciale gezant in Irak van de secretaris-generaal van de UNO, een dikke vriend van Frankrijk (zijn lijfwachten waren allen Fransen en de elementen die door de media werden uitgebracht tonen aan dat hij in het bijzonder geviseerd was). Op vele vlakken speelde deze aanval in het voordeel van de Verenigde Staten. Alhoewel het nog maar een bewijs was dat aantoonde dat ze niet in staat zijn de orde te handhaven in dit land, gaf het volop voedsel aan hun propaganda die beweert dat “het in Irak is dat men het internationale terrorisme moet bestrijden dat, zoals men kon zien, niet enkel gericht is tegen de Amerikaanse belangen”. Het vormde ook een voorwendsel om druk uit te oefenen op de grote democratieën, de rivalen van de Verenigde Staten, opdat ze hun verantwoordelijkheid zouden nemen door zich in te zetten voor de pacificatie en de opbouw van een democratisch Irak. Het is zeker geen toeval dat deze aanslag er kwam op een moment waarop Groot-Brittannië en de Verenigde Staten al aangestuurd hadden op een grotere overname van militair en economisch gewicht van de toestand in Irak. Nochtans hebben Frankrijk en Duitsland de situatie in hun voordeel weten te draaien door in te roepen dat de UNO onmogelijk een actievere rol kan spelen op het humanitaire vlak zonder dat die betrokken wordt bij de leiding van de zaken van dit land wat hen in staat zou stellen om de veiligheid van haar personeel te waarborgen. De week daarop hebben wij de Franse minister van buitenlandse zaken, De Villepin, in die zin horen pleiten “voor een politieke oplossing” in Irak. Hij werd daarbij flink gesteund door Chirac, die voor 200 ambassadeurs tegelijk opriep tot “de machtsoverdracht... aan de Irakezen zelf” en het op gang brengen van “een proces waarbij enkel de Verenigde Naties in staat zijn om een volledig wettelijk kader te verschaffen”, alles mooi omkleed met een aanklacht aan het “unilateralisme”,dat wil zeggen van de Verenigde Staten.
De tegenstellingen die de Amerikaanse bourgeoisie ondervinden blijven evenmin de Britse bourgeoisie gespaard, en dat des te meer omdat ze weinig heeft kunnen samenrapen uit deze alliantie met Uncle Sam. De verwikkelingen omtrent de dood van David Kelly, een van de belangrijkste raadgevers van de UNO voor de vraagstukken rond de Irakese massavernietigingswapens, getuigen van onenigheid binnen aanzienlijke fracties van de Engelse bourgeoisie met de politiek die gevolgd wordt door Blair.
In de nabijheid van het Irakese wespennest moet Washington het hoofd bieden aan een plaatselijke toestand die al decennia lang aansleept en verergert, het Israëlisch-Palestijns conflict. Geen enkel van de Amerikaanse vredesplannen is tot nog toe verwezenlijkt. Nochtans was het dringend en van het hoogste belang voor de Verenigde Staten om deze brandhaard uit te doven, die tegenover Israël en henzelf de vijandigheid van de Arabische wereld kan kristalliseren. Het beroemde ‘stappenplan’ dat de Bush-administratie ontworpen had kenmerkte de vastberadenheid van Washington om Israël te dwingen tot betekenisvolle toegevingen. Hierbij ging het om gesprekken tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit zoals ten tijde van de akkoorden van Oslo, die ingeluid werden door Clinton in 1993. Het was klaar en duidelijk een aanmaning vanuit het Witte Huis opdat Israël niet langer, en onder geen enkel voorwendsel, nog langer de spelbreker zou spelen bij het in het leven roepen van een Palestijnse staat. Ten aanzien van het Palestijnse tegenkamp, werden dezelfde autoritaire methodes gebruikt om eenieder uit de weg te ruimen die een eindoplossing in de weg stond. Zo werd Arafat, die tot dan toe een goede bondgenoot was van de Verneigde Staten in het opzetten van het vredesproces, opzij geschoven ten voordele van zijn rivaal Mahmoed Abbas. Ondanks de druk van Bush, heeft Sharon, terwijl hij deed alsof hij de verschillende bestanden leek te aanvaarden, zijn politiek van opening van de Palestijnse territoria voor de Israëlische kolonisten, van moordende invallen in de bezette gebieden en van het ombrengen van chefs van Hamas en de islamistische Djihad voortgezet. En deze organisaties op hun beurt zaten slechts te wachten op de provocaties van de staat Israël om een nieuwe serie anti-Israëlische aanslagen te plegen.
Het ‘stappenplan’ is er in geslaagd om even de spanning te doen dalen, maar het heroplaaien ervan toont zijn mislukking. Tekenend voor de zwakte van de gespierde diplomatie van de Verenigde Staten is dat Arafat probeert om terug op de voorgrond te komen door zich voor te stellen als de onvermijdelijke acteur van de vrede met Israël. Haar onmacht om het Israëlisch-Palestijns conflict te beslechten is een echo van de groeiende moeilijkheden van het Witte Huis in Washington.
Aan de vooravond van de tweede verjaardag van de aanslag op de Twin Towers en de derde van de Intifada in Palestina, is het vooruitzicht dat het kapitalisme ons aanbiedt steeds meer chaos, steeds meer afschuw en moordpartijen, zowel aan de bevolking van die regio’s die geteisterd worden door oorlogen, onderworpen zijn aan terreur en een onnoemelijke ellende, als aan de gehele planeet.
Mulan / 30.08.2003
De IKS brengt met dit nummer van Wereldrevolutie de honderdste uitgave van haar krant in Nederland uit. De eerste aflevering van verscheen in 1978 als gestencild blad. In 1991 begon Wereldevolutie als krant te verschijnen. Het is dus al vijfentwintig jaar dat de afdeling van de IKS in Nederland haar publicatie met regelmaat en zonder onderbreking uitbrengt.
Persorganen zijn altijd al het belangrijkste middel van tussenkomst geweest van de revolutionaire minderheden binnen de arbeidersklasse. Het is door middel van de revolutionaire pers dat zij hun stem kunnen laten horen, dat zij de politieke lessen van de historische strijd van de arbeidersklasse kunnen doorgeven aan nieuwe generaties proletariërs, dat zij een oriëntatie kunnen geven aan de huidige strijd door zich te baseren op de lessen van de voorbije en wereldwijde gevechten, dat zij de leugens, mystificaties en valstrikken van de bourgeoisie kunnen ontmaskeren en daartegenover een samenhangend analysekader van de ontwikkeling van de kapitalistische wereld naar voren kunnen brengen. Zij is ook het belangrijkste middel om het historisch perspectief van het proletariaat te bevestigen door voortdurend de noodzaak en mogelijkheid van de kommunistische wereldrevolutie te benadrukken.
Kortom, de revolutionaire pers is een fundamenteel wapen van de arbeidersstrijd. Het is vanuit deze overtuiging dat onze organisatie, ondanks haar weinige krachten, zich sinds een kwart eeuw heeft ingespannen om haar publicatie Wereldrevolutie zo breed mogelijk te verspreiden. Wij hechten eraan om onze sympathisanten en nabije contacten te bedanken die aan onze zijde hebben deelgenomen aan de verspreiding van onze pers in bibliotheken en boekhandels, op hun werkplek, in manifestaties, op markten en andere vaste verkooppunten.
Momenteel staat de arbeidersklasse bloot aan het ideologisch spervuur van onophoudelijke democratische campagnes van de bourgeoisie. Vooral sinds de ineenstorting van het Oostblok hamert de heersende klasse onophoudelijk het idee erin dat het marxisme bankroet is en de de kommunistische revolutie hoogstens een utopie zou zijn, of erger een alternatief dat enkel kan leiden tot een totalitaire dictatuur van het stalinistische soort.
Tegenover de inzet van de huidige historische situatie, tegenover de moeilijkheden van de arbeidersklasse om haar eigen vooruitzichten weer te ontwikkelen, is de breedst mogelijke verspreiding van de revolutionaire pers meer dan ooit noodzakelijk voor de ontwikkeling van het bewustzijn en van de strijd van het proletariaat waarvan de toekomst van de mensheid afhangt.
Ter gelegenheid van deze honderdste uitgave van Wereldrevolutie herhalen we de oproep aan onze lezers om onze tussenkomst te ondersteunen en de pers in hun omgeving te verspreiden. Tevens herinneren we eraan dat iedere kritiek van onze pers, alle opmerkingen en vragen over de verschillende artikelen meer dan welkom zijn.
Eind maart 2004 heeft de IKS zijn vijftiende congres gehouden. Dit was voor onze organisatie van bijzonder belang om twee belangrijke redenen.
Enerzijds hebben wij sinds het vorige congres, dat werd gehouden in de lente van 2001, een aanzienlijke verslechtering meegemaakt in de internationale situatie, op het vlak van de economische crisis maar vooral op dat van de imperialistische spanningen. Het congres werd gehouden op het moment dat de oorlog in Irak woedde en het was dan ook de verantwoordelijkheid van onze organisatie om haar analyse aan te scherpen om in staat te zijn ten opzichte daarvan op de best mogelijke wijze tussen te komen.
Anderzijds werd dit congres gehouden nadat de IKS de gevaarlijkste crisis uit zijn bestaan had doorgemaakt. Maar zelfs als wij deze crisis te boven zijn gekomen is het aan de organisatie om een maximum aan lering te halen uit de moeilijkheden waarmee ze geconfronteerd werd, de oorsprong ervan te achterhalen en de middelen te vinden om ze het hoofd te bieden.
Het geheel van de discussies en de werkzaamheden van het congres was doortrokken van het bewustzijn van het belang van deze twee vraagstukken, die ingebed waren in de twee grote verantwoordelijkheden van elk congres: de analyse van de historische situatie en het nader beschouwen van de activiteiten die daaruit voortvloeien voor de organisatie.
De IKS analyseert de huidige historische periode als de eindfase van het verval van het kapitalisme, de fase van de ontbinding van de burgerlijke maatschappij, die van haar innerlijke verrotting. Zoals wij verder zullen zien, bepalen deze historische voorwaarden momenteel de belangrijkste kenmerken van het leven van de bourgeoisie; maar het blijft daar niet bij, zij wegen ook zwaar door op het proletariaat evenals op zijn revolutionaire organisaties.
Het is trouwens binnen dit kader dat niet alleen de imperialistische spanningen, waarvan we nu getuige zijn, onderzocht werden maar ook de hindernissen die het proletariaat ondervindt op weg naar de beslissende botsingen met het kapitalisme zelf, evenals de moeilijkheden waarmee onze organisatie geconfronteerd is.
Voor bepaalde organisaties uit het proletarisch kamp, namelijk de IBRP, komen de organisatorische moeilijkheden die de IKS de laatste tijd heeft meegemaakt, net zoals deze in 1981 en in het begin van de jaren 1990, voort uit het feit dat de IKS niet in staat zou zijn om een aangepaste analyse van de huidige historische periode te ontwikkelen. In het bijzonder onze analyse van de ontbinding wordt beschouwd als een uitdrukking van ons ‘idealisme’.
Het is zonder meer waar dat de theoretische en politieke helderheid een wezenlijk wapen is voor een organisatie die beweert revolutionair te zijn. Als deze niet in staat is om te begrijpen wat er werkelijk op spel staat in de historische periode waarin zij haar strijd voert, riskeert zij overspoeld te worden door de gebeurtenissen, in ontreddering te geraken en tenslotte weggeveegd te worden door de geschiedenis. Maar het is eveneens waar dat helderheid niet zomaar uitgevaardigd kan worden. Zij is de vrucht van een wil, een strijd om dergelijke wapens te smeden. Zij vereist dat de nieuwe vraagstukken die opgeworpen worden door de ontwikkeling van de geschiedenis aangepakt worden met methode, met de marxistische methode. Dat is de bekommernis die speelde in de rapporten die voorbereid waren voor het congres en die haar debatten animeerden. Deze invalshoek werd geplaatst in het kader van de marxistische visie op het verval van het kapitalisme en zijn huidige fase van ontbinding. Het congres heeft er aan herinnerd dat de visie van het verval niet alleen deze was van de Derde Internationale, maar dat deze ook tot de grondslagen zelf van het marxisme behoort. Het is dit kader en deze historische benadering die het de IKS mogelijk maakten om de ernst in te schatten van de toestand waarin de oorlog een steeds permanenter factor wordt.
Dit congres moest meer in het bijzonder onderzoeken in welke mate het analysekader van de IKS geldig was voor het begrip van de tegenwoordige situatie. Als resultaat van de discussie kwam het congres tot de conclusie dat dit kader niet in twijfel kon worden getrokken, integendeel. De huidige situatie en de ontwikkeling ervan betekenen een volle bevestiging van de analyses die de IKS sinds eind 1989 heeft gemaakt toen het Oostblok ineenstortte. De huidige gebeurtenissen, zoals de tegenstelling tussen de Verenigde Staten en hun oude bondgenoten die zich openlijk manifesteerden in de recente crisis, de vermenigvuldiging van oorlogsconflicten met de directe betrokkenheid van de grootste wereldmacht die telkens meer haar militaire macht tentoonspreidt, zaten reeds vervat in de Stellingen die de IKS uitbracht in 1989-1990 (1). In zijn congres heeft de IKS ook nogmaals bevestigd dat de huidige oorlog in Irak niet, zoals sommige sectoren van de bourgeoisie ons willen doen geloven om de ernst ervan te minimaliseren, te herleiden is tot een ‘oorlog om de olie’. In deze oorlog vertegenwoordigt de controle over de olie een strategische inzet voor de Amerikaanse bourgeoisie en niet op de eerste plaats een economische. Het is één van de chantage- en pressiemiddelen die de Verenigde Staten willen uitspelen om in te gaan tegen de pogingen van andere grootmachten, zoals de grote staten van Europa en Japan om hun eigen pionnen uit te spelen op het imperialistische wereldschaakbord. Achter het idee dat de huidige oorlogen nog een zekere ‘economische realiteit’ zouden bevatten, schuilt een weigering om rekening te houden met de volle ernst van de toestand waarin het kapitalisme van momenteel zich bevindt. Door deze ernst te onderstrepen heeft de IKS zich doelbewust op de bodem van het marxisme geplaatst die de revolutionairen niet de taak geeft om de arbeidersklasse te troosten, maar in tegendeel de opdracht geeft de arbeidersklasse het belang van de gevaren die de mensheid bedreigen te doen inzien en bijgevolg de nadruk te leggen op de omvang van haar eigen verantwoordelijkheid.
En in de visie van de IKS betekent dat de noodzaak voor de revolutionairen om aan het proletariaat de ernst van wat er in de huidige omstandigheden op het spel staat bloot te leggen. En dat is des te belangrijker omdat het proletariaat op dit moment de grootste moeilijkheden heeft om weer de richting in te slaan van de massale en bewuste strijd tegen het kapitalisme. Dat was bijgevolg een ander wezenlijk punt van de discussie over de internationale situatie: waarop kan men momenteel het vertrouwen baseren dat het marxisme altijd heeft gehad in de capaciteit van de uitgebuite klasse om het kapitalisme omver te werpen en de mensheid te bevrijden van de rampen waaronder zij steeds meer gebukt gaat?
De IKS heeft al herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat de ontbinding van de kapitalistische maatschappij een negatief effect heeft op het bewustzijn van het proletariaat (2). Vandaar dat wij vanaf de herfst van 1989 benadrukten dat de ineenstorting van de stalinistische regimes ‘meer problemen voor het proletariaat’ tot gevolg zouden hebben (titel van Internationale Revue, nr. 60). Sindsdien heeft de ontwikkeling van de klassenstrijd dit vooruitzicht alleen maar bevestigd.
Tegenover deze situatie stelde het congres opnieuw vast dat de klasse nog altijd over al haar capaciteiten beschikt om haar historische verantwoordelijkheid op te nemen. Het is waar dat zij zich nu nog in een toestand bevindt van aanzienlijk achteruitgang in haar bewustzijn, als gevolg van de burgerlijke campagnes die marxisme en kommunisme gelijkstellen aan stalinisme door te beweren dat er een continuïteit zou bestaan tussen Lenin en Stalin. Bovendien wordt de huidige situatie gekenmerkt door een duidelijk verlies van vertrouwen van de arbeiders in hun eigen kracht en in hun vermogen om zelfs nog maar defensieve strijd te voeren tegen de aanvallen van hun uitbuiters. Dat zou er kunnen toe leiden dat ze hun klasse-identiteit verliezen. Daarbij dient vermeld te worden dat deze tendens van verlies van vertrouwen in de arbeidersklasse zelfs tot uiting komt binnen de revolutionaire organisaties, voornamelijk in de vorm van een plotselinge opwellingen van euforie tegenover bewegingen zoals die in Argentinië eind 2001 (die werd voorgesteld werden als een formidabele proletarische impuls terwijl ze waren opgesloten in klassensamenwerking). Maar een materialistische visie op lange termijn toont ons aan, om Marx aan te halen “Het gaat er niet om wat deze of gene proletartiër, of het proletariaat als geheel momenteel als zijn doel beschouwt. Het gaat er om wat het proletariaat is en waartoe het, in overeenstemming met dit wezen, historisch zal worden gedreven.” (De Heilige Familie, 1844). Een dergelijke visie toont ons namelijk dat, tegenover de zware klappen van de crisis van het kapitalisme die zich vertalen in steeds wredere aanvallen, de arbeidersklasse reageert en noodzakelijkerwijze zal moeten reageren via het ontwikkelen van haar strijd.
Deze strijd zal in zijn beginstadium neerkomen op een serie schermutselingen, die de boodschappers zullen zijn van de aanzet tot steeds massaler strijd. Het is eerst in dit proces dat de arbeidersklasse zich weer zal zien als uitgebuite klasse en er naar zal streven haar identiteit terug te vinden, een wezenlijk aspect dat op zijn beurt een stimulans zal zijn voor haar strijd. Hetzelfde geldt voor de oorlog. Deze neigt er steeds meer toe om een permanent verschijnsel te worden dat met de dag steeds duidelijker de sterke spanningen tussen de grootmachten blootlegt. Vooral ook het feit dat het kapitalisme, dat niet in staat is om deze kwaal, waaronder de mensheid steeds meer gebukt gaat, uit te roeien, zal tot een dieper nadenken binnen de arbeidersklasse aanzetten. Al deze mogelijkheden liggen besloten in de huidige situatie. Ze dwingen de revolutionaire organisaties er toe om zich daarvan bewust te zijn en een tussenkomst te ontwikkelen die vruchten kan afwerpen. Deze tussenkomst is vooral van wezenlijk belang met betrekking tot de minderheden die op internationaal vlak op zoek zijn naar verheldering.
Maar om opgewassen te zijn tegen deze taak is het nodig dat de revolutionaire organisaties in staat zijn om het hoofd te bieden, niet alleen aan de directe aanvallen die de heersende klasse op hen richt maar ook tegenover elk doorsijpelen binnen hun gelederen van het ideologische gif dat deze in het geheel van de maatschappij verspreidt. Het is in het bijzonder hun taak om de schadelijkste gevolgen van de ontbinding te bestrijden, die op dezelfde wijze als ze het bewustzijn van het geheel van het proletariaat aantasten, eveneens doordringen in de hersenen van hun militanten, die hun overtuiging en wil kapot maken om te ijveren voor de revolutionaire taken. Het is juist een dergelijke aanval van de burgerlijke ideologie die door de ontbinding wordt gestimuleerd, waarmee de IKS in de laatste periode werd geconfronteerd. En het is de wil tot verdediging van het vermogen van de organisatie om haar taken te vervullen die in het centrum van de discussies over de activiteiten van de IKS stond.
Het congres heeft een positieve balans opgemaakt van de activiteiten van onze organisatie sinds het vorige congres in 2001. In de loop van de laatste twee jaar heeft de IKS er blijk van gegeven in staat te zijn om zich te verdedigen tegen de gevaarlijkste gevolgen van de ontbinding, namelijk de nihilistische tendensen die een aantal militanten die zichzelf tot ‘interne fractie’ uitriepen in hun greep kregen. Het heeft de aanvallen weten te bestrijden van deze elementen die er duidelijk op uit waren de organisatie te vernietigingen. Vanaf het begin van het congres werd in volledige unanimiteit, na de buitengewone conferentie van april 2002, nogmaals heel de strijd tegen deze hofkliek goedgekeurd en werd hun gedrag gebrandmerkt als dat van provocateurs. Met uitgesproken overtuiging werd de anti-proletarische aard van deze groepering aangeklaagd. En het sprak zich unaniem uit voor uitsluiting van de elementen van de ‘interne fractie’ die hun agitatie tegen de IKS tot een toppunt opdreven door op hun internetsite informatie te publiceren (en zich daar later op beriepen) die direct in de kaart spelen van de politiediensten van de burgerlijke staat (3). Deze elementen die geweigerd hadden voor het congres te verschijnen en vervolgens weigerden om zich te verdedigen voor een speciaal comité dat speciaal daartoe in het leven was geroepen, wisten niets beters te bedenken dan in hun Bulletin, nr. 18, door te gaan met hun lastercampagnes tegen onze organisatie. Zij leveren zo het bewijs dat ze helemaal niet van zins waren om het geheel van de militanten te overtuigen van het gevaar dat een zogenaamde ‘liquidationistische fractie’, maar dat ze integendeel proberen om de organisatie zo veel mogelijk in diskrediet te brengen nadat ze er niet in waren geslaagd om haar te vernietigen.
Hoe konden dergelijke elementen binnen de organisatie een activiteit ontwikkelen die haar dreigde te vernietigen?
In verband daarmee heeft het congres de zwakheden blootgelegd die binnen haar functioneren tot ontwikkeling waren gekomen, zwakheden die voornamelijk samenhangen met de kliekjesgeest die opnieuw krachtig de kop opstak en die werd gestimuleerd door het negatieve effect van de ontbinding van de kapitalistische maatschappij. Een aspect van dat negatieve effect bestaat uit de twijfel en uit het verlies van vertrouwen in de arbeidersklasse, waarbij men zich enkel blindstaart op de onmiddellijke zwakheden. Verre van de partijgeest te voeden, heeft dit de tendens versterkt om vriendschapsbanden en daarmee het vertrouwen in individuen de plaats innemen van het vertrouwen in de functioneringsbeginselen. De elementen die later de ‘interne fractie’ zouden vormen waren een karikaturale uiting van deze afwijkingen en van het verlies aan vertrouwen in de arbeidersklasse. Hun dynamiek van ontaarding kon zich stoelen op deze zwakheden, die momenteel doorwegen op alle proletarische organisaties, en ze zijn des te gevaarlijker omdat het merendeel van die organisaties zich er zelfs niet van bewust zijn. Deze elementen hebben hun vernietigende werk ontwikkeld met een kracht die ongezien was in de geschiedenis van de IKS. Het verlies van vertrouwen in de arbeidersklasse en de verzwakking van hun militante overtuiging gingen gepaard met een verlies van vertrouwen in de organisatie, in haar beginselen en van een volslagen minachting voor haar statuten. Dit gezwel had heel de organisatie en het vertrouwen en de solidariteit in haar gelederen, en dus van haar grondvesten zelf, kunnen aantasten.
Het congres heeft zonder vrees de opportunistische zwakheden behandeld die het mogelijk hadden gemaakt dat de clan die zichzelf uitriep tot ‘interne fractie’ zo’n grote bedreiging kon vormen voor het leven van de organisatie. En dat was mogelijk omdat de IKS versterkt uit de strijd te voorschijn kwam.
Het is trouwens omdat de IKS strijdt voert tegen elk binnensijpelen van het opportunisme dat het lijkt alsof het een heel bewogen leven leidt als gevolg van de herhaaldelijke crises. En het is voornamelijk omdat de IKS zonder toegevingen zijn statuten verdedigt en de proletarische geest waarvan die de uitdrukking zijn dat dit zo’n razernij opwekt bij een minderheid die was aangevreten door een ongebreideld opportunisme, dat wil zeggen door een totale verwerping van de organisatorische beginselen. Op dit vlak heeft de IKS de strijd van de arbeidersbeweging voortgezet, van Lenin en de Bolsjewieken in het bijzonder, van wie de hekelaars de herhaalde crises en de veelvuldige strijd op organisatorische vlak aan de kaak stelden. Tijdens dezelfde periode was het leven van de Duitse Sociaal-Democratische Partij veel minder geagiteerd, maar de opportunistische kalmte die haar kenmerkte (enkel verstoord door ‘lastposten’ van links zoals Rosa Luxemburg) was de aankondiging van haar verraad van 1914! De crises van de Bolsjewistische Partij bouwden de kracht op die de revolutie van 1917 mogelijk heeft gemaakt!
Maar de discussie over de activiteiten heeft zich niet tevreden gesteld met het behandelen van de directe verdediging van de organisatie tegen de aanvallen. Zij heeft vooral aangedrongen op de noodzaak om de inspanningen verder zetten om de theoretische capaciteiten van de IKS verder te ontwikkelen, vaststellend dat de strijd tegen deze aanvallen daarvoor een grondige stimulans was. De balans van de laatste twee jaar stelt ons in staat terug te blikken op een theoretische verrijking: over de vraagstukken van een meer historische visie op het vertrouwen en de solidariteit in het proletariaat, wezenlijke elementen voor de klassenstrijd; over het gevaar van het opportunisme dat de organisaties in staat stelt om een verandering van de periode te analyseren; over het gevaar van het democratisme. En deze bekommernis rond de theoretische strijd vormt een wezenlijk deel van de strijd tegen het opportunisme dat een dodelijke bedreiging is voor kommunistische organisaties. Dit werd ons geleerd door Marx, Rosa Luxemburg, Lenin, de militanten van de Italiaanse Fractie en vele andere revolutionairen.
Tenslotte heeft het congres een eerste balans opgemaakt van onze tussenkomst binnen de arbeidersklasse met betrekking tot de oorlog in Irak. Daarbij werd vastgesteld dat de IKS zich bij deze gelegenheid zeer goed heeft gemobiliseerd, want vanaf het begin van de militaire operaties hebben onze afdelingen een zeer aanzienlijke verspreiding van onze pers gerealiseerd op talrijke betogingen, hebben daar waar nodig supplementen van de regelmatige pers uitgebracht en werden er politieke discussies aangegaan met talrijke elementen die onze organisatie voordien niet kenden. Vanaf het uitbreken van de oorlog heeft de IKS onmiddellijk een internationaal pamflet uitgebracht, vertaald in 13 talen (4) en verspreid in 14 landen en meer dan 50 steden, in het bijzonder aan de bedrijven, en op het Internet.
Zo is het congres een moment geweest waarin de versterking van onze organisatie tot uitdrukking kwam. De IKS is trots op de strijd die het gevoerd heeft en die het verder zet voor zijn verdediging, voor de opbouw van de grondvesten van de toekomstige partij en om zijn capaciteit te ontwikkelen voor de tussenkomst in de historische strijd van de arbeidersklasse. De IKS is er van overtuigd dat het in deze strijd een schakel is in de keten van de organisaties van de arbeidersbeweging.
De IKS
(1) Zie voor dit onderwerp vooral de Stellingen over de economische en politieke crisis van de USSR en in het Oostblok (Internationale Revue, Nederlandstalig, nr. 12), geschreven twee maanden vóór de val van de Muur van Berlijn en Militarisme en Ontbinding, daterend van oktober 1990 (Internationale Revue, Nederlandstalig, nr. 13).
(2) Zie voornamelijk De ontbinding, laatste fase in het verval van het kapitalisme, punt 13 en 14 (in de Internationale Revue, Nederlandstalig, nr.13).
(3) Zie hierover ons artikel De politiemethodes van de ‘FICCI’, in de Internationalisme, nr. 294.
(4) De talen van onze territoriale publicaties plus Portugees, Russisch, Indisch, Bengaals, Farsi en Koreaans.
Een eeuw geleden, in 1903, brak er in Nederland een beweging uit waarvan de draagwijdte eerst later werd begrepen en die één van de eerste massastakingen was die kenmerkend zouden worden voor de nieuwe periode van verval van het kapitalisme. In tegenstelling tot de anarchistische slogan over de ‘algemene staking’, die van te voren door een kleine minderheid zou worden voorbereid en vervolgens per decreet voor alle arbeiders zou worden afgekondigd, ontwikkelt de massastaking, die economisch zowel als politiek is, zich spontaan, onregelmatig, zichzelf steeds vernieuwend, met horten en stoten waarin de arbeiders zelf hun krachten zoeken, en met tussenpozen waarin de lessen worden getrokken om een volgende beweging des te beter voor te bereiden.
Rosa Luxemburg schreef daarover heel profetisch kort na de Russische revolutie van 1905: ”De Russische revolutie [...] heeft voor de eerste keer in de geschiedenis een grandioze verwezenlijking laten zien van het idee van de massastaking ‑ zoals we verderop nog zullen zien ‑ en zelfs van de algemene staking, en daarmee een nieuw tijdperk in de ontwikkeling van de arbeidersbeweging geopend. Daaruit volgt niet in het minst dat de door Marx en Engels aanbevolen tactiek van de politieke strijd en de door hen op het anarchisme geuite kritiek onjuist was. [...] De Russische revolutie, dezelfde revolutie die de eerste historische toets op het voorbeeld van de massastaking vormde, betekent niet alleen geen enkele redding van de eer van het anarchisme, maar betekent juist een historische afrekening met het anarchisme.” (Gesammelte Werke, Band 2, p. 95).
Omdat de spoorwegstaking van 1903 tot de vroegste voorbeelden behoort van deze beweging zijn de lessen ervan, inclusief die over de rol van de revolutionairen, nog steeds van groot belang. We staan een eeuw later juist aan het begin van een periode van oplevende klassenstrijd waarin het zelfvertrouwen van de klasse nog gering is en waarin het voorbeeld van 1903 een bron van inspiratie kan zijn.
We drukken hieronder het artikel over die staking uit ons boek De Hollandse Linkerzijde dat eerder in het Frans, Engels en Italiaans verscheen.
Deze staking is de belangrijkste sociale beweging die de arbeidersklasse in Nederland voor de Eerste Wereldoorlog beroerde. Zij zou diepe sporen nalaten in het proletariaat dat zich verraden voelde door de sociaal‑democratie, en waarvan het meest militante deel zich nog meer ging richten op het revolutionaire syndicalisme. Vanaf 1903 was onherroepelijk het proces ingezet van scheiding tussen marxisme en revisionisme en als zodanig markeert de staking van 1903 het werkelijke begin van de ‘Tribunistische’ beweging als revolutionaire beweging.
De spoorstaking is eerst en vooral een protest tegen uitbuitingsvoorwaarden die men zich momenteel nog nauwelijks kan voorstellen. De spoorarbeiders waren onderworpen aan arbeidsvoorwaarden vergelijkbaar met die van de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal in het begin van de negentinde eeuw (l). Ze werkten 361 dagen per jaar en ze beschikten in 1900 over slechts vier dagen verlof. Anderzijds verminderde het bijzonder sterke corporatisme, door de verdeling in allerlei beroepscategorieën, de mogelijkheden van een ééngemaakte strijd. Zo hadden stokers, locomotiefbestuurders en arbeiders voor het onderhoud van de sporen ieder hun eigen vakbond. Elke vakbond kon stakingen op gang brengen zonder dat de anderen zich bij de strijd aansloten. De beroepsbonden, die hun eigenheid zorgvuldig beschermden, werden steeds meer een belemmering voor de massale eenheid van de arbeiders over de verschillen van hun scholingen heen. (2)
Tegen dergelijke voorwaarden brak er op 31 januari 1903 een spontane staking uit, niet vanuit de corporatistische vakbonden maar vanuit de basis van de spoorwegarbeiders. Deze nam devorm aan van een massastaking: niet alleen raakte ze alle delen van het transportpersoneel, maar ze breidde zich ook uit over heel het land. Ze was ook een massastaking omdat ze niet vertrok van specifieke eisen maar uit solidariteit met de havenarbeiders van Amsterdam, die in staking waren gegaan. Weigerend om zich te laten gebruiken als stakingsbrekers door verder te werken, verhinderden de transportarbeiders de pogingen van de bazen om hun goederen te vervoeren via het spoor. Deze solidariteitsbeweging, die kenmerkend is voor de massastaking, had een sneeuwbaleffect: de bakkers en metaalarbeiders van het transportmaterieel gaven steun (3). Maar wat nieuw was in deze beweging, die er niet in slaagde zich uit te breiden naar andere lagen van het proletariaat in Nederland, lag ongetwijfeld in het scheppen van een gekozen stakingscomité, dat voortkwam vanuit de basis en dat niet was aangesteld door de transportvakbond of de SDAP, ook al maakten leden daarvan er deel van uit (4). Door al deze kenmerken was de staking van 1903 niet langer een categoriale, zuiver economische staking; ze werd geleidelijk aan een politieke staking door een directe confrontatie met de staat. Op 6 februari besliste de Nederlandse regering inderdaad door een decreet van het Ministerie van Oorlog (5) tot mobilisatie van soldaten. Anderzijds riep ze een organisatie in het leven waarin de katholieke en protestantse vakbonden actief waren om de stakingsbrekers bijeen te brengen. Dit offensief van de bourgeoisie draaide op 25 februari uit op het indienen van een wetsvoorstel tegen de staking: de stakers werden met gevangenisstraf bedreigd en de regering besliste om een militair transportmaatschappij op te zetten om de staking te breken.
Maar meer dan door dreigementen en regeringsmaatregelen zou de staking van binnenuit worden ondermijnd, door de SDAP van Troelstra. Op 20 februari, tijdens een bijeenkomst waarop 60.000 stakers vertegenwoordigd waren, maar die in tegenstelling tot het stakingscomité niet openbaar was, stelde Troelstra de oprichting voor van een Comité van Verweer samengesteld uit verschillende politieke en vakbondsorganisaties. Dit comité bestond uit Vliegen, een SDAP‑revisionist, de leider van de transportvakbond Oudegeest, de NAS en anarchistische medestanders van Nieuwenhuis, die zelf geweigerd had om van een dergelijk orgaan deel uit te maken. Deze richting zou rampzalig blijken voor het verloop van de staking die werd voorgesteld tegen de regeringsmaatregelen. Vliegen verklaarde dat de staking niet kon worden uitgeroepen zolang de decreten van de klerikale regering Kuyper niet waren uitgevaardigd. In feite zou de houding van het ‘Comité van Verweer’ dat door verschillende organisaties, in het bijzonder door de SDAP, in het leven was geroepen, al snel negatief blijken. Niet alleen verlamden de tegenstellingen tussen de libertaire aanhangers van Nieuwenhuis (6) en sociaal‑democraten het Comité, maar het verpletterende gewicht van Troelstra, die er zelf geen deel van uitmaakte hoewel hij aan de wieg ervan stond, maakte er een organisme van dat vreemd was aan de strijd. Onder voorwendsel van de strijd tegen het ‘anarchistisch avonturisme’ sprak Troelstra zich uit tegen de politieke staking; hij beweerde dat deze, mocht daartoe worden besloten door de transportarbeiders in reactie op de ‘worgwetten’, enkel zou leiden tot een verscherping van de anti‑staingswetten in de Tweede Kamer. Die uitlatingen werden gepubliceerd in de sociaal‑democratische krant (7), zonder enig overleg met het Comité van Verweer of partij-instanties. Deze inbreuk op de discipline toont afdoende dat de revisionistische leiding van oordeel was dat ze geen verantwoording hoefde af te leggen tegenover de arbeiders of de militanten van de partij. Ze had zich losgemaakt gemaakt om des te beter de verzoening met de bourgeoisie ter hand te nemen. De Linkerzijde, door de pen van Pannekoek, leverde felle kritiek op deze daad, die enkel het begin was van een lange reeks daden van verraad aan de strijd: “Uw slappe en aarzelende houding kan alleen de bezittende klasse en de regering dienen”, schreef hij aan het adres van Troelstra (8).
Tijdens de tweede transportstaking, in april, wordt het verraad openlijk. De regering had anti-stakingswetten in stemming gebracht waarin werkonderbrekingen in het openbaar vervoer werden verboden. In plaats van een energieke houding aan te nemen verklaarden de leiders inhet Comité die van sociaal‑democratische strekking waren, zoals Oudegeest, zich tegen de algemene staking van alle arbeiders in Nederland. Toch waren op dat ogenblik verschillende stakingen aan de gang die een gunstiger sociale context voor de klassenstrijd schiepen dan in januari‑februari: in Amsterdam brak de staking uit bij de schippers, de smeden, de spoorwerkers en grondwerkers, de metaalarbeiders; en ook de gemeentearbeiders waren uit solidariteit in staking gegaan.
Op 8 april werd onder druk van de basis de algemene staking uitgeroepen. Vanaf het begin was het zwakke punt ervan dat de bijeenkomsten van de spoorarbeiders geheim waren en bijgevolg niet open stonden voor andere categorieën arbeiders. Ondanks de bezetting van de stations en de spoorwegen door het leger, wat aanleiding had moeten geven tot een veralgemening van de staking, was deze niet algemeen. Desondanks werd ze toch spontaan uitgebreid: in Utrecht en Amsterdam sloten de metaalarbeiders en de metselaars zich aan bij de solidariteitsbeweging. Noch de dreiging met vijf jaar gevangenisstraf voor de ‘agitatoren’ en twee jaar voor de stakers, straffen voorzien in de ‘worgwetten’, noch de aanwezigheid van het leger op de sporen, volstonden om de geestdrift te stoppen van de stakende arbeiders, die vanaf januari ‘de vreugde van de strijd’ hadden gekend (9).
De geestdrift en het elan van de arbeiders werden gestopt door de beslissingen die genomen werden door de sociaal‑democratische leiders van het ‘Comité van Verweer’ dat beweerde de strijd te leiden. Op 9 april laat Vliegen beslissen de stakingsbeweging te beëindigen. Voor het ongeloof en de woede van de transportarbeiders bleef het Comité onvindbaar. Tijdens een massabijeenkomst verhinderden de arbeiders Vliegen te spreken met kreten als “Hij heeft ons verraden!” Zelfs de Linkerzijde kreeg de kans niet het woord te voeren: de arbeiders maakten geen enkel onderscheid tussen revisionisten en marxisten en overstemden de toespraak van Roland Holst met de kreet “staking!” Zo zou de houding van de revisionisten bij de arbeidersklasse in Nederland voor lange tijd een verwerping van de sociaal‑democratie, zelfs de marxistische, met zich meebrengen, en wel ten gunste van het anarchosyndicalisme (10).
De transportstaking van 1903 had geen zuiver ‘Nederlandse’ wortels; ze markeert juist een keerpunt in de klassenstrijd in Europa. Ze komt op als spontane massastaking, die een bewuste kracht wordt in staat om de bourgeoisie op politiek vlak terug te dringen en de arbeiders een ontegenzeggenlijk gevoel van overwinning te geven. Maar het is als algemene staking, op gang gebracht door de vakbonden en partijen, dat ze mislukt.
Ze past in een hele historische periode die gekenmerkt wordt door de combinatie van politieke met economische stakingen, een periode die haar hoogtepunt bereikt in de revolutionaire beweging van 1905 in Rusland. Inderdaad, zoals Rosa Luxemburg benadrukt (11), “is het pas in een revolutionaire situatie, met de ontwikkeling van de politieke actie van het proletariaat, dat het belang en de omvang van de massastaking in hun volle omvang veschijnen.” Meer dan wie ook, met uitzondering van Pannekoek (zie verderop), wist Luxemburg in haar strijdschrift tegen de revisionisten de gelijkaardigheid te tonen van de strijd, dat wil zeggen de aard van het verschijnsel in zijn gelijktijdigheid over heel Europa aan het begin van de eeuw, Nederland daarbij inbegrepen, en tot op het Amerikaanse continent:
“In het jaar 1900 de massastaking van de mijnwerkers van Pennsylvania die volgens de Amerikaanse kameraden meer gedaan heeft voor de verspreiding van socialistische ideeën dan tien jaar agitatie; ook in 1900 de massastaking van de mijnwerkers in Oostenrijk, in 1902 massastaking van de mijnwerkers in Frankrijk, 1902 algemene staking van de volledige produktie in Barcelona, ter ondersteuning van de strijdende metaalarbeiders, 1902 demonstratieve massastaking in Zweden voor algemeen en gelijk stemrecht, 1902 in België massastaking voor algemeen en gelijk stemrecht; 1902 massastaking van de landarbeiders in heel oostelijk Galicië (meer dan 200.000) ter verdediging van het vakverenigingsrecht, januari en april 1903 twee massastakingen van de spoorwegpersoneel in Nederland, 1904 demassastaking van de spoorwegpersoneel in Hongarije, 1904 demonstratieve massastaking in Italië uit protest tegen de slachtingen in Sardinië, in januari 1905 massastaking van de mijnwerkers in het Ruhrbekken, in oktober 1905 demonstratieve massastaking in Praag en omgeving (100.000 arbeiders) voor algemeen stemrecht in het Boheems parlement, in oktober 1905 demonstratieve massastaking in Lemberg (Lvov) voor algemeen gelijk stemrecht voor het Galicisch parlement, in november 1905 demonstratieve massastaking in heel Oostenrijk voor algemeen gelijk stemrecht voor de Rijksraad, 1905 massastaking van de landsarbeiders in Italië, 1905 massastaking van het spoorwegpersoneel in Italië...” (12).
De massastaking bereidt voor op de politieke confrontatie met de staat, en stelt zo het vraagstuk van de revolutie aan de orde van de dag. Ze drukt niet alleen de ‘revolutionaire energie’ en het ‘proletarisch instinct’ van de arbeidersmassa’s uit, zoals Gorter benadrukte na de staking van 1903 (13), maar ze betekent ook een diepgaande wijziging in de situatie aan het begin van de eeuw: “Wij hebben alle reden om te denken dat we nu begonnen zijn aan een periode van strijd die de instellingen en de macht van de staat als inzet hebben; gevechten die afhankelijk van allerlei wederwarigheden decennia kunnen duren, waarvan de vormen en de duur voor het ogenblik nog niet overzien kunnen worden, maar die, hoogstwaarschijnlijk, op korte termijn fundamentele veranderingen teweeg zullen brengen in de krachtsverhoudingen ten gunste van het proletariaat, zo al niet het vestigen van zijn macht in West Europa.”
Deze opmerkingen van Kautsky in zijn boek ‘De weg naar de macht’ zullen door de Hollandse Linkerzijde tot de hare worden gemaakt, tegen Kautsky en tegen zijn medestanders in Nederland zoals Troelstra en Vliegen. De staking van 1903 stelde inderdaad het alternatief ‘hervorming of revolutie’ en mondde binnen de SDAP onvermijdelijk uit op een confrontatie met de reformisten die niet alleen de revolutionaire geest van de partij verraadden, maar ook de onmiddellijke strijd.
(1) Het was niet ongebruikelijk dat de arbeiders zes dagen per week veertien uur per dag werkten. Over de onmenselijke omstandigheden van de transportarbeiders en de ontwikkeling van de Nederlandse arbeidersbeweging, zie: De Spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland, A.J.C. Rüter, Leiden, 1935; herdruk SUN-reprints, Nijmegen.
(2) De beroepsbonden, een erfenis uit de ambachtelijke periode van de arbeidersbeweging, werden geleidelijk vervangen door industriebonden. Deze verenigden alle arbeiders per industrietak, ongeacht het beroep dat ze uitoefenden. De ontwikkeling van de massastaking aan het begin van de twintigste eeuw zou evenwel aantonen dat - in open strijd tegen het kapitaal - de organisatie via industrietakken al was voorbijgestreefd door de massaorganisatie van arbeiders van alle takken. De idee van een ‘grote vakbond’, zoals gepropageerd door de Amerikaanse IWW zou al snel ontoereikend blijken, doordat ze zich enkel richtte op de economische strijd per tak, terwijl de massastaking ertoe neigde politiek ter worden door de botsing van een hele klasse, en niet van enkele delen ervan, met de staat.
(3) Zie Albert De Jong, De Spoorstaking van 1903, Den Haag, 1953. Een libertaire visie op de spoorstaking.
(4) Zie Rüter, op. cit. p. 260-263. Pannekoek vertelt over de staking op zeer levendige wijze vanuit marxistische en niet vanuit universitair standpunt in zijn Herinneringen, eerder geciteerd p. 86-93. Hij toont heel goed het spontaan opduiken van het stakingscomité en de snelle uitbreiding van de beweging aan.
(5) Zie De Jong, op. cit. p. 17-19.
(6) De anarcho-syndicalisten hadden een veel vastbeslotener houding in de staking; maar ze bleven gevangen in hun theorie van de algemene staking. In de praktijk hadden de anarcho-syndicalisten van het NAS die deel uitmaakten van de Comité van Verweer een weifelende houding en waren ze ‘rechtser’ dan de basis.
(7) Wat nu? in dagblad Het Volk van 17 maart 1903.
(8) Antwoord van Pannekoek aan Troelstra, in Het Volk van 26 maart. Zonder het woord verraad te gebruiken klaagde Pannekoek de “misdaad tegen de eenheid” aan, “de schade aan de arbeidersbeweging berokkend” en de “schande voor de partij”.
(9) Deze vreugde van de strijd noemde Henriëtte Roland Holst kenmerkend voor de massastaking: “Meer dan de organisatie, de strijdvaardigheid, was het in het begin van de twintigste eeuw een plezier te strijden met de arbeiders van Nederland”, wat zich vertaald in “spontaan verzet op grotere en kleinere schaal” (Kapitaal en arbeid, op. cit.).
(10) Het voortbestaan van het anarchisme en de ontwikkeling van het revolutionair syndicalisme was de prijs die betaald werd voor het opportunisme in de socialistische arbeidersbeweging. Toch zouden vele revolutionaire syndicalisten zich in Nederland, net als in bijvoorbeeld Frankrijk en Spanje, zich na 1920 aan de kant scharen van de Kommunistische Partij.
(11) Rosa Luxemburg, Theorie en praktijk, in Die Neue Zeit, 1910, overgedrukt in: Die Massenstreikdebatte, Frankfurt, 1970, met een inleiding van Antonia Grunenberg, en in Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 2, p. 378-420.
(12) Ibid., Gesammelte Werke, p. 404.
(13) Tussenkomst van Gorter op het Negende Congres van de SDAP in 1903, Protocol van het Congres, p. 17 en 19, aangehaald door Rüter, op. cit. p. 572.
(14) Uittreksels van Kautsky, aangehaald door Rosa Luxemburg in haar artikel Theorie en praktijk. De standpunten van Kautsky ten gunste van de revolutie worden door Rosa polemisch te berde gebracht. De weg naar de macht, geschreven in 1909, is de zwanenzang van de ‘paus van het marxisme’.
Na Argentinië in 2001/2002 is het nu de beurt aan Bolivia om het schouwspel te zijn van bloedige ‘volks’-revoltes. Van de 8,8 miljoen inwoners leeft 70% onder de armoedegrens leven en Bolivië is de armste staat van Zuid-Amerika.
Zoals vele landen vandaag overleeft Bolivia onder het toedienen van kredieten die het Internationale Monetaire Fonds verleent in ruil voor het doorvoeren van soberheidsmaatregelen om de immer groeiende schuldenlast af te betalen. Na de ineenstorting van de Argentijnse economie, een overduidelijke uiting van het bankroet van het kapitalisme (1), zinkt Bolivia (waarvan we via de burgerlijke pers vernemen dat het geniet van een specifiek hulpprogramma voor de arme landen die tot hun nek in de schulden zitten) steeds dieper weg in het moeras. Sinds 1999 is de werkloosheidsgraad verdubbeld. In een context waarin de meerderheid van de bevolking over minder dan twee dollar per maand beschikt kan de verbittering elk moment omslaan in een sociale uitbarsting. Reeds in januari-februari 2003 had het leger de betogingen van de arbeiders onderdrukt, waarbij meer dan 20 doden vielen, volgend op de aankondiging van een begrotingsverlaging en een extra heffing van 12,5% op de lonen voor de 750.000 ambtenaren die het land telt.
Dit keer vormde het voornemen om aardgas via Chila naar de Verenigde Staten en Mexico uit te voeren aanleiding voor de opstand van de bevolking. Vooral de boeren kwamen op de been tegen het plan van de regering om met behulp van de Verenigde Staten de cocateelt uit te bannen. Deze in meerderheid uit boeren bestaande volksrevolte, waarbij zich vervolgens studenten, arbeiders uit het onderwijs en de mijnen mengden, brak uit in de stad La Paz, waar de regering zetelt, en in El Alto, in de arme buitenwijk van de hoofdstad. Vervolgens breidde hij uit naar de voornaamste Boliviaanse steden. De botsingen tussen de bevolking en het leger, die meer dan een maand duurden, gaven aanleiding tot een ware slachting: meer dan 80 doden en honderden gewonden.
De revolutionairen kunnen niet anders dan een dergelijk barbarendom aanklagen en hun volle solidariteit betuigen, in het bijzonder met de arbeiders en hun familie, de slachtoffers van deze slachtpartij. Maar tezelfdertijd moeten ze naar voeren brengen dat deze strijd geen versterking betekent voor het proletariaat voorzover hij verwaterde in een ‘protestbeweging van de bevolking’. Het ontslag van de regering Sánchez de Lozada is geen “overwinning voor het Bolivia van onderop”, zoals de krant Libération van 22 oktober titelt, maar een overwinning voor de linkse burgerlijke partijen van Bolivia die deze ‘volks’revolte uitlokten en onder controle hielden.
In tegenstelling tot de strijd in februari, waarover de burgerlijke pers weinig meedeelde, toen de arbeiders reageerden op hun eigen klassenterrein en ter verdediging van hun levensvoorwaarden, zijn ze deze keer ondergedompeld in een beweging waarbinnen zij geen enkel belang te verdedigen hadden. De Boliviaanse linksen sleurden de bevolking en de arbeiders mee in een nationalistische strijd voor de verdediging van het Boliviaanse gas. Het zijn de Boliviaanse arbeiderscentrale (COB), de eenheidsvakbondsconfederatie van de landarbeiders (CSUTCB) en de beweging naar het socialisme (MAS), geleid door Evo Morales (spilfiguur in de strijd tegen de mondialisering van Zuid-Amerika en als indiaans leider verdediger van de kleine coca-telers), die net zo goed als de regering en het leger verantwoordelijk zijn voor dit bloedbad. Door op te roepen om te betogen rond het thema “het Boliviaans gas voor de Bolivianen” worden vooral nationalistische en anti-Chileense gevoelens opgeklopt (Bolivia verloor in de negentiende eeuw een deel van zijn territorium en daarbij zijn toegang tot de Stille Oceaan ten gunste van Chili, tijdens een oorlog waarin deze twee landen tegenover elkaar stonden) omdat de gasleiding zou worden aangelegd in de richting van een Chileense haven om de gas uit te voeren naar de Verenigde Staten(2).
Bovenop dit verachtelijke nationalisme dat Boliviaans links als een gif verspreidt binnen de arbeidersklasse komt het vraagstuk van het uitbannen van de coca, dat, zelfs wanneer het onmiddellijk vlak de boeren nog verder in de ellende zal storten, niets van doen heeft met de arbeidersstrijd in Bolivia noch ergens anders. Hetzelfde geldt voor het binnenkort bijeenroepen van een grondwetgevende vergadering door de nieuwe Boliviaanse regering van Carlos Mesa waardoor de Indiaanse bevolkingsgroepen beter vertegenwoordigd zouden kunnen worden in het burgerlijk parlement. Want ook dat betekent een versterking van de burgerlijke democratie, maar in geen geval van de arbeidersklasse. We hoeven er niet aan te twijfelen dat het trouwens in deze grondwetgevende vergadering zal zijn dat de aanstaande soberheidsmaatregelen tegen de arbeidersklasse genomen zullen worden, in naam van de verdediging van de staat en het Boliviaanse vaderland.
Zo vertegenwoordigen de gebeurtenissen in Bolivia op geen enkele wijze een overwinning voor het proletariaat, maar ze zijn in tegendeel een overwinning voor de burgerlijke democratieën en voornamelijk van haar partijen van links en ultra-links. Men kan niet anders dan deze beweging in Bolivia te vergelijken met de beweging van 2001 in Argentinië, waar de arbeidersklasse eveneens verdronken werd in een beweging van klassensamenwerking (3).
De beweging die we zojuist in Bolivië hebben gezien is geen krachtige beweging van het proletariaat waarin de andere niet-uitbuitende lagen van de bevolking op sleeptouw werden genomen. In tegendeel, het zijn vooral de boeren en de ‘cocaleros’ (coca-producenten) die onder de banier van vakbonden en linkse partijen de revolte leidden. De arbeiders werden ondergedompeld in een beweging zonder ander resultaat dan de versterking van de burgerlijke democratie.
In een revolte van klassensamenwerking ‘van de bevolking’ kan de arbeidersklasse slechts worden gebruikt worden als kanonnenvlees, zoals bevestigd wordt door de recente repressie. Haar eigen perspectief kan daarin alleen maar ten onder gaan. Enkel de zelfstandige arbeidersstrijd, zelfs al is het maar in een kiemvorm, opent echte perspectieven en kan een alternatief bieden voor de andere uitgebuite lagen van de maatschappij n
Donald / 24.11.2003
(1) Zie het artikel: ’Volksrevoltes’ in Argentinië: enkel de bevestiging van het proletariaat op zijn eigen klasse-terrein, kan de bourgeoisie doen terugdringen, Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 109, tweede kwartaal 2002.
(2) In verband daarmee kunnen we een stellingname citeren die wij onlangs ontvingen over de Boliviaanse revolte, van een groep die pas is ontstaan, Núcleo Comunista Internacional: “Men kan zijn best doen om deze ‘oorlog om het gas’ voor te stellen voor wat hij niet is, want hij heeft geen proletarische inhoud, noch de minste tendens van een perspectief tegen het kapitalisme in verval [...]. Het nationalisme of de verstaatsing van de gasvelden, of de verandering van de wet op de brandstoffen, dat heeft helemaal niets te maken met socialisatie van de productiekrachten. Het is de politiek van het staat in het kapitalisme om de basiswetten van het kapitalisme en de uitbuiting in handen te nemen, te behouden, in stand te houden.”
(3) Zoals de Argentijnse groep Núcleo Comunista Internacional nogmaals vaststelt: “De gebeurtenissen in Bolivia vertonen een grote gelijkenis met die van Argentinië in 2001, waarbij het proletariaat niet alleen werd bedolven onder de ordewoorden van de kleinburgerij, maar ook door het feit dat dergelijke ‘volksbewegingen’ hebben, zoals in het geval van Argentinië, net zoals dat van Bolivia, een vrij reactionaire tendens, wanneer ze het vraagstuk van de wederopbouw van de natie stellen, of dat van het buitensmijten van ‘gringos’ en ze daarbij eisen dat de natuurlijke reserve toekomt aan de Boliviaanse staat.”
In de eerste tien maanden van 2003 is er op grote schaal strijd gevoerd. Arbeiders uit een hele serie sectoren streden met een vastberadenheid die we niet meer gezien hadden sinds de jaren 1980. In Mei en Juni zagen we in Frankrijk miljoenen arbeiders demonstreren tegen de aanvallen op de pensioenen. In Oostenrijk waren er eveneens demonstraties, die ook gericht waren tegen de aanvallen op de pensioenen. Deze demonstraties culmineerden op 3 Juni in de grootste demonstratie sinds de Tweede Wereldoorlog, toen een miljoen mensen de straat opgingen (en dat in een land met minder dan tien miljoen inwoners).
Er heeft ook belangrijke, niet-officiële, geïsoleerde, spontane strijd plaatsgevonden. Zoals: de wilde staking van de arbeiders van British Airways op de luchthaven Heathrow; de niet‑officiële staking in Juni bij Alcatel‑Espace in Toulouse, waaraan 1.000 arbeiders deelnamen; de 2.000 contractarbeiders van de olieraffinaderij in Puertollano (Spanje) die staakten na een ongeluk dat zeven arbeiders doodde. In September begonnen 2.000 arbeiders van de Humberside scheepswerven, uit drie verschillende firma’s, aan een wilde staking om 98 arbeiders van een onderaannemer te steunen, die ontslagen waren omdat ze een loonsverhoging van nauwelijks €2,50 hadden geëist. Bovendien was er de staking bij het postbedrijf in Groot‑Brittannië waaraan minstens 20.000 arbeiders meededen. Er is steeds meer strijd in de meeste Europese landen, en ook in de Verenigde Staten. In California (Verenigde Staten) zijn er bijvoorbeeld stakingen geweest bij het openbaar vervoer van Los Angeles waarbij door solidariteitsacties bus‑, metro‑ en light-raillijnen werden afgesneden. Een staking door 70.000 supermarktarbeiders in California raakte bijna 900 winkels. Voor het eerst in 25 jaar kwam er daar zo’n actie tot stand. In Griekenland zagen we ook een serie van stakingen bij de overheid. Duizenden arbeiders, waaronder leraren, arbeiders uit de gezondheidszorg, brandweermannen en kustwachten waren er bij betrokken. Andere lagen, zoals 15.000 taxi chauffeurs hebben ook gestaakt en gedemonstreerd. Na 14 jaar zonder mobilisaties op grote schaal, na laagterecords op het vlak van stakingen in de grote kapitalistische landen, na het proclameren door de heersende klasse van het einde van de klassenstrijd, laten de recente strijdvoorbeelden zien dat de sociale situatie aan het veranderen is.
Om de betekenis en de gevolgen van deze gevechten te kunnen begrijpen is het noodzakelijk om ze in hun historische context te plaatsen. Op het onmiddellijke vlak zijn de gevechten niet zo verschillend van die uit de periode sinds 1989. In 1993 waren er grote demonstraties in Italië tegen de aanvallen op de pensioenen. In 1995 waren er in Frankrijk grootscheepse klassenbewegingen die reageerden op vergelijkbare aanvallen. Echter, ditjaar zien we gelijktijdige bewegingen, gevechten die elkaar opvolgen, de groei van kleine maar belangrijke niet‑officiële gevechten. Bovenal ontwikkelen deze gevechten zich in een context van groeiende onvrede in de arbeidersklasse over de vraag wat het kapitalisme heb in de toekomst nog te bieden heeft. In de strijd werden vergelijkingen gemaakt met Mei 1968. We zien dit jaar niet als een nieuw 1968, maar de vergelijking onderstreept het belang van het begin van het ter discussie stellen van het kapitalisme door de arbeiders.
“In 1968 was een van de belangrijkste factoren, in de herrijzenis van de arbeidersklasse en haar strijd op het toneel van de internationale geschiedenis, de brutale beëindiging van de illusies die gekweekt waren in de wederopbouwperiode. Voor een hele generatie van de arbeidersklasse had deze wederopbouw gezorgd voor volledige werkgelegenheid en een duidelijke verbetering van de levensomstandigheden, na de werkloosheid van de jaren 1930 en de rantsoenering en de honger tijdens en vlak na de oorlog. Direct na de eerste uitingen van de open crisis werd de arbeidersklasse aangevallen. Niet alleen op zijn arbeids‑ en levensvoorwaarden, maar ook wat betreft het blokkeren van de toekomstperspectieven. Een nieuwe periode van toenemende economische en sociale stagnatie was het resultaat van de wereldcrisis. De schaal van de arbeidersstrijd na Mei 1968 en het opnieuw verschijnen van het revolutionair perspectief toont aan dat de burgerlijke mystificaties over de ‘consumentenmaatschappij’ en de ‘verburgerlijking’ van de arbeidersklasse afsleten. Alle verhoudingen in acht genomen is het zo dat er overeenkomsten zijn tussen de huidige aanvallen en de situatie toen. Overduidelijk is het dat we de twee perioden niet aan elkaar gelijk kunnen stellen. 1968 was een grootse historische gebeurtenis die het einde van meer dan veertig jaar contrarevolutie markeerde. De uitwerking op het internationale proletariaat was onvergelijkbaar veel groter dan die van de huidige situatie. Desondanks zien we vandaag de ineenstorting van datgene wat een troost moest zijn, de mogelijkheid om na jaren te hebben verkeerd in de gevangenis van de loonarbeid, met pensioen te gaan op een leeftijd van zestig jaar, en de mogelijkheid om dan nog van het leven te genieten zonder materiele zorgen. Nu zijn de arbeiders gedwongen de illusie te verlaten dat ze in de laatste jaren van hun leven kunnen ontsnappen aan, wat in toenemende mate wordt gezien als een bezoeking: een werkomgeving waarin er altijd te weinig mensen voor de hoeveelheid werk zijn, de hoeveelheid werk die steeds toeneemt, en het arbeidstempo dat steeds verder wordt opgeschroefd. Ofwel ze zullen langer moeten doorwerken, wat een verkorting betekent van de periode waarin ze hoopten te ontsnappen aan de loonarbeid, of, omdat ze niet lang genoeg hebben bijgedragen, zullen ze worden teruggebracht tot een staat van extreme armoede, waarbij overwerk wordt opgevolgd door ontberingen. Iedere arbeider moet zich zo dingen gaan afvragen voor zijn toekomst.” (De massale aanvallen van het kapitaal vereisen een massaal antwoord van de arbeidersklasse, in Internationale Revue, Engels, Frans- en Spaanstalige uitgaven, nr. 114).
Deze ongerustheid wordt nog versterkt door de ervaringen die het proletariaat al veertien jaar opdoet. Na de ineenstorting van het Oostblok werd het proletariaat sterk teruggeworpen. De ineenstorting en de verandering van de gehele internationale situatie, waarbij de wereld overspoeld werd met chaos, veroorzaakte bij de arbeiders een gevoel van hulpeloosheid. Tegelijkertijd gebruikte de heersende klasse de ineenstorting en de toenemende economische ‘boom’ van de jaren 1990 om het idee ingang te doen vinden dat de klassenstrijd dood is en dat de arbeiders zichzelf moeten zien als ‘verantwoordelijk burger’. Deze campagnes botsten aan het begin van de nieuwe eeuw met de realiteit van de recessie die gepaard ging met het barsten van de internetluchtbel en golven van ontslagen in de Verenigde Staten, Europa en de rest van de wereld. Tegelijkertijd, in geheel Europa, de Verenigde Staten en elders, zet de kapitalistische staat de welvaartsstaat op de helling. Er wordt gesneden in werkeloosheid‑ en andere uitkeringen, er wordt gekort in de pensioenen, de gezondheidszorg en et onderwijs worden aangevallen. Dit alles laat de arbeidersklasse zien wat het kapitalisme te bieden heeft en het maakt de arbeiders vastbesloten om te antwoorden op de aanvallen op de pensioenen en andere sociale uitkeringen.
De kleinere, geïsoleerde, niet‑officiële strijd brengt een toenemende onvrede in het proletariaat tot uiting, gericht tegen het accepteren van aanvallen die opgelegd worden door bazen en vakbonden. De check‑in staff op Heathrow, die niet bekend staat om zijn strijdbaarheid, was simpelweg niet meer in staat weer een nieuwe aanval en de medeplichtigheid van de vakbonden te slikken. Daarom verlieten de arbeiders hun werk. Het feit dat zo’n klein aantal arbeiders zo’n grote ongerustheid kon veroorzaken bij de bazen, de vakbonden en de media is een tekenend voorbeeld van het feit dat de heersende klasse weet dat er iets aan het veranderen is in de sociale situatie.
De mogelijkheden van de nieuwe situatie zijn van historisch belang. We zijn nu niet in dezelfde situatie als in 1968, de klasse komt niet uit de periode van decennialange nederlagen, maar uit iets meer dan een decennium van terugval. Voor 1989 waren er twintig jaar lang steeds golven van strijd. Dus, de huidige generatie arbeiders kan terugvallen op een ‘reservoir’ van meer dan dertig jaar ervaring van confrontaties met aanvallen en manoeuvres van de heersende klasse. Dit, gecombineerd met de vragen die worden gesteld door de toename van de alomvattendheid van de aanvallen, kunnen de voorwaarden scheppen voor belangrijke stappen in de richting van eventueel beslissende klassenconfrontaties tussen het proletariaat en de bourgeoisie die bepalend zullen zijn voor het vermogen van het proletariaat om al dan niet tot een revolutionair offensief over te gaan.
In het centrum van dit perspectief staat de mogelijkheid van het proletariaat om zijn klassenidentiteit terug te vinden en te versterken. Met ‘klassenidentiteit’ bedoelen we het begrip dat men tot een klasse behoort, een klasse met gemeenschappelijk te verdedigen belangen. Dit klassenbegrip is de basis om de strijd eventueel op een hoger niveau van uitbreiding en zelforganisatie te brengen.
De aard van de huidige aanvallen legt daarvoor de basis. De ontmanteling van de ‘sociale buffers’ van de welvaartsstaat, samen met de toename van de uitbuiting in de fabrieken, kantoren, ziekenhuizen enzovoort en de groei van de massawerkloosheid (meer dan vijf miljoen in Duitsland, 10% van de werkende bevolking, een niveau van ontslagen dat tientallen jaren ongekend was in de Verenigde Staten, 800.000 fabrieksbanen verdwenen in Groot‑Brittannië sinds 1997, enzovoort), confronteren de arbeidersklasse met de harde waarheid van het kapitalisme: ofwel je werkt je te pletter om meerwaarde te produceren of je verrot in armoede. Al decennialang probeert de heersende klasse de welvaartsstaat te gebruiken om de impact van het kapitalisme op de arbeidersklasse te verzachten, maar steeds duidelijker wordt hoeveel waarheid er zat in de woordendie Marx in Het Kapitaal schreef: “De kapitalistische warenproductie is de eerste economische formatie in de geschiedenis van de mensheid waarin de werkloosheid en de vernietiging van een groot en groeiend deel van de bevolking, en de directe hulpeloze armoede van een ander deel dat ook groeit, niet enkel het resultaat is van, maar ook een noodzaak is voor het voortbestaan van deze economie. De onzekerheid van het bestaan van de hele werkende bevolking en de chronische behoeftigheid [...] zijn voor het eerst een normaal sociaal verschijnsel geworden” (Marx, Het Kapitaal, deel 1).
De heersende klasse is zich bewust van het gevaar dat de arbeidersklasse voor haar vormt. De kapitalistische staat heeft dan ook een heel apparaat ter beschikking om met acties vanuit de arbeidersklasse om te gaan: vakbonden, democratie, ultralinks, gerechtshoven, politie enzovoort. Desalniettemin is het haar grootste angst dat de arbeidersklasse zijn klassenidentiteit zal ontwikkelen, en op basis daarvan politieke vragen over de aard van het kapitalisme en de noodzaak voor een alternatief zal gaan opwerpen. Dus, toen de Franse bourgeoisie een frontale aanval op de arbeidersklasse moest uitvoeren deed ze er alles aan om te voorkomen dat dit zou leiden tot het ontstaan van een begin van klassenidentiteit. De vakbonden en links stelden de strijd voor als een tegen een ‘hard line’ rechtse regering, meer dan dat het kapitalisme zelf de oorzaak zou zijn. Alle sectoren van de bevolking werden gemobiliseerd. En ze stelden de leraren ten voorbeeld, hun strijd leed een bittere nederlaag. In Oostenrijk waren de vakbonden eveneens in staat de woede op te sluiten in demonstraties en beperkte stakingen. De heersende klasse in Duitsland gebruikte de strijd in Frankrijk en Oostenrijk om een gevecht van de machinearbeiders in het oosten uit te lokken. Door hen hetzelfde loon als in het westen te laten eisen werd de verdeling opgestookt. Ze was ook in staat de woede van de arbeiders te richten tegen andere arbeiders die niet aan de staking meededen. Deze laatste aanval was een uiting van het grotere probleem van de maatschappelijke ontbinding dat de arbeidersklasse zal tegenkomen in haar gevechten. Het toenemende verval van het sociale netwerk werkt de ontwikkeling van klassenbewustzijn tegen, omdat het de ideeën over ‘ieder tegen allen’ versterkt. Elk individu en elke sector wordt aangemoedigd zich enkel met zijn eigen overleving bezig te houden, zelfs als dat betekent dat medearbeiders naar beneden moeten worden getrapt. Tijdens de onderwijsstaking in Frankrijk moedigde de vakbonden het idee aan dat de meest militante arbeiders de staking moesten opleggen aan de andere arbeiders, door scholen en wegen te blokkeren enzovoort. Dit leidde tot vijandigheid tussen de arbeiders, en tot ontmoediging. De heersende klasse is erg doortrapt en heeft veel ervaring in de strijd tegen de arbeidersklasse waar ze op terug kan vallen. Het is van het grootste belang dit te begrijpen, omdat als men de capaciteiten van de klassenvijand onderschat men het proletariaat ontwapent. De huidige gevechten zijn enkel de eerste aarzelende stappen in de richting van het openen van een periode van een mogelijke ontwikkeling van de klassenstrijd. De bourgeoisie zal alles doen wat ze kan om de strijdbaarheid en de verdieping van het bewustzijn in de arbeidersklasse te ondermijnen, af te leiden en te corrumperen. De arbeidersklasse wordt geconfronteerd met een enorme uitdaging. Er zal een lange en zeer moeizame ontwikkeling van de gevechten gaan plaatsvinden, gemarkeerd door nederlagen en kenteringen. De arbeiders zullen moeten optornen tegen de vernietigende effecten van de zich verdiepende crisis: massa werkloosheid en armoede. De strijd aangaan is een zeer moeilijk proces, maar de serieuze reflectie die de ontwikkeling van de strijd moet vergezellen zal deze meer politiek belag geven. De ontwikkeling van de strijd zal het proletariaat eveneens in staat stellen te beginnen met het trekken van de lessen die ze bezig was te leren in de jaren 1980, met name over de rol van de vakbonden en de noodzaak de strijd uit te breiden over de grenzen van de sectoren heen. Het hele proces zal gevoed en gestimuleerd worden door bredere in vraagstelling van het kapitalistische systeem. De veranderende sociale situatie vertegenwoordigt een belangrijke historische uitdaging, maar er is geen enkele garantie dat de klasse en haar revolutionaire minderheden in staat zullen zijn deze uitdaging met goed gevolg aan te gaan. Het zal afhangen van de vastberadenheid en de wil van de klasse en haar minderheden.
Phil / 01.11.2003
Om de toestand in de wereld te beoordelen volstaat één vraag: welke gebeurtenissen kenmerkten het jaar 2003 het meest? Wat betekent dat?
De vermenigvuldiging van oorlogen en aanslagen in alle hoeken van de planeet hebben steeds grotere delen van de bevolking op een permanente wijze overgeleverd aan moordpartijen en terreur, aan chaos en oorlogsbarbarij. De nieuwe dodelijke oorlog in Irak in maart 2003 heeft het land in een bloedige chaos gestort die nog lang niet onder controle is. Ook de arrestatie van Saddam Hussein zal hieraan niets kunnen veranderen. Het Nabije Oosten is nog steeds ten prooi aan een verscherping van het geweld in het Israëlisch-Palestijns conflict dat steeds meer uitzichtloos lijkt. De kamikazeacties en terroristisch aanslagen die de bevolking blindelings treffen, zijn zodanig veralgemeend dat ze intussen op onverschillig welke plaats ter wereld kunnen toeslaan
In tegenstelling tot alle officiële geruststellende praatjes en vredesbeloften is het duidelijk dat de wereld in een steeds bloediger oorlogsbarbarij wegzinkt. Het aantal slachtoffers van deze barbaarsheid wordt steeds groter. Bij de hel van terreur, vernieling, moordpartijen en verminkingen in de landen die er het meest door worden getroffen, voegt zich nog een afdaling in de meest afgrijselijke misère. De overheersing van deze barbarij over een groot deel van de aardbol valt samen met een ongeziene versnelling van de aanvallen tegen de arbeidersklasse in de centrale industrielanden van het kapitalisme.
Of ze nu van linkse of rechtse signatuur zijn, of het nu in Frankrijk, in Oostenrijk, Duitsland of Brazilië, en vandaag in Italië is: alle regeringen treffen overal dezelfde maatregelen. Terwijl de werkloosheid blijft stijgen en steeds ergere ontslagplannen elkaar blijven opvolgen, terwijl de nepbaantjes zich als een olievlek verspreiden, onthult de aard zelf van deze aanvallen steeds schriller het bankroet van het systeem. Niet alleen smijt het kapitalisme steeds grotere delen van arbeidersklasse op straat, maar het blijkt ook steeds minder in staat te zijn om hen van de meest elementaire bestaansmiddelen te voorzien. De bourgeoisie valt tegelijkertijd de pensioenen en de gezondheid van de proletariërs aan, de uitkeringen van al diegenen die al werkloos werden gemaakt. Ze doet dat op een gelijktijdige, massale en frontale wijze, terwijl de arbeidsvoorwaarden verslechteren en de koopkracht in volle snelheid verwatert. Steeds meer arbeidersfamilies zinken steeds sneller in de ellende.
De ongeziene omvang en diepte van de aanvallen van de bourgeoisie op de arbeidersklasse brengen aan het licht dat het kapitalisme onvermijdelijk wegzinkt in de stuiptrekkingen van zijn wereldcrisis. De bourgeoisie toont steeds duidelijker dat ze niet meer over de middelen beschikt om haar aanvallen op de meest vitale levensvoorwaarden van de arbeidersklasse op een ‘gedoseerde’ wijze en stapje voor stapje uit te voeren.
Het kapitalisme is verplicht om steeds openlijker zijn bankroet te ontsluieren. De dramatische versnelling van deze toestand op de gehele wereld bewijst niet alleen dat dit uitbuitingssysteem niet in staat is om de mensheid een lotsverbetering te bieden, maar dat het bovendien de mensheid permanent dreigt te laten wegzinken in een maalstroom van ellende en barbarij. Tegenover de ernst van wat er op spel staat, bestaat er slechts één uitweg: de omverwerping van dit systeem door de enige klasse die niets anders te verliezen heeft dan de ketenen van zijn uitbuiting, het proletariaat. De arbeidersklasse heeft nog altijd de sleutel van de toekomst in handen. Zij alleen beschikt over de middelen om de mensheid uit deze impasse te halen. Zij is de enige klasse die historisch in staat is om zich op te werpen tegen het voortbestaan van dit uitbuitingssysteem. Zij is de enige klasse van de geschiedenis die zelf een andere maatschappij in zich draagt waarvan de motor niet langer de winst en de uitbuiting zijn maar het voldoen aan de menselijke behoeften. Tegenover het onafwendbaar wegzinken in ellende en barbarij zal de ontwikkeling van de strijd op haar klasseterrein, om zich te verdedigen tegen de aanvallen van de bourgeoisie, een ander perspectief kunnen doen opbloeien voor de mensheid.
Ondanks de tijdelijke nederlaag die de proletariërs hebben opgelopen, heeft de arbeidersstrijd die in het voorjaar van 2003 werd begonnen in Oostenrijk en Frankrijk, aangetoond dat alleen de arbeidersklasse in staat is om het hoofd te bieden aan de aanvallen, en vooral dat zij haar capaciteit heeft behouden om haar eigen revolutionair perspectief te bevestigen. De vrees van de bourgeoisie onthult volop de mogelijkheden van het proletariaat. De bourgeoisie weet maar al te goed dat zij in de komende jaren nog hardere aanvallen zal moeten doorvoeren en dat de arbeidersklasse geen andere keuze heeft dan haar strijd te ontwikkelen. Het is juist om dit te beletten, en vooral om te verhinderen dat de arbeidersklasse zich bewust wordt van het definitieve bankroet van het kapitalisme, dat de bourgeoisie het anders-globalisme (1) naar voren heeft geschoven. Deze misleiding is er op gericht om de arbeidersklasse te doen geloven dat een ‘andere wereld’ mogelijk zou zijn binnen het kader van een ‘ander beheer’ van het kapitalisme. Zij heeft als doel om verwarring te zaaien, om de ontwikkeling van het inzicht te belemmeren dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om het systeem te verbeteren of het wezenlijk te hervormen.
De toekomst van de wereld ligt in de handen van de arbeidersklasse. Hieraan herinnerde al het Manifest van de IKS, dat meer dan twaalf jaar geleden werd geschreven en dat meer dan ooit geldig is voor de komende jaren: “Kommunistische revolutie of vernietiging van de mensheid: Nooit in de geschiedenis zijn de keuzes zo dramatisch en beslissend geweest. Nog nooit heeft een sociale klasse een dergelijke verantwoordelijkheid gedragen zoals het proletariaat nu” (2). Maar meer nog dan van deze noodzaak moet de arbeidersklasse zich bewust worden van het feit dat zij volop over de mogelijkheden beschikt om haar strijd te ontwikkelen en deze gigantische taak tot een goed eind te brengen.
IKS, januari 2004
(naar het redactioneel van Révolution Internationale nr. 342, januari 2004)
(1) In het Frans ‘alter-mondialisme’ genoemd.
(2) Manifest van het Negende Congres van de I.K.S., zomer 1991, bijlage bij Internationalisme, nr. 171, te vinden op deze site.
In november was de IKS aanwezig op de jaarlijkse anarchistische boekenmarkt te Utrecht. Het anarchistische milieu trekt mensen aan die op zoek zijn naar revolutionaire alternatieven voor een kapitalisme dat steeds verder wegzinkt in een chaos van oorlog en ellende, in zijn eigen ontbinding. Wij denken dat we aan deze zoektocht een belangrijke bijdrage kunnen leveren vanuit de opvattingen van de kommunistische linkerzijde. Door politiek te argumenteren kunnen standpunten wederzijds worden verhelderd.
Veel aanwezigen vroegen zich bijvoorbeeld af of ze steun moesten verlenen aan de probleemloos aanwezige vertegenwoordigers van het van haat vervulde Baskische en Palestijnse nationalisme, of juist met de internationalisten die in dergelijke conflicten alle kampen in gelijke mate veroordelen. Moet men in de kwestie van de oorlog, zoals in Irak, een pacifistisch standpunt innemen, steun verlenen aan het anti-amerikanisme of anti-terrorisme of juist een internationalistisch standpunt innemen? Er waren vragen over de houding die kan worden ingenomen tegenover het ‘anders-globalisme’, dat het alternatief van een ‘betere wereld’ beweert te vertegenwoordigen, maar met louter ethisch gemotiveerde ‘mensen van goede wil’, zonder dat er een allang aanwezige kracht in de samenleving nodig zou zijn, een historische klasse, die voor haar eigen overleving ertoe gedreven wordt de samenleving om te wentelen.
We waren aanwezig om onze pers en standpunten in het openbaar te verdedigen voor geïnteresseerden die zich al dan niet tot het anarchistische milieu rekenen, die zich daartoe voelen aangetrokken of die er alleen op zoek zijn naar andere meningen; om met hen discussies aan te knopen en om deel te nemen aan openbare discussies als die er zouden zijn. Wanneer de organisatoren ons beletten onze pers te verkopen, dan waagden ze het niet om in een openbaar debat dat daar plaatsvond ons de mond te snoeren.
Onze poging om op deze markt met een boekentafel aanwezig te zijn werd door de anarchistische organisatoren met een ijzig stilzwijgen beantwoord. Er werd ons te verstaan gegeven dat zelfs de verkoop van onze pers op deze markt niet was toegestaan: de IKS zou immers een ‘anti‑anarchistische organisatie’ zijn. Daar staat tegenover dat Baskisch‑nationalistische en Palestijns nationalistische propaganda als naadloos op het officiële anarchisme aansluitend zonder problemen op deze markt kon worden geventileerd.
Het is niet nieuw dat onze aanwezigheid bij een dergelijk evenement wordt verhinderd of belemmerd. In feite probeert de IKS al sinds 1999 aanwezig te zijn op deze boekenmarkt, maar we stuiten daarbij telkens op organisatoren die iedere discussie onmogelijk proberen te maken en die - ijdel - willen beletten dat zelfs maar iemand van ons bestaan op de hoogte raakt. Zo werd ons in 1999 onmiddellijk verboden om binnen onze pers te verkopen en werd er ook nog een (mislukte) poging ondernomen om ons van de openbare weg te jagen die door deze anarchisten blijkbaar als hun privé‑eigendom wordt beschouwd. Dat leidde toen tot heftig protest van een enkele oudere anarchistische deelnemers die ons al heel lang kennen, die het beslist niet met ons eens zijn, maar die wel willen discussiëren, en die de organisatoren op niet mis te verstane wijze van ‘stalinistische praktijken’ betichtten. De ‘officiële’ anarchisten die deze boekenbeurs organiseren spelen namelijk precies de rol van de kapitalistische staat door ieder debat in de kiem te smoren en door methoden te hanteren als monddood maken, bedreigen en intimideren. Het voorwendsel dat we een ‘anti-anarchistische’ organisatie zouden zijn getuigt enkel van miachting voor het eigen publiek dat louter door eigen domheid bijzondere bescherming zou behoeven tegen de boze buitenwereld. Die houding van de organisatoren staat in volslagen tegenspraak tot de wil en de behoefte van veel van de bezoekers van deze markt om een open politiek debat willen aangaan, ter verheldering en juist weg van alle benepen obscurantisme.
We herinneren er aan dat de linkskommunisten en veel anarchisten voortdurend hebben deelgenomen aan elkaars openbare discussies; dat in Nederland bijvoorbeeld de anarchist Domela Nieuwenhuis in 1903 het debat met de linkskommunist Herman Gorter niet in het minst schuwde, net zo goed als de linkscommunisten traditioneel al decennialang aanwezig zijn op de anarchistische landdagen in Appelscha.
Wij hebben nooit onder stoelen of banken geschoven dat de IKS geen anarchistische maar een marxistische organisatie is die principiële verschillen kent met het anarchisme. Dat verschil in beginselen heeft ons echter nooit belet om met anarchisten het debat op te zoeken, net zo goed als we anarchisten die een serieus debat met ons willen aangaan altijd hebben begroet op onze openbarebijeenkomsten. Zonder debat is er geen politiek leven. Alleen door het debat aan te gaan is het mogelijk om lessen te trekken uit de historische strijdervaringen. Het is in het vuur van deze bewuste confrontaties van ideeën dat de verschillende beginselen, opvattingen, methoden en analyses voortdurend aan de toets der kritiek moeten worden onderworpen om ze verder te kunnen ontwikkelen. Maar daarvoor is er een politieke cultuur van open debat nodig dat door de anarchistische organisatoren van de Utrechtse boekenmarkt nu juist wordt gesaboteerd.
We willen al degenen die in serieus politiek debat zijn geïnteresseerd en die zich afkeren van dergelijke stalinistische praktijken, onverschillig met welke veren die worden getooid, aanmoedigen om de discussie met ons op te nemen en voort te zetten, om het debat te verbreden en uit te diepen.
IKS / 05.01.2004
De onderstaande uittreksels die wij hier in het kort bespreken komen uit de tekst Communalisme als alternatief, geschreven door Eric Eijglad, voorzitter van de ‘internationale raad voor het Communalisme’. De eerste twee delen ervan werden in vertaling gepubliceerd in nr. 2 en 3 van het Nederlandse tijdschrift Links Libertair Perspectief van de groep Democratisch Initiatief (DI). Deze tekst heeft de ambitie om de betekenis te bepalen van huidige bewegingen als het altermondialisme en die van de groenen en een balans op te maken van de grote ‘-ismes’ van de twintigste eeuw, zoals socialisme, kommunisme en anarchisme, en om voorstellen te doen voor strijdalternatieven. Voorbijgaand aan de schrijver en de organisatie die hij vertegenwoordigt is deze tekst tekenend voor de vraagstellingen en debatten die een heel milieu in Nederland maar ook elders bezighouden bij hun zoektocht naar een alternatief voor de barbarij van het kapitalistische systeem. Daarom begroeten we de geest van openheid, van het zoeken naar verheldering en samenhang van DI zoals die blijkt uit haar tijdschrift. Door deze tekst te publiceren met ons commentaar hebben we niets anders voor ogen dan deel te nemen aan deze inspanning van verheldering met al degenen die willen strijden voor een revolutionaire omwenteling van de samenleving. In deze krant bespreken wij eerst en vooral de opgemaakte balans: die van het huidige kapitalistische systeem en die van protestbewegingen als altermondialisme en ecologie. In een volgende aflevering zullen wij terugkomen op het voorgesteld alternatief, het communalisme, waarmee de IKS niet overeenstemt. Toch denken we dat de uittreksels van deze tekst interessante elementen bevat om een debat aan te gaan op zoek naar een werkelijke politieke samenhang.
Heeft het kapitalisme nog een toekomst voor de mensheid? Dat is de hamvraag die doorslaggevend is voor revolutionaire strijd. Dit vraagstuk vormt de kern van het eerste uittreksel:
“Het vooruitzicht dat kapitalisme "het einde van de geschiedenis", het hoogtepunt van de menselijke cultuur markeert, is uitermate somber. Het marktsysteem, voortgedreven door haar onophoudelijke behoefte om meer winst te genereren ten koste van zowel mensen en het miliue, veroorzaakt problemen die onze samenleving rusteloos achtervolgen. Ondanks dat de wereld tegenwoordig een ongekende capaciteit heeft om, voortgestuwd door een reeks verrijkende wetenschappelijke en technologische revoluties, een samenleving zonder materiële schaarste te vormen en draaiende te houden, moeten we nog steeds de belangrijke sociale problemen uitbuiten en onderdrukking oplossen. Want nu is slechts een klein percentage van de wereldbevolking in positie om van de voordelen van deze vooruitgang te genieten. Op hetzelfde moment breidt de markt zich uit naar nieuwe gebieden, in wanhopige pogingen om de onstilbare honger naar winsten te stillen - door haar economie te globaliseren en door ‘privaterings’-programma’s een flinke hap te nemen uit de publieke sector, terwijl commodificering het punt heeft bereikt waarop zelfs genen gepatenteerd, gekocht en verkocht kunnen worden voor geld. De rijken worden steeds rijker en de heersende minderheden vinden nog steeds nieuwe manieren om hun ondergeschikten te manipuleren om er mee in te stemmen dat ze overheerst worden, terwijl de vernietiging van onze natuurlijke omgeving afgrijselijke vormen begint aan te nemen. De samenleving wordt opgezet tegen zichzelf door een veelvoud aan hiërarchische stratificaties en tegen de natuur. De levensomstandigheden van een groot gedeelte van de mensheid zijn miserabel, oorlogvoering gaat maar door, sociale onzekerheid groeit, (een gevoel van) onmacht is wijdverspreid en onze steden zijn cultureel gezien aan het instorten; op hetzelfde moment zouden verstoringen van het klimaat en cyclische processen die het leven op aarde ondersteunen het voortbestaan van de mensen en andere complexe levensvormen in vraag kunnen stellen. Voor radicalen is de huidige verwerping van theorie en ideologie daarom hoogst verontrustend: in een samenleving die de meerderheid van de mensheid veroordeelt tot onzekerheid, wanhoop en onmacht terwijl ze enorme ecologische instabiliteit creëert voor de gehele wereld, zijn serieuze alternatieven hard nodig. Op dit moment zijn er, jammer genoeg, geen alternatieven zichtbaar.”
Het belang van deze passage voor een verdieping van de discussie over het perspectief van het kapitalisme springt in het oog. Het laat ons onverbloemd de werkelijkheid zien van een systeemdat ter plekke wegrot en van de barbarij die het kapitalisme in groeiende mate teweegbrengt in alle uithoeken van de planeet. “Het perspectief dat het kapitalisme ‘het einde van de geschiedenis’ zou kunnen zijn [...] is inderdaad bijzonder somber”. Hij laat ook terecht zien dat er een fundamentele tegenstrijdigheid schuilt in de huidige toestand: “Terwijl de wereld, voortgestuwd door een reeks van verrijkende wetenschappelijke en technologische revoluties, vandaag over een ongeziene capaciteit beschikt om een maatschappij op de been te brengen en te onderhouden zonder materiële schaarste, [...] zijn de levensvoorwaarden van een groot deel van de mensheid ronduit ellendig, duren de oorlogsconfrontaties voort, neemt de sociale onzekerheid toe, [...]”. Hier wordt de tegenstelling tussen de materiële mogelijkheden van de mensheid en de limieten die worden opgelegd door de productiewijze, het kapitalisme, goed aan het licht gebracht. Tenslotte drukt de tekst de gewettigde zorg uit over de noodzaak om een alternatief naar voren te brengen voor de maatschappij en voor het zoeken naar een samenhangende benadering ervan om deze te definiëren tegenover de gevolgen van een systeem dat “de overleving van de mens in gevaar zou kunnen brengen”.
Naar onze mening verbergt de tekst toch een fundamentele historische dimensie van het vraagstuk; op geen enkel moment wordt aangetoond dat de beschreven toestand niet het gevolg is van toevallige afwijkingen of spelingen in de geschiedenis maar dat hij het product is van een productiewijze die een ontwikkeling van de maatschappij niet langer mogelijk maakt. Het kapitalisme is immers geen dynamisch systeem meer in volle uitbreiding - in tegenstelling tot wat de media die in haar dienst staan beweren - maar een zieltogend lichaam dat zijn bestaan slechts kan rekken via de opeenstapeling van crises, oorlogen en ellende. En wij zijn niet de eersten die dit vaststellen: met de internationalistische marxisten van het begin van de twintigste eeuw zeggen we dat het kapitalisme momenteel een systeem in verval is dat de mensheid niets meer te bieden heeft dan groeiende barbarij en daarmee wordt de noodzaak gesteld om het kapitalisme te vernietigen voordat het ons vernietigt.
Volgens dit begrip van verval (uiteengezet in talrijke teksten) hebben tot op heden alle klassenmaatschappijen fasen van bloei en verval doorgemaakt. Het is een absoluut fundamenteel begrip in de materialistische opvatting van de geschiedenis. Zoals Marx schreef in zijn beroemde voorwoord tot de Kritiek van de politieke economie komt een productiewijze vanaf een bepaald stadium van zijn ontwikkeling terecht in een tijdperk van sociale revolutie: wanneer de maatschappelijke verhoudingen van hefbomen van de ontwikkeling tot hindernissen worden voor verdere vooruitgang. Wij delen de conclusie van de Kommunistische Internationale (in 1919) en de Duitse en Italiaanse Linkskommunistische fracties. Volgens hen was de periode van ‘interne desintegratie’ van het kapitalisme, van de imperialistische oorlogen en sociale revoluties bewezen met het uitbarsten van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Dit werd volop bevestigd door de wereldwijde revolutionaire golf die opkwam tegen de imperialistische oorlog (lees in verband hiermee de reeks ‘het kommunisme is noodzakelijk en mogelijk’ in Internationalisme, nr. 299, 301, 303 en Wereldrevolutie, nr. 100).
Het ideologisch offensief dat het kapitalisme de ineenstorting van het Oostblok op het eind van de jaren 1980 tegen het marxisme voert is vooral gericht op dit historisch begrip van het kapitalisme, en dus van de idee van het verval van het kapitalisme. Dit offensief wordt voor een groot deel gevoerd via de campagne rond de ‘mondialisering’. Hierachter schuilt de idee dat het kapitalisme pas een werkelijk wereldsysteem zou zijn geworden met de komst van de politiek van de ‘vrijhandel’ - de ‘reaganomics’ van de jaren 1980, met de snelle groei van de communicatie ingebracht door de triomf van de informatica, en vooral met de ineenstorting van het Oostblok waarbij zogenaamd de laatste ‘niet-kapitalistische’ regio’s van de economische landkaart zouden zijn geveegd. Diegenen die dit idee onderschrijven kunnen zowel de gevolgen van de mondialisering goedkeuren of afkeuren. De grondslag van dit idee bestaat eruit dat het kapitalisme in een nieuw tijdperk zou zijn getreden, een nieuw soort bloei, die de oude marxistische theorie van het kapitalisme als een systeem in verval zou weerleggen. Een dergelijke visie is totaal in tegenspraak met de traditie van het Linkskommunisme dat zijn analyses baseert op de theorieën van Rosa Luxemburg en van Boecharin, die tijdens de Eerste Wereldoorlog verdedigden dat het kapitalisme was binnengetreden in zijn vervalfase juist omdat het een globaal systeem geworden was, een werkelijke wereldeconomie. Dit idee is ook totaal in tegenspraak met de analyse van de IKS die stelt dat de periode, die aanving met de ineenstorting van het Oostblok, niet kon worden gekenmerkt als een nieuwe periode van bloei van het kapitalisme maar als de meest gevaarlijke eindfase van zijn neergang - de fase van zijnontbinding - waarin het alternatief tussen socialisme of barbarij een steeds afschrikwekkender dagelijkse werkelijkheid wordt.
In het volgende uittreksel wordt een kritiek van de altermondialistische beweging ontwikkeld. En in dit kader leidt dat ook tot het behandelen van een van de grote ‘-ismes’ van de twintigste eeuw, het anarchisme.
“Een wereldwijde serie protesten tegen de G8, het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Asia Pacific Economic Cooperation, de EU en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft een nieuw radicaal ontwaken voortgebracht, dat een zekere mate van ontevredenheid van de bevolking met dit economische systeem aan het licht bracht, en dat, gegeven een groeiend niveau van bewustzijn en ervaring, de mogelijkheid heeft om een politieke uitdaging voor dit systeem te vormen [...]. Maar om op een alternatief te wijzen, moet een beweging praktische inhoud hebben: het moet organisatorische continuïteit en een bewuste ideologie hebben die het alternatief duidelijk kan maken, kan uitleggen hoe het mogelijk is om het te bereiken en waarom het waard is ervoor te vechten. Het bezit deze kenmerken niet, verre van. Het huidige verzet tegen ‘globalisering’ blijft uitermate gefragmenteerd en ideologisch verward, jammer genoeg wordt het in vele verschillende en zelfs tegenstrijdige richtingen getrokken [...]. Volgens een van haar leidende figuren, de auteur van No Logo: Taking Aim at the Brand Bullies, Naomi Klein, verdient de beweging tegen door bedrijven gestuurde, economische globalisering ‘de kans om te zien of uit haar chaotische netwerken van naven en spaken iets nieuws, iets helemaal eigens kan opkomen’. [...] Gegeven de eeuwenoude geschiedenis van radicale bewegingen, zal het zonder meer nodig zijn om het wiel opnieuw uit te vinden. De hedendaagse radicale bewegingen zouden moeten leren van en bouwen op vroegere ideeën en ervaringen, en ze niet allemaal terzijde schuiven in de hoop dat ‘iets geheel eigens’ op zal komen. [...] In juli 1936 bevonden de Spaanse anarchisten zich ten tijde van het uitbreken van díe sociale revolutie waar ze zeventig pijnvolle jaren lang naar gesmacht hadden en hadden een veel betere positie om de heersende klassen van hun tijd uit te dagen dan de huidige ‘anti-globaleringsbeweging’. Maar hun gebrek aan een coherente theorie en programma liet hen achter zonder politieke richting op dat cruciale moment. Bij gebrek aan richting en verscheurd door interne conflicten gaven zij zich over aan liberale politiek. Deze overgave werd bekritiseerd door meest bewuste elementen in de libertaire beweging. Maar de anarchistische en syndicalistische beweging als geheel was onwelwillend en niet in staat om te reageren op de oproepen voor een revolutionaire theorie en een revolutionair programma. Tijdens het gebeuren gingen ze, gedurende mei 1937, uiteindelijk de strijd aan met de liberale regering en de stalinisten in Barcelona en leden een definitieve nederlaag. Ondanks de grote verschillen tussen de revolutionaire arbeidersbeweging in Barcelona van 1936/37 en de veelkoppige protestbeweging van Seattle en Genua, staan ze tegenover enkele alarmerend gelijkende problemen. Onopgelost zijn deze problemen dodelijk voor elke beweging die op zoek is naar het uitdagen van de gevestigde sociale orde. Helaas hebben slechts weinigen in de ‘anti-globaliseringsbeweging’ dit probleem onderkend, gefocust op protesteren als de beweging is. Politiek gezien reageert deze ‘beweging van bewegingen’ alleen maar en is niet creatief. Deelnemers aan de demonstraties stellen een wijd scala aan eisen en geen poging wordt ondernomen om ze te verenigen, noch ideologisch, noch organisatorisch. Daarnaast zijn de meeste door de beweging gestelde eisen opvallend reformistisch, zoals de wijd bediscussieerde eis voor de zogenaamde ‘Tobin-tax’. Maar weinig deelnemers schijnen verontrust te zijn over dit vacuüm: in tegendeel, zij prijzen haar diversiteit en openeindigheid. Het zal des te zwaarder zijn om de mensheid uit de diepgewortelde sociale en ecologische problemen van onze tijd te leiden als de de facto leiders van radicale bewegingen een laissez-faire-houding toestaan en zelfs aanmoedigen ten opzichte van kwesties als ideologie, organisatie en de noodzaak voor systematische verandering.”
De tekst geeft een volkomen terechte kritiek op het totale gebrek aan perspectieven bij de anti-globalistische en ecologische bewegingen die er zich toe beperken om het systeem te willen ‘hervormen’. Er wordt heel terecht in benadrukt dat een radicaal alternatief voor het systeem inhoudt dat ‘er lessen worden getrokken uit de geschiedenis’, om een ‘theoretische samenhang’ teontwikkelen van een engagement op basis van een helder programma (’het programmatisch engagement’). Dat keert het anti-mondialisme juist de rug toe, net zoals trouwens het anarchisme in Spanje in 1936. Over het bankroet van het anarchisme in Spanje in 1936, een vraagstuk van de eerste orde, verwijzen wij naar ons antwoord op de correspondentie van een lezer in Internationalisme, nr. 302 en 303.
Wij onderstrepen verder nog de juistheid van het idee dat, om een alternatief te ontwikkelen tegenover het kapitalisme, men moet weten waarom en hoe men kan strijden; daarvoor moet men vóór alles vaststellen wie de revolutionaire kracht is in de maatschappij en wie haar vijanden zijn. Daarom is het van wezenlijk belang te bepalen of de anti-mondialistische beweging werkelijke een uitdrukking is - zelfs een ‘reformistische’, ‘die dezelfde fouten maakt als de sociaal-democratie’ - van “een zekere graad van ongenoegen van de bevolking tegenover het economisch systeem”? Voor ons is het antwoord onmiskenbaar negatief: de altermondialistische beweging is een ideologisch voortbrengsel van de bourgeoisie wiens taak er juist uit bestaat om de zoekende elementen af te houden van een politieke samenhang. Deze elementen die momenteel binnen het proletariaat opduiken worden zo afgehouden van elke poging om de wereld te begrijpen en er de gevolgtrekkingen uit te trekken voor wat betreft de perspectieven, om ze terug te brengen op het burgerlijke terrein van de verdediging van de democratie, de staat, enzovoort.
Zo leiden de conclusies in deze tekst tot een andere diepgang. “Het zal des te moeilijker zijn om de mensheid uit de diepe sociale en ecologische problemen van onze tijd te halen omdat de feitelijke leiders van deze radicale bewegingen dezelfde houding van laissez-faire aannemen en aanmoedigen met betrekking tot vraagstukken van ecologie, de organisatie en de noodzaak van een systematische verandering”. Men moet goed begrijpen dat dit geen vrucht is van verblinding noch van een ‘reformistisch’ onbegrip over wat er op het spel staat, maar van hun aard zelf, die burgerlijk is, die van een ‘tweeslachtige’ beweging die er op gericht is om de geloofwaardigheid van de burgerlijke democratie op te vijzelen en die de rol vervult elke vraagstelling over alternatieven en van de revolutionaire krachten uit de weg te gaan. Deze “laissez-faire-houding toestaan en zelfs aanmoedigen ten opzichte van kwesties als [...] organisatie en de noodzaak voor systematische verandering” is slechts de keerzijde van de medaille van een consequente tamtam ten voordele van de burgerlijke democratie, tegen de dictatuur van de multinationale ondernemingen, de ‘weldaden’ van de ‘sociale’ staat tegen de dictaten van de markten, van een pro-Europees en anti-Amerikaans nationalisme. Kortom, net zoals de ‘radicale’ ecologisten die dezelfde ‘fouten’ herhaalden als de sociaal-democratie, heeft de kritiek van de uitspattingen van het kapitalisme door de altermondialistische beweging geen andere doel dan te vermijden dat de elementen, die op zoek zijn naar een politieke samenhang ten opzichte van het wegkwijnen van de planeet, er toe komen om het kapitalisme zelf te bekritiseren.
Vanuit deze invalshoek is de veelvormige en ‘chaotische’ structuur van de altermondialistische beweging juist een middel om breed te werven en zoveel mogelijk elementen in burgerlijk vaarwater te brengen. Door ze mee te slepen kunnen hun gerechtvaardigde vragen in de klassieke doodlopende straatjes van burgerlijk links en ultralinks worden gewerkt. Zo wordt het enige perspectief verdoezeld dat het kapitalisme te bieden heeft, dat wil zeggen de onvermijdelijke barbarij die leidt tot de vernietiging van de mensheid. Zo worden vooral de fundamentele redenen verborgen van dit falen en van wat er op het spel staat voor het proletariaat, de drager van het kommunisme. Het verbergt ook dat de arbeidersklasse, in haar strijd tegen het kapitalisme, er toe zal gebracht worden om niet de staat, links en de democratie te verdedigen, maar ze in tegendeel te bestrijden zonder de minste illusie in hun burgerlijke aard en in hun rol van volbloed acteurs bij de aanvallen op de arbeidersklasse.
Wereldrevolutie/ 08.01.2004
Tweehonderd en twee doden en meer dan vijfhonderd gewonden tot op heden, vier treinstellen vernietigd, menselijke lichamen die zo verminkt zijn dat ze enkel nog te identificeren zijn via hun DNA, dat is voor het ogenblik de verschrikkelijke balans van de terroristische aanslag die de ‘dodentrein’ genoemd wordt en die op gewelddadige wijze de ochtend van 11 maart in Madrid verscheurd heeft.
Wij worden geconfronteerd met een oorlogsdaad zoals op 11 september 2001, bij de aanval op de Twin Towers van New York. Eens te meer zijn de slachtoffers voor het grootste deel te vinden bij de ongewapende burgerbevolking, en in het bijzonder onder de arbeiders: arbeiders die zoals overal dagelijks opeengepakt zitten in de forensentreinen om vervoerd te worden naar hun werk; arbeiderskinderen die zoals overal dagelijks de trein nemen om naar school of naar de universiteit te gaan. Het blote feit zelf dat ze ertoe gedwongen zijn om opeengepakt te leven in slaapsteden en verplicht zijn om massaal gebruik te maken van het openbaar vervoer maakt hen tot gemakkelijke slachtoffers van terreur, een terreur die steeds grotere en macabere vormen heeft kunnen aannemen.
Zoals 11 september 2001, is 11 maart 2004 een belangrijke datum in de geschiedenis van terroristische aanslagen. Het is niet alleen de grootste slachting die de Spaanse burgerbevolking heeft ondergaan sinds de oorlog in Spanje van 1936-1939, maar tevens ook de meest dodelijke terroristische aanslag in Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.
De bourgeoisie stort vandaag cynisch haar krokodillentranen uit over de slachtoffers, ze roept drie dagen van nationale rouw uit in Spanje, ze overspoelt vierentwintig uur per dag de media met speciale informatie, ze stapelt de minuten van stilzwijgen op, ze roept op tot betogingen tegen het terrorisme, enzovoort. Wat ons betreft ontzeggen wij, net als bij de aanslagen op 11 september 2001, de schijnheilige bourgeoisie en haar gezagsgetrouwe media het recht om te snotteren over de vermoorde arbeiders, want: “de heersende kapitalistische klasse is al verantwoordelijk voor teveel afslachtingen en moordpartijen: het verschrikkelijke slagveld van de Eerste Wereldoorlog; het nog afschuwelijkere van de Tweede Wereldoorlog, waarbij de burgerbevolkingen voor het eerst het voornaamste doelwit werden. Herinneren we ons waartoe de bourgeoisie in staat is geweest: de bombardementen van Londen, van Dresden en Hamburg, van Hiroshima en Nagasaki, de miljoenen doden in de nazi-concentratiekampen en in de goelags. Denken wij terug aan de hel van de bombardementen van de burgerbevolking en van het Irakese leger op de vlucht tijdens de Golfoorlog in 1991 en aan hun honderdduizenden doden. Denken wij terug aan de dagelijkse moordpartijen in Tsjetsjenië, die nog steeds doorgaan, geheel met medeweten van de democratische staten van het Westen. Denken wij terug aan de medeplichtigheid van de Belgische, Franse en Amerikaanse staten in de burgeroorlog in Algerije, de verschrikkelijke pogroms in Ruanda. Herinneren wij ons tenslotte dat de Afghaanse bevolking, die vandaag geterroriseerd wordt door de dreiging van Amerikaanse bombardementen, twintig jaar lang zonder onderbreking alleen maar oorlog heeft gekend [...] Dit is maar een greep uit de voorbeelden van de smeerlapperijen van een kapitalisme dat gevangen zit in een spiraal van een economische crisis zonder uitweg, in de greep van zijn onafwendbaar verval. Een kapitalisme dat in het nauw zit”. In plaats van de verminderen is deze barbarij, zoals te lezen in Internationale Revue, nr. 107 van oktober 2001, juist toegenomen en zijn er nieuwe wapenfeiten aan toegevoegd zoals de tweede Irak-oorlog en de onophoudelijke slachtpartijen in het Midden-Oosten, de recente moordpartijen in Haïti en de terroristische aanslagen in Bali, Casablanca en Moskou. Aan deze lijst moet nu het treinstation van Atocha in Madrid worden toegevoegd.
De aanslagen van 11 maart zijn geen aanval ‘tegen de beschaving’, maar de uitdrukking zelf van wat deze ‘beschaving’ van de bourgeoisie nu werkelijk is: een uitbuitingssysteem dat ellende, oorlog en vernietiging zweet uit al zijn poriën. Een systeem dat de mensheid geen ander perspectief te bieden heeft dan dat van barbarij en vernietiging. Het terrorisme is geen bijproduct, geen bastaardkind van het kapitalisme dat het zou willen verbergen, het is in tegendeel een organisch product van het kapitalisme, een wettig kind ervan, net zoals de imperialistische oorlog. En naarmate het kapitalisme onafwendbaar wegzinkt in de ultieme fase van zijn verval, die van de ontbinding, wordt het terrorisme steeds wilder en irrationeler.
Een van de kenmerken van het verval van het kapitalisme bestaat er in dat de imperialistische oorlog de permanente levenswijze wordt van dit systeem, met als gevolg dat “deze [kleinburgerlijke] klassen hun onafhankelijkheid volkomen verliezen en nog slechts als manoeuvreermassa en steunpunt gebruikt worden bij de botsingen tussen de verschillende fracties van de heersende klasse zowel binnen als buiten de nationale grenzen” (Terreur, terrorisme en klassegeweld, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 14). Van de jaren 1960 tot op heden is de evolutie van het terrorisme een volkomen bevestiging van dit kenmerk als instrument van de verschillende fracties van de nationale bourgeoisie en van ieder imperialisme in zijn strijd tegen de interne rivalen of in de imperialistische arena. Het terrorisme is zo het troetelkind van het kapitalisme, dat beurtelings door allen zorgvuldig wordt gevoed. Terrorisme en imperialistische conflicten zijn altijd vooral bloedige synoniemen geweest en zullen dat altijd blijven. In de loop van de jaren 1960-1970 heeft de bourgeoisie geen seconde geaarzeld om de ‘selectieve’ moord van politieke leiders te gebruiken ten einde haar ‘interne conflicten’ te regelen. Denken wij maar even terug aan de bom die Carrero Blanco (de Spaanse eerste minister van het Franco-regime) de lucht inblies en die de ETA aan de top van het terrorisme plaatste. De ETA werd door de heersende klasse gebruikt om de verandering van het politieke regime in Spanje te versnellen. De bourgeoisie haalde er evenmin haar neus voor op het terrorisme te gebruiken als middel om het Midden-Oosten te destabiliseren met de moordaanslag op de Egyptische president Sadat in 1981, of in 1995 op de Israëlische eerste minister Itzhak Rabin. Wanneer het gaat om de verdediging van haar belangen tegen rivaliserende nationale fracties of tegen rivaliserende imperialismen kent de bourgeoisie niet de geringste scrupules om blinde slachtingen onder de burgerbevolkingen uit te lokken. Om slechts één voorbeeld te noemen: dat was het geval in december 1969 in Italië in de affaire van de aanslag op de Landbouwkredietbank in Milaan die een vijftiental slachtoffers eiste. De bourgeoisie probeerde onmiddellijk de anarchisten van de aanslag te beschuldigen, met name Pietro Valpreda, en, om die beschuldiging geloofwaardigheid te bezorgen aarzelde ze niet om ‘zelfmoord’ te plegen op een andere anarchist, Pino Pinnelli die vlak na de aanslag werd gearresteerd en omkwam toen hij uit het raam van het gebouw van de Questura (het politiebureau) van Milaan viel. In werkelijkheide, zelfs als er natuurlijk nooit enige officiële lezing van werd gegeven, werd de aanslag beraamd en uitgevoerd door fascisten verbonden aan de Italiaanse en Amerikaanse geheime diensten. Tijdens deze hele periode kwam het terrorisme steeds meer in dienst te staan van de imperialistische conflicten in het kader van de confrontatie tussen de twee supermachten.
De tendens naar veralgemeende chaos kenmerkt de imperialistische botsingen sinds het einde van de jaren 1980, de periode waarin het kapitalisme is terechtgekomen in zijn fase van ontbinding (1). Het kader voor de botsing tussen de imperialistische blokken, dat na de Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen was, maakte plaats voor de heerschappij van het ‘ieder voor zich’ (2). In deze context wordt het terrorisme nog meer een wapen in de handen van de grootmachten, ook in de oorlogen zelf, waarin de legers ter plaatse terroristische methoden toepassen zoals het bombarderen van ziekenhuizen en scholen, wat we onlangs nog hebben kunnen zien in Irak (3). De ontbinding van het kapitalisme drukt zijn stempel op de terroristische aanslagen zelf: de ’helse machines’ zoeken steeds minder ‘politieke of militaire doelwitten’ en vallen direct de onbeschermde burgerbevolking aan. De vreselijke keten van dit soort aanslagen werd ingeluid door de bommen die blindelings dood zaaiden in de straten van Parijs in 1987, ze bereikte een soort hoogtepunt met de twee vliegtuigen vol met passagiers die de Twin Towers doorboorden en die duizenden mensen ombrachten. Maar het ging verder met de doden in Bali en Casablanca, en onlangs nog in Moskou, om zich nu te storten op de opeengepakte arbeiders in de forensentreinen in Madrid. Het zou een illusie zijn te denken dat deze barbarij gaat ophouden. Zolang de arbeidersklasse, de enige sociale klasse die in staat is om een perspectief te bieden tegenover dat van de kapitalistische barbarij, niet voor eens en voor altijd afrekent met dit onmenselijke uitbuitingssysteem, zal de mensheid overal ter wereld blijven leven en sterven onder de permanente bedreiging van nieuwe, steeds gewelddadigere aanslagen, en nieuwe, steeds vernietigendere oorlogen.
Naarmate de ontbinding van de kapitalistische maatschappij voortschrijdt zullen de bijproducten ervan zich als een rattenplaag uitbreiden. Want dat zijn de meest onverantwoordelijke en irrationele fracties waaruit alle terroristische bendes, zoals krijgsheren en lokale gangsters worden gevoed. Ze beschikken niet alleen over vernietigingsmiddelen zonder weerga, maar ook over een hoop ‘peetvaders’ die profijt trekken uit hun misdaden. Na de aanslag op de Twin Towers schreven wij: “Wij kunnen momenteel niet met zekerheid zeggen of Osama Bin Laden de werkelijke verantwoordelijke is voor de aanval op de Twin Towers, zoals de Amerikaanse staat hem beschuldigt. Maar als de hypothese Bin Laden juist blijkt te zijn, dan gaat het werkelijk om een geval waarbij een krijgsheer oncontroleerbaar geworden is voor zijn vroegere meesters” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgaven, nr. 107). Inderdaad hebben we hier een voorbeeld van een cruciaal kenmerk in de veralgemening van de barbarij: onafhankelijk van het feit of men weet welke imperialistische grootmacht of fractie van de bourgeoisie profijt haalt uit terroristische acties, hebben deze laatste steeds meer de neiging om zich te onttrekken aan de plannen van de opdrachtgevers die hen in het leven geroepen hebben.
Net als bij Frankenstein dreigt zijn ‘schepping’ oncontroleerbaar te worden. Op het moment dat wij dit artikel schrijven, kunnen wij bij gebrek aan werkelijke concrete elementen, rekening houdend met het slechts zeer geringe vertrouwen dat we in de burgerlijke media kunnen stellen, alleen ons analysekader en onze historische ervaring toepassen, en ons de vraag stellen: wie profiteert er van de misdaad?
Zoals we hierboven gezien hebben, zijn het terrorisme en de imperialistische botsingen vandaag bloedbroeders. De aanslag op de Twin Towers van 11 september 2001 kwam de Amerikaanse grootmacht uitermate goed van pas omdat het erin slaagde zich op te dringen aan haar vroegere bondgenoten - en nieuwe vijanden sinds de ineenstorting van het Russische blok- zoals Frankrijk en Duitsland. Zij verplichtte hen hun volle steun te verlenen aan haar militaire campagne voor de bezetting van Afghanistan.
De emotie die uitgelokt werd door 11 september heeft de Bush-administratie eveneens in staat gesteld om de meerderheid van de Amerikaanse bevolking de tweede Golfoorlog in 2003 te doen slikken. Daarom is het zeker legitiem om zich af te vragen of het ongelooflijke ‘gebrek aan vooruitziendheid’ van de Amerikaanse geheime diensten vóór 11 september niet eenvoudigweg voortvloeide uit hun wil om Al Qaïda oogluikend ‘te laten begaan’ (4). Wat de aanslagen van 11 maart betreft, is het duidelijk dat ze helemaal niet in de kaart spelen van de Verenigde Staten. Het tegendeel is waar. Aznar was een onvoorwaardelijk steun voor de Amerikaanse politiek: hij had deel uitgemaakt van het ‘trio van de Azoren’ (de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Spanje - de leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties die elkaar gevonden hadden voor het oproepen tot de tweede Golfoorlog). Zijn opvolger Zapatero heeft de overwinning van de PSOE bij de verkiezingen van 14 maart voor een groot deel te danken aan de aanslagen van Atocha. Hij heeft al aangekondigd dat hij de Spaanse troepen zal terugtrekken uit Irak. Dat is een kaakslag voor de Amerikaanse regering, en een onmiskenbare overwinning voor de Frans-Duitse tandem die vandaag de oppositie tegen de Amerikaanse diplomatie aanvoert.
Deze tegenslag van de Amerikaanse politiek betekent geenszins een overwinning voor de arbeidersklasse, zoals sommigen ons willen doen geloven. Tussen 1982 en 1996, toen de PSOE aan het hoofd stond van de regering, heeft zij zich als een fanatiek verdedigster van de belangen van het kapitalisme laten kennen. Haar terugkeer zal geen eind maken aan de burgerlijke aanvallen tegen het proletariaat. Hetzelfde geldt voor het succes van Chirac en Schröder, beide loyale verdedigers van de belangen van het kapitalisme. Het zal de arbeidersklasse absoluut niets opleveren.
Maar het is nog erger: de gebeurtenissen die we zopas hebben meegemaakt, hebben een groot succes voor de ideologie van de bourgeoisie als geheel mogelijk gemaakt, dat erin geslaagd is om de leugen te versterken als zou de ’democratie’ het afweermiddel zijn tegen het terrorisme, als zouden verkiezingen een efficiënt middel zijn om een eind te maken aan de anti-arbeiderspolitiek en het oorlogsgestook van de bourgeoisie, als zouden pacifistische mobilisaties een echte dam tegen de oorlog opwerpen.
Zo heeft de arbeidersklasse niet alleen een aanval te verduren gehad die haar fysiek getroffen heeft met alle doden en gewonden van 11 maart, maar heeft ze ook een politieke klap van jewelste gekregen. Eens te meer profiteert de bourgeoisie van de misdaad. Het is daarom dat er tegenover de terroristische barbarij, uitdrukking van de imperialistische oorlog en van de uitbuiting, slechts één weg mogelijk is!
Met tientallen lijken die nog niet geïdentificeerd zijn, met tientallen families van illegale immigranten (29 doden en meer dan 200 gewonden zijn immigranten) die het zelfs niet aandurven om hun ouders in de ziekenhuizen en de geïmproviseerde mortuaria te gaan opzoeken uit angst om uitgewezen te worden, schept de bourgeoisie een noodsituatie om de proletariërs ieder nadenken over de oorzaken en de gevolgen van de aanslag te beletten. In de eerste ogenblikken na de aanslag, zelfs vóór de hulpverleningsorganen van de staat terplekke waren, zijn het de slachtoffers zelf, de arbeiders en de arbeiderskinderen die in de ‘dodentreinen’ reisden of die zich in de getroffen stations bevonden, die leven in de buurten van Santa Eugenia of El Pozo, die de gewonden te hulp gesneld zijn, en die de rondom verspreide lijken met geïmproviseerde lijkwaden bedekt hebben. Zij waren tot het uiterste bewogen door een solidariteitsgevoel. Het is deze solidariteit die duizenden en duizenden mensen tot uiting brachten door bloed te geven, die te hulp schoten in de ziekenhuizen, maar ook bij de brandweer, de sociale werkers en diegenen van de gezondheidsdiensten die vrijwillig overuren maakten, ondanks het dramatisch gebrek aan middelen wegens de bezuinigingen op medische faciliteiten en burgerlijke bescherming.
De revolutionairen en het geheel van het wereldproletariaat moeten luid en duidelijk hun solidariteit betonen met de slachtoffers. Alleen de ontwikkeling van de solidariteit waarvan de arbeidersklasse als revolutionaire klasse de draagster is, en die voornamelijk tot uiting komt in haar strijd tegen het kapitalisme, zal de grondvesten leggen van een maatschappij waarin deze misdaden, deze uitbuiting, deze afgrijselijke barbarij definitief overstegen en afgeschaft kunnen worden. De verontwaardiging van de arbeidersklasse tegenover deze afgrijselijke aanslag, haar natuurlijke solidariteit met de slachtoffers ervan is door het kapitaal gemanipuleerd en afgeleid naar een verdediging van zijn eigen belangen en doelstellingen. Als antwoord op de slachting heeft de bourgeoisie de arbeidersklasse op vrijdag 12 maart opgeroepen te betogen ‘tegen het terrorisme en vóór de Grondwet’, zij heeft haar gevraagd om de rangen te sluiten als Spaanse burgers met de kreet España unida jamás será vencida (een verenigd Spanje wordt nooit overwonnen), en ze heeft er toe aangespoord om massaal naar de stembus te trekken op 14 maart opdat “dergelijke wreedaardigheden zich nooit meer zouden herhalen”.
De doses patriottisme die toegediend werden door zowel rechts (Aznar die verklaarde: “Ze zijn gestorven omdat ze Spanjaarden waren”) als links (“Als Spanje niet had deelgenomen aan de oorlog in Irak, zouden deze aanslagen niet hebben plaatsgevonden”) proberen de proletariërs te doen slikken dat het belang van de natie ook het hunne is. Dat is een leugen, een cynische en onbeschaamde leugen! Een leugen die er alleen op gericht is om het pacifisme wind in de zeilen te blazen. Het pacifisme dat, zoals we in onze pers ontwikkeld hebben, niet de oorlogen belet maar dat juist de werkelijke strijd afleidt van de echte oorlogsstoker: het kapitalisme.
Het kapitalisme moet sterven opdat de mensheid kan voortleven en er is maar één enkele sociale klasse die in staat is om de rol van grafdelver van het kapitalisme te spelen, het proletariaat. Indien de arbeidersklasse er op wereldvlak niet toe komt om zich op te werpen als onafhankelijke klasse in haar strijd, eerst en vooral voor de verdediging van haar specifieke belangen en vervolgens voor de omverwerping van deze verrotte maatschappij, blijft er voor de mensheid geen enkel ander perspectief over dan vernietigd te worden in een vermenigvuldiging van de botsingen tussen bendes en burgerlijke staten, die alle middelen inzetten, tot de meest onnoemelijke, en met name de banalisering van het dagelijks gebruik van het terroristische wapen.
Het kapitalisme heeft de mensheid geen andere toekomst te bieden dan haar vernietiging via steeds dodelijkere oorlogen, steeds barbaarsere aanslagen, ellende en hongersnood. Het ordewoord dat gegeven werd door de Kommunistische Internationale in het begin van de twintigste eeuw vat het perspectief dat zich voor de maatschappij stelde, toen het kapitalisme in zijn vervalperiode trad, perfect samen. Het blijft vandaag volkomen geldig en actueel: “Het tijdperk van oorlogen en revoluties”, waarvoor er geen andere uitkomst is dan “Socialisme of barbarij”.
Het kapitalisme moet sterven opdat de mensheid kan leven en er is maar één enkele sociale klasse die in staat is om de rol van grafdelver van het kapitalisme te spelen: het proletariaat. Indien de wereldarbeidersklasse er niet in slaagt om haar klasseautonomie te bevestigen, te beginnen in haar strijd voor de verdediging van haar specifieke belangen en vervolgens voor de omverwerping van deze verrotte maatschappij, zal de mensheid geen andere toekomst hebben dan te worden vernietigd door de vermenigvuldiging van de botsingen tussen bendes en burgerlijke staten, die alle middelen inzetten, tot en met de meest onnoemelijke, en met name de banalisering van het terroristische wapen tot iets van dagelijks gebruik.
IKS / 19.03.2004
(1) Stellingen over de ontbinding, Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 62.
(2) Resolutie van het Vijftiende Congres van de IKS over de internationale situatie, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 113.
(3) Bedoeld wordt de militaire operatie van de coalitie rond de Verenigde Staten in het voorjaar van 2003. Dit artikel is geschreven vóór de meest recente escalatie van gewelddadigheden in Irak vanaf eind maart in het vooruitzicht van de zogenaamd machtsoverdracht op 30 juni daaropvolgend van de Verenigde Staten aan een ‘interim regering’.
(4) Zie hiervoor ons artikel Pearl Harbour 1941, de ‘Twin Towers’ 2001; het machiavellisme van de bourgeoisie, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 108.
De aanvallen op de papierlozen en de ‘illegale’ vluchtelingen nemen, in Nederland net als in heel Europa, toe: inperking van hun rechten, opsluiting in gesloten centra, massale uitwijzing van 26.000 ‘uitgeprocedeerden’. Het is in dat verband, dat de krant De Fabel van de Illegaal in een artikel getiteld Plannen voor beperking van migrantenrechten groeiend populair (nr. 63, maart-april 2004), op de bres springt om van leer te trekken tegen opvattingen over een gecontroleerde immigratie zoals die onlangs zijn ontwikkeld in het ‘progressieve’ milieu en dan met name in het boek Grenzeloze solidariteit: Naar een migratiebestendige verzorgingsstaat. In dat boek wil een reeks van ‘beleidsmakers’ en ‘wetenschappers’ aantonen dat de vluchtelingen en papierlozen ‘onze’ welvaartsstaat dreigen te laten doodbloeden. Volgens deze trouwe dienaars van de burgerlijke orde kan een dergelijke ‘overval’ alleen worden voorkomen door de toegang tot die welvaartsstaat te beperken. Twee strategieën worden daartoe naar voren geschoven: enerzijds een tweederangs burgerschap en anderzijds gecontroleerde en tijdelijke migratie, in beide gevallen zonder enige recht op een uitkering.
Hoe moeten we deze campagnes plaatsen en begrijpen? En vooral, welk alternatief kunnen we daar tegenover stellen? Het is inderdaad van het grootste belang om een heldere analyse rond deze vraagstukken te ontwikkelen. De Fabel brandmerkt van haar kant het nationalisme als de grondslag waarop deze aanvallen kunnen plaatsvinden, als een eng€‘nationalistische visie waarin ‘onze’ politiek met betrekking tot de immigratie moet worden verdedigd ter bescherming van 'onze' welvaartsstaat. Bij de verwerping van dat bekrompen uitgangspunt, dat enkel dat van de Nederlandse ‘burger’ kan zijn, stelt De Fabel zich op het standpunt van de “wereldwijde onderklasse”, waarvan ook de papierlozen en vluchtelingen deel uitmaken. Zo gezien zijn er “geen gemeenschappelijke belangen met machthebbers en rijken, met beleidsmakers en politici” en verwerpt zij ieder tegenstelling tussen autochtonen et allochtonen (en binnen die laatsten tussen Europeanen en niet-Europeanen). Bijgevolg wijst De Fabel iedere politiek van controle over de migratie af maar verdedigt daar tegenover “vrije migratie” en uiteindelijk “een wereldwijde revolutionaire opheffing van het kapitalisme, het patriarchaat en het racisme”.
Het artikel neemt eveneens “de meeste ‘progressieven’” op de korrel die blijven redeneren binnen het kader van een eng nationalisme waardoor men “juist immigratie van ‘buitenlanders’ als probleem ziet, en niet de ongelijke machtsverhoudingen”. Dat is het gevolg van het feit dat de sociaal-democratie, waaraan de bezittende klasse begin twintigste eeuw “een deel van de koloniale buit aanbood in ruil voor klassenvrede” vooral met voorstellen komt “om het huidige onrechtvaardige systeem te renoveren in plaats van te vernietigen”.
De schrijver van het artikel in De Fabel heeft gelijk in zijn afwijzing van iedere nationalistische en burgerlijke benadering van de immigratie 1) uitgaat van de belangen van de natie en de economie daarvan, en 2) de verantwoordelijkheid voor de situatie afwentelt op de immigrant als zondebok, die “kans op succes en op mislukken” heeft en die zijn “risico” niet mag “afwentelen op het aankomstland”. Tenslotte heeft het artikel volkomen gelijk in zijn ontmaskering van links, waarvan het ‘progressieve’ imago slechts dient ter misleiding en om het systeem opnieuw geloofwaardig te maken. Met als voorbeeld de leider van de Nederlandse sociaal-democratie Wouter Bos, die in de politiek van gecontroleerde immigratie een middel ziet “waardoor illegalen legaal kunnen worden zonder dat ze meteen uit de ruif van de verzorgingsstaat mogen mee-eten”.
Maar wij gaan verder in de analyse. Inderdaad De Fabel neigt ertoe haar analyse te beperken tot enkele verschijnselen die elk op zich worden bekeken, buiten de historische en internationale context. Dat geldt voor de verschijnselen als het nationalisme, het reformisme van de sociaal-democratie en de tegenstelling tussen de “burger-politiek” en die van de “wereldwijde onderklasse”. Ondanks enkele toespelingen worden de diepe oorzaken van de immigratievloed in zijn huidige vorm met al de ‘zijdelingse’ effecten die deze veroorzaakt (ontwikkeling van racisme, opkomst van nationalisme en populistische partijen), de werkelijke redenen voor deze steeds grovere maatregelen en de steeds intensievere campagnes die de regeringen lanceren nergens aangetoond. Voor ons zijn deze gebeurtenissen het onvermijdelijk product van de steeds duidelijkere verrotting van het wereldkapitalisme. Geconfronteerd met de uitbreiding van de chaos in de richting van het oude geïndustrialiseerde Europa doet de bourgeoisie wanhopige pogingen om de ‘invasie’ van vluchtelingen in te dijken door steeds meer beperkende maatregelen te nemen. Toch kan geen enkele anti-immigratiewet de verwoestende doodscrisis van dit systeem oplossen. Bijgevolg is de vlucht naar de centrale landen het enige alternatief dat zich aan deze geterroriseerde bevolkingen opdringt. Liever dan ter plekke te creperen nemen ze het risico onderweg om te komen, zoals de duizenden bootvluchtelingen, de honderden die aanspoelen op de Spaanse stranden en al de anderen die verstikken in containers. Dit kader is cruciaal omdat het mogelijk maakt om aan het daglicht te brengen dat er binnen het kapitalisme geen enkele blijvende en fundamentele oplossing voor deze problemen bestaat, juist omdat die direct verbonden zijn met het wezen zelf van het kapitalisme, in het bijzonder met zijn periode van verval en ontbinding. Door het probleem in zijn algemene historische context te plaatsen wordt het duidelijk dat van de bourgeoisie ‘vrije migratie’ en ‘stopzetting van de uitwijzingen’ te eisen, binnen een kapitalisme in volle ontbinding, zoals onder andere De Fabel doet, net zo idealistisch, utopisch en ontwapenend is als de actie van de pacifisten die het kapitalisme oproepen de oorlog te beëindigen en een ‘redelijke’ oplossing te vinden, terwijl de tendens naar veralgemening van de conflicten van ieder tegen allen inherent is aan een kapitalisme dat steeds dieper wegzakt in een bloedige barbarij.
Dat standpunt is niet alleen ongepast maar voert ook rechtstreeks naar een praktijk waarbij men zich laat meeslepen in de burgerlijke campagnes. En die wilde De Fabel nu juist bestrijden. Want wat betekent de eis van “een vrije migratie” voor De Fabel nu concreet? Het antwoord daarop vinden we even verder in dezelfde krant in een terzijde over migratiebeheersing: “Deze veranderingen dwingen radicaal-linkse activisten om hun ideeën bij te stellen en scherper te formuleren. Vechten voor gelijke rechten moet daarbij centraal blijven staan” (De Fabel, nr. 63, p. 7). De in theorie zo radicale taal mondt dus in praktijk uit in het perspectief van de verdediging van ‘democratische rechten’. En waaraan beantwoordt de tamtam over ‘democratische rechten’? Het geheel van de bourgeoisie, van rechts tot links, werkt samen om de helse spiraal van het kapitalisme met alle middelen voor de arbeiders te verbergen, de enige klasse die een alternatief aan de mensheid te bieden heeft. Om dee werkelijkheid te verbergen achter een ideologische mist bemachtigt zij zich van deze vernederende verschijnselen als de clandestiene immigratie, de mensen zonder papieren of de vluchtelingen, om andermaal haar campagne van de verdediging en verheerlijking van de democratie te versterken. Zo wordt iedere reflectie over deze fundamentele vraagstukken van het klassenterrein afgevoerd om ze op te sluiten in een steriel debat over ‘democratische rechten’. Van ultralinks tot extreem rechts brengen alle fracties van de bourgeoisie verschillende standpunten naar voren: van de “verdediging van de eigen zwaksten tegen die van buiten”, via “het opzijzetten van onze preoccupatie met gelijkheid”, tot aan “algehele regulering” en “open grenzen”. In werkelijkheid dienen al die stellingnamen er toe om het discussieterrein te beperken tot schermutselingen op legaal vlak, op het terrein van ‘democratische rechten’ binnen het kapitalisme, van ‘wat binnen het burgerlijk kader mogelijk is’. Dat is waaraan het standpunt van De Fabel, waarvan we de goede bedoeling geenszins in twijfel trekken, in de praktijk meewerkt.
Die campagne maakt het de bourgeoisie mogelijk om de kanker te verbergen die de fundamenten van haar systeem wegvreet en die de mensheid steeds verder in de barbarij drijft; zo kan de repressie worden opgevoerd achter een democratisch dekmantel, en wordt vooral het bewustzijn van de arbeidersklasse over haar klasseieenheid en over de noodzakelijke internationale solidariteit in de strijd ondermijnd. De arbeiders in Europa worden opgeroepen om zich achter ‘harde’ maatregelen of achter een ‘voorzichtiger’, meer ‘democratische’ benadering te scharen: in beide gevallen zitten ze in de val. Door de illusie te wekken dat de arbeiders in de geïndustrialiseerde landen nog iets te redden, iets te verdedigen hebben tegen al die armoedzaaiers die uit het oosten en van elders komen, probeert de bourgeoisie de arbeidersklasse te verdelen en verschillende delen tegen elkaar op te zetten door haar de democratische staat te doen steunen en haar te laten meewerken aan de verdediging van het nationale kapitaal. Heel dat betoog is er op gericht te doen vergeten dat de situatie van de immigranten deel uitmaakt van het bestaan zelf van de arbeidersklasse, van de ellende van haar eigen conditie als uitgebuite klasse.
Hoe kon De Fabel ten prooi vallen aan die manoeuvre? Ondanks enkele opmerkingen van principiële aard over de “wereldwijde onderklasse die geen gemeenschappelijke belangen heeft met de machthebbers” verbindt het artikel in De Fabel het probleem van de immigratie aan het vraagstuk van het nationalisme op zich, alsof deze kwestie op zichzelf zou kunnen worden opgelost, alsof “de activisten van radicaal-links” het nationalisme inzake de immigratie zouden kunnen tegengaan met de eis van ‘vrije migratie’, los van de algemene toestand van het kapitalisme in verval, van de krachtsverhouding tussen de klassen, van de manoeuvres van de heersende klasse en van de strijd van de uitgebuite klasse. De gevolgen van een dergelijke idealistische benadering kunnen slechts catastrofaal zijn: ondanks het naar voren brengen van juiste, grote beginselen draaien de praktische oriëntaties van De Fabel uit op een steun aan de democratische campagnes van de bourgeoisie. Over het vraagstuk van het anti-nationalisme benadrukten we al eerder (Internationalisme, nr. 274, mei 2001) dat De Fabel zich in beginsel tegen nationalisme keerde maar in werkelijkheid, tegenover bijvoorbeeld de staat Israël, deze schone beginselen vergat om de Hebreeuwse staat te steunen in naam van “het recht van Joden op een eigen natie”. Omdat zij de kwestie van de immigratie niet integreert in een globale analyse van het kapitalistische systeem en de aanwezige sociale krachten komt De Fabel er andermaal toe ‘in de praktijk’ te verdedigen wat zij ‘in theorie’ energiek verwerpt: van bestrijdster van het systeem in theorie wordt zij in de praktijk tot ofzanger van de burgerlijke democratie!
In de laatste week van januari brak er een staking uit van 8000 arbeiders in de Land Rover fabrieken in Solihull. Het was de eerste strijd sinds zestien jaar in dit bedrijf. Hij werd een week eerder voorafgegaan door de vorming van een massaal stakingspiket van 900 arbeiders, waaronder leden van de vakbonden TGWU, GMB en Amicus. Dezelfde week werd een tweedaagse staking opgevolgd door meer dan 100.000 arbeiders uit de openbare diensten, de eerste staking sedert 17 jaar. Maar de vakbond PCS had op het laatste nippertje de stakingsoproep voor de omvangrijkste sector (Arbeid en Pensioenen) geannuleerd, en alleen het kantoorpersoneel van de kleinere ministeries tot staking opgeroepen. Nog daarvoor was er in deze sector een wilde staking in reactie op een plan om het DWP (Department of Work and Pensions) te ‘hervormen’ dat door de arbeiders wel verworpen moest worden.
In de afgelopen maanden waren er, alleen al in Groot-Brittannië, de volgende strijdbewegingen: 'onofficiële' stakingen bij de post in november en december, staking van 2000 scheepsbouwers van de Humberside in september om de strijd te steunen van de uitzend-arbeiders in het bedrijf; staking van de ambtenaren van het Ministerie van Arbeid en Pensioenen; wilde staking van het personeel van British Airways op de luchthaven van Heathrow. Het heroplaaien van de strijdwil is een internationaal verschijnsel, waarvan de voorafgaande stakingen en betogingen in Frankrijk en in Oostenrijk in het voorjaar van 2003 tegen de aanvallen op de pensioenen deel uitmaken.
De woede van de arbeiders wordt gewekt door talrijke en gelijktijdige aanvallen die ze overal te verduren krijgen. Het kantoorpersoneel van de openbare diensten hebben voorstellen voor loonsverhoging gekregen gaande van 0,5 tot 2,8% naargelang de sector, maar altijd te verwaarlozen vergeleken met de stijgende levenskosten. De bedienden bij Land Rover hebben een aanbod verworpen van 6% meer loon over twee jaar gespreid (of minder dan 3% per jaar). Vakbonden en directies van bedrijven hebben tot nog toe smerige akkoorden tegen de arbeiders gesloten, maar het antwoord van de arbeidersklasse op die verschillende aanvallen duidt op een veranderde houding, een rijping die zich in de klasse heeft doorgezet. Dit is deels het gevolg van het feit dat, na dertig jaar open economische crisis, de beloftes over het einde van de tunnel niets opgeleverd hebben, en er geen vooruitzicht bestaat op de mogelijkheid van een heropleving in de toekomst. Maar het belangrijkste is de aard van de aanvallen, die weinig ruimte laten voor illusies over het kapitalisme. De ontmanteling van de 'sociale schokdempers' van de welvaartstaat, tegelijk met de verscherping van de uitbuiting in de fabrieken, kantoren, hospitalen enzovoort en de toename van de massale werkloosheid (bijna vijf miljoen werklozen in Duitsland, of 1% van de arbeidsbevolking, een peil van ontslagen in de Verenigde Staten zoals in geen decennia gezien is, verlies van 800.000 banen in de Britse industrie sinds 1997, enzovoort) plaatsen de arbeidersklasse voor de sinistere realiteit van het kapitalisme: ofwel zijn krachten uitputten om meerwaarde te produceren, ofwel wegkwijnen in ellende. Het verlies aan vertrouwen in het vermogen van het kapitalisme om een perspectief te bieden voedt de groeiende strijdwil die we momenteel zien.
De IKS heeft de huidige situatie beschreven als een keerpunt in de klassenstrijd, waarin we de ontwikkeling zien van de voorwaarden waaronder het proletariaat in staat zal zijn klasse-identiteit terug te vinden en te versterken, het gevoel om tot één en dezelfde klasse te horen die overal dezelfde belangen te verdedigen heeft. Dat is de basis van elke klassensolidariteit en op deze basis zal in de toekomst de strijd naar een hoger niveau worden opgeheven door de uitbreiding en eenmaking ervan. Die vereenzelviging met de klasse moet zich ontplooien tegenover de ideologische campagnes over het einde van de klassenstrijd, over de mogelijkheid van een ‘alternatieve wereld’ binnen het kapitalisme, en ook tegenover de inspanningen van de bourgeoisie, in het bijzonder door de vakbonden, om de arbeiders te verdelen. De staking in de overheidsdiensten is een duidelijk voorbeeld van die noodzaak. Om te beginnen verdeelt de staat de arbeiders per dienst door lichte verschillen in de loonschaal, en in het toekennen van loonsverhogingen. De reële verschillen zijn echter klein omdat de meeste arbeiders minder dan £15.000 per jaar verdienen en er daaronder enkele duizenden zijn die niet eens £10.000 verdienen. Dat gaf de vakbond PCS, zogenaamd ‘onvermurwbaar’, onder leiding van Mark Serwotka, de kans om de stakingsoproep in de meeste diensten in te trekken nadat een kleine verandering aangebracht was in de voorstellen van de directie.
Er zijn talloze andere voorbeelden van dat soort verdeling van de arbeidersklasse: de opsplitsing in talrijke spoorwegmaatschappijen, tussen verschillende soorten jobs en ook tussen verschillende vakbonden. In de Londense scholen werden de loontrekkers die met dezelfde werkgever overhoop lagen over woonkostenvergoedingen in de hoofdstad door de vakbonden opgeroepen de stakingspiketten van andere vakbonden te doorbreken. En zo gaat het niet alleen bij kleine conflicten en stakingen in Groot-Brittannië, want ook de enorme mobilisatie tegen de aanval op de pensioenen in Frankrijk van voorjaar 2003 had af te rekenen met dezelfde tactieken. In de eerste plaats werd de aanval massaal op de onderwijssector gericht, daarna werd een deel van de aanval specifiek gericht op een minderheid van de onderwijswerkers (psychologen, raadgevers en andere specialisten) teneinde verdelingen te scheppen in deze sector van de arbeidersklasse. De vakbonden hebben dat sabotagewerk voortgezet door een deel van de arbeidersklasse buiten de strijd te houden en het andere deel op te roepen er zich helemaal voor in te zetten. En tenslotte hebben ze aan het einde opgeroepen tot een algemene staking, toen de beweging totaal was uitgeput. “We bevinden ons vandaag dus in een klassiek schema van de klassenstrijd: de regering slaat toe, de vakbonden verzetten zich en roepen eerst op tot syndicale eenheid om de arbeiders massaal, onder hun controle, achter zich aan te trekken. Dan opent de regering onderhandelingen en de vakbonden stellen zich verdeeld op om beter verdeeldheid en desoriëntatie te zaaien in de rangen van de arbeiders. Deze methode, die de vakbondsverdeeldheid uitspeelt tegen de opkomende klassenstrijd, is de meest beproefde methode van de bourgeoisie om de inkadering door de vakbonden globaal te behouden, en het verlies van geloofwaardigheid zoveel mogelijk te concentreren op het ene of het andere vakbondsapparaat dat vooraf werd aangewezen. Dat betekent ook dat de vakbonden opnieuw de vuurproef moeten ondergaan en dt de onvermijdelijke ontwikkeling van de toekomstige gevechten de arbeidersklasse opnieuw voor het probleem zal stellen hoe de confrontatie met haar vijanden aan te gaan, om haar klassenbelangen en de behoeften van haar strijd te doen gelden” (1).
De tactiek om de arbeiders te verdelen, is niet nieuw voor de vakbonden. Ze doen dat op doeltreffende wijze in dienst van de bourgeoisie sinds ze aan het begin van de twintigste eeuw in de staat geïntegreerd werden. Vandaag moeten de arbeiders hun klassenkarakter terugvinden, tegen het idee dat ze zichzelf zouden moeten zien als lid van deze of gene vakbond, als werknemer van de DWP (het Ministerie van Arbeid en Pensioenen) of van een andere tak van de openbare diensten, zoals de leraren of de technici, in plaats van zich eerst en vooral te beschouwen als leden van de arbeidersklasse met gezamenlijke belangen.
In de huidige omstandigheden mag men niet verwachten dat de strijd zich spontaan zal losmaken van de vakbonden. We verwachten van de arbeiders niet dat ze al in staat zullen zijn de vakstrikken te ontlopen die de heersende klasse voor hen uitzet; velen onder hen zullen zich laten provoceren. Wat van belang is, is dat al die tactieken die gepland worden door de heersende klasse (regering, bazen en vakbonden) om de arbeiders te provoceren en te verdelen vandaag de ontwikkeling van een toenemende strijdwil niet kunnen verhinderen. Die trage ontwikkeling van de arbeidersstrijd draagt het potentieel in zich van een versterking van de klassenkarakter, wat een voorwaarde ervoor is dat de arbeidersklasse de lessen uit alle strijdervaringen uit de periode van 1968 tot 1989 weer gaat opnemen.
