De internationalistische Kommunistische Linkerzijde in België (I): Verspreide revolutionaire krachten strijden tegen het verraad van de B.W.P.-leiding

Printer-friendly version

Internationalisme is sinds het ontstaan van de arbeidersbeweging een fundamenteel beginsel geweest. "Arbeiders hebben geen vaderland", "Proletariërs van alle landen, verenigt u!" zijn twee sleutelzinnen uit het Communistisch Manifest van 1848.

De bourgeoisie is in staat bondgenootschappen te smeden tussen naties, militaire blokken of economische unies te vormen waarbij meerdere landen betrokken zijn. Maar deze zijn altijd gericht tegen andere sectoren van de heersende klasse. Ook al zijn de belangrijkste staten van de wereld in staat zich te verenigen wanneer de overheersing van de bourgeoisie rechtstreeks wordt aangevochten door haar aartsvijand, het proletariaat, toch ontkomt ze niet aan confrontaties tussen naties, of het nu een handelsoorlog of een oorlogen met de wapenen. De kapitalistische productiewijze is immers onlosmakelijk verbonden met concurrentie, met een zoektocht naar goedkope grondstoffen en productiekrachten, naar koopkrachtige afzetmarkten, en dus met onderlinge belangenconflicten.

Aan de andere kant wordt de basis van de proletarische strijd gevormd door een solidariteit waarvan de reikwijdte noodzakelijkerwijs mondiaal is, aangezien het uiteindelijke doel van de proletarische beweging de afschaffing is van de op concurrentie gebaseerde kapitalistische productiewijze, van de naties zelf en de oorlog, en de vervanging ervan door een menselijke wereldgemeenschap. Het internationalisme van het proletariaat heeft dus niets te maken met een morele utopie, met een voluntaristische benadering die erop gericht is alle ‘mensen van goede wil’ te verenigen, maar beantwoordt aan zijn diepste wezen: het internationalisme is de uitdrukking van de wereldeenheid van het proletariaat en zijn strijd. Daarom zijn alle politieke organisaties die het proletariaat in de loop van zijn geschiedenis heeft voortgebracht, internationaal geweest, of hebben ernaar gestreefd dat te zijn.

Daarom ook is de trouw aan het internationalistische beginsel steeds de toetssteen geweest die bepaalde of een organisatie tot het proletarische kamp behoorde. Zo bepaalde de houding ten opzichte van de Eerste Wereldoorlog de scheidslijn tussen de politieke stromingen die trouw bleven aan het proletariaat en zij die hem verraadden. Het Manifest van het Internationale Socialistische Congres van Bazel van 1912 werd door alle socialistische partijen van de wereld, inclusief de Belgische Werkliedenpartij (B.W.P.) onderschreven, terwijl het toch zonneklaar stelde dat de dreigende wereldoorlog een veroveringszuchtig, imperialistisch reactionair karakter had. “Geen enkel nationaal belang kan zo’n oorlog rechtvaardigen, die gevoerd wordt  “ten gunste van de winst van de kapitalisten, de ambitie van de dynastieën” en gebaseerd is op de imperialistische roofpolitiek van de grote mogendheden”[1], zowel van Oostenrijks-Duitse kant als van Engels-Frans-Russische kant.

De socialisten die zitting hadden genomen in regeringen en kabinetten, die hun goedkeuring gaven aan de oorlogskredieten, die de idee van de verdediging van het vaderland voorstonden, pleegden verraad aan het beginsel van het socialisme en tekenden hun definitieve overgang naar het kamp van de bourgeoisie.

1. Het verraad aan het internationalisme maakte de breuk met de Tweede Internationale onvermijdelijk

Terwijl de Tweede Internationale haar doodvonnis had getekend, zette de Linkerzijde de strijd voort tegen de ontaarding rond de verschillende afzonderlijke partijen. Ze probeerde zoveel mogelijk militanten te overtuigen van de marxistische standpunten, de partij voor de arbeidersklasse te behouden en, indien mogelijk, te heroveren. Voor het overgrote deel slaagde de Linkerzijde daar echter niet in en was ze genoodzaakt de voorbereiding van een nieuwe revolutionaire organisatie ter hand nemen, de communistische, wat uiteindelijk vanuit enkele landen resulteerde in de oprichting van een nieuwe (derde) internationale in Moskou in 1919, terwijl andere partijen zich er gaandeweg bij aansloten.

