"Niets is zo opvallend vandaag, niets heeft zo'n doorslaggevende betekenis voor de hele vorm van het hedendaagse sociale en politieke leven, als de gapende tegenspraak tussen een economisch fundament dat iedere dag strakker en steviger wordt, en die alle volkeren en landen in een groot geheel aaneensmeedt, en de politieke bovenbouw van de staten die, door middel van grensposten, tariefmuren en militarisme, probeert naties kunstmatig op te splitsen in zoveel vreemde en vijandige gebieden." [1]
Grenzen als een afbakening van de eigendom van grond zijn zo oud als het bestaan van de eigendom zelf. Er is gewoon geen bestaan van eigendom zonder de afbakening en de verdediging ervan. Met de opkomst van grote keizerrijken, zoals Rome of China, werden gigantische versterkte grenzen opgericht: De Muur van Hadrianus, de [Romeinse] Limes, de grote Chinese Muur. Het bestaan van die grenzen om een keizerrijk te verdedigen tegen de invasie van rivalen, is niets nieuws.
Echter, zolang de planeet nog niet was ‘verdeeld’ tussen de grote kapitalistische rivalen, bleef het afbakenen van grenzen meestal beperkt of werden [grensgeschillen] zelfs opgelost aan de onderhandelingstafel via verdragen. Zo konden, tijdens de conferentie van Berlijn in 1884, de grenzen in Afrika bijvoorbeeld nog getrokken worden op een landkaart; zo werd in het begin van de 19e eeuw een gebied, zo groot als Alaska, door de Russische tsaar verkocht aan de VS. Aan het begin van de 19e eeuw had de grens tussen Mexico en de VS bijna geen bewakers. En voor de Eerste Wereldoorlog werden de grenzen in Europa nog niet zwaar bewaakt.
Pas toen de wereld aan het begin van de 20e eeuw werd verdeeld tussen de grote kapitalistische rivalen, werd de verdediging van het grondgebied een strijd van een ander niveau. Maar hoewel er in WO1 uitgebreid gevochten werd om gebieden - zoals de loopgravenoorlog in België en Frankrijk met hun verschrikkelijke kosten aan mensenlevens en materiaal – bleven de grenzen na de oorlog opmerkelijk ‘open’. De herstelbetalingen, door het Verdrag van Versailles opgelegd aan de verslagen landen, betekenden een relatief gering verlies van grondgebied (het Duitse deelstaat Saarland ‘verloren’ aan Frankrijk, of de voormalige Duitse koloniën, die van eigenaar wisselden) of waren samengesteld uit omvangrijke herstelbetalingen. Hele landen waren nog niet opgedeeld en versterkte grenzen, zoals die plaatsvonden na de Tweede Wereldoorlog, bestonden nog niet.
Met de intensivering van de imperialistische rivaliteiten is de verdediging van de grenzen en territoria in kwalitatieve zin veranderd. Er kwam hevige strijd over elk stukje grondgebied. Na de Tweede Wereldoorlog werden een aantal landen verdeeld (Duitsland, Korea, China, Vietnam, India-Pakistan), allemaal verzekerd door middel van de meest gemilitariseerde afscheidingen, uitgerust met mijnen, hekken, muren, gewapende bewakers en honden. De oprichting van de staat Israël in 1948 betekende de verplaatsing van honderdduizenden Palestijnen en de noodzaak om zich te verschansen achter de meest geavanceerde muren. Dit heeft nu geleid tot een van de meest zwaarbewaakte en ommuurde grenzen in de wereld.
“Symbolisch gezien is de Palestijnse muur de Berlijnse muur van deze eeuw, hij is vier keer zo lang als dat gehate Koude Oorlog icoon en meer dan tweemaal zo hoog - 8 m. Al in aanbouw sinds 2002 wordt er verwacht dat hij zich uiteindelijk zal uitstrekken over 709 kilometer door de Westelijke Jordaanoever. Een reeks betontegels, met prikkeldraad afgezette ‘bufferzones’, loopgraven, onder stroom staande omheiningen, wachttorens, thermische videocamera's, torens met sluipschutters, militaire controleposten en wegen voor patrouillevoertuigen hebben steden op de Westelijke Jordaanoever in stukken gehakt en ze gescheiden van bezet Oost-Jeruzalem. (…) Tot nu toe kostte de muur meer dan $2,6 miljard, terwijl de kosten van het jaarlijks onderhoud $260 miljoen bedragen”.[2]
Kortom: sinds WO1 zijn alle landen imperialistisch en moeten gehoorzamen aan de wet van de verdediging van hun belangen ook door middel van de meest weerzinwekkende grensverdedingsystemen.
En de recente reeks van oorlogen, overal ter wereld, betekende dat de grenzen versterkt zijn om het binnendringen van vijandelijke troepen te voorkomen - vaak terroristische bendes die geruggensteund worden door verschillende staten.
Een heel systeem is opgezet om iedere persoon te screenen die een visum nodig heeft, en Orwelliaanse toezichthoudende instellingen zoals de Homeland Security Authority in de Verenigde Staten zijn opgezet om mogelijke vijanden op te sporen en te voorkomen dat ze het land binnenkomen.
Tegelijkertijd, terwijl migratie in de negentiende eeuw niet zozeer belemmerd werd door een complexe wetgeving en een verfijnd politiesysteem, betekende de 20ste eeuw dat de grenzen nu ook een tweede functie kregen naast de ‘traditionele’ militaire: om de instroom te voorkomen van arbeidskracht die niet nodig is. Vergelijk dit met de Amerikaanse vraag naar arbeidskrachten aan het einde van de negentiende eeuw - de echte reden voor de oproep “stuur ons uw armen, uw opeengepakte massa's”. Vandaag heeft de VS zich gevoegd in de race om de zuidelijke grens af te sluiten tegen golven van Latijns-Amerikaanse proletariërs, die op de vlucht zijn voor de armoede en de criminaliteit in Midden- en Zuid-Amerika.
In de jaren 1960 ontstond er een nieuw fenomeen. Vele landen, die werden gedomineerd door het Russische blok, hadden een tekort aan arbeidskrachten, met name Oost-Duitsland. Dus moest de door Oost-Duitsland opgetrokken Berlijnse muur voorkomen dat zijn arbeidskrachten zijn grondgebied verlieten. De economische underdog sloot zijn grenzen om zijn burgers binnen te houden.
Dus hebben we nu meer en meer een gelijktijdigheid of dubbele functie van grenzen: naast de klassieke militaire functie van verdediging van het grondgebied, zijn de meest geavanceerde muren gebouwd om te voorkomen dat vluchtelingen binnendringen en het voorkomen of filteren van ongewenste ‘economische migranten’.
Hoewel het IJzeren Gordijn in 1989 eraan ging, betekende de verdwijning van de confrontatie tussen de machtsblokken geen nieuwe wereld, zonder grenzen. In tegendeel!
“Tussen 1947-1991 werden er elf muren gebouwd, die het einde van de koude oorlog overleefden: tussen Zuid-Afrika en Mozambique; Zimbabwe; Noord en Zuid-Korea; India en Pakistan; Israël; Marokko en West-Sahara; Zimbabwe en Zambia. Tussen 1991-2001werden er zeven muren opgetrokken: rond de exclaves Ceuta en Melilla, tussen VS en Mexico; Maleisië en Thailand; Koeweit en Irak; Uzbekistan en Afghanistan/Kirgizstan). Sinds 2001 zijn er 22 muren opgetrokken: tussen Saoedi-Arabië en Verenigde Arabische Emiraten; Irak; Oman; Qatar; Jemen; Birma en Bangladesh; Botswana en Zimbabwe, Brunei en Maleisië, China en Noord-Korea; Egypte en de Gazastrook; Verenigde Arabische Emiraten en Oman; India en Bangladesh; Birma en Pakistan; Iran en Pakistan; Israël en de Westelijke Jordaanoever; Jordanië en Irak; Kazakstan en Oezbekistan; Pakistan en Afghanistan; Thailand en Maleisië; Turkmenistan en Uzbekistan, Israël en Egypte.” [3]
Tussen de bijna 200 landen in de wereld zijn er ongeveer 250.000 kilometers aan grenzen. Een maatschappij in loopgraven![4]
Dit bewijst het volstrekt irrationele karakter van het kapitalistische systeem. Terwijl het kapitalisme alleen kan “bloeien” als er vrij verkeer is van goederen en arbeid, is de beweging van de menselijke arbeid onderworpen aan de meest meedogenloze controles en obstakels. Dit betekent niet alleen een ongekende hoeveelheid geweld langs de grenzen, maar ook de volkomen krankzinnig hoge kosten. De massale grensbewaking tussen Mexico en de Verenigde Staten kost een fortuin:
“Maar dat leidt tot de nodige kosten. De meeste schattingen denken dat de inspectie, de patrouilles, en de infrastructuur de belastingbetaler ergens tussen de $12 miljard en $18 miljard per jaar kosten. Dat is een toename van ongeveer 50% in vergelijking met de vroege jaren 2000, volgens ‘The Journal’, dat zegt in de uitgaven te hebben opgenomen ‘alles, van 650 mijl hekwerk tot militaire vliegtuigen, zeeschepen, drones, bewakingsapparatuur, torens met infrarode camera’s en detentiecentra’. Meer in het algemeen bedroegen de kosten voor grensbewaking $90 miljard, volgens een verzoek gedaan door Associated Press op grond van de Wet op de Openbaarheid van Bestuur, in de periode tussen 2002 en 2011. Het nieuwsbericht meldt dat de jaarlijkse uitgaven variëren van drugshonden - 4.500 dollar voor elke hond – tot troepen van de ‘National Guard’ - ongeveer $91.000 per soldaat.” [5]
Als je je een voorstelling maakt van het totale aantal bewakers dat is opgesteld langs de grenzen in de wereld, dan moeten de kosten [, die daarmee gepaard gaan,] de meest absurde cijfers bereiken - en het laat op een beeldende wijze zien waar het huidige systeem zijn middelen aan verkwist![6]
We moeten hieraan toevoegen dat, samen met de meest geavanceerde grenscontroles, er in ieder land steeds meer afgesloten woonwijken worden ingesteld, met hekken en vaak gewapende beveiligingssystemen voor de geprivilegieerden. Hele buurten zijn ‘no-go-areas’ geworden voor de niet-ingezetenen.
Maar de industrielanden vormen niet alleen steeds echte ‘bunkers’. Ze zijn ook de grootste ‘verschepers’ van arbeidskracht. Het totale aantal slaven dat, in de periode 1445-1850, met geweld werd meegenomen, vooral van het Afrikaanse continent, bedraagt 10 tot 20 miljoen. Het huidige uitwijzingsbeleid van de geïndustrialiseerde landen, en ook van andere landen, zal waarschijnlijk leiden tot een vergelijkbaar aantal in een veel kortere tijd.
Enkele voorbeelden: meer dan 5 miljoen ‘illegale’ immigranten zijn gedeporteerd uit de VS - onder G.W. Bush ongeveer 2 miljoen, onder Clinton bijna 900.000 en onder Obama meer dan 2 miljoen. In Europa worden de maatregelen steeds harder en bestaan er momenteel ongeveer 400 detentiecentra voor ‘illegalen’, die hun uitwijzing afwachten. Mexico zelf deporteert 250.000 buitenlanders per jaar naar Centraal-Amerika. Saoedi-Arabië staat op het punt meer dan één miljoen mensen te deporteren, die illegaal in het koninkrijk leven en werken.
Geconfronteerd met de recente golf van vluchtelingen uit, door oorlog, verscheurde gebieden van het Midden-Oosten, Afghanistan, Noord Afrika... heeft het systeem van grensbewaking een nieuwe dimensie bereikt. De autoriteiten zetten steeds meer troepen en materiaal in om vluchtelingen te arresteren en uit te zetten. Meer dan een kwart eeuw na de ‘opening’ van het IJzeren Gordijn in Hongarije heeft datzelfde land, Hongarije, de grens met Servië afgesloten met prikkeldraad om te voorkomen dat ‘De pechvogels’ ‘veilige havens’ bereiken. Bovendien bestaat het plan om een nieuw ijzeren gordijn langs de grens met de Roemenië op te richten.
Soortgelijke maatregelen worden genomen in andere Europese landen. De eerdere ‘open’ Schengen-grenzen worden nu gecontroleerd door de grenspolitie; ‘hot spots’ (centra voor de ‘selectie’ van vluchtelingen) worden opgericht in Griekenland en Italië, met de mogelijkheid vluchtelingen terug te sturen naar de hel, waar ze vandaan kwamen. En voorposten voor vluchtelingen worden uitgebreid naar Afrika zelf, waar afspraken worden gemaakt om grenscontroles op te zetten aan de doorgaande routes van vluchtelingen in Afrika zelf.
De afbeeldingen van de vluchtelingenstromen en duizenden gedetineerde of teruggedrongen vluchtelingen op de Balkan en elders, zonder voedsel en onderdak, herinneren ons aan de manier waarop de Joodse bevolking werd behandeld onder het Nazi-regime of het lot van de vluchtelingen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ze tonen de continuïteit van barbaarsheid aan van dit systeem. Een eeuw van oorlogsvluchtelingen, van kampen, van deportaties, van ijzeren gordijnen, van illegale migratie en deportatie van degenen die het lef hebben om alleen maar te komen ‘om hun buik vullen’.
Op dit moment hebben we de hoogste en langste muren ooit om te voorkomen dat vluchtelingen uit oorlogsgebieden en wanhopige ‘economische’ migranten binnenkomen, maar ze kunnen nog steeds niet het toegenomen aantal slachtoffers keren, die het gecombineerde gevolg zijn van de onstuitbare ontbinding van het kapitalisme.
Door het creëren van een globale economie, heeft het kapitalisme de voorwaarden geschapen voor een wereldwijde menselijke associatie. Maar het totale onvermogen om dit te realiseren wordt geïllustreerd door de wereldwijde versterking van haar grenzen. Oproepen tot ‘no borders’ door goedwillende activistische groepen zijn dus een utopie. Grenzen kunnen alleen worden opgeheven door de internationale proletarische revolutie, die de onmenselijke gevangenis van de natie-staat zal ontmantelen.
Dv / 09.09.2015
[1] Rosa Luxemburg, ‘Inleiding tot de Politieke Economie’, in: The Complete Works of Rosa Luxemburg, Volume 1, Verso, London 2013, p 121.
[3] www.dandurand.uqam.ca/evenements//evenements-passes/440-fences-and-walls... [2] also Chaire Raoul-Dandurand _ Fences and Walls in International Relations.html, Berlin Wall is Gone but Separation Walls are a Growth Industry _ Burning Billboard.org.htm
[4] Wereldwijd wordt er ieder jaar 500.000 ton prikkeldraad geproduceerd. Dit is goed voor 8 miljoen kilometer prikkeldraad, oftewel 200 keer de omtrek van de aarde.
[5] https://www.fool.com/investing/general/2014/08/06/the-migrant-crisis-could-cost-billions-but-border.aspx [3]
[6] En de hoeveelheid geld die vluchtelingen moeten betalen aan mensenhandelaren bereikt ook ongekende hoogten.
In ons artikel van augustus naar aanleiding van de verkiezingen schreven wij: ‘Boycot de verkiezing: het marxistische standpunt in het tijdperk van het verval van het kapitalisme’ (1):
“De mislukking van het Aquino regime is niet enkel te wijten aan BS Aquino en de Liberale Partij. Al lang voor de huidige heersende factie was het kapitalistische systeem in de Filippijnen al een mislukking.
Samen met de verrotting van de huidige regering, de oppositie die geleid wordt door de sterkste uitdager voor het presidentschap, vice-president Jojimar Binay, stinkt het van corruptie en zelfverrijking.
Ieder van hen onthult de schandalen van hun politieke rivalen. In het kapitalisme in verval is er geen nood aan radicalen en progressieven die binnen het parlement het verval van het kapitalisme blootleggen”.
Eén negatief gevolg van het kapitalisme in haar fase van ontbinding is de opkomst van de wanhoop en hulpeloosheid onder de straatarme massa’s. Een aanwijzing daarvan is de verlumpenisering van delen van de werkende massa’s, de toename van zelfmoorden, de verrotte cultuur onder de jongeren en het gangsterdom. Dit zijn allemaal uitingen van toenemende onvrede onder de massa’s in het huidige systeem, maar ze weten niet wat ze moeten doen en hoe dit te vervangen. Met andere woorden: een groeiend ongenoegen zonder perspectief op een toekomst. Dat is de reden waarom de mentaliteit van het ‘ieder-voor-zich’ en ‘ieder tegen allen’ zo’n sterke invloed heeft op een belangrijk deel van de arbeidersklasse.
Maar het ergste scenario, dat kan ontstaan bij perspectiefloosheid als gevolg van de demoralisering is de hoop dat één man de toestand kan rechttrekken en de meerderheid uit de ellende kan redden. Hopen op een sterke man en een ‘goedwillende’ dictator. Dat is niet anders dan de hoop op een machtige god, die op aarde zou moeten neerdalen om diegenen te redden die in hem geloven en de anderen, die dat niet doen, te straffen. De klasse die deze mentaliteit voornamelijk voortbrengt is de kleinburgerij”.
In grote lijnen was onze analyse niet onjuist.
Verschillende burgerlijke ‘politieke analisten’ gaven toe dat de stemmen voor Rodrigo Duterte stemmen waren tegen de flaters van de regering van BS Aquino. Wat zij niet zeggen en ook niet willen zeggen is dat de haat en het ongenoegen van het volk is gericht tegen het hele burgerlijke democratie die, zo geloofden ze, in 1986de plaats had ingenomen van de dictatuur van Marcos Sr. De laatste 30 jaar zijn de fiasco’s en de corruptie van de democratische instellingen blootgelegd, en worden ze beschouwd als niet wezenlijk verschillend van de dictatuur van Marcos. Ze voelen dat de huidige tot stand erger is dan tijdens de dictatuur van Marcos.
Duterte verklaarde dat hij een ‘ultralinkse socialist’ is. Hij ging er prat op dat hij de eerste ultralinkse Filipijnse president zou zijn. Bijna alle linkse facties in de Filippijnen zijn het eens met Duterte en bieden zijn regime hun steun aan. En in die steunverlening staat de maoïstische Communistische Partij van de Filippijnen en haar wettelijke organisaties de vooraan. (2)
Wat ook het ‘socialisme’ van Duterte moge zijn, het is duidelijk geen wetenschappelijk socialisme of marxisme. Het is zeker en vast een ander merk van het burgerlijk ‘socialisme’ om de massa’s om de tuin te leiden en de leugens van de bourgeoisie tegen socialisme/communisme nieuw leven in te blazen. Het ‘socialisme’ van Duterte is staatskapitalisme. (3)
Gebaseerd op voorafgaande uitspraken van Duterte voor en tijdens zijn campagne, is het duidelijk dat het wezenlijke van zijn regeringsprogramma de belangen dient van de kapitalistische klasse en niet die van de werkende massa’s. In verband daarmee heeft hij militante arbeiders al gewaarschuwd om geen stakingen te lanceren onder zijn bewind en ermee gedreigd hen te doden als ze dat wel zouden doen.
Erger nog, Duterte’s taal (net zoals zijn daden) zijn die van een bullebak van een straatbende. Dit is een uitdrukking van het feit dat hij de regering beschouwt als een grote maffiabende, waarvan het de ‘Peetvader’ is. Zijn vage politiek van ‘federalisme’, die lijkt gebaseerd te zijn op de grootspraak dat het inkomsten van de lokale regeringen groter zijn dan die van de nationale regering, ligt in werkelijkheid dichter bij de opvatting van de autonomie van lokale maffia’s op hun eigen territorium.
Voor de kommunistische organisatie en de revolutionaire arbeiders is het Duterte regime een hardnekkige verdediger van het nationale kapitaal (4), maar is zij totaal afhankelijk van buitenlands kapitaal.
De ‘boute’ belofte van Duterte om binnen de eerste 3 tot 6 maanden van zijn presidentschap een einde te maken aan corruptie, criminaliteit en drugs kende een brede aantrekkingskracht bij de kiezers, bij de kapitalisten en bij de ‘middenklasse’, die het voortdurende doelwit zijn van de misdaad. Kapitalisten wensen vreedzame en vlot lopende zaken om meer winst te kunnen maken. Om die reden zijn voor kapitalisten arbeidersstakingen net zulke duidelijke uitingen van ‘chaos’ als de plaag van de misdaad.
De nieuwe regering kan geen oplossing bieden voor de problemen van de massale werkloosheid, de lage lonen en het wijdverspreide tijdelijke werk. Te midden van een verergerende overproductiecrisis, is het grootste probleem van de kapitalisten een voorspong te verkrijgen op hun rivalen in een verzadigde wereldmarkt. De arbeidskosten drukken door ontslagen en tijdelijke contracten is de enige weg om hun producten goedkoper te maken dan die van hun concurrenten. (5)
In wezen is de oplossing van het regime , om via propaganda en repressie, de controle over het maatschappelijke leven te versterken en de bevolking te verplichten om de wetten van de staat strikt in acht te nemen.
Naarmate de crisis van het systeem erger wordt zal de factiestrijd binnen de heersende klasse alleen toenemen onder het nieuwe regime. Oppervlakkig gezien betuigen de meeste verkozen politici van alle andere partijen, en in het bijzonder die van de heersende Liberale partij van Duterte’s voorganger, het Aquino regime, hun loyaliteit aan het nieuwe regime. Maar in werkelijkheid heeft elke factie haar eigen agenda, waar ze onder de nieuwe regering aan vast willen houden. Bovendien wedijveren er binnen het Duterte kamp verschillende facties om gunsten en posities: de pro-Duterte maoïstische factie, de anti-CPP/NPA factie, de krijgsheren uit Midanao/Visayas, de krijgsheren uit Luzon, in het bijzonder de groep rond Cayetano, de vice-presidentskandidaat van Duterte.
Wij schreven in ons artikel ‘Boycot de verkiezingen…’ ook:
“Als Duterte zich verkiesbaar stelt voor het presidentschap in 2016 en de heersende klasse beslist dat het land een dictator nodig heeft, zoals ten tijde van Marcos, om het zieltogende kapitalisme in de Filippijnen te redden en de straatarme massa’s angst en onderwerping aan de regering op te leggen, dan zal hij zeker winnen. Tenslotte geeft de heersende (lokale of buitenlandse) klasse er niet om onder wat voor soort beheer de Filipijnse staat komt. Het belangrijkste voor hen is om winst te accumuleren”.
Er zijn zeker bepaalde aanwijzingen dat Duterte een psychologisch gestoorde persoon is die hunkert naar het dictatorschap. Maar of hij nu regeert als een dictator of als een liberaal hangt enkel af van de algemene beslissing van de heersende klasse (zowel lokaal als internationaal) en de solide steun die hij krijgt van de AFP/PNP en zelfs van de maoïstische factie die hem steunde.
Voor ons is het belangrijk om als kommunisten te analyseren en te begrijpen waarom belangrijke delen van de bevolking bereid zijn om Duterte te aanvaarden als dictator en ‘Peetvader’. Die analyse is van doorslaggevende betekenis omdat in andere landen, en speciaal in Europa en de VS, uiterst rechtse personen, die zich keihard opstellen en mensen afbekken (zoals Donald Trump) aan populariteit winnen. Een belangrijk aantal jongeren wordt ook aangetrokken door het geweld en het fanatisme van ISIS.
Als wij de fenomenale populariteit van Rodrigo Duterte en van Ferdinand Marcos Jr., de zoon van de dictator willen analyseren, dan moeten het doen vanuit een wereldwijde visie.
Globaal genomen heeft de ontbinding van het kapitalisme al meer dan 30 jaar het bewustzijn van de bevolking aangetast. Deze besmetting beslaat vele terreinen: economie, politiek en cultuur/ideologie. De populariteit van Duterte of Marcos Jr. is een aanwijzing van de hulpeloosheid, de wanhoop en het verlies aan perspectief en vertrouwen in de klasse-eenheid en de strijd van de werkende massa’s. Vandaar het zoeken naar een ‘redder’ in plaats van naar de klasse-identiteit. De achtergrond hiervan is de onoplosbare crisis van het kapitalisme, die tot uitdrukking komt in toenemende armoede, de toenemende chaos, de uitdeinende oorlogen, de vernietiging van het milieu, schandalen en corruptie in regeringen.
Maar een veelbetekenende factor is ook dat er 20 jaar lang vrijwel geen sterke klasse-beweging is geweest in de Filippijnen. De militante strijd ten tijde van de dictatuur van Marcos Sr. werd door ultralinks afgeleid naar de guerrilla en naar het verkiezingscircus. En vanwege de sterke invloed van het nationalisme in de Filippijnen is de arbeidersbeweging geïsoleerd ten opzichte van de internationale strijd van de arbeidersklasse.
Bijna 50 jaar lang hebben de Filipijnse werkende massa’s het bankroet meegemaakt van zowel de guerrillaoorlogen van de Maoïsten als de loze beloften van hervormingen van elke factie van de heersende klasse, die zitting had in het Malacañang Paleis. Daarbij komt nog de militarisering van de landelijke gebieden, zowel door gewapende rebellen als de staat, die leidden tot massale verplaatsingen waardoor een uitbreidende en groeiende bevolking van armen en werklozen ontstaat, die leeft in de krottenwijken van de steden. De misdaadsyndicaten maken misbruik van deze toestand. Vandaar dat de criminaliteit als gevolg van drugs, diefstal, kidnappings en autodiefstallen elk jaar hand over hand toeneemt. Bendemoorden en benderellen, verkrachting en andere vormen van geweld zijn dagelijkse kost in de steden. En steeds meer zijn jongeren en zelfs kinderen diegenen die ze plegen of er het slachtoffer van zijn.
Daar een aantal militaire en politie-officieren de beschermheren zijn van deze syndicaten, is de staat totaal onmachtig geworden om de misdaad en het geweld onder controle te brengen.
Alhoewel de rijken de eersten zijn die aangetast worden door de toename van de misdaad, in het bijzonder in het geval van diefstal en kidnapping, zijn het bovenal de armen die het meest te lijden hebben onder de last van deze misdaden, aangezien de meeste van de ‘soldaten’ of het kanonnenvoer van deze syndicaten geronseld worden onder de hongerlijdende en werkloze bevolking.
Er heerst een wijdverbreid gevoel van wanhoop onder de bevolking. Geatomiseerd en geïsoleerd vragen ze zich af wie hen kan beschermen. Achter deze gedachte schuilt de verwachting dat de staat hen in bescherming moet nemen. Maar de staat laat hen vallen. Wanhoop en atomisering zijn de voedingsbodem voor het verlangen naar een redder, een persoon of groep van personen die hen kan redden uit hun ellende, die sterker is dan de som van de geatomiseerde bevolking. En die redder zou de regering moeten controleren, aangezien enkel de regering hen kan beschermen.
Deze hulpeloosheid is tevens een voedingsbodem voor het zoeken naar zondebokken en personalisering. Iemand de schuld geven voor hun ellende: de corrupte regeringsbeambten en de misdadigers. Het verlies aan perspectieven en het groeiende gevoel van wanhoop katapulteren de populariteit van Duterte en Marcos Jr. De populariteit van deze sujetten is een gevolg van het wegrottende systeem, niet van een opkomend bewustzijn van de massa’s. Dit soort verrotting was ook de reden van de populariteit van Hitler en Mussolini vóór de Tweede Wereldoorlog.
Naarmate deze tendens tot personalisering en het zoeken naar zondebokken toeneemt, groeit ook het aantal mensen dat de fysieke eliminatie steunt van corrupte ambtenaren en misdadigers, met om het even welke middelen. Telkens als ze Duterte horen verklaren ‘Dood ze allemaal!’, klappen ze in hun handen.
In de huidige politieke toestand is het voor ons nu moeilijker om tegen de gevolgen van de ontbindende maatschappij te vechten. Desalniettemin strijden we niet alleen of geïsoleerd. Wij maken deel uit van het internationale proletarische verzet dat losbarstte sedert 1968. De internationale arbeidersklasse, die ondanks haar moeilijkheden om haar eigen klasse-identiteit en solidariteit als onafhankelijke klasse terug te vinden, strijdt nog altijd tegen de aanvallen van het kapitalisme in verval.
Wij kunnen ons alleen een stralende toekomst voor ons zien, als wij alle vormen van nationalisme verwerpen. Wij kunnen de proletarische strijd niet vatten als we ons blindstaren op de ‘nationale situatie’. We mogen niet vergeten dat sinds 2006 onze klassebroeders en -zusters in Europa, in sommige delen van het Midden-Oosten en in de VS gestreden hebben tegen de ontbinding via solidariteitsbewegingen (de anti-startbanen beweging in Frankrijk, de Indignados in Spanje, de klassestrijd in Griekenland, de Occupy-beweging in de VS). Wij moeten in herinnering brengen dat honderdduizenden van onze klassebroeders en -zusters in China wijdverbreide stakingen hebben gelanceerd.
Wij moeten volharden in de theoretische verheldering, de internationale versterking en de militante tussenkomsten om de toekomstige strijd op internationaal vlak voor te bereiden. Wij zijn geen nationalisten zoals de verschillende ultralinkse facties. Wij zijn proletarische internationalisten. Laten wij ons de laatste paragraaf herinneren van het Kommunistisch Manifest: “De kommunisten versmaden het hun overtuiging en hun bedoelingen te verhelen. Zij verklaren openlijk dat hun doel slechts bereikt kan worden door de gewelddadige omverwerping van iedere tot nu toe heersende maatschappelijke orde. Dat de heersende klassen sidderen voor een kommunistische revolutie! De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen”.
Internasyonalismo (ICC section in the Philippines) June 2016
Internasyonalismo (Afdeling van de IKS in de Philippijnen) juni 2016
(1) "Boykot Eleksyon[1]: Marxistang Paninindigan sa Panahon ng Dekadenteng Kapitalismo [4]".
(2) Ondanks het aanvankelijke "protest" van de maoïsten tegen de neoliberale economisch programma van het regime, dat bestaat uit 8-punten, ze zijn allen verenigd in hun steun aan de 'slager' Duterte. Bewijs hiervan is dat er maoïstische vertegenwoordigers het kabinet van Duterte zitten.
(3) Regimes zoals die in Vietnam, China, Cuba, die beweren "socialistische" te zijn, zijn ook een versie van staatskapitalisme. Zelfs de kapitalistische barbaarse regimes van Hitler (nazisme), Saddam Hussein en Assad verklaard en zonder enige schaamte dat hun regeringen "socialistisch" waren. Zelfs nu gelooft een meerderheid van de bevolking in de Filippijnen nog steeds dat de "kommunistische" partij van de Filippijnen is een kommunistische organisatie.
(4) Niet wezenlijk verschillend van het programma van de Maoistische CPP-NPA.
(5) In de 8 punten tellende economische agenda van het Duterte-regime is het duidelijk dat haar doel is de versterking van het nationale kapitalisme door middel van directe buitenlandse investeringen. En dat betekent meer aanvallen op de levensomstandigheden van de werkende massa's. In principe is het economisch programma een vorm van neoliberalisme. (https://www.rappler.com/philippines/elections/132850-duterte-8-point-economic-agenda/ [5])
“Eén ding is zeker: de wereldoorlog betekent een ommekeer voor de wereld. […] na de uitbarsting van de kapitalistische vulkaan, heeft het tempo van de ontwikkeling zo’n geweldige stoot gekregen, dat de hevigheid van de botsingen in de maatschappij, de reusachtige omvang van de taken die onmiddellijk voor het socialistische proletariaat oprijzen, dat de hele geschiedenis van de arbeidersbeweging tot nog toe slechts een tere idylle schijnt te zijn geweest.” (Rosa Luxemburg; Juniusbrochure, 1916)
De plotselinge en heftige opstoot van het kapitalisme in verval, zoals door Rosa Luxemburg ter sprake gebracht, wordt op treffende wijze bevestigd door het tragische lot van de burgerbevolking in de 20e eeuw, die onderworpen wordt aan gebeurtenissen van een ongekende omvang: opsluiting in kampen, verplaatsingen, deportaties en massale liquidaties. Het gecombineerde effect van oorlogen, economische crisis en onderdrukking in de vervalperiode van het kapitalisme heeft een irrationele dynamiek van blind geweld, pogroms, ‘etnische zuivering’ en een buitensporige militarisering veroorzaakt. De 20e eeuw is inderdaad één van de meest barbaarse eeuwen van de geschiedenis!
Het jaar 1914, met zijn chauvinistische hysterie, vormde het begin van een spiraal van geweld zonder weerga. De oorlogen in de voorbije maatschappijvormen leidden vaak tot plaatselijke moordpartijen en onderdrukking, maar zij veroorzaakten nooit massale uittochten, de verplaatsing van hele bevolkingen en de paranoïde obsessie om deze laatste tot iedere prijs te onderwerpen aan een absolute controle door de staat. De moderne oorlog is een totale oorlog geworden. Hij mobiliseert jarenlang de hele bevolking en de economische machine van de oorlogvoerende landen, brengt de menselijke arbeid van decennia terug tot niets, offert tientallen miljoenen levens op, en laat honderden miljoenen mensen te prooi aan de hongersnood. Zijn gevolgen blijven niet meer beperkt tot de veroveringen op zich maar leiden, met hun nasleep van verkrachtingen en plunderingen, tot reusachtige vernietigingen op wereldschaal.
De kapitalistische maatschappelijke verhoudingen hebben geleid tot de ontworteling, de ontvolking van het platteland. De totale oorlog voegde daaraan de mobilisatie toe van de hele burgermaatschappij ten dienste van het front of direct in de loopgraven. Het gaat hier om een echte kwalitatieve omslag. De bevolkingen, waaronder een belangrijk deel van de jeugd, werden met geweld verplaatst om elkaar als soldaten, zonder enige keuze, in een bloedbad te lijf te gaan. Voor de burgers, in het achterland, vormden de oorlogsinspanningen een hele aderlating en de gevangenen van de vijandige volkeren vonden elkaar terug in de eerste kampen. Hoewel er tijdens de Grote Oorlog nog geen sprake was van vernietigingskampen, kunnen wij niettemin al spreken van massale internering en deportatie. Iedere buitenlander was onmiddellijk verdacht. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld, werden buitenlanders op de renbaan van Newbury of op het eiland Man opgesloten.
In Duitsland werden krijgsgevangenen en burgers opgesloten in de kampen van Erfurt, Munster of Darmstadt. In Frankrijk waren er 70 interneringskampen op de westkust (zoals op de rede van Brest) en in zuidelijke departementen die gebruikt werden van 1914 tot 1920. Het ging om bestaande gebouwen of terreinen die omgeven waren door prikkeldraad en goed bewaakt werden. Het transport van het ene naar het andere kamp gebeurde reeds met veewagens en elke opstand werd met geweld neergeslagen. Onnodig te zeggen dat iedere kommunistische militant werd opgesloten, net zoals de vrouwen die ‘met de vijand heulden’ en andere ‘ongewensten’. Een kamp, zoals dat van Pontmain, maakte het mogelijk om Turken, Austro-Hongaren of Duitsers (die het talrijkst waren) op te sluiten. Het gaat hier om de voorbode van de wereld van de concentratiekampen, die in de jaren 1930 werd opgezet en haar hoogtepunt bereikte tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Xenofobe vooroordelen werden aangemoedigd, en tegelijkertijd werden inheemse bewoners van verafgelegen streken door ronselaars opgejaagd en naar Europa gebracht, waar ze met geweld ingelijfd werden om zich als lammeren te laten afslachten. Vanaf 1917-1918 worden, op bevel van Clemenceau in Frankrijk, 190.000 mensen uit de Maghreb naar het front gestuurd. 170.000 mannen uit West-Afrika, bekend als de ‘Senegalese scherpschutters’, werden in de meeste gevallen met geweld gemobiliseerd. Chinezen werden eveneens ingelijfd door Frankrijk en Groot-Brittannië. Groot-Brittannië zond ook Afrikanen en Indiërs naar de slachtbank (van het Indische subcontinent alleen al 1,5 miljoen). De oorlogvoerende machten, zoals ook de ‘wilde divisies’ uit de Kaukasus van het Russische leger laten zien, gebruikten al deze ‘inheemsen’ als gespecialiseerd kanonnenvoer voor de gevaarlijkste militaire ondernemingen. Behalve de geïmporteerde soldaten, waren ook meer dan 12 miljoenen Europeanen genoodzaakt ‘vluchteling’ te worden om de oorlog te ontvluchten.
De Armeense bevolking onderging een van de opvallendste tragedies van de oorlog, die als de eerste ware genocide van de 20e eeuw wordt beschouwd. In de loop van de 19e eeuw vormde de drang tot zelfstandigheid van de Armeniërs (net als die van de Grieken) al een van de voornaamste redenen voor vervolging door de Ottomanen. Een politieke beweging, genaamd de ‘Jonge Turken’, die zich bediende van een sterk nationalisme en van de Panturkse ideologie, bereidde deze verschrikkelijke catastrofe voor. Bestempeld als zondebokken tijdens de oorlog, met name na de nederlaag tegen de Russen, werden de Armeniërs het slachtoffer van een zorgvuldig geplande en geprogrammeerde slachtpartij, die plaatsvond tussen april 1915 en de herfst van 1916.
Nadat eerst de intellectuelen waren gearresteerd, werd de rest van de Armeense bevolking systematisch gedeporteerd en massaal door de Turkse staat uitgeroeid. De vrouwen en kinderen werden per boot vervoerd en buiten de kust verdronken of als slaven verkocht. De spoorwegen en de lijn naar Bagdad werd gebruikt voor de massale deportatie naar de woestijn of de kampen, waarvan sommige reeds waren gebruikt om mensen uit te roeien.
Een groot aantal Armeniërs stierf van dorst in de woestijn van Mesopotamië. Degenen die konden ontkomen aan de moordpartij werden miserabele vluchtelingen, waaronder duizenden wezen. Zij vormden een ware diaspora (een groot aantal zijn bijvoorbeeld naar de Verenigde Staten gegaan, waar vandaag nog een belangrijke gemeenschap bestaat). Dat alles werd natuurlijk zeer snel vergeten door de ‘grote democratieën’. Nochtans werden meer dan een miljoen Armeniërs vermoord!
De ineenstorting van de laatste grote rijken, tijdens deze verschrikkelijke oorlog, schiep een veelheid van nationalistische spanningen met even rampzalige gevolgen voor talrijke andere minderheden. De vorming van natie-staten, die voor de Eerste Wereldoorlog zijn einde vond, ging gepaard met een fragmentatie van de oude stervende imperiums. Dat was met name het geval voor het Austro-Hongaarse en Ottomaanse rijk, die samengesteld en opgedeeld waren als een mozaïek, en omgeven werden door een stel hongerige gieren: de Europese imperialistische machten.
In de strijd om hun eigen voortbestaan hebben deze geruïneerde imperiums, in een laatste opwelling, geprobeerd om hun grenzen te versterken, wanhopige militaire allianties af te sluiten, een uitwisseling van bevolkingen te bewerkstelligen, geforceerde pogingen tot assimilatie door te voeren, die leidden tot nog grotere verdeling en vormen van ‘etnische zuivering’. Het Grieks-Turks conflict, dat vaak werd voorgesteld als het gevolg van een ‘spontane’ reactie van Turkse menigten, werd perfect georkestreerd door de nieuwe ontluikende staat en zijn moderne leider Mustafa Kemal Atatürk. Hij vestigde een Turkse natie die een lange en moorddadige oorlog voerde tegen de Grieken.
Tijdens dit conflict hebben de Grieken ook plunderingen begaan; Griekse bendes trokken naar de Turkse dorpen, staken deze in brand en begingen allerlei gruweldaden tegen hun inwoners. Van hun kant begingen de Turkse strijdkrachten, tussen 1920 en 1923, eveneens allerlei soorten machtsmisbruik en wrede moordpartijen tegen de Grieken en Armeniërs. Vanaf het begin vonden volksverhuizingen plaats, van Grieken die in Turkije leefden en omgekeerd (1.300.000 Grieken verlieten Turkije en 385.000 Turken verlieten Griekenland). In 1923 bekrachtigde het verdrag van Lausanne deze gewelddadige praktijken door een geheel van administratieve maatregelen. Door deze officiële uitwisseling werden duizenden Grieken en Turken dus uitgewezen en een groot aantal onder hen is tijdens deze uittocht gestorven.
Breder bekeken was het niet verwonderlijk dat in deze omstandigheden, met dergelijke volksverplaatsingen en een concentratie van een verzwakte en hongerige bevolking over het gehele continent, het aantal haarden van besmettelijke ziekten sterk toenam. Centraal en Oost-Europa werd snel door vlektyfus getroffen. Nog spectaculairder was de wijze waarop de wereld getroffen werd door de ‘Spaanse griep’. Door de wijdverbreide verzwakking van de bevolking als gevolg van de oorlog, verspreidde deze epidemie zich als lopend vuur en veroorzaakte tussen de 40 en 50 miljoen doden. De ergste epidemie die voordien had plaatsgevonden, was die van cholera in de 19e eeuw. We moeten teruggaan tot de Middeleeuwen, tot de pest (de zwarte dood), om een epidemie van een dergelijke grote omvang (30% van de bevolking werd uitgeroeid) terug te vinden.
Deze barbaarse werkelijkheid kon alleen ontstaan doordat de arbeidersklasse was ingekapseld door het nationalisme en bevuild met het patriottisme. Maar geconfronteerd met deze gruwelijke omstandigheden richtte het proletariaat zich weer op, bewees door zijn kracht dat het als enige in staat is een einde te maken aan het bloedbad, door de oorlogsmachine tot staan te brengen. Als gevolg van de muiterijen van 1917 en de revolutionaire golf die in Rusland begon, door de arbeidersopstanden in Duitsland (de muiterij van de zeelieden van Kiel in 1918 en de opstanden in de grote steden, zoals in Berlijn) waren de voornaamste oorlogvoerende naties genoodzaakt de wapenstilstand te ondertekenen. Geconfronteerd met de dreiging van een op handen zijnde wereldrevolutie moest er snel een einde gemaakt worden aan de oorlog.