Naar een artikel in World Revolution, krant in Groot-Brittannië van de IKS, nr. 271, februari 2004.
(1) Uit: Klassenstrijd in Frankrijk, voorjaar 2003: De massieve aanvallen van het kapitaal vereisen een massaal antwoord van de arbeidersklasse, in Internationale Revue, (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave), nr. 114, 3e kwartaal 2003.
Binnen de strijd van de arbeidersklasse bestaat de bijzondere rol van de revolutionairen niet alleen in het benadrukken van de noodzaak van de strijd, van het belang om die tegenover de aanvallen van het kapitalisme te veralgemenen en te radicaliseren, maar ook in het aantonen hoe het een voorbereiding vormt op de algemene confrontatie met dit systeem met als doel de omverwerping ervan en de oprichting, op zijn ruïnes, van een nieuwe maatschappij: het kommunisme. "Het kommunisme is dood" zeggen ons de al dan niet bewuste en officiële woordvoeders van de kapitalistische ideologie wanneer de revolutionairen dat perspectief voor de mensheid ter sprake brengen. "Het kommunisme is dood" herhalen triest vele arbeiders die gevangen blijven in de grootse campagne die volgde op de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van het stalinisme. Wij hebben in onze pers de leugen gehekeld die door alle krachten van het kapitaal, van extreem-rechts tot ultra-links, overeind werd gehouden. In die leugen wordt het kommunisme op één hoop gegooid met het stalinisme, zijn ergste doodgraver. Wij hebben zelfs een volledige brochure aan het onderwerp gewijd (De ineenstorting van het stalinisme). Met het opnieuw publiceren van het eerste deel van een serie artikelen die werd geschreven in de jaren 1970 willen wij aantonen waarom het kommunisme geen droom is van enkele oude dinosaurussen die zich vastklampen aan het idee van de klassenstrijd (die ook dood en begraven zou zijn) en waarom het niet alleen een noodzaak is maar ook reële mogelijkheid. We zullen met andere woorden zien wie er gelijk hebben, de revolutionairen of degenen die beweren dat ze zich hebben aangepast aan de nieuwe omstandigheden die sinds de ineenstorting van het stalinistische blok bestaan en die zogenaamd de definitieve overwinning van het kapitalisme zou hebben gebracht.
Het idee van een samenleving waarin geen armoede heerst of onderdrukking, sociale ongelijkheid noch privé-eigendom, van een samenleving die gegrondvest is op solidariteit, waarin "de ene mens" niet langer "een wolf voor de ander zou zijn" en waarin "de vrije ontplooiing van de enkeling de voorwaarde zou vormen voor de vrije ontplooiing van allen", is niet nieuw. We kunnen het in de oudheid al in allerlei vormen aantreffen vanaf de geschriften van de Griekse wijsgeer Plato (die overigens de slavernij verdedigde!) tot aan het denken van de eerste christenen. We vinden het terug in de Middeleeuwen, vooral in de chiliastische bewegingen en bij de Duitse monnik Thomas Münzer, een van de leiders van de boerenoorlog.
Toch komt het kommunisme pas tot ware bloei met het verschijnen in de maatschappij van een nieuwe klasse, die voor het eerst de mogelijkheid biedt om deze oude droom van de mensheid in werkelijkheid om te zetten: het proletariaat. En het is juist binnen de burgerlijke revoluties van de zeventiende eeuw in Engeland en aan het einde van de achttiende eeuw in Frankrijk dat we politieke stromingen zien opkomen die zich min of meer uitdrukkelijk op een dergelijk plan beroepen. Terwijl het proletariaat in die landen nog in de wieg ligt, krijgt het al een georganiseerde uitdrukking voor de verdediging van zijn historische belangen (met bijvoorbeeld de Egaux (gelijken) in Frankrijk). Maar het is in het midden van de negentiende eeuw, met de ontwikkeling en de concentratie van de arbeidersklasse die het verschijnen van de grote industrie begeleidt, dat de doelen en middelen van het kommunisme worden verduidelijkt. Het breekt met de utopieën uit het verleden (waarvan de vruchtbaarste ongetwijfeld die van Fourier, Saint-Simon en Owen waren) en begint zich te ontdoen van de sectaire en samenzweerderspraktijken waaraan Blanqui en zijn aanhangers zo verknocht waren net als van de religieuze inslag waaraan een overigens zo scherpzinnige kommunist als Weitling nog vasthield. Met het Manifest van de Kommunistische Partij van 1848 verkrijgt het zijn eerste wetenschappelijke en nauwgezette verwoording. Het is een document dat de grondslag legt voor heel de verdere ontwikkeling van de proletarische beweging. In deze tekst wordt het kommunisme niet voorgesteld als de uitvinding van de één of andere helderziende die vervolgens enkel in praktijk behoeft te worden gebracht, maar als de enige maatschappij die de kapitalistische maatschappij kan opvolgen en de dodelijke tegenstellingen ervan kan overstijgen. Het meest wezenlijke idee van deze tekst bestaat er uit dat het kapitalisme, net als alle maatschappijvormen die eraan voorafgingen, niet onsterfelijk is. Wanneer het een vooruitstrevende stap betekende in de ontwikkeling van de mensheid, vooral door de wereld te verenigen met de vorming van de wereldmarkt, draagt het onoverwinnelijke tegenspraken in zich die het in steeds gewelddadiger uitbarstingen doen afglijden en het uiteindelijk te gronde zullen richten. Door de ontwikkeling van reusachtige materiële productiekrachten mogelijk te maken waaronder op de eerste plaats de arbeidersklasse schept het de voorwaarden om te worden voorbijgestreefd door een maatschappij die deze overvloed als uitgangspunt kan nemen en waarvan de hoofdrolspeler dezelfde arbeidersklasse is die onderaan de sociale ladder staat en die zichzelf alleen kan bevrijden door heel de mensheid te bevrijden.
Als het Kommunistische manifest, zoals Marx en Engels, de schrijvers ervan, het later toegaven, zich vergiste door de indruk te wekken dat het kapitalisme al over het hoogtepunt van zijn ontwikkeling heen was en de kommunistische revolutie elk ogenblik kon uitbreken, dan werd heel de richting die ermee werd ingeslagen vervolgens ruimschoots bevestigd en met name het idee dat het kapitalisme niet kan ontsnappen aan steeds gewelddadiger economische crises.
Momenteel krijgt de maatschappij andermaal de waanzin opgelegd van een economische crisis die kenmerkend is voor het kapitalisme: massa's van tientallen en honderden miljoenen mensen worden in de ergste ellende gestort niet omdat er onvoldoende geproduceerd wordt, maar omdat er... teveel wordt geproduceerd. Maar deze crisis is van een ander soort dan die waarnaar in het Manifest wordt verwezen. De crises uit de vorige eeuw vonden plaats in een periode van volle uitbreiding van het kapitalisme en ze vonden snel een ‘oplossing’ door opruiming van de minst winstgevende sectoren van de economie en door de verovering van nieuwe markten. In zekere zin vormden zij de hartslag van een organisme in volle gezondheid. Sinds de Eerste Wereldoorlog is het kapitalisme daarentegen in zijn fase van historisch verval terechtgekomen, van permanente crisis. Sindsdien bestaat er geen werkelijke oplossing meer voor de crisis. Het systeem kan alleen overleven door een helse spiraal waarin de fasen van acute crisis, oorlog, wederopbouw en nieuwe crisis elkaar opvolgen, fasen die we niet meer kunnen vergelijken met een polsslag maar alleen met het gereutel van zijn doodsstrijd. Zoals de Kommunistische Internationale het in 1919 aankondigde, was het tijdperk van imperialistische oorlogen en van revoluties geopend, het kommunisme stond op de dagorde. Sindsdien hebben de opeenvolgende stuiptrekkingen die de mensheid moest ondergaan enkel steeds meer de dringendheid bevestigd van het overstijgen van de kapitalistische productiewijze. Het is een geweldige rem op de ontwikkeling geworden. Na de Eerste Wereldoorlog vormde de grote crisis van 1929 een volgend spectaculair voorbeeld van het bankroet van het kapitalisme en in de holocaust van de Tweede Wereldoorlog erna werden de grenzen van de afgrijselijkheid, waarvan men dacht dat die al tijdens de eerste imperialistische wereldslachting waren bereikt, nog verder opgeschoven. Sinds het kapitalisme de periode van zijn verval binnentrad heeft de mensheid het overleven van dit systeem betaald met al meer dan honderd miljoen uitgemoorden. Daarbij zijn nog niet eens de gruwelijke verliezen geteld van de hongersnoden, de ondervoeding en het geheel van de ellende waarin het meerdere miljarden mensen heeft gestort, terwijl het zich tegelijkertijd overgeeft aan een onvoorstelbare verspilling van rijkdom en productiekrachten.
De huidige crisis is dus niet de eerste uiting van het bankroet van het kapitalisme of van de noodzaak om het door het kommunisme te vervangen. Op velerlei gebied verschijnen steeds opnieuw de innerlijke tegenspraken aan de oppervlakte die in het verleden al tot uitbarsting kwamen. Naarmate de kloof tussen enerzijds de enorme mogelijkheden die de maatschappij biedt om de menselijke behoeften volledig te bevredigen en anderzijds het catastrofale gebruik dat daarvan wordt gemaakt nog veel verder groeit, wordt ook de dwingende noodzaak van de oprichting van een andere maatschappij nu nog veel meer dan in het verleden voelbaar.
Deze nieuwe maatschappij moet in staat zijn de innerlijke tegenspraken waaronder de huidige maatschappij gebukt gaat te boven te komen: alleen op die manier zal zij geen utopisch bouwwerk van de geest zijn maar een duidelijk omschreven objectieve noodzaak. De kenmerken ervan kunnen dan ook worden verwoord als de positieve opgaven ten opzichte van de negatieve, wurgende uitwerking van de wetten van de kapitalistische maatschappij.
De diepere oorzaken van het kwaad dat het kapitalistische systeem aantast bestaat uit het feit dat het doel van de productie niet bestaat uit de bevrediging van de menselijke behoeften maar uit de accumulatie van kapitaal, dat het geen gebruikswaarden maar ruilwaarden produceert, dat de private toe-eigening van de productiemiddelen botst op het steeds meer sociaal karakter ervan. Met andere woorden, het kapitalisme valt uiteen omdat hij is gebaseerd op uitbuiting van de loonarbeid en omdat de meerwaarde die door deze uitbuiting wordt voortgebracht niet meer gerealiseerd kan worden, dat wil zeggen geruild kan worden tegen goederen die kunnen worden opgenomen in een uitgebreide reproductiecyclus van het kapitaal.
De economische karaktertrekken van het kommunisme zijn daarmee de volgende:
Tegenover deze beschrijving wordt vaak ingeworpen: “Waarom is een dergelijke maatschappij, die alle kenmerken heeft van een ideale maatschappij die het meest geëigend is voor de menselijke ontwikkeling, niet al veel eerder verschenen?” Met andere woorden: waarom zou een dergelijke maatschappij momenteel mogelijk zijn, terwijl die in het verleden nooit verwezenlijkt kon worden? Op zulke vragen antwoorden de anarchisten, waarvan de benaderingswijze, afgezien van het genie, op dat van de utopisten lijkt, gewoonlijk: “In feite was het kommunisme altijd mogelijk, het is geen probleem van objectieve, materiële omstandigheden, maar van de menselijke wil”. Wat ze verder nergens uitleggen is waarom die wil zich niet eerder heeft gemanifesteerd, of waardoor hij niet algemeen werd of werd verwezenlijkt toen hij zich bij minderheidsstromingen manifesteerde. Het marxisme geeft daarentegen een serieus antwoord op deze vraag. Het legt uit dat een van de wezenlijke kenmerken van de ontwikkeling van de mensheid bestaat uit de ontwikkeling van de productiekrachten, met andere worden van de productiviteit van de menselijke arbeid. Aan iedere ontwikkelingstrap van deze productiekrachten beantwoordde een gegeven productieverhouding, dat wil zeggen de betrekkingen tussen de mensen in de productie-activiteit van goederen die bestemd zijn voor hun behoeftebevrediging. In de primitieve maatschappijen is de arbeidsproductiviteit dermate zwak dat hij nauwelijks kan voorzien in de bevrediging van de meest elementaire fysiologische behoeften van de leden van de gemeenschap. Daardoor is uitbuiting en economische ongelijkheid onmogelijk in de zin dat wanneer sommige enkelingen zich meer goederen toe-eigenen of meer consumeren dan de anderen, de rest niet in staat is om te overleven. De uitbuiting, meestal in de vorm van slavernij van leden van gemeenschappen die zijn overwonnen in territoriale conflicten, kan pas ontstaan wanneer in grote lijnen de gemiddelde productie van een mens het fysiologisch minimum overschrijdt. Maar tussen de bevrediging van dit minimum en een volledige bevrediging van de materiële en vervolgens ook geestelijke behoeften van de mensen bestaat er een ontwikkelingsruimte van de arbeidsproductiviteit (dat wil zeggen van de beheersing van de natuur) die historisch nu juist de ondergang van het oorspronkelijk kommunisme scheidt van de mogelijkheid van het hogere kommunisme. In dezelfde zin is het niet omdat de mens ‘van nature’ goed is dat hij zijn soortgenoten in het primitieve kommunisme niet uitbuitte, evenzeer is het niet omdat hij ‘slecht’ is geworden dat hij dat sindsdien en tot op de dag van vandaag heeft gedaan. De uitbuiting van de ene mens door de andere, het bestaan van economische privileges, werd mogelijk omdat de gemiddelde menselijke productie boven het fysiologische minimum uitsteeg en noodzakelijk omdat deze de behoeften van alle leden van de maatschappij nog niet volledig kon bevredigen.
Zolang dat nog niet het geval was, was ook het kommunisme onmogelijk, hoe vervelend de anarchisten dat ook vinden. Maar juist die omstandigheid werd door het kapitalisme grondig gewijzigd. Door de geweldige vooruitgang van de arbeidersproductiviteit die mogelijk werd door het systematisch toepassen van wetenschappelijke uitvindingen, door de algemene toepassing van de geassocieerde arbeid en door gebruik te maken van de natuurlijke en menselijke rijkdommen van de hele wereld, maar natuurlijk ook ten koste van het op gang brengen van een tot dan toe ongekende uitbuiting, werden eindelijk de grondslagen gelegd voor het kommunisme. Door meester over de natuur te worden schiep het de omstandigheden waarin de mens zijn eigen meester kan worden.
En juist dat laat de crisis van het kapitalisme andermaal zien. Voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid stort een maatschappij het overgrote deel van zijn leden in de armoede, niet omdat hij niet genoeg produceert, maar omdat hij teveel produceert in verhouding tot de wetten waardoor het wordt beheerst.
Voorafgaand aan het kapitalisme kende de mensheid crises maar nooit overproductie-crises. Momenteel komt deze aangeboren afwijking met ongekende kracht aan de oppervlakte: de onverbiddelijke groei van de werkloosheid, de groeiende onder-benutting van het geheel van de productiekrachten, de omvangrijke vernietigingen van die productiekrachten in de steeds bloediger en omvangrijker oorlogen. Ze laten zien dat de werkelijke utopisten degenen zijn die nog altijd proberen dit systeem te hervormen in de richting van een betere bevrediging van de menselijke behoeften, zonder het geheel en al onderste boven te keren.
Het geheel van de economische, politieke en militaire gebeurtenissen sinds meer dan dertig jaar getuigen van het heit dat de mensheid, als hij blijft overgeleverd aan de wetten van het kapitalisme, recht afstevent op steeds meer barbarij, op een versnelde ontbinding die de gruwel en de chaos van de wereldoorlogen van de twintigste eeuw overstijgen. Wanneer de ongelooflijke vernietigingskracht van de voorbije imperialistische conflicten liet zien dat de mens voldoende meester over de natuur was om de kommunistische maatschappij te vestigen, dan heeft deze heerschappij over de natuur, die sindsdien nog verder versterkt werd, hem momenteel in staat gesteld om de mensheid te vernietigen. Het is dus niet alleen om het ontluiken van de menselijke soort de verzekeren dat het kommunisme momenteel noodzakelijk is, maar ook eenvoudigweg om het overleven van de menselijke soort mogelijk te maken.
In het volgende deel van dit artikel gaan we nader in op de verschillende tegenwerpingen die vaak naar voren worden gebracht tegen het perspectief van het kommunisme en met name de bewering dat de mensheid ‘van nature’ niet in staat zou om een dergelijke maatschappij te verwezenlijken.
Eind 2003 lanceerde de bourgeoisie in Frankrijk een brede ideologische campagne rond het al dan niet mogen dragen van een sluier of hoofddoek en andere opzichtige religieuze uitingen op scholen en in openbare ambten en functies. Dit onderwerp is vervolgens in andere Europese staten meteen overgenomen als welkome aanvulling op de algemene campagne van de bourgeoisie tegen extremisme, terrorisme, vandalisme, zinloos geweld en onveiligheid, en voor een meer actieve deelname van alle bevolkingslagen aan de ‘democratie’ en het ontwikkelen van meer burgerschapszin ter versterking van de kapitalistische staat die ons allen zou beschermen. De campagne is er vooral op gericht een complete Babylonische spraakverwarring te stichten, waarin raciale, culturele, godsdienstige geslachts- en sociale schijntegenstellingen zoveel mogelijk worden opgeklopt en met elkaar vermengd om de gemoederen flink te verhitten.
Arabieren komen tegenover Europeanen of Nederlanders te staan, culturele vrijheid en de pluriforme multi-culturele samenleving tegenover de noodzaak tot integratie van allochtonen en het voorkoming van getto-vorming, islam-fundamentalisme tegenover de waarden van het christendom en de verdediging van de scheiding van kerk en staat. In het beloofde land van het feminisme natuurlijk ook het ‘baas op eigen hoofd’ tegenover de strijd tegen de onderwerping van de vrouw. Een gediscrimineerde onderklasse van niettemin ‘profiterende’ allochtonen komt te taan tegenover ‘bevoordeelde’ arbeiders die weer zouden opdraaien voor de kosten van de sociale verzekeringen. Telkens zou er een absurde keuze moeten worden gemaakt tussen twee kwaden, waarbij iedereen wordt uitgenodigd zelf een ‘minste kwaad’ uit te kiezen.
Met al het gedoe over hoofddoekjes op school en de vele verschillende debatten, betogingen en protesten die daarover op gang kwamen, en met de wet over het dragen van herkenbare tekens van religieuze overtuiging heeft de Franse bourgeoisie een langdurige campagne opgestart om het bewustzijn van de arbeidersklasse diepgaand te vertroebelen. Rechts, links en extreem-rechts, iedereen zingt zijn couplet voor of tegen, een beetje voor of heel erg tegen, enzovoort. De media, de politici, de sociale en culturele verenigingen, of ze nu islamitisch, joods of christelijk zijn, allen dragen ze bij aan wat ze een ‘breed debat van alle burgers over het secularisme’ noemen. In weerwil van de kakofonie die in de ‘Franse samenleving’ daarover zou heersen gaan alle standpunten in feite in dezelfde richting: een zo groot mogelijke verwarring in de hoofden van de arbeiders zaaien om hen beter aan de burgerlijke staat te kunnen vastketenen en hen hun lot te doen aanvaarden (1).
Door dit vals debat probeert de bourgeoisie de andacht af te leiden van het failliet van het kapitalistisch systeem, van de toenemende ellende en de reeks aanvallen die ze aan het voorbereiden is. De bourgeoisie spoort de arbeiders dus aan als geïsoleerde individuen deel te nemen aan het debat. Zij worden uitgenodigd als ‘burgers’ na te denken, naast de kleinburgers en de bourgeois die hen uitbuiten. Allen gelijk in het debat!!! De arbeider wordt zo gescheiden van zijn klasse, verzopen in een massa en compleet blootgesteld aan de heersende ideologie.
Maar de hoofddoekaffaire is ook een nieuwe gelegenheid om breuken te ontwikkelen binnen de bevolking en vooral binnen het proletariaat. Het is opvallend dat het debat vooral olie op het vuur gegooid heeft en zo het racisme (zoals na de oprichting door de PS van SOS Racisme begin de jaren 1980), het seksisme en de verdeeldheid tussen de gemeenschappen op de spits gedreven heeft in hun meest kleinzielige aspecten. Het gaat er weer om de arbeiders tegen elkaar in competitie te plaatsen, niet alleen op basis van hun nationaliteit, maar ook van hun geloof. Het gaat erom een diep gevoel van verdeeldheid te zaaien binnen de arbeidersklasse op basis van de valse tegenstelling tussen Franse en geïmmigreerde arbeiders, waarbij die laatsten per definitie mogelijk ‘islamisten’ kunnen zijn. En binnen die groep duidt de bourgeoispropaganda aan de ene kant ‘slechte’ immigranten aan die betoogd hebben voor het onvoorwaardelijk dragen van de hoofddoek, en aan de andere ‘goede’ immigranten die onderworpen zijn aan de wetten van de ‘religieus neutrale republiek’. Ze vormt de ware solidariteit tussen de arbeiders, die nationaliteit en geloof overstijgt, om tot een solidariteit tussen hen die zich terugvinden in een ‘geloof’ in de burgerlijke staat als ultieme vrederechter en bewaarder van de sociale samenhang. Want achter heel dat debat over de verdediging van de neutraliteit gaat de kwestie schuil van de verdediging van de democratische staat. Citeren we de krant Libération van 29.01.2004 die duidelijk de zin van de campagne toont: “In onze vrijzinnige traditie is de staat de beschermer van de vrije uitoefening door elkeen van zijn bewustzijn, van de uitdrukking of de niet-uitdrukking ervan. Er moet ingegrepen worden wanneer die vrijheid bedreigd wordt.” De staat zou de enige waarborg zijn van de individuele vrijheden, in dit geval zou alleen de staat zich kunnen verzetten tegen de toenemende onderdrukking van individuen die het gevolg is van de opkomst van religieuze integrismen. Maar het is juist één van de objectieven van dit ‘debat’ een rookgordijn op te trekken rond de oorzaken van die opkomst van integrisme, om de arbeidersklasse ervan te weerhouden zich bewust te worden van het feit dat de ontbinding zelf van het kapitalistisch systeem daarvan aan de oorsprong ligt (2).
Zoals Marx meer dan 150 jaar geleden schreef: “De religieuze ellende is tegelijk zowel de uitdrukking van de werkelijke ellende, als het protest tegen de werkelijke ellende. De religie is de verzuchting van het gekwelde schepsel, het gemoed van een harteloze wereld,evenals zij de geest van geestloze toestanden is. Ze is het opium van het volk.” (3). Tegenover de cultus van de religie wil de bourgeoisie die van de neutrale staat stellen, het nec plus ultra van de bevrijding van de onderdrukten van de religie. Maar het is zeker niet door vertrouwen te stellen in de staat en zijn flikken dat de jonge meisjes die onderworpen worden aan de dictaten van de islamisten zullen kunnen ontsnappen aan de onderdrukking, evenmin als om het even welke proletariër. Het ligt trouwens geenszins in de bedoeling van de regering de cultussen af te schaffen, wel hen te versterken. Zo zien we hoe onder de hoede van de ‘vrijzinnige’ republikeinse staat, in naam van de ‘vrijheid’ en het ‘respect’ voor de cultussen, moskeeën en synagogen opbloeien. Daar blijkt zonder enige dubbelzinnigheid dat de doelstellingen van de democratische staat niet in tegenstelling staan tot die van de religies, maar dat ze elkaar aanvullen.
Ideologische onderdrukking, verplettering van denken en bewustzijn, allerlei vormen van uitbuiting van de individuen zijn het gewijde brood waarvan ze hun hosties maen. In de negentiende eeuw heeft de bourgeoisie, voorzover ze een progressieve klasse was, haar best gedaan om de Kerk te behouden als een kracht gescheiden van de burgerlijke staat, omdat die een belemmering vormde voor de ontwikkeling van de productiekrachten, wat leidde tot de wetten over scheiding van kerk en staat, waarbij die eerste wel achter de hand gehouden werd als ideologische kracht. Maar ook toen al stelden de revolutionairen de illusie aan de kaak als zou het anti-klerikalisme dat bloeide binnen de Franse republikeinse bourgeoisie op zich een kracht van bevrijding vertegenwoordigde. Rosa Luxemburg beschouwde dat als een misleidend element dat ontsproten was aan de burgerlijke ideologie zelf. In een artikel dat in januari 1902 gepubliceerd werd, schreef ze: “De socialisten zijn juist verplicht de Kerk, die antirepublikeinse en reactionaire macht, te bestrijden, niet om deel te nemen aan het burgerlijk anti-klerikalisme, maar om zich daarvan te ontdoen. De onophoudelijke guerrilla die sinds jaar en dag gevoerd wordt tegen het pastoordom is voor de Franse burgerlijke republikeinen een van de doeltreffendste middelen om de aandacht van de werkende klassen af te leiden van de sociale kwesties.” En ze voegde daaraan toe: “Het burgerlijk anti-klerikalisme leidt tot het verstevigen van de macht van de Kerk, net zoals het burgerlijk antimilitarisme, zoals dat opdook in de affaire Dreyfus, dat zich enkel verzette tegen de natuurlijke verschijnselen van het militarisme, van de corruptie van de Generale Staf, er enkel in geslaagd is die instelling uit te zuiveren en te versterken.” (4).
Met het verval van het kapitalisme en de intrede van het systeem in zijn fase van ontbinding, zijn die illusies over het anti-klerikalisme en de verdediging van de neutraliteit zonder meer misleidingen geworden die door de kapitalistische staat als ideologisch wapen gebruikt worden om de arbeidersklasse te verdelen en de arbeiders tegen elkaar op te zetten.
Tegenover de verrotting die heel de planeet in haar greep krijgt gaat het er niet om de zaak van de religie of die van de ‘vrijzinnige’ staat te verdedigen. Tegenover dat valse alternatief moeten we verdedigen dat alleen de proletarische revolutie een eind zal maken aan alle misleidingen, die, ‘vrijzinnig’ of ‘religieus’, alle het product zijn van de kapitalistische onderdrukking.
AM / 20-02-2004
(1) Deze doldrieste verdeel- en heerscampagne is vervolgens snel overgenomen door de bourgeoisieën van andere West-Europese landen, zoals België en Nederland. Na de aanslagen in Madrid van 11 maart worden, in het kader van het ‘anti-terrorisme’, de ideologische duimschroeven nog wat verder aangedraaid: de bourgeoisie probeert een atmosfeer van angst en repressie te creëren waarin alle immigranten uit ‘moslimlanden’ bij voorbaat van ‘islam-terrorisme’ worden verdacht, tenzij zij onvoorwaardelijk steun aan de burgerlijke staat betuigen.
(2) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 109, De heropkomst van het islamisme, symptoom van de ontbinding van, de kapitalistische sociale verhoudingen.
(3) Karl Marx, Bijdrage tot de kritiek op Hegel’s rechtsfilosofie, Inleiding, in Over godsdienst, staat en het joodse vraagstuk, Pegasus, Amsterdam 1975, p. 87 e.v.
(4) Rosa Luxemburg, Het socialisme in Frankrijk, Editions Belfond, p. 213-214.
Bijlage bij Wereldrevolutie, nr.103
Twintig miljard euro! Dat is het bedrag dat de bourgeoisie van de arbeiders wil afpersen. Daarmee wordt het voorbeeld gevolgd van de Franse en Duitse collega’s waartegen onze klassenbroeders en zusters ook al massaal in beweging kwamen. Terwijl steeds meer van ons werkloos worden zonder veel kans op een andere baan verdwijnt ook geleidelijk ons uitzicht op een “zorgeloze oude dag” of zelfs behoorlijke medische verzorging. De hele naoorlogse “welvaartsstaat” en de “sociale zekerheid” waarmee ze ons jarenlang paaiden, worden onderuit gehaald. Als de arbeiders na jarenlange “sociale vrede” met officieel 300.000 in Amsterdam waren dan was de demonstratie van 2 oktober 2004 zeker de grootste manifestatie in Nederland in dertien jaar. Overheersend was het gevoel van verbazing over de eigen enorme aantallen en over het nieuwe strijdvermogen dat daarmee werd blootgelegd. Een betere weerlegging van de jarenlang gevoerde campagnes over “het verdwijnen van de arbeidersklasse” was nauwelijks denkbaar. Verder sluit deze betoging, al was het nog schoorvoetend, ongetwijfeld ook aan bij de bewegingen in andere Europese landen, zoals Frankrijk en Duitsland. Waar staan we precies met dit begin van een keerpunt in de internationale klassenstrijd (1)?
De maatregelen zijn urgent voor de bourgeoisie want als de economische cijfers voor de Euro-zone toch al slechter zijn dan die van de Verenigde Staten, dan bevinden die van Nederland zich nog onder het gemiddelde van de Euro-zone. In 2003 kromp de economie zelfs met 0,9%. De werkloosheid steeg in één jaar met 153.000 en zal naar verwachting stijgen tot 758.000 in 2005. Deze rampzalige ontwikkeling was al ingeluid met inkrimpingen en ontslagen bij UWV, V&D, SP Aerospace, ING, Fortis, Laurus, Wehkamp, Philips, Rabo, Shell, NS-International, Akzo, Boskalis, DSM, RDM, Accordis, ABN-AMRO, OCE, KPN, Staalbankiers en Stork.
Een hoofddoel van de aanvallen wordt gevormd door pensioenen en vervroegde pensioenen, inclusief AOW, VUT en FLO, net als eerder al in bijvoorbeeld Frankrijk, Oostenrijk en Duitsland. Het wordt haast onmogelijk gemaakt om nog met werken te stoppen voor het 65ste levensjaar en ook die leeftijd staat ter discussie, en wie niet meer kan heeft pech. Voorwaarden, duur en omvang van uitkeringen, alles ligt onder vuur voor ouderen, werklozen, zieken en invaliden, kortom voor iedereen die niet direct in de productie staat.
Het is duidelijk dat de aanvallen niet stoppen voor de poorten van bedrijven en kantoren. In navolging van Duitsland wordt er geprobeerd om de werkweek zonder looncompensatie weer tot veertig uur en meer te verlengen en de druk om allerlei vormen van flexibiliteit te aanvaarden neemt toe. De regering zet in op 0% nominale loonsverhoging. Het systeem van bindende collectieve arbeidsovereenkomsten is op de helling gezet zodat de aanvallen beter op maat kunnen worden uitgevoerd en de arbeiders individueel beter onder druk kunnen worden gezet.
Binnen de arbeidersklasse nam de ongerustheid dan ook steeds verder toe en het werd voor de vakbonden steeds moeilijker om de arbeiders geïsoleerd van elkaar naar de slachtbank te leiden.
Het zegt genoeg dat alle betrokken partijen, regering zowel als oppositie, werkgeversorganisaties zowel als vakbonden, vooraf duidelijk te kennen gaven dat ze het met z’n allen eens waren dat er grof in de sociale uitgaven moest worden gesneden en dat wie niet direct kon worden uitgebuit naar een minimum moest en de rest harder moest werken voor minder geld. Het enthousiasme van de vakbeweging om uit naam van de arbeidersklasse “offers” te brengen op het altaar van het nationale belang was er niet minderom geworden dan onder Paars en in het najaarsoverleg van 2003 kwamen minister van financiën Gerrit Zalm en FNV-baas Lodewijk de Waal dan ook wonderwel met elkaar overeen.
Maar in februari en maart waren werkonderbrekingen bij enkele scheepswerven in het noorden en bij DSM-Geleen al een teken dat de sfeer veranderde en in juni stemden 400.000 FNV-leden voor actie tegen de kabinetsplannen. Het werd tijd voor een andere taakverdeling. Het “gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen” voor de maatregelen zoals onder Paars maakte plaats voor een openlijk “Ieder voor zich en God voor ons allen” van de regering. Die sprak dan ook van “meer eigen verantwoordelijkheid”, wat vooral betekende dat de staat verantwoordelijkheid voor de armoede afwijst en dat wie niet direct kan worden uitgebuit aan zijn lot wordt overgelaten.
Hoewel het vakbondslidmaatschap gering is en de vakbeweging te kampen heeft met een “oude mannen-imago” staat de vakbondsideologie traditioneel sterk. De vakbonden gingen zichzelf weer de rol van “verdedigers van arbeidersbelangen” aanmeten. De regering van haar kant nam onmiddellijk de vereiste uitdagende houding aan om de arbeidersklasse te provoceren voordat de strijdbaarheid tot ontwikkeling kwam en zo verleende ze de vakbeweging tegelijkertijd de nodige geloofwaardigheid. Al tijdens het “mislukte” voorjaarsoverleg van 2004 begonnen de vakbonden, in koor met de werkgevers, d van de ministers aan te klagen waarmee die op een “zinloze confrontatie” aanstuurden.
In de miljoenennota van 21 September 2004 kondigt de regering vervolgens ongekende aanvallen aan op de arbeids- en levensomstandigheden, veel omvangrijker zelfs dan die van de drie achtereenvolgende kabinetten Lubbers (1982-1994), maar waarin voor de vakbeweging, die zich in beginsel al akkoord had verklaard, niet veel nieuws kan hebben gestaan. Het hele bezuinigingspakket werd met brede parlementaire steun in ijltempo door de Tweede Kamer gejaagd. Dankzij deze overvaltechniek gaf de regering de vakbeweging alle gelegenheid de vermoorde onschuld te spelen terwijl die nog steeds openlijk verklaarde dat ze het als haar eerste taak zag om een “breed maatschappelijk draagvlak” aan de maatregelen te verlenen.
De bourgeoisie als geheel, in de vorm van de burgerlijke staat, weet wanneer de confrontatie onvermijdelijk is en ze gaat die het liefst aan op een voor haarzelf zo gunstig mogelijk terrein en moment. Het geringe zelfvertrouwen binnen de arbeidersklasse kon worden benut om de illusie te versterken dat we zouden kunnen rekenen op de vakbeweging als organisator van protest en verzet. Maar zelfs aan de vooravond van de manifestatie toonden de vakcentrales nog eens hun ware gelaat in een akkoord bij NedCar-Mitsubishi (Born) over het ontslag van 900 uitzendkrachten en het schrappen van 200 vaste banen bij de ondersteunende diensten. Lodewijk de Waal, op het Museumplein aangekondigd als de “nationale teddybeer”, sloeg iets radicaler taal aan, maar nog altijd in nette termen opdat “een gesprek mogelijk blijft” met een regering die zelf de frontale aanval had geopend. Het was duidelijk dat de beweging zo snel mogelijk moest worden begraven om terug te keren naar een “onderhandelingstafel” waarop de arbeiders geen enkele controle hebben.
Voorafgaand waren er regionale manifestaties en werkonderbrekingen met tienduizenden deelnemers zoals in Rotterdam op maandag 20 september en in Amsterdam op maandag 27 september. De Amsterdamse arbeiders van het openbaar vervoer begonnen een 24-uursstaking waarbij de regionale buschauffeurs zich aansloten. Als de nationale manifestatie een uiting was van die groeiende onvrede, dan werd hij door de vakbeweging vooral georganiseerd om de omslag van onvrede naar strijdbaarheid af te remmen, om zichzelf als enige strijdorganisator voor te stellen en in de stille hoop het verzet in de kiem te kunnen smoren. Onder de slogan “Nederland verdient beter” werd het geheel georganiseerd door FNV, CNV en MHP, waarbij SP en Groenlinks zich aansloten, en op het allerlaatste moment ook nog de PvdA. De onwennige vakcentrale-voorzitters kregen door de media een heldenrol toebedeeld in het ‘volksverzet’. Maar met hun ‘signalen’ aan ‘de politiek’ over de brede afwijzing van de plannen in de bevolking vervulden ze niet alleen hun taak van het doorgeven van de temperatuur aan de regering; ze gaven vooral ook een boodschap door aan de arbeidersklasse: alleen via ons kan de regering tot luisteren worden bewogen en als dit door overleg met ons niet lukt dan is voor jullie alles verloren.
Als aanvulling daarop dook na een haast volledige afwezigheid van jaren ook de vakbondsbasis weer op in de vorm van het comité De maat is vol dat de vakbondstop met ronkende taal ondersteunt in haar sabotagewerk. Het comité was vooral actief in de Rotterdamse haven en bij Hoogovens (Corus) IJmuiden. Het riep niet alleen “de basis” op tot acties gericht op een “regeringswisseling” maar tegelijkertijd ook “de top” tot onderhandelingen met diezelfde regering. En vooral stelt het de arbeiders gerust dat er niets mankeert aan de vakbeweging, maar dat deze alleen eventjes “vanwege een doorgeslagen polderdenken in coma is geraakt”.
Als de PvdA weliswaar heel voelbaar aanwezig was dan is het pijnlijke hoofdstuk “paars” met als zijn bezuinigingen niet vergeten en wordt het verband gelegd met de linkse regeringen Schröder in Duitsland en Blair in Groot-Brittannië die precies hetzelfde soort van maatregelen nemen als de rechtse regering Balkenend II in Nederland. Als de manifestatie op het laatste moment een wat ‘politieker’ karakter kreeg en Lodewijk de Waal het had over “het rotbeleid van dit rotkabinet” dan was het enkel onder druk van de massale opkomst, om met wat radicaler klinkende leuzen greep op het gebeuren te houden. Daartoe hield het comité Keer het tij eerst een eigen manifestatie op de Dam om vervolgens naar het Museumplein te trekken. Onder de slogan “Nee tegen de regering, ja tegen de vakbonden” werd zo het strijdbaarder publiek aangetrokken ten gunste van de bluf van een geheel linkse regering van PvdA, SP en Groenlinks, vooral om de illusie te versterken dat een andere regering de pijn zou kunnen verlichten.
Hoewel de onverwachte massaliteit van de betoging enige wanorde veroorzaakte in minder ingewijde staatskringen en ook in delen van de vakbeweging is het duidelijk dat de maatregelen hoe dan ook zullen worden doorgezet. De arbeiders die na de vakbondsacties concessies verwachten zullen bedrogen uitkomen. Hoe gehaat de regering zich ook maakt, de bourgeoisie is vastbesloten door te drukken voordat de strijdbaarheid werkelijk tot ontwikkeling komt en het is precies daarvoor dat ze links en de vakbeweging zo hard nodig heeft. Vandaar dat de ministers Zalm (VVD), Brinkhorst en De Graaff (D’66) en De Geus (CDA) onmiddellijk in de rij stonden voor de camera’s om te verklaren dat er niets verandert aan de voorgenomen maatregelen en ze deden hun best om de vakbondsleiders geloofwaardig te maken door die zoveel mogelijk te beschimpen.
Maar de druk bleef groot en om de touwtjes in handen te houden moesten van vakbonden tegen heug en meug netjes van elkaar in plaats en tijd gescheiden “estafettestakingen” organiseren. In het openbaar vervoer was er een 24-uursstaking op 14 oktober en op 27oktober nog een van 22.000 metaalarbeiders zoals bij NedCar en bij Corus, waarbij zelfs alle Noord-Hollandse metaalarbeiders werden opgeroepen naar IJmuiden te komen. De arbeiders werden er passief gehouden met vakbondsbetogen en muziek. Zelfs als er strijdwil in tot uiting kwam dan kan de vakbeweging, zolang de arbeiders zelf niet goed zijn voorbereid, proberen de arbeidersklasse in grote mobilisaties en met veel fanfare af te matten en een paar flinke nederlagen te bezorgen om zo de strijdbaarheid bij voorbaat te bekoelen en het gevoel van machteloosheid tegenover de maatregelen te versterken.
Ondanks de kracht en alomtegenwoordigheid van de vakbondsinkapseling, ondanks de aarzelingen van de arbeidersklasse om de strijd aan te gaan, is het nu zonder meer duidelijk dat de arbeiders begonnen zijn om de aanvallen van de bourgeoisie te beantwoorden; zelfs al is dit antwoord nog lang niet bij machte om de omvang van de aanvallen die tegen haar ontketend worden te counteren. En veel belangrijker nog, de massale betoging van 2 oktober moet begrepen worden als een schakel in een keten van arbeidersverzet die over heel Europa loopt: in de lente van 2003 barstten de arbeidersgevechten los in Frankrijk en in Oostenrijk tegen de ‘hervorming’ van de pensioenen; in de winter van datzelfde jaar waren er mobilisaties bij de trambestuurders in Italië en de postbeambten en brandweerlieden in Engeland, gevolgd door de arbeiders van Fiat Melfi in Zuid-Italië in het voorjaar van 2004. In juli van dit jaar barstte de strijd los bij Mercedes-Daimler-Chrysler in Duitsland en enkele weken geleden in verschillende Spaanse steden tegen een privatiseringsplan voor de scheepswerven. Op 14 oktober tenslotte gingen 9400 arbeiders van Opel Bochum, in het hart van het Ruhrgebied, in staking tegen een afdankingsplan van het moederbedrijf General Motors.
Elk van deze bewegingen onthult het overdenkingsproces dat zich binnen de arbeidersklasse in de diepte ontwikkelt: de opeenstapeling, de omvang en de aard van de aanvallen van de bourgeoisie zullen steeds meer de illusies ondergraven die de heersende klasse probeert te verspreiden. Daarenboven doen ze, in het bewustzijn van de uitgebuitenen, steeds meer een ongerustheid en een vraagstelling groeien over het lot dat dit uitbuitingssysteem weglegt voor henzelf, hun kinderen, de toekomstige generaties. Deze situatie opent nieuwe perspectieven. Ook al worden de huidige gevechten nog gekenmerkt door hun sporadisch karakter, het is door hun opeenvolging, hun massaliteit en het feit dat ze een zeer geconcentreerd proletariaat in beweging brengen, dat ze aantonen geen strovuur te zijn. Zij getuigen fundamenteel van een grondig verlies aan vertrouwen in de toekomst die het kapitalisme ons biedt. Deze gevechten drukken een groeiende bewustwording uit van het feit dat aanvallen en achteruitgang van de levensvoorwaarden de arbeiders van alle landen treffen en geenszins het probleem vertegenwoordigen van een bepaalde sector, bedrijf of land. Tenslotte tonen ze aan dat het gevoelen zich onder de arbeiders verspreidt tot één en dezelfde klasse te behoren.
Internationale Kommunistische Stroming, 30 oktober 2004.
(1) Zie: Een keerpunt in de internationale klassenstrijd, in: Wereldrevolutie, nr. 101, en: Het einde van de ‘welvaartsstaat’ opent een nieuw vooruitzicht voor de klassenstrijd, in Wereldrevolutie, nr. 102.
Het artikel dat we hieronder publiceren geeft een korte samenvatting van de belangrijkste ideeën over de klassenstrijd zoals die in de herfst van 2003 zijn goedgekeurd door het centraal orgaan van de IKS (1).
De grootschalige mobilisaties van het voorjaar 2003 in Frankrijk en Oostenrijk waren een eerste belangrijke stap in het opnieuw ontwikkelen van de strijdbaarheid van de arbeiders na de langste periode van terugval in de klassenstrijd sinds 1968. Zij maken duidelijk dat de arbeidersklasse, ondanks haar voortdurend gebrek aan zelfvertrouwen, er toch steeds meer toe wordt gedreven de strijd aan te gaan door de dramatische verheviging van de crisis en het steeds massaler en algemener worden van de aanvallen die een nieuwe, ongeslagen generatie proletariërs treffen.
Toen vanaf de jaren 1970 de massale werkloosheid terugkwam bestond het antwoord van de bourgeoisie uit het nemen van kapitalistische maatregelen die bekend stonden onder de naam ‘welvaartsstaat’ (met name in sommige landen door gunstiger regelingen om met pensioen te gaan) maar die vanuit puur economisch oogpunt onzinnig waren, zodat die maatregelen vandaag een van de voornaamste oorzaken vormen van de onmetelijke openbare schuld. Het feit dat de bourgeoisie er nu toe wordt gebracht de welvaartsstaat te ontmantelen is een belangrijke factor voor de ontwikkeling van de huidige klassenstrijd.
Dat keerpunt in de dynamiek van de klassenstrijd sinds 1989 betreft niet enkel de strijdbaarheid van de arbeidersklasse, maar ook de geestesgesteldheid in haar midden, het vooruitzicht waarin ze haar activiteit plaatst. Er bestaan vandaag tekenen van een verstoring van illusies, niet alleen wat betreft de typische misleidingen van de jaren 1990 (‘nieuwe technologische revolutie’, enzovoort), maar ook van de illusies die werden gewekt tijdens de wederopbouw na de tweede wereldoorlog, met name rond de hoop op een beter leven voor de volgende generatie en van een leefbaar pensioen voor wie de hel van de loonarbeid overleefde. Maar we moeten niet vergeten dat de massale terugkeer van het proletariaat op het historisch toneel in 1968 en de terugkeer van een revolutionair perspectief niet alleen een antwoord vormden op de aanvallen van dat moment, maar vooral een antwoord op de verstoring van de illusies over de betere toekomst die het kapitalisme na de oorlog leek te bieden. In tegenstelling tot wat een platte en mechanistische vervorming van het historisch materialisme ons probeert wijs te maken, zijn dergelijke keerpunten in de klassenstrijd, ook al worden ze ontketend door een onmiddellijke verslechtering van de materiële bestaansvoorwaarden van het proletariaat, steeds het resultaat van dieperliggende veranderingen in zijn toekomstbeeld.
Terwijl de arbeidersstrijd in het voorjaar van 1968 een omslag betekende in het historisch perspectief, betekende die van 2003 gewoon het einde van een periode van teruggang binnen een algemenere tendens tot massale klassenconfrontaties. Wij hebben nog lang niet te maken met een internationale golf van massale strijd, zoals die bestonden in de jaren 1970 en 1980.
Zowel op internationaal vlak als in elk land afzonderlijk verkeert de strijdbaarheid van de arbeiders nog in een zeer wisselend en embryonaal stadium. De belangrijkste uiting ervan tot nu toe is de strijd van de onderwijzers in Frankrijk in het voorjaar van 2003, en die was vooral het resultaat van een provocatie van de kant van de bourgeoisie door een afzonderlijke gerichte aanval uit te voeren tegen deze sector door middel van de decentralisatie, om zo de onderwijzers van de rest van de arbeidersklasse te isoleren en een massaler en algemener verzet tegen de pensioenhervorming te vermijden (2).
In Frankrijk zelf hebben de onvoldoende ontwikkeling en vooral de afwezigheid van een wijder verbreide strijdbaarheid ervoor gezorgd dat de uitbreiding van de beweging buiten de onderwijssector niet meteen op de dagorde stond. We zagen duidelijke tekenen van die zwakheid in de gevechten in Frankrijk, en we moeten er niet voor terugschrikken die te erkennen. Het verlies van klassen-identiteit en het uit het oog verliezen van het begrip arbeiderssolidariteit hebben de onderwijzers in Frankrijk ertoe gebracht hun specifieke eisen te voorrang te geven op de algemene kwestie van de aanvallen op de pensioenen. De huidige gevechten zijn de gevechten van een klasse die haar klassen-identiteit nog moet heroveren, en dat eerst op elementaire wijze.
Voor het ogenblik kan de heersende klasse de eerste uitingen van arbeidersverzet niet alleen beheersen en isoleren, ze kan die nog relatief zwakke strijdbaarheid ook met minder of meer succes (meer succes in Duitsland dan in Frankrijk) uitspelen tegen de ontwikkeling van de algemene strijdbaarheid op lange termijn door fracties van het proletariaat die op een gegeven moment strijdlustiger zijn maar geïsoleerd blijven in doodlopende straatjes te lokken.
De recente mobilisaties tegen de aanvallen op het pensioenstelsel betekenen geenszins een onmiddellijke en spectaculaire verandering in de botsingen tussen de klassen, die een snelle en fundamentele ontplooiing van de politieke krachten van de bourgeoisie zouden vereisen om er het hoofd aan te bieden. In feite is het meest van betekenis van wat voorafgaat inzake de huidige beperkingen van de klassenstrijd het feit dat de bourgeoisie nog niet gedwongen wordt terug te keren naar de strategie van links in de oppositie (3).
Momenteel kan de kwalitatieve verscherping van de economische crisis ervoor zogen dat kwesties zoals werkloosheid, armoede, uitbuiting op een meer algemene en meer politieke wijze gesteld worden binnen de arbeidersklasse, net als de kwestie van de pensioenen, de gezondheidszorg, de levensonderhoud van de werklozen, de levensvoorwaarden, de toekomst van de komende generaties, enzovoort.
Die les op lange termijn is veruit de belangrijkste, zij heeft een grotere draagwijdte dan het ritme waarmee de onmiddellijke strijdbaarheid van de klasse weer tot ontwikkeling zal komen, te meer omdat dit ritme onvermijdelijk traag zal zijn.
Anderzijds zal de aftakeling van de economische situatie de vakbonden ertoe dwingen steeds openlijker hun rol te spelen van saboteurs van de strijd. Zij zal er ook toe neigen steeds vaker spontane, éénmalige en geïsoleerde confrontaties te veroorzaken tussen arbeiders en vakbonden, zoals bleek tijdens de wilde stakingen van afgelopen zomer bij Heathrow, bij Aérospatiale in Toulouse of Puertollano in Spanje. De nieuwe confrontatie met de vakbonden betekent echter nog niet dat de problemen in dezelfde termen worden gesteld als in de jaren 1980.
Gedurende de jaren 1980 heeft de IKS in de arbeidersstrijd geleerd om in elk afzonderlijk geval de hindernis voor de voortgang van de beweging vast te stellen en waar omheen de botsing met de vakbonden en de linkerzijde moest worden toegespitst. Dat was vaak het vraagstuk van de uitbreiding van de strijd naar andere sectoren. In de algemene vergaderingen werden toen concrete moties ingediend om op te roepen naar andere arbeiders te trekken. Dat was het dynamiet waarmee we probeerden het terrein vrij te maken om de algemene voortgang van de beweging te bevorderen. De centrale vraagstukken die zich nu stellen - wat is klassenstrijd, wat zijn de doelen en middelen, wie zijn er de tegenstanders van, wat zijn de hindernissen die overwonnen moeten worden? - lijken tegengesteld aan de vraagstukken die werden gesteld in de loop van de strijd in de jaren 1980. Zij lijken ‘abstracter’ omdat ze minder onmiddellijk verwerkelijkbaar lijken, of zelfs een terugkeer naar de startblokken van de oorsprong van de arbeidersbeweging. Het vooropstellen van die vragen vereist geduld, een visie op de langere termijn, een dieper gaand politiek en theoretisch vermogen voor de tussenkomst van de revolutionairen.
In werkelijkheid zijn de centrale vraagstukken nu niet abstracter, maar wel omvattender. Er is niets abstracts of achterlijks aan het feit dat we in een arbeidersvergadering moeten tussenkomen om duidelijk te maken dat de huidige aanvallen (met name die op de pensioenen) blootleggen dat het kapitalisme failliet is en dat de maatschappij veranderd moet worden. Het algemene karakter van die vraagstukken toont de weg die gevolgd moet worden. Voorafgaand aan 1989 is het proletariaat niet in zijn opzet geslaagd juist omdat de vraagstukken van de klassenstrijd op een te beperkte, te smalle basis werden gesteld.
Toch ligt er voor de klassenstrijd geen wijde boulevard open. Als de economische crisis een vraagstelling bevordert die globaler wordt, dan heeft de maatschappelijke ontbinding die tegelijk plaatsvindt een tegengesteld effect. Bovendien moet de arbeidersklasse beducht zijn op het optreden van de bourgeoisie met het doel de ontwikkeling van de klassenstrijd in de kiem tesmoren. Het is niet zozeer de strijdbaarheid van de arbeidersklasse als dusdanig die de heersende klasse verontrust, maar wel het gevaar dat sociale conflicten het bewustzijn van de klasse voeden. Dat is een kwestie die de bourgeoisie nu nog veel meer dan in het verleden bezighoudt, juist omdat de economische crisis veel erger en globaler is. Telkens als de strijd niet vermeden kan worden, probeert de bourgeoisie enerzijds de positieve gevolgen ervan op het zelfvertrouwen te beperken, van de solidariteit en de overdenking in de arbeidersklasse, en er anderzijds voor te zorgen dat de strijd een bron wordt van verkeerde lessen.
Bovendien zijn links en ultra-links van de bourgeoisie, in het bijzonder ultra-links, meesters geworden in de kunst van het benutten van de gevolgen van de maatschappelijke ontbinding tegen de arbeiderstrijd. Zo waren er bijvoorbeeld in juni 2003 de oproepen van Frans ultra-links om te beletten dat de leerlingen hun examens zouden afleggen en het spektakel van de West-Duitse vakbonden die wilden voorkomen dat de Oost-Duitse metaalarbeiders, die geen lange staking meer wilden voeren voor de 35 urenweek, het werk zouden hervatten. Dat zijn gevaarlijke aanvallen op het hele idee van de arbeidersklasse en haar solidariteit.
Door die aanvallen die ze ondergaat begint de arbeidersklasse als geheel te begrijpen wat de ware aard van het kapitalisme is. Vanuit marxistisch standpunt vermindert dat geenszins het belang van de rol van de revolutionairen en van de marxistische theorie in dat ontwikkelingsproces van het klassenbewustzijn van het proletariaat. In de marxistische theorie zullen de arbeiders de bevestiging en de verklaring vinden van wat ze zelf ervaren.
IKS
(1) Grote delen van dit rapport werden gepubliceerd in Internationale Revue, nr. 117.
(2) Zie voor een gedetailleerde analyse van deze beweging het artikel Tegen de massale aanvallen van het kapitaal is er nood aan massaal verzet van de arbeidersklasse in Internationale Revue, nr. 114.
(3) Die kaart van links in de oppositie werd door de bourgeoisie uitgespeeld aan het einde van de jaren 1970/begin jaren 1980. Ze bestaat uit een systematische taakverdeling tussen de verschillende sectoren van de bourgeoisie. Rechts in de regering spreekt ‘klare taal’ en voert zonder verpinken de vereiste aanvallen uit op de arbeidersklasse. Links, dat wil zeggen de fracties van de bourgeoisie die door hun taal en geschiedenis de specifieke taak hebben de arbeiders te misleiden en in te kaderen, moet, dankzij zijn positie in de oppositie, de gevechten en de bewustwording die door die aanvallen in het proletariaat veroorzaakt worden afleiden, machteloos maken en verstikken. Voor meer elementen over de toepassing van een dergelijke politiek door de bourgeoisie verwijzen we naar de resolutie gepubliceerd in Internationale Revue, nr. 26.
In het eerste deel van dit artikel (in Wereldrevolutie, nr. 101) hebben we duidelijk gemaakt dat het kommunisme niet alleen een oude droom van de mensheid is, of eenvoudig het product van de menselijke wil, maar dat het zich opwerpt als de enige maatschappij die in staat is de tegenstellingen te overwinnen die de kapitalistische maatschappij verstikken. In het tweede deel van dit artikel (Wereldrevolutie, nr. 102) hebben we de argumenten weerlegd van degenen die denken dat de kommunistische samenleving die door Marx gedefinieerd werd niet gerealiseerd kan worden tengevolge van het egoïsme, de honger naar macht en het ‘ieder voor zich’ die aangeboren kenmerken zouden zijn van de zogezegde ‘menselijke aard’. Het derde deel dat we hier publiceren heeft tot doel duidelijk te maken dat het proletariaat de enige klasse in de maatschappij is die in staat is het kapitalisme te vernietigen en het kommunisme op wereldvlak op te bouwen.
Zodra het proletariaat begon zijn eigen project naar voor te schuiven, heeft de bourgeoisie niet anders dan misprijzen getoond voor wat zij zag als de hersenspinsels van profeten die een publiek zochten. Wanneer ze verder kwam dan dat simpel misprijzen, was het enige dat ze zich kon voortellen dat het de arbeiders zou vergaan zoals de andere uitgebuiten uit de voorbije tijdperken: zij zouden enkel van onmogelijke utopieën kunnen dromen. Natuurlijk leek de geschiedenis de bourgeoisie gelijk te geven en die vatte haar filosofie als volgt samen: ‘Er zijn altijd armen en rijken geweest, en dat zal zo blijven. De armen winnen er niets bij in opstand te komen. Wat er moet gebeuren, is dat de rijken zich niet te buiten gaan aan hun rijkdommen en dat ze zich inzetten om de ellende van de armsten te verlichten.’ De pastoors en de liefdadige dames hebben zich tot woordvoerders en uitvoerders gemaakt van die ‘filosofie’. Wat de bourgeoisie weigert in te zien, is dat haar economisch en sociaal systeem, net zoals de voorgaande systemen, niet eeuwig kan zijn, en dat het, net als het slavendom en de feodaliteit, veroordeeld is plaats te maken voor een ander soort maatschappij.
Net zoals de kenmerken van het kapitalisme het mogelijk gemaakt hebben de tegenstellingen op te lossen die de feodale maatschappij verlamd hadden (zoals dit eerder het geval was geweest met de feodaliteit tegenover de antieke maatschappij), zo vloeien de kenmerken van de samenleving die geroepen is om de dodelijke tegenstellingen van het kapitalisme aante vallen uit diezelfde noodzaak voort. Door van die tegenstellingen uit te gaan kunnen we dus de kenmerken van de toekomstige samenleving bepalen.
We kunnen in het kader van dit artikel natuurlijk niet in detail treden over deze tegenstellingen. Sinds meer dan een eeuw onderzoekt het marxisme die systematisch en onze organisatie heeft er al talloze teksten aan gewijd (1). We kunnen hier wel in grote trekken de oorsprong van die tegenstellingen samenvatten. Ze spruiten voort uit de wezenlijke kenmerken van het kapitalistisch systeem zelf: een productiewijze die de warenruil veralgemeend heeft tot alle geproduceerde goederen, terwijl in de maatschappijen uit het verleden een vaak klein deel van die goederen tot waren omgevormd werd. Die kolonisering van de economie door de waar heeft in het kapitalisme zelfs de arbeidskracht getroffen die door de mensen gebruikt wordt in hun productieve activiteit. Ontdaan van productiemiddelen heeft de producent om te overleven geen andere mogelijkheid dan zijn arbeidskracht te verkopen aan degenen die de productiemiddelen bezitten, de kapitalistische klasse. In de feodale maatschappij bijvoorbeeld, waar er al een wareneconomie bestond, was het de vrucht van zijn arbeid die door de handwerker of de boer verkocht werd. En het is precies die veralgemening van de waar die aan de basis ligt van de tegenstellingen van het kapitalisme: de overproductiecrisis heeft haar wortels in het feit dat het doel van dit systeem er niet in bestaat gebruikswaarden te produceren, maar ruilwaarden die kopers moeten vinden. In het onvermogen van de maatschappij om het geheel van de geproduceerde waren te kopen (hoewel de behoeften verre van bevredigd zijn) schuilt die rampzalige toestand die als een werkelijke absurditeit verschijnt: het kapitalisme stort niet ineen omdat het te weinig produceert, maar juist omdat het teveel produceert.
Het eerste kenmerk van het kommunisme zal dus de afschaffing van de waar zijn, de ontwikkeling van de productie van gebruikswaarden, en niet van ruilwaarden.
Het marxisme, en Rosa Luxemburg in het bijzonder, heeft duidelijk gemaakt dat de oorsprong van de overproductie ligt in de behoefte van het kapitaal als geheel om door de verkoop buiten zijn eigen sfeer dat deel van de geproduceerde waren te realiseren dat overeenstemt met de meerwaarde die aan de proletariërs onttrokken wordt en die moet dienen voor de accumulatie. Naarmate die buitenkapitalistische sfeer kleiner wordt kunnen de stuiptrekkingen van het systeem alleen maar rampzaliger vormen gaan aannemen.
Het enige middel om de tegenstellingen van het kapitalisme te overstijgen ligt dus in de afschaffing van alle vormen van de waar, en in het bijzonder van de waar arbeidskracht, dat wil zeggen van het loonstelsel.
De afschaffing van de warenruil veronderstelt ook dat de basis daarvan afgeschaft wordt, het privé eigendom. Pas wanneer de rijkdommen van de maatschappij door haarzelf op collectieve wijze toegeëigend worden kan de koop en verkoop van die rijkdommen verdwijnen (wat onder embryonaire vorm al bestond in de primitieve gemeenschappen). Zo’n collectieve toe-eigening door de samenleving van de rijkdommen die zij produceert, en in het bijzonder van de productiemiddelen, betekent dat het niet meer mogelijk is voor een deel ervan, een sociale klasse (ook onder de vorm van een staatsbureaucratie) over die middelen te beschikken en daarmee een ander deel uit te buiten. De afschaffing van het loonstelsel zal dus niet gerealiseerd kunnen worden op basis van de invoering van een andere vorm van uitbuiting, maar enkel door de afschaffing van de uitbuiting onder al haar vormen. In tegenstelling tot het verleden zal het soort omvorming dat vandaag de maatschappij kan redden voortaan niet meer kunnen uitmonden op nieuwe uitbuitingsvoorwaarden. Het kapitalisme heeft werkelijk de materiële voorwaarden geschapen voor een overvloed die toelaat de uitbuiting achter ons te laten. Die voorwaarden voor overvloed blijken ook uit het bestaan van overproductiecrises (zoals het Kommunistisch Manifest vaststelt).
De vraag die zich dus stelt is: welke kracht in de maatschappij is in staat die omvorming door te voeren, de privé eigendom af te schaffen, en een eind te maken aan elke vorm van uitbuiting?
Het eerste kenmerk van die klasse is dat ze uitgebuit wordt, want enkel een uitgebuite klasse heeft belang bij het afschaffen van de uitbuiting. Wanneer in de revoluties uit het verleden de revolutionaire klasse in geen geval een uitgebuite klasse kon zijn, omdat de nieuwe productieverhoudingen noodzakelijkerwijs uitbuitingsvoorwaarden waren, is vandaag precies het omgekeerde waar. In hun tijd koesterden utopische socialisten (zoals Fourier, Saint-Simon, Owen) nog de illusie dat de revolutie uitgevoerd kon worden door elementen uit de bourgeoisie zelf. Zij hoopten dat zich binnen de heersende klasse verlichte en gefortuneerde filantropen zouden bevinden die, omdat ze de superioriteit van het kommunisme ten opzichte van het kapitalisme begrepen, geneigd zouden zijn projecten te financieren van ideale gemeenschappen die zich door hun voorbeeld als een olievlek zouden verbreiden. Maar omdat de geschiedenis niet gemaakt wordt door individuen maar door klassen, werd die hoop in enkele decennia tijd de bodem ingeslagen. Ook al werden enkele zeldzame leden van de bourgeoisie bereid gevonden de vrijgevige ideeën van de utopisten over te nemen, dan keerde het geheel van de heersende klasse als zodanig dergelijke initiatieven, die haar eigen verdwijnen tot doel hadden, natuurlijk de rug toe, als ze ze al niet actief bestreed.
Maar verder is het geenszins voldoende een uitgebuite klasse te zijn om ook een revolutionaire klasse te zijn, zoals we gezien hebben. Er bestaan vandaag in de wereld, in het bijzonder in de onderontwikkelde landen, nog massa’s arme boeren die de uitbuiting ondergaan onder de vorm van het onttrekken van een deel van de vrucht van hun arbeid waarmee een deel van de heersende klasse zich verrijkt, ofwel rechtsreeks, ofwel via belastingen, of door de rente die ze aan banken of aan woekeraars moeten betalen. Op de vaststelling van de vaak ondraaglijke ellende van die sociale laag van boeren steunen allerlei tiersmondistische, maoïstische, guevaristische e.a. misleidingen. Wanneer deze boeren ertoe gebracht worden de wapens op te nemen, was dat steeds als voetvolk van een of andere kliek van de bourgeoisie die zich, eens ze aan de macht geraakt was, gehaast heeft de uitbuiting op te drijven, vaak onder bijzonder wrede vormen (zie bijvoorbeeld de episode met de Rode Khmer in Cambodja in de tweede helft van de jaren 1970). Het afnemen van die misleidingen (die zowel door stalinisten als door trotskisten en zelfs door sommige ‘radicale denkers’ zoals Marcuse verspreid werden) bewijst alleen de patente mislukking van het zogenaamde ‘revolutionair perspectief’ dat gedragen zou worden door de arme boerenstand. In werkelijkheid kunnen de boeren, al worden ze op verschillende manieren uitgebuit en voeren ze soms bijzonder gewelddadige strijd om die uitbuiting te beperken, in hun strijd nooit het doel stellen van de afschaffing van de privé-eigendom, omdat zij zelf kleine eigenaars zijn of dat willen wrden daar zij in gelijkaardige omstandigheden leven (2). En zelfs wanneer boeren collectieve structuren opzetten om hun inkomsten te verhogen door een verbetering van hun productiviteit of van de commercialisering van hun productie, is dat in regel onder de vorm van coöperatieven die noch de privé-eigendom, noch de warenruil in vraag stellen. Samengevat kunnen klassen en sociale lagen die overblijfselen van het verleden zijn (landbouwbedrijven, artisanaat, vrije beroepen enzovoort) en die enkel blijven bestaan omdat het kapitalisme, ook al overheerst dat de wereldeconomie compleet, niet in staat is alle producenten in loontrekkers te veranderen, geen dragers zijn van een revolutionair project. Wel integendeel: het enige perspectief waar zij eventueel van dromen is dat van een terugkeer naar een mythische ‘gouden eeuw’ uit het verleden. De dynamiek van hun specifieke strijd kan alleen reactionair zijn.
Omdat de afschaffing van de uitbuiting in wezen samenvalt met de afschaffing van het loonstelsel zal de enige klasse die deze specifieke vorm van uitbuiting ondergaat, het proletariaat in werkelijkheid de enige klasse zijn die in staat is een revolutionair project te dragen. Alleen de uitgebuite klasse binnen de kapitalistische productie-verhoudingen, product van de ontwikkeling van die productieverhoudingen, is in staat een perspectief van overstijgen van die verhoudingen te ontwikkelen.
Als product van de ontwikkeling van de grootindustrie, van een socialisering van het productieproces zoals de mensheid nooit eerder heeft beleefd, kan het moderne proletariaat nooit dromen van enige terugkeer naar vroeger (3). Bijvoorbeeld: terwijl de herverdeling of verdeling van de gronden een ‘realistische’ eis kan lijken voor de arme boeren, zou het voor de arbeiders die op geassocieerde wijze producten maken die onderdelen, grondstoffen en technologie omvatten uit de gehele wereld, onzinnig zijn voor te stellen hun onderneming in stukjes te verdelen om die zich eigen te maken. Zelfs de illusies over zelfbeheer, dat wil zeggen het gemeenschappelijk eigendom van het bedrijf door degenen die er werken (wat een moderne versie is van de arbeiderscoöperatie) hebben hun beste tijd gehad. Na talloze ervaringen (zoals bij de LIP-fabriek in Frankrijk, begin jaren 1970) die meestal uitgedraaid zijn op een confrontatie tussen het geheel van de arbeiders en degenen die zij als beheerders benoemd hadden, zijn de meeste arbeiders er zich van bewust dat gezien het nodig is de competitiviteit van het bedrijf te behouden op de kapitalistische markt, zelfbeheer meteen zelfuitbuiting betekent. Het proletariaat kan enkel maar vooruit kijken wanneer zijn historische strijd zich ontwikkelt, niet naar een opsplitsen van het eigendom en van de kapitalistische productie, maar naar het voltooien van het proces van hun socialisering dat het kapitalisme aanzienlijk heeft doen vorderen, maar dat het door zijn eigen aard niet kan voltooien, ook al zijn eigendom en productie geconcentreerd in handen van een nationale staat (zoals het geval was in de stalinistische regimes).Het proletariaat beschikt over een aanzienlijke potentiële kracht om die taak te volbrengen.Enerzijds wordt in de ontwikkelde kapitalistische maatschappij het leeuwendeel van de maatschappelijke rijkdom geproduceerd door de arbeid van de arbeidersklasse, ook al vormt die vandaag een minderheid van de wereldbevolking. In de industrielanden is het aandeel van de onafhankelijke werkers (boeren, handwerkslui enzovoort) in het nationaal product verwaarloosbaar. Dat is zelfs het geval in de achtergebleven landen waar de grote meerderheid van de bevolking leeft (of overleeft) van het bewerken van het land.
Anderzijds heeft het kapitaal de arbeidersklasse uit noodzaak geconcentreerd in reusachtige productie-eenheden, die niets meer gemeen hebben met wat er in de tijd van Marx bestond. Die productie-eenheden zijn op hun beurt in het algemeen weer geconcentreerd in het hart of de nabijheid van steeds dichter bevolkte steden. Dat samenbrengen van de arbeidersklasse, zowel qua wonen als qua werken, houdt een onvergelijkbare kracht in wanneer de klasse die weet uit te spelen, in het bijzonder door de ontwikkeling van haar collectieve strijd en haar solidariteit.
En tenslotte is één van de wezenlijke krachten van het proletariaat zijn vermogen tot bewustwording. Alle klassen, in het bijzonder de revolutionaire klassen, hebben zich een vorm van bewustzijn gegeven. Maar dat bewustzijn kon enkel maar misleid zijn, ofwel omdat het project dat vooropgesteld werd niet verwezenlijkt kon worden (wat het geval is met de boerenoorlog van 1525 in Duitsland, bijvoorbeeld), ofwel omdat de revolutionaire klasse gedwongen worden te liegen, de werkelijkheid te verbergen voor degenen die zij wil meetrekken in haar actie maar die zij zal blijven uitbuiten (wat het geval is met de burgerlijke revolutie van 1789 met de slogans ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’). Omdat ze als uitgebuite klasse die draagster is van het revolutionair project dat alle uitbuiting gaat afschaffen, haar objectieven noch de einddoelen van haar actie verborgen moet houden, noch voor zichzelf, noch voor andere klassen, kan het proletariaat in de loop van zijn historische strijd een bewustzijn ontwikkelen dat vrij is van elke misleiding. Daardoor kan dit zich tot een zeer hoog niveau ontwikkelen, veel hoger dan waartoe de vijandelijke klasse, de bourgeoisie, ooit in staat is. En juist dat vermogen tot bewustwording vormt, samen met zijn klasse-organisatie, de beslissende kracht van het proletariaat.
Naar Internationale Revue, nr. 73.
(1) Zie met name de brochure ‘Het verval van het kapitalisme’.
(2) Er bestaat een landbouwproletariaat dat als enig bestaansmiddel de verkoop van zijn arbeidskracht aan de grondbezitters heeft, in ruil voor een loon. Dat deel van de boerenstand maakt deel uit van de arbeidersklasse en zal tijdens de revolutie haar bruggenhoofd zijn op het platteland. Maar omdat hij zijn uitbuiting beleeft als het gevolg van een ‘ongeluk’ dat hem de erfenis van een stuk grond ontnomen heeft, of hem een te klein perceel overgelaten heeft, zal de landarbeider in loondienst, die vaak een seizoenarbeider is of werkt in een familiebedrijf, er meestal van dromen ooit een eigendom of een groter stuk grond te verwerven. Alleen de strijd in een gevorderd stadium van het stadsproletariaat zal hem toelaten die hersenschimmen te vergeten door hem het perspectief voor te stellen van de socialisering van de grond, op dezelfde manier als de socialisering van de andere productiemiddelen.
(3) In het begin van de ontwikkeling van de arbeidersklasse, voerden bepaalde sectoren daarvan die werkloos werden door de invoering van nieuwe machines, hun revolte tegen die machines om ze te vernietigen. Die pogingen tot terugkeer naar vroegere waren slechts een embryonaire vorm van arbeidersstrijd die snel voorbijgestreefd werd door de economische en politieke ontwikkeling van het proletariaat.
Na de aanslag van 11 september 2001 in New York heeft de Amerikaanse staat uitgelegd dat het noodzakelijk was om de oorlog te verklaren aan Irak uitgaande van drie elementen. Het eerste was de dreiging die uitging van de ‘massavenietingingswapens’; wapens van dien aard waren er duidelijk niet te vinden. Het tweede argument was het scheppen van een democratie in Irak naar het beeld van die van de Verenigde Staten; de burgerlijke democratie in Irak neigt meer naar een politieke anarchie en een land dat momenteel onregeerbaar is. Tenslotte, en nog belangrijker, zei men dat de militaire aanval op Irak absoluut noodzakelijk was om op wereldvlak in staat te zijn een totale en ongenadige oorlog te voeren tegen het terrorisme. Dit hield natuurlijk in dat er een nauwe band bestond tussen de slachter Saddam Hussein en de organisatie Al Qaïda van Osama Bin Laden. Sindsdien is de wereld nog meer afgegleden in een bloedige chaos. Geen dag gaat voorbij in Afghanistan, in Irak, in het Midden-Oosten, in Afrika zonder dat er zich nieuwe afslachtingen plaatsvinden. De gefilmde onthoofding wordt een oorlogswapen, dat ongeremd gebruikt kan worden zonder enige blijk van menselijkheid. Maar erger nog is dat de burgerbevolking, vrouwen en kinderen inbegrepen, gegijzeld wordt door alle imperialistische klieken, machtig of zwak, die elkaar ongeremd verscheuren.
Na de aanslag in Madrid van 11 maart 2004 die volop de arbeidersbevolking trof op weg naar het werk, heeft het terrorisme niet meer opgehouden nieuwe ravages aan te richten. In Irak hebben in de eerste dagen van augustus niet minder dan zes ontploffingen met bomauto’s de christenminderheid getroffen in Bagdad en Mossoel, die tenminste tien doden veroorzaakten en tientallen gewonden. De eerste twee aanvallen hebben in Bagdad een Armeense kerk getroffen en ook een van de Syriaakse richting, elders vormde een Chaldese plaats het doel. In Palestina worden er gewoon bommen gegooid op huizen bewoond door een bevolking zonder inkomsten die ondergedompeld is in de ellende. Op 11 augustus waren er aanslagen op hotels en gas-depots. Volgens The Independent werden deze opgeëist door een groep die zich ‘Aba Hafa Al Masri’ noemt. Deze laatste verklaarde op Internet: “Istanboel is slechts het begin van de bloedige oorlog die wij de Europeanen beloofd hebben”. Wie ook de werkelijke aanstichters zijn van de wreedheden in Istanboel, in Bagdad of Madrid, feit is dat deze bloedige aanslagen berekend zijn om angst en terreur te zaaien. De toepassing van het terrorisme als oorlogswapen begint algemene toepassing te vinden. Gisteren nog was het een wapen van de zwakke imperialistische staten, zoals Syrië en Libië, vandaag behoort het tot de oorlogsuitrusting bij uitstek van alle militaire klieken en andere krijgsheren die steeds in invloed toenemen door de verzwakking van de nationale staten. Deze algemene tendens van het uiteenvallen van de maatschappij dringt zich op als de barbaarse werkelijkheid van het wereldkapitalisme op weg naar zijn ontbinding.
Onder leiding van het Amerikaanse imperialisme zijn de politieke en religieuze leiders van Irak op 15 augustus in Bagdad bijeengekomen om de eerste sessie te houden van een nationale conferentie die officieel het in de loop van 2005 te organiseren verkiezingen tot doel heeft. Volgens The New York Times “proberen de Amerikanen en de huidige Iraakse regering met deze conferentie aan te tonen dat de verkiezingen kunnen plaatsvinden ondanks het geweld ddat het land in opschudding brengt”. Dit verkiezingsperspectief is feitelijk gedoemd tot een totale mislukking. De New Yorkse krant geeft als bewijs: “De openingsdag van de conferentie werd meer gekenmerkt door oproepen om een eind te maken aan de strijd in Nadjaf dan door de komende verkiezingen”. En inderdaad, de conferentie was nauwelijks van start gegaan of twee obussen vielen in de nabijheid waardoor men gedwongen werd deze ontmoeting af te gelasten. Sedert 5 augustus zijn het geweld en de chaos weer sterk toegenomen in heel het land. Op die datum verklaarde de radicale sjiitische chef Maqtada Al Sadr “de Jihad (heilige oorlog) tegen de Amerikaanse en Britse bezetters, nadat deze laatsten de avond ervoor vier van zijn mannen hadden aangehouden”, naar een bericht van Al Hayat (Courier International, 06.08.2004). Sindsdien belegert het Amerikaanse leger Nadjaf met instemming van de gouverneur van de stad Al Zorfi. Op het moment dat we dit schrijven zitten de mannen van Moqtada Al Sadr verschanst rond het mausoleum van de iman Ali, de heiligste religieuze plek van het wereldsjiitisme, en ze dwingen sjeik Jawad Al Khalesi, de iman van de grote moskee van Kadimiya, tot het afleggen van de volgende verklaring: “Noch deze pseudo-gouverneur, die voormalige tolk van het Amerikaanse leger die werd uitgekozen vanwege zijn bereidheid om de krankzinnigste orders op te volgen, noch iemand anders, daarbij inbegrepen de hoogste religieuze autoriteiten, hebben het recht om ongelovigen toe te laten in het mausoleum van Ali”. De strijd heeft zich vervolgens uitgebreid naar Kout, Amara, Diwaniya en Bassora, evenals naar de sjiitische wijk Sadr City in Bagdad. Totnutoe zouden er volgens een Amerikaans pers-communiqué enkele honderden doden zijn gevallen aan de kant van de sjiitische milities en slechts twee aan Amerikaanse zijde. Onmiddellijk werd het land overspoeld door pro-Al Sadr en anti-Amerikaanse betogingen. Zo werd Irak ondergedompeld in chaos en niets kan het er uit halen. Zelfs niet de tussenkomst in hoogsteigen persoon van de opperste religieuze chef van de sjiitische gemeenschap, Al Sistani, die opriep tot een staakt-het-vuren dat hoe dan ook slechts tijdelijk kan zijn. De Verenigde Staten zien zich, willens nillens, meegesleurd in een vlucht vooruit in de oorlog, als uitdrukking van het feit dat ze steeds minder in staat zijn om de toestand zelfs maar een beetje onder controle te houden. De Verenigde Staten, zich bewust van het groeiende verzet tegen henzelf, hebben, met een voorstel van staatssecretaris Colin Powell dat in Saoedi-Arabië ter tafel kwam, geprobeerd om de moslimstaten militair te betrekken in het Iraakse wespennest. Deze poging toont eens te meer de totale impasse waarin het Amerikaanse imperialisme is terechtgekomen en hij isonvermijdelijk tot mislukken gedoemd. De Egyptische minister van buitenlandse zaken heeft er geen gras over laten groeien door te verklaren dat Egypte geen troepen zou sturen. De terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Nadjaf zou neerkomen op het openlijk toegeven van hun onmacht en een fantastische aansporing voor de oorlog tegen henzelf. Anderzijds zou de inname van Nadjaf en van de heilige plaats van de sjiitische cultus een werkelijke aardbeving teweegbrengen in de hele sjiitische en moslimwereld. Het zou onvermijdelijk een zeer belangrijke factor vormen voor toename van het verzet tegen de Verenigde Staten, van de oorlog, van de chaos, en van het terrorisme in de hele regio. Wat ook de gevolgen van de belegering van Nadjaf, het Amerikaanse imperialisme zal steeds meer geconfronteerd worden met een nog grotere radicalisering van het geweld en het verzet van de Sjiieten niet alleen in Irak, maar ook in het geheel van de Arabische landen waar ze aanwezig zijn.
In dit wespennest waar ieder enkel zijn eigen imperialistische belangen verdedigt, is het zeker dat Iran politiek noch militair geen vreemde is van de sjiitische revolte in Irak. Daarom hebben we de laatste tijd een reeks bedreigingen zien uitgaan van Washington en de Amerikaanse administratie. Colin Powell zelf heeft op 1 augustus vanuit Bagdad Iran ervan beschuldigd zich te mengen in Iraakse zaken. Zo heeft de oorlog in Irak grote gevolgen voor de hele regio, van Koerdistan tot Turkije via Iran: heel de regio komt steeds meer in de greep van een destabiliseringsproces en de chaos. In Irak stallen de Verenigde Staten openlijk en zichtbaar voor de hele wereld hun toenemende verzwakking uit als eerste imperialistische wereldmacht. Deze stand van zaken is verheugend voor hun belangrijkste concurrenten in de wereldarena, zoals Frankrijk, Duitsland en zelfs Rusland, en het kan hun vastbeslotenheid enkel versterken.
De anti-Iraanse campagne die door de Verenigde Staten wordt gevoerd en waarbij Israël zich aansluit draait ook rond de kwestie van zijn nucleaire programma. Tijdens een persconferentie in augustus verklaarde de Amerikaanse minister van landsverdediging D. Rumsfeld: “Iran heeft jarenlang op de lijst gestaan van terroristische staten en één van de grote zorgen van de wereld betreft de banden tussen een terroristische staat die massavernietigingswapens bezit en de terroristische netwerken. Het is begrijpelijk dat de naties, niet alleen in deze regio maar in de hele wereld, ernstig verontrust zijn”. Het valt niet uit te sluiten dat de volgende stap van het Amerikaanse imperialisme in zijn vlucht naar voren in Iran wordt gezet. Zelfs als de Verenigde Staten, verzwakt als ze zijn, er in de toekomst belang bij zouden hebben om op Iran te steunen, is het mogelijk dat ze zich bij de steeds barbaarsere zelfmoordpolitiek van de staat Israël gaan aansluiten. Een artikel uit de Sunday Times van 15 juli citeert ‘Israëlische bronnen’ volgens welke Israël “oefeningen heeft afgerond voor een aanval op Iran” en “in geen geval zal toestaan dat de Iraanse kernreactors, met name die van Bushehr, die met Russische hulp gebouwd worden, het beslissende niveau zouden bereiken [...] In het ergste geval, mochten de internationale inspanningen mislukken, hebben we er het volste vertrouwen in dat wij met één klap de nucleaire hoop van deayatollah’s de grond in kunnen boren.”
De Palestijnse Autoriteit valt onherroepelijk uiteen
Deze oorlogspolitiek van de vlucht vooruit komt eveneens op barbaarse wijze tot uiting in het Midden-Oosten. Eén van de belangrijkste gevolgen van de ontwikkeling van de chaos in dit deel van de wereld is het plaatsgrijpende uiteenvallen van de Palestijnse Autoriteit. Deze werd in het leven geroepen in de nasleep van de akkoorden van Oslo, die in 1993 een aanzet tot zelfstandigheid toekenden aan de Palestijnse gebieden. Het vertegenwoordigde de sokkel voor een toekomstige Palestijnse staat, die na een overgangsperiode van vijf jaar verwezenlijkt moest worden. Dit illusoire vooruitzicht van stabilisering van het Midden-Oosten is veranderd in een precies tegenovergestelde situatie bestaande uit slachtpartijen, sluipmoorden, bombardementen en onophoudelijke aanslagen, waaruit geen enkele Palestijnse staat te voorschijn kan komen. De vergevorderde staat van ontbinding in dit deel van de wereld, onder druk van de expansionistische en oorlogszuchtige politiek van Israël, maakt dat de Palestijnse Autoriteit haar laatste machtsattributen verliest. Zelfs als Arafat nog krampachtig vasthoudt aan zijn plaats als president van deze Autoriteit, dan belet dat niet dat zijn handlangers elkaar steeds gewelddadiger de machtsattributen betwisten. De Palestijnse Autoriteit die ondermijnd is door corruptie laat de vrije loop aan deze interne spanningen die het gevolg zijn van de onmacht van de Palestijnse bourgeoisie. En zelfs als het ‘gehakketak’ tussen de Palestijnse leider Yasser Arafat en zijn eerste minister Ahmed Qorei tijdelijk geluwd is zal niets kunnen verhinderen dat de Palestijnse Autoriteit in de toekomst uiteenvalt en zal leiden tot de ontwikkeling van nog meer geradicaliseerde bewapende bendes die misbruik maken van de wanhoop van de bevolking om over te gaan tot steeds blinder terroristische en zelfmoordacties. Onder de banier van Sharon kan de Israëlische staat niets anders doen dan haar oorlogspolitiek voortzetten gericht op het verpletteren van elk Palestijns verzet en op de totale kolonisatie van Westelijke Oever. Daarom bouwt de Israëlische staat voort aan de muur rond Westelijke Oever en verandert ze deze regio in een onmetelijk concentratiekamp. Het verzet van Sharon binnen zijn eigen partij en zijn verlangen om het Israëlische links van Simon Perez in de regering op te nemen, wat op zichzelf getuigt van de verzwakking van de samenhang van de Israëlische staatsstructuur, zal geen enkel gewicht in de schaal leggen van de oorlogspolitiek van de Israëlische staat. De gebeurtenissen in het Midden-Oosten bevatten alle ingrediënten voor een destabilisering van het geheel van de regio, van Jordanië tot Libanon via Egypte en het geheel van de landen van de Arabische Golf. Maar ook de twist tussen de president van de Franse Republiek, Jacques Chirac, en Sharon in verband met de bedreigingen die er zouden bestaan aan het adres van de Joodse gemeenschap in Frankrijk, toont aan dat de stijging van de imperialistische spanningen ook zwaar doorweegt in de verhoudingen tussen Frankrijk en Israël, als het ware aansluitende op de Frans-Amerikaanse spanningen.
In het kapitalisme is er geen ander perspectief dan veralgemening van chaos en ellende
De versnelde aftakeling van de Verenigde Staten als eerste imperialistische wereldmacht kan de andere grootmachten, met Frankrijk en Duitsland voorop, er enkel toe aanmoedigen om louter nog hun eigen belangen te verdedigen, door de Verenigde Staten er zoveel mogelijk in de richting te sturen van militaire wespennesten, zoals momenteel in Irak. Deze toestand van het ontstaan van steeds meer oorlogshaarden, slachtpartijen, volkerenmoorden en aanslagen vergroot op zichzelf nog eens de wereldchaos en daarmee de ontbinding van de kapitalistische maatschappij. Geen enkele regeringswissel in Israël, in de Verenigde Staten of elders kan een dergelijk vooruitzicht veranderen. Met eventueel Kerry aan het hoofd van de Amerikaanse regering en het vertrek van Bush, zou er niets wezenlijks veranderen aan deze werkelijkheid: die van de imperialistische politiek van de vlucht vooruit van de Verenigde Staten. “De onmacht inroepen van deze of gene staatschef als oorzaak van de oorlogen stelt de bourgeoisie in staat om de werkelijkheid te verdoezelen, namelijk de afschuwelijke verantwoordelijkheid te verbergen die het kapitalisme in verval draagt en daarmee die van het geheel van de burgerlijke klasse op wereldvlak” (De ware verantwoordelijke is het kapitalisme, Internationale Revue, nr. 115). Het wereldkapitalisme als geheel wordt geconfronteerd met de versnelling van zijn economische crisis die onvermijdelijk afstevent op ontbinding en chaos.
Tino / 26.08.2004
Hoe te strijden tegen massale ontslagen? Hoe kunnen we ons daartegen doelmatig verzetten, als de ‘eigen’ arbeidsplaats of ‘vestiging’ niet langer als winstgevend geldt? Verliest de staking als wapen aan doeltreffendheid wanneer de kapitalist er aan denkt het bedrijf te sluiten, of als hele bedrijven hun financiële verplichtingen niet meer kunnen nakomen? Deze vragen worden momenteel niet alleen concreet bij Opel, bij Karstadt en VW gesteld, maar overal waar door de kapitalistische economische crisis bedrijven en hele concerns ‘gesaneerd’ worden of meteen maar worden gesloten. En dat gebeurd tegenwoordig haast overal. Niet alleen in Duitsland, maar in Amerika en ook in China. Niet alleen de industrie maar ook in de ziekenhuizen en bij de openbare diensten.
De noodzaak om strijd te leveren maar hoe?
In het midden van de jaren 1980 was er nog veel strijd tegen massaontslagen: bij Krupp Rheinhausen bijvoorbeeld of de strijd van de Britse mijnwerkers. Toen werden hele industrietakken als mijnbouw en scheepsbouw ontmanteld.
Maar nu zijn werkloosheid en bedrijfssluitingen alomtegenwoordig. Dit leidde aanvankelijk tot een wijd verbreid gevoel geïntimideerd te zijn. Het laten verdwijnen van arbeidsplaatsen werd meestal zonder protest doorgevoerd. Toch vormde de strijd bij Daimler-Chrysler deze zomer een belangrijk signaal. Daar verdedigden de werknemers zich voor het eerst weer spectaculair tegen de afpersingen door de bedrijfsdirectie. Door solidariteitsacties bij vooral Werk Bremen met de direct betrokkenen in Sindelfingen lieten ze zien dat de arbeiders van de verschillende vestigingen zich niet tegen elkaar lieten uitspelen.
En nu hebben de stakingsacties bij vooral Opel in Bochum als een eerste antwoord op de aangekondigde afvloeiingen opnieuw weer benadrukt dat we massaontslagen niet zomaar hoeven te aanvaarden.
Toch moet de vraag naar de mogelijkheden en de doelstelling van de strijd onder zulke omstandigheden worden gesteld. Want het is bekend dat de strijd bij Daimler-Chrysler net als indertijd bij Krupp en die van de Britse mijnwerkers telkens in een nederlaag eindigde. Want telkens, en ook nu, zien we hoe de vakbonden en de bedrijfsraden - daar waar de betrokken arbeiders verzet plegen - het ook over strijd hebben, maar tegelijk ook meteen beweren dat er geen andere keuze is dan zich aan de logica van het kapitaal te onderwerpen. Ze beweren dat het er uiteindelijk om gaat het ergste te voorkomen, om de voor de ‘sanering’ van het bedrijf onvermijdelijke ontslagen zo ‘sociaal’ mogelijk te laten plaatsvinden. Zo werd de beëindiging bij Karstadt-Quelle, waar het onmiddellijke schrappen van 5.500 banen, het ‘afstoten’ van 77 winkels en omvangrijke nominale loonsdalingen (‘bezuinigingen’, 760 miljoen tot 2007) werden overeengekomen, door ver.di (Vereinte Dienstleistungsgewerkschaft) als een overwinning van de arbeiders gevierd.
Al minstens twee eeuwen leveren loonarbeid en kapitaal strijd over lonen en arbeidsomstandigheden, dat wil zeggen over de uitbuitingsgraad van de loonarbeid door het kapitaal. Als de uitgebuiten zich niet telkens opnieuw verdedigd hadden, van de ene generatie tot de andere, dan waren de mannelijke en vrouwelijke arbeiders van nu niet veel meer geweest dan willoze slaven die men naar believen kon uitpersen en ook tot hun dood kon laten werken. Maar naast dit vraagstuk van de uitbuitingsgraad, die ook werd gesteld voor de slaven en lijfeigenen in eerdere tijden, bestaat er in de moderne productiewijze een tweede probleem dat alleen bestaat als markteconomie en loonarbeid overheersen. Dat vraagstuk luidt: Wat te doen, hoe zich te verzetten, als de bezitter van de productiemiddelen de arbeidskracht van de arbeiders niet langer winstgevend kan uitbuiten? Deze vraag hebben de werklozen zich telkens weer, in de hele geschiedenis van het kapitalisme, moeten stellen. Maar nu, terwijl de chronische overproductiecrisis op de wereldmarkt en het bankroet van de kapitalistische productiewijze steeds meer zichtbaar is geworden, wordt dit tot een vraag van leven en dood van alle loonafhankelijken.
Het vooruitzicht van de arbeidersklassetegenover het vooruitzicht van het kapitaal
De ondernemers, de politici, maar ook de vakbonden en de bedrijfsraden - al degenen dus die deel hebben in het bestuur van afzonderlijke bedrijven, van concerns of het staatsapparaat - beschouwen de arbeiders en het kantoorpersoneel als onderdelen van de verschillende ondernemingen, die in lief en leed aan de belangen van de ‘werkgevers’ verbonden zijn. Vanuit dat gezichtspunt is het natuurlijk altijd nadelig wanneer de ‘medewerkers’ zich tegen de winstbelangen van de ondernemingen keren. Want het ondernemen bestaat alleen om winst te maken. En uit deze logica volgt, zoals de voorzitter van de algemene bedrijfsraad van Opel, Klaus Franz, het onmiddellijk op niet mis te verstane wijze duidelijk maakte: “Wij weten dat we niet om de door het bedrijf vastgestelde ontslagen heen kunnen.” Dat is dus de logica van het kapitaal. Maar dat is niet het enig mogelijke vooruitzicht van waaruit het probleem kan worden bezien. Als het niet langer als een probleem van Opel of van Karstadt, of als een probleem van de BV Duitsland wordt gezien, maar als een probleem van de samenleving als geheel, dan openen zich heel andere perspectieven. Als men de wereld niet langer beziet vanuit het gezichtspunt van een afzonderlijk bedrijf of concern, maar vanuit het gezichtspunt van de samenleving, van het welzijn van de mensen, dan zien we de betrokkenen niet langer als mensen die deel uitmaken van Opel of Karstadt, maar als behorend tot een maatschappelijke klasse van loonarbeiders, die de belangrijkste slachtoffers van de kapitalistische crisis zijn. Vanuit deze invalshoek wordt het duidelijk dat de verkoopster van Karstadt in Herne, de assemblage-arbeider bij Opel in Bochum, maar ook de werkloze uit Oost-Duitsland of de rechteloze, al haast tot slavernij gebrachte illegale mijnwerker uit de Oekraïne, een gemeenschappelijk lot en gemeenschappelijke belangen hebben - niet met hun uitbuiters maar met elkaar.
De kant van het kapitaal weet dat dit andere vooruitzicht bestaat. En het is juist dit andere gezichtspunt dat het angst aanjaagt. De machthebbers weten: zolang de arbeiders bij Opel het probleem alleen maar zien vanuit het gezichtspunt van VW of Opel dan komen ze wel ‘tot rede’. Maar wanneer de arbeiders daarentegen hun eigen vooruitzicht ontdekken en de gemeenschappelijkheid van hun belangen inzien, dan volgen daaruit heel andere perspectieven voor de strijd.
Uitgaan van de invalshoek van de samenleving als geheel
Daarom vertellen de vertegenwoordigers van het kapitaal ons voortdurend dat de door hun economisch systeem veroorzaakte rampen het gevolg zijn van ‘nalatigheden’ of van de ‘bijzonderheden’ van het afzonderlijke concern of van de vestiging. Zo wordt er beweerd dat de problemen bij Karstadt het gevolg zouden zijn van een gebrekkige verkoopstrategie. Opel daarentegen zou het verzuimd hebben om het voorbeeld van concurrenten als Daimler-Chrysler of Toyota te volgen, die met nieuwe, aantrekkelijke, vaak dieselgedreven motoren resultaten boeken. Daarnaast zou het feit dat 10.000 van de 12.000 door General Motors aangekondigde ontslagen in Duitsland vallen een afstraffing zijn van de Amerikaanse machthebbers voor de Irak-politiek van Duitsland! Alsof de Duitse bedrijven, net als Karstadt-Quelle, niet net zo goed genadeloos arbeidsplaatsen afbouwen in Duitsland! Alsof Daimler-Chrysler nog maar een paar maanden geleden niet net zo goed haar werkenden het pistool op de borst zette! De werkelijkheid logenstraft die verklaringen. Op 14 oktober werd niet alleen bij Karstadt besloten tot het verdwijnen van vele arbeidsplaatsen, maar als ‘bezuinigingsmaatregel’ werd ook bij ‘Spar’ het verdwijnen van vele arbeidsplaatsen in het vooruitzicht gesteld. En op dezelfde dag liet het Nederlandse Philips-concern doorschemeren dat ook daar een volgende ‘sanering’ zijn opwachting maakt.
Toen op ‘zwarte donderdag’, de 14de oktober, bekend werd gemaakt dat in de komende drie jaar in totaal 15.000 banen bij Karstadt-Quelle en bij Opel zouden verdwijnen, haasten de ‘onderhandelingspartners’, de politici en de ‘verslaggevers’ zich om een haarschep onderscheid te maken tussen deze beide gevallen. Eigenlijk zou men verwachten dat waar de werkenden van twee grote concerns hetzelfde erge lot treft, de gelijkenis van de toestand en de belangen van de betroffen loonafhankelijken op de voorgrond zou staan. Maar precies het tegenovergestelde gebeurde. Nadat de bevoegde onderhandelingsleidster van de vakbond Wiethold, op donderdagnamiddag haast glunderend de ‘redding’ van het Karstadt-concern bekend maakte werd onmiddellijk door de media verspreidt: omdat de toekomst van Karstadt nu verzekerd is, blijft Opel als enige zorgenkind over. Terwijl het personeel van de warenhuisketen dus ‘gerustgesteld’ weer aan het werk kon gaan, hoefden alleen de mensen bij Opel zich nog zorgen om hun toekomst te maken.
Maar het enige verschil in de toestand van de werkenden bij de beide firma’s bestond alleen daaruit, dat wat bij Karstadt al een treurige zekerheid is - massa-ontslagen, gedeeltelijke sluitingen, uitgebreide afpersing van het hele personeel - voor de mensen bij Opel nog komen moet. Het personeel van beide bedrijven moet ingrepen met een omvang van totaal 1,2 miljard euro slikken, wordt deels het brood uit de mond gestoten, om de winsten (niet de arbeidsplaatsen!) te redden.
De bewering dat de toestand van het personeel bij Karstadt zich fundamenteel zou onderscheiden van die bij Opel mist iedere grondslag. Voor de loonafhankelijken bij Karstadt is er in het geheel niets ‘gered’. De vakbond heeft het over een ‘sanering die zijn naam waard is’ en over ‘resultaten voor de werknemers’ omdat er een ‘arbeidsplaatsengarantie’ is afgegeven en omdat er een collectieve arbeidsovereenkomst kon worden afgesloten. Zo klinkt het als nederlagen van de arbeidersklasse als overwinningen worden verkocht. Wat betekenen arbeidsplaatsengaranties en collectieve arbeidsovereenkomsten en andere beloften nog als zelfs wereldconcerns voor hun leven vechten? In waarheid bevinden de slachtoffers van de ‘sanering’ bij Karstadt, toen en nu, zich in precies dezelfde omstandigheden als de arbeiders bij Opel, maar ook bij VW, Daimler-Chrysler, Siemens en zelfs de openbare diensten.
Bij Karstadt-Quelle werden de onderhandelingen ook al zo snel mogelijk ‘met succes’ afgesloten omdat bekend was dat op 14 oktober General Motors haar ‘saneringsplan’ voor Europa zou publiceren. Nog altijd behoort het namelijk tot de ongeschreven regels van de heersenden om nooit tegelijkertijd meerdere grote delen van de arbeidersklasse aan te pakken, om het gevoel van arbeiderssolidariteit niet ongewild te bevorderen. Maar nu laat de verscherping van de crisis van het wereldkapitalisme het achtereenvolgens uitvoeren van deze aanvallen steeds mindert toe. Vandaar dat er, toen de Jobs-tijding uit Detroit begon door te dringen, bij Karstadt in ieder geval gesproken moest kunnen worden van ‘succes’.
De middelen van de solidaire strijd
Massaontslagen en ook dreigende bankroeten betekenen niet dat het stakingswapen onbruikbaar wordt. Zo vormden de werkonderbrekingen bij Mercedes en Opel een krachtig signaal om de slachtoffers van de kapitalistische crisis tot strijd op te roepen.
Maar jammer genoeg raakt in dergelijke omstandigheden de staking als middel om de tegenstander terug te drijven veel van zijn werkzaamheid kwijt. Werklozenstrijd bijvoorbeeld moet het zonder stakingsmogelijkheden stellen. Maar ook als de uitbuiter van plan is om zich van de diensten van de door hem uitgebuiten te ontdoen, boezemt de stakingsdreiging veel minder angst in.
Het middel dat we tegenover de huidige niveau van de aanvallen van het kapitaal moeten inzetten in dat van de massa-staking van alle betrokkenen. Zo’n zelfverdedigingsactie van de hele arbeidersklasse zou in staat zijn om de loonafhankelijken het zelfvertrouwen te geven om de arrogantie van de heersenden het hoofd te bieden. Bovendien kunnen massale mobiliseringen er toe bijdragen om het maatschappelijke klimaat te veranderen om de noodzaak duidelijk wordt om de behoeften van de mensen tot leidsnoer van de maatschappelijke activiteit te maken. Een dergelijk ter discussie stellen van het kapitalisme zou de vastbeslotenheid doen toenemen van werkenden en werklozen om nu al hun belangen te verdedigen.
Natuurlijk zijn zulke massale, gemeenschappelijke, solidaire acties nu nog niet ten uitvoer worden gebracht. Maar dat betekent niet in het minst dan nu niets gedaan en bereikt kan worden. Wel is het noodzakelijk in te zien dat de staking niet het enige wapen van de klassenstrijd is. Alles wat nu al vereist dat de gemeenschappelijkheid van de belangen van alle loonafhankelijken wordt ingezien, en alles wat de traditie van arbeiderssolidariteit in de herinnering roept jaagt de heersende klasse angst aan, verzwakt haar aanvallen en maakt haar minder zeker van haar zaak, vergroot de bereidheid van de tegenstander om hier en daar daadwerkelijke toegevingen, minstens tijdelijk, te doen.
In 1987 stelde het door sluiting bedreigde personeel van Krupp in Rheinhausen hun dagelijkse algemene vergaderingen open voor de bevolking, voor her personeel van andere bedrijven net als voor de werklozen. Juist nu valt het helemaal niet in te zien waarom de betrokkenen bij Opel en Karstadt, bij ‘Spar’ en bij Siemens, niet bijeen zouden komen om gezamenlijk over hun situatie te discussiëren. Tijdens de massastakingen in Polen in 1980 kwamen de arbeiders van een hele stad telkens bijeen op het gebied van het plaatselijk grootste bedrijf. Daar stelden ze gezamenlijke eisen op en werd de strijd in eigen hand genomen.
De strijd bij Mercedes maakte al duidelijk wat nu in de aanvallen bij Opel en Karstadt wordt bevestigd - het grote solidariteitsgevoel van de werkende bevolking met de betrokkenen. In zulke omstandigheden stellen demonstraties in steden op een centrale plek de bevolking, en dan vooral het personeel van andere bedrijven en werklozen, in de gelegenheid zich daarbij aan te sluiten en hun solidariteit te betuigen.
De strijd bij Mercedes liet bovendien zien dat de arbeiders steeds beter begrijpen dat ze zich bij massa-ontslagen niet tussen de verschillende vestigingen tegen elkaar mogen laten uitspelen. Ook aan de kant van het kapitaal wordt nu ingezien dat men niet meer zo grof als in de zomer tussen Bremen en Stuttgart kan proberen om verdeeldheid te zaaien. Het was veelbetekenend dat op de avond van 14 oktober minister-president Steinbrí¼ck van Nordrhein-Westfalen op de televisie ten beste gaf dat hij er voor zou zorgen dat ‘men’ niet (zoals de boze Amerikanen van General Motors) de Duitse Opel-vestigingen van Rí¼sselsheim, Bochum, Eisenach en Kaizerslautern tegen elkaar kon uitspelen. En als het belangrijkste resultaat van de zitting van de algemene bedrijfsraad van Opel op dezelfde avond werd eveneens aangekondigd dat het elkaar onderling bijstaan van de verschillende delen van het personeel voorop zou staan. Maar wat betekent het als sociaal-democraten en vakbondsvertegenwoordigers van solidariteit spreken? Omdat die instellingen bestanddelen en verdedigers van de kapitalistische maatschappij zijn betekent ‘onderling bijstaan’ uit hun mond hoogstens dat elkaar beconcurrerende vestigingen zullen proberen om prijsafspraken te maken. Zo maakte de voorzitter van de algemene bedrijfsraad bekend dat hij ook met de Zweedse collega’s wilde overleggen welke offertes de verschillende fabrieken voor de nieuw te bouwen modellen konden uitbrengen. In gewone taal: de bedrijfsraden net als de vakbonden maken zelf deel uit van de kapitalistische concurrentiestrijd die de arbeidersklasse verdeelt en haar klassensolidariteit ondermijnt.
De gezamenlijke strijd van de arbeiders kan dus alleen door de arbeiders zelf op gang worden gebracht en geleid worden.
De noodzaak om het kapitalisme politiek ter discussie te stellen
Voor wat betreft de omvang van de crisis van het huidige kapitalisme moeten de arbeiders eindelijk hun schroom verliezen om zich met politieke vraagstukken bezig te gaan houden. Daarmee bedoelen we niet de burgerlijke politiek maar dat de arbeiders de problemen van de maatschappij als geheel aansnijden.
Door de huidige massa-ontslagen worden we geconfronteerd met de werkelijkheid van deze maatschappij, dat we helemaal geen ‘medewerkers’ van deze of gene firma zijn, maar uitbuitingsobjecten en kostenfactoren die men naar believen genadeloos opruimt. Deze aanvallen maken duidelijk wat het betekent dat de productiemiddelen niet aan de samenleving als geheel toebehoren en helemaal niet de belangen van de maatschappij dienen. In plaats daarvan zijn ze eigendom van een kleine minderheid. Op de eerste plaats zijn ze onderworpen aan de blinde, steeds vernietigender wetten van de concurrentie en de markt, waardoor steeds grotere delen van de mensheid in ellende en onverdraaglijke onzekerheid worden gestort. Wetten, die de elementaire menselijke solidariteit ondergraven, zonder welke er op de langere termijn helemaal geen maatschappij meer kan bestaan. En de loonafhankelijke arbeiders, die nu haast alle goederen en ‘diensten’ voortbrengen die de mensheid nodig heeft, beginnen zich er langzaam van bewust te worden dat zij in deze maatschappelijke ordening in het geheel niets, maar dan ook niets te vertellen hebben.
De crisis bij Karstadt en Opel is niet gevolg van slecht beheer maar uitdrukking van een al tientallen jaren durende, chronische, vernietigende overproductiecrisis. Door deze crisis verdwijnt steeds meer de koopkracht van de massa van de werkende bevolking. Dat raakt omgekeerd weer de kleinhandel, de afzet van auto’s, kortom, het raakt de hele economie steeds harder. De verscherpte concurrentiestrijd dwingt de kapitalisten ertoe om de kosten te verminderen, wat de massa-koopkracht nog verder doet slinken en de crisis verder verscherpt. Binnen het kapitalisme bestaat er geen ontsnappen aan deze vicieuze cirkel.
Internationale Kommunistische Stroming.
Er is door drie organisaties (de Internationale Kommunistische Stroming, de Moskouse organisatie Confederatie van revolutionaire anarcho-syndicalisten in Rusland en de Groep van Revolutionaire Proletarische Collectivisten) het initiatief genomen om een internationaal discussieforum op te zetten. Het eerste onderwerp dat aan debat wordt onderworpen is dat van de lering die kan worden getrokken uit de nederlaag van de Oktoberrevolutie.
De gruwelijke nederlaag van de Oktoberrevolutie die door de stalinistische contra-revolutie werd opgelegd decimeerde de revolutionaire krachten waarop de lange nacht volgde van de contra-revolutie en de bloedigste oorlog die de mensheid ooit heeft gezien; dit liet de kleine groepen die trouw bleven aan de beginselen van het proletarisch internationalisme versplinterd en vreselijk verzwakt achter.
Daardoor is de situatie van opkomende revolutionaire minderheden en elementen die op zoek zijn momenteel nog moeilijker. Niet alleen moeten ze strijd leveren om ideeën en een tussenkomst te ontwikkelen, om de situatie waarin zij handelend optreden te begrijpen en een echo te vinden in de arbeidersklasse; ze moeten dus ook strijden tegen het gruwelijk isolement en de versplintering van de revolutionaire krachten over de wereld.
Het was altijd een fundamenteel uitgangspunt van de IKS dat de komende wereldwijde eenheid van proletarische revolutionairen nooit gesmeed kan worden tenzij de groepen die momenteel bestaan in staat zijn om in een open en broederlijke geest over de kwesties te debatteren die hen verdelen en verenigen. Zo’n debat is noodzakelijk, niet alleen voor de vitale verheldering van de beginselen van actie van de arbeidersklasse, maar ook om het heersende isolement te doorbreken, vertrouwen te scheppen tussen de verschillende groepen die momenteel bestaan, ze te helpen te begrijpen wat het betekent om internationaal samen te werken als strijders van één enkele klasse.
Daarom hebben we besloten om deel te nemen aan een Internationaal Discussieforum opgezet met groepen in Rusland en dat voor het moment georganiseerd is rond een website.
Het doel van dit forum bestaat geenszins uit het kunstmatig scheppen van een politieke organisatie of het bieden van een beginselloos rekruteringsterrein. Integendeel, zoals het oprichtingsadres voor het forum stelt: “Het doel ervan bestaat uit het aangaan van een systematische discussie om tot verheldering te komen rond die vraagstukken die bewezen hebben van cruciaal belang te zijn voor de arbeidersbeweging en die dat in de toekomstige confrontaties tussen de klassen zullen blijven: internationalisme, de redenen voor de nederlaag van de wereldwijde revolutionaire golf, de ontaarding van de Russische revolutie, staatskapitalisme, nationale bevrijding, de rol van de vakbonden, enzovoort. Het doel wordt gevormd door het bijeenbrengen en bekendmaken van bijdragen over deze vraagstukken die verschillende benaderingen naar voren brengen die al binnen de arbeidersbeweging tot uiting zijn gekomen, zowel als verschillende gezichtspunten, meningsverschillen, en vraagstellingen die onder de deelnemers aan het forum kunnen bestaan. Het forum is daarom een open plek voor de discussie en confrontatie van politieke ideeën, met als enig doel de verheldering door politieke argumentatie waarbij de proletarische methode wordt gehanteerd die iedere benadering uitsluit die in tegenspraak is met het belangenloze doel van de bevrijding van de arbeidersklasse. Het is vooral geen ‘jachtgebied’ voor beginselloze rekrutering zoals die momenteel wordt bedreven door organisaties die zich bevinden aan de uiterst linkerzijde van het politieke apparaat van de bourgeoisie (trotskisten, enzovoort).”
Een dergelijk forum kan alleen worden gegrondvest op beginselen die het duidelijk onderscheiden van de linkervleugel van het kapitalisme. In deze periode, gekenmerkt door veralgemeende imperialistische oorlog, zijn we van mening dat het vraagstuk van het internationalisme beslissend is om een onderscheid te maken tussen zij die proberen te werken aan de revolutionaire bevrijding van de arbeidersklasse en degenen die er alleen op uit zijn de overheersing door de burgerlijke staat en zijn apparaat van controle en bedrog te versterken. Deelname aan de site is daarom afhankelijk van bepaalde politieke criteria in die zin.
Zoals het er nu voorstaat onderneemt het discussieforum pas zijn eerste twijfelende stappen. We kunnen niet vooraf weten of het een succes zal zijn - er zijn geen garanties in revolutionaire politiek. Maar we blijven er van overtuigd dat we alleen door een dergelijke geduldige en weinig spectaculaire inspanningen kunnen bijdragen aan het leggen van een basis voor de toekomstige politieke en organisatorische eenheid van de arbeidersklasse, die een vitaal wapen zal zijn in de poging om het kapitalisme omver te werpen en een nieuwe, kommunistische maatschappij op te richten.
Midden juli heeft Daimler de arbeiders van Sindelfingen-Stuttgart (Baden-Wurtemberg) een ultimatum gesteld: ofwel stemden ze erin toe hun ‘voordelen’ (1) op te geven, waardoor de productiekosten verlaagd zouden kunnen worden, ofwel zou de productie van de nieuwe Mercedes C-klasse overgebracht worden naar Bremen en naar East London (in Zuid-Afrika).
In reactie daarop heeft de metaalvakbond IG Metall op 15 juli opgeroepen tot stakingen en protestbetogingen van de loontrekkenden van Daimler. De vakbond rechtvaardigde zijn 'strijdlustige houding' met het feit dat het bedrijf vorig jaar 5,7 miljard euro winst had geboekt.
Zestigduizend arbeiders bij Daimler, vooral uit de ochtendploegen, gingen in staking en betoogden overal in Duitsland (2) waarbij ze de steun kregen van de plaatselijke bevolking. De deelname van de arbeiders in Bremen, waar de zesduizend jobs die in Stuttgart geschrapt zouden worden naar toe konden gaan, was niet minder talrijk of minder strijdbaar dan elders.
Die actiedag bewijst dat de woede groot is en dat er echt een gevoel van solidariteit bestaat bij de arbeiders. In de betogingen hebben de arbeiders herhaaldelijk de ontwikkeling aangeklaagd van hetzelfde soort chantage in andere ondernemingen en dat vaak geprobeerd wordt arbeiders langer te laten werken zonder extra loon. Het ging er de arbeiders om de nieuwe trend bij de directies te breken die geïllustreerd wordt door het akkoord dat bij Siemens in Bocholt en Kamp-Lindfort bereikt werd, waarbij er weer veertig uur gewerkt moet worden om aan de verhuizing van de productie naar Hongarije te ontkomen.
Tijdens de actiedag begonnen regering en politici druk uit te oefenen op Daimler opdat de directie daar snel tot een akkoord zou komen, met als geste het aanvaarden van een verlaging met 10% van de directielonen. De protestbeweging duurde echter voort met 12.000 stakende arbeiders op 17 juli in Sindelfingen en betogingen in de streek van Stuttgart in het begin van de volgende week. De arbeiders van andere bedrijven in Stuttgart en ook de woordvoerders van een ‘initiatief van arbeiders met tijdelijke jobs’ zouden aan die betogingen hebben deelgenomen (maar we vermoeden dat het vooral om vakbondsafgevaardigden ging).
De onderhandelingen begonnen op donderdag 24 juli. De IG Metall ‘dreigde’ ermee alle 160.000 arbeiders van Daimler tot staking op te roepen moest er geen akkoord uit de bus komen. Dat akkoord werd vrijdag al ondertekend, alle eisen van de directie werden ingewilligd, in ruil voor ‘werkzekerheid’ tot eind 2011.
Het spreekt vanzelf dat de media, de patroons en de vakbonden dat akkoord begroet hebben als een grote zege van de redelijkheid en een voorbeeld om de tewerkstelling in Duitsland te redden. De arbeiders reageerden anders en toonden grote woede. Arbeiders protesteerden fel tegen het feit dat de vakbonden en de ondernemingsraad zo’n akkoord in hun naam ondertekend hadden, waartoe ze niet gerechtigd waren. Maar dergelijke taferelen waren natuurlijk niet te zien op het tv-journaal ’s avonds.
Het is duidelijk dat de arbeiders een nederlaag geleden hebben en dat ze beseffen dat de vakbonden daar voor iets mee te maken hebben. Tijdens de actie zelf lijkt er geen enkel verzet tegen de vakbonden te zijn geweest, maar na deze nederlaag kunnen we in dit vakbondsbastion dat Daimler is en waar 90% van de arbeiders is aangesloten bij de IG Metall, een begin verwachten van nadenken over de rol van de vakbonden.
Onze afdeling in Duitsland is met een pamflet in deze strijd tussengekomen. We drukken er hier de belangrijkste stukken uit af.
Het lijkt erop dat het patronaat kreeg wat het wilde. Miljoenen loontrekkers werden op verlof gestuurd met het bericht dat de grootste industriereus van Europa, de vestiging van Mercedes in Stuttgart-Sindelfingen, bezig is te besparen op de productiekosten, voor een waarde van een half miljard euro, op kosten van de arbeiders. Men wil ons duidelijk maken dat zelfs als de bedrijven winst maken, de arbeiders machteloos staan tegenover de chantage van de verplaatsing van de productie en de dreiging met massale ontslagen. Tijdens de vakantieperiode worden we verondersteld het hoofd te buigen voor de verplichting meer te werken voor minder loon. Net op het moment dat de krachten van de arbeiders versnipperd zijn gedurende de zomervakantie, en nu het gevoel van machteloosheid in het isolement bijzonder hard aankomt, willen ze ons wijsmaken dat er een bres geslagen is. Een bres tegen de arbeiders die niet alleen de arbeiders bij Daimler-Chrysler bedreigt, maar alle loonslaven.
Amper enkele weken nadat het personeel van de Siemensfabrieken in Bocholt en Kamp-Lindfort gezwicht is voor de chantage die het dwong terug te keren naar de veertig-urenweek zonder enige loonopslag; na de beslissing in Beieren de werkdag zonder looncompensatie te verlengen, ook in de openbare diensten, begint het patronaat de verlenging van de werkweek te eisen - naargelang het geval - tot 40, 42, ja zelfs tot 50 uur. In Karstadt bijvoorbeeld (in de commerciële sector) zei men tegen de arbeiders: ofwel werk je 42 uur, ofwel er worden 4000 banen geschrapt. Of het nu in de bouwsector is, bij Mann of bij Bosch, overal wordt dezelfde eis gesteld.
De ervaring van de afgelopen weken bewijst wat steeds meer arbeiders al begonnen aan te voelen: de markteconomie (met of zonder ‘sociale’ praatjes) heeft niets anders te bieden dan verarming, onzekerheid en ellende zonder eind.
Bovenop de bittere maar noodzakelijke erkenning van die realiteit, moeten nog andere lessen getrokken en begrepen worden uit de conflicten van de afgelopen weken.
Na de strijd bij Daimler-Chrysler wil de heersende klasse er ons toe brengen te denken dat het nergens toe dient zich te verzetten, dat de logica van de kapitalistische concurrentie zich hoedan ook zal doorzetten en dat het dus beter is zich neer te leggen bij het standpunt dat uitbuiters en uitgebuiten tenslotte in hetzelfde schuitje zitten van het “behoud van de werkgelegenheid in Duitsland”. Vanuit het standpunt van de arbeidersklasse moeten compleet andere conclusies getrokken worden. Meer dan 60.000 arbeiders van Daimler-Chrysler hebben de laatste weken aan de stakingen en protestacties deelgenomen. De arbeiders van Siemens, Porsche, Bosch en Alcatel hebben aan de betogingen in Sindelfingen deelgenomen. Deze acties tonen dat de arbeiders weer de weg van de strijd opgaan. Tegenover het vooruitzicht van een verergering van het lijden en de ellende van de arbeiders van de hele wereld in de komende jaren is het belangrijkste niet dat de kapitalisten zich eens te meer organiseren om hun wil op te leggen maar wel dat de aanvallen dit keer niet passief worden ondergaan.
Daimler-Chrysler heeft heel bewust de kaart gespeeld van de verdeling van de arbeiders uit de verschillende vestigingen, door te dreigen jobs te schrappen in Sindelfingen, Untertürkheim en Mannheim ten voordele van de vestiging in Bremen, waar vanaf 2007 de productie van de nieuwe modellen van de S-klasse zou worden ondergebracht. Het feit dat de arbeiders uit Bremen deelgenomen hebben aan de betogingen tegen de loondalingen, tegen de werktijdverlenging en de sluiting van de fabrieken in Baden-Wurtemberg is zonder twijfel het belangrijkste element van deze strijd. Door de strategie van het patronaat gedeeltelijk te doen mislukken hebben de arbeiders met hun actie duidelijk gemaakt dat het antwoord van de arbeiders op de crisis van het kapitalisme enkel kan liggen in de solidariteit tussen de arbeiders. Die solidariteit is de kracht die de strijd mogelijk maakt en die hem betekenis geeft.
De heersende klasse wil ons de indruk geven dat de strijd bij Mercedes haar in het geheel niet beroerd heeft. Maar als we de gebeurtenissen van de laatste dagen aandachtig bekijken zien we dat de heersende klasse in feite zeer oplettend is geweest voor de uitingen van verzet van de arbeidersklasse. Ze vreest inderdaad vooral dat de proletariërs zouden beseffen dat solidariteit niet alleen het beste wapen is voor de verdediging van hun eigen belangen, maar dat ze ook het fundamentele beginsel inhoudt van een hogere sociale orde die een alternatief biedt voor de huidige maatschappij.
Het is natuurlijk geen toeval dat meteen na de terugkeer naar de veertig-urenweek bij Siemens in het Roergebied, een andere enorme en publieke uitdaging gericht wordt tot de arbeiders van Daimler-Chrysler. Siemens diende als waarschuwing voor de arbeiders:overal waar ze bedreigd zullen worden met fabriekssluiting, zullen ze verslechterde werkvoorwaarden en lonen moeten slikken, en langere werktijden. Bij Mercedes in Stuttgart was er - voor het ogenblik - nog geen sprake van sluiting van het bedrijf, dat nog efficiënt en rendabel geacht wordt. Daimler-Chrysler werd uitgekozen om een tweede boodschap te lanceren: de verergering zonder grenzen van de uitbuiting hoeft niet beperkt te blijven tot bedrijven en fabrieken die met de rug tegen de muur staan. Alle ondernemingen zijn betrokken. Daimler-Chrysler is juist het paradepaardje van de Duitse industrie: de grootste concentratie van de industriële arbeidersklasse in Duitsland, in het hart van Baden-Wurtemberg met zijn honderdduizenden industriearbeiders. De betekenis van de luide en duidelijke boodschap van de kapitalisten is deze: als de sterkste fractie van de arbeidersklasse, bekend zowel voor haar strijdervaring als voor haar strijdwil, zich niet tegen dergelijke maatregelen kan verzetten, dan zal de arbeidersklasse nergens anders in Duitsland dat kunnen.
Het is geen toeval dat de werkgevers zijn krachten verenigd heeft in wat ondernemersvakbonden genoemd worden. Daarmee kunnen zij hun inspanningen coördineren tegen de arbeidersklasse. Bovendien zijn die organismen geïntegreerd in het staatsapparaat. Dit betekent dat de strategie van het patronaat gebonden is aan de globale strategie die door de regering op nationaal en regionaal niveau geleid wordt, en dus met de regerende sociaal-democratie. Binnen die strategie bestaat er een taakverdeling tussen regering en bedrijven. De meeste hervormingen waartoe de bondsregering besluit en die direct uitgevoerd worden door de staat zelf, worden meestal geprogrammeerd gedurende de eerste helft van de regeringsperiode. Zo zagen we de afgelopen twee jaar de invoering van de meest ongelooflijke aanvallen tegen het levenspeil van de arbeiders: ‘de hervorming van de gezondheidszorg’, de wet Hartz tegen de werkloosheid, de ‘versoepeling’ van de wetten die de werklozen beschermen, enzovoort. Nu, in de periode die leidt naar de volgende algemene verkiezingen, wil de SPD het graag aan de werkgevers overlaten om het initiatief tot de aanvallen te nemen, in de hoop dat de bevolking zich zal blijven vereenzelvigen met de staat, dat ze zal gaan stemmen en het vertrouwen in de sociaal-democratie niet compleet zal verliezen.
De arbeiders mogen zich niet laten misleiden door de verklaringen waarin de SPD haar steun betuigd aan de arbeiders van Daimler-Chrysler. In feite zijn de aanvallen van vandaag rechtstreeks verbonden met de ‘hervormingen’ van de bondsregering. Het is zeker geen toeval dat de nieuwe vragenlijst voor werklozen (die dient om de financiële middelen van de werklozen en van hun familie te kennen - en die kennis te gebruiken om hun uitkering te verminderen) zo dik in het nieuws gebracht is net op het moment dat de aanvallen bij Daimler zich ontwikkelden. Hetsamensmelten van de uitkering voor langdurig werklozen met de sociale minimumuitkering, net als de versterkte controle en begeleiding van werklozen, dienen om het staatsbudget te verlichten, door de hulp aan de armsten onder de armen te verminderen. Maar dat alles dient ook om alle chantagemiddelen tegen wie nog werk heeft doeltreffender te maken. Voor diegenen die nog een job hebben moet het duidelijk zijn dat ook zij in bodemloze armoede gestort kunnen worden als ze hun stem verheffen en niet aanvaarden wat men van hen vraagt.
Het feit echter dat de aanvallen vanwege het kapitaal niet zonder strijd geslikt worden blijkt niet alleen uit de mobilisaties bij Daimler, maar ook uit de wijze waarop de bourgeoisie erop gereageerd heeft. Het werd al snel duidelijk dat politici, vakbonden, de ondernemingsraad, maar ook de werkgevers zich realiseerden dat het conflict bij Daimler zo snel mogelijk opgelost moest worden. De kapitalistische strategie was er in het begin op gericht de arbeiders van Stuttgart op te zetten tegen die van Bremen. Dat de arbeiders in het zuidwesten van Duitsland, die meer zelfvertrouwen hebben en die nu rechtstreeks aangevallen werden, zich zouden verzetten, werd verwacht. Maar wat verraste was het enthousiasme waarmee de arbeiders uit Bremen deelnamen aan de beweging. Het spook van de arbeiderssolidariteit, dat lange tijd als dood en begraven werd beschouwd, of in ieder geval dood verklaard, dreigde de kop weer op te steken. En dat maakte de vertegenwoordigers van het kapitalisme zichtbaar nerveus.
De woordvoerders van de politieke partijen in het parlement - de liberalen van de FDP die zichzelf de partij van de rijken noemen, inbegrepen - begonnen de directie van Daimler-Chrysler te interpelleren opdat die zou instemmen met een verlaging van haar eigen salarissen. Natuurlijk zou zo’n maatregel enkel zand in de ogen zijn. De directie bepaalt de lonen, dus ze kan zich ten allen tijde verzekeren tegen een dergelijke ‘vermindering’. Bovendien zal dat de arbeiders niet helpen om hun huur of de opvoeding van hun kinderen te betalen.
Waarom riepen de politieke leiders de patroons dan op zo’n geste te doen? Om de ideologie te propageren dat bazen en arbeiders sociale partners zijn, die allebei in moeilijkheden dreigen te geraken door een sociaal conflict.
Om dezelfde reden hebben de politici hun kritiek losgelaten op de arrogantie van de patroons. Wat er problematisch is aan de huidige situatie waarin de patroons de aanvallen op hun eentje uitvoeren, terwijl de staat zich als ‘neutrale kracht’ in de schaduw houdt, is dat zoiets te zichtbaar wordt. Patroons als Schremp of Hubbert hebben niet de finesse van de sociaal-democratie wanneer het erom gaat de arbeidersklasse een klinkende nederlaag te bezorgen zonder haar te grof te provoceren. De heersende klasse vreest voor alles dat de arbeiders te veel zouden beginnen na te denken over hun eigen strijd en over hun levensvooruitzichten onder het kapitalisme. In dat verband spreken de kritieken die kanselier Schröder gemaakt heeft voor zich: “Mijn advies is die problemen binnen de bedrijven te laten en er zo weinig mogelijk over te praten.”
Sinds het stalinisme ineengestort is - een bijzonder ondoeltreffende vorm van staatskapitalisme, rigide en overgereglementeerd - is tot in den treuren herhaald dat er voor het socialisme geen enkel vooruitzicht meer is en dat de klassenstrijd van de arbeidersklasse niet meer bestaat. Maar niets is meer afdoende dan de grote gevechten van de arbeidersklasse om aan de wereld te tonen dat noch de arbeidersklasse, noch de klassenstrijd tot het verleden behoren.
We willen de strijd bij Daimler niet overschatten. Hij volstaat niet om te beletten dat een nieuwe kapitalistische ‘bres’ geslagen wordt in de levensvoorwaarden van de arbeiders. Om te beginnen blijft het conflict voornamelijk beperkt tot de arbeiders bij Daimler. Heel de geschiedenis toont dat enkel de uitbreiding van de strijd naar andere delen van de arbeidersklasse in staat is - zelfs maar tijdelijk - de bourgeoisie terug te dringen. Daarbij is de strijd op geen enkel moment de controle door de vakbonden ter discussie gesteld. De IG Metall en de plaatselijke fabrieksraad hebben zich eens te meer meesters getoond om alle aandacht te vestigen op de vraag wat de situatie van de arbeiders bij Mercedes anders maakt dan die van andere arbeiders: de rentabiliteit van het bedrijf wordt gezien als een probleem van de arbeiders die er werken, de bestellingen als de zaak van elke fabriek afzonderlijk, hun hoge productiviteit als een troef van de metaalarbeiders van Baden-Wurtemberg. Daardoor werd een actievere en sterkere solidariteit tussen de arbeiders vermeden. De media hebben van hun kant hetzelfde thema gekozen door de jaloezie aan te dikken die er tegen de ‘bijzonder bevoorrechte arbeiders’ van Daimler zou bestaan. Het was opvallend te zien hoe de media dagelijks verslag uitbrachten van de situatie in Sindelfingen (waar de uit marmer gemaakte oversteekplaatsen voor voetgangers speciaal voor de camera gebracht werden), terwijl met geen woord werd gerept over de situatie in Bremen (waar de elementen van de arbeiderssolidariteit veel duidelijker aanwezig waren).
Ruim voordat de eisen van de directie van een half miljard euro besparingen per jaar bekend was geworden, had de ondernemingsraadal bezuinigingen ter waarde van 180 miljoen euro per jaar voorgesteld. En zodra de directie aanvaardde mee te werken aan het spelletje van ‘ook haar offer te brengen’, drukten de IG Metall en de ondernemingsraad een ‘globaal akkoord’ uit met een plan dat op alle punten tegemoet kwam aan de eisen van de directie, maar dat als een overwinning voor de arbeiders voorgesteld werd omdat er zogenaamd een ‘werkgarantie’ voor iedereen inzat.
Het is niet omdat ze de incarnatie van de duivel zouden zijn dat de vakbonden de arbeiders verdelen en de belangen van het bedrijf verdedigen ten koste van de uitgebuiten. Nee, ze maken sinds lang deel uit van het kapitalisme en zijn een onderdeel van de logica daarvan. Dat betekent daarentegen wel dat arbeiderssolidariteit, de uitbreiding van de strijd, enkele gerealiseerd kan worden door de arbeiders zelf. Daarvoor zijn soevereine massavergaderingen nodig, een wijze van strijden die zich richt op de rechtstreekse deelname van de verschillende sectoren arbeiders, aan het werk of werkloos. Dat kan enkel werkelijkheid worden buiten en tegen de vakbonden.
We zijn nog ver verwijderd van een dergelijke praktijk van autonome strijd die steunt op actieve solidariteit. Toch zijn nu al de kiemen zichtbaar van die komende gevechten. De arbeiders van Daimler waren zichzelf zeer bewust van het feit dat ze niet enkel voor zichzelf vochten, maar voor de belangen van alle arbeiders. Het valt niet de ontkennen dat hun strijd - ondanks de haatdragende campagnes over de voorrechten toegekend aan die van Sindelfingen - kon rekenen op de sympathie van heel de arbeidersklasse, wat niet meer was voorgekomen sinds de staking bij Krupp Rheinhausen in 1987.
De arbeiders bij Krupp begonnen destijds de kwestie te stellen van actieve uitbreiding van de strijd naar andere sectoren, en ze stelden de vakbondscontrole over hun strijd in vraag. Het feit dat die kwesties vandaag nog niet echt aan de orde zijn, toont hoeveel terrein de arbeidersklasse de laatste vijftien jaar verloren heeft, in Duitsland en in de rest van de wereld. Maar anderzijds betekenden gevechten zoals die bij Krupp, of de strijd van de Britse mijnwerkers, het einde van een reeks arbeidersgevechten die duurde van 1968 tot 1989 en die gevolgd werd door een lange periode van terugval. De strijd van nu daarentegen, zoals in de openbare sector in Frankrijk en Oostenrijk vorig jaar, of nu bij Daimler, staan aan het begin van een nieuwe reeks belangrijke sociale gevechten. Die ontwikkelen zich op een moeizamer en trager manier dan vroeger. Vandaag is de crisis van het kapitalisme veel verder gevorderd, de algemene barbaarsheid van het systeem is veel zichtbaarder, de dreigende rampspoed van dewerkloosheid is veel breder aanwezig.
Maar vandaag, veel meer dan het geval was bij Krupp-Rheinhausen, is de grote golf sympathie voor de strijdende arbeiders die de bevolking beroerd heeft veel directer verbonden aan de steeds bredere erkenning van de ernst van de situatie. De heersende klasse en de vakbonden doen vandaag hun best om de verlenging van de arbeidstijd die opgelegd wordt voor te stellen als een tijdelijke maatregel om jobs te behouden ‘tot de concurrentiekracht hersteld zal zijn’. Maar de arbeiders beginnen te begrijpen dat er iets veel fundamentelers aan de hand is. Inderdaad! Het zijn verworvenheden, niet van de laatste tientallen jaren, maar van twee eeuwen arbeidersstrijd die vandaag opgedoekt dreigen te worden. Wat er vandaag gebeurt, is dat de arbeidsdag net als in het begin van het kapitalisme steeds langer wordt, maar dan met de arbeidsvoorwaarden van het moderne kapitalisme, met de hel van de intensifiëring van de arbeid. Wat er steeds meer gebeurt, is dat de menselijke arbeid, de bron van de rijkdommen van de maatschappij, steeds minder gewaardeerd wordt en dat hij op lange termijn gedoemd is te verdwijnen. Dat alles is geen teken van de moeizame en pijnlijke geboorte van een nieuw systeem, maar is integendeel de uitdrukking van een zieltogend kapitalisme dat een hindernis geworden is voor de vooruitgang van de mensheid. Op lange termijn zullen de onzekere inspanningen van vandaag tot arbeidersverzet, naar een terugkeer naar de solidariteit, samen gaan met een diepgaande overdenking van de situatie. Dit kan en moet leiden tot het in vraag stellen van dit barbaars systeem, met het vooruitzicht op een hoger, op een socialistisch sociaal systeem.
Weltrevolution (afdeling in Duitsland van de IKS).
(1) De ‘plaspauze’ van 5 minuten elk uur, de berekeningswijze van de overuren tijdens de nacht, waardoor één uur meer uitbetaald wordt dan bij andere Mercedesvestigingen. Plus, ten opzichte van hun makkers in Bremen, drie extra verlofdagen per jaar.
(2) Daimler stelt 160.000 arbeiders te werk in Duitsland, waarvan 41.000 in Sindelfingen, 15.500 in Bremen, 20.9000 in Untertürkheim (ook bij Stuttgart) en 5.200 in Düsseldorf.
Tegenover de verslechtering van de levens- en arbeidsvoorwaarden en de dreiging met ontslagen hebben zich de laatste maanden in Europa talrijke bewegingen van de arbeidersklasse ontwikkeld, gekenmerkt door een sterke strijdbaarheid en een forse deelname. Zo zijn in Spanje, in september en oktober, de arbeiders van de scheeps-werven van Galicië, van het Baskenland en van Andalusië massaal in staking gegaan tegen de ontslagen. En ze gingen ook verschillende keren de straat op. Soms voegden zich bij hen arbeiders van andere bedrijven, die afhangen van deze scheepsbouw en zij kregen brede steun uit de bevolking. Nog recenter legde het personeel van het openbaar vervoer van Rome, Napels en Milaan het werk een hele dag gelijktijdig neer om loonsverhogingen te eisen. In Nederland zijn op 2 oktober 300.000 betogers op straat gekomen tegen de bezuinigingsmaatregelen van de regering Balkenende II. Ook in België zijn de bus- en trambestuurders van de hoofdstad spontaan meerdere keren in totale staking gegaan voor het aanwerven van meer chauffeurs. In Duitsland, waar de mokerhamer van een golf van ontslagen en ‘sociale’ maatregelen de centrale sectoren van de economie zal gaan treffen en de rangen gaan versterken van de vijf miljoen die al werkloos zijn, toont de arbeidersklasse al sinds maanden haar vastbeslotenheid om krachtig van zich af te bijten. In de automobielindustrie, waar de dreiging hangt van ontslagen, bevriezing van de lonen en verlenging van de werktijd, zijn de arbeiders begonnen aan een reeks van harde stakingen die startten bij Mercedes-Daimler-Chrysler in juli in Sindelfingen-Stuttgart. Midden-oktober waren het 30.000 arbeiders van Opel in Bochum die hun voorbeeld volgden, begin november gingen er meer dan 4.000 in staking bij Volkswagen. Ook in de openbare diensten lokte de aankondiging van de ‘hervorming’, met 150.000 ontslagen, een verlenging van de werktijd (van 38,5 naar 41 uur per week) en loon naar ‘prestatie’, over heel Duitsland onlangs een golf van stakingen en betogingen uit. Het staat buiten kijf dat de reacties van de arbeiders nog steeds onder controle van de vakbonden staan die de energie van de arbeiders kanaliseren om hen naar doodlopende straatjes te lokken, door hun solidariteit te breken en hen te verdelen om de aanvallen van de staat en de Duitse werkgevers door te drukken. Zo is de IG Metall er in geslaagd om de arbeiders van Volkswagen een grotere ‘flexibiliteit’ van werkuren te laten slikken. Daar komt bij dat nieuwe arbeiders worden aangenomen tegen 20% minder loon, in ruil voor de ‘verbintenis’ van de directie om tot 2007 niet over te gaan tot directe ontslagen en een premie van 1.000 euro in maart 2005 (om de loonbevriezing te ‘compenseren’). In de grote warenhuizen in Karstadt heeft de dienstenvakbond Verdi zelfs een heel slachte overeenkomst doorgaan voor een overwinning. Maar ondanks deze machtspositie van de vijanden van het proletariaat, heeft deze laatste duidelijk aangetoond dat het ontwaken van zijn strijdbaarheid niet voorbijgaand is. Integendeel, het betekent de aankondiging van een nieuwe periode in de ontwikkeling van de strijd. Ook het vraagstuk van hoe en tegen wie te strijden, stelt zich op cruciale wijze. Hierop antwoordt het pamflet dat verspreid werd door de afdeling in Duitsland van de IKS op de betogingen tijdens de staking bij Opel in Bochum, midden-oktober en waaruit wij hier lange uittreksels publiceren
Hoe te strijden tegen massale ontslagen? Hoe kunnen we ons daartegen doelmatig verzetten, als de ‘eigen’ arbeidsplaats of ‘vestiging’ niet langer als winstgevend geldt? Verliest de staking als wapen aan doeltreffendheid wanneer de kapitalist er aan denkt het bedrijf te sluiten, of als hele bedrijven hun financiële verplichtingen niet meer kunnen nakomen? Deze vragen worden momenteel niet alleen concreet bij Opel, bij Karstadt en VW gesteld, maar overal waar door de kapitalistische economische crisis bedrijven en hele concerns ‘gesaneerd’ worden of meteen maar worden gesloten. En dat gebeurd tegenwoordig haast overal. Niet alleen in Duitsland, maar in Amerika en ook in China. Niet alleen de industrie maar ook in de ziekenhuizen en bij de openbare diensten.
In het midden van de jaren 1980 was er nog veel strijd tegen massaontslagen: bij Krupp Rheinhausen bijvoorbeeld of de strijd van de Britse mijnwerkers. Toen werden hele industrietakken als mijnbouw en scheepsbouw ontmanteld.
Maar nu zijn werkloosheid en bedrijfssluitingen alomtegenwoordig. Dit leidde aanvankelijk tot een wijd verbreid gevoel geïntimideerd te zijn. Het laten verdwijnen van arbeidsplaatsen werd meestal zonder protest doorgevoerd. Toch vormde de strijd bij Daimler-Chrysler deze zomer een belangrijk signaal. Daar verdedigden de werknemers zich voor het eerst weer spectaculair tegen de afpersingen door de bedrijfsdirectie. Door solidariteitsacties bij vooral Werk Bremen met de direct betrokkenen in Sindelfingen lieten ze zien dat de arbeiders van de verschillende vestigingen zich niet tegen elkaar lieten uitspelen.
En nu hebben de stakingsacties bij vooral Opel in Bochum als een eerste antwoord op de aangekondigde afvloeiingen opnieuw weer benadrukt dat we massaontslagen niet zomaar hoeven te aanvaarden.
Toch moet de vraag naar de mogelijkheden en de doelstelling van de strijd onder zulke omstandigheden worden gesteld. Want het is bekend dat de strijd bij Daimler-Chrysler net als indertijd bij Krupp en die van de Britse mijnwerkers telkens in een nederlaag eindigde. Want telkens, en ook nu, zien we hoe de vakbonden en de bedrijfsraden - daar waar de betrokken arbeiders verzet plegen - het ook over strijd hebben, maar tegelijk ook meteen beweren dat er geen andere keuze is dan zich aan de logica van het kapitaal te onderwerpen. Ze beweren dat het er uiteindelijk om gaat het ergste te voorkomen, om de voor de ‘sanering’ van het bedrijf onvermijdelijke ontslagen zo ‘sociaal’ mogelijk te laten plaatsvinden. Zo werd de beëindiging bij Karstadt-Quelle, waar het onmiddellijke schrappen van 5.500 banen, het ‘afstoten’ van 77 winkels en omvangrijke nominale loonsdalingen (‘bezuinigingen’, 760 miljoen tot 2007) werden overeengekomen, door ‘ver.di’ (Vereinte Dienstleistungsgewerkschaft) als een overwinning van de arbeiders gevierd.
Al minstens twee eeuwen leveren loonarbeid en kapitaal strijd over lonen en arbeidsomstandigheden, dat wil zeggen over de uitbuitingsgraad van de loonarbeid door het kapitaal. Als de uitgebuiten zich niet telkens opnieuw verdedigd hadden, van de ene generatie tot de andere, dan waren de mannelijke en vrouwelijke arbeiders van nu niet veel meer geweest dan willoze slaven die men naar believen kon uitpersen en ook tot hun dood kon laten werken. Maar naast dit vraagstuk van de uitbuitingsgraad, die ook werd gesteld voor de slaven en lijfeigenen in eerdere tijden, bestaat er in de moderne productiewijze een tweede probleem dat alleen bestaat als markteconomie en loonarbeid overheersen. Dat vraagstuk luidt: Wat te doen, hoe zich te verzetten, als de bezitter van de productiemiddelen de arbeidskracht van de arbeiders niet langer winstgevend kan uitbuiten? Deze vraag hebben de werklozen zich telkens weer, in de hele geschiedenis van het kapitalisme, moeten stellen. Maar nu, terwijl de chronische overproductiecrisis op de wereldmarkt en het bankroet van de kapitalistische productiewijze steeds meer zichtbaar is geworden, wordt dit tot een vraag van leven en dood van alle loonafhankelijken.