Naarmate de oorlog duurde stelde de noodzaak van een hergroepering van de militanten, die het marxisme trouw waren gebleven en die leiding kon geven aan het totaal gedesoriënteerde proletariaat, zich steeds nadrukkelijker. Want alleen het georganiseerde proletariaat kon een einde maken aan de massaslachting en alle propaganda moest erop gericht zijn dit te bewerkstelligen. Maar dat was niet in alle landen even gemakkelijk.

Op de eerste plaats was het een harde klap voor de arbeidersklasse dat de sociaaldemocratie, die in landen zoals Duitsland tot een machtige organisatie was uitgegroeid, haar als politiek wapen uit de handen was geslagen.

Op de tweede plaats waren de illusies in de sociaaldemocratie nog dermate groot, dat zelfs de meest vooruitgeschoven sectoren van de arbeidersklasse er pas na meerdere jaren in slaagden zich ervan te bevrijden.

Het overeind houden van de marxistische beginselen vergde dan ook een verbeten en langdurige strijd en de ontwikkelingen in België vormden daarop geen uitzondering.

Daar kwam nog bij dat het nog moeilijk was om al een complete en sluitende analyse te maken van wat er sinds het begin van de 20e eeuw allemaal veranderd was. Met haar werk ‘De Accumulatie van het kapitaal’ (1913) gaf Rosa Luxemburg wel het algemeen analysekader aan: het kapitalisme was aan zijn historische vervalperiode begonnen.

De gevolgen van de intrede in de periode van “oorlogen en revoluties” werden voor het eerst concreet samengevat in de standpunten van de Communistische Internationale, die in 1919 werd opgericht: blijvende en fundamentele hervormingen waren niet meer mogelijk, overal stond de proletarische revolutie op de dagorde. Parlementarisme, syndicalisme, frontvorming met delen van de bourgeoisie, dat alles was geldig en nodig geweest in de voorgaande periode van opgang van het kapitalisme, maar was nu niet langer gepast als strijdwapen. Een proletarische massapartij, zoals de sociaaldemocratie, verloor haar bestaansreden en in de plaats daarvan kwam een politieke organisatie die noodzakelijkerwijs was samengesteld uiteen minderheid van vastberaden en politiek heldere militanten.

De Bolsjewiki in Rusland, de in 1909 opgerichte SDP in Nederland, en de abstentionistische (anti-parlementaristische) fractie van de PSI in Italië trokken daaruit de meest heldere conclusies. De Bolsjewiki waren het duidelijkst over de meest brandende kwestie van het moment, de wereldoorlog. Terwijl iedereen, van pacifisten tot Minderheidssocialisten[2] om vrede smeekte, riepen zij op tot “de omvorming van de imperialistische oorlog tot een burgeroorlog”. Uit de oorlog moest revolutie voortkomen. En dat werd niet alleen in 1917 in Rusland bevestigd, maar middels een revolutionaire golf die het kapitalisme tot in 1927 in China op zijn grondvesten deed schudden.

Honderd jaar geleden zagen de revolutionaire minderheden binnen de Belgische sociaaldemocratie zich ook voor de uiterst moeilijke taak gesteld het opportunisme te ontmaskeren van de B.W.P., die het internationalisme had verraden. En omdat een herovering van de partij al snel geen optie bleek te zijn, stonden ze uiteindelijk voor de uitdaging een nieuwe partij op te bouwen, op basis van een politiek programma aangepast aan de nieuwe vereisten van de periode. Dit proces werd in België echter niet ten gronde voorbereid door een Marxistische Linkerzijde zoals dit het geval was in de bovengenoemde landen. Hoewel het werd aangevat onder de meest erbarmelijke omstandigheden van oorlog en bezetting, maar vooral van sabotage door de B.W.P.-leiding , levert het ons toch enkele waardevolle lessen op voor de opbouw van de politieke voorhoede van de klasse van vandaag.