De heersende klasse had slechts één obsessie tegenover de desertie, de demobilisatie en vooral tegenover het gevaar van de sociale ontbranding: de verplettering van de haarden van de kommunistische revolutie. Om het proletariaat te verpletteren werd een nieuwe golf van geweld ontketend. Een diepe haat dreef de reactie ertoe bolsjewistisch Rusland te omsingelen met de troepen van de Entente. De ‘Witte Legers’ lanceerden een verschrikkelijke burgeroorlog. De legers van de kapitalistische staten van Europa, de Verenigde Staten en Japan maakten met hun oorlog tegen de arbeidersklasse in Rusland ontelbare slachtoffers. Een blokkade veroorzaakte grote hongersnood in Rusland zelf.
Het proletariaat was de gemeenschappelijke vijand van alle kapitalistische machten geworden. Tegenover de proletarische dreiging, moest men ‘samenwerken’. Maar in tegenstelling tot die van de zegevierende landen, had de bourgeoisie en vooral de kleinburgerij van de overwonnen landen, zoals in Duitsland, een diep gevoel een ‘dolksteek in de rug’ te hebben gekregen, ‘vernederd’ te zijn door de ‘vijand van binnenuit’. De drastische voorwaarden van het verdrag van Versailles versnelden de zoektocht naar zondebokken. Dit leidde tot de ontwikkeling van het antisemitisme en de ontketening een ware mensenjacht op de kommunistische leiders (zoals de openlijke jacht op de Spartakisten), die eveneens verantwoordelijk gehouden werden voor al het kwaad.
De climax daarvan vond plaats in 1919, tijdens de Commune van Berlijn en de reeks van uiterst wrede slachtpartijen die daarop volgden: “Zo gingen de beulen aan het werk. Hele huizenblokken stortten in onder het vuur van de artillerie en de mortieren, waarbij hele families onder het puin werden bedolven. Andere arbeiders vielen voor hun woningen, op de binnenplaatsen van de scholen, in de stallen, gefusilleerd, gedood onder de slagen van geweerkolven, doorboord door bajonetten, meestal aangegeven door anonieme verklikkers. Tegen de muur gezet, alleen, met z’n tweeën, in groepen van drie en meer; of afgemaakt met een schot in de nek, in het midden van de nacht, aan de oevers van de Spree. Wekenlang wierp de rivier lijken op de oevers.” [1]
De reeks van nederlagen van de arbeiders werd onderstreept door de moord op de grote figuren van de arbeidersbeweging, waarvan Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht de beroemdste waren. De wrede repressie tegen elke vorm van oppositie in de jaren 1920 kon des te gemakkelijker plaatsvinden door de stalinistische contrarevolutie, door uitwijzingen en moorden, de oprichting van werk- en interneringskampen, de Goelags, waarbij jacht werd gemaakt op de revolutionairen en arbeiders, verdacht van ‘opruiing’, op een steeds systematischer wijze gevangen werden gezet.
In het kader van het verval van het kapitalisme en de context van deze contrarevolutie, leidde de haat ten opzichte van het kommunisme en de assimilatie met de staatloze Jood tot een kwalitatieve verandering van de antisemitische pogroms. In de 19e eeuw vonden er reeds een hele reeks pogroms plaats tegen de Joden, met name in Rusland, na de annexatie van Polen. Golven van geweld tegen de Joden waren bijvoorbeeld een terugkerend fenomeen in Odessa, in de eerste helft van de 19e eeuw. Tussen 1881 en 1884 leidden heftige pogroms tot moordpartijen. De plaatselijke bevolkingen werden opgejut en aangemoedigd door de autoriteiten om zich te goed te doen aan de plunderingen, verkrachtingen en moorden.
In 1903 trof een verschrikkelijk golf van pogroms de stad Kichinev, nadat de Joden op volledig irrationale en obscurantiste wijze ervan waren beschuldigd ‘rituele misdaden te begaan’. Van 1879 tot 1914 zijn bijna 2 miljoen Joden vluchteling geworden. Aan het begin van de jaren 1920 trof een nieuwe golf van pogroms Europa. Tijdens de burgeroorlog in Rusland werden tienduizenden Joden, met name in de Oekraïne en in Wit-Rusland, door de ‘Witte Legers’ afgeslacht, in het bijzonder door de troepen van Denikin. [2] In deze periode leidden de pogroms in het voormalige Russische keizerrijk tot de dood van 60.000 tot 150.000 Joden. [3]
De nederlaag van het proletariaat in Duitsland leidde tot toenemende spanningen jegens de Joden, net zoals een beetje overal in Europa, waardoor de eerste golven van exodus ontstonden. Het programma van NSDAP (de nazi-partij), dat van 24 februari 1920 dateert, kon zich dus permitteren te onderstrepen dat “alleen zij die van Duitsen bloede zijn, ongeacht hun geloof, kunnen tot de natie behoren. Joden kunnen derhalve geen deel uitmaken van de natie”.
Met de voorbereiding en de start van de oorlog was een nieuw tijdperk aangebroken: dat van de neergang van het kapitalisme en zijn universele tendens tot staatskapitalisme. Van toen af aan begon elke staat een bureaucratische controle uit te oefenen op het geheel van het maatschappelijk leven. In naam van de militaire belangen of van de veiligheid van de staat namen de verscherping aan de grenzen, de controles en de knevelarij van de verbannen bevolking en de vluchtelingen toe. In tegenstelling tot de periode die voorafging aan de Eerste Wereldoorlog, werden de migranten van toen af aan allerlei beperkingen onderworpen. Op dat moment werden de voornaamste administratieve maatregelen tegen de migratie in werking gesteld. De verplaatsing van bevolkingen tijdens de oorlog bracht de staat ertoe een echte identiteitscontrole in te voeren, buitenlanders systematisch onder verdenking te stellen en hen op te lijsten.
Bijvoorbeeld in Frankrijk: “de instelling van een identiteitsbewijs, in 1917, is een echte ingrijpende verandering op het vlak van de administratie en de politie. Onze huidige mentaliteit heeft deze individuele stempel geïntegreerd, waarvan de politionele oorsprong niet meer als zodanig wordt begrepen. Het is nochtans niet neutraal, daar de instelling van het identiteitsbewijs eerst de buitenlanders betrof, met het oog op toezicht tijdens de staat van oorlog”. [4] Van het begin af aan hebben de legers de verplaatsingen van burgers (spontaan of uitgelokt) beschouwd als een reële bedreiging, een ‘belemmering’ voor de activiteiten van de troepen en de militaire logistiek. De staat heeft vanaf het begin getracht om evacuatie-orders uit te vaardigen, waardoor burgers of vluchtelingen ‘instrumenten’ werden; dat wil zeggen: ze werden ingezet als wapen in de oorlog, zoals het geval was bij het Grieks-Turkse conflict.
De ‘oplossing’ die zich begon te ontwikkelen en die zich steeds meer opdrong was, zoals wij hierboven gezien hebben, die van de toename van het aantal interneringskampen. Toen vluchtelingen de gevechtszones moesten ontvluchten (zoals het geval was met de Belgen in 1914 na de Duitse invasie), genoten die soms de solidariteit en de hulp van vrijwilligersorganisaties; maar een groot aantal burgers werd direct onder de controle van de autoriteiten geplaatst en kwam in kampen terecht. Gevangenen werden al naar gelang de nationaliteit of het ‘gevaar’ dat ze vertegenwoordigden in groepen opgedeeld. Dit waren beslissingen van de staten, die hun walgelijke kapitalistische belangen verdedigen, de meest ‘democratische’ voorop, die klaarstonden om als echte scherprechters van de burgerbevolking op te treden, die erdoor in gijzeling werd genomen.
Na de oorlog, na de ideologische en fysieke nederlaag van het proletariaat, werd een nieuwe stap gezet in de vergelding. Deze luidde een tijdperk in dat een nog moorddadiger en barbaars conflict voorbereidde. In een veld van ruïnes waren de staten in Europa, door het grote aantal arbeidskrachten dat was vernietigd, in een moeilijke situatie terechtgekomen. Overeenkomsten moesten het dus mogelijk maken om economische migratie te bevorderen. In de jaren 1920 heeft Frankrijk bijvoorbeeld Italiaanse, Poolse en Tsjecho-Slowaakse immigranten gerekruteerd, het voorspel tot een nieuwe xenofobe campagne als gevolg van de economische crisis en van de verschrikkelijke depressie die zou volgen, net voor de koers naar een nieuwe wereldoorlog zich opende.
Het begin van een tweede wereldwijde holocaust zou de barbaarsheid voor de burgerbevolking en de vluchtelingen tot ongekende hoogte opdrijven. In een tweede deel zullen wij deze tragedie behandelen.
WH, 28/06/2015
[1] Fröhlich , Lindau, Schreiner, Walcher, Révolution et contre-révolution en Allemagne 1918-1920, Ed. Science marxiste.
[2] Ten gevolge van deze pogroms moest onze kameraad MC en een deel van zijn familie bijvoorbeeld zijn toevlucht zoeken in Palestina. (zie Internationale Revue nr. 65 en nr. 66; (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave) tweede en derde kwartaal 1991).
[3] Uit Le livre des pogroms, antichambre d'un génocide, uitgegeven onder leiding van Lidia Miliakova.
[4] P. J. Deschodt en F. Huguenin, La République xénophobe, Ed. JC Lattès.
Aan het begin van de jaren 1930 was de fysieke nederlaag van het proletariaat een feit, de wereldrevolutie was volledig verpletterd. De opeenvolgende bloedbaden in Rusland en Duitsland, na de nederlaag van het proletariaat in Berlijn in 1919, het zoeken van zondebokken, de vernedering als gevolg van het verdrag van Versailles en de behoefte aan vergelding, dat alles leidde tot een nieuwe stap in de spiraal van de kapitalistische verschrikkingen in de 20e eeuw.
Met de afkondiging van ‘het socialisme in één land’ toonde het nieuwe stalinistische regime in Rusland bereid te zijn om, in een poging zijn achterstand in te halen, zich in een mateloze wedloop van industrialisatie te storten. Door de planning van de zware industrie en de productie van wapens werd de uitbuiting tot het uiterste opgedreven. Tot aan de verschrikkelijke depressie van de jaren 1930 zochten de Westerse ‘zegevierende’ landen ook goedkope arbeidskrachten die ze moesten verdelen en controleren. Maar door de economische crisis en de massale werkloosheid werden de migranten en vluchtelingen meer openlijk ‘ongewenst’. Vanaf 1929 werd de migratiegolf, met name in de Verenigde Staten, vrij bruut afgeremd. [1] Lees ons artikel Immigratie en arbeidersbeweging, Internationale Revue nr. 140, eerste kwartaal 2010.
Deze laatste hadden quota's vastgesteld en “filterden” de migranten door ze op te delen en te scheiden van de andere proletariërs. In een dergelijke context, waarbij hele bevolkingen waren ontheemd, werden de gedeporteerden en vluchtelingen (tijdens en na de oorlog) onder verschrikkelijke omstandigheden op transport gezet: vaak eindigden ze in concentratiekampen, die zo’n beetje overal begonnen te ontstaan. Terwijl de crises en de imperialistische spanningen toenamen, was de verslagen arbeidersklasse niet in staat om daar enig verzet tegenover te stellen.
Dat kwam tot uiting in Spanje in 1936 waar, in naam van het ‘antifascisme’, de inlijving begon van het proletariaat in de oorlog. Deze nieuwe totale oorlog mobiliseerde veel wreder en massaler de burgerbevolking (vrouwen, jongeren, ouderen) dan de eerste Grote Oorlog. Hij zou veel vernietigender en barbaarser blijken te zijn. De staat luidde, door op een directere manier op het geheel van het sociale leven in te grijpen, een soort tijdperk van concentratiekampen in. Dat alles leidde tot deportaties, ‘etnische zuiveringen’, hongersnoden en massale uitroeiing.
Het stalinistische geweld, even wreed als onvoorspelbaar, was daar een eerste voorbeeld van. De staat aarzelde niet om bij zuiveringsacties authentieke kommunisten te arresteren, om 95% van de leiders van een regio te executeren, voor de controle en de beheersing van zijn territorium hele bevolkingen te deporteren. In de jaren 1931-1932 gebruikte Stalin koeltjes ‘het wapen van de honger’ om de weerstand te breken van de Oekraïners, die gericht was tegen de gedwongen collectivisatie. De verschrikkelijke hongersnood, opzettelijk veroorzaakt, leidde in totaal tot bijna 6 miljoen doden! In Siberië en elders waren miljoenen mannen en vrouwen veroordeeld tot dwangarbeid.
In de loop van 1935 bijvoorbeeld, groeven 200.000 gevangenen het kanaal Moskou-Volga-Don en 150.000 anderen legden de tweede Trans-Siberische route aan. De plotselinge collectivisatie van de landerijen, waarbij miljoenen koelaks werden gedeporteerd naar onleefbare plaatsen van hervestiging, de plannen voor de zware industrie en de uitbuiting door de dwangarbeid waar de arbeiders zich op het werk (in de ware zin van het woord) doodwerkten, voedde de obsessie van Stalin om “de achterstand op de kapitalistische landen in te halen” [2]. Hier moeten we preciseren dat Rusland zelf in feite een kapitalistisch land was, een karikaturale uitdrukking van de tendens tot staatskapitalisme in de vervalperiode van dit systeem.
Zelfs vóór zijn actieve deelname aan de oorlog, in 1941, ging de stalinistische staat over tot een echte ‘etnische zuivering’ aan zijn grenzen teneinde zijn veiligheid te waarborgen. Verschillende bevolkingen, die werden verdacht van ‘collaboratie’ met de Duitse vijand, werden daarom met geweld onderworpen aan massale collectieve verplaatsingen. De deportatie, omwille van zuiver etnische redenen, van 170.000 Koreanen naar Centraal Azië, in 1937 – een deportatie die tot zware menselijke verliezen leidde - vormde een voorproefje van wat nog zou komen. Onder de verplaatsingen die daarop volgden, waren er 60.000 Polen, die in 1941 naar Kazachstan werden gedeporteerd.
Na de breuk in het Duits-Russische pact vonden verschillende golven van deportatie plaats, in het bijzonder van de bevolking van Duitse origine. Met name de mensen in de Baltische Republieken waren openlijk ‘vijanden van het volk’ geworden: 1,2 miljoen van hen werden van de ene dag op de andere verbannen naar Siberië en Centraal-Azië. Tussen 1943 en 1944 was het de beurt aan de bevolkingen van de Noordelijke Kaukasus (Tsjetsjenen, Ingoetsjenen…) en van de Krim (Tartaren) om op wrede wijze verplaatst te worden. Vele van deze slachtoffers, uitgehongerd, gecriminaliseerd en verbannen door de ‘socialistische’ staat, stierven tijdens het transport in veewagens (bij gebrek aan water, voedsel of door ziektes zoals vlektyfus).
Terwijl de plaatselijke bevolking over het algemeen een grote solidariteit aan de dag legde ten opzichte van deze ongelukkige bannelingen, onderhield de officiële propaganda een klimaat van haat ten opzichte van deze nieuwe slaven. Tijdens het vervoer werden ze vaak bekogeld met stenen, vergezeld van de ergste verwensingen. Bij hun aankomst, volgens een verslag van Beria van juli 1944, “organiseerden bepaalde voorzitters van de kolchozen kloppartijen om hun weigering te rechtvaardigen de gedeporteerden in dienst te nemen, wier lichamelijke conditie erg verslechterd was” [3]. Isabelle Ohayon, La déportation des peuples vers l’Asie centrale. Le XXe siècle des guerres, Editions de l’Atelier, 2004.
Onder deze extreme omstandigheden werden tenslotte “tien tot vijftien miljoen Russen” naar de “heropvoedingskampen door werk” gestuurd, die officieel vanaf de jaren 1930 door het regime waren ingesteld [4]. Marie Jego, Le Monde, 3 maart 2003.
In Duitsland nam, toen de nazi’s aan de macht kwamen, het aantal concentratiekampen overal in het land en vooral in Polen, sterk toe. Maar voordat ze uitgroeiden tot vernietigingsindustrie, waren het werkkampen. Deze tendens tot ontwikkeling van kampen voor gevangenen of vluchtelingen, die zo ongeveer overal sterker werd, ook in democratische staten zoals Frankrijk en de Verenigde Staten, beoogde zowel de controle over de bevolking als een nagenoeg gratis gebruik van arbeidskrachten.
Normaal gesproken stelt de proletariër, bij de verkoop van zijn arbeidskracht, de kapitalist in de gelegenheid om meerwaarde, dat wil zeggen winst, te onttrekken. De voorwaarden van dit ‘contract’ waarborgen dat de uitbuiting de maximale productiviteit bereikt, en tegelijkertijd, door het lage niveau van het loon, de eenvoudige reproductie van de arbeidskracht. In de concentratiekampen werd de arbeidskracht op bijna absolute wijze uitgebuit. In Duitsland werkten de gedeporteerden meer dan 12 uur per dag, onder alle omstandigheden, onder bevel van ‘kapos’.
In de concentratiekampen of in de nabijheid ervan bevonden zich geheime wapenfabrieken of dochtermaatschappijen van grote Duitse bedrijven. Deze oorlogsindustrieën profiteerden van bijna gratis arbeidskrachten, zeer overvloedig en gemakkelijk te vervangen. Aangezien de reproductie van de arbeidskracht was teruggebracht tot het eenvoudige voortbestaan van de werker/gevangene, werd de zeer geringe productiviteit van deze arbeidskrachten gedeeltelijk door zeer lage onderhoudskosten gecompenseerd. Het voedsel werd teruggebracht tot het minimum om te overleven, net als het vervoer, vaak beperkt tot de eenvoudige verplaatsing naar een afgelegen en geïsoleerde plaats, die van het kamp.
In de democratische staten werden de kampen eveneens gebruikt ter versterking van de staatscontrole over de gevangen bevolking en/of voor de uitbuiting van hun arbeidskracht. Geconfronteerd met de toestroom van Spaanse vluchtelingen (120.000 tussen juni en oktober 1937. 440.000 in 1939) reageerde de Franse regering op dezelfde manier ten aanzien van deze ‘ongewensten’, verantwoordelijk voor ‘revolutionaire activiteiten’. [5] P.J Deschodt, F. Huguenin, La République xénophobe, JC Latten, 2001.
In Noord-Afrika werden 30.000 van hen ingezet voor dwangarbeid. De Spaanse vluchtelingen leefden, gestationeerd op Franse bodem, in interneringskampen (de autoriteiten spraken zelf van “concentratiekampen”), die in alle haast waren opgezet in het zuiden van het land (met name op de stranden van Roussillon). Het aantal van deze vluchtelingen in Argelès beliep bijvoorbeeld 87.000. Ze werden onder ellendige omstandigheden uitgebuit als slaafse arbeidskrachten, die op het zand sliepen, en in het oog werden gehouden door ‘kapos’ van de Republikeinse Garde of Senegalese scherpschutters. Tussen februari en juli 1939, zijn ongeveer 15.000 Spaanse vluchtelingen in deze kampen gestorven, het merendeel door uitputting of als gevolg van dysenterie.
Onder vele andere voorbeelden kon men een tijdje later, tijdens de oorlog, vaststellen hoe de Verenigde Staten, tussen maart 1942 en maart 1946, eveneens meer dan 120.000 personen geïnterneerd hebben. Het ging om een Japans-Amerikaanse bevolking, gestationeerd in concentratiekampen in het noorden en oosten van Californië. Deze mannen, die onderworpen werden aan de vreemdelingenhaat van de staat, werden op verschrikkelijke wijze behandeld, net als de ergste misdadigers. [6] Volgens een veteraan van Guadalcanal: “de Japanner kan niet beschouwd worden als een intellectueel (...), het is eerder een dier” en een generaal van de Marines verklaarde eveneens dat “het doden van een Japanner hetzelfde was als een adder doden”. Zie Ph Masson, Une guerre totale, coll. Pluriel.
Wij hebben benadrukt dat de concentratiekampen in Duitsland in eerste instantie werkkampen waren. De grootste volksverplaatsingen in de richting van Duitsland vond plaats door geweld, door maatregelen zoals de verplichte arbeidsdienst in België en Nederland, de plundering, de massieve deportaties van Joden en de razzia's een beetje overal in Europa. In de fabrieken, de landbouw of de mijnbouw maakte dwangarbeid een kwart van de arbeidskracht uit, met name in het kader van ‘Generalplan Ost’.
Om zijn oorlogsmachine draaiende te houden, werden door Nazi-Duitsland in totaal 15 tot 20 miljoen mensen gedeporteerd! Een dergelijke politiek verhoogde het aantal vluchtelingen die het regime en zijn mensenjacht ontvluchtten. In de jaren 1930 werden ongeveer 350.000 vluchtelingen geteld afkomstig uit Nazi-Duitsland, 150.000 uit Oostenrijk (na de Anschluss) en Sudeten-Duitsland (na de aansluiting bij Nazi-Duitsland).
Vanaf het jaar 1942 en het project van ‘definitieve oplossing’, worden de concentratiekampen zoals die van Auschwitz-Birkenau, Chelmno, Treblinka, Belzec, Sobibor, Maidanek… veranderd in vernietigingskampen. Onder gruwelijke omstandigheden werden onder de zeer talrijke slachtoffers, zes miljoen Joden in konvooien getransporteerd en afgeslacht; het merendeel werd vergast en verbrand in crematoria. Het meest sinistere en meest imposante aantal slachtoffers werd geleverd door Polen (300.0000) en de USSR (100.0000).
De vernietigingskampen, zoals Auschwitz (1.200.000) en Treblinka (800.000) draaiden op volle toeren. Deze barbaarsheid is goed gekend door het feit dat zij, na de oorlog, langdurig werd getoond en tot uit den treuren ideologisch werd uitgebuit door de Geallieerden, en aldus diende als alibi om hun eigen misdaden te rechtvaardigen of te verbergen.
In de jaren 1920 had zich een pogrommentaliteit geïnstalleerd die de bloedige nederlaag van het proletariaat bezegelde en zijn grote revolutionaire figuren identificeerde met het ‘Jodendom’: “Ofschoon vele Joodse revolutionairen, zoals Trotski of Rosa Luxemburg, zich beschouwden als niet-Joods (...) wordt de Jood gezien als de aankondiger van de subversie, als een vertegenwoordiger van de vernietiging van de fundamentele waarden: vaderland, familie, eigendom, godsdienst. Het enthousiasme van een aantal Joden ten opzichte van alle vormen van de moderne kunst of nieuwe uitdrukkingsvormen, zoals de film, rechtvaardigt nog deze reputatie als ondermijnende geest”. [7] Ph. Masson, a.w..
In feite maakte de nederlaag van de revolutie het mogelijk de grote democratieën mogelijk in Hitler niet meer en niet minder te zien dan een effectief ‘bolwerk tegen het bolsjewisme’. Het was toentertijd voor alle staten heel gewoon om het Joodse en kommunistische aspect door elkaar te gooien. Churchill zelf beschuldigde de Joden ervan verantwoordelijk te zijn voor de Oktoberrevolutie: “Het is niet nodig de rol te overdrijven, die deze internationale en voor het merendeel atheïstische Joden gespeeld hebben in de creatie van het Bolsjewisme en het daadwerkelijk tot stand brengen van de Russische revolutie.” (8) Illustrated Sunday Herald, 8 februari 1920, overgenomen in Wikisource.
Het idee van een ‘joods-marxistisch’ complot, dat eerst door de ‘Witte Legers’ werd uitgedragen, rijpte op basis van een verbreid antisemitisme: “is het nodig om te benadrukken dat Hitler niet aan de oorsprong ligt van dit antisemitisme (...) na de Eerste Wereldoorlog bestaat dit antisemitisme in het merendeel van de Europese landen”. (9) Ph Masson, a.w..
De Joden konden dus systematisch gestigmatiseerd worden, gemarginaliseerd, tot zondebokken gemaakt zonder dat dit de democratische leiders in verlegenheid bracht, waarvan sommigen, zoals Roosevelt, reeds openlijk xenofobe en antisemitische neigingen vertoonden. Een groot deel van de Joden, die zich in Polen, in USSR en in getto's bevonden, waren in feite vaak genoodzaakt de democratische landen te ontvluchten als gevolg van dit antisemitisme (in tegenstelling tot wat men ons wil laten geloven, was het antisemitisme van de regering van Vichy, bijvoorbeeld, geen spontaan verschijnsel, noch iets dat specifiek was voor dit regime).
Het is dus niet verwonderlijk dat de antisemitische wetten van Neurenberg, in 1935, bijna onopgemerkt konden passeren. Door de Joodse burgers te isoleren en te marginaliseren, konden hun goederen straffeloos worden geplunderd, zonder enige gewetenswroeging ten aanzien van hen, die men beschouwde als ‘schadelijke wezens’. In werkelijkheid is het deze hele dynamiek, deze walgelijke voedingsbodem, die het bed spreidde voor de hygiënische en eugenetische propaganda van de nazi’s. Vanaf januari 1940 was ‘Aktion T4’ (de gedwongen zelfdoding) in Duitsland reeds de voorbode voor de Holocaust, door de systematische uitroeiing van lichamelijke en geestelijk gehandicapten.
Tegenover de tragedie die volgde, weigerden de Geallieerden de hulp aan de Joden “om de oorlogsinspanning niet te destabiliseren” (Churchill). De Geallieerden bleken net zo verantwoordelijk en medeplichtig aan een genocide, die vooral een product was van het kapitalistische systeem. In een zeer vroeg stadium sloten de democratische landen zich af door de weigering om steun te bieden aan de Joden die beschouwd werden als paria’s die niet welkom waren [10]. Lees onze brochure Fascisme en democratie, twee uitdrukkingen van de dictatuur van het kapitaal.
Ten aanzien van de repressie en de vervolgingen door de nazi’s toonde de Volksfrontregering in Frankrijk zich bijvoorbeeld onvermurwbaar. Zo bepleitte een rondschrijven van de hand van Roger Salengro, van 14 augustus 1936, verhuld in een democratisch vernis, om “(...) in Frankrijk geen enkele Duitse emigrant meer toe te laten en over te gaan tot het terugsturen van iedere buitenlander, Duits onderdaan of afkomstig uit Duitsland, die, binnengekomen na 5 augustus 1936, niet zou voorzien zijn van de vereiste stukken…” [11] P.J Deschodt, F. Huguenin, a.w..
Alle activiteiten en administratieve maatregelen om bevolkingen te deporteren, te verjagen, uit te roeien waren veel indrukwekkender en hadden vooral veel dramatischer gevolgen dan in 1914-1918. Het aantal vluchtelingen/migranten was buitensporig groot. Het gebruikte geweld - de concentratiekampen en hun gaskamers, de bommentapijten, het fosforgas, de atoombommen, het gebruik van chemische en biologische wapens - heeft talloze slachtoffers veroorzaakt en een langdurig lijden na de oorlog, met een ongekend aantal trauma's.
De balans is angstaanjagend! De vernielingen hebben in totaal bijna 66 miljoen doden (20 miljoen soldaten en 46 miljoen burgers) veroorzaakt tegenover 10 miljoen voor 1914-1918! Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog moest men 60 miljoen personen hervestigen, dat wil zeggen tien keer meer dan na de Eerste Oorlog! In het centrum van Europa zijn 40 miljoen mensen gestorven. In Oost-Azië, in China, zijn meer dan 12 miljoenen personen in de rechtstreekse militaire confrontaties gedood, en men telde bijna 95 miljoen vluchtelingen in China.
Een aantal belegeringen en veldslagen van deze oorlog behoren tot de bloedigste uit de geschiedenis. Om enkele voorbeelden te geven: in Stalingrad zijn er, aan beide zijden, bijna een miljoen mannen onder hels vuur gestorven. In een beleg, dat bijna drie jaar heeft geduurd, zijn er minstens 1.800.000 gestorven. De slag rond de inname van Berlijn heeft het leven gekost van 300.000 Duitse of Russische soldaten en aan meer dan 100.000 burgers. Tijdens de beroemde slag van Okinawa werden 120.000 soldaten, maar ook 160.000 burgers gedood. De Japanse troepen hebben 300.000 Chinezen afgeslacht in Nanking!
De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki zouden, volgens de historicus Howard Zinn, 250.000 doden hebben veroorzaakt! De verschrikkelijke Amerikaanse bombardementen op Tokio, in maart 1945, veroorzaakten 85.000 doden. In USSR telde men 27 miljoen slachtoffers. De Oekraïne verloor 20% van zijn bevolking, Polen 15% (in meerderheid Joden). Honderden steden in Europa werden gedeeltelijk verwoest of nagenoeg volkomen vernietigd. In Rusland zijn 1700 steden, in de Oekraïne 714 steden getroffen en bijna 70.000 dorpen werden vernietigd!
In Duitsland hebben de bommentapijten, en vooral de fosforbommen, van de Geallieerden en van de ‘Bomber Command’ een enorm aantal slachtoffers gemaakt, en werden de steden Dresden en Hamburg met de grond gelijk gemaakt (bijna 50.000 doden). Een stad als Keulen werd voor 70% vernietigd! Men schat tenslotte dat er in Duitsland, bij het einde van de oorlog, tussen 18 en 20 miljoen daklozen waren, 10 miljoen in de Oekraïne! Het aantal oorlogswezen was eveneens veelzeggend: 2 miljoen in Duitsland, meer dan een miljoen in Polen. In de straten van Rome, Napels en Milaan waren zo’n 180.000 kinderen veroordeeld om als zwervers te leven.
Het verschrikkelijke lijden dat door deze vernielingen werd veroorzaakt, ging zeer vaak gepaard met verschrikkelijke wraakacties en barbaarse daden tegen de bevolking, de geterroriseerde burgers en vluchtelingen. Dat was ook het geval met de Geallieerden, nochtans voorgesteld als de ‘grote bevrijders’: “de driestheid, de bliksem van de wraak sloeg neer op de overlevenden; de ontdekking van de gruweldaden begaan door overwonnenen voedt slechts het geruste geweten van de overwinnaar”. [12] zie Ph. Masson, a.w.. De opeenstapeling van geweld, dat door het kapitalisme in verval veroorzaakt wordt, eens dat ontketend wordt, leidt tot de gruwelijkste gebeurtenissen, tot ‘etnische zuiveringen’ en handelingen van een onvoorstelbare barbaarsheid.
Zowel tijdens als na de oorlog in Kroatië werden bijna 600.000 Serviërs, moslims en Joden vermoord door de Ustaša-regering, die het gehele land wensten ‘te zuiveren’. Griekse gemeenschappen werden door het Bulgaarse leger afgeslacht, Hongaren deden hetzelfde met de Serviërs in Vojvodina. Tijdens de oorlog gingen nederlagen altijd gepaard met tragische migratie. Zo vluchtten bijvoorbeeld vijf miljoen Duitsers voor het Rode Leger. Velen stierven, werden langs de route gelyncht. Het ging hier om een van de ‘heroïsche’ episodes van de ‘bevrijders’, van deze ‘ridders van de vrijheid’ die, ondanks hun nooit bestrafte misdaden, na de oorlog cynisch de rol van openbare aanklager op zich nemen:
“Men kan onmogelijk de verschrikkelijke lijdensweg vergeten van de bevolking in Oost-Duitsland tijdens de opmars van het Rode Leger (...) de sovjetsoldaat werd het instrument van een koele berekening, van een opzettelijke uitroeiing (...) Colonnes vluchtelingen werden onder de rupsvoertuigen verpletterd of systematisch door de luchtmacht beschoten. De bevolking van hele agglomeraties werd met verfijnde wreedheid afgeslacht. Naakte vrouwen werden aan de deuren van schuren gekruisigd. Kinderen werden onthoofd, hun hoofd verpletterd onder de slagen van geweerkolven, of ze werden levend in troggen geworpen om aan de varkens te worden gevoerd. (...)
De Duitse bevolking in Praag werd met een zeldzame wreedheid afgeslacht. Nadat ze waren verkracht werden bij de vrouwen de achillespezen doorgesneden en waardoor ze veroordeeld waren om, in een gruwelijk lijden, dood te bloeden. Kinderen werden bij de uitgang van de scholen beschoten, van de verdiepingen van de flatgebouwen op straat geworpen of in fonteinen verdronken; in totaal meer dan 30.000 slachtoffers (...) het geweld spaart ook de jonge hulpkrachten van de seinwachters van de Luftwaffe niet die in het vuur van in brand gestoken hooibergen werden gegooid. Wekenlang voerde de Vltava (Moldau) duizenden lichamen af; waarbij soms hele gezinnen op vlotten waren vastgespijkerd.” [13] zie Ph. Masson, a.w..
Het is moeilijk te zeggen hoeveel vrouwen tijdens de oorlog door Duitse soldaten verkracht werden. Wat zeker is, is dat toen de legers van de Geallieerden in hun opmars en ‘bevrijding’ van gebieden de vrouwen een andere test wachtte. In Duitsland werden een miljoen vrouwen door de geallieerde troepen verkracht. Alleen al in Berlijn, rond de 100.000 gevallen. De schattingen voor Boedapest lopen uiteen tussen de 50.000 tot 100.000 verkrachtingen.
Wat wij vooral willen benadrukken, is dat de Geallieerden in de verste verte niet opgetreden zijn voor de ‘verdediging van de vrijheid’. De grote democratieën hebben zich slechts geëngageerd in de oorlog om zuiver imperialistische belangen te verdedigen. Het lot van bevolkingen en vluchtelingen, daar trokken zij zich geen zier van aan zolang zij er niet mee belast waren of zij hen niet gebruiken om hun arbeidskracht uit te buiten. Zij maakten nooit melding van het lot van de Joden in hun propaganda tijdens de oorlog, weigerden hen zelfs hun hulp en leverden hen zo over aan de nazi’s.
De reden voor de Geallieerden om de oorlog aan te gaan was een heel andere dan de wil tot ‘bevrijding’. Voor Frankrijk en Groot-Brittanië ging het er in werkelijkheid om ‘het Europese evenwicht’ te verdedigen’“. Voor de Verenigde Staten, de expansie en de bedreigingen van de USSR te blokkeren. Voor laatstgenoemde, om zijn invloed naar West-Europa uit te breiden. Kortom, zuiver strategische, imperialistische en militaire motieven en redenen. Niets is minder klassiek! Het was absoluut niet om “Duitsland van de bruine pest te bevrijden” dat zij gehandeld hebben. Deze fabel is slechts een helse montage die op het moment van de bevrijding van de kampen in scène gezet werd.
Alles werd door de geallieerde generale staf en hun politiekers uitgewerkt, bezorgd als ze waren om hun eigen misdaden te verbergen (of is men zo naïef te geloven dat democratische militairen en politiekers nooit aan propaganda doen?). Als de ‘bevrijding’ wel degelijk een eind heeft kunnen maken aan de folterpraktijken van de vijand, dan is dat vooral een indirect gevolg van het bereiken van een zuiver militair doel en niet omwille van ‘humanitaire’ redenen. Het beste bewijs is dat de voornaamste democratische machten na de oorlog imperialistische belangen zijn blijven verdedigen die nieuwe slachtoffers veroorzaken, koloniale moordpartijen, nieuwe breuken die op hun beurt hun talloze vluchtelingen en ellende meegebracht hebben
WH, 28/06/2015
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog brachten de demobilisatie en de rampzalige verwoestingen van de imperialistische conflicten een wereld voort die in puin lag en in een desolate toestand verkeerde. In mei 1945 waren er in Europa 40 miljoen ontheemden of vluchtelingen. Daaraan moeten nog worden toegevoegd de 11,3 miljoen arbeiders die tijdens de oorlog gewelddadig door Duitsland waren ingelijfd. In de andere grote regio's van de wereld leidde de verzwakking van de koloniale mogendheden tot instabiliteit en nieuwe conflicten, met name in Azië en Afrika, die na verloop van tijd ook weer leidden tot miljoenen migranten. Al deze verplaatsingen van volkeren veroorzaakten verschrikkelijk veel leed en talloze sterfgevallen.
Op de nog rokende ruïnes van dit wereldwijde conflict werd er ten gevolge van de Conferenties van Yalta (februari 1945) en Potsdam (juli 1945), tussen de voormalige bondgenoten (aan de ene kant de grote westerse mogendheden achter de Verenigde Staten en aan de andere kant de Sovjet-Unie) een ‘IJzeren Gordijn’ neergelaten dat, in een poging om aan haat en wraak te ontsnappen miljoenen mensen op de vlucht dreef. Met de verdeling van de wereld in invloedzones, gedomineerd door de overwinnaars en hun bondgenoten, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan de ene kant en de USSR aan de andere kant, was een nieuwe lijn van inter-imperialistische botsingen getrokken.
De oorlog was nog maar nauwelijks beëindigd of de confrontatie tussen het Westblok, onder leiding van de Verenigde Staten, en het Oostblok, onder leiding van de Sovjet-Unie, kwam tot uitbarsting. De maanden die volgden op het einde van de oorlog werden gekenmerkt door de uitwijzing van 13 miljoen Duitsers uit de Oost-Europese landen en de verbanning van meer dan één miljoen Russische, Oekraïense, Wit-Russische, Poolse en Baltische mensen, die allen de stalinistische regimes ontvluchtten. Uiteindelijk “stierven er tussen 1945 en 1950 tussen de 9 en 13 miljoen mensen, als gevolg van de geallieerde imperialistische politiek. Deze monsterlijke genocide had drie belangrijke bronnen:
- ten eerste, onder de 13,3 miljoen mensen van Duitse oorsprong, die uit de oostelijke gebieden werden verdreven (...),was deze etnische zuivering zo onmenselijk dat slechts 7,3 miljoen mensen op hun bestemming aankwamen, achter de nieuwe Duitse naoorlogse grenzen; de rest ‘verdween’ onder de meest gruwelijke omstandigheden;
- vervolgens onder de Duitse krijgsgevangenen, die stierven als gevolg van uithongering en ziekmakende omstandigheden in de geallieerde kampen – waardoor er tussen de 1,5 en 2 miljoen stierven;
- tenslotte, onder de bevolking in het algemeen, die op een rantsoen waren gezet van 1000 calorieën per dag, wat langzame uithongering en ziektes garandeerde – waardoor er 5,7 miljoen stierven.”[1]
Een groot aantal Joodse overlevenden wist niet waar heen te gaan vanwege de heropleving van antisemitisme, met name in Polen (waar nieuwe pogroms tot uitbarsting kwamen, zoals in 1946 in Kielce) en in Centraal-Europa. De grenzen van de democratische landen van het Westen waren voor hen afgesloten. Joden werden vaak in kampen ondergebracht. In 1947 probeerden sommigen Palestina te bereiken om een uitweg te vinden voor de vijandigheid in het Oosten en hun afwijzing in het Westen. Ze waren toentertijd genoodzaakt dit op een illegale manier te doen en werden door de Britten tegengehouden, om terstond te worden opgesloten op Cyprus.
Het doel was dus deze bevolkingsgroepen af te schrikken en te controleren teneinde de kapitalistische orde te handhaven. Op hetzelfde moment nam het aantal gevangenen in de Goelagkampen in de Sovjet-Unie explosief toe. Tussen 1946 en 1950 verdubbelde de kampbevolking tot meer dan twee miljoen gevangenen. Een groot aantal vluchtelingen en migranten, of ‘ontheemden’, belandde in deze kampen om er uiteindelijk te sterven. Deze nieuwe wereld van de Koude Oorlog, vorm gegeven door de ‘overwinnaars van vrijheid’, had nieuwe breuken, wrede verdelingen veroorzaakt, waarbij bevolkingsgroepen op een tragische wijze van elkaar werden gescheiden, en leidde tot gedwongen verbanningen.
Duitsland was verdeeld op het imperialistische vlak. En om de migratie en de bevolkingsstroom naar het westen tegen te gaan, moest de DDR in 1961 de ‘muur van de schande’ bouwen. Andere landen, zoals Korea of Vietnam werden ook in tweeën gesplitst door een ‘ijzeren gordijn’. De Korea-oorlog, die plaatsvond tussen 1950 en 1953, had een bevolking van elkaar gescheiden, die nu de gevangene was geworden van twee nieuwe vijandige kampen. Deze oorlog deed bijna 2 miljoen burgers verdwijnen en veroorzaakte een migratie van 5 miljoen vluchtelingen. Tijdens heel deze periode gaande van de Koreaanse oorlog tot de val van de Berlijnse muur in 1989, werden talloze bevolkingen gedwongen om te vluchten voor de onophoudelijke lokale conflicten van de Koude Oorlog.
Binnen elk blok waren de talrijke verdrijvingen vaak het directe gevolg van een politieke kwestie tussen de twee grootmachten, het Amerikaanse en het Russische. Zo voedde de propaganda over de 200.000 vluchtelingen, die hun toevlucht hadden gezocht in Oostenrijk en Duitsland na de onderdrukking van de opstanden van Oost-Berlijn in 1953 en van Boedapest in 1956 door het Rode Leger, het ideologische vertoog van de twee rivaliserende kampen. Alle oorlogen, die werden gevoed door deze twee grote militaire blokken, die van Oost en West, bleven een groot aantal slachtoffers veroorzaken, een gegeven dat systematisch werd misbruikt door de propaganda van elk van de twee kampen.
Deze wrede opdelingen, verbonden aan de Koude Oorlog, gingen in de jaren 1950 door met de dekolonisatiebewegingen, die de migraties deed toenemen en het proletariaat nog meer verdeelde. Sinds het begin van de dekolonisatieperiode en vooral in de jaren 1980, toen de conflicten van de Koude Oorlog nog werden versterkt en verergerd, was de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsstrijd’ (in Afrika, Azië, Latijns-Amerika of het Midden-Oosten) zeer moorddadig. Weggeduwd naar de geografische rand van de kapitalistische grootmachten, konden deze conflicten de illusie wekken van een ‘tijdperk van vrede’ in Europa, terwijl de blijvende wonden en gedwongen verdrijvingen van grote aantallen migranten zich voordeden als zovele tragedies, die zich ‘in de verte’ afspeelden (behalve natuurlijk voor de vroegere kolonisten, die uit deze regio’s afkomstig waren, en de landen die er direct door werden getroffen).