De ondernemers, de politici, maar ook de vakbonden en de bedrijfsraden - al degenen dus die deel hebben in het bestuur van afzonderlijke bedrijven, van concerns of het staatsapparaat - beschouwen de arbeiders en het kantoorpersoneel als onderdelen van de verschillende ondernemingen, die in lief en leed aan de belangen van de ‘werkgevers’ verbonden zijn. Vanuit dat gezichtspunt is het natuurlijk altijd nadelig wanneer de ‘medewerkers’ zich tegen de winstbelangen van de ondernemingen keren. Want het ondernemen bestaat alleen om winst te maken. En uit deze logica volgt, zoals de voorzitter van de algemene bedrijfsraad van Opel, Klaus Franz, het onmiddellijk op niet mis te verstane wijze duidelijk maakte: “Wij weten dat we niet om de door het bedrijf vastgestelde ontslagen heen kunnen.” Dat is dus de logica van het kapitaal. Maar dat is niet het enig mogelijke vooruitzicht van waaruit het probleem kan worden bezien. Als het niet langer als een probleem van Opel of van Karstadt, of als een probleem van de BV Duitsland wordt gezien, maar als een probleem van de samenleving als geheel, dan openen zich heel andere perspectieven. Als men de wereld niet langer beziet vanuit het gezichtspunt van een afzonderlijk bedrijf of concern, maar vanuit het gezichtspunt van de samenleving, van het welzijn van de mensen, dan zien we de betrokkenen niet langer als mensen die deel uitmaken van Opel of Karstadt, maar als behorend tot een maatschappelijke klasse van loonarbeiders, die de belangrijkste slachtoffers van de kapitalistische crisis zijn. Vanuit deze invalshoek wordt het duidelijk dat de verkoopster van Karstadt in Herne, de assemblage-arbeider bij Opel in Bochum, maar ook de werkloze uit Oost-Duitsland of de rechteloze, al haast tot slavernij gebrachte illegale mijnwerker uit de Oekraïne, een gemeenschappelijk lot en gemeenschappelijke belangen hebben - niet met hun uitbuiters maar met elkaar.
De kant van het kapitaal weet dat dit andere vooruitzicht bestaat. En het is juist dit andere gezichtspunt dat het angst aanjaagt. De machthebbers weten: zolang de arbeiders bij Opel het probleem alleen maar zien vanuit het gezichtspunt van VW of Opel dan komen ze wel ‘tot rede’. Maar wanneer de arbeiders daarentegen hun eigen vooruitzicht ontdekken en de gemeen-schappelijkheid van hun belangen inzien, dan volgen daaruit heel andere perspectieven voor de strijd.
Daarom vertellen de vertegenwoordigers van het kapitaal ons voortdurend dat de door hun economisch systeem veroorzaakte rampen het gevolg zijn van ‘nalatigheden’ of van de ‘bijzonderheden’ van het afzonderlijke concern of van de vestiging. Zo wordt er beweerd dat de problemen bij Karstadt het gevolg zouden zijn van een gebrekkige verkoopstrategie. Opel daarentegen zou het verzuimd hebben om het voorbeeld van concurrenten als Daimler-Chrysler of Toyota te volgen, die met nieuwe, aantrekkelijke, vaak dieselgedreven motoren resultaten boeken. Daarnaast zou het feit dat 10.000 van de 12.000 door General Motors aangekondigde ontslagen in Duitsland vallen een afstraffing zijn van de Amerikaanse machthebbers voor de Irak-politiek van Duitsland! Alsof de Duitse bedrijven, net als Karstadt-Quelle, niet net zo goed genadeloos arbeidsplaatsen afbouwen in Duitsland! Alsof Daimler-Chrysler nog maar een paar maanden geleden niet net zo goed haar werkenden het pistool op de borst zette! De werkelijkheid logenstraft die verklaringen. Op 14 oktober werd niet alleen bij Karstadt besloten tot het verdwijnen van vele arbeidsplaatsen, maar als ‘bezuinigingsmaatregel’ werd ook bij ‘Spar’ het verdwijnen van vele arbeidsplaatsen in het vooruitzicht gesteld. En op dezelfde dag liet het Nederlandse Philips-concern doorschemeren dat ook daar een volgende ‘sanering’ zijn opwachting maakt.
Toen op ‘zwarte donderdag’, de 14de oktober, bekend werd gemaakt dat in de komende drie jaar in totaal 15.000 banen bij Karstadt-Quelle en bij Opel zouden verdwijnen, haasten de ‘onderhandelingspartners’, de politici en de ‘verslaggevers’ zich om een haarschep onderscheid te maken tussen deze beide gevallen. Eigenlijk zou men verwachten dat waar de werkenden van twee grote concerns hetzelfde erge lot treft, de gelijkenis van de toestand en de belangen van de betroffen loonafhankelijken op de voorgrond zou staan. Maar precies het tegenovergestelde gebeurde. Nadat de bevoegde onderhandelingsleidster van de vakbond Wiethold, op donderdagnamiddag haast glunderend de ‘redding’ van het Karstadt-concern bekend maakte werd onmiddellijk door de media verspreidt: omdat de toekomst van Karstadt nu verzekerd is, blijft Opel als enige zorgenkind over. Terwijl het personeel van de warenhuisketen dus ‘gerustgesteld’ weer aan het werk kon gaan, hoefden alleen de mensen bij Opel zich nog zorgen om hun toekomst te maken.
Maar het enige verschil in de toestand van de werkenden bij de beide firma’s bestond alleen daaruit, dat wat bij Karstadt al een treurige zekerheid is - massa-ontslagen, gedeeltelijke sluitingen, uitgebreide afpersing van het hele personeel - voor de mensen bij Opel nog komen moet. Het personeel van beide bedrijven moet ingrepen met een omvang van totaal 1,2 miljard euro slikken, wordt deels het brood uit de mond gestoten, om de winsten (niet de arbeidsplaatsen!) te redden.
De bewering dat de toestand van het personeel bij Karstadt zich fundamenteel zou onderscheiden van die bij Opel mist iedere grondslag. Voor de loonafhankelijken bij Karstadt is er in het geheel niets ‘gered’. De vakbond heeft het over een ‘sanering die zijn naam waard is’ en over ‘resultaten voor de werknemers’ omdat er een ‘arbeidsplaatsengarantie’ is afgegeven en omdat er een collectieve arbeidsovereenkomst kon worden afgesloten. Zo klinkt het als nederlagen van de arbeidersklasse als overwinningen worden verkocht. Wat betekenen arbeidsplaatsengaranties en collectieve arbeidsovereenkomsten en andere beloften nog als zelfs wereldconcerns voor hun leven vechten? In waarheid bevinden de slachtoffers van de ‘sanering’ bij Karstadt, toen en nu, zich in precies dezelfde omstandigheden als de arbeiders bij Opel, maar ook bij VW, Daimler-Chrysler, Siemens en zelfs de openbare diensten.
Bij Karstadt-Quelle werden de onderhandelingen ook al zo snel mogelijk ‘met succes’ afgesloten omdat bekend was dat op 14 oktober General Motors haar ‘saneringsplan’ voor Europa zou publiceren. Nog altijd behoort het namelijk tot de ongeschreven regels van de heersenden om nooit tegelijkertijd meerdere grote delen van de arbeidersklasse aan te pakken, om het gevoel van arbeiderssolidariteit niet ongewild te bevorderen. Maar nu laat de verscherping van de crisis van het wereldkapitalisme het achtereenvolgens uitvoeren van deze aanvallen steeds mindert toe. Vandaar dat er, toen de Jobs-tijding uit Detroit begon door te dringen, bij Karstadt in ieder geval gesproken moest kunnen worden van ‘succes’.
Massaontslagen en ook dreigende bankroeten betekenen niet dat het stakingswapen onbruikbaar wordt. Zo vormden de werkonderbrekingen bij Mercedes en Opel een krachtig signaal om de slachtoffers van de kapitalistische crisis tot strijd op te roepen.
Maar jammer genoeg raakt in dergelijke omstandigheden de staking als middel om de tegenstander terug te drijven veel van zijn werkzaamheid kwijt. Werklozenstrijd bijvoorbeeld moet het zonder stakingsmogelijkheden stellen. Maar ook als de uitbuiter van plan is om zich van de diensten van de door hem uitgebuiten te ontdoen, boezemt de stakingsdreiging veel minder angst in.
Het middel dat we tegenover de huidige niveau van de aanvallen van het kapitaal moeten inzetten in dat van de massa-staking van alle betrokkenen. Zo’n zelfverdedigingsactie van de hele arbeidersklasse zou in staat zijn om de loonafhankelijken het zelfvertrouwen te geven om de arrogantie van de heersenden het hoofd te bieden. Bovendien kunnen massale mobiliseringen er toe bijdragen om het maatschappelijke klimaat te veranderen om de noodzaak duidelijk wordt om de behoeften van de mensen tot leidsnoer van de maatschappelijke activiteit te maken. Een dergelijk ter discussie stellen van het kapitalisme zou de vastbeslotenheid doen toenemen van werkenden en werklozen om nu al hun belangen te verdedigen.
Natuurlijk zijn zulke massale, gemeenschappelijke, solidaire acties nu nog niet ten uitvoer worden gebracht. Maar dat betekent niet in het minst dan nu niets gedaan en bereikt kan worden. Wel is het noodzakelijk in te zien dat de staking niet het enige wapen van de klassenstrijd is. Alles wat nu al vereist dat de gemeenschappelijkheid van de belangen van alle loonafhankelijken wordt ingezien, en alles wat de traditie van arbeiderssolidariteit in de herinnering roept jaagt de heersende klasse angst aan, verzwakt haar aanvallen en maakt haar minder zeker van haar zaak, vergroot de bereidheid van de tegenstander om hier en daar daadwerkelijke toegevingen, minstens tijdelijk, te doen.
In 1987 stelde het door sluiting bedreigde personeel van Krupp in Rheinhausen hun dagelijkse algemene vergaderingen open voor de bevolking, voor her personeel van andere bedrijven net als voor de werklozen. Juist nu valt het helemaal niet in te zien waarom de betrokkenen bij Opel en Karstadt, bij ‘Spar’ en bij Siemens, niet bijeen zouden komen om gezamenlijk over hun situatie te discussiëren. Tijdens de massastakingen in Polen in 1980 kwamen de arbeiders van een hele stad telkens bijeen op het gebied van het plaatselijk grootste bedrijf. Daar stelden ze gezamenlijke eisen op en werd de strijd in eigen hand genomen.
De strijd bij Mercedes maakte al duidelijk wat nu in de aanvallen bij Opel en Karstadt wordt bevestigd - het grote solidariteitsgevoel van de werkende bevolking met de betrokkenen. In zulke omstandigheden stellen demonstraties in steden op een centrale plek de bevolking, en dan vooral het personeel van andere bedrijven en werklozen, in de gelegenheid zich daarbij aan te sluiten en hun solidariteit te betuigen.
De strijd bij Mercedes liet bovendien zien dat de arbeiders steeds beter begrijpen dat ze zich bij massa-ontslagen niet tussen de verschillende vestigingen tegen elkaar mogen laten uitspelen. Ook aan de kant van het kapitaal wordt nu ingezien dat men niet meer zo grof als in de zomer tussen Bremen en Stuttgart kan proberen om verdeeldheid te zaaien. Het was veelbetekenend dat op de avond van 14 oktober minister-president Steinbrück van Nordrhein-Westfalen op de televisie ten beste gaf dat hij er voor zou zorgen dat ‘men’ niet (zoals de boze Amerikanen van General Motors) de Duitse Opel-vestigingen van Rüsselsheim, Bochum, Eisenach en Kaizerslautern tegen elkaar kon uitspelen. En als het belangrijkste resultaat van de zitting van de algemene bedrijfsraad van Opel op dezelfde avond werd eveneens aangekondigd dat het elkaar onderling bijstaan van de verschillende delen van het personeel voorop zou staan. Maar wat betekent het als sociaal-democraten en vakbondsvertegenwoordigers van solidariteit spreken? Omdat die instellingen bestanddelen en verdedigers van de kapitalistische maatschappij zijn betekent ‘onderling bijstaan’ uit hun mond hoogstens dat elkaar beconcurrerende vestigingen zullen proberen om prijsafspraken te maken. Zo maakte de voorzitter van de algemene bedrijfsraad bekend dat hij ook met de Zweedse collega’s wilde overleggen welke offertes de verschillende fabrieken voor de nieuw te bouwen modellen konden uitbrengen. In gewone taal: de bedrijfsraden net als de vakbonden maken zelf deel uit van de kapitalistische concurrentiestrijd die de arbeidersklasse verdeelt en haar klassensolidariteit ondermijnt.
De gezamenlijke strijd van de arbeiders kan dus alleen door de arbeiders zelf op gang worden gebracht en geleid worden.
Voor wat betreft de omvang van de crisis van het huidige kapitalisme moeten de arbeiders eindelijk hun schroom verliezen om zich met politieke vraagstukken bezig te gaan houden. Daarmee bedoelen we niet de burgerlijke politiek maar dat de arbeiders de problemen van de maatschappij als geheel aansnijden.
Door de huidige massa-ontslagen worden we geconfronteerd met de werkelijkheid van deze maatschappij, dat we helemaal geen ‘medewerkers’ van deze of gene firma zijn, maar uitbuitingsobjecten en kostenfactoren die men naar believen genadeloos opruimt. Deze aanvallen maken duidelijk wat het betekent dat de productiemiddelen niet aan de samenleving als geheel toebehoren en helemaal niet de belangen van de maatschappij dienen. In plaats daarvan zijn ze eigendom van een kleine minderheid. Op de eerste plaats zijn ze onderworpen aan de blinde, steeds vernietigender wetten van de concurrentie en de markt, waardoor steeds grotere delen van de mensheid in ellende en onverdraaglijke onzekerheid worden gestort. Wetten, die de elementaire menselijke solidariteit ondergraven, zonder welke er op de langere termijn helemaal geen maatschappij meer kan bestaan. En de loonafhankelijke arbeiders, die nu haast alle goederen en ‘diensten’ voortbrengen die de mensheid nodig heeft, beginnen zich er langzaam van bewust te worden dat zij in deze maatschappelijke ordening in het geheel niets, maar dan ook niets te vertellen hebben.
De crisis bij Karstadt en Opel is niet gevolg van slecht beheer maar uitdrukking van een al tientallen jaren durende, chronische, vernietigende overproductiecrisis. Door deze crisis verdwijnt steeds meer de koopkracht van de massa van de werkende bevolking. Dat raakt omgekeerd weer de kleinhandel, de afzet van auto’s, kortom, het raakt de hele economie steeds harder. De verscherpte concurrentiestrijd dwingt de kapitalisten ertoe om de kosten te verminderen, wat de massa-koopkracht nog verder doet slinken en de crisis verder verscherpt. Binnen het kapitalisme bestaat er geen ontsnappen aan deze vicieuze cirkel.
Internationale Kommunistische Stroming / 15.10.2004
In de eerste drie artikels van deze reeks hebben we achtereenvolgens gezien:
In dit artikel zullen we dit onderzoek naar het perspectief van het kommunisme verder zetten en een aantal aspecten van de kommunistische revolutie bekijken: de organisatievorm van de revolutionaire klasse en de oriëntatie van de maatregelen die zij geroepen zal zijn te nemen.
Sindsdien, met het verschijnen van de arbeidersklasse, haar bewustzijn ontstaan is over het feit dat zij de uitvoerder is van de kommunistische revolutie, stelt zich het probleem van haar organisatie met het oog op deze taak. Lange tijd heeft de arbeidersklasse, en de revolutionairen met haar, getwijfeld over deze kwestie. In het begin (van Babeuf tot Blanqui) gaf ze de voorkeur aan kleine sekten van samenzweerders. Daarna leek het of de verschillende arbeidersverenigingen, vakbonds- of beroepscoöperaties, zoals degene die zich verenigden in de Internationale Werklieden Vereniging (de Eerste Internationale, opgericht in 1864) de vorm van zelforganisatie waren van de arbeidersklasse met het oog op haar emancipatie. Daarna wierpen de grote massapartijen, verenigd in de Tweede Internationale (1889-1914), en de vakbonden die eraan verbonden waren, zich op als hefboom voor de omvorming van de maatschappij. Maar de geschiedenis zou uitwijzen dat die organisatievormen overeenstemden met stadia uit de ontwikkeling van de arbeidersklasse, zowel inzake haar vermogen te strijden tegen de uitbuiting als inzake haar bewustzijn vande onmiddellijke en historische doeleinden van die strijd, maar dat geen van die vormen geschikt was voor het vervullen van haar historische taak: de vernietiging van het kapitalisme en de invoering van het kommunisme. Pas toen de bestaansvoorwaarden van het kapitalisme zelf de proletarische revolutie op de dagorde plaatsten, vond de arbeidersklasse de organisatievorm waarmee ze de revolutie kan volbrengen: de arbeidersraden. Hun opduiken in Rusland in 1905 betekende dat een keerpunt bereikt was in de geschiedenis van de kapitalistische maatschappij: het einde van haar vooruitstrevende tijdperk en de intrede in haar vervalperiode, in “het tijdperk van imperialistische oorlogen en proletarische revoluties”, zoals de revolutionairen achteraf zouden begrijpen. Ook als de revolutionairen sinds Blanqui de noodzaak begrepen hadden van de instelling van de dictatuur van het proletariaat als hefboom voor de omvorming van de maatschappij, was het pas dankzij de ervaring van de klasse zelf – en dan nog met vertraging – dat ze begrepen welke concrete vorm die dictatuur zou aannemen. In het voetspoor van de oude opvattingen van Marx en Engels kon Trotski, die toch een beslissende rol gespeeld had in de Sovjet (arbeidersraad) van Petersburg, in 1906, 35 jaar na 1871, nog schrijven:
“Het internationaal socialisme beschouwt de republiek als de enig mogelijke vorm van socialistische emancipatie, op voorwaarde dat het proletariaat hem aan de handen van de bourgeoisie ontrukt en hem omvormt van ‘een machine voor de onderdrukking van de ene klasse door de andere’ in een wapen voor de socialistische emancipatie van de mensheid.”
Zo bleef een ‘echte democratische republiek’ waarin de proletarische partij de leidende rol zou spelen gedurende lange tijd het idee van de vorm van de dictatuur van het proletariaat. Pas met de revolutie van 1917 in Rusland begrepen de revolutionairen, en Lenin in de eerste plaats, duidelijk dat de “eindelijk gevonden vorm” van de dictatuur van het proletariaat niets anders is dan de macht van de arbeidersraden, die organen die vanaf 1905 spontaan ontstonden in de loop van revolutionaire gevechten en die gekenmerkt worden door hun vorming op basis van algemene arbeidersvergaderingen de verkiezing en de afzetbaarheid op elk moment van hun afgevaardigden, de eenheid tussen besluitvorming en de uitvoering van die beslissing (geen scheiding tussen ‘wetgevende’ en ‘uitvoerende’ macht); hun groepering en centralisatie, niet op basis van beroep of industrie, maar op territoriale basis (het zijn geen drukkers of textielarbeiders die zich verenigen zoals in de vakbonden, maar wel de arbeiders van een bedrijf, een wijk, een stad, een regio enz.).
Die specifieke vorm van organisatie van de arbeidersklasse is direct aangepast aan de taken die het proletariaat wachten in de revolutie.
In de eerste plaats gaat het om de algemene organisatie van de klasse, het groepere van alle arbeiders. Voorheen, in alle organisatievormen die bestaan hebben, ook in de vakbonden, werd slechts een deel van de klasse bijeengebracht. Dat was voldoende opdat het proletariaat druk zou kunnen uitoefenen op het kapitalisme om zijn belangen zo goed mogelijk te verdedigen binnen het systeem. Maar het is pas als ze zich als geheel organiseert dat de klasse in staat is haar historische taak te volbrengen van vernietiging van het kapitalistisch systeem en instelling van het kommunisme. De actie en de macht van slechts een deel van de bourgeoisie (haar politieke partijen) was mogelijk en zelfs noodzakelijk om haar revolutie te volbrengen, omdat die klasse zelf maar een kleine minderheid van de bevolking uitmaakte, omdat ze een uitbuitende klasse is, en omdat anderzijds enkel een minderheid van de bourgeoisie zich boven de belangenconflicten kon verheffen die haar steeds doorkruist hebben tengevolge van de economische rivaliteit die bestaat tussen haar verschillende sectoren. Daarentegen, zowel omwille van het feit dat er geen tegenstellingen of rivaliteit bestaan binnen het proletariaat, als omdat de maatschappij die het geroepen is in te voeren elke uitbuiting en verdeling in klassen afschaft, en omdat de beweging die het proletariaat leidt “die van de immense meerderheid ten voordele van de immense meerderheid” is (Kommunistisch Manifest), kan alleen zijn algemene organisatie die historische taak volbrengen.
In de tweede plaats drukken de verkiezing en de afzetbaarheid op elk moment inzake de verschillende taken, het uitermate dynamisch karakter uit van het revolutionair proces, de voortdurende ingrijpende verandering, zowel van de maatschappij als van de klasse zelf, met name inzake de ontwikkeling van haar bewustzijn. Wie voor deze of gene taak aangeduid waren of omdat hun standpunten overeenstemden met een bepaald niveau van klassenbewustzijn, zijn niet langer op hun plaats wanneer nieuwe taken gesteld worden, of wanneer het bewustzijnsniveau evolueert. Ze drukken ook uit dat de klasse in beweging elke definitieve specialisatie verwerpt, elke verdeling in haar schoot tussen ‘massa en chefs’, waarbij de wezenlijke rol van die laatsten (de meest gevorderde elementen van de klasse) er juist in bestaat alles te doen om de voorwaarden op te heffen die hun bestaan veroorzaakt hebben: de heterogeniteit van het bewustzijnsniveau in de klasse.
Ook toen ze nog organen van de arbeidersklasse waren, konden er in de vakbonden permanente functionarissen zijn. Dat komt omdat deze organen van verdediging van de arbeidersbelangen in de kapitalistische maatschappij bepaalde kenmerken droegen van deze maatschappij. Zoals het specifiek burgerlijke instrumenten gebruikte, zoals het algemeen stemrecht en het parlement, zo nam het proletariaat in zijn eigen schoot bepaalde trekken over van zijn burgerlijke vijand zolang het daarmee samenleefde en het moment van zijn vernietiging nog niet aangebroken was. De statische organisatievorm van de vakbonden drukte de vorm van klassenstrijd uit wanneer de revolutie nog niet mogelijk was. De dynamische organisatievorm van de arbeidersraden stemt overeen met de taak die eindelijk op de dagorde staat : de kommunistische revolutie.
De eenheid tussen het nemen en uitvoeren van beslissingen drukt diezelfde verwerping door de revolutionaire klasse uit van elke geïnstitutionaliseerde specialisatie. Ze drukt het feit uit dat heel de klasse niet alleen de wezenlijke beslissingen neemt die haar aanbelangen, maar dat zij ook als geheel deelneemt aan de actie van omvorming van de maatschappij.
In de derde plaats drukt de organisatie op territoriale basis in plaats van op professionele of industriële basis de verschillende aard uit van de proletarische taken.Wanneer het erom gaat druk uit te oefenen op een baas of op een patroonsorganisatie met het oog op loonsverhoging of betere werkomstandigheden, was het zinvol zich volgens beroep of industrietak te organiseren. Ook een zo antieke organisatie als die per beroep verleende de arbeiders een reële doeltreffendheid tegenover de uitbuiting : ze belette de bazen met name en beroep te doen op andere arbeiders van hetzelfde beroep als een deel daarvan in staking was. De solidariteit tussen drukkers, tussen sigarenmakers of bronsvergelders was een kiem van de echte klassensolidariteit, een etappe in de eenmaking van de arbeidersklasse, en ze kon tegelijk ook de bazen doen wijken. Ook als ze gebukt ging onder de onderscheiden en verdelingen eigen aan de kapitalistische economie, was de vakbondsorganisatie dus een echt strijdmiddel binnen het systeem. Maar wanneer het er niet langer om gaat een of andere sector van het kapitalisme te doen wijken, maar het systeem in zijn geheel aan te pakken, om het te vernietigen en een andere samenleving in te stellen, dan heeft een specifieke organisatie van de drukkers of de rubberarbeiders geen enkele zin meer. Om het geheel van de maatschappij in handen te nemen is het op territoriale basis dat de arbeidersklasse zich organiseert, ook al hebben de basisassemblees plaats op ondernemingsvlak.
Zo een tendens bestaat vandaag al in het verzet tegen de uitbuiting die, verre van een vakbondsvorm aan te nemen, deze vorm verwerpt om zich in soevereine algemene vergaderingen te organiseren, verkozen en afzetbare stakingscomités aan te duiden, de grenzen van beroep of industrietak te doorbreken om zich op territoriaal niveau uit te breiden.
Enerzijds drukt deze tendens het feit uit dat het kapitalisme in de vervalperiode een steeds meer verstaatste vorm aanneemt, waardoor het oude onderscheid tussen politieke strijd (het terrein van de arbeiderspartijen uit het verleden) en economische strijd (waarvoor de vakbonden verantwoordelijkheid droegen) vandaag steeds minder zin heeft. Elke serieuze economische strijd wordt politiek door met de staat in botsing te komen, ofwel met zijn politie, ofwel met zijn vertegenwoordigers in de fabriek: de vakbonden. Anderzijds geeft ze de diepere betekenis aan van de strijd van nu als voorbereiding op de beslissende confrontaties van de revolutionaire periode: ook al drijft een economische prikkel (de crisis, de onhoudbare verergering van de uitbuiting) de arbeiders tot deze confrontaties, toch zijn de taken die zich aan hen stellen uitgesproken politiek: een frontale en gewapende aanval tegen de burgerlijke staat, de instelling van de dictatuur van het proletariaat.
Deze eenheid tussen het politieke en het economische die de organisatie van het proletariaat in de arbeidersraden uitdrukt, brengt ons ertoe nader in detail te beschouwen welke wezenlijke taken het in de revolutie te vervullen heeft.
Eén van de eerste kwesties die door de kommunisten, met name vanaf Babeuf, begrepen werd, is dat in de proletarische revolutie het politieke aspect het economische voorafgaat en bepaalt. Dat is een schema dat compleet tegengesteld is aan het schema dat gold in de burgerlijke revolutie. Inderdaad, de kapitalistische economie had zich ontwikkeld binnen de feodale maatschappij, in de gaten die daarin bestonden om zo te zeggen. De nieuwe revolutionaire klasse, de bourgeoisie, kon dus een ruime economische macht opbouwen in de maatschappij terwijl de politieke en administratieve structuren nog verbonden bleven aan de feodaliteit (absolute monarchie, economische en politieke voorrechten voor de adel, enzovoort). Pas wanneer de kapitalistische productiewijze begon te overheersen, wanneer zij met andere woorden heel het economisch leven ging bepalen (ook dat van sectoren die nog niet direct kapitalistisch waren, zoals de kleine artisanale of landbouwproductie), wierp de bourgeoisie, gesterkt door haar materiële macht, zich in de aanval op de politieke macht om die aan te passen aan haar specifieke behoeften en het terrein vrij te maken voor een nieuwe economische expansie. Dat was met name et geval tijdens de Engelse revolutie van 1640 en de Franse van 1789. In die zin voltooit de burgerlijke revolutie een hele overgangsperiode waarin zich binnen de feodale maatschappij de economische basis van een nieuwe maatschappij ontwikkelt tot op het punt waarop zij de oude kan vervangen. Heel anders wordt het schema van de proletarische revolutie. Binnen de kapitalistische maatschappij bezit de arbeidersklasse geen enkele eigendom, geen enkele materiële basis die als springplank kan dienen voor haar latere heerschappij over de maatschappij. Alle pogingen die geïnspireerd werden door utopistische of proudhoniaanse opvattingen zijn mislukt: het proletariaat kan geen ‘eilandjes’ van kommunisme oprichten binnen de bestaande maatschappij. Alle arbeidersgemeenschappen en -coöperatieven werden ofwel vernietigd, ofwel gerecupereerd door het kapitalisme. Wat Babeuf, Blanqui en Marx begrepen hadden, en de utopisten, Proudhon en de anarchisten niet, is dat de politieke machtsgreep door het proletariaat het vertrekpunt is van de revolutie, de hefboom waarmee het geleidelijk aan het economische leven van de maatschappij zal omvormen met het doel elke economie af te schaffen. Zoals Marx schreef:
“In overeenstemming met haar beperkte en ambigue aard organiseert een revolutie met een politieke geest een heersende kring in de maatschappij, ten koste van de maatschappij [...]”. Maar toch “kan het socialisme niet gerealiseerd worden zonder revolutie. Het heeft die politieke daad nodig, in de mate waarin het behoefte heeft aan vernietiging en ontbinding. Maar daar waar het zijn organiserende activiteit begint, waar zijn eigen doel, zijn geest, verschijnt, werpt het socialisme zijn politieke omhulsel af.”
In de mate waarin het kapitalisme zijn economische basis al geschapen had vóór de burgerlijke revolutie, was deze laatste wezenlijk politiek. De revolutie van het proletariaat daarentegen begint met een politieke daad als voorwaarde voor de ontwikkeling, niet alleen van zijn economische, maar ook van zijn sociale aspect, een ontwikkeling die de voorwaarden zal scheppen van het kommunisme.
Bijgevolg zijn de Arbeidersraden geenszins organen van ‘zelfbeheer’, dat wil zeggen beheersorganen van de kapitalistische economie (dat wil zeggen van de ellende). Zij zijn het, in de eerste plaats politiek orgaan, maar ook sociaal orgaan, dat de arbeidersklasse zichzelf geeft om de maatschappij zoals deze uit het kapitalisme voortkomt geleidelijk aan te veranderen naar het kommunisme.
Nadat we de organisatiewijze van het proletariaat voor zijn revolutie en het algemene kader van zijn taken gedefinieerd hebben, zullen we in het volgende artikel meer in detail de aard van die taken bekijken.
(naar een artikel uit Révolution Internationale, nr. 64)
Het jaar 2004 eindigde in een immense menselijke tragedie in Zuid-Azië. Een aardbeving met uitzonderlijke kracht heeft in de Indische Oceaan een vloedgolf veroorzaakt die niet minder dan twaalf omliggende landen teisterde. In enkele uren tijd hebben de tsunami’s meer dan 160.000 doden, tienduizenden vermisten, honderdduizenden gewonden en vijf miljoen vluchtelingen veroorzaakt. Die verbluffende balans is helaas slechts voorlopig, want talrijke gebieden, met name in Indonesië, Thailand en Sri Lanka, zijn nog ontoegankelijk omdat het wegennet vernietigd is.
In deze kustgebieden werden hele dorpen weggeveegd, honderden vissersboten stukgeslagen en verwoestte zout water de landbouwgewassen. Meer dan vijf miljoen mensen bleven achter zonder onderdak, voeding of drinkbaar water, wat enkel tot nog meer slechtoffers kan leiden. De humanitaire organisaties vrezen golven van dodelijke epidemieën die nog eens tienduizenden slachtoffers kunnen maken. Eens te meer zijn het de armste lagen van de bevolking, waaronder de proletariërs die met name in de toerisme industrie werken, die de voornaamste slachtoffers zijn van deze tragedie.
Zoals bij elke ramp van dit soort wordt de onmacht ingeroepen van de mensen tegenover ‘moeder natuur’; het ongeluk, de lot, en ook de armoede van de getroffen landen die zich de technieken niet kunnen veroorloven om dergelijke rampen te voorkomen. Leugens en bedrog!
Waarom en hoe kon een welbekend natuurverschijnsel zoals tsunami’s zich binnen enkele uren omvormen tot een sociale ramp van een dergelijke omvang?
Natuurlijk beschuldigen we het kapitalisme er niet van dat het verantwoordelijk is voor de aardbeving die deze gigantische zondvloed veroorzaakte. Maar we schrijven wel op zijn rekening dat de regeringen van dit deel van de wereld volslagen incompetent en onverantwoordelijk zijn, net als hun westerse tegenhangers, en precies dat heeft geleid tot deze onmetelijke menselijke catastrofe.
Iedereen weet immers dat dit deel van de aarde bijzonder kwetsbaar is voor seismische schokken. “De plaatselijke deskundigen wisten heel goed dat er een drama op komst was. In december kaarten Indonesische seismologen het onderwerp aan bij een Franse deskundige, in de wandelgangen van een bijeenkomst van natuurkundigen in Jakarta. Ze waren zich volkomen bewust van het gevaar op tsunami’s, want er zijn voortdurend aardschokken in de regio.” (Libération, 31.12.04).
Niet alleen de experts zijn daarvan op de hoogte, maar ook de voormalige directeur van het Internationaal Centrum voor Informatie over Tsunami’s op Hawaï, George Pararas-Carayannis, vermeldt dat er twee dagen voor de ramp van 26 december een grote aardbeving geweest is. “De Indische oceaan beschikt over de basisinfrastructuur voor seismische metingen en communicaties. En niemand kon er verrast zijn gezien de aardbeving met een kracht van 8,1 die zich op 24 december voordeed. Die had de autoriteiten wakker moeten schudden. Maar het ontbreekt om te beginnen aan politieke wil in de betrokken landen, en ook aan de internationale coördinatie van eenzelfde omvang als die er wel bestaat in de Stille oceaan.” (Libération, 28.12.04).
Niemand kon verrast zijn en toch gebeurde het ergste. Maar daarmee houdt de incompetentie van de heersende klasse niet op!
Terwijl het Amerikaanse weerstation van Hawaï vijftien minuten na de aardbeving al 26 landen verwittigd had van het gevaar op tsunami’s in de buurt van het epicentrum, gaf het meteorologisch instituut van Japan die informatie niet door aan zijn buren omdat het rapport geruststellend was voor Japan zelf. In India ontving het hoofdkwartier van de luchtmacht het bericht, maar daarna moest het een lange hiërarchische en bureaucratische weg afleggen. De waarschuwingsfax ging onderweg verloren omdat het meteorologisch instituut het nieuwe faxnummer van het ministerie van onderzoek niet kende. Dat was immers veranderd toen in mei 2004 de nieuwe regering aantrad! “Zelfde scenario in Thailand, waar het meteorologisch instituut geen nationaal alarm af durfde te kondigen uit angst een nodeloze algemene paniek te veroorzaken. Toch wist het om 8.10 uur al dat een zware aardbeving zich had voorgedaan, dus lang voordat de tsunami de stranden van Phuket trof.” (Libération, 31.12.2004).
Gewone voorzichtigheid, om nog maar te zwijgen over het nemen van voorzorgsmaatregelen, vereiste dat de bevolking werd gewaarschuwd. Zelfs zonder de technische middelen die de Verenigde Staten en Japan tot hun beschikking hebben was er voldoende informatie beschikbaar over de ramp die op komst was om tot handelen over te gaan en een slachting te vermijden.
Dat is geen verzuim, het is een misdadige politiek die de diepe minachting verraadt die de heersende klasse heeft voor de bevolking en voor het proletariaat die de voornaamste slachtoffers zijn van de burgerlijke politiek van de plaatselijke regeringen!
Het wordt nu zelfs openlijk en officieel toegegeven dat geen alarm werd geslagen uit vrees ‘de toeristische sector schade toe te brengen’! Anders gezegd: om platte economische en financiële belangen te verdedigen werden tienduizenden mensenlevens opgeofferd.
Die verantwoordelijkheid van de regeringen laat eens te meer de levensstijl zien van deze klasse van haaien, die de productieve activiteit van de maatschappij controleert. De burgerlijke staten zijn bereid massaal mensenlevens te offeren wanneer dat nodig lijkt om de uitbuiting en de kapitalistische winsten veilig te stellen.
Het zijn steeds de kapitalistische belangen die de politiek van de heersende klasse bepalen en in het kapitalisme is preventie geen rendabele activiteit, zoals momenteel alle media toegeven: “De landen uit het gebied zouden tot nu toe geen gevolg gegeven hebben aan de noodzaak van het opzetten van een waarschuwingssysteem vanwege de enorme financiële lasten. Volgens deskundigen zou een waarschuwingssysteem tientallen miljoenen dollars kosten, maar zou het tienduizenden mensenlevens kunnen redden.” (Les Echos, 30.12.2004).
Wanneer we hele tv-reportages lang die tienduizenden doden zien, die uiteengeslagen families, die verweesde kinderen, dan kunnen we alleen diep gerevolteerd raken als we de verantwoordelijken voor die slachtpartijen met verachterlijk cynisme horen verklaren dat ze nu alles zullen doen om het Aziatisch continent te voorzien van een systeem om aardbevingen en tsunami’s te meten zoals dat al bestaat voor de Verenigde Staten en Japan.
Het menselijk drama dat zich nu in Zuid-Azië afspeelt is een nieuwe uiting van de afgrijselijke barbaarsheid van een systeem dat de mensheid naar de ondergang leidt. Want het is wel degelijk dit systeem in verval dat de ware verantwoordelijke is voor zulke herhaaldelijke rampen. Vorig jaar was het een aardbeving in Iran die tienduizenden doden maakte, daarvoor was het Turkije, Armenië, en ga zo maar door. De bevolking wordt opeengepakt in seismische breukzones, in bouwvallige constructies, terwijl de technologie bestaat om te vermijden dat natuurverschijnselen tot dergelijke sociale catastrofes leiden.
Als de tsunami in de Indische oceaan ook veel slachtoffers heeft gemaakt onder de vakantiegangers, dan is dat omdat het kapitalisme de toeristencentra op een volslagen onverantwoordelijke manier ontwikkeld heeft, met name door de moerasbossen te vernietigen die dienden als natuurlijke bescherming die de kracht van de golven konden opvangen en die de wrakstukken konden tegenhouden die door de vloedgolf worden voortgestuwd. Dezelfde krankzinnige werkelijkheid zien we ook in de industrielanden, waar nieuwbouwwijken verrijzen in gebieden die levensgevaarlijk kunnen zijn voor de bevolking, zoals in overstromingsgebieden.
Omdat het kapitalisme is gebaseerd op een ongebreideld streven naar winst en winstgevendheid en niet op de bevrediging van de menselijke behoeften, kan het kapitalisme meer dan ooit niets anders voortbrengen dan nieuwe rampen. Terwijl de ontwikkeling van het kapitalisme de ontplooiing mogelijk maakte van een formidabel technologisch en industrieel potentieel en leiden tot een zekere mate van beheersing van de natuur, is dit systeem in zijn vervalfase niet langer in staat de mensheid vooruit te helpen of voorspoed te brengen. Het lijkt er juist eerder op dat de natuur ‘haar rechten weer opeist’, terwijl de ontwikkeling van de technologie het de mensheid juist mogelijk maakt om in harmonie met de natuur te leven.
Momenteel is het kapitalisme een sociaal systeem in ontbinding. Het is een belemmering en een bedreiging geworden voor het overleven van de menselijke soort. Tegenover de gedeeltelijke en vooral smerige en cynische uitleg van de heersende klasse moeten de revolutionairen de analyse van het marxisme stellen. “Naarmate het kapitalisme zich ontwikkelt en vervolgens begint weg te rotten, maakt het steeds meer de techniek te schande die ons juist zou kunnen bevrijden van zijn behoefte aan uitbuiting, overheersing en imperialistische plundering. Dat gaat door tot het punt wordt bereikt waarop het zijn eigen verrotting doorgeeft en de techniek tegen de soort wordt gekeerd. [...] Als het kapitalisme een keer zo goed is om ons een periode van ‘vrede’ toe te staan, tussen twee imperialistische slachtingen of twee repressieoperaties, dan is het op alle vlakken van het dagelijks leven dat het kapitaal, onophoudelijk daartoe aangespoord door zijn eigen zucht naar een hogere winstvoet, de menselijke individuen opeenpakt, vergiftigt, verstikt, verminkt, uitmoordt, en dat alles door middel van een te schande gemaakte techniek. [...] Het kapitalisme is evenmin onschuldig aan de zogenaamde ‘natuurrampen’. Zonder te ontkennen dat er natuurkrachten bestaan die aan de menselijk ingrijpen ontsnappen, toont het marxisme dat vele rampen indirect veroorzaakt en verergerd worden door maatschappelijke oorzaken [...] Niet alleen kan de burgerlijke beschaving dergelijke rampen rechtstreeks veroorzaken door haar dorst naar winst en door de overheersende invloed van de zakenwereld op de ambtenarij [...] maar ze bewijst ook haar eigen onvermogen om een doeltreffende bescherming te bieden voorzover preventie geen winstgevende bezigheid is.” (Amadeo Bordiga, Espèce humaine et croûte terrestre).
Geconfronteerd met de ernst van de catastrofe kostte het de internationale bourgeoisie meerdere dagen om er mee te beginnen hulp te versturen naar de landen die door de ramp waren getroffen. En dan moeten ook nog de middelen beschikbaar komen om de hulpgoederen ter plaatse te brengen. Zo wacht een Frans veldhospitaal dat voor Indonesië was bestemd al twee weken op de helikopters die het materieel en de medische ploegen zouden moeten transporteren.
Als ze hun zogenaamd ‘humanitaire’ oorlogen uitvechten geven die staten er telkens blijk van hoe snel ze troepen, materieel en steeds meer hoog-technologische snufjes ter plaatse kunnen brengen om de bevolking te bombarderen en om dood en verderf te zaaien in alle uithoeken van de planeet. Daarnaast hebben al die kapitalistische gangsters nooit geaarzeld om onvoorstelbare bedragen te investeren in de wapenproductie en de vernietiging van hele landen.
De financiële steun die de regeringen van alle landen, en met name de meest ontwikkelde, in het begin toezegden was zo belachelijk laag dat de adjunct-secretaris van de Verenigde Naties, Jan Egeland, de ‘internationale gemeenschap’ gierig en krenterig noemde.
Toen de omvang van de ramp duidelijk werd gedroegen de verschillende kapitalistische staten zich nog eens als echte aasgieren, ze begonnen tegen elkaar op te bieden alleen maar om zichzelf voor te doen als meer ‘vrijgevig’ dan hun rivalen. Zo kwamen de Verenigde Staten met 350 miljoen dollar in plaats van de 35 die ze eerst aankondigden (en dat terwijl ze tegelijkertijd één miljard dollar per week uitgeven voor de oorlog in Irak en één miljard per maand voor die in Afghanistan!), Japan 500 miljoen en de Europese Unie 436 miljoen. Frankrijk hoopte op een gegeven ogenblik met 50 miljoen bovenaan te staan op de lijst van donatielanden (terwijl zijn militaire interventies één miljard euro per jaar kosten!), daarna was het de beurt aan Australië, Groot-Brittannië, Duitsland en de anderen. Zoals tijdens een verkoop bij opbod was er telkens een andere staat die meer financiële hulp bood dan de voorafgaande.
Dit verbale opbod is des te hemeltergender omdat het gaat een carnaval is; de beloftes worden doorgaans niet omgezet in harde munt. Zo roepen we in de herinnering dat die mooie ‘internationale gemeenschap’ van kapitalistische gangsters 115 miljoen dollar toezegde na de aardbeving in Iran in december 2003, terwijl Teheran tot op vandaag maar 17 miljoen dollar heeft ontvangen. Hetzelfde geldt voor Liberia, dat van het beloofde miljard maar 70 miljoen dollar heeft gezien.
Voorbeelden te over, zonder nog rekening te houden met al de conflicten die in vergetelheid zijn geraakt maar waarvan verschrikkingen voortduren en waar er zelfs geen geld is beloofd, zoals Darfoer en Congo, met menselijke drama’s van dezelfde omvang als die van de Aziatische tsunami.
Ook het voorstel tot bevriezing van de terugbetaling van de schulden van de landen die door de catastrofe getroffen zijn is een loze kreet die niet lang zal aanhouden omdat het enkel gaat om het uitstel van de betaling van de interesten op de schuld, niet om het kwijtschelden van de schuld zelf. Van de groep van door de vloedgolf getroffen landen moeten de vijf landen die het diepst in de schuld zitten het komende jaar 32 miljard dollar afbetalen, ofwel tien keer zoveel als de ‘humanitaire hulp’ die ze zouden ontvangen (en het bedrag dat ze werkelijk ontvangen is waarschijnlijk veel lager). Natuurlijk, die landen hebben niet het voorrecht bezet te worden door het Amerikaans leger zoals Irak, want dan hadden ze kunnen genieten van de volledige kwijtschelding van hun schuld.
De bourgeoisie vertelt niet alleen schandelijke leugens over haar zogenaamde ‘vrijgevigheid’, maar bovendien verbergt ze de ware doelen van al dat ‘humanitaire’ opbod.
De ‘humanitaire’ hulp van de regeringen is in feite niets anders dan een voorwendsel om hun imperialistische honger te verbergen.
Achter het ideologisch rookgordijn van de humanitaire propaganda vallen de haast en de wedijver op waarmee elke staat zijn vertegenwoordigers ter plekke proberen te krijgen voordat de anderen er zijn, terwijl bij zo’n ramp een internationale coördinatie van de hulp noodzakelijk is. In feite verdedigt elke nationale bourgeoisie zijn eigen belangen van kapitalistische en imperialistische mogendheid in een streek die van groot strategisch en militair belang is. De diepe belangentegenstellingen tussen de verschillende imperialistische staten die aan de oppervlakte kwamen rond Afghanistan en Irak zijn ook hier aan het werk. Zo stuurde Frankrijk zijn minister van buitenlandse zaken mee in een vliegtuig vol medicijnen en stelt Chirac met de steun van Duitsland voor om een snelle humanitaire interventiemacht op te richten in dienst van de Verenigde Naties, maar onder controle van de Europese staten.
Het Amerikaanse antwoord bleef niet uit. Niet alleen stuurden de Verenigde Staten schepen, vliegtuigen en troepen naar de Indische oceaan, ze kondigden ook de oprichting aan van een internationaal humanitaire bondgenootschap (met Australië, Japan en India) om ‘de hulp te coördineren’.
Net als met de oorlog in Irak is de Amerikaanse politiek erop gericht de andere mogendheden te laten zien dat de Verenigde Staten de baas zijn en dat ze ook in deze omstandigheden van plan zijn hun leiderschap te verdedigen. Staatssecretaris Colin Powell en de broer van president Bush werden ter plaatse gestuurd om ‘de Amerikaanse waarden in volle actie’ op te hemelen. Colin Powell was tijdens de eerste Golfoorlog opperbevelhebber van de Amerikaanse legers en gaf met name het bevel de nog levende soldaten van de voorste Iraakse linies levend te begraven. Nu had hij de gore moed om krokodillentranen te plengen toen hij in een helikopter over de streek van Banda Atjeh vloog: “ik heb in oorlogsactie geweest, ik heb orkanen en tornado’s meegemaakt en deelgenomen aan hulp-operaties, maar zoiets heb ik nog nooit gezien.” (Libération, 06-01-2005).
Al dit geruzie tussen de grootmachten, waarbij elke staat vooral op eigen voordeel uit is, maakt wel heel duidelijk waarop deze kapitalistische gieren uit zijn met hun ‘hulpverlening’. Zoals een Amerikaanse verantwoordelijke verklaarde: “Het is een tragedie, maar ook een kans die gegrepen moet worden. Snelle en gulle hulp van de Verenigde Staten kan onze relatie met de Aziatische landen verbeteren”.
Gezien het strategisch belang van Indonesië in de Indische oceaan spreekt het vanzelf dat de Verenigde Staten profijt proberen te slaan uit de catastrofe om zich militair te kunnen inplanten (wat de Indonesische militairen eerder afwezen, toen ze Washington beschuldigden van inmenging in de Indonesische aangelegenheden, nadat de Verenigde Staten in 1999 hun militaire hulp aan Jakarta opschortten vanwege de wandaden die het Indonesische leger had begaan had in Oost-Timor). Anderzijds heeft de Amerikaanse ‘humanitaire hulp’ aan Sri Lanka de vorm aangenomen van een ‘landing’ met amfibievoertuigen die natuurlijk ‘vredelievend’ is (en volgens een officier ‘ongewapend’) en die tot missie heeft ‘de bevolking te helpen’, maar ‘niets te vernietigen’.
Van hun kant wensen de Europese staten ook militair en diplomatiek aanwezig te zijn in de regio. China wil zijn ambities van gendarme van het Aziatisch continent kracht bijzetten en botst daarbij op tegenstand van Japan. En als India alle buitenlandse hulp weigerde, ook als daardoor een deel van de getroffen bevolking als ratten zal sterven, dan is het om zichzelf te profileren als regionale mogendheid waarmee rekening gehouden moet worden. Kijk, dat is wat er schuilgaat achter die kakofonie van ‘humanitaire’ hulp van de wereldbourgeoisie: de verdediging van hun smerige imperialistische belangen! De grenzeloze eerloosheid en schijnheiligheid van de bourgeoisklasse die de wereld domineert is om van te kotsen!
Eens te meer blijkt dat het kapitalisme zélf de catastrofe is voor de mensheid, met zijn winstbejag en zijn heersende klasse, die hooguit in staat is de doden te tellen en nog meer barbaarsheid in de wereld te ontketenen. Op hetzelfde moment waarop ze de bevolking overlevert aan de vloedgolven, vergroot ze de chaos in Afghanistan, drijft ze de terroristische aanslagen en de represailles op die Irak en Palestina in bloed smoren, laat ze de hongersnood in Darfoer en de moordpartijen in Congo nog verder uit de hand lopen.
Die bloedige spiraal toont dat het kapitalisme de mensheid niets anders te bieden heeft dan zijn vernietiging in een reeks steeds moordender catastrofes, is steeds barbaarser oorlogen, in ellende, hongersnood, epidemieën. Dit wegrottende systeem leidt ons stukje bij beetje naar de vernietiging van de planeet.
In zo’n menselijke en sociale tragedie moeten de revolutionairen en heel het wereldproletariaat luid en duidelijk hun klassensolidariteit met de slachtoffers betonen. Ze begroeten de geestdrift van menselijke solidariteit dat zich onmiddellijk over heel de planeet ontwikkelde. Zonder op hulp te wachten zijn de overlevenden elkaar meteen te hulp gesneld, zowel de Aziatische bevolking die de toeristen steunde, als de toeristen die de plaatselijke bevolking probeerden te helpen. Spontaan hebben duizenden mensen, en met name de proletariërs in alle landen, aangeboden om voedsel, kleding en geld te geven.
Maar die natuurlijke solidariteit die de grondslag vormt van het sociaal bestaan en het behoud van de menselijke soort, wordt onmiddellijk toegeëigend door de heersende klasse en haar ‘niet-gouvernementele organisaties’.
De pletwals van de eindeloos herhaalde informatie en de shockerende beelden zijn er om te verhinderen dat er wordt nagedacht over de oorzaken van deze sociale catastrofe. Omdat we ‘machteloos’ staan tegenover dergelijke gebeurtenissen, bestaat het enige wat we kunnen doen - aldus de bourgeoisie via haar media en haar specialisten van de humanitaire hulp - uit het geven van gulle giften aan deze of gene hulporganisatie€¦ en men verzekert ons dat het geld goed besteed zal worden voor hulp aan de getroffen bevolking.
Deze ‘niet-gouvernementele’ organisaties hebben eens te meer bewezen dat ze in dienst staan van de regeringen. Het volstaat daartoe te kijken naar het getrek en geduw op de eigenlijke plaats van het drama: elke nationale televisiezender verzorgt de promotie van deze of gene hulporganisatie, die, naargelang het land van herkomst, belast is met het verdedigen van de concurrerende belangen van de verschillende regeringen, ten koste van en tegen de anderen. Zo vormt de bourgeoisie solidariteit om tot chauvinisme.
De verontwaardiging van de arbeidersklasse over dit drama en haar spontane solidariteit met de slachtoffers worden door de heersende klasse gemanipuleerd en afgeleid naar een schandelijke ‘humanitaire’ vergiftigingscampagne. Dankzij haar niet-gouvernementele organisaties heeft de bourgeoisie zich meester gemaakt van het werkelijke geest van vrijgevigheid om die weg te leiden naar een puur liefdadig terrein. Met de oproep tot financiële steun om de getroffen bevolking te helpen organiseert de burgerlijke staat een regelrechte aftroggeloperatie, waarbij de wereldbevolking, en met name de arbeidersklasse het gevoel krijgt dat het zijn ‘geweten kan afkopen’ in ruil voor een bijdrage aan de ‘humanitaire’ hulp van de regeringen.
Die campagne, gevoed door dagelijkse televisie-uitzendingen, is een ware ideologische hersenspoeling om het bewustzijn te vertroebelen, om te beletten dat de proletariërs nadenken over de ware oorzaken van de catastrofe.
Door te verhinderen dat de proletariërs gaan begrijpen dat het kapitalisme de enige verantwoordelijke is probeert ze hun klassensolidariteit te ondermijnen en op dood spoor brengen. Anders dan de bourgeoisie en haar hulporganisaties het ons willen doen geloven kan de solidariteit van de arbeidersklasse kan zich niet beperken tot een simpele liefdadigheidsactie.
Enerzijds omdat financiële giften niet meer kunnen zijn dan een druppel op een gloeiende plaat bij een ramp van zo’n omvang. Anderzijds omdat de gezamenlijke bedragen niet kunnen helpen om de ontreddering en de wanhoop te verlichten van al die mannen, vrouwen en kinderen die hun naasten zijn kwijtgeraakt, waarvan de lichamen nooit teruggevonden zullen worden of die haastig en zonder enig ceremonieel in massagraven werden opeengestapeld.
Geld kan het onherstelbare niet goedmaken: het is geen wondermiddel tegen moreel lijden!
Tenslotte kunnen die blijken van financiële solidariteit het fundamentele probleem evenmin oplossen: ze kunnen niet verhinderen dat nieuwe dergelijke catastrofes zullen voorvallen in andere delen van de wereld.
Daarom kan de klassesolidariteit van het proletariaat niet hetzelfde zijn als die van de pastoors van Caritas Catholica of andere hulporganisaties. De solidariteit van proletariërs heeft niet tot doel het geweten te sussen of zieltje te redden door toe te geven aan het schuldgevoel dat de heersende klasse probeert op te wekken.
Deze solidariteit kan alleen tot ontwikkeling komen uitgaande van de ontmaskering van de enige verantwoordelijke voor dit cataclysme: de burgerlijke klasse die het kapitalistisch systeem leidt!
De proletariërs van de gehele wereld moeten begrijpen dat door de strijd te leveren tegen de bourgeoisie, door dit moordend systeem omver te werpen, zij de enigen zijn die echt eer kunnen betuigen aan de doden, aan al die mensenlevens die geofferd werden op het altaar van het kapitalisme in naam van winstbejag en rentabiliteit. Ze moeten hun strijd en hun eigen klassensolidariteit ontwikkelen tegenover alle staten, tegenover alle regeringen die hen niet alleen uitbuiten en hun levensvoorwaarden aanvallen, maar die nog het lef hebben geld uit hun zakken te kloppen om de schade te herstellen die door het kapitalisme wordt aangericht.
Alleen door de dagelijkse strijd tegen dit systeem, tot aan zijn omverwerping toe, kan de arbeidersklasse haar ware solidariteit tonen met de proletariërs en de bevolking van de landen die door de tsunami zijn geteisterd. Die solidariteit heeft natuurlijk geen onmiddellijk resultaat, maar ze is ook niet van korte duur zal die van de bourgeoisie en haar hulporganisaties. Binnen enkele maanden is deze ramp door de heersende klasse en al haar liefdadigheidsinstellingen naar de vergeetput van de geschiedenis verwezen.
De arbeidersklasse kan haar echter niet vergeten, net zo min als ze de moordpartijen van de Golfoorlog kan vergeten, en al de andere oorlogen en zogenaamde ‘natuurrampen’.
Voor de arbeiders van de gehele wereld kan deze tragedie nooit een ‘afgehandelde zaak’ worden. Ze moet in hun geheugen gegrift blijven en als aansporing dienen om haar vastberadenheid te vergroten hun strijd en hun eenheid als klasse te ontwikkelen tegen de barbaarsheid van het kapitalisme.
De arbeidersklasse is de enige kracht in de huidige maatschappij die echt iets kan geven aan alle slachtoffers van de burgerlijke klasse door het kapitalisme omver te werpen en een nieuwe maatschappij op te bouwen, niet langer gebaseerd op winst, maar op de bevrediging van de menselijke behoeften. Zij is de enige klasse die door haar revolutionair perspectief een toekomst kan bieden aan de menselijke soort.
Daarom moet de solidariteit van het proletariaat de simpele gevoelssolidariteit overstijgen. Ze mag niet berusten op gevoelens van onmacht en schuld, maar op de eerste plaats verankerd zijn in haar bewustzijn. Enkel de ontwikkeling van haar eigen klassensolidariteit, een solidariteit gebaseerd op het bewustzijn dat het kapitalisme failliet is, zal in staat zijn de basis te leggen voor een maatschappij waarin de misdaden die de bourgeoisie ons voorstelt als ‘natuurrampen’ niet langer begaan kunnen worden, waar deze afschrikwekkende barbarij definitief voorbijgestreefd en afgeschaft zal zijn.
“Het kapitalisme in doodsnood wil ons laten wennen aan verschrikkingen, wil dat we de barbaarsheid waarvoor het verantwoordelijk is als ‘normaal’ gaan beschouwen. De proletariërs moeten reageren en hun verontwaardiging uiten tegen dit cynisme en hun solidariteit betuigen met de slachtoffers van deze eindeloze conflicten, van de moordpartijen begaan door alle kapitalistische benden [en met de slachtoffers van alle ‘natuurrampen’]. De afkeer en de verwerping van wat het kapitalisme in zijn ontbinding de maatschappij laat ondergaan, de solidariteit tussen de leden van een klasse die enkel gemeenschappelijke belangen hebben, dat zijn wezenlijke factoren voor de bewustwording dat een ander perspectief mogelijk is en dat een verenigde arbeidersklasse de kracht heeft om dat perspectief door te zetten.” (Revue Internationale, nr. 119).
De arbeiders van de hele wereld kunnen hun solidariteit met de slachtoffers van de catastrofe enkel betuigen door middel van hun strijd tegen de uitbuiting, de ellende en de kapitalistische barbarij, door de volgende leuzen tot leven te wekken:
DM / 08.01.2005
De laffe sluipmoord op filmmaker en columnist Theo van Gogh op 2 november door een moslimextremist stelde de bourgeoisie in de gelegenheid een grootscheepse campagne te voeren voor de “verdediging van de democratie en het vrije woord” en tegen “het gevaar van het terrorisme en extremisme”. Deze kent in Nederland haar weerga niet in de reeks van ideologische campagnes sinds 11 september 2001, en in Nederland vooral de hysterie rond de moord op Pim Fortuyn (1). Terwijl de liberale leuzen van deze campagne in de negentiende eeuw deel uitmaakten van de verdediging van de burger tegen de willekeur van de staat kan de staat nu worden voorgesteld als bescherming tegen terroristen. Zo probeert de bourgeoisie de arbeiders te bewegen tot steun aan dezelfde staat die hen onophoudelijk aanvalt.
Na de stakingsacties en arbeidersdemonstraties in Europa vorig najaar, waaronder in Nederland de 24-uur stakingen in Rotterdam en Amsterdam, de massale betoging op 2 oktober in Amsterdam (2), en de ‘actiedagen’ van 14 oktober (openbaar vervoer) en 27 oktober (metaalindustrie), gebruikt de bourgeoisie de dreiging van ‘het terrorisme’ om de dynamiek naar strijdbaarheid en de ontwikkeling van bewustzijn in de klasse te saboteren. Zij roept de arbeiders op om hun strijd op klassenterrein in de steek te laten in naam van ‘vrijheid en democratie’ om hen zo politiek te ontwapenen. De campagne vormt daarmee een regelrechte aanslag op het ontluikende bewustzijn en zelfvertrouwen in de klasse. De moord op Van Gogh werd aangegrepen om met een snel in elkaar getimmerd ‘najaarsakkoord 2004’ de acties te beëindigen en de arbeiders een gevoelige nederlaag toe te brengen op het vlak van de verdediging van hun levens- en arbeidsvoorwaarden.
De revolutionairen verachten, zoals de marxistische revolutionaire Rosa Luxemburg zei, de politieke sluipmoord, en wel onafhankelijk van het doel waarvoor die wordt gepleegd. Maar niet minder hebben zij de taak om het politieke voordeel dat de heersende klasse er uit slaat tegenover de arbeidersklasse bloot te leggen en aan te klagen.
Vanaf de dag van de moord op Van Gogh werd de islamitische bevolking in Nederland, die van Noord-Afrikaanse herkomst in het bijzonder, in de burgerlijke media aangewezen als broedplaats, gedoger of zelfs als directe handlanger van een bedreiging van ‘democratie en de westerse maatschappij’. De moordenaar, die wegens eerdere geweldpleging bij de staatsorganen bekend was, beroept zich immers op de islam en heeft een Marokkaanse achtergrond. De hysterische boodschap was die van ‘Wij Nederlanders’ tegen ‘zij de moslims’, en aan de laatsten werd met alle middelen duidelijk gemaakt dat zij onmiddellijk hun loyaliteit aan de staat onder bewijs moesten stellen.
Vertegenwoordigers van het staatsgezag, zoals de Ministers Donner van Justitie en Remkes van Binnenlandse Zaken, gaven met ‘openheid’ over de ‘religieuze moord’ en met de ‘oorlogsverklaring’ van Vice-premier Zalm toe aan het populisme tegenover het ‘moslimterrorisme’ en ze wakkerden zo de xenofobische en racistische agitatie onder de bevolking nog eens aan. Fractieleider Verhagen van het CDA onderscheidde zich in de Tweede Kamer met de stoerste uitspraken in de geest van “veiligheid boven privacy”, “wie niets heeft te verbergen hoeft niets te vrezen” en “beter tien onschuldigen in de cel dan één terrorist op vrije voeten”. Zo kwam het inderdaad tot een pogrom-stemming, oplopend van het bespugen van ‘islamitisch uitziende’ mensen tot en met brandstichtingen bij moskeeën en kerken en het in vlammen laten opgaan van een paar schoolgebouwen.
Om de bevolking, in de eerste plaats de arbeidersklasse, te doordringen van de daadkracht van de staat tegen de acute aanwezigheid van een levensbedreigend gevaar van ‘de islam’, werden spectaculaire arrestaties verricht, zoals op 10 november met een militaire afzetting door Bijzondere Bijstandseenheden van het Haagse Laakkwartier en een evacuatie van bewoners. Ondertussen verliet de bedreigde Hirsi Ali in het geheim per militair vliegtuig het land waarop nog de uitzetting volgde van een ‘verdachte’ als ongewenste vreemdeling.
Premier Balkenende en koningin Beatrix moesten eraan te pas komen om de gemoederen te sussen. De eerste om een rondje langs uitgebrande gebouwen te maken en geschokte ouders en omwonenden in Uden en Eindhoven met zalvende praatjes over ‘tolerantie’ en ‘vrijheid van godsdienst en meningsuiting’ tot bedaren te brengen. De tweede om hoogstpersoonlijk met moslim-jongeren over ‘normen en waarden in de samenleving’ te praten. Als om te benadrukken hoezeer het hart van de heersende klasse zou bloeden voor mensen in moeilijkheden bezocht de premier ook nog even verontruste wijkbewoners uit het Laakkwartier, alvorens zijn rondreis af te sluiten met een demonstratieve opwachting aan het hoofdkwartier van de zwaarbewapende Bijzondere Bijstandseenheden.
Daartegenover deden burgemeester Cohen van Amsterdam en Minister Verdonk van Vreemdelingenzaken tijdens de ‘lawaaidemonstratie’ op de Dam met hun veroordelingen van geweld en hun oproepen tot verdraagzaamheid bijna vergeten dat ze achtereenvolgens de ontwerper en de uitvoerder zijn van een sinds de jaren 1930 ongekend uitzettingsbeleid van vluchtelingen en asielzoekers.
Het ging de bourgeoisie niet zozeer om de xenofobie, of op zichzelf om het uitbreiden van de materiële repressiemiddelen van de staat. Na de moord op Pim Fortuyn was er binnen de bourgeoisie zelfs opluchting toen bleek dat hij niet door een moslim-extremist was gepleegd. En de AIVD (Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst) moet toch wel in staat worden geacht om een milieu van nauwelijks 250 potentieel gewelddadige islamitische fundamentalisten onder de duim te houden.
Het gaat veel meer om het versterken van het algemene gevoel van onmacht in de bevolking tegenover dreigingen, het voorstellen van de staat als enige bescherming daartegen, en daarmee het aanvaardbaar maken van eenversterkte staatscontrole over het hele maatschappelijk leven. En daarvoor zijn de dreiging van het terrorisme en de xenofobe, anti-islam agitatie als aanvulling daarop, in ongeveer gelijke mate geschikt. Aan ‘de burger’ wordt doodleuk gevraagd: “Hoeveel vrijheid bent u bereid op te offeren om het terrorisme te kunnen bestrijden?” En meest belangrijk van alles: zo werd er verwarring gezaaid in een arbeidersklasse die haar ongerustheid in strijdbaarheid begon om te zetten.
Het moslimextremisme wordt voorgesteld als een goed georganiseerde bedreiging ‘van buitenaf’ compleet met ongrijpbare internationale connecties, en aangevuld met linkse campagnes over het gevaar van een ‘islamo-fascisme’.
Maar het is een regelrecht gevolg van de maatschappelijke ontbinding in de centra van het kapitalisme zelf: het is het nihilistische product van een ter plekke geboren generatie zonder wortels, bindingen of toekomst, vervreemd van de eigen achtergrond, geconfronteerd met uitzichtloosheid, en wanhopig op zoek naar een ‘identiteit’. Met eerdere generaties van immigranten, die zelf werk vonden en die konden hopen hun kinderen enige toekomst te bieden, heeft zoiets zich nooit voorgedaan. Zelfs bijvoorbeeld de koel berekende kapingen en gijzelingen eind jaren 1970 door Molukse nationalisten zijn in dit opzicht onvergelijkbaar, die hadden nog een doel voor ogen, hoe absurd ook, dat hier geheel afwezig is. Het gaat ook niet in de eerste plaats om ‘drop-outs’ uit het immigrantenmilieu, of om haveloze rekruten uit Marokkaanse sloppenwijken, maar dikwijls om redelijk tot goed opgeleide, maar compleet dolgedraaide jongeren die zijn opgegroeid in Nederland of West-Europa. De moordenaar volgt de twee jongens uit Eindhoven die, aangelokt door de valse heroïek van de ‘Jihad’, in Kasjmier treurig aan hun einde kwamen.
Dit moslim-extremisme heeft net zo veel of zo weinig te maken met religie als Theo van Gogh, Hirsi Ali of Geert Wilders met atheïsme. Bij hen geen spoor van strijd tegen religie, enkel kwalificaties als ‘achterlijk’ en bewust beledigende scheldpartijen tegen islamieten en hun godsdienst. Aan de kant van de aanslagplegers beperkt de religiositeit zich tot het uitschreeuwen van een paar oproepen uit de Koran tot geweld en ‘Jihad’. Het is een cultus van de dood, van louter zinloze moorddadige zelfopoffering in naam van een ingebeelde beloning in een imaginair hiernamaals. Het probleem is meer dan ooit sociaal in religieuze vermomming.
Het is onwaarschijnlijk dat de moord op Van Gogh vanuit het staatsapparaat is georganiseerd of zelfs maar is toegelaten. De gebeurtenissen zijn eerder ontsnapt aan de controle over een ‘islamitische gemeenschap’, die allang onder strikte staatssurveillance staat. Er kan ook nauwelijks aan worden getwijfeld dat allerlei fundamentalistische elementen direct door de Nederlandse staat (en door de Marokkaanse) worden gemanipuleerd; dat er informatie van de AIVD naar dit milieu kon worden ‘gelekt’, zoals aan de in de zomer 2004 gearresteerde scholier Samir A., is daarvoor een duidelijke aanwijzing. Ondertussen is heel de politiek samen met de politie en met ‘maatschappelijke organisaties’ aan het stoken binnen het Marokkaanse milieu en wordt de islamitische kerkgemeenschap vanuit de staat juist versterkt met staatsselectie op imams. Zo roept burgermeester Cohen samen met sommige Marokkaanse organisaties de jeugd op om politieverklikker te worden, wat enkel tot nieuwe afrekeningen kan leiden.
Zelfs wat aan de controle van de staat ontsnapt kan tegen de arbeidersklasse worden gekeerd. Als de burgerlijke staat moet kiezen tussen het proletarische en het fundamentalistische gevaar, kiest hij zonder aarzelen voor het laatste, omdat het een potentiële bondgenoot is net zo goed als een vijand, en omdat het in alle richtingen bruikbaar is voor ideologische campagnes om de arbeidersklasse te verdelen, teneinde de greep van de burgerlijke staat over haar te versterken.
Zolang de arbeidersklasse in haar strijd geen perspectief voor de toekomst vindt en kan geven - en de bourgeoisie doet daar alles aan om dat te voorkomen terwijl zij zelf geen enkele oriëntatie meer te bieden heeft - zal er nog veel meer worden weggevlucht, niet in dromen maar in regelrechte nachtmerries. Deze waanzin is niet langer alleen verlokkelijk voor allerlei gefrustreerde kleinburgers, maar dreigt ook delen van de arbeidersklasse mee te slepen (3).
Na de arbeidersmanifestatie op 2 oktober 2004 stond de bourgeoisie in Nederland voor het probleem hoe de ontluikende geest van strijdbaarheid weer terug te dringen. De herfst stond immers in het teken van een mobilisatie van de arbeidersklasse tegenover ongekende aanvallen op haar bestaansvoorwaarden. Weliswaar ontsnapte deze beweging geen moment aan de vakbondscontrole en konden de vakbonden, geholpen door het basiscomité ‘De maat is vol!’, de SP en Groenlinks, zichzelf presenteren als verdediger van de arbeidersbelangen tegenover de ‘arrogante’ rechtse regering. Maar ondanks de sterke illusies over de vakbonden en het geringe zelfvertrouwen onder de arbeiders was de beweging de meest massale in dertien jaar; een uitdrukking van de ommekeer in de klassenstrijd op internationaal vlak die zich ook in Nederland doet gelden.
De moord op Theo van Gogh verschafte de bourgeoisie de gelegenheid om de beweging in de klasse in één klap tot staan te brengen en verwarring te zaaien. Zonder aarzelen sloten de vakbonden zich aan bij de campagne voor de “bedreigde democratie”. De dag na de moord op Theo van Gogh meldden vakbeweging en werkgevers gebroederlijk dat ze een akkoord hadden afgesloten waardoor de onderhandelingen met de regering konden wordenheropend. Alle acties werden afgeblazen. Op de dag van de crematie van Theo van Gogh kondigden vakbeweging, werkgevers en regering - Paars-polderiger kon het nauwelijks - aan dat er een akkoord was bereikt tussen sociale partners en regering. Volgens een snelle opiniepeiling werd dit door 58% van de bevolking gezien als een klinkende overwinning voor de vakbeweging en een nederlaag voor de regering. Meteen werd de lege dop van dit ‘Najaarsakkoord 2004’ voorgesteld als overwinning van de democratie tegenover de autocratische neigingen van Balkenende II. Ook werd aangekondigd dat er eventueel verdere vakbondsacties zouden komen, maar dan in het kader van de CAO-onderhandelingen met de werkgevers, versplinterd per sector en per bedrijf, dus voor zover nodig om controle over de onvrede te houden.
Daarmee is de arbeidersklasse weer even van het toneel verdrongen en kan de nederlaag van de arbeiders in geïsoleerde acties verder worden uitgebouwd. De bourgeoisie kon de werkelijke aard van het akkoord uit het nieuws houden en liet het erbij dat de ‘scherpe kantjes’ van de kabinetsplannen waren afgeslepen en dat de vakbeweging de zaak voor iedereen verder in het oog houdt. In werkelijkheid worden de aanvallen van regering en werkgevers met behulp van de vakbonden in stilte doorgezet.
Voor de arbeidersklasse is het van levensbelang om de lessen te trekken uit haar aanzetten tot massale strijd in Nederland en op internationale schaal en zich niet te laten meeslepen in de campagnes.
Fernando / 04.01.2005
(1) Zie: Kiezen voor Paars of voor Pim, in Wereldrevolutie, nr. 96, mei 2002, en: De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in: Internationalisme, nr. 286, 15 juni 2002.
(2) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004.
(3) Zie Het islamisme, een product van het kapitalisme in verval, in: Internationalisme, nr. 285, 15 mei 2002; The resurgence of Islam - A symptom of the decomposition of capitalist social relations, in: International Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave), nr. 109, 2e kwartaal 2002.
Het jaar 2004 werd gekenmerkt door een groeiende ongerustheid over de toekomst en een begin van strijdbaarheid binnen de arbeidersklasse. De mobilisaties in dat najaar liepen uit op de massale demonstratie van 2 oktober in Amsterdam, groots georganiseerd en met meer deelnemers dan verwacht. Dit drukte ook in Nederland een keerpunt uit in de klassenstrijd, dat zich internationaal aftekent na ruim een decennium van ontmoediging en verwarring (1). De demonstratie was door de vakbonden en burgerlijk links dan ook vooral bedoeld om de ontwikkeling naar strijdbaarheid af te remmen en om voor zichzelf het monopolie op solidariteit op te eisen. Door het succes daarvan is de situatie sindsdien gewijzigd. De ideologische campagnes rond de moord op Theo van Gogh (2) maakten het voor de vakbonden nog gemakkelijker om snel een akkoord te sluiten met de werkgevers, en een dag na diens begrafenis ook met de regering, om de maatregelen in stilte door te voeren en verdere acties af te blazen. De CAO-onderhandelingen van dit voorjaar stonden vervolgens op de agenda om verdere strijdbaarheid in sector en bedrijf op te sluiten en naar de nederlaag te leiden, om de ontmoediging en de verwarring te vergroten.
Aan de rechterkant van het burgerlijke politieke spectrum wordt sinds 2 oktober 2004 met verdubbelde energie, vroom en populistisch, de nadruk gelegd op ‘zelfwerkzaamheid’, op ‘normen en waarden in de samenleving’ en op ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’. De toenemende maatschappelijke ontbinding, de verpaupering en de onveiligheid worden toegeschreven aan etnische, culturele en religieuze achtergronden die spanningen veroorzaken waartegen de staat hard zou moeten optreden. Tegelijk wordt iedere verantwoordelijkheid van de burgerlijke staat en het kapitalisme verontwaardigd van de hand gewezen. Maar het is met de verdere ontwikkeling van de al veertig jaar durende overproductiecrisis van het kapitalisme dat de samenleving inderdaad steeds verder verloedert en het sociale weefsel van het ‘poldermodel’ tot op de draad is versleten. Het kapitalisme zelf is de oorzaak van de problemen en het heeft er geen enkele oplossing voor. Wat de bourgeoisie wel kan doen, is die problemen tegen de arbeidersklasse uitspelen, om binnen de arbeidersklasse te stoken, verdeeldheid te zaaien en schuldgevoelens aan te praten. Zo spelen regering en parlement een spel van problemen zonder oplossingen door op het ene moment met boude uitspraken olie op het populistische vuur gooien en op het andere ogenblik met een beroep op het ‘gezonde verstand’ te manen de situatie niet nóg verder te laten escaleren. Omdat de bourgeoisie geen sociale chaos wil oogsten zaait ze volop ideologische verwarring. Wat ze ook beweert om die campagne over door haarzelf vergiftigde sociale kwesties aan de gang te houden, het is de proletarische solidariteit die haar angst inboezemt en niet zozeer het moslim-extremisme waarmee zij kan ‘verdelen en heersen’.
Fractievoorzitter Jan Marijnissen van de links-populistische SP denkt bij ‘solidariteit’ vooral aan de sociale verzekeringen: “Het is één van de grote misverstanden van deze tijd: te denken dat wanneer de door de overheid georganiseerde solidariteit afneemt, de spontane, maatschappelijke solidariteit zal toenemen. Niets is minder waar gebleken.” Als hij met nadruk wijst op de ‘ieder-voor-zich’ mentaliteit en eraan toevoegt dat we leven in een tijdsgewricht van hedonisme en individualisme dan is het vooral om de burgerlijke staat aan te prijzen als de enige uitweg, omdat de arbeidersklasse zelf geen antwoord zou hebben.
Zo horen we van alle kanten dat onze solidariteit alleen tot uitdrukking kan komen door middel van dezelfde kapitalistische staat die de pensioenen en de sociale uitkeringen ondergraaft, die de ‘herstructureringen’, de bedrijfsverplaatsingen en de ontslagen orkestreert, en die de levens- en arbeidsomstandigheden afbreekt. Maar de campagnes zijn minder dan voorheen gericht op het direct mobiliseren van ‘de burger’ achter de kapitalistische staat en meer op het zaaien van verwarring om de groei van het bewustzijn in de klasse over de noodzaak om de strijd aan te gaan af te remmen en de arbeiders van hun eigen strijdterrein weg te houden.
Om een terugkeer van de strijdbaarheid zover mogelijk naar de toekomst te verschuiven heeft de bourgeoisie een waar spervuur van ideologische campagnes geopend, waarin de ‘verdediging van de democratie’ wordt toegespitst op een geperverteerd idee van solidariteit tussen staatsburgers. Zo wordt er een rookgordijn opgetrokken om te voorkomen dat de arbeiders hun eigen solidariteit tot ontwikkeling brengen en zich vereenzelvigen met hun klasse.
De maatschappelijke uitzichtloosheid daagt steeds meer uit tot het aanhangen van extremistische standpunten en archaïsche ideologieën. De vroegere thema’s van de ‘verzuiling’, die na de Eerste Wereldoorlog werd georganiseerd om de arbeidersklasse opgedeeld te houden naar ‘levensbeschouwelijke richting’, kunnen zo in nieuwe vorm worden uitgekauwd.
De ‘roep om veiligheid’ en het populistisch zoeken naar zondebokken voor sociale spanningen worden tegenover de ‘verdediging van de rechtsstaat’ gesteld, zoals met de strafprocessen tegen islam-extremisten van het slag Mohammed B. Zo worden we, aangespoord door protesterende rechters en advocaten, opgeroepen de burgerlijke ‘rechtsstaat’ in verdediging te nemen tegen de gevaren van een ‘politiestaat’. Daarbij horen het nieuwe ‘grondrechtendebat’, het doorvoeren van ‘anti-terreur-maatregelen’ zoals de legitimatieplicht vanaf veertien jaar en de striktere controle van het betalingsverkeer, het toelaten van AIVD-informatie als bewijs in de rechtszaal, het afluisteren van de communicatie tussen aangeklaagde en advocaat. Het ‘discriminatieverbod’ komt plotseling op gespannen voet te staan met de ‘vrijheid van meningsuiting’. De ‘verworvenheden van de multiculturele samenleving’ komen onder druk te staan door thema’s als eerwraak, ‘vrouwenbesnijdenis’ en het dragen van hoofddoekjes. Tegelijk mobiliseren gemeentebesturen onder verwijzing naar de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog schoolkinderen om op te komen tegen het uitzettingsbeleid voor de 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers. De verdediging van de ‘vrijheid van godsdienst en geweten’ wordt gecombineerd met het uit het land zetten van imams als ‘gevaar voor de Nederlandse staat en samenleving’, zoals die van de Al-Fourkaan-moskee in Eindhoven, en met het verbieden van de islamistische stroming van het salafisme. Ondertussen wordt een beroep gedaan op imams om de islamitische achterban onder controle te houden en de rol van politieverklikker te spelen, terwijl er tegelijk stemmen opgaan om ‘godslastering’ weer strafrechtelijk te vervolgen en bijvoorbeeld de productie van ‘Submission-2’ van Ayaan Hirsi Ali te laten verbieden. De ‘vrijheid van onderwijs’ wordt aangevuld met het onder strenger toezicht plaatsen van islamitische scholen om hun ‘democratisch gehalte’ te toetsen. De vrije toegankelijkheid van informatie wordt geamendeerd door campagnes tegen ‘extremistische literatuur’ in moskeeën en scholen, waarbij ook de openbare bibliotheken een veeg uit de pan krijgen en daarop reageren met protest tegen de snuffeltoegang van de politie op alles wat geleend en gelezen wordt.
Het zijn allemaal campagnes om het gevoel op te wekken verloren te lopen in onoplosbare problemen, en gericht op een zekere ontreddering binnen een arbeidersklasse teweeg te brengen om ondertussen de nieuwe bezuinigingsmaatregelen te kunnen doorvoeren. Zo worden alle kwesties door elkaar gehusseld en de gemoederen verhit. De bourgeoisie in Nederland heeft altijd op intelligente wijze gebruik gemaakt van illusies over de democratie - het vertrouwen in de redelijkheid van de burgerlijke staat en de wet, de vereenzelviging daarmee - en keert deze tegen de bevolking in het algemeen, en tegen de arbeidersklasse in het bijzonder. In dit kader kan de verdere onttakeling van de ‘sociale voorzieningen’ worden voorgesteld als het ‘betaalbaar houden van de solidariteit’, kunnen loonsdalingen tot het hoogst bereikbare resultaat worden verklaard van vakbondsonderhandelingen in naam van ‘solidariteit met de minder draagkrachtigen’ en vooral met de nationale economie. Zelfs ontslagen kunnen worden doorgevoerd onder het mom van het ‘redden van arbeidsplaatsen’.
Het werkelijke probleem is dat de bourgeoisie er steeds minder in slaagt de arbeidskracht winstgevend uit te buiten. Met officieel 535.000 werklozen voor 2005 en een economische groei van 1% is het duidelijk dat het slecht gaat en na een kwart eeuw van bezuinigingspolitiek voorspelt het geklaag over de hoge arbeidskosten in Nederland ook al weinig goeds. De al dan niet vervroegde pensioenen blijven onder druk staan en er komen belastingverhogingen op vooral het eigen woningbezit - nadat de sociale huisvesting voor een groot deel is afgebouwd. Ondertussen is de bourgeoisie er wel in geslaagd 60.000 WAO-ers administratief uit de statistieken te laten verdwijnen.
De beroepsonderhandelaars van de vakbeweging, Lodewijk de Waal en Doekle Terpstra, maakten na 2 oktober, waar ze zich in de massa weinig op hun gemak voelden, snel plaats voor de nieuwe FNV-voorzitter Agnes Jongerius, wat populistischer maar uit dezelfde stal: ze bepleit zelfs het achter ons laten van de ‘verzorgingsstaat’, ze wil af van het ‘klassieke’ sociale zekerheidsstelsel en vraagt zich hardop af of de overheid nog wel de WAO en WW moet regelen. Dat bevestigt nog maar eens dat de vakbonden niet uit zijn op een ‘compromis’ in het belang van het proletariaat, maar bestaan om maatregelen door te drukken in het belang van de nationale staat en haar heersende klasse.
Met de versterking van de ideologische campagnes ontwikkelde de bourgeoisie ook een offensief middels de collectieve arbeidsovereenkomsten. Daarin zouden volgens de vakbeweging goedwillende werkgevers enige compensatie moeten bieden voor de maatregelen van de slechtwillende regering of anders tot goedwilligheid gedwongen moeten worden. In het najaarsoverleg van 2004 waren er achter de rug van de arbeiders om echter allang duidelijke CAO-afspraken gemaakt. De arbeiders, versplinterd per bedrijf en sector, wordt een nog groter gevoel van machteloosheid opgelegd. Feitelijk konden de vakbonden hun acties tot één enkele sector beperken: die van de metaal- en elektrotechnische industrie. En binnen die sector werd er op 18 maart eerst een afzonderlijk akkoord gesloten bij Corus in IJmuiden, verreweg het grootste bedrijf, om daarna in de rest van de sector op vrijdag 1 april een goed gecontroleerde ééndags-staking te laten plaatsvinden, met 18.000 stakers verdeeld over 180 bedrijven en bedrijfjes, van de in totaal 180.000 werknemers die onder de CAO vallen. De vakbondsmanifestaties werden verdeeld over Rotterdam, Hengelo en Eindhoven. Toch was het de eerste grote staking in deze sector in tien jaar, en de sector had zijn strijdbaarheid al bewezen op 27 oktober met manifestaties bij vooral Corus in IJmuiden, maar ook in Almere, Rotterdam en Hengelo. Op de dag van de aangekondigde vervolgacties, 7 april, werd plotseling een CAO-akkoord voor heel de sector afgesloten en verdere actie overbodig verklaard.
Desondanks kunnen de aanvallen en manoeuvres op termijn de verontwaardiging alleen maar laten toenemen. Als de vakbeweging er in slaagt om de strijdbaarheid in één sector tijdelijk uit te blussen, dan laait deze onder druk van de onophoudelijke aanvallen en de ongerustheid over de werkzekerheid in andere sectoren en bedrijven weer op. Er blijven ontslagen vallen die de arbeiders er onmiddellijk toe brengen te reageren. De werkloosheid vormt een cruciaal vraagstuk in de ontwikkeling van de arbeiderssolidariteit. Bij de zorgverzekeraars verdwijnen weer drie- tot vijfduizend banen. De Friese scheepswerf Arrels en de Campinafabriek te Uitgeest sluiten; Akzo en de Kadasters rationaliseren samen nog eens 700 banen weg. Een fusie van het Algemeen Dagblad met zeven regionale kranten zal zo’n 325 arbeidsplaatsen kosten. KPN Telecom kondigt aan om in vijf jaar 8.000 van de 12.000 banen in de vaste telefonie te willen schrappen wegens sanering.
Bij ENCI in Maastricht en Atoglas in Friesland vonden stakingen plaats tegen ontslagen en bedrijfssluiting. Hoewel ze geïsoleerd bleven, snel werden ingekaderd en zonder vervolg bleven konden ze niet worden voorkomen. De staking bij het cementbedrijf ENCI in februari werd door de vakbeweging teruggebracht tot de vraag of de directie ‘gedwongen’ kon worden naar de vakbonden te luisteren zodat er geen 270 maar ‘slechts’ 170 banen verloren zouden gaan (de eerste honderd had de directie dus al binnen). De directie aanvaardde minzaam het ‘alternatieve plan’ van de vakbonden, wat natuurlijk als een vakbonds-overwinning werd uitgebazuind. Maar voor de arbeiders was er niets te vieren ondanks dat ze op het NOS journaal van 21 februari hossend in beeld werden gebracht. Niet zonder toeval begon één dag later, netjes gescheiden, het vakbondsvervolg bij de kunststoffenfabriek Atoglas in Leeuwarden waar de vakbonden de eerste 40 van de 130 arbeidsplaatsen bij voorbaat opofferden. Schuld van de intussen voldongen bedrijfssluiting krijgt de ‘totaal onredelijke’ bedrijfsleiding van het Franse moederbedrijf Total, net als eerder het Duitse moederbedrijf van de ENCI. Bovendien wordt beweerd dat ‘het sociaal plan beter is dan dat van vóór de staking’. Kortom: niet de kapitalistische crisis, maar buitenlandse bedrijfsleidingen zouden verantwoordelijk zijn en die zouden alleen door de vakbonden tot rede kunnen worden gebracht. Vanuit het standpunt van de ‘BV Nederland’ en haar staat is dat logisch - vanuit het standpunt van de arbeidersklasse daarentegen openen zich heel andere vooruitzichten.
De aarzelend ontluikende strijdbaarheid kan weliswaar nog gemakkelijk worden opgevangen in de netten van de vakbeweging omdat de arbeiders nog niet goed weten wat te doen of wat te denken - maar ook is het duidelijk dat de bourgeoisie er niet gerust op is dat dit zo blijft. Het sociaal front beweegt in reactie op de onophoudelijke afbraak van arbeids- en levensomstandigheden, groeiende werkdruk en toenemende gevaren en spanningen. Wanneer de strijdbaarheid nog weinig gericht is en per sector sterk verschilt, dan laat ze in kiemvorm toch al zien waaruit de solidariteit van de arbeidersklasse bestaat, en dat zij een beslissende factor in haar strijd is. Een aanval op een deel van de klasse is een aanval op de hele klasse. Dat is één van de belangrijkste lessen van de bewegingen in de openbare sector in Frankrijk en Oostenrijk in 2003 rond de pensioenen en in Duitsland in 2004 tegen ontslagen verhoogde werkdruk en loondalingen bij Daimler-Chrysler en Opel en rond de drastische kortingen op uitkeringen volgens ‘Harz IV’.
Solidariteit bestaat niet uit het volgen van de staatsmanoeuvres, uit louter financiële solidariteit of het sturen van vakbondsdelegaties. Zij bestaat eruit het isolement te doorbreken, actief deel te nemen aan de strijd, die uit te breiden over de grenzen van bedrijven en sectoren heen. Dat is de strijdtraditie van de arbeidersklasse waarbij weer moet worden aangeknoopt. Dan ook kunnen de arbeiders zich weer deel voelen uitmaken van de klasse die een maatschappelijk alternatief voor het kapitalisme te bieden heeft aan de hele maatschappij. Alleen wanneer ze weer aanknopen bij hun eigen tradities van solidariteit, de strijd uitbreiden en dagelijkse algemene vergaderingen organiseren, kunnen ze de bourgeoisie onder druk zetten en de aanvallen tijdelijk terugdringen.
Manus/ 09.04.2005
(1) Zie Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004.
(2) Zie het artikel Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, in Wereldrevolutie, nr. 104, januari 2005.
De wereld zakt voortdurend verder weg in de chaos: de armoede verbreidt zich tot in het hart van de meest ontwikkelde landen toe, de massale en langdurige werkloosheid spaart niemand meer, de oorlog tussen staten raakt haast alle continenten. Toch blijft de bourgeoisie ondanks deze voortdurende vernietiging spreken over welzijn, voorspoed, vooruitgang: waar is de vooruitgang in de oorlog die praktisch overal de bevolking neermaait en steden, velden en bossen vernietigt? Waar is het welzijn wanneer elke dag duizenden mensen de hongerdood sterven? Waar is de voorspoed wanneer geen enkele arbeider op deze aarde kan weten hoe zijn toekomst eruit ziet?
Geconfronteerd met die paradox kan men zich afvragen hoe een maatschappij die vooruitgang boekt en steeds meer welzijn en veiligheid biedt, juist het tegengestelde over de mensheid uitstort. Waardoor komt dat? Is het een noodlot? De bourgeoisie heeft haar antwoorden klaar: ze vertelt ons dat het komt omdat de mensen ‘slecht’ zijn, omdat er een gebrek is aan democratie, dat het om tijdelijke economische moeilijkheden gaat tengevolge van een slechte regeling van de geldstromen, van een prijsstijging van de grondstoffen op de markten, van immorele speculatie op diezelfde markten, enzovoort.
Dat alles vloekt met de werkelijke omstandigheden. Bovendien horen we die argumenten al jaren, zonder dat de situatie ooit verbeterd is, integendeel. Dus: waarom zo’n rampspoed na al de vooruitgang die de mensheid heeft mogen beleven? Waarom zoveel ellende terwijl er zoveel rijkdom tot onze beschikking staat? In feite gaan die zogenaamde verklaringen - opzettelijk - voorbij aan de enige realiteit die ons in staat stelt de zaak te begrijpen. Die realiteit, dat is de economische wereldcrisis. En wanneer wij, revolutionaire marxisten, vandaag van crisis spreken, dan is dat niet op dezelfde gronden als de bourgeoisie. Wij hebben het over een onoverkomelijke crisis, die het failliet tekent van het kapitalistisch systeem.
Voor die bewering steunen we ons niet op een eenvoudige ‘fotografische’ observatie, maar op heel de marxistische analyse van de ontwikkeling van het kapitalisme. Op basis daarvan stellen we dat het kapitalisme zich al bijna een eeuw in zijn vervalfase bevindt, en dat in deze fase - in tegenstelling tot de fase van opkomst - de kapitalistische crisis een onoverkomelijk element wordt, waarvan de uitkomst alleen kan zijn: ofwel de vernietiging van de mensheid en van alle verwezenlijkingen van haar ontwikkeling doorheen de geschiedenis, ofwel het overstijgen van de dodelijke tegenstellingen van het kapitalisme door de arbeidersklasse in haar gevecht voor de opbouw van een nieuwe maatschappij.
In die zin is het verval voor ons, marxisten, het fundamentele raamwerk van de analyse om de huidige situatie te begrijpen. Zonder dat raamwerk is het niet alleen onmogelijk de realiteit van de huidige wereld te begrijpen, het is dan ook onmogelijk van een realistisch perspectief uit te gaan, Want verre van ons tot demoralisatie, tot ‘no future’ te brengen, legt de marxistische theorie van het verval de grondslag van het perspectief van het kommunisme, dat niet het resultaat is van de goede wil van de mensen, maar dat steunt op een complete analyse van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen: het historisch materialisme.
De vervaltheorie is geen uitvinding van de IKS. Het is integendeel een concept dat centraal staat in de marxistische analyse van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen, centraal in het historisch materialisme. Bij de ontwikkeling van hun werkmethode begonnen Marx en Engels ermee de sociale ontwikkeling van de mensheid te analyseren als sleutel voor het begrip van de ontwikkeling van de hedendaagse samenleving. In hun onderzoek ontdekten beide grondleggers van het marxisme dat de menselijke samenleving zich organiseert rond de productie, rond de eerste en centrale activiteit van de mens. Daarom tekenen de sociale verhoudingen zich af in de organisatie van de productiemiddelen.
Door het vraagstuk meteen op historisch vlak te bekijken, kwamen ze tot een analyse van hoe de ontwikkeling van de productiemiddelen en hun organisatie de maatschappelijke ontwikkeling [organisation] beïnvloedden. Kort samenvattend kunnen we stellen dat de ontwikkeling van de productiemiddelen, nodig voor de hoeveelheid te bevredigen behoeften een dergelijk niveau bereikte dat de organisatie van die middelen voor de productie onaangepast werd, en tenslotte zelfs een belemmering. De organisatie van de productie moest diepgaand worden veranderd opdat de bestaande productiemiddelen maximaal zouden kunnen worden aangewend en hun ontwikkeling voortgezet.
Die aanpassing was niet zachtzinnig: zoals we al zeiden tekent de maatschappelijke organisatie zich af rond de productie, en tot op heden moet de mensheid de schaarste beheren. Daaruit ontstaat noodzakelijkerwijze het bezit, de eigendom, de uitbuiting... Rond de productie kristalliseren zich dus belangen en macht. Het in vraag stellen van de organisatie van de productie komt dus neer op het in vraag stellen van de economische, politieke en sociale posities van de heersende klassen. Pas door een min of meer gewelddadige breuk kan die verandering plaatsvinden.
Daarom verloopt de ontwikkeling van de productie-middelen niet op een rechtlijnige manier, zonder breukpunten, in een voortdurende opgang. Daarom doorloopt elk productiesysteem een fase van verval, waarin de ontwikkeling van de productiemiddelen in botsing komt met hun organisatie zonder dat dit tot een oplossing komt, terwijl zich in de maatschappij de revolutionaire krachten loskomen tegenover de reactionaire krachten die vasthouden aan hun privileges.
In de Romeinse maatschappij was de productie georganiseerd rond de slaven, die werkten, en de meesters, die hen lieten werken. Die productiewijze maakte de ontwikkeling van de productie mogelijk tot op een niveau waarop problemen ontstonden: om te blijven produceren, waren meer slaven nodig, slaven die in feite oorlogsgevangenen waren, maar de geografische limieten van de oorlog, met de middelen waarover men toen beschikte, werden bereikt. Bovendien vereiste de ontwikkeling van de productietechnieken een meer geperfectioneerde arbeidskracht, die niet door de slavernij kon leveren... Men ziet in dit voorbeeld dat de wijze waarop de productie georganiseerd was steeds minder was aangepast aan de productie, en dat om de productie te kunnen blijven ontwikkelen, die organisatie, die tot dan toe de ontwikkeling mogelijk gemaakt had, deze nu gaat belemmeren, ze wordt er een hindernis voor.
Daarom werden de slaven bevrijd en werden ze lijfeigenen. Op zijn beurt heeft het feodale systeem de ontwikkeling van de productie mogelijk gemaakt totdat deze zo’n hoogte bereikte dat ze opnieuw op een hindernis stuitte. Het zijn de kapitalistische verhoudingen die de middeleeuwse producent omvormen tot de vrije mens die zijn arbeidskracht verkoopt aan de kapitalist. Opnieuw krijgt de productie een organisatie die haar ontwikkeling mogelijk maakt. Het is een ongekend snelle ontwikkeling die de mensheid voor het eerst in de gelegenheid stelt zich te bevrijden van de schaarste.
De overgang van de ene productiewijze naar de andere verloopt niet rechtlijnig of zonder horten en stoten, als het ware van de ene opgang naar de andere. Want de productiewijze vertaalt zich in sociale verhoudingen en in een eigen sociale organisatie. Daarin verdedigt de heersende klasse met alle middelen haar belangen tegen het perspectief op omverwerping van de gevestigde orde. Gedurende die tijd leidt de groeiende onverenigbaarheid tussen het niveau dat door de productie werd bereikt en de wijze waarop zij is georganiseerd tot steeds sterker stuiptrekkingen. Het verval begint dus wanneer de productieverhoudingen een belemmering gaan vormen voor de ontwikkeling van de productie. Het verval duurt voort zolang er geen nieuwe productieverhoudingen kunnen worden ingevoerd. Het verval is de periode van failliet van de oude maatschappij, zolang een nieuwe niet kan worden gegrondvest.
Het kapitalisme ontsnapt zoals we hebben gezien natuurlijk niet aan deze regel. Maar het verval van het kapitalisme onderscheidt zich van de vervalperiodes uit het verleden door het feit dat in de vorige maatschappijen de kiemen van de nieuwe maatschappij al bestonden en zich konden ontwikkelen binnen de oude maatschappij. Binnen de feodale maatschappij veroverde de bourgeoisie geleidelijk de economische macht en vormde zij de productie tegelijkertijd al voor een groot deel om voordat ze aan de politieke macht kwam. In het kapitalisme niets van dat alles. De revolutionaire klasse, het proletariaat, kan geen nieuwe productie-verhoudingen instellen zonder de bestaande te vernietigen. Daarin schuilt heel de ernst van het kapitalistisch verval.
We zien dus duidelijk dat voor marxisten verval geen moreel begrip is. De marxisten ontwikkelen het begrip verval als een wetenschappelijk, materialistisch concept, dat wil zeggen steunend op de materiële ontwikkeling van de menselijke maatschappijen. Dat die periodes gekenmerkt worden door de hebzucht en de ontbindende moraal van de heersende klassen, zullen we niet ontkennen: we beseffen heel goed dat de historische blokkering van de ontwikkeling van de productiekrachten worden weerspiegeld op alle vlakken van de menselijke maatschappij. Maar het verval is geen economische theorie en Marx heeft zich nooit beperkt tot de kritiek van de economie. Maar dat neemt niet weg dat de verklaring ervan zich duidelijk op materialistisch terrein bevindt.
Toen de Kommunistische Internationale van “het tijdperk van oorlogen en revoluties” sprak kon ze niet beter samenvatten wat het kapitalisme in verval de mensheid zou bieden. Het kapitalisme schiep in de loop van zijn opgang inderdaad het ideale raamwerk voor zijn ontwikkeling, dat van de natie. Het is rond de naties dat het kapitalisme zijn eigen ontwikkeling verzekerde, vanuit dat raamwerk stortte het zich in de verovering van de kolonies, en binnen dat raamwerk vallen de concurrentieverhoudingen die momenteel door de crisis op de spits worden gedreven. De enige oplossing voor de bourgeoisie om uit de overproductiecrisis te geraken is de oorlog. Oorlog mondt uit op een periode van wederopbouw, die stukloopt op een nieuwe crisis van overproductie.
We kunnen de intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode moeiteloos plaatsen aan het begin van de twintigste eeuw: de Eerste Wereldoorlog, de eerste in de geschiedenis van de mensheid, geeft duidelijk uiting aan de nieuwe situatie. De wederopbouw die erop volgt leidt al snel tot een crisis zonder voorgaande, in de jaren 1930, en daarna op een Tweede Wereldoorlog. We zien hoe zich de cyclus “crisis-oorlog-wederopbouw-nieuwe crisis” aftekent, maar dit is geen cyclus die zich eindeloos kan herhalen. Integendeel, het is een helse spiraal die alles op haar weg meesleurt. Want terwijl het kapitalisme in zijn opgaande fase de overproductiecrises te boven kon komen door zich uit te breiden en door grotere delen van de bevolking te proletariseren, dan zijn vandaag de limieten bereikt en is de crisis permanent. De enige ‘uitweg’ is de oorlog.
Het gaat dus om een tijdperk van oorlogen. Maar zoals de Komintern vanaf zijn oprichting in 1919 aankondigt, gaat het ook om een tijdperk van revolutie. Inderdaad, het kapitalisme heeft in zijn ontwikkeling ook zijn eigen doodgraver voortgebracht: het proletariaat, de enige sociale kracht die in staat is het kapitalisme omver te werpen en een toekomstige maatschappij op te bouwen. Wanneer het kapitalisme op zijn grenzen stuit, opent het de poort voor zijn overstijging. Op de dagorde van het proletariaat staat vervolgens de immense taak om op de ruïnes van het kapitalisme dat door zijn strijd vernietigd wordt een nieuwe maatschappij op te bouwen die in staat is de overvloed te beheren en de productiekrachten een gepast raamwerk voor hun ontwikkeling te bieden.
Het kommunistisch perspectief is niet nieuw. Het idee een maatschappij te bouwen ontdaan van onderdrukking en onrecht is al te vinden in de Oudheid en in de Middeleeuwen. Maar het volstaat niet een betere maatschappij te wensen om haar ook te kunnen instellen. Aan de materiële voorwaarden die dat mogelijk maken moet ook zijn voldaan. Ook de revolte van de onderdrukten is niets nieuws: de slaven schreven belangrijke bladzijden van de menselijke geschiedenis door hun positie te verwerpen. Toch waren die opstanden tot mislukken gedoemd omdat de materiële situatie, het niveau van de productie, het de mensheid niet mogelijk maakte de indeling van een maatschappij met klassen en uitbuiting achter zich te laten. Zolang de mensheid de schaarste moest beheersen, kon ze geen rechtvaardige maatschappij opbouwen. Het kapitalisme biedt de mensheid de mogelijkheid dat vooruitzicht in ogenschouw te nemen. Vandaag heeft de productie een niveau bereikt dat het mogelijk maakt de schaarste uit te bannen, de voorgeschiedenis kan nu eindigen. Het kommunistisch perspectief is geen ideaal of utopie, het is een materiële mogelijkheid, en meer nog: het is een noodzaak voor het voortbestaan van de menselijke soort. Het is noodzakelijk om de destructieve spiraal van het kapitalisme een halt toe te roepen waardoor de mensheid dreigt terug te vallen in het stenen tijdperk.
Dat maakt de kapitalistische vervalperiode nu juist tot een bijzondere vervalperiode: ze betekent het einde van de voorgeschiedenis, het einde van de lange mars van de mensheid van schaarste naar overvloed. Maar dat einde staat niet bij voorbaat vast: het einde van de voorgeschiedenis zou ook het einde van de geschiedenis als zodanig kunnen zijn als er geen einde wordt gemaakt aan de barbarij die de planeet overspoelt. Het kommunisme is geen zekerheid: enkel door harde strijd zal de arbeidersklasse het kunnen instellen, en de uitkomst van die strijd staat niet bij voorbaat vast. Daarom moeten de revolutionairen zo goed mogelijk bewapend zijn om de arbeidersklasse te kunnen wapenen in haar strijd tegen de bourgeoisie en voor de opbouw van een nieuwe maatschappij.
Het begrip van de analyse van het verval maakt deel uit van die politieke bewapening. Het is het fundamenteel raamwerk dat door het marxisme vanaf zijn ontstaan werd ontwikkeld. In De Duitse ideologie spreken Marx en Engels inderdaad al van verval, nog voor het Manifest geschreven werd. Het verval doordrenkt heel de marxistische analyse van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen. Door de opeenvolging van opgaande en vervalfases in de geschiedenis te belichten, stelt het marxisme ons in staat te begrijpen hoe de mensheid zich heeft kunnen organiseren en vooruitgang kon boeken. Het marxisme maakt het mogelijk te begrijpen hoe en waarom de wereld is zoals ze momenteel is, en tenslotte geeft het marxisme ons een begrip van hoe deze situatie kan worden overstegen en een andere wereld op te bouwen.
G / 17.12.2004
(1) Dat is door Marx en Engels, sprekend over het kapitalisme, in de Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie in deze zin samengevat: “Vanaf een bepaald punt wordt de ontwikkeling van de productieve krachten een hinderpaal voor het kapitaal, en bijgevolg wordt de kapitaalsverhouding een hinderpaal voor de uitbreiding van de productieve krachten van de arbeid. Op dit punt aangeland komt het kapitaal, of juister de loonarbeid, in dezelfde verhouding te staan tot de ontwikkeling van de maatschappelijke rijkdom en van de productiekrachten als het systeem van gilden, lijfeigenschap en slavernij, en is het nodig om er zich als een belemmering van te ontdoen. De laatste vorm van onderschikking die de menselijke activiteit aanneemt - die van loonarbeid enerzijds en het kapitaal anderzijds- wordt dan afgeschud, en dat afschudden is zelf het resultaat van de productiewijze die overeenstemt met het kapitaal. Het is juist het productieproces van het kapitaal dat de materiële en geestelijke voorwaarden doet ontstaan voor de negatie van loonarbeid en kapitaal, die zelf de negatie vormden van eerdere vormen van onvrije sociale productie. De toenemende onverenigbaarheid tussen de productieve ontwikkeling van de maatschappij en de productieverhoudingen die daar tot dan toe kenmerkend voor waren, komt tot uiting in acute tegenspraken, crises, stuiptrekkingen.” (Frans: Oeuvres, II, p. 272-273, Engels: Collected Works, 29, p. 133-134).
Met hart en ziel zetten in Frankrijk de voorstanders van Ja en Neen zich in om met de meest leugenachtige argumenten de arbeiders er van te overtuigen dat de aanvaarding van de Europese grondwet een inzet is voor hun toekomst en om hen er van te overtuigen hun verantwoordelijkheid als burgers op te nemen op dit ‘historisch moment’.
Voor de enen moet men voorstemmen want “de tekst consolideert een werk van vrede, van vrijheid en democratie van 50 jaar Europese opbouw. Het bevestigt een model van economische en sociale ontwikkeling gegrondvest op solidariteit en het aanmoedigen van het initiatief en de groei”. Wat de tegenstanders van het voorstel van Grondwet betreft, stelt de bourgeoisie een Neen-front voor, gaande van een deel van de Socialistische Partij tot het trotskistische Lutte Ouvrière, en via de stalinistische Parti Communiste Français en de trotskistische Ligue des Communistes Révolutionnaires, de vakbonden, de stalinistische CGT voorop, en de altermondialisten (ATTAC) proberen de arbeidersklasse er van te overtuigen zich te mobiliseren voor de Neen “opdat het voor eens en voor altijd duidelijk zou zijn dat er een overduidelijke afwijzing is van de ultra-liberale politieke oriëntatie die verantwoordelijk is voor de sociale verloedering, het stukslaan van de sociale zekerheid”.
Allen richten ze zich op hetzelfde doel: bijeentrommelen, een maximum aan arbeiders naar het verkiezingsterrein lokken terwijl ze de reformistische illusies oprakelen waarin de strijd ter verdediging van de levensvoorwaarden zou verlopen via de strijd tegen het liberalisme. Het gaat tezelfdertijd om een operatie waarin iedere proletariër wordt opgeroepen om zich achter één van de kampen te scharen: dat van het Ja of dat van het Neen.
Als we de pseudo-verdedigers van leefomstandigheden de arbeiders aanhoren, zouden de ‘liberale’ oriëntatie van de Europese Grondwet en de Europese regeringen verantwoordelijk zijn voor de ‘anti-sociale’ politiek en zouden die er naar streven om de sociale wetgevingen te ontmantelen en de zogenaamde ‘verworvenheden van de arbeiders’ laten vallen. Hun gemeenschappelijk standpunt is om één soort politiek, het ultraliberalisme, verantwoordelijk te stellen voor de verloedering van de levensvoorwaarden van het proletariaat, en dat die dringend zou moeten worden bestreden.
Partijen van links en vakbonden in heel Europa mobiliseren voortdurend tegen de richtlijnen van Bolkenstein, die een liberalisering voorstaat van de diensten volgens “het principe dat de Europese aanbieders van diensten die hun diensten aanbieden in een ander land van de Unie uitsluitend zouden vallen onder de wetten van hun eigen land” (1). Het voorbeeld van een Lets bedrijf, dat Letse arbeiders laat werken tegen Letse lonen (de laagste in Europa) om een school te bouwen in Zweden, wordt gebruikt als boeman om de arbeiders in het Westen af te schrikken met de toevloed van arbeiders uit Oost-Europa die hun arbeidskracht komen verkopen tegen prijzen die elke concurrentie aan diggelen slaan. De bourgeoisie onderwerpt het proletariaat aan de chantage van de concurrentie die uit het Oosten komt om hen lagere lonen te laten aanvaarden. Dat is een dezelfde chantage als die ze overal ter wereld uitoefent met de bedreiging met de delocalisaties, zonder op de richtlijnen van Bolkenstein te hebben gewacht.
In Frankrijk wordt door allen dezelfde heisa opgevoerd (de voorstanders van het JA maar vooral die van het Neen) tegen de richtlijnen van Bolkenstein die het spook doet ronddwalen van de ‘geprogrammeerde vernietiging van de arbeidswetgeving’ en het risico van de privatisering van de Openbare Werken. Het is toch niet pas met deze richtlijnen dat er een ontwikkeling aan de gang is van het op de helling zetten van de ‘welvaartsstaat’ en van de aanvallen op de arbeidscontracten in de privé zowel als in de overheidssector? Dat is al meer dan dertig jaar aan de gang en de toename van tijdelijke en deeltijdse baantjes bij het aannemen van nieuw personeel nemen toe, de overheidsbanen daarbij inbegrepen.
De economische crisis zat niet zitten wachten op het Verdrag van Maastricht van 1992, noch op het voorstel van Europese grondwet om de gevolgen ervan te laten voelen in alle landen van de wereld. Welk doel hebben de voorstanders van het anti-liberalisme dan voor ogen?
De PS, PCF, LCR net als de vakbonden en de alter-mondialisten van ATTAC staan op de eerste rij van de tamtam ter verdediging van een “beweging van collectief verzet tegen de ontmanteling van de Openbare Werken die indruist tegen het algemeen belang”.
Links, de PS en de PCF op kop, proberen aldus onze herinnering uit te wissen aan het feit dat juist zij het waren die aan de oorsprong lagen van een aantal van deze aanvallen toen zij in de regering zaten!
Het gaat er blijkbaar om de genomen en komende maatregelen van de verloedering van de levens- en werkvoorwaarden te laten doorgaan voor een omzeiling van de democratische staat en het gebrek aan de lokale democratie. Het gaat er ook om op te roepen tot een strijd tegen “op de helling zetten van de rechten van elke burger(es) om toegang te hebben tot de post, tot energie, en misschien morgen tot gezondheidszorg en onderwijs” (2). Dat alles dient alleen om de arbeidersklasse er toe aan te zetten bescherming en waarborgen voor haar levensvoorwaarden te zoeken bij de staat terwijl deze juist borg staat voor de belangen van de heersende klasse en de promotor is van alle aanvallen tegen de arbeiders!
Dat is dan de grote dam tegen de anti-sociale maatregelen en tegen de zogenaamde uitglijders van het ultra-liberalisme die de arbeiders wordt voorgehouden: verdediging van de staat en de Openbare Werken! Wanneer Besancenot en de LCR en zijn vrienden van ATTAC voorstellen om “de strijd te laten samenvloeien en burgerlijke ongehoorzaamheid te plegen tegenover de aanvallen op de Openbare Werken” (3), stellen ze voorop dat “verdediging van de Openbare Werken een beweging is van het geheel van de bevolking die de loontrekkenden van de verschillende Openbare Werken associeert met de gebruikers en de gekozenen” (4). Het is moeilijker om een recept te vinden dat nog demagogischer is, in een poging de noodzaak van klassenstrijd uit de weg te gaan en strijd af te leiden naar het terrein van klassensamenwerking waar de illusie wordt verspreid dat de hele bevolking, uitgebuiten en uitbuiters door elkaar, zich samen zouden kunnen vinden in de verdediging van een meer democratische staat ‘in dienst van de burgers’.
Al deze praatjesmakers spannen zich in om ons wijs te maken dat de aanvallen van de regering voortkomen uit het feit dat de privé-bazen en de multinationals greep zouden hebben op de staat (het tegendeel is waar). Ze mikken er slechts op om de ontevredenheid van de arbeiders die veroorzaakt wordt door de systematische sluitingen van postkantoren, sociale instellingen, treinstations, enzovoort weg te lokken in het doodlopende straatje van het nationalisme, “de afwijzing door Frankrijk van een maatschappij in de stijl van Tony Blair”.
De werkelijkheid zet het kapitalisme echter voor gek net als de propagandaleugens die sinds de Tweede Wereldoorlog al tientallen jaren wordt opgeklopt. Volgens die leugen maakten de gewaarborgde Sociale Minima, de Sociale Zekerheid, de Openbare Werken, als peilers van de welvaartsstaat, het mogelijk om de achtereenvolgende belangen van de twee tegenover elkaar staande klassen met elkaar te verzoenen in dienst van de verdediging van het nationale kapitaal.
Daar laat de PS heel efficiëntie tegen de arbeiders zien. Zelfs haar eigen verdeeldheid wordt uitgespeeld ter meerdere eer en glorie van de bourgeoisie en om de globale belangen van het Franse kapitaal te verdedigen (als een ‘verantwoordelijke’ partij waarvan de meerderheid zich inzet voor het Europese JA) en het proletariaat te misleiden (door de oproep van de fractie van Emmanuelli en consorten om Europees Neen te stemmen).
De opstelling van de bourgeoisie zou niet compleet zijn als Lutte Ouvrière er niet was om zijn meningsverschillen openbaar te maken, zogenaamd uitgaand van de arbeiders en van de ‘klassenstrijd’: “Wij zullen Neen stemmen”, en ondertussen klagen ze aan dat “het niet het ‘ja’ of het ‘neen’ is van dit referendum, dat het lot van de arbeiders zal verbeteren” (5). Lutte Ouvrière heeft het lef om te proberen ons achter haar ronkende frasen te laten vergeten dat door haar deelname aan het referendum, ook zij haar steentje bijdraagt aan het in stand houden van de illusie dat de arbeidersklasse haar toestand kan veranderen dank zij het stembiljet! Door te herhalen dat “de werkelijke vijanden hier binnen handbereik zijn [...] Het is niet Brussel, het zijn onze eigen kapitalisten, onze eigen regering die ons aanvallen!” (6), verdoezelt de goochelaar Lutte Ouvrière de werkelijke aard van de aanvallen om ze toe te schrijven aan de regering Raffarin en het patronaat als enig verantwoordelijke.
Dat komt doordat de huidige aanvallen de werkelijkheid van de klassentegenstellingen blootleggen; de voortdurende verslechtering van de toestand van het proletariaat in de maatschappij stemt de klasse tot nadenken. Dit zet de zogenaamde ‘vrienden van de arbeidersklasse’, links en ultra-links, er toe aan om dit embryo van bewustwording onmiddellijk in de kiem te smoren en de actiebereidheid van de arbeiders te gebruiken om ze in een impasse op te sluiten.
Dat de heersende klasse haar toevlucht neemt tot de boeman van het ‘ultra-liberalisme’ is een machtig middel om de toestand ondoorzichtig te maken en het bewustzijn van het proletariaat te benevelen. Want de werkelijke toestand van de kapitalistische economie moet voor het proletariaat verborgen blijven net als de ware oorzaak van het onvermijdelijke bankroet van het kapitalistisch systeem als geheel.
De doodlopende weg waarin het kapitalisme zich bevindt, maakt dat in alle landen de ‘welvaartstaat’ versneld wordt ontmanteld. Dat leidt tot de drastische verlaging van de kosten van de arbeidskracht, zowel door de verlaging van de lonen van diegenen die nog aan het werk zijn als door te besparen op de lasten van het onderhoud van de arbeidskracht die overtollig is geworden (de werklozen) of die niet meer productief genoeg zijn (de oudere arbeiders). Het is dezelfde logica die wordt opgelegd door de economische crisis waaraan sectoren als gezondheidszorg en onderwijs worden onderworpen. Gegrepen door de maalstroom van tegenstellingen die voortkomen uit de dodelijke crisis van haar systeem heeft de bourgeoisie slechts één politiek te bieden: die van de overuitbuiting, de grenzeloze toename van de armoede en de uitbreiding van de oorlogsbarbarij. In de hele wereld passen de regeringen van links en rechts hetzelfde type van maatregelen toe. Maatregelen die de regeringen van rechts en links, naargelang hun opeenvolgende regeringswissels, alleen vereeuwigen en verhevigen.
Voor de bourgeoisie dient het verbergen van de werkelijkheid om te verdoezelen dat zij niet eeuwig is, dat er een werkelijk alternatief bestaat, namelijk de revolutionaire opstand van het proletariaat. Tegenover de verheviging van de crisis is het voor haar absoluut noodzakelijk om te doen geloven, via de afschuw die het ‘ultra-liberalisme’ opwekt, dat er andere keuzen zouden bestaan voor een beter beheer van het kapitalistisch systeem, andere mogelijke oplossingen of wat verder nog bedacht kan worden om het te hervormen, om het mogelijk te maken dat het zijn innerlijke tegenstellingen te boven zou komen.
De arbeidersklasse mag zich niet laten vangen in de illusie dat er een alternatief bestaat binnen het kapitalisme, dat ze eraan zou kunnen sleutelen via een stembiljet of door vertrouwen te schenken aan diegenen die haar een betere toekomst beloven binnen het systeem. De arbeidersklasse mag zich niet laten afleiden van de noodzaak om zo verenigd en solidair mogelijk de strijd aan te gaan tegen alle aanvallen die ze te verduren krijgt.
De opbouw van Europa is geen inzet voor het proletariaat, het is er een voor zijn uitbuiters, voor de bourgeoisie. Wat er voor de bourgeoisie op het spel staat is de rol die Frankrijk en het Franse nationale kapitaal spelen in het Europese theater, zowel op economisch vlak als op dat van zijn imperialistische rangorde tegenover de andere machten van het werelddeel. Hun belangen zijn zeker niet die van het proletariaat. Het gaat om een zaak onder bourgeois. Al die poeha dient enkel om te verdelen, en tenslotte om de arbeidersklasse te vast te binden aan het nationaal belang en aan de staat, dat wil zeggen op het terrein van de burgerlijke orde waar haar eigen belangen altijd worden en zullen worden opgeofferd.
(1) Libération van 15 maart.
(2) Verklaring van Marie-George Buffet, algemeen secretaris van de PCF.
(3) Allen naar Guéret!, oproep van lcr-rouge.org van 3 maart.
(4) Olivier Besanemot, woordvoerder van de LCR, geciteerd door het AFP, 5 maart.
(5) Toespraak te Lille door A. Laguiller, geciteerd op het Forum van de vrienden van LO op Internet.
(6) Idem.
Na de openbare bijeenkomst van 2 oktober 2004 van het Internationaal Bureau voor de Revolutionaire Partij (IBRP) in Parijs, die werd gehouden met “politieke en materiële ondersteuning” van de ‘Interne Fractie van de IKS’ (IFIKS) - en waarover wij al verslag deden in het artikel Het IBRP in gijzeling genomen door herrieschoppers - werd de IKS opnieuw het slachtoffer van een lastercampagne. Deze campagne wordt internationaal georganiseerd, niet enkel door de parasitaire groep, de IFIKS, maar ook door het IBRP en een Argentijnse groep, die zichzelf onder de naam ‘Círculo de Comunistas Internacionalistas’ voorstelt en die beweert de opvolger te zijn van de ‘Núcleo Comunista Internacional’ (NCI), van wie de IKS meerdere bijdragen heeft gepubliceerd in haar pers. Zo zijn er:
Ook heeft het IBRP onlangs een antwoord gepubliceerd op ons artikel Het IBRP in gijzeling genomen door schooiers. Dit artikel getiteld Een antwoord op de stompzinnige beschuldigingen van een organisatie die uit elkaar valt is een ware oorlogsverklaring aan de IKS. In dit artikel bevestigt het IBRP, dat haar contact met de IFIKS “bestaat en verder zal worden aangehaald”. Deze tekst verdedigt niet alleen de zaak van de IFIKS, maar rechtvaardigt ook de diefstal van ons abonnementenbestand door deze zogenaamde fractie en keurt deze goed. Tegelijkertijd beweert het IBRP, dat het niet van plan is om tegenover de IKS of wie dan ook rekenschap af te leggen over zijn handelwijze. Dat betekent dat het weigert te antwoorden op vragen in onze brief van 2 Oktober, verspreid op de openbare bijeenkomst van het IBRP in Parijs en gepubliceerd op onze website: “Hoe is het mogelijk dat de uitnodiging van het IBRP voor de openbare bijeenkomst van 2 oktober in Parijs is terechtgekomen in de brievenbus van onze abonnees, die hun adres alleen aan de IKS hebben gegeven?”. Ons antwoord Diefstal en laster zijn geen methoden van de arbeidersklasse, in antwoord op die stellingname, verscheen eveneens op onze website en in Internationalisme, nr. 314-315. Verschillende andere punten die met deze aangelegenheid te maken hebben, vooral de briefwisseling met het IBRP, zijn al eerder op onze website gepubliceerd.
Onze abonnees hebben ook de weerzinwekkende tekst van de ‘Círculo’ over de IFIKS ontvangen, die onze adreslijsten heeft gestolen om zijn lastercampagne te kunnen ontwikkelen. Vandaag dwingen deze campagnes, waarbij het IBRP, de IFIKS en de ‘Círculo’ elkaar gevonden hebben, ons ertoe om opnieuw strijd te leveren tegen praktijken die vreemd zijn aan het proletariaat, zoals diefstal, verklikking en laster.
Op grond daarvan willen wij nogmaals herhalen wat we reeds op onze website stelden:
1. dat de drie verklaringen van de ‘Círculo’ uit Argentinië een web van leugens vormen;
2. dat deze ‘Círculo’ in tegenstelling tot wat hij beweert geen voortzetting van de NCI is. Hij is uit het niets ontstaan want hij heeft nergens het minste politieke argument geleverd om te kunnen verklaren waarom de NCI ertoe besloot van naam en standpunten te veranderen. Net zo min is er enig argument ter verklaring van de plotselinge bocht van 180 graden ten opzichte van de stellingname van de NCI waarin het destructieve gedrag van de IFIKS werd veroordeeld. Deze stellingname van de NCI is gepubliceerd in onze kranten en op onze website. Bovendien tonen de jongste verklaringen van de NCI, dat de ‘Círculo’ niet werd gevormd door alle kameraden van de NCI, maar slechts van één vroeger medelid, dat achter de rug van de overige kameraden om handelde. Bovendien bekrachtigt de jongste tekst van de NCI de politieke solidariteit met de IKS. Deze tekst werd met een inleiding van de IKS in onze kranten en op de website gepubliceerd. Een verdere bevestiging van de houding van de NCI kan men vinden in het jongste bericht van de IKS-delegatie in Argentinië, dat als bijlage op de website is te vinden.
Er dient ook op te worden gewezen dat de ‘Círculo’, die zich solidariseert met de IFIKS en het IBRP, op zijn website links maakt naar alle mogelijke stalinistische en ultralinkse groeperingen. Als de kameraden deze website raadplegen kunnen ze er zich van overtuigen dat wat wij zeggen klopt. Zo bestaat er voor de ‘Círculo’ een continuïteit van ‘marxistische schrijvers’ die reikt van Marx tot Mao en Che Guevara! De IKS verzekert hier andermaal dat het met de ‘Círculo’ niets gemeen heeft. Integendeel, we hebben hem van meet af aan aan de schandpaal genageld.
3. Als het IBRP, een organisatie van de Kommunistische Linkerzijde, er nu toe overgaat om campagnes tegen de IKS over te nemen en te ondersteunen die al twee jaar door de IFIKS worden gevoerd, dan volgt dit uit zijn opportunisme. En dit opportunisme heeft het IBRP er toe gebracht om een bondgenootschap aan te gaan met parasitaire groepen als de IFIKS.
Wij moeten een onderscheid maken tussen het opportunistische karakter van het IBRP en het parasitaire wezen van de IFIKS.
Alhoewel de IKS aan alle kanten omgeven wordt door dergelijke laster zal het zich door deze herrie niet van de wijs laten brengen. Dit verschijnsel is niet nieuw. De geschiedenis van de arbeidersbeweging staat vol van zulke gebeurtenissen, waarbij militanten als Marx, Lenin, Trotzki en revolutionaire organisaties het slachtoffer van laster werden. Dat maakt deel uit van de strijd niet alleen tegen het kapitalisme, maar ook tegen de infiltratie van burgerlijke methoden in de organisaties van het proletarische kamp (zoals dat vandaag bij het IBRP het geval is). De IKS zal zonder toegevingen en met geduld en volharding strijden voor de verdediging van de proletarische beginselen. Het is onze verantwoordelijkheid, deze strijd te voeren, niet alleen om ons zelf tegen zulke aanvallen zelf te verdedigen, maar ook om met de wapens van de kritiek, met het wapen van de marxistische methode te proberen het IBRP te redden zonder ons daarover al te veel illusies te maken, omdat wij niemand kunnen dwingen een andere weg in te slaan.
Wij roepen de kameraden die al lang aan onze zijde staan, op om hun vertrouwen in de IKS te behouden en ons te ondersteunen in deze strijd, zoals ze dat altijd hebben gedaan.
IKS / november 2004
Zie verder op deze website:
“Wij hebben gewonnen!”, zo scandeerde op de avond van 29 mei ‘het volk van links’ op het Bastille-plein te Parijs. “Deze overwinning is er vooral een van de arbeiders, van de bedienden, van de jongeren en de werklozen (die) elkaar gevonden hebben bij de stembus om deze liberale dwangbuis te verwerpen”, verklaarde de nationale secretaris van de stalinistische Parti Communiste Français en ze voegde er aan toe: “Deze overwinning werd opgebouwd (...) in een dynamiek van een volksoploop die deed denken aan de grote momenten van het Volksfront of van Mei 1968”; terwijl de trotskist Besancenot van de Ligue des Communistes Révolutionnaires sprak van “een beweging van sociale wraak”. In Nederland verklaarde de ‘democratische’ en ‘progressieve’ ‘Stichting Sociaal Europa’ in Nederland; “De afwijzing van deze grondwet geeft hoop aan de werklozen en mensen levend in armoede en bestaansonzekerheid. De hoop dat het nee tegen de neoliberale grondwet in Frankrijk en Nederland een omslag in de geschiedenis teweeg zal brengen die leidt tot een radicale heroriëntatie in de Europese politiek.” Een ander linksgeaard ‘Comité Grondwet Nee’ deed er nog een schepje bovenop: “Deze uitslag is ronduit gunstig voor de toekomst van Europa. De hoge opkomst en de vele discussies geven aan dat Europa leeft onder de bevolking, als de mensen er zelf maar werkelijk iets over te zeggen hebben. In twee van de drie landen waar een referendum is gehouden was er sprake van een hoge opkomst en een duidelijk afwijzen van de Grondwet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak is voor een democratisch en sociaal Europa.”
Links staat op de eerste rij om de overwinning van het NEEN voor te stellen als “een grote overwinning van de arbeidersklasse”. Leugens! De arbeidersklasse heeft niets gewonnen. Integendeel, de bourgeoisie heeft gebruik gemaakt van haar referendum om het klassenbewustzijn te bederven door te profiteren van de illusies die nog sterk leven binnen de arbeidersklasse ten aanzien van de democratie en de verkiezingen.
De proletariërs moeten er over nadenken dat wat hen altijd wordt voorgesteld als “grote arbeidersoverwinningen” steeds de grootste en de gevaarlijkste nederlagen betekenden voor hun klasse. Net zo was het in 1936, met het aantreden van de regering van het Volksfront in Frankrijk, dat vandaag nog steeds wordt voorgesteld als “een grote overwinning” voor de arbeiders, terwijl de regering van dat Volksfront de bourgeoisie in staat stelde om de arbeidersklasse massaal in te kaderen achter de vlag van het antifascisme ten gunste van de verschrikkingen en de afslachtingen van de Tweede Wereldoorlog. Het is in naam van de grote leugen van “de triomf van de dictatuur van het proletariaat in de USSR”, van “de overwinning van het socialisme in één land” en van “de vooruitgang bij de opbouw van een kommunistische maatschappij”, die een halve eeuw lang hele generaties van arbeiders meesleurde en opofferde op het altaar van de stalinistische contrarevolutie, achter een ideologie van de “verdediging van het socialistisch vaderland”, maar die ook uitgebuit, uitgemoord, gedeporteerd en gevangen werden gezet door datzelfde “vaderland van het socialisme”.
De proletariërs zijn met open ogen in de val gelopen waarbij het hen zó werd voorgesteld dat er met het referendum voor hen iets op het spel stond. Vandaag buit de bourgeoisie de situatie uit in haar eigen voordeel en het bewustzijn van de arbeiders te ondergraven door hen wijs te maken dat het stembiljet doeltreffender zou zijn dan de klassenstrijd, ook al kunnen de effecten van deze propaganda wel eens heel snel wegsmelten onder druk van de werkelijkheid.
De enorme en voortdurende tamtam rond het referendum, voor, tijdens en erna, heeft slechts één doel: de proletariërs de grove leugen doen slikken dat het meest doeltreffende middel om de bourgeoisie terug te dringen en om hun stem te laten horen en hun ongenoegen uit te drukken, niet de ontwikkeling van de klassenstrijd zou zijn maar het stembiljet. Zo winden de trotskisten van Offensief in Nederland er geen doekjes om: “Nadat de Nederlandse werkende bevolking in het najaar al had laten zien zich niet zomeer neer te leggen bij draconische bezuinigingsmaatregelen en afbraak van de verzorgingsstaat blijkt nu ook weer dat zij het beleid van het kabinet Balkenende spuugzat is. Op 2 oktober van het vorige jaar gingen meer dan 300.000 mensen uit protest tegen de kabinetsplannen de straat op in Amsterdam. Nu wordt andermaal een belangrijk politiek onderwerp van dit neoliberale kabinet naar de prullenmand verwezen.” (Website offensief: De stem tegen de Grondwet was een stem van de werkende mensen tegen de zakkenvullers).
Van extreem rechts tot ultralinks, had de niet aflatende ideologische trom, die naar hartelust drie maand lang werd geroerd, slechts de bedoeling om een maximum aan proletariërs aan te trekken en te ronselen op het verkiezingsterrein.
De bourgeoisie is er inderdaad in geslaagd om de aandacht van de arbeiders te trekken, de ergste verwarringen te zaaien om een maximum aan proletariërs naar het verkiezingsterrein te drijven. Het referendum was alomtegenwoordig in alle media. Het was onmogelijk om te ontsnappen aan de vinnige debatten, de vlammende polemieken omtrent wat er op spel zou staan bij deze stembusslag. Deze ideologische hersenspoeling moest elke ‘burger’, en vooral de proletariërs ervan overtuigen dat deze raadpleging absoluut cruciaal en bepalend was. Alle fracties van de bourgeoisie gingen er prat op dat ze “een groot democratisch debat” hebben kunnen lanceren en opluisteren. Maar het heeft als enig doel stuurloos te maken en in de hoofden van de arbeiders een maximum aan verwarring en illusies te zaaien. Alle media en politieke verantwoordelijken hebben het uitgeroepen: “stem wat je wilt, maar ga stemmen!” Het voornaamste ideologisch gif dat in deze campagne werd gespuid was dat “niets meer zal zijn als tevoren”, dat de kracht van het ‘nee’, gevoed door de sociale ontevredenheid tegenover de regeringen, de bourgeoisie er toe zou dwingen om van de sociale bekommernis het centrum van haar campagne te maken. Dat is gedeeltelijk waar, maar de enige bedoeling van die manoeuvre was de arbeiders in de democratische val te duwen, in de verkiezingsvalstrik, doordat deze campagne voordien terecht verveling en een totaal gebrek aan belangstelling opwekte in de arbeidersklasse. Maar vanaf het moment dat de regering er in slaagde om de ontevredenheid te kanaliseren rond een referendum, dat ze terughoudender zou worden door de richtlijn Bolkenstein in te trekken, is ze er in geslaagd om de democratische misleiding op het verkiezingsterrein tot nieuw leven te wekken. Maar denkt de bourgeoisie werkelijk ons te kunnen laten geloven dat in de periode ná het referendum alle voorrang zou worden gegeven aan het sociale? Meer dan ooit bestaat de toekomst die het kapitalisme ons biedt uit het versterken van de aanvallen tegen de arbeiders. Deze ideologische propaganda wil ons knollen voor citroenen verkopen, ons laten geloven dat de reactie van de ‘burgers’ de koers van het kapitalisme kan veranderen, de bourgeoisie kan doen buigen en de weg van het liberalisme en de bedrijfsdelocalisaties kan blokkeren. De regeringspolitiek zal geen haarbreed veranderen.
De belangrijkste doelstelling van de bourgeoisie ten opzichte van de proletariërs in om het even welke verkiezing is hen er toe te drijven het collectieve terrein van de strijd te verlaten om hun stem uit te brengen als ‘burger’, geatomiseerd, afgesneden van de klasse, in de terecht zo genoemde ‘isoleercel’ van het stemhokje, op een terrein van drijfzand, dat niet het hunne is maar dat van de bourgeoisie. Voor de arbeidersklasse is het verkiezingsterrein een ideologische valstrik die de ergste verwarringen moet zaaien en moet beletten dat zij haar klassenbewustzijn tot ontwikkeling brengt.
Dat is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw streden de arbeiders er voor en werden ze zelfs neergeschoten omwille van het algemeen stemrecht. Vandaag is het andersom. Het zijn de regeringen die alle middelen inzetten waarover ze beschikken opdat een maximum aantal mensen gaat stemmen. Waarom?
Tijdens de hele opkomstperiode van het kapitalisme waren de parlementen de plaats bij uitstek waar de verschillende fracties van de bourgeoisie elkaar bestreden of zich verenigden om hun belangen te verdedigen. Ondanks de gevaren en de illusies die dat met zich meebracht hadden de arbeiders er belang bij om in een periode waarin de proletarische revolutie nog niet op de dagorde stond zich te mengen in de botsingen tussen de burgerlijke fracties en soms bepaalde burgerlijke fracties te steunen tegen andere, om te proberen hun lot binnen het systeem te verbeteren. Zo dwongen de arbeiders in Engeland in 1848 de tien-urige werkdag af en in 1859 werd die ook in België ingevoerd; in 1865 werd de wet op de samenzwering ingetrokken (het recht om zich te organiseren), in Frankrijk werd het vakbondsrecht erkend in 1884, enzovoort.
Maar de toestand werd volslagen anders met het begin van de twintigste eeuw. De maatschappij is toen haar periode van permanente crisis en onvermijdelijke neergang binnengetreden. Het kapitalisme heeft de planeet veroverd en de wereld is verdeeld onder de grootmachten. Elke imperialistische grootmacht kan voortaan alleen nog maar nieuwe markten veroveren ten koste van anderen. Wat toen aanving was een nieuw “tijdperk van oorlogen en revoluties”, zoals in 1919 werd verkondigd door de Communistische Internationale. Het werd een tijdperk dat gekenmerkt zou worden door de economische ineenstortingen zoals de crisis van 1929, twee wereldoorlogen en de revolutionaire uitbarsting van het proletariaat in 1905 in Rusland, van 1917 tot 1923 in Rusland, Duitsland, Hongarije en Italië. Om het hoofd te bieden aan deze groeiende moeilijkheden, werd het kapitaal genoodzaakt om voortdurend de macht van haar staat te versterken. Bovendien neigt de staat er steeds meer naar om meester te worden van het geheel van het sociale leven en in de eerste plaats op het vlak van de economie. Deze ontwikkeling van de rol van de staat gaat vergezeld van een verzwakking van de wetgevende macht ten gunste van de uitvoerende. Zoals het Tweede Congres van de Communistische Internationale zei: “Het zwaartepunt van het huidige politieke leven is volledig en definitief uit het parlement verdwenen”.
Voor de arbeiders kan er geen sprake meer van zijn een plaats te veroveren binnen het kapitalisme, het gaat er om het omver te werpen omdat dit systeem niet meer in staat is hen duurzame hervormingen noch een lotsverbetering toe te staan.
Wat overblijft is een ideologische rol van het kiesrecht, die bepalend blijft. De misleidende rol van de parlementaire instellingen bestond reeds in de negentiende eeuw maar was toen bijkomstig, stond ten achter bij haar politieke functie. Vandaag is de misleiding de enige functie die nog overblijft voor de bourgeoisie: zij heeft ten doel te laten geloven dat de democratie het kostbaarste gedachtegoed is, dat het de uitdrukking is van de soevereiniteit van het volk, het komt neer op de vrijheid om zelf zijn uitbuiters te kiezen. De parlementaire democratie en vooral het bedrog van de democratische ideologie blijven het beste middel om het arbeidersbewustzijn te vergiftigen en het is het meest doeltreffende en gevaarlijkste ideologische wapen om het proletariaat te onderwerpen.
De aanvallen tegen de arbeiders gingen de laatste maanden steeds verder door en onmiddellijk na deze stembusslag zullen de proletariërs merken dat hun arbeids- levensvoorwaarden nog verder zullen aftakelen. De bourgeoisie probeert tijd te winnen om zo het moment van massaler confrontaties met het proletariaat uit te stellen. Ze moet steeds meer ideologische parades vinden en haar uiterste best doen om in de arbeidersklasse de ontwikkeling van het klassenbewustzijn over het bankroet van het kapitalistisch systeem af te remmen. Zoals we vorige maand nog schreven in onze pers in Frankrijk en in Nederland, “De stembusuitslag zal niets veranderen aan de toename van de anti-arbeiders aanvallen die door de nationale bourgeoisieën worden uitgevoerd, aan de versnelling van de aftakeling van de levensvoorwaarden van de proletariërs, aan de ontslagen, aan de bedrijfsdelocalisaties, aan de groei van de werkloosheid en de nepbaantjes, aan het snoeien in alle sociale begrotingen, aan de versnelde ontmanteling van de sociale bescherming. Het zijn allemaal producten van de crisis en verschijnselen van het bankroet van het kapitalistische systeem op wereldschaal.”
Tegenover de vrees voor de toekomst die in het centrum staat van de huidige bekommernissen van de arbeiders, ligt het antwoord niet op het terrein van de verkiezingen noch op dat van de democratie; het ligt in de ontwikkeling van de klassenstrijd, het enige terrein waarop de arbeiders de aanvallen van de bourgeoisie kunnen beantwoorden n
Wim & Lac / 6.06.2005
Afgelopen voorjaar heeft de IKS haar 16e congres gehouden. “Het Congres is het soevereine orgaan van de IKS” staat in onze statuten. Daarom is het zoals altijd onze verantwoordelijkheid tegenover de arbeidersklasse van een dergelijke belangrijke gebeurtenis verslag te doen en de voornaamste oriëntaties ervan naar voren te halen.
Afgelopen voorjaar heeft de IKS haar 16e congres gehouden. “Het Congres is het soevereine orgaan van de IKS” staat in onze statuten. Daarom is het zoals altijd onze verantwoordelijkheid tegenover de arbeidersklasse van een dergelijke belangrijke gebeurtenis verslag te doen en de voornaamste oriëntaties ervan naar voren te halen. (1)
De werkzaamheden van het congres hebben het onderzoek van de heropleving van de klassengevechten en de verantwoordelijkheden die deze heropkomst meebrengt voor onze organisatie in het centrum geplaatst, in het bijzonder ten aanzien van de ontwikkeling van een nieuwe generatie van elementen die zich richten op een revolutionair politiek perspectief. Tegelijkertijd blijft de oorlogsbarbarij zich ontketenen in een kapitalistische wereld die geconfronteerd wordt met een onoplosbare economische crisis; specifieke rapporten over de imperialistische conflicten en de crisis zijn tijdens het congres voorgesteld, bediscussieerd en goedgekeurd. De wezenlijke elementen van deze rapporten worden weergegeven in de resolutie over de internationale situatie.
Deze resolutie herinnert eraan dat de IKS de huidige historische periode analyseert als de ultieme fase van het verval van het kapitalisme, de fase van ontbinding van de burgerlijke maatschappij, waarin deze laatste bij levende lijve verrot. Zoals we al herhaaldelijk uiteengezet hebben komt deze ontbinding voort uit het feit dat geen van beide onverzoenlijk tegenover elkaar staande klassen van de maatschappij, bourgeoisie en proletariaat, erin slaagt om, tegenover de onherroepelijke historische ineenstorting van de kapitalistische economie, haar eigen antwoord door te zetten: de wereldoorlog voor de eerste, de kommunistische revolutie voor de tweede. Deze historische voorwaarden bepalen de wezenlijke kenmerken van het leven van de huidige burgerlijke maatschappij. Het is met name in het kader van deze analyse van de ontbinding dat we het voortduren en verergeren kunnen begrijpen van een hele reeks calamiteiten die de mensheid vandaag teisteren, in de eerste plaats de oorlogsbarbarij, maar ook andere verschijnselen zoals de onstuitbare vernietiging van het milieu of de rampzalige gevolgen van ‘natuurrampen’ zoals de tsunami van vorige winter. Deze historische voorwaarden die samengaan met de ontbinding drukken ook zwaar op het proletariaat en op zijn revolutionaire organisaties en vormen een van de voornaamste oorzaken van de moeilijkheden die onze klasse en onze organisatie sinds het begin van de jaren 1990 ondervinden, zoals we in voorgaande artikelen al vaak hebben aangetoond. (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 62)
Het 15e congres had vastgesteld dat de IKS haar crisis van 2001 overwonnen had, in het bijzonder omdat zij begrepen had dat die crisis een uitdrukking in onze eigen rangen was van de verderfelijke effecten van de ontbinding. Tegelijkertijd had het congres de moeilijkheden vastgesteld die de arbeidersklasse bleef ondervinden in haar strijd tegen de kapitalistische aanvallen, met name haar gebrek aan zelfvertrouwen.