2. De chauvinistische politiek de B.W.P. bracht de continuïteit en de verbondenheid met het marxisme in gevaar

Onmiddellijk na de inval van het Duitse leger wierp de B.W.P. zich, onder het mom van de ‘verdedigingsoorlog’ tegen de Duitse inval, in naam van het socialisme onmiddellijk op als hardnekkige verdediger van de legaliteit en het vaderland. Vier jaar lang zou Vandervelde vanuit Le Havre, als voorzitter van de IIe Internationale en van de B.W.P., een belangrijke pion zijn in de propaganda voor de zaak van de geallieerden. Zo richtte hij als voorzitter van de IIe Internationale een oproep aan de Russische socialisten om hun strijd tegen het tsarisme voorlopig opzij te schuiven en de Europese democratie te verdedigen tegen het Pruisisch militarisme. Naast hem zou E. Anseele, Minister vanaf 1916, zich ontpoppen als een echte havik, een oorlogspropagandist tot aan de eindoverwinning. De godsvrede of ‘heilige eenheid’ werd een feit en het waren de socialistische leiders die de arbeiders massaal voor de oorlog mobiliseerden.[3]

Oude tegenstanders van de opportunistische politiek, zoals Jules Destrée, behoorden al snel tot de meest gedreven herauten van wat men het oorlogssocialisme noemde. Louis de Brouckère en De Man lieten hun marxistische oppositie vallen en gaven zich als vrijwilliger op voor het Belgisch leger. Hun voorbeeld werd gevolgd door anderen, waaronder ook tal van leden van de Socialistische Jonge Wachten (SJW), revolutionaire syndicalisten en anarchisten.

Terwijl de belangrijkste B.W.P. leiders naar het buitenland trokken om veilig en ongebreideld hun propaganda te kunnen blijven verspreiden, bleven de linkse tegenstanders opgesloten in de loopgraven, de vluchtelingenkampen of stonden onder de strenge controle van de censuur. Onderworpen aan een ‘anti-Moffen’ hysterie, in stand gehouden door de B.W.P., werd elke houding die het patriottisme in twijfel trok door de B.W.P. bestempeld als collaboratie met ‘de Moffen’.“In België waren de socialisten, op een kleine minderheid na, allemaal het slachtoffer van de oorlogspsychose”[4].

De verstikkende ideologische druk, die werd uitgeoefend door sociaaldemocratische leiding, werd bevestigd door de getuigenis van een toenmalig lid van de marxistisch geïnspireerde Gentse kern van de SJW. De oproep van de Belgische Werkliedenpartij tot de socialistische jongeren hen aanzettende het leger te vervoegen – onder de slagwoorden van ‘de verdediging van de democratie’, van ‘het uitvechten van de laatste aller oorlogen door het neerslaan van het Pruisische militarisme’, enz. – evenals het optreden als oorlogsvrijwilligers van de Brouckère, Rik de Man, H. Vandemeulebroecke en andere ‘linkse’ socialisten, vonden bij de aanvang van de oorlog een goedkeuring bij de overgrote meerderheid van de Socialistische Jonge Wachten[5].

Vanaf september 1914 was daarenboven meer dan 9/10de van het Belgische grondgebied bezet door het Duitse leger. Arbeidersbijeenkomsten werden aan banden gelegd, internationale contacten waren uiterst zeldzaam en de B.W.P.-leiding zorgde er wel voor dat alle informatie gefilterd werd[6], als die al niet gecensureerd was. Grotendeels afgezonderd van de rest van de wereld, werd de ganse bevolking constant geïndoctrineerd door de leugens van de imperialistische Entente. Het gevolg was dat “het ultra patriottische gedweep van de drie ‘nationale partijen’ – in het bijzonder van de Belgische Werkliedenpartij – verwekten bijna onvermijdelijk een verbeten “jusqu’au boutisme”, blind voor het imperialistische karakter van de oorlog, voor de verantwoordelijkheid van de Belgische bourgeoisie”[7].

Dit betekende dat de strijd in België voor de revolutionaire organisatie, op basis van een authentiek internationalisme, niet alleen botste op allerlei vooroordelen maar ook te lijden had onder het feit dat de continuïteit en verbondenheid met het marxistische deel van de internationale arbeidersbeweging bijna compleet verloren was gegaan.