Sinds het einde van het koloniale tijdperk waren de oorlogen in Afrika niet alleen talrijk, maar behoorden ook tot de meest moorddadige in de wereld. In deze conflicten waren grootmachten zoals Groot-Brittannië en de Frankrijk (die namens het westerse blok de ‘politieagent van Afrika’ was tegenover de Sovjet-Unie) op grote schaal militair betrokken op het strijdterrein, waar de logica van het Oost/West-blok heerste. Nauwelijks had een land als Soedan bijvoorbeeld zijn onafhankelijkheid verkregen in 1956, of een verschrikkelijke burgeroorlog maakte de koloniale machten tot deel van dit conflict, dat dus werd uitgebuit door de blokken, en ten minste 2 miljoen doden en meer dan 500.000 vluchtelingen veroorzaakte (die gedwongen werden om asiel te zoeken in de buurlanden).
De instabiliteit en de oorlog bleven maar voortduren. De verschrikkelijke oorlog in Biafra, die hongersnoden en epidemieën voortbracht, veroorzaakte minstens 2 miljoen doden en evenzoveel vluchtelingen. Tussen 1960 en 1965 veroorzaakte de burgeroorlog in het voormalige Belgisch Congo, alsmede de aanwezigheid van huurlingen, zeer veel slachtoffers en talrijke ontheemden. We kunnen hier talloze voorbeelden aan toevoegen, zoals Angola dat vanaf de eerste opstanden van de bevolking in Luanda in 1961, werd verwoest door de oorlog.
Na de onafhankelijkheid in 1975, was er een jarenlange oorlog gaande tussen de militaire krachten van de MPLA (Beweging voor de Bevrijding van Angola, ondersteund door Moskou), dat aan de macht was en de rebellen van UNITA (ondersteund door Zuid-Afrika en de Verenigde Staten): met niet minder dan één miljoen doden en 4 miljoen ontheemden, waaronder een half miljoen vluchtelingen die in kampen terechtkwamen. De militaire botsingen namen voortdurend toe op dit continent en ontwrichtten hele regio’s, zoals West-Afrika of de strategische regio rond de Grote Meren. We zouden ook voorbeelden kunnen geven uit Midden-Amerika, uit Azië, met het verschijnsel van de moorddadige guerrilla’s. De Sovjet-tussenkomst in Afghanistan, in 1979, betekende een versnelling van deze helse spiraal, wat leidde tot de uittocht van 6 miljoen mensen, het grootste aantal vluchtelingen in de wereld.
De nieuwe staten of naties, die ontstonden als gevolg van de grote verdrijvingen, waren het directe product van imperialistische verdelingen en ellende. Ze waren de vrucht van nationalisme, uitzettingen en uitsluiting. Kortom, een puur product van het klimaat van oorlog en permanente crisis voortgebracht door het kapitalisme in verval. De vorming van deze nieuwe staten was een doodlopende weg die alleen maar voeding kon geven aan vernietigende spanningen. Het was eveneens het geval met de opdeling van de India, in 1947, en met de schepping van Bangladesh daarna, die meer dan 15 miljoen mensen op het Indiase subcontinent dwong om zich te verplaatsen.
De stichting van de staat Israël in 1948, een echte belegerde vesting, was ook een sprekend voorbeeld. Deze nieuwe staat, die uitgroeide van 750.000 mensen tot 1,9 miljoen in 1960, had vanaf zijn ontstaan in een helse spiraal van eindeloze oorlogen met zich meegebracht en zowat overal de oprichting veroorzaakt van Palestijnse vluchtelingenkampen. In 1948 werden er 800.000 Palestijnen met geweld verdreven en de Gazastrook werd beetje bij beetje een enorm openluchtkamp. De kampen van Palestijnse vluchtelingen in Beiroet, Damascus, Amman, veranderden langzamerhand tot buitenwijken van deze hoofdsteden.
Soortgelijke problemen met vluchtelingen en migranten deden zich op grote schaal voor op de hele planeet. In China waren miljoenen mensen ontheemd, slachtoffers van de moordpartijen van de wrede Japanse onderdrukking tijdens de oorlog. Na de overwinning van de maoïstische troepen in 1949, vluchtten zo’n 2,2 miljoen Chinezen naar Taiwan en 1 miljoen gingen richting Hong Kong. China trok zich vervolgens terug in relatieve autarkie om te proberen de economische achterstand te overbruggen.
In de vroege jaren 1960 startte het dan ook een geforceerde industrialisatie en lanceerde de politiek van de ‘Grote Sprong Voorwaarts’. Door elke poging tot migratie te voorkomen sloot het haar bevolking in feite op in soort hels nationalistisch werkkamp. Deze wrede politiek van ontworteling en repressie, die werd doorgevoerd sinds het tijdperk van Mao, vermenigvuldigde het aantal concentratiekampen (laogai). Honger en onderdrukking veroorzaakten in totaal niet minder dan 30 miljoen doden. Meer recent, in de jaren 1990, scheurde de massale verstedelijking van het land niet minder 90 miljoen boeren los van de grond die ze bewerkten.
Nog andere crises troffen Azië, zoals de burgeroorlog in Pakistan en de vlucht van de Bengalen in 1971. De verovering van Saigon in 1975 (door een stalinistisch regime) veroorzaakte ook de uittocht van miljoenen vluchtelingen, de zogenaamde ‘boat people’. Meer dan 200.000 van hen kwamen om.[2] De verschrikkelijke genocide van de Rode Khmer in Cambodja veroorzaakte 2 miljoen doden: de vluchtelingen behoorden tot de weinige overlevenden.
Vluchtelingen zijn altijd het wisselgeld geweest voor de ergste politieke chantage, voor de rechtvaardiging van militaire tussenkomsten van grootmachten, via andere landen, soms voor het gebruik als ‘menselijk schilden’. Het is moeilijk een schatting te geven van het aantal slachtoffers, die de prijs hebben betaald voor de confrontaties van de Koude Oorlog, en er een exact cijfer voor op te geven, maar “de voormalig Minister van Defensie onder Kennedy en Johnson, Robert McNamara, heeft in 1991 voor een conferentie van de Wereldbank een overzicht gegeven van de verliezen in elk operatiegebied, waarvan het totaal de 40 miljoen overschrijdt.”[3]
De nieuwe naoorlogse periode heeft alleen maar een nieuwe periode van barbarendom geopend, die de verdelingen onder de volkeren en in arbeidersklasse heeft doen toenemen en dood en vernietiging heeft gezaaid. Door de grenzen verder te militariseren, hebben de staten over het algemeen een superieure en meer gewelddadige controle uitgeoefend over de leeggebloede bevolkingen, na de Tweede Wereldoorlog.
Aan het begin van de Koude Oorlog werden de migraties niet enkel en alleen veroorzaakt door gewapende conflicten of door factoren van politieke aard. De landen van Europa, die grotendeels verwoest waren door de oorlog, hadden een snelle wederopbouw nodig. Deze behoefte aan wederopbouw moest eveneens de achteruitgang in de bevolkingsgroei (10 tot 30% van de mensen waren tijdens de oorlog gedood of gewond geraakt) compenseren. De economische en demografische factoren speelden daarom een belangrijke rol in het verschijnsel van de migratie. Alom was er behoefte aan beschikbare arbeidskracht, tegen lage kosten.
Daarom was Oost-Duitsland genoodzaakt een muur te bouwen om de vlucht van haar bevolking (3,8 miljoen mensen hadden de grens naar het Westen reeds overgestoken) tegen te houden. De voormalige koloniale mogendheden bevorderden de immigratie, allereerst vanuit de Zuid-Europese landen (Italië, Spanje, Portugal, Griekenland,...). In eerste instantie kwam het grootste gedeelte van deze migranten legaal, maar ook clandestien, dankzij ronselaars en vaak ook georganiseerde smokkelaars.
De behoefte aan arbeidskracht betekende dat de autoriteiten destijds de ogen sloten en deze ongeregelde migratie stimuleerden. Tussen 1945 en 1974 ontvluchtten vele Spanjaarden en Portugezen de regimes van Franco en Salazar. Tot in de vroege jaren 1960 werden Italianen in dienst genomen in Frankrijk, eerst uit het noorden van Italië en vervolgens uit het zuiden tot aan Sicilië. Toen, een tijdje later, was het de beurt aan de voormalige koloniën in Azië en Afrika om nieuwe contingenten gedweeë en goedkope arbeiders te leveren. In Frankrijk bijvoorbeeld, nam het aantal Noord-Afrikanen, tussen 1950 en 1960, toe van 50.000 naar 500.000.
Door de staat werden er wooncentra gebouwd voor de gastarbeiders, waar zij gescheiden werden gehouden van de rest van de bevolking. Buitenlandse arbeiders werden inderdaad beschouwd als een ‘risico’, wat het mogelijk maakte om hun marginalisering te rechtvaardigen. Maar dat was geen beletsel om ze in dienst te nemen voor het zwaarste werk, wetende dat ze van de ene op de andere dag weer konden worden teruggestuurd. De waanzinnige en gewetenloze uitbuiting liet zelfs voor deze nieuw aangekomen arbeiders een zeer belangrijke omzet optekenen, ruim boven het gemiddelde, met name in de chemie en metaalindustrie. Om te voldoen aan de behoeften van de industriële activiteit emigreerden er tussen 1950 en 1973 bijna 10 miljoen mensen naar West-Europa.[4]
Deze situatie zou onvermijdelijk worden misbruikt door de bourgeoisie, om de arbeiders te verdelen en tegen elkaar op te zetten, voor het aanzetten tot concurrentie en wederzijds wantrouwen. Met de heropleving van de arbeidersstrijd in 1968 en de golven van de strijd die volgden, zouden deze factoren voedsel zijn voor de vele verdelingsmanoeuvres van de vakbonden en de splijtende ideologische campagnes van de bourgeoisie.
Aan de ene kant werden racistische en xenofobe vooroordelen aangemoedigd; aan de andere kant werd de klassenstrijd gedeeltelijk verdraaid door het anti-racisme, dat vaak werd gebruikt als een afleiding voor de eisen van de arbeiders. Beetje bij beetje werd het vergif toegediend en werden de buitenlanders beschouwd als ‘ongewenst’, en voorgesteld als ‘profiteurs’, bijna als ‘bevoorrechten’. Dit alles zou de groei van populistische ideologieën bevorderen en de uitzettingen vergemakkelijken, die sinds de jaren 1980 met hele charters zijn toegenomen.
WH / april 2016
[1] Zie: Berlin 1948 : en 1948, le pont aérien de Berlin cache les crimes de l'impérialisme allié [8] Internationale Revue (Frans-, Engels- Spaanstalige uitgave ; nr. 95 - 3e trimestre 1998.
[2] Bron: “McNamara pleit voor koppeling hulp en defensie”; NRC 27 april 1991.
[3] Volgens André Fontaine, La Tache rouge. Le roman de la Guerre froide, Editions La Martinière, 2004.
Hieronder publiceren wij opnieuw de belangrijkste fragmenten van deze oriëntatietekst, die 25 jaar geleden is opgesteld en goedgekeurd door IKS. (De volledige versie is eerder verschenen in de Nederlandstalige Internationale Revue nr. 13.) We doen dit om te laten zien hoezeer deze stellingen, meer dan ooit, hun geldigheid en hun brandende actualiteit behouden. Dit zal bij onze lezers ongetwijfeld in het oog springen gezien de toename van de “brandhaarden” op de planeet en de kwalitatieve toename van de chaos en de barbarij, waarin het kapitalisme de mensheid dagelijks onderdompelt.
Bij verschillende gelegenheden heeft de IKS het belang van de kwestie van militarisme en oorlog in de hele periode van verval benadrukt (1), zowel vanuit de optiek van de ontwikkeling het kapitalisme zelf, als vanuit het proletarische klasseperspectief. Met de snelle opeenvolging van historisch belangrijke gebeurtenissen gedurende het afgelopen jaar (ineenstorting van het Oostblok, de Golf-oorlog), die de hele wereldsituatie hebben veranderd, met de overgang van het kapitalisme in de hoogste fase van zijn verval: de fase van ontbinding (2), is het van vitaal belang dat de revolutionairen absoluut duidelijk zijn over het essentiële vraagstuk van de plaats van het militarisme in de nieuwe omstandigheden van de huidige wereld.
Militarisme en oorlog zijn een fundamenteel gegeven sinds het kapitalisme in verval is. Sinds de vorming van een volledige wereldmarkt aan het begin van deze eeuw, is de wereld verdeeld in koloniale en commerciële invloedssferen onder de verschillende hoogontwikkelde kapitalistische naties. De hieruit voortkomende verscherping van de concurrentie op internationaal vlak heeft noodzakelijkerwijs geleid tot het erger worden van de militaire spanningen, tot het vormen van steeds indrukwekkendere wapenarsenalen, en de toenemende onderwerping van het gehele economische en sociale leven aan de prioriteiten van het militaire apparaat. In feite zijn het militarisme en de imperialistische oorlog zo'n essentiële uitdrukkingen van het begin van de vervalperiode van het kapitalisme (de uitbarsting van de Eerste Wereldoorlog markeerde het begin van deze periode), dat voor revolutionairen uit die tijd imperialisme en verval van het kapitalisme, synoniemen werden. Rosa Luxemburg maakte duidelijk dat imperialisme niet een specifieke uitdrukking is van het kapitalisme, maar haar wijze van bestaan in de nieuwe historische periode is, dat niet alleen bepaalde staten imperialistisch zijn, maar alle staten. Als militarisme, imperialisme en oorlog zo vergaand met de periode van verval geïdentificeerd werden, dan komt dit omdat de vervalperiode beantwoordt aan de situatie dat de kapitalistische productieverhoudingen een belemmering zijn geworden voor de verdere ontwikkeling van productiekrachten: het volkomen irrationele karakter op globaal economisch niveau van militaire uitgaven en oorlogen, zijn slechts een uitdrukking van het anachronisme van het voortbestaan van deze productieverhoudingen. In het bijzonder de permanente en toenemende zelfvernietiging van kapitaal die het resultaat is van deze wijze van bestaan, vormt een symbool van de doodsstrijd van dit systeem, en toont duidelijk dat het door de geschiedenis is veroordeeld.
Geconfronteerd met een situatie waarin oorlog in het sociale leven alomtegenwoordig is, heeft het kapitalisme in verval twee verschijnselen ontwikkeld, staatskapitalisme en imperialistische blokken, die kenmerkend zijn voor deze periode. Het staatskapitalisme, waarvan de eerste belangrijke manifestatie dateert van de Eerste Wereldoorlog, komt overeen met de noodzaak voor elk land een maximum aan discipline van de verschillende sectoren van de maatschappij te garanderen, om botsingen tussen zowel de klassen als tussen de verschillende rivaliserende fracties binnen de heersende klasse zoveel mogelijk te reduceren, en vooral om het gehele economische potentieel te controleren en te mobiliseren en controleren. Op dezelfde wijze komt de vorming van imperialistische blokken overeen met de noodzaak om eenzelfde discipline aan de verschillende nationale bourgeoisieën op te leggen: om hun onderlinge tegenstellingen te beperken en hen te bundelen voor confrontatie tussen beide militaire kampen. Naarmate het kapitalisme dieper in het verval en in zijn historische crisis is geraakt, kunnen deze beide kenmerken slechts sterker worden. Vooral het staatskapitalisme op het niveau van een heel imperialistisch blok, zoals zich dat heeft ontwikkeld na de Tweede Wereldoorlog, was slechts de uitdrukking van de verergering van beide verschijnselen. Noch staatskapitalisme, noch imperialistische blokken, noch het samengaan van beide, zijn een uitdrukking van een `pacificatie' van de verhoudingen tussen de verschillende sectoren van het kapitaal, en nog minder een versterking van deze verhoudingen. Integendeel! Zij zijn slechts een poging van de kapitalistische maatschappij om de groeiende tendens tot ontwrichting te weerstaan (3).
De algemene ontbinding van de maatschappij is het hoogste, het laatste, stadium van de vervalperiode van het kapitalisme. In die zin stelt dit stadium niet de kenmerken van het verval in vraag: de historische crisis van de kapitalistische economie, het staatskapitalisme, en ook niet de fundamentele verschijnselen van militarisme en imperialisme. Meer nog, in de mate waarin de ontbinding zich openbaart als de opeenhoping van tegenstellingen waarin het kapitalisme zich sinds het begin van zijn verval ontwikkelt, worden de kenmerken die eigen zijn aan deze periode, nog verder versterkt:de ontbinding kan slechts erger worden,
- omdat ze veroorzaakt wordt door de onverbiddelijke val van het kapitalisme in de crisis;
- en de tendens naar staatskapitalisme wordt helemaal niet in vraag gesteld door het verdwijnen van sommige van haar meest parasitaire en afwijkende soorten, zoals het Stalinisme. (4)
Hetzelfde geldt voor het militarisme en het imperialisme, zoals we gezien hebben gedurende de jaren '80, waarin het verschijnsel van de ontbinding opdook en zich verder ontwikkelde. Deze werkelijkheid zal niet in vraag gesteld worden door het verdwijnen van de verdeling van de wereld in twee imperialistische constellaties als gevolg van de ineenstorting van het Oostblok. De oprichting van imperialistische blokken is niet de oorzaak van militarisme en imperialisme. Het tegengestelde is waar: de formatie van deze blokken is slechts de uiterste consequentie (die op haar beurt de oorzaken kan versterken) van de duik van het kapitalisme in verval in militarisme en oorlog. In zekere zin is er een overeenkomst in de verhouding van de formatie van blokken ten opzichte van het imperialisme enerzijds en die van Stalinisme ten opzichte van staatskapitalisme anderzijds. Net zoals het einde van het Stalinisme niet het einde is van de historische tendens naar staatskapitalisme, waar het immers slechts een uitdrukking van was, net zo min impliceert het verdwijnen van de imperialistische blokken, het verlies van de greep van het imperialisme op het leven van de maatschappij. Het fundamentele verschil tussen beide ligt hierin, dat het einde van het Stalinisme het einde van een bijzonder afwijkende vorm van staatskapitalisme betekent, het einde van de blokken daarentegen, opent slechts de deur naar een nog meer barbaarse, verwrongen en chaotische vorm van imperialisme.
De IKS heeft al een analyse hierover uitgewerkt toen ze zich rekenschap gaf van de ineenstorting van het Oostblok:
«In de periode van het verval van het kapitalisme, zijn alle staten imperialistisch en nemen de nodige maatregelen om aan die realiteit tegemoet te komen: oorlogseconomie, bewapening, enzovoort. Daarom kan de verscherping van de stuiptrekkingen van de wereldeconomie alleen maar leiden tot een verergering van de spanningen tussen de verschillende staten, ook, en steeds meer, op militair vlak. Het verschil met de voorbije periode is dat deze spanningen, die eerder door de grote imperialistische blokken werden gebruikt en ingekaderd, nu op de voorgrond gaan treden. Het verdwijnen van de Russische politie-agent, en wat daaruit zal volgen voor de Amerikaanse politie-agent met betrekking tot zijn belangrijkste `bondgenoten' van weleer, openen de deur voor een hele reeks van meer plaatselijke rivaliteiten. Deze rivaliteiten en botsingen kunnen in de huidige situatie niet uitmonden in een wereldwijd conflict (ook als we zouden aannemen dat _het proletariaat niet meer in staat zou zijn zich daartegen te verzetten). Daarentegen bevatten deze conflicten, door het feit dat de discipline is verdwenen, die werd opgelegd door het bestaan van twee blokken, het risico om steeds meer gewelddadig, steeds talrijker te worden, met name in de zones waarin het proletariaat zwak is.» (Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, no.61, 10 februari 1990).
«De verergering van de wereldcrisis van de kapitalistische economie zal onontkoombaar tot een nieuwe toespitsing van de interne tegenstellingen van de bourgeoisie leiden. Deze tegenstellingen zullen, net als in het verleden, tot uiting komen in oorlogen: in het verval van het kapitalisme, kan de handelsoorlog slechts uitlopen op een vlucht vooruit in de oorlog met de wapenen. In dat kader moeten de pacifistische illusies die zich zouden kunnen ontwikkelen als gevolg van het `aanhalen' van de relaties tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten, resoluut worden bestreden: militaire botsingen tussen staten, zelfs als ze niet meer worden gemanipuleerd en gebruikt door de grote mogendheden, zullen niet verdwijnen. Integendeel, zoals we in het verleden gezien hebben, vormen het militarisme en de oorlog de levenswijze zelf van het kapitalisme in verval, die door de verdieping van de crisis slechts kan worden bevestigd. Wat echter verandert in vergelijking met het verleden is dat deze militaire vijandelijkheden nu niet meer de vorm aannemen van een confrontatie tussen twee grote imperialistische blokken» («Resolutie over de Internationale Situatie», juni 1990. Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr, 63).
Deze analyse wordt nu volledig bevestigd. (….) Het werkelijke onderwerp van de operatie “Desert Shield” en andere is de poging de chaos te bezweren die al heerst in een groot gedeelte van de wereld en die nu de belangrijkste en meest ontwikkelde landen en hun onderlinge relaties bedreigt. Het verdwijnen van de tweedeling van de wereld in blokken, betekende in feite ook het verdwijnen van een essentiële factor die een zekere samenhang tussen de staten waarborgde. De tendens eigen aan de nieuwe periode is “ieder voor zich”. (5)
Meer dan ooit staat de oorlog dus centraal in het leven van het kapitalisme. Daarom is de kwestie van de oorlog meer dan ooit van fundamenteel belang voor de arbeidersklasse. Het is duidelijk dat deze kwestie niet nieuw is. Het was reeds een centraal punt voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (zoals de internationale congressen van Stuttgart 1907 en Bazel 1912 duidelijk maakten). Het werd natuurlijk nog doorslaggevender gedurende de eerste imperialistische slachtpartij (met de strijd van Lenin, Luxemburg en Liebknecht, en de revoluties in Duitsland en Rusland). Zijn belang bleef onveranderd in de periode tussen beide wereldoorlogen in, voornamelijk in de Spaanse Burgeroorlog, om nog te zwijgen van zijn belang gedurende de grootste holocaust van deze eeuw, tussen 1939 en 1945. En het blijft tenslotte waar gedurende de uiteenlopende “nationale bevrijdings”-oorlogen na 1945 die momenten waren in de botsing tussen beide imperialistische blokken. Sinds het begin van deze eeuw is oorlog het beslissende vraagstuk dat het proletariaat en haar revolutionaire minderheden moesten beantwoorden, veel meer nog dan bijvoorbeeld het vakbondsvraagstuk en het parlementarisme. Het had niet anders gekund, omdat oorlog de meest geconcentreerde vorm van de barbaarsheid van het kapitalisme in verval is; het is een uitdrukking van haar doodstrijd en de dreiging die over het voortbestaan van de mensheid hangt.
In de huidige periode, waarin de barbaarsheid van de oorlog, meer nog dan in de afgelopen decennia, een dagelijks en alomtegenwoordig element van de wereldsituatie zal zijn (onafhankelijk van de profetieën van een Bush sr. en Mitterrand over een “nieuwe orde en vrede”), en meer en meer de ontwikkelde landen erbij zal betrekken (slechts beperkt door de arbeidersklasse van deze landen), is de kwestie van oorlog van nog groter belang voor de arbeidersklasse. De IKS heeft altijd benadrukt dat de ontwikkeling van een nieuwe revolutionaire golf uit de verdieping van de crisis zal voortkomen en niet uit oorlog. Deze analyse blijft nog steeds van kracht: de mobilisatie van de arbeidersklasse, het vertrekpunt voor strijd op grote schaal, zal uit economische aanvallen voortkomen. Op dezelfde wijze, op het niveau van bewustzijn, zal de verscherping van de crisis een fundamentele factor zijn, die het historische einde van de kapitalistische productiewijze toont. Doch op hetzelfde niveau van bewustzijn zal de kwestie van de oorlog wederom een rol van eerste orde spelen:
- de oorlog toont de fundamentele consequenties van deze historische impasse van het kapitalisme: de vernietiging van de mensheid;
- omdat de oorlog het enige logische antwoord op de crisis, het verval en de ontbinding is, dat het proletariaat kan tegengaan (in tegenstelling tot andere uitingen van ontbinding), omdat de arbeidersklasse in de centrale landen op dit moment niet achter de banieren van het vaderland gemobiliseerd is.
Het is waar dat oorlog, op een veel eenvoudiger wijze tegen de arbeidersklasse gebruikt kan worden dan de crisis en economische aanvallen:
- oorlog kan het pacifisme stimuleren;
- oorlog kan het proletariaat een gevoel van machteloosheid geven, en zo de bourgeoisie in staat stellen haar economische aanvallen te voltrekken.
Dat is trouwens precies wat er nu gebeurt met de Golf-crisis. Maar deze invloed kan slechts van tijdelijke aard zijn. Want op termijn:
- kan de permanente aanwezigheid van militaire barbaarsheid slechts de leegheid van het pacifistische geklets tonen;
- zal duidelijk worden dat de arbeidersklasse het hoofdslachtoffer van deze barbaarsheid is, dat het de prijs moet betalen als kanonnenvoer en door een toegenomen uitbuiting;
- de strijdbaarheid zal herstellen tegenover massalere en hardere economische aanvallen.
De tendens zal worden omgekeerd. Het is duidelijk dat de revolutionairen in de voorhoede van deze ontwikkeling van het bewustzijn moeten staan want hun verantwoordelijkheid zal van steeds meer doorslaggevende betekenis zijn.
In de huidige historische periode, wordt de tussenkomst van de revolutionairen binnen de klasse bepaald door, naast natuurlijk de verscherping van de economische crisis, en de daaruit voortvloeiende aanvallen op de gehele klasse:
Daarom moet dit vraagstuk steeds voorop staan in de propaganda van de revolutionairen. In perioden als de huidige, waarin deze kwestie voorop staat in de internationale gebeurtenissen, moeten we van de buitengewone gevoeligheid binnen de arbeidersklasse voor dit vraagstuk gebruik maken om het speciale aandacht en prioriteit te geven.
De revolutionaire organisaties zullen er in het bijzonder voor moeten waken om:
IKS 4 oktober 1990
1) Zie “Oorlog, militarisme en imperialistische blokken” in: Internationale Revue, Engels-, Frans-, Spaanstalige uitgave, nr. 52 en 53.
2) Zie voor de analyse van de IKS over de kwestie van de ontbinding: Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr. 57 en Wereldrevolutie nr. 45 of Internationale Revue, nederlandstalige uitgave, nr. 13.
3) Het is echter noodzakelijk om te wijzen op een belangrijk verschil tussen staatskapitalisme en imperialistische blokken. Het eerste verschijnsel kan niet ter discussie worden gesteld door conflicten tussen verschillende fracties van de kapitalistische klasse (anders moeten we spreken van burgeroorlog, die kenmerkend kan zijn voor bepaalde achterlijke zones van het kapitalisme, maar niet voor de meest ontwikkelde sectoren). Over het algemeen slaagt de staat als algemene vertegenwoordiging van het nationale kapitaal als geheel, er in zijn autoriteit op te leggen aan de verschillende delen van het kapitaal. Maar de imperialistische blokken hebben niet hetzelfde duurzame karakter. Op de eerste plaats worden ze slechts gevormd met het oog op de wereldoorlog: in een periode, zoals nu, waarin die niet aan de orde is (zoals in de jaren twintig), kunnen ze heel goed verdwijnen. Op de tweede plaats is er voor de staten niet zoiets als een definitieve "gepredestineerdheid" voor het ene of het andere blok: de blokken worden bij gelegenheid gevormd, in functie van economische, geografische, militaire, politieke criteria, enzovoort. In deze zin bevat de geschiedenis talloze voorbeelden van staten die van blok zijn veranderd na een verandering in één van deze factoren. Deze verschillende stabiliteit tussen staatskapitalisme en imperialistisch blok is geenszins mysterieus. Ze beantwoordt aan het feit dat het hoogste niveau van eenheid dat de bourgeoisie kan bereiken, dat van de natie is, omdat de nationale staat het instrument bij uitstek ter verdediging van zijn belangen is (handhaving van de “orde”, massale orders, monetaire politiek, douane-barrières, enzovoort). Daarom is een alliantie tot een imperialistisch blok niets anders dan het conglomeraat van nationale belangen die fundamenteel tegengesteld zijn aan elkaar, waarbij het conglomeraat die belangen in de internationale jungle moet behartigen. Bij het nemen van de beslissing om zich bij het ene of het andere blok aan te sluiten, heeft een bourgeoisie niets anders op het oog dan de garantie van haar nationale belangen. Ten slotte, wanneer we het kapitalisme kunnen beschouwen als een globale eenheid, dan moeten we steeds in het oog behouden dat het concreet bestaat in de vorm van rivaliserende en concurrerende kapitalen.
4) In werkelijkheid is het wel degelijk de kapitalistische productiewijze als geheel, die in haar verval en nog meer in haar stadium van ontbinding, achterhaald is vanuit het standpunt van de belangen van de mensheid. Maar in deze barbaarse doodsstrijd van het kapitalisme, hebben bepaalde vormen daarvan, zoals het Stalinisme, dat het resultaat is van specifieke historische omstandigheden (zoals we verderop zullen zien), kenmerken die ze nog kwetsbaarder maken en ze tot verdwijnen veroordelen, nog voordat het gehele systeem zal zijn vernietigd door de proletarische revolutie of door de vernietiging van de mensheid.
5) In het stadium van de ontbinding, en met de verergering van de economische stuiptrekkingen van het stervende kapitalisme, zullen de meest gewelddadige en barbaarse uitdrukkingen van de verhoudingen tussen staten tot regel worden voor alle landen ter wereld.
In de schemering van het oude Rome was de waanzin van de keizers meer regel dan uitzondering. Weinig historici twijfelen eraan dat dit een teken was van Rome’s aftakeling. Vandaag is een enge clown tot koning gemaakt in de machtigste natiestaat van de wereld, en toch wordt dit in het algemeen niet opgevat als een teken dat de kapitalistische beschaving reeds een vergevorderd stadium heeft bereikt van haar eigen verval. De toename van het populisme in de brandpunten van het systeem, die in snel tempo eerst de Brexit en daarna de overwinning van Donald Trump hebben teweeggebracht, brengt tot uitdrukking dat de heersende klasse haar greep op de politieke machine aan het verliezen is. Een machine die nu al vele jaren wordt gebruikt om de inherente tendens tot ondergang tegen te gaan. Wij zijn getuige van een enorme politieke crisis als gevolg van de versnelde ontbinding van de maatschappelijke orde, door de complete onmacht van de heersende klasse om de mensheid een toekomstperspectief te bieden.
Maar het populisme is ook een product van het onvermogen van de uitgebuite klasse, het proletariaat, om een revolutionair alternatief naar voren te schuiven, zodat er een ernstig gevaar bestaat dat het wordt meegesleurd in een reactie die is gebaseerd op machteloze woede, op angst, op het zoeken van zondebonken onder de minderheden en een bedrieglijke zoektocht naar een verleden, dat nooit echt heeft bestaan. Deze analyse van de wortels van het populisme, als een wereldwijd fenomeen, is meer diepgaand ontwikkeld in de bijdrage ‘Over de kwestie van het populisme’ (zie website in NL). Wij moedigen onze lezers aan om het algemene kader te onderzoeken dat deze tekst biedt, te samen met onze eerste meer specifieke reactie op het Brexit-resultaat en de opkomst van Trump's kandidatuur, ‘Brexit, Trump: Setbacks for the ruling class, nothing good for the proletariat’, August 31, 2016. Beide teksten zijn gepubliceerd in nr. 157 van onze Engels- en Franstalige Internationale Revue.
Tevens hebben wij een artikel gepubliceerd, geschreven door onze sympathisant uit de VS, Henk: ‘Trump versus Clinton: nothing but bad choices for the bourgeoisie and the proletariat [12]’. Dit artikel, dat begin oktober is geschreven, keek naar de bijna uitzinnige pogingen van de meer ‘verantwoordelijke’ facties van de Amerikaanse bourgeoisie, zowel democraten als republikeinen, om een halt toe te roepen aan Trump’s poging het Witte Huis te betreden.[1]Deze inspanningen zijn duidelijk mislukt, en een van de meer directe factoren die hebben geleid tot deze mislukking was de ongelooflijke tussenkomst door het hoofd van de ‘Federal Bureau of Investigation’ (FBI), James Comey, precies op het moment dat de voorsprong van Clinton, in de peilingen, leek te stijgen.
Clinton’s kansen werden door de FBI, het hart van het Amerikaanse veiligheidsapparaat, zwaar beschadigd door de mededeling dat zij wellicht een strafzaak aan haar broek zou krijgen, nadat er verder onderzoek was gedaan naar haar gebruik van eigen e-mailservers, iets wat indruist tegen de basisregels van de staatsveiligheid. Ongeveer een week later probeerde Comey het tij te keren door te melden dat er in feite niets bijzonders was te vinden tussen al het materiaal dat het Bureau had onderzocht. Maar de schade was toegebracht en het FBI heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de campagne van Trump, wiens bijeenkomsten eindeloos de leuze ‘Sluit Haar Op’ hebben gescandeerd. De interventie van het FBI was eens te meer een uitdrukking van een groeiend verlies aan politieke controle over het hart van het staatsapparaat.
Het artikel ‘Trump versus Clinton’ begint door duidelijk het kommunistische standpunt neer te zetten inzake burgerlijke democratie en verkiezingen in deze periode van de geschiedenis: dat ze een gigantische fraude is, die de arbeidersklasse geen keuze biedt. Dit gebrek aan keuze was misschien duidelijker dan ooit in deze verkiezingscampagne, die werd uitgevochten tussen de arrogante showman Trump, met zijn openlijk racistische en vrouwenhatelijke agenda en Clinton, die de belichaming is van de 'neoliberale' orde die, in de afgelopen drie decennia, de overheersende vorm van staatskapitalisme was. Geconfronteerd met een keuze tussen twee kwaden, heeft een aanzienlijk deel van het kiezersvolk, zoals altijd het geval is in de VS, helemaal niet gestemd. Ondanks de druk om te komen en te gaan stemmen blijft een eerste raming steken bij een opkomst van net onder de 57%, dus lager dan in 2012. Tegelijkertijd hebben velen, die kritisch stonden ten opzichte van beide kampen, maar vooral ten opzichte van Trump, besloten voor Hillary te stemmen als de minste van twee kwaden.
Wij van onze kant weten dat het afzien van deelname aan de burgerlijke verkiezingen, uit teleurstelling over wat er in de aanbieding is, slechts het begin is van de wijsheid: het is essentieel, maar erg moeilijk wanneer de arbeidersklasse zelf niet optreedt als een klasse, om daarmee aan te tonen dat er een andere manier bestaat om de maatschappij te organiseren: één die gaat doorheen de ontmanteling van de kapitalistische staat. En in de periode na de verkiezingen wordt deze nadruk op de verwerping van de bestaande politieke en maatschappelijke orde, dit aandringen op de noodzaak voor de arbeidersklasse om te vechten voor haar eigen belangen, buiten en tegen de gevangenis van de burgerlijke staat, niet minder relevant. Want velen zullen worden aangetrokken door een eenvoudige anti-Trumptendens, een soort vernieuwd anti-fascisme,[2] dat zich weer verbindt met meer ‘democratische’ partijen van de bourgeoisie - hoogstwaarschijnlijk met die partijen die de taal spreken van de arbeidersklasse en van het socialisme, zoals Bernie Sanders deed tijdens de democratische voorverkiezingen.[3]
Dit is hier niet de plek om een diepgaande analyse te maken van de drijfveren en de sociale samenstelling van de degenen die voor Trump hebben gestemd. Het lijdt geen twijfel dat de vrouwenhaat, de anti-vrouw retoriek, die zo centraal staat in de campagne van Trump, een rol heeft gespeeld die nader moet worden bestudeerd. Dat komt vooral doordat deze deel uitmaakt van een meer globale 'mannelijke tegenbeweging’ tegen de maatschappelijke en ideologische veranderingen in de gender relaties tijdens de afgelopen decennia. Op dezelfde manier is er een sinistere toename van racisme en vreemdelingenhaat in alle kapitalistische landen, en dit speelde een sleutelrol in de Trump's campagne.
Er zijn ook bijzondere elementen in het racisme in Amerika die we moeten begrijpen: op de korte termijn, de reactie op presidentschap van Obama en op de Amerikaanse versie van de ‘migrantencrisis’, op de langere termijn de hele erfenis van de slavernij en de segregatie. Vanaf de eerste uitslagen kon de lange geschiedenis van de raciale kloof in Amerika worden afgelezen uit het feit dat de overweldigende meerderheid van de pro-Trump stemmers blank waren (ofschoon ze een tamelijk groot aantal ‘Spaanstaligen’ mobiliseerde), terwijl ongeveer 88% van de zwarte kiezers koos voor het Clinton-kamp. In toekomstige artikelen zullen we op deze kwesties terugkomen.
Maar als we een beschouwing geven over de bijdrage op populisme dan is,volgens ons, misschien wel het belangrijkste element in de overwinning van Trump de woede tegen de neoliberale ‘elite’ die zich heeft geïdentificeerd met de globalisering en het overwicht van de financiële sector op de economie - macro-economische processen die een verrijking vormen voor een kleine minderheid ten koste van de meerderheid, en vooral ten koste van de arbeidersklasse in de oude sectoren van de productie en de grondstoffenwinning.
'Globalisering' betekende de grootschalige ontmanteling van verwerkende industrieën en de overheveling daarvan naar landen als China, waar de arbeidskracht veel goedkoper is en de winsten dus veel hoger zijn. Het betekende ook het ‘vrije verkeer van arbeiders’, wat voor het kapitalisme een ander middel is om arbeid te goedkoper te maken, door de migratie van ‘armere’ naar ‘rijkere’ landen. Het overwicht van de financiële sector betekende, voor het merendeel, de overheersing van het economische leven door de steeds mysterieuzere wetten van de markt. Meer concreet betekende het de crash van 2008, die zoveel kleine beleggers en aspirant-huizenbezitters heeft geruïneerd.
Nogmaals, er zijn meer gedetailleerde statistische studies nodig, maar het lijkt erop dat een centrale kracht van de Trump-campagne gevormd werd door de steun die ze verkreeg van de niet-universitair opgeleide blanken, en vooral van de arbeiders in de 'Rust Belt’, de nieuwe industriële woestijnen, die voor Trump stemden uit protest tegen de gevestigde politieke orde, verpersoonlijkt in de zogenaamde ‘grootstedelijke liberale elite’. Veel van deze arbeiders of regio’s hadden bij de vorige verkiezingen op Obama gestemd, en sommigen steunden Bernie Sanders in de Democratische voorverkiezingen.
Hun stem was vooral een tegen-stem - tegen de groeiende ongelijkheid in rijkdom, tegen een systeem dat hen en hun kinderen, naar hun oordeel, een toekomst heeft ontnomen. Maar deze oppositie werd ingekaderd vanwege het volledig ontbreken van een echte beweging van de arbeidersklasse en heeft daarmee de populistische wereldvisie gevoed, die de elite de schuld geeft voor de uitverkoop aan buitenlandse investeerders, waarbij speciale privileges worden gegeven aan migranten, vluchtelingen en etnische minderheden ten koste van de ‘oorspronkelijke’ arbeidersklasse - en aan vrouwelijke arbeiders ten koste van mannelijke. De racistische en vrouwonvriendelijke elementen van Trump’s campagne gaan dus hand in hand met de retorische aanvallen op de ‘elite’.
We zullen niet speculeren over wat het presidentschap van Trump zal gaan betekenen of welke politiek hij zal proberen te voeren. Wat Trump vooral kenmerkt is zijn onvoorspelbaarheid, zodat het niet gemakkelijk zal zijn om te voorspellen welke de gevolgen zullen zijn van zijn regime. Er is tevens het feit dat Trump, nog voor het ontbijt, een dozijn tegenstrijdige dingen kan zeggen, en dat zoiets niet van invloed lijkt te zijn op de steun die hij in de campagne ondervindt. Maar wat gewerkt heeft in de verkiezingscampagne kan wel eens niet zo goed werken in zijn ambt als president.
Zo presenteert Trump zichzelf bijvoorbeeld als de oertypische self-made ondernemer en vertelt hij over de bevrijding van de Amerikaanse zakenman van de bureaucratie. Maar tegelijkertijd praat hij ook over een omvangrijk programma van het herstel van de infrastructuur in de binnensteden, het aanleggen van wegen, scholen en ziekenhuizen en het doen heropleven van de industrie voor fossiele brandstoffen door het afschaffen van de regels voor milieubescherming. Dit alles tezamen impliceert een zware staatskapitalistische tussenkomst in de economie. Hij beloofde miljoenen illegale immigranten te verjagen, maar veel van de Amerikaanse economie hangt juist af van hun goedkope arbeidskracht. Met betrekking tot het buitenlands beleid, combineert hij de taal van het isolationisme en terugtrekking (zoals zijn dreigement om de betrokkenheid van de VS bij de NAVO te verminderen) met de taal van het interventionisme, met zijn geraaskal over het ‘plat bombarderen van ISIS', en de belofte de militaire uitgaven te vergroten.
Wat zeker is, is dat het presidentschap van Trump zal worden gekenmerkt door conflicten, zowel binnen de heersende klasse als tussen de staat en de maatschappij. Het klopt dat Trump's overwinningsspeech een voorbeeld was van verzoening - hij zal een ‘president zijn voor alle Amerikanen’. En Obama, voordat bij Trump ontving op het Witte Huis, zei dat hij wilde zorgen voor een zo soepel mogelijke overgang. Het feit dat er nu een grote republikeinse meerderheid in de Senaat en het Congres is, kan bovendien betekenen - als het Republikeinse establishment haar antipathie voor Trump overwint - dat hij in staat zal zijn om hun steun te krijgen voor een aantal van zijn beleidsvoornemens, zelfs als de meest demagogische voornemens op de lange baan kunnen worden geschoven. Maar de tekenen van toekomstige spanningen en conflicten zijn niet moeilijk te herkennen.