Sinds dit congres echter, dat in het voorjaar van 2003 gehouden werd, kon de voltallige vergadering van het centraal orgaan van de IKS in de herfst van datzelfde jaar onderstrepen: “De grootschalige mobilisaties van het voorjaar 2003 in Frankrijk en Oostenrijk vertegenwoordigen een keerpunt in de klassenstrijd sinds 1989. Ze zijn een eerste stap van betekenis in het herstel van de strijdwil van de arbeidersklasse na de langste periode van terugval sinds 1968.” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 119)
Zo’n keerpunt in de klassenstrijd kwam niet als een verrassing voor de IKS, want het 15e congres kondigde dit vooruitzicht al aan. De resolutie over de internationale situatie die door het 16e congres is aangenomen, precizeert in dat verband: “De gevechten in de periode 2003-2005 hebben de volgende kenmerken vertoond:- zij betroffen belangrijke sectoren van de arbeidersklasse in landen in het hart van het wereldkapitalisme (zoals Frankrijk in 2003);- zij drukten een bekommernis uit om meer uitdrukkelijk politieke kwesties;- voor het eerst sinds de revolutionaire golf hebben zij Duitsland weer als centraal punt voor de arbeidersgevechten doen verschijnen;- de kwestie van de klassensolidariteit heeft zich op veel bredere en explicietere wijze gesteld dan op welk moment ook in de jaren 1980, met name in de recente bewegingen in Duitsland.”
De resolutie die het 16e congres heeft aangenomen stelt vast dat verschillende manifestaties van dit keerpunt in de krachtsverhouding tussen de klassen “samengegaan zijn met de opkomst van een nieuwe generatie van elementen die op zoek zijn naar politieke duidelijkheid. Deze nieuwe generatie heeft zich zowel gemanifesteerd in een nieuwe toevloed van openlijk gepolitiseerde elementen als in nieuwe lagen arbeiders die voor de eerste keer de strijd aangaan. Zoals bepaalde belangrijke manifestaties hebben duidelijk gemaakt, wordt op dit moment de basis gesmeed voor de eenheid tussen de nieuwe generatie en de ‘generatie van ‘68’ – zowel de politieke minderheid die in de jaren 1960 en 70 de kommunistische beweging heropbouwde als de bredere lagen arbeiders die de rijke ervaring van de klassenstrijd tussen 1968 en 89 hebben meegemaakt .”
De andere wezenlijke bekommernis van het 16e congres is dan ook geweest om onze organisatie opgewassen te maken tegen haar verantwoordelijkheid tegenover de opkomst van deze nieuwe elementen die zich oriënteren op de klassenstandpunten van de Kommunistische Linkerzijde. Dat brengt met name de activiteitenresolutie die het congres heeft aangenomen tot uitdrukking:
“De strijd om de nieuwe generatie te winnen voor de klassenstandpunten en voor het militantisme staat vandaag centraal in al onze activiteiten. Dat geldt niet alleen voor onze tussenkomst, maar voor het geheel van onze politieke overdenking, van onze discussies en van onze militante bekommernissen.”
Dit werk van hergroepering van nieuwe militante krachten omvat met name hun verdediging tegen alle pogingen om hen te vernietigen of in impasses te leiden. En die verdediging kan enkel tot een goed einde gebracht worden wanneer de IKS zichzelf weet te verdedigen tegen de aanvallen waarvan zij het doelwit is. Het vorige congres had reeds vastgesteld dat onze organisatie in staat was gebleken de bijzonder ongerechtvaardigde aanvallen van de IFIKS (2) af te slaan, waardoor deze haar verklaarde doel niet konden bereiken, namelijk de IKS te vernietigen, of tenminste het grootst mogelijke aantal afdelingen ervan. In oktober 2004 heeft de IFIKS een nieuwe aanval tegen onze organisatie ondernomen, waarbij ze zich baseerde op de lasterlijke verklaringen van een ‘Circulo de Comunistas Internacionalistas’ in Argentinië, die zich voorstelde als de opvolger van de ‘Nucleo Comunista Internacional’ (NCI) waarmee de IKS sinds eind 2003 discussies en contacten ontwikkeld had. Spijtig genoeg heeft het IBRP zijn steentje bijgedragen aan dit schandalige manoeuvre door in verschillende talen één van de meest leugenachtige en hysterische verklaringen van deze ‘Circulo’ tegen onze organisatie te publiceren, en die maandenlang op de IBRP-website te laten staan. Door omgaand documenten op onze internetsite te publiceren hebben we deze aanval kunnen afslaan en de aanvallers tot zwijgen kunnen brengen. De ‘Circulo’ werd ontmaskerd voor wat zij was: een fictie uitgevonden door burger B., een armzalig avonturier op het zuidelijk halfrond. Want de strijd tegen dit offensief van de ‘triple alliantie’ van avonturisme (B.), parasitisme (IFIKS) en opportunisme (IBRP) was tegelijk een strijd voor de verdediging van de NCI als inspanning van een kleine kern kameraden om inzicht te ontwikkelen in de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde en een band te smeden met de IKS. (3)
Voor dit werk gericht op zoekende elementen, moet de IKS een vastberaden tussenkomst voeren. Maar zij moet ook alle aandacht geven aan de diepgang van de argumentatie die in discussies naar voren wordt gebracht, en aan de kwestie van het politieke gedrag. Anderzijds moet het opkomen van nieuwe kommunistische krachten een sterke aansporing zijn voor de overdenking en de energie, niet alleen van de militanten, maar ook van de elementen die getroffen werden door de teruggang van de arbeidersklasse vanaf 1989: “De gevolgen van de huidige historische ontwikkelingen zullen een gedeelte van de generatie van 1968 opnieuw politiseren, elementen die eerder afgeleid en vergiftigd werden door burgerlijk links. Die gevolgen hebben al oude militanten terug in beweging gebracht, niet alleen van de IKS, maar ook van andere proletarische organisaties. Elk van de manifestaties van deze fermentatie vertegenwoordigt een kostbaar potentieel voor het opnieuw verwerven van de klassenidentiteit, de strijdervaring, en het historisch perspectief van het proletariaat. Maar deze verschillende potentiëlen kunnen zich maar realiseren wanneer ze samengebracht worden door een organisatie die het historisch bewustzijn, de marxistische methode en de organisatorische aanpak vertegenwoordigt die vandaag alleen de IKS kan bieden. Dat maakt de voortdurende ontwikkeling van de historische capaciteiten met het oog op de lange termijn, het militante begrip en de centralisatie van de organisatie tot cruciale elementen voor het historisch perspectief.”
Het congres heeft het grote belang onderstreept van het theoretische werk in de huidige situatie: “De organisatie kan slechts aan haar verantwoordelijkheden voldoen, zowel tegenover de revolutionaire minderheden, als tegenover de klasse in haar geheel, wanneer ze in staat is het proces te begrijpen dat de toekomstige partij voorbereidt in de bredere context van de algemene evolutie van de klassenstrijd. Het vermogen van de IKS om de veranderende krachtsverhouding tussen de klassen te analyseren, om tussen te komen in de gevechten en in de politieke overdenking in de klasse, is van belang voor de evolutie van de klassenstrijd op lange termijn. Maar vandaag al, op de korte termijn, is het cruciaal voor de verovering van onze leidende rol jegens de nieuwe gepolitiseerde generatie. De organisatie moet deze theoretische overdenking voortzetten, zoveel mogelijk concrete lessen trekken uit haar tussenkomst, en de schema’s van het verleden voorbijstreven.”
Tenslotte heeft het congres bijzondere aandacht besteed aan de kwestie die het platform van onze organisatie afsluit: “De verhoudingen tussen de verschillende delen van de organisatie en de verschillende militanten vertonen noodzakelijkerwijs de sporen van de kapitalistische maatschappij en kunnen daarom geen eilandje van kommunistische verhoudingen binnen het kapitalisme vormen. Toch mogen zij niet in flagrante tegenspraak zijn met het doel dat de revolutionairen nastreven en zij baseren zich noodzakelijkerwijs op een onderlinge solidariteit en een wederzijds vertrouwen, die erop wijzen dat de organisatie tot de klasse behoort die draagster is van het kommunisme.”
Een dergelijke vereiste vraagt, net als alle andere vereisten waaraan een marxistische organisatie het hoofd moet bieden, om theoretische overdenking:
“In die mate dat de organisatievraagstukken en de kwesties van politiek gedrag vandaag centraal staan in de debatten binnen en buiten de organisatie, zal de discussie van de verschillende oriëntatieteksten [die deze onderwerpen behandelen]een centrale krachtlijn van ons theoretisch werk in de komende twee jaar vormen. Deze vraagstukken leiden ons naar de wortels van de recente organisatorische crises, ze raken de fundamentele basis van ons militante engagement, en vormen centrale kwesties van de revolutie in het tijdperk van de ontbinding. Ze zijn dus geroepen om een centrale rol te spelen in de hernieuwing van de militante overtuiging en in het herwinnen van de smaak voor de theorie en voor de marxistische methode, die ieder vraagstuk met een historische en theoretische benaderingswijze behandelt.”
De congressen van de IKS zijn altijd momenten van enthousiasme voor het geheel van haar leden. Hoe zou het ook anders kunnen wanneer militanten uit drie continenten en dertien landen, gedreven door dezelfde overtuiging, elkaar ontmoeten om samen te discussiëren over de vooruitzichten van de historische beweging van het proletariaat. Maar het 16e congres was nog meer enthousiasmerend dat de meeste vorige.
Gedurende bijna de helft van de 30 jaar van haar bestaan, beleefde de IKS een terugval in het bewustzijn van het proletariaat, de verstikking van zijn strijd en de uitdroging van de toestroom van nieuwe militante krachten. Gedurende meer dan tien jaar was één van de centrale ordewoorden van onze organisatie ‘standhouden’. Het was een moeilijke beproeving en een aantal van haar ‘oude’ militanten heeft deze niet doorstaan (met name degenen die de IFIKS gevormd hebben, en zij die de strijd opgegeven hebben tijdens de crises die we in de loop van deze periode hebben gekend).
Vandaag, nu het vooruitzicht opklaart, kunnen we zeggen dat de IKS als geheel de test doorstaan heeft en dat ze er versterkt uit te voorschijn is gekomen. Een politieke versterking, zoals de lezers van onze pers kunnen vaststellen (die ons een toenemend aantal aanmoedigende brieven sturen). Maar ook een numerieke versterking aangezien het aantal nieuwe toetredingen vandaag het aantal ontslagen dat we met de crisis van 2001 moesten verwerken overtreft. En wat daarbij opmerkelijk is, is dat een aanzienlijk deel van die nieuwe leden jonge elementen zijn, die niet de misvormingen hebben moeten ondergaan en te boven komen van militantisme in ultralinkse organisaties. Jonge elementen wier dynamisme en enthousiasme honderd keer de vermoeide en opgebruikte ‘militante krachten’ vervangen die ons hebben verlaten.
Het enthousiasme op het 16e congres was een lucide enthousiasme. Het had niets te maken met de bedrieglijke euforie die we meemaakten op andere congressen van onze organisatie (een euforie die in het bijzonder werd uitgedragen door degenen die ons ondertussen verlaten hebben). Na 30 jaar heeft de IKS geleerd (4), soms met smart, dat de weg die naar de revolutie leidt geen snelweg is, maar een bochtige weg, vol klemmen en voetangels, en bezaaid met valstrikken die de heersende klasse gereed houdt om haar doodsvijand, de arbeidersklasse, af te leiden van zijn historische doel. De leden van onze organisatie weten vandaag maar al te goed dat militeren geen gemakkelijke zaak is. Het vraagt niet alleen een stevige overtuiging, maar ook veel zelfopoffering, volharding en geduld.
Het bewustzijn van de moeilijkheid van onze taak ontmoedigt ons echter niet. Integendeel, het is een factor die ons enthousiasme nog vergroot.
Op dit moment vertoont het aantal deelnemers aan onze openbare bijeenkomsten een aanzienlijke groei, terwijl we een toenemend aantal brieven ontvangen uit Griekenland, Rusland, Moldavië, Brazilië, Argentinië, Algerije, waarin mensen zich direct kandidaat stellen om lid te worden van onze organisatie, voorstellen om discussies aan te knopen of eenvoudigweg om publicaties vragen, maar altijd in een militant perspectief. Al deze elementen staan ons toe te hopen op een ontwikkeling van de aanwezigheid van kommunistische standpunten in landen waar de IKS nog geen afdeling heeft, of zelfs op de oprichting van nieuwe afdelingen in die landen. Wij begroeten de kameraden die zich richten op de kommunistische standpunten en op onze organisatie. Wij zeggen hen: “Jullie hebben de juiste keuze gemaakt, de enig mogelijke wanneer je het vooruitzicht hebt je te integreren in de strijd voor de proletarische revolutie. Maar het is niet de gemakkelijkste keuze: je zult geen snelle successen behalen, er zal geduld nodig zijn en doorzettingsvermogen, en je moet je niet laten ontmoedigen wanneer de bereikte resultaten niet beantwoorden aan jullie verwachtingen. Maar jullie staan niet alleen: de huidige militanten van de IKS staan aan jullie zijde en zijn zich bewust van de verantwoordelijkheid die jullie toenadering voor hen meebrengt. Hun wil, die zij op het 16e congres tot uitdrukking hebben gebracht, is om opgewassen te zijn tegen deze verantwoordelijkheid.” n
IKS
(1) Een uitvoeriger verslag van het werk van dit congres is verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 122.
(2) De zogenaamde ‘Interne fractie van de IKS’, samengesteld uit militanten die lange tijd deel uitmaakten van onze organisatie, die zich begonnen te gedragen als hysterische fanatiekelingen op zoek naar zondebokken, als boeven en tenslotte als verklikkers.
(3) Zie in dit verband ons artikel ‘Nucleo Comunista Internacional: een inspanning tot bewustwording van het proletariaat in Argentinië’ in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 120.
(4) Of beter gezegd opnieuw geleerd, want het was een les waarvan de kommunistische organisaties in het verleden zich zeer goed bewust waren, in het bijzonder de Italiaanse fractie van de Kommunistische Linkerzijde, waarop de IKS zich beroept.
In het voorjaar greep de bourgeoisie de gelegenheid van het referendum over de “Grondwet van de Europese Unie” met beide handen aan om een propagandaslag te voeren die pas een maand na het referendum van 1 juni weer een beetje verstomde. De hele grondwet-campagne werd gekenmerkt door heftig gekrakeel over het ‘ja’ dan wel ‘nee’. Aan de ene kant riep de nationale regering ertoe op vóór te stemmen en daarmee haar eigen pogingen om Europa voor eigen doeleinden te gebruiken te ondersteunen. Aan de andere kant was er het populistische geschreeuw (met name van de linkse SP) om tegen te stemmen en zo een halt toe te roepen aan de ‘arrogante neoliberale politiek’ die Europa aan het arme Nederland zou opleggen.
In dit concert werd er in het ‘ja’-kamp door links vooral benadrukt dat het mogelijk zou zijn om een ‘sociaal Europa’ te handhaven en de ‘sociale samenhang’ te beschermen. Aan de andere kant wordt het zo voorgesteld alsof het kleine Nederland beter kan meedoen omdat het anders verpletterd wordt door grotere machten als Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Daartegenover speelden de populisten van links en rechts in het ‘nee’-kamp vooral in op de angst, de wanhoop en de onzekerheid over de toekomst binnen de bevolking in het algemeen en de arbeidersklasse meer in het bijzonder. Toen de meerderheid van de stemmers zich had uitgesproken tegen de Europese grondwet, kon Harry van Bommel voor een enthousiaste SP-aanhang luidkeels uitroepen: “We hebben gewonnen!”
Het ‘nee’ in Frankrijk en Nederland wordt voorgesteld als ‘volksoverwinning’ door middel van de stembus. Natuurlijk bestaan er meningsverschillen tussen de verschillende fracties binnen de burgerlijke staat over hoe de belangen van het nationale kapitaal het best verdedigd kunnen worden. Maar in het algemeen organiseert en controleert de bourgeoisie het electorale karnaval om een resultaat te bereiken dat overeenstemt met haar behoeften als heersende klasse. Dat kan mis gaan, zoals in 2002 werd aangetoond door de opkomst van het rechts-populisme rond Pim Fortuyn. Maar daarmee wordt de kapitalistische orde niet ter discussie gesteld. De arbeidersklasse kan zulke zwakheden van de bourgeoisie niet in eigen voordeel gebruiken om een alternatief voor de burgerlijke politiek op te leggen. Wie de verkiezingen ook wint zal gedwongen zijn in grote lijnen dezelfde arbeidersvijandige staatspolitiek te voeren. De ‘democratische’ of welke andere burgerlijke staat dan ook verdedigt per definitie de belangen van de heersende klasse en van het nationale kapitaal.
De verkiezingen dienen vooral om ons de illusie te geven dat we iets te kiezen hebben. Het referendum moest de arbeiders ervan overtuigen dat ‘het opbouwen van Europa’ belangrijk is voor hun toekomst en voor die van hun kinderen. Maar waarom het met betrekking tot de nieuwe grondwet vooral ging was het getouwtrek van de huidige Europese lidstaten om zoveel mogelijk van hun invloed binnen de Europese instellingen te behouden als de Unie wordt uitgebreid tot 25 leden, waardoor de invloed van ieder afzonderlijk land zal verminderen. De arbeidersklasse heeft er geen belang bij deel te nemen aan die belangenstrijd tussen de verschillende fracties van de heersende klasse. De Europese Grondwet sanctioneert vooral bestaand beleid dat niets te maken heeft met de belangen van de arbeidersklasse, die in gelijke mate uitgebuite klasse blijft of er nu vóór of tégen wordt gestemd. En als het ‘nee’ vervelend was voor de bourgeoisie, en als daarin de regeringspolitiek werd afgewezen door de frustraties in de stembus te deponeren, dan nog heeft de arbeidersklasse niets gewonnen bij zo’n uitlaatklep voor de opgekropte onvrede, integendeel. Want heel de campagne versterkt enkel de illusie dat in het nationale of Europese parlement haar belangen toch nog vertegenwoordigd zouden kunnen worden. We zagen hetzelfde gebeuren in Duitsland, waar de arbeiders werden aangespoord om de linkse regering Schröder af te straffen in de regionale verkiezingen in Noordrijn-Westfalen.
In productiewijzen die in verval raken geven de heersende klassen de uitgebuiten weloverwogen de gelegenheid om stoom af te blazen tijdens carnavalsdagen waarop alles is toegestaan, in opwindende gladiatorengevechten en demagogisch gemanipuleerde volksraadplegingen. Het ‘uitgaansleven’, de media, sportevenementen en het electorale circus dienen nu belangrijkste uitlaatkleppen voor de arbeiderswoede. De bourgeoisie stort ons niet alleen in verpaupering maar vernedert ons door haar ‘spelen en verkiezingscircussen’ n
Fernando / 9.09.2005
Iedereen heeft de beelden van de ramp gezien. Opgezwollen lijken die in stinkend water drijven in New Orleans. Een oudere man voorovergebogen in een tuinstoel, dood als gevolg van de hitte en gebrek aan voedsel en water, terwijl eromheen andere overlevenden wegkwijnen. Moeders met jonge kinderen die in de val zitten met drie dagen niets te eten of te drinken. Chaos bij de vluchtelingencentra waar de autoriteiten de slachtoffers heen hadden gestuurd omwille van de veiligheid. Deze tragedie zonder weerga heeft zich niet afgespeeld in de een of andere armoedige uithoek van de ‘Derde Wereld’, maar in het hart van de grootste imperialistische en kapitalistische macht ter wereld.
Toen afgelopen december Azië door de tsunami werd getroffen, betichtten de bourgeoisieën van de rijke landen de arme landen van politieke incompetentie omdat ze niet tijdig hadden gereageerd op de waarschuwingen. Deze keer zijn dergelijke uitvluchten er niet. Vandaag staan er geen rijke landen tegenover arme landen, maar rijken tegenover armen. Toen het bevel werd gegeven om New Orleans en de rest van de Golfkust te evacueren, was het een typisch kapitalistische kwestie van ‘ieder voor zich’. Wie een auto bezat en de plotseling omhoog vliegende benzineprijzen kon betalen week uit naar het noorden en westen, en zocht een heenkomen in hotels, motels of bij vrienden en familie. Maar de armen, de ouderen en de zieken zaten meestal klem in de storm en konden niet vluchten. In New Orleans stelden de plaatselijke autoriteiten het Superdome stadion en het congrescentrum open als schuilplaats tegen de storm, maar voorzagen niet in hulpverlening, voedsel, water of opzicht, toen duizenden, voor het overgrote deel zwarte mensen naar binnen drongen en aan hun lot werden overgelaten. Voor de rijken die in New Orleans achterbleven was de situatie heel anders. Gestrande toeristen en VIPs die in vijfsterrenhotels naast de Superdome verbleven, hingen rond in weelde en genoten de bescherming van gewapende politieagenten die het gepeupel op afstand hielden.
In plaats van de distributie van voedsel- en watervoorraden te organiseren die in de winkels en opslagplaatsen van de stad voorradig waren, zag de politie werkloos toe toen arme mensen begonnen te ‘plunderen’ en eerste levensbehoeften begonnen uit te delen. Ongetwijfeld probeerden lompenelementen een slagje te slaan en elektronica, geld en wapens te stelen, maar dit verschijnsel begon als een poging om te overleven onder de meest ontmenselijkende condities. Tegelijkertijd beveiligden politieagenten met geweren in de aanslag employees die door een luxe hotel naar een nabijgelegen apotheek waren gestuurd om water, voedsel en medicijnen bij elkaar te scharrelen voor de rijke hotelgasten. Een politieagent verklaarde dat dit geen plunderen was, maar een inbeslagname door de politie, wat in noodgevallen is toegestaan! Het verschil tussen ‘plunderen’ en ‘in beslag nemen’ is het verschil tussen arm zijn en rijk zijn in de Verenigde Staten van vandaag.
Het falen van het kapitalisme om deze crisis te beantwoorden met ook maar een schijn van menselijke solidariteit toont aan dat de kapitalistische klasse niet langer geschikt is om te heersen, dat haar productiewijze vastzit in een proces van sociale ontbinding – letterlijk levend wegrot – dat het voor de mensheid slechts een toekomst van dood en vernietiging in het verschiet heeft. De chaos die in de afgelopen jaren land na land heeft verzwolgen in Afrika en Azië is een voorproefje van de toekomst die het kapitalisme zelfs voor de geïndustrialiseerde landen in voorraad heeft, en New Orleans toont ons vandaag een glimp van deze sombere toekomst.
Als altijd is de bourgeoisie er als de kippen bij om met alle mogelijke alibi’s aan te komen om haar misdaden en eigen falen te verontschuldigen. Er wordt gejengeld dat ze doen wat ze kunnen, dat het om een natuurramp gaat en niet om een ramp door mensenhand veroorzaakt; dat niemand de ergste natuurcatastrofe in de geschiedenis van de natie had kunnen voorzien; dat niemand voorzag dat de dijken zouden breken. Critici van de regering, zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten, schuiven de schuld voor het omvormen van een natuurramp in een sociale onheil op de incompetentie van het Bush-regime. Niets van dit geklets doet er toe. Het probeert alleen de aandacht af te leiden van de waarheid dat het kapitalistische systeem zelf verantwoordelijk is.
‘We doen alles wat we kunnen’ wordt zienderogen de meest gebruikte dooddoener uit de burgerlijke propagandavoorraad. Ze doen ‘alles wat ze kunnen’ om de oorlog in Irak te beëindigen, de economie te verbeteren, het onderwijs te verbeteren, om een einde te maken aan de misdaad, om de Space Shuttle veilig te maken, om de drugs te stoppen, en ga zo maar door. Er bestaat niets anders en er is ook niet meer dat ze zouden kunnen ondernemen. Je zou bijna gaan denken dat de regering nooit beleidskeuzen gemaakt heeft, nooit de mogelijkheid heeft gehad om alternatieven uit te proberen. Wat een nonsens. Ze voeren een beleid dat ze bewust kiezen – met duidelijk rampzalige gevolgen voor de maatschappij.
Voor wat betreft het argument van natuurcatastrofe versus een door mensen veroorzaakte ramp: zeker, de orkaan Katrina was een natuurkracht, maar de omvang van de natuurramp en van de sociale catastrofe was niet onvermijdelijk. Het was in ieder opzicht veroorzaakt en mogelijk gemaakt door het kapitalisme en zijn staat. De huidige toenemende destructiviteit van natuurrampen is wereldwijd aantoonbaar een gevolg van het roekeloze economische- en milieubeleid dat het kapitalisme voert in zijn onophoudelijke jacht naar winst. Of het nu gaat om het achterwege blijven van het toepassen van beschikbare technologie om de mogelijkheid van tsunamis in de gaten te houden en bedreigde bevolkingen tijdig te waarschuwen, of het nu gaat om het rooien van moerasbossen in ‘derde wereldlanden’ waardoor de vernietiging door moesson-overstromingen verergert, of dat het nu gaat om de onverantwoordelijke vervuiling van de aardatmosfeer door de uitstoot van ‘broeikas’-gassen, die de globale opwarming versterkt en mogelijk bijdraagt aan globale klimaatontwrichtingen. Voor wat betreft het laatste bestaat er aanzienlijk bewijs dat de globale opwarming heeft geleid tot stijgingen van de watertemperatuur en tot een toename van het aantal tropische depressies, stormen en orkanen in de afgelopen jaren. Toen Katrina Florida trof was het slechts een orkaan van de eerste categorie, maar na een week lang boven de Golf van Mexico te hebben gehangen, die een watertemperatuur van bijna 33°C heeft, bouwde zij zich op tot een storm van categorie vijf, met windsnelheden tot 280 kilometer per uur voordat zij de golfkust trof.
De ultra-linksen zijn alvast begonnen om op de banden van Bush met de energiesector te wijzen en zijn oppositie tegen de Kyoto-protocollen verantwoordelijk te maken voor de Katrina-catastrofe. Maar deze kritiek aanvaardt de uitgangspunten van het ‘debat’ binnen de kapitalistische klasse; alsof de toepassing van de Kyoto-overeenkomst werkelijk de effecten van de globale opwarming zou kunnen omkeren, en alsof de bourgeoisieën die vóór de Kyoto-protocollen zijn daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in een vernieuwing van kapitalistische productiemethoden. Erger nog, zij vergeten dat het de regering Clinton was die, hoewel zij zich als milieuvriendelijk voordeed, als eerste de Kyoto-overeenkomst afwees. De weigering om de globale opwarming aan te pakken is het standpunt van de Amerikaanse bourgeoisie, en niet alleen van de regering Bush.
New Orleans, met een bevolking van bijna 600.000 mensen, en met voorsteden met nog meer inwoners, is grotendeels onder zeeniveau gebouwd; daardoor is het kwetsbaar voor vloedwater van de Mississippi-Rivier, van het Pontchartrain Meer en van de Golf van Mexico. De genietroepen van het leger van de Verenigde Staten ontwikkelden en onderhielden sinds 1927 een dijkensysteem om de jaarlijkse overstromingen van de Mississippi tegen te gaan. Dit maakte het mogelijk om industrie en landbouw naast de rivier te laten gedijen, en New Orleans kon groeien, maar het stopte de toevoer van natuurlijke sedimenten en grond die de wadden en moerassen van de Mississippi-delta aan de riviermonding vulden. Dit betekent dat deze wadden, die een natuurlijke bescherming vormden, gevaarlijk erodeerden, wat de stad kwetsbaarder maakte voor overstromingen vanuit zee. Dit was geen ‘natuurverschijnsel’, maar is door mensen in de hand gewerkt.
Het was ook geen natuurkracht die de Nationale Garde van Louisiana uitputte, die voor een groot deel voor de oorlog in Irak is gemobiliseerd. In de eerste drie dagen na de dijkdoorbraken waren er slechts 250 man beschikbaar voor hulp aan politie en brandweer in reddingsoperaties. Uit de staat Mississippi is een nog groter deel van de gardisten in Irak gelegerd.
Het argument dat deze ramp onvoorzien was, is ook al onzinnig. Wetenschappers, ingenieurs en politici hebben nu al bijna honderd jaar lang gedebatteerd over hoe de kwetsbaarheid van New Orleans voor orkanen en overstromingen aan te pakken. Halverwege de jaren 1990 ontwikkelden verschillende groepen wetenschappers en ingenieurs rivaliserende plannen, die tenslotte in 1998, tijdens de regering Clinton, tot een voorstel ‘Kust 2050’ leidden. Dit plan vroeg om een versterking en herbouw van de bestaande dijken, het aanleggen van een sluizensysteem en van nieuwe kanalen om de sedimentatie van de wadden in de delta te herstellen. Het had een prijskaartje van 14 miljard dollar aan investeringen voor een periode van tien jaar. Het plan haalde het niet in Washington tijdens Clinton’s ambtsperiode, en niet tijdens die van Bush. Verleden jaar vroeg het geniekorps om 105 miljoen dollar voor orkaan- en overstromingsmaatregelen in New Orleans, maar de regering keurde slechts 42 miljoen goed. Tezelfdertijd keurde het Congres de uitgave van 231 miljoen dollar goed voor de bouw van een brug naar een klein, onbewoond eiland in Alaska.
Een andere weerlegging voor het alibi dat ‘niemand voorzag’ is dat op de vooravond van de nadering van de orkaan de directeur van de FEMA (Federal Emergency Management Administration; het Federaal Beheer van Noodmaatregelen), Michael D. Brown in televisie-interviews opschepte dat hij na de tsunami in Zuid-Azië een noodplan had laten ontwerpen voor een rampenscenario in New Orleans, en dat de FEMA erop vertrouwde dat zij iedere eventualiteit aankon. Berichten uit New Orleans geven aan dat dit FEMA plan een beslissing bevatte om vrachtwagens met gratis aangeboden flessenwater terug te sturen, de aflevering van een paar duizend liter dieselbrandstof door de kustwacht te weigeren, en om noodcommunicatielijnen van de plaatselijke politieautoriteiten in de voorsteden van New Orleans te verbreken. Brown bestond het zelfs om inactiviteit bij het redden van de 25.000 mensen in het congrescentrum te excuseren door te zeggen dat de federale autoriteiten zich pas laat in de week van deze mensen bewust werden, alhoewel de nieuwsmedia al drie of vier dagen lang op televisie verslag deden van de situatie.
Terwijl burgemeester Ray Nagin, een democraat, de federale inactiviteit scherp aanklaagde, deden zijn plaatselijke ambtenaren geen enkele poging om voor een veilige evacuatie van de armen en ouderen te zorgen, namen zij geen verantwoordelijkheid op zich voor de distributie van voedsel en water, voorzagen zij niet in de bevoorrading of de beveiliging van de evacuatiecentra, en gaven de stad over aan chaos en geweld.
Miljoenen arbeiders zijn bewogen door het gruwelijke lijden aan de Golfkust en zijn hevig verontwaardigd over de gevoelloosheid van de officiële respons. In het bijzonder bij de arbeidersklasse bestaat er een geweldig gevoel voor werkelijke menselijke solidariteit met de slachtoffers van deze calamiteit. Terwijl de bourgeoisie haar medeleven betuigt al naar gelang het ras of de economische status van de slachtoffers, bestaat voor de meeste Amerikaanse arbeiders een dergelijk onderscheid niet. Zelfs wanneer de bourgeoisie vaak het racisme gebruikt om witte en zwarte arbeiders onderling te verdelen, en verschillende zwarte nationalistische leiders het kapitalisme een dienst proberen te bewijzen door erop te hameren dat de crisis in New Orleans een probleem is van zwart tegen blank, is het lijden van arme arbeiders en van de onderklasse in New Orleans een verschrikking voor de arbeidersklasse. Voor de bourgeoisie is de regering-Bush ongetwijfeld een armzalige ploeg, geneigd tot dwaasheid, loze gebaren en een trage respons in de huidige crisis. Dit zal haar toenemende impopulariteit versterken. Toch is de regering-Bush geen bedrijfsongeval. Zij weerspiegelt de grimmige werkelijkheid van een neergaande supermacht die de leiding heeft over een ‘wereldorde’ die in chaos verzinkt. Oorlog, hongersnoden en ecologische rampen, dat is de toekomst die het kapitalisme voor ons in petto heeft. Wanneer er enige hoop bestaat voor de toekomst van de mensheid, schuilt die in de ontwikkeling van het bewustzijn en het begrip van de werkelijke aard van de klassenmaatschappij door de wereldarbeidersklasse, die haar historische verantwoordelijkheid zal opnemen. Zij zal dit anachronistische, destructieve systeem aan de kant zetten om het te vervangen door een revolutionaire maatschappij onder haar controle, waarin werkelijke menselijke solidariteit en de bevrediging van menselijke behoeften het leidende beginsel zijn.
Internationalism (USA) / 04.09.2005
Onze open brief getiteld De weigering om de IKS toe te laten op de alternatieve boekenbeurzen te Gent en Utrecht hebben we onder andere uitgedeeld op de anarchistische Pinksterlanddagen van mei 2005 in Appelscha. We roepen zo op om een standpunt in te nemen en proberen een debat te openen. Hieronder volgen de belangrijkste delen daaruit. We ontvingen al enkele schriftelijke en mondelinge reacties die we begroeten, en waaruit we hieronder de belangrijkste passages weergeven. Tenslotte willen we ingaan op de gestelde vraag wat we onder ‘officieel anarchisme’ verstaan.
“Er is nu al meerdere jaren geweigerd de IKS als standhouder toe te laten op de alternatieve boekenbeurs te Gent net als op de anarchistische beurs in Utrecht. Verschillende jaren deden de organisatoren alsof onze aanvraag te laat zou zijn ingediend, of er gebrek was aan plaats, enzovoort. Een beetje sterk. Toen we aandrongen antwoordden de organisatoren dat we niet passen in het door hen gewenste anarchistische profiel. [...] Na hun administratieve uitvluchten liegen de organisatoren bewust als ze hun weigering rechtvaardigen met ideologische redenen (we zouden niet het profiel hebben). Wie heeft op deze beursen niet de aanwezigheid gezien van stands, publicaties, groepen en verenigingen die openlijk sociaal-democratisch zijn, stalinistisch of nationalistisch... en die in het geheel geen ‘anarchistisch profiel’ hebben. Waarom wordt dan de IKS uitgesloten, een organisatie die zich beroept op het proletarisch internationalisme en die alle nationalistische ideologieën, op welke etnische, historische of religieuze voorwendsels die ook gebaseerd zijn, beschouwd als een waar vergif voor de proletariërs? [...] Als de organisatoren onze aanwezigheid ongewenst vinden, dan is het omdat allerlei mensen die op zoek zijn om hun politieke inzichten te verruimen en te verdiepen, geïnteresseerd raken in de analyses van de Kommunistische Linkerzijde, in de vragen die we stellen en politieke antwoorden die we geven met betrekking tot onderwerpen van belang voor de arbeidersklasse en de toekomst van de mensheid. Wat de organisatoren in werkelijkheid willen is voorkomen dat er een eerlijke en open confrontatie van politieke standpunten plaats vindt. Ondanks hun (valselijk) libertaire woorden leunen ze liever aan tegen hun stalinistische en ultra-linkse (pro- of antistalinistische) buren dan dat ze de Kommunistische Linkerzijde in staat stellen gehoor te vinden voor een duidelijk internationalistisch klassenperspectief. [...] Sommige deelnemers die zich aan deze houding ergerden hebben trouwens al openlijk van hun solidariteit blijk gegeven door onze pers vanaf de tafels van hun stands te verspreiden en ze aarzelden ook niet om zich mondeling en schriftelijk te beklagen over de houding van de organisatoren: “De IKS staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar dat spreekt voor zich: het zijn nu eenmaal marxisten. [...] Voor wie belangstelling heeft voor hun standpunten staan ze echter open voor discussie. Hun bijeenkomsten zijn openbaar en je mag er ongehinderd je anarchistische standpunten komen toelichten of zelfs anarchistische pamfletten verspreiden onder de bezoekers. Dat lijkt me dus heel wat democratischer dan een anarchistische boekenbeurs waar enkele organisatoren op eigen houtje beslissen om bepaalde groepen te weigeren.” (Open brief van uitgeverij De Dolle Hond aan de anarchistische marktmeesters van de Utrechtse boekenbeurs) [...] Van onze kant nodigen we eenieder, die daadwerkelijk een confrontatie van ideeën wil aangaan en over de problemen van de wereld wil debatteren, over de klassenstrijd en de toekomst van de mensheid, uit voor onze openbare activiteiten, zowel voor onze discussiebijeenkomsten waar gedebatteerd wordt rond de vragen van deelnemers, als voor onze openbare bijeenkomsten waar gedebatteerd wordt aan de hand van een inleiding waarin het standpunt van de IKS over een onderwerp wordt uiteengezet, of ons aan te spreken tijdens de verkoop van onze pers tijdens verschillende manifestaties en de strijd van de arbeidersklasse. (Mei 2005)”
22 mei 2005
Beste medewerkers van Wereldrevolutie,
Even een korte reactie op jullie open brief.
Jullie gebruiken de term officieel anarchisme. Dat maakt het wat verwarrend. Als daarmee het individueel anarchisme wordt bedoeld wordt het veel duidelijker.
Jullie bekritiseren de houding van Kropotkin tegenover de eerste wereldoorlog en de deelname van anarchisten aan de spaanse regering in 1936. Noch met instemming met oorlog noch met deelname aan een regering kan ik als anarchistisch communist instemmen. Maar er zijn ook altijd andere anarchisten geweest die het met dit soort dingen niet eens zijn. Jullie moeten misschien uitkijken om conclusies te trekken voor alle anarchisten als sommige anarchisten worden bedoeld.
De anarchistische beweging kenmerkt zich door een soort ad hoc beleid: de ene keer wordt met mensen van bepaalde stromingen wel samengewerkt, de andere keer niet. Het heeft te maken met het feit dat op het niveau van het collectief geen beslissingen worden genomen. Men stelt het zo voor dat collectieve besluiten de «individuele vrijheid» zouden beperken. Alsof die individuen niet zelf deel uitmaken van het collectief!
Van dit onduidelijk beleid zijn julllie in dit geval het slachtoffer geworden. Terwijl liberaal getinte mensen (zoals sympathisanten van GroenLinks) vaak in grote aantallen aanwezig zijn bij evenementen van anarchisten, zijn jullie nu niet eens toegelaten tot zulke evenementen. [...]
Met libertaire groet, R.
K, 28 mei 2005
L.S.
Ik vindt het zeer vreemd dat een linkse organisatie als de I.K.S. wordt geweigerd op de alternatieve boekenbeurzen te Gent en Utrecht. De I.K.S. staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar daar is toch niets mis mee. Het is daarom zeer vreemd dat de I.K.S. het zwijgen wordt opgelegd door enkele organisatoren, die kennelijk op eigen houtje kunnen beslissen wie wel en wie niet wordt toegelaten. [...]
Het anarchisme heeft geen andere algemene ideologie dan dat het ‘tegen’ iedere ‘autoriteit’ is. Feitelijk vindt elke anarchist, elke anarchistische groep en elke nieuwe anarchistische generatie zijn eigen anarchisme uit. Het is een ideologische voorraadschuur met voor ieder wat wils, zonder verplichtingen of al te formele structuren. Het ontbreekt over het algemeen aan ideologische samenhang en historische continuïteit. Daarom kunnen de verschillende stromingen en uitingen van het anarchisme niet allemaal onder één noemer worden gebracht. Dat neemt niet weg dat er anarchistische organisaties hebben bestaan die op het concrete vlak geconfronteerd zijn met de keuze tussen proletarisch internationalisme en toetreding tot het burgerlijke kamp. Tijdens de twee wereldoorlogen kozen anarchistische organisaties zoals de Franse CGT en individuele anarchisten zoals Kropotkin over het algemeen vóór de oorlog (2). Daar stond tegenover dat anarchisten als Alexander Berkman, Emma Goldman en Domela Nieuwenhuis aktief ageerden tegen de Eerste Wereldoorlog en de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland toejuichten. In Spanje, in 1936, nam de officiële CNT deel aan een burgerlijke regering en trad met militair geweld op tegen de arbeidersklasse terwijl de Vrienden van Durutti, hoewel verward, arbeidersstandpunten bleven verdedigden. In dit opzicht onderscheiden de anarchistische organisaties zich niet van links-burgerlijke organisaties. De sociaal-democratie keurde bijvoorbeeld in 1914 de oorlogskredieten goed en riep de arbeiders op naar het front te gaan; in 1918 vormde het in Duitsland de voorhoede van de bourgeoisie in de sabotage van de arbeidersstrijd en de fysieke onderdrukking ervan. Het Stalinisme vormde in Rusland in de jaren 1920 de voorhoede van de contrarevolutie en werd vervolgens één van de belangrijkste ronselaars van arbeiders voor de Tweede Wereldoorlog. Het Trotskisme rekruteerde eerst voor de generale repetitie van de Tweede Wereldoorlog in Spanje, en vervolgens ook voor de wereldoorlog zelf. Al die organisaties hebben verraad gepleegd aan de proletarisch internationalisme door te ronselen voor één van de kampen in de imperialistische oorlog en zijn overgegaan naar het burgerlijke kamp. Dat kan niet meer ongedaan worden gemaakt: die organisaties zijn definitief verloren voor de arbeidersklasse. Bij die linkse organisaties bestaat er een samenhangende ideologie en een organisatorische continuïteit die bij het anarchisme vaak ontbreekt. Bij het anarchisme is het ingewikkelder. De anarchistische organisaties uit het verleden die ooit zijn overgegaan naar het burgerlijke kamp noemen we het ‘officiële anarchisme’, evenals nieuwe anarchistische groepen die zich uitdrukkelijk beroepen op die organisaties uit het verleden of op hun standpunten.
In de burgerlijke propaganda worden linkse organisaties door de bourgeoisie op één hoop gegooid met ‘marxisme’. Nieuwe generaties die op zoek gaan naar maatschappelijke betrokkenheid en revolutionaire standpunten maar tegelijk niets te maken willen hebben met burgerlijke, contra-revolutionaire organisaties zoals sociaal-democratie, stalinisme of trotskisme, wenden zich vaak tot het anarchisme al schijnbaar enig overblijvend alternatief. Ze noemen zich anarchist, maar zonder zichzelf uitdrukkelijk te vereenzelvigen met één of meer anarchistische organisaties uit het verleden, en zonder zich uitdrukkelijk te beroepen op de standpunten van die organisaties. Ze hebben geen historische continuïteit en verwerpen die juist vaak, want ze zijn nieuw en willen bewust opnieuw beginnen zonder zich te vereenzelvigen met de fouten en het verraad uit het verleden die ze niet proberen goed te praten. Vandaar dat ze een heel ander karakter hebben dan de ‘officiële’ anarchistische organisaties. Anderzijds, doordat ze het anarchisme als richtsnoer nemen en buiten de marxistische traditie vallen, doordat ze eerder een idealistische en voluntarische dan een historisch-materialistische benadering hebben, hebben ze onvermijdelijk grote problemen om een helder proletarisch internationalisme verder uit te diepen. Dit ‘anarchisme’ kan dus tegelijk de uitdrukking zijn van een werkelijke wil om tot verheldering en organisatorische samenhang te komen als ook een bron van verwarring worden.
Vandaar dat we ‘het anarchisme’ niet eenduidig in het burgerlijke kamp kunnen plaatsen en we een onderscheid moeten maken tussen het ‘officiële anarchisme’ dat deel uitmaakt van het burgerlijke kamp, en allerlei andere zich anarchistisch noemende initiatieven, die, als ze de dillema’s van het anarchisme niet uit de weg gaan maar juist confronteren, afhankelijk van de situatie en de dynamiek van de groep, in een open debat de vraagstukken over de beginselen van de arbeidersstrijd wel kunnen verhelderen. Daartoe blijven we oproepen.
Internationalisme-Wereldrevolutie / 08.09.2005
(1) Zie ook Organisatoren anarchistische boekenbeurs te Utrecht onthullen hun stalinistische praktijken, in Wereldrevolutie, nr. 101, januari-april 2004.
(2) Zie ook Openbare confrontatie: De Hollandse Linkerzijde, een brug tussen marxisme en anarchisme?, in Wereldrevolutie, nr. 89, december 1999-februari 2000, en Stellingname over het publiek debat in Amsterdam: De onmacht van de anarchisten om het kapitalisme te bestrijden, in Wereldrevolutie, nr. 90, mei-augustus 2000. Zie verder ook Balans van een openbare bijeenkomst van de IKS: Is het anarchisme een revolutionaire stroming?, in Internationalisme, nr. 274, mei 2001, Het anarchisme heeft geen klassenperspectief voor de imperialistischeoorlog, in Internationalisme, nr. 283, maart 2002, en Het anarchisme en de lessen uit de geschiedenis, in Internationalisme, nr. 308-309, juni 2004.
Voor Prinsjesdag worden gewoontegetrouw verdere bezuinigingen aangekondigd. In het midden van de jaren 1980 beloofde minister-president Ruud Lubbers: “Dit zal de laatste bezuinigingsronde van deze omvang zijn.” Sindsdien zijn de maatregelen elk jaar voortgezet, zowel onder de rechtse Lubbers als onder de linkse Kok. In 2003 durfde de regering Balkenende II zelfs de grootste bezuinigingsronde ooit te presenteren: 17 miljard euro. Wordt het dit jaar een herhaling van de gebeurtenissen van het vorig jaar, uitlopend op de massale demonstratie in Amsterdam van 2 oktober of blijft het voorlopig stil aan het klassenfront? Voor de arbeiders stelt zich de vraag hoe te reageren op de nieuwe maatregelen terwijl de bourgeoisie er alles aan zal doen om te voorkomen dat er opnieuw onvrede ontstaat die uitingen van strijdbaarheid tot gevolg kan hebben.
Want de bourgeoisie heeft het heft nog altijd stevig in handen. Ook al werd er in het najaar van 2004 in meerdere landen strijd geleverd, en ook al is de politiek van nationale consensus van de kabinetten Kok allang dood en begraven, toch kan de groeiende ongerustheid over de toekomst nog worden opgevangen. Het begin van strijdbaarheid bleek na 2 oktober 2004 snel te verdwijnen toen de bourgeoisie dankzij de sluipmoord op Theo Van Gogh een enorme campagne kon voeren over de gevaren van het terrorisme, de zo noodzakelijke verdediging van de democratie en vooral over de behoefte aan nationale saamhorigheid achter de staat, die ons als enige zou kunnen beschermen. Toch is het diezelfde staat die ons het meest belaagd:
Natuurlijk probeert de regering goede sier te maken met de ‘cadeautjes’ die ze beschikbaar stelt voor onderwijs en kinderopvang, voor gezondheidszorg en milieu. Toch staan die in geen verhouding tot de groeiende behoeften en nemen ze nog minder iets weg van de jarenlang opgelopen achterstanden. Omdat de winkelverkopen in de laatste twee jaar met 6% zijn gedaald, en er zelfs wordt gesproken van een ‘consumentenstaking’, wil de bourgeoisie vals vertrouwen van de consument opwekken om die meer geld uit de zak te kloppen en zich verder in de schulden te steken. De maatregelen op dit vlak zijn namelijk niet gebaseerd op reële groeiverwachtingen voor de economie. Die presteert onverminderd slecht, en in Nederland neemt de welvaart zelfs af: -0,5% in het eerste kwartaal van dit jaar volgens Eurostat, alleen vergezeld van Italië (-0,2%) en Malta (-0,1%). De schulden van de huishoudens hebben in 2004 met een stijging van 44 miljard de recordhoogte bereikt van 536 miljard euro, en het aantal gezinnen dat onder de armoedegrens leeft is gestegen tot ongeveer 11% van de huishoudens. Het aantal daklozen in Nederland wordt geschat op ruim 100.000; het aantal aanvragen van bijstand en schuldhulpverlening stijgt.
De meeste werkloosheid gaat echter verborgen achter vervroegde pensioenen en invaliditeit waarvan de uitkeringen steeds verder onder druk komen te staan. Na de WAO-maatregelen, waarvan het einde nog niet in zicht is, zijn er mega-aanslagen op komst op de vervroegde pensioneringen, die door werkgevers worden gebruikt om personeel af te laten vloeien zonder te hoeven ontslaan. De ‘vergrijzing’ is ook een gevolg van het feit dat mensen zich steeds jonger niet meer in het arbeidersproces kunnen handhaven, het tempo niet meer kunnen bijhouden en de werkdruk en de stress niet meer aankunnen, en van het feit dat het voor jongeren steeds moeilijker wordt werk te vinden en dus ook om sociale lasten af te dragen. In dat verband heeft de bourgeoisie het voortdurend over ‘solidariteit’ met de ouderen die zich na de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet voor de ‘wederopbouw’ van het land. Wat ze bedoelt is dat ze de inkomens onder vuur wil nemen van allen die niet direct productief zijn voor het kapitaal. We hebben dus alle reden om ons zorgen over de toekomst te maken voor onszelf en onze kinderen.
Natuurlijk zal de bourgeoisie de overige maatregelen voorstellen als een ‘noodzakelijk kwaad’, waar ‘we’ niet omheen kunnen om haar staatsfinanciën op orde te brengen. Hebben we dat niet al dertig jaar gehoord en gaat dat niet al dertig jaar ten koste van onze gezinsbegrotingen? Toch heeft de bourgeoisie niet de illusie dat ze met zulke praatjes de onvrede en groeiende ongerustheid binnen de arbeidersklasse over de komende aanvallen weg kan nemen. Daarvoor zijn nog andere middelen nodig.
Sinds het najaar van 2004 slagen de vakbonden er in om de dreiging van strijdbaarheid op te vangen binnen de afzonderlijke bedrijfstakken. Die dreiging kan zo gemakkelijker worden weggeleid naar afmattende onderhandelingen per bedrijf, terwijl ze, waar nodig, in machteloze vakbondsacties van haar kracht wordt ontdaan. De rechtstreekse aanval van minister De Geus had niet het gewenste effect en riep teveel weerstand op bij de arbeidersklasse. Daarom staan de vakbonden nu op het voorplan; met ‘kritische kanttekeningen’ en ‘aanpassingen’ zijn zij het die proberen maatregelen zoals de afschaffing van de vervroegde pensioenen er alsnog door te drukken.
Deze politiek van de vakbonden is alleen mogelijk omdat het de arbeidersklasse nog aan zelfvertrouwen ontbreekt, omdat er nog illusies bestaan over de mogelijkheden om het kapitalisme te ‘hervormen’, omdat er verwarring heerst over de eigen kracht en mogelijkheden.
Dat is nog versterkt door de campagnes over de overwinning van het ‘liberale kapitalisme’ en de ‘democratie’ (1). Dit vertrouwen in de ‘democratische staat’ is in Nederland van oudsher groot en het heeft een rampzalige invloed binnen de arbeidersklasse. De staatsorganen, van vakbonden en wijkraden tot politie en leger, kunnen zo worden voorgesteld als een verlengstuk van de ‘wil van het volk’. De kapitalistische staat zou ons, als burgers, kunnen beschermen en we zouden voor onze welvaart en voor ons welzijn afhankelijk zijn van diezelfde burgerlijke staat. Zo wordt de ontwikkeling van het bewustzijn van de eigen identiteit van de arbeidersklasse tegenover de bourgeoisie ondergraven: telkens weer wordt benadrukt dat we allemaal ‘verantwoordelijke burgers’ moeten zijn, die op voet van gelijkheid met elkaar omgaan en uiteindelijk, uitbuiters en uitgebuiten tezamen, dezelfde belangen hebben. Zo wordt de ontwikkeling van het eigen strijdvermogen afgeremd en het bewustzijn beneveld.
Sinds de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zijn die campagnes in Nederland nog versterkt door de schijntegenstelling tussen de nette, gematigde partijen aan de ene kant, en aan de andere het populistische geschreeuw om ‘harde maatregelen’ tegen de verloedering van de maatschappij en de gevaren van het terrorisme, compleet met haat- en wraak-campagnes en het opkloppen van xenofobie. Wanneer de bourgeoisie grote moeite heeft om de sociale ontbinding binnen haar eigen gelederen onder controle te houden, dan slaagt ze er toch uitstekend in om die tegen de arbeidersklasse uit te spelen en de ‘democratische staat’ voor de stellen als de enige instelling die ons voor chaos kan behoeden.
De aanvallen van de bourgeoisie hebben ook in Nederland in het najaar van 2004 het begin van een brede arbeidersmobilisatie uitgelokt. De terugkeer van het proletariaat op het sociale toneel brengt onvermijdelijk een overdenking in de diepte met zich mee over de betekenis van de massale werkloosheid, de aanvallen op zijn arbeids- en levensvoorwaarden, de ontmanteling van de sociale verzekering en de pensioensystemen. Uiteindelijk kunnen de arbeidersvijandige burgerlijke politiek, en het antwoord dat dit uitlokt, slechts leiden tot een toenemend bewustzijn binnen de arbeidersklasse over het historische bankroet van het kapitalisme en de noodzaak van een maatschappelijk alternatief.
En het is precies om deze geleidelijke bewustwording te vertragen werken de verdedigers van een ‘sociaal Europa’ samen met de coryfeeën van het ‘nee’-kamp. Gezamenlijk eisen ze dat de kapitalistische staat bemiddelt en arbitreert in de conflicten tussen de maatschappelijke klassen, tégen het ‘doorgeschoten liberalisme’ en vóór een ‘welvaartsstaat’ die allang dood en begraven is, maar waarvan vooral de ‘anti-globaliseringsbeweging’ beweert dat die in nieuwe vorm leven kan worden ingeblazen (2). De arbeiders kunnen zulke pogingen om de geloofwaardigheid en ideologische macht van de kapitalistische staat te versterken alleen beantwoorden door strijd te leveren op hun eigen klassenterrein, door ‘nee’ te zeggen tegen de aanvallen op haar arbeids- en levensomstandigheden, door in staking te gaan, door klassensolidariteit te ontwikkelen voor de toekomst van de hele mensheid.
Wereldrevolutie / 10.09.2005
(1) Deze campagnes konden een enorme omvang aannemen met de ineenstorting van het stalinistische Oostblok dat echter niet meer was dan een karikatuur van staatskapitalisme, en al de campagnes die daar bij hoorden over het ‘verdwijnen van de arbeidersklasse’, het ‘bankroet van het kommunisme’ en de ‘dood van het marxisme’. Zie daarover vooral Kommunistische revolutie of vernietiging van de mensheid. Manifest van het Negende Congres van de Internationale Kommunistische Stroming, 1991.
(2) Zie over de anti-globaliseringsbeweging de artikelen Het anders-globalisme: een valstrik voor de arbeidersklasse, en Tegen het bedrog van het Europees Sociaal Forum: Er is maar één andere wereld mogelijk, het kommunisme, in Internationale Revue nr. 17, 2005.
Eerdere artikelen: Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, in Wereldrevolutie, nr. 104, januari 2005; Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr.103, oktober 2003; Ongekende aanvallen onder democratische voorwendsels, in Wereldrevolutie, nr. 97, september 2002; De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in: Internationalisme, nr. 286, 15 juni 2002; Kiezen voor Paars of voor Pim, in Wereldrevolutie, nr. 96, mei 2002.
Twintig jaar geleden, in januari 1975, werd de Internationale Kommunistische Stroming opgericht. Dit is een lange levensduur voor een proletarische organisatie als we bedenken dat de Internationale Werklieden Vereniging maar twaalf jaar overleefde (1864-1876), de Socialistische Internationale vijfentwintig jaar (1889-1914) en de Kommunistische Internationale negen jaar (1919-1928). We beweren natuurlijk niet dat onze organisatie een rol heeft gespeeld die vergelijkbaar is met die van de arbeiders-internationales. Desalniettemin behoort de twintig jaar aan ervaring van de IKS geheel en al toe aan het proletariaat, waaruit onze organisatie net zo goed voortkwam als de internationales uit het verleden, en net als andere organisaties die momenteel kommunistische beginselen verdedigen. In die betekenis is het onze plicht, en dit jubileum stelt ons ook in de gelegenheid, om iets van de lering die we uit deze twee decennia van strijd hebben getrokken, over te dragen aan onze klasse.
De onderstaande tekst werd geschreven in 1995, twintig jaar na het oprichtingscongres van de Internationale Kommunistische Stroming in 1975.
We herdrukken deze tekst om onze lezers een inleiding te geven in de geschiedenis van onze organisatie en enig inzicht te verschaffen in de methode waarmee hij als internationale bundeling van krachten van plaatselijke organisaties werd opgericht. Dat is namelijk nog altijd onze methode.
Twintig jaar geleden, in januari 1975, werd de Internationale Kommunistische Stroming opgericht. Dit is een lange levensduur voor een proletarische organisatie als we bedenken dat de Internationale Werklieden Vereniging maar twaalf jaar overleefde (1864-1876), de Socialistische Internationale vijfentwintig jaar (1889-1914) en de Kommunistische Internationale negen jaar (1919-1928). We beweren natuurlijk niet dat onze organisatie een rol heeft gespeeld die vergelijkbaar is met die van de arbeiders-internationales. Desalniettemin behoort de twintig jaar aan ervaring van de IKS geheel en al toe aan het proletariaat, waaruit onze organisatie net zo goed voortkwam als de internationales uit het verleden, en net als andere organisaties die momenteel kommunistische beginselen verdedigen. In die betekenis is het onze plicht, en dit jubileum stelt ons ook in de gelegenheid, om iets van de lering die we uit deze twee decennia van strijd hebben getrokken, over te dragen aan onze klasse.
De vergelijking van de IKS met de organisaties die voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging het belangrijkst waren, met name de internationales, is onthutsend: terwijl die laatsten miljoenen, zelfs tientallen miljoenen arbeiders omvatten en beïnvloeden is de IKS wereldwijd alleen maar bekend bij een kleine minderheid van de arbeidersklasse. Deze situatie, die eveneens geldt voor al de andere revolutionaire organisaties, nopen ons tot bescheidenheid. Maar het mag er niet toe leiden dat we het werk onderschatten dat we tot stand brengen en het mag ons nog minder ontmoedigen. Sinds het proletariaat anderhalve eeuw geleden voor het eerst een rol begon te spelen op het sociale toneel heeft zijn historische ervaring laten zien dat de perioden waarin revolutionaire standpunten daadwerkelijke invloed hebben op de werkende massa’s betrekkelijk beperkt zijn gebleven. Bovendien is het op basis van dit gegeven dat de ideologen van de bourgeoisie beweren dat de proletarische revolutie niet meer dan een utopie is omdat de meeste arbeiders niet denken dat het noodzakelijk of mogelijk is. Dit verschijnsel, dat al duidelijk was toen er massale arbeiderspartijen bestonden, aan het begin van de twintigste eeuw, werd nog versterkt door de nederlaag van de revolutionaire golf die op de Eerste Wereldoorlog volgde.
Het proletariaat liet de bourgeoisie sidderen en die nam wraak door haar vijand aan de langste contra-revolutie van haar geschiedenis te onderwerpen. En de speerpunt van de contra-revolutie werd nu juist gevormd door díe organisaties – de socialistische en kommunistische partijen en de vakbonden – die de arbeidersklasse voor haar strijd had opgericht maar die waren overgegaan naar het burgerlijke kamp. De overgrote meerderheid van de socialistische partijen stond tijdens de oorlog al in dienst van de bourgeoisie, waarbij de arbeiders werden opgeroepen tot ‘nationale eenheid’, en in sommige landen namen ze zelfs deel aan de regeringen die de imperialistische slachtpartij hadden laten ontketenen. Vervolgens, toen de revolutionaire golf op gang kwam na de Oktoberrevolutie in Rusland in 1917, speelden diezelfde partijen de rol van beul voor de bourgeoisie, ófwel door moedwillig de beweging te saboteren zoals in Italië in 1920, ófwel door opdracht te geven tot moord op duizenden arbeiders en revolutionairen dan wel die zelf te organiseren, zoals in Duitsland in 1919. Later gingen de kommunistische partijen, die gesticht waren rond de fracties van de socialistische partijen die geweigerd hadden deel te nemen aan de imperialistische oorlogsinspanningen, en die het voortouw hadden genomen in de revolutionaire golf door zich te verenigen rond de Kommunistische Internationale (opgericht in 1919), dezelfde weg op als hun socialistische voorlopers. Uitgeput door de nederlaag van de wereldrevolutie en door de ontaarding van de revolutie in Rusland sloten zij zich in de jaren 1930 aan bij het kapitalistische kamp om de trouwste ronselaars te worden voor de Tweede Wereldoorlog in naam van het anti-fascisme en de ‘verdediging van het socialistische vaderland’. Nadat ze de voornaamste architecten waren geworden van de ‘verzets’-bewegingen tegen de Duitse en Japanse bezettingslegers zetten ze hun smerige werk voort door tijdens de wederopbouw van de in puin liggende kapitalistische economieën een meedogenloze controle uit te oefenen over de arbeiders.
Tijdens heel deze periode werd het bewustzijn van de arbeiders gesmoord door de geweldige invloed die de socialistische en ‘kommunistische’ partijen op de arbeidersklasse konden uitoefenen, die hen doordrenkte van chauvinisme, wegleidde van enig vooruitzicht op omverwerping van het kapitalisme, dit perspectief vermengde met de versterking van de democratische bourgeoisie, hen onderwierp aan de leugen dat de kapitalistische staten van het Oostblok de belichaming vormden van het ‘socialisme’. Tijdens deze “middernacht in de eeuw” kwamen de ware kommunistische krachten, die uit de ontaardende Kommunistische Internationale waren gejaagd, in een situatie van haast volledig isolement terecht voorzover ze niet daadwerkelijk werden uitgeroeid door de stalinistische of fascistische rentmeesters van de contra-revolutie. In de moeilijkste omstandigheden uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging was het een handvol militanten dat er in slaagde te ontsnappen aan de schipbreuk van de Kommunistische Internationale. Zij werkten voort aan de verdediging van kommunistische beginselen om de komende historische heropleving van het proletariaat voor te bereiden. Velen verloren het leven of waren zodanig uitgeput dat hun organisaties – de fracties en groepen van de Kommunistische Linkerzijde – verdwenen of anders aangetast raakten door verkalking.
De gruwelijke contra-revolutie die de arbeidersklasse verpletterde na haar glorieuze strijd volgend op de Eerste Wereldoorlog hield bijna veertig jaar aan. Maar toen het laatste vuur van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog was uitgedoofd en het kapitalisme aan het eind van de jaren 1960 weer werd geconfronteerd met de open crisis van zijn economie stak het proletariaat andermaal de kop op. Mei 1968 in Frankrijk, de ‘wilde Mei’ in Italië in 1969, arbeidersstrijd in de winter van 1970 in Polen en nog veel andere arbeidersstrijd in Europa en andere werelddelen: de contra-revolutie was voorbij. Het beste bewijs voor die fundamentele verandering van de historische koers bestond eruit dat in verschillende delen van de wereld groepen verschenen die zichzelf, zij het op vaak verwarde wijze, baseerden op de tradities en standpunten van de Kommunistische Linkerzijde. De IKS werd in 1975 opgericht als bundeling van krachten van een aantal van deze formaties die door de historische wederopstanding van het proletariaat waren voortgebracht. Het feit dat de IKS sindsdien niet alleen is blijven voortbestaan maar ook groeide en zijn afdelingen in aantal wist te verdubbelen getuigt van de historische wederopstanding van het proletariaat en het vormt tevens een belangrijke aanwijzing dat het proletariaat niet is verslagen en de historische koers nog altijd richting klassenconfrontaties gaat. Dit is de eerste les die moet worden getrokken uit het twintigjarig bestaan van de IKS, in tegenstelling tot het idee dat vele andere groepen van de Kommunistische Linkerzijde delen die van mening zijn dat het proletariaat de contra-revolutie nog niet te boven is gekomen.
In de Internationale Revue, nr. 40, ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de IKS, trokken we een aantal lessen uit onze ervaring van de voorbije periode. We roepen ze hier kort in de herinnering om de nadruk te leggen op een aantal punten, die we toen maakten over de periode die volgde. Maar voordat we tot die beoordeling overgaan dienen we eerst in het kort terug te komen op de geschiedenis van de IKS. En voor lezers die niet bekend zijn met het artikel van tien jaar geleden nemen we uitgebreide uittreksels over waarin op deze geschiedenis wordt ingaan.
“De eerste georganiseerde uitdrukking van onze stroming verscheen in 1964 in Venezuela. Deze bestond uit heel jonge elementen die zich in de richting van klassenstandpunten ontwikkelden door discussies met een oudere kameraad die ervaring had als militant van de Kommunistische Internationale, in de linkerfracties die er aan het eind van de jaren 1920 van werden uitgesloten – met name de Linkerfractie van de Partito Comunista van Italië – en die deel uitmaakte van de Gauche Communiste de France tot aan de opheffing ervan in 1952. Deze kleine groep in Venezuela – die tussen 1964 en 1968 tien afleveringen uitbracht van haar blad Internacionalismo – beschouwde zichzelf onmiddellijk als politieke voortzetting van de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde, vooral die van de GCF. Dit kwam vooral tot uiting in een heel heldere verwerping van iedere politiek van steun aan de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsstrijd’, een mythe die in de Latijns-Amerikaanse landen wijd verbreid was en die zwaar doorwoog op elementen die zich in de richting van klassenstandpunten probeerden te ontwikkelen. Het kwam ook tot uiting in een open houding tegenover, en het leggen van contact met andere kommunistische groepen – een houding waardoor eerder de Internationale Kommunistische Linkerzijde voor de oorlog was gekenmerkt net als de GCF later. Zo legde de groep Internacionalismo contacten, of probeerde contact te leggen en te discussiëren, met de Amerikaanse groep News and Letters [...] Met het vertrek van verschillende van deze elementen naar Frankrijk in 1967 en 1968 onderbrak deze groep verschillende jaren haar uitgaven alvorens Internacionalismo (nieuwe reeks) in 1974 begon te verschijnen en de groep één van de mede-oprichters van de IKS werd.
De tweede georganiseerde uitdrukking van onze stroming verscheen in Frankrijk aan de vooravond van de algemene staking van Mei 1968 die de historische wederopstanding van het wereldproletariaat na meer dan veertig jaar van contra-revolutie tekende. Er werd in Toulouse een kleine kern gevormd rond een militant van Internacionalismo. Deze kern nam actief deel aan de levendige discussies in het voorjaar van 1968, nam in juni een ‘beginselverklaring’ aan en gaf aan het eind van dat jaar de eerste aflevering uit van Révolution Internationale. Deze groep zette onmiddellijk de politiek van Internacionalismo voort van het leggen van contacten en het voeren van discussies met andere groepen van het proletarisch milieu zowel nationaal als internationaal. [...] Vanaf 1970 onderhield het nauwere betrekkingen met twee groepen die er in slaagden te ontsnappen aan de algemene ontbinding van het radenistische milieu na Mei 1968: de Organisation Conseilliste de Clermont Ferrand en Cahiers du Communisme de Conseil (Marseille), na een poging tot discussie met de Groupe de Liaison pour l’Action des Travailleurs (GLAT) waaruit bleek dat deze groep steeds verder van het marxisme afdreef. Discussie met de eerste twee groepen daarentegen bleek veel vruchtbaarder en na een hele reeks van bijeenkomsten waarin de basisstandpunten van de Kommunistische Linkerzijde stelselmatig waren doorgenomen kwamen Révolution Internationale, de Organisation Conseilliste de Clermont Ferrand en Cahiers du Communisme de Conseils in 1972 bijeen rond een platform dat een meer precieze en gedetailleerde versie was van de beginselverklaring van Révolution Internationale uit 1968. Deze nieuwe groep gaf de Revue Internationale uit en een Bulletin d’Etude et de Discussion en kwam in het centrum te staan van een heel werk van het onderhouden van internationale contacten en discussie in Europa tot aan de oprichting van de IKS tweeëneenhalf jaar later.
Op het Amerikaanse continent lieten de discussies die Internacionalismo gevoerd had met News and Letters in de Verenigde Staten enige sporen na en in 1970 werd er in New York een groep opgericht (deels bestaande uit voormalige leden van News and Letters) rond een oriëntatietekst met dezelfde basisstandpunten als die van Internacionalismo en Révolution Internationale. [...] De nieuwe groep begon Internationalism uit te geven en net als zijn voorlopers knoopte zij discussies aan met andere kommunistische groepen. Zo onderhield ze contact en voerde discussie met Root and Branch in Boston, een groep die geïnspireerd werd door de radenistische ideeën van Paul Mattick, maar die niet erg vruchtbaar bleken doordat de groep uit Boston steeds meer tot een club in marxologie werd. In 1972 stuurde Internationalism een voorstel tot internationale correspondentie naar een twintigtal groepen, en wel in de volgende bewoordingen:
“[...] Tegelijk met de toenemende activiteit van de arbeidersklasse is er het aantal revolutionaire groepen met een internationalistisch kommunistisch perspectief aanzienlijk toegenomen. Jammer genoeg werden de contacten en briefwisselingen tussen deze groepen grotendeels aan het toeval overgelaten en bleven ze onregelmatig. Internationalism doet het volgende voorstel om contacten en briefwisselingen tussen groepen met een internationalistisch en kommunistisch perspectief regelmaat te geven en uit te breiden [...]”
In haar positieve antwoord schreef Révolution Internationale:
“Net als jullie voelen ook wij de noodzaak daartoe en de activiteiten van onze groepen dienen een net zo internationaal karakter te dragen als de huidige strijd van de arbeidersklasse. Daarom hebben we per brief of direct contact onderhouden met een aantal Europese groepen waarnaar jullie voorstel gestuurd werd. [...] We denken dat jullie initiatief het mogelijk zal maken om de aard van deze contacten te verbreden en om op zijn minst de verschillende standpunten beter bekend te maken. We denken ook dat het vooruitzicht op een toekomstige internationale conferentie het logische vervolg is op het aangaan van deze politieke briefwisseling. [...]
In haar antwoord benadrukte Révolution Internationale de noodzaak om te werken in de richting van internationale conferenties van de groepen van de Kommunistische Linkerzijde, zonder daarmee haast te maken: een dergelijke conferentie zou moeten worden gehouden na een periode van briefwisseling. Dit voorstel was in continuïteit met de herhaalde voorstellen die zij had gedaan (in 1968, 1969 en 1971) aan de Partito Comunista Internazionalista (Battaglia Comunista) om tot dergelijke conferenties op te roepen, omdat op dat moment deze organisatie de belangrijkste en meest serieuze groep was in het kamp van de Kommunistische Linkerzijde in Europa (naast de PCI – Programma Comunista, die zichzelf koesterde in haar schitterend isolement). Maar ondanks de open en broederlijke houding van Battaglia waren die voorstellen telkens verworpen [...].”
Uiteindelijk leidden het initiatief van Internationalism en het voorstel van Révolution Internationale in 1973 en 1974 tot het houden van een reeks van conferenties en bijeenkomsten in Engeland en Frankrijk waarin een proces van verheldering en schifting op gang kwam, met name door de ontwikkeling van de Britse groep World Revolution (die voortkwam uit een splitsing binnen Solidarity) in de richting van de standpunten van Révolution Internationale en Internationalism. World Revolution gaf de eerste aflevering van haar tijdschrift uit in mei 1974. Maar dit proces van verheldering en schifting legde vooral de basis voor de oprichting van de IKS in januari 1975. Tijdens deze periode had Révolution Internationale het werk voortgezet van internationale discussie en briefwisseling, niet alleen met georganiseerde groepen maar ook met geïsoleerde elementen die haar pers lazen en met haar standpunten sympathiseerden. Dit werk leidde tot de oprichting van kleine kernen in Spanje en Italië rond dezelfde standpunten en die in 1974 aanvingen Acción Proletaria en Rivoluzione Internazionale uit te geven.
Zo waren tijdens de conferentie van januari 1975 Internacionalismo, Révolution Internationale, Internationalism, World Revolution, Acción Proletaria en Rivoluzione Internazionale aanwezig, die de politieke oriëntaties deelden die sinds 1964 door Internacionalismo waren ontwikkeld. Eveneens aanwezig waren Revolutionary Perspectives (dat had deelgenomen aan de conferenties van 1973-1974), de Revolutionary Workers’ Group of Chicago (waarmee Révolution Internationale en Internationalism discussies waren begonnen in 1974) en Pour Une Intervention Communiste (dat het blad Jeune Taupe uitgaf en dat was opgericht door kameraden die in 1973 Révolution Internationale verlieten [...]. Wat betreft de groep Workers’ Voice, die actief deelnam aan de conferenties van het voorafgaande jaar, het sloeg de uitnodiging voor deze conferentie af omdat het overwoog dat Révolution Internationale, World Revolution, enzovoort, burgerlijke groepen waren (!) vanwege het standpunt dat de meerderheid van hun militanten innam in het vraagstuk van de staat in de overgangsperiode van kapitalisme naar kommunisme [...]
Dit vraagstuk stond op de agenda van de conferentie van januari 1975... Maar het werd niet bediscussieerd tijdens de conferentie waar de noodzaak werd ingezien om zoveel mogelijk tijd en aandacht te besteden aan de vraagstukken die toen van veel meer belang waren:
— de analyse van de internationale situatie;
— de taken van revolutionairen daarin;
— de organisatie van de internationale stroming.
Uiteindelijk besloten de zes groepen waarvan de platformen waren gebaseerd op dezelfde oriëntaties zich te verenigen in één enkele organisatie met een internationaal centraal orgaan en een driemaandelijkse revue uit te geven in drie talen – Engels, Frans en Spaans [...] – dat de rol ging vervullen van het Bulletin de’Etude et de Discussion van Révolution Internationale. De IKS was opgericht. Zoals in de inleiding tot de eerste aflevering van de Internationale Revue werd gesteld was “een grote stap voorwaarts zojuist gezet”. De oprichting van de IKS vormde het hoogtepunt van een heel werk van contacten, discussies en confrontaties tussen de verschillende groepen die waren voortgebracht door het historisch ontwaken van de klassenstrijd. [...] Maar vooral werd zo de grondslag gelegd voor het komende, nog omvangrijker werk.”
“Dit werk is voor onze lezers zichtbaar in de Internationale Revue en onze territoriale pers en het bevestigt wat we schreven in de inleiding bij de Internationale Revue, Engels- en Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 1:
“Sommigen zullen in overweging nemen dat de uitgave van de Revue een voorbarige actie behelst. Niets daarvan. We hebben niets gemeen met luidruchtige activisten waarvan de activiteit gegrondvest is in een voluntarisme dat net zo opgewonden als oppervlakkig is.” (1)
In de tien jaren van haar bestaan is de IKS natuurlijk vele moeilijkheden tegengekomen en moest zij vele zwakheden overwinnen, waarvan de meeste samenhingen met de breuk in de organische continuïteit met de kommunistische organisaties uit het verleden, aan het verdwijnen of de verkalking van de linkerfracties die zichzelf losmaakten uit de ontaardende Kommunistische Internationale. Zij moest ook strijd leveren tegen de verderfelijke invloed van de ontbinding en revolte van de intellectuele kleinburgerij, een invloed die na 1968 en de periode van de studentenbewegingen bijzonder sterk was. Deze moeilijkheden en zwakheden kwamen bijvoorbeeld tot uiting in verschillende splitsingen – en vooral door de belangrijke uitbarstingen die in 1981 plaatsvonden, in de IKS zowel als in het revolutionaire milieu als geheel, en dat leidde tot het verlies van de helft van onze afdeling in Groot-Brittannië. Tegenover de problemen van 1981 moest de IKS zelfs een buitengewone conferentie organiseren in januari 1982 om haar programmatische basis opnieuw vast te leggen en te preciseren, in het bijzonder in verband met de functie en structuur van de revolutionaire organisatie. Ook konden enkele van de doelen die de IKS zichzelf had gesteld niet worden bereikt. De distributie van onze pers bijvoorbeeld bleef ten achter bij wat we hadden gehoopt. [...]
Wanneer we echter een algemene balans opmaken van de laatste tien jaar, dan is het een duidelijk positieve. Dat is des te meer waar in vergelijking met andere kommunistische organisaties die na 1968 bestonden. Zo zijn de groepen van de radenistische stroming, zelfs degenen die probeerden zichzelf open te stellen voor internationaal werk zoals Informations et Correspondence Ouvrière (ICO), verdwenen dan wel in slaap gevallen: de GLAT, ICO, de Situationistische Internationale, de Spartacusbond, Root and Branch, PIC, de radenistische groepen van het Scandinavische milieu... de lijst is lang en hier zeker niet uitputtend. Voor wat betreft de organisaties die voortkwamen uit de Italiaanse Linkerzijde en die zichzelf allemaal uitriepen tot dé Partij, ze zijn niet uit hun provincialisme losgekomen of uiteengevallen en ontaard in een ultra-linkse praktijk zoals Programma (2), ofwel ze imiteren momenteel, op een kunstmatige en verwarde wijze, datgene wat de IKS tien jaar daarvoor deed, zoals het geval is met Battaglia en de Communist Workers’ Organisation. Nadat de zogenaamde Internationale Kommunistische Partij als een kaartenhuis ineen in gestort, na het fiasco van de Fomento Obrero Revolucionario (FOR) in de Verenigde Staten (de FOCUS-groep), is de IKS nog de enige kommunistische organisatie die werkelijk op internationale schaal vertegenwoordigd is.
Sinds de oprichting in 1975 heeft de IKS niet alleen haar oorspronkelijke territoriale afdelingen versterkt maar ook wortel geschoten in andere landen. Het werk van het opnemen en onderhouden van contacten, het voeren van discussie en bundeling van krachten op internationale schaal leidde tot de oprichting van nieuwe IKS-afdelingen:
– 1975: oprichting van de afdeling in België die in twee talen (Frans en Nederlands) een tijdschrift uitgaf, momenteel een krant, Internationalisme, en die de kloof opvult die ontstond door het verdwijnen in de periode na de Tweede Wereldoorlog van de Belgische Fractie van de Internationale Kommunistische Linkerzijde.
– 1977: oprichting van de kern in Nederland, die de uitgave begon van het tijdschrift Wereldrevolutie. Dit was bijzonder belangrijk in een land dat het thuisland van het radenisme was.
– 1978: oprichting van de afdeling in Duitsland die de uitgave begon van de Internationale Revue in het Duits en het jaar daarop van het territoriale tijdschrift Weltrevolution. De aanwezigheid van een kommunistische organisatie in Duitsland is vanzelfsprekend van het grootste belang door de plaats die het Duitse proletariaat in de geschiedenis heeft ingenomen en in de rol die het in de toekomst weer zal gaan spelen.
– 1980: oprichting van de afdeling in Zweden die het tijdschrift Internationell Revolution uitgeeft [...]
Wanneer we het contrast benadrukken tussen de betrekkelijke succes van onze stroming en de mislukking van andere organisaties dan is het omdat dit de geldigheid duidelijk maakt van de oriëntaties die we naar voren hebben gebracht in twintig jaar van werk voor krachtenbundeling van revolutionairen, voor de uitbouw van een kommunistische organisatie. Het is onze verantwoordelijkheid om deze oriëntaties duidelijk te maken voor het kommunistische milieu als geheel.”
“De grondslagen van waarop onze stroming dit werk van krachtenbundeling heeft ondernomen, zelfs voorafgaand aan haar formele oprichting, zijn niet nieuw. In het verleden vormden ze altijd de pilaren voor dit soort van werk. We kunnen ze als volgt samenvatten:
— de noodzaak om revolutionaire activiteit te baseren op de verworvenheden uit het verleden van vroegere kommunistische organisaties; de huidige organisatie te zien als een schakel in de keten van vroegere en toekomstige organen van de klasse;
— de noodzaak om kommunistische standpunten en analyses niet als een dood dogma te beschouwen maar als een levend programma dat voortdurend wordt verrijkt en uitgediept;
— de noodzaak om gewapend te zijn met een heldere en stevige opvatting over de revolutionaire organisatie, van zijn structuur en functie binnen de klasse.”
Deze lering die we tien jaar geleden trokken (en die verder is uitgewerkt in de Internationale Revue, Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave, nr. 40, waarnaar we onze lezers graag verwijzen) blijft momenteel natuurlijk geldig en onze organisatie streeft er voortdurend naar om ze in praktijk om te zetten. Maar terwijl tijdens de eerste tien jaar van haar bestaan haar centrale taak bestond uit het bouwen van een internationale pool voor de bundeling van revolutionaire krachten, bestond in de daaropvolgende periode haar belangrijkste verantwoordelijkheid uit het doorstaan van een aantal vuurproeven die voortkwamen uit de uitbarstingen die zich voordeden in met name de internationale situatie.
Tijdens het Zesde Congres van de IKS dat in november 1985 werd gehouden, enkele maanden na het tienjarig jubileum van de IKS schreven we:
“Aan het begin van de jaren 1980 werden deze door de IKS gekarakteriseerd als “de jaren der waarheid”; jaren waarin de belangrijkste inzet voor het geheel van de maatschappij in al zijn omvang zou worden blootgelegd. Halverwege dit decennium heeft de ontwikkeling van de internationale situatie deze analyse volledig bevestigd:
— door een nieuwe verergering van de stuiptrekkingen van de wereldeconomie die te voorschijn kwam vanaf het begin van de jaren 1980 in de ernstigste recessie sinds de jaren 1930;
— door de verscherping van de spanningen tussen de imperialistische blokken in dezelfde periode en die tot uiting kwam in een aanzienlijke toename van de militaire uitgaven en in de ontwikkeling van oorverdovende oorlogscampagnes met Reagan, het hoofd van het machtigste blok, als spreekbuis;
— door de heropleving van de klassenstrijd in de tweede helft van 1983 na een tijdelijke teruggang van 1981 tot 1983 net voor en vooral na de onderdrukking van de arbeiders in Polen. Deze heropleving werd gekenmerkt door een tot op heden ongekende gelijktijdigheid van de strijd in vooral de vitale centra van het kapitalisme en van de arbeidersklasse in West-Europa.” (Resolutie over de internationale situatie, Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 44; en Wereldrevolutie, nr. 28).
Dit raamwerk bleek geldig tot aan het einde van de jaren 1980 hoewel de bourgeoisie alles deed wat in haar vermogen lag om het ‘herstel’ van 1983 tot 1990, dat wil zeggen op basis van het in diepe schulden verzinken van wereldmacht nummer één, voor te stellen als het ‘definitieve einde’ van de crisis. Feiten zijn, zoals Lenin zei, koppig, en omdat sinds het begin van de jaren 1990 de kunstjes van het kapitalisme leidden tot een open recessie die nog langer en brutaler was dan de voorafgaande werd de euforie van de gemiddelde bourgeois omgezet in diepgaande somberheid.
Met de golf van arbeidersstakingen, die met momenten van teruggang en momenten van grotere intensiteit in 1983 begon en die tot 1989 standhield, werd de bourgeoisie eveneens gedwongen om allerlei vormen van basis-syndicalisme naar voren te schuiven (zoals ‘coördinaties’) om de toenemende ongeloofwaardigheid van de officiële vakbondsstructuren op te vangen.
Maar één aspect van dit raamwerk werd in 1989 op dramatische wijze ter discussie gesteld; dat van de imperialistische conflicten. Niet dat de marxistische theorie plotseling fout bleek doordat dergelijke conflicten te boven werden gekomen, maar het was veeleer doordat één van de twee belangrijkste protagonisten van zulke conflicten, het Oostblok, op dramatische wijze ineenstortte. Wat we de jaren der waarheid hadden genoemd bleek fataal voor een abnormaal regime, dat opgebouwd was op de ruïne van de revolutie van 1917, net als voor het blok dat het overheerste. Een historische gebeurtenis van een dergelijke draagwijdte die de wereldkaart veranderde schiep een nieuwe, in de geschiedenis ongekende situatie op het vlak van de imperialistische conflicten. Deze namen tot dan toe ongekende vormen aan en revolutionairen hebben een verantwoordelijkheid om die te begrijpen en te analyseren.
Tegelijkertijd deelden deze stuiptrekkingen, waardoor vooral de landen werden getroffen die zichzelf voordeden als ‘socialistisch’, een harde klap uit tegen het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeidersklasse die de ergste teruggang doormaakten sinds de historische heropleving aan het eind van de jaren 1960.
De internationale situatie van de laatste tien jaren dwong de IKS dus de volgende uitdagingen aan te gaan:
— een actieve factor te vormen in de klassenstrijd die plaatsvond tussen 1983 en 1989;
— de betekenis te begrijpen van de gebeurtenissen van 1989 en de gevolgen daarvan op het vlak van de imperialistische conflicten en op dat van de klassenstrijd;
— meer in het algemeen het raamwerk te ontwikkelen voor het begrip van de periode in de geschiedenis van het kapitalisme waarvan de ineenstorting van het Oostblok de eerste grote manifestatie was.
Na het Zesde Congres van de afdeling in Frankrijk (de grootste afdeling van de IKS), dat in 1984 werd gehouden, en het Zesde Congres van de IKS stond dit vraagstuk bovenaan de agenda. Maar de inspanning die onze internationale organisatie maandenlang deed om haar verantwoordelijkheden tegenover de klasse op te nemen botste op de vasthoudendheid binnen haar gelederen waarmee de functie van de revolutionaire organisatie werd onderschat als actieve factor in de klassenstrijd. De IKS identificeerde deze opvattingen als het resultaat van een centristisch afglijden in de richting van het radenisme. Dit was vooral het product van de historische omstandigheden waarin zij was gesticht doordat onder de groepen en elementen die aan de oprichting deelnamen er een sterk wantrouwen bestond tegenover alles wat op stalinisme leek. In overeenstemming met het radenisme neigden deze elementen er toe om het stalinisme, de opvattingen van Lenin over het organisatievraagstuk, en zelfs het hele idee van de proletarische partij op één grote hoop te gooien. In de jaren 1970 had de IKS een kritiek gemaakt van de stalinistische opvattingen maar was daarin niet ver genoeg gegaan hetgeen op sommige delen van de organisatie bleef doorwegen. Toen aan het eind van 1983 de strijd tegen de overblijfselen van het radenisme begon weigerden een aantal kameraden de realiteit van hun radenistische zwakheden onder ogen te zien en beeldden zij zich in dat de IKS een ‘heksenjacht’ was begonnen. Om de gestelde problemen te ontlopen, dat van centrisme naar radenisme, ‘ontdekten’ ze dat centrisme in de vervalperiode van het kapitalisme niet langer kan bestaan (3). Bovenop dit politieke onbegrip kwam bij deze kameraden, meest intellectuelen die niet bereid waren kritiek te aanvaarden, een gevoel van gekrenkte trots en ontwikkelden ze ‘solidariteit’ met hun vrienden waarvan ze vonden dat die oneerlijk waren ‘aangevallen’. Zoals we uiteenzetten in de Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgaven, nr. 45, vormde dit een soort van herhaling van het Tweede Congres van de Sociaal-democratische Arbeiderspartij van Rusland, waarin, door centrisme op het organisatorische vlak en door het gewicht van de kliekjesgeest – wat betekende dat gevoelsverwantschap de overhand kreeg over politieke betrekkingen – de Mensjewieken afsplitsten. De ‘tendens’ die werd gevormd sloeg tijdens het Zesde Congres van de IKS dezelfde weg in om vervolgens een nieuwe organisatie op te richten, de Externe Fractie van de IKS (EFIKS). Toch is er een groot onderscheid tussen de fractie van de Mensjewiki en die van de EFIKS. De eerste vaarde wel bij het bijeenbrengen van de meest opportunistische stromingen van de Russische sociaal-democratie en eindigde in het burgerlijke kamp, terwijl de EFIKS ineenstortte, zich steeds meer gedeisd hield en haar publicatie, International Perspectives, met steeds groter tussenpozen uitgaf. Uiteindelijk verwierp de EFIKS het platform van de IKS, hoewel voor haar oprichting als belangrijkste reden de verdediging was opgegeven van dit platform, dat volgens hen door de ontaardende IKS geleidelijk werd verraden.
Terwijl IKS tegelijkertijd intern tegen de overblijfselen van het radenisme streed nam zij actief deel aan de strijd van de arbeidersklasse zoals blijkt uit onze territoriale pers uit die periode. Ondanks haar geringe krachten was onze organisatie aanwezig in de verschillende gevechten. Zij verspreidde niet alleen haar pers en vlugschriften, maar nam waar mogelijk ook direct deel aan de arbeidersvergaderingen om de noodzaak te verdedigen tot uitbreiding van de strijd en van arbeiderscontrole erover buiten de verschillende vakbondsvormen om; de ‘officiële’ vakbeweging en de ‘vakbondsbasis’. In Italië, tijdens de onderwijsstaking in 1987, had de tussenkomst van onze kameraden een niet geringe invloed binnen de COBAS, (basis-comités) waar ze actief waren voordat deze met de teruggang van de beweging werden overgenomen door de ‘basis’-vakbonden. Een van de beste aanwijzingen dat onze standpunten in deze periode invloed onder de arbeiders begonnen uit te oefenen was dat de IKS voor sommige van de ultra-linkse groepen een bijzonder object van haat begon te worden. Dit was vooral het geval in Frankrijk waar ten tijde van de spoorwegstaking aan het einde van 1986 en van de staking in de gezondheidszorg in de herfst van 1988 de trotskistische groep Lutte ouvrière haar ‘gespierde mannen’ op de been bracht om onze militanten te beletten het woord te voeren in de vergaderingen waartoe was opgeroepen door de ‘coördinaties’. Tevens namen IKS-militanten actief deel aan meerdere strijdgroepen, en vaak vormden ze er de ziel van, die arbeiders bijeenbrachten die de noodzaak aanvoelden om buiten de vakbonden om bijeen te komen om de strijd voort te stuwen.
We moeten de invloed die revolutionairen, en onze organisatie in het bijzonder, op de arbeidersstrijd tussen 1983 en 1989 uitoefenden, natuurlijk niet ‘overdrijven’. De beweging bleef in het algemeen gevangen binnen de vakbondsideologie, waarbij de ‘basis’-versie het dirigeerstokje van de officiële vakbonden overnam zodra die al te ongeloofwaardig werden. Onze invloed gold bijzondere momenten en was hoe dan ook beperkt door onze nog altijd geringe krachten. Maar de lering die we uit deze ervaring moeten trekken is dat wanneer de strijd tot ontwikkeling komt revolutionairen een echo vinden als ze erbij zijn omdat de standpunten die ze verdedigen een antwoord geven op de vragen die de arbeiders zich stellen. En daartoe is het geenszins nodig dat zij ‘hun vlag verbergen’ of de geringste toegeving doen aan de illusies die nog altijd kunnen doorwegen op het bewustzijn van de arbeiders, vooral in het vraagstuk van de vakbeweging. Dit is een geldige les voor alle revolutionaire groepen die vaak worden verlamd zodra ze worden geconfronteerd met de strijd omdat daarin nog niet de kwestie wordt gesteld van de omverwerping van het kapitalisme en ze zich bijgevolg verplicht voelen om met ‘basis’-structuren te werken om ‘gehoor’ te vinden en daarmee juist geloofwaardigheid verlenen aan die kapitalistische organen.
Net zo goed als het de verantwoordelijkheid van revolutionairen is om ‘op de vloer’ aanwezig te zijn als er arbeidersstrijd wordt geleverd, zo dienen ze ook voortdurend in staat te zijn om de arbeidersklasse als geheel een duidelijk raamwerk van analyse te bieden over wat er in de wereld aan de hand is.
Een belangrijk onderdeel van deze taak bestaat uit het begrijpen van de innerlijke economische tegenstellingen die het kapitalistische systeem aantasten. Revolutionaire groepen die niet in staat blijken om het onoplosbaarheid aan te tonen van de crisis waarin het systeem verdrinkt laten daarmee zien dat ze de marxistische traditie waarop ze zich beroepen niet hebben begrepen en dat ze nutteloos zijn van de arbeidersklasse. Dat is het geval met bijvoorbeeld een groep als Fomento Obrero Revolucionario (FOR) die zelfs weigerde te erkennen dat er een crisis was. Haar blik was zozeer gericht op de bijzondere karaktertrekken van de crisis van 1929 dat ze jarenlang de hele bewijslast naast zich neerlegden... totdat zij in het niets verdween.
De revolutionairen dienen ook in staat te zijn de afzonderlijke stappen te beoordelen die de beweging van de klasse heeft gezet; de ogenblikken te onderkennen wanneer het vooruitgaat maar ook die van teruggang. Deze taak bepaalt de aard van de tussenkomst onder de arbeiders want als de beweging voorwaarts gaat is het hun verantwoordelijkheid die zover mogelijk voort te stuwen en vooral tot uitbreiding op te roepen. Bij een teruggang komt een oproep to strijd er op neer hen aan te zetten tot geïsoleerde strijd en een oproep tot uitbreiding komt dan neer op een uitbreiding... van de nederlaag. Heel vaak is het juist op zulke momenten dat de vakbonden tot uitbreiding oproepen.
Tenslotte vormt ook het volgen en begrijpen van de verschillende imperialistische conflicten voor kommunisten een verantwoordelijkheid van de bovenste plank. Een vergissing op dit vlak kan dramatische gevolgen hebben. Aan het eind van de jaren 1930 bijvoorbeeld geloofde de meerderheid van de Italiaanse Kommunistische Fractie, met Vercesi als gangmaker op kop, dat de verschillende oorlogen in die periode, met name de oorlog in Spanje, geenszins een algemeen conflict inleidden. Het uitbreken van de Wereldoorlog in september 1939 sloeg de Fractie volledig kreupel en het duurde verscheidene jaren voordat deze in staat was weer actief te worden in het zuiden van Frankrijk en militant werk te beginnen.
Voor wat betreft de huidige periode was het buitengewoon belangrijk om helder te zijn over de gebeurtenissen die plaatsvonden in de zomer en herfst van 1989 in de landen van het Oostblok. De IKS zelf kwam in het midden van de zomer, als het doorgaans ‘komkommertijd’ is, op de been om de gebeurtenissen te begrijpen toen Solidarnosc in Polen in de regering kwam (4). Zij nam het standpunt in dat de gebeurtenissen in Polen er een teken waren dat al de Europese stalinistische regimes aan het begin stonden van een crisis van ongekende diepgang: “Het vooruitzicht voor al de stalinistische regimes is... geenszins een ‘vreedzame democratisering’ of een ‘herstel’ van de economie. Met de verscherping van de wereldcrisis van het kapitalisme staan deze landen aan het begin van een periode van opschudding, van zelfs in hún verleden, dat ‘rijk’ is aan geweldadige uitbarstingen, ongekende omvang” (Internationale Revue, Engels-, Frans en Spaanstalige uitgave, nr. 59, Kapitalistische uitbarstingen en arbeidersstrijd). Dit idee werd verder uitgewerkt in de Stellingen over de economische en politieke crisis in de Sovjet-Unie en de landen van het Oostblok, opgesteld op 15 september (bijna twee maanden voor de val van de Berlijnse muur) en door de IKS aangenomen in het begin van oktober. In deze stellingen lezen we:
“[...] omdat de gewapende macht nagenoeg de enige samenbindende factor binnen het Russische blok is, dreigt elke politiek die dit feit naar de achtergrond wil drukken automatisch het bestaan van het blok. Nu al is het Oostblok in een vergaande staat van ontwrichting. Bijvoorbeeld, de schelpartijen die worden uitgewisseld tussen Oost-Duitsland en Hongarij, tussen ‘reformistische’ en ‘conservatieve’ regeringen, zijn niet alleen verlakkerij. Het laat de groter wordende kloof zien die tussen de verschillende nationale bourgeoisieën bestaan. In dit gebied zijn de middelpuntvliedende tendensen zo sterk dat ze aan de controle ontsnappen zodra ze daartoe te kans krijgen. [...]
We vinden eenzelfde verschijnsel in de republieken aan de rand van de Sovjet-Unie. Deze regio’s zijn min of meer koloniën van het tsaristische en zelfs stalinistische Rusland (zoals de Baltische republieken, die in 1939, onder het Duits-Russische pact, geannexeerd werden). Maar in tegenstelling tot andere grootmachten is Rusland nooit in staat geweest te dekoloniseren, omdat dat het verlies van iedere controle over deze gebieden, waarvan sommige van vitaal belang zijn voor de economie, zou betekenen. De nationalistische bewegingen die nu profiteren van het verslappen van het centrale gezag van de partij, ontwikkelen zich meer dan een halve eeuw later dan de bewegingen die de Britse en Franse rijken troffen; hun dynamiek gaar naar afscheiding van Rusland. [punt 18]. [...]
Maar hoe de situatie in het Oostblok zich ook ontwikkelt, de gebeurtenissen van dit moment betekenen de historische crisis van het systeem, de definitieve ineenstorting van het stalinisme [...] In deze landen is een periode van ongekende instabiliteit, stuiptrekkingen en chaos begonnen, waarvan de gevolgen veel verder reiken dan haar grenzen. Met name de voortgaande verzwakking van het Russische blok zal de deur openzetten voor destabilisatie van het hele systeem van internationale betrekkingen en imperialistische constellaties, zoals dat bestaan heeft sinds de Tweede Wereldoorlog en de Yalta-overeenkomsten. [punt 20]” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 60; Nederlandstalige uitgave, nr. 12).
Enkele maanden later (in januari 1990) werd dit laatste idee nauwkeuriger geformuleerd:
“De geo-politieke samenstelling van de wereld zoals die sinds de Tweede Wereldoorlog in stand bleef is volledig ondersteboven gegooid door de gebeurtenissen in de tweede helft van 1989. Er bestaan niet langer twee imperialistische blokken die de wereld onder elkaar verdelen. Het is overduidelijk [...] dat het Oostblok niet langer bestaat [...].
Betekent het verdwijnen van het Oostblok dat het kapitalisme niet langer zou zijn onderworpen aan imperialistische confrontaties? Een dergelijke hypothese is volkomen vreemd aan het marxisme [...] De ineenstorting van dit blok kan momenteel op geen enkele wijze een nieuwe geloofwaardigheid verlenen aan een dergelijke analyse: deze ineenstorting zal uiteindelijk het uiteenvallen met zich meebrengen van het Westerse Blok [...] Het verdwijnen van de Russische imperialistische politieagent en de komende verdwijning van de Amerikaanse politieagent, waar het zijn voormalige ‘partners’ betreft, opent de deur voor de ontketening van een hele reeks van locale rivaliteiten. Voorlopig kunnen deze rivaliteiten niet ontaarden in een wereldoorlog [...] Maar met het verdwijnen van de discipline die door de blokken werd opgelegd neigen deze conflicten ertoe vaker uit te breken en gewelddadiger te worden, en vanzelfsprekend vooral in die gebieden waar het proletariaat het zwakst is [...]
Het verdwijnen van de twee belangrijkste imperialistische constellaties die voortkwamen uit de Tweede Wereldoorlog brengt de tendens met zich mee naar de vorming van twee nieuwe blokken. Maar die situatie staat nog niet op de dagorde.” (Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 61, Na de ineenstorting van het Oostblok, destabilisatie en chaos).
De gebeurtenissen sindsdien, vooral de crisis en de oorlog in de Golf in 1990-1991, hebben onze analyse enkel bevestigd (5). Momenteel vormt de hele wereldsituatie, en vooral wat er gebeurt in voormalig Joegoslavië, een verpletterend bewijs voor het volledig verdwijnen van alle imperialistische blokken, terwijl sommige Europese landen, vooral Frankrijk en Duitsland, moeizaam proberen om de vorming van een nieuw blok, gebaseerd op de Europese Economische Gemeenschap, te bevorderen, en dat in staat zou moeten zijn om in te gaan tegen de macht van de Verenigde Staten.
Ook met betrekking tot de ontwikkeling van de klassenstrijd werd in de Stellingen van 1989 stelling genomen:
“Zelfs in zijn doodsstrijd verleent het stalinisme nog een laatste dienst aan de heerschappij van het kapitaal: terwijl het tot ontbinding komt verpest zijn kadaver nog steeds de lucht die het proletariaat inademt. [...] We moeten dan ook een tijdelijke teruggang verwachten in het bewustzijn van het proletariaat. [...] Vooral de reformistische ideologie zal in de komende periode zwaar doorwegen op de strijd en dit zal het ingrijpen van de vakbonden veel gemakkelijker maken.
Gegeven het historisch belang van de gebeurtenissen die haar bepalen zal de huidige teruggang van het proletariaat – hoewel dit de historische koers niet ter discussie stelt, het algemene vooruitzicht op klassenconfrontaties – veel diepgaander zijn dan die welke gepaard ging met de nederlaag van 1981 in Polen” (punt 22).
Nogmaals, de laatste vijf jaren hebben deze voorspelling overduidelijk laten uitkomen. Sinds 1989 zijn we getuige geweest van de belangrijkste teruggang van de arbeidersklasse sinds de historische wederopstanding aan het eind van de jaren 1960. Revolutionairen moesten op deze omstandigheden zijn voorbereid om hun tussenkomst dienovereenkomstig te kunnen aanpassen en vooral niet ‘het kind met het badwater weg te gooien’ door de lange teruggang te houden voor een definitief onvermogen om strijd te leveren tegen het kapitalisme of die verder tot ontwikkeling te brengen. In het bijzonder mogen de tekenen van hernieuwde strijdbaarheid van de arbeiders, vooral in de herfst van 1992 in Italië en in de herfst van 1993 in Duitsland (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 72 en 75) nóch worden overschat (gezien de omvang van de proletarische teruggang), nóch onderschat, omdat ze de voorlopers zijn van een onvermijdelijke herstel van de strijd en ontwikkeling van klassenbewustzijn in al de geïndustrialiseerde landen.
Het marxisme is een wetenschappelijke methode. Maar in tegenstelling tot de natuurwetenschappen kan het zijn theorieën niet verifiëren in de omstandigheden van een laboratorium of door zijn observatietechnologie te verbeteren. Het ‘laboratorium’ van het marxisme bestaat uit de sociale werkelijkheid en het toont zijn geldigheid aan door zijn vermogen om de ontwikkeling van die werkelijkheid te voorzien. Het feit dat de IKS in staat was om vanaf eerst de symptomen van de ineenstorting van het Oostblok de belangrijkste gebeurtenissen die de wereld in de vijf daaropvolgende jaren door elkaar schudden te voorspellen kan niet worden afgedaan als een bijzondere begaafdheid voor het lezen van koffiedik of astrologische tabellen. Het is gewoonweg een bewijs van het vasthouden door de IKS aan de marxistische methode, en dat is verantwoordelijk voor de juistheid van onze voorspellingen.
Dit gezegd hebbende volstaat het niet zichzelf tot marxist uit te roepen om de methode met goed gevolg te kunnen hanteren. Ons vermogen om snel te begrijpen wat in de wereldsituatie op het spel stond volgt uit de toepassing van de methode die we overnamen van Bilan, wat we tien jaar geleden omschreven als één van de belangrijkste lessen uit onze ervaring: de noodzaak de verworvenheden uit het verleden goed vast te houden, de noodzaak om kommunistische standpunten en analyses te zien als een levend programma, niet een dood dogma.
De Stellingen van 1989 begonnen in de eerste tien punten met het bevestigen van het raamwerk dat onze organisatie had aangenomen in het begin van de jaren 1980, na de gebeurtenissen in Polen, om de karakteristieken te begrijpen van de landen van het Oostblok. Het was deze analyse die ons in staat stelde aan te tonen dat de stalinistische regimes van het Oostblok aan hun eind waren gekomen. En het was een veel oudere verworvenheid van de arbeidersbeweging (vooral duidelijk gemaakt door Lenin tegenover Kautsky) – dat één imperialistisch blok alleen niet kan bestaan – dat ons mogelijk maakte te verklaren dat het einde van het Oostblok eveneens de weg opende voor de verdwijning van het Westerse Blok.
Evenzo moesten we, om te begrijpen wat er gebeurde, het schema ter discussie stellen dat meer dan veertig jaar lang geldig was gebleven: de verdeling van de wereld in een Westers Blok geleid door de Verenigde Staten, en een Oostblok geleid door de Sovjet-Unie. We moesten ook in staat zijn om te begrijpen dat het Rusland zoals het sinds Peter de Grote geleidelijk was opgebouwd het verlies van zijn imperium niet zou overleven. Nogmaals, het is geen bijzondere verdienste om in staat te zijn de schema’s van het verleden ter discussie te stellen. We hebben die benadering niet uitgevonden. Het is ons geleerd door de ervaring van de arbeidersbeweging, en dan vooral door zijn belangrijkste strijders: Marx, Engels, Rosa Luxemburg, Lenin...
Tenslotte, om de opschudding aan het eind van de jaren 1980 te begrijpen moest die worden geplaatst in een algemene analyse van het huidige stadium van het verval van het kapitalisme.
Dat is het werk waarmee we in 1986 begonnen, met het idee dat we een nieuwe fase in het kapitalistisch verval waren binnengegaan: dat van de ontbinding van het systeem. Deze analyse werd in het begin van 1989 in de volgende woorden uiteengezet:
“Tot op heden kon de strijd van de klasse zoals die in alle hoeken van de aardbol tot ontwikkeling kwam het decadente kapitalisme ervan afhouden zijn eigen antwoord te geven om het doodlopen van zijn economie: de ultieme vorm van zijn barbarij, een nieuwe wereldoorlog. Maar de arbeidersklasse is nog niet in staat zijn eigen perspectief door haar eigen revolutionaire strijd te bekrachtigen, of zelfs maar de toekomst die ze in zich draagt voor de rest van de samenleving duidelijk te maken.
Het is juist in deze tijdelijke patstelling, waarin voorlopig nóch het burgerlijke nóch het proletarische alternatief openlijk naar de oppervlakte kan komen, dat de oorzaak ligt van de verrotting van het kapitalisme, en die de tomeloze barbarij in het decadente kapitalisme verklaart. En deze verrotting wordt nog versneld door de meedogenloze verscherping van de economische crisis” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 57, De ontbinding van het kapitalisme).
Zodra de ineenstorting van het Oostblok duidelijk werd plaatsten we deze gebeurtenis natuurlijk in het raamwerk van de ontbinding:
“In werkelijkheid is de ineenstorting van het Oostblok opnieuw een teken van de ontbinding van de kapitalistische maatschappij waarvan de oorsprong ligt in precies het onvermogen van de bourgeoisie om haar eigen antwoord te geven op de open crisis van de wereldeconomie; de imperialistische oorlog.” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 60; Nederlandstalige uitgave, nr. 12, Stellingen, punt 20).
“Doordat de bourgeoisie de controle over de situatie is kwijtgeraakt is het niet zeker dat haar heersende sectoren nu in staat zullen zijn om de discipline en coördinatie op te leggen die voor het opnieuw samenstellen van militaire blokken nodig is [...] Daarom moeten wij er in onze analyse de nadruk op leggen dat terwijl de proletarische oplossing – de kommunistische revolutie – als enige in staat is de vernietiging van de mensheid (het enige antwoord dat de bourgeoisie kan geven op te crisis) tegen te gaan, deze vernietiging is niet noodzakelijk het resultaat van een Derde Wereldoorlog. Hij kan ook tot standkomen als logische en uiterste consequentie van het proces van ontbinding.
[...] de voortgaande en toenemende verrotting van de kapitalistische maatschappij zal nog rampzaliger effecten hebben op het klassenbewustzijn dan in de jaren 1980. Het drukt op het geheel van de maatschappij met een algemeen gevoel van wanhoop; de bedorven stank van de wegrottende burgerlijke ideologie vergiftigt dezelfde lucht die het proletariaat inademt. Tot aan de pre-revolutionaire situatie zal dit verdere moeilijkheden opwerpen voor de ontwikkeling van het klassenbewustzijn” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 61, Na de ineenstorting van het Oostblok, destabilisatie en chaos).
Door onze analyse van de ontbinding kunnen we dus de ernst beklemtonen van wat er in de huidige historische situatie op het spel staat. Dat brengt ons er vooral toe er de nadruk op te leggen dat de weg van het proletariaat naar de kommunistische revolutie veel zwaarder zal zijn dan revolutionairen in het verleden dachten. Dat is nog een les die we moeten trekken uit de ervaring van de IKS van de laatste tien jaar, en wel een die de zorg van Marx in de negentiende eeuw in de herinnering roept: dat revolutionairen er niet toe geroepen zijn de arbeidersklasse te troosten, maar in tegendeel juist zowel de absolute noodzaak als de problemen van haar strijd moeten benadrukken. Alleen met een helder bewustzijn over die moeilijkheden kan het proletariaat (en daarmee de revolutionairen) ontmoediging bij tegenslag uit de weg te gaan en de kracht en helderheid vinden om de versperringen op de weg naar de omverwerping van de uitbuitingsmaatschappij op te ruimen (6).
In deze beoordeling van de laatste tien jaar van de IKS kunnen we niet voorbijgaan aan twee belangrijke elementen van ons organisatorisch bestaan.
Het eerste is een heel positieve: het is de uitbreiding van de territoriale aanwezigheid van de IKS, door de oprichting van een kern in India die Communist Internationalist uitgeeft in het Hindi, en van een nieuwe afdeling met zijn publicatie Revolucion Mundial in Mexico, een land van het grootste belang in Latijns Amerika.
Het tweede feit is verdrietiger: het overlijden van onze kameraad Marc op 20 december 1990. We zullen hier niet ingaan op de vitale rol die hij heeft gespeeld in de vorming van de IKS, en eerder in de strijd van de links-kommunistische fracties tijdens de donkerste uren van de contra-revolutie. Een lang artikel (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 65-66) heeft dat al behandeld. Laten we alleen zeggen dat terwijl de uitbarstingen van het wereldkapitalisme sinds 1989 een ‘vuurproef’ vormden voor de IKS net als voor het milieu als geheel, het verlies van onze kameraad voor ons een andere ‘vuurproef’ vormde. Veel groepen in de geschiedenis van het kommunisme overleefden de dood van hun belangrijkste inspirator niet. Dat was bijvoorbeeld het geval met de FOR. Sommige ‘vrienden’ voorspelden ook vanuit een diepe ‘betrokkenheid’ dat de IKS zonder Marc niet zou overleven. Maar de IKS bestaat nog altijd en bleef vier jaar op koers ondanks de stormen waarin zij terechtkwam.
Ook hier schrijven we geen bijzondere verdiensten aan onszelf toe: de revolutionaire organisatie bestaat niet dankzij één van haar militanten, hoe waardevol die ook is. Zij is het historisch product van het proletariaat, en als zij er niet in slaagt het overlijden van één van haar militanten te overleven dan komt dat doordat zij heeft gefaald in het correct opnemen van de verantwoordelijkheid die de klasse haar gaf en omdat, in zekere zin, de militant zelf faalde. Als de IKS met goed gevolg de beproevingen waarmee het werd geconfronteerd doorstond, dan is dat vooral omdat zij altijd probeerde vast te houden aan de ervaringen van de kommunistische organisaties die aan haar voorafgingen en door haar rol eerder te zien in een strijd van de lange adem dan een strijd voor ‘onmiddellijk succes’. Sinds de negentiende eeuw was dit de benadering van de helderste en degelijkste revolutionaire militanten: we spiegelen ons aan hen, en voor een groot deel is het onze kameraad Marc die ons dat leerde. Hij leerde ons door zijn voorbeeld ook de betekenis van militante toewijding zonder welke een revolutionaire organisatie niet kan overleven, hoe helder ze ook moge zijn:
“Zijn grootste trots lag niet in de buitengewone bijdrage die hij leverde, maar in het feit dat hij met heel zijn wezen trouw was gebleven aan de strijd van het proletariaat. Ook dit is een kostbare les voor de nieuwe generaties van militanten die nooit de gelegenheid hebben gehad de immense toewijding aan de revolutionaire zaak van vroegere generaties te ervaren. Het is vooral in deze geest dat we hopen de strijd voort te zetten. Hoewel we zijn waakzame en scherpzinnige, warme en hartstochtelijke aanwezigheid nu ontberen zijn we vastbesloten om door te gaan.” (Marc, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 66).
(1) Het feit dat we nu aflevering 80 van de Internationale Revue uitgeven laat zien dat er een ononderbroken regelmaat kon worden gehandhaafd.
(2) In het begin van de jaren 1980 gaf PCI-Programma haar blad de nieuwe naam Combat. Combat gleed snel weg in een ultra-linkse praktijk. Sindsdien hebben enkele elementen van de groep de uitgave van Programma Comuniste weer ter hand genomen, waarin klassiek-bordigistische standpunten worden verdedigd.
(3) Over dit onderwerp zie de artikelen in de Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 41 en 45. Zie ook Het gevaar van het Radenisme, in Wereldrevolutie, nr. 26; Resolutie over opportunisme en centrisme in de vervalperiode, in Wereldrevolutie, nr. 29; en Naar een politieke strijdorganisatie, in Internationalisme, nr. 104, samengevat in Wereldrevolutie, nr. 28.
(4) Het moet worden gezegd dat nagenoeg alle groepen van het proletarisch milieu nauwelijks in staat waren de gebeurtenissen van 1989 te begrijpen, zoals we duidelijk maakten in de artikelen De wind uit het oosten en het antwoord van revolutionairen, en Tegenover de opschudding in het oosten, een voorhoede die te laat kwam, in Internationale Revue, Engels, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 61 en 62. De prijs gaat ongetwijfeld naar de EFIKS (die op grond van de veronderstelde ontaarding van de IKS en van haar onvermogen om enig theoretisch werk tot een goed einde te brengen deze had verlaten): het kostte de EFIKS twee jaar om zich er rekenschap van af te leggen dat het Oostblok was verdwenen (zie het artikel Wat is het nut van EFIKS?, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70).
(5) We deden verslag van deze gebeurtenissen in de Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 64-65. Vooral, zelfs voorafgaande aan ‘Woestijnstorm’, schreven we: “In de nieuwe historische periode die we zijn binnengegaan, en de gebeurtenissen in de Golf hebben dit bevestigd, doet de wereld zich voor als een immense boksring, waarin de tendens van ‘ieder voor zich’ tot het uiterste wordt doorgevoerd, en waarin de bondgenootschappen tussen de staten gedomineerd worden door de onmiddellijke behoeften van het moment en bij lange na niet de stabiliteit zullen kennen die de imperialistische blokken kenmerkte. Een wereld van moordende wanorde, van bloedige chaos waarin de Amerikaanse politieagent zal trachten een minimum aan orde te garanderen door steeds massaler en wreder militair ingrijpen.” (Militarisme en ontbinding, in Internationale Revue, Engels-, Frans en Spaanstalige uitgave, nr. 64; Nederlandstalige uitgave, nr. 13). Evenzo verwierpen we het idee opgeworpen door ultra-linksen, maar gedeeld door de meeste van de groepen van het proletarisch milieu, dat de oorlog in de Golf een “oorlog om olie” was (zie Het proletarisch politieke milieu tegenover de Golf-oorlog, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 64; Nederlandstalige uitgave, nr. 13).
(6) Het is hier niet noodzakelijk onze analyse van de ontbinding uitvoeriger te herhalen. Hij is te vinden in al onze teksten over de internationale situatie. We voegen slechts toe dat, door een diepgaand debat in heel de organisatie, deze analyse geleidelijk steeds nauwkeuriger is geformuleerd (zie daarover onze teksten De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme, Militarisme en ontbinding, en Naar de grootste chaos uit de geschiedenis, in achtereenvolgens Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 62, 64 en 68, de eerste twee ook in de Nederlandstalige uitgave, nr. 13).
Afgelopen voorjaar heeft de IKS haar Zestiende Congres gehouden. “Het Congres is het soevereine orgaan van de IKS” staat in onze statuten. Daarom is het zoals altijd onze verantwoordelijkheid tegenover de arbeidersklasse van een dergelijke belangrijke gebeurtenis verslag te doen en de voornaamste oriëntaties ervan naar voren te halen (1).
Het verloop van het congres heeft het onderzoek van de heropleving van de klassengevechten en de verantwoordelijkheden die deze heropkomst meebrengt voor onze organisatie in het centrum geplaatst, vooral ten aanzien van de ontwikkeling van een nieuwe generatie van elementen die zich richten op een revolutionair politiek perspectief. Tegelijkertijd blijft de oorlogsbarbarij zich ontketenen in een kapitalistische wereld die geconfronteerd wordt met een onoplosbare economische crisis; specifieke rapporten over de imperialistische conflicten en de crisis zijn tijdens het congres voorgesteld, bediscussieerd en goedgekeurd. De wezenlijke elementen van deze rapporten worden weergegeven in de resolutie over de internationale situatie.
Deze resolutie herinnert eraan dat de IKS de huidige historische periode analyseert als de ultieme fase van het verval van het kapitalisme, de fase van ontbinding van de burgerlijke maatschappij, waarin deze laatste bij levende lijve verrot. Zoals we al herhaaldelijk uiteengezet hebben komt deze ontbinding voort uit het feit dat geen van beide onverzoenlijk tegenover elkaar staande klassen van de maatschappij, bourgeoisie en proletariaat, erin slaagt om, tegenover de onherroepelijke historische ineenstorting van de kapitalistische economie, haar eigen antwoord door te zetten: de wereldoorlog voor de eerste, de kommunistische revolutie voor de tweede. Deze historische voorwaarden bepalen de wezenlijke kenmerken van het leven van de huidige burgerlijke maatschappij. Het is met name in het kader van deze analyse van de ontbinding dat we het voortduren en verergeren kunnen begrijpen van een hele reeks calamiteiten die de mensheid vandaag teisteren, in de eerste plaats de oorlogsbarbarij, maar ook andere verschijnselen zoals de onstuitbare vernietiging van het milieu of de rampzalige gevolgen van ‘natuurrampen’ zoals de tsunami van vorige winter. Deze historische voorwaarden die samengaan met de ontbinding drukken ook zwaar op het proletariaat en op zijn revolutionaire organisaties en vormen een van de voornaamste oorzaken van de moeilijkheden die onze klasse en onze organisatie sinds het begin van de jaren 1990 ondervinden, zoals we in voorgaande artikelen al vaak hebben aangetoond (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 62).
Het Vijftiende Congres had vastgesteld dat de IKS haar crisis van 2001 overwonnen had, in het bijzonder omdat zij begrepen had dat die crisis een uitdrukking in onze eigen rangen was van de verderfelijke effecten van de ontbinding. Tegelijkertijd had het congres de moeilijkheden vastgesteld die de arbeidersklasse bleef ondervinden in haar strijd tegen de kapitalistische aanvallen, met name haar gebrek aan zelfvertrouwen.
Sinds dit congres echter, dat in het voorjaar van 2003 gehouden werd, kon de voltallige vergadering van het centraal orgaan van de IKS in de herfst van datzelfde jaar onderstrepen: “De grootschalige mobilisaties van het voorjaar 2003 in Frankrijk en Oostenrijk vertegenwoordigen een keerpunt in de klassenstrijd sinds 1989. Ze zijn een eerste stap van betekenis in het herstel van de strijdwil van de arbeidersklasse na de langste periode van terugval sinds 1968.” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 119).
Zo’n keerpunt in de klassenstrijd kwam niet als een verrassing voor de IKS, want het vijftiende congres kondigde dit vooruitzicht al aan. De resolutie over de internationale situatie die door het zestiende congres is aangenomen, precizeert in dat verband:
“De gevechten in de periode 2003-2005 hebben de volgende kenmerken vertoond:
De resolutie die het Zestiende Congres heeft aangenomen stelt vast dat verschillende manifestaties van dit keerpunt in de krachtsverhouding tussen de klassen “samengegaan zijn met de opkomst van een nieuwe generatie van elementen die op zoek zijn naar politieke duidelijkheid. Deze nieuwe generatie heeft zich zowel gemanifesteerd in een nieuwe toevloed van openlijk gepolitiseerde elementen als in nieuwe lagen arbeiders die voor de eerste keer de strijd aangaan. Zoals bepaalde belangrijke manifestaties hebben duidelijk gemaakt, wordt op dit moment de basis gesmeed voor de eenheid tussen de nieuwe generatie en de ‘generatie van ‘1968’ – zowel de politieke minderheid die in de jaren 1960 en 1970 de kommunistische beweging heropbouwde als de bredere lagen arbeiders die de rijke ervaring van de klassenstrijd tussen 1968 en 1989 hebben meegemaakt.
De andere wezenlijke bekommernis van het zestiende congres is dan ook geweest om onze organisatie opgewassen te maken tegen haar verantwoordelijkheid tegenover de opkomst van deze nieuwe elementen die zich oriënteren op de klassenstandpunten van de Kommunistische Linkerzijde. Dat brengt met name de activiteitenresolutie die het congres heeft aangenomen tot uitdrukking: “De strijd om de nieuwe generatie te winnen voor de klassenstandpunten en voor het militantisme staat vandaag centraal in al onze activiteiten. Dat geldt niet alleen voor onze tussenkomst, maar voor het geheel van onze politieke overdenking, van onze discussies en van onze militante bekommernissen.”
Dit werk van hergroepering van nieuwe militante krachten omvat met name hun verdediging tegen alle pogingen om hen te vernietigen of in impasses te leiden. En die verdediging kan enkel tot een goed einde gebracht worden wanneer de IKS zichzelf weet te verdedigen tegen de aanvallen waarvan zij het doelwit is. Het vorige congres had reeds vastgesteld dat onze organisatie in staat was gebleken de bijzonder ongerechtvaardigde aanvallen van de IFIKS (2) af te slaan, waardoor deze haar verklaarde doel niet konden bereiken, namelijk de IKS te vernietigen, of tenminste het grootst mogelijke aantal afdelingen ervan. In oktober 2004 heeft de IFIKS een nieuwe aanval tegen onze organisatie ondernomen, waarbij ze zich baseerde op de lasterlijke verklaringen van een ‘Circulo de Comunistas Internacionalistas’ in Argentinië, die zich voorstelde als de opvolger van de ‘Nucleo Comunista Internacional’ (NCI) waarmee de IKS sinds eind 2003 discussies en contacten ontwikkeld had. Spijtig genoeg heeft het IBRP zijn steentje bijgedragen aan dit schandalige manoeuvre door in verschillende talen één van de meest leugenachtige en hysterische verklaringen van deze ‘Circulo’ tegen onze organisatie te publiceren, en die maandenlang op de IBRP-website te laten staan. Door omgaand documenten op onze internetsite te publiceren hebben we deze aanval kunnen afslaan en de aanvallers tot zwijgen kunnen brengen. De ‘Circulo’ werd ontmaskerd voor wat zij was: een fictie uitgevonden door burger B., een armzalig avonturier op het zuidelijk halfrond. Want de strijd tegen dit offensief van de ‘triple alliantie’ van avonturisme (B.), parasitisme (IFIKS) en opportunisme (IBRP) was tegelijk een strijd voor de verdediging van de NCI als inspanning van een kleine kern kameraden om inzicht te ontwikkelen in de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde en een band te smeden met de IKS (3).
Voor dit werk gericht op zoekende elementen, moet de IKS een vastberaden tussenkomst voeren. Maar zij moet ook alle aandacht geven aan de diepgang van de argumentatie die in discussies naar voren wordt gebracht, en aan de kwestie van het politieke gedrag. Anderzijds moet het opkomen van nieuwe kommunistische krachten een sterke aansporing zijn voor de overdenking en de energie, niet alleen van de militanten, maar ook van de elementen die getroffen werden door de teruggang van de arbeidersklasse vanaf 1989: “De gevolgen van de huidige historische ontwikkelingen zullen een gedeelte van de generatie van 1968 opnieuw politiseren, elementen die eerder afgeleid en vergiftigd werden door burgerlijk links. Die gevolgen hebben al oude militanten terug in beweging gebracht, niet alleen van de IKS, maar ook van andere proletarische organisaties. Elk van de manifestaties van deze fermentatie vertegenwoordigt een kostbaar potentieel voor het opnieuw verwerven van de klassenidentiteit, de strijdervaring, en het historisch perspectief van het proletariaat. Maar deze verschillende potentiëlen kunnen zich maar realiseren wanneer ze samengebracht worden door een organisatie die het historisch bewustzijn, de marxistische methode en de organisatorische aanpak vertegenwoordigt die vandaag alleen de IKS kan bieden. Dat maakt de voortdurende ontwikkeling van de historische capaciteiten met het oog op de lange termijn, het militante begrip en de centralisatie van de organisatie tot cruciale elementen voor het historisch erspectief”.
Het congres heeft het grote belang onderstreept van het theoretische werk in de huidige situatie:
“De organisatie kan slechts aan haar verantwoordelijkheden voldoen, zowel tegenover de revolutionaire minderheden, als tegenover de klasse in haar geheel, wanneer ze in staat is het proces te begrijpen dat de toekomstige partij voorbereidt in de bredere context van de algemene evolutie van de klassenstrijd. Het vermogen van de IKS om de veranderende krachtsverhouding tussen de klassen te analyseren, om tussen te komen in de gevechten en in de politieke overdenking in de klasse, is van belang voor de evolutie van de klassenstrijd op lange termijn. Maar vandaag al, op de korte termijn, is het cruciaal voor de verovering van onze leidende rol jegens de nieuwe gepolitiseerde generatie. De organisatie moet deze theoretische overdenking voortzetten, zoveel mogelijk concrete lessen trekken uit haar tussenkomst, en de schema’s van het verleden voorbijstreven.
Tenslotte heeft het congres bijzondere aandacht besteed aan de kwestie die het platform van onze organisatie afsluit: “De verhoudingen tussen de verschillende delen van de organisatie en de verschillende militanten vertonen noodzakelijkerwijs de sporen van de kapitalistische maatschappij en kunnen daarom geen eilandje van kommunistische verhoudingen binnen het kapitalisme vormen. Toch mogen zij niet in flagrante tegenspraak zijn met het doel dat de revolutionairen nastreven en zij baseren zich noodzakelijkerwijs op een onderlinge solidariteit en een wederzijds vertrouwen, die erop wijzen dat de organisatie tot de klasse behoort die draagster is van het kommunisme.
Een dergelijke vereiste vraagt, net als alle andere vereisten waaraan een marxistische organisatie het hoofd moet bieden, om theoretische overdenking: “In die mate dat de organisatievraagstukken en de kwesties van politiek gedrag vandaag centraal staan in de debatten binnen en buiten de organisatie, zal de discussie van de verschillende oriëntatieteksten [die deze onderwerpen behandelen]een centrale krachtlijn van ons theoretisch werk in de komende twee jaar vormen. Deze vraagstukken leiden ons naar de wortels van de recente organisatorische crises, ze raken de fundamentele basis van ons militante engagement, en vormen centrale kwesties van de revolutie in het tijdperk van de ontbinding. Ze zijn dus geroepen om een centrale rol te spelen in de hernieuwing van de militante overtuiging en in het herwinnen van de smaak voor de theorie en voor de marxistische methode, die ieder vraagstuk met een historische en theoretische benaderingswijze behandelt.”
De congressen van de IKS zijn altijd momenten van enthousiasme voor het geheel van haar leden. Hoe zou het ook anders kunnen wanneer militanten uit drie continenten en dertien landen, gedreven door dezelfde overtuiging, elkaar ontmoeten om samen te discussiëren over de vooruitzichten van de historische beweging van het proletariaat. Maar het Zestiende Congres was nog meer enthousiasmerend dat de meeste vorige.
Gedurende bijna de helft van de dertig jaar van haar bestaan, beleefde de IKS een terugval in het bewustzijn van het proletariaat, de verstikking van zijn strijd en de uitdroging van de toestroom van nieuwe militante krachten. Gedurende meer dan tien jaar was één van de centrale ordewoorden van onze organisatie ‘standhouden’. Het was een moeilijke beproeving en een aantal van haar ‘oude’ militanten heeft deze niet doorstaan (met name degenen die de IFIKS gevormd hebben, en zij die de strijd opgegeven hebben tijdens de crises die we in de loop van deze periode hebben gekend).
Momenteel, nu het vooruitzicht opklaart, kunnen we zeggen dat de IKS als geheel de test doorstaan heeft en dat ze er versterkt uit te voorschijn is gekomen. Een politieke versterking, zoals de lezers van onze pers kunnen vaststellen (die ons een toenemend aantal aanmoedigende brieven sturen). Maar ook een numerieke versterking aangezien het aantal nieuwe toetredingen vandaag het aantal ontslagen dat we met de crisis van 2001 moesten verwerken overtreft. En wat daarbij opmerkelijk is, is dat een aanzienlijk deel van die nieuwe leden jonge elementen zijn, die niet de misvormingen hebben moeten ondergaan en te boven komen van militantisme in ultralinkse organisaties. Jonge elementen wier dynamisme en enthousiasme honderd keer de vermoeide en opgebruikte ‘militante krachten’ vervangen die ons hebben verlaten.
Het enthousiasme op het Zesteinde Congres was een lucide enthousiasme. Het had niets te maken met de bedrieglijke euforie die we meemaakten op andere congressen van onze organisatie (een euforie die in het bijzonder werd uitgedragen door degenen die ons ondertussen verlaten hebben). Na dertig jaar heeft de IKS geleerd (4), soms met smart, dat de weg die naar de revolutie leidt geen snelweg is, maar een bochtige weg, vol klemmen en voetangels, en bezaaid met valstrikken die de heersende klasse gereed houdt om haar doodsvijand, de arbeidersklasse, af te leiden van zijn historische doel. De leden van onze organisatie weten vandaag maar al te goed dat militeren geen gemakkelijke zaak is. Het vraagt niet alleen een stevige overtuiging, maar ook veel zelfopoffering, volharding en geduld.
Het bewustzijn van de moeilijkheid van onze taak ontmoedigt ons echter niet. Integendeel, het is een factor die ons enthousiasme nog vergroot.
Op dit moment vertoont het aantal deelnemers aan onze openbare bijeenkomsten een aanzienlijke groei, terwijl we een toenemend aantal brieven ontvangen uit Griekenland, Rusland, Moldavië, Brazilië, Argentinië, Algerije, waarin mensen zich direct kandidaat stellen om lid te worden van onze organisatie, voorstellen om discussies aan te knopen of eenvoudigweg om publicaties vragen, maar altijd in een militant perspectief. Al deze elementen staan ons toe te hopen op een ontwikkeling van de aanwezigheid van kommunistische standpunten in landen waar de IKS nog geen afdeling heeft, of zelfs op de oprichting van nieuwe afdelingen in die landen. Wij begroeten de kameraden die zich richten op de kommunistische standpunten en op onze organisatie. Wij zeggen hen: “Jullie hebben de juiste keuze gemaakt, de enig mogelijke wanneer je het vooruitzicht hebt je te integreren in de strijd voor de proletarische revolutie. Maar het is niet de gemakkelijkste keuze: je zult geen snelle successen behalen, er zal geduld nodig zijn en doorzettingsvermogen, en je moet je niet laten ontmoedigen wanneer de bereikte resultaten niet beantwoorden aan jullie verwachtingen. Maar jullie staan niet alleen: de huidige militanten van de IKS staan aan jullie zijde en zijn zich bewust van de verantwoordelijkheid die jullie toenadering voor hen meebrengt. Hun wil, die zij op het Zestiende Congres tot uitdrukking hebben gebracht, is om opgewassen te zijn tegen deze verantwoordelijkheid.”
IKS
(1) Een uitvoeriger verslag van het werk van dit congres is verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 122.
(2) De zogenaamde ‘Interne fractie van de IKS’, samengesteld uit militanten die lange tijd deel uitmaakten van onze organisatie, die zich begonnen te gedragen als hysterische fanatiekelingen op zoek naar zondebokken, als boeven en tenslotte als verklikkers.
(3) Zie in dit verband ons artikel Nucleo Comunista Internacional: een inspanning tot bewustwording van het proletariaat in Argentinië in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 120.
(4) Of beter gezegd opnieuw geleerd, want het was een les waarvan de kommunistische organisaties in het verleden zich zeer goed bewust waren, in het bijzonder de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde, waarop de IKS zich beroept.
“Wij hebben gewonnen!”, zo scandeerde op de avond van 29 mei ‘het volk van links’ op het Bastille-plein te Parijs. “Deze overwinning is er vooral een van de arbeiders, van de bedienden, van de jongeren en de werklozen (die) elkaar gevonden hebben bij de stembus om deze liberale dwangbuis te verwerpen”, verklaarde de nationale secretaris van de stalinistische Parti Communiste Français en ze voegde er aan toe: “Deze overwinning werd opgebouwd [...] in een dynamiek van een volksoploop die deed denken aan de grote momenten van het Volksfront of van Mei 1968”; terwijl de trotskist Besancenot van de Ligue des Communistes Révolutionnaires sprak van “een beweging van sociale wraak”. In Nederland verklaarde de ‘democratische’ en ‘progressieve’ Stichting Sociaal Europa in Nederland; “De afwijzing van deze grondwet geeft hoop aan de werklozen en mensen levend in armoede en bestaansonzekerheid. De hoop dat het nee tegen de neoliberale grondwet in Frankrijk en Nederland een omslag in de geschiedenis teweeg zal brengen die leidt tot een radicale heroriëntatie in de Europese politiek.” Een ander linksgeaard Comité Grondwet Nee deed er nog een schepje bovenop: “Deze uitslag is ronduit gunstig voor de toekomst van Europa. De hoge opkomst en de vele discussies geven aan dat Europa leeft onder de bevolking, als de mensen er zelf maar werkelijk iets over te zeggen hebben. In twee van de drie landen waar een referendum is gehouden was er sprake van een hoge opkomst en een duidelijk afwijzen van de Grondwet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak is voor een democratisch en sociaal Europa.”
Links staat op de eerste rij om de overwinning van het NEEN voor te stellen als “een grote overwinning van de arbeidersklasse”. Leugens! De arbeidersklasse heeft niets gewonnen. Integendeel, de bourgeoisie heeft gebruik gemaakt van haar referendum om het klassenbewustzijn te bederven door te profiteren van de illusies die nog sterk leven binnen de arbeidersklasse ten aanzien van de democratie en de verkiezingen.
De proletariërs moeten er over nadenken dat wat hen altijd wordt voorgesteld als “grote arbeidersoverwinningen” steeds de grootste en de gevaarlijkste nederlagen betekenden voor hun klasse. Net zo was het in 1936, met het aantreden van de regering van het Volksfront in Frankrijk, dat vandaag nog steeds wordt voorgesteld als “een grote overwinning” voor de arbeiders, terwijl de regering van dat Volksfront de bourgeoisie in staat stelde om de arbeidersklasse massaal in te kaderen achter de vlag van het antifascisme ten gunste van de verschrikkingen en de slachtpartijen van de Tweede Wereldoorlog. Het is in naam van de grote leugen van “de triomf van de dictatuur van het proletariaat in de USSR”, van “de overwinning van het socialisme in één land” en van “de vooruitgang bij de opbouw van een kommunistische maatschappij”, die een halve eeuw lang hele generaties van arbeiders meesleurde en opofferde op het altaar van de stalinistische contrarevolutie, achter een ideologie van de “verdediging van het socialistisch vaderland”, maar die ook uitgebuit, uitgemoord, gedeporteerd en gevangen werden gezet door datzelfde “vaderland van het socialisme”.
De proletariërs zijn met open ogen in de val gelopen waarbij het hen zó werd voorgesteld dat er met het referendum voor hen iets op het spel stond. Nu buit de bourgeoisie de situatie uit in haar eigen voordeel en het bewustzijn van de arbeiders te ondergraven door hen wijs te maken dat het stembiljet doeltreffender zou zijn dan de klassenstrijd, ook al kunnen de effecten van deze propaganda wel eens heel snel wegsmelten onder druk van de werkelijkheid.
De enorme en voortdurende tamtam rond het referendum, voor, tijdens en erna, heeft slechts één doel: de proletariërs de grove leugen laten slikken dat het meest doeltreffende middel om de bourgeoisie terug te dringen en om hun stem te laten horen en hun ongenoegen uit te drukken, niet de ontwikkeling van de klassenstrijd zou zijn maar het stembiljet. Zo winden de trotskisten van Offensief in Nederland er geen doekjes om: “Nadat de Nederlandse werkende bevolking in het najaar al had laten zien zich niet zonder meer neer te leggen bij draconische bezuinigingsmaatregelen en afbraak van de verzorgingsstaat blijkt nu ook weer dat zij het beleid van het kabinet Balkenende spuugzat is. Op 2 oktober van het vorige jaar gingen meer dan 300.000 mensen uit protest tegen de kabinetsplannen de straat op in Amsterdam. Nu wordt andermaal een belangrijk politiek onderwerp van dit neoliberale kabinet naar de prullenmand verwezen.” (Website offensief: De stem tegen de Grondwet was een stem van de werkende mensen tegen de zakkenvullers).
Van extreem rechts tot ultralinks, had de niet aflatende ideologische trom, die naar hartelust drie maanden lang werd geroerd, slechts de bedoeling om een maximum aan proletariërs aan te trekken en te ronselen op het verkiezingsterrein.
De bourgeoisie is er inderdaad in geslaagd om de aandacht van de arbeiders te trekken, de ergste verwarringen te zaaien om een maximum aan proletariërs naar het verkiezingsterrein te drijven. Het referendum was alomtegenwoordig in alle media. Het was onmogelijk om te ontsnappen aan de vinnige debatten, de vlammende polemieken omtrent wat er op spel zou staan bij deze stembusslag. Deze ideologische hersenspoeling moest elke ‘burger’, en vooral de proletariërs ervan overtuigen dat deze raadpleging absoluut cruciaal en bepalend was. Alle fracties van de bourgeoisie gingen er prat op dat ze “een groot democratisch debat” konden lanceren en opluisteren. Maar het heeft als enig doel stuurloos te maken en in de hoofden van de arbeiders een maximum aan verwarring en illusies te zaaien. Alle media en politieke verantwoordelijken hebben het uitgeroepen: “stem wat je wilt, maar ga stemmen!” Het voornaamste ideologisch gif dat in deze campagne werd gespuid was dat “niets meer zal zijn als tevoren”, dat de kracht van het ‘nee’, gevoed door de sociale ontevredenheid tegenover de regeringen, de bourgeoisie er toe zou dwingen om van de sociale bekommernis het centrum van haar campagne te maken. Dat is gedeeltelijk waar, maar de enige bedoeling van die manoeuvre was de arbeiders in de democratische val te lokken, in de verkiezingsvalstrik, doordat deze campagne voordien terecht verveling en een totaal gebrek aan belangstelling opwekte in de arbeidersklasse. Maar vanaf het moment dat de regering er in slaagde om de ontevredenheid te kanaliseren rond een referendum, dat ze terughoudender zou worden door de richtlijn Bolkenstein in te trekken, is ze er in geslaagd om de democratische misleiding op het verkiezingsterrein tot nieuw leven te wekken. Maar denkt de bourgeoisie werkelijk ons te kunnen laten geloven dat in de periode ná het referendum alle voorrang zou worden gegeven aan het sociale? Meer dan ooit bestaat de toekomst die het kapitalisme ons biedt uit het versterken van de aanvallen tegen de arbeiders. Deze ideologische propaganda wil ons knollen voor citroenen verkopen, ons laten geloven dat de reactie van de ‘burgers’ de koers van het kapitalisme kan veranderen, de bourgeoisie kan doen buigen en de weg van het liberalisme en de bedrijfsdelocalisaties kan blokkeren. De regeringspolitiek zal geen haarbreed veranderen.
De belangrijkste doelstelling van de bourgeoisie ten opzichte van de proletariërs in om het even welke verkiezing is hen er toe te drijven het collectieve terrein van de strijd te verlaten om hun stem uit te brengen als ‘burger’, geatomiseerd, afgesneden van de klasse, in de terecht zo genoemde ‘isoleercel’ van het stemhokje, op een terrein van drijfzand, dat niet het hunne is maar dat van de bourgeoisie. Voor de arbeidersklasse is het verkiezingsterrein een ideologische valstrik die de ergste verwarringen moet zaaien en moet beletten dat zij haar klassenbewustzijn tot ontwikkeling brengt.
Dat is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw streden de arbeiders er voor en werden ze zelfs neergeschoten omwille van het algemeen stemrecht. Nu is het andersom. Het zijn de regeringen die alle middelen inzetten waarover ze beschikken opdat een maximum aantal mensen gaat stemmen. Waarom?
Tijdens de hele opkomstperiode van het kapitalisme waren de parlementen de plaats bij uitstek waar de verschillende fracties van de bourgeoisie elkaar bestreden of zich verenigden om hun belangen te verdedigen. Ondanks de gevaren en de illusies die dat met zich meebracht hadden de arbeiders er belang bij om in een periode waarin de proletarische revolutie nog niet op de dagorde stond zich te mengen in de botsingen tussen de burgerlijke fracties en soms bepaalde burgerlijke fracties te steunen tegen andere, om te proberen hun lot binnen het systeem te verbeteren. Zo dwongen de arbeiders in Engeland in 1848 de tien-urige werkdag af en in 1859 werd die ook in België ingevoerd; in 1865 werd de wet op de samenzwering ingetrokken (het recht om zich te organiseren), in Frankrijk werd het vakbondsrecht erkend in 1884, enzovoort.
Maar de toestand werd volslagen anders met het begin van de twintigste eeuw. De maatschappij is toen haar periode van permanente crisis en onvermijdelijke neergang binnengetreden. Het kapitalisme heeft de planeet veroverd en de wereld is verdeeld onder de grootmachten. Elke imperialistische grootmacht kan voortaan alleen nog maar nieuwe markten veroveren ten koste van anderen. Wat toen aanving was een nieuw “tijdperk van oorlogen en revoluties”, zoals in 1919 werd verkondigd door de Kommunistische Internationale. Het werd een tijdperk dat gekenmerkt zou worden door de economische ineenstortingen zoals de crisis van 1929, twee wereldoorlogen en de revolutionaire uitbarsting van het proletariaat in 1905 in Rusland, van 1917 tot 1923 in Rusland, Duitsland, Hongarije en Italië. Om het hoofd te bieden aan deze groeiende moeilijkheden, werd het kapitaal genoodzaakt om voortdurend de macht van haar staat te versterken. Bovendien neigt de staat er steeds meer naar om meester te worden van het geheel van het sociale leven en in de eerste plaats op het vlak van de economie. Deze ontwikkeling van de rol van de staat gaat vergezeld van een verzwakking van de wetgevende macht ten gunste van de uitvoerende. Zoals het Tweede Congres van de Kommunistische Internationale uitsprak: “Het zwaartepunt van het huidige politieke leven is volledig en definitief uit het parlement verdwenen”.