3. De Conferentie van Stockholm: het pseudo-internationalisme van de ‘centristen’

Onder de Belgische tegenstanders van de oorlog was er daarom ook niets bekend over een internationale socialistische conferentie die, over de frontlinies heen, in september 1915 in Zimmerwald plaatsvond, amper een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De resultaten van deze conferentie zouden een half jaar later, in april 1916, geconcretiseerd worden, op een tweede internationale conferentie te Kienthal[8]. In haar resolutie veroordeelde deze de imperialistische doelstellingen van de oorlogvoerende partijen, eiste ze een onmiddellijke beëindiging van de vijandelijkheden en riep ze de socialistische partijen op zich terug te trekken uit de regeringen waarin zij sinds het begin van de oorlog zitting hadden genomen.

In België was ook nagenoeg niets bekend over de ontwikkeling van praktische vormen van arbeidersverzet tegen de oorlog: in verschillende westerse landen vonden belangrijke stakingen plaats, in Rusland was er in februari 1917 zelfs een heuse opstand uitgebroken, geleid doorzelfstandige arbeidersorganisaties, de Sovjets.

Deze berichten kwamen Camille Huysmans, die sinds 1905 secretaris van de ‘Socialistische Internationale’ was en tijdens de oorlog in Den Haag (Nederland) verbleef, wel ter ore. Ze waren voor hem serieus genoeg om in 1917 het initiatief te nemen tot een vredesconferentie in Stockholm.

‘Stockholm’ klaagde, terecht, de officiële keuze van de B.W.P. voor de godsvrede aan, omdat deze delen van het internationale proletariaat ertoe aanzette elkaar af te slachten. Daartegenover pleitte zij, een manier die typisch is voor het centrisme[9]: onder het mom van ‘proletarisch internationalisme’ voor “een verzoeningsvrede door bemiddeling en scheidsrecht”, oftewel voor een zuiver burgerlijke pacifistische oplossing. De Conferentie van Stockholm was officieel bedoeld was om “vrede door vergelijk” te realiseren, maar in wezen gericht tegen de groeiende invloed van Zimmerwald en Kienthal, en bedoeld om iedere marxistische kritiek op het ‘sociaal-chauvinisme’ de wind uit de zeilen te nemen, wat toentertijd in revolutionaire kringen ook al werd vermoed[10].

Omdat dit voor links in de B.W.P. de enige referentie was in haar strijd tegen de oorlog, riep ze op grote schaal op tot deelname aan de conferentie. De revolutionaire syndicalisten rond de krant L'Exploité onder leiding van Joseph Jacquemotte, met kernen verspreid over het hele Franstalige deel van België, alsmede de overgrote meerderheid van de SJW, waarvan verschillende later naar het kommunisme zouden evolueren, waren de belangrijkste pleitbezorger van dit het initiatief van Camille Huysmans.

De leiders van de B.W.P. verzetten zich echter met hand en tand tegen deze poging om de sociaaldemocratische partijen van beide kampen aan één tafel te krijgen, wat er eigenlijk op neer kwam het lijk van de Tweede Internationale nieuw leven in te blazen. Zij wezen alle internationale socialistische bijeenkomsten af waaraan Duitse sociaaldemocraten deelnamen. Ze keerden zich frontaal tegen Huysmans, die werd beschreven als een “miserabele bochofiel" en de executieve van het Internationaal Bureau van de Socialistische Internationale (I.S.B.). als “het diplomatieke instrument van de Wilhelmstrasse”; een beschuldiging die ze in de nationale strijd tegen de bezettende Duitse macht zullen aanwenden tegen alle tegenstanders van een ‘heilige eenheid’ met de bourgeoisie, zoals later zal blijken[11].

Ofschoon het succes van de Stockholm-campagne een teken was dat de internationalistische geest onder het proletariaat in België niet dood was, ontbrak het hem net aan politiek inzicht om de valstrik van Stockholm te doorzien. “De verleiding was in dergelijke omstandigheden bijgevolg groot om het proletarisch internationalisme met de actie voor Stockholm te identificeren.(…) Zoals Massart het stelde was ‘Stockholm’ de breuklijn tussen nationalisten en internationalisten in België; men was voor of tegen het organiseren van een conferentie van de socialisten in Stockholm naargelang het kamp waar men zich in bevond”[12].