Delen van het militaire establishment, bijvoorbeeld, staan waarschijnlijk zeer vijandig tegenover een aantal van zijn opties met betrekking tot het buitenlands beleid, indien hij volhardt in zijn scepsis over de NAVO, of zijn bewondering voor Poetin, als een sterke leider, en dit vertaalt in het ondermijnen van de pogingen van de VS om tegenwicht te bieden aan de gevaarlijke heropleving van het Russische imperialisme in Oost-Europa en het Midden-Oosten. Ten aanzien van een aantal van zijn binnenlandse beleidsvoornemens kan er ook oppositie ontstaan vanuit het veiligheidsapparaat, de federale bureaucratie en de belangen van de grote ondernemingen, die het als hun taak kunnen gaan zien om ervoor te zorgen dat Trump geen herrie gaat schoppen. Ondertussen kan de politieke ondergang van de 'Clinton dynastie' ook aanleiding geven tot nieuwe tegenstellingen en misschien zelfs splitsingen binnen de Democratische Partij, met de waarschijnlijke opkomst van een linkervleugel rond mensen zoals Bernie Sanders, die ook hopen profijt te kunnen trekken uit de vijandige stemming ten opzichte van het economische en politieke establishment.
Als de Britse post-Brexit iets is dat op het sociale vlak als voorbeeld dient, is de kans groot dat we getuige zullen zijn van een sinistere opflakkering van de ‘volkse’ vreemdelingenhaat, als openlijke racistische groeperingen het gevoel hebben dat zij nu bevoegd zijn om hun fantasieën over geweld en overheersing te realiseren. Tegelijkertijd kan de politierepressie tegen etnische minderheden nieuwe hoogten bereiken. En als Trump ernstig werk begint te maken van zijn programma van de aanhouding en uitzetting van de zogenaamde ‘illegalen’, kan dit allemaal verzet ontlokken in de straten, in continuïteit met de bewegingen die wij in de afgelopen jaren hebben gezien na de politiemoorden op zwarte mensen. Vanaf het moment dat het verkiezingsresultaat werd bekendgemaakt, ontstonden er een aantal zeer boze demonstraties in steden over heel Amerika, waarin meestal jonge mensen hun verontwaardiging uiten over het vooruitzicht van een door Trump geleide regering.
Op internationaal vlak kan de overwinning van Trump worden gelijkgesteld aan, zoals hij het zelf formuleerde, ‘Brexit plus plus plus’. Zij heeft reeds een krachtige impuls gegeven aan rechtse populistische partijen in West-Europa, niet in het minst aan het Front National in Frankrijk, waar de presidentsverkiezingen worden gehouden in 2017. Dit zijn partijen die zich willen terugtrekken uit multi-nationale handelsorganisaties en een economisch protectionisme bepleiten. Met Trump's meest agressieve uitspraken tegen de Chinese economische concurrentie, zou dat kunnen betekenen dat we naar een handelsoorlog gaan die, zoals in 1930, een reeds verstopt geraakte wereldmarkt nog verder zal beknotten.
Het neoliberale model heeft het wereldkapitalisme gedurende de afgelopen twee decennia goede diensten bewezen, maar het nadert nu zijn grenzen. En nu dreigt het gevaar dat de tendens van het ‘ieder voor zich’, dat wij hebben gezien op de imperialistische vlak, wordt overgeheveld naar het economische terrein, waar het tot dusver min of meer in toom was gehouden. Trump heeft ook verklaard dat het broeikaseffect is een verzinsel is, dat is uitgevonden door de Chinezen om hun exportinspanningen te ondersteunen, en hij zegt dat hij zich zal terugtrekken uit alle bestaande internationale overeenkomsten inzake klimaatverandering. Wij weten reeds hoe beperkt deze overeenkomsten zijn, maar door ze te schrappen zullen we waarschijnlijk nog dieper in de groeiende wereldwijde milieuramp worden gestort.
Wij herhalen: Trump symboliseert een bourgeoisie die werkelijk ieder perspectief heeft verloren om de maatschappij te beheren. Hoe ijdel en narcistisch hij ook is, hij is niet gek, maar belichaamt de waanzin van een systeem dat geen opties meer heeft, zelfs niet die van een wereldoorlog. Ondanks haar neergang is de heersende klasse al meer dan een eeuw in staat geweest om gebruik te maken van haar eigen politieke en militaire apparaat - met andere woorden, haar bewuste tussenkomst als een klasse - om een volledig verlies van controle te voorkomen, en een definitieve afloop van de gang naar chaos, die inherent is aan het kapitalisme.
Zelfs als we niet de capaciteit van onze vijand moeten onderschatten om met nieuwe tijdelijke oplossingen te komen, beginnen de grenzen van deze controle langzamerhand op te doemen. Het grootste probleem voor onze klasse is dat het overduidelijke bankroet van de bourgeoisie op alle vlakken - economisch, politiek, moreel - met uitzondering van een zeer kleine minderheid, geen revolutionaire kritiek op het systeem losmaakt, maar eerder misplaatste woede en verpestende verdelingen in onze eigen gelederen. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de toekomstige mogelijkheid om het kapitalisme te vervangen door een menselijke samenleving.
En toch is een van de redenen waarom de wereldoorlog vandaag niet op de agenda staat is, ondanks de ernst van het kapitalistische crisis, dat de arbeidersklasse niet is verslagen in een open gevecht en nog onbenutte verzetscapaciteiten bezit. Dit hebben we gezien in diverse massale bewegingen die in het laatste decennium plaatsvonden, zoals de Franse studentenstrijd in 2006, de opstand van de ‘Indignados’ in Spanje in 2011 en de Occupy-beweging in de VS in hetzelfde jaar. In Amerika kunnen deze voorboden van verzet worden waargenomen in de protesten tegen de politiemoorden en de post-electorale demonstraties tegen Trump, ofschoon deze bewegingen nog geen duidelijk arbeiderskarakter vertonen en kwetsbaar zijn voor recuperatie door de professionele politici van links en verschillende uitingen van nationalistische en democratische ideologie.
Om zowel de populistische dreiging als de valse alternatieven te overwinnen, die aan de man gebracht worden door de linkervleugel van het kapitaal, is er van de arbeidersklasse iets veel diepgaander vereist, een beweging voor proletarisch onafhankelijkheid die in staat is zichzelf politiek te begrijpen en zich opnieuw te verbinden met de kommunistische tradities van onze klasse. Dit geldt niet voor de nabije toekomst, maar revolutionairen hebben een rol te spelen in de voorbereiding van een dergelijke ontwikkeling, vooral door te strijden voor de politieke en theoretische verheldering die, doorheen de heersende mist van de kapitalistische ideologie, in al haar facetten, een licht kan werpen op de weg.
Amos / 13.11.2016
[1] Een teken van hoe wijdverbreid de republikeinse oppositie tegen Trump is: voormalig president George W. Bush zelf, die toch geen deel uitmaakt van de linkervleugel van de partij, heeft aangekondigd dat hij liever blanco stemt dan op Trump.
[2] We verwerpen de politiek van de 'anti-fascistische’ allianties met één sector van de heersende klasse tegen een andere, vooral geërfd van de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde, die juist in het anti-fascisme een middel zag de arbeidersklasse te mobiliseren voor de oorlog. Zie: ‘Anti-fascism: a formula for confusion [13]’, een tekst van Bilan heruitegeven in: International Review 101.
[3] Voor meer informatie over B. Sanders, zie het artikel 'Trump versus Clinton: nothing but bad choices for the bourgeoisie and the proletariat [12]'.
In het laatste nummer van World Revolution vermeldden we dat één van de deelnemers aan onze publieke bijeenkomst over ‘anarchisme en de oorlog in Spanje in de jaren 1930’ een brochure had verspreid met als titel ‘Als opstanden uitdoven’ door Gilles Dauvé.[1] Een kort voorwoord door Antagonism Press vertelt ons dat “dit een kortere, geheel gewijzigde versie is van het voorwoord bij de selectie van artikelen over ‘Spanje 1936-39’ van het Italiaans linkse tijdschrift Bilan, dat in het Frans is gepubliceerd onder de pseudoniem Jean Barrot en nu is uitverkocht”.
Wij willen een aantal opmerkingen maken bij deze tekst omdat hij, ondanks het feit dat hij veel van de analyses en klasse-standpunten bevat, die zijn uitgewerkt door de linkscommunisten, als belangrijkste doel heeft om een theoretische verantwoording te leveren voor enkele van de meest fundamentele verwarringen rond de methoden en doelen van de communistische revolutie – een verwarring die wijdverbreid is in de kringen, die we aanduiden als het moeras, de steeds veranderende zone van overgang tussen de burgerlijke en de proletarische politiek.
Dit is niet de eerste keer dat we Barrot’s werk zijn tegengekomen. Het lijdt geen twijfel dat hij is beïnvloed is door de Communistische Linkerzijde en, evenals de collectie van Bilan, publiceerde hij ook een boek over de Duitse Linkerzijde, dat wij recenseerden toen die in de jaren 1970 werd gepubliceerd.[2] Deze invloed is nog steeds zichtbaar in de tekst ‘Als opstanden uitdoven’. Maar Barrot's politieke bijzonderheid is dat hij een sleutelfiguur is in de ontwikkeling van wat wij de zogenaamde ‘modernistische’ stroming hebben genoemd.
Deze stroming, alhoewel met een veel oudere wortels[3], maakte haar echte debuut in het midden van de jaren 1970, in de marges van het revolutionaire milieu; het was in wezen een product van de teruggang van de eerste golf van arbeidersstrijd, die gelanceerd werd door de algemene staking in Frankrijk in mei 1968. Hij dook weer op in een andere periode van teruggang in de vroege jaren 1980, na de nederlaag van de massale stakingsbeweging in Polen.[4] Vandaag, met de ‘ineenstorting van het communisme’ en de bijbehorende campagnes, wordt de arbeidersklasse geconfronteerd met nog grotere moeilijkheden, zelfs twijfels over haar eigen voortbestaan als een klasse; het is derhalve niet verwonderlijk dat modernistische ideeën opnieuw aan invloed winnen.
In Groot-Brittannië ontleent de groep Aufheben bijvoorbeeld veel aan de modernistische vooronderstellingen. Dit komt omdat het een karakteristiek bij uitstek is van het modernisme om de revolutionaire aard van de arbeidersklasse in vraag te stellen. Op zich is dit niet uniek – in feite is het 'modernisme' of 'postmodernisme' momenteel uitgegroeid tot een overheersende kenmerk van de burgerlijke ideologie in het algemeen. Maar de modernisten, waar we op doelen, beweren ook communisten te zijn.
Het politieke traject van Jacques Camatte en de revue Invariance bieden het duidelijkste illustratie van de benadering die ten grondslag ligt aan het modernisme. Camatte brak in de jaren 1960 met de bordigistische IKP, nadat hij ontdekt had dat het bordigisme niet de enige uitdrukking was van de historische Communistische Linkerzijde. Maar heel snel ontwikkelde Camatte diepe twijfels over het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse, en definieerde het steeds meer als niet meer dan een radertje in het kapitalistische systeem. Dit ging gepaard met een groeiende afwijzing van het marxisme en van revolutionaire politieke organisaties, die hij karakteriseerde als ‘gangsters’. De hoop van Camatte richtte zich op de uitbarsting van een ‘universele menselijke klasse’ tegen kapitaal; maar heel snel bleek die hoop ook ijdel en nam hij de logische stap door zich terug te trekken in een overlevingscommune in de Franse bergen.
Deze ‘moderne’ poging om een revolutionaire weg te vinden, die buiten het marxisme en de arbeidersklasse om gegaan is, onthulde zichzelf als een nieuwe verpakking van klassiek anarchistische thema's. Toen Marx in de jaren 1860 Bakoenin bekritiseerde, toonde hij reeds aan dat dergelijke thema’s reactionair waren, dat de arbeidersbeweging deze achter zich had gelaten. Ze had het concept van de ‘grootse maatschappelijke liquidatie’ van alle onderdrukten vervangen door het idee van een strijd van de arbeidersklasse om de politieke macht; ze had de organisatorische methoden gebaseerd op affinitaire groepen, sekten, en vrijbuitende individuen vervangen door het principe van de coherente politieke organisatie van de communistische voorhoede. Het modernisme, zoals het klassieke anarchisme, was in wezen de ideologie van de kleinburgerlijke denkers, die van mening zijn dat de arbeidersklasse voor hen niet revolutionair genoeg was en die daardoor alleen kon afglijden naar de concepten uit het verleden.
Barrot heeft nooit de extreme conclusies van Camatte getrokken, maar vanaf de jaren 1970 is heeft hij voortdurend alle onderliggende ideeën van het modernisme verspreid: zijn twijfels over de arbeidersklasse, zijn karakterisering van de politiek als een zone van vervreemding, zijn afwijzing van militante politieke organisatie en zijn verwerping van de noodzaak voor de arbeidersklasse om haar politieke overheersing te vestigen, voordat zij een communistische samenleving kan creëren. ‘Als opstanden uitdoven’ laat zien dat Barrot deze inzichten niet heeft herzien.
Barrot over Spanje 1936: restanten van helderheid, toevoeging van verwarring
Barrot's tekst wordt gepresenteerd, zoals we hebben gezien, als een ‘volledig herziene’ versie van de inleiding tot de collectie van Bilan over Spanje. Het is zelfs zoveel herzien dat er nauwelijks nog melding is van Bilan. Integendeel, de historische verwijzingen van Barrot wijzen naar de standpunten van de Nederlandse linkscommunisten. Dit is waarschijnlijk geen toeval, want hoewel de meerderheid van de Nederlandse radencommunisten zeker revolutionaire standpunten verdedigde over de oorlog in Spanje, was het de Italiaanse Linkerzijde die erop aandrong om bepaalde marxistische basisprincipes toe te passen op de situatie. Dit moet iedere zichzelf respecterende modernist ongemakkelijk doen worden: begrippen zoals de neergang van het kapitalisme, de noodzakelijkheid van de klasse-partij en de dictatuur van het proletariaat.
Voeg daarbij de argumentatie van de tekst dat het ‘marxisme’ niet minder is dan anarchisme, omdat het de staat opvat als een ‘fetisj’ (zie blz. 32-33), en we kunnen concluderen dat de Barrot van de jaren 1990 verder is afgedwaald van het marxisme dan de Barrot van de jaren 1970, die nog hetvolgende kon schrijven: "De toekomstige revolutie zal niet een kwestie van banale herhaling zijn, maar zal de historische draad van de Internationale Communistische Linkerzijde opnemen” (uit: De Communistische Linkerzijde in Duitsland, 1918-21, aangehaald in International Revue, Frans- Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 11). Niettemin bevat de tekst nog vele heldere passages, geërfd van de Communistische Linkerzijde:
- in zijn verwerping van de fraude van het anti-fascisme en de trotskistische ideologie van het Eenheidsfront. Volgens de laatste had de arbeidersklasse de opkomst van het fascisme in de jaren 1920 en 1930 kunnen tegenhouden ‘als het alleen maar’ de verschillende linkse partijen had gedwongen om zich te verenigen. Daarentegen bevestigt Barrot's tekst opnieuw dat juist de linkerfacties van kapitaal in Duitsland en Italië de weg bereidden voor het fascisme;
- ten aanzien van de oorlog in Spanje herhaalt de tekst het standpunt, zoals verdedigd door Bilan en andere linkscommunistische fracties van dat moment: het proletariaat verdedigde zich inderdaad tegen de fascistische aanvallen toen het in juli 1936 op eigen klasse-terrein vocht. Maar het stelde zich daarna bloot aan een bloedbad door zich te laten meevoeren op het burgerlijk terrein, in de verdediging van de democratie. De tekst toont tevens de cruciale rol van het semi-trotskisten van de POUM en de anarchisten van de CNT, die de arbeidersklasse afhielden van een frontale aanval op de kapitalistische staat en haar onderwierpen aan het gezag van de bourgeoisie, in het bijzonder door middel van de ‘anti-fascistische milities’ en de ‘collectivisaties’. Tenslotte blijkt dat, wanneer de Spaanse arbeiders een laatste poging deden om zich achter hun eigen klasse-barricaden te hergroeperen, de POUM en de CNT weer klaar stonden om dit verzet van binnenuit te saboteren.
Het fundamentele probleem met de tekst is dat Barrot, met zijn modernistische opvattingen, het anarchisme via de voordeur verjaagt, maar het via de achterdeur weer binnen laat komen. Barrot is het eens met het marxisme dat de burgerlijke staat moet worden kapotgeslagen in een echte revolutionaire opstand. Maar hij is uitgesproken tegen de marxistische opvatting dat het proletariaat zijn eigen politieke overheersing moet consolideren om het sociale en economische leven in een communistische richting te leiden. Voor hem is dit gewoon een formule om nieuwe macht over het proletariaat te creëren. Wat daarentegen nodig is, is een onmiddellijke ‘communisatie’ [vergemeenschappelijking] van de maatschappelijke verhoudingen:
“Er is geen revolutie zonder de vernietiging van de staat. Maar hoe dan? Gewapende bendes verslaan, staatsstructuren en gewoontes kwijtraken, nieuwe manieren van debatteren en besluiten nemen - al deze taken zijn onmogelijk als ze niet hand in hand gaan met ‘communisatie’ [vergemeenschappelijking]. We willen de ‘macht’ niet: we willen het vermogen om het hele leven te veranderen ... Als de revolutie verondersteld wordt in de eerste plaats politiek en daarna sociaal te zijn, dan zou de schepping van een apparaat, wiens enige functie is het om te strijden tegen de aanhangers van de oude wereld. Het zou een negatieve functie van onderdrukking hebben, een systeem zijn van controle gebaseerd op geen andere inhoud dan zijn 'programma' en zijn wil om het communisme te realiseren op de dag dat de voorwaarden dat uiteindelijk mogelijk maken. Dit is hoe een revolutie zichzelf ‘ideologiseert’ en de geboorte van een gespecialiseerde laag legitimeert die toezicht houdt op de rijping en de verwachting van de immer stralende toekomst niet nooit komt. De essentie van de politiek kan en wil niets veranderen; het brengt samen wat gescheiden is zonder verder te gaan ...” (Als opstanden uitdoven, blz. 38).
Dit alles is zeer dubbelzinnig. Het is zeker waar dat de proletarische revolutie alleen kan schijnen als zij is gebaseerd op de permanente zelfactiviteit van de proletarische massa's op alle gebieden van het leven, en dat deze zelfactiviteit vanaf het begin moet gaan in een communistische richting. Maar met de ontkenning van het primaat van de politiek in de eerste, beslissende fase van de revolutie verspreidt hij de illusie dat er vanaf dag één een nieuwe communistische leefwijze kan ontstaan in iedere uithoek van de maatschappij – iets wat Barrot suggereert als hij zegt dat:
“ …. communistische maatregelen (in Spanje) hadden het maatschappelijk draagvlak van de twee staten (de republikeinse en de nationalistische) kunnen ondermijnen, al was het alleen maar door de agrarische kwestie op te lossen ... Er kwam een subversieve kracht tot uiting, waardoor de meest onderdrukte lagen, die het verst afstonden van het politieke leven (bijv. vrouwen) op de voorgrond traden, maar deze kon het systeem niet met wortel en tak uitroeien.”(blz. 35).
Hier lijkt Barrot geen rekening te houden met het feit dat de Spaanse gebeurtenissen plaatsvonden in een periode van zware nederlaag voor de arbeidersklasse op internationaal vlak; maar zoals de ervaring van de Russische revolutie laat zien, kan er zelfs in een globaal revolutionaire periode, heel weinig veranderd worden op het gebied van maatschappelijke en economische betrekkingen totdat de arbeidersklasse op wereldschaal de politieke macht heeft gegrepen. Zelfs als veel van de passieve vormen van waarde-productie zijn opzij gezet (bijv. de virtuele onderdrukking van geld tijdens de periode van het ‘oorlogscommunisme’ in Rusland), toch zal de inhoud van een sociale verhoudingen, gebaseerd op schaarste, zich steeds opnieuw stellen. Het communisme is niet de ‘communisatie’ [vergemeenschappelijking] van de armoede in één land, maar een wereldwijde samenleving van overvloed die de concurrentie en de ruil tot aan de wortels heeft uitgegraven.
Door de vermenging van de maatschappelijke en politieke dimensies van het revolutionaire proces en vooral door vereenzelviging van de proletarische politieke macht met de automatische opkomst van een ‘apparaat’, een ‘specialistische laag’, heeft de 'moderne' Barrot aan Bakoenin's afwijzing van het ‘autoritaire marxisme’ alleen maar van een nieuwe theoretisch glans gegeven. Geen wonder dat zijn geschriften zo aantrekkelijk zijn voor degenen die moe zijn van de clichés van het traditionele anarchisme, maar die zich wanhopig vastklampen aan zijn meest fundamentele opvattingen.
Amos / 06.12.1999
[1] Gilles Dauvé, When Insurrections Die. Het pamflet werd gratis verspreid; de reden daarvoor is, zoals de verspreider zei op het forum, dat "Ik een communist ben". Vermoedelijk betekent dit dat communistische literatuur niet zou moeten worden verkocht. Voor ons is deze benadering helemaal niet communistisch; zij is een nieuwe uiting van anarchistisch moralisme en individualisme. Een communistische organisatie - in tegenstelling tot losse samenwerkingsverbanden van individuen die van tijd tot tijd dingen publiceren - die principieel weigert haar pers te verkopen, zou niet in staat zijn om haar voortbestaan heel lang te verzekeren.
[2] Zie Internationale Revue, Frans-, Engels, en Spaanstalige uitgave, nr. 11 ‘The Communist Left in Germany 1918-21: a review’
[3] Voor een studie van de historische wortels van het modernisme, zie: ‘Modernism: from Leftism to the Void' in World Revolution nr. 3. Dit artikel bevat echter een belangrijke zwakheid omdat het modernisme daarin min of meer wordt gepresenteerd als iets dat direct voortkomt uit de contrarevolutie. Vandaag zouden we het definiëren als een uitdrukking van het moeras, hoewel het sterke linkse en parasitaire elementen in zich kan bergen.
[4] Zie ‘Doubts about the Working Class’ in Internationale Revue, Frans-, Engels, en Spaanstalige uitgave, nr. 34. Op het moment dat deze tekst geschreven werd (1983), publiceerde Barrot ‘La Banquise’ (De IJsschots), een tijdschrift dat gebaseerd was op een extreem pessimisme ten aanzien van de mogelijkheden van de klassenstrijd. Daarvoor had hij nog een groep in het leven geroepen met de naam Mouvement Communiste (niet te verwarren met de parasitaire groep met dezelfde naam). Momenteel schijnt hij op louter individuele basis te werken.
Half november 2015. De week na de terroristische aanslagen in Parijs stonden in de Belgische provincies Namen en Henegouwen syndicale acties en stakingen geprogrammeerd tegen de maatregelen van de regering Michel (indexsprong, hervorming van het pensioenenstelsel, verhoging van de prijs van een aantal basisvoorzieningen, zoals elektriciteit, …). Deze pasten in een beurtrol per provincie in het kader van een uitgebreid syndicaal plan van “acties” om de regering te “dwingen tot sociaal overleg” over deze maatregelen. Later in december, was het de beurt aan de spoorbonden, geconfronteerd met veel onvrede op de werkvloer, om 5 gespreide stakingsdagen aan te kondigen in januari tegen de besparingsplannen van de regering voor het spoor (4% productiviteitsstijging per jaar, langer werken en minder vakantie nemen) en de onverzoenlijke houding van beleidsverantwoordelijken van de NMBS (mislukking van sociaal akkoord 2016-2018).
De dynamiek van de arbeidersstrijd wordt echter mede bepaald door de context waarin die plaatsvindt. Wat is de betekenis van deze “acties” in een context van de “vluchtelingencrisis”, de massale toevloed aan vluchtelingen die de oorlog en de chaos in steeds uitgebreidere regio’s van de wereld ontvluchten, en van een soort “staat van beleg” uitgeroepen na de terroristische aanslagen in Parijs? Immers, Na deze gruweldaden in Parijs op 13.11 bleek snel dat de coördinatie van de aanval en de voorbereiding ervan voor een groot deel in België gebeurd is en dat verscheidene daders zelf uit Brussel kwamen. Minstens één van de daders vluchtte trouwens diezelfde avond naar België. Dit leidde snel tot het opdrijven van het “gevarenniveau” van 3 naar 4 (directe dreiging van aanslagen) en tot een soort van ‘staat van beleg’ met gewapende soldaten en pantservoertuigen in de centra van de grote steden, terwijl de meeste massa evenementen werden afgelast. Vooral echter overspoelde de bourgeoisie ons met een eensgezinde en overdonderende ideologische campagne.
Laten we eerst bekijken wat de doelstellingen zijn van deze campagnes meer specifiek in België. Zonder de imperialistische component te onderschatten (zie de aangekondigde herstrukturering en modernisatie van het leger), streven ze essentieel drie doelen na:
- de verdeling en de argwaan aanwakkeren tussen “autochtone” en “allochtone” arbeiders en de tegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie vervangen door de tegenstelling tussen “Belgen/Vlamingen/Walen” en “buitenlanders” (“Eigen volk eerst!”)
- angst te zaaien onder de bevolking, meer specifiek de arbeiders, en ze aan te zetten bescherming te zoeken onder de vleugels van de staat;
- de nationale eenheid na te streven onder alle “burgers” in de verdediging van de democratische staat en zijn “vrijheden”.
Als men nu de bedoeling en het resultaat bekijkt van de vakbondscampagnes, moet men zich afvragen: gaan ze hier tegen in? Hebben ze de greep van de campagnes op het arbeidersbewustzijn afgezwakt? Bieden ze een alternatief t.o.v. de propaganda van de bourgeoisie?
a) De verspreide en regionaal opgedeelde acties van de bonden in november of de sterk corporatistische staking van de spoorbonden (treinbestuurders, seingevers, …) in december-januari werken de sectoriële, lokale of zelfs communautaire verdeling in de hand. Zo ging de spoorstaking, die eerst herleid werd tot 2 dagen op 6 en 7 januari om “de examens van de studenten niet te storen”, uiteindelijk enkel door in Wallonië, omdat de Vlaamse vleugels van de spoorbonden hun actieplannen introkken en “voor overleg kozen”.
b) De bijna karikaturale opdeling van de stakingen tegen de algemene plannen van de regering, alsook de ultrasectoriële acties van de spoorbonden moesten eerst en vooral leiden tot compromisakkoorden en aantonen dat enkel overleg tussen de verschillende partijen binnen de democratisch overlegmaatschappij een uitweg biedt. Zo was de laatste wending in de soap van de spoorstakingen het nieuws dat bonden en directie opnieuw zonder voorwaarden of toegevingen gingen praten om te bekijken hoe de besparingen toch doorgevoerd kunnen worden zonder het personeel te hard te treffen “Wij willen dat er weer gepraat wordt, desnoods zonder bemiddelaar” stelde een verantwoordelijke van de Christelijke vakbond.
c) Tenslotte liet deze corporatistische aanpak de bourgeoisie toe een intense campagne te voeren over het “egoïsme” van de spoorarbeiders die de rest van de arbeiders en de ganse bevolking gijzelden en ingaan tegen het nationaal belang.
Het is duidelijk dat de resultaten van de vakbondscampagnes naadloos aansluiten bij de doelstellingen van de campagnes van de bourgeoisie.
Zeker, er heerst ontevredenheid en woede over de maatregelen van de regering. Maar ook veel radeloosheid en een gevoel van onmacht om hiertegen te reageren. In deze context van de burgerlijke campagnes rond de “dreiging van vluchtelingen” en van terroristische aanslagen, zijn deze syndicale acties, georganiseerd en gepland van A tot Z door de bonden, een versterkend element in de huidige campagne van de bourgeoisie. Door het gevoel van machteloosheid en zinloosheid te versterken tegenover de huidige uitdagingen, door het perspectief van “overleg” als alternatief aan te zwengelen, versterken ze ook het idee dat uiteindelijk alleen de Staat en zijn instrumenten bescherming kunnen bieden t.o.v. de huidige dreigingen. Voor de arbeiders, staat de strijd voor de verdediging van hun levensvoorwaarden lijnrecht tegenover de verdediging van de kapitalistische staat en zijn “burgerdemocratie”. Het gaat samen met de strijd voor de omverwerping van dit barbaars systeem en het tot stand brengen van een maatschappij die beantwoordt aan de behoefte van de mensheid.
Kra / 11.02.16
De stoot tot het schrijven van dit werk werd mij gegeven door een populaire inleiding in de economie die ik sinds geruime tijd voor dezelfde uitgeverij aan het voorbereiden ben, maar tot de voltooiing waarvan ik steeds word afgehouden door mijn activiteit bij de partijschool of door andere voorlichtingswerkzaamheden. Toen ik in januari van dit jaar na de verkiezing voor de Rijksdag weer aan de slag ging om die popularisering van de economische leer van Marx althans in grote lijnen tot een eind te brengen, stuitte ik op een onverwachte moeilijkheid. Het wilde mij niet gelukken om het totale proces van de kapitalistische productie zowel in haar concrete betrekkingen als in haar objectieve historische begrenzingen met voldoende duidelijkheid weer te geven. Bij nader inzien kwam ik tot de overtuiging dat het hier niet alleen gaat om een vraagstuk van beschrijving, maar ook om een probleem, dat theoretisch in verband staat met het tweede deel van Het Kapitaal van Marx, een probleem, dat niet alleen ingrijpt in de praktijk van de huidige imperialistische politiek, maar evenzeer in de economische wortels daarvan.
Zou het mij gelukt zijn om dit probleem op wetenschappelijk verantwoorde wijze aan te vatten, dan zou wellicht ook dit werk, naar het mij voorkomt, niet alleen een zuiver theoretisch belang hebben, maar ook van betekenis zijn voor onze praktische strijd tegen het imperialisme.
December 1912.
R. L.
Uit Hoofdstuk I
Habent sua fata libelli — boeken hebben hun lotgevallen. Toen ik mijn ‘Accumulatie’ schreef, was ik van tijd tot tijd terneergeslagen door de gedachte: alle aanhangers van de leer van Marx, die theoretische belangstelling hebben, zullen verklaren dat wat ik zo grondig tracht te bewijzen toch een vanzelfsprekende aangelegenheid is. Niemand heeft zich de zaak eigenlijk anders voorgesteld; de oplossing van het probleem was immers de enige mogelijke en denkbare. Het is anders uitgelopen: een reeks van critici in de sociaaldemocratische pers hebben verklaard dat het boek in zijn opzet volledig is mislukt; immers — een probleem dat moet worden opgelost bestaat er helemaal niet op dit gebied, ik zou het betreurenswaardige slachtoffer van een puur misverstand zijn geworden. Ja, er zijn zelfs aan het verschijnen van het boek een aantal voorvallen verbonden, die in elk geval nogal ongewoon genoemd moeten worden. De in de Vorwärts van 16 februari 1913 verschenen ‘bespreking’ van de ‘Accumulatie’ is qua toon en inhoud zeer opvallend, zelfs voor lezers die met de materie weinig bekend zijn.
Het valt des te meer op omdat het bekritiseerde boek, op grond van zijn zuiver theoretische karakter, tegen geen enkele nog levende marxist polemiseert en strikt zakelijk is. Nog niet voldoende. Tegen hen, die een positieve bespreking van het boek hebben gepubliceerd werd een soort soevereine actie begonnen, die met name door het Centrale Orgaan met merkwaardige gloed bedreven werd.
Een unieke en op zichzelf nogal komieke gebeurtenis: de hele redactie van een politiek dagblad — van wie hoogstens twee leden het boek gelezen hebben — bemoeit zich met zaken over een ingewikkeld abstract wetenschappelijk probleem, met een zuiver theoretisch werk, met het doel er een oordeel over te vellen.
Anderzijds ontzeggen zij mannen als Franz Mehring en J. Karski elke kennis van zaken in vragen van nationaal-economische aard. Slechts zij die mijn boek kleineren worden als ‘experts’ gekenschetst!
Een zodanig lot is, bij mijn weten, nog geen enkele nieuwe verschijning in de partijliteratuur sedert haar bestaan ten deel gevallen — en het is waarlijk niet alles goud en paarlen wat er zo allemaal al verschijnt bij de sociaaldemocratische uitgevers. . .
. . . Laten we nu het probleem in zijn allereenvoudigste vorm zonder alle mathematische formules bekijken. De kapitalistische productiemethode wordt beheerst door het winstbelang. Voor elke kapitalist heeft de productie pas dan zin en doel, wanneer deze ertoe leidt dat zij hem, jaar in jaar uit, de zakken vult met ‘zuiver inkomen’, d.w.z. met winst, welke overblijft na al zijn kapitaaluitgaven. Maar het voornaamste doel van de kapitalistische productie — dit in onderscheid met elke andere op uitbuiting berustende vorm van economie — is niet slechts winst in zuiver goud, maar steeds groeiende winst. Voor dit doel maakt de kapitalist gebruik — wederom in kardinale afwijking van andere historische types van uitbuiting — van de vrucht van zijn uitbuiting; niet uitsluitend en niet eens in de eerste plaats voor zijn persoonlijke luxe, maar in toenemende mate ter wille van de vergroting van de uitbuiting zelf. Het grootste deel van de behaalde winst wordt opnieuw tot kapitaal gemaakt en wordt gebruikt voor de verdere vergroting van de productie. Het kapitaal hoopt zich daardoor op. Het wordt volgens de uitdrukking van Marx ‘geaccumuleerd’, en de kapitalistische productie breidt zich steeds meer uit, als voorwaarde voor en als gevolg van de accumulatie.
Om dit te bereiken is echter de goede wil van de kapitalisten niet voldoende. Het proces is gebonden aan objectieve maatschappelijke voorwaarden, die zich op de volgende wijze laten samenvatten.
Allereerst moet er voor het mogelijk maken van de uitbuiting in voldoende mate arbeidskracht aanwezig zijn. Het kapitaal zorgt er voor dat dit het geval is, nadat de kapitalistische productiemethode historisch van stapel is gelopen en enigszins is gestabiliseerd door het eigen mechanisme van deze productie. En wel, ten eerste doordat het de werkende loonarbeiders in staat stelt om zich door middel van het ontvangen loon in leven te houden ter wille van de verdere uitbuiting en om zich te vermeerderen door de natuurlijke voortplanting; ten tweede doordat het een steeds ter beschikking staand reserveleger van industrieproletariërs vormt. Dit gebeurt door de bestendige proletarisering van de middengroepen maar ook door de concurrentie, die de loonarbeid ondervindt ten gevolge van de mechanisering in de grote bedrijven.
Wanneer aan deze voorwaarde is voldaan, dat wil zeggen wanneer er steeds beschikbaar uitbuitingsmateriaal in de vorm van loonproletariaat aanwezig is en het mechanisme van de uitbuiting door het loonsysteem zelf is geregeld, dan moet aan een nieuwe elementaire voorwaarde voor de kapitaalaccumulatie voldaan worden, namelijk de mogelijkheid om in toenemende mate de door de loonarbeiders gefabriceerde waren te verkopen, dit om zowel de eigen onkosten van de kapitalist als ook de uit de arbeidskracht afgeperste meerwaarde te verzilveren.
“De eerste voorwaarde voor de accumulatie is dat de kapitalist er in geslaagd is om zijn waren te verkopen en het grootste deel van het zo verkregen geld in kapitaal terug te veranderen.” (Het Kapitaal I, Afdeling 7, Inleiding).
Opdat de accumulatie als een continu proces plaats kan vinden, is het daarom steeds vereist, dat er in groeiende mate afzetmogelijkheden voor de waren bestaan. Zoals wij gezien hebben, schept het kapitaal zelf de elementaire voorwaarden tot uitbuiting. Het eerste deel van Het Kapitaal van Marx heeft dit proces grondig geanalyseerd en beschreven. Hoe staat het nu met de mogelijkheid om de vruchten van die uitbuiting te realiseren, d.w.z. met de afzetmogelijkheden? Waarvan hangen die af? Hangt het soms van de macht van het kapitaal af of kan het door de aard van zijn productie mechanisme de afzet vergroten al naar gelang zijn behoeften, evenals het ook het aantal arbeidskrachten aanpast aan zijn behoeften? Volstrekt niet. Hier komt de afhankelijkheid van het kapitaal van de maatschappelijke condities tot uitdrukking. De kapitalistische productie heeft ondanks al haar kardinale verschillen met andere historische productievormen dit met hen alle gemeen, dat zij uiteindelijk volgens objectieve maatstaven de materiële behoeften van de gemeenschap moet bevredigen; dit ondanks het feit dat deze productie volgens subjectieve maatstaven slechts bedreven wordt met het winstmotief als leidraad; dit laatste subjectieve doel kan echter slechts worden bereikt wanneer de kapitalistische productie er in slaagt haar objectieve taak met succes te verrichten. Pas wanneer zij de maatschappelijke behoeften bevredigen — en al naarmate zij hierin slagen — kunnen de kapitalistische waren worden verkocht en kan de in hen vervatte winst worden verzilverd.
De bestendige vergroting van de kapitalistische productie, dat wil zeggen de bestendige accumulatie van het kapitaal, is dus gebonden aan een evenzo bestendige vergroting van de maatschappelijke behoeften.
Maar wat is maatschappelijke behoefte? Laat deze zich op een of andere manier preciseren, is deze op een of andere manier te meten, of zijn we hier slechts aangewezen op vage begrippen?
Beschouwt men de zaak zoals deze zich voordoet aan de oppervlakte van het economische leven, in de dagelijkse praktijk, dat wil zeggen met de ogen van de individuele kapitalist, dan is het vraagstuk inderdaad onbegrijpelijk. Een kapitalist produceert en verkoopt machines. Zijn afnemers zijn andere kapitalisten, die van hem de machines kopen om daarmee weer op kapitalistische wijze andere waren te produceren. Die ene kapitalist kan dus een betere afzet voor zijn waren vinden, al naar mate de anderen hun productie uitbreiden; hij kan des te sneller accumuleren, naarmate de anderen in hun bedrijfstakken accumuleren. Hier zou dus ‘de maatschappelijke behoefte’, waaraan onze kapitalist gebonden is, de behoefte van de andere kapitalisten zijn. De uitbreiding van zijn productie zou aan dezelfde voorwaarden zijn gebonden als de uitbreiding van de productie van de andere kapitalisten. Weer een andere kapitalist produceert en verkoopt levensmiddelen voor de arbeiders. Hij kan deze des te meer verkopen, dus des te meer kapitaal accumuleren, naarmate er meer arbeiders bij andere kapitalisten (en ook bij hem zelf) zijn aangesteld, of met andere woorden: naarmate andere kapitalisten meer produceren en meer accumuleren. Waarvan echter hangt het af of de ‘anderen’ hun bedrijven kunnen uitbreiden? Ogenschijnlijk weer van de omstandigheid óf ‘deze’ kapitalisten (bijvoorbeeld de producenten van machines of levensmiddelen) in toenemende mate de waren van hen afnemen. De ‘maatschappelijke behoefte’ waarvan de kapitaalaccumulatie afhankelijk is, schijnt zodoende bij nader inzien de kapitaalaccumulatie zelf te zijn. Hoe meer het kapitaal accumuleert des te meer accumuleert het, — op deze holle tautologie of wel op deze duizelingwekkende cirkel schijnt de nadere beschouwing uit te lopen. Er valt niet te constateren waar hier het begin, het initiatief van de impuls moet liggen. Wij draaien kennelijk in een cirkel rond en het probleem loopt ons uit de hand. Dat doet het ook inderdaad, maar alleen zolang wij de zaak vanuit de oppervlakte, dat wil zeggen vanuit het individuele kapitaal — het geliefde platform van de vulgair-econoom — willen onderzoeken.
De materie krijgt echter terstond een duidelijk reliëf en gestalte, wanneer wij de kapitalistische productie als een geheel — dus vanuit het standpunt van het totale kapitaal — beschouwen. Alleen dit kan gezaghebbend en juist zijn. Dit is nu net het standpunt dat Marx in het tweede boek van Het Kapitaal voor het eerst systematisch ontwikkelt en dat hij tot grondslag heeft gemaakt voor zijn gehele theorie. De soevereine, private existentie van het individuele kapitaal is inderdaad slechts een uiterlijke vorm, het is slechts de oppervlakte van het economische leven, dat evenwel door de vulgair-economen als iets essentieels en als enige bron van kennis wordt beschouwd. Onder deze oppervlakte en door alle tegenstellingen der concurrentie heen blijft het feit, dat alle individuele kapitalen een maatschappelijk geheel vormen. De existentie en de dynamiek van deze kapitalen worden geregeerd door gemeenschappelijke maatschappelijke wetten. Maar deze wetten kunnen zich slechts doen gelden door de planloosheid en de anarchie van het huidige systeem, achter de rug van de individuele kapitalisten om en in strijd met hun denkbeelden, langs een achterdeur, als louter uitzonderingen.
Vatten wij de kapitalistische productie samen als één geheel, dan laat zich al heel gauw het begrip ‘maatschappelijke behoefte’ verklaren en dit valt dan gemakkelijk te rangschikken.
Laten wij ons voorstellen, dat alle in de kapitalistische maatschappij gefabriceerde waren elk jaar op één plaats op een grote hoop worden gestapeld, om in de maatschappij als een gezamenlijke massa te worden gebruikt. Dan zouden we al spoedig merken dat deze warenbrij vanzelfsprekend in enige grote porties van verschillende soort en met diverse bestemming uiteenvalt.
In elke maatschappelijke structuur moest de productie steeds op de een of andere manier in tweeërlei functies voorzien. Zij moest in de eerste plaats zo goed mogelijk in het onderhoud van de maatschappij voorzien, kleding en overige culturele behoeften bevredigen door middel van materiële goederen; met andere woorden, de productie moest kortweg bestaansmiddelen in de ruimste zin van het woord voortbrengen ten behoeve van alle bevolkingslagen en leeftijdsgroepen.
In de tweede plaats moest elk productiesysteem telkens nieuwe productiemiddelen fabriceren, zoals grondstoffen, werktuigen, fabrieksgebouwen enzovoort, ter vervanging van de verbruikte productiemiddelen; dit moest gewoonweg gebeuren om het voortbestaan van de maatschappij, en dus ook van de verdere arbeid, te verzekeren. Zonder de bevrediging van deze beide, meest elementaire behoeften van elke menselijke samenleving, zouden culturele ontwikkeling en vooruitgang niet mogelijk zijn. De kapitalistische productie moet dan ook ten volle rekening houden met deze elementaire eisen, ondanks alle anarchie en ondanks alle winstmotieven.