Voor de arbeiders kan er geen sprake meer van zijn een plaats te veroveren binnen het kapitalisme, het gaat er om het omver te werpen omdat dit systeem niet meer in staat is hen duurzame hervormingen noch een lotsverbetering toe te staan.
Voor de bourgeoisie is het parlement een plaats geworden waar de beslissingen die ze elders heeft genomen worden vastgelegd.
Wat overblijft is een ideologische rol van het kiesrecht, die bepalend blijft. De misleidende rol van de parlementaire instellingen bestond reeds in de negentiende eeuw maar was toen bijkomstig, stond ten achter bij haar politieke functie. Momenteel is misleiding de enige functie die nog overblijft voor de bourgeoisie: zij heeft ten doel te laten geloven dat de democratie het kostbaarste gedachtegoed is, dat het de uitdrukking is van de soevereiniteit van het volk, het komt neer op de vrijheid om zelf zijn uitbuiters te kiezen. De parlementaire democratie en vooral het bedrog van de democratische ideologie blijven het beste middel om het arbeidersbewustzijn te vergiftigen en het is het meest doeltreffende en gevaarlijkste ideologische wapen om het proletariaat te onderwerpen.
De aanvallen tegen de arbeiders gingen de laatste maanden steeds verder door en onmiddellijk na deze stembusslag zullen de proletariërs merken dat hun levens- en arbeidsvoorwaarden nog verder zullen aftakelen. De bourgeoisie probeert tijd te winnen om zo het moment van massaler confrontaties met het proletariaat uit te stellen. Ze moet steeds meer ideologische parades vinden en haar uiterste best doen om in de arbeidersklasse de ontwikkeling van het klassenbewustzijn over het bankroet van het kapitalistisch systeem af te remmen. Zoals we vorige maand nog schreven in onze pers in Frankrijk en in Nederland, “De stembusuitslag zal niets veranderen aan de toename van de arbeidersvijandige aanvallen die door de nationale bourgeoisieën worden uitgevoerd, aan de versnelling van de aftakeling van de levensvoorwaarden van de proletariërs, aan de ontslagen, aan de bedrijfsdelocalisaties, aan de groei van de werkloosheid en de tijdelijke en part-timebaantjes, aan het snoeien in alle sociale begrotingen, aan de versnelde ontmanteling van de sociale bescherming. Het zijn allemaal producten van de crisis en verschijnselen van het bankroet van het kapitalistische systeem op wereldschaal.”
Tegenover de vrees voor de toekomst die in het centrum staat van de huidige bekommernissen van de arbeiders, ligt het antwoord niet op het terrein van de verkiezingen noch op dat van de democratie; het ligt in de ontwikkeling van de klassenstrijd, het enige terrein waarop de arbeiders de aanvallen van de bourgeoisie kunnen beantwoorden.
Wim & Lac / 06.06.2005
De laatste twee maanden van 2005 gaven in Nederland sociale conflicten en korte stakingsacties te zien: bij Shell, Hema, KPN, Unilever, HVL, SmitTak, in de schoonmaaksector, en laatst nog bij de Amsterdamse brandweer. Deze reacties bleven echter verspreid, beperkt in omvang en de vakbonden hielden ze zonder veel moeite onder controle. Na de overweldigende betoging van 300.000 arbeiders op 2 oktober 2004 in Amsterdam lijkt de huidige arbeidersstrijd dan ook moeilijk van de grond te komen en weinig vooruitzicht te bieden op een breder verzet tegen de bezuinigingen en de ontwikkeling van de armoede. De betekenis van de huidige gebeurtenissen kan echter niet worden afgemeten aan de afzonderlijke gebeurtenissen. Die gebeurtenissen kunnen alleen worden begrepen vanuit het bredere verband van de verhoudingen tussen de klassen en de internationale ontwikkelingen.
De regering voelt de sociale dreiging en na jaren van almaar ‘tegenvallers’ slaat zij zich nu op de borst met cijfers van het Centraal Planbureau: de koopkracht zou in voornamelijk de tweede helft van 2006 met 1,25% stijgen, tegenover een eerdere raming van 1%. De boodschap is: het gaat geleidelijk de goede kant op, maar nog niet te vroeg gejuicht, en we moeten blijven matigen. Minister van Financiën Gerrit Zalm durft zelfs te verklaren dat de inkomens ‘gematigd’ moeten blijven omdat de koopkracht vanzelf zal gaan stijgen en met ‘meevallers’ zal de staatsschuld worden verminderd. Met een geraamde inflatie van 1% blijft de economie in werkelijkheid stagneren. Dat wordt bevestigd door een hele reeks van op stapel staande bedrijfsreorganisaties, door de blijvende neerwaartse druk op de lonen, terwijl het stelsel van sociale zekerheid – invaliditeit, werkloosheid, ouderdom, ziekte – steeds verder wordt ingekrompen. De groeiende massa van niet-productieven blijft onder vuur liggen terwijl het offensief tegen lonen, arbeids- en levensomstandigheden van de productieven in het verlengde daarvan ligt: harder en langer werken voor minder geld, en wie niet meer mee kan heeft pech gehad. Zo zien we het resultaat van de vakbondscampagne van een jaar geleden: in de CAO-onderhandelingen zou in goed overleg met welwillende werkgevers worden teruggehaald wat het onwillige kabinet had afgenomen. De werkelijkheid is dat regering en oppositie, ondernemers en vakbeweging de taken netjes onder elkaar verdelen om nog grover maatregelen door te kunnen drukken.
Als de huidige strijd geen spectaculaire vormen aanneemt dan brengt ze toch een daadwerkelijke ongerustheid tot uiting over de toekomst die het systeem ons nog biedt, zowel wat betreft de inkomens, de werkloosheidsdreiging, de pensioenen als de gezondheidszorg.
De ongerustheid neemt dus wel degelijk toe en er zijn aanzetten tot strijd. Maar het zelfvertrouwen is nog gering en de vakbeweging kan nog voorkomen dat de onvrede de vorm aanneemt van bewegingen die zich spontaan uitbreiden dwars door sectoren en beroepscategorieën, onder controle van algemene vergaderingen waarin de arbeiders hun eigen kracht weer kunnen voelen en zélf beslissingen nemen:
Zo kon het begin van strijdbaarheid machteloos worden gemaakt, konden de acties in omvang en doelstelling beperkt blijven en worden voorkomen dat er gezocht werd naar actieve solidariteit. De vakbondscontrole kan nog steunen op democratische en legalistische illusies. Vandaar dat de goed aangevoelde noodzaak van omvangrijk arbeidersverzet leidt tot een aaneenschakeling van momenten van overdreven hoop en vervolgens weer ontgoocheling. Maar veel belangrijker is het dat er een ondergronds rijpingsproces plaatsvindt rond fundamentele vraagstukken: inkomens, werkloosheid, pensioenen, gezondheidszorg, verpaupering.
De demonstratie van 2 oktober 2004 in Amsterdam met 300.000 deelnemers was zeker de grootste manifestatie in Nederland in dertien jaar. Maar anders dan de paar grote betogingen in de eerste helft van de jaren 1990 vormde het geen afsluiting, geen begrafenis van strijdbaarheid en bewustzijn. In 2004 was het juist een jarenlange ‘sociale vrede’ die eindelijk weer werd doorbroken. De haast nostalgische illusies over een mogelijke terugkeer naar een vredige en democratische ‘overleg’-politiek waren nog groot en het was dan ook niet verwonderlijk dat de vakbonden het geheel strak onder controle konden houden en dat de ontwikkeling van de strijdbaarheid vervolgens vastliep. Maar tegelijk vormde het een voorproefje van wat onvermijdelijk gaat komen. De vakbeweging paste zich onmiddellijk aan door Lodewijk de Waal (FNV) en Doekle Terpstra (CNV) te vervangen door mensen die beter in staat zijn ‘radicale’ taal te bezigen en door een begin van hernieuwde activiteit van de vakbondsbasis met het platform ‘Keer het tij’.
Steeds meer wordt het ‘poldermodel’ opgegeven om werkenden en niet-werkenden tegen elkaar uit te spelen. De verpaupering als gevolg van de economische crisis wordt vooral afgewenteld op etnische minderheden waarbij de bourgeoisie de arbeidersklasse nog verder verdeelt met xenofobische dan wel anti-discriminatie-campagnes en de wanhoop in de buitenwijken los van ieder klassenperspectief kan uitbarsten in golven van blind geweld zoals in Frankrijk. In die situatie kan de bourgeoisie, gesteund door uitgebreid sociologisch onderzoek, de onzekerheid en de verwarring op bepaalde momenten zelfs benutten om een vals gevoel van nationale solidariteit op te dringen achter regering, parlement, ondernemers, vakbeweging, koningshuis, liedjeszangers en sportlieden. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en de daarop volgende populistische hysterie en de campagnes over integratieproblemen en radicale islam vergrootten de algemene verwarring en er worden permanent campagnes gevoerd over de verwevenheid van politiediensten, criminele en terroristische netwerken, over ‘zinloos geweld’, over vier bloedige afrekeningen in één week binnen het Amsterdamse criminele milieu, over de mysterieuze moord op de Nijmeegse links-legalistische activist Louis de Sévèke (1).
Dat alles draagt ertoe bij dat de arbeiders moeite hebben om zichzelf weer als een klasse te zien met gezamenlijke belangen tegenover de bourgeoisie en haar staat en tot de problemen om de onvrede om te zetten in gerichte strijdbaarheid. Die strijdbaarheid wordt in de één of andere vorm onvermijdelijk weggelokt richting verdediging van de ‘verworvenheden’ van de democratische rechtsstaat. Maar zelfs wanneer de illusies blijven, dan is het minder vanuit werkelijke overtuiging dan uit tijdelijk gebrek aan beter. De arbeidersklasse is begonnen om de aanvallen van de bourgeoisie schoorvoetend te beantwoorden. De onvermijdelijke door de vakbonden georganiseerde nederlagen leiden op termijn minder tot ontmoediging dan tot het zoeken naar betere strijdmiddelen.
De massale betoging van 2 oktober 2004 moet niet alleen worden begrepen als een eerste poging om weer aan te sluiten bij de vroegere ervaringen van de arbeidersklasse maar ook als een schakel in een keten van arbeidersverzet die zich over heel Europa uitstrekt: in de lente 2003 brak in Frankrijk en Oostenrijk strijd uit tegen de afbraak van de pensioenen; in de winter van datzelfde jaar waren er mobilisaties van trambestuurders in Italië en postbeambten en brandweerlieden in Engeland. In juli 2004 barstte de strijd bij Mercedes-Daimler-Chrysler in Duitsland los en in september in verschillende Spaanse steden tegen privatisering van de scheepswerven. In oktober 2004 gingen de arbeiders van Opel Bochum, in het hart van het Ruhrgebied, in staking tegen ontslagplannen. In België waren er dit jaar stakingen en demonstraties tegen het ‘generatiepact’.
Wat al deze bewegingen onthullen is vooral het overdenkingsproces dat zich binnen de arbeidersklasse in de diepte afspeelt: de opeenstapeling en de aard van de aanvallen van de bourgeoisie zullen steeds meer van de illusies ondergraven en het besef weer laten groeien dat de vakbondssabotage beantwoordt moet worden. De ongerustheid groeit en er worden steeds meer vragen opgeroepen over het lot dat de arbeiders, hun kinderen en de toekomstige generaties binnen dit uitbuitingssysteem wacht. Het begint door te dringen dat ze dit ‘lot’ alleen kunnen veranderen door zelf actief op te treden en de maatschappelijke arena gezamenlijk binnen te stappen. Daarom moeten we niet alleen de moeilijkheden zien, maar vooral ook de nieuwe mogelijkheden waarbinnen die zich voordoen en de middelen die bestaan om ze te overwinnen.
Jos&Manus / 07.01.2005
(1) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004; Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, nr. 104, januari 2005; Arbeiderssolidariteit, geen solidariteit met de burgerlijke staat, nr. 105, mei-augustus 2005; Tegen de aanvallen op ons levenspeil en het democratisch bedrog: Onze enige verdediging: klassensolidariteit, nr. 106, september-december 2005, te vinden op onze website: https://nl.internationalism.org [41].
Op 2 oktober is Cajo Brendel negentig jaar geworden. Sinds het begin van de jaren 1930 maakt hij deel uit van de Kommunistische Linkerzijde; na de Tweede Wereldoorlog eerst van de Communistenbond Spartacus en vervolgens van de groep Daad en Gedachte. We willen hem graag eren als een kameraad in de meest eigenlijke betekenis van het woord, als een onvermoeibaar krijgsmakker tegenover burgerlijk links, en, natuurlijk in overdrachtelijke zin, als een partijgenoot, als ein Genosse van de Kommunistische Linkerzijde, voor de standpunten waarvan hij op haast alle continenten interesse heeft gewekt.
Cajo Brendel beschouwt de IKS als een stroming die zich beroept op ‘achterhaalde standpunten’, zoals die van de Kommunistische Arbeiterpartei Deutschlands die volgens hem door de Groep van Internationale Communisten overwonnen zouden zijn. Vanaf het eind van de jaren 1960 hebben we bij tal van gelegenheden vinnig met hem gedebatteerd en gepolemiseerd, en het moet gezegd dat de gemoederen daarbij soms hoog opliepen. Kameraadschappelijke betrekkingen op het persoonlijke vlak werden daardoor echter niet in het minst in de weg gestaan.
In 1987 werden de IKS en een aantal van haar leden en sympathisanten uitgenodigd om deel te nemen aan een conferentie van de groep Daad en Gedachte. Enkelen van ons waren daar inderdaad aanwezig, en op onze aandrang werd het proletarisch internationalisme ter tafel gebracht. Tot onze stomme verbazing stonden we daar plotseling samen met Cajo (en Jaap Meulenkamp, een andere veteraan) tegenover zo ongeveer alle ‘jongeren’ die veeleer anti-fascistisch gezind waren. Het werd duidelijk dat wanneer dit allerbelangrijkste politieke punt binnen die groep een tweederangs plaats was toebedeeld deze wegdreef in een journalistiek academisme en niet lang meer kon blijven bestaan. Cajo en Jaap daarentegen waren internationalisten die heel hun leven de fascistische, stalinistische en democratische kampen in gelijke mate hebben veroordeeld, maar ze zijn, zelfs binnen de eigen groep, niet in staat gebleken dat over te dragen op een volgende generatie.
In 1991, toen we Cajo na de ineenstorting van het Oostblok bezochten om het Manifest van het Negende IKS-Congres daarover te bespreken en te proberen hem te bewegen een inleiding over dat onderwerp te houden tijdens een openbare bijeenkomst van de IKS, was hij bijzonder geëmotioneerd: “Ik ben het volstrekt met jullie oneens, maar ik vind het vreselijk belangrijk dat zo’n document verspreid wordt.” De verschijning van het tijdschrift Daad en Gedachte, “gewijd aan de problemen van de zelfstandige arbeidersstrijd”, was toen al gestaakt.
In het afgelopen jaar hebben we hem nog tweemaal bezocht en moeten vaststellen dat zijn geheugen hem in de steek begon te laten. Inmiddels verblijft hij in een rusthuis. We willen de kameraadschappelijke warmte van Cajo graag beantwoorden met een even hartelijke groet ter gelegenheid van zijn verjaardag, op de leeftijd van de heel sterken.
Op het bovenstaande artikel ontvingen de volgende reactie:
Ik las zojuist jullie artikel over Cajo, naar aanleiding van zijn 90ste verjaardag. Hierin schreven jullie:
“In 1991, toen we Cajo na de ineenstorting van het Oostblok bezochten om het Manifest van het Negende IKS-Congres daarover te bespreken en te proberen hem te bewegen een inleiding over dat onderwerp te houden tijdens een openbare bijeenkomst van de IKS, was hij bijzonder geëmotioneerd: Ik ben het volstrekt met jullie oneens, maar ik vind het vreselijk belangrijk dat zo’n document verspreid wordt. De verschijning van het tijdschrift Daad en Gedachte, gewijd aan de problemen van de zelfstandige arbeidersstrijd?, was toen al gestaakt.”
Een kleine correctie: Daad en Gedachte verscheen tot in 1997! Dat zouden jullie eigenlijk wel moeten weten, want jullie hebben toen nog een open brief over de stopzetting van dit blad gepubliceerd.
S.
Beste S.,
Je hebt volkomen gelijk, het is een vervelende fout. De laatste aflevering van Daad en Gedachte verscheen in juli 1997, en we reageerden daarop in Wereldrevolutie, nr. 85, december 1998.
Ter compensatie nemen we hieronder dat artikel uit 1998 geheel over:
In juli 1997 publiceerde de Nederlandse radenistische groep Daad & Gedachte de volgende verklaring in haar blad:
“Dit is het laatste nummer van Daad & Gedachte. Diverse omstandigheden noodzaken ons met de uitgave van ons maandblad, dat wij meer dan 30 jaar lang hebben gepubliceerd, te stoppen. Maar dit betekent allerminst, dat de groep die dit blad tot dusver heeft verzorgt, niet langer actief zou zijn.
In ruim een halve eeuw, die sinds de tweede wereldoorlog is verstreken, heeft het kapitalisme én heeft de strijd van de arbeidersklasse ingrijpende veranderingen ondergaan. De betekenis van de traditionele arbeidersbeweging is voortdurend kleiner geworden en steeds duidelijker is gebleken dat zich langzamerhand in plaats daarvan een beweging der arbeiders aftekent. Wat de groep Daad & Gedachte zich voorstelt te doen is zich grondig verdiepen in deze ontwikkeling. Bedrijfsbezettingen, die zich voor de tweede wereldoorlog al, met name in de Verenigde Staten en in Frankrijk, voordeden, zijn van uitzondering min of meer regel geworden. Bovendien zijn ook de bedrijfsbezettingen aan veranderingen onderhevig geweest.
De groep Daad & Gedachte stelt zich voor het desbetreffende onderzoek in verschillende ‘hoofdstukken’ uit te werken en deze dan na discussie aan onze lezers toe te zenden. Zij ontvangen derhalve dan een studie in afleveringen. Dat wil dan tevens zeggen, dat de financiële steun die zij voor het lopende jaar hebben gegeven, beslist niet voor niets is geweest en dat deze het mogelijk maakt ons werk op de genoemde wijze voort te zetten. Men begrijpt, dat de afleveringen waarvan wij spreken op onregelmatige tijdstippen zullen verschijnen.
Wat ons bij deze arbeid tot grote hulp zou kunnen wezen dat zijn de reacties van kritische lezers op elk van de toegezonden afleveringen. Wij stellen ons niet voor dat we deze arbeid op korte termijn zullen voltooien. Onze studie zal zeker enkele jaren vergen.”
Geconfronteerd met deze verklaring, beschouwde de IKS de beslissing van de groep Daad & Gedachte om met de regelmatige publicatie van het maandelijkse blad Daad & Gedachte te stoppen als een zeer gevaarlijke stap, omdat het zeer wel zou kunnen leiden tot de algehele verdwijning van de publicatie. De verdwijning van de stem en de militante activiteit van een groep als Daad & Gedachte, die integraal onderdeel is van de proletarische traditie, en die ook de laatste georganiseerde vertegenwoordiger is van een belangrijke historische stroming, het radenkommunisme, is een punt gescoord door de bourgeoisie. Het is een overwinning voor de heersende klasse omdat zij in staat is om een stem tot zwijgen te brengen die, alhoewel op een verwarde wijze, het revolutionaire perspectief van het proletariaat heeft verdedigt. Om dezelfde reden zou de eventuele verdwijning van Daad & Gedachte een verzwakking voor de arbeidersklasse betekenen.
De IKS is overtuigd van het feit dat de proletarische organisaties zichzelf moeten verdedigen tegen de burgerlijke en kleinburgerlijke ideologieën in hun rijen. Toegeven aan de zwanenzangen van de ideologen van de heersende klasse, met naam op het vlak van de organisatorische principes, vormt een rechtstreekse bedreiging voor het bestaan van iedere proletarische groep. Daarom heeft de IKS een brief geschreven aan Daad & Gedachte om haar op te roepen terug te komen op de beslissing om haar regelmatig verschijnende publicatie te laten vallen, iets wat, zo vreest de IKS, de eerste stap is in de richting van harakiri.
“[...] Daad & Gedachte is de laatste vertegenwoordiger van een historische politieke stroming in de schoot van de arbeidersbeweging, het radenisme: wij denken dus dat jullie beslissing het kader van jullie organisatie alleen overstijgt. Wat ook de standpunten en analyses mogen zijn die ons van elkaar scheiden, wij beschouwen deze politieke stroming als een fundamenteel onderdeel van het historisch erfgoed van de arbeidersbeweging en ze heeft ook aanzienlijk bijgedragen aan haar theoretische en praktische vooruitgang (zie onze brochure over de Hollands-Duitse Kommunistische Linkerzijde). Om als de laatst overgebleven groep, die van deze politieke stroming afstamt, te besluiten om met de regelmatige verschijning van de publikatie te stoppen - dus met de analyses en de standpunten over de internationale situatie, de klassenstrijd en de theoretische vraagstukken – is zoiets als besluiten tot de verdwijning van de feitelijke aanwezigheid van de stem van de radenistische stroming in de schoot van de arbeidersklasse en in de revolutionaire beweging [...]” (1).
In de brief aan Daad & Gedachte benadrukt de IKS dat er een reusachtige behoefte bestaat aan proletarische stemmen om de propaganda van de bourgeoisie te ontmaskeren. De IKS herinnert aan het feit dat de bourgeoisie, na de val van het Oostblok, een alomvattende campagne gestart is tegen het revolutionair perspectief van de arbeidersklasse, waarbij ze de proletarische revolutie gelijk stelt met haar beul, het stalinisme. De IKS stelt dat het proletariaat zijn revolutionaire minderheden nodig heeft om zijn historische potentieel te kunnen verwezenlijken, maar ook dat thematische nummers niet beantwoorden aan de noden van de klasse.
“[...] Ten opzichte van al deze leugens heeft de arbeidersklasse meer dan ooit een tegengif nodig, ze heeft er behoefte aan dat haar revolutionaire organisaties deze hele media campagne verklaren en ontmaskeren, de propaganda en de doeleinden van de bourgeoisie verwerpen en het perspectief van het kommunisme krachtig verdedigen. Zonder perspectief, zonder het heldere bewustzijn van de mogelijkheid en de noodzaak van het socialisme, is geen enkele revolutie mogelijk en zelfs geen enkele politieke uitbreiding van een meer algemene strijdbeweging van de arbeidersklasse. Deze taak vereist een publicatie die de klasse en de avant-garde minderheden van regelmatige antwoorden voorziet tegenover de dagelijkse leugens van de bourgeoisie.”
“[...] En dat vereist van de kant van de revolutionaire organisaties een duidelijke beantwoording aan de verwachtingen in de klasse, onder de strijdbare minderheden en bij de meest bewuste elementen. Het is onontbeerlijk om de klasse de lessen van haar voorbije gevechten in herinnering te roepen. Wie anders dan de revolutionaire groepen en welke andere middelen dan een regelmatige pers zouden kunnen beantwoorden aan deze behoefte aan een historisch geheugen in de schoot van het proletariaat? Dit maakt het noodzakelijk dat de revolutionairen op regelmatige basis analyses en antwoorden voor de klasse ontwikkelen, en op de hoogte zijn van de verwachtingen die bestaan in de schoot van de heropleving van de strijdwil van de arbeidersklasse.”
“De behoeften en verwachtingen van de arbeidersklasse zijn reusachtig en alle noden, die hierboven in herinnering zijn geroepen, vereisen regelmatige analyses en standpuntbepalingen, iets waar themanummers [...] die verschijnen al naar gelang de evolutie van de situatie, niet aan kunnen beantwoorden! Een publicatie, die van tijd tot tijd verschijnt, kan een regelmatig verschijnende publicatie niet vervangen, niet wat betreft zijn inhoud en zeker niet wat betreft zijn functie. Een van de fundamentele taken van de revolutionairen is deel te nemen aan de bewustwording en organisatie van de klasse. Een regelmatig verschijnende pers is in de arbeidersbeweging altijd het middel bij uitstek geweest, het wapen van de revolutionairen om tussen te komen in de arbeidersklasse en er het perspectief van het kommunisme te verdedigen. Deze taak kan echter niet worden vervuld door een revue die van tijd tot tijd over een thema publiceert. We zouden jullie in dat verband in herinnering willen roepen wat er gebeurde met de organisatie Spartacus, die aan het eind van de jaren 1970 een soortgelijke beslissing had genomen en die slechts de verdwijning van de groep inluidde. Wij denken dat jullie beslissing onvermijdelijk ook het gevaar inhoudt dat Daad & Gedachte uiteen zal vallen en op den duur zal verdwijnen [...]” (1).
Tot nu toe is er geen enkel teken dat Daad & Gedachte (na haar laatste nummer in juli 1997) iets heeft gepubliceerd: noch haar regelmatig verschijnend blad, noch een of andere thematische uitgave (zoals het eerste deel van haar studie). De groep heeft geen enkele reactie gegeven op de brief die de IKS haar heeft gestuurd. Dit bevestigt dat de groep (op zijn minst gezegd) in een zeer ernstige situatie verkeert. Het toont aan dat de groep, ofschoon ze nog wel enige interne activiteiten mag herhergen, op dit moment geen externe activiteiten meer kent. Het laat zien dat het gevaar, waar de IKS Daad & Gedachte voor gewaarschuwd heeft, een teruggang in haar activiteiten tot op het punt van de complete verdwijning van de groep, reëel is. Op het moment bestaat de stem van Daad & Gedachte in het proletariaat niet meer, en we moeten vrezen dat uiteindelijk de hele groep zal verdwijnen, zoals met de Communistenbond Spartacus gebeurde nadat het de regelmatige verschijning van haar blad beëindigde.
Daad & Gedachte kan zich niet verdedigen tegen de druk van de ideologie van de heersende klasse. Daarom is het ook niet in staat om te zien dat ze op weg is om te verdwijnen, noch dat har verdwijning een score voor de bourgeoisie en een verlies voor het proletariaat zou zijn. Maar als Daad & Gedachte zelf niet in staat is om dat te zien, kan het proletarisch politiek milieu niet passief blijven toekijken hoe een van haar delen bezig is om politieke zelfmoord te plegen. Daarom roept de IKS het hele proletarisch politiek milieu, haar contacten inbegrepen, op om te reageren op de beslissing van Daad & Gedachte. Het proletarisch politiek milieu heeft de plicht om te proberen om Daad & Gedachte er toe te bewegen terug te komen van haar gevaarlijke traject. Ze moet ertoe worden aangezet om niet toe te geven aan de propaganda van de bourgeoisie, wat leidt tot het laten vallen van de revolutionaire activiteit. Het proletarisch politiek milieu moet er op aandringen dat Daad & Gedachte haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de arbeidersklasse opneemt, en dus dat ze haar militante activiteit opnieuw aanvat met als doel terug regelmatig haar blad te publiceren.
IKS, 01.10.1998.
(1) Uit de brief van de IKS aan Daad & Gedachte (1 november 1997).
Het rellen in de Franse buitenwijken hebben aanleiding gegeven tot veel discussie onder degenen die op zoek zijn naar een alternatief voor het kapitalisme. Zo kwam er op het intertnetforum van de groep Eurodusnie in Leiden een heel debat op gang over de vraag of de revolte al dan niet moest worden toegejuicht. En de discussie was al even levendig tijdens onze discussiebijeenkomst in Amsterdam en de openbare bijeenkomst in Brussel.
Voor ons gaat de discussie vooral over twee belangrijke vragen voor het begrip van de dynamiek en de perspectieven van de klassenstrijd:
1) Kan iedere sociale beweging, wat ook haar aard is, bijdragen aan revolutionaire strijd tegen het kapitalisme?
2) Vormen de revoltes in Frankijk een stap voorwaarts in de ontwikkeling van de proletarische strijd of vormen ze daarentegen een hindernis voor de verdere ontwikkeling ervan?
Voor sommigen, in het forum van Eurodusnie zowel als tijdens onze openbare bijeenkomsten, bestond de hoofdzaak uit ‘de beweging’, ‘de actie’, ‘het geweld’, de ‘ondermijning van de gevestigde orde’ en vormde de revolte op zichzelf een stap voorwaarts in de strijd tegen het kapitalisme. Het zou op de een of andere manier genoeg zijn om er een beetje richting aan te geven met wat politieke standpunten en deze jongeren die door het kapitalisme worden buitengesloten zouden kunnen worden omgevormd in belangrijke krachten tegen het kapitalisme.
We denken dat dit een grote analysefout is: niet alle sociale bewegingen dragen bij aan de strijd tegen het kapitalisme, integendeel, sommigen, zelfs als hun oorsprong niet ligt in een provocatie en ze niet door de bourgeoisie zijn opgezet, kunnen door de bourgeoisie gebruikt worden om zichzelf te versterken tegenover het proletariaat, tegen zijn bewustzijn en eenheid. Dit betekent niet in het minst dat we ons standpunt ‘vanaf het balkon’ verkondigen of dat we ‘salonsocialisten’ zouden zijn, want actie is niet hetzelfde als activisme, concreet zijn betekent niet in oppervlakkigheid vervallen, het naar voren brengen van onmiddellijke antwoorden op omstandigheden is niet hetzelfde als kortzichtigheid. De middelen, de wapens en de logica van de arbeidersstrijd zijn niet dezelfde als de middelen, de wapens en de logica van de burgerlijke klasse. Voor het proletariaat en meer in het bijzonder in de strijd voor het kommunisme zijn niet alle middelen geëigend. Als het internationale proletariaat momenteel voor belangrijke hindernissen staat en een lange weg heeft af te leggen om zijn strijd weer tot ontwikkeling te laten komen, dan is dat juist omdat jarenlang de beste krachten ervan zijn omgevormd door de kapitalistische krachten (vaak burgerlijk links of van de vakbeweging) naar een glibberig terrein in naam van ‘onmiddellijke resultaten’ en tegen ‘principes die enkel goed zijn voor theoretici’, enzovoort.
Toen de bourgeoisie het feodalisme bevocht en zelf nog een revolutionaire klasse was kon zij om het even welke strijd ondersteunen en om het even welke andere klasse tot haar zaak overhalen omdat zijzelf een uitbuitende klasse was die niet probeerde de uitbuiting af te schaffen maar integendeel een nieuwe vorm van uitbuiting te veralgemenen. Dat staat in tegenstelling tot de praktijk van het proletariaat: dat beschikt over geen enkele economische macht binnen de kapitalistische maatschappij en stelt zich niet tot doel een nieuw soort van uitbuiting in te stellen maar in tegendeel uitbuiting in al zijn vormen af te schaffen. Daarom bestaan zijn wapens uit eenheid, bewustzijn, zelforganisatie en zijn politieke zelfstandigheid als klasse. Die wapens worden ongetwijfeld in de strijd gesmeed, maar niet in om het even welke strijd.
Meerdere mensen op onze openbare bijeenkomsten antwoordden daarop dat “het grootste deel van de rellen toch uit arbeiderswijken kwam”. Een beweging is niet proletarisch omdat hij voor de meerderheid uit arbeiders bestaat, noch omdat hij ‘problemen’ stelt voor het kapitalisme, noch omdat hij gewelddadig is of zich richt tegen overduidelijk onrecht. De betogen over ‘radicaliteit’, ‘geweld’, ‘verzet’ en ‘massaliteit’ gaan voorbij aan het wezenlijke, namelijk het enig juiste criterium om een beweging te analyseren en te zien of die steun verdient: versterkt die de eenheid, het bewustzijn, de zelfstandigheid van het proletariaat? Anders gezegd, bevindt deze zich, zelfs als het maar embryonair is, op zijn klassenterrein?
Dat is inderdaad het belangrijkste vraagstuk want sommige deelnemers van de discussiebijeenkomst in Amsterdam drongen er op aan dat de IKS de hele klasse diende op te roepen zich bij de relschoppers in de buitenwijken aan te sluiten. Uitgaande van de hierboven geformuleerde criteria zou dat van groot onbegrip getuigen over de dynamiek van de arbeidersstrijd en van een valse verwachting dat de rellen in de Franse buitenwijken een bijdrage zouden leveren aan de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme. De acties zijn ongetwijfeld niet door de bourgeoisie uitgelokt (zelfs als de uitspraken van Sarkozy onherroepelijk olie op het vuur gooiden) en we kunnen de woede begrijpen van al deze jongeren die men gewoonweg links laat liggen. Maar toch zijn we er van overtuigd dat hun acties niets te maken hebben met de strijd van de arbeidersklasse en integendeel daar direct tegen ingaan.
De rellen in de buitenwijken zijn vooral ingegeven door wanhoop, uitzichtloosheid, door een machteloze en blinde haat. De klassenstrijd daarentegen vertrekt vanuit een minimum aan vertrouwen in de toekomst en verontwaardiging over de barbaarsheid en het lijden dat door het kapitalisme wordt veroorzaakt. Wie een ‘revolutionaire kracht’ wil toekennen aan deze acties verwart haat met verontwaardiging en wanhoop met bewuste actie. Als de verontwaardiging een positief gevoel is dat de strijdbaarheid voedt en de vastbeslotenheid tegenover de kapitalistische uitbuiting en de barbaarsheid daarvan, dan is de haat een louter negatief gevoel dat enkel een totale vernietigingsdrang voedt. En terwijl de wanhoop mensen tot gewelddadige acties kan brengen die nergens toe leiden, dan maakt de bewuste actie een ontwikkeling van de strijd mogelijk, door de kritiek en het rechtzetten van vergissingen, door de revolutionaire strijd.
Dergelijke commandoacties van kleine groepen richten zich voornamelijk op het in brand steken van geparkeerde auto’s. De botsingen met de politie die voortkomt uit een begrijpelijke haat tegenover de arrogante en onverdragelijke uitdagende houding bleven betrekkelijk beperkt. Er was geen massabeweging maar een opeenvolging van onsamenhangende nachtelijke acties van kleine groepen. Dat schept een contrast met de strijd van het proletariaat: een strijd die moed vereist, met open vizier, massaal ondernomen en die zijn kracht in het daglicht stelt, zonder het spektakel en de snoeverij van de ‘stadsguerilla’. Zij brengt haar doeleinden openlijk naar voren en hijst haar vaandel voor heel de maatschappij. Zij is niet blind op zoek naar een frontale botsing met haar klassenvijand, gaat die ook niet uit de weg, maar bereidt die met geduld en onverzettelijkheid voor.
De bewegingen in Frankrijk bevatten bovendien een heel gevaarlijk aspect: dat van botsingen tussen kinderen van de arbeidersklasse. Het geweld van deze jongeren keerde zich vooral tegen andere arbeiders, lotgenoten die dezelfde twijfels hebben over de toekomst die het kapitalisme biedt. Ze staken auto’s van hun klassenbroeders in brand, ze vielen brandweerlieden aan, ze bekogelden autobussen waarin hun buren uit dezelfde wijk zaten met stenen en staken ze in de brand. De revoltes van de boeren in de middeleeuwen waren zeker wanhopig, maar ze waren gericht tegen de heren, er werden kastelen aangevallen waarbij de rijkdom werd geplunderd. De jongeren in de buitenwijken die nu door het kapitalisme worden buitengesloten vielen niet de luxewijken aan of de symbolen van het systeem, maar hun eigen buren in de armoedewijken. Het geweld van de arbeidersklasse richt zich tegen het kapitaal en zijn staat, nooit tegen de eigen klassenkameraden. De onderdrukking van Kronstadt in 1921 versnelde de ontaarding van de Bolsjewiki en de nederlaag van de Oktoberrevolutie in Rusland omdat daarmee het geweld tussen klassenbroeders werd gewettigd.
Als arbeiderskinderen zich tegen hun klassenbroeders keren en daarvan zelfs de hoofdzaak van hun beweging maakten, dan is het onder invloed van een verschijnsel dat binnen het kapitalisme tot ontwikkeling komt en dat hele delen van de arbeidersklasse dreigt mee te slepen: de ontbinding van dit steeds verder wegrottende systeem. De Stellingen over de ontbinding, aangenomen in 1990, waarschuwde al tegen dit gevaar:
“We moeten duidelijk zijn over het gevaar van de ontbinding voor het vermogen van het proletariaat om zichzelf op te werken tot het niveau van zijn historische taak. Het uitbarsten van de imperialistische oorlog in het hart van de ‘beschaafde wereld’ was “een aderlating, die de Europese arbeidersbeweging dodelijk dreigde uit te putten” en “die dreigde het perspectief van het socialisme te begraven onder het puin van het barbaars imperialisme [...] door op het slagveld de beste krachten van het internationale socialisme, de voorhoedetroepen van het wereldproletariaat, af te slachten (Rosa Luxemburg, De crisis in de sociaal-democratie). Net zo kan de ontbinding van de maatschappij, die alleen maar erger kan worden, de beste krachten van het proletariaat wegrukken en daardoor definitief het perspectief van het kommunisme op het spel zetten.”
Deze verlompenisering raakt vaak meer in het bijzonder de jongere delen van de klasse die bij voorbaat van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en brengt ze er toe een niet alleen wanhopige maar ook zelfvernietigende en zelfs tot zelfmoordneigende strijd te voeren. In punt 14 van de stellingen schreven we daarover:
“Eén van de factoren die de omstandigheden verslechteren is gelegen in het feit dat een groot deel van de jongere arbeidersgeneraties de plaag van de werkloosheid ondergaan voordat ze zelfs maar de mogelijkheid hebben gehad om samen met kameraden op het werk en in de strijd te ervaren wat het collectieve bestaan van de arbeidersklasse betekent. Hoewel de werkloosheid, die een onmiddellijk voortvloeit uit de huidige crisis, ‘op zich’ geen uiting van de ontbinding is, loopt de werkloosheid, in deze bijzondere fase van het verval, uit op gevolgen die zelf een bijzonder aspect van die ontbinding vormen. Wanneer de werkloosheid over het algemeen duidelijk kan maken dat het kapitalisme de arbeiders geen zekere toekomst kan bieden, dan vormt zij momenteel ook een krachtige factor in de ‘lompenproletarisering’ van bepaalde delen van de klasse, vooral onder jonge arbeiders, wat de huidige en toekomstige politieke vermogens van de klasse verzwakt. Gedurende de hele jaren tachtig, met een aanzienlijke groei van de werkloosheid, zagen we daardoor een afwezigheid van belangrijke bewegingen, of zelfs werkelijke aanzet tot organisatie bij de arbeiders zonder werk. Dit bewijst hoe groot de druk is die de werkloosheid door de ontbinding oplegt aan de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn.”
Betekent dit dat er niets anders overblijft dan aanvaarding van het lot en wanhoop? Nee, want de arbeidersklasse beschikt over middelen om deze omstandigheden te boven te komen:
“De verschillende elementen die de kracht van de arbeidersklasse komen in onmiddellijke botsing met de verschillende ideologische aspecten van de ontbinding:
– de collectieve actie, de solidariteit, die geconfronteerd worden met de versplintering, het ‘ieder-voor-zich’ en de onverschilligheid;
– de noodzaak van organisatie botst op de ontbinding, op het uiteenvallen van de relaties die de basis van het maatschappelijk leven vormen;
– het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst en in eigen kracht wordt voortdurend ondermijnd door de algemene wanhoop waarvan de maatschappij doordrenkt raakt, het nihilisme en het ‘no future;
– het bewustzijn, de helderheid, de samenhang en eenheid van het denken, de voorliefde voor theoretisch begrip, die zich een weg moeten banen door de vlucht in droombeelden, drugs, sekten, mysticisme, de verwerping en vernietiging van het denken, die ons tijdperk kenmerken.”
En juist omdat al deze verschillende krachten binnen de arbeidersklasse aan het werk zijn, juist omdat we ons er bewust van moeten zijn dat er momenteel binnen de arbeidersklasse een bewustzijnsontwikkeling plaatsvindt en, hoewel pril nog ook, een ontwikkeling van de strijd die afweer tegen het binnendringen van de kapitalistische ontbinding in de arbeidersrangen zal brengen, is het ook zo belangrijk om energiek de strijd aan te binden met het ten hemel geprezen idee van ‘actie omwille van de actie’.
We hebben een sterk gevoel van solidariteit met deze jongeren, deze arbeiderskinderen, die verloren lopen in een beweging zonder toekomst, een beweging die vernietigend is en op zelfmoord uitloopt. In ieder geval betekent solidariteit niet het toejuichen van een strijdvorm die ze naar de afgrond voert. Solidariteit betekent noodzakelijkerwijs een harde kritiek. Deze jongeren zijn geen vijanden van hun klasse geworden. Ze kunnen zich aansluiten bij de proletarische strijd binnen het raamwerk van zijn algehele ontwikkeling, van de verbreiding van revolutionaire standpunten, van discussie, van kritiek en zelfkritiek. De arbeidersklasse zal nog vele fouten maken, en talrijke gedeeltelijke nederlagen ondergaan. Ze zullen hoe dan ook bijdragen aan de revolutionaire strijd zijn als er lering uit wordt getrokken, als ze in staat zijn tot een gedegen zelfkritiek die de kern van de problemen raakt en die het mogelijk maakt om de revolutionaire standpunten verder uit te diepen en uit te dragen.
Jos / 21.12.2005
Door de crisis die het anarcho-sindikalistische milieu sedert enkele jaren verscheurt leiden de debatten tot een hele reeks van krachtenbundelingen. De stellingname van het bulletin A trop courber l’échine (Teveel het hoofd gebogen) is heel representatief voor het soort van vragen dat er in discussie is: “Wij zijn de erfgenamen van de oude revolutionaire beweging. Wij hebben er de wezenlijke actie- en organisatiemiddelen van bewaard zoals de sabotage, het internationalisme, de zelforganisatie en de directe actie. Wij hebben er vooral het doel van bewaard: het kommunisme. [...] Maar met welke werkelijkheid worden wij momenteel geconfronteerd? Zien wij een klasse die er voor strijdt om werkelijk haar toekomst te verwezenlijken? [...] Het begrip ‘klasse’ is steeds minder geldig om onze analyses te verhelderen en onze acties te leiden. Wij stellen inderdaad vast dat in de rijkere en geïndustrialiseerde landen het merendeel van onze tijdgenoten zichzelf niet meer herkennen als behorend tot een sociale klasse. Hoe kunnen wij de proletariër van vandaag definiëren? [...] Zich inbeelden dat de huidige eisenbewegingen iets gemeenschappelijks hebben met de oude revolutionaire arbeidersbeweging is een valse voorspiegeling. [...] Maar wat er vooral ontbreekt aan deze huidige bewegingen is juist wat kenmerkend was voor de oude beweging: een bewustzijn, een ethiek en een vastberaden wil om de wereld radicaal te veranderen. [...] Wat is er eigenlijk gemeenschappelijk in een 24-uurs staking voor het verkrijgen van een loonsverhoging van 1% en de daden die gesteld werden door het revolutionaire proletariaat? Niets.” (1).
Voor de marxisten is de revolutionaire aard van het proletariaat geen geloofsbelijdenis of verafgoding van deze klasse. De revolutionaire aard van het proletariaat kan niet allereerst worden verklaard uit zijn vermogen om in opstand te komen tegen de bestaande orde. Heel wat uitgebuite klassen uit het verleden zijn de confrontatie aangegaan met de heersende klasse, zoals de slavenopstand (Spartacus) in de Oudheid of deze van de lijfeigenen in de Middeleeuwen (de boerenrevoltes). Ook zij beriepen zich op het een kom-munisme en een primitieve vorm van gelijkheidsideaal, zonder daarom in hun tijd een revolutionaire klasse te zijn. Voor het marxisme onderscheiden revolutionaire klassen zich van andere klassen van de maatschappij door het feit dat ze, in tegenstelling tot die anderen, in staat zijn de heersende klasse omver te werpen. Zolang de materiële ontwikkeling van de productiekrachten ontoereikend was om overvloed te verzekeren voor het geheel van de leden de maatschappij was deze veroordeeld tot behoud van de economische ongelijkheden en uitbuitingsverhoudingen in haar midden. In die omstandigheden kan enkel een nieuwe uitbuitende klasse zich opdringen als leiding van de maatschappij. De slavenmaatschappij werd voorbijgestreefd door de feodale klasse; het feodalisme werd vernietigd door de bourgeoisie.
De revolutionaire aard van het proletariaat is evenmin gestoeld op het perspectief van ‘gelijkberechtiging’ van het proletariaat dat van zijn ‘rechten’ is beroofd door de heersende klasse. Waaraan het proletariaat zijn revolutionaire aard ontleent is de plaats die het inneemt binnen de kapitalistische productiever-houdingen: als het kapitalisme te gronde gaat is dat niet doordat het te weinig produceert maar doordat het te veel produceert, en als gevolg van een ontoereikende koopkrachtige vraag. De maatschappij is er niet toe in staat het geheel van de voortgebrachte waren te kopen, alhoewel de menselijke behoefte verre van bevredigd zijn en daarin berust nu juist deze werkelijk absurde ramp van de overproductie. Deze vindt zijn bron in de veral-gemeende heerschappij van de ruilverhoudingen van waren. Het enige middel om deze tegenstellingen te overstijgen berust in het afschaffen van alle mogelijke vormen van waren en in het bijzonder van de waar arbeidskracht (de sociale verhouding van de loonarbeid waardoor de arbeidskracht van het proletariaat tot een waar wordt zoals iedere andere waar). Het is pas als de rijkdommen van de maatschappij collectief toegeëigend zullen worden door diezelfde maatschappij dat ook koop en verkoop kunnen verdwijnen. De hefboom van deze tegenstelling is het proletariaat, de geassocieerde klasse die de voortbrengster is van het geheel van de rijkdom van de maatschappij, maar die beroofd wordt van het product van haar arbeid. Enkel het proletariaat, dat de specifieke vorm van kapitalistische uitbuiting ondergaat, de loonarbeid, kan zich het te boven komen van de kapitalistische sociale verhoudingen stellen voor ogen hebben.
Het kapitalisme is, net zoals alle uitbuitingssystemen in de geschiedenis, is voor het proletariaat een in de geschiedenis voorbijgaand systeem, dat gedoemd is om te verdwijnen. Door zijn ontwikkeling heeft het de voorwaarden geschapen van een materiële overvloed, de voorwaarde voor de afschaffing van elke uitbuiting, maar bovendien ook de klasse, die van de proletariërs, die als eerste in de geschiedenis in staat zijn om van het kommunisme ook een materiële werkelijkheid te maken. De bijzonderheid van het proletariaat ligt nu juist in het feit dat het de eerste klasse in de geschiedenis is die tegelijkertijd een uitgebuite en een revolutionaire klasse is (2). De revolutionaire aard van de arbeidersklasse kan niet worden begrepen als men niet de historische draagwijdte van haar strijd inziet. Elke politieke opvatting die zich vastpint op een fotografische visie van dat moment, aan het bestaat van een verdeelde en aan het kapitaal onderworpen arbeidersklasse, kan enkel in de kaart spelen van de belangen van de heersende klasse (of die zelfs dienen).
De stelling van A trop courber l’échine dat de arbeidersklasse in niets meer zou lijken op die van het verleden, om vervolgens te beweren dat men niet meer op haar zou kunnen rekenen, is niets nieuws voor de arbeidersbeweging. De revolutionairen hebben voortdurend, en moeten ook nu nog, een ongenadige strijd moeten leveren tegen dit soort gif. Zo was het ook, wat Trotsky in de herinnering riep, aan de vooravond 1905, dat de Russische bourgeoisie trompetterde dat “er geen revolutionair volk in Rusland is”, juist op het moment dat “de telegraaf over de hele wereld het nieuws verspreidde van het begin van de Russische Revolutie [...] Wij hadden er op gewacht er en twijfelden er niet aan. Voor ons was zij jarenlang een logisch voortvloeisel geweest van onze ‘doctrine’ die de spotlust opwekte van alle sufferds van alle mogelijke politieke richtingen. Ze geloofden niets van de revolutionaire rol van het proletariaat. [...] Er waren geen politieke vooroordelen of ze geloofden die voetstoots. Maar het geloof in de arbeidersklasse hielden ze voor een vooroordeel.” (3).
Sinds een paar jaar maken we een opbloei mee van een literatuur die de oudste deuntjes van de vijanden van de arbeidersklasse weer in omloop brengen. Voor de ‘radicale’ groep Krisis is de strijd tussen bourgeoisie, “naar haar functie gewoon een elite”, en het proletariaat “waarvan de strijd het niet mogelijk maakt om uit het kapitalisme te geraken”, geen strijd tussen een heersende klasse en een revolutionaire, maar tussen “twee verschillende belangen” binnen het kapitalisme. Het zou er om gaan zich te bevrijden van de arbeid “zonder te steunen op enige wet uit de geschiedenis” maar “op de afkeer die het individu heeft van zijn eigen bestaan” (4).
Om haar greep op de uitgebuiten te behouden en ze in de passi-viteit op te sluiten, aarzelgt de heersende klasse geen moment om bij elke gelegenheid heel schoolmeesterachtig de verdwijning van het proletariaat te verkondigen, zijn integratie, zijn verbur-gerlijking, en ga zo maar door, maar alleen om telkens weer… te worden tegengesproken door de feiten!
Dat gebeurde ook toen op het einde van de jaren 1960 de groep van Castoriadis, Socialisme ou Barbarie, aankondigde dat de tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat plaats had gemaakt voor de tegenstelling tussen “leiders en geleiden”. Later beweerde Herbert Marcuse, die meende dat de arbeidersklasse “geïntegreerd” was in de kapitalistische maatschappij, dat de enige verzetskracht bestond uit sociaal gemarginaliseerde categorieën zoals de zwarten in de Verenigde Staten, de studenten, of de boeren van de onderontwikkelde landen. Deze hersenspinsels werden van de kaart geveegd door de gigantische staking van Mei 1968 en de terugkeer van het proletariaat op het toneel van de geschiedenis en waarvan de strijd van de jaren 1970-1980 zou uitlopen op de massastaking in Polen van 1980.
De twijfels over de revolutionaire aard van het proletariaat van A trop courber l’échine zijn niet alleen typisch voor perioden waarin de strijd van de arbeidersklasse niet uitdrukkelijk zijn revolutionaire aard laat zien. Zij zijn meer algemeen een uitdrukking van het gewicht en de invloed van de ideologie van de heersende klasse binnen de maatschappij. En bovenal liggen aan de basis van die twijfels de verwarringen van het anarchisme.
Wanneer het voor de arbeidersklasse steeds duidelijker welk doodlopend straatje het kapitalistische systeem is ingeslagen, dat de uitzichtloze economische ineenstorting steeds groter delen van de bevolking veroordeelt tot absolute ellende, dat de oorlog hele streken van de planeet verwoest, dan wordt de arbeidersklasse gedwongen om op zoek te gaan naar een alternatief voor deze ramp. De burgerlijke ideologie aarzelt momenteel niet – met behulp van het anders-globalisme – om zich te hullen in ‘anti-kapitalistischse’ kleren en illusies in het leven te houden over de mogelijkheid om het systeem te hervormen, om op doeltreffendere wijze het vertrouwen van het proletariaat in eigen krachten te saboteren en weg te leiden van zijn revolutionair perspectief. Dank zij deze zogenaamd ‘anti-kapitalistische’ ideologie, vernieuwen de vakbonden en de linkse partijen hun verhaal om zich aantrekkelijker te maken en de arbeiders des te beter te bedriegen. Gebruikmakend van de nog grote kwetsbaarheid van de arbeidersklasse probeert de bourgeoisie het proletariaat op te lossen in de ‘bevolking’. Ze speelt in op het wijd-verbreide ‘anti-kapitalistisch’ gevoel om het proletariaat er toe aan te zetten zijn woede te uiten binnen het kader van de democratische staatsinstellingen, in de stembus, dat wil zeggen daar waar het volslagen machteloos is.
Als aanvulling op de reformistische ideologie van het anders-globalisme bewijst ook de anarchistische ideologie (die er de radicale versie van vormt) haar nut voor de bourgeoisie. Welk voordeel kan de heersende klasse slaan uit het anarchisme, uit deze ideologie die ogenschijnlijk zo ‘anti-staats’ en anti-burgerlijk is?
Dat van een bedrieglijk “revolutionarisme”, want immers ongevaarlijk is en niet in staat om de heerschappij van de bourgeoisie in gevaar te brengen. Dat komt doordat het anarchisme met de bourgeoisie bepaalde ‘democratische’ opvattingen deelt en die het vastketenen aan de kapitalistische maatschappij:
– Door de revolutionaire woordenpraal van de Franse revolutie weer op te pakken zien de anarchistische stromingen een revolutionaire kracht in het ‘volk’, een soort meervoud van het ‘vrije en zelfstandige individu’ waarop het zijn filosofische grondvesten heeft gebouwd: er zijn geen klassen, hoogstens een serie naast elkaar geplaatste sociale lagen. Iedere revolutionaire aard wordt aan het proletariaat ofwel ontzegd ofwel onbelangrijk gemaakt, en teruggebracht tot de rang van economische categorie net zoals de andere, naast de landloze boeren, de uitgeslotenen, de mensen ‘zonder’ of de vrouwen, de homoseksuelen, van allen die op de een of andere manier en zonder onderscheid enige vorm van onderdrukking ondergaan.
– Ideologisch gezien doen de anarchistische stromingen duchtig mee aan het afbreuk doen aan de grootste revolutionaire ervaring van het proletariaat heeft in de jaren 1917-1920 door (net als de burgerlijke propaganda) te beweren dat de misdaden van het stalinisme een erfenis zouden zijn van Marx en Lenin (zogenaamd op rekening van het ‘autoritaire socialisme’).
– Door hun verbondenheid aan de ideologie van het ‘anti-fascisme’, in naam van de keuze voor het ‘minste kwaad’, van het anti-autoritarisme en de verdediging van de ‘vrijheid’, zijn de anarchisten de beste verdedigers geworden van de dictatuur van de burgerlijke ‘democratie’ (zoals we zagen tijdens de oorlog in Spanje in 1936). Het debat dat zich momenteel ontwikkelt onder de anarcho-sindikalisten over het gegrond zijn van de (selectieve) deelname aan de verkiezingen kan enkel bijdragen tot het behoud van dit burgerlijk bedrog dat het stembiljet een middel zou zijn voor de proletariërs om hun toestand te verbeteren!
Door het historisch trauma van het stalinisme worden vele proletariërs die op zoek gaan naar een werkelijk revolutionair perspectief momenteel verleid door de ‘libertaire’ stroming.
In dit milieu rond het anarchisme en het anarcho-sindicalisme zal de politieke verheldering van diegenen die eerlijk gehecht zijn aan de zaak van het kommunisme verlopen langs hun wil tot begrip te komen en zich de werkelijke historische ervaring van de arbeidersklasse weer eigen te maken .
Scott
(1) A trop courber l’échine, nr. 13, p/a STA, BP 1201, F-76171 Rouen cedex 1.
(2) Wij behandelen in dit artikel niet de vraag wie deel uitmaakt van de arbeidersklasse. We stippen alleen aan dat “het feit van verstoken te zijn van de productiemiddelen en gedwongen te zijn om ter overleving zijn arbeidskracht te verkopen aan de bezitters van de productiemiddelen, die deze ruil misbruiken om zich meester te maken van een meerwaarde, bepaald of men behoort tot de arbeidersklasse”. Voor meer details zie het artikel Het proletariaat is wel degelijk de revolutionaire klasse in de afleveringen 73 en 74 van de Internationale Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave).
(3) L.Trotsky, 1905, Editions Minuit, p.76-77.
(4) R. Kurz, E. Lohoff, N. Trenke, Manifeste contre le travail, uitgave Léo Scherr, 2002.
Met verdubbelde kracht regent het overal ter wereld aanvallen op de proletariërs uit alle sectoren en van alle leeftijden. Maar dat offensief van de bourgeoisie, die bij de keel wordt gegrepen doordat haar systeem wegzinkt in een economische crisis, wordt geconfronteerd met een arbeidersklasse die zich steeds openlijker verzet tegen de kapitalistische maatregelen die haar arbeids- en levensvoorwaarden aantasten. De strijd tegen de 'CPE' in Frankrijk, is daarvan niet de enige uitdrukking. Zo brak er in Groot-Brittannië een belangrijke staking uit bij het gemeentepersoneel tegen de aanval op de pensioenen. Die stakingen zijn inderdaad geen op zichzelf staande gebeurtenissen, maar maken deel uit van de opkomende strijdbaarheid binnen de arbeidersklasse op wereldvlak. Ze vertonen een groeiende wil binnen het proletariaat om zich te verdedigen en om een antwoord te geven op de kapitalistische aanvallen. Ze roepen weer in herinnering dat de arbeidersklasse een internationale klasse is, die overal dezelfde belangen heeft, over alle nationaliteiten heen, zonder onderscheid van huidskleur of leeftijd.
Die stakingen illustreren eveneens het feit dat de vakbonden nog altijd de ergste vijanden van de arbeidersstrijd blijven, ware saboteurs en stakingsbrekers, met als taak elke bewustwording in de kiem te smoren over de noodzaak en mogelijkheid het kapitalistisch systeem te vernietigen. De arbeiders moeten zich hun eerdere strijd blijven herinneren en er de lessen uit trekken voor de strijd die komt.
De staking van het gemeentepersoneel tegen de aanvallen op de pensioenen vindt plaats op dezelfde dag waarop er in Frankrijk een algemene staking is tegen de aanvallen op de werkzekerheid van jonge arbeiders. Zo maken twee van de oudste en meest ervaren delen van de internationale arbeidersklasse aan de heersende klasse duidelijk dat ze niet bereid zijn haar aanvallen te slikken. Ze verwerpen de logica van de kapitalisten die wil dat de arbeiders hun levens - en arbeidsvoorwaarden moeten opofferen in het belang het kapitalistisch systeem; de logica die wil dat de gepensioneerden, de werklozen en de werkende arbeiders langer en harder moeten zwoegen om dit systeem in verval overeind te houden.
De staking van het gemeentepersoneel is waarschijnlijk één van de grootste gevechten in Groot-Brittannië van de laatste jaren. De vaste wil van de arbeiders, of ze nu jong of oud zijn, voltijds of deeltijds werken, is de uitdrukking van één van de machtigste wapens van de arbeidersklasse: haar solidariteit.
Liever dan zich te laten verdelen en tegen elkaar te laten opzetten hebben ze zich allen aaneengesloten in een gemeenschappelijke strijd.
Dergelijke solidariteit is het enige antwoord op de aanvallen van de heersende klasse. Gemeentewerkers wordt, net als alle andere arbeiders, verteld dat ze wat van hun pensioengeld moeten inleveren, dat ze pas na 40 jaar uitgebuit te zijn op rust kunnen gaan! Waarom? Blijkbaar omdat te veel arbeiders te lang leven en dat ze een last geworden zijn voor de jongere generaties! De gemeentewerkers hebben die logica verworpen. Oud en jong verenigen zich in de strijd omdat ze begrijpen dat het de verantwoordelijkheid van de generatie van nu is de belangen van de komende generaties te verdedigen.
Op die manier nemen ze hun plaats in binnen een internationale beweging waarin arbeiders in Frankrijk, Oostenrijk en de Verenigde Staten weigeren de aanvallen te slikken op hun pensioenen en die van hun kinderen. In 2003 hebben arbeiders in de openbare sector in Frankrijk massale demonstraties gehouden tegen de aanvallen op de pensioenen, net als in Oostenrijk, waar we de grootste betogingen zagen sinds de Tweede Wereldoorlog. Met kerstmis 2005 in New York staakten de arbeiders van het openbaar vervoer om hun pensioenen te verdedigen. Ze maakten duidelijk dat ze dit ook deden voor de generaties die na hen komen.
De arbeiders zijn niet enkel aan het vechten voor de pensioenen. In 2005 verenigden arbeiders uit de autosector zich met arbeiders uit andere sectoren in Duitsland tegen de ontslagen bij Daimler-Chrysler. In Spanje voerden de arbeiders bij SEAT in Barcelona wilde stakingen tegen het ontslag van 600 van hun kameraden. Sinds maart vechten studenten in Frankrijk tegen de invoering van de CPE, een wet die inhoudt dat iedereen onder de 26 om het even wanneer ontslagen kan worden tijdens de eerste twee jaar van zijn job. De studenten zijn naar bedrijven getrokken om er de arbeiders op te roepen hen te steunen, en honderdduizenden arbeiders hebben zich bij betogingen aangesloten.
De media hebben met betrekking tot Frankrijk alleen over ‘rellen’ gepraat, en sommige elementen hebben zich – aangemoedigd door de staat – laten meeslepen in het doodlopend straatje van gewelddaden, maar de meerderheid heeft Algemene Vergaderingen (AV's) gehouden waar ze op een bewuste en verenigde wijze gediscussieerd hebben over wat hen te doen staat. De meest vooroplopende AV's hebben andere arbeiders uitgenodigd aan hun discussies deel te nemen en zijn gaan discussiëren met werkende en werkloze arbeiders.
In Groot-Brittannië hebben de media en de politici het gemeentepersoneel voorgesteld als arbeiders die bevoorrecht zijn en die in de watten worden gelegd, in vergelijking met die in de privé-sector. Dat is een vuile leugen die moet dienen om de arbeidersklasse te verdelen. In werkelijkheid worden de pensioenen van alle arbeiders aangevallen. In de privé-sector zagen ze bij Rentokil hun pensioenen ter hoogte van het loon aan het einde van hun loopbaan afgeschaft, terwijl 80.000 arbeiders hun pensioen compleet kwijt zijn omdat bedrijven over de kop zijn gegaan. Hetzelfde is bezig in de openbare sector. Als de bazen de aanvallen van vandaag kunnen doordrijven, dan zullen ze gauw terugkomen voor méér: complete afschaffing van de eindloonpensioenen, verlaging van het pensioengeld, optrekken van de pensioenleeftijd. Het Turner Report beveelt aan dóór te laten werken tot 68 jaar, en dat is nog maar een begin!
Arbeiders in de privé-sector hebben ook tegen deze aanvallen gevochten. Vorige herfst staakten de Britse gasfitters om hun eindloonpensioenen te behouden voor alle nieuwe arbeiders. De pogingen om de arbeidersklasse te verdelen moeten afgewezen worden.
Deze verdeling wordt niet alleen doorgevoerd door de media en de politici, maar ook door de vakbonden. Een jaar geleden werd er gesproken over een staking in de openbare sector tegen de aanvallen op de pensioenen. En wat is er gebeurd? Niks. Nee, eigenlijk deden de vakbonden een heleboel. De vakbond van de staatsambtenaren ging ermee akkoord een aanval op de pensioenen te helpen doorvoeren die aan nieuwe arbeiders de eindloonpensioenen ontzegt. In de gezondheidszorg (1) begroeven Unison en andere bonden de kwestie onder de dekmantel van verder overleg over de pensioenen met de directies. In de gemeenten stelden de vakbonden strijd in het vooruitzicht temidden van duistere praatjes dat anderen in de openbare sector betere overeenkomsten zouden krijgen. Dus in een situatie van grote ontevredenheid in de hele openbare sector hebben de vakbonden nu drie onderscheiden groepen afgezonderd: de staatsambtenaren, de gezondheidswerkers en het gemeentepersoneel, en nu proberen ze de gemeentewerkers op te zetten tegen de anderen.
De huidige 24 uurs staking is een onderdeel van deze strategie. De vakbonden weten dat de gemeentewerkers woest zijn over de aanval en dat zij moeten tonen hoe goed ze de belangen van hun ‘leden’ wel verdedigen. Maar terwijl de 24 uurs staking zeker de grote strijdwil van de gemeentewerkers toont, laat ze de vakbonden ook toe de arbeiderswoede in bedwang te houden. Ze gebruiken ze ook om de gemeentewerkers onderling te verdelen. Niet alle vakbonden doen mee aan de staking. Wie lid is van een vakbond die niet staakt staat voor de keuze: ofwel aan de staking deelnemen met de kans op strafmaatregelen van de vakbond, ofwel door de stakingsposten heen breken. Verder zijn er veel gemeentewerkers die niet bij een vakbond aangesloten zijn en daarmee voor een gelijkaardige keuze gesteld worden.
Deze doelbewuste versnippering van de arbeiders maakt de noodzaak overduidelijk dat we bij elkaar moeten komen in massabijeenkomsten over alle vakbondsverdelingen heen, dat we direct naar andere werkplaatsen en sectoren moeten gaan om te discussiëren over hoe we de aanvallen samen moeten bestrijden. Niemand zal dat voor ons doen. De toekomst ligt in onze handen!
IKS / 25.03.2006
(1) in Groot-Brittannië: NHS (National Health Service)
Veiligheid is de laatste maanden een centraal thema in de media en de politiek. Dagenlang waren de rellen in de Franse voorsteden van eind oktober tot medio november 2005 niet van de TV af te branden: ‘allochtone’ jongeren die auto’s in brand staken en daarbij de hele nacht slaags raakten met de oproerpolitie (1). De Nederlandse bourgeoisie voelde zich niet te min om haar geblameerde Franse evenknie van deskundige politieadviezen te voorzien, bijvoorbeeld door ex-corpschef Nordholt. Meesurfend op de sfeer van angst en ontzetting die de ongeregeldheden in Frankrijk teweegbrachten, waarschuwden politici zoals Job Cohen dat in verschillende Nederlandse steden gelijkaardige rellen dreigden uit te breken. In Amsterdam trapten de hoeders van de openbare orde alvast onderling een relletje over vermeend gevaarlijke bewegingen van allochtone jongeren in de Diamantbuurt. De toon van de campagne was dat het er in Nederland gelukkig beter voor staat dan in Frankrijk, en dat allochtone jongeren juist stevig moeten worden ‘aangepakt’ om dat ook in de toekomst zo te houden. Een paar maanden later won links op 7 maart overduidelijk de gemeenteraadsverkiezingen van rechts en van het populistische ‘Leefbaar Rotterdam’, maar over veiligheid was iedereen het roerend ééns: niets dan lof inderdaad voor de harde aanpak van de aanhangers van Pim Fortuyn en het voorbeeld van het ‘lik op stuk’ beleid in het linkse Nijmegen. Het ‘Havana aan de Waal’ was daar om te bewijzen dat ‘linkse bezems schoner vegen’!
Rellen en veiligheidsproblematiek worden gretig door de bourgeoisie gebruikt om asielzoekers en immigranten tot zondebok te verklaren. Telkens weer wordt er de nadruk op gelegd dat degenen die rellen veroorzaken of de buurten onveilig maken allochtonen zijn. In Nederland worden met name de Marokkaanse en Antilliaanse jongeren bestempeld als probleemveroorzakers. Daarbij wordt steeds gesteld dat ze zich niet (willen) aanpassen aan de Nederlandse, democratische maatschappij – niet willen ‘inburgeren’ – maar wel willen profiteren van de ‘verworvenheden van de welvaartsstaat’. In deze sfeer kunnen ook nieuwe asielzoekers en immigranten gemakkelijker in een kwaad daglicht worden gesteld. Vooral wanneer ze, zoals de scholiere Taïda Pasic, gefraudeerd hebben – of wanneer ze, zoals de voetballer Kalou, te weinig hebben gedaan om ‘in te burgeren’. Zo wordt een sfeer gecreëerd waarin de bevolking verdeeld is in ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’. En dit wordt uiteraard verder versterkt door de voortdurende campagnes rond het moslimterrorisme en ‘het gevaar van de islam’.
Dat de Nederlandse bourgeoisie, zoals elke bourgeoisie, nooit vies was van massale invoer van ‘vreemde’ arbeidskrachten, wanneer dit haar goed uitkwam voor de concurrentiekracht van haar productieapparaat, blijkt overduidelijk vandaag nog uit het massale zwartwerk circuit van tijdelijke Poolse, Roemeense, Bulgaarse of Russische arbeiders in de tuinbouwsector, de bouw- of de voedingsindustrie. Wanneer de crisis echter verdiept en de werkloosheid toeneemt, treffen de ontslagen noodzakelijkerwijs eerst de meest precaire en de minst gespecialiseerde jobs. Hierdoor komen bepaalde groepen versneld in werkloosheid en marginalisatie terecht, wat hen meteen tot een gedroomd doelwit maakt van de campagnes van de bourgeoisie. En hierbij zijn de aanhangers van Fortuyn heus niet de enigen die roepen dat “Nederland vol is”. De overige politieke partijen staan in feite op hetzelfde standpunt als de populisten - nieuwe immigranten zo veel mogelijk buiten houden, degenen die er al zijn strenger controleren – en doen net zo hard mee aan de stemmingmakerij tegen allochtonen, immigranten en asielzoekers als de populisten. Deze campagnes zijn er in de eerste plaats voor om een strengere sociale (en politie) controle over de arbeiders aanvaardbaar te maken. Zo is, in het kielzog van de rellen in Frankrijk, al menige maatregel genomen om de staatscontrole over de bevolking als geheel op te voeren:
Ook ‘links’ schuwt zulke controlemaatregelen niet: in de gemeenten waar een linkse meerderheid in het college zit, zien we dat het beleid in feite op hetzelfde neerkomt als dat van de regering en van rechtse gemeentes: harde maatregelen in de bijstand of ‘huisbezoeken’ in Amsterdam, het inzetten van bijzondere opsporingsteams in wijken door het stadsbestuur van PvdA, Groen-Links en SP in Nijmegen.
Dat het ‘Poldermodel’ duidelijk heeft afgedaan, dat miljoenen arbeiders in alle industrielanden op straat worden gezet door fabriekssluitingen en delokalisaties, wordt zowel door rechts als links vakkundig weggemoffeld. Beiden geven de schuld voor de slechte situatie waarin veel immigranten zitten uiteindelijk aan die immigranten zelf. De verschillen liggen slechts in de details. Links zegt het wat genuanceerder, terwijl rechts openlijk de zwarte piet legt bij de immigranten. Beiden hebben als ‘antwoord’ alleen ‘meer controle’. Links verkoopt deze controle als ‘hulp geven’, terwijl rechts daar openlijker, zo niet provocerend over is – denk bijvoorbeeld aan het voorstel van Verdonk om het dragen van de burka in het openbaar te verbieden.
Het aanduiden van zondebokken komt de centrum-rechtse regering goed uit omdat ze fundamenteel geen antwoord heeft op de werkloosheid, de toenemende marginalisatie en perspectiefloosheid. Het enige wat ze probeert te doen is zo veel mogelijk die delen van de maatschappij die het minste perspectief hebben te controleren en te beheersen. Maar ook links heeft geen antwoord op de economische crisis, op de werkloosheid en op het uiteenvallen van de maatschappelijke verbanden. Wat links doet verschilt dan ook niet zo erg van wat rechts doet: we hoeven slechts terug te denken an de acht jaren van Paars, toen het immigratiebeleid niet wezenlijk verschilde van dat van nu, en alleen de retoriek wat gematigder was (2).
Het voornaamste doel van deze campagnes is om verdeeldheid te zaaien onder de arbeiders: autochtone arbeiders worden opgezet tegen de allochtone ‘profiteurs’ en ‘gelukzoekers’, terwijl allochtone arbeiders opgejut worden tegen de Nederlandse collega’s die hen in de ellende laten zakken om hun ‘privileges’ te vrijwaren. De vakbond FNV bijvoorbeeld doet een duit in het zakje door stampij te maken over ‘de oneerlijke concurrentie van Poolse arbeiders tegen de Nederlandse’. Op deze manier wordt de solidariteit onder de arbeiders ondergraven en worden ze afgeleid van een eendrachtige strijd tegen de zware aanvallen op haar werk- en levensomstandigheden door de regering Balkenende.
De omvang van de crisis, de werkloosheid, van marginaliteit en absolute armoede valt niet meer te ontkennen, zelfs niet door het grootste gejongleer met statistieken. Maar het klassenkarakter van de maatschappij en de inzet van de strijd in de huidige periode worden in deze campagnes volledig verdonkeremaand. De burgerlijke media schrijven niet over de arbeidersklasse, die geconfronteerd wordt met werkeloosheid, maar over immigranten die zich niet aangepast weten te gedragen. Arbeiders worden voorgesteld als lid van een specifieke gemeenschap of wijk en de breuklijnen lopen niet meer tussen sociale klassen maar tussen etnische of religieuze groepen, autochtonen en allochtonen, wijkbewoners, enzovoort.
De PvdA en Co. (Groen-Links en SP) spelen deze valse tegenstellingen uit om de arbeiders in de val van het democratische spel van verkiezingen, van overleg en ‘medebeheer’ op lokaal, regionaal of nationaal vlak te lokken. Bepaalde extreem-linkse en anarchistische clubs spelen van hun kant diezelfde misleidende tegenstellingen uit om een revolutionaire kracht toe te schrijven aan min of meer spectaculaire acties van deze of gene groep gemarginaliseerden. Het is niet toevallig dat deze clubs een perspectiefloze uitbarsting van frustratie, zoals het jongerengeweld tijdens de rellen in de Franse voorsteden, ophemelden als het te volgen voorbeeld van ‘radicaal verzet’.
In werkelijkheid valt er niets te verwachten van strijdvormen en doelstellingen die de fundamentele oorzaken van de problemen negeren, die de arbeiders tegen elkaar opzetten en die hen oplossen in machteloze bevolkingscategorieën. Zij worden naar voren geschoven om een ideologisch rookgordijn op te trekken tegenover de vraagstelling naar een werkelijk alternatief voor de historische crisis van het kapitalisme in ontbinding.
De werkelijkheid is heel anders. Migratie hoort bij het leven van het kapitalisme en dat van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse is een klasse van migranten schreven we begin 1992 (3). Toen het kapitalisme nog een progressieve productiewijze was, versleepte het al arbeidskrachten naar waar het uitkwam. Zo was er bijvoorbeeld een massale emigratie van West-Europa naar de Verenigde Staten in de negentiende eeuw. De hele arbeidersklasse van de VS bestaat uit immigranten. Miljoenen mensen werden er toen, ook buiten de VS, opgenomen in de zich uitbreidende kapitalistische productie. Met het intrede van het verval veranderde dat. Toen het kapitalisme onomkeerbaar zijn periode van verval inging, die definitief is bezegeld met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, bleek het steeds minder in staat om gedeklasseerde niet-arbeiders in de productie op te nemen. De massale migratiestromen van de twintigste eeuw bestonden niet in de eerste plaats om economische redenen, maar vooral vanwege vluchtelingen die op de loop zijn voor de verschrikkingen van de imperialistische oorlogen van het kapitalisme in verval. In het stadium van verval waarin we nu leven, de fase van ontbinding, is dat laatste nog steeds het geval. De meeste migranten hopen nog steeds elders werk te vinden, maar vooral vluchten ze weg voor de om zich heen grijpende lokale oorlogen. Steeds meer verschoppelingen verzamelen zich in de sloppenwijken van de ‘Derde Wereld’ en in de voorsteden van de metropolen van ‘het vrije westen’. De migratie is op zich dus niet nieuw, maar wel nieuw is dat de bourgeoisie steeds meer de controle over hele delen van haar maatschappij begint te verliezen, omdat ze niets anders te bieden heeft dan werkloosheid, oorlogen, armoede en ellende. Dat totale gebrek aan perspectief binnen het kapitalisme is precies wat de bourgeoisie met al haar campagnes probeert te verbergen.
Juist door tegen de valse tegenstellingen en de verdeling onder de arbeiders in te gaan kan er een macht opgebouwd worden die een alternatief biedt voor het toenemen van de ontbinding van de maatschappij. In tegenstelling tot het perspectiefloze oproer in de voorsteden toont de strijd van de Franse studenten en scholieren tegen het ‘eerste aanstellingscontract’ van de regering De Villepin dat er een perspectief bestaat van ééngemaakte en solidaire strijd. Door eisen te stellen die de hele arbeidersklasse aangaan, door de werkloze jongeren uit de voorsteden net als de arbeiders op te roepen zich aan te sluiten bij hun strijd, en door hun algemene vergaderingen voor hen open te stellen, bevestigen ze dat alleen de arbeidersklasse een oplossing kan bieden, omdat haar strijd tot de kern van het probleem gaat. De toenemende ellende wordt veroorzaakt door het voortbestaan van het kapitalistische systeem dat historisch allang over zijn vervaldatum heen is. Alleen de internationaal verenigde klassenstrijd van de arbeiders kan deze dolgedraaide moloch omverwerpen.
AL & Jos / 02.04.2006
(1) Frankrijk: De bourgeoisie gebruikt de rellen tegen de arbeidersklasse, in: Wereldrevolutie, nr. 107, januari-april 2006, en: Debat over de rellen in de Franse buitenwijken – Solidariteit is niet hetzelfde als het toejuichen van een uitzichtloze beweging (idem).
(2) Laten we niet vergeten dat meneer Cohen van de PvdA zelf de bekroonde architect is geweest van het schandelijke uitzettingsbeleid van asielzoekers door de ‘ijzeren’ minister Verdonk van de VVD.
(3) De arbeidersklasse – een klasse van migranten in: Wereldrevolutie, nr. 52, januari-maart 1992.
Revolutionaire organisaties dienen in hun pers verantwoording af te leggen over hun ingrijpen in de arbeidersstrijd. Juist omdat de IKS in staat was heel snel de proletarische aard van de beweging van de studenten tegen het CPE (het Startbaancontract) te onderkennen kon zij vooroplopen in deze eerste strijd die door de nieuwe generaties van de arbeidersklasse in Frankrijk werd gevoerd.
Vanaf 7 februari waren we aanwezig in de manifestaties die door de vakbonden waren georganiseerd, in Parijs zowel als daarbuiten. Tijdens de verkoop van onze pers gingen talrijke studenten en scholieren met onze militanten in debat en toonden ze een werkelijke belangstelling en sympathie voor onze publicaties.
Maar het was vooral vanaf begin maart dat we echt voorop konden lopen in de beweging tegen het CPE. Vanaf zaterdag 4 maart waren onze militanten aanwezig op de nationale coördinatievergadering. De daaropvolgende week namen we het woord in de massale algemene vergaderingen die in alle faculteiten werden gehouden en we konden vaststellen dat het vraagstuk van het zoeken naar solidariteit in het centrum van het debat stond.
Vertrekkend van dit vraagstuk van de solidariteit (door de IKS gekwalificeerd als één van de belangrijkste kenmerken van de huidige dynamiek van de arbeidersstrijd in alle landen) verspreiden we vanaf 5 maart twee vlugschriften en een bijlage bij ons maandblad (“Een groet aan de nieuwe generaties van de arbeidersklasse”). Het geheel van onze pers werd wijd verspreid aan universiteiten, op werkplaatsen en in manifestaties.
Maar onze eerste verantwoordelijkheid bestond uit het doorbreken van de wet van de stilte en de leugens. Daarom publiceerden we op onze website onmiddellijk onze vlugschriften en artikelen, in dertien talen, om de waarheid naar boven te halen tegenover de leugens van de internationale bourgeoisie. Bovendien hield onze organisatie, in Frankrijk net als in de meeste landen waar de IKS aanwezig is, twee openbare bijeenkomsten: de eerste om de black-out van de media te bestrijden over de aard en de inhoud van de debatten die plaatsvonden tijdens de algemene vergaderingen; de tweede, die aan het eind van de beweging werd gehouden, had tot doel de belangrijkste lessen te trekken uit deze formidabele ervaring van de jonge generaties om er de perspectieven uit af te leiden voor de komende strijd van de arbeidersklasse.
Dankzij de geest van openheid van de studenten en het invoeren van een ‘ideeënbus’ voor de hele arbeidersklasse konden militanten van de IKS direct ingrijpen in de algemene vergaderingen, eerst in Parijs (vooral in de faculteiten van Censier, Jussieu en Tolbiac), vervolgens daarbuiten. Vanaf het moment dat we als arbeiders (werkenden of gepensioneerden) en als ouders van strijdende studenten en scholieren verschenen aan de ingang van de collegezalen om onze solidariteit met de beweging te betuigen werden we met open armen ontvangen. Het waren de studenten zélf die ons vroegen het woord te nemen in de algemene vergaderingen, onze ervaringen als arbeiders met hen te delen en natuurlijk om ‘ideeën’ in te brengen. In al de universiteiten waar we het woord voerden voor bijeenkomsten van honderden studenten werden de moties en concrete actievoorstellen die we indienden met grote belangstelling ontvangen, ter stemming voorgelegd, en aangenomen. Op 15 maart bij de faculteit van Censier bijvoorbeeld diende een van onze kameraden een motie in om de verzamelde studenten op te roepen onmiddellijk de directe uitbreiding van de strijd naar de werkenden ter hand te nemen. De motie werd toegejuigd en bij meerderheid aangenomen. Ook werd voorgesteld om massaal een vlugschrift te verspreiden in de stations van de buitenwijken van Parijs. Aan de universiteiten buiten Parijs (vooral in Toulouse en Tours) namen onze kameraden in dezelfde zin het woord, met voorstellen om manifestaties naar bedrijven te sturen, naar kantoren en ziekenhuizen en om tijdens deze manifestaties vlugschriften te verspreiden waarin de werkenden werden opgeroepen om zich bij de strijd van de studenten aan te sluiten.
Nooit sinds Mei 1968 hadden onze tussenkomsten in algemene vergaderingen een dergelijke invloed. De vakbondssaboteurs en ultra-linksen haalden natuurlijk allerlei manoeuvres uit om onze moties op hun eigen naam te schrijven om bij de beweging te blijven aansluiten en er de controle over te kunnen behouden, dan wel om die ‘discreet’ af te voeren ná de algemene vergadering door ze te verdrinken in een veelheid van concrete ‘actie-voorstellen’. De studenten slaagden er niettemin in om die manoeuvres gedeeltelijk te omzeilen. Het ‘idee’ dat de IKS voortdurend al meer dan een kwart-eeuw naar voren brengt in de arbeidersstrijd werd door de studenten in praktijk gebracht: ze gingen op zoek naar de actieve solidariteit van de werkenden door vlugschriften te verspreiden waarin tot solidariteit werd opgeroepen, en door massale delegaties te sturen naar dichtbij zijnde bedrijven (vooral in de stations zoals bij Rennes, Aix en Parijs). De studenten begrepen overal al snel, zoals een student van Paris-Censier het uitdrukte, dat “als we geïsoleerd blijven we rauw worden opgepeuzeld”. Het is dankzij deze uitbreidingsdynamiek van de beweging naar het geheel van de arbeidersklasse, een dynamiek die voortkwam uit het openstellen van de algemene vergaderingen, dat de bourgeoisie kon worden teruggedreven.
Onze voorstellen om gezamenlijke algemene vergaderingen van studenten en personeel van de stakende universiteiten (vooral bij Paris-Censier) te organiseren werden eveneens overgenomen. Doordat de werkenden in de nationale onderwijssector de nederlaag die ze in het voorjaar van 2003 opliepen nog niet te boven waren slaagden er evenwel niet in zich massaal bij de studenten aan te sluiten. We moeten toegeven dat daar waar we konden ingrijpen, het met de studenten meest solidaire personeel, overtuigd van de noodzaak om de strijd onmiddellijk uit te breiden naar al de bedrijven zonder richtlijnen van de vakbonden af te wachten, voornamelijk militanten van de IKS waren.
Vanaf het ogenblik dat onze voorstellen een meerderheid begonnen te verkrijgen en onze kameraden herkend werd als militanten van de IKS, begonnen de vakbonden en ultra-linksen natuurlijk geruchten te verspreiden om wantrouwen te zaaien, om de situatie in de faculteiten weer onder controle te krijgen en vooral te voorkomen dat mensen op zoek naar een revolutionair perspectief toenadering zochten tot de standpunten van het links-kommunisme. Zo zagen we de klassieke manoeuvre om de openheid van de algemene vergaderingen te saboteren door ‘elementen van buitenaf’ de toegang of het woord te weigeren, zoals aan de faculteit van Toulouse-Rangueil (waar de ‘nationale coördinatie’ gevestigd was), en waar onze kameraden een spreekverbod kregen van de Trotskisten van de Jeunesse Communiste Révolutionnaire (jongerenorganisatie van de LCR). In tegenstelling daartoe werden de toespraken van een van onze kameraden die lesgeeft in de faculteit van Mirail met veel enthousiasme ontvangen. Op verzoek van de studenten kon hij een uiteenzetting geven over de beweging van Mei 1968 en daarmee onze analyse over de historische betekenis van die beweging doorgeven.
We voerden eveneens meerdere malen het woord in de vergaderingen van de ‘nationale coördinatie’. Op 4 maart ging de IKS naar de ingang van de vergadering te Parijs om de pers te verkopen (die heel goed werd ontvangen door veel studenten) en om te proberen de bijeenkomst toe te spreken. Na twee uur van discussie eindigde de algemene vergadering er mee bij stemming in beginsel te aanvaarden dat ‘waarnemers van buiten’ de zaal in mochten, maar wél zonder spreekrecht.
Ondanks de politieke manoeuvres gericht op het potdicht maken van de algemene vergaderingen werd er volop gedebatteerd. Het waren vooral de niet-vakbondsstudenten die van geen enkele politieke organisatie deel uitmaakten die het meest vastbesloten tegen de manoeuvres van de UNEF en de ultra-linksen ingingen. Bij de faculteit van Paris-Censier gaven de studenten het woord aan ‘elementen van buitenaf’ en werden de algemene vergaderingen opengesteld voor arbeiders die hun solidariteit met de beweging wilden betuigen. Zo kon het dat onze kameraden, als ouders van studenten in strijd, het woord voerden op 8 maart tijdens de bijeenkomst van de coördinatie van de Parijse regio om de noodzaak te verdedigen de strijd uit te breiden door op te roepen tot solidariteit van de arbeiders in de bedrijven, vooral die van de openbare sector zoals de SNCF (de spoorwegen), de ziekenhuizen en de posterijen.
Aan het einde van de beweging zagen we de manoeuvres van de politicasters van de ‘coördinatie’ (geïnfiltreerd door heel ‘veelkleurig links’, van de Socialistische Partij tot aan de trotskisten) om tijdens de vergadering van de ‘nationale coördinatie’ te Lyon op 8 en 9 april, aan de vooravond van het officiële intrekken van het CPE, deze dynamiek van openheid te saboteren. Niet in staat te voorkomen dat de militanten van de IKS de zaal binnenkwamen zonder zichzelf daarbij volslagen ongeloofwaardig te maken, slaagden de ‘leiders’ van de ‘coördinatie’ er niettemin in om de studenten te laten stemmen over een spreekverbod voor... ‘waarnemers van buitenaf’! Deze vergadering van universiteitsdelegaties (die voor het merendeel zonder enig duidelijk mandaat van hun faculteit kwamen) was een ware mislukking: twee dagen lang werden de studentendelegaties door de sabotage-specialisten bezig gehouden met stemmingen over wat en hoe ze moesten stemmen! Veel studenten hebben deze vergaderingen van de ‘nationale coördinatie’ met walging verlaten en de overigen richten zich weer op de wat we eerder in de algemene vergaderingen naar voren brachten; ze gaven ook blijk van grote rijpheid, moed en intelligentie door na het intrekken van het CPE in meerderheid te stemmen voor opheffing van de blokkades van de faculteiten, om niet in de val te trappen de beweging in het geweld te laten ondergaan.
Onze pers is het voornaamste middel om in te grijpen binnen de arbeidersklasse. Vooral in manifestaties werden onze publicaties massaal verspreid (meerdere duizenden exemplaren). De IKS was aanwezig in al de manifestaties sinds die van 7 februari; in Parijs, Toulouse, Tours, Lyon, Marseille, Lille en Grenoble. Onze vlugschriften net als onze krant en onze bijlage werden warm onthaald voor vele studenten, scholieren, werkenden en gepensioneerden.
Tijdens de manifestatie van 18 maart kwamen talrijke groepen studenten naar onze pers-tafel om blijk te geven van hun sympathie. Sommigen van hen vroegen ons of ze ons vlugschrift mochten aanplakken op bushokjes. Anderen namen stapeltjes vlugschriften mee om die in hun omgeving te verspreiden. Een kleine groep studenten zei ons zelfs: “als we jullie publicaties zien in al die talen, dat is geweldig; het is overduidelijk dat jullie de enige ware internationalisten zijn.” Nog weer anderen kwamen ons bij verschillende gelegenheden bedanken voor de steun die de IKS aan de studenten verleend had tegenover de leugens die door de media werden verspreid “door in de andere landen bekendheid aan onze beweging te geven, aan onze algemene vergaderingen”. Juist door de openlijke sympathie die veel studenten met ons betoonden durfden de stalinistische bonzen en de ordediensten ons niet openlijk te bedreigen zoals gebeurd was tijdens de manifestatie van 7 maart.
Nooit eerder in de geschiedenis van de IKS had onze tussenkomst een dergelijke invloed in een beweging van de arbeidersklasse. Nooit eerder hadden we zoveel discussies met zoveel manifestanten van alle generaties, en vooral met de jongere generaties op zoek naar een historisch vooruitzicht.
Overal ter wereld verspreidde de televisie beelden van geweldadige confrontaties tussen ‘stenengooiers’ en de Franse oproerpolitie. Nergens werd verwezen naar de massale algemene vergaderingen, naar de rijkdom aan debatten die daar plaatsvonden, naar het voortdurend zoeken naar solidariteit.
Het was dan ook voor een groot deel dankzij de pers van de IKS dat het proletariaat in vele landen de waarheid kon ontdekken. De proletariërs, in Frankrijk net zo goed als in de andere landen, konden daardoor hun solidariteit betuigen met de studenten in strijd waaromheen de internationale bourgeoisie juist een ‘cordon sanitaire’ probeerde te leggen om ze te isoleren, naar de nederlaag te voeren en over te leveren aan de repressie.
Onze tussenkomst in Nederland en België sloot onmiddellijk aan bij dit internationaal gevecht van de IKS tegen de black-out van de bourgeoisie : had natuurlijk niet hetzelfde karakter als die in Frankrijk met al z’n onmiddellijke betrokkenheid in de strijd zelf; het ging er veeleer om de beweging bekend te maken, solidariteit te betuigen, helderheid te verschaffen door lering te trekken uit de gebeurtenissen voor de komende strijd.
In Nederland en België heerste er, net als overal, een maand lang groot stilzwijgen over de gebeurtenissen in Frankrijk. Pas op 18 maart werden beelden getoond van geweld aan de Sorbonne, waarbij de strijd van de studenten op één hoop werd gegooid met het eerdere geweld in de buitenwijken, om aan angst aan te jagen en afkeer op te roepen. Vervolgens werd de beweging voorgesteld als iets typisch studentikoos of als een typisch Franse reactie van conservatisme ten opzichte van ‘noodzakelijke hervormingen’ in het kader van de globalisering en er werd een tegenstelling gemaakt tussen Mei 1968, dat “de wereld wilde veranderen”, en “de angst voor de toekomst” van de nieuwe generatie. Voor het overige werd er verder niets medegedeeld over de aard van de beweging, noch over de algemene vergaderingen of de actieve strijduitbreiding.
Voorafgaand daaraan besloot de afdeling van de IKS in Nederland en België om de mediastilte te doorbreken door op 15 maart het Franse vlugschrift van 6 maart in het Nederlands op het web te plaatsen en vervolgens ook in enkele honderden exemplaren te verspreiden, vooral tijdens studentenbetogingen in Brussel, Antwerpen en Gent. Die hadden overigens een heel ander karakter dan de strijd van de studenten in Frankrijk, en er bleek ook dat de aanwezigen niet in het minst op de hoogte waren, en ook de ultra-links pers bewaarde op dat moment nog een diep stilzwijgen met als gevolg dat jongeren van de Belgische trotskistische LSP/MAS (in Nederland Offensief) zich bij de IKS kwamen informeren. In Nederland waren we op 20 mei aanwezig met vlugschrift, bijlagen en pers op het Nederlands Sociaal Forum te Nijmegen en op 4 juni tijdens de Pinksterlanddagen in Appelscha, en bij beide gelegenheid konden we een debat organiseren, soms met mensen waarmee we al lang geen contact meer hadden gehad.
Belangrijker nog dan ons vlugschrift was de speciale bijlage van acht pagina’s bij onze kranten die we in de tweede helft van maart uitgaven, en waarin beter de historische betekenis van de gebeurtenissen tot uitdrukking kon komen. Ondertussen waren er al vier teksten verschenen op onze website en slaagden we erin het vlugschrift en een “Een groet aan de nieuwe generaties van de arbeidersklasse” te plaatsen op discussieforums van anderen. Onze kranten van mei en juni bevatten natuurlijk ook meerdere artikelen over de beweging. Begin juni gaven we bovendien een brochure uit van 26 bladzijden, waarmee we nogmaals het belang benadrukten dat we aan de beweging toekenden.
Bij onze tussenkomsten werden we gesteund door een tiental sympathisanten, met wie we onmiddellijk contact hadden opgenomen om ze te informeren en om ze te betrekken in discussie en verspreiding van onze publicaties, en die ook zelf initiatieven namen.
De onderwerpen van onze openbare bijeenkomsten werden aangepast om eerstens de mediastilte te doorbreken en vervolgens een debat te openen over de historische betekenis van de beweging en er lering uit te trekken. De discussiebijeenkomsten van maart te Amsterdam en Antwerpen en de openbare bijeenkomst van april in Brussel waren geheel aan het onderwerp gewijd, en op 1 mei hielden we ook een bijzondere openbare bijeenkomst te Brussel met een groter dan gewoonlijk aantal deelnemers en heel levendig debat. De openbare vergaderingen van mei in Amsterdam en Antwerpen waren vooral gewijd aan het trekken van lering uit de beweging. Tijdens deze bijeenkomsten bleek dat we vooral duidelijk moesten maken dat deze beweging er een van de arbeidersklasse was en iets heel anders dan de wanhoopsuitingen in de Franse buitenwijken eerder, en dat de gewelddadigheden juist géén kenmerk zijn van proletarische strijd. De arbeidersklasse zoekt solidariteit, probeert de strijd uit te breiden en organiseert zich daartoe in algemene vergaderingen. Daarbij vindt zij op de eerste plaats de strijdsabotage door de vakbeweging op haar weg en probeert ze de provocaties van de bourgeoisie om haar tot geweld aan te zetten juist zoveel mogelijk te ontlopen.
In de manifestaties in Frankrijk vormde de pers van de IKS een waar oriëntatiepunt temidden van een hele sliert van vlugschriften van kleine voor de gelegenheid gevormde groepjes waarvan de één nog ‘radicaler’ van taal was dan de andere.
De sympathie waarvan veel studenten en werkenden in de manifestaties ons in Frankrijk blijk gaven ons vormde een aanmoediging om vastbesloten door te gaan. Als we een positieve balans kunnen opmaken van de echo die onze tussenkomst had dan is dat niet in het minst om onszelf te verheerlijken. Het is omdat de openheid van de nieuwe generaties voor revolutionaire ideeën tekenend is voor de rijping van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse.
Net zoals onze tussenkomst bijdroeg tot het vertrouwen van de jonge generaties in hun eigen krachten versterkte het enthousiasme dat de beweging bij opwekte ons vertrouwen in de historische capaciteiten van de arbeidersklasse.
Ondanks dat de democratische, vakbonds- en reformistische illusies die nog altijd zwaar doorwegen op het bewustzijn van de jonge generaties zijn hun openheid voor revolutionaire ideeën, hun wil om verder na te denken en het debat aan te gaan kenmerkend voor de grote rijpheid en diepgang van deze beweging. De toekomst van de menselijke samenleving hangt af van het vermogen van de revolutionairen om deze overdenking tot rijping te laten komen.
Op de dag vóór het zomerreces, 29 juni, kwam met veel ophef een einde aan de regering Balkenende-2, tien maanden voor de beoogde verkiezingen in mei 2007. Na twee pseudo-kabinetscrisissen binnen iets meer dan een jaar (1) trok de veelgeplaagde regeringspartner D’66 ditmaal echt de stekker uit het kabinet in een absurd theaterstuk rond het paspoort van Hirschi Ali. Het optreden van de voortdurend in opspraak geraakte minister Verdonk van ‘Vreemdelingenzaken en Integratie’ zou normaliter geen struikelblok vormen waarover een regering als geheel ten val komt. De bourgeoisie kan een slecht functionerende minister naar huis sturen of onder toezicht plaatsen. Maar premier Balkenende slaagde er in om het ontslag van zijn voltallige kabinet bijkans zelf te bewerkstelligen.
Binnen tien dagen had de bourgeoisie, met behulp van oud-premier Lubbers, haar regeringsploeg weer op de been gebracht, nu gereduceerd tot een ad-interim coalitie van CDA en VVD zonder eigen meerderheid in het parlement. Het doel hiervan was in de eerste plaats om de begrotingsvoorbereiding voor de komende jaren veilig te stellen. Deze omvat, in plaats van het beloofde ‘zoet’, nieuwe bezuinigingsmaatregelen op de arbeids- en levensomstandigheden van grote delen van de bevolking. Om verdere campagnes ‘voor of tegen Balkenende’ te kunnen ontwikkelen werden de vervroegde verkiezingen tot na Prinsjesdag uitgesteld. Want begin juli waren de verkiezingsprogramma’s niet eens geschreven, en het geschmier rond Hirschi Ali’s paspoort bezorgde de impopulaire regering en haar onthande ‘leiders’ wel gezichtsverlies, maar geen pakkende campagnethema’s.
Na de val van Balkenende-2 tuigt de bourgeoisie een campagne op die ons wil inprenten dat we als ‘verantwoordelijke burgers’ op 22 november beslist naar de stembus moeten gaan, omdat er iets te kiezen zou zijn. In de aanbieding staan momenteel: een ‘ander’ beleid, dat binnen het kapitalisme mogelijk zou zijn – dat wil zeggen een regeringsdeelname van de PvdA, bijvoorbeeld in een coalitie met het CDA – dan wel een voortzetting van de CDA-VVD coalitie, omdat het beleid van Balkenende-2 zo succesvol zou zijn geweest voor het ‘herstel’ van de nationale economie en de staatsfinanciën. In werkelijkheid heeft de bourgeoisie maar één beleid in petto, wat ook de regeringscombinatie na de verkiezingen wordt: verdere bezuinigingen en dus meer armoede en verpaupering, werkloosheid en arbeids- en bestaansonzekerheid. De kapitalistische crisis laat de bourgeoisie in geen enkel land een adempauze in haar aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse en van de meerderheid van de niet-uitbuitende bevolking.
Binnen het kapitalisme in verval is een werkelijk ander beleid, een politiek die de levensbehoeften van de overweldigende meerderheid van de bevolking vervult, allang niet meer mogelijk. De belangrijkste fracties van de bourgeoisie zijn ervan doordrongen dat er binnen het kapitalisme geen alternatief bestaat voor hun politiek van ‘bezuinigingen’. Zij staan als een blok tegenover de verlangens van de arbeidersklasse en van de meerderheid van de niet-uitbuitende bevolking. Het maakt voor haar ‘sociaal-economische beleid’ dan ook niets uit of een centrumrechtse dan wel centrumlinkse regeringscoalitie het roer van de staat in handen heeft. Het politieke ‘kleurverschil’ tussen deze regeringen ligt slechts aan de verpakking: de presentatie van het beleid aan de bevolking maakt het verschil, niet de inhoud of de richting ervan. Wel bestaat er een taakverdeling. Burgerlijk ‘rechts’ spreekt meestal de ‘harde taal’ van de waarheid: voor u hebben wij niets dan ‘bloed zweet en tranen’, en valt de arbeiders openlijk aan. Burgerlijk ‘links’ heeft daarentegen de taak om dezelfde arbeidersvijandige politiek met een hypocriet ‘sociaal sausje’ aan de arbeiders te verkopen als zijnde in hun eigen belang, of anders wel als het ‘best haalbare’ of het ‘minste kwaad’. Verkiezingen vormen al tientallen jaren een bedrog. De democratische ideologie vormt één van de belangrijkste wapens uit het arsenaal waarmee de bourgeoisie de arbeiders politiek gezien aan de staat probeert te binden, om iedere poging tot zelfstandige strijd bij voorbaat te ondergraven en te saboteren.
Alle politieke krachten van de bourgeoisie, van ultralinks tot extreem rechts, willen ons aanpraten dat het niet de collectieve, solidaire strijd van de arbeiders op hun klassenterrein is die loont, maar dat het de keuzeknop aan de stemcomputer is, waarmee we als ‘burgers in ‘democratische verkiezingen’ voor een burgerlijk parlement de toekomst vorm geven. Driewerf bedrog!
Steeds brutaler roept de bourgeoisie ook in Nederland dat wie niet stemt zijn recht van spreken verliest en naderhand niet moet klagen wanneer het beleid hem of haar niet bevalt. Door te gaan stemmen zou het beleid van de staat mede bepaald kunnen worden. Dat beleid wordt echter niet door ‘volksvertegenwoordigers’ bepaald, maar door het staatsapparaat, door geheel onverkiesbare ministeriële staven, terwijl de globale randvoorwaarden, de speelruimten van het ‘beleid’, worden bepaald door de wetmatigheden van een kapitalisme in permanente crisis. Dat wil zeggen vooral door de moordende concurrentie op de wereldmarkt. Wie niet gaat stemmen wordt door de bourgeoisie in het verdomhoekje geplaatst geen democraat te zijn. Maar wie wél gaat stemmen wordt geacht een blanco cheque te hebben afgegeven van politiek vertrouwen in het parlementaire circus van de bourgeoisie, en legitimeert het daarmee. In plaats van op de stembus van de bourgeoisie te vertrouwen moeten we de strijd op klassenterrein opnemen.
In de afgelopen vijftien jaar hebben in Nederland alle regeringen waaraan de PvdA deelnam, of het nu Wim Kok was met het CDA van Lubbers of Wim Kok met VVD en D’66 in de ‘Paarse’ coalitie, de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse aangevallen. We zagen hetzelfde in andere landen: in Frankrijk met de Parti Socialiste van Jospin in de regering; in Duitsland met de SPD van Schröder en de Groenen die in 1998 voor de ‘hervormingsagenda 2010’ tekenden; in Groot-Brittannië onder de New Labour-regeringen van Tony Blair met ongekende bezuinigingen. Juist het drogbeeld van het ‘sociale’ imago van ‘links’ maakte het in de jaren 1990 voor de bourgeoisie mogelijk om aanvallen uit te voeren, die onder een rechtse regering vaak tot veel meer verzet zouden hebben geleid. De rol van links in Nederland verschilt niet van dat in andere landen van het kapitalisme: verdediging van het nationale kapitaal.
Na de afgang van de paarse regering eind 2001 en alle reuring rond de rechtse populist Pim Fortuyn en het Fortuynisme in 2002, liet de bourgeoisie in het voorjaar 2003 de regering Balkenende-2 aantreden. Een van haar belangrijkste taken bestond uit het doorvoeren van de grootste bezuinigingsoperatie na de Tweede Wereldoorlog (2). De bourgeoisie heeft deze regering altijd gesteund en in het zadel gehouden. Dit ondanks de onvermijdelijke impopulariteit bij de bevolking, en ondanks de pogingen tot strijd van de arbeidersklasse, die de bourgeoisie met haar baaierd van aanvallen ook in Nederland heeft uitgelokt. Als ‘verantwoordelijke’ oppositiepartij heeft de PvdA van Wouter Bos de regering Balkenende-2 doorlopend met raad en daad kritisch ondersteund. En nu wordt ons gevraagd te geloven dat de PvdA een ander beleid zal gaan voeren dan Balkenende-2!
Momenteel worden er steeds meer nieuwe en verdergaande maatregelen in een bonte mengeling op tafel gegooid, in de eerste plaats door de regeringspartijen CDA en VVD. Maar bij tijd en wijle doet ook ‘oppositiepartij’ PvdA een duit in het zakje. Doorgaans geeft de harde, rechtse taal van de regeringspartijen Wouter Bos de gelegenheid om punten te scoren en een sociaal gezicht te trekken. Maar soms is de bourgeoisie de populariteit van de PvdA in de opiniepeilingen net iets te groot, met name ten opzichte van het CDA. Dan moet Wouter Bos iets hards en ‘realistisch’ roepen, dat al laat doorschemeren dat ook van de PvdA geen ander beleid te verwachten valt. Dan stagneert de groei van haar populariteit in de opiniepeilingen enigszins. Een voorbeeld hiervan is het door Wouter Bos gelanceerde plan om de ‘vergrijzing’ via belastingheffing op de hogere pensioenen te financieren. In werkelijkheid is de speciale belastingheffing voor AOW’ers al in de SER tussen vakbonden en ‘werkgevers’ beklonken.
Om de verkiezingscampagne ten gunste van de PvdA aan te wakkeren worden vervolgens door VVD en CDA zonder blikken of blozen een hele reeks aan maatregelen naar voren geschoven zoals het verder verkorten van de duur van uitkeringsrechten volgens de WW, het afschaffen van bijstandsuitkeringen aan zogenaamde ‘jongeren’ tot 27 jaar, het verscherpen van de jacht op bijstandsgerechtigden via razzia’s en uitsluitingen, het schrappen van huurkostenvergoedingen uit de AWBZ voor inwoners van verzorgingstehuizen; door ongebreidelde stijging van huur- en energielasten, het aantasten van de levensloopregelingen, de verlenging van de arbeidsweek naar nominaal veertig uur, het verder onzeker maken van de arbeidsverhoudingen (zoals afschaffen van ontslagbescherming en dus verdere uitbreiding van flex- en nepcontracten). Het geeft aan dat er voor de bourgeoisie geen grenzen bestaan als het gaat om het aanvallen van het arbeidersinkomen. In plaats van de in het vooruitzicht gestelde ‘cadeautjes’ en ‘meevallers’, die niets anders zijn dan boerenbedrog, gaat het voor de arbeiders, met of zonder de PvdA in de regering, verder aanvallen regenen.
De arbeidersklasse heeft niets te winnen door zich het verkiezingscircus binnen te laten lokken. Daartegenover kan zij niets anders stellen dan de ontwikkeling van een massale strijd op het eigen klassenterrein. Ze heeft dat op internationaal vlak in het afgelopen voorjaar opnieuw bevestigd door middel van belangrijke bewegingen, vaak rond kwesties als ontslagen, arbeids- en bestaansonzekerheid en pensioenen. Deze worden in de regel buiten de burgerlijke media gehouden, naar de zijlijn verbannen of bewust verdraaid.
Zoals de beweging in Duitsland van de ziekenhuisartsen (voor de uitbetaling van hun structurele overuren en de toekomst van de gezondheidszorg) en in Groot-Brittannië door een massale staking van het gemeentepersoneel op 28 maart voor hun pensioenen. Zoals vooral ook de beweging van studenten en arbeiders in Frankrijk tegen de afschaffing van ontslagbescherming bij het startbaancontract (CPE), en in Spanje van de metaalarbeiders van Vigo tegen arbeidsonzekerheid en ontslag. Vooral deze laatste bewegingen laten belangrijke stappen vooruit zien op het vlak van de strijdbaarheid en het bewustzijn in de klasse sinds de heropname van haar strijd in Frankrijk en Oostenrijk in het voorjaar van 2003 tegen aanvallen op de pensioenen (3).
Ook in Nederland leefde de strijdbaarheid in de klasse in de afgelopen jaren weer op, zoals met de massale manifestatie op het museumplein op 2 oktober 2004 tegen de aanvallen van Balkenende-2. Daarna bleef het, vooral onder druk van de vakbonden en met hulp de vele ideologische campagnes, zoals de opgeroepen hysterie na de moord op Van Gogh en rond het islam-terrorisme, en de campagne rond het referendum over het Europese ‘grondwettelijke verdrag’ in juni 2005, betrekkelijk rustig (4). Toch flakkert de strijdbaarheid af en toe op, meestal in kortdurende pogingen om zich te verzetten tegen ontslagen. Pogingen die doorgaans nog geïsoleerd blijven, snel weer onder vakbondscontrole raken en in een (gedeeltelijke) nederlaag eindigen. Zoals bijvoorbeeld in 2005 bij Enci, Atoglas en Avebe; dit voorjaar bij Philips/LG-electronics en NedCar en in de afgelopen zomer bij Unilever.
De arbeidersklasse kan haar belangen slechts verdedigen door te strijd voor algemene arbeiderseisen op te nemen en zover mogelijk te ontwikkelen, om zo een gunstige krachtsverhouding op te bouwen tegenover de bourgeoisie. Door deze strijd gezamenlijk aan te gaan, door op zoek te gaan naar actieve klassensolidariteit bij andere werkenden, door algemene vergaderingen te beleggen en open te stellen voor alle uitgebuiten die zich bij de strijd willen aansluiten, moeten en kunnen we ons in de strijd verenigen tot een solidaire, verenigde klasse die als enige de sleutel tot de toekomst in handen heeft n
Fernando / 31.08.2006
Voetnoten
(1) De ‘kabinetscrisis’ rond de ‘gekozen burgemeester’ in maart 2005, die leidde tot het vertrek van minister De Graaf en tot het opbergen van de Democratische kroonjuwelen’66; de bluf van oppositie tegen de deelname van Nederland aan de ISAF-missie in Uruzgan van eind 2005 tot januari 2006, die het terugtreden van fractieleider Dittrich tot gevolg had.
(2) Zie: Massaontslagen, aanvallen op lonen en uitkeringen - Samen de strijd aangaan als één arbeidersklasse! in: Wereldrevolutie, nr. 100, september 2003.
(3) Zie: Beweging tegen het CPE in Frankrijk - Een rijke ervaring voor de komende strijd, in: Internationalisme, nr. 326, 15 juni 2006.
(4) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze! (30.10.2004, webspecial) en: Arbeidersverzet in Nederland – Geleidelijk de strijdbaarheid en het zelfvertrouwen weer opbouwen, in: Wereldrevolutie, nr. 107, januari 2006.
Men kan niet anders dan met verontwaardiging en walging worden vervuld door deze nieuwe manifestatie, deze uitbarsting van de oorlogsbarbarij in het Nabije-Oosten: 7000 luchtaanvallen op Libanees grondgebied, meer dan 1200 doden in Libanon en in Israël (waaronder meer dan driehonderd kinderen van onder de twaalf jaar), bijna 5000 gewonden, een miljoen burgers die op de vlucht sloegen voor de bombardementen en die probeerden weg te komen uit de gevechtszones. Anderen, te arm om de gevechtszones te ontvluchten, verschansen zich naar het mogelijke, met pijn in de buik van de angst....
Hele wijken, hele dorpen zijn herschapen in ruïnes, ziekenhuizen worden overspoeld en zijn propvol: dat is de voorlopige balans van een maand oorlog in Libanon en Israël als gevolg van het offensief dat de Tsahal inzette om de toenemende invloed van Hezbollah te verminderen en in antwoord op één van de vele moordadige aanvallen van de islamitische milities over de Israëlisch-Libanese grens heen. De vernietigingen worden geschat zes miljard euro te bedragen, zonder dan nog de kosten te rekenen van de oorlog zélf. Uiteindelijk is de oorlogsoperatie uitgelopen op een mislukking die ook een smadelijke tegenslag vormt en een abrupt einde maakt aan de mythe van onoverwinnelijkheid, van de onkwetsbaarheid van het Israëlische leger. Het is ook een nieuwe terugslag en een verdere verzwakking van het Amerikaanse leiderschap. Hezbollah komt daarentegen versterkt uit het conflict en heeft in de ogen van het geheel van de Arabische landen een nieuwe legitimiteit verworven door zijn verzet.
Deze oorlog luidt een volgende stap in van het in vuur en vlam zetten van heel het Midden-Oosten en van het wegzinken in een steeds maar oncontroleerbare chaos, waartoe alle imperialistische machten hebben bijgedragen, van de grootste tot de kleinste, in de schoot van de zogenaamde internationale gemeenschap. Vanwaar deze slachtpartijen, deze golf van moordende gevechten?
De patstelling in het Nabije-Oosten was al een feit met het aan de macht komen van de ‘terroristen’ van Hamas op het Palestijnse grondgebied (met een onverzettelijkheid van de Israëlische regering waardoor deze bijdroeg tot het provoceren van een ‘radicalisering’ van een meerderheid van de Palestijnse bevolking) en de openlijke verscheurdheid binnen de Palestijnse bourgeoisie, tussen Fatah en Hamas, waardoor iedere oplossing door onderhandelingen onmogelijk werd gemaakt. De Israëlische terugtrekking uit Gaza om de Westelijke Oever beter te isoleren en af te sluiten zal niet veel zoden aan de dijk hebben gezet. Israël had geen andere oplossing dan een andere richting in te slaan om de toenemende invloed tot staan te brengen van Hezbollah in Zuid-Libanon, die gesteund, gefinancierd en bewapend wordt door de Iraanse peetvader.
Het voorwendsel dat door Israël werd gegeven om de oorlog te ontketenen bestond uit het vrij krijgen van de twee soldaten die Hezbollah gevangen had genomen: bijna twee maand na hun ontvoering zijn ze nog steeds gevangenen van de sjiitische milities, en het eerste getouwtrek over dit onderwerp is nog nauwelijks door de Verenigde Naties begonnen. De andere opgegeven reden bestond uit het ‘neutraliseren’ en ontwapen van Hezbollah, waarvan de aanvallen en de invallen op Israëlisch grondgebied vanuit Zuid-Libanon een belangrijke bedreiging zouden vormen voor de veiligheid van de Hebreeuwse staat. Dit staat net zo in wanverhouding tot de werkelijkheid als het doden van een mug met een bazooka. De Israëlische staat heeft zich met een ongelooflijke brutaliteit, met beest-achtigheid en verbetenheid, overgeleverd aan een ware politiek van de ‘verschroeide aarde’ tegen de burgerbevolking van de dorpen in Zuid-Libanon, die zonder enig mededogen van hun land en uit hun huizen werden gejaagd, die honger moesten lijden, geen drinkwater hadden en blootgesteld werden aan de ergste epidemieën. Er zijn ook negentig bruggen en ontelbare verbindingswegen stelselmatig afgesneden (wegen, autosnelwegen…), drie elektrische centrales en duizenden woningen werden vernield, de luchthaven van Beiroet werd onbruikbaar gemaakt, en er werd onophoudelijke gebombardeerd.
De Israëlische regering en haar leger herhaalde tot vervelens dat ze de ‘burgerbevolking wilden sparen’ en slachtpartijen zoals die van Kanaan werden afgedaan als ‘betreurenswaardige incidenten’ (zoals het fameuze ‘collatoral dammage’, de ‘zijdelingse schade’ in de Golfoorlogen en in de Balkan). Maar het is wel onder deze burgerbevolking dat de meeste slachtoffers vallen, en verreweg de meeste: 90% van de doden!
Deze oorlog kon niet uitbarsten zonder het groene licht van de Verenigde Staten. De Verenigde Staten, die hun hoofd in het wespennest van de oorlog in Irak en in Afghanistan hebben gestoken, en na de mislukking van hun ‘vredesplan’ om het Palestijnse vraagstuk op te lossen, moeten de regelrechte mislukking vaststellen van hun tactiek van het omsingelen van Europa, waarvoor de Nabije en het Midden-Oosten de strategische hoofdkaarten vormden. Vooral de Amerikaanse aanwezigheid in Irak is al drie jaar uitgedraaid op een bloedige chaos, een ware afschrikwekkende burgeroorlog tussen rivaliserende fracties, dagelijkse aanslagen die de bevolking blindelings treffen, in een ritme van tachtig tot honderd doden per dag. Al deze mislukkingen en deze onmacht getuigen van de historische verzwakking van de Amerikaanse bourgeoisie in deze regio, die bovendien in de hele wereld haar leiderschap steeds meer ter discussie gesteld ziet.
Dat is trouwens de reden waarom nieuwe imperialistische pretenties van andere staten steeds meer op de voorgrond treden, te beginnen met die van Iran. In deze samenhang stond het buiten kijf dat de Verenigde Staten zelf zouden ingrijpen, terwijl het doel in de regio eruit bestaan om de staten aan te pakken die zij aanklagen als ‘terroristisch’ en als belichamingen van de ‘as van het kwaad’, zoals Syrië en vooral Iran waarvan Hezbollah de steun geniet. Het Israëlische offensief, dat als waarschuwing moest dienen aan deze twee staten, laat zien dat de belangen van het Witte Huis en die van de Israëlische bourgeoisie volkomen parallel lopen. De Verenigde Staten remden binnen de Verenigde Naties trouwens wekenlang de overeenkomsten over een staakt-het-vuren af en saboteerden die zelfs om het Israëlische leger in de gelegenheid te stellen haar operationele bases dieper in Libanees grondgebied te laten doordringen, tot aan de beroemde Litani rivier.
Behalve het feit dat er voor de Hebreeuwse staat geen sprake van kan zijn zich blijvend te nestelen in Zuid-Libanon, maken de problemen waarmee de Verenigde Staten en de staat Israël worden geconfronteerd in het Nabije en het Midden-Oosten deel uit van dezelfde dynamiek: dezelfde aandrang om vooruit te vluchten in militaire avonturen om hun imperialistische belangen te waarborgen en vooral hun statuut van politieagent. Ze komen steeds meer vast te zitten in hetzelfde wespennest, in hetzelfde onvermogen om een steeds groeiende chaos onder controle te houden, die door hun ingrijpen wordt veroorzaakt en die even zo vele dozen van Pandora opent.
Binnen de Israëlische bourgeoisie schuiven burgers en militairen de verantwoordelijkheid voor een slecht voorbereidde oorlog op elkaar af. Israël doet de bittere ervaring op dat een militie die opgaat in de bevolking niet op dezelfde manier bestreden kan worden als een staand leger van een gevestigde staat (1). Hezbollah net als Hamas was in het begin niet meer dan één van de vele islamitische milities die werden opgericht tegen de Israëlische staat. Zij werd gevormd tijdens het het Israëlische offensief in Zuid-Libanon in 1982. Dankzij haar sjiitische samenstelling kon ze genieten van de financiële steun van het regime van de Iraanse ayatollah’s en molla’s.
Ook Syrië, dat omvangrijke logistieke steun verleende, maakte er gebruik van als achterhoede toen het in 2005 werd gedwongen om zich uit Libanon terug te trekken. Deze bende van bloeddorstige moordenaars is er tezelfdertijd in geslaagd om geduldig een machtig netwerk te vormen van rekruteringsagenten door medische, sanitaire en sociale voorzieningen terug te betalen uit kassen die gespijsd worden door gulle giften die voortkomen uit het petroleummanna van de Iraanse staat. Momenteel veroorloofd deze zich het herstel te vergoeden van door de bommen en raketten vernielde of beschadigde huizen, om haar in staat te stellen de burgerbevolking in haar rangen te ronselen. Zo konden we reportages zien van dit ‘schaduwleger’ samengesteld uit kinderen van tussen de tien en de vijftien jaar, die in de bloedige afrekeningen mogen dienen als kanonnenvlees.
Syrië en Iran vormen op dit ogenblik het meest homogene blok rond Hamas en Hezbollah. Vooral Iran loopt te koop met zijn ambities om de belangrijkste imperialistische macht van de regio te worden. Door het bezit van atoomwapens zou het die rol inderdaad kunnen spelen. Al maandenlang tart de Iraanse regering de Verenigde Staten door zijn atoomprogramma voort te zetten. Vandaar dat Iran zijn arrogante provocaties opdrijft en met zijn oorlogsbedoelingen te koop loopt, zelfs verklarend dat het de staat Israël van de kaart te vegen.
Het toppunt van het cynisme en schijnheiligheid wordt bereikt door de Verenigde Naties die tijdens de maand die de oorlog duurde in Libanon voortdurend zijn ‘vredeswil’ uitsprak terwijl het zijn ‘onmacht’ (2) ten toon spreidde. Dit is een schaamteloze leugen. Dit ‘rovershol’ is het moeras waar de meest monsterachtige krokodillen van de planeet met elkaar ravotten. De vijf permanente leden van de Veiligheidsraad zijn de grootste roversstaten van de planeet. De Verenigde Staten, waarvan de alleenheerschappij berust op de machtigste militaire armada ter wereld en waarvan de militaire misdrijven sinds het uitroepen in 1990 van “een tijdperk van vrede en voorspoed” door Bush senior (de twee Golfoorlogen, de interventie in de Balkan, de bezetting van Irak, de oorlog in Afghanistan…) voor zich spreken.
Groot-Brittannië heeft dusverre deelgenomen aan de afstraffingscampagnes van de Verenigde Staten om zijn eigen belangen te verdedigen. Zo hoopt het de invloedszone te heroveren waarover het beschikte door zijn oud protectoraat in deze regio (vooral Iran en Irak). Het probeert koste wat kost zijn aanwezigheid in de regio te behouden, hopende daarvan in de komende jaren de dividenden op te strijken.
Rusland, dat verantwoordelijk is voor de ergste wreedheden tijdens zijn twee oorlogen in Tsjetsjenië en dat met moeite de ineenstorting van de USSR verteerd en zijn wraaklust herkauwt, komt momenteel met nieuwe imperialistische pretenties op de proppen door te profiteren van de zwakte van de Verenigde Staten. Daarom speelt het de kaart van steun aan Iran en wat discreter van Hezbollah. China, dat winst slaat uit zijn groeiende economische invloed, droomt ervan om toegang te krijgen tot nieuwe invloedszones buiten Zuidoost-Azië. En het lonkt naar Iran, omdat het ook één van de staten is waarop het zijn zinnen heeft gezet om zijn doel te bereiken. Deze twee staten hebben elk doorlopend voorop gelopen om de resoluties van de Verenigde Naties te saboteren.
Wat Frankrijk betreft, het bloed dat aan zijn handen kleeft maakt die niet minder vuil dan die van de anderen. Het heeft niet alleen volop deelgenomen aan de eerste Golfoorlog in 1991, maar het speelde ook de pro-Servische kaart op de Balkan, waar het in het kader van de Verenigde Naties koelbloedig aanstuurde op het laten afslachten van de Bosnische bevolking in de enclave van Srebrenica in 1993. Het naam deel aan het opjagen van de Taliban in Afghanistan (de dood van twee soldaten van de ‘speciale strijdmachten’ van de COS heeft pas geleden het volle licht geworpen op deze tot dusverre heel erg discrete activiteit)(3).
Maar het is vooral in Afrika dat het Franse imperialisme betrokken is bij duistere zaakjes. Het is Frankrijk dat de inter-etnische afslachtingen uitlokte in Rwanda door de liquidatie aan te moedigen van Tutsies door Hutus met de meest barbaarse methodes, voor de verdediging van zijn smerige imperialistische belangen op Afrikaanse bodem.
De Franse bourgeoisie heeft heimwee naar een tijdperk waarin het met Groot-Brittannië de invloedszones verdeelde in het Midden-Oosten. Met het noodgedwongen opgeven van zijn bondgenootschap met Saddam Hoessein tijdens de eerste Golfoorlog in 1991 en vervolgens met het vermoorden van zijn ‘beschermeling’ Massoed in Afghanistan, concentreert het zijn hoop op juist het heroveren van Libanon. Daar was het met geweld verjaagd tijdens de eerste oorlog van Libanon in 1982/83 door het offensief van Syrië tegen de Libanees-christelijke regering en vervolgens door de Israëlische tussenkomst die werd geleid door de ‘slager’ Sharon en op afstand bediend door de Verenigde Staten. En Syrië, dat toen tot het kamp van de voormalige Sovjet-Unie behoorde, was toen gedwongen om Libanon te verlaten en zich te schikken naar het westerse kamp. Het heeft Syrië nooit de moord in februari 2005 (toegeschreven aan Bachir al-Assad) vergeven op de voormalige Eerste Minister Rafic Hariri, die een grote ‘vriend’ was van Chirac en van Frankrijk. Dat is de reden waarom het, ondanks zijn verlangen om met Iran te flirten (dat voorgesteld wordt als een ‘groot land’ waarmee onderhandeld moet worden), Frankrijk zich toch achter het Amerikaanse plan voor Libanon schaart, rond de fameuze resolutie 1201 van de Verenigde Naties, en zelfs het plan bekokstoofde voor het inzetten van UNIFIL-troepen.
Ondanks de terughoudendheid van de generale staf die protesteerde vanuit de overweging dat de militaire operaties van Frankrijk in het buitenland ‘onder spanning staan’ (rond de 15.000 man ingezet bij vele verschillende fronten: Ivoorkust met de operatie Licorne, Tsjaad, Kongo, Djiboeti, Darfour, Kosovo, Macedonië, Afghanistan), heeft de Franse regering de schepen achter zich verbrand. Het heeft toegezegd om voor Zuid-Libanon 400 tot 2.000 soldaten te leveren voor UNIFIL. Maar op enkele voorwaarden: namelijk de verlenging van zijn mandaat voor het algemene bevelhebberschap over de tot februari 2007 15.000 ingezette mannen met het gebruik van geweld in geval van agressie. Inderdaad, de herinnering bij nazinderen aan de aanslag op het gebouw Drakkar in Beiroet waar het Franse contingent in oktober 1983 was gelegerd en die uitliep op het verlies van 58 parachutisten door een aanval van sjiitische terroristen wat leidde tot het vertrek van Frankrijk uit Libanon.
Toch zijn de aarzelingen van de Franse bourgeoisie om van het diplomatieke terrein over te stappen naar een meer militair terrein niet van de baan. De belangrijkste taak van UNIFIL bestaat uit het ondersteunen van een zeer zwak Libanees leger dat nog maar nauwelijks weer is opgericht – slechts 15.000 man sterk – en belast met het ontwapenen van Hezbollah. Deze missie is des te gevaarlijker omdat twee leden van Hezbollah deel uitmaken van de Libanese regering, en omdat Hezbollah, dat zelf een aureool van prestige heeft omdat het in zijn eentje de mislukking van het machtige leger van de Tsahal heeft bewerkstelligd, zich nooit zo sterk en vol zelfvertrouwen heeft gevoeld (het heeft zijn capaciteit laten zien om raketten af te vuren en tot aan het tekenen van de wapenstilstand de steden van Noord-Israël te bedreigen) en vooral omdat het Libanese leger in aanzienlijke mate door haar is geïnfiltreerd. Ook andere grootmachten staan te trappelen, zoals Italië, dat, in ruil voor het leveren van grootste contingent van de troepen van de Verenigde Naties, na 2006 het oppercommando van UNIFIL in Libanon krijgt overgedragen. Nauwelijks een paar maanden na de terugtrekking van de troepen uit Irak doet Prodi, die de Berlusconi-ploeg zo scherp bekritiseerde voor de deelname aan de oorlog in Irak, hetzelfde in Libanon, waarmee de Italiaanse ambities om zich onder de groten te begeven worden bevestigd, maar dan wel met het risico wat veren te laten.
De patent hachelijke situatie voor Israël en de Verenigde Staten vertegenwoordigt een nieuwe belangrijke stap voorwaarts in de verzwakking van de Amerikaanse hegemonie. Maar verre van een factor te zijn die de oorlogsspanningen zal verminderen zal het die vergroten. Het vormt een aanmoediging om de imperialistische pretenties van al de andere staten nog te vergroten. Zo kondigt het geen enkel ander vooruitzicht aan dan dat van ontwrichting en groeiende chaos.
Het Nabije- en Midden-Oosten bieden momenteel een samenballing van de irrationele aard van de oorlog waarin elke van de imperialismes steeds meer zwelgt om zijn eigen belangen te verdedigen ten koste van een steeds verdere en steeds bloediger uitbreiding van de conflicten waarin steeds meer staten betrokken raken. Syrië en Iran staat op het punt betrokken te raken. Omgekeerd drijft die situatie de Verenigde Staten en Israël tot een nog gruwelijker en bloediger antwoord. De Israëlische Minister van Defensie liet dan ook duidelijk voelen dat de wapenstilstand niet meer dan tijdelijk is om de krachten opnieuw te verzamelen om een tweede aanval te openen waarmee hij beloofde Hezbollah definitief te vernietigen.
De uitbreiding van de gebieden waarin bloedige confrontaties plaatsvinden is een uiting van het onontkoombaar karakter van de kapitalistische oorlogsbarbarij. Oorlog en militarisme zijn allang de permanente bestaanswijze geworden van een kapitalisme in verval en in volle ontbinding. Dat is één van de belangrijkste kenmerken van de tragische impasse waarin een systeem is terechtgekomen dat de mensheid niets anders meer te bieden heeft dan het zaaien van dood en verderf.
Er komt steeds meer verzet tegen de oorlog op gang. Vorig jaar vonden er grote manifestaties plaats in Tel-Aviv en Haïfa uit protest tegen de stijging van de levenskosten. De regering werd er daarbij van beschuldigend dat haar opdrijving van de militaire begroting ten kosten van de sociale begroting onevenredig was en daarmee een buitensporige inflatie aanwakkerde. De mislukking van de oorlog kan momenteel uitingen van sociale onvrede enkel bevorderen.
In de Palestijnse gebieden komt de woede van de ambtenaren die al maanden geen loon meer hebben ontvangen (door de kredietbevriezing door de Europese Unie sinds de verkiezing van Hamas) steeds sterker tot uiting.
Toch worden van de proletariërs en van de burgerbevolking miljoenen mensen, of die nu van oorsprong joods, Palestijns, sjiitisch, soennitisch Druzisch, Koerdisch, christen-maronitisch of nog anders zijn, in gijzeling genomen en onderworpen aan een dagelijkse terreur.
Welke solidariteit kunnen we betuigen met de bevolking die in deze gruwelijke oorlog wordt geslachtofferd? De Franse bourgeoisie verklaarde naar het voorbeeld van het tijdschrift Marianne van 12 augustus dat we ons erop moeten beroepen “allemaal zionisten, Palestijnse nationalisten en Libanese patriotten te zijn.” De revolutionairen daarentegen heffen luid en duidelijk de eenheidsslogan aan van de arbeidersklasse: “De proletariërs hebben geen vaderland!”
De arbeidersklasse heeft geen enkel nationaal belang en geen enkel kamp te verdedigen Die nationale belangen zijn altijd de belangen van de bourgeoisie die haar uitbuit. Zich verzetten tegen de oorlog betekent zich verzetten tegen alle kapitalistische kampen. Alleen de omverwerping van het kapitalisme kan een einde maken aan het uitbreken van de oorlogsbarbarij. De enige ware solidariteit binnen het proletariaat met de klassenbroeders die worden blootgesteld aan de ergste bloedbaden bestaat uit het op de been komen op éigen klassenterrein tegen de éigen uitbuiters. Dat betekent zich teweer te stellen en de maatschappelijke strijd te ontwikkelen tegen de éigen nationale bourgeoisie. En dat gebeurde tijdens de stakingen die het vliegveld Heathrow in Londen lamlegden en tijdens de staking van het transport in New York in 2005, net als tijdens de staking van de arbeiders van de Seat-fabriek in Barcelona in het begin van dit jaar, en net als met de mobilisatie van de toekomstige proletariërs tegen de startbaancontracten in Frankrijk en van de metaalarbeiders in Vigo in Spanje. Die strijd, die getuigt van een heropleving van de strijd van de klasse op internationale schaal vormt de enige sprank van hoop op een andere toekomst, op een alternatief voor de mensheid tegenover de kapitalistische barbarij.
Wim / 28.08.2006
Voetnoten
(1) De kritieken op de manier waarop de oorlog voorbereidt en gevoerd werd stapelden zich op en raakt zelfs het hoge Israëlische militaire hoofdkwartier. Zo kon een journalist verklaren dat het leger dat in het algemeen ‘de grote stomme’ wordt genoemd ‘de grote kletskous’ was geworden.
(2) Dit cynisme en deze schijnheiligheid werden ter plaatse heel duidelijk tijdens een gebeurtenis van de laatste oorlogsdagen: een konvooi bestaande uit een deel van de bevolking van een Libanees dorp, met menige vrouwen en kinderen die probeerden de gevechtszones te ontvluchten, kwam onder vuur van Tsahal. De leden van het konvooi zochten bijgevolg toevlucht bij een nabijgelegen kamp van de Verenigde Naties. Ze kregen als antwoord dat ze onmogelijk gehuisvest konden worden omdat daarvoor geen enkel mandaat bestond. De meesten (58 van hen) werden gedood door het vuur van het Israëlische leger en onder de passief toezien van de UNIFIL-troepen (volgens een getuigenverklaring op de televisie van de moeder van een ontsnapt gezin).
(3) De ongebruikelijk nadruk van de media op deze gebeurtenis die ‘gelegen’ komt dient ertoe de bevolking te wennen aan het idee dat er meer soldaten zullen sneuvelen en dat er vele slachtoffers zullen vallen tijdens de militaire operaties waaraan Franse strijdkrachten in het kader van UNIFIL in Zuid-Libanon zullen deelnemen.
Wij wensen uitdrukkelijk onze solidariteit te betuigen met de strijd van de 23.000 arbeiders van de metaalindustrie, sinds 3 mei in Vigo in de provincie van Galicië (Spanje), waarvan een groot deel jonge arbeiders. Zonder uitzondering hebben de media en de websites van de vakbonden en de politieke organisaties die zichzelf als radicaal betitelen een doodse stilte bewaard over deze gebeurtenis, zowel in Spanje zèlf als op internationaal vlak (1). Voor de arbeidersklasse is het belangrijk dat er discussie wordt gevoerd over deze ervaring, dat we er met een kritische geest lering uit trekken om ze in praktijk te brengen. Want alle arbeiders gaan gebukt onder dezelfde problemen: bestaansonzekerheid, steeds onverdraaglijker arbeidsvoorwaarden, prijsstijgingen, aankondigingen van aanvallen op de pensioenen, aanvallen op de arbeiders in de openbare diensten…
Op hetzelfde moment dat het helse trio regering-bazen-vakbonden nieuwe hervormingen van de arbeid ondertekent die, onder het voorwendsel van de ‘strijd tegen de bestaansonzekerheid’, niets anders doen dan deze juist des te meer verbreiden door de vergoedingskosten bij ontslag te verlagen en door een veralgemening voor te stellen van contracten van tijdelijke duur beperkt tot twee jaar, brak er in de metaalsector een massale staking uit, waarin ongeveer 70% van de arbeiders uit deze sector betrokken was, met als belangrijkste motief juist de strijd tegen de bestaansonzekerheid.
De strijd tegen de nieuwe hervorming van de arbeid verloopt niet via actiedagen en ‘acties’ georganiseerd door de talrijke radicale vakbonden. Het is integendeel een strijd van de arbeiders zèlf, stakingen waartoe collectief wordt besloten: het zijn zulke stakingen die ondersteund en uitgebreid moeten worden. Want zo kunnen de krachten worden verzameld om zich te weer te stellen tegen de voortdurende aanvallen van het kapitaal.
De staking in de metaal was massaal en werd georganiseerd onder de vorm van algemene en openbare vergaderingen op straat. De arbeiders besloten dat deze vergaderingen open zouden staan voor allen die hun mening wilden geven, die de staking ondersteunen, vragen wilden stellen of eisen wilden formuleren. In het stadscentrum werden massale betogingen georganiseerd. Meer dan tienduizend arbeiders kwamen dagelijks bijeen om de strijd te organiseren, om te beslissen over de te ondernemen acties, om te beslissen tot welke bedrijven men zich moest wenden voor solidariteit van andere arbeiders, om te luisteren naar de weinige informatie die over de staking werd verspreid, om discussies aan te gaan met de bevolking op straat en ga zo maar door.
Het is veel betekenend dat de arbeiders van Vigo dezelfde strijdmiddelen gebruiken als de studenten in Frankrijk tijdens de laatste gebeurtenissen. De algemene vergaderingen staan open voor andere arbeiders, actieven, werklozen en gepensioneerden. De algemene vergaderingen vormden op beide plaatsen ook de zuurstof van de beweging. Het is ook veelbetekenend dat nu in 2006 de arbeiders van Vigo naar dezelfde middelen teruggrijpen als in 1972: het dagelijks houden van grote algemene vergaderingen die toen de arbeiders van de hele stad bijeenbrachten. De arbeidersklasse is een internationale en historische klasse en het zijn deze twee kenmerken waaruit zij kracht kan putten.
Van het begin van de beweging af probeerden de strijdende arbeiders om de solidariteit van andere arbeiders te verkrijgen, vooral die van de grote bedrijven van de metaalsector die genieten van bijzondere overeenkomsten en die, zich daardoor niet ‘niet betrokken zouden voelen’. Zij stuurden massale afvaardigingen naar de scheepswerven, naar Citroën en naar de belangrijkste andere fabrieken. De scheepswerven zijn op 4 mei uit solidariteit unaniem in staking gegaan. Vanuit het egoïstische en koude standpunt van de burgerlijke ideologie van de heersende klasse dat ieder maar zijn eigen boontjes moet doppen kan deze actie enkel maar als een ‘bevlieging’ worden begrepen. Maar voor de arbeidersklasse vormt deze actie het beste middel om de bestaande situatie te lijf te gaan en om de toekomst voor te bereiden. Voor de bestaande situatie omdat elke sector van de arbeidersklasse zich slechts sterk kan maken als zij kan steunen op de strijd van de anderen. Om de toekomst voor te bereiden omdat de maatschappij die het proletariaat nastreeft de mensheid in staat zal stellen om verlost te worden van de dilemma’s van het kapitalisme haar oorsprong vindt in de solidariteit, in de menselijke wereldgemeenschap.
Op 5 mei verzamelden zich bijna 15.000 arbeiders uit de metaal aan de ingang van de grootste fabriek van de stad (Citroën, met 4.500 arbeiders). Ze roepen op tot een algemene vergadering voor de poorten van de fabriek en om deel te nemen aan de discussie, in een poging hen te overtuigen zich bij de strijd aan te sluiten. Ze waren echter onderling verdeeld, de eén bereid om in staking te gaan terwijl de ander aan het werk wilde. Terwijl de discussie zich ontwikkelde begonnen groepjes vakbondsmensen eieren en andere etenswaren te gooien naar de Citroënarbeiders en deden zo de balans overslaan naar het zich niet aansluiten bij de stakers. Uiteindelijk gingen allen aan het werk. Maar het zaad dat gezaaid was door de massale afvaardiging van die dag wierp zijn vruchten af: dinsdag 9 mei begonnen werkonderbrekingen bij Citroën evenals in andere grote bedrijven.
De solidariteit en de uitbreiding van de strijd waren ook de belangrijkste sterke punten van de beweging van de studenten in Frankrijk. In feite was het zo dat onmiddellijk toen er in de grote bedrijven een spontaan gevoel van solidariteit met de studenten op gang kwam, zoals bij Snecma of Citroën, de Franse bourgeoisie de CPE introk. Solidariteit en uitbreiding van de strijd kenmerkten ook de algemene staking van Vigo in 1972, die de ijzeren vuist van de franquistische dictatuur liet terugkrabbelen. Ook daar kunnen we de internationale en historische kracht van de arbeidersklasse zien.
Op 8 mei, toen 10.000 arbeiders optrokken naar het station om na een algemene openbare vergadering reizigers te informeren werden ze van alle kanten met een ongehoord geweld aangevallen door de politie. De charges van de politie waren uitermate gewelddadig. De kleine groepjes verspreide arbeiders werden ongenadig lastig gevallen door de ordestrijdkrachten. Er waren verschillende gewonden en dertien arrestaties. Vanaf dat moment werd de black-out verbroken in de Spaanse media, maar enkel om het geweld van de botsingen tussen arbeiders en politie in beeld te brengen.
Deze repressie zegt genoeg over de ‘democratie’ en haar mooie gezwets over ‘onderhandelingen’, over de ‘vrijheid van betoging’ en de ‘vertegenwoordiging van alle burgers’. Wanneer de arbeiders op hun klassenterrein vechten aarzelt het kapitaal geen ogenblik om de repressie te ontketenen. En daar kan men de ware aard zien van de cynische kampioen van de ‘dialoog’, mijnheer Zapatero, socialist en regeringsleider. Hij weet op wie hij moet terugvallen: zijn laatste socialistische voorloper, de mijnheer Gonzalez, was reeds verantwoordelijk voor de dood van een arbeider tijdens de strijd op de scheepswerven van Gijón (1984) en van een andere in Reinosa tijdens de strijd van 1987. Zij gaan verder in de traditie van een andere beroemde bourgeois, de grote linkse republikein Azaña, die in 1933 het bevel gaf om ‘in de buik te schieten’ bij de slachtpartij van de dagloners in Casas Viejas.
De klopjacht in het spoorwegstation had wel een belangrijk politiek doel: de arbeiders opsluiten in uitputtende gevechten met de ordestrijdkrachten, ze te dwingen om massale acties op te geven (betogingen en algemene vergaderingen) ten voordele van de verspreiding tijdens botsingen met de politie. Het doel is duidelijk om ze in de val te lokken van op voorhand verloren, regelrechte veldslagen waarmee ze de geloofwaardigheid zouden verspelen die ze bij de andere arbeiders hadden opgebouwd.
De Franse regering probeerde dezelfde manoeuvre uit tegen de beweging van de studenten: “De diepgang van de beweging van de studenten komt eveneens tot uiting in haar capaciteit om niet te trappen in de valstrik van het geweld die de bourgeoisie verschillende keren voor haar had uitgezet, daarbij inbegrepen het gebruiken en manipuleren van de ‘herrieschoppers’: de politiebezetting van de Sorbonne, de valstrik op het einde van de betoging van 16 maart, de politiecharges op einde van die van 18 maart, het geweld van de ‘herrieschoppers’ tegen de betogers van 23 maart. Zelfs indien een kleine minderheid van studenten, en voornamelijk diegenen die beïnvloed zij door de anarchiserende ideologie, zich laten verleiden hebben door botsingen met de politie, dan heeft de grote meerderheid onder hen het toch ter harte genomen om de beweging niet te laten wegrotten in herhaalde botsingen met de oproerpolitie.” (Stellingen over de studenten beweging van de lente 2005 in Frankrijk, www.nl.internationalism.org [45]).
De arbeiders mobiliseerden zich vervolgens massaal om de vrijlating te eisen van de aangehouden arbeiders, met een betoging van 10.000 mensen en waarmee het doel werd bereikt. Het is veelbetekenend dat de media (El País, El Mundo, de televisie…) die tot op dat moment een totaal stilzwijgen bewaard hadden over de beweging van de algemene vergaderingen, de massale betogingen en de solidariteit, de botsingen van 8 mei uitspitten. De boodschap die ze ons willen overbrengen is duidelijk: “Als je wil opvallen of de aandacht op je wil vestigen, organiseer dan gewelddadige acties!” De bourgeoisie is de eerste die profijt haalt uit het demoraliseren van de arbeiders in steriele gevechten.