Deze passage toont duidelijk het enorme overwicht aan van het centrisme in België, die de marxisten binnen de B.W.P. tot 1917 zal beletten om aansluiting te vinden bij de strijd voor verheldering van de linkse beweging van Zimmerwald, zoals die gevoerd werd door de tegenstanders van de chauvinistische politiek de sociaaldemocratie.

4. Moeizame en versnipperde strijd voor het internationalistisch perspectief tijdens de oorlog

De internationalistische oppositie tegen de oorlog ontwikkelde zich in drie milieus, die elkaar dikwijls overlapten: a) radicale militanten binnen de Socialistische Jonge Wacht (SJW); b) aanhangers van een humanitair internationalisme; c) revolutionaire syndicalistische kernen. Deze stromingen bleven tot in 1918 zeer geïsoleerd zowel binnen de B.W.P. als in de klasse.

a) De fundamentele rol van radicale SJW-ers

Al in het eerste oorlogsjaar vervoegden honderden leden van de SJW, de jongerenbeweging van de B.W.P., en zelfs een paar hele afdelingen, de rangen van de pacifistische oppositie tegen de oorlog. Zowel in Brussel, Antwerpen als Gent waren er in de eerste oorlogsjaren al contacten met Nederlandse kameraden, in Gent vooral via Andries Van Gool[13] van de Nederlandse Sociaal Democratische Partij (SDP); in Antwerpen en Brussel vooral met Abraham Soep[14] die sympathiseerde met diezelfde SDP.

In Gent sijpelde in de loop van 1916 informatie over Zimmerwald door via het contact met een linkse Duitse soldaat. Eind 1916 nam de SJW daar een motie aan voor ‘een vredesbeweging aller landen’, die de B.W.P. positie sterk bekritiseerde. Net in dat “contact met een Duitser” vond B.W.P. kopstuk Anseele daarna een argument om de SJW te ontbinden. Door de leden van de Gentse internationalistische SJW gelijk te stellen met Vlaamse ‘activisten’ (Vlaamsnationalisten), die banden hadden met de Duitse bezetter, kon hij ze ook van de partij uitsluiten. Om ze monddood te maken werd de voltallige groep ook alle toegang tot lokalen en pers ontzegd.

Na hun uitsluiting richtten ongeveer 350 van hen, begin 1917, de Vredesgroep der Socialistische Partij op, met de publicatie De Roode Jeugd (1500 exemplaren). In juni lanceerden ze een Manifest aan de Arbeiders. De groep was ook de eerste in België die op de hoogte was van de resoluties van Zimmerwald en Kienthal en zich erachter schaarde, hoewel sommigen nog illusies koesterden over de Conferentie van Stockholm, die in datzelfde jaar plaatsvond. Het bewijs hiervan was dat Roode Jeugd het gemeenschappelijke tijdschrift werd van de uitgesloten SJW-jongeren als van de Minderheidssocialisten. De verdienste van deze groep was onbetwistbaar. Vooral na de Oktoberrevolutie in Rusland radicaliseerde ze de toon van haar publicatie, mede onder invloed van de Hollandse Tribunisten.

In juli 1918 publiceerde zij de brochure "Ons Standpunt" waarin het imperialistisch karakter van de oorlog werd geanalyseerd, als een strijd voor afzetmarkten. Zij sprak haar solidariteit uit met de Oktoberrevolutie en verkondigde de noodzaak van de oprichting van een Derde Internationale. In het voorwoord van deze brochure schrijft de Vredesgroep: De IIde Internationale kon deze oorlog nog niet verhinderen; haar historische rol beperkte zich tot samenbrengen van arbeidersorganisatie uit verschillende landen; de rol van de IIIde Internationale ligt in de oprichting van een organisatie die de hele wereld zal bestrijken. Deze brochure draagt 'n bescheiden steentje bij tot de vorming van dergelijke Internationale”[15]. De jongeren in Gent waren inzake de revolutionaire verwoording van de ideeën de meest heldere van alle groepen en elementen die toen, met veel nuances, de internationalistische beweging in België vormden. In feite kan de Gentse Vredesgroep beschouwd worden als de aanzet tot de eerste communistische organisatie van België, die in 1918 Gent opgericht zou worden.