Dienovereenkomstig zullen wij onder het kapitalisme in de hierbovengenoemde warenvoorraad allereerst een grote portie waren aantreffen, die moet dienen voor de vervanging van de in het afgelopen jaar verbruikte productiemiddelen. Dat zijn de nieuwe grondstoffen, machines, gebouwen enzovoort, (wat Marx het ‘constante kapitaal’ noemt). Zij worden door de verschillende kapitalisten in hun bedrijven gefabriceerd en moeten door hen onderling worden geruild, opdat de productie weer in alle bedrijven op de oude schaal kan worden hervat. Tot dusver hadden wij aangenomen, dat het de kapitalistische bedrijven zijn, die zelf alle benodigde productiemiddelen voor het arbeidsproces van de maatschappij leveren; de ruil van de respectievelijke waren op de markt is bij wijze van spreken dan ook niet meer dan een interne aangelegenheid van de kapitalisten. Het geld dat nodig is, om deze warenruil overal tot stand te brengen, komt natuurlijk uit de zak van de kapitalistische klasse zelf — omdat elke ondernemer toch a priori over het benodigde geldkapitaal voor zijn bedrijf moet beschikken — en het keert even natuurlijk, na de voltrokken ruil, vanuit de markt weer terug in de zak van de kapitalistische klasse.
Aangezien wij hier slechts de vernieuwing van de productiemiddelen tot hun vroegere omvang in beschouwing nemen, is ook dezelfde geldsom jaar in, jaar uit voldoende, om periodiek de wederzijdse verzorging der kapitalisten met productiemiddelen te bemiddelen en steeds weer in hun zakken terug te keren voor een rustpauze.
Een tweede grote afdeling der kapitalistische warenmassa moet, zoals in iedere maatschappij, de bestaansmiddelen voor de bevolking omvatten. Maar hoe is de rangschikking van deze bevolking in een maatschappij met een kapitalistische structuur en hoe komt zij aan deze voorzieningen? Twee elementaire vormen zijn kenmerkend voor de kapitalistische productiemethode. Ten eerste: de algemene warenruil, dat betekent in dit geval dat niemand uit de bevolking ook maar de geringste voorziening uit de maatschappelijke warenmassa ontvangt, die niet beschikt over koopmiddelen, over geld voor het aankopen van deze waren. Ten tweede: een kapitalistisch loonsysteem, dat wil zeggen een situatie waarbij de grote massa van het werkende volk slechts door aanbod van hun arbeidskracht aan de kapitalisten aan koopmiddelen voor waren kan komen, een situatie waar de bezittende klasse slechts door het benutten van deze omstandigheid in haar bestaan kan voorzien. Zo veronderstelt de kapitalistische productie vanzelf twee grote klassen in de bevolking, namelijk kapitalisten en arbeiders, die voor wat betreft de voorziening in hun bestaansmiddelen een totaal verschillend uitgangspunt hebben.
De arbeiders moeten, hoe onverschillig hun lot de individuele kapitalist ook laat, op zijn minst in zoverre worden gevoed, dat hun arbeidskracht bruikbaar blijft voor de doeleinden van de kapitalisten, zodat zij dus in stand worden gehouden voor de verdere uitbuiting. Uit de totale hoeveelheid waren, die door de arbeiders wordt geproduceerd, wordt hen dus jaarlijks door de kapitalistische klasse een bepaalde hoeveelheid bestaansmiddelen toegewezen, al naar gelang hun bruikbaarheid voor de productie.
Voor de aankoop van deze waren krijgen de arbeiders van hun ondernemers loon in de vorm van geld. Langs de weg van ruil krijgt dus de arbeidersklasse jaarlijks voor de verkoop van haar arbeidskracht van de kapitalistenklasse eerst een bepaalde som geld, waarmee zij op haar beurt weer een hoeveelheid bestaansmiddelen koopt uit de maatschappelijke warenmassa; deze is immers het eigendom van de kapitalisten. De hoeveelheid bestaansmiddelen, die hen wordt toegekend, stemt overeen met de stand van de culturele vooruitgang en met de stand van de klassenstrijd.
Het geld dat door deze tweede grote ruil in de maatschappij in circulatie wordt gebracht komt dus weer uit de zak van de kapitalisten: elke kapitalist moet voor de bedrijfsvoering van zijn onderneming het door Marx zogenoemde ‘variabele kapitaal’, dat wil zeggen het benodigde geldkapitaal voor de aankoop van de arbeidskrachten, voorschieten. Nadat de arbeiders overal hun bestaansmiddelen hebben ingekocht (en elke arbeider moet dit doen voor het onderhoud van zichzelf en zijn familie), keert dit geld echter weer tot aan de laatste cent terug in de zak van de kapitalisten als klasse. Het zijn toch immers kapitalistische ondernemers, die aan de arbeiders de bestaansmiddelen in de vorm van waren verkopen. Laten we nu eens de consumptie van de kapitalisten zelf bekijken. De bestaansmiddelen van de kapitalistische klasse behoren haar reeds als warenmassa toe, voordat er enige ruil heeft plaats gevonden, omdat onder kapitalistische verhoudingen alle waren over het algemeen — met uitzondering van die unieke waar, de ‘arbeidskracht’ — als eigendom van het kapitaal ter wereld komen. Uiteraard komen die ‘betere’ bestaansmiddelen, juist omdat zij waren zijn, slechts als eigendom van vele versplinterde particuliere kapitalisten, als respectievelijke particuliere eigendom van iedere individuele kapitalist ter wereld. Zo moet er ook onder de kapitalisten een ruil van hand tot hand naar alle kanten plaats vinden wil de kapitalistische klasse deelachtig worden aan de haar toebehorende hoeveelheid bestaansmiddelen, evenals dat het geval is bij het constante kapitaal. Ook deze maatschappelijke ruil vindt plaats door middel van geld en de voor dit doel benodigde hoeveelheden geld moeten wederom door de kapitalisten zelf in omloop worden gebracht. Evenals bij de vernieuwing van het constante kapitaal, is er dus weer sprake van een interne aangelegenheid van de ondernemersklasse. Na de voltrokken ruil keert ook deze geldsom steeds weer terug in de zak van de gezamenlijke klasse van kapitalisten, waar dit geld trouwens vandaan kwam.
Hetzelfde mechanisme van kapitalistische uitbuiting, dat in het algemeen de loonverhoudingen regelt, zorgt er voor, dat er ook werkelijk ieder jaar de noodzakelijke hoeveelheid bestaansmiddelen, met de nodige luxe voor de kapitalisten, wordt geproduceerd. Zouden de arbeiders slechts zoveel bestaansmiddelen vervaardigen als zij nodig hebben voor hun eigen onderhoud, dan zou hun tewerkstelling, vanuit het standpunt van de kapitalisten, zinloos zijn. Het aanstellen van arbeiders begint pas zin te krijgen, wanneer zij boven hun eigen onderhoud uit — hetgeen overeenkomt met hun loon — ook nog het onderhoud van hun ‘broodheren’ op hun schouders nemen; met andere woorden, wanneer zij voor de kapitalisten, volgens de terminologie van Marx, ‘meerwaarde’ voortbrengen. Deze meerwaarde moet er o.a. toe dienen om aan de kapitalistische klasse, precies zoals aan elke uitbuitende klasse in vroegere historische periodes, het noodzakelijke levensonderhoud en de nodige luxe te verschaffen. De kapitalisten behoeven dan nog slechts de bijzondere moeite te nemen om door wederkerige ruil van de respectievelijke waren en door het aanschaffen van de hiervoor benodigde geldmiddelen, zorg te dragen voor de eigen existentie ‘vol doornen en ontberingen’, alsook voor haar eigen natuurlijke voortplanting.
Daarmee zouden dan twee belangrijke sectoren uit de totale warenbrij van onze maatschappij zijn verklaard, namelijk de productiemiddelen ter vernieuwing van het arbeidsproces en de bestaansmiddelen voor het onderhoud van de bevolking, dat wil zeggen enerzijds het onderhoud van de arbeidersklasse en anderzijds dat van de kapitalisten.
Het zou gemakkelijk de schijn kunnen wekken, dat wij met de bovengenoemde beschrijving een nog al fantastisch beeld hebben gegeven.
Waar is heden de kapitalist, die weet wat en hoeveel er nodig is voor de vervanging van het gebruikte gezamenlijke kapitaal en voor het levensonderhoud van de gehele klasse van arbeiders of kapitalisten? Trouwens welke kapitalist bekommert zich hierom? Immers, elke ondernemer produceert er blindelings op los, in wedijver met de anderen; ieder ziet slechts dat, wat hem onder ogen komt. Maar ondanks deze warboel van concurrentie en anarchie bestaan er klaarblijkelijk nog onzichtbare regels die zich doen gelden, anders zou de kapitalistische maatschappij reeds lang ten onder zijn gegaan. De economie als wetenschap, en speciaal de economische leer van Marx is er op gericht om juist die verborgen wetten aan te tonen, die ondanks de warboel van de vrije economie toch de orde en het onderlinge verband van het maatschappelijke geheel handhaven. Wij moeten nu een nader onderzoek instellen naar de objectieve onzichtbare regels van de kapitalistische accumulatie, en wel met betrekking tot de kapitaalophoping door middel van voortschrijdende productie-uitbreiding. De hier beschreven wetten zijn niet beslissend voor het bewust handelen van de individuele kapitalisten. Ook bestaat er geen gezamenlijk orgaan van de maatschappij, dat deze wetten bewust ontwerpt en ten uitvoer brengt. Daaruit volgt dat de huidige productie slechts met horten en stoten, door louter te veel of te weinig, door louter prijsschommelingen en crisis, haar taak kan verrichten. Maar juist deze prijsschommelingen en crisis betekenen tenslotte voor de maatschappij in haar geheel, dat zij de chaotische privé-productie van tijd tot tijd steeds weer op het spoor van de totale samenhang moet brengen. Immers, zonder deze correcties zou de maatschappij al gauw stuk lopen. Wij zullen nu trachten om in marxistische zin de betrekkingen van de gezamenlijke kapitalistische productie tot de maatschappelijke behoefte in grote lijnen te ontwerpen. Wij concentreren ons dan op de basis van het probleem en verwaarlozen voorlopig de specifieke methoden van het kapitalisme: zoals prijsschommelingen en crisis, waarmee het deze relaties laat fungeren.
Met de twee hierboven beschreven grote porties uit de warenmassa van de maatschappij is het probleem toch niet uitputtend behandeld. Zou de uitbuiting der arbeiders er slechts toe dienen om aan de uitbuiters een leven in weelde toe te staan, dan zouden wij een soort gemoderniseerde slavenmaatschappij hebben of een middeleeuwse feodale maatschappij, maar niet de moderne heerschappij van het kapitaal. Haar levensdoel en roeping is: winst in de vorm van geld, ophoping van geldkapitaal. De eigenlijke historische betekenis van de productie begint dus pas daar waar de uitbuiting voorbij deze grens gaat. De meerwaarde moet niet alleen voldoende zijn om aan de kapitalisten een bestaan ‘conform hun stand’ te veroorloven, maar deze moet daarnaast nog een gedeelte bevatten dat voor de accumulatie is bestemd. Ja, dit dominerende, dit eigenlijke doel is zó doorslaggevend, dat de arbeiders slechts in het arbeidsproces worden ingeschakeld, d.w.z. in de gelegenheid worden gebracht om voor zichzelf bestaansmiddelen aan te schaffen, voor zover zij deze voor de accumulatie bestemde winst voortbrengen en voor zover er vooruitzichten bestaan, dat deze winst ook daadwerkelijk in geldvorm kan worden geaccumuleerd.
In de door ons beschreven gezamenlijke warenvoorraad van de kapitalistische maatschappij moeten we dus ook nog een derde portie waren aantreffen, die noch ter vernieuwing van de verbruikte productiemiddelen, noch voor het onderhoud van arbeiders of kapitalisten is bestemd; dit alles hebben wij reeds uit de doeken gedaan. Een bepaalde hoeveelheid van deze waren bevat het onschatbare deel van de uit de arbeiders geperste meerwaarde, dat in feite het levensdoel van het kapitaal voorstelt: namelijk de winst welke dient voor de kapitalisatie, voor de accumulatie. Wat voor soort waren zijn dat nu en wie in de maatschappij heeft er behoefte aan? Wie neemt ze weer van de kapitalisten af om hen te helpen aan het belangrijkste deel van de winst in zuiver goed?
Hier zijn wij gekomen aan de kern van het accumulatieproces en moeten wij alle pogingen om het probleem op te lossen nauwkeurig onderzoeken.
Zijn het soms de arbeiders, die de laatste portie waren afnemen uit de maatschappelijke warenvoorraad? Maar de arbeiders bezitten helemaal geen koopmiddelen, zij bezitten slechts lonen, die hun door de ondernemers zijn overhandigd. Slechts voor de grootte van deze loonsom zijn zij de afnemers van een karig toegewezen gedeelte van het totale maatschappelijke product. Boven dat bedrag kunnen zij geen cent uitgeven aan kapitalistische waren, hoeveel onbevredigde levensbehoeften zij nog mogen hebben. Het streven en het belang van de kapitalisten is er trouwens niet op gericht om de hoeveelheid van de door de arbeiders geconsumeerde waren uit het totale maatschappelijke product zo royaal mogelijk uit te meten; neen de kapitalisten wensen de koopmiddelen van de arbeiders zo beperkt mogelijk te houden. Immers vanuit het standpunt der kapitalisten als gezamenlijke klasse — het is erg belangrijk om dit standpunt vast te houden in onderscheid met de verwarde voorstellingen van de individuele kapitalist — zijn de arbeiders voor hen geen afnemers van waren, geen ‘klanten’ zoals anderen, maar enkel arbeidskracht, wier onderhoud uit een gedeelte van het eigen product bittere noodzaak is. Dit onderhoud wordt dan ook gereduceerd tot een sociaal toelaatbaar minimum. Zijn dan soms de kapitalisten zelf de afnemers voor die laatste hoeveelheid van hun maatschappelijke warenmassa? Door het vergroten van hun eigen particuliere consumptie? Zoiets zou misschien te realiseren zijn, hoewel er ook zonder dat al rijkelijk is gezorgd voor de luxe van de heersende klasse, zelfs met inbegrip van allerlei onzinnigheid. Echter als de kapitalisten de volledige uit de arbeiders geperste meerwaarde tot aan het laatste restje zelf zouden verorberen, kwam er niets van de accumulatie terecht. Wij hadden dan vanuit het standpunt van het kapitaal de volkomen fantastische terugval in een soort gemoderniseerde slavenmaatschappij of feodalisme. Nu is weliswaar het omgekeerde wel denkbaar en wordt ook af en toe vlijtig toegepast: kapitalistische accumulatie met uitbuitingsvormen van slavernij of lijfeigenschap hebben wij tot aan omstreeks 1860 in de Verenigde Staten, nu nog in Roemenië en in verschillende overzeese koloniën kunnen waarnemen. Maar het tegenovergestelde geval: een moderne vorm van uitbuiting, dus een vrije loonverhouding met achteraf een antieke of feodale verorbering van de meerwaarde met verwaarlozing van de accumulatie, deze doodzonde tegen de heilige geest van het kapitalisme is eenvoudig ondenkbaar. Wederom is er hier een wezenlijk verschil in standpunt al naar gelang men uitgaat van dat van het gezamenlijke kapitaal of dat van de individuele ondernemer. De laatste bijvoorbeeld ziet ook de luxe van de ‘grote heren’ als een gewenste vergroting van afzet, dus een prima gelegenheid voor accumulatie. Voor alle kapitalisten tezamen, als klasse, is het verteren van de gezamenlijke meerwaarde in luxe een grote waanzin, economische zelfmoord omdat het juist de vernietiging van de accumulatie tot in de wortel betekent.
Wie kan nu de afnemer zijn, de consument van de maatschappelijke warenportie, waarvan de verkoop pas tot accumulatie kan leiden? Zoveel is duidelijk: het kunnen nòch de arbeiders, nòch de kapitalisten zelf zijn.
Bestaan er echter in de maatschappij niet nog allerlei groepen, zoals ambtenaren, militairen, geestelijken, geleerden, artiesten, die noch bij de arbeiders noch bij de ondernemers gerekend kunnen worden? Bevredigen niet al deze bevolkingscategorieën ook hun consumptieve behoeften? Fungeren zij niet als de gezochte afnemers voor het warenoverschot? Dit is wederom stellig het geval voor de individuele kapitalist! Het is echter anders wanneer we alle ondernemers als klasse beschouwen: wanneer we letten op het gezamenlijke maatschappelijke kapitaal. In de kapitalistische maatschappij zijn alle bovengenoemde groepen en beroepen, economisch gezien, slechts een aanhangsel van de kapitalistische klasse. Vragen wij waar de ambtenaren, militairen, geestelijken, artiesten enz. hun koopkracht betrekken, dan blijkt dat deze koopkracht ten dele uit de zak van de kapitalisten, ten dele (via het indirecte belastingstelsel) uit de arbeiderslonen verkregen wordt. Deze groepen gelden dus volgens economische maatstaven voor het gezamenlijke kapitaal niet als een bijzondere klasse van consumenten, omdat zij geen zelfstandige bron van koopkracht bezitten. Veeleer zijn zij parasieten van de beide grote groepen: kapitalisten en arbeiders; zij worden gefinancierd uit de consumptiesector van deze groepen.
Wij zien dus nog steeds geen afnemers, geen mogelijkheid, om de laatste hoeveelheid waren aan de man te brengen, terwijl toch de verkoop hiervan pas tot accumulatie kan leiden. Maar tenslotte is de uitweg uit de moeilijkheid misschien heel eenvoudig en lijken we wellicht op de ruiter die zocht naar de knol waarop hij gezeten was. Zijn soms de kapitalisten elkaars eigen afnemers ook voor het restant van de waren — weliswaar niet om het te verbrassen, maar juist om het te gebruiken voor de productie-uitbreiding, voor de accumulatie? Immers wat is accumulatie anders dan juist uitbreiding van kapitalistische productie? Maar dan moeten die waren, om aan dat doel te beantwoorden, niet bestaan uit luxevoorwerpen voor de privé-consumptie van de kapitalisten; zij zouden dan moeten bestaan uit allerlei productiemiddelen (nieuw constant kapitaal) en uit bestaansmiddelen voor de arbeiders.
Wel, laten we dat dan eens aannemen. Zo’n oplossing verschuift evenwel slechts de moeilijkheid van het ene moment naar het andere. Immers als we stellen, dat accumulatie heeft plaatsgevonden en dat de uitgebreide productie het volgend jaar een nog veel grotere hoeveelheid waren op de markt gooit dan dit jaar, dan rijst opnieuw de vraag: waar vinden we nu de afnemers voor deze nog grotere hoeveelheid waren?
Wellicht is het volgende antwoord denkbaar: wel, deze grotere hoeveelheid waren zal ook het volgend jaar weer door de kapitalisten zelf onderling worden geruild en door hen allen worden verbruikt om opnieuw de productie uit te breiden — enzovoort van jaar tot jaar. We hebben dan met een carrousel te maken die in het luchtledig om zichzelf heen draait. Dat is dan niet kapitalistische accumulatie, d.w.z. opeenhoping van geldkapitaal, maar het tegendeel: een productie van waren ter wille van het produceren, dus vanuit kapitalistisch oogpunt een volstrekte zinloosheid. Wanneer steeds de kapitalisten als klasse slechts zelf afnemers zouden zijn van hun gezamenlijke warenmassa — afgezien van het deel dat zij telkens voor het onderhoud van de arbeidersklasse opzij moeten leggen — wanneer zij van zichzelf met eigen geld steeds de waren zouden kopen en de daarin vervatte meerwaarde zouden moeten ‘verzilveren’ —, dan zou een opeenhoping van de winst, d.w.z. accumulatie, bij de klasse van kapitalisten in haar geheel genomen, onmogelijk kunnen plaatsvinden.
Wil er sprake zijn van accumulatie, dan is hiervoor nodig dat er een groot aantal andere afnemers van deze hoeveelheid waren te vinden is, omdat deze waren de winst bevatten, die moet dienen voor de accumulatie. Deze afnemers moeten hun eigen koopmiddelen uit zelfstandige bronnen betrekken en niet halen uit de zakken van de kapitalisten, zoals de arbeiders of de collaborateurs van het kapitaal: rijksambtenaren, militairen, geestelijkheid, vrije beroepen. Dit moeten dus afnemers zijn die koopmiddelen verkrijgen op grond van warenruil, dus ook uit een warenproductie, die plaats vindt buiten de kapitalistische sfeer. Het moeten dus producenten zijn wier productiemiddelen er niet als kapitaal uitzien en die zelfs niet behoren tot de twee categorieën: kapitalisten en arbeiders; zij moeten echter op de een of andere wijze behoefte aan kapitalistische waren hebben.
Waar bevinden zich zulke afnemers? Buiten de kapitalisten met hun tros van parasieten bestaan er toch in de huidige maatschappij geen klassen of groepen! Hier komen we aan de kern van de vraag. In het tweede deel van Het Kapitaal, stelt Marx evenals in het eerste deel, als hypothese dat de kapitalistische productie de enige en uitsluitende productievorm is. In het eerste deel zegt hij:
“We laten hier de export buiten beschouwing; dank zij deze handel kan een natie luxeartikelen in productie of consumptiegoederen omzetten en omgekeerd. Om het object van onderzoek geheel zuiver en vrij van storende en bijkomstige omstandigheden te houden, moeten wij hier de gehele handelswereld beschouwen als één natie en vooropstellen, dat de kapitalistische productie zich overal heeft gevestigd en zich van alle takken van industrie heeft meester gemaakt”. (blz. 446, noot 21 a)[18].
En in het tweede deel:
“Buiten deze klasse (de kapitalisten) bestaat er volgens onze hypothese — algemene en uitsluitende heerschappij der kapitalistische productie — beslist geen andere klasse dan de arbeidersklasse.” (S. 321).
Volgens deze hypothese bestaan er weliswaar in de maatschappij slechts kapitalisten met aanhang en loonproletariërs, andere groepen, andere warenproducenten en consumenten, zijn onvindbaar. Maar als dat zo is staat de kapitalistische accumulatie, zoals ik heb getracht uit te leggen, juist voor het onoplosbare vraagstuk waar wij nu tenslotte zijn beland.
Men kan draaien en keren, zoals men wil, zo lang wij volharden in de hypothese dat er in de maatschappij geen andere bevolkingslagen zijn dan kapitalisten en loonarbeiders, is het voor de kapitalisten, als gezamenlijke klasse, onmogelijk om haar overtollige waren kwijt te raken, om de meerwaarde te verzilveren en zo het kapitaal te kunnen accumuleren.
Maar de hypothese van Marx is slechts een theoretische veronderstelling ter vergemakkelijking en vereenvoudiging van het onderzoek. In werkelijkheid is de kapitalistische productie, zoals ieder weet en zoals Marx zelf enige malen nadrukkelijk in Het Kapitaal heeft vastgesteld, volstrekt niet de enige en uitsluitend voorkomende. In werkelijkheid bestaan er in alle kapitalistische landen, ook in die met een zeer ontwikkelde grote industrie, naast kapitalistische ondernemingen in de nijverheid en de landbouw nog talrijke ambachtelijke- en boerenbedrijven, die eenvoudige warenproductie bedrijven. In werkelijkheid bestaan er naast oude kapitalistische landen zelfs in Europa nog landen, waarin de boeren- en ambachtelijke productie tot nu toe zelfs sterk overwegen, zoals Rusland, de Balkan, Scandinavië, Spanje. En tenslotte bestaan er, naast het kapitalistische Europa en Noord-Amerika, geweldige continenten waarop de kapitalistische productie pas op een paar verspreide punten wortel heeft geschoten. De volkeren van die continenten vertonen overigens de meest verschillende economische structuren, vanaf de meest primitief-communistische tot aan feodale, agrarische en ambachtelijke. Al deze vormen van maatschappij en van productie bestaan en bestonden niet alleen in geografische zin rustig naast het kapitalisme, maar er ontwikkelde zich vanaf het begin van het kapitalistische tijdperk een levendige stofwisseling van een heel eigen type, een stofwisseling tussen deze maatschappijvormen en het Europese kapitaal. De kapitalistische productie is als een echte massaproductie aangewezen op afnemers uit boeren- en ambachtelijke kringen van de oude landen, en ook op consumenten van alle andere landen. Bovendien kan de kapitalistische productie technisch helemaal niet functioneren zonder de producten van deze bevolkingslagen en uit deze landen (hetzij als productiemiddelen, hetzij als consumptiegoederen).
Vanaf het begin al moest er zich zodoende tussen de kapitalistische productie en haar niet-kapitalistische omgeving een ruilrelatie ontwikkelen. Hierbij vond het kapitaal zowel de mogelijkheid om de eigen meerwaarde ter verdere kapitalisatie te verzilveren, als ook de kans om zich allerlei noodzakelijke waren te verschaffen voor de eigen productie-uitbreiding.
Tenslotte kreeg het kapitaal de mogelijkheid om steeds weer nieuwe geproletariseerde arbeidskrachten aan te trekken door het absorberen van de niet-kapitalistische productiesystemen.
Dit evenwel is alleen maar de naakte economische inhoud van deze betrekkingen. In werkelijkheid wordt het gehele historische ontwikkelingsproces in de wereld, met al de daarmee gepaard gaande bonte en beweeglijke variatie, bepaald door de concrete vorm van deze betrekkingen.
Het ruilverkeer van het kapitaal met zijn niet-kapitalistische omgeving stuitte allereerst op moeilijkheden van de natuureconomie, van de patriarchale boereneconomie en op die van het ambachtelijke bedrijf. Voor het overwinnen van deze moeilijkheden nam het kapitaal zijn toevlucht tot ‘heldhaftige middelen’, het greep naar de bijl van het politieke geweld! In Europa zelf was de revolutionaire overwinning op de feodale natuureconomie het eerste gebaar van het kapitalisme. In de overzeese landen was het de knechting en de verwoesting van de traditionele collectieve volksgemeenschap. Als geboorteakte van het kapitaal was dit in de wereldgeschiedenis een unieke gebeurtenis; het bleef sindsdien een voortdurend begeleidend verschijnsel van de accumulatie. Door de verwoesting van het agrarisch-patriarchale milieu van die landen, een primitief milieu, dat geheel was aangewezen op natuureconomie, opende het Europese kapitaal aldaar de poorten voor de warenruil en de warenproductie. Het veranderde de inwoners van die landen in afnemers van kapitalistische waren en versnelde tegelijkertijd in enorm tempo de eigen accumulatie door rechtstreeks en op massale wijze de onderworpen volken te beroven van hun bodemschatten en opgespaarde rijkdommen. Sedert het begin van de 19de eeuw gaat de uitvoer van het geaccumuleerde kapitaal uit Europa naar de niet-kapitalistische landen van andere werelddelen met zulke methodes gepaard. Dit geëxporteerde kapitaal vindt dan een nieuwe kring van warenafnemers op nieuw terrein en op de puinhopen van inheemse productiesystemen; daarmee volgt weer een verdere mogelijkheid tot accumulatie.
Het kapitalisme breidt zich zo steeds meer uit, dank zij de wisselwerking met niet-kapitalistische maatschappelijke groepen en landen, doordat het op hun kosten accumuleert. Tegelijkertijd vreet het hen aan en worden zij verdrongen door het kapitaal, dat zelf hun plaats gaat innemen. Hoe meer kapitalistische landen echter aan deze jacht naar accumulatiegebieden gaan deelnemen en hoe schaarser de niet-kapitalistische gebieden, die nog openstaan voor de wereldexpansie van het kapitaal worden, des te verbitterder wordt de concurrentiestrijd van het kapitaal om deze accumulatiegebieden, des te meer veranderen deze strooptochten op het wereldtoneel in een reeks van economische en politieke catastrofes: wereldcrisis, oorlogen, revoluties.
Door dit proces bereidt het kapitaal evenwel in tweeërlei opzicht zijn eigen ondergang voor. Door de uitbreiding op kosten van alle niet-kapitalistische productiesystemen beweegt het zich naar dat historische moment, waarop inderdaad de gehele mensheid alleen maar uit kapitalisten en loonproletariërs bestaat; een verdere uitbreiding — accumulatie — wordt dan dus onmogelijk. Naarmate deze tendens voortschrijdt, worden hierdoor gelijktijdig de klassentegenstellingen, de internationale economische en politieke anarchie verscherpt. Dit heeft tot gevolg dat het internationale proletariaat in opstand moet komen tegen het voortbestaan van de kapitalistische productiesystemen in de wereld. Deze opstand zal plaats vinden lang voordat het laatste stadium van de economische ontwikkeling — de absolute en ongedeelde wereldheerschappij van het kapitaal — is bereikt.
. . . Het standpunt van de ‘experts’ leidt nu evenwel tot een aantal interessante gevolgtrekkingen; zij hebben zich geen moeite genomen om hierover verder na te denken.
Eerste gevolgtrekking: Als de kapitalistische productie een onbeperkte afnemer van zichzelf zou zijn, met andere woorden als de productie en de afzetmarkt identiek zouden zijn, dan zouden ook crisis als periodiek verschijnsel onverklaarbaar worden. Aangezien de productie ‘zoals de schema’s aantonen’ naar believen kan accumuleren — zij gebruikt immers haar eigen groei telkens opnieuw voor de verdere expansie — blijft het toch raadselachtig hoe en waarom er toestanden kunnen voorkomen, waarbij de kapitalistische productie niet voldoende afzet voor haar waren kan vinden. Ze zou toch slechts, volgens het recept van onze ‘experts’, de overtollige waren zelf hoeven te verorberen of in de productie te steken (ten dele als productiemiddelen en ten dele als bestaansmiddelen voor de arbeiders), en ‘evenzo in elk volgend jaar’ zoals ‘de tabel IV’ van Otto Bauer aantoont. Het onverteerbare warenrestant zou zich dan daarentegen veranderen in nieuwe overwinningen van accumulatie en winstmakerij. In elk geval zou dan de specifieke opvatting van Marx over de crisis absurd worden, namelijk zijn opvatting dat de crisis zou ontstaan door de tendens van het kapitaal om steeds in de kortst mogelijke tijd de grenzen van een gegeven markt te overschrijden. Immers hoe zou in feite de productie de grenzen van de markt kunnen overschrijden als ze zelf haar eigen markt voorstelt, en dit ook steeds automatisch blijft? Wanneer de markt steeds evenveel toeneemt als de productie? Hoe zou met andere woorden de kapitalistische productie periodiek zichzelf kunnen overschrijden? Zij kan dit net zomin als dat iemand over zijn eigen schaduw kan springen. De kapitalistische crisis zou zo een onbegrijpelijk fenomeen worden. Wellicht is er hier dan een verklaring, namelijk: de crisis ontstaat niet door de wanverhouding tussen de expansiemogelijkheid van de kapitalistische productie en de expansiemogelijkheid van de afzetmarkt, maar uitsluitend door de wanverhouding tussen de verschillende kapitalistische bedrijfstakken. Deze zouden op zichzelf in voldoende mate warenafnemers voor elkaar kunnen zijn; maar ten gevolge van de anarchie in de productie wordt er, volgens deze theorie, niet de juiste hoeveelheid waren geproduceerd, en wel van sommige te veel, van andere te weinig. Met zo’n opvatting keren wij Marx de rug toe en belanden wij tenslotte bij de door hem zo grondig bespotte aartsvader van de vulgaire economie, bij de Manchesterschool en de burgerlijke harmonieën, bij de ‘ridder van de droevige figuur’ Say, die reeds in 1803 het volgende dogma verkondigde:
“Het is een absurde opvatting te menen dat er een teveel van alle waren kan worden geproduceerd; er kunnen geen algemene crisis bestaan en alleen maar partiële. Wanneer dus een land een teveel heeft aan bepaalde waren, dan bewijst dat slechts dat het te weinig van een willekeurige andere waar heeft geproduceerd.”
Tweede gevolgtrekking: Wanneer de kapitalistische productie voor zichzelf een voldoende afzetmarkt biedt, dan is de kapitalistische accumulatie (objectief gezien) een onbeperkt proces. Omdat de productie, volgens deze theorie, niettemin ongestoord zou blijven groeien en omdat er geen beperkingen worden gesteld aan de economische ontwikkeling van het kapitaal, zelfs wanneer de hele wereld zonder uitzondering door het kapitaal zou worden beheerst en de hele mensheid uit louter kapitalisten en loonproletariërs zou bestaan, valt hierdoor een specifieke steunpilaar van het socialisme omver, hetgeen indruist tegen de theorie van Marx. Volgens Marx is de rebellie van de arbeiders een ideologische afspiegeling van de objectieve historische noodzaak van het socialisme. Deze noodzaak ontstaat omdat het kapitalisme in objectieve zin op een bepaalde hoogte van zijn ontwikkeling economisch onmogelijk wordt. In deze theorie vinden de arbeiders juist de garantie die naar de overwinning zal leiden. Hiermee is uiteraard niet gezegd, dat het historische proces tot aan de rand van deze economische onmogelijkheid moet of kan worden voltooid. Zulke restricties uit het ABC van het marxisme zijn voor onze ‘experts’, zoals we zullen zien, nog steeds onontbeerlijk! De objectieve richting van de kapitalistische ontwikkeling naar dat einddoel, is op zichzelf al voldoende om te zorgen dat er in de maatschappij reeds veel eerder een dergelijke sociale en politieke verscherping van de tegenstellingen optreedt, dat de toestanden onhoudbaar worden en het einde van het systeem moet worden voorbereid. Maar deze sociale en politieke tegenstellingen zijn zelf in laatste instantie slechts het product van de economische onhoudbaarheid van het kapitalistische systeem. Juist op grond hiervan en in evenredigheid met het concreet voelbaar worden van deze onhoudbaarheid wordt de radicalisering van deze tegenstelling groter.
Zouden we daarentegen, met onze ‘experts’, aannemen dat de kapitalistische accumulatie in economische zin onbeperkt is, dan ontvalt daarmee aan het socialisme de granieten bodem van de objectieve historische noodzaak. Wij vervluchtigen dan in de nevel van systemen en scholen uit de tijd vóór Marx, die het socialisme wilden afleiden uit de pure onrechtvaardigheid en slechtheid van de tegenwoordige wereld en uit de loutere revolutionaire vastberadenheid van de werkende klassen.
Derde gevolgtrekking: Wanneer de kapitalistische productie voor zichzelf een voldoende markt zou vormen, het zou toelaten, dat de productie steeds met de geaccumuleerde waarde wordt vergroot, dan wordt nog een ander verschijnsel van de moderne ontwikkeling onverklaarbaar: de haast en de jacht naar de meest afgelegen afzetmarkten en de kapitaalexport, d.w.z. de meest markante manifestaties van het huidige imperialisme. Inderdaad onbegrijpelijk!
Waartoe al die herrie? Waartoe de verovering der koloniën, waartoe de opiumoorlogen uit de jaren 1840 tot 1870 en de tegenwoordige kloppartijen om de Congo-moerassen en de woestijnen in het Nabije Oosten? Het kapitaal zou toch thuis kunnen blijven en zich behoorlijk kunnen voeden? Krupp produceert immers opgewekt voor Thyssen, Thyssen voor Krupp, laten ze toch slechts het eigen kapitaal steeds weer in eigen bedrijf investeren en deze bedrijven voor elkaar uitbreiden en zo verder binnen deze kring. De historische beweging van het kapitaal zou dan eenvoudig onbegrijpelijk worden en daarmee ook het huidige imperialisme.
Of rest ons dan de onbetaalbare verklaring van Pannekoek in de Bremer Bürgerzeitung: het zoeken naar niet-kapitalistische afzetmarkten is weliswaar ‘feit, maar geen noodzaak’, hetgeen waarachtig een parel der materialistische opvatting over de geschiedenis is. Zeer juist overigens! Met de hypothese der ‘experts’ houden het socialisme als einddoel en het imperialisme — als voorbereidend stadium daarvan — op historische noodzaak te zijn. Het één wordt tot een prijzenswaardig besluit van de arbeidersklasse, het ander tot een onbenulligheid en verblinding van de bourgeoisie.
Zo komen de ‘experts’ bij een alternatief dat zij niet kunnen ontlopen. Of de kapitalistische productie en de afzetmarkt zijn identiek, zoals men dit afleidt uit de schema’s van Marx — dàn gaan de crisistheorie van Marx, zijn stellingen over het socialisme en zijn historisch-materialistische verklaring over het imperialisme niet op. Of wel kan het kapitaal slechts accumuleren voor zover het buiten de kring van kapitalisten en loontrekkers in de maatschappij consumenten aantreft; maar dan is de voorwaarde tot accumulatie — groeiende afzet in niet-kapitalistische groepen en landen — onvermijdelijk.
Uit hoofdstuk V: (slot)
. . . Overgevoelige zielen zullen zich weer beklagen, dat ‘marxisten onder elkaar strijden’, dat gevestigde ‘autoriteiten’ worden aangevochten. Maar het marxisme is niet een handjevol personen, die elkaar het recht van ‘expertise’ uitdelen en voor wie de massa gelovige moslims in blind vertrouwen heeft te sterven.
Het marxisme is een revolutionaire visie op de wereld, die moet zoeken naar nieuwe kennis, die niets zo zeer verafschuwt als de verstarring in eens geldende vormen — een visie, die het best haar levende kracht handhaaft temidden van het geestelijke wapengekletter van zelfkritiek en historische bliksem en donder. Daarom ben ik het eens met Lessing, die aan de jonge Reimarus schreef:
“Maar wat moeten we doen! Ieder zegt wat hij vindt, dat waarheid is, en de waarheid zelf laat men aan God over.”
Voetnoten
[1] K. Marx, Das Kapital, I, 4e druk, 1890, blz. 529. R. L. 32
[2] In deze beschrijving is de meerwaarde identiek met winst. Dit geldt ook voor de totale productie waarover wij het alleen zullen hebben. Ook zien we voorlopig af van de verdeling van de meerwaarde in haar afzonderlijke componenten, zoals ondernemerswinst, kapitaalinterest, grondrente; deze indeling is voor het vraagstuk van de reproductie van geen belang. (R. L.)
[3] Wij spreken hier en in het vervolg eenvoudigheidshalve en in de zuivere zin van het woord van jaarlijkse productie, hoewel deze term eigenlijk slechts op de landbouw van toepassing is. De periodes van industriële productie en omloop van het kapitaal hoeven niet samen te vallen met het kalenderjaar. (R. L.)
[4] De arbeidsverdeling tussen geestelijke en materiële arbeid hoeft in een door planning geregelde, op gemeenschappelijk eigendom van de productiemiddelen gebaseerde maatschappij niet verbonden te zijn aan bijzondere categorieën van de bevolking. Deze zal echter te allen tijde tot uitdrukking komen in het bestaan van een aantal mensen dat met geestelijke arbeid bezig is en dat materieel moet worden onderhouden. Dezelfde individuen kunnen dan afwisselend verschillende functies bekleden. (R. L.)
[5] ‘Wanneer men spreekt van een maatschappelijke zienswijze, dus wanneer men het totale maatschappelijke product beschouwt, dat zowel de reproductie van het maatschappelijk kapitaal als de individuele consumptie omvat, dan moet men niet vervallen in de fout die Proudhon beging toen hij — in het voetspoor van de burgerlijke economie — het vraagstuk zo bekeek alsof een kapitalistische maatschappij, en bloc, in haar totaliteit beschouwd, haar specifieke, historische en economische karakter zou verliezen. Neen, het is net andersom. Men heeft te maken met de totale kapitalist. Het totale kapitaal treedt dan naar voren als het aandelenkapitaal van alle afzonderlijke kapitalisten tezamen. Deze NV heeft dit met vele andere NV’s gemeen, dat ieder weet hoeveel hij er in stopt, maar niet hoeveel hij er uithaalt.’ (Das Kapital, Bd. II, S. 409).
[6] Das Kapital, Bd. II, S.371.
[7] Das Kapital, Bd. II, S. 443-445. Vergelijk ook over de noodzaak van uitgebreide productie vanuit het oogpunt van een verzekeringsfonds in het algemeen 1.c. S. 148). (Noot R. L.).
[8] Theorieën 1.c. S. 248 onderstreept door Marx.
[9] “De voorwaarde voor de eenvoudige reproductie, dat I (v + m) gelijk zou zijn aan IIc, valt niet te rijmen met de kapitalistische productie, wat overigens niet uitsluit dat één jaar binnen een industriële cyclus van 10-11 jaar vaak een geringere totale reproductie vertoont dan het er aan voorafgaande jaar, zodat er in verhouding tot het voorgaande jaar zelfs geen eenvoudige reproductie plaats vindt. Maar ook zou eenvoudige reproductie bij een natuurlijke jaarlijkse bevolkingsgroei slechts kunnen plaats vinden, voor zover er een evenredig groter aantal van niet-productieve arbeiders zou mee consumeren van de 1500, het getal dat de gezamenlijke meerwaarde voorstelt. Accumulatie van kapitaal, dus werkelijke kapitalistische productie zou onder zulke omstandigheden onmogelijk zijn.” (Het Kapitaal, Bd II, 497).