Het is al lang geleden dat de vakbonden nog om een wapen van de arbeiders waren en zich omvormden tot een schild van het kapitaal. Dat werd aangetoond door hun deelname aan alle hervormingen voor de arbeidshervormingen van 1988, 1994, 1997 en 2006, die zoveel hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de bestaansonzekerheid en de ‘hotdogbaantjes’. De drie vakbonden (Comisiones Obreras, UGT en CIG (2)) namen enkel aan de staking deel om haar van binnenuit te kunnen ondermijnen en er weer onder controle te krijgen . Dat wordt aangetoond door het feit dat ze zich, zonder enig succes, verzetten tegen het sturen van massale afvaardigingen naar andere bedrijven, door daarvoor in ruil een algemene staking van de metaalsector op 11 mei ‘aan te bieden’. De arbeiders hebben niet op hen gewacht en weigerden geloof te hechten aan deze ‘J’ dag (‘overwinningsdag’) van de kant van de vakbonden. Ze brachten de werkelijk proletarische methode in praktijk: het sturen van massale afvaardigingen, direct contact met andere arbeiders, de massale en collectieve actie.
Maar op 10 mei, na 20 uur onderhanden, ondertekenden de vakbonden een overeenkomst die, goed verdoezeld, een mokerslag betekende omdat de belangrijkste eisen verkwanseld waren in ruil voor prullaria en ze haastten zich om de hun oproep tot de algemene staking van de sector voor de volgende dag in te trekken. Een groot deel van de arbeiders uitte onmiddellijk zijn verontwaardiging en de stemming over de ondertekening van deze overeenstemming werd verdaagd tot 11 mei.
Er moet lering worden getrokken uit deze manoeuvre van de stakingsbrekers: men kan de onderhandelingen niet in vakbondshanden laten, ze moeten geheel en al worden gevoerd worden door de algemene vergaderingen. Deze moeten een onderhandelings-comité benoemen dat dagelijks rekenschap aflegt over de onderhandelingsresultaten. Dat is wat er in de jaren 1970 gebeurde en wat we weer moeten opnemen als we niet bedrogen willen worden door deze lakeien.
We weten niet hoe de strijd verder zal verlopen. Maar wat ook de uitkomst zal zijn, hij biedt ons al wezenlijke lessen. De crisis van het kapitalisme biedt geen ruimte meer voor een stopzetting van de aanvallen. Het is nu al meer dan twintig jaar dat de bestaansvoorwaarden van het proletariaat van alle landen in vrije val zijn, en de aanvallen zullen steeds erger worden. We worden gedwongen ons te verdedigen, we moeten de kracht van de arbeidersklasse weer herontdekken en in deze beweging verstrekt een strijd als die van Vigo ons een belangrijke les: wij hebben genoeg van de strijdmethodes van de vakbonden die enkel leiden tot ontmoediging en onmacht. alleen de proletarische strijdmiddelen die we in Vigo zagen en die in de lijn liggen van de beweging van de studenten in Frankrijk geven ons de kracht en de eenheid die we nodig hebben. Ze stellen ons in staat om niet langer gemanipuleerd te worden door vakbondsleiders en zo worden we een klasse die kan nadenken, beslissen en strijden op een bewuste, eensgezinde en solidaire wijze.
IKS / 10.05.2006
(Naar een stellingname op de website van onze afdeling in Spanje.)
(1) De CNT, de meest ‘radicale’ vakbond, bewaarde een oorverdovende stilte over de strijd tot aan 8 mei.
(2) CIG: Confédération Intersyndicale de Galice. Radicaal-nationalistische vakbond die een heel ‘strijdbare’ rol speelde als tegenwicht voor de ‘gematigdheid’ van de twee anderen.
Tijdens de laatste oorlog in Libanon ging burgerlijk links zich te buiten aan anti-oorlogsgezwijmel om te verbergen dat het al dan niet ‘kritische’ steun verleent aan de terroristische organisatie Hezbollah. Onder het mom ‘vrede’ te eisen wordt eenzijdig de terreur van het Israëlische imperialisme veroordeeld en worden de gruwelen van de Israëlische bombardementen op de burgerbevolking van Libanon breed uitgemeten.
Goedgepraat dan wel verzwegen worden de moordpartijen op Israëlische burgers – joods, moslim of wat dan ook – met inbegrip van onophoudelijke zelfmoordaanslagen waarvoor heel laf zelfs kinderen worden geronseld. Dat wordt toegedekt door de oorlog valselijk voor te stellen als een conflict tussen enerzijds de staat Israël met de Verenigde Staten als grootmacht op de achtergrond, en anderzijds ‘onderdrukte volkeren’. Daarmee wordt echter niet verwezen naar de weerloze burgerbevolking die als eerste ten prooi valt aan het conflict tussen de niets en niemand ontziende imperialistische haaien, maar de religieuze fanaten van Hezbollah, die zelf weer gesteund worden door imperialistische rovers als Syrië, Iran, China en Rusland.
In een belangwekkend artikel getiteld Linkse solidariteit met Hezbollah? ontmaskert het Leidse actieblad De Fabel van de illegaal (1) de huichelarij van deze anti-oorlogscampagne vanwege de heimelijke of uitgesproken steun aan de extreem-rechtse Hezbollah en neemt het een internationalistisch standpunt ten opzichte van deze oorlog in.
In juli 2006 werden er internationaal, doorgaans op trotskistisch en stalinistisch initiatief, acties gevoerd rond de leuze: Stop de oorlog – Stop de steun aan Israël en de VS (2). De eenzijdige veroordeling van Israël was reden voor De Fabel om niet in te gaan op het aanbod van de Leidse afdeling van het comité Stop de bezetting om deel te nemen aan de organisatie van plaatselijke activiteiten. Dat kwam niet zozeer voort uit aarzelingen om acties van de imperialistische staat Israël te veroordelen, waarover verderop meer, maar veeleer uit de weigering om de fundamentalistische Hezbollah te ondersteunen,
“een religieus-fascistische beweging die in de eerste plaats uit is op de vernietiging van de staat Israël, die men vergelijkt met een ‘virus’ dat uitgeroeid moet worden. Uiteindelijk wil men van alle Joden af. ‘Als ze zich allemaal verzamelen in Israël’, zegt Hezbollahleider Nasrallah, ‘dan bespaart ons dat de moeite om ze wereldwijd te achtervolgen’. Ook van de holocaust-ontkenning in deze antisemiet niet vies. ‘Joden vonden de legende van de holocaust uit’, beweert hij doodleuk. Daarbij roemt hij revisionist David Irving voor ‘het ontkennen van het bestaan van de gaskamers’. Hezbollah-tv zendt verder een serie uit die gebaseerd is op het antisemitische verzinsel ‘De protocollen van de wijzen van Zion’.”
Zo brengt De Fabel een cruciaal punt naar voren dat door burgerlijk ultra-links liever wordt verzwegen: Hezbollah roept met de al dan niet ‘kritische’ steun van Europees ultra-links op tot etnisch-religieuze haat en volkerenmoord en verspreidt xenofobische opvattingen over vrouwen en homoseksuelen. Wanneer moslim-fundamentalisten niet echt dol zijn op linkse rakkers, dan weerhoudt dat links niet om pseudo-middeleeuwse fanaten te ondersteunen.
“Vanzelfsprekend onderschreef De Fabel veel van de kritiek op de Israëlische bombardementen en aanvallen wel, maar het volledige gebrek aan kritiek op de Hezbollah was onverteerbaar. Door de religieuze fascisten te sparen zette de organisatie de deur wagenwijd open voor hun aanhangers om hier mee te doen aan de protesten, zo antwoordde De Fabel. En zo moeilijk kon het toch niet zijn om in de tekst het beschieten van de Israëlische burgerbevolking eveneens af te wijzen? Het comité antwoordde daarop kortaf dat uitsluitend Israël schuldig was. Men beloofde later nog te reageren op de Fabel-kritiek, maar daar is het tot op heden niet van gekomen. De SP, GroenLinks en de Nederlands Arabische Stichting hadden kennelijk minder moeite met de eenzijdige kritiek van het comité, wat die deden wel mee. Een van de sprekers was de GroenLinkser Mohammed Rabbae. Dit wist te melden dat de Palestijnse antisemitische organisatie Hamas ‘geen terreurorganisatie is, maar een legitieme verzetsbeweging’.”
Europees links is in het algemeen uitgesproken anti-Amerikaans en alles wat zich als anti-Amerikaans voordoet wordt door dit links zonder veel onderscheid omhelst. Zo wordt het eigen nationalisme uit het zicht gehouden. De Fabel merkt terecht op dat daarbij het cynische beginsel wordt gehuldigd: ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’. De Fabel haalt de ronkende Britse trotskist George Galloway aan: “Ik verheerlijk de nationale verzetsbeweging Hezbollah, en ik verheerlijk de leider van Hezbollah, sjeik Sayyed Hassan Nasrallah”.
Er zijn linkse organisaties die het onder allerlei strategisch-tactische voorwendsels van goede smaak vinden getuigen om openlijk op te roepen tot steun aan religieuze fundamentalisten en ze durven dat zelfs “internationale solidariteit” te noemen. Zo wordt geprobeerd om mensen op zoek naar een maatschappelijk alternatief voor valse keuzen te stellen en bij voorbaat te corrumperen. Er wordt immers imperialistische politiek verdedigd en achter Hezbollah gaan grotere imperialistische staten schuil. Links bestrijdt niet het imperialisme, maar voert een politiek van het ‘verzwakken’ van één van de grootmachten door het steunen van allerlei ‘zwakkere’ imperialismes. Die redenering kan enkel de imperialistische logica in het algemeen versterken terwijl pogingen om zich bewust te worden van de inzet van de huidige periode erdoor worden ondergraven. Dat de Verenigde Staten zelf in Somalië en Afghanistan het moslim-fundamentalisme ondersteunden toen dat uitkwam in de strijd tegen het concurrerende Russische imperialisme laat zien dat de Verenigde Staten en ultra-links precies dezelfde smerige imperialistische logica volgen.
In Nederland roepen trotskistische groepen als Offensief en Internationale Socialisten openlijk op tot steun aan Hezbollah. Maar er zijn ook organisaties als de neo-stalinistische NCPN en de Turkse DIDF (Federatie van democratische verenigingen van arbeiders uit Turkije in Nederland) die zich liever in stilzwijgen hullen omdat het onderwerp voor het moment ‘ongelegen’ zou komen. In de wat geraffineerder logica van sommige trotskisten wordt dat vertaald in de stelling dat Hezbollah wél bekritiseerd mag worden maar liever níet op een moment dat deze onder druk staat van Amerikaanse agressie; geen woord daarbij over de Hezbollah-agressie tegen de inwoners van Israël en andersdenkenden in Libanon zelf.
De Fabel komt tot de belangrijke vaststelling: “Van links moet de extreem-rechtse Hezbollah vanzelfsprekend ook helemaal niets hebben. Veel linksen in Nederland lijken daarentegen op hun beurt weinig moeite te hebben met Hezbollah. Op de demonstratie in Amsterdam werden wat portretten meegedragen van Nasrallah. Maar behalve de beeltenis van deze vooraanstaande antisemiet, was er geen spoor van antisemitisme te bekennen. Dat was een grote verbetering in vergelijking met eerdere demonstraties rond het Midden-Oosten de afgelopen jaren, waarbij veel antisemitische leuzen werden geroepen.”
We kunnen daarbij aantekenen dat wanneer het anti-semitisme nu wat beter verborgen blijft dan in het verleden dat geen enkele reden tot juichen is: dat valt onder dezelfde noemer als het zwijgen over de ware doeleinden van Hezbollah.
De Fabel verwerpt natuurlijk de Hezbollah-leuze van “de vernietiging van de staat Israël” die niets anders is dan een oproep tot volkerenmoord, iets waaraan burgerlijk links straal voorbijgaat. Maar De Fabel gaat ook verder dan het louter delen van
“veel van de kritiek op de Israëlische bombardementen en aanvallen” en gaat over tot een principiëler veroordeling van de Israëlische staat: “Israël moet vanzelfsprekend scherp bekritiseerd worden vanwege de recente aanvallen op Libanon, en ook om de bezetting van Palestijnse gebieden en de achterstelling van de Arabische bevolking in Israël zelf. Maar Hezbollah is geen haar beter. Als die ooit meer macht krijgen, zal het slecht aflopen met Joden, linksen, vrouwen, en homo’s. Geen partij kiezen dus, en dat lijkt in de mainstream publieke opinie steeds vaker te gebeuren.”
Bert Bakkenes en Nelly Soetens, die de staat Israël wél in verdediging nemen, worden geciteerd:
“Israël vecht om te overleven, en voor het bestaansrecht van het thuisland van het Joodse volk. Ieder volk heeft recht op zelfbeschikking. Israël is een plek waar Joden zich veilig kunnen voelen in tijden van oplevend anti-semitisme, gaven de twee aan.” (3). Ze worden als volgt bekritiseerd: “Helaas bleven de twee ook gevangen in het voor het anti-imperialisme zo kenmerkende denken in ‘volkeren’.” Maar daarop volgt: “Toch zou het geen kwaad kunnen als de Nederlandse communisten aan hun belangrijke stap een voorbeeld zouden nemen. Op enkele sneren na, is hun initiatief echter doodgezwegen.”
Wanneer we als kommunisten, en in tegenstelling tot trotskisten en stalinisten, en net als De Fabel het ‘denken in volkeren’ en dus ‘naties’ afwijzen dan betekent dat voor ons dat we vanuit proletarisch perspectief iedere strijd tussen ‘naties’ ontmaskeren als voorwendsel voor imperialistische politiek en dat alleen de klassenstrijd een uitweg biedt (4). We zien dan ook geen reden om al dan niet ‘kritische’ verdedigers van de imperialistische staat Israël aan iemand ten voorbeeld te stellen, net zo min als we ons op Hezbollah beroepen in onze veroordeling van de staat Israël. Daaraan kan worden toegevoegd dat het gezien de hele Israëlische geschiedenis en met alle huidige aanslagen een wel erg boude bewering is dat “Israël een plek is waar Joden zich veilig kunnen voelen in tijden van oplevend anti-semitisme”; zie hierboven ook wat Hezbollah-leider Nasrallah daarover naar voren brengt (5).
De Fabel ontwikkelt ook een alternatief:
“Maar wanneer er niet meer gekozen wordt ‘tussen de duivel en Beëlzebub’, dan rest helaas meestal nog slechts ‘afzijdigheid, of in het ergste geval een even naïef als a-politiek-humanisme’, constateert Groene Amsterdammer-journalist Koen Haegens terecht. Maar waarom vanuit links geen solidariteit opbouwen met anti-autoritaire bewegingen ter plekke? Bewegingen die strijden voor bijvoorbeeld vrouwen- en arbeidersrechten, en die zich verzetten tegen nationalisme en religieus fundamentalisme, en zo proberen de poten weg te zagen van de machthebbers aan beide zijden.” (6).
Het is een serieuze poging aan het dilemma te ontkomen en niet te vervallen in burgerlijke humanisme en pacifisme dat als regel weinig anders om het lijf heeft dan het verbergen van een keuze tussen de strijdende partijen, een keuze die De Fabel uitdrukkelijk verwerpt. Maar voor ‘arbeidersrechten’ is binnen het kapitalisme in verval al even weinig plaats als voor ‘vrouwenrechten’. Niet allerlei ongedefinieerde ‘bewegingen’, maar alleen proletarische strijd in het vooruitzicht van de vernietiging van het kapitalisme opent de weg voor de bevrijding van de hele mensheid, en de strijd voor de emancipatie van vrouwen en allerlei minderheden maakt bijgevolg onvermijdelijk deel uit van de arbeidersstrijd. De strijd wordt juist ernstig verzwakt door innerlijke verdeeldheid en valse tegenstellingen op dergelijke gronden.
Buiten de arbeidersstrijd gaat het om abstracte vraagstukken die gevangen blijven in juridisch-democratisch keurslijf van ‘gelijke burgers’ die ongeacht hun klasse broederlijk of zusterlijk zouden moeten samenwerken en uiteindelijk gezamenlijk vertegenwoordigd zouden worden door een burgerlijke staat die allang niets meer te bieden heeft en die er alles aan doet om de arbeidersklasse te verdelen en voor valse keuzen te stellen. Deelstrijd kan enkel nog het droombeeld versterken dat het kapitalisme ooit daadwerkelijk de ‘rechten’ zou erkennen die in de fameuze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ooit platonisch en huichelachtig zijn geproclameerd, naast vooral het recht op eigendom en dus het recht om anderen uit te buiten, en die gegrondvest is op het bestaan van... ‘naties’.
Het is de crisis van het kapitalisme die de bourgeoisie richting oorlog drijft, waardoor ze uitbuiting en onderdrukking steeds verder moet opvoeren. Daartegenover is het de strijd van de arbeidersklasse die haar het meeste angst aanjaagt en haar dwingt om de oorlogsinspanningen binnen zekere grenzen te houden en op sociale vlak enige rust te behouden. Wanneer die strijd voor de arbeiders in het Midden-Oosten buitengewoon moeilijk is en de grote arbeidersconcentraties in Europa veel meer gewicht in de schaal leggen is de klassenstrijd in bijvoorbeeld Israël en Palestina niet afwezig en stelt het ook daar steeds groter problemen voor de imperialistische politiek van alle partijen (7).
Manus / 08.01.2007
Voetnoten
(1) De Fabel van de illegaal, nr. 79, najaar 2006 en https://www.defabel.nl [46].
(2) Zie ook onze webspecial Oorlog in het Midden-Oosten: hoe het trotskisme zijn nationalistisch gif verspreidt, op onze website https://nl.internationalism.org [41].
(3) Het citaat is gesteld in termen die doen denken aan uitdrukkingen die De Fabel eerder zelf gebruikte.
(4) De dilemma’s van het internationalisme van De Fabel, in Wereldrevolutie, nr. 100, september-december 2003, en op https://nl.internationalism.org [41].
(5) Zie ook: 160 jaar na de uitgave van ‘Het joodse vraagstuk’ (van Karl Marx), in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 114, derde kwartaal 2003, eveneens op onze website.
(6) Eerder schreven we: “Omdat De Fabel zich nooit op de arbeidersklasse beroept heeft het ook geen enkel kader om de problemen concreet te stellen en blijft alles steken in abstracte morele verontwaardiging vol van innerlijke tegenspraken.”; ‘De Fabel van de illegaal’: Enkel in een open debat kunnen standpunten worden verduidelijkt, in Wereldrevolutie, nr 98, januari-april 2003, en op onze website.
(7) Zie het artikel Israël/Palestina: Arbeiderstrijd ondanks de oorlog, elders in dit blad.
Daags na de Tweede Kamerverkiezingen kopten de kranten: Kiezers vluchten weg uit het midden, en: SP en Wilders winnen. De electorale ommezwaai van rechts- naar links-populisme, van Fortuyn naar Marijnissen, maakt het voor de bourgeoisie niet gemakkelijker om een stabiele regeringsploeg samen te stellen. Gezien de groeiende sociale onrust en geleidelijk opkomende strijdbaarheid was het niet verbazingwekkend.
De uitslag laat zien dat er een grote onvrede onder de bevolking heerst over het beleid van de afgelopen jaren en een grote ongerustheid over de toekomst. De partijen van de regeringen Balkenende (CDA, VVD, D’66 en LPF) verloren allemaal. Maar ook de PvdA, die daarvoor acht jaar leider was van de 'paarse' coalitie, deelt in de afstraffing. Haar beleid – in de regering en in de oppositie – verschilt dan ook nauwelijks van dat van Balkenende & Co en de PvdA blijft daaraan kritische steun verlenen.
De ‘vlucht uit het midden’ verraadt zo de massale afwijzing van het beleid van de regeringen Balkenende en haar 'paarse' voorgangers. In die zin zijn de stemmen voor de SP inderdaad ‘proteststemmen’ tegen nóg meer bezuinigingen, flexibilisering, ontslagen en onzekerheid met betrekking tot de arbeids- en levensomstandigheden. Zittende regeringen zijn in veel landen afgestraft door de kiezer, zonder dat er veel enthousiasme bestaat voor de partijen waarop dan maar wordt gestemd.
Maar zolang een maatschappelijk alternatief zich niet aandient leidt het inzicht dat er van de zittende regering niets te verwachten valt nauwelijks tot het besef dat geen enkele bourgeoisregering iets te bieden heeft, ongeacht de ‘kleur’ van de deelnemende partijen. En door de hoge opkomstcijfers is het fenomeen van de ‘proteststem’ bij de verkiezingen toch nog winst voor de bourgeoisie: de onvrede blijft zo opgesloten binnen het raamwerk van de burgerlijke staat en van de ‘democratie’ die deze beweert te vertegenwoordigen.
Alles links van de PvdA, de SP zelf, maar ook ultralinkse groepen zoals de trotskisten van Offensief en De Socialist (Internationale Socialisten) is hooggestemd over de winst van de SP. Die meten ze breed uit in hun pers – waarbij alleen lichte treurnis bestaat over de winst van Wilders en de vele voorkeurstemmen voor Verdonk. Zo kopt De Socialist, nummer 189,
“25 zetels: een historische overwinning. Dit is een stem voor echte verandering!” Verder lezen we:“De SP won omdat ze, meer nog dan Groen Links, uiting wist te geven aan het verdiepende sentiment tegen marktwerking, de oorlogen in Irak en Afghanistan en voor een solidair Nederland.”
Offensief laat zich in haar novembernummer in dezelfde zin uit:
“Verder is een sterke SP een enorme stap vooruit voor de arbeidersbeweging. Voor het eerst sinds 1994, toen de PvdA definitief ophield een partij te zijn die de belangen van de arbeiders behartigde, is er een weer een partij die kan opkomen voor de werkende bevolking. De SP is van een arbeiderspartij in wording een partij geworden die overtuigend massaal het vertrouwen van de arbeiders heeft gewonnen. Dat is een formidabele prestatie en een historische verandering.”
Is dat zo? De SP zegt te staan voor hetzelfde waarvoor ‘die goeie ouwe PvdA van toen’ eens stond met de leuze “gelijke verdeling van kennis, macht, en inkomen”. In de 'Kernvisie' van de SP lezen we:
“Ons land kreeg in 1994 voor het eerst sinds de jaren zeventig weer een sociaal-democratische premier. Maar de ambities van Wim Kok lijken in niets op die van Joop den Uyl. Ook in Nederland zijn liberalisering, privatisering en marktwerking inmiddels de nieuwe toverwoorden. Veranderingen die onder de kabinetten van CDA’er Lubbers (eerst met de VVD, daarna met de PvdA) voorzichtig in gang waren gezet, zijn door de paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 met grote voortvarendheid verder doorgevoerd.” (www.sp.nl [47]).
Het kabinet Den Uyl, nu zo door de SP opgehemeld, was een kabinet dat niet minder bezuinigde of de arbeidersklasse aanviel dan Kok later deed of dan Bos het zal doen als hij in de regering komt (1).
De SP verdedigt niet minder dan VVD, CDA of PvdA de nationale economie, dat wil zeggen de belangen van de kapitalistische staat. De SP doet erg haar best om zich van links-populistische geschreeuw (“Stem tégen”) op te werken tot een in de ogen van de bourgeoisie serieuze regeringskandidaat. De partij verdedigt vooral wat meer directe verstaatsing van een kapitalistische economie die ondanks al het neo-liberalisme toch al door de staat wordt gedomineerd. En zij formuleert een alternatieve Nederlandse imperialistische politiek met haar kritische verdediging van de NAVO en van militaire troepenzendingen die moeten doorgaan voor ‘vredesoperaties’ in het kader van de Verenigde Naties (níet Afghanistan en Irak, maar wél Bosnië, Kongo, Liberia en Zuid-Soedan).
In verkiezingstijd is het vaak rustig op het sociale terrein. Het verkiezingscircus werkt de indruk dat er iets ‘te kiezen’ valt. Ditmaal was het anders. Na jarenlange betrekkelijke rust is de arbeidersklasse sinds 2003 weer de weg van de klassenstrijd ingeslagen. Het voorlopige hoogtepunt in Nederland daarvan werd gevormd door de grote manifestatie op het Museumplein te Amsterdam op 2 oktober 2004 (2).
Maar midden in verkiezingstijd zagen we dit keer een reeks van sociale conflicten, met name in het openbaar vervoer. Meermaals werd een staking begonnen zonder op de vakbeweging te wachten of zelfs tegen de uitdrukkelijke wil van de bonden in:
Ondanks dat de stakingen niet omvangrijk waren en er geen pogingen werden gedaan om algemene vergaderingen te houden om de strijduitbreiding te organiseren of de verschillende groepen stakers bijeen te brengen waren ze van groot belang. Ze lieten zien dat de onvrede geleidelijk wordt omgezet in strijdbaarheid en ze vonden plaats op arbeidersterrein met eisen rond dreigend ontslag en tegen verslechtering van de arbeids- en levensomstandigheden. Ze lieten, zij het nog in de kiem, zien dat strijd mogelijk is en loont.
De vakbonden konden de bewegingen weliswaar vrij gemakkelijk weer onder controle krijgen met de gebruikelijke plaatselijke en bedrijfsgerichte ‘acties’ die de arbeiderssolidariteit alleen maar ondergraven, die de strijdbaarheid uithollen, en de onderwerping aan de staat en de ondernemers versterken. Dat vormt een belangrijke les.
Toen er geen dreiging meer bestond van arbeidersinitiatieven in de richting van algemene vergaderingen en strijduitbreiding organiseerde de vakbeweging op 15 november voor het openbaar vervoer een landelijke manifestatie in Den Haag die niettemin de groeiende ongerustheid tot uiting bracht en niet louter een begrafenisstoet was. De bedoeling ervan was de arbeiders het valse gevoel op te dringen dat alleen de vakbonden voor enige ‘massaliteit’ kunnen zorgen, dat ondanks die ‘massaliteit’ er niet veel gewonnen wordt dat niet al vooraf klaarlag, en uiteindelijk, dat strijd niet veel oplevert.
Net als de rest van de bourgeoisie beweren de vakbonden dat het beter gaat met de economie. De vakbonden hebben de looneisen alvast met een half procentje opgeschroefd. Ultralinks blaast in dit orkest ook haar partijtje mee; zo schreef Offensief in november: “Het jaar 2007 wordt zonder twijfel een jaar van veel vakbondsactie. Voor CAO’s omdat werknemers in deze betere economische tijden iets van de schade willen goedmaken die ze de afgelopen jaren geleden hebben. Tegen privatiseringen en ontslagen. Het maatschappelijk verzet zal groot zijn; het feit dat de SP zo sterk is, geeft een positieve impuls.”
Het is precies omgekeerd: de vakbonden radicaliseren hun taal een beetje en ultralinks komt wat meer naar voren omdat de bourgeoisie de groeiende strijdbaarheid graag ingekapseld wil houden. De boodschap is vooral dat er voor wat betreft de kapitalistische economie geen reden tot ongerustheid zou zijn en dat het algemene gevoel van onzekerheid over de arbeids- en levensomstandigheden ongerechtvaardigd zou zijn.
Net als nu en in het verleden zullen ook in de toekomst de vakbonden en ultralinks blijven proberen de arbeiders op te sluiten binnen de logica van de ‘magere’ en de ‘vette’ jaren die de arbeiders aan de kapitalistische uitbuiting bindt. Als de strijd niet te voorkomen is zullen ze proberen de arbeiders weg te leiden van proletarisch naar burgerlijke terrein: de kwaliteit van het arbeidsproduct of de dienstverlening, de verdediging van het bedrijf, de sector, de nationale economie. Door tot algemene vergaderingen op te roepen en de strijduitbreiding zelf ter hand te nemen met eisen rond inkomen en arbeids- en levensomstandigheden die de belangen van de hele klasse tot uitdrukking brengen, komen de arbeiders onvermijdelijk in conflict met ultralinks en de vakbonden en openen ze de weg naar een maatschappelijk alternatief.
Aart & Manus / 11.01.2007
Voetnoten
(1) Om het geheugen wat op te frissen: in december 1973 verklaarde Joop den Uijl dat “het Nederland van vóór de oliecrisis niet zou terugkeren”. Koeweit kreeg de schuld voor de crisis; van ‘Sinterklaas’ werd hij in één klap de linkse verdediger van afslankingen: bij een inflatie van bijna 10% werden de lonen een maand later via de ‘Machtigingswet’ (die het parlement buiten spel zette) aan banden gelegd terwijl de werkloosheid dat jaar met 36% zou stijgen!
(2) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze! (Bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, tevens via https://nl.internationalism.org [41]).
Afdankingen, afschaffingen van betrekkingen, sluiting van bedrijven, precarisering, delocalisaties… Steeds meer loontrekkers ondergaan deze verschrikkelijke werkelijkheid van de versnelling van de kapitalistische crisis.
Afdankingen, afschaffingen van betrekkingen, sluiting van bedrijven, precarisering, delocalisaties… Steeds meer loontrekkers ondergaan deze verschrikkelijke werkelijkheid van de versnelling van de kapitalistische crisis. Het zijn dezelfde aanvallen, in Europa voor de groep EADS-Airbus, bij Alcatel-Lucent, Volkswagen, Deutsche Telekom, Bayer, Nestlé, Thyssen Krupp, IBM, Delphi… Net als op het Amerikaanse continent, met Boeing, Ford, General Motors, Chrysler.
Alleen al in de privé-sector in Frankrijk zijn er in 2006 officieel 10.000 arbeidsplaatsen gesneuveld en er staan nog eens 30.000 op de helling tot het eind van 2008. Deze plannen, die voortaan op wereldschaal gemaakt worden, zijn steeds omvangrijker en treffen niet alleen meer de sectoren die niet meer mee kunnen of verouderd zijn, maar ook speerpuntsectoren zoals de luchtvaart, de informatica, de elektronica… Ze treffen niet alleen de kleine en middelgrote bedrijven maar breiden zich uit tot de grote groepsleiders van de industrie en hun onderaannemers. Ze beperken zich niet langer tot arbeiders aan de productielijnen maar nemen ook ingenieurs, commerciële kaders, de sectoren van het onderzoek in het vizier.
Elke staat, elke leider van een bedrijf weet heel goed dat deze toestand er toe leidt dat alle loontrekkers, van de privé zowel als van de openbare sector waar proletariërs precies hetzelfde lot ondergaan, zich steeds meer prangende vragen stellen over de toekomst die hun te wachten staat, en nog meer over de toekomst van hun kinderen. Het blijkt steeds duidelijker dat de loontrekkers van alle landen in dezelfde lekkende boot zitten. In deze niet eerder geziene context gaat de eerste zorg van de bourgeoisie er niet slechts naar uit om te proberen de meest gapende lekken in haar systeem te dichten maar ook om tijd te winnen, om te verhinderen dat de proletariërs zich bewust worden van deze werkelijkheid.
Dat is de reden waarom de vakbonden, die binnen het staatsapparaat de specifieke rol vervullen om de arbeidersklasse in te kapselen en te controleren, overal het voortouw nemen en het sociale terrein bezetten om het gras voor de voeten weg te maaien van iedere poging tot een verenigende mobilisatie van de arbeiders tegen deze massale en frontale aanvallen. Hun wezenlijke taak bestaat er vandaag uit om het initiatief te nemen bij de strijd, om de aanvallen te laten slagen door de onderlinge concurrentie en verdeeldheid tussen de arbeiders in stand te houden, per werkplaats, per locatie, per bedrijf, per sector, per land.
De vakbonden, de regering, de directie, heel de politieke klasse en de media hebben de aandacht toegespitst op de 10.000 arbeidsplaatsen die verloren gingen bij Airbus (dat tot dan toe voorgesteld werd als een ‘paradepaardje’) waar zij de manoeuvres hebben vermenigvuldigd om de verdeeldheid te organiseren onder de arbeiders, om hun woede te verbrokkelen en hun strijdbaarheid te laten verdampen.
Om te beginnen wilden de vakbonden doen geloven dat ze niet op de hoogte waren van wat er op touw gezet werd, dat ze de werkgelegenheid en de belangen van de arbeiders zouden verdedigen.
En dat terwijl ze gedurende maanden volledig betrokken waren bij het fameuze plan Power 8. In feite had de directie daarvoor een ‘stuurcommissie’ in het leven geroepen dat gevormd werd door de HRM (directie van de Personeelsdienst) en de vakbonden. Dit had juist tot doel om “zich voor te bereiden op elke sociale impact die haar maatregelen zouden kunnen hebben” (volgens een interne directienota van het bedrijf van Toulouse-Blagnac).
De vakbonden hebben overal dezelfde taal gehanteerd, die van het minimaliseren van de aanval toen die werd voorbereid, en door de leugens van de directie en de betrokken staten volledig voor hun rekening te nemen. Vervolgens hebben ze de arbeiders van Méaulte, die twee dagen vóór de officiële aankondiging van het plan Power 8 spontaan in staking waren gegaan, het werk doen heropnemen. Zij beweerden dat de fabriek niet zou worden verkocht, terwijl de directie tezelfdertijd liet weten dat geen enkele beslissing over dit onderwerp was aangehouden.
Naar gelang de bijzondere situatie van iedere fabriek hebben de vakbonden de verdeeldheid georganiseerd, zoals in Toulouse: tussen de getroffen en de gespaarde sectoren. Sterker nog, gedurende maanden hebben ze er op gehamerd dat als Airbus in een dergelijke situatie terecht is gekomen dat ‘de schuld is van de Duitsers’. In Duitsland was het al net zo: ‘het is de schuld van de Fransen’. De vakbonden hebben niet opgehouden met het ophitsen van het ‘economisch patriottisme’. In een pamflet van 7 maart dat mede ondertekend was door FO-Metaal (vakbond met ruime meerderheid in Toulouse), de CFE-CGC (vakbond van de kaders) en de CFTC, verklaarden zij bijvoorbeeld:
“Het belang van de Franse, lokale en regionale economie staat op het spel [...] Laten wij gemobiliseerd blijven [...] om Airbus te verdedigen, onze belangen, ons arbeidsinstrument, onze competenties en onze kennis ten dienste van de hele lokale, regionale en nationale economie”.
Deze weerzinwekkende propaganda duwde de arbeiders in de richting van de concurrentielogica van het kapitaal. Dat was ook al aanwezig tijdens een mobilisatie van de vakbonden uit de verschillenden landen van Europa waar de bedrijven van Airbus zijn ingeplant: “Laten wij samen ons arbeidsinstrument verdedigen, als loontrekkers van Airbus, als onderaannemers van alle bedrijven van Airbus in Europa” (gemeenschappelijk pamflet van de vakbonden op 5 februari 2007).
Na de betogingen van 6 maart, hebben ze een Europees antwoord voor 16 maart voorgespiegeld en kondigden ze een grote betoging aan in Brussel, om deze vervolgens drie dagen tevoren af te gelasten en te vervangen door betogingen die nog altijd werden aangekondigd als ‘een Europese mobilisatiedag’, maar die beperkt bleven tot de arbeiders van Airbus, versplinterd over de verschillende lokale bedrijven. En de kers op de taart was te zien in Toulouse waar de vakbonden de arbeiders bij de ingang van de fabriek oppikten en in volgepropte bussen afvoerden naar een totaal verlaten verzamelpunt. Vervolgens lieten ze hen tot aan het kantoor van Blagnac marcheren waar ze werden opgewacht door een zee van tv-camera’s die ‘de gebeurtenis’ helemaal in de kijker zetten. Zodra ze daar waren aangekomen werden ze andermaal in de bussen gestouwd op weg naar de fabriek om het werk te hervatten (1).
Net zoals het geheel van de bourgeoisie hielden de vakbonden er niet aan vast om, in de context van aanvallen van alle kanten, een brede mobilisatie te zien van arbeiders op een Europese schaal, waarbij de arbeiders zouden samenkomen, elkaar ontmoeten, met elkaar discussiëren en hun ervaringen uitwisselen. Temeer omdat de aanvallen de pan uitrijzen: meer dan 6.000 arbeidersplaatsen bij Bayer en verlenging van de duur voor het afdragen van pensioenpremies op 67 jaar in Duitsland, het opzetten van een nieuwe aanval tegen de gezondheidssector in Groot-Brittannië, duizenden ontslagen bij Gevaert, Volkswagen en GM in België.
Er was voor de vakbonden evenmin sprake van dat de betoging in Parijs van de loontrekkers van Alcatel-Lucent tezelfdertijd zou plaatsvinden. Deze ging in tegen het herstructureringsplan van de groep die 12.500 arbeidsplaatsen gaat kosten, waarvan ten minste 3.200 in Europa tegen 2008. Ze werd voorgesteld als een Europese eenheids-betoging maar er kwamen slechts 4.000 man opdagen. Ze waren afkomstig van alle getroffen Franse bedrijven, in het bijzonder uit Bretagne, maar ook uit de buurlanden, met uitsluitend symbolische vakbondsafvaardigingen van Spanje, Duitsland, Nederland, België en Italië. En die werden dan bedolven onder een woud van… Bretonse vlaggen op marsmuziek van de Bretonse doedelzak! In een reeks kleinere stakingen zoals bij Peugeot-Aulnay hebben de vakbonden de arbeiders meegesleurd in een lange uitputtingsslag rond loonsverhogingen. Terwijl in de Renaultfabriek van Le Mans, 150 arbeiders door de CGT werden meegesleurd in een staking die heel erg beperkt bleef, rond een nieuw flexibiliteitcontract dat door de andere vakbonden was goedgekeurd.
Wanneer men weet dat zowel PSA als Renault op hun beurt binnenkort ontslagplannen bekend zullen maken, merkt men dat het werkelijke doel van deze vakbondsstakingen en -acties is om de arbeidersstrijdbaarheid af te matten om deze aanvallen er gemakkelijker door te drukken. Dat was net zo bij de zoveelste actiedag, waartoe de leerkrachten op 20 maart werden opgeroepen. Ook daar was het doel hen uit te putten om hen vervolgens gemakkelijker alle aanvallen op te leggen waarvan zij het doelwit zijn.
De arbeiders hebben geen enkel gemeenschappelijk belang te verdedigen met hun bourgeoisie. In tegendeel, de toestand dwingt hen er toe, te erkennen wat hun gemeenschappelijke belangen zijn tegenover dezelfde (massale en gelijktijdige) aanvallen waarmee ze overal geconfronteerd worden. Een dergelijke situatie begunstigt de ontwikkeling van in-vraag-stelling en nadenken. Daaruit vloeien op hun beurt, op steeds duidelijker wijze, de behoeften voort aan uitbreiding van de strijd, aan eenheid en solidariteit in de schoot van het proletariaat. Deze vormen de sleutel van de toekomstige strijd. Zelfs indien de vakbonden er op dit ogenblik in slagen om zonder zichtbare hindernissen hun sabotage-, verdeel- , isolerings- en opsluitingsmanoeuvres van de proletariërs door te drukken, zijn ze er toe gedwongen worden om zich steeds openlijker ongeloofwaardig te maken in de ogen van de arbeidersklasse.
Het is vandaag dat de voorwaarden rijpen die het morgen de strijdende arbeiders mogelijk maken om samen te discussiëren, bij elkaar te komen, om hun ervaringen uit te wisselen, om zich buiten de vakbonden om en over de nationale grenzen heen te organiseren.
Wim / 24.03.2007
Voetnoten
(1) De volgende dag titelde Libération van 17 maart: “Ongeziene radicalisering tegen de directie van vliegtuigbouwer Airbus: de loontrekkers van alle landen hebben zich verenigd”.
Op verzoek van één van de deelnemers aan onze bijeenkomsten werd het vraagstuk ‘zelfbeheer’ als één van de thema’s op de agenda geplaatst van de laatste discussiebijeenkomst. Hij bracht zelf een goed geargumenteerde inleiding waarin het probleem gesteld werd vanuit het standpunt van zijn ‘nut voor de arbeidersstrijd in het algemeen en het bewustzijn in het bijzonder’.
Op verzoek van één van de deelnemers aan onze bijeenkomsten werd het vraagstuk ‘zelfbeheer’ als één van de thema’s op de agenda geplaatst van de laatste discussiebijeenkomst. Hij bracht zelf een goed geargumenteerde inleiding waarin het probleem gesteld werd vanuit het standpunt van zijn ‘nut voor de arbeidersstrijd in het algemeen en het bewustzijn in het bijzonder’. Zijn betoog luidde in het kort als volgt:
“In het platform van de IKS wordt het vraagstuk te kort afgedaan: “alle politieke standpunten die, zelfs wanneer dit gebeurt in naam van de ‘praktische ervaring’ of ‘het scheppen van nieuwe verhoudingen tussen de arbeiders’, het zelfbeheer verdedigen nemen in feite deel aan de objectieve verdediging van de kapitalistische productie-verhoudingen”. Laten we duidelijk stellen dat wij het hier niet hebben over het verdedigen van het zelfbeheer zoals het gepropageerd wordt door de ‘uiterst linkse’ groepen voor het behoud van werk en loon via de bezetting van de fabrieken, maar over acties die gevoerd worden onafhankelijk van de regering, zoals in een aantal gevallen in Latijns-Amerika (Argentinië in 1999), dus niet met de toestemming van de regering zoals in het Venezuela van Chavez, waar het gebruikt wordt om nationalisaties door te voeren onder de mom van socialisme. In tegenstelling tot dit burgerlijk ‘uiterst linkse’ standpunt, moeten wij het zelfbeheer niet beschouwen als een alternatief, maar in sommige gevallen wel als een ‘heel kleine stap’ in een ‘leerproces’ waarbij de arbeiders zelfvertrouwen krijgen en dat kan bijdragen tot de solidariteit en de zelfstandige arbeidersstrijd in de mate dat ze overgaan tot het ‘zelf’ beslissen over de productie en dit met hun eisen die tegengesteld zijn aan die van het kapitalisme. De kommunistische activisten moeten een perspectief bieden aan zulke bezettingen. Vechten voor het behoud van een baan is niet genoeg, zijn moeten een socialistische horizon aanbieden, met strijd buiten de vakbonden die als perspectief heeft het vormen van arbeidersraden (die hun voorafspiegeling vinden in de algemene vergaderingen). Wij moeten het standpunt over zelfbeheer benaderen vanuit twee oogpunten: ‘praktisch’, de arbeiders passen het toe, wij moeten dan niet zeggen ‘stop’ en meer algemeen, ‘welk nut’ heeft het zelfbeheer voor de arbeidersklasse? ”. Tot daar het standpunt van de deelnemer.
De kwaliteit van de voorbereiding en de bekommernis van deze deelnemer om het standpunt te benaderen vanuit het ‘nut voor de arbeidersstrijd en de revolutie’ werden door alle aanwezigen verwelkomt. Hierop ontspon zich een levendig debat, waarbij vooral de volgende punten aan bod kwamen:
- Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen enerzijds het bezetten van het eigen bedrijf als strijdwapen tijdens een stakingsgolf (zoals onlangs nog in Egypte) om dit als uitvalsbasis te gebruiken om de strijd vooruit te helpen (zoals voor het drukken van pamfletten of stakerskranten, het verdelen van voedsel onder de stakers, het organiseren van massale delegaties, enz.), en anderzijds het in eigen economisch beheer nemen van het eigen bedrijf;
- Het is een typisch anarchistische illusie te denken dat de arbeidersklasse, als onderdrukte en uitgebuite klasse, economische verworvenheden kan opbouwen binnen het kapitalisme en dus binnen het kapitalisme ‘kommunistische’ eilanden kan scheppen. Zelfbeheer kan er enkel toe leiden dat de arbeiders zichzelf uitbuiten, zelfbeheer is immers onderworpen aan de verstikkende concurrentiewetten binnen het kapitalistisch systeem. Er is geen sprake van een voorbeeldfunctie, van een alternatief die de arbeidersklasse kan bevrijden;
- Wat zijn de centrale wapens van de arbeidersklasse als zij op eigen terrein wil strijden? Het zijn de uitbreiding van de strijd naar andere bedrijven en sectoren door het organiseren van de solidariteit, het zelf onder controle houden van de strijd door algemene vergaderingen, comités, afzetbare afgevaardigden;
- Een der belangrijkste voorbeelden was dat van 1905 in Rusland en recenter dat van de arbeidersstrijd in 1980 in Polen, toen de arbeiders de officiële vakbonden volkomen aan de kant zetten en hun strijd organiseerden en centraliseerden via dagelijkse algemene vergaderingen, met verkozen en afzetbare afgevaardigden. Toen werd ook een deel van de productie terug op gang gebracht, maar louter in functie van de behoeften van de strijd;
- Een ander voorbeeld dat naar voor werd gebracht was dat van de revolutie van 1920 in Italië die werd neergeslagen doordat de arbeiders, die hun fabrieken bezet hadden en daardoor geïsoleerd en opgesloten zaten, er niet toe kwamen om de politieke macht te grijpen en de bourgeoisie te ontwapenen.
Hiermee was de discussie zeker niet afgerond en wordt ze zeker bij een volgende gelegenheid verdergezet. Vragen zoals ‘kan de arbeidersklasse economische stappen zetten binnen het kapitalisme?’, ‘Is de revolutionaire strijd eerst en vooral een economische of een politieke strijd?’, ‘wat is de bijdrage van bedrijfsbezettingen tot de ontwikkeling van de arbeidersstrijd?’ moeten verder uitgediept worden. Bij de afsluiting beklemtoonden de deelnemers dat het debat interessant was en dat de bijeenkomsten van de IKS de gelegenheid bieden om, vertrekkend vanuit een echt revolutionair perspectief, een open discussie te voeren. Wij nodigen dan ook andere lezers en belangstellenden uit om bij te dragen tot dit debat.
26.3.2007
De klinkende verkiezingsoverwinning van Chavez, die bij de verkiezingen van 3 december 2006 63% van de geldige stemmen kreeg tegenover 37% voor de oppositiekandidaat, versterkt en wettigt niet alleen de macht van de chavistische sector van de bourgeoisie, maar betekent ook een overwinning voor de gehele Venezolaanse bourgeoisie. Eens te meer heeft de confrontatie tussen fracties van de bourgeoisie, die de politieke scène beheerst sinds Chavez in 1999 aan de macht kwam, de bevolking in haar ban kunnen houden en haar ertoe gebracht massaal aan de verkiezingsstrijd deel te nemen: volgens cijfers van de Nationale Verkiezingsraad (CNE) lag de massa niet-stemmers van 25% ver onder het gemiddelde van rond de 40%.
Door opnieuw delen van de oppositie aan het verkiezingstoneel deel te laten nemen (die zich afzijdig hielden van de parlementsverkiezingen van 2005) is de bourgeoisie erin geslaagd het bedrog van democratie en verkiezingen nieuw leven in te blazen. Maar de belangrijkste steun aan dit streven kwam van het chavisme zelf dat de strijd op de spits dreef door de oppositiekandidaat ervoor uit te maken de kandidaat van de ‘duivel Bush’ te zijn, en dat als hij zou winnen dit het bestaan van de ‘missies’ (waarmee de regering haar beleid van ‘politieke rechtvaardigheid’ ten uitvoer brengt) en de verworvenheden van de ‘revolutie’ in gevaar zou brengen. Op die manier worden het proletariaat en de massa’s van sociaal uitgeslotenen opnieuw in de tang genomen.
Door de tegenstellingen tussen burgerlijke frakties op de spits te drijven wordt ervoor gezorgd dat ze hun hoop richten op een deel van de bourgeoisie die handig gebruik maakt van een links-populistische politiek gericht op de armste lagen van de maatschappij door gebruik te maken van de hoge olie-inkomsten. Dat beleid bestaat uit niets anders dan het beheer van de schaarste en de bestaansonzekerheid door aan te sturen op een ‘gelijkheid’ die het geheel van de maatschappij op het laagste niveau gelijkschakelt, de middenlagen verarmt maakt en ook de arbeiders en uitgeslotenen nóg armer maakt. Dat is het recept van het ‘socialisme van de 21e eeuw’ dat het chavisme exporteert naar Bolivia, Ecuador en Nicaragua en dat dient als stokpaardje om zich te versterken in de geopolitieke situatie van de regio.
Het ‘radicale’ anti-Amerikanisme van Chavez (dat door de anti-globalistische bewegingen zo hard wordt toegejuicht), de steun aan andere ultralinkse regeringen zoals die van Bolivia, Ecuador en Nicaragua, alsook de ‘hulp’ aan andere landen uit de regio via een daling van de oliefactuur voor die landen, gebruikt de olie om de regio te beheersen, ten koste van de belangen van de Amerikaanse bourgeoisie die Latijns-Amerika altijd als haar privé-achtertuin heeft beschouwd.
De chavistische sector van de bourgeoisie, geleid door enkele militaire en burgerlijke sectoren van links en ultra-links, heeft als sociale basis de steun van de uitgebuite massa’s, voornamelijk de sociaal uitgesloten massa’s, de massa’s waaraan ze de illusie verkochten dat ze uit hun situatie van armoede zouden kunnen geraken in... 2021!!
Het ‘grote inzicht’ van dit deel van de bourgeoisie bestond eruit zichzelf voor te stellen als van volkse komaf en als naast de armen staand. Dit bestaan als ‘arme’ dient om zich als slachtoffer voor te doen van de ‘burgerlijke slagen onder de gordel’, vooral van de kant het Amerikaans imperialisme, dat als dreiging van buiten wordt gebruikt en dat ‘de revolutie’ ervan zou weerhouden ‘de armoede uit te bannen’.
De regering Chavez heeft halverwege het jaar 2003 de ‘sociale uitgaven’ in een andere richting gestuurd met de oprichting van de zogenaamde ‘missies’, sociale plannen. Daarmee deelt de staat kruimels uit aan de bevolking, met twee belangrijke doelen: het bewaren van de sociale vrede en het versterken van de controle over de verarmde massa’s om zo de actie tegen te werken van de delen van de bourgeoisie die al meerdere pogingen deden om Chavez de macht te ontnemen. Deze ‘sociale uitgaven’ gingen samen met een ongeziene ideologische manipulatie die eruit bestond het staatskapitalistisch beleid van het chavisme voor te stellen als dat van een welwillende staat die de rijkdom op ‘rechtvaardige’ wijze verdeeld. Zo wordt bij de verpauperde massa’s de illusie gewekt dat de staat over onuitputtelijke middelen beschikt, dat de kraan van de oliedollars alleen maar hoeft te worden opengedraaid en dat de frakties van de bourgeoisie er daadwerkelijk belang bij hebben de problemen aan te pakken en op te lossen.
Om de presidentsverkiezingen te winnen (waarin het zeven miljoen stemmen behaalde, terwijl het doel tien miljoen was, op een kiesgerechtigde bevolking van 16 miljoen), heeft het chavisme, zoals eerdere regeringen ook deden in verkiezingsjaren, het overgrote deel van zijn staatsuitgaven in het jaar 2006 gedaan. In de eerste maanden werd de invoer van voedingswaren opgevoerd die vervolgens tegen gesubsidieerde bedragen werden verkocht; door allerlei werken op te starten waarvan sommigen niet werden uitgevoerd, door vaste arbeiders in mei en september een verhoging van het minimumloon te geven; door de uitkeringen van ouderdomspensioenen te versnellen; door achterstallige schulden aan arbeiders uit te betalen, door te onderhandelen over aflopende collectieve arbeidsovereenkomsten, en ga zo maar door. Tenslotte ontvingen ambtenaren, gepensioneerden en leden van de ‘missies’ enkele dagen voor de verkiezingen eenmalige premies.
De regering organiseerde dat ‘groot festijn’ met het ‘zwarte goud’, de olie, om bij de bevolking een illusie van welvaart op te wekken. Die uitgaven, bovenop die van een ongekende toename van de invoer, de aankoop van wapens, ‘hulp’ aan andere landen, enzovoort, zijn er verantwoordelijk voor dat de staatsuitgaven in 2006 met 58% stegen ten opzichte van 2005, wat neerkomt op 35% van het Bruto Intern Product. Een tijdbom die vroeg of laat gevolgen zal hebben op het vlak van de economische crisis.
Volgens de propaganda die het chavisme in binnen- en buitenland verspreidt (met de hulp en goede raad van linkse leiders en intellectuelen, daarbij vooraanstaande leiders van de andersglobalistische beweging waaronder François Ramonet een belangrijke plaats inneemt) stevent Venezuela af op het uitbannen van de armoede tegen 2021.
De werkelijkheid die achter de verstikkende publiciteit van de chavistische regering schuilgaat is heel anders. Het volstaat een bezoek te brengen aan de armenwijken van het uiterste oosten (Tetare) of westen (Catia) van de hoofdstad Caracas, of zelfs het centrum van de stad, om de tastbare ellende te zien die achter dat rookgordijn wordt verborgen: ontelbare behoeftigen, meestal jongeren, leven en slapen op straat, onder de bruggen en langs de rivier de Guaire (een open riool waarin het afvalwater van de stad wordt geloosd). Straten en pleinen liggen vol vuil dat ratten aantrekt en ziekten verspreidt. Tienduizenden rondtrekkende straatventers (‘buhoneros’) die wat basisvoedingsmiddelen verkopen, doen de rangen van de zogenaamde informele economie aanzwellen. De omvang van de criminaliteit heeft Caracas tot één van de gevaarlijkste steden van de regio gemaakt terwijl Venezuela als geheel hard op weg is om het land met de grootste criminaliteit van het continent te worden, waarbij het Colombia onttroont dat een tijdlang in dat klassement bovenaan stond. Op nationaal vlak neemt het aantal gevallen van malaria en gewrichtsontstekingen toe terwijl de sterfte van kinderen en moeders groeit. Dat beperkt zich niet tot Caracas, maar geldt voor alle grote steden en verovert stilaan de middelgrote en kleinere steden. Hoewel de regering maatregelen heeft genomen om al die ellende te verbergen, of haar toeschrijft aan ingrepen van de oppositie of van het Amerikaans imperialisme, kunnen de bewijzen van de verarming niet worden weggemoffeld.
Met hemeltergende schijnheiligheid bekritiseren de sectoren van de oppositie die uitingen van armoede om zichzelf voor te stellen als de betere keuze ter ‘verdediging van de armen’, terwijl hun ware bedoeling er natuurlijk uit bestaat de controle over het staatsapparaat weer in handen te krijgen. De regeringspropaganda bericht op zijn beurt niet over de situatie of bagatelliseert die, wat trouwens niet eigen is aan de Venezolaanse steden, maar een gemeenschappelijke noemer met steden in andere landen aan de periferie.
Naast deze zichtbare uitdrukkingen van armoede zijn er ook minder opvallende tekenen van verarming van de proletarische massa’s: via de door de staat aangemoedigde coöperaties werd de losse tewerkstelling geïnstitutionaliseerd omdat de arbeiders van de coöperaties minder verdienen dan de vaste arbeiders en ze, volgens de verklaringen van vakbonden en de coöperaties zélf, niet eens het officiële minimumloon verdienen. De discussie over de collectieve arbeidsovereenkomsten, vooral die voor de ambtenaren, heeft grote vertraging opgelopen. De loonsverhogingen worden toegekend via decreten en in de grote meerderheid door losse premies die geen invloed hebben op de sociale verzekering en die, als ze al uitbetaald worden, dan is het met grote vertraging. Door de ‘missies’ en andere regeringsplannen worden naast de officiële nieuwe dienstverleningsorganen geschapen in de sectoren als gezondheidszorg en onderwijs, en die worden gebruikt om de vaste arbeiders onder druk te zetten en hun arbeidsvoorwaarden aan te tasten. Zoals we kunnen zien zijn bestaansonzekerheid en flexibiliteit van het werk en de aanvallen op de lonen van de arbeiders, kenmerkend voor ‘ongetemde’ kapitalisme, onvermijdelijk voor elke bourgeoisie, de chavistische, die zich zo ‘anti-neo-liberaal’ voordoet, daarbij inbegrepen.
De loonafhankelijken en uitgesloten massa’s betalen de prijs van de groeiende staatsuitgaven. De ‘nieuwe’ chavistische bourgeoisie probeert die te compenseren door een opgedreven inflatie, die de laatste drie maanden de hoogste van heel Latijns-Amerika was (2004: 19,2%; 2005: 14,4%; 2006: 17%, volgens de officiële cijfers). Die toename, die fundamenteel veroorzaakt wordt door de economische staatspolitiek, heeft de levensvoorwaarden van het geheel van de bevolking ondergraven, vooral van de massa’s armen die 70% van hun inkomsten uitgeven voor voedsel. Volgend de cijfers van de Venezolaanse Centrale Bank bedroegen de gezamenlijke prijsverhogingen in de gemelde periode daarvoor 152% (26% in 2006).
De schattingen voor 2007 zijn geenszins rooskleuriger, want men verwacht een inflatie boven de 20%; die van januari 2007 alleen al bedroeg 2%, de hoogste van de regio.
Enkele dagen na de verkiezingen versnelde de regering een geheel van maatregelen om haar doelstelling van ‘socialisme van de 21e eeuw’ te versterken, met het argument dat ‘het volk’ bij de verkiezingen zijn steun aan die doelstelling had verleend.
Om te beginnen toonde regering haar spierballen aan de vijandige sectoren van de bourgeoisie, zowel van het nationaal kapitaal als op internationaal vlak, door een aantal nationalisatiemaatregelen aan te kondigen in verschillende economische sectoren (Zoals telecommunicatie, audiovisuele middelen en energie), een meerderheidsaandeel te nemen in de olie-ontginning die tot dan toe in handen was van multinationals, en een vergroting van de belastingdruk. Die maatregelen tonen het hoofddoel van de chavistische bourgeoisie: het verwerven van een directer controle over de nationale economie apparaat door radicaal staatskapitalistische maatregelen.
De bourgeoisie weet dat de crisis, als gevolg van de excessieve staatsuitgaven die bij het politieke model van het chavisme horen, vroeg of laat zal uitbreken. Daarom voorzien de zogenaamde ‘motoren van de bolivariaanse revolutie’ in maatregelen voor groter politieke en sociale controle over de arbeiders en de bevolking in het algemeen via de zogenaamde ‘Volksmacht’ en de Gemeenteraden.
Terwijl ze de versterking aankondigde van deze sociale controle-organen begon de regering het nieuwe jaar ook met het nemen of aankondigen van maatregelen tegen de levensvoorwaarden van de arbeiders en de bevolking:
– controle- en repressiemaatregelen tegen de straatventers in de hoofdstad en daarna in het gehele land;
– aankondiging van een verhoging van de benzineprijs, die vroeger of later in werking zal treden;
– de ‘missies’ worden gedeeltelijk aan hun lot overgelaten (bijvoorbeeld die van voedseldistributie en gezondheidszorg), wat leidde tot het sluiten van meerdere instellingen en het wegvallen van de bevoorrading van bepaalde basisproducten met door de staat vastgestelde prijzen. De regering heeft heel slim delen van het privé-kapitaal ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor deze situatie, terwijl die voortvloeit uit maatregelen van de regering;
– er is een strijd aangekondigd tegen de bureaucratie en de corruptie. In dat kader heeft Chavez geëist dat de hoge lonen van top-bureaucraten van de staat verlaagd worden (die in sommige gevallen het vijftigvoudige bedragen van een officieel minimumloon).
Het gaat om een afleidingsmanoeuvre, want het chavisme kocht zelf de trouw van de top-bureaucraten van staat en leger door hen met lonen tot multimiljonairs te maken en door hen een beheer van de staatsmiddelen mogelijk te maken waarover geen ophef wordt gemaakt. Het ware doelwit van deze maatregel bestaat enkel uit het aanpakken van de kleine bureaucraten, dat wil zeggen door de banen van het kantoorpersoneel in overheidsdienst op de tocht te zetten (zoals door hen te verplichten coöperatieven te vormen) en zelfs door ze te ontslaan.
De regering, gesterkt door haar grote populariteit, is bezig volop haar ware gelaat als burgerlijke regering te tonen. Nadat ze de arbeiders en de uitgebuite lagen in de verkiezingen heeft gebruikt, kondigt ze nu maatregelen van soberheid en repressie aan.
In die omstandigheden hebben de arbeiders in Venezuela, net als in de rest van de wereld, geen ander uitweg dan hun strijd te ontwikkelen tegen de onophoudelijke aanvallen van het kapitaal. We weten dat die strijd niet gemakkelijk zal zijn, deels ook door de verwarring die de chavistische ideologie heeft gezaaid en waardoor ieder begrip van socialisme verzwakt en gemanipuleerd is, dat wil zeggen het te bovenkomen van het rijk van de bestaansonzekerheid door de revolutionaire strijd van het proletariaat.
IKS / 18.02.2007
Het vorige kabinet gold als een a-sociaal bezuinigingskabinet waarin Gerrit Zalm van de VVD de vinger op de knip hield. Het nieuwe kabinet wordt daarentegen optimistisch voorgesteld als een ‘investeringskabinet’ dat tien miljard euro kan gaan uitdelen. Bij de VVD leidt dat natuurlijk tot thema’s als ‘wat onze Gerrit Zalm voor het land heeft bespaard wordt nu door Wouter Bos van de PvdA weer over de balk gegooid’. Maar Wouter Bos was in de tijd van ‘Paars’ al staatssecretaris van Financiën en bij Gerrit Zalm in de leer, en in de verkiezingstijd deed hij veel moeite om het CDA ervan te overtuigen dat hij de ‘vergrijzingsproblematiek’ en nog wat andere dure aangelegenheden met harde hand wil aanpakken. Dat raakt op termijn iedereen.
Het vorige kabinet gold als een a-sociaal bezuinigingskabinet waarin Gerrit Zalm van de VVD de vinger op de knip hield. Het nieuwe kabinet wordt daarentegen optimistisch voorgesteld als een ‘investeringskabinet’ dat tien miljard euro kan gaan uitdelen. Bij de VVD leidt dat natuurlijk tot thema’s als ‘wat onze Gerrit Zalm voor het land heeft bespaard wordt nu door Wouter Bos van de PvdA weer over de balk gegooid’. Maar Wouter Bos was in de tijd van ‘Paars’ al staatssecretaris van Financiën en bij Gerrit Zalm in de leer, en in de verkiezingstijd deed hij veel moeite om het CDA ervan te overtuigen dat hij de ‘vergrijzingsproblematiek’ en nog wat andere dure aangelegenheden met harde hand wil aanpakken. Dat raakt op termijn iedereen.
Toch is de taakverdeling naar buiten toe wel duidelijk: het CDA vertegenwoordigt binnen het kabinet de bezuinigingslijn; de PvdA mag zichzelf het imago van de wat ‘socialer politiek’ aanmeten. Vandaar dat de PvdA de ‘breuk’ onderstreept met het beleid van de vorige regering terwijl het CDA juist de nadruk legt op de ‘continuïteit’ in dat beleid. Vandaar ook de vaagheid, weinig beleid zichtbaar en alleen een ‘hoofdlijnenakkoord’: per thema kan geprobeerd worden nieuwe maatregelen als ‘sociaal’ te verkopen. Als compromis tussen de ‘achterkamertjespolitiek’ van Paars en de ‘alles-op-straat-politiek’ van de eerdere kabinetten Balkenende wordt er gekozen voor een stijl van overleg ‘binnenkamers’.
Na de ‘magere jaren’ zouden nu de ‘vette jaren’ zijn aangebroken. In de regeringsverklaring van 1 maart 2007 houdt de nieuwe ploeg ons zelfs voor: “Samen leven is ook: samen veranderen. Dankzij die veranderingen leven we nu langer, gezonder en welvarender dan ooit.”
En in de laatste miljoenennota stond al: “Het kabinet geeft in de begroting 2007 prioriteit aan verdere verbetering van de economische structuur, de koopkracht, de veiligheid en het jeugdbeleid.”
Kortom, de economische crisis, die nu al veertig jaar om zich heen grijpt, zou min of meer bezworen zijn en we zouden de toekomst met vertrouwen tegemoet kunnen zien. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldt zelfs dat Nederland op de rand staat van een hoogconjunctuur! De werkloosheid zou gaan dalen van 250.000 in 2006 tot 193.000 in 2007. Voor het eerst sinds 2001 is er ook een begrotingsoverschot: 0,2% van het Bruto Binnenlands Product (BBP).
We leven inderdaad langer. Dat we gezonder zouden leven wordt echter stellig tegengesproken door het CBS dat in een persbericht van 20 maart uitdrukkelijk meedeelt: “In 2006 zijn Nederlanders niet gezonder gaan leven.” Er komen steeds meer mensen met overgewicht (vooral gevolg van het eten van goedkoop voedsel met veel dierlijke vetten), roken en drinken neemt niet af, er wordt onvoldoende bewogen. Geestelijke gezondheid, stress, bestaansonzekerheid en welzijn worden niet genoemd. Ondertussen komen er jaarlijks tienduizenden mensen bij zonder zorgverzekering terwijl steeds meer middelen uit het basispakket verdwijnen.
En welvarender? De cijfers van het CBS schetsen een heel ander beeld. Het aantal uitgesproken faillissementen steeg bijvoorbeeld onophoudelijk van 4.498 in 2000 tot 10.082 in 2005. De groei van het BBP houdt ondanks de productiviteitsstijgingen nauwelijks de bevolkingsgroei bij; in 2000, het jaar van de internet-hype, steeg het nog met 3,9%; in de periode 2001-2005 met gemiddeld 1,2% en in 2006 met 2,0%. Dat wijst niet op een komende hoogconjunctuur; het betekent nauwelijks een verlichting van de malaise. Andere cijfers bevestigen dat beeld. De groei van de consumptie van de huishoudens ligt nog lager dan die van het BBP: in 2000 steeg het nog met 3,7%; voor de periode 2001-2005 met gemiddeld 0,8% en in 2006 daalde het zelfs met 1,2%.
Bij een inflatie van 1,5-2% die geleidelijk oploopt betekenen de zeer geringe nominale loonstijgingen zelfs reële inkomensdalingen.
Van de nieuwe regering met PvdA kan geen verandering worden verwacht. De sociaal-democratische partijen in Europa (Blair in Groot-Brittannië, Schröder in Duitsland, Mitterand in Frankrijk, Kok in Nederland) hebben in bezuinigingspolitiek gevoerd, juist om te kunnen investeren in de concurrentiekracht van het nationale kapitaal. Daartoe drukten ze de vanuit het standpunt van het kapitaal ‘onproductieve’ kosten, maakten ze de arbeidskracht zo goedkoop mogelijk en werden de ‘niet-actieven’ zo dicht mogelijk bij het sociaal minimum gebracht of mochten ze gratis dan wel tegen een fooi allerlei corveediensten verrichten onder het mom van de ‘zorgzame samenleving’. De werkenden en werklozen kregen onophoudelijk te horen dat hun belangen daarmee werden gediend.
De consumptie van de overheid steeg in 2000 met 1,9%; in 2001-2006 gemiddeld met 2,2%; maar in het verkiezingsjaar 2006, bij uitzondering, met 8,6%. De overheidsbestedingen zwengelen de economie allang niet meer aan; de bourgeoisie wil geen schulden meer maken en mag volgens de Europese normen niet meer ongelimiteerd geld bijdrukken.
Er is drie jaar gespaard om in het verkiezingsjaar via overheidsbestedingen de schijn te kunnen wekken dat ‘alles de goede kant op gaat’. Kijken we naar de landen om ons heen dan wordt duidelijk dat Nederland geen uitzondering is: Frankrijk, Groot-Brittannië, België en Duitsland scoren niet veel beter en voeren een heel vergelijkbaar beleid. Het is tenslotte de internationale economische crisis die bepalend is voor de nationale economie. De presentatie verandert, dezelfde staatspolitiek blijft.
Als er nu wat extra geld komt voor onderwijs en zorg, voor veertig ‘probleemwijken’, voor een ‘milieuparagraaf’, voor ‘jeugd en gezin’ en een ‘meer normatieve overheid’ dan is het minder om daadwerkelijk te investering in de sociale structuur dan wel om de ergste scheuren in het sociale netwerk wat te repareren in een situatie waarin dit juist steeds verder verscheurd raakt tot op het punt dat het de productiviteit begint te raken. Het zal bijvoorbeeld de afbraak van onderwijs en zorg nauwelijks afremmen, het aantal ‘kansarmen’ zal blijven groeien en de ‘niet-productieven’ zullen steeds meer aan hun lot worden overgelaten. De bourgeoisie weet dat ze af en toe, voor de democratische afwisseling, een ‘sociaal gezicht’ moet trekken om nog een minimum van maatschappelijke samenhang te kunnen handhaven achter de nationale staat en om iets van haar eigen tanende geloofwaardigheid te redden.
Tekenend voor het nieuwe beleid is het royale, maar weinig kostend gebaar rond een heikel thema: amnestie voor enkele categorieën asielzoekers wat vooral een steeds harder beleid moet verbergen: de immigratie is in 2006 immers gehalveerd ten opzichte van 2004. Maar wat het allemaal voor ons zal betekenen wordt nergens beter duidelijk dan uit de paradox die volgt uit ons langer leven: kapitalistisch gesproken is dat de ‘vergrijzingsproblematiek’. Toen in de wederopbouwperiode Vadertje Drees via de belastingen de netto-lonen verlaagde om de AOW te bekostigen lag de gemiddelde levensverwachting net onder de 65 jaar zodat iets meer dan de helft van de bevolking nooit van dat ‘recht’ gebruik hoefde te maken. Nu de levensverwachting aanzienlijk is gestegen worden de ‘morele beginselen’ van de ‘verzorgingsstaat’ aangepast aan de rentabiliteit van de nationale economie. Vandaar dat Wouter Bos al in verkiezingstijd met het voorstel kwam om AOW-ers ‘mee te laten betalen’ aan hun eigen uitkering, dat wil zeggen die direct te verlagen, vandaar ook dat na de WAO geleidelijk de vervroegde pensioenen worden ingeperkt terwijl er bovendien gepoogd zal worden om de ‘pensioengerechtigde leeftijd’ naar Duits voorbeeld met telkens één of twee jaar te verhogen.
Het doel is niet zozeer ouderen aan het werk te houden: vijftig-plussers vinden juist steeds moeilijker werk en omdat WAO en vervroegd pensioen worden afgebouwd zal vooral het aantal mensen dat van het bestaansminimum moet rondkomen dramatisch gaan stijgen. Het gaat niet om een langer en gezonder leven; het gaat om kostenbesparing op de ‘niet-productieven’.
In de statistieken wordt allang een steeds groter groep van ‘niet actieven’ uit de cijfers gehouden; want wie toch geen baan meer vindt telt natuurlijk niet als werkloos en wie vijftien uur vrijwilligerswerk doet ook niet. Er komen inderdaad steeds meer laagbetaalde deeltijdse baantjes waarvoor geen hoge opleidingskosten nodig zijn en de jongeren van nu zullen moeten wennen aan het idee dat ze hun carrière daarmee niet alleen beginnen maar die ook zullen afsluiten met ofwel een baantje van niets dan wel heel snel bij het bestaansminimum uit te komen.
Dat in de bevolking de onvrede groeit bleek in december andermaal uit het rapport van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WWR) getiteld Overheid moet zingeven: er is een grote groep van ‘wrokkige ontevredenen’ waarop de kerkelijke en andere instanties geen greep meer hebben en die geen perspectieven meer zien. De onvrede in de bevolking uit zich echter niet meer alleen in maatschappelijke ongeïnteresseerdheid, het zoeken van individuele oplossingen of het stemmen op populistische schreeuwers. In vervolg op de stakingen en protestacties in september-november 2006 waren er in januari-maart opnieuw acties in het openbaar vervoer in Noord-Oost Brabant; onrust was er ook bij sluiting van de papierfabriek Wapenveld, rond inkrimpingen zoals bij Casema en Multikable, rond reorganisaties zoals bij de privatiserende Post en in de thuiszorg, bij douaniers en in strafinrichtingen, bij het sleepbedrijf Smit, bij Zwanenburg, onder schoonmakers van het ziekenhuis MCRZ te Amsterdam; en meer algemeen onder ambtenaren met manifestaties in Rotterdam en Groningen en een landelijke demonstratie op 13 februari.
De acties zijn heel verspreid, beperkt in duur en van omvang en ze blijven over het algemeen onder vakbondscontrole; toch bevestigen ze dat er weer gereageerd wordt (1). Zelfs als we nog geen pogingen zien tot strijduitbreiding en algemene vergaderingen dan is het duidelijk dat de arbeiders hun eigen krachten weer beginnen af te tasten.
21.04.2007
Voetnoten
(1) Zie ook de lezersbrief elders in deze aflevering.
We publiceren hier uittreksels uit een lezersbrief over de toekomst van de arbeidersstrijd. De belangrijkste bekommernis van de kameraad is te begrijpen hoe en waar de komende strijd van de arbeidersklasse zich zal ontwikkelen.
"Elk jaar trekt ongeveer 1% van de Chinese bevolking (oftewel 13 miljoen mensen of meer van het platteland naar de steden. Datzelfde fenomeen deed zich in Europa voor in de negentiende eeuw, al liggen de verhoudingen nu anders en gaat het om een historische primeur.
De 'middenklasse', een begrip uit de burgerlijke sociologie, groeit numeriek met grote snelheid, en we staan nog maar aan het begin van dit proces. Het geeft ons echter een beeld van de omvang van de interne markt die in China met de dag groter wordt en die een lokaas is voor het unitaire imperialisme. China bevindt zich in zijn fase van imperialistische rijpheid en er vormt zich, nu al en tijdens de volgende generatie, een 'arbeidersaristocratie'. India volgt met slechts enkele jaren achterstand, en daarmee hebben we het over éénderde van de mensheid.
Die één procent kenmerkt ons tijdperk. Zij zijn de ontvlambare substantie van de komende klassenstrijd die eerst enkel economisch zal zijn. Daarna zal de politieke strijd volgen van het proletariaat waarvan de rangen snel aangroeien. Het imperialisme is over de hele lijn reactionair, dat is zeker, maar dat wil nog niet zeggen dat de productiecapaciteit zich niet meer ontwikkelt. Wanneer het zich niet meer kwalitatief ontwikkelt (destructiecapaciteit en crises), dan ontwikkelt het nog kwantitatief. We moeten het vermogen tot verrotting van het imperialisme niet onderschatten, dat ziet hoe zijn tegenstellingen toenemen en dat gedeeltelijke of plaatselijke crises kent die zelf het resultaat zijn van zijn ontwikkeling [...]. Want als geheel vindt het kapitalisme momenteel oplossingen en daarom is er geen scherpe crisis en zien we ook zo'n sociale passiviteit in de welvarende metropolen van het imperialisme (de klassenstrijd in Europa en de Verenigde Staten staat vandaag erg zwak) [...]"
De drie voornaamste ideeën die in deze goed uitgewerkte brief verdedigd worden zijn:
Het is vanzelfsprekend van groot belang om te proberen begrijpen, zoals de kameraad doet, hoe het kapitalisme zich de laatste tientallen jaren ontwikkeld heeft. De arbeidersklasse is sinds de Tweede Wereldoorlog heel erg veranderd. Europa en deels ook de Verenigde Staten zijn geleidelijk aan gedesindustrialiseerd. Momenteel werken de arbeiders, als ze tenminste niet werkloos zijn, voornamelijk in de dienstensector. Daarentegen kende de industriële arbeidersklasse in Latijns-Amerika en vooral in Azië een grote numerieke groei, die tot 80% van klasse omvat.
Maar zijn al die verschuivingen echt het resultaat van de economische vitaliteit van het kapitalisme op wereldvlak, zoals de propaganda van de bourgeoisie ons graag wil laten geloven? Natuurlijk niet, integendeel! Het is juist door de onstuitbare verheviging van de economische crisis sinds het einde van de jaren 1960 dat de bourgeoisie van de centrale landen de fabrieken gesloten heeft en overgeplaatst naar landen van de 'derde wereld' waar de arbeidskracht goedkoper is en dat ze miljoenen proletariërs op de keien heeft gezet. De tendens tot het verdwijnen van de arbeiders uit de industriesector in Europa heeft geleid tot hele treinen ontslagen en tot het opduiken van massale werkloosheid in de "welvarende metropolen".
Het kapitalisme, als geheel, is een zieltogend systeem. Te midden van de koortsachtige concurrentie tussen alle naties, en afhankelijk van de geostrategische belangen, de allianties, de vlucht vooruit in de schuldenmakerij en de monetaire ontregelingen, kunnen sommige landen gedurende enige tijd een sterke groei meemaken. Maar telkens steekt de crisis onherroepelijk en nog heviger de kop weer op en veegt alle illusies weg die door de media worden verspreid over dergelijke zogenaamde 'economische wonderen'. Dat was het geval met Argentinië en Brazilië in de jaren 1980, met de 'tijgers en draken' in de jaren 1990. Dat is ook het lot dat China en India te wachten staat in de komende jaren. In tegenstelling tot wat onze lezer meent is het proletariseringsproces van de uitgebuite klasse in Azië hoegenaamd niet hetzelfde als wat zich "voordeed in Europa in de negentiende eeuw".
Er wordt nu of in de volgende generatie geenszins een 'arbeidersaristocratie' gevormd. In China en in India is de werkelijke tendens die van een volslagen verpaupering van de arbeidersklasse. De uitbuiting wordt er ten top gedreven. De fabrieken zijn er echte 'industriële werkkampen': de arbeiders slapen en eten ter plaatse, ze werken zeventig uur per week en meer... dat alles om na enkele maanden uitgeput gewoon op straat te worden gegooid. En als in de opkomstperiode van het kapitalisme de arbeiders in het oude Europa van de negentiende eeuw hun levensomstandigheden geleidelijk zagen verbeteren met een opeenvolging van hervormingen die het resultaat waren van hun strijd, dan hebben de proletariërs van Azië vandaag slechts één vooruitzicht: steeds meer uitbuiting en ellende, en niets anders. Vandaag zijn de levensomstandigheden van de arbeiders op de vijf continenten getekend door het waarmerk van het verval van het kapitalisme, van zijn onoverkomelijke en steeds scherper economische crisis.
De arbeidersklasse in Europa 'passief' noemen en die van Azië 'ontvlambaar materiaal', zoals de kameraad doet, leidt tot de veronderstelling dat de toekomst van de strijd afhangt van de arbeiders in China en India. Dit deel van het proletariaat zou de te onverschillig geworden klassenbroeders uit de landen van West-Europa en Noord-Amerika achter zich aan kunnen trekken. Het klopt dat de arbeiders in het oosten er door hun schrikwekkende levensvoorwaarden toe gedreven worden massaal de strijd aan te gaan wanneer ze een staking ontketenen, zoals in mei en juni 2006, in Bangladesh, toen twee miljoen textielarbeiders strijd voerden die door zijn omvang en strijdbaarheid indrukwekkend was. Maar belangrijker dan het aantal en de woede staat in de ontwikkeling van de toekomstige gevechten de kwestie van het bewustzijn voorop.
Inderdaad, voor het eerst in de geschiedenis is de revolutionaire klasse een uitgebuite klasse. Omdat ze in de maatschappij over geen enkele economische macht beschikt, haalt ze haar kracht niet enkel uit haar aantal en concentratie op de productieplaatsen, maar ook en vooral uit zijn ontwikkeling en bewustzijn. Haar vermogen om zich in de strijd collectief te organiseren, om zichzelf te zien als klasse, om in haar schoot de eenheid en solidariteit te smeden tussen verschillende sectoren en verschillende generaties... dat maakt de macht uit van het proletariaat.
Het is dus geen toeval dat het vandaag in het hart van Europa is dat de arbeidersklasse opnieuw ontdekt hoe ze haar strijd via soevereine algemene vergaderingen haar strijd in handen kan nemen, zoals dat gebeurde tijdens de strijd tegen het CPE in Frankrijk (startbaancontract) of tijdens de staking van de metaalarbeiders in Vigo in Spanje in de lente van 2006. Natuurlijk is die strijd nog zeer zwak in verhouding tot de oorlog en hongersnood die de planeet teisteren. Maar het belangrijkste is niet de omvang van de strijd maar de overwegingen die ze in de arbeidersrangen laten zien. Daarover mag geen twijfel bestaan: een strijd zoals de beweging van de jonge generaties van de arbeidersklasse tegen het CPE geeft duidelijk aan dat onze klasse een nieuw perspectief geopend heeft dat op termijn naar massastrijd leidt.
Precies die dynamiek probeert de bourgeoisie met alle mogelijke middelen verborgen te houden, en daarbij schrikt ze voor geen enkele leugen terug over de strijd, als ze die strijd niet gewoon doodzwijgt. De voorbeeldige strijd van de metaalarbeiders van Vigo werd zo verpletterd onder complete mediastilte.
De arbeiders in Europa hebben een ervaring en geschiedenis die hen 4de verantwoordelijkheid geven de voornaamste referentie te zijn voor de internationale strijd. Natuurlijk hebben de arbeiders van de landen in Azië of Zuid-Amerika af te rekenen met vreselijke levensomstandigheden en is hun woede immens. Maar het is in Europa dat het kapitalisme ontstaan is. In Europa, op een territorium dat alles bij elkaar beperkt is, leven al twee eeuwen miljoenen arbeiders, stapelen ze strijdervaringen op, worden ze geconfronteerd met de meest doortrapte valstrikken van de bourgeoisie, met de sabotage door de vakbonden en het democratische bedrog. De arbeiders van Europa zullen de weg wijzen, door de doeleinden en methodes te tonen die het mogelijk maken de eenheid, solidariteit en het vertrouwen binnen het proletariaat te ontwikkelen.
Het kapitalisme is een failliet systeem. Het valt de arbeidersklasse aan in alle landen. In Duitsland, in de Verenigde Staten, in China en elders heeft het voor ons enkel steeds meer uitbuiting en steeds meer ellende in petto. Maar onder de mokerslagen van de economische crisis houdt het proletariaat geleidelijk het hoofd weer hoog, het sluit de rangen om eensgezind de strijd aan te gaan. De strijd van de arbeidersklasse is bij uitstek internationaal: hij is als een aardbeving waarvan de schokgolven zich voortplanten naar alle hoeken van de wereld. Het epicentrum van die aardbeving ligt in Europa, bij de wieg van het kapitalisme. Het meest ervaren proletariaat, gelouterd door de geschiedenis, heeft de mogelijkheid en verantwoordelijkheid zijn strijd te ontwikkelen, zijn klassenbroeders uit de andere delen van de wereld achter zichzelf te mobiliseren. Daarvoor is het nodig dat het doorgaat zich het eigen verleden weer toe te eigenen dat verborgen en bedolven ligt onder de ideologische fratsen en leugens van de bourgeoisie.
Wat betreft de revolutionairen: één van hun opdrachten bestaat eruit in alle landen het beste van de tradities van de arbeidersstrijd in verleden, heden en toekomst door te geven. Dat heeft de IKS bijvoorbeeld gedaan tijdens de beweging tegen het CPE in Frankrijk, waarbij ze de internationale black-out ingesteld door de bourgeoisie doorbrak.
Pawel
Voetnoten
(1) We kunnen hier niet in een paar woorden samenvatten waaruit de economische groei van China werkelijk bestaat, en waarom de aard daarvan andermaal het failliet van het kapitalisme aantoont. In komende artikelen zullen we op deze belangrijke kwestie terugkomen en wij roepen onze lezers op aan dit debat deel te nemen en het te verrijken met hun vragen, twijfels en analyses.
(2) De term 'arbeidersaristocratie' verwijst naar een welbepaald concept van de arbeidersklasse waarmee we het geheel oneens zijn. Meer daarover in ons artikel Arbeidersaristocratie: een sociologische theorie om de arbeidersklasse te verdelen, beschikbaar op onze website https://www.nl.internationalism.org [50].
(3) Om zich een idee te vormen van de vreselijke levens- en uitbuitingsomstandigheden in China, zie bijvoorbeeld: Temps moderne, horaires antiques van Pietro Basso.
We publiceren hieronder een brief van een lezer uit Brazilië die sympathiseert met het beleid gevoerd door Chavez (en Lula) ten gunste van de meest noodlijdende bevolkingslagen. Die sympathiebetuigingen aan het adres van het chavisme worden steeds maar talrijker, zoals we kunnen merken op onze publieke bijeenkomsten en in de forums waaraan we deelnemen. Ze drukken een reële bekommernis uit met de situatie van verpaupering die de meest noodlijdende lagen ondergaan (waaronder miljoenen proletariërs) en de verwerping van de vreselijke imperialistische politiek van de Verenigde Staten. Velen zien Chavez en zijn ‘socialisme van de 21e eeuw’ als een redmiddel om uit de armoede te geraken en het ‘yankee-imperialisme’ te verzwakken. In ons antwoord proberen we aan te tonen dat de ‘verschijnselen’ als Chavez, Lula, Evo Morales en Correa. enkel uitingen zijn van het aan de macht komen van fracties van de Zuid-Amerikaanse bourgeoisie die in staat zijn te ‘surfen’ op de thema’s van ‘sociaal links’ en op de wil tot verandering bij de bevolking en de nadruk te leggen op werkonzekerheid en verpaupering.
"Als bewoner van het Zuid-Amerikaans continent bekijk ik met wantrouwen alle kritiek die van links zowel als rechts geuit wordt op het chavisme. Chavez (net als Lula in Brazilië) is een leider afkomstig uit de laagste economische klassen en hij geeft daarvan ook blijk, zowel in woorden als in daden; hij verlangt een betere situatie voor de meest noodlijdende en voor de middenklasse in Venezuela. Hij heeft het hoofd geboden aan een burgerlijke staatsgreep en hij is gedragen door het volk teruggekeerd in de regering. Of hij nu populistisch is of niet heeft geen belang omdat hij de dromen van zijn volk verwezenlijkt. Tot nu toe is het grootste deel van zijn beleid zeer samenhangend geweest en bijzonder moedig. De confrontatie aangaan met de wereldreus is een gevecht van David tegen Goliath en dat is geen gemakkelijke zaak. Andere recente leiders van het continent reiken hem de hand: Evo Morales en Raphael Correa. China drijft aanzienlijk zijn betrekkingen op met Venezuela. Trek dus maar jullie conclusies."
Groeten !
F.
Beste F.,
Het klopt dat Chavez in zijn redevoeringen zegt dat hij “een betere situatie verlangt voor de meest noodlijdende en de middenklasse in Venezuela” (en dat geldt ook voor andere staatsleiders zoals Lula, Morales, Correa, en zelfs voor die ‘duivel’ van een Bush, elk voor de eigen bevolking). Maar in de praktijk moeten we vaststellen dat er een steeds grotere kloof gaapt tussen redevoeringen en werkelijkheid.
Achter de sluikse propaganda van het chavisme (zowel in binnen- als buitenland) die de ‘successen’ van de ‘bolivariaanse revolutie’ voor de armen ophemelt, bestaat er in werkelijkheid een toenemende verpaupering van de proletariërs en van de meest noodlijdende lagen, de middenklasse daarbij inbegrepen. En dat terwijl de nieuwe elite van het chavisme rijkelijke inkomsten opstrijkt (vaak meer dan tienduizend dollar per maand, tot vijftig keer het minimumloon dat een arbeider verdient) en ze gouden zaakjes doet met de weldaden van de olierente die nu in haar schoot valt.
Die kloof tussen redevoering en praktijk is niet eigen aan het chavisme, maar ligt aan de basis van het schijnheilig gedrag dat kenmerkend is voor de heersende klasse tegenover de uitgebuite massa’s, die ze onder controle moet houden door bij hen de hoop te wekken dat het mogelijk is hun armoedige toestand te boven te komen zonder aan de grondvesten van het kapitalistisch systeem te raken. Daarom heeft de chavistische folklore de natuurlijke tendens van het kapitalisme tot concentratie van de rijkdom in weinige handen en het veroordelen van een steeds groeiende bevolkingsmassa tot leven in volstrekte armoede niet doen verdwijnen maar is ze er in tegendeel in geslaagd die tendens verder te zetten.
We moeten de rol verduidelijken van Chavez als leider “afkomstig uit de laagste economische klassen”. Het feit dat een leider of een regering voortkomt uit het ‘volk’ of zelfs uit het proletariaat betekent zeker niet dat deze automatisch een ‘verdediger van de meest ontberenden’ is en dus niet gerekend zou moet worden tot de heersende klasse en haar staat.
De geschiedenis puilt uit van voorbeelden van individuen van dat slag die van zeer groot nut geweest zijn voor de heersende klassen, juist op momenten van scherpe crisis: Lech Walesa in Polen (in de jaren 1980) en Lula in Brazilië, bijvoorbeeld. Die twee ‘arbeidersleiders’ hebben de bourgeoisie van hun land een onschatbare dienst bewezen, en doen dat nog steeds. Chavez, zoon van een onderwijzer, is ook een grote hulp geworden voor de Venezolaanse bourgeoisie. Het feit dat het een arbeiderszoon is of een zoon van een notoire bourgeoisfamilie die staatshoofd is, verandert niets aan de zaak: de een zowel als de ander hebben verantwoordelijkheid als staatshoofd en worden daardoor de hoogste beheerder van het orgaan dat de heerschappij van het nationaal kapitaal (privé of staatskapitaal) uitoefent en als zodanig maken hij en zijn aanhangers deel uit van de uitbuitende klasse.
Het opduiken van ‘verschijnselen’ als Chavez, Lula, Kirchner en recent nog Morales in Bolivia en Correa in Ecuador is het gevolg van de haast algemene uitputting van de sociaal-democratische en sociaal-christelijke partijen die tot in de jaren 1990 regeerden en die, onderhevig aan ontbinding en politieke aderverkalking, in ernstige moeilijkheden kwamen om de politieke crises te controleren wat tot nieuwe ideologische vormen leidde waarmee de sociale malaise wordt tegengegaan. Door zich te steunen op hun volkse afkomst, hebben die leiders munt kunnen slaan uit de malaise van de proletariërs en de uitgeslotenen door populistische beleid te ontwikkelen waarmee ze de ‘dromen van hun volk’ kunnen kanaliseren in dienst van de belangen van het nationaal kapitaal. Die nieuwe leiders zijn de nieuwe beheerders van de sociale onzekerheid.
Wanneer we van populistische politiek spreken, dan doen we dat niet in dezelfde ongunstige betekenis als sommige delen van de bourgeoisie die zich verzetten tegen die nieuwe leiders van het kapitaal. We verwijzen wel naar regeringen die in Latijns-Amerika en in andere landen aan de periferie opgekomen zijn, zoals die van Peron in Argentinië (1946-1955), of die van Getulio Vargas in Brazilië (1930-1954), onder andere; aan degenen die de illusies van de armsten op de spits drijven, juist in periodes waarin de regeringen van de nationale bourgeoisie een diepe crisis doormaken. Geen enkele van die regeringen heeft de armoede van de massa’s die hun hoop op hen gesteld hadden kunnen verlichten, en hun vervanging door andere, even burgerlijke regeringen heeft evenmin iets veranderd, behalve dan dat die massa’s in nog diepere ellende gestort werden in afwachting van een andere Messias die hun ‘dromen’ weer op gang brengt. Dat is en blijft het drama van de lagen die in armoede leven, zolang het proletariaat niet de leiding heeft genomen van de sociale bewegingen en door zijn revolutionaire strijd de oorzaken opruimt van de verpaupering en de sociale onzekerheid zoals die eigen zijn aan het functioneren zélf van de kapitalistische uitbuitingswijze.
Het lijdt geen twijfel dat Chavez zich verzet tegen de ‘wereldreus’ en we weten dat die strijd van “David tegen Goliath” geen “gemakkelijke zaak is”. Maar die strijd tegen het Noord-Amerikaans imperialisme is niets anders dan een strijd om het ‘kleine’ Venezolaanse imperialisme in de regio te versterken, dat zijn olie gebruikt (op dezelfde manier als de Verenigde Staten hun economische en militaire macht gebruiken) als een middel om chantage te plegen en druk uit te oefenen om zich op geopolitiek vlak te versterken. Net zoals de imperialistische politiek van de Verenigde Staten gevoerd wordt op de rug van het proletariaat en de bevolking van de Verenigde Staten, zo wordt de imperialistische politiek van de Venezolaanse bourgeoisie (met aan haar hoofd de chavistische fractie) ontwikkeld ten koste van de levensvoorwaarden van de sociale lagen die het chavisme beweert te verdedigen. Het gedeelte van het nationale begroting dat besteed wordt aan de strijdkrachten, aan de aankoop van wapens (die vroeg of laat tegen de Venezolaanse bevolking of die van een ander land uit de regio gebruikt zullen worden) is nu hoger dan het gedeelte dat dient voor de zogenaamde ‘sociale uitgaven’.
Het ‘anti-yankee-imperialisme’ dient al meer dan een eeuw om de ambities van de bourgeoisieën van de regio te verbergen. Die verzetten zich tegen de Noord-Amerikaanse bourgeoisie omdat de Zuid-Amerikaanse leiders natuurlijk de enige uitbaters willen zijn van de productiekrachten van hun achtereenvolgende landen. In die zin zijn de ‘raadgevingen’ van de Cubaanse bourgeoisie aan Chavez geen toeval: het ‘anti-yankee-imperialisme’ heeft in Cuba gedurende meer dan veertig jaar gediend om het proletariaat en de Cubaanse bevolking uit te buiten en de grootste offers te rechtvaardigen. Verder is het op zijn minst tegenstrijdig dat ondanks de ‘radicale confrontatie’ van Chavez met de Verenigde Staten dit land de voornaamste handelspartner van Venezuela blijft. Het proletariaat moet elk imperialisme bestrijden, of het nu groot is of klein.
Wat de terugkeer aan de macht van Chavez betreft na de “burgerlijke machtsgreep” moeten we verduidelijken dat die terugkeer niet echt gebeurd is “gedragen door het volk”, maar wel gedragen door loyale militairen, nadat de militairen die hem omvergeworpen hadden aan de kant waren gezet. Deze laatsten besloten inderdaad zich over te geven toen het bleek hoe zwak de sectoren van de bourgeoisie waren die de leiding namen in de staatsgreep tegen Chavez, die twee dagen later al weer aan de macht was. Het was het chavisme dat de meeste voordeel heeft getrokken uit die gebeurtenis omdat het zich kon presenteren als slachtoffer van de fracties die de staatsgreep beraamden, maar bovendien ook van de Noord-Amerikaanse regering die de staatsgreep leek te steunen omdat ze hem niet veroordeelde. Natuurlijk heeft een deel van de bevolking geroepen en zelfs gehuild voor de terugkeer van Chavez, maar de loop van de gebeurtenissen lag in handen van het leger, dat in dergelijke omstandigheden de uiteindelijke beslissing neemt welke fractie van de bourgeoisie de leiding van de staat krijgt.
De terugkeer van Chavez “gedragen door het volk” behoort tot de mythologie die hijzelf geschapen heeft om zichzelf van een aureool te voorzien om de massa’s te bedriegen die hun vertrouwen in hem gesteld hebben, een mythologie die door de anders-globalisten van de regio en elders hoog wordt gehouden en op ruime schaal verspreid.
Tenslotte willen we nog duidelijk maken, en ons antwoord maakt dit duidelijk, dat onze kritiek niet deel uitmaakt van de waaier van kritieken vanuit linkse of rechtse standpunten, die wij beschouwen als politieke krachten die elkaar aanvullen in hun verdediging van de belangen van de bourgeoisie. Onze kritiek situeert zich op een ander terrein, dat van de Kommunistische Linkerzijde.
Kameraad F., we nodigen je uit over de kwesties die hier gesteld werden te discussiëren omdat wij menen dat dit de enige manier is om zich bewust te worden van het perspectief van het revolutionair socialisme.
Met broederlijke groet,
De IKS
Op 25 juni 2007 overleed Cajo Brendel op 91-jarige leeftijd. Hij was de laatste van de Nederlandse “radencommunisten”. Cajo was een goede vriend en strijdmakker, die fel zijn standpunten verdedigde maar tegelijk joviaal, warm en hartelijk was in de omgang. Ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag plaatsten we vorig jaar een artikel in Wereldrevolutie, nr. 107. Hier willen we wat uitgebreider ingaan op zijn leven en onze band met hem.
Cajo beschouwde de IKS als een stroming die zich beroept op “achterhaalde standpunten”, zoals die van de Kommunistische Arbeiterpartei Deutschlands uit het begin van de jaren 1920, die volgens hem door de Groep van Internationale Communisten overwonnen zouden zijn, en onze opvatting over het verval van het kapitalisme noemde hij in 1981 tijdens een debat te Amsterdam op niet mis te verstane wijze “humbug”. Maar Cajo was op de allereerste plaats een rechtlijnig en overtuigd internationalist; dat is het wat we gemeenschappelijk met hem hadden en waardoor hij altijd onze bewondering en respect heeft afgedwongen. Meningsverschillen hadden we onder andere over de vakbonden, die volgens Cajo van meet af aan “kapitalistisch” waren geweest, en over het nationale vraagstuk: volgens hem vonden er nog steeds “burgerlijke revoluties” plaats, en hij deelde zowel de burgeroorlog in Spanje in 1936 als de veranderingen in China onder Mao Tse-tung daarbij in – net zo goed trouwens als de proletarische Oktoberrevolutie in Rusland in 1917-1923.
Terwijl politieke activiteit voor zijn vriend Jaap Meulenkamp een “sociaal bewogen hobby” was, was het voor Cajo net iets meer: een levensovertuiging waarvoor hij zich onvermoeibaar inzette en die hij met kracht van argumenten op anderen probeerde over te dragen. Wanneer hij met Otto Rühle van mening was dat “de revolutie geen partijzaak” is, dan belette dat hem niet om propaganda te voeren voor de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde en op meerdere continenten bekendheid aan die standpunten te geven. Bij tal van gelegenheden hebben we vaak stevig met hem gedebatteerd en gepolemiseerd, om te beginnen in Mei 1968 te Parijs, en het moet gezegd worden dat de gemoederen daarbij soms hoog opliepen. Maar terwijl andere leden van Daad en Gedachte, zoals Jaap, ‘uit beginsel’ weigerden te debatteren met organisaties of groepen die zichzelf beschouwden als ‘politieke voorhoede’ van het proletariaat, nam Cajo in 1973 deel aan meerdere conferenties te Dendermonde en Langdorp in België, waar ook de Communistenbond Spartacus aanwezig was, net als de groepen die een jaar later de afdeling van de IKS in België zouden gaan vormen en waarvan ook in Daad en Gedachte uit 1973-1975 de weerslag is te vinden.
Cajo werd geboren in Den Haag op 2 oktober 1915. Afkomstig uit een volgens zijn eigen zeggen “kleinburgerlijke familie” die in grote financiële moeilijkheden geraakt na de beurscrash in 1929, gaat hij zich in maatschappelijke vraagstukken verdiepen. Aanvankelijk sympathiserend met het Trotskisme komt hij in mei 1934, na een debat met de tot Stalinist geworden David Wijnkoop, in aanraking met twee Den Haagse arbeiders, Arie en Gees, en vervolgens met Stientje. Die blijken oud-leden te zijn van de Kommunistische Arbeiderspartij van Nederland en de Haagse afdeling te vormen van de Groep van Internationale Communisten (GIC). In 1933 geven die het blad De Radencommunist uit. Maandenlang debatteert hij iedere avond met ze tot hij zich, 19 jaar oud, in september gewonnen geeft. Daarover vertelde hij veel later dat het was “alsof hij van de kleuterschool regelrecht naar de universiteit ging.” Via hen komt hij in contact met de Amsterdamse afdeling van de Groep van Internationale Communisten (GIC), waarin Henk Canne Meijer en Jan Appel een zo belangrijke rol spelen en waarmee Anton Pannekoek in contact stond. Sterk beïnvloed wordt hij ook door schrijvers als Paul Mattick en Karl Korsch. Jong en zonder geld leidde Cajo in het Den Haag van de crisistijd, zoals dat heet, een kleurrijk bestaan. In 1935, nadat groepen in Leiden, Den Haag en Groningen zich van de volgens hen té “theoretische” GIC afsplitsen, geeft hij met de groep in Den Haag eerst het blad Proletariër uit en in 1937-1938 Proletarische Beschouwingen. In 1938-1939 schrijft hij vervolgens wekelijks een artikel voor het anarchistische blad De Vrije Socialist van Gerhard Rijnders, die kennelijk geen moeite had met Cajo’s Marxisme. In 1940 gemobiliseerd, verspreidt Cajo een internationalistisch pamflet onder de soldaten, maar zonder enige weerklank te vinden. Na als krijgsgevangene naar Berlijn te zijn vervoerd duikt hij bij terugkeer in Nederland onder bij een krant. Na de oorlog werkt hij als journalist te Utrecht; op het persoonlijke vlak breken er dan rustiger en gelukkiger tijden aan.
In 1952 sluit Cajo zich aan bij de Communistenbond Spartacus, waar hij deel uitmaakt van de redactie. In dat jaar leert hij ook Anton Pannekoek kennen. In de twaalf volgende jaren schrijft hij een zeer groot aantal artikelen, en ook brochures zoals De opstand der arbeiders in Oost-Duitsland en Lessen uit de Parijse Commune, beide uit 1953. Bij het conflict in 1964 waarbij een aantal leden uit de Communistenbond geroyeerd wordt, vooral Theo Maassen die ook al uit de GIC was geroyeerd, terwijl anderen uit eigen beweging vertrekken, neemt Cajo aanvankelijk een verzoenende houding in, maar uiteindelijk sluit hij zich aan bij de groep die sinds januari 1965 het blad Daad en Gedachte zou gaan uitgeven, “gewijd aan de problemen van de zelfstandige arbeidersstrijd”.
Maar echt belangrijk wordt Cajo door de uitgave van Anton Pannekoek, theoretikus van het socialisme uit 1970, een boek dat in Nederland grote invloed had op een hele generatie van zoekenden naar marxistische standpunten en dat in 2001 ook in het Duits verscheen als Pannekoek, Denker der Revolution. Internationaal bestaat er in 1970 een herlevende belangstelling voor de Kommunistische Linkerzijde. In 1974, het jaar dat Theo Maassen overlijdt, verschijnt zijn Stellingen over de Chinese revolutie en in datzelfde jaar ook de Duitstalige brochure Autonome Klassenkämpfe in England 1945-1972, waarvan ook een Franse uitgave verschijnt, en voor het schrijven waarvan hij in 1971 geruime tijd in Wales onder de mijnwerkers vertoefde. Van groot belang is eveneens zijn in 1977 verschenen lijvige boek Revolutie en contrarevolutie in Spanje, dat tot op heden helaas onvertaald is gebleven. Cajo kende zijn talen, en hoewel zijn meeste geschriften in het Nederlands verschenen publiceerde hij ook in het Duits, Engels en Frans; vertaald werden zijn geschriften in nog meer talen. Zijn invloed groeit daardoor ook internationaal, ook al door zijn bijdragen in het blad Echanges et Mouvement, dat in het Frans en Engels wordt uitgegeven, en zijn regelmatige deelname aan internationale conferenties, zoals in Parijs in 1978.
Als in 1981 in Amsterdam een conferentie van internationalistische groepen wordt georganiseerd verkiest Daad en Gedachte het om daaraan níet deel te nemen, maar één lid van de groep is niettemin op persoonlijke titel aanwezig en zowel Cajo als Jaap sturen belangrijke discussiebijdragen zodat hun standpunten toch vertegenwoordigd zijn. Ook in 1981, tijdens de massastaking in Polen, verdedigt Cajo voor een goed gevulde zaal in Amsterdam dat de scheidslijn “niet lag tussen aan de ene kant de Poolse staat en aan de andere de arbeiders en de vakbond Solidarnosc, maar tussen aan de ene kant de Poolse staat en de vakbond Solidarnosc, en de arbeiders aan de andere”, iets waarmee we het hardgrondig eens waren. Bij de presentatie in 1983 in Antwerpen van het boek Blaffende bonden bijten niet, vol van citaten uit de pers van de IKS, verdedigt Cajo met verve tegenover een vijandig ultra-links publiek dat het verwijt dat dit boek “rechts in de kaart speelt” volkomen onterecht is: de rechtse ondernemerspartijen waren zich als geen ander bewust van het belang dat de vakbeweging voor ze had; we hebben hem daar zo goed mogelijk gesteund.
Dat Cajo op de allereerste plaats een overtuigd internationalist was bleek andermaal in 1987 toen, min of meer bij vergissing, de IKS en een aantal van haar leden en sympathisanten werden uitgenodigd om deel te nemen aan een conferentie van de groep Daad en Gedachte. Enkelen van ons waren daar inderdaad aanwezig, en op onze aandrang werd het proletarisch internationalisme ter tafel gebracht. Tot onze stomme verbazing stonden we daar plotseling samen met Cajo en Jaap tegenover zo ongeveer alle ‘jongeren’ van de groep die veeleer ‘anti-fascistisch’ gezind waren en geneigd om de burgerlijke democratie in verdediging te nemen. We deden er verslag van in onze pers. Het werd duidelijk dat wanneer dit allerbelangrijkste politieke punt binnen die groep een tweederangs plaats kreeg toebedeeld de groep wegdreef in een journalistiek academisme en niet lang meer kon blijven bestaan. Cajo en Jaap waren internationalisten die heel hun leven de fascistische, stalinistische en democratische kampen in gelijke mate hebben veroordeeld; maar ze zijn, althans binnen de eigen groep, niet in staat gebleken om dat over te dragen op een volgende generatie. De jongeren begonnen af te haken, wat nog versterkt werd met de ineenstorting van het Oostblok toen alles wat op Marxisme leek in een slechte reuk kwam te staan.
Ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de groep in 1990 verschijnt er een Terugblik waarin de achtergrond en standpunten van Daad en Gedachte worden samengevat. Maar anders dan de bedoeling was trekt het geen nieuwe lezers meer, en minder nog nieuwe medewerkers. Wat we in 1981 binnen de Communistenbond Spartacus hadden zien gebeuren, namelijk dat de ‘jongeren’ afhaakten terwijl de ‘ouderen’ verder wilden gaan, herhaalt zich tien jaar later binnen de groep Daad en Gedachte. In 1991, na de ineenstorting van het Oostblok, bezochten we Cajo om het in zeven talen verschenen Manifest van het Negende IKS-Congres over de ineenstorting van het Oostblok en het Stalinisme met hem te bespreken. We probeerden ook om hem ertoe te bewegen een inleiding over dat onderwerp te houden tijdens een openbare bijeenkomst van de IKS. Hij was bijzonder ontroerd en opgewonden: “Ik ben het volstrekt met jullie oneens, maar ik vind het vreselijk belangrijk dat zo’n document internationaal verspreid wordt.” Diezelfde houding nam hij aan in 1992 toen hij moeite deed om ons boek over de Hollandse Linkerzijde, “de enige studie die dit onderwerp in zijn totaliteit behandelt”, en waarvoor hijzelf veel informatie en documenten had aangedragen, in het Nederlands te laten uitgeven, ondanks dat hij meende het met vele punten in dit boek oneens te zijn, wat vervolgens nogal mee bleek te vallen. De verschijning van het tijdschrift Daad en Gedachte zou doorgaan tot juli 1997, maar met steeds minder medewerkers. De organisatiestructuur van de groep, die van een informele vriendenkring, maakte het ook steeds moeilijker samenhang te bewaren. Na de ziekte en het overlijden van Jaap in dat jaar stond Cajo er haast alleen voor. Een oproep van onze kant in de pers om die publicatie niet op te geven omdat dat een geweldige verarming zou betekenen voor de verspreiding van internationalistische standpunten van de Hollandse Linkerzijde bleef zonder gevolg. We schreven: “Wat ook de standpunten en analyses mogen zijn die ons van elkaar scheiden, wij beschouwen deze politieke stroming als een fundamenteel onderdeel van het historische erfgoed van de arbeidersbeweging en ze heeft ook aanzienlijk bijgedragen aan haar theoretische en praktische vooruitgang” (Wereldrevolutie, nr. 85, december 1998).
In november 1998 geeft Cajo, 83 jaar oud, een reeks lezingen in Duitsland, waarbij we aanwezig zijn, en waarvan we in onze internationale pers ook uitvoerig verslag hebben gedaan (o.a. Weltrevolution, nr. 92, Wereldrevolutie, nr. 92, Internationalisme, nr. 255, World Revolution, nr. 228). Het trok zalen van honderd luisteraars en deelnemers aan het debat. Onze kameraden in Duitsland waren onder de indruk van Cajo’s scherpe analyses en grote menselijke kwaliteiten. Heel zijn leven gaf hij lezingen, altijd met debat en niet alleen een vragenuurtje, en niet alleen in Nederland maar in een hele reeks van Europese landen zoals Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Scandinavische landen, en zelfs in de Verenigde Staten, Rusland en Australië. In het jaar 2000 nodigden we Cajo uit voor een openbare bijeenkomst te Amsterdam, waarbij het onderwerp gevormd werd door de vraag “Radencommunisme, een brug tussen marxisme en anarchisme?” Cajo kwam niet, maar tegenover pogingen om de Hollandse Linkerzijde bij het anarchisme in te lijven schreef hij ons, en we hebben dat in onze pers begroet: “Ik ben absoluut geen anarchist”, en: “Van de methode van Marx welke hij toepast bij zijn analyses, van enige dialectiek of werkelijk inzicht in wat marxisme is, hebben de anarchisten niet de minste kaas gegeten.” (Wereldrevolutie, nr. 91).
Wij bezochten Cajo voor het laatst in 2005, één keer bij hem thuis, een paar maanden later in het verpleeghuis waar hij inmiddels was opgenomen. Hij herkende ons niet meer, maar vertelde bij het eerste bezoek nog volop over zijn activiteiten, waarbij namen en plaatsen hem echter ontschoten waren. Anders dan in de anarchistische pers is gemeld verkeerde hij niet in “behoeftige omstandigheden”: in het verpleeghuis werd er goed voor hem gezorgd en zijn kinderen zagen daarop toe. Veel bezoek van kameraden kreeg hij echter niet meer.
Cajo’s archief, een goudmijn van bijna zes meter, berust in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam. Maar het zijn vooral de meer dan zeventig jaar waarin Cajo Brendel met zijn vele gaven en krachten – meestal “tegen de stroom in” – het proletarisch internationalisme hoog heeft gehouden die hem zo uitzonderlijk maken in de geschiedenis van de Hollandse Linkerzijde, waarvan hij de laatste vertegenwoordiger was.
29 juli 2007, IKS
Dit artikel is op onze website eveneens te vinden in het Engels, Frans, Duits en Spaans.
Op bovenstaand artikel ontvingen we 13 oktober 2007 een reactie van een zoon van Cajo Brendel, waarvoor we hem hartelijk danken en die we hier met zijn toestemming toevoegen:
«Geachte redactie,
Hartelijk dank voor de toezending van Wereldrevolutie met de uitgebreide terugblik op het politieke leven van mijn vader.
Uiteraard ben ik niet vertrouwd met de specifieke discussies en onderlinge verschillen tussen de IKS en het radencommunisme, maar ik geloof wel dat u volledig recht hebt gedaan aan zijn persoon en zijn politieke werk.
Het doet me deugd dat het misverstand – ontstaan door een opmerking op de website van De Vrije – wordt rechtgezet over de behoeftige omstandigheden, waaronder hij zou zijn gestorven. Ik heb begrepen van De Vrije dat 'behoeftig' een eufemisme was voor ‘dement’, maar het verhaal is helaas een eigen leven gaan leiden.
Op één punt moet ik u toch corrigeren. Het gaat om zijn verblijf in Duitsland na mei 1940. Voor zover ik weet, is hij als krijgsgevangene ondergebracht op het platteland van Mecklenburg. Daar besloot hij een poging te doen naar Nederland te ontkomen. Hij stapte in de trein naar Hamburg en kreeg de schrik van zijn leven, toen twee officieren bij hem in de coupé stapten en een gesprek aanknoopten. Hij had als kind – zijn ouders hadden een hotel in Scheveningen – geleerd om accentloos Duits te spreken. De twee Duitsers hadden niet door dat hij uit Nederland kwam. Aangekomen in Hamburg liep hij langs een krantenkiosk en las dat de Nederlandse krijgsgevangenen op korte termijn in vrijheid werden gesteld. Daarop besloot hij naar Mecklenburg terug te keren. Hij is dus op reguliere wijze vrijgelaten zoals de meeste Nederlandse krijgsgevangenen.
Al voor de oorlog had hij al een baantje als journalist op de regionale redactie van Het Volk in Arnhem. Daar is hij bij terugkeer weer aan het werk gegaan. Het Volk was inmiddels gelijkgeschakeld, maar mijn vader is zonder problemen door de perszuivering gekomen.
Ik weet zeker dat hij geen foute dingen heeft geschreven. Mijn ouders waren niet actief bij het verzet betrokken, maar hun hart lag op de goede plaats. In september 1944, bij het uitbreken van de slag om Arnhem, is hij (thuis in Doetinchem) ondergedoken.
Met vriendelijke groet,
Carel Brendel
Als we de bourgeoisie mochten geloven ging alles opperbest in de beste der werelden. De beurzen sloegen records, de groei duurde voort, de prijzen waren onder controle. En dan, begin juli... klambang, steekt er een ware beursstorm op die al die mooie praatjes in één klap wegveegt! In enkele weken maken de voornaamste beurzen van de wereld een steile duik, in navolging van de Dow Jones, de index van New York die met meer dan 10% terugvalt.
Om die crisis tijdelijk onder controle te houden hebben de FED en de ECB (1) meer dan 330 miljard dollar op de markten gegooid! Die kolossale sommen die door de verschillende centrale banken geïnjecteerd werden zijn op zichzelf afdoende getuigen voor de omvang van de aardbeving en van de reële angst die deze opwekte bij alle bourgeoisieën.
Momenteel willen ‘experts’ en ander zoete-broodjes-bakkers ons opnieuw in slaap sussen met inderdaad slaapverwekkende ‘rekensommetjes’: de zomerse kramp zou maar tijdelijk zijn, of, nog beter, een ‘heilzame correctie’ ten opzichte van de speculatieve uitwassen van de laatste jaren! In werkelijkheid kondigen die schokken een nieuwe fase van versnelling aan van de crisis, de ergste en diepste sinds het einde van de jaren 1960. En opnieuw is het de arbeidersklasse die er de gruwelijke gevolgen van zal ondergaan.
In krantenkolommen en televisiestudio’s hadden de burgerlijke economen er deze zomer maar één woord voor over: het was ‘onvoorspelbaar’ dat er elke dag miljoenen dollar in rook opgingen. De crisis kwam als een donderslag bij heldere hemel. Leugens! De beursrecords, het prijsstijgingen in de onroerend goed sector, en zelfs de economische groei, dat alles was op zand gebouwd, en iedereen wist het. Onze organisatie, de Internationale Kommunistische Stroming, zei in het afgelopen voorjaar al dat de zogenaamde goede gezondheid van de wereldeconomie enkel steunde op schuldenmakerij en dus niets goeds voorspelde:
“In werkelijkheid gaat het om een echte vlucht voorwaarts, die geenszins een definitieve oplossing biedt voor de tegenstellingen van het kapitalisme, maar integendeel nog pijnlijker vervolgen voorbereidt, vooral door plotselinge vertragingen van de groei.” (2).
Dat steunde niet op een voorgevoel, maar op een analyse gegrondvest op de geschiedenis van het kapitalisme. De huidige financiële crisis is een grote crisis in de schuldenmakerij en het krediet. Maar die monsterachtige schuldenlast komt niet uit de hemel gevallen. Hij is het resultaat van veertig jaar trage en hortende ontwikkeling van de wereldcrisis.
Sinds het einde van de jaren 1960 overleeft het kapitalisme zichzelf inderdaad door steeds meer een beroep te doen op krediet. In 1967 begon de wereldeconomie te vertragen. En sindsdien, van decennium tot decennium, is de groei steeds verder afgenomen. Het enige antwoord van de bourgeoisie daarop is dat ze haar systeem altijd aan een infuus hield door steeds krankzinniger sommen te injecteren in de vorm van krediet en schulden. De economische geschiedenis van de laatste veertig jaar is een soort van helse spiraal van crisis... verschulding... meer crisis... meer verschulding... Na de olieschokken van 1973 en 1979 was er de open recessie van 1991-1993, de ‘Aziatische’ crisis van 1997-1998 en het uiteenspatten van de internet-zeepbel in 2000-2002. De stuiptrekkingen worden steeds heviger, de gevolgen steeds dramatischer.
Momenteel barst de crisis opnieuw open terwijl de schuldenlast onvoorstelbare hoogten heeft bereikt. De totale schuld van de Verenigde Staten, de grootste militaire en economische macht ter wereld, zwol aan van 630 miljard dollar in 1970 tot 36.850 miljard dollar in 2003. En sindsdien is de machine compleet op hol geslagen. De schuld neemt nu met niet minder dan 1,64 miljard dollar per dag toe! Die duizelingwekkende cijfers tonen duidelijk aan dat de huidige financiële crisis vele malen erger is dan alle andere die eraan voorafgingen.
Sinds een tiental jaren is de speculatiegekte in alle economische sectoren binnengedrongen. Nooit eerder kon de overgrote meerderheid van de kapitalen nergens met voldoende winst in het vooruitzicht geïnvesteerd worden in de reële economie (de bedrijven die goederen en waren produceren). Vanzelf richten die kapitalen zich dan op pure speculatie. Banken, geldschieters, speculatieve ondernemingen die min of meer gespecialiseerd zijn in risicovolle investeringen (de fameuze hedge funds (3)), overal zagen we een ware jacht op dat veronderstelde nieuwe Eldorado. Geld en kredieten begonnen snel te stromen. Het leek of de bourgeoisie nog maar één obsessie had: zich steeds verder in de schulden te steken.
In deze compleet krankzinnige context werden de huishoudens in de Verenigde Staten, maar in mindere mate ook in Groot-Brittannië en Spanje, ertoe aangezet huizen en appartementen te kopen waarvoor ze eigenlijk de middelen niet hadden. Financiële instellingen leenden arbeidersgezinnen met zeer bescheiden inkomsten geld met hun onroerend goed als enige waarborg. Het basisbeginsel van die hypothecaire leningen (subprimes genaamd) is dat wanneer meneer X een huis van 100.000 dollar wil kopen, een kredietinstelling, een bank bijvoorbeeld, hem fondsen leent zonder reserve of andere garantie dan dat huis zelf. Als meneer X teveel schulden heeft en zijn lening niet kan terugbetalen, dan neemt de kredietinstelling het huis terug, verkoopt het en krijgt zijn fondsen terug, de 100.000 dollar. Dat is de enige garantie voor de bank. Daarom zijn het vooral de hedge-funds, gespecialiseerd in risicovolle investeringen, die aan die subprimes deelnamen. Omdat ze zo gemakkelijker konden lenen waren meer arbeiders erin geïnteresseerd een eigen huis te kopen. De onroerendgoedprijzen begonnen daardoor te stijgen (gemiddeld met zo’n 10% per jaar). Die arbeiders met uiterst lage lonen hebben uiteindelijk geen andere optie dan schulden te maken om te kunnen kopen. Ze blijven zich dus tegen beter weten in in de schulden steken door hun huis te hypothekeren dat aan waarde begint te winnen. Meneer X, die de waarde van zijn huis ziet stijgen tot 120.000 dollar kan bijvoorbeeld een nieuw verbruikerskrediet afsluiten ter waarde van 20.000 dollar. Vervolgens stijgt de waarde van het huis tot 150.000 dollar, waardoor hij nog het nog eens voor 30.000 dollar kan hypothekeren. Enzovoort. Maar die cirkel blijft niet doordraaien.
Aan de ene kant wordt de arbeidersklasse steeds armer (ontslagen, loonstop,...). Aan de andere kant hadden de leningen in de Verenigde Staten variabele en stijgende rentevoeten, waardoor de afbetaling iedere maand moeilijker werd. Het resultaat is even onverbiddelijk als voorspelbaar. Toen te veel arbeiders hun astronomische maandbedragen niet meer konden aflossen, gingen de banken over tot het opeisen van steeds meer hypotheekwaarborgen, de crisis breekt uit, de zeepbel van het onroerend goed spat uiteen, zoals nu gebeurd is. Er staan inderdaad teveel woningen te koop, de huizenprijzen storten ineen (ze zouden met 15 tot 30% kunnen dalen).
Bijkomend nadelig gevolg: de koopkracht van miljoenen arbeidersgezinnen die juist steunde op de waarde van hun huis en dus hun ruimte om zich in de schulden te steken zorgt er nu voor dat ze met de onroerend goed-crisis bankroet gaan. De waarde van het huis van meneer X daalt (110.000 dollar) en de banken kunnen hun fondsen niet terugkrijgen. Niet alleen is meneer X zijn huis kwijt, niet alleen heeft hij jarenlang intresten betaald, nu moet hij ook nog het waardeverschil aan de kredietinstelling terugbetalen, oftewel 40.000 dollar, plus natuurlijk de rente daarop! Het resultaat van dat alles laat niet op zich wachten: meer dan drie miljoen huishoudens komen deze herfst op straat te staan.
Tegelijk hebben de hedge-funds, behalve leningen te verstrekken in de vorm van subprimes, ook niet geaarzeld zichzelf diep in de schulden te steken bij banken en andere kredietorganismen om met onroerend goed te speculeren. Het principe is heel eenvoudig een waar te kopen om die enige tijd later weer te verkopen, speculerend op een stijging van de onroerend goed-markt. Zo betekent het uiteenspatten van de zeepbel van het onroerend goed ook het failliet van al die fondsen. Inderdaad, zelfs als ze de gehypothekeerde goederen in beslag nemen en miljoenen mensen op straat zetten, dan blijven ze toch zitten met een massa huizen die niets meer waard zijn. Door een domino-effect worden de banken en andere kredietinstellingen ook getroffen. Stel het je maar eens voor. Die organismen lenen van elkaar tot niemand nog weet wie nog geld van wie krijgt! Telkens weer horen we dat deze bank of die kredietinstelling op de rand van het bankroet staat. Dat is bijvoorbeeld al het geval met de Countrywide bank in de Verenigde Staten en Sachen LB en de IKB in Duitsland. De schulden met betrekking tot hun investeringen in risicosectoren vertegenwoordigen meer dan 10.200 miljard dollar! De hele sector van speculatie en krediet is nu in open crisis.
Opnieuw is het de arbeidersklasse die voor de schade opdraait: in de loop van augustus was er een ware stormloop op de banken in de Verenigde Staten en Duitsland van de kleine spaarders. Hetzelfde kunnen we binnenkort verwachten in Groot-Brittannië, Spanje, Japan en China.
Zo’n financiële crisis draait altijd uit op een crisis van de reële economie. De enige vraag die vandaag gesteld wordt is hoe omvangrijk die crisis zal zijn. Al vóór de financiële crisis van afgelopen zomer begonnen de specialisten van de bourgeoisie in alle stilte hun groeivooruitzichten voor de wereldeconomie neerwaarts bij te stellen. In januari 2007 kondigde de Verenigde Naties aan dat de groei slechts 3,2% zou bedragen (terwijl ze voor 2006 van 3,8% en voor 2005 van 4,5% waren uitgegaan). Maar met het uitbreken van de beurscrisis moeten al die cijfers opnieuw herzien en verlaagd worden.
Een grote kredietcrisis betekent inderdaad onvermijdelijk een plotselinge daling van de activiteit van alle ondernemingen. Niemand wil of kan meer geld lenen aan de ondernemingen om te investeren. Maar de recordwinsten die ze soms meedelen steunen in werkelijkheid voor een groot gedeelte op een omvangrijke schuldenlast. Als de kredietkraan dichtgaat komen de meeste van die ondernemingen in een zeer slechte positie. Het meest frappante voorbeeld daarvan is wellicht de bouwsector. De zeepbel van het onroerend goed was enkel gebaseerd op risicovolle leningen en daarom zal de nieuwbouw ineenzakken. Deze activiteit zal fors dalen in de Verenigde Staten, maar ook in Groot-Brittannië, Duitsland, Spanje en nog een reeks van andere ontwikkelde landen, waardoor de totale groei zal worden aangetast en de gevolgen veel verder zullen strekken:
“Net als in de Verenigde Staten wordt minstens 80% van de consumptie gefinancierd met een onroerend goed-lening, daardoor wordt de hele vraag van de huishoudens getroffen. De Amerikaanse consumptie zal dus verzwakken en de groei voor het volgende jaar één tot anderhalf punt laten dalen, van de verwachte 3,5% naar niet meer dan 2%.” (Patrick Artuis, La Tribune de l’Economie, 27.08.2007).
En dat is nog het meest optimistische scenario. Sommige specialisten zijn het er over eens dat de Amerikaanse groei niet boven de 1% zal uitkomen! Die Amerikaanse recessie heeft natuurlijk een wereldwijd belang. De economie van Europa is sterk verbonden met die aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Bovendien zal de vertraging van die twee economieën die nu verwacht wordt ernstige gevolgen hebben voor China en de rest van Azië. Europa en de Verenigde Staten nemen 40% van de Chinese export voor hun rekening! Het is dus de gehele wereldgroei die plotseling zal afremmen.
Maar om het goed te begrijpen ontbreekt er nog een versterkende factor over wat zich afspeelt: de terugkeer van de inflatie. In China, het land dat zogenaamd gezegend wordt door de kapitalistische goden met groeivoeten van twee cijfers, staat de inflatie vandaag op 5,6% (het hoogste niveau sinds tien jaar) en blijft iedere maand stijgen. Het land vertegenwoordigt daarmee enkel een algemene tendens die zich nu internationaal doorzet. Het verschijnsel ontwikkelt zich overal ter wereld in de sector van de grondstoffen en in die van de voeding. De prijzen van basisvoeding zullen met zo’n 10% stijgen. Door een sneeuwbaleffect zal de consumptie van de arbeidersklasse en van het merendeel van de bevolking stilvallen, wat op zijn beurt de situatie van vele bedrijven zal verslechteren.
Sinds het einde van de jaren 1960 hebben zich vele beursschokken en recessies voorgedaan. Telkens werden ze ernstiger en diepgaander. Deze nieuwe episode zal dezelfde regel volgen en betekent een volgende kwalitatieve spring, een ongekende verheviging van de historische crisis van het kapitalisme. Voor het eerst staan alle economische indicatoren tegelijk in het rood: crisis van krediet en consumptie, onvoorstelbare schuldenlast, recessie en inflatie! We staan voor de ergste recessie sinds meer dan veertig jaar. De arbeidersklasse kan dus harde klappen verwachten; alleen de eensgezinde en solidaire strijd zal ons in staat stellen daar het hoofd aan te bieden!
Tino / 30.08.2007
Voetnoten
(1) FED: Federal Reserve System of Federal Reserve; centrale bank van de Verenigde Staten; ECB: Europese Centrale Bank.
(2) Resolutie over de internationale situatie, aangenomen op ons laatste congres en gepubliceerd in onze Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 130.
(3) De hedge funds beheren volgens officiële cijfers ongeveer 1.300 miljard dollar.
Na meer dan zes maanden (192 dagen om precies te zijn) van onderhandelingen, twisten, breuken, na een verkenner en twee informateurs is de Belgische bourgeoisie er nog altijd niet in geslaagd om een definitieve regering te vormen en heeft ze een interim regering van drie maanden op de been moeten helpen onder leiding van de ex-eerste minister Verhofstadt voor het nemen van dringende maatregelen. Een ze geeft zichzelf tot Pasen de tijd om de spanningen tussen de verschillende fracties uit te vlakken.
Gedurende deze laatste maanden is de toestand in België regelmatig heet van de naald geweest in de Europese media. Het heeft de buurlanden verontrust en zelfs de Belgische burgerlijke media geërgerd. Vandaar de noodzaak om de betekenis van de feiten te begrijpen, en te verklaren waarom één van de meest ontwikkelde landen van Europa in een dergelijke toestand terecht kon komen. Maar men moet ook de gevolgen zien die deze politieke knoeiboel teweeg heeft gebracht voor de toestand van de arbeidersklasse.
Met de verdwijning van het Russische en het Amerikaanse blok kregen de middelpuntvliedende krachten in de kapitalistische maatschappij in verval, die tot dan toe met grote inspanning onder controle werden gehouden door de hiërarchie van de twee blokken, de vrije loop, zelfs in de politieke systemen van de grote ontwikkelde landen. Zo is het feit dat de machtigste bourgeoisie ter wereld, de Amerikaanse bourgeoisie, het land twee ambtstermijnen heeft laten regeren door de bende onbekwame knoeiers, waaruit de regering Bush bestaat, onthullend voor de diepgaande crisis van de heersende klassen. En dat heeft op zijn beurt bijgedragen tot de versterking van het ‘ieder voor zich’, en een uitbarsting van chaos en barbarendom over heel de planeet. Vandaar dat de gevolgen van de ontbinding van de burgerlijke maatschappij en de noodzaak om die het hoofd aan te bieden een zaak van het grootste belang wordt voor de politiek van de bourgeoisie.
De problemen van de bourgeoisie om regeringsploegen samen te stellen zijn bijzondere uitingen van dit ‘ieder voor zich’, van de ontwikkeling van de ontbinding, en ze worden beslissende factoren in de politiek van de bourgeoisie (1). De Belgische bourgeoisie ontsnapt niet aan die algemene tendens van het kapitalistische systeem in crisis, dat alle landen meesleurt in sociale ontbinding. Vandaar dat de ‘Belgische politieke crisis’ geen puur Belgische, een beetje folkloristisch gebeuren is. Het laat de toenemende druk zien van de wegrotting van het systeem, van de politieke structuren van de bourgeoisie in de ontwikkelde landen. Dat bleek de laatste jaren eveneens uit het verkiezingssucces van de populistische partijen in Oostenrijk en onlangs nog in Zwitserland en uit de proteststemmen tijdens het referendum over de grondwet van de Europese Unie in Frankrijk en Nederland.
Zo groeide de laatste jaren bij de Nederlandse buren het ‘ieder voor zich’ net als de proteststemmen: na de ontwrichting van het partijensysteem van de bourgeoisie door het rechtse populisme van Pim Fortuyn en zijn partij volgde er een vloedgolf van ‘links populisme’ van de voorheen maoïstische Socialistische Partij die bij de laatste verkiezingen in Nederland de derde partij werd. Ondertussen komt er een nieuw rechts populisme op met de verwoed anti-islamitische PVV van Geert Wilders en de beweging van de ex-minister van Binnenlandse Zaken, Rita Verdonk, alom bekend door haar halsstarrige politiek in verband met het asielrecht. Dat gaat zo ver dat er, bij gebrek aan stabiele traditionele partijen, er een integristische religieuze partij (de ‘Christen Unie’) nodig was om de huidige meerderheidsregering te vormen.
In België, vooral in Vlaanderen, hebben deze irrationele en middelpunt vliedende krachten zich geuit door de spectaculaire ontwikkeling van een populistische en ultra nationalistische partij, het "Vlaamsblok/belang", die de tweede politieke partij geworden is in Vlannderen, en meer recent door de opkomst van een andere populistische en poujadistische rechtse partij, de "Lijst De Decker".
Deze algemene tendens tot ontbinding wordt in België versterkt door de spanningen tussen de ‘regionale’ fracties van de Belgische bourgeoisie, spanningen die al sinds de kunstmatige oprichting van de Belgische staat sluimeren. De draagwijdte van de ontbinding en van het ‘ieder voor zich’ in de wereld op het einde van de twintigste eeuw maakt het vinden en opleggen van een broos evenwicht tussen de regionale fracties steeds moeilijker en onzekerder, de spanningen en tegenstellingen worden steeds explosiever. En dat geldt vooral voor de Vlaamse bourgeoisie, die zich wil ontdoen van “de miljoenenput van de onrendabele Waalse industrie”.
Deze regelmatige spanningen brachten een reeks verschijnselen voort die de politiek van de Belgische bourgeoisie moeilijk beheersbaar maken:
– Er is eerst en vooral de fragmentering van het partijlandschap met, sinds het einde van de jaren 1960, de ‘communautarisering’ van de grote traditionele politieke families (de verdubbeling van de socialistische, liberale en christen-democratische partijen in een Waalse en een Vlaamse partij), het geleidelijke afkalven van de grote socialistische en christen-democratische volkspartijen die het politieke leven beheersten en de opkomst van regionalistische partijen.
– De bourgeoisie heeft geprobeerd om de regionalistische partijen uit te schakelen door ze te laten opslorpen door de traditionele partijen, maar dat is als een boemerang in haar gezicht teruggeslagen. In feite heeft deze politiek enkel een destabilisering van diezelfde traditionele partijen als gevolg gehad. Dat hebben we de laatste jaren kunnen zien bij de liberale partij van voormalig eerste minister Verhofstadt, de Vlaamse socialistische partij en nu zelfs bij de ‘winnaar’ van de verkiezingen, de christen-democratische CD&V van voormalig formateur Yves Leterme, slachtoffer van het kartel met een kleine separatistische Vlaamse formatie, de NVA.
De huidige politieke crisis is het gevolg van de verscherping van de spanningen tussen de ‘regionale’ fracties van de Belgische bourgeoisie tegenover de verdieping van de kapitalistische wereldcrisis. Om het hoofd te kunnen bieden aan de mondialisering, vertegenwoordigen zij inderdaad uiteenlopende richtingen voor de Belgische staatspolitiek:
– De Vlaamse bourgeoisie, als vertegenwoordigster van de economisch sterkere regio en één van de meest presterende van Europa, eist een zelfstandige politiek en economische flexibiliteit om voorin het peloton te blijven door de ballast van de minder presterende regio’s tot een minimum terug te brengen. Het toekennen van belangrijkere bevoegdheden en economische hefbomen aan de regio’s zou het moeten mogelijk maken om de ‘solidariteit’ met de zwakkere regio te beperken en de financiële middelen in te zetten voor haar eigen beter presterende sectoren;
– De Franstalige bourgeoisie, die de regio vertegenwoordigt met meer economische problemen, houdt er in tegendeel aan vast om de vloed van subsidies van de centrale staat in stand te houden en om de mechanismen van de economische ‘solidariteit’ tussen de regio’s maximaal te behouden.
Zowel de verklaringen van bedrijfsleiders als gepubliceerde economische studies wijzen er evenwel op dat de belangrijkste delen van de bourgeoisie de mogelijkheid van een simpele splitsing van het land niet bekijken vanuit een rationeel standpunt. De beschikbare cijfers benadrukken dat de kosten van een dergelijke operatie voor beide partijen erg duur zou uitkomen:
– Voor Wallonië zou de splitsing rampzalig zijn: het stopzetten van subsidies en overhevelingen vanuit Vlaanderen (5,6 miljard euro) zou een onmiddellijke vermindering van 15% tot 20% van de sociale uitkeringen betekenen en een terugval van 4% van de algemene levensstandaard van de bevolking.
– Maar ook voor Vlaanderen zou de weerslag uiteindelijk negatief zijn. Zo zou het de belastingsinkomsten verliezen van 200.000 Vlamingen die momenteel in Brussel werken; het zou ook zijn belangrijkste ‘buitenlandse’ afzetmarkt verliezen voor de verbruikssector (Brussel en Wallonië), terwijl het Brussel zou moeten opgeven dat in meerderheid Franstalig is, en het zou meerdere gemeenten rond de hoofdstad moeten opgeven aan de Franstaligen. Vooral het verlies van Brussel, ‘de motor van economische groei’, zou Vlaanderen duur komen te staan.
Kortom, ook al lijkt het perspectief van een splitsing voor het ogenblik van de baan te zijn, toch gaat de krachtmeting tussen de twee fracties door en het maakt de onderhandelingen bijzonder ingewikkeld en de politieke toestand steeds verwarrender.
De IKS heeft in lengte geargumenteerd dat de ontwikkeling van de ontbinding in geen geval gunstig is voor de ontwikkeling van de klassenstrijd. De recente politieke toestand in België laat zien dat de bourgeoisie haar tegenstellingen gebruikt om de ‘publieke opnie’ te mobiliseren achter alternatieven, die allemaal even nationalistisch en patriottisch zijn. Vooral de zwakste fractie, de Franstalige bourgeoisie, voerde intensieve campagnes. Eind 2006 was er de beruchte ‘politieke fictie’ uitzending op de Franstalige televisie (RTBF) over de splitsing van België.
Onlangs werd massaal de driekleurige Belgische vlag uitgehangen en was er een betoging van 35.000 mensen in Brussel ‘voor de eenheid van het land’. De belangrijkste fracties van de Vlaamse bourgeoisie daarentegen (vooral de CD&V van voormalig formateur Leterme) voeren propaganda dat onder druk een verdergaande regionalisering zou kunnen worden opgelegd voor financieel en sociaal beheer. En de meest radicale marginale groepen (rond NVA en Vlaams belang) hebben zelfs laten verstaan dat het uur geslagen had voor de ‘eenheid van alle Vlamingen voor een onafhankelijk Vlaanderen’.
Deze campagnes in België, van ongekende hevigheid sedert de jaren 1960, laat zien hoezeer we gelijk hadden toen we vaststelden dat het proletariaat geen voordeel haalt uit de ontbinding maar dat de bourgeoisie haar problemen handig verhaalt op de arbeidersklasse. Inderdaad:
– Deze campagnes zijn verderfelijk in de mate dat ze zich specifiek richten op een centrale thematiek voor de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, de solidariteit, door die om te buigen in nationalistische en regionalistische richting: de solidariteit tussen alle Belgen, de solidariteit tussen alle Vlamingen of alle Franstaligen.
- Bovendien wordt zo de aandacht van de arbeidersklasse afgeleid van de aanvallen die over haar blijven neerdalen. Die bestaan momenteel vooral uit een ongekende verhoging van de prijzen voor benzine en stookolie, van gas en elektriciteit, net als van vele basisvoedingsproducten.
De verlengde afwezigheid van een kapitein aan het roer van de staat neigt er uiteindelijk toe om de geloofwaardigheid van de Belgische staat en de slagvaardigheid van de nationale economie aan te vreten (de winsten van de bourgeoisie) in de bikkelharde strijd om de markten op internationaal vlak. Het eindeloos rekken van de politieke crisis wekt trouwens de indruk van chaos en het opgeven van de verantwoordelijkheden om de staat te beheren op een moment dat de berichten over de stijging van de bestaanskosten (verwarming, benzine, voeding) en de daling van de levensstandaard zich opstapelen, wat de laatste tijd in de arbeidersklasse sterk bijdroeg tot een gevoel van onvrede. Het is dus allerminst verrassend om juist deze drie punten terug te vinden in de opdracht die de interim regering tot Pasen kreeg, met een ‘beperkt programma’:
– Ter verdediging van het nationaal belang, van de positie die de Belgische bourgeoisie inneemt tegenover de rivaliserende grootmachten, kreeg de regering de opdracht om het imago en de geloofwaardigheid van België in het buitenland op te krikken (ten minste tegenover de twijfel die in talrijke artikelen in de internationale pers is geuit), door het versterken van haar aanwezigheid op Europees vlak en in de internationale missies.
– Voortdurend bedreigd door de scherpe concurrentie tussen de nationale economieën op een verzadigde wereldmarkt, zal de slagvaardigheid van de bedrijven gewaarborgd moeten worden door een versterkte controle op de staatsbegroting, een grotere flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden op de arbeidsmarkt;
– Tenslotte, ook al belooft de regering enkele marginale maatregelen voor het ‘behoud van de koopkracht van de burgers’, zoals daling van accijnzen op energieverbruik en afspraken met de energie- en distributiesectoren om de prijsstijgingen in te tomen, zal het programma vooral dienen om het ‘sociaal overleg’ met de vakbondsorganisaties aan te gaan en er zo voor te zorgen dat deze volop hun rol gaan spelen van het ontmijnen van de toenemende sociale onvrede en om de arbeiders te betrekken bij ‘de inspanning van de burger ter verdediging van het nationaal belang’.
Het is duidelijk dat dit met betrekking tot de levensstandaard van de arbeiders helemaal geen ‘interim’ politiek is, dat dit helemaal geen ‘beperkte’ maatregelen zijn. De golven van aanvallen die sinds enkele jaren op ons afkomen beantwoorden eenvoudigweg aan de overlevingsbelangen van de nationale bourgeoisie om haar aandeel in de wereldmarkt en haar winsten te waarborgen. Wat ook de regering is die het tot Pasen moet rooien, wat ook haar programma moge zijn, watuit ook de communautaire twisten bestaan die ondertussen blijven opduiken, de arbeidersklasse heeft niets te verwachten van de strubbelingen binnen de burgerlijke fracties. In tegendeel, het is door haar strijd, door het versterken van algemene solidariteit in de strijd, dat alleen zij een perspectief zal kunnen ontvouwen tegenover dit wegrottende systeem.
Jos / 29.12.07
Voetnoten
(1) zie ook de "Resolutie over de internationale situatie " in de Internationale Revue nr. 130 (in het Engels, Frans en Spaans)
In augustus 2007organiseerden we een ‘discussie- en ontmoetingsdag met de IKS’ waar de deelnemers de kans kreeg om ‘vrijuit’ vragen te stellen en argumenten uit te diepen over de thema’s die hen het dichtst aan het hart liggen. Geen dag van of voor specialisten, maar waar vrijuit onder elkaar gedebatteerd werd en naar antwoorden werd gezocht op de vragen die door de huidige periode worden opgeworpen.
Het was een uitzonderlijke gelegenheid om eens uitvoeriger op de onderwerpen in te gaan of gewoon om kennis te maken met elkaar.
Het initiatief om deze dag te organiseren viel niet uit de lucht, de vele positieve reacties en de actieve deelname, vol enthousiasme, van de aanwezigen vormden het bewijs dat dit soort bijeenkomsten beantwoordt aan een behoefte die bij velen leeft: samen nadenken over de toekomst, samen zoeken, niet ieder in zijn hoekje, naar een alternatief voor deze zieltogende maatschappij waarin ecologische rampen, economische crisis, werkloosheid, oorlog en hongersnood met massa’s vluchtelingen als gevolg dagelijkse kost zijn en steeds meer toenemen. Maar ook om te leren uit de ervaringen van het verleden, uit de vele inspanningen en theoretische bijdragen, en vooral ook om een inzicht te krijgen in de dynamiek, de mechanismen, de krachten, die dit alternatief tot stand kunnen brengen. Waardoor verandert de maatschappij? Wie kan de noodzakelijke veranderingen verwezenlijken? Wie kan een krachtsverhouding opbouwen en waardoor?