Ook in Brussel kwam de eerste informatie binnen via de sporadische contacten van een SJW-kern met een Duitse soldaat, die in contact was met de Marxistische Linkerzijde in Zwitserland, en brochures en geschriften doorsluisde. In Brussel had die kern van SJW-leden, waaronder de secretaris Felix Coenen en de inmiddels toegetreden War Van Overstraeten - die daarvoor meewerkte als redacteur bij L’Exploité maar er mee brak vanwege hun centrisme t.o.v. de oorlog -, ook regelmatig contact met de Nederlandse SDP. Dit zou van grote invloed zijn. Naar het einde van de oorlog en vooral erna had ze ook contact met de Zwitser Jules Humbert Droz, een contact dat zich steeds meer toespitste op een bewuste breuk met de B.W.P. met de bedoeling een zelfstandige groep in België te vormen[16]. Deze contacten zullen met het uitbreken van de revolutie in Rusland en de naoorlogse periode des te belangrijker worden voor de politieke verheldering. De leden van de groep waren vooral op de hoogte van de activiteiten van de Internationale Unie van Socialistische Jeugdorganisaties, die de Linkerzijde van Zimmerwald aanhing. Al voor het einde van de oorlog in 1918 ontwikkelde zich binnen de Brusselse SJW een revolutionaire oppositiepolitiek die duidelijk de Russische revolutie steunde en de zelfstandige strijd van het proletariaat, georganiseerd in arbeidersraden, propageerde. De drijvende kracht achter deze inspanning was de groep jongeren rond War van Overstraeten.

De SJW-kern in Antwerpen nam een speciale plaats in. Zij combineerde een Vlaams-nationale opvatting met sociale eisen en aandacht voor internationalistische posities. De groep werkte aan een soort ‘radicaal links socialistisch activisme’[17].Toen Van Extergem in november 1916 een ‘Oproep aan de Vlaamse sociaal-democraten’ lanceerde om bij het activisme aan te sluiten, was de Antwerpse SJW-afdeling van de partij. In de loop van 1917 schaarden ze zich achter de oriëntatie van de Vredesconferentie van Stockholm en verenigden ze vanaf midden 1917 hun krachten rond het pas opgerichte De Nieuwe Tijd van de Minderheidssocialisten, waarin ze zegden te “ijveren voor een spoedigen en duurzamen vrede door overeenkomst”.

Samen met een aantal B.W.P.-ers zetten zij een serie conferenties op tegen de oorlog, die werden getolereerd door de Duitse bezetter. Duitse sociaaldemocraten speelden hierop in en ondernamen pogingen om hun Vlaamse kameraden te winnen voor een samenwerking met de bezetter in ruil voor de inwilliging van een aantal Vlaamse eisen. Deze activiteit werd door de leiding van de B.W.P. aangegrepen om elke oppositie te veroordelen als collaboratie met de Duitse bezetter.

De Gentse Vredesgroep en de grote meerderheid van de Gentse maar ook de Brusselse SJW stonden zeer sceptisch en zelfs afwijzend t.o.v. heel de oriëntatie van de Vlaamse medestanders. Maar zij sloten de deur niet helemaal, want naar het einde van de oorlog en erna zouden zij intensieve discussies met hen aangaan. In november 1918 werd immers ook een groot deel van de Minderheidssocialisten in Antwerpen uit de B.W.P. gestoten die daarna de Vlaamsche Revolutionaire Socialistische Partij oprichtten[18].