[10] “De specifieke productiewijze van het kapitalisme, de daarmee corresponderende ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit en de daardoor veroorzaakte verandering in de organische samenstelling van het kapitaal houden niet alleen gelijke tred met het verloop van de accumulatie of met de groei van de maatschappelijke rijkdom. Zij ontwikkelen zich veel sneller, omdat de eenvoudige accumulatie of de absolute vergroting van het totale kapitaal gepaard gaat met de centralisatie van de afzonderlijke delen van dit kapitaal en omdat de technische omwenteling van het toegevoegde kapitaal gepaard gaat met de technische omwenteling van het oorspronkelijke kapitaal. Met het voortgaan van de accumulatie ontstaat er dus een verandering in de verhouding tussen het constante en het variabele kapitaaldeel. Wanneer deze verhouding aanvankelijk 1:1 was en verandert in 2:1, 3:1, 4:1, 5:1, 7:1 enz., zal, hoe het kapitaal ook groeit, in plaats van 1/2 van zijn totale waarde in progressieve zin slechts 1/3, 1/4, 1/5, 1/6, 1/8 enz. in arbeidskracht en daarentegen 2/3, 3/4, 4/5, 5/6, 7/8 enz., in productiemiddelen worden omgezet. Aangezien de vraag naar arbeid niet bepaald wordt door de omvang van het totale kapitaal, maar door de omvang van het variabele bestanddeel, daalt de vraag naar arbeid dus progressief met de groei van het totale kapitaal in plaats van, zoals eerst werd verondersteld, in verhouding daarmee toe te nemen. De vraag naar arbeid daalt in verhouding tot de grootte van het totale kapitaal en des te sneller naarmate de grootte van het totale kapitaal toeneemt. Met de groei van het totale kapitaal neemt weliswaar ook het variabele bestanddeel of de daarin besloten arbeidskracht toe, maar in een steeds afnemende verhouding. De tussenpozen, waarin de accumulatie enkel werkt als vergroting van de productie op een gegeven technische basis, worden korter. En niet slechts is een in steeds toenemende mate versnelde accumulatie van het totale kapitaal nodig om een gegeven aantal additionele arbeiders te absorberen of om zelfs, door de voortdurende metamorfose van het oude kapitaal, voor de reeds werkende arbeiders werkgelegenheid te behouden. Deze toenemende accumulatie en centralisatie worden op hun beurt weer een bron voor nieuwe wijzigingen in de samenstelling van het kapitaal, dat wil zeggen voor een herhaalde versnelling van de daling van het variabele bestanddeel ten opzichte van het constante bestanddeel.’ (Het Kapitaal, Deel I blz. 487, vert. Lipschitz).
[11] “De kenmerkende levensloop van de moderne industrie — de vorm van een door kleine schommelingen onderbroken tienjarige cyclus van perioden van middelmatige bedrijvigheid, productie onder hoogspanning, crisis en stagnatie — berust op het voortdurend vormen, het minder of meer absorberen en het opnieuw vormen van het industriële reserveleger of overbevolking. Op hun beurt rekruteren de schommelingen van de industriële cyclus de overbevolking, waardoor zij de machtigste middelen voor haar reproducties worden. . .” (Het Kapitaal, Deel I, blz. 490, vert. Lipschitz).
[12] Zahlungsfähige Nachfrage. (Vert.).
[13] “Overigens is alles moeilijk en gecompliceerd in dit land. Als de regering een monopolie in sigarettenpapier of speelkaarten wil instellen dan zijn Frankrijk en Oostenrijk-Hongarije er direct bij om hun veto uit te spreken over dit project in het belang van hun handel. Als het gaat om olie, dan komt Rusland met bezwaren, en zelfs de mogendheden die er het minst mee te maken hebben, zullen hun toestemming weer laten afhangen van een of andere concessie. Het lot van Turkije is dat van Sancho Panza en zijn maaltijd: zodra de minister van financiën iets wenst te ondernemen, staat een of andere diplomaat op, onderbreekt hem en slingert hem een veto in het gezicht”. (Mora-Vitz, C. Die Türkei im Spiegel ihrer Finanzen (1903). p. 70.)
[14] En niet alleen in Engeland. “Reeds in 1859 werd een pamflet in heel Duitsland verspreid, dat werd toegeschreven aan de fabrikant Diergardt uit Viersen, waarin deze erop aandrong dat Duitsland zich tijdig een plaats op de Oost-Aziatische markt zou verzekeren. Het verdedigde als enig middel hiervoor een militair machtsvertoon om op handelspolitiek gebied voordelen te verkrijgen van de Japanners en van de Oost-Aziaten in het algemeen. Een Duitse vloot, die gebouwd was met de spaarpenningen van het volk was altijd al een jeugddroom geweest. Pruisen had eigen schepen, maar haar maritieme macht was niet imponerend. Men besloot echter een eskader uit te rusten om in Oost-Azië onderhandelingen voor handelsverdragen te kunnen beginnen. Graaf zu Eulenburg, een van de bekwaamste en verstandigste Pruisische staatslieden, werd benoemd tot leider van de missie, die tevens wetenschappelijke doeleinden moest dienen. Onder de moeilijkste omstandigheden voerde hij zijn opdracht met grote bekwaamheid uit, en hoewel het plan om soortgelijke onderhandelingen te beginnen met de Hawaï-eilanden moest worden opgegeven, was de missie voor het overige een succes. Hoewel de Berlijnse pers uit die dagen het altijd beter wist en bij elk bericht over nieuwe moeilijkheden verkondigde dat al die uitgaven voor vlootdemonstraties een verspilling waren van het geld van de belastingbetalers, hield toch het ministerie van de nieuwe tijd voet bij stuk, en het succes werd geoogst door het ministerie dat erop volgde.” (W. Lotz, Die Ideen der deutschen Handelspolitik, p. 80).
[15] De meestbegunstigingsclausule is een afspraak tussen landen om elkaar bij de invoerpolitiek niet ongunstiger te behandelen dan men het enig ander verdragsland doet.
[16] Na de preliminaire bespreking tussen Michel Chevalier en Richard Cobdon uit naam van de Franse en Engelse regering, “werden kort daarna onder de grootste geheimhouding besprekingen begonnen. Op 5 januari 1860 deelde Napoleon III zijn bedoelingen mee in een memorandum dat gericht was aan de minister van Staat Fould. Deze verklaring kwam als een donderslag bij heldere hemel. Na de gebeurtenissen van het zojuist afgelopen jaar rekende men erop dat er voor 1861 geen veranderingen meer zouden plaats grijpen in het douanesysteem. De opwinding was algemeen, toch werd het verdrag op 23 januari ondertekend.” (Auguste Devers, La politique commerciale de la France depuis 1860. Schriften des Vereins für Sozialpolitik. Vol. 51, p. 136).
[17] Ook Fr. Engels deelde deze mening. In een van zijn brieven aan Nikolai-On schrijft hij op 18 juni 1882: “Engelse schrijvers, verblind door hun patriottische belangen, kunnen helemaal niet begrijpen waarom de gehele wereld het door Engeland gegeven voorbeeld zo halsstarrig afwijst en de voorkeur geeft aan beschermende tarieven. Natuurlijk, zij durven niet te bekennen dat het systeem van beschermende tarieven, dat nu praktisch universeel is, gewoon een min of meer beschermende maatregel is tegen de Engelse vrijhandel, die weer als instrument diende om het industriemonopolie van Engeland te perfectioneren. Zulk een verdedigingspolitiek mag dan meer of minder rationeel lijken — en in sommige gevallen bepaald dom zijn, zoals bijvoorbeeld in Duitsland dat onder het systeem van vrijhandel een grote industriestaat was geworden en nu beschermende tarieven op landbouwproducten legt, zodat haar eigen productiekosten hierdoor gaan stijgen. Ik beschouw deze algemene terugkeer naar beschermende tarieven niet als louter toeval, maar als een reactie tegen het ondraaglijke Engelse industriemonopolie. De vorm die deze reactie kan aannemen mag dan, zoals ik al opmerkte, verkeerd zijn of zelfs nog erger, maar de historische noodzaak van deze reactie lijkt mij duidelijk en vanzelfsprekend.” (Brieven van Karl Marx en Friedrich Engels aan Nikolai-On (St. Petersburg, 1908), p. 71).
[18] Het Kapitaal, op.cit. Ned. vert.
Aan het begin van de Linkse Boekenbeurs, die op de dagen 4 en 5 en 6 november 2016 te Neurenberg plaatsvond, heeft de stalinistische Vereinigung der Verfolgten des Naziregimes – Bund der Antifaschistinnen und Antifaschisten (VVN-BDA) een hetze ontketend tegen de politieke groepen Sozialer Widerstand[1] en Soziale Befreiung[2] door deze ervan te beschuldigen een groep van ‘rechtse provocateurs’ te zijn.
Deze laffe aanval heeft ons ertoe aangezet een brief aan de betreffende groepen te sturen, waarin we onze solidariteit met hen betuigen. We vinden het belangrijk om deze solidariteitsbrief, waarvan het origineel in het Duits is opgesteld, ook in het Nederlands te publiceren, omdat er in Nederland ook een initiatief bestaat, dat verwant is aan de bovengenoemde groepen, namelijk Sociaal Revolutionaire Beweging[3].
Aan de kameraden van Gruppe Soziale Befreiung en Gruppe Sozialer Widerstand.
Zoals we hebben vernomen zijn jullie van plan om op 05.11.2016, op de ‘Linkse Literatuurbeurs’ in Neurenberg, in het kader van een bijeenkomst, jullie brochure over de ‘Spaanse burgeroorlog’ voor te stellen. Wij begroeten ten zeerste de proletarische internationalistische klassepositie van de aangekondigde bijeenkomst.
Jullie schrijven in jullie aankondiging van de bijeenkomst volkomen terecht: “Het anti-fascistische Volksfront was een klassenvijand van het proletariaat... Zowel de kant van Franco als die van het Volksfront waren sociaalreactionaire facties van het kapitaal, waartussen het proletariaat bloedig in de pan gehakt werd.”
Bovendien begroeten wij de ontmaskering en veroordeling van de zogenaamde ‘anti-fascistische’ krachten, die nu de ban uitspreken over jullie bijeenkomst en zich, ook vandaag nog, stellen achter de massamoord op de arbeiders tijdens de oorlog in Spanje, waarmee ze de waarheid over de Spaanse Burgeroorlog monddood willen maken.
Het proces van klassebewustwording moet zijn overeenstemming vinden in de kritische solidariteit en wederzijdse ondersteuning van de revolutionairen. In dit opzicht doen we jullie onze solidaire groeten en wensen jullie een goede bijeenkomst met een levendige, diepgaande discussies die vooruitzicht bieden.
De IKS, november 2016
Waarom ontvluchten miljoenen mensen Syrië, Irak, Afghanistan, Libanon, Libië, Jemen en andere landen in het Midden-Oosten, Centraal-Azië en Afrika? Omdat de bevolking daar wanhopig is en probeert te ontsnappen aan een permanente staat van oorlog, een helse spiraal van conflicten waarin twee, drie, of zelfs vijf partijen, allemaal even moorddadig, betrokken zijn; of het nu de officiële regeringslegers zijn of terroristische bendes. Syrië is het meest 'gevorderde' uitdrukking van deze onderdompeling in chaos. De regering Assad, die getoond heeft dat ze bereid is Syrië tot een ruïne te bombarderen liever dan haar macht op te geven, controleert nu slechts nog zo’n 17% van het land.
Hele gebieden in het noorden en oosten van het land staan onder controle van de fanatieke jihadisten van 'Islamitische Staat'. Andere gebieden zijn in handen van wat de westerse media soms 'gematigde' oppositionele stromingen noemen, maar die steeds meer gedomineerd worden door jihadistische krachten zoals al-Nusra, gelieerd aan al-Qaida; terwijl de 'seculiere en democratische' rebellen van het Vrije Syrische leger, die luidruchtig gesteund worden door de VS en Groot-Brittannië, steeds marginaler lijken te zijn geworden. De troepen die vechten tegen Assad zelf kenmerken zich door een niet aflatende reeks van allianties, daden van verraad en gewapende conflicten.
Maar de oorlog in Syrië, evenals de andere oorlogen in de regio, is ook een confrontatie tussen internationale machten, een gegeven dat nog eens duidelijk gemaakt wordt door de directe interventie van Russische gevechtsvliegtuigen. Vanaf het begin heeft Rusland het regime van Assad gesteund met wapens en 'adviseurs'. Vandaag bombarderen zijn gevechtsvliegtuigen 'terroristische' doelwitten, want het Assad-regime staat met de rug tegen de muur en het gevaar bestaat dat IS de Russische basis bij Tartus, zijn enige toegang tot de Middellandse Zee, onder de voet zal lopen.
Maar voor Rusland zijn alle oppositiekrachten, inclusief de groepen die gesteund worden door de VS, terroristen en de recente bombardementen hebben vaker niet-IS rebellen geraakt dan IS zelf. De VS, die de Russische hulp bij hun bombardementen in Syrië en Irak verwelkomden, zien heel duidelijk dat het voornaamste doel van Rusland niet is IS terug te slaan maar Assad in het zadel te houden. Dus de twee machten zijn in hetzelfde land met tegengestelde doeleinden, zelfs al botsen ze nog niet direct op elkaar.
De Russische acties in Syrië markeren duidelijk een escalatie, maar ze vormen een escalatie van de chaos. Zij gaan in tegen iedere mogelijkheid voor de grootmachten om tot een of andere regeling te komen voor de 4 jaar durende oorlog in Syrië, en dus tegen iedere hoop om de stroom van vluchtelingen die het land ontvluchten, af te remmen. Zoals bij de Amerikaanse invasie van Irak brengen de grootmachten geen stabiliteit in de regio, maar een toename van instabiliteit en hun gebrek aan opties zet de deur nog meer open voor de ambities van de regionale machten.
In Jemen bijvoorbeeld, heeft de door Saoedi-Arabië gesteunde regering de strijd opgenomen tegen de door Iran gesteund rebellen, dat op zijn beurt militairen heeft gestuurd naar Syrië ter ondersteuning van Assad. Op de grens van Irak-Turkije-Syrië heeft Turkije, onder de dekmantel van de strijd tegen IS, zijn aanvallen tegen de Koerdische PKK opgevoerd. Turkije ondersteunt ook de Ahar al-Sham groep in Syrië, terwijl Qatar en Saoedi-Arabië hun eigen islamistische beschermelingen hebben, waarvan sommigen ook ondersteuning hebben gekregen van de CIA.
Na de Tweede Wereldoorlog leefde de wereld tientallen jaren onder de dreiging van een nucleaire vernietiging door de twee imperialistische blokken, gecontroleerd door de VS en de USSR. Maar deze 'Koude Oorlog' bracht ook een zekere discipline, een bepaalde orde, omdat de meerderheid van kleinere landen of nationalistische krachten moest gehoorzamen aan de dictaten van het een of andere een blok. Het uiteenvallen van het Russische blok aan het begin van de jaren 1990 heeft geleid tot een snelle ontrafeling van het Westerse blok en latere pogingen van de VS om discipline op te leggen tegen die centrifugale tendensen, heeft deze alleen maar verder versneld.
De mislukkingen van de VS in Afghanistan en Irak vormen daar duidelijke aanwijzingen voor, vooral nu blijkt dat de Taliban, die verdreven waren door de Amerikaanse invasie van 2001, momenteel in kracht toenemen in Afghanistan, en hele delen van Irak onder controle van IS vallen of onder invloed van Iran, dat geen vriend van de VS is, ondanks recente pogingen tot toenadering.
Na deze zeer negatieve ervaringen zijn de VS terughoudend met 'grondtroepen', maar de opkomst van IS heeft hen genoodzaakt luchtsteun in te zetten en een volmacht te geven aan krachten zoals de PKK – die eerder nog beschouwd werd als een terroristische groep – die aantoonbaar het meest effectief is in de strijd tegen IS. Maar deze politiek heeft Turkije er op zijn beurt toe aangezet zijn oorlog tegen de Koerden op te voeren. De aanvallen op IS in Syrië brengen ook het risico met zich mee, op indirecte manier het Assad-regime te versterken en daarmee de Russische ambities in de regio. De tegenstellingen nemen toe terwijl er geen oplossing in zicht is.
Al met al bestaan er geen machten op de planeet die orde op zaken kunnen stellen. De irrationaliteit van de kapitalistische oorlog wordt steeds duidelijker: de oorlogen in de wereld leveren op korte termijn voordeel op voor een minderheid van de kapitalisten en gangsters, maar over het algemeen vormen ze een grote aderlating voor het kapitaal en bieden geen enkel vooruitzicht op een naoorlogse reorganisatie en wederopbouw, zoals nog het geval was na de Tweede Wereldoorlog.
En toch kan geen van de kapitalistische machten, van de machtige VS tot de kleinste lokale krijgsheer, het zich veroorloven om niet mee te doen aan deze overijlde duik in militarisme en oorlog. De onderliggende drijfveer van de kapitalistische en imperialistische concurrentie is te sterk. De financiële kosten van militaire interventie kunnen reusachtig zijn, maar het ergste van alles is invloedssfeer te verliezen aan je rivalen. En aan rivalen is er geen gebrek.
Voor de bevolking van deze gebieden worden de kosten geteld in vlees en bloed - in de burgerbevolking die wordt gebombardeerd, verkracht, onthoofd door regeringslegers of milities van de oppositie, in de ruïnes van hun huizen naast de eeuwenoude historische en culturele artefacten, in de keus tussen honger in de vluchtelingenkampen op de rand van de oorlogsgebieden of de hachelijke reis naar de 'veiligheid' van Europa. Voor de mensheid als geheel sleept het perspectief van de uitbreiding van de militaire chaos in de wereld ons naar een noodlottig 'point of no return'.
Maar dat punt is nog niet bereikt. Als Europa, voor de vluchtelingen uit de wereld, nog lijkt op een oase van welvaart, dan komt dat niet door de vriendelijkheid van de Europese bourgeoisie. Dan komt dat doordat de werkende klasse in deze landen nog steeds een macht is om rekening mee te houden en de heersende klasse niet in staat is haar te onderwerpen aan grote armoede of te mobiliseren voor de oorlog zoals het was in 1930, toen zij tegenover een verslagen arbeidersklasse stond.
Syrië geeft ons een beeld van de barbarij van de heersende klasse wanneer die tegenover een arbeidersklasse staat die zwak is en geen weerstand kan bieden aan de wreedheid van de staat. Het probleem van de arbeidersklasse in de meer centrale landen is dat ze haar eigen kracht niet kent, haar capaciteit niet begrijpt om terug te vechten, geen onafhankelijk perspectief heeft dat een toekomst kan bieden voor alle uitgebuiten en onderdrukten ter wereld. Maar dit perspectief - van een klassenstrijd over alle grenzen heen met als doel een nieuwe samenleving scheppen - blijft de enige hoop voor de mensheid.
Amos / 04.10.2015
Een voormalig lid van de IKS, Devrim, die ongeveer drie jaar geleden de IKS verliet, heeft daarna een aantal kritieken geuit op onze organisatie. DIt artikel is ons antwoord.
Devrims "Mijn ervaring in de IKS" verscheen voor het eerst in 2012 op het anarchistische forum Libcom. [1] Het was per definitie een persoonlijk verslag, gebaseerd op impressies en anekdotes over het leven in de IKS veeleer dan een algemene kritiek van de politieke principes van de IKS als geheel. Omdat er over persoonlijke smaak niet valt te twisten, hadden we de neiging om de kritieken te laten voor wat ze zijn, vooral toen Devrim verklaarde dat hij geen discussie wilde aangaan over dit verslag. Hij had de organisatie in ieder geval verlaten zonder een politieke rechtvaardiging van zijn vertrek.
Nu menen we dat deze persoonlijke kritieken een antwoord behoeven omdat de kwesties die ze stellen, een algemeen belang hebben gekregen, daar de fundamentele voorwaarden van het revolutionaire militantisme in vraag worden gesteld, ook bij diegenen die zichzelf beschouwen als deel van de 'Kommunistische Linkerzijde'.
Wij begrijpen dat zijn persoonlijk verslag van de IKS verondersteld wordt een op zichzelf staande politieke analyse te zijn: een persoonlijke interpretatie, die als voldoende wordt beschouwd om te oordelen dat de IKS een organisatie is die zichzelf heeft overleefd.
Devrims kritiek heeft hem er zo toe gebracht op verschillende momenten te herhalen dat de IKS dood zal gaan. In een mail van 2013 aan een lid van het IKS, schreef hij in antwoord op de kritiek dat hij zich zou moeten richten op de politieke beginselen van het IKS:
“Ik denk dat het punt dat we moeten inzien is dat de politieke standpunten van een organisatie behoren tot de denkwijze van een vervlogen tijdperk. De IKS zal teloor gaan, en dit zal gebeuren, niet omdat men zich voor haar politieke standpunten engageert of ze verwerpt, maar juist om de tegenovergestelde reden; omdat men er geen heil in ziet om dit zelfs nog maar te doen. Natuurlijk wijst dit op een meer algemeen probleem van depolitisering binnen de maatschappij, maar voor een buitenstaander lijkt de IKS actief bezig om de cirkel van haar isolement te voltooien.”
De IKS zal doodgaan, zo gaat de redenering, niet omdat haar politieke standpunten en principes verkeerd of ouderwets zijn en vervangen dienen te worden door standpunten die beantwoorden aan de evolutie van de behoeften en doelstellingen van de strijd van de arbeidersklasse. Nee, zij zal vergaan vanwege een algemene desinteresse in politieke standpunten zelf. De onbekwaamheid van de IKS om zich aan te passen aan deze algemene desinteresse en de huidige verveling ten aanzien van politiek onder de bevolking, en zelfs onder would-be revolutionairen, en er daarentegen op aan te dringen haar politieke beginselen te verdedigen en uit te werken, zal leiden tot haar volledige isolement en ondergang. Dit is het essentiële denkwijze van Devrim.
In zijn verslag 'Mijn ervaring…' richt Devrim, getrouw aan zijn visie, 'zijn aandacht niet op de politieke standpunten' van het IKS, maar geeft hij een reeks, meestal negatieve, impressies en meningen over het leven in de organisatie, over het proces van integratie van nieuwe leden, over de wijze van centralisatie en over de discussies. Verder in dit artikel komen we terug op een aantal van deze kwesties. Maar eerst willen we kijken hoe belangrijk politieke standpunten en uitgangspunten zijn in de marxistische conceptie van revolutionaire organisatie.
In het verleden zijn marxistische revolutionaire partijen en organisaties verdwenen, vaak zelfs al op relatief jonge leeftijd. Het duidelijkste voorbeeld is de plotselinge ineenstorting van de Tweede Internationale in 1914, nadat de voornaamste partijen waaruit ze was samengesteld hun internationalistische politieke principes overboord gegooid hadden, hun imperialistische bourgeoisie volgden en die hielpen om miljoenen arbeiders naar de loopgraven te sturen om daar afgeslacht te worden. De Derde Internationale stierf af na de aanvaarding van de leuze van het 'Socialisme in één land', om dan een instrument te worden van de Russische staat en de arbeidersklasse voor te bereiden op de imperialistische slachting van de Tweede Wereldoorlog. [2]
Deze twee grote voorbeelden uit de marxistische revolutionaire beweging tonen dat de organisaties afstierven als gevolg van een geleidelijk verlaten van politieke beginselen, waaronder het belangrijkste principe voor de arbeidersklasse – de internationale eenheid en activiteit tegenover de imperialistische oorlog of de voorbereiding ervan. Deze marxistische organisaties stierven (althans wat de belangen van de arbeidersklasse betreft) dus niet ten gevolge van een onbekwaamheid om zich aan te passen aan de algemene sfeer van de maatschappij, maar juist omdat ze zich aanpasten en toegaven aan de druk van de imperialistische bourgeoisie en daarvoor hun proletarische politieke standpunten opgaven.
Daarom zijn we van mening dat de werkelijkheid lijnrecht ingaat tegen de logica van Devrim. Als we de revolutionaire geschiedenis namelijk gebruiken als leidraad, zou de IKS, in een poging zich aan te passen aan de heersende desinteresse voor politiek en uit angst voor isolement, waarschijnlijk verdwijnen als ze het belang van haar politieke standpunten zou verwerpen of afzwakken en ze er niet in zou slagen standvastig te blijven en deze en andere fundamentele beginselen theoretisch te ontwikkelen. Daarom is onze conclusie tegenovergesteld aan die van Devrim.
Als de marxistische revolutionaire beweging perioden van verraad en organisatorische ondergang gekend heeft, zoals de hierboven genoemde, dan zijn er ook perioden geweest die sprekende voorbeelden geven van marxistische minderheden, die het meest wrede isolement ondergingen teneinde de politieke standpunten hoog te houden en een levenslijn in stand te houden naar nieuwe revolutionaire organisaties. Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, die naar de gevangenis (dwangarbeid in het geval van Liebknecht) gingen en later werden vermoord vanwege hun internationalistische strijd tegen de Eerste Wereldoorlog, inspireerden de Oktoberrevolutie en de vorming van de Kommunistische Internationale. Of denk aan de nauwelijks bekende militanten van de Kommunistische linkerzijde, die het waagden de terreur van de Gestapo of van de Partizanen te trotseren (en er vaak het slachtoffer van werden) om tijdens de Tweede Wereldoorlog internationalistische beginselen te verdedigen, en zo een traditie levend te houden die wij vandaag nog verdedigen.
De revolutionaire organisaties van vandaag zouden nauwelijks de benaming Kommunistische linkerzijde verdienen als ze niet in staat waren de relatief zachte voorwaarden van isolement te weerstaan die ze vandaag ervaren in de context van de algemene afkeer van politiek. De spot en uitsluiting, die tegen de huidige revolutionaire militanten worden gericht, zijn zeer zeker te verdragen wanneer men ze vergelijkt met de verschrikkelijke omstandigheden die hun voorlopers in het verleden het hoofd hebben geboden.
De bekwaamheid om de revolutionaire politieke gedachte te behouden en te ontwikkelen, tegenover het vaak extreme isolement, is een belangrijke indicatie of een revolutionaire organisatie het verdient te bestaan.
Daarom zou de IKS het verdienen af te sterven als authentieke stroming van de Kommunistische linkerzijde… als zij de kritiek van Devrim zou volgen en het belang onderschatten van de politieke standpunten en die zou beschouwen als een 'denkwijze uit een vervlogen tijdperk'. De IKS drijft op het vermogen om vast te houden aan de politieke standpunten die relevant zijn voor de arbeidersklasse in de huidige en komende periode en die standpunten verder te ontwikkelen. Verderop zullen we terugkomen op de voorwaarden voor de strijd van de arbeidersklasse vandaag. Eerst enkele algemene opmerkingen over het betekenis van politieke standpunten. [3]
In navolging van Aristoteles, de filosoof uit de Griekse Oudheid, omschreef Marx de mens als een politiek dier:
"De mens is een politiek dier in de meest letterlijke zin van het woord: hij is niet alleen een sociaal dier, maar een dier dat alleen binnen de maatschappij een individu kan worden". (Inleiding tot een Bijdrage aan de kritiek der politieke economie, 1857)
In het verlengde daarvan heeft de term 'politiek' een algemene betekenis (en gaat dus verder dan de beschrijving van de corrupte praktijken van de partijen van de burgerlijke staat): de poging van de mens om richting te geven aan de maatschappij als geheel en dus ook aan zijn eigen toekomst.
In de lange geschiedenis van de in klassen verdeelde maatschappij werden de uitgebuite massa’s volledig uitgesloten van de politieke leiding. Maar in het kapitalisme, de laatste vorm van klassenmaatschappij, is de arbeidersklasse in staat door te dringen tot het politieke toneel en politieke partijen te vormen. Deze capaciteit om, in een politieke vorm, uiting te geven aan haar belangen is uiteindelijk een gevolg van het feit dat, in tegenstelling tot voorgaande uitgebuite klassen, de arbeidersklasse een revolutionaire klasse is, die een geheel nieuwe productiewijze in zich draagt ter vervanging van het kapitalisme.
De strijd van de arbeidersklasse in het kapitalisme leidt, als die eenmaal tot een succesvol einde is gebracht, tot de omverwerping van de bourgeoisie en de instelling van de dictatuur van het proletariaat. Deze hoogst politieke daad, het grijpen van de politieke macht door de arbeidersklasse, is de voorwaarde voor de geleidelijke totstandbrenging van een klassenloze maatschappij – het kommunisme. De ontwikkeling van het zelfbewustzijn van het proletariaat bestaat uit het herkennen van zijn historische/politieke belangen als klasse, uitgedrukt, maar niet uitsluitend, in de vorming van politieke partijen. De arbeidersklasse, die een aangeboren behoefte heeft om de maatschappij naar het socialisme te voeren, moet zich verenigen rondom de politieke definities van wat zij is en wat haar als klasse te doen staat.
Politieke standpunten zijn de samenstellende elementen van het platform van de revolutionaire politieke organisatie - wat het perspectief van de arbeidersklasse onderscheidt van de doeleinden van de bourgeoisie en andere klassen in de maatschappij. De precieze aard van deze politieke partij, wanneer ze opgericht kan worden, welke rol zij speelt bij de proletarische machtsgreep, enzovoort, is in de loop van de laatste twee eeuwen op dramatische wijze geëvolueerd. Maar de marxistische opvatting van de revolutionaire organisatie als een fundamenteel politieke entiteit blijft geldig.
Dit is des te crucialer gezien het feit dat de arbeidersklasse, in tegenstelling tot eerdere revolutionaire klassen, geen economische machtsbasis kan opbouwen in de bestaande maatschappij, zodat de theoretische uitwerking en aanvaarding van proletarische politieke standpunten des te noodzakelijker is. [4] Het formuleren van politieke standpunten moet om diezelfde reden voorafgaan aan de feitelijke verovering van de politieke macht.
De arbeidersklasse is daarom niet louter een economische of sociologische categorie binnen de burgerlijke maatschappij, een uitgebuite klasse zoals de slaven of de horigen, maar bovenal een historische klasse met een revolutionair doel en dus een politieke klasse in de diepste zin van het woord.
De minachting voor het centrale belang van politiek in de klassestrijd en in de organisaties die er aanspraak op maken haar belangen te verdedigen, ontkomt of ontsnapt echter niet aan politieke druk, want de strijd tussen de klassen om de leiding van de maatschappij is steevast een politieke strijd, die wordt opgelegd aan de strijders, of die dat nu graag hebben of niet. Apolitisme, ondanks zijn illusies, wordt onvermijdelijk politiek… maar niet noodzakelijk op een juiste wijze. Vanwege het ontbreken van duidelijke en ontwikkelde proletarische politieke standpunten en principes, raakt de apolitieke benadering echter onder de invloed van de politieke krachten van de heersende klasse.
Dit wordt nergens beter geïllustreerd dan in de geschiedenis van het anarchisme en zijn pogingen tot revolutionair apolitisme. In de grote politieke tests van de geschiedenis zijn de anarchisten over het algemeen niet in staat geweest de druk van de politiek van de heersende klasse te weerstaan en zijn voor haar gezwicht, met als meest schrijnende voorbeeld dat van Peter Kropotkin in de Eerste Wereldoorlog:
Kropotkin, Tcherkesoff en Jean Grave waren de meest enthousiaste verdedigers van Frankrijk: "Laat deze gruwelijke veroveraars de Latijnse beschaving en de Fransen niet opnieuw wegvagen... Laat hen niet een eeuw van militarisme opleggen aan Europa." (brief van Kropotkin aan J. Grave, 2 september 1914). In naam van de verdediging van de democratie tegen het Pruisisch militarisme verleenden zij steun aan het Heilige Verbond: "De Duitse agressie vormde een – in daden omgezette – bedreiging, niet alleen voor onze hoop op bevrijding maar voor de gehele evolutie van de mensheid. Daarom hebben wij anarchisten, wij antimilitaristen, wij tegenstanders van de oorlog, wij hartstochtelijke voorstanders van vrede en broederschap tussen de volken, ons aan de kant van het verzet geschaard en gemeend ons lot niet los te mogen maken van dat van de rest van de bevolking..." (Het Manifest van de Zestien (het aantal ondertekenaars), 28 februari 1916). [5]
De belangrijkste vertegenwoordigers van het anarchisme stelden zich op achter de politiek van de heersende klasse, net als de opportunistische leiders van de belangrijkste sociaaldemocratische partijen. Laatstgenoemde verwierpen de internationalistische politieke standpunten van de arbeidersklasse; de eersten, die deze posities afwezen, moesten vaststellen dat hun eigen mooi klinkende maar holle frasen over democratie en emancipatie, van menselijke evolutie, tegen oorlog, voor vrede en broederschap, gerecupereerd werden door de imperialistische politiek van de bourgeoisie. [6]
The scorn for political positions amongst revolutionaries can also be harmful in other, less decisive periods, like today’s, tending to reflect, rather than counter, the present disorientation of working class.
De minachting bij revolutionairen voor politieke standpunten kan ook in andere, minder beslissende periodes, zoals vandaag, schadelijk zijn. Ze neigt er dan toe de huidige desoriëntatie van de arbeidersklasse te weerspiegelen, eerder dan er tegenin te gaan.
Devrim zegt dat er een probleem van depolitisering bestaat in de maatschappij. Dat is gedeeltelijk waar. Maar wat zijn de specifieke kenmerken van de depolitisering vandaag die van invloed is op de arbeidersklasse en haar kleine revolutionaire minderheden?
Sinds de heropleving van klassenstrijd op een historische schaal, in 1968, die het lange tijdperk van contra-revolutie beëindigde, vindt de arbeidersklasse het heel moeilijk om haar strijd op haar eigen politieke terrein te ontwikkelen. Ze blijft grotendeels in het defensief, en onder de invloed van de sociaaldemocratie, het stalinisme en de vakbonden. De heersende klasse is, op haar beurt, in staat geweest om haar groeiende economische crisis te faseren en politiek en intelligent te manoeuvreren tegen de dreiging van onderop. De impasse tussen de twee grootste klassevijanden in de kapitalistische maatschappij die daarvan het resultaat is, heeft een periode van sociale ontbinding van het kapitalisme ingeluid, die geleid heeft tot een diepgaande desoriëntatie binnen de arbeidersklasse. [7]
De definitieve start van de periode van ontbinding werd gekenmerkt door de ineenstorting van de Sovjet-Unie en deze is opzettelijk gebruikt door de heersende klasse om deze desoriëntatie te versterken. De enorme ideologische campagnes van de internationale bourgeoisie sinds 1989 over de 'dood van het kommunisme', van het 'marxisme' en 'het einde van de arbeidersklasse' als politieke kracht in de maatschappij kwamen er niet bij toeval. Marxistische minderheden, zoals de IKS, ook als die op generlei wijze besmet zijn door het stalinisme, kregen toch te lijden onder de volle kracht van de poging van de heersende klasse tot depolitisering van de arbeidersklasse, die de sociale ontbinding van haar systeem gebruikt om haar klassevijand een zware klap toe te brengen.
In zijn persoonlijke getuigenis 'Mijn ervaring…' betuigt Devrim zijn instemming met de analyse van de IKS over de sociale ontbinding van het kapitalisme, zoals wij die hierboven in het kort hebben uiteengezet:
"Persoonlijk denk ik dat veel van wat zij te zeggen heeft, een goede beschrijving geeft van de nieuwe periode die begon met de val van de Sovjet-Unie, maar moet worden opgevat als een manier om de onzin over de jaren der waarheid te rechtvaardigen." (een verwijzing naar de analyse die de IKS gemaakt heeft ter karakterisering van de inzet van de jaren 1980).
Devrim weidt niet uit over de delen van de Stellingen over de ontbinding waarmee hij instemt of met welke delen hij het niet eens is, noch over de aard van de 'fouten' die wij zouden gemaakt hebben in de analyse van de jaren 1980. Hij legt evenmin uit wat de fouten zijn in de analyse van de Stellingen over de ontbinding, die blijkbaar beschouwd worden als een manier om deze eerdere analyse te rechtvaardigen. [8]
Niettemin kunnen we concluderen dat Devrim de belangrijkste conclusies van de Stellingen, namelijk dat deze nieuwe periode leidt tot nieuwe moeilijkheden voor het proletariaat en dus voor haar revolutionaire organisaties, niet volgt:
"13) In feite moeten we bijzonder duidelijk zijn over het gevaar van de ontbinding voor de capaciteit van het proletariaat om zichzelf te verheffen tot het niveau van zijn historische taak. Het uitbarsten van de imperialistische oorlog in het hart van de ‘beschaafde’ wereld was “een aderlating, die de Europese arbeidersbeweging dodelijk dreigde te verzwakken” en die “dreigde het perspectief van het socialisme te begraven onder het puin van het barbaars imperialisme” door “de beste krachten van het internationale socialisme, de voorhoedetroepen van het wereldproletariaat, op het slagveld af te slachten” (Rosa Luxemburg, De crisis in de sociaaldemocratie). Net zo kan de ontbinding van de maatschappij, die alleen maar erger kan worden, de beste krachten van het proletariaat vernietigen en daardoor definitief het perspectief van het kommunisme verspelen. Dit komt omdat de verrotting van het kapitalisme alle delen van de maatschappij, inclusief het proletariaat, vergiftigt." (Stellingen over de ontbinding)
Devrim heeft uit deze analyse niet de conclusie getrokken dat de revolutionaire organisatie als uitdrukking van de arbeidersklasse, moet vechten tegen dit proces van depolitisering en, op de diepste theoretische wijze, alle implicaties van de nieuwe periode voor het proletariaat als politieke klasse moet onderzoeken om zich voor te bereiden op haar toekomstige ontwaken wat, ondanks het negatieve gewicht van ontbinding, nog steeds mogelijk is.
Hij trekt liever de tegenovergestelde conclusie: als de maatschappij en de arbeidersklasse in deze periode gedepolitiseerd zijn, moeten de revolutionairen inspelen op deze tendens en de betekenis van de historische belangen van het proletariaat kleiner maken of uitwissen, en dus hun bekommernis om haar politieke standpunten en theorie verminderen en hun taal in die zin aanpassen. Maar zou dit niet een terugkeer zijn naar de versleten mode en de warrige theorie van het anarchistische apolitisme?
We mogen niet vergeten dat deze tendens tot depolitisering van de arbeidersklasse vandaag niet permanent noch volledig is. Verder heeft de verrotting van het kapitalisme haar eindpunt nog niet bereikt. De tegenstellingen van het wereldkapitalisme verplichten de arbeidersklasse opnieuw in politieke termen te denken, hoe moeilijk en tijdrovend een dergelijk proces van ontwaken ook mag blijken te zijn.
Daarom is er nog steeds een kleine minderheid individuen die zich aangetrokken voelt tot de marxistische politiek. Daarom denken we niet dat Devrim spreekt voor alle mensen en alle 'buitenstaanders' van het IKS die, volgens hem, allemaal afgestoten of verveeld worden door politieke standpunten.
Het zou tragisch zijn moest de revolutionaire organisatie er vandaag niet in slagen de uitdaging te beantwoorden die deze, weliswaar nog minieme, tendens naar politieke standpunten van de arbeidersklasse stelt, en er niet slagen om die een historische context, een wereldwijde consistentie en samenhang te geven, en hun diepste theoretische basis.
In deze zin is de voorspelling van Devrim over de ondergang van het IKS vanwege haar bekommernis om de proletarische politieke beginselen, daarentegen op haar eigen manier een uitdrukking van de huidige tendens van een ontbindend kapitalisme, naar de vernietiging van het klassebewustzijn en dus van de revolutionaire minderheden die juist proberen het te behouden en te verrijken.
Devrims persoonlijk verslag 'Mijn ervaring in de IKS' richt zich niet op de politieke beginselen van de organisatie, haar platform, en gaat slechts summier in op bepaalde belangrijke analytische teksten van de IKS zoals de Stellingen over het parasitisme en de Stellingen over de ontbinding.
Dit kleineren van het kader waarin de IKS zijn bestaan situeert is een logisch gevolg van zijn idee, uitgedrukt in de email aan een IKS-lid, die we hebben geciteerd aan het begin van dit artikel, dat de bespreking van de politieke standpunten van het platform een uitdrukking is van een denkwijze uit een vervlogen tijdperk. In plaats daarvan spitsen Devrims herinneringen zich toe op zijn ervaringen met het interne leven van de IKS. Hier richt hij zich opnieuw niet op de politieke principes, die ten grondslag liggen aan de interne werking van de IKS, maar baseert hij zijn kritieken op impressies, op persoonlijke anekdotes en op datgene wat hij heeft gehoord (zoals “een lid van het centrale orgaan vertelde me….” of “ik heb gehoord van gevallen waarbij de integratie jaren aansleepte”, enzovoort). [9]
Niettemin komen er een aantal fundamentele thema’s uit zijn kritische verslag aan het licht, die van algemeen belang kunnen zijn om te bespreken. Wij zullen drie van hen nader bekijken en beantwoorden:
"Het proces van toetreding tot de IKS is een uitgerekt en eentonig gebeuren. … Om toe te treden tot de IKS moet je eigenlijk akkoord gaan met het platform en de statuten. Ik heb gehoord van gevallen binnen de IKS waarbij dit proces jaren heeft gekost. Bij ons was het sneller, maar nog steeds een erg langdurig proces...
“...het lijkt erop alsof het IKS actief probeert te vermijden [10] nieuwe mensen te werven door het zo moeilijk te maken toe te treden. Het gevoel, dat ik kreeg, was dat het centrum vond dat we te snel waren geïntegreerd, en een deel van het probleem was dat we, voor onze integratie, niet akkoord waren met hen over bepaalde kwesties, in het bijzonder de 'Stellingen over het parasitisme', maar ook vele andere. Dit is een tweeslachtigheid van de IKS omdat lidmaatschap officieel weliswaar gebaseerd is op een akkoord met het platform en de statuten, maar dat het gewenste niveau van politieke overeenstemming eigenlijk veel hoger ligt. Terwijl we oorspronkelijk over het platform discussieerden, waren er talrijke 'aanvullende' teksten die we ook zouden moeten bediscussiëren. Naar mijn gevoel zal de IKS, in de toekomst, aandringen op nog meer van deze teksten, die het dubbele effect hebben het niet alleen moeilijker te maken om mensen te werven, maar ook dat er minder frisse ideeën binnen de IKS zelf zullen bestaan.
"De IKS beschouwt zichzelf als een internationaal gecentraliseerde organisatie, en niet als een verzameling van nationale afdelingen. Dit gezegd zijnde leek het aantal tussenkomsten van de centrale organen in de dagelijkse gang van zaken in de verschillende afdelingen mij niet alleen buitenmatig, maar absoluut aanmatigend.
Wat betreft de verhoudingen tussen de leden en de organisatie, heb ik het gevoel dat deze verhouding er in de IKS toe dient het initiatief van de individuele leden, maar ook van de afdelingen, te verminderen, door een organisatiecultuur aan te moedigen die in mijn ogen te sterk gecentraliseerd is.
Ondanks wat ik beschouw als een extreem hoog niveau van politieke overeenstemming als criterium voor lidmaatschap, lijkt het me nog steeds dat in de IKS de orders van boven komen en worden doorgestuurd naar beneden. Dit proces draagt er naar mijn mening toe bij om de initiatieven, die komen van de leden als geheel, te ontmoedigen. En ondanks de protesten van de IKS dat het tegendeel waar is, neigt ze de hiërarchische verhoudingen in de maatschappij als geheel te weerspiegelen ".