Politieke discussie en debat zijn steeds de levensader geweest van de arbeidersbeweging omdat op die manier de vragen worden verduidelijkt die opgeworpen worden door de klassenstrijd en in de strijd voor het historisch alternatief: het kommunisme. Deze discussie kan echter vele vormen aannemen. Zo moedigen we bijvoorbeeld altijd mensen aan om ons te schrijven en ook zijn er internetforums. Maar vooral is het op de bijeenkomsten, zoals die van de voorbije zomer, waar directe discussie mogelijk is en waar in een echt debat vragen, antwoorden en bedenkingen elkaar opvolgen, dat de standpunten van de aanwezigen en de werkelijke vragen die door de klassenstrijd worden opgeworpen het best tot hun recht komen.
Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de vragen die lezers en contacten stellen organiseerden we in de aanloop tot deze discussiedag een vragenlijst met een twintigtal mogelijke onderwerpen waaruit ieder er drie van de voor hem of haar meest prangende onderwerpen kon kiezen. De hierboven gegeven bekommernissen kwamen duidelijk als meest belangrijkste naar voren:
– Waar ligt de grens tussen de maatschappelijke klassen? Wie behoort waar bij? Is er een grens en hoe bepalen we die? Wat en wie is de arbeidersklasse, waarvoor staat ze?
– Wat is kommunisme en waarom is het meer dan ooit actueel? Wat is het perspectief van het kommunisme?
We vroegen aan enkele deelnemers om inleidingen voor de twee discussies voor te bereiden, en beide verrichtten zij uitstekend werk om de grondbeginselen van deze moeilijke onderwerpen over te brengen bij de aanwezigen.
In een korte inleiding werd vooral ingegaan op de bewering dat de arbeidersklasse niet meer zou bestaan en als ze toch zou bestaan niet meer in staat is een andere maatschappij te vestigen. Strijd voor verandering van de wereld zou daarom vergeefs zijn geworden. Een van de hoofdargumenten is dat het kapitalisme grote veranderingen heeft doorgemaakt en dat we nu een nieuw economisch model hebben met grote sociale veranderingen. Zo wordt de conclusie getrokken dat dit het einde is van de revolutionaire aard van de arbeidersklasse. Maar een kapitalisme zonder arbeiders bestaat niet, er is geen kapitaal zonder uitbuiting en geen onttrekking van meerwaarde zonder loonarbeid. Tenslotte werd ingegaan op de bijzondere aard van het proletariaat die tegelijkertijd uitgebuite en revolutionaire klasse is.
Onmiddellijk stak de discussie van wal, vooral door de aanwezige jongeren. Het begon met algemene vragen over wat de arbeidersklasse momenteel is en of ze nog wel bestaat. Er werd verschillende pogingen gedaan een definitie te geven. Vanaf het begin van de revolutionaire beweging, met name door Karl Marx, werd de noodzaak aan een klare definitie van de arbeidersklasse aangevoeld. Terwijl in de negentiende eeuw niemand het bestaan van klassen ontkende, werd het echter in de loop van de twintigste eeuw moeilijker om ze te onderkennen. In de discussie groeide het naar overeenstemming dat een definitie gegeven moet worden vanuit een historisch wordingsproces, dat van een kapitalistische maatschappij die volgt op een opeenvolging van andere maatschappijen, van de oudheid tot nu toe. In dit zoeken naar een definitie werden allerlei criteria geformuleerd, zoals de plaats die de arbeiders innemen in het productieproces. De arbeidersklasse heeft geen productiemiddelen in eigendom en beslist ook niet wat er geproduceerd wordt, maar ze verkoopt haar arbeidskracht en brengt op collectieve wijze de meerwaarde voort. Maar als er sprake is van de arbeidersklasse als uitgebuite klasse dan is er ook een klasse die uitbuit, de bourgeoisie.
Hier kwam de vraag naar voren wie deel uitmaakt van de arbeidersklasse en wie van de bourgeoisie? Zo werd geleidelijk aan de hand van voorbeelden een beeld gevormd van de methode die we moeten hanteren om antwoorden te vinden. Zo werd de vraag gesteld waar bedrijfsmanagers thuishoren en waar tal van vrije beroepen. Een arbeider heeft een loon, de manager een salaris die afgaat van de winst van het bedrijf waarvoor hij werkt. Of ook waartoe de boeren behoren, of onderwijzers en verplegend personeel, want, zo werd gesteld, hoewel ze geen meerwaarde produceren nemen ze toch indirect aan de productie deel door de reproductie van de arbeidskracht, dus aan het arbeidsproces als geheel.
Er werd geconcludeerd dat er geen duidelijke, definitieve scheidslijnen bestaan tussen de klassen. We kunnen geen genoegen nemen met louter sociologische en economische definities; ook het klassenbewustzijn is van belang. Wat de doorslag geeft is waar men zich bevindt op het moment van de klassenstrijd, dat deel uitmaakt van een historische dynamiek. Hiervoor werd verwezen naar voorbeelden uit de actualiteit en uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging wat de discussie een concreet beeld gaf.
De sfeer was enthousiasmerend. Er werd naar elkaar geluisterd en op elkaars vragen geantwoord, iedereen voelde zich betrokken en op verzoek werd de discussie na de middag nog even voortgezet om dan te worden besloten met een samenvatting.
Het tweede deel van de discussie begon met een grondige inleiding waarin veel werd belicht van wat kommunisme wél is en wat níet. Aanwezigen getuigden achteraf dat ze zelden een zo omvattende uiteenzetting van de hoofdlijnen van de toekomstige samenleving hoorden. De uiteenzetting is in z’n geheel op het web terug te vinden (internationalism.org). In de discussie werd er de nadruk op gelegd dat het kommunisme het resultaat is van een hele ontwikkeling van de mensheid en niet van te voren is vastgelegd. Marxisten houden zich niet enkel bezig met de vraag van de onmiddellijke strijd van de arbeidersklasse maar vooral ook met de vraag hoe de overwinning behaald kan worden en wat de voornaamste taken na de revolutie zijn.
Het kommunisme ontstaat niet vanzelf maar is het resultaat van strijd en van oriëntaties voor die strijd. Als de arbeidersklasse niet massaal tot strijd komt zal de maatschappij wegrotten en het kommunistisch perspectief verdwijnen. Na al de campagnes over de dood van het kommunisme, het verdwijnen van de arbeidersklasse en het bankroet van het marxisme leeft de strijd echter weer op.
Over de noodzaak van het kommunisme waren er weinig vragen. In tegenstelling daartoe waren er heel veel vragen over de mogelijkheid ervan. Dat laat zien dat er een zekere bewustwording is over de noodzaak van een andere maatschappij, maar dat er veel twijfels zijn of de omstandigheden bestaan waarin de arbeidersklasse tot succesvolle strijd kan en komen. Bij de vraag naar de mogelijkheid van het kommunisme werd tevens de vraag van de menselijke aard opgeworpen. Een deelnemer bracht naar voren dat het kommunisme de verwerkelijking is van de menselijke aard maar dat dit niet hetzelfde is als wat eigen is aan de mens wat tot interessante bedenkingen aanleiding gaf. Een andere vraag die de aanwezigen bezighield was: hoe kan de arbeidersklasse strijd leveren tegen de bourgeoisie, rekening houdend met alle middelen die deze ter beschikking heeft?
Dat kan de arbeiders een gevoel van onmacht geven. Zelfs met duizenden tegelijk in staking gaan blijft weinig in verhouding tot de geweldige omvang van de taak en zo wordt het probleem gesteld van de obstakels die de bourgeoisie opwerpt en de krachtsverhouding. Het gaat er om te weten of de arbeidersklasse bondgenoten moet zoeken zoals bijvoorbeeld de boerenmassa’s in de perifere landen. Er bleven nog heel veel andere punten onaangeroerd zoals dat van de cultuur, de menselijke betrekkingen, de man-vrouw-verhouding, de dictatuur van het proletariaat en andere, meer praktische vragen rond de overgangsperiode van kapitalisme naar kommunisme.
Zoals we al zeiden zijn de aanwezigen niet de enigen die zich dergelijke vragen stellen. In een artikel over ons laatste Internationaal Congres stelden we vast dat er een nieuwe generatie van revolutionairen opkomt (zie Wereldrevolutie, nr. 102). Het volstaat te kijken naar de vele debatten in beperkte kring of op het internet, naar de correspondentie die we ontvangen van mensen die voor het eerst contact met ons opnemen, naar de discussies met allerlei nieuwe groepen, of mensen die we ontmoeten bij vergaderingen en demonstraties. Dat alles getuigt van een toenemend aantal mensen in alle uithoeken van de planeet die zich fundamentele vragen stellen over de aard van de kapitalistische maatschappij en willen debatteren over de manier waarop een alternatief gevestigd kan worden. Als organisatie willen we aan dit proces bijdragen overal en zoveel als we kunnen, met de middelen die ons ter beschikking staan. Dergelijk debat, zo werd er in de conclusie benadrukt, is een uiting van de klassenstrijd. Klassenstrijd is niet enkel strijd op het onmiddellijke vlak maar ook een politieke strijd ter verheldering.
Het resultaat van deze discussiedag is bemoedigend: mensen die elkaar voordien niet kenden traden elkaar met open geest tegemoet, luisterden naar elkaar en antwoorden op elkaar. Deelnemers uit drie landen van verschillende generaties kwamen bijeen en discussieerden in drie talen, een praktische uiting van het internationalisme dat we in onze vaandel voeren, heel anders dan volgens de ongelijkheidbeginselen van de bourgeoisie. Wat hier op kleine schaal gebeurde legde getuigenis af van het veel grotere vermogen dat de arbeidersklasse gezamenlijk kan ontwikkelen. De strijd maakt inderdaad energie vrij en niet altijd voor mogelijk gehouden creatieve vermogens. Deze discussie- en ontmoetingsdag wierp een blik op wat het proletariaat is en waartoe het in staat is.
Wij vroegen aan het eind van de vergadering uitvoerig naar de reactie van deelnemers – ze waren allemaal enthousiast. Een van de deelnemers verwoorde het zo: "veel jongeren hier zijn er zich wellicht niet van bewust maar het is jaren geleden dat ik nog überhaupt een discussie over het kommunisme heb meegemaakt, en dat doet werkelijk deugd! Nergens wordt er nog over het kommunisme gedebateerd. Dit vraagt om een vervolg!" Al in informele besprekingen na de vergadering werden er voorstellen gedaan voor toekomstige onderwerpen. Nu wordt het tijd om wat meer concrete terugkoppeling van de deelnemers te krijgen voor de volgende dag in de zomer van 2008. Gezien het succes van deze dag zouden we die immers willen herhalen en als het kan verbreden naar nog meer deelnemers. Daarom vragen we de kameraden die willen bijdragen om contact met ons op te nemen. De inleidingen en samenvattingen van de dag van 2007 worden ook op onze website gepubliceerd.
IKS / 16.01.07
16 November: De huidige staking van de machinisten in Duitsland is een groots voorbeeld van de toegenomen strijdbaarheid en strijdwil van de arbeidersklasse. Al zeven maanden zwelt nu het conflict aan rond looneisen van de machinisten en een deel van het treinpersoneel. Al zeven maanden proberen de Duitse Spoorwegen (Deutsche Bahn) om met dreigementen, met represailles en krachtpatserij de personeelsleden te intimideren.
Al zeven maanden maken de media stemming tegen de stakers. Al zeven maanden proberen gerecht en politici om diegenen die zich verzetten, het staken te verbieden of het hen af te raden. Al zeven maanden voeren de vakbonden die niet aan de staking deelnemen hetze tegen de strijdenden, en dat op een manier, die op het gebied van vijandigheid en verachting alles in de schaduw stelt, wat de werkgevers en de politici toe nog toe hebben uitgehaald. Al zeven maanden probeert de GDL (Duitse machinistenvakbond) de strijdbaarheid van de machinisten af te remmen, ze tot symbolische actie te beperken, waarbij deze nauwelijks een gelegenheid voorbij laat gaan om te betreuren, dat het er voor de GDL in de eerste plaats niet gaat over loonsverhogingen of arbeidsvoorwaarden van de machinisten, maar om het recht van een eigen vakbond, die afzonderlijke CAO’s kan afsluiten.
Maar de spoorweglieden hebben zich niet murw laten maken. Nu, na zeven maanden, hebben ze de grootste spoorwegstaking uit de naoorlogse geschiedenis van Duitsland op gang gebracht. Drie dagen lang werd het goederenverkeer gestaakt, twee dagen lang het personenvervoer in heel Duitsland. De gevolgen: één derde van alle lange afstandstreinen en de helft van alle regionale treinen vielen uit. In het oosten reed slechts 10% van de treinen. In de zeehavens begonnen de containers zich op te stapelen, en bij Audi in Brussel lag de lopende band stil omdat onderdelen uit Slowakije in het oosten van Duitsland bleven.
Toegegeven: de verwachte ‘grote chaos’ bleef uit. Geen wonder! De chaos die was aangericht, was het werk van slechts 6.000 machinisten en begeleiders, terwijl de leden van de andere vakbonden door hun zogenaamde belangenverdediging afgehouden werden van de staking, terwijl het treinpersoneel dat nog als ambtenaar werkt, moest vrezen voor de zwaarste represailles van ‘vadertje staat’ als ze aan de staking zouden deelnemen.
Het belangrijkste van deze staking – en uiteindelijk van iedere staking – is niet de mate waarin die chaos veroorzaakt, maar de mate waarin hij in staat is een perspectief te bieden tegenover de chaos waarin het kapitalisme de mensheid heeft gestort.
De staking bij de Duitse spoorwegen heeft niet enkel de strijdwil van de loonafhankelijken aangetoond, hij liet de strijdvaardigheid van onze hele klasse zien. Hij heeft de hele maatschappij er weer aan herinnerd dat wij in een klassenmaatschappij leven, waarin alles afhangt van de arbeid van de rechteloze, eigendomsloze werkende bevolking. De vertwijfelde toestand van de spoorweglieden, die ze er toe dwingt zich te verweren, maakt duidelijk dat deze klasse van de maatschappij niet alleen slecht behandeld wordt maar ook uitgebuit. Tegelijk laat hij ook de potentiële macht van deze klasse zien, die voortkomt uit het feit dat de loonafhankelijken door hun arbeid de hele maatschappij op hun schouders torsen.
Bovendien zijn deze producenten niet van elkaar gescheiden, maar met elkaar verbonden door de productie, het transport en de maatschappij. Na de val van de Berlijnse Muur gold: Het idee van de klassenmaatschappij, van de klassenstrijd, van het socialisme, stamde uit een arbeidersbeweging van de negentiende eeuw – met één woord: de ideeën van het marxisme – zouden dood en begraven zijn, leve de klasseloze prestatiemaatschappij. Nu begint het voor velen te dagen: wij leven in een klassenmaatschappij. De klassenstrijd leeft.
De levende klassenstrijd van de spoorweglieden is ook daarom zo belangrijk, omdat door de afhankelijkheid van de moderne maatschappij van haar transportmiddelen, deze staking niet doodgezwegen kon worden. Iedereen wordt er door geraakt. Iedereen voelt zich genoodzaakt om stelling te nemen. Zo draagt deze strijd er in niet geringe mate toe bij om de sociale stemming in de maatschappij te veranderen. Daarbij zijn er twee gegevens van bijzonder belang.
De arbeidersstrijd is internationaal
Toevallig werd er in Duitsland en Frankrijk bij het spoor tegelijk gestaakt. Dat het links van de Rijn ging om pensioenen, rechts van de Rijn om lonen en arbeidsvoorwaarden, toon alleen aan hoe omvattend de aanvallen van het kapitaal vandaag zijn. Maar de gelijktijdigheid van de stakingen laat vooral zien dat de strijd van de arbeidersklasse werkelijk internationaal is, zoals het Manifest van de Kommunistische Partij van Marx en Engels het ooit formuleerde (“Proletariërs aller landen verenigt U”). In Duitsland probeert de GDL de toestand van de spoorweglieden in Duitsland als uitzondering voor te stellen. De lonen van de machinisten bij de Duitse Spoorwegen zouden in vergelijking met Europa schrikwekkend laag zijn. Vandaar dat men deze bedrijfstak bijzondere toeslagen zou kunnen toekennen, zonder daarbij de algemene noodzaak te betwijfelen om de loonafhankelijke de broekriem te laten aanhalen. In Frankrijk daarentegen beweerde de regering Sarkozy, dat de Franse spoorweglieden een bevoorrechte minderheid zouden zijn, die men rustig kon aanmanen om tot aan hun pensioen langer te werken. Maar juist de internationale omvang van de klassenstrijd maakt duidelijk hoe alle arbeiders wereldwijd met dezelfde verregaande maatregelen geconfronteerd worden.
Het geheim van de arbeidersstrijd ligt in de solidariteit
Anderzijds is de populariteit van de staking bij de Duitse spoorwegen onder de bevolking aanzienlijk. De mediameesters zelf zijn ontzet over dit feit. Hoe kan het toch dat een kleine groep, die wezenlijke uit maar één beroepstak bestaat, naar men beweerd, loonsverhogingen tot aan 31% eist, en daartoe een staking organiseert die de werkende bevolking, vooral de forenzen, treft – en daarbij ook nog zo zoveel sympathie krijgt? Op de derde stakingsdag gaf een spoedenquêtes door de ARD (Duitse radio en televisie) aan dat 61% van de ondervraagden instemde met de staking, ondanks alle last en hetze van de heersende klasse!
Aangesproken op dit raadsel gaf de redactiechef van de Duitse staatstelevisie, de ARD, afdeling politiek, het volgende antwoord: “De stemming onder de bevolking is de laatste jaren ‘omgeslagen’. Tot zover werd de noodzakelijkheid van de ‘loonmatiging’ aanvaard, ook al was het met tegenzin. Ondertussen is er echter een wijdverspreide ergernis ontstaan en een ‘gevoel van ongerechtigheid’ ten overstaan van de toenemende kloof tussen arm en rijk. Men juichte de staking van de spoorweglieden derhalve toe omdat men deze als het ware als voorvechters beschouwt, die men zelf het liefst zou navolgen. En terwijl de ‘politiek’ reeds langer een algemene en groeiende afkeuring had ervaren tegenover de aanvallen op de sociale voorzieningen voor de werklozen (die ze nu door middel van kleine corrigerende maatregelen probeert te paaien), heeft men tot op heden onderschat hebben hoe groot de onvrede is geworden, vooral ten opzichte van de loonontwikkeling van de laatste jaren.”
De goede man heeft gelijk. Juist hier ligt het brandpunt van de staking: dat wat vele commentatoren de paradox van de strijd van de spoorweglieden hebben genoemd. De GDL, als organisator van de staking, propageert openlijk het afzien van de solidariteit binnen de arbeidersklasse. Iedere beroepscategorie moet op zichzelf strijd voeren. Het staat voor een trend die in het naoorlogse Duitsland relatief nieuw is, maar internationaal overvloedig bekend is: de trend naar sectorale vakbonden. Na de vereniging Cockpit voor de piloten en de Marburgse bond voor kliniekartsen komt nu de GDL op de proppen, met de belofte van een hemel op aarde voor de machinisten. Hun motto, dat open en bloot wordt uitgebazuind, luidt: “Wat de andere beroepen betreft, dat gaat ons niks aan!” De eenheidsvakbonden de DGB, op hun beurt hitsen, in naam van ‘éénheid’ en ‘solidariteit’, op tegen de stakende piloten, kliniekartsen of machinisten en schelden ze uit voor ‘bevoorrechten’, ja voor vijanden van de andere beroepsgroepen. Wat er achter deze trend naar sectorale vakbonden schuilgaat is het volgende. Enerzijds probeert men de arbeiders die zich in hele drommen afkeren van de bestaande vakbonden op te vangen in ‘alternatieve’ vakbonden, opdat de arbeidersklasse niet opnieuw zou beginnen, zoals in de jaren na 1968, om zelfstandig en zelfgeorganiseerd te strijden.
Tegelijk wil men de loonafhankelijke voor de valse keuze plaatsen van inlijving bij de sociaal-democratische éénheidsvakbonden enerzijds of anderzijds bij de geïsoleerde niet solidaire acties onder regie van de sectorale vakbonden. Dat de SPD en de DGB knorrig reageren op de nieuwe macht van de sectorale vakbonden, omdat ze leiden tot een verzwakking van de eigen macht en voorrechten binnen het staatsapparaat, verandert niets aan het feit dat deze valse keuze tussen twee vakbondsvormen, de gehele heersende klasse ten goede komt in haar strijd tegen de arbeidersklasse. Het verleent in tegendeel deze keuze – en momenteel vooral dat van de sectorale vakbond – extra geloofwaardigheid.
Dat de heersende klasse met deze houding succes kan boeken bewijst de opkomst van de GDL. Als men echter nauwkeuriger toekijkt, dan merkt men de werkende bevolking niet wordt gedreven door de droom van los van elkaar strijdende beroepsgroepen – wat voor de arbeiders een nachtmerrie zou zijn. Achter de staking van de spoorweglieden tekent zich een groeiend gevoel af van arbeiderssolidariteit. Alleen het feit dat niet enkel de machinisten, maar ook de treinbegeleiders overgingen naar de machinistenvakbond, toont aan dat het er bij de betrokkenen niet gaat om beroepsverwaandheid, maar om een zoeken naar alternatieven voor de bestaande vakbonden. En de sympathie voor de spoorwegstaking onder de bevolking toont hetzelfde. Wat de arbeidersklasse nog onzeker en tastend zoekt, zal zij niet vinden bij (om het even welke) vakbond, maar wel in de gemeenschappelijke, solidaire strijd.
Dit aftasten, dit potentieel achter het verzet tegen de kapitalistische aanvallen, mag de ogen niet sluiten voor het feit dat de strijdende spoorweglieden door de vakbonden in een tactisch isolement zijn gedreven. Zij moeten nu, zonder de grote meerderheid van de collega’s bij het Duitse spoor, geïsoleerd en afgeschermd van andere delen van hun klasse, hun strijd uitvechten. Het komt er nu op aan om initiatieven te ontwikkelen, om aan dit isolement het hoofd te bieden, doordat men in gesprek gaat met andere spoorwegbeambten, doordat men de werkende bevolking niet langer beschouwt als ‘treinklanten’, zoals de GDL dat doet, maar als medestrijders, die als loonafhankelijken allen dezelfde belangen hebben.
De spontane sympathie van de bevolking toont aan hoe volkomen fout het zou zijn om de strijd tegen de hongerlonen en slechte arbeidsvoorwaarden als een bijzonderheid van het spoor te op te vatten. Wanneer de heersenden de laatste weken geleerd hebben om bang te worden voor de strijd van de spoorweglieden en zij er nu niet langer mee dreigen om een stakingsverbod af te kondigen, dan is dat vooral omdat ze weten dat zich daarachter een algemene ontevredenheid van de arbeidersklasse ophoopt.
Bovendien moet men waakzaam zijn voor wat de ‘tariefrondes’ aan ‘oplossingen’ bekokstoven op kosten van de betrokkenen.
Voor de gehele arbeidersklasse komt het er op aan een voorbeeld te nemen aan de strijdvaardigheid van de spoorweglieden, opdat er uit een geïsoleerde botsing geleidelijk een meer algemene en solidaire strijd zou kunnen ontstaan.
IKS / 16.11.2007
Scholieren en studenten beginnen zich te roeren, niet alleen in Nederland, maar ook in België, Frankrijk en bijvoorbeeld Griekenland. Het gaat niet meer om een ‘studentenbeweging’ zoals we die gekend hebben in de jaren 1960 en 1970; nu zijn het arbeiderskinderen die de boventoon voeren omdat ze hun toekomst bedreigd zien. Dat geeft een heel ander vooruitzicht aan de beweging, die dan ook niet is afgelopen, maar die enkel een eerste slag heeft geleverd. Scholieren en studenten beginnen zich te roeren, niet alleen in Nederland, maar ook in België, Frankrijk en bijvoorbeeld Griekenland. Het gaat niet meer om een ‘studentenbeweging’ zoals we die gekend hebben in de jaren 1960 en 1970; nu zijn het arbeiderskinderen die de boventoon voeren omdat ze hun toekomst bedreigd zien. Dat geeft een heel ander vooruitzicht aan de beweging, die dan ook niet is afgelopen, maar die enkel een eerste slag heeft geleverd.
In de loop van november 2007 ontstaat door heel Nederland spontaan scholierenverzet zoals het niet meer was gezien sinds de jaren 1970. Het begint geheel spontaan, met discussie onder leerlingen waarbij allerlei ideeën worden geopperd en tegen elkaar afgewogen. De achtergrond ervan bestaat uit de algemene onvrede over de kwaliteit van het onderwijs en het uitzicht op werk dat er met de behaalde diploma’s wordt geboden.
Er is een lerarentekort door onderbetaling in het onderwijs, met de al legendarische gymleraar die uren wiskunde geeft als voorbeeld; de regering denkt dat op te lossen door de BAPO-regeling af te bouwen, zodat die voor leraren pas begint bij 60 in plaats van bij 52 jaar. Basisscholen dreigen ook hun conciërges kwijt te raken waartegen schoolleiders in Amsterdam op 8 november al wordt gedemonstreerd. Veel leerlingen eindigen niet meer een volledig diploma, maar alleen met deelcertificaten, en de scholen leiden welbewust steeds meer op voor een arbeidsmarkt die liefst laag-geschoolde, deeltijdse en onderbetaalde werkenden in dienst neemt met losse contracten. In het onderwijs is het fusies en rationalisaties alom. Ook ontstaat er steeds meer onderwijs op twee snelheden: kwaliteitsonderwijs voor wie ouders heeft die het kunnen betalen, en vuilnisbakkenonderwijs voor de rest. De onmiddellijke aanleiding voor de bredere beweging wordt uiteindelijk gevormd door het handhaven van 1040-lesurennorm, die door geen school wordt gehaald en die leidt tot de ‘ophokplicht’ van leerlingen in zinloze uren waarin er geen les wordt gegeven maar de leerlingen wél aanwezig dienen te zijn om spijbel-boetes te ontlopen.
Op vrijdag 23 november komen er naar schatting 20.000 leerlingen door heel het land op de been; de oproep daartoe wordt verspreid via msn-messenger, e-mail en sms-berichten. Op dinsdag 26 november herhaalt dit zich in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Eindhoven, Lelystad, Leiden, Breda, Alkmaar, Bussum, Arnhem, Ede en Zwolle en andere plaatsen. Daarbij wordt er volop door de leerlingen gedebatteerd, ook met docenten, ouders en schoolleidingen, waarvan er velen steun betuigen.
De eerste reactie van de media bestaat er uit de scholieren met gewelddadigheden in verband te brengen: hier en daar was er met eieren, tomaten en vuurwerk gegooid; er zou ook ‘straatmeubilair’ zijn vernield. De politie treedt hard op in onder andere Middelburg, Amsterdam, Arnhem en Ede. Natuurlijk zijn er wat ‘relschoppers’, maar deze nieuwe generatie wordt er juist door gekenmerkt instinctief een directe confrontatie met de politie uit de weg gaat; het is veeleer de politie die de confrontatie provoceert. Het CDA steekt een beschuldigende vinger uit naar het LAKS (Landelijk Actie Komitee Scholieren) en naar Dwars, de jongerenorganisatie van Groen Links.
Maar het LAKS (Landelijk Actie Komitee Scholieren) wees al deze acties af en ook Dwars was meer dan gematigd. Er werd vooral opgeroepen het spoeddebat in de Tweede Kamer van woensdag 28 november af te wachten, terwijl alleen ‘ludieke’ acties steun zouden verdienen, zoals... het op school verschijnen in carnavalspakken.
Het LAKS wierp zichzelf steeds meer op als enige ‘erkende leiding’ hoewel het nauwelijks zeventig leerlingen bij elkaar kon brengen toen er al duizenden in actie waren en op verreweg de meeste scholen is het LAKS niet eens vertegenwoordigd. Tenslotte probeerde het LAKS ook een alleenrecht op de communicatie tussen de leerlingen te verwerven via haar website en waarschuwde het tegen msn- en sms-oproepen die niet van haar afkomstig waren. Leerplichtambtenaren gaven te kennen dat de afwezigheid van leerlingen op de scholen tijdens de demonstratie alleen door de vingers zou worden gezien als het LAKS de demonstratie organiseerde terwijl de onderwijsbonden van CNV en FNV het LAKS ‘goede raad’ gaven en logistieke steun verleenden om alles ‘in goede banen’ te leiden en vooral onder controle te houden.
Voor 30 november organiseerde het LAKS een demonstratie die eerst was aangekondigd voor het Malieveld in Den Haag en vervolgens werd verplaatst naar het Museumplein in Amsterdam. Sommige schoolleidingen steunden door bussen in te zetten, andere verboden deelname door afwezigheid van school als spijbelen aan te merken. Zo werd de beweging al opgebroken. Er zouden ook identiteitscontroles plaatsvinden en in de pers werd veel geweld aangekondigd, zowel van de kant van scholieren als van die van de politie. Zo werd het net zo oninteressant gemaakt als afschrikwekkend. Desondanks waren er volgens de politie zo’n 15.000 demonstranten.
En zelfs op weg naar de LAKS-demonstratie werd er in treinen en bussen nog volop gedebatteerd; het was zeker géén makke bedoening van leerlingen die niet eens wisten waarvoor ze demonstreerden zoals in de pers is beweerd. Maar aangekomen op het Museumplein werden de leerlingen zoetgehouden met nietszeggende toespraken, met harde muziek die massale discussie onmogelijk maakte. De intimiderende aanwezigheid van politie, met waterkanon en een aanzienlijk aantal arrestaties van scholieren wegens het gooien van wat vuurwerk, gesecondeerd door een eigen ordedienst van het LAKS, maakten gedachtenuitwisseling tussen alle aanwezigen nog verder tot een illusie. Minister Ronald Plasterk noch staatssecretaris Marja van Bijsterveld van OCW vonden het niet eens nodig om op te dagen en de meeste leerlingen wisten vervolgens niet goed meer wat ze op het Museumplein waren komen doen. Maar op de internet discussie-site van het LAKS (https://www.laks.nl [55]) betoonden leerlingen zich heel kritisch:
“Wachten, wachten, wachten... Dat is het enige dat de Nederlandse scholier tegenwoordig nog doet. Wachten tot er weer een ‘zinnig’ lesuur komt, wachten tot er weer een staking komt, wachten tot de les voorbij is en wachten op resultaten! Zoals we allemaal wel weten was het ‘spoeddebat’ maar een manier om de leerlingen rustig te houden...” “Het LAKS laat zich voor het karretje van de regering spannen door niet meer op te roepen tot acties [...] zo vermoord je het hele momentum, de hele beweging die is opgebouwd. Na de veel te laat aangekondigde demonstratie in Den Haag (specifiek erop gericht om niet te veel mensen naar Den Haag te laten komen), het verplaatsen van de demonstratie van Den Haag (specifiek erop gericht een daadwerkelijke confrontatie met de regering aangegaan [bedoeld: te voorkomen]) tekent dit het LAKS.” “De scholieren moeten zichzelf organiseren, van het LAKS valt niets meer te verwachten.” “Waarom geen staking met alle docenten, leerlingen en misschien ouders die het er niet mee eens zijn?”
Wat kunnen we concluderen? Dat het vaststellen van de plaats en het moment van de actie niet kan worden overlaten aan als het LAK die beweren de belangen van bepaalde afzonderlijke bevolkingsgroepen te verdedigen maar die actie juist uitstellen tot het gunstigste moment voorbij is, als tentamens en examens naderen; en die actie organiseren op een plaats en in omstandigheden die massale gedachtenuitwisseling hoegenaamd onmogelijk maken en verdere uitbreiding van de beweging naar bijvoorbeeld leraren, ander schoolpersoneel, ouders, en meer in het algemeen naar werkenden en werkzoekenden die met precies dezelfde problemen kampen: toenemende bestaansonzekerheid. In de strijd worden diezelfde belangen juist duidelijk.
Dat is wel degelijk mogelijk, zoals bleek uit de beweging tegen de startbaancontracten in Frankrijk, waarin precies dezelfde spontaniteit aan de dag werd gelegd ten opzichte van eenzelfde onvrede. Er werden algemene vergaderingen georganiseerd op campussen en schoolpleinen, er werden delegaties naar elkaars vergaderingen gestuurd, er werden pamfletten verspreid bij het openbaar vervoer om op te roepen tot solidariteit. Het waren de scholieren en studenten die zo hun eigen beweging organiseerden en uitbreidden. Het Franse decreet werd ingetrokken, en een vergelijkbaar decreet in Duitsland werd van de tafel gehaald uit angst voor eenzelfde beweging nog voordat er ook maar iets was gebeurd.
Ondertussen blijft het nodig te debatteren, van gedachten te wisselen, de oorzaken van de problemen en onvrede te begrijpen. Dat kan een grondslag leggen voor een nog breder en krachtiger beweging. Door lering te trekken uit de voorbije beweging wordt de volgende voorbereid.
Manus / 08.01.2007
Voetnoten
Zie ook ons artikel in Internationalisme, nr. 335 over de studentenbetoging in Brussel; de talrijke artikelen over de anti-CPE (startbaancontract) beweging in Frankrijk op onze website en de bijlage over de strijd van de studenten in Frankrijk bij Wereldrevolutie, nr. 112.
Wij publiceren een pamflet dat door onze afdeling in Groot-Britanië op 24 april uitgedeeld is tijdens de algemene staking van de leerkrachten. Het toont overduidelijk aan dat de problemen en de arbeidersstrijd die we in belgië meemaken in alle europese landen op de dagorde staan.
Voor eenheid in de strijd
Op 24 april zullen 250.000 leraren en onderwijzers een ééndags-staking houden tegen het laatste loonbod van de regering. Ander personeel uit het onderwijs, ambtenaren en gemeentearbeiders sluiten zich daar bij aan. In een groot aantal steden worden betogingen en bijeenkomsten gehouden.
Er zijn zeker goede redenen om in actie te komen, niet alleen in deze sectoren, maar in de hele arbeidersklasse:
Al deze en vele andere aanvallen op de levensomstandigheden worden onder toezicht van of direct opgelegd door niet alleen afzonderlijke ondernemers maar door de staat, zowel op nationaal als plaatselijk vlak. Geconfronteerd met een verscherpende economische crisis die duidelijk van globaal karakter is ontmaskerd de nationale staat zichzelf steeds meer als de enige kracht die in staat is de maatregelen te nemen die voor het kapitalistische systeem noodzakelijk zijn: het verlagen van de loonkosten om markten te behouden en winsten veilig te stellen. Vandaar dat de staat bankroete banken in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten op de been houdt, terwijl hij arbeiders ‘loonmatiging’ oplegt, nieuwe wetten aanneemt om in de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en het onderwijs te kappen (anders gezegd, verslechtering van de levensomstandigheden), en komen er nieuwe wetten om de pensioenen te verlagen en ons arbeidsleven te verlengen. En omdat economische concurrentie leidt tot militaire concurrentie, zoals in de Balkan, Afghanistan of Irak, is het ook de staat die de sociale welvaart op grote schaal ombuigt in de richting van de wapenindustrie en oorlogsvoering.
Deze politiek is niet het gevolg van kwaadaardige enkelingen of van bepaalde regeringspartijen. Rechtse zowel als linkse regeringen voeren fundamenteel dezelfde politiek. In Noord-Amerika verheerlijkt de regering Bush het vrije ondernemerschap en houdt het toezicht op een economie waarin 28 miljoen voedselbonnen nodig zijn om te overleven. In Zuid-Amerika veroordeelt Chávez Bush, heeft hij het over ‘socialisme van de 21ste eeuw’ – en zet hij bendes ‘Bolivariaanse revolutionairen’ in om stakende staalarbeiders te onderdrukken.
Geconfronteerd met deze gecentraliseerde, door de staat uitgevoerde aanval op hun arbeids- en levensomstandigheden hebben arbeiders overal dezelfde belangen: verzet tegen loonsdalingen en ontslagen, te reageren op de afbraak van hun uitkeringen. Maar ze kunnen dat niet doen door afzonderlijk de strijd aan te gaan, per sector of bedrijf. Geconfronteerd met de macht van de kapitalistische staat moet zij een eigen macht opbouwen, gebaseerd op hun eenheid en solidariteit over allen verdelingen heen van bedrijfstakken, vakbonden of nationaliteit.
Na jaren van versplintering en wanorde zijn de arbeiders nog maar net begonnen om in de praktijk te herontdekken wat eenheid en solidariteit betekenen. Ze moeten elke gelegenheid te baat nemen om deze algemene beginselen in de praktijk te brengen. Als de vakbonden oproepen tot stakingen en demonstraties rond zaken die hen onmiddellijkraken, zoals op 24 april, dan dienen arbeiders zo massaal mogelijk te reageren – door naar massabijeenkomsten te gaan, zich bij demonstraties aan te sluiten, deel te nemen aan poortblokkades, te debatteren en ideeën uit te wisselen met arbeiders uit andere bedrijven en bedrijfstakken.
Maar pas op: de vakbonden, die zichzelf voordoen als vertegenwoordigers van de arbeiders, dienen er in werkelijkheid toe ons verdeeld te houden. Dat wordt nergens duidelijker dan in de onderwijswereld. De staking op 24 april betreft leden van de NUT in lager- en middelbaar onderwijs. Het betreft niet de leraren in het hoger onderwijs die ‘andere’ bazen hebben. Ook worden leraren van andere vakbonden er niet in betrokken, zoals van de NAS/UWT die beweert dat het niet over loon gaat, maar over werkdruk. Net zo min worden duizenden werkenden in het onderwijs die geen les geven er in betrokken, zoals assistenten, onderhoudspersoneel, schoonmakers, kantinepersoneel enzovoort, hoewel die eveneens reden tot klagen hebben. En hoewel de NUT nu harde taal gebruikt riep het in 2006, toen veel van dit personeel in staking ging, op om zich daarbij niet aan te sluiten.
Hetzelfde verhaal geldt bij de ambtenarij, bij de gemeentelijke diensten, bij de metro en de spoorwegen, en heel veel andere bedrijfstakken waar arbeiders verdeel worden over verschillende categorieën en vakbonden. De Britse staat heeft het allang onwettig gemaakt dat wie voor verschillende ondernemers werken uit solidariteit met elkaar in staking gaan. Door arbeiders aan deze wetten te houden voeren de vakbonden het werk van de staat op de bedrijfsvloer uit. Datzelfde geldt voor de wetten waardoor het de arbeiders verboden wordt om in massabijeenkomsten over stakingsacties te beslissen. Met het gedaas over vakbondsstemmingen worden de handen van de arbeiders op hun rug gebonden en wordt er voorkomen dat ze beslissingen nemen als één collectieve kracht.
Daaruit volgt dat als we zo’n macht willen opbouwen we de strijd in eigen hand moeten nemen en niet overlaten aan de vakbonds-‘specialisten’. Gemeentelijke arbeiders in Birmingham stemden in een massabijeenkomst voor deelname aan de stakingen rond 24 april. Dat is een voorbeeld om te volgen: we hebben bijeenkomsten nodig in alle bedrijven waar alle arbeiders, al dan niet vakbondslid en van alle vakbonden, deelnemen aan de besluitvorming. En we dienen er op aan te dringen dat besluiten die in massabijeenkomsten worden genomen bindend zijn, niet afhankelijk van vakbondsverkiezingen, besloten bijeenkomsten of vakbondsvertegenwoordigers.
Eenheid op de werkvloer is onverbreekbaar verbonden aan het opbouwen van eenheid met arbeiders van andere bedrijven en bedrijfstakken, of we dat nu doen door het sturen van delegaties naar hun bijeenkomsten, door deel te nemen aan hun poortblokkades of door tezamen te komen bij manifestaties en demonstraties.
Alle arbeiders oproepen gezamenlijk bijeen te komen, te staken en te demonstreren voor gezamenlijke eisen is natuurlijk ‘onwettig’ voor een straat die de ware klassensolidariteit buiten de wet wil stellen. Dit kan in het begin afschrikwekkend lijken, een al te grote stap. Maar het is precies die stap van de dingen in eigen hand nemen en zich te verenigen met andere arbeiders waaruit we vertrouwen en moed kunnen putten om de strijd voort te zetten.
En gezien het onheilspellende vooruitzicht dat het wereldwijde kapitalistische systeem ons biedt – een toekomst van crisis, oorlog en ecologische rampen – is er geen twijfel dat de strijd moet voortgaan. Hij moet vertrekken van de verdediging van onze fundamentele levensomstandigheden om deze hele sociale orde ter discussie te stellen en uit te dagen.
Amos / 05.04.2008
Op 26 maart vond een discussie plaats te Antwerpen naar aanleiding van de 5 jaar oorlog in Irak op initiatief van enkele jongeren. Iedereen was welkom om mee te discussiëren en visies te delen omtrent de oorzaken van de oorlogen die de wereld maar niet lijken te verlaten. De bedoeling was zoals op de uitnodiging te lezen viel “een vrije discussie te houden, waar oprecht wordt gezocht naar antwoorden”. De IKS steunt dit iniatief. Op 26 maart vond een discussie plaats te Antwerpen naar aanleiding van de vijf jaar oorlog in Irak op initiatief van enkele jongeren. Iedereen was welkom om mee te discussiëren en visies te delen omtrent de oorzaken van de oorlogen die de wereld maar niet lijken te verlaten. De bedoeling was zoals op de uitnodiging te lezen viel “een vrije discussie te houden, waar oprecht wordt gezocht naar antwoorden”. De IKS steunt dit iniatief.
De inleiding en de discussie bevestigen andermaal de stelling van ons laatste Internationaal Congres waar we vaststelden dat er een nieuwe generatie van revolutionairen opkomt. Een toenemend aantal mensen in alle uithoeken van de planeet stellen zich dezelfde fundamentele vragen over de aard van de kapitalistische maatschappij en willen debatteren over de manier waarop een alternatief gevestigd kan worden. Als organisatie willen we aan dit proces bijdragen overal en zoveel als we kunnen, met de middelen die ons ter beschikking staan. We publiceren hier de inleiding en een korte synthese van het debat dat volgde dat we van een der iniatiefnemers ontvingen.
Naar aanleiding van de vijf jaar oorlog in Irak houden we vandaag een discussieavond over de oorlogen die deze wereld teisteren en waar geen eind aan lijkt te komen. In de eerste plaats denken we aan de oorlog in Irak, maar ook die in Afghanistan, Israël-Palestina, Sudan, Tsjaad, Congo, Somalië, Kenya, Tsjetsjenië en onlangs nog de spanningen tussen Venezuela, Ecuador en Colombia. Voor de discussie van vanavond vertrekken we van de situatie in Irak, maar het is niet uitgesloten dat die andere ook aan bod komen. We kunnen ons bijv. de vraag stellen of er een verband bestaat tussen deze oorlogen en of er een gemeenschappelijke voedingsbodem voor deze oorlogen is.
Ik begin met een kleine schets van de toestand vandaag in Irak, om toch maar niet te vergeten wat deze oorlog concreet is: 94.000 doden, 4,4 miljoen vluchtelingen, 3000 miljard $ aan militaire kosten, vernieling van elektriciteit- en watervoorzieningen, rampzalige gezondheidszorg, ‘elke dag’ wel een aanslag (bijv. midden maart blies een vrouw zich op en maakte tientallen doden en gewonden), elke buurt in Bagdad weerspiegelt de militie waardoor ze wordt gecontroleerd, corruptie alom (bijv. verkopers moeten Iraakse legerposten omkopen als ze hun goederen aanvoeren “We zijn er slechter aan toe dan de mensen in Gaza – als ze me niet doorlaten daar, moet ik het hele gebied rond om een andere controlepost te bereiken. 99 procent kans dat ik dan dood ben.”)
Ten opzichte van deze feiten is de eerste vraag van de meeste mensen hoe deze waanzin te stoppen. Om dit te weten dienen we een andere vraag te stellen: ‘waarom deze oorlog?’ Ik stel voor van deze twee hoofdvragen – ‘waarom deze oorlog?’ en ‘hoe de oorlog stoppen?’ – te vertrekken om de discussie op gang te brengen.
Hoe is zo’n oorlog mogelijk, niemand wil zoiets toch? Toch beweren velen dat de oorlogen in Irak en Afghanistan door enkele mannen van “slechte” wil worden gevoerd: Bush, Donald Rumsfeld, Blair… of Osama Bin Laden, Saddam Hoessein, Moqtada El Sadr… Maar worden oorlogen wel gemaakt door individuen? Maken enkele personen de geschiedenis? Kan meneer Bush de koers van de machtigste staat in de wereld op zijn eentje bepalen? Is hij de leider of is hij de vertegenwoordiger van de VS haar politiek? En brengt de maatschappij waarin we leven, het kapitalisme, niet de leiders voort die ze nodig heeft?
Als het dan geen kwestie is van persoonlijkheden, is het dan misschien een kwestie van slecht beleid? Hebben de leiders ‘verkeerde’ beslissingen genomen? Of was de oorlog een goede zaak, maar werd ze verkeerd gevoerd? Dat is althans wat vele politiekers en media ons opdringen. Maar waarom oorlog voeren?
Vijf jaar geleden argumenteerde de Verenigde Staten samen met Groot-Brittannië dat Irak massavernietigingswapens bezat. Sinds wanneer steekt een staat miljarden in een oorlog enkel om een land te ontwapenen? Wie vindt de rationaliteit achter ‘een oorlog om de vrede te bewaren’ ? (“War is peace, freedom is slavery, ignorance is strength”, de leuze van de totalitaire staat uit George Orwels’ boek 1984) Na vijf jaar is het al voldoende bewezen dat dit argument hol is en niet de ware beweegreden was van de oorlog.
Wordt de geschiedenis, en dus ook oorlogen, gestuwd door persoonlijkheden, door mensen van slechte wil, een toevallig ‘slecht bestuur’ of een willekeurige goesting om een oorlog te starten? Ik denk van niet. De vragen die ik me stel zijn: Welke maatschappelijke krachten maken dat deze oorlog(en) moet(en) worden gevoerd? Wat zijn de drijfveren die de heersende klasse stuwen tot oorlog voeren? (Want zelfs de bourgeoisie wil vrede, maar wegens haar natuur als verdediger van het kapitalisme kan ze niet anders dan hypocriet zijn en de oorlog blijven mennen.) Wat is de voedingsbodem van deze oorlog(en)? Waar liggen de wortels van de oorlog? Dit zijn denk ik de essentiële vragen die ons leiden naar een antwoord gestoeld op materiële argumenten.
Volgens de antiglobalisten, altermondialisten of vele linkse organisaties zou de oorlog gevoerd worden om de olie in Irak, voor verdere verkoop of voor eigen gebruik. Hetzelfde argument geldt trouwens voor sommige oorlogen in Afrika: multinationals en/of grootmachten zouden oorlogen steunen om de grondstoffen. Maar ik kan me moeilijk inbeelden dat een oorlog waarin 3000 miljard $ in gepompt is, wordt gevoerd om de onmiddellijke winst of het eigen gebruik. Daarenboven heeft de Verenigde Staten zelf verschillende olievelden en heeft ze voldoende akkoorden met Midden- en Zuid-Amerikaanse landen om zich van petroleum te voorzien.
Een ander argument is dat de Verenigde Staten en andere landen Irak binnenvielen, niet om de olie zelf, maar om de controle over de olie en de regio. Werd de oorlog gevoerd om de invloedssfeer van ieder land te vergroten? Maar invloed over wat en waarom? Invloed over een economie die er amper is? Een afzetmarkt zijn de bezette landen ook zeker niet. Zijn het dan militaire, strategische belangen die de oorlog bepalen? Maar is het kapitalisme niet in de eerste plaats een productiewijze gericht op economisch profijt? Waarom dan Irak aanvallen? Welke belangen wegen er door: economische of strategische?
“Hoe de oorlog stoppen?” is misschien de meest gestelde of in ieder geval de meest prangende vraag. Tienduizenden protesteerden recent te Londen tegen de oorlog, tienduizenden protesteerden in de Verenigde Staten. Ook in andere landen kwamen mensen op straat. Toch houden zij en de miljoenen betogers van de afgelopen jaren de oorlog niet tegen. Hoe komt dit? Kan de oorlog wel gestopt worden zonder vernietiging van het kapitalistisch systeem? Draagt het kapitalisme de oorlog niet in zich? Wie kan de oorlog tegenhouden en hoe? We kunnen enkele historische voorbeelden aanhalen om te begrijpen wie en wat een oorlog wel en niet kan stoppen:
- Aan de vooravond van Eerste en de Tweede Wereldoorlog werden eveneens pacifistische betogingen georganiseerd en toch braken beide oorlogen uit.
- De Eerste Wereldoorlog werd niet uitgevochten tot het bittere einde zoals de Tweede Wereldoorlog, maar kwam tot stilstand. Er was massale desertie en verbroedering tussen soldaten van beide kampen, zowel aan het Oostfront als aan het Westfront. De Russische Revolutie brak uit in 1917 en in 1918 braken er stakingsgolven uit in Duitsland. Bestaat er tussen deze gebeurtenissen een verband? Ik geloof van wel.
- De oorlog in Vietnam werd gestopt, wegens enerzijds gewijzigde allianties tussen de Verenigde Staten, China en de Sovjet-Unie, maar anderzijds door een druk vanuit het Amerikaanse leger zelf, waar duizenden GI’s zich organiseerden tegen de oorlog en vanuit de Verenigde Staten, waar arbeiders in staking gingen tegen de oorlog. We kunnen ons afvragen in hoeverre het laatste het eerste bepaalde, maar dat zou ons misschien te ver brengen.
Moeten we kamp kiezen in deze oorlog(en)? Moeten we kiezen tussen terroristen, Iraakse nationalisten en imperialisten? Of zijn ze allen even imperialistisch? Ikzelf weiger te kiezen en denk dat geen enkel nationalisme, of het nu Iraaks, Amerikaans, Turks of Koerdisch is, nog iets te bieden heeft buiten nog meer oorlog, nog meer bloedvergieten. Enkel het tegenovergestelde, het internationalisme, biedt volgens mij een uitweg.
Tijdens de discussie die volgde bleken er meningsverschillen te zijn over een aantal punten. Zo bleef de vraag open of economische of strategische beweegredenen doorwogen om de oorlog te voeren. Was de oorspronkelijke bedoeling van de oorlogvoerende landen om olie te winnen en is dit uitgemond in een rampzalige mislukking? Maar wat met Afghanistan, waarvan we weten dat er economisch, buiten opium, niets te winnen valt? Strategische belangen nemen hier de overhand. Of was dit enkel een “oefenterrein” voor de latere oorlog in Irak? Is Irak dan ook een voorbereiding op een volgende oorlog?
Ook de manier om een oorlog te stoppen werd bediscussieerd. Is af en toe een ‘actiedag’ genoeg om druk te zetten op staten en hun oorlogspolitiek te wijzigen? Door zulke eenmalige acties zonder enigszins diepgaande overdenking wordt de oorlog en de maatschappij zelf die ze voortbrengt niet echt in vraag gesteld. Is het pacifisme daarbij zo onschuldig als ze lijkt?
De aanwezigen hebben tezamen op een dynamische wijze door uitwisseling van argumenten verschillende vraagstukken verhelderd. Maar nieuwe vragen dringen zich op. Het debat is duidelijk een deel van een ophelderingproces. Een ongedwongen gevoel en een werkelijke zoektocht naar antwoorden zorgden voor een aangename discussiesfeer.
een van de initiatiefnemers / 26.03.08
Cijfers en citaten:
Ondanks de talloze campagnes en media-hypes die de bourgeoisie over ons uitstort, bevestigen de arbeiders in Nederland, evenals hun klassebroeders elders, langzaam maar zeker hun strijdwil. In de diverse gevechten maakten de arbeiders in de kleinmetaal, die bij de postkantoren, de schoonmakers en de leraren duidelijk dat de arbeidersklasse zich steeds meer bevestigt als zelfstandige historische kracht. Ondanks de talloze campagnes en media-hypes die de bourgeoisie over ons uitstort, bevestigen de arbeiders in Nederland, evenals hun klassebroeders elders, langzaam maar zeker hun strijdwil. In de diverse gevechten maakten de arbeiders in de kleinmetaal, die bij de postkantoren, de schoonmakers en de leraren duidelijk dat de arbeidersklasse zich steeds meer bevestigt als zelfstandige historische kracht. Zij laat zien dat ze de enige sociale factor is die de maatschappij een vooruitzicht kan bieden, tegenover de bourgeoisie, die in Nederland nu al niet meer te bieden heeft dan hogere uitgaven, lagere inkomens en een steeds onzeker wordende toekomst voor iedereen.
Tegen de achtergrond van de voortdurende aanvallen op haar levensvoorwaarden, en met het vooruitzicht van een diepe economische recessie (1), laten de acties van het afgelopen voorjaar ons zien, dat er voor de arbeidersklasse geen andere keuze overblijft dan opnieuw de weg van de strijd op te gaan.
Natuurlijk willen links en de vakbonden ons doen geloven dat we niet teveel belang moeten hechten aan de stakingen, demonstraties en werkonderbrekingen van de afgelopen maanden. Die zouden een normaal onderdeel vormen van het spel dat nu eenmaal bij cao-onderhandelingen hoort... Ook willen ze ons maar al te graag voorhouden dat het de betrokken arbeiders niet gaat om de verdediging van hun inkomen, maar veeleer om betere bijscholingsmogelijkheden, meer opleidingskansen voor jongeren, emancipatie van de inkomens voor vrouwen en allochtonen, enzovoort.
Maar een ieder die de ontwikkelingen volgt, goed komt algauw tot de conclusie dat dit leugens zijn. Niet voor niets hebben de arbeiders in de afgelopen periode, in verschillende sectoren achtereen, openlijk hun afkeuring duidelijk gemaakt over een door de vakbonden en ondernemers gesloten cao-akkoord. Eerder gebeurde dat al in het najaar van 2006 door de arbeiders bij de ECT en bij de RET.
Vervolgens, in februari 2008, door de arbeiders bij de KPN, en zelfs bij de politie-agenten. Niet voor niets hebben de arbeiders de vakbonden zodanig druk gezet, dat deze gedwongen werden om de stakingsacties en demonstraties weken- (in de kleinmetaal) en soms maandenlang (onder de schoonmakers) voort te zetten. Niet voor niets slaagde de bourgeoisie er maar met grote moeite in om de gevechten van de schoonmakers, in de kleinmetaal en onder de politieagenten uit elkaar te houden, en in tijd en ruimte van elkaar te scheiden. Al deze aspecten samen laten zien dat er veel meer op het spel staat dan een eenvoudige vorm van vakbondsactie in het kader van cao-onderhandelingen.
De stakingen van de afgelopen maanden in Nederland volgen op arbeidersgevechten die elders in Europa zijn uitgebroken, zoals vanaf het najaar 2007 in Frankrijk, Duitsland en België (2), en die de strijdbaarheid hier de weg hebben gewezen. Dat willen zeggen: de enige weg die ons uiteindelijk een vooruitzicht biedt, is die van de verdediging van onze levensvoorwaarden, en dus van de solidariteit, van de groeiende eenheid, en van het toenemende bewustzijn van onze kracht als klasse.
Maar de arbeiders ontkomen er niet aan om hun verzet op te voeren. De verdieping van de crisis dwingt hen daartoe. In die zin is de economische crisis de bondgenoot van de arbeidersklasse. Wanneer de arbeidersklasse eenmaal de strijd opneemt, is zij wel gedwongen om hem te ontwikkelen, en op een hoger plan te brengen, wil zij werkelijke vooruitzichten scheppen voor haar eigen toekomst en voor die van heel de mensheid. De crisis van het kapitalisme biedt slechts het vooruitzicht van meer ellende en vernietiging.
Net als de arbeidersklasse over de gehele wereld ondervond zij ook in Nederland lange tijd de negatieve gevolgen van de ineenstorting van het Oostblok, en vooral de druk van de enorme campagne over de dood van het communisme (de dood van ieder zelfstandig perspectief van de arbeidersklasse). In het begin van deze eeuw begon ze de weg naar overdenking en strijd opnieuw in te slaan, maar toch had ze de grootste moeite om haar klassensolidariteit handen en voeten te geven in concrete gevechten tegen de aanvallen op haar levensvoorwaarden.
In Nederland slaagde de arbeiders er uiteindelijk in oktober 2004 in om een duidelijk teken van leven te geven, toen ze hun strijdwil en solidariteit als klassebroeders tot uitdrukking brachten in een massale demonstratie op het Museumplein in Amsterdam, als protest tegen de aanvallen op de pensioenvoorwaarden door de toenmalige regering Balkenende-2. (3)
Maar terwijl de arbeidersklasse nog enigszins beduusd zat na te genieten van de kracht die ze op die tweede oktober tot uiting had gebracht, greep de bourgeoisie de moord op cineast Theo van Gogh aan om een in Nederland nog niet eerder vertoonde mediacampagne tegen het islamitisch terrorisme te lanceren. Deze was van een dermate grote omvang en intensiteit dat ze kan worden gezien als een huisgemaakte variant van de internationale campagne die op 11 september 2001 begon, waarbij ze naadloos aanhaakte. (4)
De moord op Van Gogh, en vooral het politieke- en mediageweld dat hierdoor werd ontketend, hadden een dermate grote impact, dat men opnieuw vrij gemakkelijk werd meegesleept in het idee dat alleen de burgerlijke staat onze veiligheid, en dus indirect ook onze levensvoorwaarden in het algemeen, kan ‘garanderen’. Ieder ander idee was op dat moment weer naar de achtergrond gedrongen. Opnieuw werd het perspectief van arbeidersstrijd in Nederland nagenoeg uit ieders gedachten verdrongen.
Het arbeidersverzet had in de volgende jaren lange tijd niet meer dezelfde betekenis als in 2004. Hoewel er op internationaal vlak, en met name in Europese landen als Duitsland, Engeland en Frankrijk, belangrijke strijd plaatsvond, waarbij de arbeidersklasse veel vertrouwen in haar eigen bekwaamheid tot uitdrukking bracht, bleef hij in Nederland beperkt tot een aantal verspreid opflakkerende reacties binnen enkele sectoren.
Al met al kostte het de arbeidersklasse grote moeite om de uitwerkingen van de campagne tegen het islamitisch terrorisme te boven te komen. Het duurde tot in het najaar van 2007, toen zich met een staking onder de middelbare scholieren een nieuwe generatie aanmeldde. Deze staking vormde een cruciaal moment, een soort scharnierpunt in de verandering van de situatie aan het klassenfront in Nederland. Op dat moment werd er in de arbeidersklasse in Nederland een nieuw signaal afgegeven. Het kondigde aan dat ze, bij momenten, opnieuw in staat is om het voortouw te nemen.
In de loop van de afgelopen maanden is deze tendens bevestigd geworden door de acties onder het schoonmaakpersoneel, van de metaalarbeiders en van de leraren en de arbeiders bij de postkantoren. Zelfs bij de politieagenten, die eerder hadden deelgenomen aan gewelddadig optreden tegen actievoerende scholieren, konden de cao-onderhandelingen niet tot tevredenheid leiden.
De reactie van de bourgeoisie liet ook deze keer niet lang op zich wachten. Al in november 2007 deed zich de gelegenheid voor om een omvangrijke campagne te lanceren. De extreem-rechtse Geert Wilders lanceerde het plan om een anti-islamfilm uit te brengen. Terwijl daarmee olie op het vuur gegooid werd van de campagne die imperialistische oorlogen en terrorisme voorstelt als louter een uitwas van verkeerde religieuze opvattingen, vormde de extreme toon van Wilders voor de bourgeoisie aanleiding om een verhitte tegencampagne te starten.
De campagne was er op gericht het bewustzijn binnen de arbeidersklasse te vertroebelen en haar een rad voor ogen te draaien. Nadat jarenlang de xenofobe en anti-islam campagnes de boventoon hebben gevoerd, steekt de wind vervolgens uit de meer ‘verantwoordelijke’, ‘weldenkende’ ‘democratische’, en ‘tolerante’ sectoren van de bourgeoisie op, precies zoals de koningin het in haar kersttoespraak naar voren had gebracht, en zoals Doekle Terpstra, ex-voorzitter van het CNV, het al vorig najaar had uitgebazuind.
Het was tevens een poging van de bourgeoisie om het gewicht van de ontbinding op haar eigen politieke apparaat in te perken. Extreem-rechts populisme is een verschijnsel dat vooral de laatste tien jaar in Nederland de kop heeft opgestoken. Het is een fenomeen dat het politieke spel voor de bourgeoisie steeds moeilijker controleerbaar maakt, en dat haar met het probleem opzadelt dat steeds grotere delen van het parlement zichzelf als volkomen onverantwoordelijk ontpoppen. We hebben dit vanaf het najaar 2002 gezien met Pim Fortuyn en de rattenclub ‘LPF’. Na het stranden van Balkenende-2 zit de bourgeoisie tenslotte zowel met ex-VVD’er Wilders als met ex VVD’er Verdonk opgescheept, die elk hun eigen soepje koken aan de rechter rafelrand van haar politieke spectrum.
Hoezeer de bourgeoisie haar best ook deed, de voortdurende heisa rond Wilders en zijn filmpje sloeg bij de grote massa van de bevolking niet echt aan en begon zelfs weerzin op te wekken. Zo trok de manifestatie van het zeer democratische Nederland bekent kleur op zaterdag 22 maart in Amsterdam tegen het gedrijf van Wilders en de zogenaamd ‘gevaarlijk’ lauwe reacties van ‘de gevestigde partijen’ daarop (nog voor het maakwerk ook maar ergens was vertoond), nog geen 5000 deelnemers. Onder de manifestanten bestond er zelfs belangstelling voor onze pers, die handelde over onderwerpen als de uitholling van onze inkomens en de scholierenstaking.
Door Wilders als een onverantwoordelijk element aan te klagen, kon de rest van “de politiek” zich als ‘goede en verantwoordelijke democraten’ van hem onderscheiden. Het was voor de bourgeoisie tenslotte een koud kunstje om de heetgebakerde populist in de Tweede Kamer in de hoek te zetten en de bokkenpruik te laten dragen. Maar het is de bourgeoisie niet gelukt om de aandacht in de klasse af te leiden van de verdieping van de economische crisis, de vierkante uitholling van onze inkomens en arbeidsvoorwaarden, dreigende ontslagen, de toespitsing van militaire en oorlogsconfrontaties over de hele wereld, en problemen als de vernietiging van het milieu.
Verwoede pogingen van linkse activisten, zoals de Internationale Socialisten, om de schoonmakers mee te slepen in de voortdurende ‘democratische’ campagnes van de bourgeoisie, onder het voorwendsel dat het vooral om een bijzondere categorie van vrouwen en buitenlanders zou gaan, in plaats van om arbeidersstrijd, sorteerden geen noemenswaardig effect. Ook de schoonmakers lieten zich niet in groten getale verleiden aan de demonstratie van Nederland bekent kleur deel te nemen.
Dit maal heeft de arbeidersklasse zich dus niet van de wijs laten brengen. Ze heeft haar pogingen tot strijd gewoon doorgezet, dwars door alle campagnes heen. Het bevestigt haar vastberadenheid om ook in Nederland het pad van de klassenstrijd weer op te gaan.
Fernando & Dixoff / 19.04.2008
Voetnoten
(1) Volgens Minister van Financiën, Wouter Bos, is “de huidige financiële crisis de ergste sinds die van 1929”.
(2) - Over de strijd in Duitsland, zie elders in deze uitgave, en in:
(3) Zie onze Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze! (Bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103).
(4) Voor onze regelmatige beoordelingen van de xenofobe campagnes en van de pogingen tot arbeidersstrijd in Nederland verwijzen we graag naar onze pers en website. Voor een beschouwing over de situatie na de afgang van Balkenende-2, zie het artikel "Nieuwe bewindsploeg=nieuwe aanvallen: Alleen arbeiderssolidariteit loont! in Wereldrevolutie", nr. 110 (januari-april 2007).
Honderdduizenden gemeentelijke arbeiders in Groot-Brittanië waren in staking op 15 en 17 juli met een eis van een loonsverhoging van 6%, daarbij het voorbeeld volgend van onderwijzers en ambtenaren, en van tankerpersoneel van Shell. Ze worden ongetwijfeld gevolgd door andere arbeiders, met tekenen van onvrede in de dienstverlening, bij ambtenaren en winkelpersoneel. Honderdduizenden gemeentelijke arbeiders in Groot-Brittanië waren in staking op 15 en 17 juli met een eis van een loonsverhoging van 6%, daarbij het voorbeeld volgend van onderwijzers en ambtenaren, en van tankerpersoneel van Shell. Ze worden ongetwijfeld gevolgd door andere arbeiders, met tekenen van onvrede in de dienstverlening, bij ambtenaren en winkelpersoneel.
Prijsstijgingen drijven arbeiders tot strijd. In de laatste vijf jaar – jaren waarin de economie het zo goed gedaan zou hebben – is het gemiddelde gezin er volgens een nieuw rapport van Ernst en Young 15% op achteruit gegaan, met energierekening die sinds 2003 110% stegen, huisvesting die 45% duurder werd en benzine 29%.
We staan nu voor een dramatische verslechtering van de situatie sinds de onroerend goed-zeepbel vorig jaar uiteenspatte. In het laatste jaar moesten vier miljoen huishoudens toevlucht zoeken tot korte termijn leningen en kredietkaarten om de hypotheek af te betalen, en het in gebreke blijven over onteigening overschrijdt waarschijnlijk binnenkort die van het begin van de jaren 1990. De recessie gaat samen met inflatie. De dienstensector, die 80% van de banen vertegenwoordigt, kromp in mei, banen verdwijnen ook in de financiële sector en de bouwnijverheid. Begin juli gingen er 2.000 banen in de bouw verloren en Barratt kondigde 1.000 ontslagen aan ofwel 15% van de arbeidskracht. De officiële werkloosheid steeg tot 1,64 miljoen, 5,3% in april maar het is algemeen bekend dat daarin niet zijn opgenomen de miljoenen die gedwongen zijn van een invaliditeits- of bijstandsuitkering te leven.
Ondertussen houdt de groei van de inkomsten het ritme van de inflatie niet bij – het is zelfs gedaald. Dit is precies wat de heersende klasse wil. Mervyn King, gouverneur van de Bank van Engeland, zei dat personeel dalende koopkracht niet moet beantwoorden met looneisen omdat dat enkel de inflatie zou aanwakkeren. Er wordt gezegd dat we niet uit moeten komen bij stagflatie en looneisen zoals in de jaren 1970. Anders gezegd, arbeiders moeten opdraaien voor de crisis omdat stagflatie er ook is als we niet strijden voor loonsverhoging.
Er is veel drukte gemaakt over het slechte beheer van de omstandigheden door de regering Brown, maar de economische crisis is niet alleen iets van Groot-Brittannië, hij is wereldwijd; en het zijn niet alleen Brown of King die zullen proberen ons een verlaging van de levenstandaard op te leggen. Dat is de rol van het hele staatsapparaat, en niet alleen in dit land maar wereldwijd omdat alle arbeiders van de Verenigde Staten tot China, van Frankrijk tot Venezuela, dezelfde aanvallen ondergaan.
Alle arbeiders hebben dezelfde belangen in de verdediging tegen de aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden, maar tegenover een gecentraliseerde aanval door de staat is het onmogelijk om dat te doen als we verdeeld blijven over sectoren. Het is dezelfde strijd als we kijken naar de postbeambten van vorig jaar, onderwijzers op 24 april, Shell tankerpersoneel vorige maand of gemeentelijke arbeiders dit keer. Arbeiders zien dit iedere keer als ze solidariteit betonen.
Gemeentelijke arbeiders in Birmingham stemden er in een massale bijeenkomst voor om de demonstraties en stakingen van 24 april te ondersteunen. Tijdens de staking van de postbeambten weigerden de bestuurders van bestelbusjes de blokkades te doorbreken en wilde stakers beschermden hen als ze zich daaraan hielden. Bestuurders van andere bedrijven weigerden eveneens de blokkades te doorbreken van het tankerpersoneel van Shell. Die solidariteit verontrustte zowel bazen als vakbonden zodat ze in beide gevallen een haastig akkoord afsloten.
Toch wordt de strijd verzwakt door verdeeld te raken. Toen de onderwijzers en ambtenaren op 24 april toesloegen was dat aangekondigd als “terugvecht-donderdag” voor de hele openbare sector, maar zelfs binnen de scholen bleven de arbeiders verdeeld – NUT-leden gescheiden van NAS-leden, onderwijzers in “sixth form” colleges gescheiden van onderwijzers in andere scholen, onderwijzers stakend in april, ander personeel van dezelfde scholen in juli. We kunnen daarop alleen maar antwoorden door ons te laten binden door de vakbondsverdelingen, door solidariteit te betuigen bij de blokkades zoals in de stakingen van de postbeambten en het tankerpersoneel, en door met andere arbeiders te debatteren.
Arbeiders in Frankrijk vertoonden voorbije november dezelfde neiging to gezamenlijke strijd toen spoorwegarbeiders en studenten naar elkaars vergaderingen gingen en er het woord voerden, zelfs als dat de vakbonden niet aanstond, en ze demonstreerden tezamen. En in 2006 kwam het doordat de studenten bijeen begonnen te komen dat met arbeiders dat de Franse regering besloot de CPE in te trekken, een aanval op de arbeidsomstandigheden van jonge arbeiders. In 1980 gingen Poolse arbeiders in massastaking in antwoord op prijsstijgingen, alle arbeiders tezamen, waarmee het land werd stilgelegd, en waarmee het intrekken van de prijsstijgingen werd afgedwongen, zelfs als die later geleidelijk toch werd opgelegd.
Van The Times tot The Socialist speculeren de kranten over een zomer van onvrede. Unite heeft zich aangesloten bij Unison in een oproep tot staking aan de gemeentearbeiders, waarbij er nog 40.000 mensen worden toegevoegd aan de 600.000 die het werk zullen neerleggen. De vakbond PCS stuurde een solidariteitsbrief. Unison begon erover de driejaarlijkse CAO open te breken in deze nieuwe omstandigheden, en PCS roept op tot een dergelijke overeenkomst bij het Departement van Arbeid en Pensioenen. Laat dit geen strijdbaarheid zien aan de kant van de vakbonden? En hoe zit het met het opgaan van Unite in de Amerikaanse staalarbeidersvakbond? Toont dat niet dat vakbonden beter internationale solidariteit kunnen organiseren dan gewone arbeiders op eigen houtje?
Dit alles laat zien dat arbeiders zich bewust zijn van de onvrede binnen de arbeidersklasse en van de noodzaak om daarop te reageren, maar ze doen dat om de strijd onder controle te houden en niet om die aan te moedigen. Deze keer zegt de NUT onderwijzers om blokkades van ondersteunend personeel, schoonmaak- en kantinepersoneel te doorbreken, net zoals Unison in april van haar leden verwachtte blokkades te doorbreken. Wat betreft de solidariteitsbrief van PCS, het is een illusie, een surrogaat voor ware solidariteit die door de staat onwettig is verklaard door arbeiders die in staking gaan ter ondersteuning van anderen die dezelfde eisen stellen bij andere ondernemers. De vakbonden houden de arbeiders verdeeld door deze wetgeving op de werkvloer door te drukken. Het internatonale samengaan van vakbonden zal aan die logica niet ontsnappen en niets bijdragen aan de internationale arbeiderseenheid.
Arbeiders kunnen enkel kracht ontwikkelen om de aanvallen te weerstaan als ze zich verenigen met andere arbeiders, eerst en vooral door samen te komen over alle verdelingen heen van vakbond of beroep, om te praten over hoe de aanvallen af te slaan. Dat betekent dat we de strijd in eigen hand moeten nemen en die niet mogen overlaten aan ‘specialisten’ van de vakbonden, om er voor te zorgen dat alle arbeiders kunnen deelnemen aan de besluitvorming over hoe de strijd te voeren. Het betekent ook het zich verenigen met andere arbeiders in strijd in andere werkplaatsen en industrieën door afvaardigingen te sturen naar andere massavergaderingen en blokkades of demonstraties. Hoewel dat onwettig is en een grote stap lijkt is het de enige manier waarop arbeiders de kracht kunnen vinden om zichzelf te verdedigen en de strijd verder te voeren.
Dit is het enige vooruitzicht dat ons in staat kan stellen onze levenstandaard te verdedigen, en het zelfvertrouwen te krijgen om in de toekomst het hele kapitalistische systeem ter discussie te stellen, met de economische crisis, oorlogen en ecologische rampen die het ons in het vooruitzicht stelt.
World Revolution, 05.07.2008
Eens te meer staat de Kaukasus in vuur en vlam. Op het ogenblik zelf dat Bush en Poetin zoete broodjes bakten in Beijing en praktisch zij aan zij deelnamen aan de opening van de Olympische Spelen, het zogenaamde symbool van vrede en verzoening onder de volkeren, stuurden de beschermeling van het Witte Huis en de Russische bourgeoisie hun soldaten het veld in voor een verschrikkelijke afslachting van de bevolking. Deze oorlog heeft aanleiding gegeven tot een nieuwe quasi ‘etnische zuivering’ aan beide kanten, waarvan het onmogelijk is om het juiste aantal slachtoffers in te schatten (verschillende duizenden doden), waaronder veel burgerbevolking.
Elk kamp klaagt het andere aan de oorlogsstoker te zijn of rechtvaardigt zich met de bewering met de rug tegen de muur te hebben gestaan. Het is in antwoord op een reeks provocaties van de kant van de Russische bourgeoisie en haar afscheidingsfracties in Ossetië dat de Georgische president Saakachsvili gemeend heeft om ongestraft een brutale inval te kunnen ontketenen van de minuscule provincie van Zuid-Ossetië in de nacht van 7 op 8 augustus, met Georgische troepen die gesteund werden door de luchtmacht en die, in een oogwenk de stad Tsinkvali, de ‘hoofdstad’ van de Russisch gezinde afscheidingsprovincie, in as legden.
Terwijl voor rekening van Moskou optredende milities naar die andere afscheidingshaard in Georgië trekken, naar Abkhazië en de vallei van Kodori binnentrekken, antwoordden de Russische strijdkrachten al even wreed en barbaars met het intensief bombarderen van meerdere Georgische steden (waaronder de haven van Poti aan de Zwarte Zee, die volledig vernield werd. Zij ontmantelden de zeemachtbasis en vooral Gori, waarvan de meeste inwoners op de vlucht moesten slaan door de intensieve beschieting). In een blitzkrieg bezetten de Russische tanks één derde van het Georgisch grondgebied en ze bedreigen zelfs de hoofdstad. Pantserwagens zijn doorgestoten en paraderen nu op enkele tientallen kilometers van Tiblissi, zonder dat er enkele dagen na het staakt-het-vuren ook maar de minste schijn is van terugtrekking van de troepen. Van beide kanten zijn er dezelfde scènes van wreedheid en moorden. De bijna voltallige bevolking van Tsinkvali en omgeving (30.000 vluchtelingen) was gedwongen om de gevechtszone te ontvluchten. In het hele land bedraagt het aantal vluchtelingen, afgeschrikt en verstoken van alles (waaronder de meerderheid van de inwoners van Gori), volgens een woordvoerder van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in één enkele week al 115.000 mensen.
Het conflict lag al lang te smeulen. Zuid-Ossetië net als in Abkhazië zijn streken die verpest worden door smokkelaars van allerlei slag, het is een confetti van zelfuitgeroepen pro-Russische republieken, waarover Moskou een voortdurende controle heeft. Sinds twintig jaar, vanaf het uitroepen van de onafhankelijkheid van Georgië, zijn ze via achtervolgende oorlogen voortdurend en steeds weer het toneel geweest waar de conflicten en moordpartijen tussen de twee buurlanden worden uitgevochten. Het gebruik van Russische minderheden in Georgië om een agressieve imperialistische politiek te rechtvaardigen doet denken aan de politieke praktijk van Duitsland, niet enkel ten tijde van de nazi’s (de episode van de Sudeten in Tsjechoslovakije), maar gedurende de hele twintigste eeuw. Zoals een specialist in ‘Le Monde’ van 10 augustus verklaarde: “Zuid-Ossetië is geen land, noch een regime. Het is een gemengde maatschappij die gevormd wordt door Russische generaals en Ossetische bandieten om munt te slaan uit het conflict met Georgië”.
De toevlucht tot het meest opgeklopte nationalisme en het militair avonturisme is voor de bourgeoisie altijd al het favoriete middel geweest om te proberen de problemen van haar binnenlandse politiek te regelen. Terwijl de Georgische president, onmiddellijk na de ‘rozenrevolutie’ van oktober 2003, gericht tegen de oud ‘sovjet’ minister Shervarnadze, triomfantelijk verkozen was door 95% van de bevolking, was het voor hem moeilijk om begin 2008, en ondanks de massale steun van de Verenigde Staten, om herkozen te worden omdat hij erg in diskrediet gekomen was door fraude en autocratie. Deze onvoorwaardelijke partizaan van Washington erfde trouwens een staat die vanaf zijn oprichting in 1991 overeind hield met steun van de Verenigde Staten, als bruggenhoofd van de ‘Nieuwe Wereldorde’ van vader Bush. Dat heeft waarschijnlijk geleid tot het overschatten van de steun die hij zou krijgen van de westerse grootmachten in zijn onderneming, de Verenigde Staten voorop. Door het spannen van een valstrik voor Saakachvili, waarin deze getrapt is, heeft het Rusland van Poetin de formidabele gelegenheid te baat genomen om zijn spierballen te tonen en zijn gezag te herstellen in de Kaukasus (dat een werkelijk doorn was in het Russische oog). Dit diende als antwoord op de effectieve omsingeling van Rusland, sinds 1991, door de strijdkrachten van de NAVO.
Deze omsingeling heeft voor Rusland een onaanvaardbaar peil bereikt met de recente, door de Verenigde Staten gesteunde, aanvraag van Georgië en Oekraïne om lid te worden van de NAVO. Dat kon voor Moskou als net zo min door de beugel als het programma van het installeren van het anti-rakettenschild, in Polen en in Tsjechoslovakije. Want Rusland vindt, niet zonder reden, dat het in werkelijkheid niet gericht is tegen Iran maar tegen haarzelf. Rusland profiteerde van het feit dat het Witte Huis, waarvan de strijdkrachten verwikkeld zitten in het wespennest van Irak en Afghanistan, aan handen en voeten gebonden is, om een militair tegenoffensief te lanceren in de Kaukasus, kort nadat het met veel moeite haar gezag met moorddadige oorlogen herstelde in Tsjetsjenië.
Maar de verantwoordelijkheid van deze oorlog en de moordpartijen beperkt zich niet tot de hoofdpersonen die er direct bij betrokken zijn. Alle imperialistische grootmachten die vandaag krokodillentranen plengen over het lot van Georgië zijn zelf doordrenkt van het bloed van de gruwelijkste wreedheden. Of het nu de Verenigde Staten zijn met betrekking tot de twee Golfoorlogen, het aandeel dat Frankrijk had in de volkerenmoord in Rwanda in 1994 of ook nog Duitsland dat de aanstoot heeft gegeven tot de verschrikkelijke oorlog in de Balkan van 1992.
Het is nu wel overduidelijk dat het einde van de Koude Oorlog en de politiek van de blokken allerminst “een tijdperk van vrede en stabiliteit” in de wereld bracht, van Afrika tot het Midden-Oosten, en via de Balkan en nu in de Kaukasus. De ontmanteling van het voormalige wereldrijk van het Stalinistisch blok is enkel uitgemond in nieuwe imperialistische graaihonger en een groeiende oorlogschaos.
Georgië is trouwens de laatste jaren een belangrijke strategische pion geworden die geleid heeft tot veel verleidingsmanoeuvres uit eigenbelang. Tot dan was het in het Stalinistisch tijdperk een eenvoudige doorgang voor de Russische olie van de Wolga en de Oeral. Na 1989 is het de koninklijke weg geworden van de uitbating van de rijkdom van de Kaspische Zee. Middenin die zone werd Georgië tot een belangrijk kruispunt voor de olie en gas van de Kaspische Zee, van Kazakstan en van Turkmenistan, en sinds 2005 heeft de BTC, onder directe bescherming van de Amerikanen, de 1.800 km lange pijpleiding gebouwd. Deze verbindt de Azerische haven Bakoe met de Turkse terminal Ceyhan via Tiblissi en zet aldus Rusland buitenspel bij de levering van de petroleum vanuit de Kaspische Zee. Voor Moskou is er een naderende dreiging doordat Centraal Azië, dat 5% van de olie- en gasreserves omvat, zich opstelt als een alternatief voor de heerschappij van Rusland bij de gasbevoorrading van Europa. En zeker omdat de Europese Unie droomt van een gaspijpleidingproject van 330 kilometer, dat Nabucco gedoopt werd en parallel zou lopen met het tracé van de oliepijpleiding van BTC. Die zou de gasvelden van Iran en Azerbeidzjan direct verbinden met Europa via Turkije terwijl Rusland, wiens nieuwe baas Medvedev een oude baas is van Gazprom, als antwoord daarop een reusachtig daarmee concurrerend project op stapel zet, dat via de Zwarte Zee naar Europa geleid zou worden en waarvan de kostprijs geraamd wordt op twintig miljard dollar.
De twee blokhoofden, Rusland en de Verenigde Staten, staan vandaag weer gevaarlijk tegenover elkaar, maar in het raamwerk van inter-imperialistische verhoudingen die heel anders liggen dan in de periode van de Koude Oorlog toen er een onverbiddelijke blokdiscipline heerste. Toentertijd heeft men ons lang wijs gemaakt dat het conflict tussen de twee blokken een uitdrukking was van ideologische strijd: de strijd van de krachten van de vrijheid en de democratie tegen het totalitarisme dat gelijkgesteld werd met het kommunisme. Nu zien we goed hoe diegenen die “een nieuw tijdperk van vrede en stabiliteit” beloofden, ons hebben bedrogen, en dat hun confrontatie een dekmantel is voor een beestachtige en moordende concurrentie voor smerige en imperialistische belangen die onverbloemd tot uiting komen.
Nu worden de verhoudingen tussen de naties overheerst door het ‘ieder voor zich’. In feite is het ‘staakt-het-vuren’ niets anders dan de bevestiging van de triomf van de heersers in het Kremlin en de overmacht van Rusland op het militair terrein in Georgië en het heeft de vernederende quasi-capitulatie tot gevolg voor Georgië (waarvan de territoriale integriteit niet gewaarborgd is) onder voorwaarden die door Moskou worden opgelegd. Zo staat de parodie van de ‘vredestroepen’ die geïnstalleerd zijn in Zuid-Ossetië en Abkhazië, en die uitsluitend bestaan uit het Russische leger zelf, gelijk aan een officiële erkenning van de blijvende aanwezigheid van daadwerkelijke Russische bezettingstroepen op Georgische bodem; Rusland heeft trouwens geprofiteerd van zijn militair voordeel om zich opnieuw te installeren in Georgië in zo ongeveer het hele Georgische territorium en wel ten nadele van de ‘internationale gemeenschap’.
Dit is een klinkende tegenslag voor de ‘peetvader’ van Georgië, de Amerikaanse bourgeoisie. Terwijl Georgië een zware tol heeft betaald (en een contingent van 2.000 man zond naar Irak en Afghanistan) als blijk van zijn leenplichtigheid aan de Verenigde Staten, had Uncle Sam zijn bondgenoot niets anders te bieden dan morele steun en het uitbazuinen van betekenislozen verbale veroordelingen van Rusland, zonder ook maar een vinger uit te steken voor de verdediging van Georgië. Het belangrijkste aspect van deze verzwakking is dat het Witte Huis geen enkel alternatief plan kan voorleggen tegenover dit wankel ‘staakt-het-vuren’ dat ineengeflanst werd en waardoor het wel het ‘Europese plan’ moest slikken, en erger nog een plan waarvan de voorwaarden gedicteerd worden door de Russen zelf. Nog vernederender is dat haar vertegenwoordigster, Condoleeza Rice, op reis moest om de Georgische president te laten tekenen. Dat zegt veel over de Amerikaanse onmacht en de neergang van de grootste wereldmacht. Deze nieuwe etappe in de uitdrukking van haar verzwakking kan enkel bijdragen tot nog meer diskrediet in de ogen van de hele wereld en moet de staten die mikken op haar steun, zoals Polen en de Oekraïne, wel verontrusten.
Als de Verenigde Staten hun onmacht tonen, dan laat Europa met betrekking tot dit conflict het peil zien dat bereikt is in het ‘ieder voor zich’. Tegenover de Amerikaanse verlamming trad de ‘Europese diplomatie’ in werking. Maar het is veelbetekenend dat Sarkozy, die daarvan de woordvoerder is, als zittend voorzitter van de Europese Unie, meestal enkel zichzelf vertegenwoordigt in zijn verontwaardigingwekkend ‘heeft u mij gezien?’, dat enige samenhang ontbeert met een kampioenschap in kortzichtige koers op internationaal vlak. Eens te meer heeft Sarkozy zich gehaast om zijn graantje bij te dragen in het conflict om er eer van op te strijken. Maar het ‘fameuze Franse vredesplan’ (hij is er nauwelijks in geslaagd om de illusie in stand te houden en het te laten doorgaan voor een groot nationaal en Europees succes) is slechts een belachelijke schijnvertoning die er maar nauwelijks in slaagt om te verdoezelen dat de voorwaarden eenvoudigweg worden opgelegd door de Russen.
Wat Europa betreft, hoe zou het er winst kunnen uit slaan als haar standpunten en belangen daar diametraal tegenover elkaar staan? Hoe zou zij één gram eenheid kunnen bereiken, terwijl Polen en de Baltische Staten de meest fervente verdedigers zijn van Georgië door hun diepgewortelde anti-Russische gevoelens en anderzijds Duitsland dat, uit verzet tegen de Amerikaanse inpalming van de regio, behoorde tot de meest vastbesloten opposanten tegen de integratie van Georgië en de Oekraïne in de NAVO? Als Angela Merkel onlangs een ommezwaai maakte door de Georgische president te verzekeren van haar steun voor zijn kandidatuur, dan komt het doordat zij daartoe gedwongen wordt door de groeiende impopulariteit van Rusland. Dat gedraagt zich aanmatigend in heel Georgië, alsof het in een veroverd gebied is, en is voortaan overgeleverd aan de algemene afkeuring van de ‘internationale gemeenschap’. Desalniettemin doet Europa denken aan een wespennest met Frankrijk, dat door ‘cavalier seul’ proberen te spelen, en door de geit en de kool te willen sparen, Poetin een dienst heeft bewezen. En dan was er nog Groot-Brittannië, dat zeer snel de verdediging opgnam van Georgië om zich beter te weer te stellen tegen haar grote rivaal, Duitsland.
De winst die Rusland er zelf puurt is zeer matig. Het heeft vast en zeker haar imperialistische positie op de korte termijn versterkt, niet alleen in de Kaukasus, en zich doen vrezen op het internationaal toneel. De Russische vloot is heer en meester geworden op zee en dreigt er mee alle schepen tot zinken te brengen die zich in de regio tegen haar zouden kunnen verzetten. Maar ook al versterkt zij haar onmiddellijke posities in de Kaukasus, toch is deze militaire overwinning ontoereikend om het project voor het anti-rakettenschild op Europees grondgebied te ontmoedigen: in tegendeel, het stimuleert het Witte Huis om het versneld door te voeren zoals blijkt uit het akkoord dat pas getekend werd met Polen voor de uitvoering ervan op Pools grondgebied. Als represaille bedreigde de adjunct van de Russische stafchef Polen door het aan te wijzen als eerste doelwit van zijn kernarsenaal.
In feite heeft het Russische imperialisme minder belang bij de onafhankelijkheid of de inlijving van Zuid-Ossetië en van Abkhazië dan het touwtjes kunnen trekken in de onderhandelingen die het zal moeten voeren over de toekomst van Georgië. Maar in de grond onthullen zijn oorlogszuchtige agressiviteit en de ontzaglijke militaire middelen die het heeft ingezet in Georgië de oude angst die het opwekt bij zijn rivalen en zorgt ervoor dat het zich meer dan ooit diplomatiek geïsoleerd heeft in de poging om uit zijn isolement te breken.
Geen enkele grootmacht kan beweren meester te worden of zelfs maar de toestand te controleren, en de wisselende bondgenootschappen die wij nu meemaken zijn een treffende vertaling van de gevaarlijke destabilisering van de imperialistische verhoudingen.
Daarentegen leidt het geen enkele twijfel dat alle grootmachten, groot en klein, dezelfde belangen hebben en dezelfde drang om een rol te spelen op het diplomatiek terrein in een regio van de wereld waar de geo-strategische belangen zwaar doorwegen. Dit onderstreept de verantwoordelijkheid van de grootmachten van om het even elke omvang in de deze situatie, met de olie en het gas van de Kaspische Zee of van de meestal Turkssprekende landen van Centraal-Azië, waar weliswaar de levensbelangen op spel staan van Turkije en Iran in deze regio van de wereld, maar waarbij de hele wereld betrokken is. Men kan trouwens des te gemakkelijker de mensen als kannonenvoer gebruiken in de Kaukasus omdat deze regio een mozaïek is van multi-culturele verknopingen: de Osseten zijn bijvoorbeeld van Iraanse afkomst… Het is gemakkelijk voor de ene of andere grootmacht, die er belang bij heeft, om bij een degelijke verbrokkeling het vuur van het nationalisme aan te wakkeren. Het heerszuchtige verleden van Rusland weegt ook zwaar door. En het is een voorafspiegeling van andere imperialistische spanningen in de toekomst die nog ernstiger en breder zullen zijn: we hebben de ongerustheid en de mobilisatie gezien van de Baltische staten en vooral van Oekraïne, een militaire grootmacht dat met zijn kernarsenaal van een heel ander formaat is dan Georgië.
Deze oorlog verhoogt het risico van verdere destabilisering, niet enkel op regionaal vlak, maar ook op wereldschaal, met onvermijdelijke gevolgen voor het imperialistisch evenwicht in de toekomst. Het ‘vredesplan’ is zuiver nep, zand in de ogen dat alle ingrediënten bevat voor een oorlogsescalatie in de toekomst, die het lont in het kruidvat kan steken van een doorlopende keten van brandhaarden van de Kaukasus en tot in het Midden-Oosten.
We maken een opeenstapeling mee van risico’s op uitbarstingen in verschillende dichtbevolkte zones van de planeet: de Kaukasus, Koerdistan, Pakistan, Midden-Oosten, en ga zo maar door. Niet alleen tonen de imperialistische grootmachten er eens te meer hun onvermogen om de problemen op te lossen en wakkeren ze de brandhaarden van de conflicten juist nog aan, maar elk open conflict betekent telkens weer een hogere inzet bij wat er bij de botsingen op spel staat. Dat toont eens te meer aan dat het kapitalisme niets anders te bieden heeft dan de ontketening van oorlogsbarbarij en moordpartijen waarbij steeds grotere delen van de bevolking gegijzeld worden en waarvan zij het slachtoffer zijn. Het ballet van de gieren over Georgië is slechts één schakel in de bloedige en monsterlijke oorlogssabbat die door het kapitalisme onophoudelijk gedanst wordt in de wereld.
W / 17.08.2008
Op 84-jarige leeftijd is 2 september 2008 Joop Wandelee overleden. Er is niets vreemds aan dat we deze Amsterdamse arbeider en anarchist, die via vader en grootvader uit de school van Domela Nieuwenhuis kwam, en die we al van vóór het ontstaan van onze organisatie kenden, in ere houden. Joop was namelijk een overtuigd proletarisch internationalist. Ook al was hij het voor het overige volslagen met ons oneens, hij was zich er ten volle van bewust dat we dit punt gemeenschappelijk hadden. Van jongs af aan stond hij open voor debat met ‘radencommunisten'. Hij verdedigde dat ze, anders dan stalinisten en trotskisten, waarachtige klassenstrijders waren.
Wars van ieder kleingeestigheid kwam hij meerdere malen naar onze bijeenkomsten om te debatteren. Ook zette hij anderen daartoe aan, zoals vooral voor het marxisme-anarchisme debat te Amsterdam in november 1999, waar we stevig, maar ook in volle onderlinge solidariteit, de degens met elkaar hebben gekruist (1). Hij verdedigde onze aanwezigheid op de Pinksterlanddagen in Appelscha en reageerde met verontwaardiging op de "sektariërs" van de anarchistische boekenbeurs in Utrecht die ons de toegang weigerden en hij noemde het "schandalig" dat er binnen de anarchistische wereld mensen waren die "zichzelf anarchist noemen en klassenstrijders uitsluiten", en die zelfs probeerden om ons van het voetpad voor het gebouw te jagen. Bij ons voelde hij zich altijd welkom.
Dat was Joop, eenvoudig, eerlijk, recht door zee, luisterend naar argumenten, solidair en nooit bang zijn overtuiging met vuur tegenover iedereen te verdedigen.
IKS /14.12.2008
Voetnoten
(1) De Hollandse Linkerzijde, een brug tussen Marxisme en anarchisme?, in Wereldrevolutie, nr, 89; Stellingname over het publiek debat in Amsterdam: De onmacht van de anarchisten om het kapitalisme te bestrijden, in Wereldrevolutie, nr. 90, en Debat over anarchisme/radenisme: Antwoord aan Daad en Gedachte, in Wereldrevolutie, nr. 91; Zie tevens: De Vrije
Wij publiceren hieronder een tussenkomst omtrent het vraagstuk van de eenheid en solidariteit die verschenen is op een discussieforum van de CNT-AIT. Deze tussenkomst is van bijzonder belang omdat ze een aantal wezenlijke en historische aspecten behandelt van de arbeidersstrijd.
‘Neen aan de eenheid, ja aan de solidariteit'
Tegenover het geweld van het kapitalisme, tegenover de alomtegenwoordige repressie die georganiseerd wordt door de machthebbers, maar ook ter ondersteuning van de strijd die onvermijdelijk steeds harder zal worden en die al de moeilijke momenten zal doormaken die men zich kan voorstellen, zal het vraagstuk van de éénheid gesteld worden, zelfs in onze eigen rangen. Maar de vraag stellen in die termen, betekent overduidelijk dat men de richting van het antwoord al bepaalt, dat men het opsluit in een valse evidentie.
Een mogelijke en redelijke oppositie.
Onder het vaandel van anti-sarkozysme beginnen al oproepen tot éénheid te verschijnen. Zelfs diegene die uitgaan van een syndicalisme dat beweert apolitiek te zijn hebben een déjà-vu politiek smaakje en als dusdanig zijn deze teksten de voorlopers van manoeuvres die op komst zijn. Zo kan men bijvoorbeeld in de oproep van het nationaal comité van ‘Solidaires' van 7 februari 2008 lezen : "het gaat om de opbouw van een beweging van grote omvang op nationale schaal tegen de politiek van Sarkozy en Fillon".
Uitgebroed door de commandoposten uit de hoek van de politiekers-oppositie, klinken zulke verklaringen ondanks hun harde toon, als een uitnodiging om aan te sluiten bij een mogelijke en redelijke oppositie. Ze vertrekken van die andere valse vanzelfsprekendheid, namelijk dat we eerst deze regering moeten weg krijgen en dat we vervolgens wel zullen zien. Zo bouwen ze eigenlijk verder op de algemene misleiding die ons vanaf 2002 daarheen geleid heeft waar wij nu zitten. Historisch gezien heeft dit soort prietpraat de weg trouwens altijd wijd opengesteld voor een proces dat, eenmaal omgevormd tot een reactie op een situatie, elke wil tot contestatie in een keurslijf perst.
‘Jullie spelen in de kaart van het gezag'
Wie weigert zich aan te sluiten bij zo'n simpel manicheïsme, wie weigert enkel te kiezen ‘voor' of ‘tegen' Sarko, wie weigert mee te stappen in dat 'allen samen' dat als ‘de' oplossing voorgesteld wordt, stelt zich bloot aan een heftige afwijzing: "Jullie spelen in de kaart van de gezag", slingert men ons in het gezicht. Werkelijk? Laten wij dat eens van naderbij bekijken.
Eerst en vooral is Sarkozy niet ‘het gezag', heel het gezag. Het is enkel de clown van dit moment, die in een klein land van de wereld het politiek gezag belichaamt. Dat zijn optreden ronduit schadelijk en walgelijk is, staat buiten kijf. Maar dat de werkelijke macht elders ligt staat ook als een paal boven water. In de grond weet iedereen dat deze ligt bij diegenen die hier en elders het kapitaal in handen hebben. Het kapitaal is bereid om een kleine president te vervangen door een andere, meer respectabel of een nog grotere clown, naargelang zijn belangen dat vereisen.
Het afgezaagde voorwendsel van de hoogdringendheid.
In de tweede plaats: wij eisen debat en discussie, dat de kritiek in al haar kracht, haar duurzaamheid en haar levendigheid gehoord wordt. Dan werpt men ons iets tegen dat van een heel andere orde en betekenis is. Dit scheldend verwerpen van meningsverschillen duidt erop dat die oproepen tot eenheid niet alleen gezien moeten worden in het perspectief van gezamenlijke actie, maar wel in die van een eenvormig denken. Het is de bekentenis dat elk meningsverschil als gevaarlijk beschouwd wordt. Maar is het dan nodig om eraan te herinneren dat een mensengemeenschap die geen meningsverschil duldt, een autoritaire maatschappij wordt genoemd, als het al niet puur en simpel een dictatuur is? Moet er nog aan herinnerd worden dat ‘morgen' ‘vandaag' voorbereid wordt ? Eerder dan onder het voorwendsel van ‘hoogdringendheid' mee te werken aan het zoveelste oplappen van de huidige maatschappij, verkiezen wij, wat ons betreft, de voorwaarden te stellen van de vrije mensheid waar wij naar streven.
Een beetje sociale biodiversiteit.
Periodes van spanning zoals vandaag gaan zwanger van conflicten op de werkvloer, zijn gunstig voor het ontluiken van nieuwe vormen van strijd, en samen daarmee van nieuw gedachtegoed. Ze bevatten de mogelijkheid van het ontwaken van ‘de utopie' in de uitgebuite klasse, van het ontluiken van nieuwe perspectieven.
De institutionele kartels die oproepen tot éénheid proberen deze opkomende sociale biodiversiteit te steriliseren. Zij verliezen niet uit het oog dat hun werkelijke rol erin bestaat om iedereen terug te brengen naar de schaapstal van de kapitalistische routine van zodra de schermutselingen voorbij zijn. Want wat de leiders van de éénheidsge-dachte in de grond meer vrezen dan Sarkozy, is een revolutie.
Immers tegenover de algemene onderdrukking die wij allen beleven, zijn al diegenen die nood hebben aan solidariteit revolutionairen, of kunnen het worden. Al wie solidair is met de slachtoffers van dit systeem zijn revolutionairen of kunnen het worden. Terwijl de eenheid bijdraagt tot de integratie in het systeem, behoort de solidariteit tot het revolutionaire proces. Ze is de ware voorwaarde voor een collectieve houding, een basisdaad van het bestaan dat iedereen op zijn niveau in praktijk kan omzetten. En ze respecteert de zelfstandigheid van de daad en gedachte van iedereen, individu of collectief. Ze overstijgt de politieke en vakbondsorganisaties, en om die reden willen deze laatsten haar altijd verschrompelen in termen van éénheid en frontvorming.
Als gevolg daarvan roepen wij, wat ons betreft, niet op tot éénheid maar tot solidariteit. Wij roepen er iedereen toe op om zijn zelfstandigheid van gedachte, uitdrukking en actie te behouden. Wij roepen op tot solidariteit met diegenen die onderdrukt worden, of wij nu wel of niet hun standpunt delen, of wij nu wel of niet denken dat hun tactiek fout is. Of zij nu vakbondsmilitanten zijn die overgaan tot directe actie, of burgers die op heterdaad betrapt worden bij het beschermen van kinderen, of zij door de anarcho-autonome media voorgesteld worden als ‘rookbommenwerpers', zij zijn allemaal, op hun manier, verzetsstrijders. Zij verzetten zich tegen de loonslavernij, tegen de razzia's, tegen de berusting. Als zodanig verdienen zij zeker en vast onze sympathie. Maar om die reden gaan wij nog geen politiek, bewoners- of syndicaal bondgenootschap aan met hun respectievelijke bewegingen, of zullen wij nalaten een kritische balans te maken van een of andere ideologisch standpunt of strategie. En dat omdat zich, buiten de problematiek van de repressie, op een zeer concrete wijze, de noodzaak doet gelden van een andere toekomst".
Uit Discussieforum van de CNT-AIT in Frankrijk.
Ons antwoord:
Eerst en vooral begroeten wij met enthousiasme deze oproep tot solidariteit met al diegenen die het slachtoffer zijn van het geweld van het kapitalisme, een oproep die volledig overeenstemt met de wereldcontext van de wederopkomst van de klassengevechten waarbij weer, en in toenemende mate, een van haar wezenlijke bestanddelen tot uitdrukking komt: de solidariteit en éénheid van de arbeidersklasse.
De kameraden die deze tekst schreven, onderstrepen hun verwerping van de ‘éénheid' voor een ‘anti-sarkozysme' ten allen prijze, een ‘éénheid' die tot een soort ‘sine qua non' (onvoorwaardelijke) voorwaarde geworden is van een oppositie tegen de huidige regeringspolitiek. Zij benadrukken terecht het feit dat dit ‘antisarkozysme' de krachten zou verzamelen voor een verandering, wat ook de politieke opties mogen zijn voor deze verandering, en dat dit totaal voorbijgaat aan het feit dat Sarkozy niet meer is dan de stroman van de bourgeoisie als geheel. Wij ondersteunen nadrukkelijk dit standpunt, omdat het zo duidelijk ingaat tegen al de propaganda die van Sarkozy de wrede en groteske zondebok wil maken van de toestand die de arbeidersklasse vandaag ondergaat. Zoals de kameraden stellen is de president van de ‘Franse Republiek', ook al is hij bijzonder ‘walgelijk', desalniettemin nooit meer dan "enkel de clown (...) die de belichaming is van het politiek gezag".
In die zin klopt het dat de oproepen tot ‘éénheid' tegen zijn politiek het bed spreiden voor compromissen met links, ultralinks en de vakbonden, alle politieke krachten die ruimschoots bewezen hebben openlijk deel te nemen aan het saboteren van de belangen van de arbeidersklasse. Nochtans komen de kameraden er in hun logica toe om het vraagstuk van de éénheid van de arbeidersklasse en dat van de solidariteit tegen elkaar op te zetten. Wat ons betreft bestaat er geen scheiding tussen beide, het zijn twee aspecten van de arbeidersstrijd die zich stellen in de concrete beweging van het proletariaat en zijn klasse-aard.
Zo komt het dat uit solidariteit met de stakingen van de Engelse arbeiders het idee ontstaan is, en dan de oprichting een feit werd, van een internationale arbeidersorganisatie (die het licht zag met de Eerste Internationale, de Internationale Arbeiders Associatie), in de tweede helft van de 19e eeuw. Deze internationale solidariteit kon geen vaste vorm krijgen zonder het bewustzijn binnen de proletarische rangen van een éénheid in hun belangen, over die van de beroepstakken heen, en verder reikend dan de ‘natie' waartoe ze behoorden. Om die reden is het ordewoord van het ‘Kommunistisch Manifest' van 1848, een ordewoord dat sinds 160 jaar nooit uit de actualiteit is geweest en dat zal zo blijven tot aan de komst van het kommunisme : "Proletariërs aller landen verenigt u !".
Natuurlijk houden de reactionaire krachten van de bourgeoisie, of ze nu van links, van rechts of van de vakbond zijn, er niet mee op om ons met een min of meer radicaal woordgebruik de oren af te zagen over ‘éénheid', maar ook over ‘solidariteit'. Zo was de vakbond ‘Solidarnosc' de voornaamste bouwmeester van de sabotage en het internationaal isolement van de arbeidersstrijd in Polen in 1980. Dit maakte het mogelijk om de proletariërs aan handen en voeten gebonden over te leveren aan de repressie die geleid werd door generaal Jaruzelski in december 1981.
De bourgeoisie en haar media bevuilen en ontaarden al wat een karaktertrek vormt van de beginselen van wat menselijk is. En zij doen nog meer hun best, met de steun van de leugenaars van ‘links' en ultralinks, als het om de ‘éénheid' en de ‘solidariteit' onder de arbeiders gaat. Ze willen ons immers doordrenken van het idee dat ‘solidariteit' slechts een voorbijgaande daad is, of buiten elk idee van klasse staat, en dat als men zich ‘verenigt', dat is omwille van bijzondere en beperkte belangen, tegengesteld aan de solidariteit.
Wij, van onze kant strijden, zoals de kameraden het zeggen "voor de noodzaak van een andere toekomst", maar de mogelijkheid van deze andere toekomst kan enkel gegrondvest zijn op het doorvoeren van een strijd die de solidariteit gebruikt als een wapen voor de opbouw van een éénheid tussen alle proletariërs. De solidariteit ligt aan de oorsprong van het ontstaan van een werkelijke éénheid in de strijd en in de verdediging van onze belangen. Solidariteit en éénheid die samen vorm zullen krijgen in het bewustzijn om deze wegrottende wereld te veranderen om een andere op te bouwen: de kommunistische wereldmaatschappij.
E / 25.10.2008
Verschillende belangwekkende reacties werden ingestuurd. We overlopen hieronder een aantal bedenkingen en vragen die essentiële facetten van de situatie naar voren brengen.
- Is een eerlijk en moreel kapitalisme mogelijk?
Is er dan geen ‘beste mogelijke scenario' waarbij "de leidingen van sociale en politieke organisaties waarvan we mochten veronderstellen dat ze voor een leefbare menselijke wereld opkwamen, inzien dat een globaal programma met een antwoord op de noden van onderontwikkelde en meer welvarende landen nodig is" vraagt lezer O. zich af ? "Had men de bedrijven en beurzen rechtvaardig belast, het geld zou bij de gewone mens en in de echte economie terechtgekomen zijn en niet op de virtuele beurzeneconomie in rook zijn opgegaan".
Deze bedenking sluit aan bij wat politici en economische beleidsmakers ons vandaag vertellen: de onverantwoordelijke topmensen en speculanten moeten worden gestraft en de financiële wereld moet ‘moreler' gemaakt worden om de excessen die de huidige crisis veroorzaakt hebben te beletten en om een terugkeer naar een ‘gezond kapitalisme' mogelijk te maken. Wat ze hierbij niet vertellen is dat de ‘groei' van de voorbije jaren net mogelijk was dank zij deze ‘excessen', m.a.w door een algemene vlucht vooruit van het kapitalisme in de schulden en de ‘casino'-economie. Het zijn niet de ‘excessen van de financiële wereld' die de echte verantwoordelijkheid dragen voor de huidige crisis; de excessen en de financiële crisis, waarbij naar schatting fondsen met een tegenwaarde van vier jaar wereldproductie in een paar weken in rook opgingen, zijn slechts een uitdrukking van de onoplosbare crisis, van de historische impasse waarin het kapitalistische systeem als geheel verzeild is. Daarom ook komt er geen ‘einde van de tunnel', ondanks de talloze redding- en relanceplannen. De diepe oorzaken van de crisis zijn steeds aanwezig: een markt die verzadigd is met onverkoopbare goederen en financiële instellingen, ondernemingen, staten en particulieren die onder een zware schuldenlast gebukt gaan.
- Is socialisme gelijk te stellen met planeconomie?
Volgens lezer J.B. zouden wij als communisten een planeconomie voorstaan : "Jullie zijn op geen enkele manier een bedreiging voor de bourgeoisie, in feite onderstrepen jullie de macht van de bourgeoisie door aan te geven geen enkel perspectief te kunnen bieden. Hoe geven jullie dat aan: door voor de planeconomie te zijn. (...) Merk verder op dat de planeconomie helemaal niet iets is wat uit de bevolking zelf voortkomt, ook niet tijdens revoluties. Wat uit de bevolking voortkomt is het arbeiderszelfbestuur van bedrijven".
Deze reactie drukt de verwarring uit tussen socialisme en staatsplanning, die door het stalinisme, dat voortvloeide uit de ondergang van de Russische revolutie en zich als marxis-me voordeed, wijd verspreid werd. Immers, het ware socialisme dat door het marxisme en de revolutionairen gedurende de hele geschiedenis van de arbeidersbeweging verdedigd is, heeft niets te maken met de staat. Het socialisme komt zelfs neer op de ontkenning van de staat. De opbouw van een socialistische gemeenschap vereist in de eerste plaats de vernietiging van de staat in alle landen.
De staatstussenkomst voor de regulering van de economie, om ze ‘ten dienste te stellen van de burgers' enz., heeft niets te maken met het socialisme. In de eerste plaats omdat de staat nooit ten dienste staat van ‘alle burgers'. De staat is een orgaan van de heersende klasse en is gestructureerd, georganiseerd en opgevat om de belangen te verdedigen van de heersende klasse en om het productiesysteem in stand te houden die hem ondersteunt. De meest democratische staat ter wereld is nog steeds een staat ten dienste van de bourgeoisie en verdedigt met hand en tand het kapitalistisch productieregime. Op de tweede plaats heeft de specifieke tussenkomst van de staat op economisch vlak geen ander doel dan het vrijwaren van de algemene reproductiebelangen van het kapitalisme en van de kapitalistische klasse.
Gedurende de 20e eeuw, met de intrede van het kapitalisme in zijn historische vervalperiode is de staat geworden tot het grootste bolwerk tegen de aanscherping van de tegenstellingen van sociale, oorlogszuchtige en economische aard. De 20e en 21e eeuw worden gekenmerkt door de universele tendens naar staatskapitalisme. Deze tendens doet zich voor in alle landen, wat ook hun politiek regime moge zijn. Er bestaan hoofdzakelijk twee manieren om dat staatskapitalisme te verwezenlijken:
- De min of meer totale verstaatsing van de economie: dat is wat er bestond in de USSR of wat er op dit ogenblik nog bestaat in China, Cuba en Noord-Korea.
- De combinatie van staatsbureaucratie en de private grootbourgeoisie (zoals in de Verenigde Staten, Frankrijk, Nederland of België bijvoorbeeld).
In beide gevallen is het de staat die de economie controleert. In het eerste type beschikt hij over een groot deel van de productiemiddelen en diensten. In het tweede type komt de staat tussen in de economie via een serie indirecte mechanismen: budgetten, fiscaliteit, opkopen van bedrijven, vaststellen van de interbancaire rentevoeten, regulering van de prijzen, boekhoudkundige normen, staatsoverlegorganen, inspectie, investering, enzovoort.
Kan het arbeiderszelfbestuur van de bedrijven een alternatief vertegenwoordigen tegenover deze staatskapitalistische politiek? Het is een illusie te geloven dat door de arbeiders zelfbestuurde ondernemingen als alternatieve eilandjes kunnen overleven in het wereldkapitalisme. Zelfbestuur binnen het kapitalisme leidt tot zelfuitbuiting, niet tot bevrijding uit de wurggreep van het kapitalisme. Alleen een omverwerping van het kapitalisme en een machtsovername door de arbeidersraden kan leiden tot de emancipatie van de arbeiders en het redden van de mensheid.
- Is de analyse van de huidige recessie door de IKS niet al te ‘zwartgallig'?
"(...) de titel wekt de indruk dat het kapitalisme reeds bankroet is ("het kapitalisme is een bankroet systeem, ..."), meent lezer G. "Hiermee ben ik het niet eens: het is overduidelijk dat het kapitalisme nu nog bestaat en het zal ook niet ten ondergaan uit zichzelf - hoe diep en lang de crisis ook moge zijn. Het zal niet failliet gaan op eigen krachten. Integendeel, keer op keer vindt de bourgeoisie een manier om toch nog haar systeem in stand te houden. (...) we zijn niet in 1929! De bourgeoisie zal de crisis uitsmeren in de tijd, zodat de opkomst van sociale conflicten niet in één keer spontaan uitbarst".
Dikwijls stellen burgerlijke economisten inderdaad dat we te maken hebben met een ‘cyclische crisis', zoals het kapitalisme er in de loop van zijn geschiedenis al zo veel heeft doorgemaakt. Bijgevolg raadt men ons aan kalm te blijven, de rug te krommen tot de storm is overgewaaid en de tijd van de vette jaren van een nieuwe voorspoed aanbreekt.
Die ‘verklaring' lijkt op een vergeelde foto, ze kopieert en vervormt een beeld uit de negentiende en begin twintigste eeuw, maar dat niet meer toepasbaar is op de realiteit en de voorwaarden van het kapitalisme in het grootste deel van deze eeuw.
De negentiende eeuw was de periode van expansie en groei van het kapitalisme, dat zich als een olievlek over de gehele wereld verspreidt. Maar periodiek wordt het door elkaar geschud door de crisis, zoals het Communistisch Manifest beschrijft: "In de handelscrises wordt een groot gedeelte niet slechts van de voortgebrachte producten, maar ook van de reeds geschapen productiekrachten regelmatig vernietigd. In de crises breekt een maatschappelijke epidemie uit, die voor alle vroegere tijdperken iets onzinnigs zou hebben geleken - de epidemie van de overproductie. De maatschappij ziet zich plotseling in een toestand van tijdelijke barbaarsheid teruggebracht; een hongersnood, een algemene verdelgingsoorlog schijnen haar van alle bestaansmiddelen te hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel middelen van bestaan, te veel industrie, te veel handel bezit."
Dat de kapitalistische maatschappij periodiek ineenstortingen meemaakt had twee hoofdoorzaken die ook nu nog aanwezig zijn. In de eerste plaats de tendens tot overproductie - zoals het manifest die beschrijft - die honger, werkloosheid en ellende meebrengt, niet omdat er een tekort aan waren zou zijn (zoals het geval was in de voorafgaande maatschappijvormen), maar juist om de tegengestelde reden, omdat er een overschot aan productie is (!), omdat er teveel industrie is, teveel handel, teveel grondstoffen! In de tweede plaats omdat het kapitalisme op een anarchistische manier functioneert, door een felle concurrentie die de een tegen de ander opzet. Dat veroorzaakt een opeenvolging van momenten van ongecontroleerde wanorde.
Omdat er echter nieuwe markten te veroveren waren voor loonarbeid en handelsproductie, kwam het die momenten vroeg of laat te boven dankzij een nieuwe uitbreiding van de productie die de kapitalistische verhoudingen verder uitbreidde en verdiepte, vooral in de centrale landen van Europa en Noord-Amerika. In die periode waren de crisismomenten als de kloppingen van een gezond hart en de magere jaren maakten plaats voor een nieuwe etappe van voorspoed. Maar ook toen al ontwaarde Marx in die periodieke crises iets meer dan een eenvoudige eeuwigdurende cyclus die telkens op grotere voorspoed moest uitmonden. Hij zag er de uiting in van diepe tegenstellingen die het kapitalisme ondermijnen tot in zijn eigen wortels en die het naar zijn ondergang zullen brengen.
In het begin van de twintigste eeuw bereikt het kapitalisme zijn hoogtepunt, het heeft zich over de hele planeet verbreid, het grootste deel van de wereld leeft onder de heerschappij van de loonarbeid en de handelsruil. Zo treedt het binnen in zijn vervalperiode: aan de oorsprong van dit verval, zoals voor dat van de andere economische systemen, bevindt zich de groeiende discrepantie tussen de ontwikkeling van de productiekrachten en de productieverhoudingen. Voor het kapitalisme, waarvan de ontwikkeling wordt bepaald door de verovering van buitenkapitalistische markten, betekent dat concreet dat de Eerste Wereldoorlog de eerste uiting van betekenis is van zijn verval. Met het einde van de koloniale en economische verovering van de wereld door de kapitalistische metropolen worden deze ertoe gedreven met elkaar in botsing te komen om zich elkaars markten te betwisten. Van dan af treedt het kapitalisme binnen in een nieuwe periode van zijn geschiedenis, die door de Kommunistische Internationale in 1919 wordt omschreven als "de periode van oorlogen en revoluties" (1).
De wezenlijke kenmerken van deze periode zijn enerzijds het uitbreken van imperialistische oorlogen als uitdrukking van de strijd op leven en dood die de verschillende kapitalistische staten onderling voeren om hun invloedszone uit te breiden ten koste van de anderen, en van de strijd om de controle over een wereldmarkt die steeds krapper wordt en niet meer voldoende afzetmogelijkheden biedt voor zo'n overvloed aan rivalen; aan de andere kant is er de haast chronische tendens tot overproductie, zodanig dat de economische stuiptrekkingen en catastrofes steeds toenemen.
Anders gezegd: wat de 20e en 21e eeuw globaal kenmerkt, is een tendens tot overproductie - die in de negentiende eeuw tijdelijk en gemakkelijk te boven kon worden gekomen- die chronisch wordt en zo de gehele wereldeconomie onderwerpt aan een haast permanent risico op instabiliteit en vernietiging. Anderzijds wordt de concurrentie - een aangeboren kenmerk van het kapitalisme - extreem, en omdat ze af te rekenen heeft met een wereldmarkt die voortdurend neigt tot verzadiging, verliest ze haar kenmerk als stimulans van de uitbreiding om enkel nog haar negatieve en vernietigende karakter te behouden van chaos en confrontatie. De Wereldoorlog van 1914-1918 en de Grote Depressie van 1929 zijn de twee meest spectaculaire uitdrukkingen van de nieuwe periode. De eerste veroorzaakte meer dan twintig miljoen doden, veroorzaakte onbeschrijflijk lijden en zadelde enkele generaties op met morele en psychologische trauma's. De tweede was een brutale ineenstorting met werkloosheidspercentages van 20-30% en een vreselijke armoede die de arbeidersmassa's van de ‘rijk' genoemde landen trof, de Verenigde Staten voorop. De nieuwe situatie van het kapitalisme op economisch en imperialistisch vlak bracht belangrijke wijzigingen mee op politiek vlak.
Om de samenhang te verzekeren van de maatschappij die door een chronische tendens tot overproductie en door gewelddadige imperialistische conflicten wordt getroffen, grijpt de staat, het laatste bolwerk van het systeem, in op massale wijze in alle aspecten van het sociaal leven, en vooral in de meest gevoelige ervan: economie, oorlog en klassenstrijd. Steeds duidelijker wordt in deze periode de arbeidersklasse voor het alternatief geplaatst: socialisme of barbarij.
Deze korte en schematische schets van de algemene kenmerken van de huidige historische periode van het kapitalisme helpt ons nu om de crisis van vandaag te plaatsen, door haar op een overdachte manier te analyseren, ver van het alarmistisch en kortzichtig ‘catastrofisme' en evenzeer en vooral ver van de optimistische demagogie van de ‘cyclische crisis'.
- Wat te doen?
Andere lezers, zoals O., beklemtonen integendeel de ernst van de toestand : "Niet alleen de beursspecialisten of de belastingsparadijzen of het neoliberalisme gingen in de fout... Fundamenteel is de OVERPRODUKTIE (zo noemen de ivoren torens dat verschijnsel tenminste) de ‘fout'??! Tot nog toe wist men de dramatische gevolgen van zo'n filosofische denkwijze af te wentelen via verschulding... Dat kan dus niet langer meer zouden we kunnen beginnen vrezen. Als er geen alternatieven voor een bankroet systeem naar voren geschoven en geëist worden zou het wel eens kunnen dat wat massa's mensen tijdens de ineenstorting van de URSS en de Oostbloklanden bezielde en hen nadien lange tijd als een koude douche overkwam, ook hier voor de deur staat". Voor hem is het duidelijk dat de huidige crisis de vraag stelt naar de alternatieven voor dit vastgelopen systeem :
"Sinds januari 2008 is er 25000 miljard dollar in rook opgegaan wereldwijd, wat neerkomt op twee jaar de totale productie van de Verenigde Staten naar het schijnt. De malaise in de ivoren torens van de financiële wereld zit zo diep omdat men verdere dalingen van de winsten verwacht. Dit ivoren toren systeem redeneert niet in functie van ‘wat er voor de mensen nodig is in de wereld, dat gaan we eens even produceren'... nee, dit systeem produceert in functie van de koopkracht. Nooit tevoren konden we met zijn allen technisch gezien meer produceren, maar globaal gezien kunnen we steeds minder en minder kopen (...) ...maar deze wijsheid is gewoon niet doorgedrongen tot voldoende mensen die hun heil zien in figuren die de traditionele politiek aanvallen door nog meer van hetzelfde gaan toe te passen".
Wij delen volledig zijn mening dat het onze essentiële taak is vandaag de omvang van de catastrofe duidelijk te maken bij het merendeel van de arbeiders en hen ook te wijzen op de wapens om weerstand te bieden: hun organisatie (buiten de traditionele inkapselingstructuren zoals de bonden) en hun bewustzijn (inzien dat catastrofe eigen is aan fundamentele kenmerken van kapitalisme en de discussie inzetten over alternatieven). Dit vergt een zo ruim mogelijke discussie met alle krachten die in deze strijd aan de kant van de arbeiders staan:
"Vermits de werkenden zichzelf zullen moeten organiseren (niet de taak van de politieke voorhoede volgens jullie), kan die interactie met andere 'voorhoedes' geen probleem zijn. Hoeveel mensen zitten er al in de fase dat ze buiten het kapitalisme oplossingen zoeken ? Buiten de burgerlijke democratie nog minder. Hoeveel, denk je, zien de afschaffing van loonarbeid en warenproductie zitten? (...). Denk je dat als er zich spontaan comités en raden gaan vormen, dat er dan geen tegenspraak en confrontatie meer zal zijn (...) dat een andere samenlevingsbeheer niet moet worden gepromoot voor iedereen 'blindelings ten strijde trekt'? Er zal dan een programma moeten zijn en een andere manier van organiseren moeten worden voorgesteld. Tenminste als we niet meer door de verlinksing van de parlementaire democratie voorbijgestoken worden en zou blijken dat een herverdeling van de rijkdom alsnog de uitbuiting ‘as usual' kan rekken".
We begroeten deze analyse die we wereldwijd steeds vaker aantreffen bij een nieuwe generatie die weigert de "uitbuiting ‘as usual' te laten rekken door een ‘verlinksing' van de parlementaire democratie". Wij roepen op om deze discussie zo ruim mogelijk te voeren om de arbeidersklasse voor te bereiden op de onvermijdelijke confrontaties die de crisis van het kapitalisme met zich zal meebrengen.
IKS / 25.01.2009
Verkiezing president Obama: de keizer heeft nieuwe kleren
Nu is Obama president. Maar wat houdt dat in? Obama beloofde verandering te brengen, maar deze belofte was een ideologisch sofisme. De hele campagne was een schijnheilige leugen die de hoop van de bevolking begeesterde, en vooral van de werkende klasse die in toenemende mate de ellende en de oorlog beu wordt, maar die nog altijd niet duidelijk haar eigen rol inziet in de maatschappij en tot nog toe niet in staat is om de misleidingen van de heersende klasse te verdrijven.
De ware winnaar in deze verkiezing is niet de fictieve ‘Joe de Loodgieter' van de Amerikaanse middenklasse, niet de Afro-Amerikanen die deel uitmaken van de arbeidersklasse, maar eerder de heersende klasse. Het is duidelijk dat er meer van hetzelfde op komst is en dat men de arbeiders nog erger gaat opdissen en de last van de ellende zal opvoeren. Obama was geen ‘vredeskandidaat'. Zijn kritiek op Bush was dat deze laatste zichzelf klem heeft gereden in Irak, de troepen te dun heeft gespreid, en het Amerikaanse imperialisme niet in staat heeft gesteld om gepast te reageren op de toekomstige uitdagingen tegenover zijn heerschappij. Obama wil nog meer troepen sturen naar Afghanistan en zich klaar maken om de bedreigingen van de Amerikaanse imperialistische belangen af te wentelen. Hij was een verwoede criticus van de regering-Bush die niet in staat was om de Russische invasie van Georgië deze zomer te beantwoorden. Dat soort vredesactivist is hij!
Tijdens de presidentiële debatten heeft Obama uitgelegd dat hij het onderwijs in Amerika wil versterken, omdat een opgevoede arbeidskracht van levensbelang is voor een sterke economie en geen enkel land kan een overheersende militaire macht blijven zonder sterke economie. Met andere woorden, hij ziet de uitgaven voor onderwijs als een voorwaarde voor imperialistische overheersing. Welk een idealisme! Er is dus niets te winnen voor de arbeidersklasse bij deze overwinning van Obama.Voor de heersende klasse daarentegen is deze verkiezing een succes dat haar stoutste dromen overstijgt.
Ze is er in geslaagd om de verkiezingsmisleiding en de democratische mythe een verjongingskuur te geven, die zo hard getroffen waren sinds 2000, vooral onder de jongere generatie, en die zoveel mensen misnoegd gemaakt hadden over het ‘systeem'.
De roes na de verkiezingen - het daadwerkelijk dansen in de straten waarmee de overwinning van Obama werd toegejuigd - getuigt van de omvang van deze politieke overwinning. De impact van de verkiezing is te vergelijken met de ideologische overwinning die plaatsvond onmiddellijk na 11 september 2001. Toen kon de bourgeoisie profiteren van een opstoot van nationale hysterie, die de werkende klasse bond aan de burgerlijke staat. Vandaag bindt de hoop in de democratie en het geloof in een charismatische leider brede sectoren van de bevolking aan de staat.
Binnen de zwarte bevolking is het gewicht van deze roes bijzonder sterk ; het is een wijdverspreid geloof geworden dat de onderdrukte minderheid nu aan macht heeft gewonnen. De burgerlijke media vieren zelfs het feit dat Amerika het racisme te boven zou zijn gekomen, een van de meest belachelijke beweringen ooit. Bijna van de ene dag op de andere zou de zwarte bevolking in de Verenigde Staten zijn omgetoverd tot een van de meest vervreemde, ontgoochelde sectoren van de bevolking, naar één die pal achter de staat gaat staan, via de persoon van de net verkozen president.
Op internationaal vlak heeft de bourgeoisie bijna onmiddellijk kunnen profiteren van een succesrijk afstand nemen door de nieuwe regering van de blunders van het Bush-regime in de imperialistische politiek en het openen van nieuwe mogelijkheden voor het herstel van het Amerikaanse politiek gezag, geloofwaardigheid en leiderschap in de internationale arena.
Op het gebied van economische politiek zal de bekwaamheid van de Obama-administratie om noodzakelijke staatskapitalistische maatregelen te nemen voor het opkrikken van het onderdrukkings- en uitbuitingssysteem onovertroffen zijn. Zijn retoriek gaat over ‘herstel', terwijl het zal neerkomen op de grootste schuldenberg uit de geschiedenis van de Verenigde Staten, een tekort van een triljoen dollar, waarmee de toekomstige generaties van de arbeidersklasse zullen worden opgezadeld. Lokale en staatsregeringen zijn al bezig met het plannen voor het opheffen van sociale diensten en programma's vanwege de crisis, en dat op hetzelfde moment dat Obama opkomt voor nog meer ‘reddingsoperaties' van grote bedrijven, banken en verzekeringsmaatschappijen, die allen gefinancierd moeten worden door het zweet van de werkende klasse.
Bijna verbaasd door haar eigen succes, bewust dat zij aan de beloofde veranderingen tijdens de campagne niet wil en kan tegemoet komen, begint de heersende klasse al een retoriek te ontvouwen dat het ‘enthousiasme moet temperen'. Wij horen al zaken als ‘Obama kan alleen de gewetenloze politiek van Bush uitvlakken'. ‘Er was een hele bestuurstermijn van blunders', ‘Verandering kan er niet onmiddellijk komen', ‘Opofferingen zullen nodig zijn'.
Tegenover dit alles, verdedigen wij de historische standpunten van onze klasse:
De roes kan niet lang aanhouden. De komende soberheidsprogramma's, die op gang gebracht zijn op een gedecentraliseerde manier via lokale en staatsregeringen, zullen dienen als een onontkoombare stimulans tot klassenstrijd. Het falen van de regering-Obama om de beloofde ‘verandering' en verbetering waar te maken zal onvermijdelijk leiden tot ontgoocheling en ziedende ontevredenheid.
Internationalism (US) / 11.11.2008
"De hele arbeidersklasse, van alle landen, alle sectoren, alle bedrijven, leeft op dit ogenblik met deze obsessie: hoe te ontsnappen aan de dreiging van de werkloosheid? Welke toekomst kan de huidige maatschappij onze kinderen nog bieden?Wat kan men doen om uit deze situatie te geraken?"
Dat waren de vragen waarmee ons manifest 'Het kapitalisme heeft geen oplossing voor de werkloosheid' begon. Op dit moment, nu de kapitalistische crisis een verergering kent, niet meer vertoont sinds de jaren '30, begint zich als een treurige pandemie (besmettelijke ziekte) binnen het wereldproletariaat een werkloosheid te verbreiden van een ongekende omvang (1).
- De Verenigde Staten: in het begin van 2008 was het officiële werkloosheidspercentage 5%, terwijl het werkelijke percentage 13,1% bedroeg. In Amerika, waar 2,6 miljoen banen verloren gingen in 2008, liep het officiële percentage in december op naar 7,2%, dat wil zeggen: meer dan 11 miljoen geregistreerde werklozen.
- Japan: eind september telde men daar 2,71 miljoen werklozen, dat wil zeggen: een toename van 0,7% in een jaar tijd.
- De Eurozone: het werkloosheidspercentage zal, volgens de prognoses, met bijna 3 procent toenemen, van 7,5% in 2008 via 9,3% in 2009 naar 10,2% in 2010.
- Duitsland: het werkloosheidspercentage is in de maand december toegenomen tot 7,4% en zal in 2010 een percentage van 8,1% bereiken. De eerste economie in Europa telde in december 3,1 miljoen werklozen en zal er in een jaar tijd 200.000 tot 400.000 werklozen bijhebben.
- Groot-Brittannië: het aantal werklozen bereikte aan het einde van 2008 een aantal van 1,8 miljoen personen. Dit jaar zullen 600.000 personen hun baan verliezen; de grens van 3 miljoen werklozen zal tussen nu en 2010 worden overschreden! Het werkloosheidspercentage (volgens de definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie) bereikt langzamerhand de 6%. Voor 2009 is een groei voorzien naar 8,5%.
- Frankrijk: Eind 2007 was het officiële aantal werklozen minder dan 2 miljoen, dus minder dan 7% van de beroepsbevolking. Maar het werkelijke aantal overtrof de 5,4 miljoen, dat wil zeggen: 19% van de actieve bevolking (L'Expansion nr. 726, januari 2008) In november 2008 telde men officieel 2.068.500 werklozen; met andere woorden: een werkloosheidspercentage van 7,3%, en in een jaar tijd oplopend tot 8,5%. Ze zal toenemen tot 9,8% in 2009 en tot 10,6% in 2010.
- Italië: Het werkloosheidspercentage was eind 2008 6,7% en zal in 2010 een percentage van 8,7% bereiken. Het aantal werklozen was eind september 1,679 miljoen
- Spanje: het werkloosheidspercentage is in het vierde trimester van 2008 sterk toegenomen, toen het zich uitkwam op 13,9%, en zal een percentage bereiken van 15,9% in 2009 en 18,7% in 2010. Spanje telt zo langzamerhand meer dan 3,2 miljoen werklozen, een getal dat in minder dan twee jaar tijd bijna verdubbeld is!
- Op wereldschaal: "De voorlopige schattingen van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn dat de werkloosheid in de wereld met 20 miljoen kan toenemen en in 2009 meer dan 210 miljoen werklozen zal bedragen" (Juan Somavia, directeur generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie, in oktober 2008 voor de Raad van chefs van het Secretariaat van de VN in New York).
Hoe moeten we een dergelijke stijging van de werkloosheid verklaren? Zoals ons Manifest benadrukt, "In de handelsoorlog die alle kapitalistische haaien voeren en waarin ze elkaar de slinkende delen van de wereldmarkt betwisten worden de nationale bourgeoisieën gedwongen hun productie te ‘rationaliseren'. Vandaar dat ze noodgedwongen bedrijven sluiten, de arbeidsproductiviteit opvoeren, het personeelsbestand inkrimpen, het arbeidsritme opdrijven, de lonen verlagen. Dat is de realiteit die de bourgeoisie met al haar leugens probeert te verbergen: de wereldcrisis en de massale werkloosheid die daardoor veroorzaakt wordt is niet cyclisch of conjunctuurgebonden zoals de burgerlijke economen beweren. Ze zijn het klinkend bewijs van de impasse, van het historisch bankroet van de kapitalistische productiewijze."
Het kapitalisme heeft geen oplossing voor de werkloosheid!
Er is maar één oplossing: de verenigde strijd van alle arbeiders! n
DM / 02.2009
Voetnoten
1. Alleen als anders is vermeld, zijn alle gepresenteerde cijfers officiële cijfers (dus een zeer lage schatting, vooral wat betreft de verwachte toename van de werkloosheid in 2009 en 2010), die komen uit het economische tijdschrift Les Echos.
Tijdens onze tussenkomst op de Anarchistische Boekenmarkt in Gent eerder dit jaar botsten wij op een aangename verrassing: de brochure ‘Klassenstrijd begint in de schoolbanken'. Het betreft de golf van scholierenverzet die Nederland in een paar dagen tijd overspoelde in de maand november 2007. Wij citeren hier kort enkele passages uit de inleiding:
"Temidden van die alom heersende, deprimerende gelatenheid kwam de schoolplichtige jeugd ons plots verblijden met een golf van spontane stakingen en opstootjes die in de kortste keren doordrong tot in de kleinste uithoek van het land (...) De opstandige scholieren hebben even het plezier en de macht van de collectieve samenspanning geproefd. En ze hebben aan den lijve ondervonden hoe overbodig en hinderlijk daarbij al die organisaties zijn die in hun plaats hun belangen beweren te behartigen en verdedigen. Wat kunnen we deze jeugd anders toewensen dan dat dit niet vergeten wordt, dat ze er nooit aan wennen om te worden uitgebuit, dat hun voorbeeld navolging vindt, dat iedere gelegenheid te baat wordt genomen om in de aanval te gaan tegen het heersende systeem en al haar verdedigers. Want alleen door dit systeem dat ons naar de ondergang voert, grondig af te breken, creëren we de mogelijkheid om een menswaardige toekomst op te bouwen".
Verder wordt in de brochure een uitgebreide persanalyse gemaakt, waarin zowel de spontane acties van de scholieren, de valstrik van het geweld en de sabotage van LAKS, de landelijke vereniging van leerlingenraden, en anderen uit de doeken wordt gedaan. Er wordt uitdrukkelijk geanalyseerd hoe het LAKS de hele actie saboteerde door ze in gestroomlijnde ‘legale' banen te leiden en elke uitbreiding naar andere sectoren van de maatschappij te boycotten. Daarbij speelde deze organisatie een gelijkaardige rol als die van de vakbonden in het kader van de arbeidersstrijd. Wij wensen de scholieren, die hiermee botsten, van harte toe: jong geleerd oud gedaan!
Wijzelf schreven hierover destijds ook een artikel, waarin wij diezelfde aspecten van spontaneïteit benadrukten, die botste met organisaties als het LAKS:
"Wat kunnen we concluderen? Dat het vaststellen van de plaats en het moment van de actie niet kan worden overgelaten aan organisaties als het LAKS die beweren de belangen van bepaalde afzonderlijke bevolkingsgroepen te verdedigen maar die actie juist uitstellen tot het gunstigste moment voorbij is, als tentamens en examens naderen; en die actie organiseren op een plaats en in omstandigheden die massale gedachtenuitwisseling hoegenaamd onmogelijk maken en verdere uitbreiding van de beweging naar bijvoorbeeld leraren, ander schoolpersoneel, ouders, en meer in het algemeen naar werkenden en werkzoekenden die met precies dezelfde problemen kampen: toenemende bestaansonzekerheid. In de strijd worden diezelfde belangen juist duidelijk". (zie hiervoor Wereldrevolutie n°113, jan-april 2008, te vinden op onze website www.internationalism.org [62]).
Wij raden de lezers aan om zich deze interessante kijk op die scholierenbeweging aan te schaffen (uitgegeven door de ‘Dolle Hond', www.dollehon.dds [63] , DH33, prijs 2.10 Euros).
KS / 07.03.2009
Het is nu dertig jaar geleden dat de zogenaamde Iraanse revolutie plaatsvond. De hiernavolgende tekst is een herdruk van een stellingname die 30 jaar geleden in de IKS pers was geplaatst in antwoord op de krachtige propaganda die de pagina's van de linkse en rechtse pers toentertijd vulde. Het maakt het idee belachelijk dat er in Iran een soort van burgerlijke of burgerlijk-democratische revolutie had plaatsgevonden.
Hij refereert aan het feit dat het autocratische regime van de Sjah, dat was neergezet door de VS als een betrouwbare marionet van het westerse blok, het zaad had gezaaid voor zijn eigen ondergang met haar wrede onderdrukking van alle dissidente bewegingen en alle oppositie tegen haar regime. Toen het proletariaat aan het hoofd kwam te staan van de volksrebellie tegen hem en de staat in feite verlamd raakte, viel het in handen van de Islamitische oppositie die, zelf een slachtoffer van de terreur van de Sjah, de teugels van het regime stevig in handen nam en de burgerlijke orde stukje bij beetje herstelde.
Zoals de tekst bevestigt, was de strijd van de Iraanse arbeiders een veelbetekende demonstratie van het feit dat de arbeidersklasse in de perifere landen toentertijd ontwaakte en tot strijd overging. Ze maakte inderdaad onderdeel uit van een strijdgolf, die spoedig werd gevolgd door stakingen in de centrale landen, zoals die van de arbeiders in de openbare diensten (‘de winter van ontevredenheid' in Groot-Brittannie), door de staking van de staalarbeiders in Frankrijk en Groot-Brittannie, en niet veel later door de massastaking in Polen.
In Iran daarentegen duurde het niet lang voordat de Islamitische regering iedere oppositie begon uit te sluiten of te elimineren, op dezelfde manier als de Sjah dat had gedaan. Het religieuze fanatisme van de Mullah's werd een middel voor het instellen van een staatsterreur via haar gereorganiseerde geheime politie en ‘revolutionaire garde'.
De haat ten opzichte van de Sjah werd, na zijn verdwijning, omgevormd tot een haat tegen zijn belangrijkste verdediger, de VS. En de ambassade van de VS werd bezet door jonge studenten, die geinspireerd waren door de volksopstand, welke voorafging aan de terugkeer van de Ayatollah Khomeini uit ballingschap. Er ging enige tijd overheen en een verknoeide ‘reddingsoperatie' van de VS, voordat er een bevredigende overeenstemming kon worden bereikt voor de vrijlating van de ambassadeur en zijn staf. Maar Iran had het Amerikaanse terrein definitief verlaten en dat was een belangrijke tegenslag voor het Amerikaanse blok. Dit leidde tot de politiek om een andere belangrijke client in de regio, Irak, tot de tanden te bewapenen en hem ertoe aan te zetten een oorlog met Iran te beginnen. Deze oorlog zou 10 jaar duren en miljoenen doden veroorzaken in omstandigheden die deden herinneren aan de oorlog 1914-1918. Als gevolg van zijn, in vergelijking tot Irak, veel grotere militaire zwakte en doordat het een veel hogere tol aan doden betaalde dan zijn tegenstander, nam Iran zijn toevlucht tot het inlijven in het leger van een hele generatie van kinderen. Als een klucht, claimde Iran een grote overwinning toen de oorlog eindelijk voorbij was.
Van recentere datum is de massale instabiliteit in de regio die, veroorzaakt door de invasie van de VS en een vijfjaar lange bezetting van Irak, in feite in het voordeel van Iran werkt. Met Irak in beroering, is Iran in staat geweest zijn positie als leidende imperialistische macht in de regio te heroveren en ontwikkelt het de capaciteit om het hoofd te bieden aan Israel. Met dit doel heeft het ook de technologie ontwikkeld voor nucleaire wapens. In de huidige omstandigheden, heeft de VS niet veel anders kunnen doen dan met hun voeten stampen. Geconfronteerd met het Russische imperialisme, dat momenteel heropleeft en Iran assisteert met dit project, heeft president Obama volgens zeggen een brief gestuurd naar de Russische leiders met het aanbod het militaire scherm, dat in Polen is geinstalleerd, terug te trekken in ruil voor de toezegging van Rusland druk uit te oefenen op Iran haar militaire ambities te beperken. De inhoud van deze brief werd vervolgens ontkend, maar het laat de omvang van de dreiging zien die, in de ogen van de VS, van een heroplevend Iraans imperialisme uitgaat.
Behalve dit is het waard om te vermelden dat het Iraanse proletariaat, ondanks het feit dat het zwaar heeft geleden onder het religieus burgerlijke regime, zich desalniettemin toch begint op te richten en begint deel te nemen aan de ontwikkeling van de internationale gevechten. Met de verdieping van de economische crisis zal het Iraanse proletariaat genoodzaakt zijn de strijd verder te zetten om zijn levensomstandigheden te verdedigen en om de revolutionaire proletarische tradities te herontdekken, die teruggaan tot de authentieke revolutionaire periode van 1917-1923.
WR / 07-03-2009.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De Sjah, , Khomeini: eenzelfde vijand!
Na verschillende maanden van opstanden, stakingen en machteloze pogingen van de regering van de sjah om algemene ontevredenheid met bloedige repressie te onderdrukken, is er nu een nieuwe ploeg van machthebbers. Tot voor kort waren zij uitgesloten van het officiële politieke spel, ja zelfs vervolgd of verbannen. Nu bepalen zij de gang van zaken in de Iranese hoofdstad.
De omvang van de schokgolf die Iran onderging en die de spectaculaire en brutale ommekeer aan de top verklaart
1. In tegenstelling tot wat velen, van de liberale pers tot die van de bordigisten, beweren, is er geen 'revolutie' in Iran, geen 'democratische' en geen 'islamitische'. Net zo min als de koningin van Engeland of keizer Bokassa I was de sjah van Iran de vertegenwoordiger van een soort 'feodalisme' waarvan de ayatollah Khomeini de 'progressieve' overwinnaar zou zijn. De ironie van de geschiedenis wil dat de eerste reden van de breuk tussen de monarchie en de sjiitische hiërarchie de landbouwhervorming van de sjah was, die het grondbezit van de kerk aantastte. Noch op het vlak van de politieke instellingen, noch op economisch terrein verdedigen de nieuwe leiders van Iran iets dat zou kunnen doorgaan voor 'progressief' of 'radicaalburgerlijk'.