Op het einde van de oorlog waren er dus drie groepen die hoofdzakelijk uit SJW-kringen voortkwamen en die braken met de IIe Internationale en haar politiek. Daarmee was een beslissende stap gezet in het proces van decantatie van de helderste en meest strijdbare militanten en van de verheldering van politieke standpunten en strijdvormen met de bedoeling om aan te sluiten bij de inspanningen voor de oprichting van de IIIe Internationale. Over de nefaste invloed van het links ‘activisme’ en het ontbreken van een heldere marxistische benadering van de nationale kwestie, alsmede overblijfselen van een enkele libertaire invloeden in hun midden, komen we terug in het tweede deel van deze artikelenreeks omdat dit een centrale kwestie zou worden in het proces van hergroepering van revolutionaire krachten

b) Een kleine minderheid zet de stap van humanitair naar proletarisch internationalisme

Een andere bron van internationale contacten, maar ook van verwarring over wat proletarisch internationalisme werkelijk inhoudt, maar die toch een rol zou spelen in de discussies voor de oprichting van de eerste communistische organisaties, verliep via gedemobiliseerde soldaten: “Socialistische Jonge Wachters, nog in soldatenpak en vóór hun demobilisatie, namen het initiatief een organisatie van “Socialistische Oud-strijders” te stichten, met een programma van politieke- en onmiddellijke eisen. De eerste kwam tot stand te Gent, later te Brussel en in andere steden. Van bij de aanvang zocht Gent contact met de “Internationale van Oud-strijders”, geleid door H. Barbusse, Vaillant-Couturier en anderen, en sloot erbij aan. Deze organisatie van “Socialistische Oud-strijders” werd gesticht in de schoot van de BWP. De opvattingen die door zekere afdelingen van de “Socialistische Oud-strijders” verdedigd werden (…) gingen lijnrecht tegen de lijn van de BWP, die aan de regering deelnam. De afdeling Gent – later Brussel – verdedigde de Oktoberrevolutie en de Sovjet-Unie”[19].

Deze hoofdzakelijk humanitair internationalistische stroming was geïnspireerd door het pacifistische manifest “Au-dessus de la mêlée” van R. Rolland, en enkele jaren later middels de oprichting van Clarté[20] door Barbusse, vernoemd naar zijn antimilitaristische roman. Deze stroming vond, vooral in intellectuele, libertaire en artistieke kringen, ook weerklank in België; in Brussel en later ook in Antwerpen werden afdelingen van Clarté opgericht. Barbusse hield gepassioneerde  pleidooien tegen de oorlog, maar vooral vanuit moreel oogpunt.

De humanitaire stellingen, het lyrisch romantisme, de democratistische en libertaire illusies, de kleinburgerlijke verwarringen over een communistische samenleving, vooral na het uitbreken van de Russische revolutie, deed vele aanhangers afhaken. Hun engagement was onvoldoende gestoeld op een begrip van de historische verandering in de dynamiek van het kapitalisme en de wereldsituatie met het uitbreken van de wereldoorlog, en van de gevolgen van de intrede in de periode van “oorlogen en revoluties” voor de strijd van de arbeidersklasse. Slechts een deel van de aanhangers zou in België de discussie aangaan met andere ontluikende internationalistische groepen en zich aansluiten bij de inspanningen voor de ontwikkeling van de minimale basisstandpunten voor de oprichting van de nieuwe communistische partij.

c) De lange weg van het revolutionair syndicalisme

Naarmate de oorlog zich voortsleepte, ontstonden ook andere groepen in de B.W.P. die zich tegen de verdere deelname aan de oorlog verzetten. Zij gaven pamfletten uit waarin ze de oorlog veroordeelden en erop wezen dat er voor de arbeiders maar één oorlog bestaat: de klassenoorlog; maar kwamen niet verder in hun analyses. Een voorbeeld daarvan is de groep Vernieuwing van de Socialistische Beweging die in een pamflet, dat eind 1916 en begin 1917 werd verspreid, de oorlog aan de kaak stelde als een van de uitingsvormen van het kapitalistische monster. Het pamflet genaamd ‘De echte oorlog’, brak een lans voor de klassestrijd: “Gedaan met het reformisme, gedaan met het revisionisme, het opportunisme, de verwarring, de mank lopende oplossingen en het povere inzicht. Alleen de klassenstrijd zonder genade of respijt![21]. De invloed van het revolutionair syndicalisme van vóór 1914 is was echter overduidelijk aanwezig: “vastbesloten alles te doen” om een nieuw bloedbad te voorkomen moest het politieke monopolie van de partijen doorbroken worden door de vorming van een internationale syndicale unie. Een soortgelijk standpunt was ook al te vinden in een oproep tot de Dag van de Arbeid uit 1915 of 1916, gelanceerd door een zogeheten Revolutionair-Socialistische Federatie.