"Er is zoveel 'debat' binnen de IKS, dat het ertoe neigt iedere echte discussie onmogelijk te maken.
Dit leidt tot een probleem waarbij alleen al op de hoogte blijven van de interne kwesties van de IKS een hoeveelheid tijd vereist die, zo stel ik me voor, overeenkomt met de hoeveelheid, die de meeste mensen in politieke organisaties aan hun hele politieke activiteit spenderen.
(...) Alles moet eindeloos intern besproken worden voordat het naar buiten toe kan gepresenteerd worden.
(...) Ik denk dat het de indruk wekt dat de IKS bestaat uit een stelletje robots die allemaal dezelfde ideeën napraten. Echter, hoe waar of onwaar dit ook mag zijn, het is zeker een indruk die door velen buiten de IKS wordt opgedaan, en de IKS doet erg weinig om dit te ontkrachten. Het tweede punt is dat de IKS een enorme hoeveelheid teksten voortbrengt, waarvan vele zoals reeds vermeld niet eens door alle eigen leden wordt gelezen. Er moet zeker toch een aantal mensen zijn die geïnteresseerd zijn in een enkele ervan".
"De theorie van de IKS is een indrukwekkend stuk werk, temeer vanwege haar diepgaande coherentie. Het past allemaal perfect samen, waarbij elk blok zijn plaats heeft in de hele structuur. Zeker voor wie op zoek is naar theoretische coherentie, lijkt dit zeer aantrekkelijk, vooral voor nieuwe groepen, zoals dat toentertijd voor ons gold. De aanvaarding, in één keer, van een theoretisch geheel kan zeer aantrekkelijk lijken, in plaats van het alternatief van het moeizame theoretische werk. Het probleem is echter dat het een kaartenhuis is, waar elk deel afhankelijk is van de andere om te voorkomen dat het hele bouwwerk instort.”
Over het geheel genomen, als je de kleinerende persoonlijke impressies en geringschattende metaforen en nogal wat leugentjes uit zijn persoonlijk verslag verwijdert, bekritiseert Devrim de IKS omdat ze teveel een revolutionaire politieke organisatie is: de vereiste politieke overeenstemming voor het lidmaatschap is te hoog, ze is te sterk gecentraliseerd op internationaal vlak, er is teveel interne theoretische discussie, ze bakent zichzelf te veel af van andere politieke stromingen; ze vereist teveel politieke hartstocht van haar leden; en tenslotte is ze theoretisch te coherent.
Alles bij elkaar is dat al te vleiend voor een politieke organisatie! De geschiedenis van de IKS toont aan dat ze veel moeilijkheden gekend heeft. Ondanks alle fouten en tekortkomingen is de IKS als revolutionaire organisatie in staat gebleken om 40 jaar lang vast te houden aan haar afstamming van de marxistische linkerzijde (in de Bond van kommunisten, de Eerste, Tweede en Derde Internationale en de Kommunistische Linkerzijde zelf). In die periode heeft ze een uitgebreide analyse voortgebracht van de historische periode (het verval van het kapitalisme) evenals van de voornaamste kenmerken van de laatste fase daarvan, die van ontbinding; een platform uitgewerkt met de hoofdlijnen van het kommunistische perspectief onder deze omstandigheden; haar onafhankelijkheid veilig gesteld tegenover de bourgeoisie, inclusief van haar uiterste linkervleugel; regelmatige analyses verstrekt van de veranderende internationale situatie in haar dimensies van economische crisis, imperialistische conflicten en klassenstrijd; met één stem tussengekomen op alle continenten (ondanks haar geringe numerieke omvang); het niveau van de interne discussie opgevoerd tot het peil dat vereist is om haar debatten op een duidelijke manier naar buiten te kunnen presenteren; de interne politieke crises overleefd en er sterker uit gekomen... Dit alles toont aan dat de bekommernis met politieke beginselen er eerder toe neigt een revolutionaire organisatie te doen voorbestaan, dan haar tot de ondergang te leiden.
Maar deze politieke vasthoudendheid is niet onze exclusieve verworvenheid. Uiteindelijk is de bekwaamheid die de IKS heeft vertoond een weerspiegeling van het latente potentieel in de arbeidersklasse als revolutionaire politieke klasse, haar vermogen om zich terdege bewust te worden van haar historische doelen en zich te verenigen rond deze belangen tegenover op alle hindernissen die er nu al zijn en die nog op haar pad zullen worden geplaatst.
Toch denkt Devrim dat het juist deze politieke capaciteiten zijn, die verouderd zijn en zullen leiden tot de teloorgang van de IKS, een lot dat volgens hem moet worden bespoedigd. Beginselvaste politiek vernietigt zogenaamd individuele en lokale initiatieven, ontmoedigt de ontwikkeling van frisse ideeën die uit dergelijke initiatieven voortkomen en schermt de organisatie af van externe bronnen van inspiratie en beperkt zo haar groei. Kortom de IKS beperkt de persoonlijke vrijheid, de individuele vrijheid die nodig is voor een bruisende en groeiende organisatie, zoals Devrim het stelt. Het integratieproces van nieuwe leden, de rol van de centrale organen, het kader van het interne debat, haar theoretisch samenhangende doeleinden alsmede haar houding ten opzichte van andere delen van het politieke milieu zijn, in één woord, autoritair.
In reactie op dit fout idee dat de marxistische revolutionaire politieke organisatie de vrijheid beperkt van het individu, moeten we eerst een paar kwesties ophelderen om een zekere coherentie aan de kwestie te kunnen geven.
Het verlangen naar vrijheid, naar de mogelijkheid om vorm te geven aan zijn eigen lot en trouw te blijven aan zichzelf is een van de oudste menselijke behoeften, een intrinsieke behoefte van een diersoort dat in staat is tot zelfbewustzijn en die in gemeenschap moet leven. Het samenspel tussen de diepste innerlijke verlangens van het individu en de behoeften van anderen is altijd een fundamenteel aspect van het menselijk bestaan geweest.
Voor een groot deel van de pre-kapitalistische menselijke geschiedenis, gedomineerd door klassen en de uitbuiting van de mens door de mens, was de individuele geestelijke behoefte aan persoonlijke vrijheid en controle over zijn lot grotendeels tegen hem gericht door de schim van 'God' en door diens zelfbenoemde vertegenwoordigers op aarde die, niet toevallig, behoorden tot de klasse van slaveneigenaars. De producerende massa van de bevolking was geketend: op aarde door de heersende klasse en in de denkbeeldige hemel door een spirituele tiran.
De secularisering en dus politisering van persoonlijke vrijheid en lotsbestemming, in de burgerlijke revoluties - vooral in de Franse Revolutie van 1789-1793 - was een belangrijke stap in het streven naar de werkelijke oplossing voor de menselijke vrijheid. Niet het minst omdat zij het pad effende voor de arbeidersklasse om tot de politieke arena door te dringen en zichzelf politiek te bevestigen. In de verklaring van de Rechten van de Mens van 1789, presenteerde de bourgeoisie haar eigen pas verworven vrijheid echter als een universele verworvenheid, die tot voordeel was van iedereen. Dit bedrog kwam deels voort uit haar eigen illusies en deels uit de noodzaak voor de bourgeoisie om de hele bevolking achter haar vaandel te scharen.
Het begrip vrijheid bleef gevangen in een gemystificeerde abstracte vorm, en verdoezelde het feit dat in de kapitalistische samenleving de producenten, rechtens vrij en gelijk aan hun meesters, nu geketend werden door een nieuwe vorm van uitbuiting, een nieuwe dictatuur. De triomf van de bourgeoisie leidde tot de veralgemening van warenproductie, die de arbeidsdeling op de spits dreef, en de individuen losrukte uit de gemeenschap. De verschillende sociale structuren confronteerden het individu als een externe noodzaak, en veranderden zijn medemensen in concurrenten. Uit deze atomisering en dit isolement vloeide, paradoxaal genoeg, de mystiek voort van de individuele vrijheid in de kapitalistische samenleving. In werkelijkheid was alleen het kapitaal vrij:
“In de burgerlijke maatschappij is het kapitaal zelfstandig en persoonlijk, terwijl het werkende individu onzelfstandig en onpersoonlijk is.
En de opheffing van deze verhouding noemt de bourgeoisie opheffing van persoonlijkheid en vrijheid. En terecht. Want het gaat zeer zeker om de opheffing van de burgerlijke persoonlijkheid, zelfstandigheid en vrijheid.”
(Marx and Engels, Het Communistisch Manifest)
De levende, historisch concrete ontwikkeling van individuele vrijheid hangt dus af van de solidariteit van de proletarische strijd voor de afschaffing van de klassen en de uitbuiting. Echte vrijheid is alleen mogelijk in een maatschappij van vrije arbeid, dat wil zeggen een kommunistische productiewijze, waar de opheffing van de arbeidsdeling de algehele ontplooiing van het individu mogelijk maakt.
De bevordering van proletarische politieke vrijheden, waar deze revolutionaire omvorming van de samenleving op berust, en die door de kommunistische politieke organisaties verdedigd moeten worden, impliceert noodzakelijkerwijze de strijd tegen de meedogenloze aanspraken voor burgerlijke politieke vrijheid, die de kapitalistische samenleving op permanente wijze voortbrengt.
Het Kommunistisch Manifest citerend: de bourgeoisie verwijt het marxistisch militantisme dermate strikte voorwaarden op te leggen dat de vrijheid van het individu en diens initiatieven beperkt worden. En terecht. Want ze zijn ongetwijfeld gericht op een verbod van de burgerlijke vrijheden van het individu en de burgerlijke initiatieven.
Het politieke principe van afwijzing van deelname aan het parlement, dat de IKS deelt met de rest van de linkskommunistische traditie, voorkomt voor een groot deel het soort carrièredrang en hiërarchische besluitvorming, waarmee de partijen van de Tweede Internationale besmet waren en die typisch zijn voor het burgerlijke politieke leven. De principiële onafhankelijkheid ten opzichte van het burgerlijk staatsapparaat sluit het soort persoonlijke ambitie en avonturisme uit, die aangewakkerd worden door de verwachting gemakkelijk geld te verdienen, iets wat de deelnemers van de burgerlijke politiek drijft.
De strijd voor proletarische politieke vrijheid en tegen de burgerlijke vrijheden stopt niet hier. Er zijn mensen die walgen van de rotte wereld van burgerlijke politiek, links en rechts, en haar willen bestrijden in een marxistische revolutionaire organisatie. Maar in wezen hebben ze de abstracte en holle leuze niet opgegeven van de 'individuele vrijheid', die fungeert als ultieme ideologische dekking en rechtvaardiging van de kapitalistische wereld.
Ongecontroleerde uitingen van deze resten van de burgerlijke denkwijzen leiden binnen de organisatie tot een heimelijke strijd tegen het vermeende onbuigzaamheid van proletarische politieke beginselen, de zogenaamde hiërarchie van centralisatie, het 'dogmatisme' in het proletarisch debat, die worden ervaren als evenzovele beperkingen van de persoonlijke rechten, zelfs als er met betrekking tot deze principes – de centralisatie en de cultuur van debat - oppervlakkige overeenstemming werd bereikt. Deze houding heeft echter geen duidelijk alternatief, geen duidelijke positieve omtrekken, maar wordt voornamelijk gekenmerkt door 'tegen' te zijn, door af te wijzen wat er is. Zij eist het recht op om collectieve, gecentraliseerde besluiten niet op te volgen, het recht om, zonder opgaaf van reden, plaatselijke initiatieven te nemen tegen die van de rest van de organisatie in, het recht om niet coherent te zijn en vooral niet verantwoordelijk te worden gehouden voor inconsistenties. [11]
Deze anarchistische houding handhaaft het burgerlijke geloof in 'individuele vrijheid'. Zij verwerpt het gezag van de kapitalistische politiek en uitbuiting, maar leidt ertoe ook het gezag van het marxistisch alternatief te verwerpen.
De marxistische revolutionaire organisatie moet daarom vechten en zich beschermen tegen deze meer diffuse en holle verdediging van de burgerlijke politieke vrijheid net als tegen de meer openlijke en duidelijke uitdrukkingen ervan, die we terugvinden in parlementaire en linkse partijen.
Het is niet toevallig dat de vraag wie lid is van de organisatie en wie niet een vitale plaats inneemt in de geschiedenis van de marxistische beweging. Tijdens het Haagse Congres van de Eerste Internationale werden de eerste dagen besteed aan het controleren van de geloofsbrieven van de afgevaardigden, vooral omdat er een geheim verbond bestond binnen de organisatie: Bakoenins Broederschap.
Op het rampzalige Tweede Congres van de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in 1903 ging een van de belangrijkste meningsverschillen tussen Bolsjewiki en Mensjewiki over de definitie van lidmaatschap in de voorgestelde partijstatuten.
De strenge voorwaarden voor lidmaatschap zijn een essentieel middel om zowel de klassieke uitingen van burgerlijke politieke vrijheid zoals avonturisme en carrièredrang uit te sluiten als de minder uitgesproken toegevingen aan het opportunisme op het vlak van algemeen politieke principes en de vorming van persoonlijke kliekjes die zich verzetten tegen de consistente toepassing van de beginselen inzake het organisatievraagstuk.
A lack of rigour in the process of integration of militants is a good means of establishing a hierarchy within the organisation between ‘those who know and those who don’t know’ the positions and analyses of the latter. Obviously it is never possible to completely eliminate the inequalities and differences of capacities between militants, but the ‘recruitment’ on insufficient bases are the best means to reinforce rather than attenuating them.
Een gebrek aan striktheid in het integratieproces van militanten is een goed middel om een hiërarchie binnen de organisatie te bewerkstelligen tussen 'wie die de standpunten en analyses van de organisatie wel en wie die niet kennen'. Uiteraard is het nooit mogelijk om de ongelijkheden en verschillen in vermogens tussen militanten volledig weg te vegen, maar 'aanwerving' op een onvolledige basis is eerder het beste middel om ze versterken en dan om ze verzwakken.
Alle organismen hebben een bepaalde mate van eenheid nodig om hun bestaan te handhaven. Dit geldt zowel voor de politieke als voor de natuurlijke wereld. Centralisatie is het essentiële middel om een complexe eenheid veilig te stellen. Dit drukt een fundamentele, universele vooronderstelling uit: het geheel is meer dan de som der delen. Eenheid is niet het eenvoudige resultaat van het verzamelen of samenvoegen van de verschillende onderdelen van het geheel. Eenheid vereist een andere kwaliteit: de capaciteit om deze anderszins ongelijksoortige elementen te centraliseren en coördineren. Een orkest vereist een leider om alle muzikanten samen te brengen die, in ruil daarvoor, zijn onmisbare rol erkennen en respecteren in de schepping van een eengemaakt kunstwerk dat kwalitatief meer is dan het geluid van elk van de afzonderlijke instrumenten.
Een revolutionaire politieke organisatie is ook meer dan een verzameling individuen die het toevallig eens zijn. Om zichzelf als organisatie te handhaven, wordt van elke militant een wil tot eenheid vereist en dus de bereidheid tot centralisatie.
Het hoge niveau van centralisatie dat vereist is voor proletarische politieke organisaties, is de weerspiegeling van het feit dat het proletariaat, in tegenstelling tot andere klassen, geen aparte economische of politieke belangen heeft. Het brengt ook een belangrijke behoefte tot uitdrukking van een uitgebuite klasse: de bestrijding van de verdeling en versnippering, die de loonarbeid en algemene warenproductie oplegt aan het proletariaat en de compensatie van het ontbreken van enige economische macht, die haar strijd bijeenhoudt.
Centralisatie beperkt noodzakelijkerwijs sommige individuele initiatieven - welke zich verzetten tegen het proces van centralisatie en in plaats daarvan een eigen richting gaan, die leidt tot een verlies van samenhang en uiteindelijk tot het uiteenvallen van het geheel. Maar ze is daarentegen volledig afhankelijk van de individuele initiatieven en de verscheidenheid van het hele politieke organisme. Het langdurige karakter van centralisatie is juist het gevolg van de noodzaak om gezamenlijk een oplossing te vinden voor deze verscheidenheid, de synthese van de meningsverschillen - de enige manier om het geheel samen te brengen en te verrijken tot een hogere eenheid.
De marxistische opvatting van centralisatie is derhalve niet monolithisch. Ze staat toe, en eist in feite, de uitdrukking van minderheidsstandpunten - met als doel de meerderheid te overtuigen en de hele organisatie op het juiste pad te brengen. De gedecentraliseerde of federalistische opvatting, die stelt dat de minderheid niet mag worden bekritiseerd, en niet mag worden onderworpen aan de eenheid van de organisatie terwijl de discussie voortduurt, is in feite autoritair omdat ze het arbitraire opleggen betekent van een deel aan het geheel. [12]
Centralisatie komt voor de aanhangers van 'persoonlijke vrijheid' altijd over als hiërarchisch, omdat ze het principe van afvaardiging inhoudt. Congressen bijvoorbeeld, die de algemene doeleinden van de organisatie formuleren, kunnen onmogelijk permanent zitting houden en zich bezighouden met de enorme hoeveelheid dagelijkse taken van de organisatie en in het bijzonder met haar interventie in de arbeidersklasse. Zij moeten hun taken delegeren aan de centrale organen die hun oriëntaties vertalen naar het dagelijkse leven van de organisatie. Het mandateren van centrale organen en het terugkoppelen van dit mandaat op het daaropvolgende congres, om deze te verifiëren, is een kenmerk van de revolutionaire marxistische politieke organisatie.
Het principe van afvaardiging en handhaving van de eenheid tijdens de debatten over meningsverschillen betekent niet een teveel aan centralisatie, het is centralisatie: de levensader van de revolutionaire organisatie. De afkeer van deze principes betekent uiteindelijk de bevestiging van de overheersende wil van het individu of van een minderheid over het belang van het geheel. Dat, en niet centralisatie, is autoritair.
Een interessant aspect van Devrims persoonlijk verslag is dat hij de IKS bekritiseert voor een teveel aan intern debat en daardoor dus te veel verscheidenheid en individuele initiatieven aan de ene kant, maar aan de andere kant hekelt hij de organisatie omdat ze te theoretisch samenhangend is, waar niets van zijn plaats raakt waardoor er geen ruimte voor individueel initiatief zou overblijven.
Devrim bekommert zich in zijn verslag niet om de verzoening van deze schijnbare tegenspraak: dat een organisatie op hetzelfde moment zowel intens zelfkritisch en intens samenhangend kan zijn. [13] In feite is er geen tegenspraak tussen deze twee tegenpolen – we zijn van mening dat ze elkaar aanvullen en onderling van elkaar afhankelijk zijn.
De traditie van de marxistische linkerzijde, waar de IKS toe behoort, is altijd gekenmerkt door een kritische geest die niet alleen maar gericht is op de bourgeoisie en de kapitalistische samenleving, maar ook op zichzelf, op haar eigen partijen en hun concessies aan de bourgeoisie, op theoretische fouten en theoretische onvolmaaktheden met betrekking tot veranderingen in de gebeurtenissen en in de historische periodes. De politieke uitgangspunten die de IKS verdedigt, zijn het resultaat van langdurige inspanningen om de beginselen, of opvattingen over deze beginselen, in vraag te stellen, iets dat nodig werd bevonden in het licht van de constante evolutie van de maatschappelijke realiteit en het ontstaan van nieuwe situaties, waarin nieuwe antwoorden en analyses nodig waren. De visie van de IKS over de rol van de partij of de staat in de overgangsperiode bijvoorbeeld is het resultaat van een langdurige en moeizame theoretische ontwikkeling onder de kommunisten en vereiste, na de nederlaag van de Oktoberrevolutie, tientallen jaren van debat en confrontatie.
En in de geschiedenis van de IKS zelf heeft intern debat geleid tot de verwerping van een eens vanzelfsprekende analyse uit de marxistische traditie, zoals Lenin's theorie van de zwakke schakel - de opvatting dat de revolutionaire socialistische omvorming zou uitgaan van de perifere landen van het kapitalisme. De IKS stelde daartegenover dat de drijvende kracht voor de proletarische revolutie zal uitgaan van West-Europa, waar de meest ervaren sectoren van de arbeidersklasse en met de meest intelligente bourgeoisieën zich bevinden. [14]
Een permanente kritische houding ten opzichte van de verworvenheden van de marxistische traditie, in het licht van de nieuwe problemen die zich stellen in verband met de ontwikkeling van de gebeurtenissen, is dus een onmisbaar aspect van de marxistische theorie.
Dit betekent dat elke militant deze kritische benadering ter harte neemt, de noodzaak erkent om voor zichzelf na te denken - en weigert om de dingen zonder meer voor waar aan te nemen.
Tegelijkertijd kan de marxistische kritiek alleen ernstig genoeg zijn als ze een zoektocht impliceert naar een nieuwe samenhang. Alleen de zoektocht naar nieuwe syntheses, die ofwel de oude verrijken of die zelfs verwerpen, kan tot de wortel gaan.
Het marxistische doel is altijd het scheppen of herscheppen van een theoretisch en politiek totaalbeeld dat het 'algemene verloop' van de strijd van de arbeidersklasse schetst, aangezien die strijd in de loop van de tijd, door veranderende omstandigheden, evolueert. De noodzaak van een eengemaakte theoretische opvatting van de belangen van het proletariaat is een vitale tegenhanger van de organisatorische eenheid. Theoretische eenheid of coherentie, net als een gecentraliseerde organisatie, is niet hetzelfde als conformiteit of eenvormigheid. Elke coherentie bevat potentiële tegenspraken. En deze latente tegenspraken leiden naar nieuwe debatten en dus noodzakelijkerwijs naar nieuwe conclusies.
Verscheidenheid is dus geen doel op zich, zoals het toejuichen van meningsverschillen om de meningsverschillen, waar de anarchisten in geloven, maar het middel tot het grotere zelfbewustzijn van het proletariaat als een eengemaakte revolutionaire klasse.
Op dezelfde manier is het doel van de debatten die binnen de organisatie plaatsvinden, niet de autoriteit van een of andere 'leider' te versterken, maar om de grootste helderheid, de grootste homogeniteit binnen de organisatie te bereiken, dat wil zeggen, om te vechten tegen de omstandigheden die de noodzaak van 'leiders' oproepen.
De kracht van de ideeën van de revolutionaire organisatie in de arbeidersklasse moet, op lange termijn beschouwd, niet verlopen via de verwatering van haar beginselen en analyses of de verwerping van de coherentie, zoals Devrim denkt, maar door de grotere concentratie en diepgang van haar theorie.
Dit alles stelt bijzondere theoretische eisen aan de revolutionaire militant. Een van de belangrijkste eisen is dat ze verder kijken dan hun eigen persoonlijke indrukken en gevoelens.
Maar Devrims hele verslag van zijn negatieve ervaringen in de IKS blijft steken in de eerste fase, die van persoonlijke impressies, en bereikt nooit het niveau van een discussie over de politieke en organisatorische beginselen, die de kern vormen van de marxistische revolutionaire organisatie.
In Devrims kritiek bestaat er geen gedetailleerde alternatieve opvatting van de revolutionaire organisatie. Maar in zijn kritiek op de IKS zegt hij impliciet dat het alternatief minder streng moet zijn ten aanzien van de integratie van nieuwe leden, minder gecentraliseerd, zodat de verschillende onderdelen van de organisatie meer zelfstandigheid hebben. Het zou minder tijd moeten besteden aan intern theoretisch debat, minder energie om zichzelf af te grenzen van andere politieke stromingen. Er zou minder aandacht moeten besteed worden aan de gezamenlijke ontwikkeling van samenhangende politieke standpunten en meer gewicht gegeven aan persoonlijke indrukken en gevoelens. Kortom, de revolutionaire organisatie moet minder een politieke uitdrukking zijn van de arbeidersklasse en meer een weerspiegeling van de persoonlijke voorkeuren van de individuele leden.
Daar Devrim geen historische modellen of referentiepunten aanvoert over hoe een dergelijke organisatie eruit moet zien, of hoe de voorgaande mislukkingen, gebaseerd op hetzelfde tekort aan parameters, zouden kunnen worden voorkomen, lijkt zijn alternatief uiterst mistig, en de contouren ervan onbepaald.
Uiteindelijk drukt Devrims kritiek een visie van revolutionair militantisme uit, die totaal anders is dan de marxistische. Deze laatste ziet de vrije ontwikkeling van de militant als een proces van interactie met zijn kameraden, als een kwestie van organisatorische solidariteit, terwijl Devrim de revolutionair beschouwt als iemand die, ten koste van alles, zijn persoonlijke zelfstandigheid moet bewaren, ook al impliceert dat afscheid nemen van de organisatie en dus ook van zijn kameraden.
In een periode waarin de arbeidersklasse haar identiteit als politieke klasse terugwint, is de suggestie dat een bestaande revolutionaire politieke organisatie, één die over een waardevol kommunistisch politiek perspectief beschikt, verouderd is en vervangen moet worden door een vaag bedacht alternatief dat onverschillig staat ten opzichte van politieke standpunten - tja, dit is belachelijk. Niet alleen belachelijk, maar ronduit schadelijk.
Er bestaan vandaag groepen en individuen die zich tot doel stellen de revolutionaire organisaties te vernietigen en de IKS in het bijzonder. Terwijl Devrim het niet eens is met onze betiteling van deze elementen als 'parasitair', heeft hij hun gedragingen en doeleinden toch een keer verworpen als anti-arbeidersklasse - een van de redenen die hem oorspronkelijk aantrok tot de IKS. Maar zijn huidige houding, uitgedrukt in zijn persoonlijke kritiek, welke nu inhoudt dat de IKS het niet waard is om tegen dergelijke aanvallen verdedigd te worden, kan, ongeacht zijn bedoelingen, de destructieve neigingen van de parasieten alleen maar aanscherpen.
De bekommernis om 'persoonlijke vrijheid tegen autoriteit' bevindt zich midden in een niemandsland tussen twee alternatieven: de politieke vastberadenheid van het marxisme enerzijds en de vijandige politieke macht van de bourgeoisie, en degenen die zich in dienst hebben gesteld van de laatste, anderzijds. In werkelijkheid is er geen neutrale middenweg tussen deze beide politieke polen.
Het is duidelijk welke van deze twee kampen echte revolutionairen moeten verkiezen.
Como
1. libcom.org/library/my-experience-icc-devrim-valerian [28]
2. We bedoelen dat ze als organisaties van het proletariaat ten onder gingen, maar niet noodzakelijk volledig verdwenen. De Duitse Sociaal-Democratische Partij bijvoorbeeld, die zich in 1914 aansloot bij de imperialistische oorlogsinspanningen, bestaat vandaag de dag nog steeds als één van de belangrijkste politieke partijen van de Duitse staat. Wij maken hier geen volledige vergelijking tussen het IKS met haar kleine invloed en de Tweede en de Derde Internationale. Maar het cruciale belang van de politieke positionering, welke beslist over leven of dood van een revolutionaire organisaties blijft in deze historische referenties in de kern volledig toepasbaar. We hebben hier niet de ruimte in te gaan op andere, minder bekende voorbeelden.
3. Niets van dit alles houdt in dat Devrim een of ander internationalistische politiek standpunt of een van de principiële standpunten van de Kommunistische Linkerzijde verlaten heeft. Maar hij vond het niet nodig ze te bevestigen in zijn verslag - waarschijnlijk omdat hij denkt dat zo’n stellingname relatief onbelangrijk is. Ons doel is veeleer om kritiek te leveren op de gedachte dat de bekommernis om dergelijke politieke standpunten het product is van een vervlogen tijdperk.
4. Want theorie "wordt een materiële kracht zodra de massa’s erdoor worden gegrepen": Marx in Een Bijdrage tot een Kritiek van de Hegelse Rechtsfilosofie, doelende op de massa’s van de arbeidersklasse.
5. De Anarchisten en de oorlog (I): De Anarchisten en de Eerste Wereldoorlog. https://nl.internationalism.org/node/721 [29]
6. Andere anarchisten keerden zich natuurlijk tegen de imperialistische oorlog, grotendeels op basis van diezelfde leuzen. Dit toont alleen aan dat deze leuzen niet voldoende zijn om een duidelijk klassestandpunt uit te werken tegen de imperialistische oorlog, om daartoe te komen was en is het marxisme en de marxistische revolutionaire organisatie nodig.
7. Zie de Stellingen van de IKS: De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme. https://nl.internationalism.org/internationalerevue/201510/1290/stellingen-de-ontbinding-als-hoogste-stadium-van-het-verval-van-het- [30]
8. Wij suggereren niet dat Devrim zelf niet in staat is een dergelijke verklaring te ontwikkelen maar dat, op basis van zijn politieke standpunt, hij het niet als een waardevolle inspanning beschouwt omdat het een verouderde bekommernis om politieke standpunten zou inhouden.
9. Het zou te eentonig worden om ze hier te weerleggen. En het zou in ieder geval leiden tot het onthullen van nog meer alledaagse en persoonlijke gegevens over de interne leven van de IKS, wat alleen maar de belangstelling zou wekken van kwaadsprekers… of de politie.
10. In feite 'werven' we niet: dit is een militaire of een linkse visie. Militant worden is één van de meest persoonlijke, vrijwillige beslissingen in iemands leven!
11. Deze negatieve houding ten opzichte van de individuele vrijheid is niet los te denken van de visie van de utilitaristische filosoof John Stuart Mill die vrijheid in wezen definieerde als een ontbreken van beperkingen. Marx stelde daar in De Heilige Familie tegenover dat de mens vrij is "niet door de negatieve kracht om dit of dat te mijden, maar door de positieve kracht, zijn ware individualiteit te bevestigen", dat afhangt van de sociale mogelijkheden hiertoe. ('Kritische Schlacht gegen den französischen Materialismus')
12. Zie: “Rapport over de structuur en het functioneren van de revolutionair organisatie”, punt 3. https://nl.internationalism.org/ir/16_function [31]
13. Devrims verslag is eerlijk genoeg om de oude laster tegen te spreken dat "de IKS het interne debat verstikt”.
14. Kritiek van de theorie van de zwakste schakel: het proletariaat van West-Europa in het hart van de klassenstrijd. https://nl.internationalism.org/rint/17/zwakkeschakel [32]
De geweldige ideologische campagnes van de Europese bourgeoisie over het terrorisme (de zaak Schleyer in Duitsland, de zaak Moro in Italië), een vijgenblad voor een enorme versterking van de terreur van de burgerlijke staat, heeft de bezorgdheid van de revolutionairen ten aanzien van de kwestie van het geweld, de terreur en het terrorisme een bepaalde tijd op de voorgrond geplaatst.
Deze kwestie is niet nieuw voor de kommunisten: decennia na elkaar hebben zij de barbaarsheid gestigmatiseerd waarmee de heersende klasse haar macht handhaaft over de maatschappij, de wreedheid die de meest democratische regeringen ontketenen bij de geringste dreiging van de bestaande orde. Zij hebben duidelijk aan kunnen tonen dat het niet de muggenprikken zijn van enkele wanhopige elementen, afkomstig uit de ontbinding van de kleinburgerlijke lagen, die door de huidige officiële campagne worden geviseerd, maar de arbeidersklasse waarvan de noodzakelijk langzaam ontwikkelende opstand, bij haar ontwaken, de enige ernstige bedreiging zal vormen voor het kapitalisme.
Het was dus de taak van de revolutionairen om deze campagnes aan te klagen voor wat zij waren en eveneens de domme slaafsheid van de uiterst linkse groepen te onderstrepen, zoals die van bepaalde trotskisten, die hun tijd verdoen om de ‘Rode Brigades’ aan te klagen omdat zij Moro ‘zonder voldoende bewijs’ en ‘zonder goedvinden van de arbeidersklasse’ hadden veroordeeld. Maar tegelijkertijd met het aanklagen van de burgerlijke terreur, met het bevestigen van de noodzaak voor de arbeidersklasse om in de vernietiging van het kapitalisme geweld te gebruiken, moesten de revolutionairen bijzonder duidelijk zijn
- over de werkelijke betekenis van het terrorisme;
- over de vorm die het geweld van de arbeidersklasse in zijn strijd tegen de bourgeoisie aanneemt.
En hier moeten we vaststellen dat er, zelfs binnen de organisaties die klasse-standpunten verdedigen, een zeker aantal misvattingen bestaan waarbij het geweld, de terreur en het terrorisme synoniem zijn en waarbij ervan uit wordt gegaan dat
- ‘er een terrorisme kan bestaan dat uitgaat van de arbeidersklasse’;
- de arbeidersklasse, tegenover de ‘witte terreur’ van de bourgeoisie, zijn eigen ‘revolutionaire terreur’ moet stellen, die er in zekere zin de symmetrie zou van vormen.
De bordigistische IKP (PCI, Internationale Kommunistische Partij) heeft zich blijkbaar tot de meest uitdrukkelijke vertolker van dit soort van verwarring gepresenteerd , door bijvoorbeeld te schrijven
“Van het stalinisme verwerpen zij (Marchais en Pelikan) slechts de revolutionaire aspecten, de enige partij, die de dictatuur, de terreur van de proletarische revolutie… had geërfd”. (Programme Communiste nr. 76, blz. 87)
Voor deze organisatie is de terreur, zelfs wanneer zij door stalinisme wordt gebezigd, van revolutionaire aard en zou er een identiteit bestaan tussen de methoden van de proletarische revolutie en die van de ergste contrarevolutie, die op de arbeidersklasse is losgelaten.
Bovendien heeft de PCI de neiging gehad om, op het moment van de Baader-Meinhoff-zaak, de terroristische daden van hen en die van hun metgezellen, ondanks bezwaren over de impasse die deze daden veroorzaakten,voor te stellen als voortekenen en een voorbeeld van het toekomstige geweld van de arbeidersklasse. Zo kan men in ‘Le Proletaire’nr. 254 lezen:
“Met bezorgdheid hebben wij het tragische epos gevolgd van Andreas Baader en zijn metgezellen, die aan deze beweging hebben deelgenomen, die van de langzame accumulatie van de voorwaarden voor de proletarische opleving…”, en, verder: “De proletarische strijd zal andere martelaren moeten kennen…”
Uiteindelijk komt het idee van een ‘terrorisme van de arbeidersklasse’ duidelijk naar voren in de volgende passage: “Kortom, om revolutionair te zijn, is het niet voldoende om het geweld en de terreur van de burgerlijke staat aan te klagen, men moet ook het geweld en het terrorisme opeisen als absoluut noodzakelijke wapens van de ontvoogding van het proletariaat”. (Le Prolétaire nr. 253)
Als we de eenvoudige definities van het woordenboek en het misbruik van de taal die bepaalde revolutionairen van het verleden per ongeluk hebben kunnen begaan, buiten beschouwing laten, dan stelt de hiernavolgende tekst dus voor om, ten opzichte van dit soort verwarring, de verschillen uiteen te zetten die er met name vanuit het oogpunt van hun klasse-inhoud bestaan tussen het terrorisme, de terreur en het geweld, dat de arbeidersklasse genoodzaakt zal zijn om te gebruiken, om zijn emancipatie te kunnen verwezenlijken.
Het erkennen van de klassestrijd betekent het direct aanvaarden van het geweld als een van zijn fundamentele elementen, die er aan verbonden is. Het bestaan van klassen betekent dat de maatschappij is verscheurd door onverzoenlijke belangentegenstellingen. Op basis van deze tegenstellingen vormen zich de klassen. De sociale verhoudingen die tussen de klassen ontstaan, zijn dus noodzakelijkerwijs van oppositionele en tegengestelde aard, dat wil zeggen, van strijd.
Het tegenovergestelde beweren, te pretenderen dat men deze feitelijke situatie door de welwillendheid van de een en de andere kan overwinnen, door de samenwerking en harmonie tussen de klassen, betekent dat men buiten de werkelijkheid staat, volop in de utopie.
Dat de uitbuitende klassen dergelijke illusies aanhangen en verspreiden is niet verrassend. Zij zijn er ‘natuurlijk’ van overtuigd dat er geen andere, geen betere maatschappij kan bestaan, dan die waarvan zij de heersende klasse zijn. Deze blinde en absolute overtuiging wordt hen gedicteerd door hun belangen en voorrechten. Hun klasse-belangen en –voorrechten vallen samen met het soort maatschappij, die zij beheersen. Ze hebben er dus belang bij om de overheerste en uitgebuite klasse voor te houden de strijd op te geven, om de bestaande orde te aanvaarden; om zich aan de ‘historische wetten’ te onderwerpen, wetten die volgens hen onveranderlijk zijn. Deze heersende klassen zijn tegelijkertijd objectief beperkt en niet in staat om de dynamiek van de klassestrijd (van de onderdrukte klassen) te begrijpen en subjectief hebben zij er het allergrootste belang bij om de onderdrukte klassen hun verzet te doen opgeven, door hun strijdwil, middels allerlei misleidingen, te vernietigen.
Maar de heersende uitbuitende klassen zijn niet de enige die zo'n houding aannemen ten aanzien van de klassestrijd. Bepaalde stromingen hebben geloofd dat het mogelijk is de klassestrijd te kunnen vermijden door een beroep te doen op de intelligentie, op meer welwillend begrip, op de mensen van goede wil, teneinde een harmonische, broederlijke maatschappij van gelijkheid te scheppen. Dat waren bijvoorbeeld de utopisten aan het begin van het kapitalisme. Deze laatsten waren, in tegenstelling tot de bourgeoisie en haar ideologen, er absoluut niet in geïnteresseerd om de klassestrijd toe te dekken, in het belang van de handhaving van de voorrechten van de heersende klassen
Als zij aan de klassestrijd voorbijgingen is dat omdat zij de historische gronden voor het bestaan van klassen niet begrepen. Zij gaven aldus blijk van een onrijpheid van het begrip ten opzichte van de werkelijkheid, van deze werkelijkheid waar het bestaan van de klassestrijd, van de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie, die in feite reeds bestond. Terwijl ze blijk gaven van de onvermijdelijke achterstand van het bewustzijn op het bestaan, waren zij een uitdrukking van deze inspanning van bewustwording, elementen van dit theoretische gestamel van de klasse. Daarom worden zij terecht beschouwd als de voorlopers van de socialistische beweging, met een aanzienlijke inbreng in deze beweging die, in zijn ontwikkeling, met het marxisme een wetenschappelijke en historische grondslag voor de klassestrijd van het proletariaat zou vinden.
Dit gaat niet op voor alle humanistische, pacifistische bewegingen, enzovoort, die sinds de tweede helft van afgelopen eeuw opbloeiden en die beweerden de klassestrijd te negeren. Die hadden niet de minste inbreng in de emancipatie van de mensheid. Zij zijn de slechts de uitdrukking van kleinburgerlijke klassen en sociale lagen, die historisch ouderwets en machteloos zijn, en die in de moderne maatschappij bestaan, in de tang genomen door de strijd tussen het kapitalisme en het proletariaat.
Hun a-klassistisch, interklassistisch, anti-klassestrijd - ideologie vormen even zovele jammerklachten van een machteloze klasse, die geen enkele toekomst heeft, noch in het kapitalisme en nog minder in de maatschappij die het proletariaat geroepen is om te scheppen: het socialisme. Betreurenswaardig en belachelijk, ten prooi aan absurde illusies, kunnen zij de vooruitgang en de strijdwil van het proletariaat slechts belemmeren. En om dezelfde reden zijn zij uitmuntend bruikbaar, en zeer vaak gebruikt door kapitalisme, dat er alles belang bij heeft om alles zal gebruiken dat kan dienen als wapens b ij die misleiding.
Het bestaan van klassen, van de klassestrijd impliceert noodzakelijkerwijs klassegeweld. Enkel beklagenswaardige zeurpieten of doortrapte charlatans (zoals de sociaaldemocratie) kunnen deze gevolgtrekking verwerpen. In het algemeen is het geweld een kenmerk van het leven en vergezelt het heel zijn verloop. Elke daad houdt een zekere graad van geweld in. De beweging zelf is in feite geweld, aangezien zij het resultaat is van de constante verstoring van het evenwicht, welke voortvloeit uit de botsing tussen tegengestelde krachten.
Het was aanwezig onder de eerste menselijke groeperingen; en komt trouwens niet noodzakelijkerwijs tot uitdrukking in de vorm van openlijk lichamelijk geweld. Wat deel uitmaakt van het geweld is alles wat dwang, een krachtsverhouding, bedreiging inhoudt. Geweld betekent een beroep doen op een lichamelijke of fysiologische agressie jegens andere wezens, maar het bestaat eveneens als een bepaalde situatie of beslissing wordt opgelegd vanwege het simpele feit dat men beschikt over de middelen voor zo’n agressie, zonder deze werkelijk te gebruiken. Maar zelfs als het geweld zich in een van deze vormen voordoet, zodra er beweging of leven bestond, maakte de verdeling van de maatschappij in klassen er een van de belangrijkste grondslagen van de maatschappelijke verhoudingen van, die met het kapitalisme helse afgronden bereikte.
Elke klasse-uitbuiting baseert haar macht op het geweld en een altijd toenemend geweld totdat het de voornaamste maatschappelijke instelling wordt. Het geweld wordt de voornaamste pijler, die het hele maatschappelijk gebouw ondersteunt en waarborgt en zonder welke de maatschappij onmiddellijk zou instorten. Noodzakelijk product van de uitbuiting van de ene klasse door de andere, wordt het geweld, in zijn meest geavanceerde vorm georganiseerd, geconcentreerd, geïnstitutionaliseerd in de staat. Ze wordt dialectisch een fundamentele voorwaarde voor het bestaan en voor de handhaving van de maatschappij van uitbuiting.
Tegenover dit steeds bloediger en moorddadiger geweld van de uitbuitende klassen kunnen de uitgebuite en onderdrukte klassen, als zij zich willen bevrijden, slechts hun eigen geweld stellen. Een beroep doen op de ‘menselijke’ gevoelens van de uitbuitende klassen, zoals religieuzen van het slag Tolstoj en Gandhi of de socialisten in een nepbontjas doen, is in wonderen geloven, is aan de wolven vragen om op te houden wolven te zijn en zich in lammeren te veranderen. Het is aan de kapitalistische klasse vragen om niet langer een kapitalistische klasse te zijn, maar om zichzelf in arbeidersklasse om te toveren.