Welke burgerlijke revolutie is ooit doorgevoerd in naam van de 'religieuze traditie', of is dat enkel een vermomming? Welk 'revolutionair' karakter is er te vinden in de nationalisatie van de petroleumindustrie... die bovendien in feite al genationaliseerd was. De 'Iranese revolutie' is de zoveelste illustratie van het feit dat in het kapitalistisch verval burgerlijke en democratische revoluties nergens meer op de dagorde staan. In geen enkel land of zone, hoe achterlijk ook, zijn de taken die zich vandaag aan de samenleving stellen dezelfde als die die in 1789 werden uitgevoerd.
2. De gebeurtenissen in Iran bevestigen dat er nergens ter wereld, en zeker niet in de achtergebleven gebieden, een democratisch-revolutionaire bourgeoisie bestaat. Ze tonen ook, eens te meer, dat in deze landen het leger de enige kracht in de maatschappij is die in staat is om een minimum aan eenheid in het belang van het nationaal kapitaal te waarborgen. Het regime Khomeini - Bazargan heeft nog maar de teugels van de macht in handen genomen, of het moet al beroep doen op deze kracht, die nog maar enkele weken tevoren de voornaamste steun was van de sjah. En de executie van zekere generaals, bedoeld om de woede van de massa's te sussen, zal niets veranderen aan het behoud van het leger en zijn hiërarchie.
Zoals in alle landen waar de kapitalistische staat zijn macht niet kan steunen op een sterke en sinds lang ontwikkelde economie, waar de heersende klasse niet over juridische instellingen en een politiek apparaat beschikt dat sedert vele tientallen jaren gewend is de conflicten die haar uiteenscheuren of ]confronteren met de andere lagen van de maatschappij op het terrein van de 'wettelijkheid' en de 'demokratje' te houden, wordt in Iran bevestigt dat het leger bijna voortdurend de enige waarborg is van de overleving en de stabiliteit van welk burgerlijk regime dan ook, of het zich 'volksrepubliek','islamitisch'of 'revolutionair' noemt.
Want het leger vertegenwoordigt op een gecentraliseerde en gehiërarchiseerde manier het geweld van de sociale verhoudingen, van de uitbuiting en de onderdrukking. Het drukt volledig de tendens uit van het kapitalisme in verval naar de militarisering van de hele maatschappij.
3. De gebeurtenissen in Iran tonen ook opnieuw dat de enige revolutie die aan de orde van de dag is, zowel in de onderontwikkelde landen als elders in de wereld, de proletarische revolutie is. In tegenstelling tot wat niet belangeloos wordt beweerd, bewijzen ze dat er een proletariaat bestaat in de 'derde wereld', een proletariaat dat bovendien vastberaden op eigen klassenterrein kar strijden. Volgend op de arbeidersstakingen in verschillende landen van Latijns-Amerika, Tunesië. Egypte enz., waren de arbeidersstakingen in Iran het voornaamste politiek element dat het regime van de sjah deed ineenstorten. De #39;Volksbeweging''die bijna alle lagen van de Iranese maatschappij omvatte, raakte uitgeput, ondanks de massamobilisaties.
Het was de opleving van de arbeidersstrijd in Iran vanaf oktober'78, in het bijzonder in de oliesector, die niet alleen het oproer weer aanwakkerde, maar die het nationaal kapitaal voor problemen stelde die praktisch onoplosbaar waren, zolang er geen opvolging was voor de oude machthebbers. Terwijl de repressie de middenstanders, de studenten en de werklozen kon doen terugdeinzen bleek ze volkomen machteloos om het land uit de economische verlamming te halen, die door de arbeidersstakingen werd veroorzaakte Zelfs in de landen waar zij numeriek zwak staat, is de arbeidersklasse door de centrale plaats die zij inneemt in de kapitalistische productie een van de essentiële krachten van de maatschappij.
4. Uit de gebeurtenissen in Iran blijkt ook dat het proletariaat de enige kracht is in de maatschappij die zich kan verzetten tegen de enige uitweg die het kapitalisme uit zijn crisis kan vinden: de imperialistische oorlog. Iran is een essentieel onderdeel van het militair potentieel van het westers blok, en krijgt er dan ook alle aandacht van. De klassenbeweging heeft dan ook niet alleen het nationaal kapitaal in moeilijkheden gebracht, maar ook de voorbereidingen die het hele blok maakt met het oog op de imperialistische oorlog. Net als in het verladen toont dit, dat de strijd van het proletariaat de enige, maar beslissende, hinderpaal is voor de tendens naar de imperialistische wereldoorlog.
5. Het proletariaat speelde een beslissende rol in de gebeurtenissen in Iran. Dat werpt een essentieel probleem op dat het proletariaat moet oplossen om de kommunistische revolutie tot een goed einde te kunnen brengen. Het gaat om de bindingen met de andere niet-uitbuitende lagen van de maatschappij, in 't bijzonder de werklozen. Wat zich in Iran afspeelde bewijst:
De bourgeoisie tracht de ontevredenheid van deze lagen in doodlopende straatjes te loodsen. Daartegenover moet het proletariaat duidelijk maken dat geen enkele kapitalistische 'oplossing' hen enige verbetering kan brengen, dat het alleen in het kielzog van de revolutionaire klasse zal zijn dat zij voldoening van hun aspiraties kunnen krijgen, niet als afzonderlijke lagen -die historisch veroordeeld zijn-, maar als leden van de nieuwe maatschappij. Zo'n politiek veronderstelt de organisatorische en politieke zelfstandigheid van het proletariaat, dwz. het verwerpen van iedere politiek van 'verbond' met deze lagen.
Niet door achter hun specifieke eisen aan te hollen zal het proletariaat deze lagen achter zich kunnen scharen. De geschiedenis heeft juist getoond dat deze lagen de meest dynamische kracht in de maatschappij volgen. Enkel de vastbeslotenheid waarmee ze aan haar revolutionair project vasthoudt zal de arbeidersklasse toelaten haar doel te bereiken, en in de eerste plaats in die massa's een scheuring te veroorzaken tussen de sectoren die het dichtst bij de heersende klasse staan en de andere die bij het proletariaat aanleunen.
6. Er was geen burgerlijke revolutie in Iran, en evenmin een proletarische. Ondanks haar ontegensprekelijke strijdvaardigheid, heeft de arbeidersklasse in Iran nog geen werkelijke zelfstandigheid bereikt. Ze heeft de macht van de bourgeoisie niet in vraag gesteld, ze is niet gekomen tot de vorming van haar eenheidsorganisatie, de arbeidersraden. Daarin schuilt een andere les. Ondanks de numerieke, organisatorische zowel als politieke zwakheid van het proletariaat -zwakheden die de bourgeoisie vandaag nog toelaten globaal de controle te behouden over de situatieheeft de arbeidersstrijd toch een beslissende invloed gehad op de ontwikkeling van de politieke situatie.
Die gebeurtenissen geven een voorsmaakje van wat zich -na een betrekkelijk rustige periode volgend op de strijdgolf van 1968-73- steeds meer zal voordoen: het proletariaat komt op de voorgrond van het politieke leven van de maatschappij, ten koste van het spel van interne tegenstellingen binnen de kapitalistenklasse (economische en politieke crisissen, militaire confrontaties Het proletariaat van Iran, of van een ander onderontwikkeld land, kon en kan het probleem alleen maar stellen: alleen het geheel van het wereldproletariaat, in de eerste plaats dat van de machtigste landen, kan het probleem oplossen door de algemene confrontatie met het kapitalisme aan te gaan en het te vernietigen.
Internationale Kommunistische Stroming / 17.02.1979
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 559.35 KB |
De vraag of de crisis de Nederlandse economie hard zal treffen, is hetzelfde als een open deur intrappen. Niemand zal nog ontkennen dat de wereldcrisis Nederland nagenoeg net zo hard raakt als ze alle overige landen van West-Europa doet. De Nederlandse economie wordt meegezogen in de wervelwinden van de kapitalistische neergang.
De gebeurtenissen in Nederland van het laatste half jaar doen de bourgeoisie niet alleen achter de oren krabben wat betreft de actualiteit van de theorieën van Karl Marx, ze bevestigen ook de analyse van de IKS dat deze al begon "aan het eind van de jaren '60. Vanaf 1967 hoopten ernstige monetaire problemen zich op de grote nationale economieën zagen geleidelijk hun groeivoeten dalen. Dat was het einde van de periode van ‘welvaart' van de jaren '50 en '60, die door de bourgeoisie "de dertig glorieuze jaren" werden genoemd." (De bourgeoisie kan het bankroet van het kapitalisme niet voorkomen; Wereldrevolutie 115)
Een economische crisis die nog nooit zo hard heeft toegeslagen ...
De crisis treft de Nederlandse economie harder dan ooit te voren:
- In het laatste jaar zijn er 39 miljard euro's vervlogen, in rook opgegaan bij de grootste banken, financiële instellingen in Nederland. Fortis Bank Nederland alleen al heeft vorig jaar 18,5 miljard euro verlies geleden.
- In vergelijking met januari 2008, is de omzet van de Nederlandse industrie in januari 2009 met een kwart gedaald. Dat is de sterkste omzetdaling die ooit is gemeten. Alle branches behaalden minder omzet dan in januari 2008. De transportmiddelenindustrie kende met 42% de grootste teruggang van de omzet. Dit blijft vrijdag uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek.
- Het aantal faillissementen neemt schrikbarende vormen aan, een explosieve stijging van het aantal in de horeca, onder de autodealers, vervoersbedrijven, enzovoort. Een toename daarin is nog nooit zo groot geweest als nu
- Het gevolg is dat er alom massale ontslagen worden aangekondigd. Behalve de tijdelijke, flexibele werkers, van wie niemand het contract wordt verlengd, worden er in alle sectoren ontslagen massaal ontslagen aangekondigd. Corus (900), ING (2700), Zorgconcern Orbis (1100), Eureko (2500), enz.
De voorspellingen zijn dan ook somberder dan ooit. De verwachtingen van het CPB zijn dat de Nederlandse economie er dit jaar met 3,5% op achteruit zal gaan.
- De 3,5% krimp die voor 2009 is voorzien is na de tweede wereldoorlog nog nooit vertoond. Het is zelfs de sterkste daling sinds begin jaren 30. De crisis van de jaren tachtig, was een stuk milder. Toen kromp de economie twee jaar op rij. Te weten 0,8% in 1981 en 1,2% in 1982. Bijna alle andere naoorlogse jaren groeide de economie.
- De (officiële) werkloosheid zal oplopen van 300.000 nu tot 425.000 eind dit jaar en zelfs tegen de 700.000 (8,75%) volgend jaar. Een percentage van 8,75% van de beroepsbevolking in 2010, dat betekent meer dan een verdubbeling ten opzichte van nu.
De gevolgen voor de arbeidersklasse zijn dramatisch:
- Door de inkrimping van de reserves van de pensioenfondsen is besloten tot directe bevriezing van de pensioenenuitkeringen en pensioenopbouw niet langer met de prijsstijging mee te laten gaan. Dit laatste heeft vooral grote gevolgen voor iedereen boven 40 jaar, want die moet rekenen op een vermindering van zijn of haar pensioenuitkering met 5 tot 10 procent.
- Door de crisis op de huizenmarkt zijn er steeds meer gezinnen die hun woonlasten (hypotheek) niet meer kunnen betalen en op straat worden gezet. "Steeds meer mensen worden hun woning uitgezet. Het aantal uitzettingen bij corporaties nam vorig jaar met 14 procent toe tot ruim 8500." Aldus Dagblad van het Noorden van 12 december 2008.
Door de maatregelen van de regering, die 25 maart jongstleden aangekondigd zijn, dat wil zeggen:
- Een drie jaar lange bevriezing van de lonen in de openbare diensten en van de uitkeringen, die daaraan gekoppeld zijn;
- 2,4 miljard euro aan bezuinigingen op de zorg, waarvan de helft op de zorgtoeslag, tegen de achtergrond van verhoging van de ziekenfondspremies en de eigen bijdragen en het uitkleden van de basisverzekering.
De crisis onder controle? Of hoe de bourgeoisie probeert hem af te wentelen op de arbeidersklasse
Ondanks de lange lijst van de op 25 maart jongstleden aangekondigde bezuinigings- en stimuleringsmaatregelen zal de economische situatie er fundamenteel niet door verbeteren. Wat de regering ook doet, niets helpt. Het is dweilen met de kraan open. De bourgeoisie heeft geen oplossing voor de crisis. "Al de reddingsplannen zijn vroeger of later tot mislukken gedoemd. Er zal geen echte heropleving komen van de kapitalistische economie. Geen enkele politiek, noch van links noch van rechts, kan het kapitalisme redden, want het systeem is aangevreten door een dodelijke en ongeneeslijke ziekte" (Pamflet van de IKS van 25-10-2008). Ze mag hopen dat het toegepaste medicijn de tumor eerder vernietigd dan de patiënt. Want het toegepaste medicijn mag op de korte termijn enige verlichting geven, op de lange duur verergert ze de ziekte alleen maar.
Ook de voorstellen van ultralinks om over te gaan tot nationalisatie van de grootste banken en basisindustrieën zal daar geen zier aan veranderen. Zo pleit Willem Bos in Grenzeloos van 08-12-2008, in een artikel getiteld: Links en de crisis. Een ecosocialistisch, antikapitalistisch alternatief:
"Links moet in reactie hierop eisen dat de hele financiële sector in gemeenschapshanden wordt gebracht. Die eis zou niet slechts de grote banken moeten betreffen, maar de hele sector die voor het functioneren van de reële economie cruciaal is."(...) "Niet alleen de financiële sector, maar ook andere sectoren van de economie die van groot strategisch belang zijn of die zelf om steun vragen moeten in gemeenschapshanden gebracht worden. De energievoorziening en sleutelsectoren als de auto-industrie en de bouw moeten niet langer aan de vrije markt worden overgelaten."
Want ook al neigt ze dat in alle toonaarden te ontkennen, in wezen doet de regering al wat ultralinks voorstelt: de belangrijkste financiële instellingen zijn al voor het grootste deel onder controle van de ‘overheid' gebracht, terwijl andere sectoren die van groot strategisch belang zijn voor onze economie ook al voor een groot deel overeind gehouden worden door massale subsidies en overheidsinvesteringen.
Ultralinks vraagt dus de staat om de arbeiders te hulp te schieten, maar van alle ondernemers is de staat wel de ergste van allen. Wat ultralinks ons probeert wijs te maken, de staat niet onze grootste bondgenoot, maar onze grootste vijand. Als er een instantie is die de afgelopen tientallen jaren aanvallen op de inkomens van de arbeiders heeft ondernomen, dan is dat wel de staat geweest. Hiervoor hoeven we alleen maar even te herinneren aan datgene wat in de laatste 25 jaar is doorgevoerd op het vlak van de verlaging van de ww-uitkering, van de aow-uitkering en de systematische verhoging van de ziekenfondskosten.
De staat heeft geen oplossing voor de crisis, dat belet haar niet om te proberen de gevolgen van de crisis tegen de arbeidersklasse te gebruiken. Om het financieel systeem overeind te houden en haar concurrentiepositie op de Europese markt te handhaven heeft de Nederlandse regering tientallen miljarden euro's moeten uitgeven. En die rekening zal toch betaald moeten worden. En wie anders dan de arbeidersklasse zal er op moeten draaien voor het grootste deel van het reddingsplan dat de regering Balkenende 25 maart jongstleden gelanceerd heeft? Er is de bourgeoisie alles aan gelegen om de bevolking, en de arbeidersklasse natuurlijk in het bijzonder, ertoe te brengen te gevolgen van de crisis en de bezuinigingen opnieuw te doen slikken.
Om de arbeidersklasse daartoe te brengen, heeft ze een campagne opgezet met de bedoeling de crisis voor te stellen, niet als de onvermijdelijke uitdrukking van een systeem zonder perspectief, maar als een soort van natuurramp die de gehele Nederlandse bevolking tesamen overkomt. "Een normale cyclische teruggang, die we al twee jaren geleden zagen aankomen, is versneld door de tot grote hoogte opgelopen olieprijzen en vervolgens in vrije val geraakt door de gevolgen van de financiële crisis." (...) "Dat is een crisis; de springtij in een normale getijde beweging." (Donner in een toespraak op een CNV symposium; 29-01-2209) Met andere woorden: een gevaar, net zoals het internationale terrorisme, waartegen we gezamenlijk ten strijde moesten trekken.
En om dat iedereen nog eens flink onder de neus te wrijven, heeft ze de campagne geenszins bescheiden gehouden. Integendeel: ze heeft de omvang van de ons bedreigende ramp ruimschoots uitgestald. "Verre van het verbergen van de omvang van de ramp ... stouwen de media ellenlange bladzijden (en programma's) vol met onrustwekkende en rampzalige scenario's om de arbeiders te terroriseren." (Arbeiders moeten weigeren op te draaien voor de crisis; Internationalisme 341)
Dat er een zekere ongerustheid en paniek ontstond onder de bevolking als gevolg van de indrukwekkende gebeurtenissen op het vlak van de financiële en economische huishouding en de campagne die de bourgeoisie daarbovenop gooide, is heel goed verklaarbaar. Op zo'n moment is de eerste impuls toch te denken aan "zijn eigen spaarcenten, afbetalingen, studiegeld voor de kinderen, zijn baan en zijn latere pensioen". Maar als iedereen zich in zijn eigen hoekje terugtrekt, zich in zichzelf keert, zal het gevoel van onmacht de overhand krijgen. Met als gevolg de neiging zijn toevlucht te zoeken tot de kapitalistische staat en bescherming te zoeken achter de brede rug ban een grote roerganger, i.c. Wouter Bos. Dat is iets wat de bourgeoisie nu precies wil, maar wat de maatschappij op den duur niets anders biedt dan meer verarming, meer ontberingen en meer ellende.
Hoe te bekomen van de schrik en collectief te reageren
"De schrik voor de economische recessie werkte in eerste instantie als een rem op de strijd en versterkte het gevoel van atomisering en onmacht tegenover de verwoestingen van de crisis." (Arbeiders moeten weigeren op te draaien voor de crisis; Internationalisme 341) Maar enigszins bekomen van deze schrik, gaan ze toch weer op zoek naar een collectief antwoord. De bourgeoisie heeft dan ook groot gelijk als ze meer waarde hecht aan het standpunt en de houding van de sociale partners, en dan met name aan dat van Jongerius van de FNV, dan aan die van het parlement. De sociale kwestie wordt anno 2009 immers niet meer uitgevochten in de Tweede Kamer, maar op straat, in massale betogingen, in een verenigd front van arbeiders (werkenden en werklozen; ambtenaren en arbeiders in de privé, jongeren en ouderen) tegen de voortgaande aanslagen op de levensvoorwaarden van ieder van ons.
En de bourgeoisie is zich daar heel goed van bewust. Vandaar al haar manoeuvres, waarbij ze de FNV tijdelijk naar het voorplan van de sociale situatie schoof. Wekenlang trokken de regeringspartijen zich terug in een ivoren toren, zogenaamd om te onderhandelen over de nieuw te nemen maatregelen. In wezen gaf ze zo alle ruimte aan de FNV om actie te voeren tegen het kabinet, tegen haar gebrek aan daadkracht de crisis het hoofd te bieden, tegen haar gebrek aan onvermogen om banen te behouden die massaal verloren dreigen te gaan, tegen haar gebrek aan doortastendheid in het aanpakken van al diegenen die misbruik maken van de crisis. Op 13 maart vond er dan een demonstratie plaats in Den Haag, waar Jongerius iedere roep om actie vanaf de basis omboog tot een oproep tot meer actie van het kabinet. Uiteindelijk werd er een nationaal akkoord gesloten, waarbij Jongerius werd geprezen als de nieuwe koningin van Nederland, die aan iedereen haar zin had weten op te leggen en de plannen van de FNV er had weten door te drukken. Inclusief het afserveren van de verhoging van de AOW leeftijd naar 67 jaar.
Voor wat de gevolgen zijn van de politiek van zo'n Jongerius voor het inkomen van de arbeiders, hoeven we slechts te verwijzen naar wat er gebeurt bij TNT post. Bij TNT post werkt de FNV momenteel aan een regeling waarbij de werkers ronduit gechanteerd worden: willen ze hun banen kunnen behouden dan moeten ze 15% van hun loon inleveren, zijn ze niet bereid om die aderlating te doen, dan worden er duizenden werkers op straat gezet. Dat zijn nu de organisaties, waar wij volgens ultralinks ons vertrouwen in moeten stellen. Want zelfs als de vakbonden zich "strijdbaar" tonen, zoals ultralinks dat graag ziet, dan is dat ook slechts een manoeuvre, een tactiek om de arbeiders mee te slepen op de uitzichtloze weg van een onderschikking aan de belangen van de kapitalistische nationale economie.
De crisis (de beste bondgenoot van het proletariaat) zal de strijdwil op termijn toch weer doen toenemen en de vragen aanwakkeren hoe ten strijde te trekken tegen de nieuwe golf van aanvallen op de levensvoorwaarden. Want bij de bezuinigingen die op 25 maart aangekondigd zijn, zal het niet blijven. Want als we ons ervan bewust zijn dat de bourgeoisie geen oplossing heeft voor de crisis, dan weten we dat er nieuwe ronden van bezuinigingen aangekondigd zullen worden. En de arbeiders weten dit beter dan wie ook. Ze hebben al vele malen eerder met dit bijltje gehakt.
De ontwikkeling van de strijd van de laatste jaren laat zien dat er een rijping plaatsvindt binnen de arbeidersklasse. De voorbeelden van Frankrijk, Griekenland, Duitsland en op de boorplatforms in Groot-Brittannië (zie elders in dit nummer van Wereldrevolutie en onze site www.internationalism.org [62]) tonen ons dat de arbeidersklasse een duidelijke stap vooruit heeft gezet inzake haar bewustzijn over de inzet van de strijd, het zoeken naar solidariteit, en het refereren naar de strijd van klassebroeders elders in de wereld.
In Nederland zien we aan de ene kant dat het verzet van de arbeiders gestaag doorgaat en duidelijk niet alles over hun kant laten gaan. Als de aanvallen te drastisch zijn, dan laat ze regelmatig haar tanden zien. Zoals we onlangs weer hebben kunnen zien bij de schoonmakers op Schiphol die, begin april, het enkele malen achtereen succesvol de strijd opnamen tegen de verslechtering van de werkomstandigheden doordat de schoonmaakbedrijven besloten hadden onderling te gaan kwartetten met de werkers. Met andere woorden: de flexibilisering nog verder door te zetten, waardoor er een nog grotere onduidelijkheid en onzekerheid ontstond over werktijden, taken, locaties en zelfs over de banen die nog behouden konden blijven.
Tegelijkertijd kunnen we zien dat de arbeidersklasse zich niet langer laat verleiden tot ‘onverantwoorde' acties, waarbij ze bij voorbaat al een verloren strijd voert en de bourgeoisie haar gemakkelijk naar de nederlaag kan voeren. In tegenstelling tot de jaren '80, laat ze zich niet meer zo gemakkelijk laat meevoeren in een uitzichtloze strijd, tot aan het eind, totdat steeds meer delen afhaken en uiteindelijk een kleine minderheid zijn toevlucht neemt tot geweld en gemakkelijk in de pan gehakt kan worden. Ze gaat weloverwogen te werk en zoekt het juiste tijdstip uit om de aanvallen van de bourgeoisie op haar inkomen af te slaan. Dit tekent de rijping van het bewustzijn in de klasse.
Danard /13.04.2009
Op het moment dat deze tekst wordt geschreven (12 september) zijn de details van de regeringsplannen nog niet bekend. Maar het is zonneklaar dat de crisis de Nederlandse economie zeer hard treft, wat de bourgeoisie er toe brengt om de levensomstandigheden van de bevolking hard aan te pakken. Reeds hebben vele bedrijven mensen ontslagen. Vrijwel dagelijks kan men in de media horen dat er mensen uit moeten. Een record aantal kleine bedrijven ging failliet, velen hebben het zeer moeilijk waardoor duizenden mensen op straat zijn komen te staan. Maar ook grote bedrijven gooien mensen op straat, met duizenden tegelijk, zoals bij KLM, ABN-AMRO en TNT, etc. Het laatste bedrijf kondigde aan dat 11.000 van de 23.000 mensen weg moeten.
Menig bedrijf gaat zo ver om de nog-werkenden te chanteren met banenverlies. Zo trachtte de V&D-directie de uit onderhandelde loonsverhoging van 3,3% terug te draaien, zogenaamd om 550 ontslagen te voorkomen, maar de arbeiders kwamen in verzet en het bedrijf moest bakzeil halen. De TNT-directie kwam met het volgende: accepteer een loondaling van 5 tot 15% of er vallen duizenden ontslagen. Zo probeert men de arbeiders een schuld gevoel op te dringen: omdat ze zo egoïstisch zijn, de broekriem niet willen aanhalen, moeten er ontslagen vallen. Ondanks dat de bonden wel oren hebben naar zulke voorstellen, ze stelden ze zelf aan Corus voor de looneisen te matigen tegen werkgarantie, gingen de arbeiders niet in dit verdeel-en-heers spel mee, ze wezen de loondaling af. Ondanks het feit dat een deel van de werkloosheid wordt verhuld door een vrij massaal gebruik van de deeltijd-WW-regeling, loopt de werkloosheid snel op. Het CBS, het CPB en DNB melden allen dat de werkloosheid tot 675.000-730.000 zal stijgen, een absoluut record.
Naast dat er ontslagen vallen wordt de bevolking ook getroffen door bezuinigingen van de regering: op de AWBZ, kinderopvang, sociale uitkeringen, de zorg, onderwijs, de WaJong, etc. Maar Donner maakte duidelijk dat de deeltijd-WW-regeling helemaal moet worden betaald door bezuinigingen op andere uitkeringen, zoals de WAO en de bijstand. Zo worden uitkeringstrekkers tegen elkaar en tegen nog werkenden uitgespeeld.
Maar de allerhardste aanval door de regering Balkenende is die op de pensioenen. Een verhoging van de AOW-en-pensioenleeftijd van 65 naar 67 jaar is vrijwel onafwendbaar, maar 68 en 70 jaar wordt ook al genoemd. Prepensioen en VUT waren al tot iets uit het verleden geworden. Daarnaast gaan de pensioenpremies omhoog en wordt er niet-geïndexeerd, er wordt zelfs al gesproken over een verlaging van de uitkeringen. De FNV stribbelt zogenaamd nog tegen, mag in de SER met alternatieven komen, maar het CNV is openlijk voor de regeringsplannen. De CNV-Jongeren komen zelfs in actie voor de verhoging van de pensioenleeftijd, de FNV er tegen. Ouderen en jongeren worden in dit vakbonds‘debat’ als egoïstisch en onsolidair neergezet = tegen elkaar uitgespeeld. In een kort artikel kunnen we natuurlijk niet uitgebreid op alle actuele kwesties ingaan. Daarom zullen we er op terugkomen op onze website https://nl.internationalism.org [41]. Duidelijk is: er staat ons nog heel wat te wachten.
Het is nu precies 30 jaar geleden dat er in de Rotterdamse haven een belangrijke staking plaatsvond. De grootste kracht van die staking was de (zelfstandige) organisatie van de strijd door de arbeiders zelf.
De dokwerkers in de Rotterdamse haven in 1979 hebben ons getoond welk een kracht er kan uitgaan van een strijd die door de arbeiders in eigen hand genomen en zelfstandig geleid wordt. Dat is de belangrijkste ervaring die in de staking aldaar opgedaan werd en werd toegevoegd aan de strijd van de internationale arbeidersklasse.
Het is nu precies 30 jaar geleden dat er in de Rotterdamse haven een belangrijke staking plaatsvond. De grootste kracht van die staking was de (zelfstandige) organisatie van de strijd door de arbeiders zelf, zoals die tot uitdrukking kwam in
De dokwerkers in de Rotterdamse haven in 1979 hebben ons getoond welk een kracht er kan uitgaan van een strijd die door de arbeiders in eigen hand genomen en zelfstandig geleid wordt. Dat is de belangrijkste ervaring die in de staking aldaar opgedaan werd en werd toegevoegd aan de strijd van de internationale arbeidersklasse.
Natuurlijk kent iedere staking ook haar zwakheden, en die in Rotterdam 1979 maakte daarop geen uitzondering. De belangrijkste zwakheid was wel de illusie binnen de arbeidersklasse van dat moment (anno 1979) dat een strijd zich vooral binnen de sector afspeelde en ook binnen die grenzen uitgevochten moest worden. Met andere woorden: dat het in eerste instantie een strijd was gericht tegen de havenbaronnen en het havenkapitaal en niet zozeer tegen het kapitalisme en de burgerlijke staat. Toen de noodzaak van uitbreiding van de strijd zich stelde, werd dan ook voornamelijk gedacht aan andere sectoren in de Rotterdamse haven (container, petrochemie) en aan andere havens aan de Noordzee.
Dat idee bestond echter niet alleen binnen de klasse, maar heerste toentertijd ook nog op ruime schaal binnen de revolutionaire organisaties van het proletariaat. Wat de IKS betreft, is er nagenoeg geen artikel van uit die tijd te vinden dat niet ergens de noodzaak aanstipt tot uitbreiding naar andere bedrijven in Rotterdam en naar havens elders aan de Noordzee.
Ook het hiernavolgende artikel, dat overgenomen is uit Weltrevolution nr. 1 (december 1979), huldigt die opvatting als het schrijft: “Bovenal was echter beslissend dat de Rotterdamse havenarbeiders hun eigen haven niet konden afsluiten.” In deze zinssnede wordt namelijk uitgegaan van de gedachte dat havenstakers eerst alle arbeiders in de Rotterdamse haven tot staking moeten weten te bewegen voordat de strijd een succes zou kunnen worden. Daarnaast bestond er ook nog een ander idee binnen de IKS, namelijk dat de staking met name uitgebreid moest worden naar andere havens aan de Noordzee om te voorkomen dat de schepen daar gelost zouden gaan worden. Beide opvattingen gaan uit van de gedachte dat de ondernemers in de haven economisch onder druk gezet moeten worden om de staking tot een succes te maken. Ze moeten het met andere woorden in hun portemonnee voelen om uiteindelijk overstag te gaan en te bezwijken onder de druk die door de staking op hen wordt uitgeoefend.
Dat is een politieke opvatting die we in de periode daarna hebben moeten corrigeren. Want we leerden dat de oproep tot uitbreiding van de strijd naar andere havens en naar andere bedrijven in de haven, de gedachte kon doen postvatten binnen de arbeidersklasse dat deze strijd op de eerste plaats een havenstrijd was en geen uitdrukking van de internationale strijd van de arbeidersklasse. We leerden eveneens dat een oproep tot het lamleggen van iedere bedrijfsactiviteit, in welke haven dan ook, het idee versterkt dat de strijd van de klasse een voornamelijk economische strijd is en niet op de eerste plaats een politieke strijd.
De staking in Polen, die een jaar later plaatsvond, maakte duidelijk welk een reusachtige dynamiek er kan uitgaan van een staking die zich niets aantrekt van de sectoriële grenzen en de arbeiders van alle bedrijfstakken verenigt in één enkele strijdbeweging. Belangrijk is te memoreren dat het Rotterdam was, die daarvoor mede de weg heeft gewezen!
Sinds de grote staking in de haven van Rotterdam zijn er drie maanden verstreken. De arbeiders namen het werk na een maand weer op, echter zonder hun eisen, zoals 30 en later 50 gulden in de week meer, pensionering op 60-jarige leeftijd en meer vrije dagen ingewilligd te krijgen. De staking was door de gebundelde krachten van de vakbonden en politie gebroken, nadat zij blootgesteld was aan dreigingen van de rechtbank en laster van de media.
De staking is ten einde. Het gaat er nu om lering te trekken uit deze belangrijke ervaring. Want het is niet onze taak de strijd van onze klasse te verheerlijken noch haar nederlagen te betreuren. We moeten leren van de gebeurtenissen, zodat we de volgende keer een nog betere strijd kunnen voeren. Met de geringe krachten, die ons momenteel ter beschikking staan, zetten we ons er voor in dat de gehele klasse gebruik kan maken van zowel deze als van iedere andere belangrijke actie van de klasse. Waar de klasse zowel in Duitsland als in Nederland dus gebruik van kan maken. Deze internationalisering van de strijdervaringen, die momenteel door de leugens en het doodzwijgen door de vakbonden en door links tegengewerkt wordt, is een noodzakelijke voorwaarde voor de versterking van onze strijd tegen de wereldwijde aanvallen van het kapitaal.
De toestand waarmee de arbeiders in Holland geconfronteerd worden, treft men ook hier (in Duitsland) aan. De christendemocratische regering van Van Agt is vastbesloten het loon van de arbeiders te matigen om op die manier de Hollandse producten een betere concurrentiepositie te verschaffen op een krimpende wereldmarkt. De sociaaldemocratische vakbonden tekenen daartegen protest aan. Maar in werkelijkheid proberen ze deze loonsverlaging zelf, en met alle middelen, door te voeren. Ze waren woedend toen de havenarbeiders de welbekende vruchten van “harde onderhandelingen” tussen de vakbonden en de ondernemers (een “loonsverhoging” van 4 gulden per week) afwezen. Het aanbod lag inderdaad ruim onder de stijging van de prijzen. Niet alleen de dokwerkers, maar ook de slepers, die kort daarvoor een “bevoorrechte” nieuwe cao hadden afgesloten, gingen ook in staking. Alles bij elkaar namen er ongeveer 12.000 arbeiders er aan deel.
De stakers kregen geen cent van de Vervoersbond. Ook kregen ze niets van de bejubelde Hollandse welvaartsstaat. De rechtbank had de staking voor onwettig verklaard en de stakers gedreigd met gepeperde geldstraffen. De arbeiders namen de strijd zelf in handen. Er vonden iedere dag algemene vergaderingen plaats, waaraan gemiddeld 4000 arbeiders deelnamen. Een stakingscomité, dat samengesteld was uit afgevaardigden van de bedrijven en dat verantwoording moest afleggen tegenover de algemene vergadering zorgde voor de centralisatie en coördinatie van de strijd. In de eerste dagen van de staking waren er 2000 mannen die deelnamen aan het posten bij de bedrijven. Zulke stakingsposten heeft men in Nederland lange tijd niet meer gezien.
Er werden ook campagnes gestart om de bevolking over de strijd te informeren en financiële ondersteuning te bewerkstelligen. Er werden delegaties naar de Amsterdamse haven gestuurd, waarbij daar aansluitend ook twee keer het werk werd neergelegd. Bovendien waren er elders sporadische solidariteitsacties, zoals in de Gronings bedrijf en van de havenarbeiders van Gotenburg in Zweden. Er ging ook een delegatie naar de arbeiders in de petrochemie en naar de arbeiders in de oliehaven in Rotterdam. Maar bij het reusachtige bedrijf van Shell kwam het pas tot staking, toen de havenstaking voorbij was. De arbeiders hielden bovendien het gebouw van de Vervoersbond een tijdlang bezet om de uitbetaling van stakingsgeld af te dwingen. Ze eisten dus hun zwaar verdiende geld terug dat ze aan de vakbond hadden afgegeven. Maar de vakbond bleef op “haar”geldbuidel zitten, want ze vreesde dat een overwinning voor de havenarbeiders zou leiden tot een loonexplosie in heel Holland.
Aan het einde van de derde stakingsweek verloor de strijd aan kracht vanwege het voortdurende isolement van de staking en toenemende kritieke financiële situatie van de stakers. De schepen, die bestemd waren voor Rotterdam, konden meestal in andere havens gelost worden. In Hamburg en Bremen zweeg de vakbond over de staking en hield de haven open. Maar zelfs in de traditioneel militante haven van Antwerpen konden de schepen, die voor Rotterdam bestemd waren, gelost worden.
Tijdens de staking heeft de IKS in al haar tussenkomsten de dringende noodzaak naar voren gebracht om het isolement te doorbreken, dat door de vakbonden versterkt werd. Door middel van onze pers en pamfletten, maar ook door discussies met de stakers bij het stakingscomité, in de algemene vergaderingen en bij de stakingsposten hebben we de kameraden opgeroepen alle noodzakelijke stappen te zetten, om andere arbeiders in de staking te betrekken. In dit kader hebben we, door middel van pamfletten die verspreid werden in de haven Amsterdam, Antwerpen en Zeebrugge, voorgesteld om solidariteitsacties te organiseren en een delegaties te sturen naar de vergadering in Rotterdam.
Bovenal was echter beslissend dat de Rotterdamse havenarbeiders hun eigen haven niet konden afsluiten. Omdat ze dit niet gedaan hebben, was het nauwelijks te verwachten dat andere arbeiders hun staking serieus zouden nemen. Inderdaad ging het containerverkeer gewoon door en bleef de oliehaven open. (Deze arbeiders hebben andere cao’s, zijn deels in andere vakbonden georganiseerd, enzovoort. De structuur van de vakbondsonderhandelingen scheidt de arbeiders van elkaar.)
Tegen de achtergrond van deze situatie werd daarop besloten dat er op 19 september een massadelegatie naar de containerhaven moest gaan, om ook deze arbeiders tot staking te bewegen. De ME greep direct in en sloeg de havenarbeiders onbarmhartig in elkaar. Op dezelfde dag bood de sociaaldemocratische vakbond FNV haar leden een eenmalige uitbetaling van 550 gulden aan, die gold voor iedereen die een verklaring wilde ondertekenen, waarin ze zichzelf verplichtten weer aan het werk te gaan. Dus geconfronteerd met de gebundelde krachten van de vakbon, de politie en de rechtbank - het gehele arsenaal van de staat – en met ’t oog op het onveranderde isolement van de staking, besloten de arbeiders op de daaropvolgende zaterdag in de algemene vergadering de staking te beëindigen.
Met de Rotterdamse staking duiken de strijdmiddelen van het proletariaat op die karakteristiek zijn voor de huidige periode: algemene vergaderingen, stakingscomités, zwaarbezette stakingsposten. Deze capaciteit van de klasse, zich zelfstandig te organiseren, eisen te formuleren om de bezuinigingspolitiek van de bourgeoisie te doorkruisen, laat zien dat de klasse tegenwoordig weet hoe ze moet strijden en hoe ze voortaan verzet zal bieden. En dit vindt plaats ondanks de harde taal van de sociaaldemocratische PvdA en ondanks de evenzeer, sinds kort, geradicaliseerde taal van de vakbond.
Maar juist op dit moment, als de huichelarijen van de vakbonden en de sociaaldemocraten - deze belangrijkste vijanden van de arbeidersklasse – doorzien werden, kon alleen het naakte geweld van de staat de staking breken. Omdat de arbeiders niet in staat waren om de politie te confronteren, was de staking tot mislukken gedoemd. Maar juist in Holland, waar de democratische façade nog betrekkelijk overtuigend werkt, zal het besef dat de staat een tegen de klasse gericht geweldsorgaan is, een lang en pijnlijk leerproces vereisen.
Dat de arbeiders het belang hebben begrepen van de uitbreiding van de staking, wordt aangetoond door zowel het werk van de algemene vergadering en van het stakingscomité, als de regelmatige uitgave van een informatiebulletin. Er is, door middel van delegaties of de verspreiding van pamfletten (zoals in de havens van Antwerpen en Hamburg) geprobeerd om arbeiders van andere bedrijfstakken, maar ook havenarbeiders in het buitenland in de strijd te betrekken. In de enorme Rotterdamse haven zelf zijn dweilploegen geformeerd, die voortdurend door het havengebied trokken om de verschillende bedrijven voor de staking te winnen, en om het goederentransport te verhinderen middels “vliegende stakingsposten” en het opwerpen van barricaden. Niet alleen het isolement van de staking, maar ook de noodzaak om de minder strijdbare arbeiders, via het sturen van delegaties, opnieuw zo aan te moedigen dat ze aan de staking blijven deelnemen, bewijst hoe moeilijk het is een uitbreiding van de staking te bewerkstelligen. De langzame ontwikkeling van de crisis in zulke landen (als Nederland), de gebrekkige strijdervaring van de Hollandse arbeidersklasse, maar ook de sabotage door de vakbonden en door links, die de uitbreiding van de staking met alle middelen verhinderd hebben, en daar waar de solidariteit werkelijk bestond, haar snel weer hebben begraven, bepalen de toestand voortaan weer.
Alleen door de ervaringen van zulke gevechten kunnen deze moeilijkheden overwonnen worden. In de loop van de staking zijn de arbeiders te weten gekomen, dat de leiding van de haven helemaal aan het begin van de strijd bereid was, de geëiste loonsverhoging te betalen. Maar het Verbond van Nederlandse Ondernemers verhinderde dat, daar de bourgeoisie in Holland niet bereid was zulke loonsverhogingen in heel Nederland te verteren. Ze beloofden de ondernemers in de haven een compensatie gelijk aan de winstdaling.
De Rotterdamse havenarbeiders zijn niet verslagen. Ze hebben de staking afgebroken, omdat ze hebben begrepen dat het beter is een nieuwe staking voor te bereiden, dan met steeds minder mensen de strijd voort te zetten. Door de staking voort te zetten, zou er op den duur alleen maar een splitsing onder het personeel ontstaan. Sinds de staking zijn er in de kantines van de Rotterdamse haven dikwijls algemene vergaderingen en zelfs onder werktijd. Bovendien zijn er ook buiten de haven grote bijeenkomsten, waaraan naast de dokwerkers, nog arbeiders uit andere bedrijfstakken, huisvrouwen en werklozen deelnemen.
De militante kern van havenarbeiders, die zich rondom het stakingscomité georganiseerd heeft, heeft nu 14 eisen opgesteld, die nog veel verder gaan dan de eisen waarvoor ze gestaakt hadden. Ze dreigen met een nog veel grotere staking in het geval deze eisen door de ondernemers en de vakbonden afgewezen worden. Of ze de meerderheid van de haven reeds achter zich hebben staan, zal de toekomst leren. Momenteel is in ieder geval een radicalisering te verwachten van de vakbonden en van links, die hun invloed bij de arbeiders niet mogen verliezen. Deze organen van het kapitaal hebben onder de jongste gebeurtenissen zwaar geleden. Desalniettemin zijn hun wapens tegen de arbeidersstrijd nog lang niet allemaal opgebruikt n
Krespel / 10.12.1979
Het resultaat van de Iranese presidentsverkiezingen van 12 juni heeft een storm van protesten ontketend waarbij rond de 2 miljoen mensen de straat opgingen.
Na de bedreigingen, de aanhoudingen, de slagen en de martelingen zijn de straatprotesten overgegaan tot nachtelijk protest op de daken waarbij geschreeuwd werd ‘Dood aan de dictator’ and ‘Allah is Groot’. Er is sedert 1979, toen de Sjah verplicht werd het land te verlaten, nooit zo’n groot protest geweest dat de groeiende ontevredenheid van het volk met het Islamitisch regime aan de oppervlakte bracht.
Het niveau van de onderdrukking vertelt ons veel. Het regime zag af van het aanvallen van de eerste en grootste protesten. Zelf ontstaan ten tijde van de protesten en stakingen die het bewind van de Sjah ondermijnden, waren de heersers van de Islamitische Republiek zich terdege bewust van het gevaar van het maken van martelaren bij de betogers. Maar de week daarop uitte de Opperste Leider, Ayatollah Khamenei, bedreigingen tegen de betogingen bij het vrijdagsgebed. En dit werd gevolgd door dodelijke aanvallen op de protesteerders door verschillende repressiekrachten, de Basiji milities, de Revolutionaire Wachters, de elite van oproerpolitie en scherpschutters (de dood van Neda Agha Soltan, bleek the werk te zijn van zo een scherpschutter). Er zijn honderden zoniet duizenden aanhoudingen geweest, en het hele land is elektronisch geïsoleerd geworden – geen e-mail of tekst kon binnen of buiten. Nu is er een walgelijke campagne op gang gekomen om burgers er toe aan te zetten om inlichtingen te geven over hun buren, vrienden, broers, zussen… over om het even wie aan betogingen zou hebben deelgenomen. Het vraagt echt moed om zelfs maar een zweem van oppositie te tonen in Iran.
Het regime heeft zich niet alleen gekeerd tegen de gewone betogers, maar heeft ook de rivaliserende presidentskandidaat Mousawi bedreigd door hem er voor te waarschuwen om het protest niet aan te moedigen, en het heeft ook voor korte tijd de kinderen aangehouden van Rafsanjani, de vroegere president die bekend stond als de handlanger van Khomeini in 1979. Kortom er heerst diepe verdeeldheid binnen de Iranese heersende klasse. De hervormers drijven nu op de golf van het volksprotest, maar dat zijn de voorstanders van de harde lijn van 1980 en doorwinterd in de Islamitische Republiek. Zij hebben de bevolking in het algemeen of de arbeidersklasse in het bijzonder niets te bieden behalve nog meer van dezelfde kapitalistische uitbuiting. Maar zij denken duidelijk dat zij iets te bieden hebben aan het Iranese kapitalisme. Alhoewel Rafsanjani zijn mond gehouden heeft, “steunt hij een grotere opening naar het Westen, door het privatiseren van delen van de economie en het verlenen van meer macht aan de verkozen instellingen”, volgens de International Herald Tribune van 23.6.09, en probeert hij een compromis uit te werken binnen de heersende klasse, wat deel uitmaakt van zijn rol in de Raad van Toezicht.
Ondertussen is het zo dat als Mousawi stelt dat “protesteren tegen leugens en fraude jullie recht is”, hij geen eenmansgevecht aan het leveren is, maar bewijst hij de hele Iranese bourgeoisie een dienst. Aangezien zij niet zo een openlijke uiting van ontevredenheid in het land gewenst hebben, probeert Mousawi het te richten op het verkiezingsresultaat en kiest hij dus een kamp in de verdeeldheid van de heersende elite, die in een volkomen doodlopend straatje zit.
De repressie heeft geen einde gemaakt aan de ontevredenheid, zelfs al zijn de massale straatbetogingen voorlopig beëindigd. Hoe dan ook, zonder een betekenisvol verzet van de arbeidersklasse zal het niet mogelijk zijn om een doeltreffend verzet op te bouwen tegen de repressie. De militante Iran Khodro autofabriek ging in staking tegen de repressie – die deze arbeiders zelf ervaren hebben tijdens hun eigen strijd. Een vakbondsverklaring van de Vakbond van de Arbeiders van Iran and de Vahed Bus Maatschappij uit de Voorsteden, die geen enkele van de kandidaten steunt, maar wel de protesten, zou een hint kunnen geven omtrent de gemoedsstemming onder de arbeiders – tegen de repressie, maar kritisch tegenover de beide fracties van de heersende klasse, maar met illusies in de democratie. Ondanks dit en de algemene staking van 26 juni, hebben de arbeiders in deze gebeurtenis over het algemeen geen rol gespeeld als klasse, alhoewel zij er ongetwijfeld individueel bij betrokken waren.
Wij mogen de rol niet vergeten die de klassenstrijd heeft gepeeld 30 jaar geleden. Stakingen, in het bijzonder in de petroleumindustrie, ondermijnden de bekwaamheid van de Sjah om nog te regeren: “De ‘Volksbeweging’ die bijna alle lagen van de Iranese maatschappij omvatte, raakte uitgeput, ondanks de massamobilisaties. Het was de opleving van de arbeidersstrijd in Iran vanaf oktober’78, in het bijzonder in de oliesector, die niet alleen het oproer weer aanwakkerde, maar die het nationaal kapitaal voor problemen stelde die praktisch onoplosbaar waren, zolang er geen opvolging was voor de oude machthebbers. Terwijl de repressie de middenstanders, de studenten en de werklozen kon doen terugdeinzen bleek ze volkomen machteloos om het land uit de economische verlamming te halen, die door de arbeidersstakingen werd veroorzaakte. Zelfs in de landen waar zij numeriek zwak staat, is de arbeidersklasse door de centrale plaats die zij inneemt in de kapitalistische productie een van de essentiële krachten van de maatschappij” (IKS verklaring van 17.2.1979, herdrukt in Wereldrevolutie 117). Deze stakingsbeweging, was niet een louter Iranese gebeurtenis maar vormde vooral een belangrijk hoofdstuk van een internationale stakingsbeweging, waartoe ook de ‘winter van ontevredenheid’ in Groot-Brittannië behoorde, de havenarbeiders strijd in Rotterdam, de stakingen in de staal in Frankrijk, die allemaal culmineerden in de massastaking in Polen in 1980.
Wij twijfelen er niet aan dat de arbeidersklasse in Iran zal deelnemen aan de huidige ontwikkeling van de internationale klassenstrijd samen met haar klassebroeders uit Egypte, Dubai, Bangladesh en China, evenals in Europa en Amerika. Wanneer zij dat zal doen op een klasse-basis, voor haar eigen belangen, zal zij een werkelijk perspectief kunnen bieden aan de volkswoede, die zo overduidelijk geweest is in de voorbije weken. Het perspectief dat is vereist is dat men niet enkel moet verlost geraken van de huidige Iranese president of van het islamitisch regime, maar van het hele kapitalistische systeem n
Alex / 04.07.2009
Waarom dit artikel? De aanleiding om dit artikel te schrijven was het ontvangen van een brief via onze e-mail geschreven op de dag van de Europese verkiezingen. In de brief werden een aantal kwesties gesteld als reactie op de campagnes rond de Europese Verkiezingen. De vragen die bij onze contact opkwamen zijn vragen waar niet alleen hij maar ook vele anderen mee zitten. In dit artikel gaan we op een aantal van die vragen, die we zoveel mogelijk gegroepeerd hebben, in en proberen we een antwoord te geven.
Waarom wonnen de PVV en D66 de Europese verkiezingen en de SP niet?
Als je nogmaals naar de cijfers van de verkiezingen kijkt, het is al weer een tijdje geleden, dan is duidelijk dat de PVV van Wilders de grote winnaar was, vertaald naar Tweede Kamer zetels op 26 stuks zou komen, en alleen het CDA voor moest laten gaan. Op de tweede plaats kwam D66, een partij die de verkiezingen van de laatste tien jaar steevast verloor. De grote verliezers waren de drie regeringspartijen, maar ook de SP en de VVD. Al deze partijen verloren, maar met name de PvdA kreeg klappen.
De PVV won, maar niet, ondanks wat er wel gezegd wordt, doordat ze tegen Europa is. De SP is ook tegen Europa, maar verloor fors. Wij denken dat het komt doordat de PVV fel polemiseert en de aandacht trekt, met name rond thema’s als de “dreiging van de islam” en de allochtonen. Steeds haalt ze daarmee het nieuws, onlangs nog weer door te eisen dat het kabinet uitrekent “wat die allochtonen Nederland kosten”. Waarna de rest van de politiek zogenaamd weer op achterste benen stond, en elkaar verdrong om het voorstel af te wijzen als “niet-solidair”. Wilders staat ook niet alleen, in meer landen zijn er vergelijkbare figuren en partijen, zoals Haider en het Vlaams Belang die net als Wilders een rechts-populistische koers varen, en tekeer gaan tegen buitenlanders en moslims. Dit soort kwesties houdt veel mensen bezig, zowel voor als tegenstanders van Wilders. Eerder won in Nederland Pim Fortyun’s LPF al eens op spectaculaire wijze in Tweede Kamer verkiezingen, en wist Rita Verdonk een schare volgelingen op te bouwen. De thema’s waar de SP mee kwam “Voor een sociaal Europa” houden de gemoederen veel minder bezig, wat het verlies van de SP verklaart.
Naast de PVV won ook D66 veel stemmen.Wij denken dat dit niet zo zeer door hun pro-Europese standpunt is, voor het grote publiek speelt Europa niet zo, maar door dat zij zich opwerpt als de partij die het meest fanatiek tegen Wilders rechtspopulisme ingaat. Het is dus niet zo dat er een algemene trend naar rechts is, tijdens de vorige verkiezingen won de linkse SP sterk, en nu de gematigd linkse D66, terwijl de rechtse VVD verloor.
Waarom verloren de regeringspartijen en de VVD?
De regeringspartijen en ook de VVD en de SP verloren allen in meer of mindere mate dat is zeker, met name de PvdA. De vraag is waarom? Niet, omdat ze geen duidelijk standpunt over Europa hebben. Alle partijen hebben er zich over uitgesproken, het CDA, de PvdA, de CU en de VVD zijn gematigd voor Europa, de SP is tegen, en wil een sociaal-Europa als alternatief. Veel waarschijnlijker is dat de kiezer ontevredenheid voelt over het gevoerde kabinetsbeleid, met name over de aanvallen op de levensomstandigheden, en door het wegslijten van illusies over “dat het allemaal wel goed komt als we maar vertrouwen hebben in de regering”. De VVD en de SP zijn vermoedelijk afgestraft, omdat ze geen alternatief hebben voor het gevoerde regeringsbeleid. Die groeiende onvrede in de maatschappij wordt door de heersende machte zo veel mogelijk gekanaliseerd.
De rechts-populistische polarisatie trekt veel mensen aan die wel ontevreden zijn over de ellende die het kapitalisme brengt, maar die het proletarische perspectief niet zien, en daarom niet verder komen dan proteststemmen. De meesten van hen geloven waarschijnlijk niet dat als Wilders in de regering zal komen alles beter zal worden – Wilders is net als Fortuyn ondanks zijn grote populariteit nauwelijks in staat om serieuze kandidaten te trekken – maar reageren frustratie af door tegen het Haagse Establishment te kiezen. Iedereen die daardoor zich ongemakkelijk of bedreigt voelt komt deze maal daarom bij Pechtold’s D66, die gaat het hardst tegen de PVV in.
Moeten we voor of tegen Europa zijn?
Veel mensen die zich politiek trachten te engageren hebben vragen over Europa. Moeten we voor Europa zijn of tegen? Volgens ons is dat geen goede vraag, maar een valse. Het contact die ons schrijft heeft gelijk als hij zegt: “Er zijn mensen die Europa zo kapitalistisch vinden en daarom zijn ze tegen Europa, dan kun je net zo goed tegen Nederland zijn, want dat is net zo kapitalistisch”.
Elders schrijft hij over een verkiezingsdebat dat hij op TV zag: “De ene partij was tegen de komst van Polen, de ander juist voor, maar beide met hetzelfde argument: omdat het beter is voor Nederland”. We zijn het daar helemaal mee eens. In ons antwoord aan hem schreven we: “Allereerst over de keuze voor of tegen Europa. Dit is een valse keuze, want zowel een keuze voor Europa als een keuze voor Nederland is een keuze voor het kapitalisme, voor de uitbuiting, voor de toenemende ellende, voor een vooruitzicht zonder perspectief. De keuze voor Nederland is een keuze voor de verdediging van de nationale economie, voor die van de nationale belangen zonder enige vorm van gestructureerd overleg en samenwerking met de landen die Nederland omringen. De keuze voor Europa is de keuze van de verdediging van de nationale belangen van Nederland binnen het kader van een systematische en georganiseerde samenspraak op Europees niveau. En om nog enigszins het hoofd te bieden aan de groeiende chaos op allerlei terreinen, een chaos die het gevolg is van de toenemende ontbinding van het kapitalisme, heeft de Nederlandse bourgeoisie geen andere optie dan zich te schikken in de dictaten van de grootmachten binnen Europa. In die zin maakt het, uit oogpunt van de arbeidersklasse helemaal niets uit (…), of je stemt voor meer of minder Europa. Want in beide gevallen staan de belangen van het kapitaal voorop, de belangen van de nationale staat (…) de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse worden daaraan opgeofferd. Het is een illusie om te denken dat er binnen het kapitalisme zoiets zou bestaan als het kleinste kwaad. Fundamenteel is er geen verschil tussen een pro-Europese of een anti-Europese partij. Net zoals, vanuit het oogpunt van de arbeidersklasse, ook geen fundamenteel verschil is tussen een rechtse of een linkse partij.”
Kunnen we het onrecht in Nederland en de wereld bestrijden middels meer democratie?
Veel mensen maken zich zorgen over het lot van de vluchtelingen waarvan er als gevolge van oorlog, crisis en ontbinding steeds meer komen, en willen de grenzen voor hen openen. Anderen maken er zich zorgen over dat we door die vluchtelingen als het ware overlopen worden, en willen de grenzen dicht houden. Revolutionairen staan op het standpunt dat de vluchtelingenstromen het gevolg zijn van het compleet ontsporen van het kapitalistische systeem, dat dit systeem niet te repareren is, er binnen dit systeem geen oplossing is voor het probleem van de vluchtelingen (en de talloze andere problemen). Maar ook dat het kapitalisme in zijn geheel overwonnen moet worden, niet stapje voor stapje hervormd kan worden, maar revolutionair overwonnen moet worden.
De heersende klasse, de bourgeoisie zal dit nooit toegeven. In ons antwoord schreven we onder meer: “Het is duidelijk dat de bourgeoisie er belang bij heeft om de kwestie van de ontbinding (en de massale toestroom van vluchtelingen) uit te spelen tegen de arbeidersklasse. Het is een van de beste manieren om de arbeiders en de rest van de niet-uitbuitende bevolking achter de staat te mobiliseren. Vandaar dat de PVV (Wilders) alle ruimte heeft gekregen om zijn campagne uit te spelen” Deze campagne bestond uit het polariseren rond de thema’s: “islamieten, allochtonen en vluchtelingen. “De angst onder de bevolking voor een massale toevlucht van vreemdelingen, niet alleen vanuit de landen van het voormalig Oostblok, maar ook uit de landen van Noord-Afrika, is er in de afgelopen jaren niet minder op geworden. Het is duidelijk dat deze kwestie de mensen heel erg bezig houdt.”
Zowel Wilders als zijn tegenstanders stellen op geen enkele wijze het kapitalisme en haar politieke kant, de burgerlijke democratie, in vraag. De tegenstanders van Wilders noemen hem “racistisch en ondemocratisch”. Maar Wilders, net als andere populisten, zoals Verdonk en Fortuyn, stelt dat hij eigenlijk democratischer is dan de “pluche-achterkamer-politici”, omdat hij wel naar de mensen luistert en zij niet. De problemen die door de populisten en hun tegenstanders aan de orde worden gesteld zijn reëel genoeg, maar de oplossingen die beide kanten naar voren worden gebracht zijn dat in het geheel niet. Het probleem van de vluchtelingen kan niet binnen het kader van de nationale staten en de kapitalistische economie overwonnen worden. Maar daarom wordt er ook niet zo veel krakeel gemaakt rondom de kwestie van de vluchtelingen. Het is een voortdurende campagne, waarvan het uiteindelijke doel is de bevolking achter de staat te mobiliseren. Daarnaast dient de campagne op dit moment ook een meer actueel doel.
Waarom komt Wilders iedere keer zo prominent in het nieuws?
De bourgeoisie weet heet goed dat de economische crisis de beste vriend van de arbeidersklasse is. Waarom? Omdat, de crisis de bourgeoisie dwingt de arbeidersklasse op haar levensvoorwaarden aan te vallen, wat de arbeidersklasse er toe brengt om zich daartegen te verdedigen. Een belangrijk doel voor de bourgeoisie is dan ook steeds het verbergen van de diepte van de crisis die haar economische systeem raakt, en eveneens van de draconische maatregelen die er aan komen. Elders in de pers van de IKS zijn artikelen te vinden die op de aard van de huidige crisis in gaan. Een belangrijke manier om dat voor elkaar te krijgen is het voeren van campagnes die de arbeidersklasse moet verwarren en als het kan verlammen, zodat een fatalistische stemming ontstaat waarin de bourgeoisie kan verdelen en heersen, en de nodige versoberingmaatregelen kan doorvoeren.
Maar ook worden er campagnes gevoerd om de aandacht helemaal van de economische situatie af te leiden. Wilders en co. Spelen in de campagnes een hoofdrol. Rond de islam, de allochtonen en de vluchtelingen wordt door polarisatie een klimaat van verdeling geschapen. Door angst en haat op te wekken wordt getracht solidariteit te ondermijnen of anders op het verkeerde been te zetten. Door de arbeiders aan te spreken als Nederlanders en niet-Nederlanders wordt getracht de arbeiders hun klassenidentiteit te ontnemen, en die te vervangen door een adhesie aan de nationale staat, die als “uitvoerend comité van de bourgeoisie ” hun klassenvijand is.
Door onvrede in te kaderen helpt het rechtspopulisme en haar zogenaamde tegenstanders de bourgeoisie de ontevreden binnen het kader van de kapitalistische politiek, de democratie, op te sluiten, en elk idee over een rivaliserend, proletarisch, toekomstperspectief uit het zicht te houden. In werkelijkheid vullen Wilders en zijn zogenaamde tegenstanders elkaar perfect aan, als twee zijden van een medaille. Daarom komt Wilders steeds in het nieuws: het is niet moeilijk iets te vinden en breed uit te meten. Zo werd het feit dat Wilders maar in twee steden aan de gemeenteraadsverkiezingen zal meedoen breed uitgemeten. Hetzelfde geldt voor zijn provocatie om de ministers te laten uitrekenen wat de allochtonen Nederland kosten. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Wat kunnen we doen?
De IKS staat op het standpunt dat arbeiders niets in het stemhokje te zoeken hebben. Maar een lage opkomst is niet perse een teken dat de arbeiders de democratische illusies achter zich hebben gelaten. “Niet-stemmen kan niet per definitie als positief gekwalificeerd worden, in de zin dat je iedereen die thuis gebleven is kan onderbrengen in de categorie van mensen, die zich niet hebben laten meeslepen in een keuze: voor of tegen Europa (…) Maar van het grote percentage dat niet gestemd heeft kan zeker niet gezegd worden dat het geen illusies meer heeft in de democratie; kan ook niet gezegd worden dat ze niet langer achter een of andere fractie zullen scharen”.
De arbeiders klasse moet zich verdedigen tegen de aanvallen, en uiteindelijk het kapitalisme omverwerpen om de wereld te redden. Dat is een zeer lange weg. De rol van het bewustzijn is van cruciaal belang. Daarom moeten de revolutionairen voortdurend alle valse kwesties die de burgerlijke campagnes stellen ontmaskeren. Elders in onze pers kan men lezen over de strijd van de arbeidersklasse, die ondanks alle moeilijkheden de strijd weer oppakt. De revolutionaire organisaties en hun contacten hebben in de strijd een belangrijke rol te spelen: steeds de burgerlijke leugen en valse kwesties ontmaskeren en wijzen op het proletarische alternatief.
We danken de lezer voor de brief die hij schreef. Het helpt de revolutionaire organisaties immers als er vragen komen en kwesties gesteld worden. We moedigen alle lezers aan zijn voorbeeld te volgen en ons je vragen en interessen te schrijven, en/of om te komen discussiëren tijdens onze openbare en lezersbijeenkomsten. Op pagina 7 en op de site van de IKS kun je lezen wanneer er bijeenkomsten zijn.
A.L. / 606-09-2009
De aanval op de AOW is niet de enige aanval die er plaatsvindt. De volgende aanval die voor de deur staat is de aanval op de (aanvullende) pensioenen. Ook daarvan zal de leeftijd ongetwijfeld van 65 jaar naar 67 jaar gaan, net als dat bij de AOW het geval is. Bovendien zit er aan te komen dat de premies voor de pensioenen omhoog zullen gaan.
Maar ook op andere zaken wordt door de regering stevig bezuinigd.
De aanval op de AOW is niet de enige aanval die er plaatsvindt. De volgende aanval die voor de deur staat is de aanval op de (aanvullende)pensioenen. Ook daarvan zal de leeftijd ongetwijfeld van 65 jaar naar 67 jaar gaan, net als dat bij de AOW het geval is. Bovendien zit er aan te komen dat de premies voor de pensioenen omhoog zullen gaan.
Maar ook op andere zaken wordt door de regering stevig bezuinigd. Onlangs weer sterk bezuinigd op wat er nog over was van de oude WAO-regeling, nu WIA geheten, op de loonsubsidie, op re-integratiegelden, op woonsubsidie, het wordt moeilijker gemaakt om een uitkering te krijgen. Dit alles onder het mom van “we geven het geld nu uit aan de WW-deeltijd regeling, en het geld moet ergens vandaan komen”. Vorige maand werd aangekondigd dat het kabinet 35 miljard gaat bezuinigen vanaf 2010.
Daarnaast vinden er op veel plaatsen ontslagen plaats, en wordt er elders gedreigd met ontslag om loondalingen te kunnen doordrukken.
Of beide tegelijkertijd, dat komt ook voor. Zo speelt er nog steeds de dreiging van het massaontslag bij de KPN, waar maar liefst 11.000 banen op de tocht staan. Bij de banken en de verzekeraars zijn het afgelopen jaar ook al duizenden banen verdwenen, onlangs nog honderden bij de DSB, en het einde is nog niet in zicht. Zo ontsloeg SNS Reaal nog 700 mensen, KLM-Air France 1500, 1250 bij DSM, ING en Akzo volgen, etc. Zelfs bourgeois economen zeggen dat de grootste ontslagbeweging nog moet komen. De werkloosheid is dan ook tot recordhoogte gestegen – en ook hier is het einde niet in zicht, nieuwe records zijn in de maand.
De reacties in Nederland: moeite om te strijden, maar weinig wil om achter de vakbonden aan te lopen
Reageert de arbeidersklasse hierop? Er lijkt zo weinig te gebeuren. In het andere artikel over Nederland schreven we al dat we op dit moment weinig massale strijd zien in de centrale landen, maar wel kleine, geïsoleerde stakingsbewegingen, zonder al te veel perspectief.
Er waren bijvoorbeeld stakingen: bij Unilever (januari) tegen de ontslagen; Super de Boer (januari) tegen het uitblijven van betalingen; de failliete havenpool SHB (januari-februari) tegen ontslagen en kortingen op het pensioen; Hemocare (februari) voor een loonsverhoging; de schoonmakers op Schiphol (februari, april), september) voor recht en respect, voor meer loon, tegen ontlag; de verloskundigen van Nza in Utrecht (maart) tegen de hoge werkdruk; de TNT (maart) tegen ontslagen en loondalingen; de Hema (maart) voor 3,5% meer loon; de ambulancechauffeurs in Den Haag (april) voor behoud van banen; Honig (juni) voor 2,5% meer loon; Volker Rail (juni) tegen ontslagen; havenbedrijf ACT (juni, september) tegen ontslagen; de vleesindustrie (juni) voor 2,5% meer loon; Hema (september) tegen flexibilisering; de schoonmakers van de Arriva-bussen (oktober) tegen ontslag en loondaling; Akzo-Nobel (oktober) tegen de ontslagdreiging, ondanks het accepteren van een loonsverhoging van slecht 2 x 0,5%.
Sommige van deze acties zijn wellicht spontaan begonnen, zoals die tegen ontslagen en loondalingen, maar deze werden dan snel door de vakbonden overgenomen en onschadelijk gemaakt. Andere acties komen geheel voort uit de koker van vooral de FNV, en spelen zich geheel controle van de vakbonden af, vooral die rond de Cao’s, maar ook die rond thema’s als respect en veiligheid. Dit moet ons niet verbazen, de arbeidersklasse heeft grote moeite om tot massale, zelfstandige strijd te komen. Zie in dit verband ook het andere artikel over Nederland in dit blad.
Daarnaast waren er acties tegen de AOW-plannen van het kabinet. Zoals een omsingeling van De Nederlandse Bank op 26 september, maar vooral de manifestaties op 7 oktober georganiseerd door de vakbonden van de FNV-Centrale, die slechts enige tienduizenden deelnemers trokken. Het toont de wil van de vakbonden om naast het onderhandelen met de regering en de werkgevers ook zich voor te doen als de beste strijder voor de belangen van de arbeidersklasse. Dat de arbeiders niet massaal meedoen met de vakbondsmanifestaties rond de AOW, en degenen die meedoen dit zonder veel enthousiasme doen, is geen slecht teken. De arbeiders hebben wellicht geleerd van de grote manifestaties op het museumplein van een paar jaar geleden – ze beginnen te zien dat de vakbond wel een grote mond heeft, maar uiteindelijk toch de bezuinigen en aanvallen door de strot van de arbeiders duwt.
A.L. / 07.10.2009
In het huidige anarchistische milieu, met name in Frankrijk en Rusland, ontwikkelen er zich debatten tussen twee tegengestelde opvattingen waarbij een bepaald deel zoekt om zich af te zetten tegen de nationalistische benadering die vervat zit in het regionalisme, de ‘etno-identiteit’ en de nationale bevrijdingsstrijd, vraagstukken die dikwijls kenmerkend zijn voor de zwakheden van het geheel van dit milieu. Heel in het bijzonder dwingt het rampzalige verloop van de kapitalistische maatschappij noodzakelijkerwijze al diegenen die vurig verlangen naar de sociale revolutie, om op een ernstige wijze het vraagstuk van de perspectieven voor het proletariaat onder ogen te nemen. Deze perspectieven komen tot uiting bij de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, maar ook wegens de noodzaak om het hoofd te bieden aan de ontwikkeling van de imperialistische oorlog die woedt over bijna alle continenten. Dit komt doordat de toestand waarin het kapitalisme in verval evolueert, steeds zwaarder en vernietigender doorwerkt.
Voor het proletariaat is de enige houding tegenover de imperialistische oorlog, die overeenstemt met zijn belangen het verwerpen van elke deelname aan het ene of andere oorlogvoerende kamp en vervolgens het aanklagen van alle burgerlijke krachten die, onder welk voorwendsel dan ook, de proletariërs oproepen om hun leven te geven voor één van de kapitalistische kampen. In deze context van de imperialistische oorlog, moet de arbeidersklasse het enige mogelijke perspectief voorop stellen: de ontwikkeling van de meest bewuste en onverzoenlijke strijd met het oog op de omverwerping van het kapitalisme. In die zin vormt het vraagstuk van het internationalisme het beslissende criterium voor het behoren van een organisatie of een stroming, enz. tot het kamp van het proletariaat.
Het internationalisme is gegrondvest op de universele voorwaarden die door het kapitalisme aan het proletariaat worden opgedrongen op wereldvlak, dit wil zeggen de tot het uiterste doorgedreven uitbuiting van haar arbeidskracht in alle landen en op alle continenten. En het is in naam van dit internationalisme dat uit de arbeidersklasse zelf de Eerste Internationale (IAA) is ontstaan. Het internationalisme heeft als referentiepunt dat de voorwaarden voor de ontvoogding van het proletariaat internationaal zijn: over grenzen en militaire fronten heen, over ‘rassen’ en culturen, vindt het proletariaat zijn eenheid in de gemeenschappelijke strijd tegen zijn uitbuitingsomstandigheden en in de gemeenschappelijke belangen voor het afschaffen van de loonarbeid en voor het kommunisme. Dat vormt de basis voor haar aard als klasse.
Voor het anarchisme maakt het internationalisme eerder meer deel uit van zijn abstracte ‘beginselen’ waaruit het zijn algemene en altijd geldende inspiratie opdoet, zoals het anti-autoritarisme, de vrijheid, het verwerpen van elk gezag, het anti-staatsinmenging, enz… dan een heldere en uitgewerkte opvatting dat dit internationalisme een onaantastbare klassengrens vormt die het kamp van het kapitaal en van het proletariaat afbakent. Deze moeilijkheid die vervat zit in de methode heeft gemaakt dat de geschiedenis van het anarchisme doorploegd is door voortdurende slingeringen, in het bijzonder tegenover het vraagstuk van de oorlog, tussen het innemen van doorslaggevende internationalistische standpunten en steriele pacifistische en humanistische of openlijk oorlogszuchtige.
In deze reeks artikelen zullen wij onderzoeken hoe het anarchisme, toen de mensheid voor het alternatief geplaatst werd van ‘socialisme of vernietiging van de mensheid’, stelling heeft genomen tegenover de beslissende test van de confrontatie met de imperialistische oorlog in het verloop van het wegzinken van het kapitalisme in zijn zelfvernietigende barbarij van zijn verval, met name bij het hoogtepunt van de wereldoorlogen.
Het verraad aan het internationalisme door de sociaal-democratie en het anarchisme in 1914
De uitbarsting van de Eerste Wereldoorlog maakt de schandelijke val mee van de Socialistische Internationale, waarvan de grote meerderheid van de partijen zich onderwerpt aan het kapitaal, de Heilige Eenheid afsluit met elke respectievelijke nationale bourgeoisie en voorziet in de mobilisatie van het proletariaat in de imperialistische oorlog. Zo veranderen ook de voornaamste bestanddelen van het anarchisme tot oorlogsstokers ten gunste van de burgerlijke staat. Kropotkin, Tsjerkesoff en Jean Grave werden tot verwoede verdedigers van Frankrijk: “Laat die afgrijselijke veroveraars niet opnieuw de Latijnse beschaving en het Franse volk verpletteren… Laat hen geen eeuw van militarisme opdringen aan Europa” (1).
Het was in naam van de verdediging van de democratie tegen het militarisme dat zij de Heilige Eenheid ondersteunden: “De Duitse agressie was een bedreiging – die plaatsvond - niet enkel tegen onze hoop op ontvoogding maar tegen heel de menselijke evolutie. Om die reden hebben wij anarchisten, wij anti-militaristen, wij, vijanden van de oorlog, wij, gepassioneerde voorstanders van de vrede en de broederschap onder de volkeren, ons geschaard aan de kant van de weerstand en wij hebben niet gemeend ons lot te moeten scheiden van dat van de rest van de bevolking” (2). In Frankrijk gooit de anarcho-syndicalistische CGT haar eigen resoluties overboord. Die stelden haar tot taak om, in geval van oorlog, de algemenen staking te doen zegevieren. Ze vormde zich om tot de hysterische leverancier van kanonnenvlees voor de imperialistische afslachting: “tegen het vuistrecht, tegen het Germaanse militarisme, moet men de democratische en revolutionaire traditie van Frankrijk redden (…) Kameraden arbeiders, die men oproept aan de grenzen om de Franse grond te verdedigen. Vertrekt zonder spijt” (3). In Italië lanceerden groepen anarchisten en anarchosyndicalisten ‘fasci’ “tegen de barbarij, tegen het Duitse militarisme en het verdorven katholieke en roomsgezinde Oostenrijk”.
Deze instemming van de meerderheid van de sociaal-democratie en van het anarchisme ten gunste van de steun aan de imperialistische oorlog en de burgerlijke ontsproot uit fundamenteel verschillende dynamieken.
Het standpunt van de sociaal-democratie in 1914 tegenover de oorlog betekende een verraad aan het marxisme, de theorie van het internationale proletariaat, en aan zijn fundamenteel beginsel dat de proletariërs geen vaderland hebben. Daarentegen is de aansluiting van het merendeel van de internationale anarchistische leiders tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de imperialistische oorlog en bij de bourgeoisie geen misstap maar de logische ontknoping van hun anarchisme, overeenkomstig met hun wezenlijk politieke standpunten.
Zo rechtvaardigde Kropotkin in 1914 zijn chauvinistisch standpunt ten gunste van Frankrijk, in naam van het anti-autoritarisme, omdat het onaanvaardbaar is “dat een land geweld wordt aangedaan door een ander” (4). Door hun internationalisme te grondvesten op (5) weerspiegelden de anarchisten de verdelingen die het kapitalisme opdringt aan het proletariaat. In de grond wortelt dit chauvinistische standpunt in het federalisme dat aan de grondslag zelf ligt van elke anarchistische opvatting. Door de staat te aanvaarden als een ‘natuurlijk verschijnsel’, ‘het recht van elke natie op bestaan en op een vrije ontwikkeling’, wordt het anarchisme er op een natuurlijke wijze toe gebracht om de volkeren van elkaar te scheiden’ en dus te kiezen voor de verdediging van de zwakste, van het geschonden recht, enz…Het brengt hen ertoe om in elke imperialistische oorlog, een onderscheid te maken tussen ‘aanvallers/aangevallenen’ of ‘onderdrukkers/onderdrukten’, enz… oordelend dat het enige gevaar in het ‘bestaan van de naties, hun neiging is om toe te geven aan het ‘nationalisme’ dat er door de heersende klasse wordt ingelepeld.Deze poging om het verwerpen van de oorlog te baseren op iets anders dan de klassestandpunten van het proletariaat laat alle ruimte open voor het rechtvaardigen van de steun ten gunste van de ene of andere oorlogsstoker. Concreet komt het neer op een keuze van ene imperialistische kamp tegen een ander.
De trouw aan de internationalistische beginselen van Zimmerwald en de ontwikkeling van de klassenstrijd
Nochtans slaagden bepaalde anarchisten er in om een werkelijk internationalistisch standpunt in te nemen. Een minderheid van 35 libertaire militanten (waaronder A. Berkman, E. Goldman, E. Malatesta, D.Nieuwenhuis) publiceerden een Manifest tegen de Oorlog (februari 1915).
“Het is naïef en kinderachtig om, na de oorzaken en de kansen op conflicten te hebben vermenigvuldigd, op zoek te gaan naar de verantwoordelijkheden van de ene of de andere regering. Het is onmogelijk om een onderscheid te maken tussen offensieve en defensieve oorlogen.(…) Geen enkele van de oorlogsvoerders heeft het recht om zich te beroepen op de beschaving, net zoals geen enkele het recht heeft om te verklaren dat hij handelt uit wettige zelfverdediging. (…) Onder welke vorm ook de staat zich voordoet, hij is slechts de georganiseerde onderdrukking door een minderheid van de bevoorrechten. Het huidige conflict illustreert dit op een treffende manier: alle vormen van de staat zijn in de huidige oorlog verwikkeld: het absolutisme met Rusland, het absolutisme vermengd met parlementarisme met Duitsland, de staat die regeert over volkeren van zeer verschillende rassen met Oostenrijk, het grondwettelijk democratisch regime met Engeland en het democratisch republiekeins regime met Frankrijk. (…) De rol van de anarchisten, wat ook de plaats of de toestand moge zijn waarin zij zich bevinden in de huidige tragedie, is om te verkondigen dat er slechts één bevrijdingsoorlog bestaat: diegene die in alle landen gevoerd wordt van de onderdrukten tegen de onderdrukkers, door de uitgebuiten tegen de uitbuiters” (6).
De capaciteit om vast te houden aan klasse-standpunten is veel duidelijker bij de proletarische massaorganisaties die zich gekeerd hadden naar het revolutionair syndicalisme, als reactie op het geleidelijk verlaten van elke revolutionair perspectief door de vooroorlogse sociaal-democratie. In Spanje klaagde A Lorenzo, een oud-militant van de Eerste Internationale en stichter van de CNT, onmiddellijk het verraad aan van de Duitse sociaal-democratie, van de Franse CGT, van de Engelse Trade Unions, omdat ze “hun idealen hadden opgeofferd op het altaar van hun respectievelijke vaderlanden, door de fundamentele internationale aard te negeren van het sociaal probleem”. In November 1914 ontwikkelde een ander Manifest, getekend door anarchistische groepen, vakbonden en arbeidersgemeenschappen uit heel Spanje dezelfde ideeën: aanklacht tegen de oorlog, aanklacht tegen de rivaliserende bendes, noodzaak van een vrede die “slechts kan gewaarborgd worden door de sociale revolutie” (7). De zwakste reactie kwam vanuit de anarcho-syndicalisten die het zwaarst belast waren met het gewicht van de anarchistische ideologie. Vanaf het verraad van de CGT, verzamelde zich een kleine minderheid die zich verzette tegen de oorlog in de kleine groep van ‘Vie Ouvrière’ van Monatte en Rosmer (8). Gevierendeeld splitst de anarchistische nevel zich op in sociaal-patriotten en internationalisten. Na 1915 zal de heropleving van de strijd van het proletariaat en de weerklank van het ordewoord van de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog, gelanceerd in Zimmerwald en Kienthal, door de conferenties van socialisten die zich verzetten tegen de oorlog, de anarchisten in staat stellen om hun verzet tegen de oorlog te verankeren in de klassenstrijd.
In Hongarije waren het na 1914 anarchistische militanten die aan het hoofd van de beweging tegen de imperialistische oorlog stonden. Onder hen brachten Ilona Duczynska en Tivadar Lukacs het Manifest van Zimmerwald in Hongarije binnen en maakten het bekend. Onder impuls van de internationalistische conferentie radicaliseert zich de Galileï Kring, gesticht in 1908 en samengesteld uit een mengeling van anarchisten en socialisten die waren uitgesloten door de sociaal-democratie, pacifisten, via een verhelderingproces. De kring evolueerde van anti-militarisme en anti-clericalisme naar socialisme, van een activiteit als discussiekring naar een meer gedreven activiteit van propaganda tegen de oorlog en een actieve tussenkomst in de gistinde arbeidersstrijd. Hun defaitistische pamfletten werden ondertekend met ‘Groep van Hongaarse socialisten aangesloten bij Zimmerwald’. In Spanje vormde de strijd tegen de oorlog, verbonden met een enthousiaste steun aan de eisenstrijd die zich vermenigvuldigde sinds eind 1915, de centrale activiteit van de CNT. Ze vertoonde een duidelijke wil tot discussie en een grote openheid tegenover de standpunten van de Conferenties van Zimmerwald en Kienthal die met enthousiasme begroet werden. Ze discussieerde en werkte samen met groepen van minderheids-socialisten die zich in Spanje tegen de oorlog keerden. Er werd een grote inspanning gedaan om de oorzaken van de oorlog te begrijpen en van de middelen om er tegen te strijden. Ze onderschreef de standpunten van de Linkervleugel van Zimmerwald en signaleerde “met alle arbeiders te willen dat er een einde aan de oorlog zou worden gemaakt door de opstand van het proletariaat in de oorlogvoerende landen” (9).
Oktober 1917, vuurbaken van de revolutie
Het uitbreken van de Revolutie in Rusland wekte een enorm enthousiasme. De revolutionaire beweging van de arbeidersklasse en de zegevierende opstand van Oktober 1917 brachten de proletarische stromingen van het anarchisme er toe om zich uitdrukkelijk in hun kielzog te plaatsen. De meest vruchtbare bijdrage van de anarchisten aan het revolutionaire proces werd geconcretiseerd door hun samenwerking met de bolsjewieken. Op internationaal vlak werden de politieke verwantschap en de toenadering van gezichtspunten van de internationalistische milieus met het kommunisme en de bolsjewieken nog versterkt.
In de schoot van de CNT werd Oktober gezien als een ware triomf van het proletariaat. ‘Tierra y Libertad’ vond dat “de anarchistische ideeën getriomfeerd hebben”(10) en dat het bolsjewistische regime “geleid wordt door de anarchistische geest van het maximalisme” (11). ‘Solidaridad Obrera’ beweerde dat: “de Russen ons de weg wijzen”. Het ‘Manifest’ van de CNT lanceerde: “Laten wij kijken naar Rusland, naar Duitsland. Laat ons die kampioenen van de proletarische Revolutie nabootsen”.
Onder de Hongaarse anarchistische militanten leidde Oktober 1917 tot een actie tegen de oorlog die nog veel duidelijker gericht was op de revolutie. Om de proletarische beweging die in volle beroering was, te ondersteunen werd in Oktober 1918 vanuit de Galileï Kring de Socialistische Revolutionaire Bond opgericht, voor het wezenlijke deel bestaande uit libertairen, die stromingen groepeerde die zich zowel op het marxisme als op het anarchisme beriepen.
In deze fase was loopbaan van Tibor Szamuely voorbeeldig voor de bijdrage tot de revolutie van een goed deel van het anarchistische milieu dat verknocht was aan de proletarische zaak. Szamuely heeft zichzelf tijdens zijn hele leven als anarchist beschouwd. Gemobiliseerd aan het Russische front, gevangen in 1915, komt hij in aanraking met de bolsjewieken na februari 1917. Hij droeg bij tot het organiseren van een kommunistische groep van proletarische krijgsgevangenen en tijdens de zomer van 1918 nam hij deel aan de strijd van het Rode Leger tegen de Witte in de Oeral.
Met de ontwikkeling van een prerevolutionaire situatie, kwam Szamuely terug naar Hongarije in november 1918 en werd hij een vurig verdediger van de stichting van een Kommunistische Partij die in staat zou zijn om leiding te geven aan de actie van de massa’s en het geheel van de revolutionaire elementen te groeperen. De erkenning van de dwingende noden van de klassenstrijd en de revolutie bracht anarchistische militanten er toe om hun afkeer tegen elke politieke organisatie en hun vooroordeel aangaande het uitoefenen van de politieke macht door het proletariaat te overwinnen. Het stichtingscongres van de Kommunistische Partij vond plaats einde november 1918 en de anarchisten waaronder O. Korvin, K. Krausz, uitgever van de anarchistische krant Tarsadalmi Forrdalom, namen er aan deel. Het congres nam een programma aan dat de dictatuur van het proletariaat verdedigde.
De HKP “ijverde van bij het begin voor het tot stand brengen van de Radenmacht” (12). In de revolutionaire beweging vanaf maart 1919 had Szamuely talrijke verantwoordelijkheden waaronder die van Commissaris voor militaire zaken die de strijd organiseerde tegen de contrarevolutionaire activiteiten. Anarchisten, vroeger muiters van Cattaro (februari 1918), vormden onder leiding van Cserny zijn stoottroep in de schoot van het Rode leger. Dit werd geïllustreerd tijdens de verdediging van Boedapest om de franco-servische aanslag tegen de hoofdstad te verijdelen en tijdens de steun aan de kortstondige Radenrepubliek van Slovakije in mei 1919. Omwille van hun rotsvaste inzet voor de proletarische revolutie kregen zij de bijnaam van ‘Kerels van Lenin’.
Tijdens het witte offensief in Rusland tegen Petrograd (Okober 1919), betoonden de anarchisten hun trouw aan de revolutie, ondanks hun meningsverschillen met de bolsjewieken. “De anarchistische Federatie van Petrograd, die arm was aan militanten omdat zij het beste van haar krachten had verleend aan de menigvuldige fronten en aan de Bolsjewistische Kommunistische Partij, stond in de kwaaie uren (…) helemaal aan de kant van de Partij” (13)
De in-vraag-stelling van de dogma’s van het anarchisme
De ervaring van de wereldoorlog en de daaropvolgende revolutie dwong alle revolutionairen tot een volledige herziening van het vooroorlogse gedachtegoed en actievoering. Maar deze aanpassing stelde zich niet op dezelfde wijze voor allen. Tegenover de wereldoorlog had de linkerzijde van de sociaal-democratie, de kommunisten (bolsjewieken en Spartakisten voorop), vastgehouden aan een onverzoenlijk internationalisme. Zo was die in staat gebleken een actieve rol te spelen voor het ontwikkelen en het belichamen van de wil van de arbeidersmassa’s. Hun militanten wisten te beantwoorden aan de taken van het moment door zich fundamenteel te situeren in de continuïteit van hun programma, en te erkennen dat deze oorlog het tijdperk inluidde van het verval van het kapitalisme. Dit bracht met zich mee dat het einddoel van de proletarische beweging, het kommunisme, het ‘maximumprogramma’ van de sociaal-democratie, voortaan het onmiddellijk doel vormde.
Het verliep helemaal anders voor de anarchisten. Zij die slechts ‘volkeren’ erkenden, moesten eerst hun verwerping van de oorlog en hun internationalisme baseren op iets anders dan de idealistische retoriek van het anarchisme en het klassestandpunt van het proletariaat aannemen om dan trouw te blijven aan de zaak van de sociale revolutie.
Door zich open te stellen voor de standpunten die werden ontwikkeld door de kommunisten (via de internationalistische conferenties tegen de oorlog) zijn zij er in geslaagd om hun strijd tegen het kapitalisme te versterken en met name het overstijgen van het apolitisme en het weigeren van elke politieke strijd, die typerend is voor de opvattingen die geïnspireerd zijn op het anarchisme. Zo heeft in de schoot van de CNT de ontvangst van het boek van Lenin ‘Staat en Revolutie’ een zeer aandachtige studie opgewekt wat tot de conclusie leidde dat deze brochure ‘een toenaderingsbrug vormde voor het marxisme en het anarchisme’.
Door het prisma van misprijzen voor de politiek of het antiautoritarisme links te laten liggen, waren zij in staat om te leren uit de praktijk van de arbeidersklasse zelf in oppositie tegen de oorlog en in het revolutionaire proces in Rusland en Duitsland. Dat stelde hen in staat om een consequent internationalistisch standpunt in te nemen. In haar Congres van 1919, drukte de CNT zijn steun uit aan de Russische Revolutie en erkende de noodzaak van de dictatuur van het proletariaat. Ze onderstreepte de bestaande identiteit tussen de beginselen en de idealen van de CNT en diegene die belichaamd waren in deze revolutie, en bediscussieerde haar toetreding tot de Kommunistische Internationale.
Ook verklaarde de Duitse anarchist Erich Mühsam als conclusie van zijn deelname aan de Radenrepubliek van München (1919) dat “de theoretische en praktische stellingen van Lenin over het ten uitvoer brengen van de revolutie en de kommunistische taken van het proletariaat een nieuwe basis hebben gelegd voor onze actie (…) Er zijn geen onoverkomelijk belemmeringen meer voor een éénmaking van het ganse revolutionaire proletariaat. Het is waar dat de anarcho-kommunisten hebben moeten toegeven op het belangrijkste meningsverschil tussen de twee grote tendensen van het socialisme; zij hebben moeten afzien van de negatieve houding van Bakoenin ten opzichte van de dictatuur van het proletariaat en op dit punt het standpunt van Marx moeten erkennen. De eenheid van het revolutionaire is noodzakelijk en mag niet worden uitgesteld. De enige organisatie die dat kan verwezenlijken is de Duitse Kommunistische Partij” (14).
In de schoot van het anarchistisch milieu hebben talrijke elementen die eerlijk waren toegewijd aan de sociale revolutie besloten om de strijd van de arbeidersklasse te vervoegen. De historische ervaring toont aan dat telkens wanneer zij waardevolle revolutionaire standpunten aannamen, dit gebaseerd was op proletarische standpunten die gegroeid waren uit de ervaring en de reële beweging van de arbeidersklasse en door toenadering te zoeken tot de kommunisten om vrucht te laten dragen en werkelijk tot leven te brengen.
Scott.
Voetnoten
1) Brief van Kropotkin aan Jean Grave, 2 september 1914.
2) Manifest van de Zestien (zo genoemd vanwege het aantal ondertekenaars), 28 februari 1916.
3) ‘La Bataille syndicaliste’, orgaan van de CGT, in Augustus 1914.
4) Brief aan J. Grave.
5) D. Guérin, L’Anarchisme, Idées Gallimard, p.80.
6) ‘De Anarchistische Internationale en de oorlog’, februari 1915.
7) Lees : ‘De CNT tegenover de oorlog en de revolutie (1914-19) in International Review n°129 en onze reeks over de geschiedenis van de CNT in de n°s 128 tot 133.
8) Lees : Het Anarcho-syndicalisme tegenover de wisseling van het tijdperk: de CGT tot 1914’, in International Review n°120.
9) ‘Sobre la paz dos criterios’ (Twee criteria over de vrede), in Solidaridad Obrera, juni 1917.
10) 7 November 1917.
11) 21 November 1917.
12) R. Bardy : 1919, ‘La Commune van Budapest’, Ed. La Tête de Feuilles, 1972, p.50.
13) V. Serge, ‘L’An I de la Révolution russe’, Ed. La Découverte, p. 509.
14) Brief van E. Mühsam aan de Kommunistische Internationale (september 1919). ‘Kommunistisch Bulletin’, 22 juli 1920.
Uit Korea hebben we zojuist het nieuws vernomen dat acht militanten van de ‘Socialist Workers’ League’ van Korea (Sanoryun) worden beschuldigd van het overtreden van de beruchte 'Nationale Veiligheids Wet' (1). Het plan is om hen op 27 januari te veroordelen.
Er kan geen twijfel over bestaan dat dit een politieke rechtszaak is en een verminking van wat de heersende klasse 'rechtspraak' noemt. Drie feiten onderstrepen dit feit:
- Allereerst het feit dat de rechtbank van Korea tweemaal de politiecharges tegen de arrestanten heeft ingezet (2)
- Op de tweede plaats het feit dat de militanten worden beschuldigd van “het vormen van een groep, met steun van de vijand” (d.w.z. Noord-Korea), ondanks het feit dat Oh Se-Cheol en Nam Goong Won, die onder andere de ondertekenaars waren van de 'Internationalistische Verklaring van Korea tegen de oorlogsdreiging' van oktober 2006, die de nucleaire proeven van Noord-Korea afwees en in het bijzonder verklaarde dat “de Noord-Koreaanse kapitalistische staat (…) absoluut niets heeft te maken met de arbeidersklasse of het kommunisme en niets anders is dan een extreme en groteske versie van de algemene tendens van het kapitalisme in de richting van een militair barbarendom”.
- Op de derde plaats laat de toespraak van Oh Se-Cheol er geen twijfel over bestaan dat hij tegen alle vormen van kapitalisme is, het Noord-koreaanse kapitalisme inbegrepen.
De militanten worden beschuldigd van niets anders dan de verzonnen misdaad socialist te zijn. Met andere woorden, ze worden ervan beschuldigd arbeiders op te roepen om zichzelf, hun gezinnen en hun levensomstandigheden te verdedigen, en de werkelijke aard van het kapitalisme te ontmaskeren. De straffen die door justitie worden geëist, vormen slechts een nieuw voorbeeld van de onderdrukking die de Zuid-Koreaanse heersende klasse uitoefent tegen allen die haar in de weg durven te staan. De wrede repressie heeft zich al gericht op de jonge moeders van de ‘wandelwagenbrigade met baby’s’, die hun kinderen meenamen naar de optocht met kaarslichtjes van 2008 en daarna geconfronteerd werden met het gezag en met mishandeling door de politie. (4) Ze richtte zich ook tegen de arbeiders van de Ssangyongfabriek, die in elkaar werden geslagen door de oproerpolitie, toen die het bedrijf binnendrong dat ze bezet hadden. (5)
Geconfronteerd met het vooruitzicht van een gevangenisstraf hebben de gearresteerde militanten zich in de rechtbank met een voorbeeldige waardigheid gedragen en de gelegenheid te baat genomen om het politieke karakter van hun rechtszaak duidelijk uiteen te zetten. Hieronder publiceren we de laatste toespraak van Oh Se-Cheol voor de rechtbank.
Militaire spanningen in de regio nemen toe, als het gevolg van een provocatie van het regime van Noord-Korea, dat in november van het afgelopen jaar het eiland Yeonpyeong heeft beschoten en daarbij burgers heeft gedood. Dit werd beantwoord door een Amerikaanse vliegdekschip met nucleaire lading aan boord naar de regio te sturen om gezamenlijk militaire oefeningen te houden met het Zuid-Koreaanse leger. In deze situatie is de verklaring, dat mensheid momenteel geconfronteerd wordt met de keuze: socialisme of barbarendom, meer dan ooit waar.
De propaganda van de VS en hun bondgenoten schilderen Noord-Korea graag af als een ‘schurkenstaat’, waarvan de regeringskliek in luxe leeft dankzij de brutale onderdrukking van haar stervende bevolking. Dit is zeker waar. Maar de onderdrukking uitgeoefend door de Zuid-Koreaanse regering op moeders, kinderen, strijdende arbeiders, en nu op socialistische militanten laat duidelijk zien dat uiteindelijk ieder nationale bourgeoisie regeert op basis van angst en bruut geweld.
Geconfronteerd met deze situatie verklaren we ons geheel en al solidair met de gearresteerde militanten, niettegenstaande de politieke meningsverschillen die we met hen kunnen hebben. Hun strijd is onze strijd. We richten onze hartelijke sympathie en solidariteit tot hun gezinnen en de kameraden. We zullen ieder bericht van steun en solidariteit, dat we binnenkrijgen op het emailadres [email protected] [67] (6) doorsturen naar de kameraden.
De laatste toespraak van Se-Cheol voor het gerecht, december 2010
(wat nu volgt is de tekst van Oh Se-Cheol’s toespraak, door ons vertaald uit het Koreaans)
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Verschillende theorieën hebben geprobeerd de crisis te verklaren, die in de loop van de geschiedenis van het kapitalisme hebben plaatsgevonden. Een van deze is de catastrofale theorie, die inhoud dat het kapitalisme vanzelf in elkaar zal storten op het moment dat haar tegenspraken hun hoogtepunt bereiken, en zo de weg vrijmaken voor een nieuw paradijselijk millennium. Dit apocalyptische of ultra-anarchistische standpunt heeft verwarring en illusies teweeggebracht in het begrijpen van het lijden van het proletariaat door de kapitalistische onderdrukking en uitbuiting. Veel mensen zijn door zo’n onwetenschappelijk visie besmet.
Een andere theorie is de optimistische, eentje die de bourgeoisie altijd verspreid. Volgens deze theorie beschikt het kapitalisme zelf over de middelen om haar eigen tegenspraken te overstijgen en de werkelijke economie goed te laten werken door de eliminatie van de speculatie.
Een meer verfijnd standpunt dan de twee hierboven genoemde theorieën, en die de voorkeur heeft boven alle andere, gaat ervan uit dat de kapitalistische crises periodiek zijn, en dat we alleen maar rustig hoeven te wachten tot de storm over is en we weer verder kunnen varen.
Zo’n standpunt was geëigend voor het kapitalisme van de 19e eeuw: maar niet meer voor de kapitalistische crises van de 20e en 21e eeuw.
De kapitalistische crises van de 19e eeuw waren crises van de onbegrensde uitbreiding, die Marx in Het Kommunistisch Manifest de epidemie van overproduktie noemde. Maar de tendens tot overproduktie, die leidde tot hongersnood, armoede en werkloosheid was niet het gevolg van een gebrek aan waren, maar van een teveel aan waren, teveel aan industrie en teveel aan grondstoffen. Een andere oorzaak van de kapitalistische crises is de anarchie in het kapitalistische systeem van concurrentie. In de 19e eeuw konden de kapitalistische produktieverhoudingen uitgebreid en verdiept worden door de verovering van nieuwe gebieden om nieuwe arbeidskrachten en nieuwe afzetgebieden voor hun waren te verwerven en op die manier werden de crises in die periode begrepen als de polsslag van een gezond hart dat slaat.
In de 20e eeuw kwam die opgaande periode van het kapitalisme aan haar einde met als omslagpunt de WOI. Vanaf dat moment hadden de kapitalistische verhoudingen van warenproduktie en van loonarbeid zich over de hele wereld verbreid. In 1919 kenmerkte de Kommunistische Internationale het kapitalisme die periode als de periode van ‘oorlog of revolutie’. Aan de ene kant dreef de kapitalistische tendens tot overproduktie tot de imperialistische oorlog met als doel de wereldmarkt te grijpen en te controleren. Aan de andere kant, maakte het, in tegenstelling tot de 19e eeuw, de wereld afhankelijk van de semi-permanente crisis van instabiliteit en vernietiging.
Deze tegenspraak leidde tot twee historische gebeurtenissen, de WOI en de wereldwijde Depressie van 1929, die 20 miljoen mensen het leven kostte en een werkloosheidspercentage van 20 tot 30% veroorzaakte - een gebeuren dat opnieuw de weg vrijmaakte aan de ene kant voor de zogenaamde ‘socialistische landen’ met staatskapitalisme door nationalisatie van de economie en aan de andere kant voor de liberale landen met een combinatie van privébourgeoisie en staatsbureaucratie.
Na de WOII beleefde het kapitalisme, de zogenaamde ‘socialistische landen’ inbegrepen, een periode van buitengewone welvaart, dat het gevolg was van 25 jaar van heropbouw en toenemende schulden. Dit bracht de regeringsbureaucratie, vakbondsleiders, economen en zogenaamde ‘marxisten’ ertoe hardop te verklaren dat het kapitalisme haar economische crisis uiteindelijk had overwonnen. Maar de crisis was voortdurend erger geworden zoals de volgende voorbeelden laten zien: de devaluatie van de pond sterling in 1967, de dollarcrisis in 1971, de oliecrisis in 1973, de economische recessie van 1974-‘75, de inflatiecrisis van 1979, de kredietcrisis van 1982, de Wallstreetcrisis van 1987, de economische recessie van 1989, de destabilisatie van de Europese munten in 1992-‘93, de crisis van de ‘tijgers’ en de ‘draken’ in Azië in 1997, de crisis van de Amerikaanse ‘nieuwe economie’ in 2001, de crisis van de ‘rommelhypotheken’ in 2007, de financiële crisis van Lehman Brothers, enzovoort en de financiële crisis van 2009-2010.
Is zo’n reeks van crises een uitdrukking van een ‘cyclische’ of een ‘periodieke’ crisis? In geen geval. Ze is het gevolg van de ziekte van het kapitalisme, het tekort aan markten met koopkracht, de dalende winstvoet. Sinds de grote wereldwijde Depressie van 1929 vond er niet meer zo’n erge crisis plaats vanwege een reusachtige interventie van de staten. Maar de recente financiële, economische crises laten zien dat het kapitalistische systeem niet meer kan overleven met behulp van zulke instant-maatregelen zoals de borgstelling door de overheid of staatsschuld. Het kapitalisme bevindt zich momenteel in een impasse als het gevolg van de onmogelijkheid de produktiekrachten uit te breiden. Het kapitalisme voert echter een strijd op leven en dood tegen deze impasse. Dat wil zeggen, het steunt eindeloos op staatskredieten en vindt afzetgebieden voor de overproduktie door fictieve markten te scheppen.
Al 40 jaar lang heeft het wereldkapitalisme de catastrofe ontlopen door reusachtige kredieten. Krediet voor het kapitalisme is hetzelfde als drugs voor een drugsverslaafde. Uiteindelijke zullen de kredieten als een zware last terugkeren en bloed en zweet eisen van de arbeiders in hele wereld. Ze zullen ook over de hele wereld leiden tot armoede onder de arbeiders, tot imperialistische oorlog en tot ecologische rampen.
Is het kapitalisme in verval? Ja. Het gaat niet in de richting van een plotseling bankroet, maar naar een nieuwe periode in de neergang van een systeem, de laatste fase in de geschiedenis van het kapitalisme, wiens einde zich begint af te tekenen. We moeten ons in alle ernst de leuze van 100 jaar geleden in herinnering roepen ‘oorlog of revolutie?’ en opnieuw het historische begrip van het alternatief ‘barbarendom of socialisme’ en de praktijk van het wetenschappelijk socialisme opnemen. Dit betekent dat socialisten moeten samen werken en zich verenigen, dat ze zich stevig moeten baseren op het revolutionaire marxisme. Ons doel is het overstijgen van het kapitalisme gebaseerd op geld, waren, markt, loonarbeid en ruilwaarde, en het opbouwen van een maatschappij van vrije arbeid in een gemeenschap van vrije individuen.
Marxistische analyses hebben bevestigd dat de algemene crisis van de kapitalistische produktiewijze haar kritische punt reeds bereikt heeft vanwege de dalende winstvoet en de verzadiging van de markten in het proces van produktie en realisatie van de meerwaarde. We bevinden ons nu op het punt waarop we moeten kiezen tussen aan de ene kant kapitalisme, dat wil zeggen: barbarendom, en aan de andere kant socialisme, kommunisme, dat wil zeggen: beschaving.
Op de eerste plaats is het kapitalisme een systeem aan ’t worden dat zijn eigen loonarbeidslaven niet eens meer kan voeden. Iedere dag sterven er in de wereld honderdduizend mensen en elke 5 seconden sterft er een kind van onder de 5 jaar. 842 miljoen mensen lijden aan permanente ondervoeding en één-derde van de 6 miljard grote wereldbevolking strijdt, door stijgende voedselprijzen, iedere dag voor hun overleving.
Op de tweede plaats kan het huidige kapitalistische systeem de illusie van economische voorspoed niet overeind houden. De economische wonderen, India en China, hebben bewezen illusies te zijn. In de eerste helft van 2008 verloren in China 20 miljoen arbeiders hun baan en gingen er 67.000 ondernemingen bankroet.
Op de derde plaatse wordt er een ecologische ramp verwacht. Wat betreft de opwarming van de aarde, nam de gemiddelde temperatuur van de aarde sinds 1986 met 0,6% toe. In de 20e eeuw onderging de noordelijke hemisfeer de meeste ernstige opwarming van de laatste 1000 jaar. De gebieden, die bedekt zijn met sneeuw, zijn sinds het einde van de jaren 1960 met 10% gekrompen, de ijslaag op de Noordpool is met 40% gekrompen. Het gemiddelde zeeniveau steeg in de 20e eeuw met 10-20%. Zo’n stijging betekent een 10 keer grotere toename dan die van de laatste 3000 jaar. In de laatste 90 jaar vond de exploitatie van de natuur plaats in de vorm van een roekeloze ontbossing, erosie van de grond, vervuiling (lucht, water), gebruik van chemische en radioactieve materialen, vernietiging van dieren en planten, en de explosieve opkomst van epidemieën. De ecologische ramp kan worden beschouwd als een integrale en globale vorm. Het is onmogelijk te precies voorspellen hoe ernstig dit probleem zich in de toekomst zal ontwikkelen.
Hoe is de geschiedenis van de klassestrijd tegen de kapitalistische onderdrukking en uitbuiting dan verlopen?
De klassestrijd heeft voortdurend bestaan, maar niet altijd succesvol. De Ie Internationale faalde vanwege de macht van het kapitalisme in haar opgaande periode. De IIe Internationale faalde vanwege het nationalisme en het opgeven van haar revolutionaire karakter. En de IIIe Internationale faalde vanwege de stalinistische contra-revolutie. Met name de contra-revolutionaire stromingen van de jaren 1930 misleidden de arbeiders over de aard van het staatskapitalisme dat ze ‘socialisme’ noemden. Uiteindelijk speelden ze een ondersteunende rol voor het wereldkapitalisme, onderdrukte het wereldproletariaat en buitte het uit door de confrontatie tussen de twee blokken te maskeren.
Verder was de val van het Oostblok en het stalinistische systeem volgens de burgerlijke campagne een ‘duidelijke overwinning van het liberale kapitalisme’, ‘het einde van de klassestrijd’ en zelfs het einde van de arbeidersklasse zelf. Die campagne veroorzaakte in de arbeidersklasse een ernstige teruggang op het vlak van haar bewustzijn en haar strijdbaarheid.
In de jaren 1990 gaf de arbeidersklasse haar strijd niet geheel en al op, maar als strijdorganisatie had ze niet het gewicht en bekwaamheid evenredig aan dat van de vakbonden, zoals in de voorgaande periode.
Maar de strijd in Frankrijk en Oostenrijk tegen de aanvallen op de pensioenen zorgde voor een keerpunt in de arbeidersklasse om haar strijd, sinds 1989, weer op te nemen. De arbeidersstrijd nam toe, meestentijds in de centrale landen: de strijd bij Boeing en de vervoersstaking in New York in de VS in 2005, de strijd bij Daimler en Opel in 2004, de strijd op luchthaven van London in Groot-Brittannië in 2005, de anti-CPE strijd in Frankrijk in 2006. In de perifere landen: de strijd van de bouwvakarbeiders in Dubai in 2006, de textielarbeiders in Bangladesh in de lente van 2006, en de strijd van de textielarbeiders in Egypte in de lente van 2007.
Tussen 2006 en 2008 heeft de strijd van de wereldarbeidersklasse zich uitgebreid over de hele wereld, naar Egypte, Dubai, Algerije, Venezuela, Peru, Turkije, Griekenland, Finland, Bulgarije, Hongarije, Rusland, Italië, Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk, the VS, en China. Zoals de recente strijd tegen de pensioenhervorming laat zien, de klassestrijd neigt ertoe om steeds meer over de hele breedte offensief te worden.
Zoals hierboven is aangetoond, heeft de laatste uiting van het verval van het wereldkapitalisme en de crisis, die zwaar op de arbeidersklasse hebben gewogen, onvermijdelijk een strijd uitgelokt onder de arbeiders over de hele wereld, op een manier die we nog nooit eerder hebben meegemaakt.
We staan nu voor het alternatief om te leven in barbarendom, niet als mensen maar als dieren, of gelukkig te leven in vrijheid, in gelijkheid en met menselijke waardigheid
De diepte en de omvang van de tegenspraken van het Koreaanse kapitalisme is ernstiger dan in de zogenaamde meer ontwikkelde landen. De pijn van de Koreaanse arbeiders schijnt veel groter te zijn dan die van de arbeiders in de Europese landen, met hun verworvenheden uit voorgaande strijdmomenten van de arbeidersstrijd.
Dit is een kwestie van menselijk leven van de klasse, dat niet kan worden gemeten door de lege pretenties van de Koreaanse regering, als die optreedt als gast voor de Top20 bijeenkomst, of de publicatie van kwantitatieve economische cijfers.
Het kapitaal is van nature internationaal. Verschillende nationale kapitalen zijn altijd in concurrentie en conflict met elkaar geweest, maar ze hebben samengewerkt om het kapitalistisch systeem overeind te houden, om hun crisis te verbergen en de arbeiders als mensen aan te vallen. Arbeidersstrijd is niet gericht tegen de kapitalisten, maar tegen het kapitalistisch systeem dat alleen bezig is met een toename van haar winsten en onbegrensde concurrentie
Historisch gezien hebben de marxisten altijd samen gestreden met de arbeidersklasse, de meester van de geschiedenis, door het blootleggen van het karakter van de historische wetten van de menselijke maatschappij en van de wetten van het maatschappelijk systeem, door het naar voren brengen van een oriëntatie voor een wereld van werkelijk menselijk leven, en door kritiek te leveren op hindernissen van onmenselijke systemen en wetten.
Om deze reden richtten zij organisaties op zoals partijen en namen ze deel in de praktische strijd. Tenminste sinds de WOII hebben zulke praktische activiteiten van marxisten nooit enige juridische beperking ervaren. Hun gedachten en activiteiten werden hooglijk gewaardeerd als bijdragen aan de vooruitgang van de menselijke maatschappij. Meesterwerken van Marx als Het Kapitaal en Het Kommunistisch Manifest werden even algemeen gelezen als De Bijbel
Deze ZSWLK-zaak is een historisch gebeuren, die aan de hele wereld het barbaarse karakter van de Koreaanse maatschappij laat zien door haar onderdrukking van het denken, en zou een smet vormen op de geschiedenis van rechtspraken in de wereld tegen socialisten. In de toekomst zal er een open en meer massale socialistische beweging bestaan. Marxistische bewegingen zullen ruimschoots en krachtig ontwikkeld zijn in de wereld en in Korea. Het juridisch apparaat zal zaken van georganiseerd geweld behandelen, maar kan de socialistische, marxistische bewegingen niet onderdrukken. Omdat deze laatste oneindig door zullen gaan zolang de mensheid en de arbeiders bestaan.
Socialistische bewegingen en hun activiteiten kunnen nooit het mikpunt zijn van een juridische bestraffing. Zij moeten eerder een voorbeeld zijn van respect en vertrouwen. Hier volgen mijn slotwoorden:
Voetnoten:
(1) Oh Se-Cheol, Yang Hyo-sik, Yang Jun-seok, and Choi Young-ik zien zeven jaar gevangenissstraf tegemoet, terwijl Nam Goong Won, Park Jun-Seon, Jeong Won-Hyung, and Oh Min-Gyu vijf jaar gevangenissstraf tegemoet zien. Als uiterst middel voorziet de Nationale Veiligheidswet ook eventueel de doodstraf voor degenen die beschuldigd worden.
(2) Zie het artikel in de engelse editie van Hankyoreh
(3) Zie de tekst van de verklaring
(4) Zie Hankyoreh
(5) Zie de bestorming van de politie op YouTube
(6) We willen ook de aandacht van onze lezers vestigen op het initiatief gelanceerd door Loren Goldner om te protesteren. Terwijl we het scepticisme delen van Loren over de effectiviteit van mail-campagnes, zijn we het met hem eens dat “een internationale aandacht op de zaak een effect kan hebben op de uiteindelijke strafmaat voor deze voorbeeldige militanten”. Protestbrieven kunnen moeten worden naar rechter Judge Hyung Doo Kim [email protected] [68] (berichten moeten op 17 januari binnen zijn om te kunnen worden doorgestuurd naar rechter Kim).
In augustus 2009 organiseerde de IKS in België en Nederland een Ontmoetings- en Discussiedag in Antwerpen, waarvan een van de discussiethema’s, ter gelegenheid van het Darwinjaar, handelde over ‘Marxisme en Darwinisme’. Wij publiceren hieronder de inleidende tekst op het debat, geschreven door een sympathisant. De inleiding herinnert onder meer aan het standpunt van de Marxisten omtrent dit vraagstuk, geschreven door A. Pannekoek. Hierbij zette hij op duidelijke wijze de betekenis uiteen van het ‘sociaal darwinisme’ en de aanzet tot intens debat die dit opriep in de schoot van de bourgeoisie in Duitsland en Groot-Brittannië.
De bedenkingen van de schrijver maakten het mogelijk om in de discussie belangrijke vraagstukken aan te snijden, vraagstukken die van cruciaal belang zijn voor de arbeidersklasse. Deze bijdrage was een bron die uitwisseling, uitdieping en bedenkingen omtrent het onderwerp met ernstige argumenten mogelijk maakte. Het resultaat was des te positiever door de kritische en open geest, en de heel broederlijke sfeer die onder alle deelnemers heerste. De IKS begroet deze bijdrage hartelijk die onmiskenbaar bijdroeg om van die ontmoeting een sterk punt te maken van het debat in het internationalistisch milieu.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Darwin en de evolutietheorie
In 2009 wordt zowel Darwin’s 200- jarige verjaardag als de 150e verjaardag van het veschijnen van zijn bekendste en belangrijkste werk ‘the origin of species’ herdacht. In dat boek kwam Charles Darwin, in navolging van voorgangers als Lamarck, op de proppen met het toen erg radicale idee dat diersoorten evolueren.
Wat in de ogen van vele westerlingen nu gemeengoed is, was anno 1859 een radicaal vernieuwend idee dat brak met het idee dat God alle levende wezens geschapen zou hebben en dat deze onveranderlijk zijn. 150 jaar staan Darwin’s bevindingen nog steeds als een huis, al zijn ze nu meer gestaafd door ontdekkingen in de genetica.
Kort samengevat draait Darwin’s evolutietheorie om erfelijkheid en natuurlijke selectie. Organismen krijgen erfelijk materiaal mee van hun ouders, wat elk wezen dus veranderlijk en uniek maakt. Sommige veranderingen of mutaties in het genetisch materiaal zijn gunstig om te overleven. In een ‘strijd om het bestaan’ zullen enkel de best aan hun omgeving aangepaste overleven, de rest wordt weggeconcurreerd. Dit proces noemt men ‘Natuurlijke Selectie’ en verklaart hoe soorten veranderen en waarom ze dat doen.
Sociaal Darwinisme
Darwin verwees in de Origin of Species af en toe nog naar God en hij sloot absoluut niet uit dat God enkele soorten op de aarde had neergepoot die dan spontaan waren beginnen evolueren. Atheïsme was in het Victoriaanse Engeland nog taboe. De Engelse burgerij leefde op min of meer goede voet met de aristocratie en de Kerk van Engeland.
In Duitsland waar Darwin’s geschriften grote furore maakte was de situatie heel erg anders. Daar werden de ideeën een instrument in handen van de nieuwe heersende klasse, de burgerij, de kapitaalbezitters, in haar klassenstrijd tegen de macht van de religie. In het Darwinisme vond zij een uitstekende vrijgeleide om haar ideologie van concurrentie en individualisme te verdedigen. De grondlegger van dit ‘sociaal Darwinisme’, dat de leer van Darwin op de maatschappij toepast, was de filosoof Herbert Spencer. De man was naast spoorwegingenieur, socioloog en redacteur bij The Economist ook notoir anti-socialist. Hij zei ooit: "Hoe erg ik de oorlog ook haat, ik haat het socialisme even erg, onder al zijn vormen."
Hij zag evolutie als de evolutie van de homogene, starre maatschappij naar een heterogene maatschappij waar steeds meer differentiatie en specialisatie optreedt als gevolg van arbeidsverdeling. Het ultieme Utopia was dus een vrije kapitalistische markt met een perfecte arbeidsverdeling waar de staat slechts als nachtwaker zou optreden om mogelijke verstoring van het recht van de sterkste te vermijden. Laissez-faire was het credo en dit zou er toe leiden dat enkel de sterkste mensen zouden overblijven en dit zou uiteraard goed zijn voor de ontwikkeling van de perfecte, rationele mens. Zo ontwikkelde de maatschappij zich dus volgens Spencer, door natuurlijke selectie tussen individuen. Dit geloof is nog steeds wijdverbreid bij vele mensen. Kijk maar naar, The American Dream, die de illusie opwekt dat een man door hard werken overal kan geraken waar hij wil, of meer concreet: iedereen kan door hard werken stinkend rijk worden, dus rijkdom en ongelijkheid is gerechtvaardigd. Dit uit zich nu in het verzet van vele Amerikanen, vaak tegen de belangen van hun eigen klasse in, tegen een beperkte vorm van universele gezondheidszorg, omdat dit doelbewust ingaat tegen het geloof in de Amerikaanse droom. Zoals vaak met geloof is de realiteit anders en is de sociale mobiliteit erg beperkt in de Verenigde Staten.
Eugenetica
Het sociaal Darwinisme leidde op het einde van de 19e eeuw ook tot de ontwikkeling van de eugenetica die tot doel had het genetisch materiaal van de mens te veredelen om zo tot de perfecte, rationele mens te komen. Biologisch gebrekkigen (onder die categorie vallen ook criminelen, prostituees, drugsverslaafden en andere sociaal onaangepasten) moesten gesteriliseerd worden opdat hun genetisch materiaal de mensheid niet zou vervuilen. Sociale problemen werden niet gezien als de verschrikkelijke uitbuiting en ongelijkheid die er heerste in die tijd in Europa, maar als de aard van bepaalde mensen. Zo berekende men dat een 83-jarige alcoholiste in totaal 894 nakomelingen zou krijgen waarvan: 67 crimineel recidivisten, 7 moordenaars, 181 prostituees, 142 bedelaars, 40 gekken, dus in totaal om en bij de 437 deviante elementen.
De nazi’s gingen uiteraard nog een stapje verder en gingen ook over tot de systematische euthanasie van sociale elementen en gehandicapten wat tot inspiratie leidde van de Holocaust. Deze akelige methodes roepen nu slechts onbegrip en afschuw op. Maar het sociaal Darwinisme leeft voor op een subtiele wijze.
De wetenschap zal het wel oplossen
De wetenschap en vele hoge instanties verwachten erg veel van de genetica en neurobiologie, waar men ook sociale gedragingen tracht te verklaren aan de hand van neurologische processen in het lichaam. In het boek van de psychotherapeut Paul Verhaeghe ‘Het einde van de psychotherapie’ toont hij aan dat de sociaal-economische realiteit een enorme invloed heeft op de aard en de omvang de van psychische problemen waar men mee worstelt. Tegelijk leeft bij vele mensen de consensus dat het allemaal biologisch-genetisch zal vastliggen. Hier speelt dan uiteraard de gezondheidsindustrie gretig op in met allerlei medicatie zoals viagra, antidepressiva om de mankementen te verhelpen.
Biotechnologie als genetische manipulatie van gewassen moet het hongerprobleem in de wereld oplossen. Zo worden alle maatschappelijke problemen een technocratische kwestie die ‘de wetenschap’ wel zal oplossen, want de honger in de Afrika zou door natuurrampen en het onvermogen van de Afrikanen zelf om een sterke economie op te bouwen. De rol van het grootgrondbezit, de overmatige vleesconsumptie in de geavanceerde kapitalistische samenlevingen, de monocultuur, de oneerlijke wereldhandel en een landbouwmodel dat gericht is op de meest koopkrachtige (export) vraag in plaats van op lokale behoefte, zijn allemaal vragen die niet gesteld zouden hoeven worden. Ook in de sector van de biotechnologie zien we vooral weer de aanwezigheid van het grootkapitaal dat boeren volledig afhankelijk van haar wil maken met patenten op zaaisel en pesticiden.
Darwinisme en marxisme
We zagen al dat Anton Pannekoek schreef dat de evolutietheorie zo snel gemeengoed kon worden en wijdverbreid omdat het een rol kon spelen in de klassenstrijd en omdat het zo dicht bij de levenssfeer van de mensen stond.
Waar Darwin schreef over de evolutie van dieren, schreef Marx over de verandering van de maatschappijen. Marx neemt de mens en zijn productiemethoden centraal, de ontwikkeling van de werktuigen van de technische hulpmiddelen, waarover de mensen beschikken, vormt dus de grondoorzaak, de drijfkracht van de gehele maatschappelijke ontwikkeling, zo schreef Anton Pannekoek het. De ontwikkeling van de productiemethoden bepaalt de productieverhoudingen en die productieverhoudingen brengen automatisch klassenstrijd met zich mee. Het darwinisme bleek een instrument in de handen van de burgerij te zijn. Niet dat het darwinisme niet revolutionair was voor andere mensen. Het is de ultieme onttovering van de godsdienst. Maar voor marxisten is het kapitalisme geen eeuwig leven beschoren. De interne tegenstellingen van het kapitalisme zullen tot het socialisme leiden.
Ook Darwin zelf had absoluut geen hoge dunk van het sociaal darwinisme. Volgens Darwin was de natuurlijke selectie wel van toepassing bij de evolutie van de mensheid, maar ze deed dit niet door eliminatie van de ‘zwakkeren’. De evolutie van de mensheid is geen louter biologisch gegeven, maar ook evengoed een cultureel gegeven. De mens is een onvolgroeid wezen bij de geboorte en dus is opvoeding centraal bij het mens worden. In een beschaving werkt de natuurlijke selectie niet meer op het vlak van de organismen. Er is slechts een toename van sociale vaardigheden waar te nemen zoals solidariteit, empathie, altruïsme, dit in contrast met de invloed van het kapitalisme die de ontwikkeling van dat sociaal gedrag eerder belemmert. Er is dus een soort van omgekeerde natuurlijke selectie.
Voer voor discussie
Ik volg Darwin in zijn stelling dat de mens er evolutionair voordeel uit heeft gehaald om uit de harde ‘strijd van het bestaan’ te blijven en steeds meer samen te werken. Pleiten voor het recht van de sterkste, is meestal louter een soort van rechtvaardiging van de bestaande arbeidsverhoudingen.
Ik stel me wel de vraag of marxisten soms niet dezelfde fout maken als de sociaal Darwinisten. Kunnen we natuurwetten bepalen voor de geschiedenis van de mens? Kan men aan de hand van de geschiedenis, de toekomst voorspellen of is er geen doelmatigheid in de geschiedenis te bespeuren? Volgens de filosoof Karl Popper is het Marxisme niet weerlegbaar en daarom te verwerpen als pseudo-wetenschap. Het lijkt me interessant om in de discussie na te gaan of er wel degelijk toenemende sociale vaardigheden te bespeuren zijn bij de mensheid.
Ik denk niet dat we zo ver moeten gaan, maar ik denk wel dat het belangrijk is dat het verschil tussen de sociale wetenschappen en de exacte wetenschappen. Bij de humane wetenschappen is de onderzoeker niet alleen toeschouwer, maar ook steeds deelnemer aangezien hij zelf een mens is. Marx had een vurige verontwaardiging en haat ten opzichte van het kapitalisme. Zijn wetenschappelijk socialisme kan dus nooit puur dezelfde objectiviteit hebben als de wetten van Kepler of zelfs de evolutietheorie. Dit moet ook niet, het positivisme is niet geschikt om de menselijke werkelijkheid te verklaren. Exacte wetenschappen beschrijven en voorspellen, sociale wetenschappen trachten meer te begrijpen en voor dit begrip is de sociale context zeer belangrijk.
Denkers als Darwin en Marx toonden aan dat de sociale context veranderlijk is en daarom belangt dit volgens mij de arbeidsklasse aan. De mens is geen dier dat gebogen gaat onder de natuurwet van de natuurlijke selectie, integendeel doorheen de geschiedenis is vaak gebleken dat dit zelf contraproductief is. Andere samenlevingsvormen zijn mogelijk.
Deze discussie blijft ook actueel in het kader van het opkomende creationisme in de Verenigde Staten, maar zeker ook in de moslimwereld. Het geloven in de schepping wordt een teken van verzet tegen de ‘liberale’, decadente, seculiere maatschappij. In de Verenigde Staten vindt men de hardste vorm van kapitalisme, zonder verzorgingsstaat of sociale correcties. In een dergelijke maatschappij is de drang naar een almachtige, alwetende God groter dan in een menslievendere maatschappij. . Religieuze leiders beseffen tevens hoe sterk de macht van godsdienst is om mensen achter zich te scharen. Zo mobiliseert christelijk rechts miljoenen stemmen bij de arbeidersklasse voor de republikeinen in de Verenigde Staten. Hoe moet de arbeidsklasse zich verhouden tegenover dit toenemende religieuze fundamentalisme? Is dit ook een bedreiging voor Europa?
We zagen bovendien ook dat Spencer de strijd tussen individuen de motor van de maatschappij vormt en dat dit proces niet verstoord mag worden. Concurrentie heeft tijdens een kapitalisme enorme technologische vooruitgangen met zich meegebracht, maar is tevens vaak vernietigend voor de sociale vaardigheden van de mens. Ligt concurrentie in de aard van mens en is het essentieel voor de menselijke ontwikkeling? Zijn er hier alternatieven voorhanden?
YvY / 08.2009
Dat de kabinetsplannen, waarvan de verhoging van de AOW-leeftijd de voornaamste is, voor mensen in loondienst een verslechtering van de levensomstandigheden is, daar is iedereen het wel over eens. Toch is dit een bijzonder harde aanval, terwijl we toch wel wat gewend zijn na meer dan 30 jaar crisis. Opvallend is dat `iedereen’ in de politiek er in feite vanuit gaat dat de AOW-leeftijd omhoog moet. Daarbij werd en wordt er veel gekrakeeld over wie er de oorzaak van is dat de AOW niet meer te betalen is, wie er het meeste de klos is, en wie eventueel (zogenaamd) moeten worden ontzien. Met name de verschillende generaties worden tegen elkaar uitgespeeld. De boodschap van al die zogenaamde discussies over het ontzien van zware beroepen en over jong versus oud is niets anders dan een oproep tot: red je zelf, en laat de anderen verrekken. Proletarische klassenstrijders wijzen dit soort burgerlijke tactieken af, of ze nu van links of van rechts komen.
De IKS gaat er vanuit dat de huidige recessie de ernstigste is sinds de terugkeer van de economische crisis aan het einde van de jaren ’60. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt is het niet de schuld van graaigrage bankiers, hoewel die wel bestaan natuurlijk. De diepere oorzaak zit in het feit dat het kapitalisme als productiesysteem zichzelf overleefd heeft, en enkel maar haar bestaan rekt door de levensomstandigheden van de arbeiders (en niet-uitbuitende lagen) aan te vallen en te vluchten in een steeds meer schulden maken.
In de eerste decennia na de terugkeer van de crisis werden de ergste gevolgen naar de periferie afgewenteld, de derde wereld, het voormalige Oostblok, maar dat wordt steeds minder mogelijk. De crisis raakt nu ook steeds meer de centrale landen zelf, en daarbij wordt het steeds duidelijk dat ook de fundamenten – zoals de krediet- en monetaire- systemen – ernstig aangetast zijn. Zoals gezegd, naast het schulden maken kan de bourgeoisie niets anders doen dan proberen haar economie nog enigszins aan de praat te houden daar verslechteringen door te voeren.
Dat de kabinetsplannen, waarvan de verhoging van de AOW-leeftijd de voornaamste is, voor mensen in loondienst een verslechtering van de levensomstandigheden is, daar is iedereen het wel over eens. Toch is dit een bijzonder harde aanval, terwijl we toch wel wat gewend zijn na meer dan 30 jaar crisis. Velen hebben al de bezuinigingen en verslechtering van de omstandigheden geaccepteerd, omdat men er vanuit ging zo rond het 60e jaar met pensioen te gaan, in de levensavond te kunnen ontsnappen aan de ratrace en nog een aantal jaren te kunnen genieten. Die illusies worden nu hard en definitief verstoord. Het opschuiven van de AOW-leeftijd naar 67 jaar, en iedereen vreest dat 70 jaar er aan komt, betekent dat men weer letterlijk “tot de dood” zal moeten werken. Eerder stoppen zal misschien niet helemaal onmogelijk worden gemaakt, maar dan zal men toenemend tot halve of hele armoede vervallen. Terecht zit dit de arbeiders niet lekker!
Opvallend is dat 'iedereen’ in de politiek er in feite vanuit gaat dat de AOW-leeftijd omhoog moet. Ook de linkse partijen en de vakbonden gaan er mee akkoord, ook strubbelen ze zogenaamd tegen. Zo ging het PvdA-congres akkoord met de plannen van het kabinet (…) ”om nog asocialere plannen van het kabinet te voorkomen.” De SP en de PVV zeggen dat ze de “65 jaar” verdedigen, dat ze in de geest van de oude Drees en Den Uyl de verworvenheden van de welvaartsstaat verdedigen. Dat kunnen ze doen, omdat ze niet in de regering zitten, en maar om het even wat kunnen roepen.
De vakbonden zijn nu wel zogenaamd tegen de plannen, maar het half jaar dat ze de tijd kregen om met een alternatief te komen heeft niets opgeleverd. Het optreden van de PVV dient ook nog om een 'discussie’ uit te lokken of er nu wel of niet met Wilders en co. moet worden samengewerkt of niet? De werkgevers en vakbonden geven elkaar de schuld van het mislukken van het overleg in de SER, maar in werkelijkheid is het duidelijk dat er geen alternatief is – de bourgeoisie moet de arbeidersklasse aanvallen, ze heeft geen keus. Het half jaar is echter vooral gebruikt om ‘de geesten rijp te maken’ voor de definitieve aanval op de AOW en de pensioenen.
Daarbij werd en wordt er, nu de plannen van het kabinet uitgewerkt gaan worden, veel gekrakeeld over wie er de oorzaak van is dat de AOW niet meer te betalen is, wie er het meeste de klos is, en wie eventueel (zogenaamd) moeten worden ontzien. Met name de verschillende generaties worden tegen elkaar uitgespeeld. Over de ouderen wordt van alles beweerd. Sommigen wijzen er op dat de ouderen natuurlijk de klos zijn, omdat ze opeens langer moeten werken. Anderen zeggen juist dat de “babyboomers” weer eens ontzien worden, omdat voor ouderen dat 55 jaar de AOW-leeftijd helemaal niet veranderd, en dat niet zij maar hun ouders Nederland hebben opgebouwd, en ze hun hele leven al in de watten zijn gelegd. Hetzelfde met de jongeren. Sommigen, zoals de jongerenbond van het CNV, pleitten al lang voor een verhoging van AOW-leeftijd, omdat anders de jonge werknemers te veel belast worden met premies voor de ouderen - de FNV in “Samen de crisis te lijf” stelt dat de AOW-leeftijd 65 moet blijven, maar dat de jongeren wel “3x gepakt worden” (langer doorwerken, mislopen van 25.000 euro aan AOW, banen mislopen, omdat ouderen die bezet houden). Maar anderen wijzen er op dat de jongeren niet solidair willen zijn met de ouderen, die toch voor hun studies en luxe jeugd hebben betaald. Het is de aloude verdeel-en-heers tactiek die hier wordt toegepast, en die we moeten afwijzen.
Ook de hele 'discussie’ over de zware beroepen die wellicht moeten worden ontzien is niets anders dan verdeel-en-heers. Het nodigt uit om de eigen situatie als moeilijk af te schilderen en die van de anderen als niet zo zwaar. De arbeiders worden zo tegen elkaar opgezet, wat de basis van het verzet moet ondermijnen.
De boodschap van al die zogenaamde discussies over het ontzien van zware beroepen en over jong versus oud is niets anders dan een oproep tot: red je zelf, en laat de anderen verrekken. Proletarische klassenstrijders wijzen dit soort burgerlijke tactieken af, of ze nu van links of van rechts komen. (1)
We moeten vermijden dat we ons verzoenen met deze aanvallen, vermijden dat het verzet vanuit de arbeidersklasse wordt afgeleid en verdeeld. Het ene zou betekenen dat we de strijd opgeven, het andere zou betekenen dat we ons als arbeiders tegen elkaar laten opzetten en elkaar gaan beconcurreren. Terwijl de enige kracht van de arbeidersklasse er niet alleen uit bestaat dat ze strijd voor het behoud van haar levensomstandigheden, maar dat ze dat bewust-eensgezind doet.
De enige weg is, hoeveel obstakels er ook zijn, toch de strijd weer aan te gaan. In die strijd zullen we de vijanden van de arbeidersklasse, de burgerlijke campagnes, vakbonden en ultralinks, moeten confronteren. In die strijd, maar ook in perioden tussen twee momenten van strijd, moet er nagedacht worden over hoe we moeten strijden en hoe niet. Elke gevecht dat de klasse levert, ongeacht of het onmiddellijk resultaat oplevert of niet, draagt bij aan een groter begrip over wat er noodzakelijk is en hoe het bereikt kan worden.
De revolutionairen hebben een groot vertrouwen in de arbeidersklasse. De klasse kan tijdelijk uit het lood geslagen worden – en dat kan lang of kort duren, naar gelang de aard van de nederlaag die er geleden is. Maar altijd komt de klasse weer terug, omdat de arbeidersklasse nu eenmaal een vreemd lichaam is binnen het kapitalisme. Of de arbeiders het zich op een gegeven moment realiseren of niet, ze blijft een uitgebuite, maar vooral een revolutionaire klasse. In die zin is de economische crisis de vriend van het proletariaat. De crisis dwingt de bourgeoisie tot aanvallen die ongekend hard zijn. De huidige aanvallen raken niet alleen het huidige leven van de arbeidersklasse, maar ook hun toekomst. Het dwingt de arbeiders hun illusies over rust-na-gedane-arbeid op te geven, en na te denken over alternatieven.
Zoals al gezegd, de arbeidersklasse moet massaal de strijd aangaan, en in die strijd het zelfvertrouwen en het zicht op een alternatief voor het kapitalisme weer opbouwen. Vermoedelijk zullen we in de centrale landen van het kapitalisme, waaronder Nederland, voorlopig nog geen grote massale uitingen van strijd zien, maar vooral geïsoleerde en wanhopige gevechten. We moeten dus niet de illusie hebben dat we de AOW-maatregelen wel even ongedaan gaan maken. Daartoe ontbreekt het de arbeidersklasse aan kracht op dit moment.
In de huidige fase in de strijd moet de arbeidersklasse zich er toe zetten om in de richting te gaan van strijd waarin ze:
- zelf de leiding in handen neemt, en niet achter de vakbond aan loopt;
- een voor een de burgerlijke (vakbond en democratische) hindernissen ontmaskert;
- gaat richting het opnemen van een politieke dimensie (naast een economische) in die strijd. De arbeiders lijken dit aan te voelen, en het feit dat er niet veel actie van de arbeiders te zien is niet per definitie een slechte zaak. Je kruid drooghouden voor een moment dat strijd zin heeft is beter dan het maar doelloos te laten ontploffen.
Het opnemen van de strijd van de arbeidersklasse is anno 2009 een stuk moeilijker dan het in de jaren ’70 was. Toen was de bourgeoisie verrast door de economische crisis en het optreden van de arbeidersklasse. Nu is dat bepaald niet het geval, de bourgeoisie weet donders goed dat de aanvallen die ze op de arbeidersklasse doet tot reacties zullen leiden. Bij de huidige aanval op de AOW is dit goed te zien. De bourgeoisie doet wel een harde aanval, maar heel weloverwogen en voorzichtig, na een lange voorbereiding, en omgeven met mitsen en maren en uitzonderingen (…) om heftige reacties van de arbeiders te voorkomen. De vakbonden en ultralinks proberen de rest te doen, de ontevredenen opvangen en stoom af laten blazen tijdens manifestaties waarbij de FNV de regie strak in handen houdt.
De revolutionaire organisaties en hun sympathisanten moeten gezamenlijk zo veel mogelijk bijdragen aan de ontwikkeling van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse en aan het terugdringen van de invloed van de burgerlijke misleiding. De arbeidersklasse moet zelf – de revolutionaire elementen, kunnen dat niet voor haar doen - de weg op gaan van steeds grotere uitbreiding en eenmaking van de strijd. Dat kan niet zonder bewust stappen vooruit te nemen. De revolutionaire organisaties komen zo veel ze kunnen, met hun beperkte krachten, tussen in de strijd van het proletariaat. Daarnaast probeert ze contacten te leggen met nieuwe groeperingen en individuen die op zoek zijn naar internationalistische standpunten – om een marxistisch referentiepunt te worden. We roepen een ieder op die zich verbonden voelt met de strijd van de arbeidersklasse om hieraan mee te werken en contact op te nemen door middel van correspondentie/mailverkeer of het bezoeken van onze openbare en lezersbijeenkomsten.
A.L., 14 oktober 2009
(1) Naast al deze campagnes zijn er ook voortdurend andere campagnes die aard en de omvang van de aanvallen uit het zicht moeten halen. In het vorige nummer van Wereldrevolutie schreven we over hoe Geert Wilders en de PVV de bourgeoisie op dit vlak onschatbare diensten verlegen. Maar ook andere gebeurtenissen worden breed uitgemeten. Recentelijk bijvoorbeeld domineerde wekenlang de debacle rond de DSB-Bank de media.
Links
[1] https://nl.internationalism.org/tag/2/39/revolutionaire-organisatie
[2] https://nl.internationalism.org/tag/3/50/partij-en-fractie
[3] https://nl.internationalism.org/tag/8/139/internationale-kommunistische-stroming
[4] https://nl.internationalism.org/tag/8/131/eerste-internationale
[5] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/sociale-situatie-nederland
[6] https://nl.internationalism.org/tag/18/224/het-kommunistisch-perspectief
[7] https://nl.internationalism.org/tag/3/46/kommunisme
[8] https://nl.internationalism.org/tag/4/76/nederland
[9] https://nl.internationalism.org/tag/2/31/het-parlementaire-bedrog
[10] https://nl.internationalism.org/tag/2/33/het-nationale-vraagstuk
[11] https://nl.internationalism.org/tag/11/152/correspondentie-met-andere-groepen
[12] https://nl.internationalism.org/tag/7/115/beinvloed-door-de-kommunistische-linkerzijde
[13] https://nl.internationalism.org/tag/3/45/internationalisme
[14] https://nl.internationalism.org/tag/3/49/oorlog
[15] https://nl.internationalism.org/tag/6/105/911
[16] https://nl.internationalism.org/tag/2/25/verval-van-het-kapitalisme
[17] https://nl.internationalism.org/tag/11/155/tussenkomsten
[18] https://nl.internationalism.org/tag/7/117/internationalistisch-anarchisme
[19] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/klassenstrijd-nederland
[20] https://nl.internationalism.org/tag/4/87/midden-oosten
[21] https://nl.internationalism.org/tag/4/83/midden-en-zuid-amerika
[22] https://nl.internationalism.org/tag/3/43/historische-koers
[23] https://nl.internationalism.org/tag/7/122/officieel-anarchism
[24] https://nl.internationalism.org/tag/4/80/spanje
[25] https://nl.internationalism.org/tag/3/52/terrorisme
[26] https://nl.internationalism.org/tag/3/47/maatschappelijke-ontbinding
[27] https://nl.internationalism.org/tag/4/73/groot-brittannie
[28] https://nl.internationalism.org/tag/4/95/rusland-kaukasus-centraal-azie
[29] https://nl.internationalism.org/tag/6/108/irak
[30] https://nl.internationalism.org/tag/4/69/duitsland
[31] https://russia.internationalist-forum.org
[32] https://nl.internationalism.org/tag/4/60/australazie
[33] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/tsunami
[34] http://www.geocities.com/cci_1917
[35] https://nl.internationalism.org/tag/politieke-stromingen-en-verwijzingen/internationalisten-argentinie
[36] https://nl.internationalism.org/tag/4/94/verenigde-staten
[37] https://nl.internationalism.org/tag/3/48/milieu
[38] https://nl.internationalism.org/tag/14/188/wat-de-iks
[39] https://nl.internationalism.org/tag/11/151/congres-resoluties
[40] https://nl.internationalism.org/tag/4/70/europese-unie
[41] https://nl.internationalism.org
[42] https://nl.internationalism.org/tag/7/109/kommunistische-linkerzijde
[43] https://nl.internationalism.org/tag/4/71/frankrijk
[44] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-nederland
[45] http://www.nl.internationalism.org
[46] https://www.defabel.nl
[47] http://www.sp.nl
[48] https://nl.internationalism.org/tag/2/34/zelfbeheer
[49] https://nl.internationalism.org/tag/4/86/venezuela
[50] https://www.nl.internationalism.org
[51] https://nl.internationalism.org/tag/11/153/lezersbrieven
[52] https://nl.internationalism.org/tag/7/114/radenkommunisme
[53] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-belgie
[54] https://nl.internationalism.org/tag/2/29/proletarische-strijd
[55] https://www.laks.nl
[56] https://archive.intal.be/nl/article.php?articleId=267&menuId=1
[57] https://www.nrc.nl/buitenland/article976972.ece/Internationale_Rode-_Kruis_Irak_humanitair_drama
[58] https://www.icrc.org/Web/Eng/siteeng0.nsf/htmlall/iraq?OpenDocument
[59] https://www.indymedia.be/fr/node/26620
[60] https://nl.internationalism.org/tag/4/88/irak
[61] https://nl.internationalism.org/tag/3/42/economie
[62] http://www.internationalism.org
[63] http://www.dollehon.dds
[64] https://nl.internationalism.org/tag/4/89/iran
[65] https://nl.internationalism.org/files/nl/were118.pdf
[66] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/ideologische-campagnes
[67] mailto:[email protected]
[68] mailto:[email protected]
[69] https://nl.internationalism.org/tag/people/darwin
[70] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/economische-situatie-nederland