Het geweld van de uitbuitende klasse, dat eigen is aan haar wezen, kan slechts worden gestopt door het revolutionaire geweld van de onderdrukte klassen. Het begrijpen, het voorzien, het voorbereiden, het organiseren, is het niet alleen een beslissende voorwaarde voor de overwinning van de onderdrukte klassen, maar deze overwinning zorgt er ook voor dat het lijden minder lang duurt. Iemand die ook maar de minste aarzeling of twijfel kent met betrekking tot dit onderwerp, is geen revolutionair.
Wij hebben gezien dat de uitbuiting onvoorstelbaar is zonder geweld, het ene is organisch onafscheidelijk van het andere. Hoewel geweld kan bestaan buiten uitbuitingsverhoudingen, is de laatstgenoemde (de uitbuiting) daarentegen slechts te realiseren met en door het geweld. Zij verhouden zich tot elkaar als de longen en de lucht, de longen kunnen niet functioneren zonder zuurstof.
Net zoals met de overgang van het kapitalisme naar de imperialistische fase, verkrijgt het geweld, als het wordt gecombineerd met de uitbuiting, een hele nieuwe en bijzondere kwaliteit. Het is niet meer een toevallig of ondergeschikt gegeven, maar zijn aanwezigheid is een constante geworden, op alle niveaus van het maatschappelijk leven. Zij doordringt alle verhoudingen, dringt door tot in alle poriën van het maatschappelijk lichaam, zowel op algemene als op het persoonlijke vlak.
Uitgaande van de uitbuiting en de noodzaak om de arbeidersklasse te onderwerpen, dringt het geweld zich op massale wijze op aan alle verhoudingen tussen de verschillende klassen en lagen van de maatschappij, tussen de industrielanden en de onderontwikkelde landen, tussen de industrielanden zelf, tussen man en vrouw, ouders en kinderen, leerkrachten en leerlingen, tussen personen onderling, tussen de bestuurders en bestuurden. Zij specialiseert, structureert, concentreert zich in verscheidene lichamen: de staat, met zijn staande legers, zijn politie, zijn gevangenissen, zijn wetten, zijn folteraars tendeert ernaar om zich boven de maatschappij te stellen en deze te overheersen.
Om de uitbuiting van de mens door de mens te verzekeren, wordt het geweld de belangrijkste activiteit van de maatschappij, waaraan zij elke keer een groter deel van haar economische en culturele hulpbronnen besteed. Het geweld is verheven tot de status van een kult, een kunst, een wetenschap. Een wetenschap, die niet alleen op de militaire kunst, op de bewapeningstechniek, maar op alle gebieden, op alle niveaus wordt toegepast, tot aan de organisatie van de concentratiekampen, de installaties van gaskamers, de kunst van de snelle en massale uitroeiing van hele volkeren. En zelfs tot aan de oprichting van echte universiteiten voor de wetenschappelijke, psychologische foltering, waar een overvloed aan gekwalificeerde folteraars diploma’s kunnen behalen en hun bekwaamheden in de praktijk kunnen brengen.
Een maatschappij die niet alleen “uit alle poriën druipt van bloed en vuil” zoals Marx stelde, maar die noch verder kan leven noch één moment kan ademen buiten een vergiftigde en bedorven atmosfeer van kadavers, doden, vernietigingen, moordpartijen, lijden en foltering. In zo’n samenleving heeft het geweld zijn climax bereikt, en verandert ze van kwaliteit: het wordt Terreur.
Spreken over het geweld in het algemeen, in algemene termen, zonder naar de concrete voorwaarden, de historische periodes en naar de klassen te verwijzen die het uitoefenen, kan je niets begrijpen van zijn werkelijke inhoud; met andere woorden: wat het een verschillende, specifieke kwaliteit geeft in de uitbuitingsmaatschappij en waar deze fundamentele wijziging van het geweld in terreur vandaan komt; iets dat niet kan gereduceerd worden tot een eenvoudig kwantitatieve kwestie. Dit kwalitatieve verschil tussen geweld en terreur niet zien is vergelijkbaar met de benadering die zich, met betrekking tot de waren, er tevreden mee zou stellen om tussen de oudheid en het kapitalisme slechts een eenvoudig kwantitatief verschil te zien zonder het wezenlijke, kwalitatieve verschil te bemerken tussen beide fundamenteel verschillende productiewijzen, waarin het voorkomt en welke het omvat.
Naarmate de maatschappij, die is verdeeld in tegengestelde klassen, zich verder ontwikkelt, zal het geweld in de handen van de uitbuitende en heersende klasse steeds meer een nieuw karakter aan te nemen, dat van de terreur. De terreur niet als kenmerk van de revolutionaire klassen op het moment van hun revolutie en voor de vervulling ervan. Dit is een zuiver formele, zeer oppervlakkige visie en komt erop neer de terreur toe te juichen als de revolutionaire daad bij uitstek. Op deze manier eindig je met de volgende axioma: “hoe sterker de terreur, des te dieper, radicaler de revolutie is”. Maar dit wordt volledig geloochend door de geschiedenis.
Heel de periode van haar bestaan heeft de bourgeoisie de terreur geperfectioneerd en gebruikt; niet alleen op het moment van de revolutie (zie 1848 en bij de Commune van Parijs in 1871). De terreur bereikt zijn toppunt, juist op het moment dat het kapitalisme zijn periode van verval intreedt. De terreur is niet de uitdrukking van de revolutionaire aard en actie van de bourgeoisie op het moment van haar revolutie, zelfs wanneer deze op dit soort momenten een spectaculair karakter aanneemt;. Zij is veel meer de uitdrukking van haar aard als uitbuitende klasse die, net als alle uitbuitende klassen, haar macht slechts kan baseren op de terreur. De revoluties, die de opeenvolging van de verschillende uitbuitingsmaatschappijen hebben verzekerd, zijn geenszins de vroedvrouwen van de terreur, maar dragen deze slechts over van de ene op de andere uitbuitende klasse.
De bourgeoisie vervolmaakt en versterkt de terreur, die niet zozeer gericht was tegen de oude heersende klasse, om met haar komaf te maken, maar vooral om haar heerschappij te verzekeren over de maatschappij in het algemeen en tegenover de arbeidersklasse in het bijzonder . De terreur in de burgerlijke revolutie betekent dus geen einde, maar een voortzetting ervan, omdat de nieuwe maatschappij een voortzetting is van maatschappijen van uitbuiting van de mens door de mens. Het geweld in de burgerlijke revoluties betekent geen einde van de onderdrukking, maar de voortzetting van de onderdrukking zonder einde. Daarom kan het alleen maar terreur zijn.
Samengevat kan men de terreur en het specifieke en bijzondere geweld van de uitbuitende en heersende klassen in de geschiedenis, die slechts tegelijk met hen zal verdwijnen, als volgt definiëren. Zijn specifieke kenmerken zijn dat hij:
1) organisch verbonden is met de uitbuiting met als doel deze op te leggen;
2) een daad is van een bevoorrechte klasse;
3) een daad is van een minderheidsklasse van de maatschappij;
4) een daad is van een gespecialiseerd lichaam dat, nauwgezet geselecteerd en gesloten, dat ertoe neigt om zich van elke controle van de maatschappij los te maken;
5) zich reproduceert en eindeloos perfectioneert en zich uitstrekt over alle niveaus, over alle bestaande verhoudingen in de maatschappij;
6) geen andere reden van bestaan heeft dan de onderwerping en de verplettering van de menselijke gemeenschap;
7) gevoelens van vijandigheid en geweld aan wakkert tussen maatschappelijke groepen: nationalisme, chauvinisme, racisme en andere wanstaltigheden.
8) egoïstische gevoelens en gedragingen stimuleert, sadistische agressiviteit, de geest van wraak, een onophoudelijke en dagelijkse oorlog van allen tegen allen, die de hele maatschappij in een oneindige toestand van terreur onderdompelen.
De kleinburgerlijke klassen (boeren, handwerkslieden, kleine handelaars, vrije beroepen, intellectuelen) vormen geen fundamentele klassen in de maatschappij. Zij hebben geen bijzondere productiewijze noch een bepaald maatschappijproject aan te bieden. Zij zijn geen historische klassen in de marxistische zin van het woord. Van alle maatschappelijke klassen zijn zij bij uitstek het minst homogeen. Zelfs als hun beter gesitueerde lagen hun inkomsten verkrijgen uit het gebruik van de arbeid van de anderen en, om die reden, deel uitmaken van de bevoorrechten in de maatschappij, zijn zij in hun geheel gebonden aan de heerschappij van de kapitalistische klasse, waarvan zij de strengheid van de wetten en de onderdrukking ondergaan. Als klasse dient voor hen geen enkele toekomst aan. Het uiteindelijke streven van de beter gesitueerde lagen is om zich op individuele basis te integreren in de kapitalistische klasse.
De minder gesitueerde lagen zijn er, zonder mededogen, toe bestemd om ieder vorm van eigendom en ‘zelfstandigheid’ van bestaan te verliezen en zich te proletariseren. De reusachtige massa van de middenklasse is veroordeeld om te vegeteren, economisch en politiek verpletterd te worden door de heerschappij van de kapitalistische klasse. Hun politiek gedrag wordt bepaald door krachtsverhouding tussen beide fundamentele klassen van de maatschappij: het kapitalisme en het proletariaat. Hun hopeloos verzet tegen de meedogenloze wetten van het Kapitaal leidt hen tot zowel een fatalistische en passieve visie als een overeenkomstig gedrag. Hun ideologie is het individualistische ‘redden wie zich redden kan’ en, op collectieve wijze, de diverse verschillende jammerklachten, de zoektocht naar de ellendige troost, de machteloze en belachelijke pacifistische, humanistische preken van allerlei slag.
Materieel verpletterd, zonder enig toekomstperspectief, vegeterend in een heden met een volledig versperde horizon, ronddolend in een onbegrensde dagelijkse middelmatigheid, vormen ze een gemakkelijke prooi voor allerlei misleidingen, variërend van de meest vredelievende (die van de religieuze sektes, de naturisten, de hippies, de ecologisten, het anti-geweld, de anti-atoombom, de anti-atoomenergie, enzovoort) tot de meest bloeddorstige (die van de Zwarte Honderd, de pogromisten, de racisten, de Ku-Klux-Klan, de fascistische bendes, de gangsters, de huurlingen van allerlei slag, enzovoort).
Vooral in deze laatste, de meest bloeddorstige, vinden zij de compensatie in een bedrieglijke waardigheid voor hun werkelijke ondergang, die de kapitalistische ontwikkeling met de dag dichterbij brengt. Het is de heldhaftigheid van de lafaard, de moed van de hansworst, de roem van de vuile middelmatigheid. Na ze te hebben teruggeworpen in de meest ellendige omstandigheden, vindt het kapitalisme in deze rijen een onuitputtelijke bron voor de rekrutering van de helden van zijn terreur.
Hoewel er in de loop van de geschiedenis door deze klassen soms uitbarstingen van woede en geweld hebben plaatsgevonden, bleven deze zeldzaam en zijn ze nooit verder gegaan dan boerenopstanden en oproeren,
aangezien er voor deze uitbarstingen geen enkel ander vooruitzicht bleef dan verpletterd te worden. In het kapitalisme verliezen deze klassen volledig hun onafhankelijkheid en dienen ze slechts als kanonnenvoer voor de confrontaties, die de verschillende fracties van de heersende klasse aangaan, zowel binnen als buiten de nationale grenzen. Op momenten van revolutionaire crisis en in bepaalde gunstige omstandigheden, zou de diepe ontevredenheid van een deel van deze klassen kunnen dienen als steun voor de strijd van het proletariaat.
Het onvermijdelijke proces van verpaupering en proletarisering van de onderste lagen van deze klassen is een uiterst moeilijk en pijnlijk proces en doet een bijzonder opstandige stroming ontstaan. De strijdlust van deze elementen, die in het bijzonder afkomstig zijn uit de rijen van de handwerkslieden en de gedeklasseerde intelligentsia, berust meer op hun situatie als wanhopige individuen dan op de proletarische klassestrijd, waar ze maar moeilijk aansluiting bij kunnen vinden. Wat hen fundamenteel kenmerkt is: het individualisme, het ongeduld, de scepsis, de ontmoediging. Hun acties zijn meer gericht op de spectaculaire zelfmoord dan op een bereikbaar doel. Terwijl ze ‘hun verleden’ hebben verloren, en geen enkele toekomst voor zich hebben, leven zij in de ellende van het heden; terwijl de woedende opstand daartegen wordt aan gevoeld als iets dat nu en onmiddellijk moet gebeuren.
In contact met de arbeidersklasse en haar historische wording kunnen zij op een vervormde wijze worden geïnspireerd door haar idealen. Maar dat gaat dat zelden het niveau van de verbeelding en de droom te boven. Hun echte visie van de werkelijkheid blijft beperkt tot het terrein van de toevalligheden. De politieke uitdrukking van deze stroming neemt uiterst gevarieerde vormen aan, van strikte individuele acties tot sektevorming; geheime complotten, het plannen van een ‘staatsgreep’ door een minderheid, voorbeeldige acties en terrorisme.
Wat hun eenheid in deze verscheidenheid vormt, is hun gebrek aan besef van het objectieve en historische determinisme van de klassebeweging, en van het historische subject van de moderne samenleving, die als enige in staat is om de sociale omvorming te realiseren: het proletariaat.
Het voortdurend opduiken van de manifestaties van deze stroming wordt veroorzaakt door het permanente proces van proletarisering van deze lagen, dat zich gedurende de hele geschiedenis van het kapitalisme voortzet. Hun diversiteit en verscheidenheid zijn het product van de plaatselijke en toevallige omstandigheden. Dit een maatschappelijke verschijnsel heeft de historische vorming van de proletarische klasse voortdurend vergezeld en is dus in verschillende gradaties vermengd met de beweging van het proletariaat, waarin deze stroming ideeën en een gedragingen binnenbrengt die vreemd zijn aan de klasse. Dat is in het bijzonder het geval met betrekking tot het terrorisme.
Dit essentiële punt moet absoluut benadrukt worden en er moet geen ruimte worden gelaten voor enige dubbelzinnigheid. In de eerste periode van zijn vorming als klasse, had het proletariaat nog niet zijn geëigende organisatievorm gevonden en maakte het gebruikt van geheime genootschappen van samenzweerders, een erfenis van de burgerlijke revolutie. Toch veranderde dat in geen enkel opzicht de klasse-aard van deze organisatievormen, hun ontoereikendheid ten opzichte van de nieuwe inhoud, die van de klassestrijd van het proletariaat. Het proletariaat zou er snel toe worden aangezet om zich van deze organisatievormen en actiemethoden los te maken en ze definitief te verwerpen.
Net zoals het utopische socialisme in een bepaald stadium van proletarische beweging veranderde van een grote positieve bijdrage in een belemmering voor haar verdere ontwikkeling, zo werden de sektes van samenzweerders, in datzelfde stadium, een negatief signaal en werkten ze steriliserend voor de verdere ontwikkeling van de beweging.
Net zoals de theoretische uitwerking haar utopische fase doorliep, verliep de vorming van politieke organisaties van de klasse onvermijdelijk via de fase van sektes van samenzweerders. Maar hier moeten we niet van de nood een deugd maken, en de verschillende stadia van de beweging met elkaar verwarren. We moeten de betekenis van de verschillende stadia van elkaar weten te onderscheiden alsmede de verschillende en tegengestelde manifestaties daarin.
De stroming, die de lagen vertegenwoordigde op de pijnlijke weg naar proletarisering, kon sindsdien niet de minste bijdrage meer leveren aan een reeds ontwikkelde klassebeweging. Deze stroming was niet alleen gedoemd om de sektarische organisatievormen en samenzweringsmethoden te bepleiten. Maar omdat ze steeds verder achteropliep op de werkelijke beweging, zag ze zich genoodzaakt om deze eis tot het uiterste op te drijven, om er een karikatuur van de maken, welke zijn meest extreme uitdrukking vond in het pleidooi voor de terroristische daad.
Het terrorisme is niet eenvoudigweg de terreurdaad. Op die manier plaatst men zich op het terrein van de terminologie. Wat wij willen doen uitkomen en benadrukken is de maatschappelijke betekenis en de verschillen die achter deze termen schuilgaan. De terreur is een systeem van heerschappij, gestructureerd, permanent, van de uitbuitende klassen. Het terrorisme daarentegen is een reactie van een onderdrukte klasse, maar zonder toekomst, tegen de terreur van de onderdrukkende klasse. Het zijn kortstondige reacties, zonder continuïteit, reacties van wraak en zonder vervolg.
Wij vinden de ontroerende beschrijving van dit soort bewegingen in Panaït Istrati en zijn Haïdoucs in de historische context van het Roemenië aan het einde van vorige (19e) eeuw. Wij vinden ze ook terug in het terrorisme van Russische narodniki en, hoe anders ze zich ook voordoen, bij de anarchisten en de bende van Bonnot. Zij zijn altijd van dezelfde aard: de vergelding van de on-machtigen in hun machteloosheid. Zij zijn nooit de aankondiging van iets nieuws, maar de uitdrukking van een einde, van hun eigen einde.
Het terrorisme, als de onmachtige reactie van een machteloosheid, kan de terreur van de heersende klasse niet doen wankelen. Het is niet meer dan een prik van mug in de huid van olifant. Hij kan en wordt daarentegen vaak gebruikt door de staat om zijn terreur te rechtvaardigen en te versterken.
Men moet absoluut de mythe verwerpen die er van uitgaat dat het terrorisme dient of kan dienen als een vonk, die de strijd van het proletariaat op gang brengt. Het zou op minst zeer opmerkelijk zijn dat een klasse, met een historische missie een andere klasse zonder toekomst als de vonk zou moeten gebruiken voor haar eigen strijd.
Het is absoluut absurd te beweren dat het terrorisme van de meest geradicaliseerde lagen van kleinburgerij de verdienste heeft om in de arbeidersklasse de gevolgen van democratische misleiding, van de burgerlijke legaliteit te kapot te maken, en haar de onontbeerlijke weg van het geweld te tonen. Het proletariaat kan geen enkele andere les trekken uit het radicale terrorisme, dan zich ervan te distantiëren en het te verwerpen, want het geweld dat schuilgaat in het terrorisme, bevindt zich fundamenteel op het burgerlijke strijdterrein.
Het inzicht in het noodzakelijkheid en onontbeerlijkheid van het geweld, verwerft het proletariaat uit zijn eigen bestaan, uit zijn strijd, uit zijn ervaring, uit zijn confrontaties met de heersende klasse. Het is een klassegeweld die qua natuur, inhoud, vorm en methoden net zo categorisch verschilt van het burgerlijke terrorisme als van de terreur van de heersende, uitbuitende klasse.
Het is absoluut zeker dat de arbeidersklasse over het algemeen een houding van solidariteit en sympathie zal aannemen - niet ten opzichte van het terrorisme dat zij immers als ideologie, als methode en als organisatiewijze veroordeelt - maar ten opzichte van de elementen die zich met het terrorisme hebben ingelaten. En wel om de redenen, die voor de hand liggen:
1) omdat zij in opstand komen tegen de bestaande orde, die het proletariaat van kop tot teen tracht te vernietigen;
2) omdat zij, net als de arbeidersklasse, eveneens slachtoffers zijn van de wrede uitbuiting en onderdrukking van doodsvijand van het proletariaat; de kapitalistische klasse en zijn staat. Het proletariaat kan enkel blijk geven van zijn solidariteit met deze slachtoffers door te proberen om ze te redden uit de handen van de beulen, van de terreur van de bestaande staat en door ze te trachten los te weken uit de dodelijk gevaarlijke impasse, waarin zij zijn verdwaald: het terrorisme.
Het is niet nodig te wijzen op de noodzaak van geweld in de klassestrijd van het proletariaat. We zouden een open deur intrappen want, het zal weldra twee eeuwen geleden zijn dat de Gelijken van Babeuf in theorie en praktijk de noodzaak en onvermijdelijkheid ervan hebben aangetoond. Het is eveneens nutteloos om deze waarheid te herhalen, alsof het een nieuwe ontdekking zou zijn, dat alle klassen ertoe worden aangezet om geweld te gebruiken en het proletariaat dus ook.
De beperking tot deze gemeenplaats – bijna een banaliteit - leidt tot de lege vergelijking “geweld = geweld”. Op die manier wordt er een gelijkheidsteken geplaatst, een zowel eenvoudige als absurde identiteit, tussen het geweld van het kapitaal en het geweld van het proletariaat. Daarmee wordt hun wezenlijk verschil verduisterd en voorbij gegaan aan het feit dat het ene onderdrukkend en het andere bevrijdend is.
Het voortdurend herhalen van deze tautologie “geweld = geweld” en zich tevreden te stellen met de constatering dat alle klassen het gebruiken om vervolgens hun identieke aard vast te stellen, is net zo intelligent als het gelijkstellen van de handeling van de chirurg, die door middel van een keizersnede nieuw leven in de wereld brengt, met de daad van de moordenaar, die zijn slachtoffer vermoordt door een mes in zijn buik te steken; alleen vanwege het feit dat zowel de ene als de andere gebruik maakt van eenzelfde instrument - het mes - en daarbij een gelijkaardige techniek gebruikt om het object, de buik open te snijden.
Het belangrijkste is niet voortdurend herhalen: ‘geweld’, ‘geweld’, maar om nadrukkelijk hun wezenlijk verschil te onderstrepen en zo duidelijk mogelijk te laten zien waarom en hoe het geweld van het proletariaat zich onderscheidt en verschilt van de terreur en het terrorisme van de andere klassen.
Als we een onderscheid maken tussen terrorisme en klasse-geweld, dan doen we dat niet omdat we twistziek zijn, om terminologische redenen, en omdat we een gevoelsmatige afkeer hebben van het woord terreur, noch vanwege de eer van geïntimideerde maagden. We doen dat om duidelijk de aandacht te vestigen op de verschillen in klasse-aard, inhoud en vorm, die achter hetzelfde woord schuilgaat.
Het woordgebruik loopt achter op de feiten en het gebrek aan onderscheid in woorden is vaak een teken van een onvoldoende uitgewerkte gedachte en houdt een tweeslachtigheid in, die altijd schadelijk is. Als voorbeeld kan men het woord van ‘sociaaldemocratie’ aanhalen, dat in geen enkel opzicht correspondeert met het revolutionaire wezen en met het doel van een kommunistische maatschappij, zoals de politieke organisatie van het proletariaat zich die voorstelt.
Hetzelfde geldt voor het woord ‘terreur’ zoals men dat soms terugvindt in de socialistische literatuur, zelfs in onze klassieken, en dat in verband wordt gebracht met de woorden ‘revolutionair’ en ‘proletariaat’. Er moet dringend worden gewaakt voor misbruik; dat wil zeggen: om letterlijk citaten te nemen uit zinnen, zonder ze te plaatsen in hun context, in de omstandigheden waarin zij werden geschreven, en de partijen waartegen ze waren geschreven, want dan lopen ze het gevaar om de werkelijke gedachtegang van de schrijver te vervormen en te verraden.
Benadrukt moet worden dat de betreffende schrijvers, bij het gebruik van het woord terreur, meestal heel zorgvuldig waren in het uiteen zetten van het fundamentele verschil tussen die van het proletariaat en die van de bourgeoisie, tussen de Commune van Parijs en Versailles, tussen de revolutie en de contrarevolutie in de burgeroorlog in Rusland. Als wij geloven dat het tijd wordt om deze twee termen van elkaar te onderscheiden, dan is dat om de dubbelzinnigheid uit te sluiten die hun identificatie met zich meebrengt - een dubbelzinnigheid die slechts een verschil ziet in de kwantiteit en intensiteit en niet in de klasse-aard.
En zelfs als het slechts gaat om een kwestie van kwantiteit, zou dat voor de marxisten, die zich op de dialectische methode beroepen, een verandering van kwaliteit tot gevolg hebben. Met de verwerping van terreur ten gunste van het klasse-geweld van het proletariaat, hebben we niet alleen voor ogen om onze afkeer als klasse uit te spreken ten opzichte van de reële inhoud van uitbuiting en onderdrukking, die in de terreur besloten ligt, maar eveneens een einde te maken aan het spitsvondige en schijnheilige gedraai over ‘het doel heiligt de middelen’.
De bordigisten, de onvoorwaardelijke verdedigers van de terreur, deze calvinisten van de revolutie, verachten de kwestie van de organisatievormen en -middelen. Voor hen bestaat alleen ‘het doel’ waarvoor iedere vorm en ieder middel, zonder onderscheid, aangewend kan worden. Zij herhalen onvermoeibaar: “De revolutie is een kwestie van inhoud en niet van organisatievorm”, behalve… behalve… wat de terreur betreft. Op dit punt zijn ze behoorlijk categorisch: “geen revolutie zonder terreur”, en je bent geen revolutionair als je niet in staat bent om enkele kinderen te doden. Hier wordt de terreur, die wordt beschouwd als een middel, een absolute voorwaarde, een categorische imperatief voor de revolutie en zijn inhoud. Waarom deze uitzondering? Men zou zich andere vragen kunnen stellen, vanuit het tegenovergestelde gezichtspunt. Als de kwestie van organisatievormen en -middelen echt zo onbelangrijk is voor de proletarische revolutie, is het dan ook niet mogelijk dat zij gerealiseerd wordt in de monarchistische of parlementaire vorm? Waarom eigenlijk niet?
De waarheid is dat iedere poging om inhoud en vorm, doel en middelen te scheiden, pure dwaasheid is. In werkelijkheid zijn vorm en inhoud intrinsiek met elkaar verbonden. Een doel kan niet bereikt worden met om het even welk middel; het vereist geëigende middelen. En die middelen zijn slechts geldig zijn voor een bepaald doel. Iedere andere benadering leidt slechts tot spitsvondige speculatie.
Wanneer wij de terreur verwerpen als een vorm van proletarisch geweld, dan is dat niet om de een of andere morele reden maar omdat de terreur zich, qua inhoud en methode, van nature verzet tegen het doel dat het proletariaat zich voorstelt en nastreeft. Geloven de calvinisten van de revolutie nu echt, en kunnen zij ons er ook van overtuigen dat het proletariaat, om ons doel te bereiken, het kommunisme, zou kunnen en moeten terugvallen op middelen zoals reusachtige concentratiekampen en de systematische uitroeiing van de hele bevolkingen, of door de installatie van een enorm netwerk van gaskamers, dat wetenschappelijk nog meer geperfectioneerd is dan dat van Hitler? Maakt de genocide deel uit van het Programma en van de ‘Calvinistische Weg’ naar het socialisme?
Het is voldoende te wijzen op de punten, zoals we die hebben vermeld, van de belangrijkste kenmerken van de inhoud en methoden van de terreur, om bij een eerste vluchtige blik al de kloof te zien van wat het proletariaat daarvan scheidt en daar tegenover stelt.
1) “organisch verbonden met de uitbuiting en met als doel deze op te leggen”.
Het proletariaat is een uitgebuite klasse en strijdt om de afschaffing van de uitbuiting van de mens door de mens.
2) “een daad van een bevoorrechte klasse” .
Het proletariaat heeft geen enkel voorrecht en strijdt om de afschaffing van elk voorrecht.
3) “een daad van een minderheidsklasse”.
Met de werkers vertegenwoordigt het proletariaat de reusachtige meerderheid van de maatschappij. Sommigen zouden in deze verwijzing misschien onze ‘ongeneeslijke hang naar de principes van de democratie’,van meerderheid en minderheid, willen zien. Maar het zijn zij die geobsedeerd zijn door dit probleem – en te meer daar zij de daden van een minderheid, die de meerderheid schrik aanjaagt, beschouwen als het criterium voor de revolutionaire waarheid.
Het socialisme kan niet worden gerealiseerd als hij niet op de historische mogelijkheid berust en overeenstemt met de fundamentele belangen en met de wil van de enorme meerderheid van de maatschappij. Dat is een van de sleutelargumenten van Lenin in ‘Staat en de Revolutie’, en ook van Marx, als hij verzekert dat het proletariaat zich niet kan ontvoogden zonder de hele mensheid te emanciperen.
4) “het feit dat het een gespecialiseerd lichaam is”…
In het vaandel van het proletariaat staat geschreven: de vernietiging van het staande leger, van de politie, en de algemene bewapening van het volk en vooral van het proletariaat.
”dat ertoe neigt om zich van elke controle van de maatschappij los te maken.”
Als zijn doel verwerpt het proletariaat elke specialisatie, maar vanwege de onmogelijkheid dit onmiddellijk te realiseren, staat ze erop deze te onderwerpen aan de controle van de maatschappij.
5) “zich te reproduceren en eindeloos te vervolmaken”.
Het proletariaat wil aan deze reproductie en perfectionering een einde maken en verbindt zich hiertoe vanaf de eerste dag van zijn machtsovername.
6) “geen andere reden van bestaan hebben dan de onderwerping en de verplettering van de menselijke gemeenschap”.
De doeleinden van het proletariaat zijn diametraal tegenovergesteld. Zijn reden van bestaan is die van de bevrijding en de ontplooiing van de menselijke maatschappij.
7) “gevoelens aanwakkeren van vijandigheid en geweld tussen maatschappelijke groepen: nationalisme, chauvinisme, racisme, enz.”.
Het proletariaat schaft al deze historische anachronismen af, die monsterachtige belemmeringen zijn geworden voor de harmonische vereniging van de hele mensheid, die mogelijk en noodzakelijk is.
8) “stimuleren van egoïstische gevoelens en een gedragingen, sadistische agressiviteit, de geest van wraak, een onophoudelijke en dagelijkse oorlog van allen tegen allen”.
Het proletariaat ontwikkelt daarentegen totaal nieuwe gevoelens van solidariteit, collectief leven, kameraadschap van ‘allen voor één en één voor allen’, een vrije associatie van producenten, een gesocialiseerde productie en consumptie.
En als de essentie van de uitbuitende klassen is om: “de hele maatschappij in een oneindige staat van terreur onder te dompelen”, doet het proletariaat een beroep op het initiatief en de creativiteit van allen die, in een algemeen enthousiasme, hun leven en hun lot in hun eigen handen nemen.
Het klasse-geweld van het proletariaat kan geen terreur zijn omdat zijn bestaansreden juist is om de terreur te breken. Terreur en geweld met elkaar te verwarren, door er dezelfde woorden aan te geven en ze als identiek te beschouwen, is goochelen met woorden. Het gedrag van de moordenaar die zijn mes trekt en de hand, die hem tegenhoudt en de moord verhindert, zijn niet dezelfde.
Het proletariaat kan niet zijn toevlucht nemen tot de organisatie van pogroms, tot lynchpartijen, tot de oprichting van folterscholen, mensenschendingen, tot de processen van Moskou, als middelen en methoden voor de verwezenlijking van het socialisme. Deze methoden laat hij over aan het kapitalisme, omdat zij er deel van uitmaken, er eigen aan zijn hen horen, overeen komen met zijn doelen, en die TERREUR als algemene naam dragen.
Noch het terrorisme voor, noch de terreur kunnen na de revolutie de wapens zijn van het proletariaat voor de ontvoogding van de mensheid.
MC, 1 oktober 1978
Eerder verschenen in: International Review n°. 14 (Engels, Frans, Spaans)
De opkomst van de Britse Onafhankelijke Partij (UKIP), die tijdens de voorbije gemeenteraadsverkiezingen 25% van de stemmen won, veroorzaakte veel consternatie in de media en veel hartkloppingen bij de ‘gevestigde’ partijen. De economische agenda van UKIP is een nogal verwarde mix van meer geld uitgeven voor defensie, gezondheid en onderwijs, gecombineerd met een verlaging van de belastingen. Maar bovenal wil ze de ‘stroom’ van immigranten stoppen en uit de Europese Unie stappen. De andere partijen, met name de Tories [Conservatieven], kijken achterom en vragen zich af: hebben we meer rechts populisme nodig om diegenen terug te winnen die momenteel op de UKIP stemmen?
Het recente succes van de UKIP is grotendeels gebaseerd op de zorgvuldige cultivering van een imago - en de media hebben daar nogal wat aan bijgedragen door de manier waarop ze Farage, de leider van UKIP, en zijn partij portretteren. “Het zijn gewoon drie verschillend gekleurde rozetten”, zegt Farage, “maar ze zijn allemaal van dezelfde partij”. De UKIP, wordt gezegd, staat buiten deze oudbakken gevestigde orde, het is een protestpartij. Nuchtere politici en de redactie van de krant ‘The Guardian’ hebben er zelfs voor gewaarschuwd dat het de uitdrukking is van een ‘anti-politieke’ stemming in dat land. Farage zelf wordt omschreven als iemand, die anders is dan de klonen aan het hoofd van de drie grootste partijen. Hij is een goede kerel die houdt van een biertje en graag lacht om een goede grap in de kroeg.
Het idee dat een partij, die staat voor de ‘onafhankelijkheid van Groot-Brittannië’ buiten de politieke status-quo, is ronduit belachelijk. Het enige waar alle facties van het kapitalisme, van rechts tot links, het over eens zijn, is dat onze loyaliteit vóór alles is gaat naar het land, de natie, het vaderland; en dat er voor deze mythische entiteit, de natie, geschapen vanwege de noodzaak van het kapitalisme om te concurreren op wereldschaal, moet worden gewerkt en geofferd met ons eigen zweet en, indien nodig, met ons bloed. Het Groot-Brittannië van Farage is misschien een beetje legendarischer dan de meeste: maar in wezen is het een terugkeer naar het Groot-Brittannië van Agatha Christie [beroemde schrijfster van detectives] en van [Enid Blyton van de] De vijf [de Britse kinderboekenreeks over vier kinderen en een hond]. Maar afgezet tegen de noodzaak van de mensheid om de natiestaat naar de vuilnisbak van de geschiedenis te verwijzen, is het niet meer of minder reactionair dan, bijvoorbeeld, de Labour/Danny Boyle/SWP mythe van een socialistisch Groot-Brittannië, geheiligd door de instelling van de NHS (National Health Service = nationale gezondheidszorg) en de nationalisatie van de spoorwegen.
Mythologie is echter niet ontstaan uit het niets: het is altijd een vertekende weergave van echte tendensen. Wat zijn de belangrijkste realiteiten achter het fenomeen UKIP?
UKIP is meer dan de meeste partijen in Groot-Brittannië, een product van een proces van desintegratie die de huidige maatschappelijke orde uiteenscheurt. De wereldwijde economische crisis, die al decennia lang steeds erger wordt, bereikte een nieuw hoogtepunt met de zogenaamde ‘kredietcrisis’ in 2007, en de EU was het centrum van de stuiptrekkingen, die in haar kielzog volgden.
Het openlijke bankroet, niet alleen van particuliere financiële instellingen, maar van hele landen zoals Griekenland en Spanje, heeft het voortbestaan van de EU ter discussie gesteld. Het klopt dat de vraag naar Duits kapitaal ter ondersteuning van het groeiende aantal ‘zieke mannen van Europa’ een nieuw impuls heeft gegeven aan een meer gecentraliseerd, federaal Europa, dat in staat is om de lidstaten bezuinigingen en de begrotingsdiscipline op te leggen. Maar de erkenning dat dit wezenlijk neerkomt op een door Duitsland overheerst Europa, kan alleen maar de tendens versterken van elke natie om op eigen houtje verder te gaan, naar een open breuk met de EU, de euro en het hele Europese project.
De onmogelijke tegenspraken van de kapitalistische economie, en het uiteenvallen van het mondiale instellingen, die door de heersende klasse geschapen waren om de crisis te beheersen, hebben hun parallel in de toenemende versnippering van het politieke leven van de heersende klasse: een groeiend probleem om de politieke machinerie op een samenhangende manier te beheren, om de meest ‘rationele’ partijen aan het bewind te houden, om het eens te zijn over het juiste beleid voor het nationale kapitaal. De woekering van rechtse populistische partijen in ieder land in Europa, van het Front National in Frankrijk tot Geert Wilder's Nederlandse Partij voor de Vrijheid, alsmede de Gouden Dageraad in Griekenland, is een duidelijk teken van de manier waarop de ontbinding van het kapitalisme zich uitdrukt op politiek vlak.
Bijna al deze populistische partijen hebben een karakteristieke gemeenschappelijke eigenschap: het zoeken naar een zondebok. Tijdens de economische depressie van de jaren 1930 waren de Joden de voornaamste zondebok. Zij werden gestraft voor zowel de onregelmatigheden van het financiële kapitaal als voor de dreiging van het kommunisme. Zondebokken zoeken is een organisch product van een maatschappelijke verhouding waarin de uitbuiting van de mens door de mens verborgen blijft achter de krachten van de markt. Geconfronteerd met de gevolgen van de kapitalistische crisis, zoals werkloosheid en staatsschuld, is het veel gemakkelijker om een identificeerbare, persoonlijke vijand de schuld te geven dan in te zien dat de onpersoonlijke economische wetten er de oorzaak van zijn.
Dus wordt het probleem vandaag persoonlijk opgevat, enerzijds in de vorm van de bankiers (die nog steeds tamelijk eenvoudig gelijkgesteld kunnen worden aan de Joden), en anderzijds, in de vorm van de immigranten, de ‘stroom’ van moslims, Oost-Europeanen, Afrikanen of anderen, die ‘onze banen’ inpikken en ‘misbruik maken van onze uitkeringen’, om nog maar te zwijgen van de besmetting van onze manier van leven met drugs, criminaliteit en terrorisme.
Maar de overgrote meerderheid van de immigranten en emigranten wordt gevormd door mensen die van het ene land naar een ander land worden verdreven, door de economische crisis, de ecologische rampen, en de oorlog - en dus ook door dezelfde onpersoonlijke krachten die de industrieën in geïndustrialiseerde landen decimeren, die aan de grondslag liggen van de schuldenlast die drukt op de wereldeconomie, die de beheerders van het systeem - de politici en bureaucraten – dwingen banen en uitgaven voor de sociale zekerheid te schrappen. De immigranten de schuld geven voor deze aanvallen is niet alleen een miskenning van de werkelijkheid. Het schept een giftige verdeeldheid onder al degenen die worden uitgebuit door het [kapitalistisch] systeem en die zich ertegen moeten verenigen - niet op grond van nationaliteit, etnische afkomst of religie, maar op basis van één klasse.
Het is geen toeval dat het vraagstuk van de immigratie, het vraagstuk van de rassen, als het erop aan komt - zo centraal staat in het platform van UKIP. Dit is waarom zij bijzondere regels moeten hebben, die een blokkade opwerpen tegen de toestroom van voormalige leden van de BNP en andere openlijk racistische partijen. Maar afgaande op enkele van de meest recente schandalen, lijken een aantal zeer dubieuze elementen door de mazen van het net te zijn geglipt.
Hun ‘respectabele’ racisme is nog aantrekkelijk genoeg voor degenen die dit zien als een stap op weg naar meer radicale en gewelddadige vormen van de ‘rassenoorlog’. Maar laten we ons niet teveel vastpinnen op de anti-immigratie houding van UKIP. Alle andere partijen delen hetzelfde standpunt: Groot-Brittannië is een fort en moet worden beschermd tegen de indringers. Vandaar de harde nieuwe maatregelen tegen illegale immigranten die in de troonrede zijn aangekondigd. UKIP is gewoon een andere rozet van hetzelfde kapitalistische kamp.
Amos / 11.05.2013
Links
[1] https://mondoweiss.net/2014/11/israels-become-oppression/
[2] http://www.dandurand.uqam.ca/evenements//evenements-passes/440-fences-and-walls-in-international-relations.html;
[3] https://www.fool.com/investing/general/2014/08/06/the-migrant-crisis-could-cost-billions-but-border.aspx
[4] https://fil.internationalism.org/internasyonalismo/201509/8638/boykot-eleksyon1-marxistang-paninindigan-sa-panahon-ng-dekadenteng-kap
[5] https://www.rappler.com/philippines/elections/132850-duterte-8-point-economic-agenda/
[6] https://nl.internationalism.org/tag/17/314/duterte
[7] https://nl.internationalism.org/tag/4/61/azie
[8] https://fr.internationalism.org/rinte95/berlin1948.htm
[9] https://www.coe.int/web/history-education/
[10] https://nl.internationalism.org/tag/18/310/immigratie-vluchtelingen-en-de-arbeidersbeweging
[11] https://nl.internationalism.org/tag/6/318/migratie
[12] https://en.internationalism.org/icconline/201610/14149/trump-v-clinton-nothing-bad-choices-bourgeoisie-and-proletariat
[13] https://en.internationalism.org/ir/101_bilan.htm
[14] https://nl.internationalism.org/tag/5/316/modernisme
[15] https://nl.internationalism.org/tag/17/317/barrot
[16] https://nl.internationalism.org/tag/7/115/beinvloed-door-de-kommunistische-linkerzijde
[17] https://nl.internationalism.org/tag/4/68/belgie
[18] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/sociale-situatie-belgie
[19] https://nl.internationalism.org/tag/people/rosa-luxemburg
[20] https://nl.internationalism.org/tag/2/25/verval-van-het-kapitalisme
[21] https://nl.internationalism.org/tag/18/327/accumulatie-van-het-kapitaal
[22] https://nl.internationalism.org/tag/3/42/economie
[23] https://nl.internationalism.org/tag/3/44/imperialisme
[24] https://nl.internationalism.org/tag/3/45/internationalisme
[25] https://nl.internationalism.org/tag/8/132/tweede-internationale
[26] https://srbeweging.wordpress.com
[27] https://nl.internationalism.org/tag/7/123/anti-fascismeracisme
[28] https://libcom.org/article/my-experience-icc-devrim-valerian
[29] https://nl.internationalism.org/node/721
[30] https://nl.internationalism.org/internationalerevue/201510/1290/stellingen-de-ontbinding-als-hoogste-stadium-van-het-verval-van-het-
[31] https://nl.internationalism.org/ir/16_function
[32] https://nl.internationalism.org/rint/17/zwakkeschakel
[33] https://nl.internationalism.org/tag/8/139/internationale-kommunistische-stroming
[34] https://nl.internationalism.org/tag/3/52/terrorisme
[35] https://nl.internationalism.org/tag/6/312/populisme
[36] https://nl.internationalism.org/tag/6/313/brexit