Medio februari 1918 werd eveneens een pamflet verspreid, ondertekend door een Internationalistische Groep, Belgische afdeling, samengesteld uit leden van de verschillende vakbonden met onder meer F. Coenen en A. Soep, en gesteund door leden van de Centrale d'Education Ouvrière. In het pamflet werd de chauvinistische politiek van de B.W.P. verworpen en opgeroepen om “zich te ontdoen van het pact gesloten met ‘de burgerlijke partijen opdat de gezonde wil van de proletariërs ten volle zou kunnen wegen om een einde te maken aan dit bloedbad dat door niets kan worden gerechtvaardigd’”, en“‘zo snel mogelijk’ de internationale relaties hervatten met die ‘groepen die trouw gebleven waren aan de principes van het socialisme”[22].

Dit revolutionair syndicalisme was eveneens het kenmerk van L’Exploité, Socialistisch Orgaan van Directe Actie,opgericht door de libertaire militant Emile Chapelier, in samenwerking met de revolutionaire syndicalisten Joseph Jacquemotte en de al wat oudere Raphaël Rens.

In zijn eerste nummer, dat op 5 maart 1911verscheen, stelde L'Exploité, in navolging van de voorbeelden van de CGT van Sorel en Monatte in Frankrijk dat het syndicalisme de hoofdrol zou spelen in de omverwerping van de burgerlijke maatschappij en de instelling van de collectivistische of communistische samenleving van morgen[23]. De oppositie die zich rond het blad vormde en waarvan Jacquemotte een van de belangrijkste vertegenwoordigers zou worden, bevond zich voornamelijk in de schoot van de B.W.P. zelf, te Brussel en in Wallonië en sporadisch in Vlaanderen. Charles Massart, “een overlever van het marxisme van voor 1914”, die lesgaf aan de Centrale d'Education Ouvrière, vervoegde Jacquemotte, aan wie hij tijdens de oorlog les had gegeven.

De publicatie van L’Exploité werd bij het uitbreken van de oorlog stopgezet en werd pas na de beëindiging van de oorlog weer opgestart. De anti-oorlogsactiviteiten van Jacquemotte, en de kern rond L’Exploité, mogen dan ook niet overdreven worden. Wel vonden de militanten rond L’Eploité vanaf 1917 in de Conferentie van Stockholm een heuse kapstok om hun oppositie tegen de oorlog tot uitdrukking te brengen. Deze vormde voor hen de getrouwheid aan het internationalisme. Maar bronnen stellen duidelijk m.b.t. Jacquemotte dat “de oorlog een einde stelt aan zijn agitatiewerk”[24]. Op 6 november 1918 zag hij zich trouwens genoodzaakt om een zelfkritiek te maken van zijn houding tijdens de oorlog.

De kern in Brussel nam wel de verantwoordelijkheid op zich om in augustus 1918 een brochure uit te geven, genaamd De Russische Revolutie. Deze half-illegaal uitgegeven brochure liet, onder het wakende oog van de B.W.P., informatie doorsijpelen over de doeleinden van de Russische revolutie, maar uitte er tegelijkertijd ook heel wat kritiek op. De inleiding werd door de ‘jusqu’au boutiste’ Joseph Wauters, directeur van Le Peuple, aangegrepen om terloops Brest-Litovsk, “de schandelijke vrede met het Duitse imperialisme, te veroordelen en de Bolsjewiki een “nakende ondergang” te voorspellen.

Eerst in de zomer van 1920 kreeg de groep rond het tijdschrift enige georganiseerde vorm door de oprichting van de Vrienden van l'Exploité (Les Amis de l’Exploité). Zij bleven binnen de B.W.P. ijveren voor “de opheffing van de hypotheek van de Godsvrede” om “zich uitsluitend op het terrein van de klassenstrijd te plaatsen”, waar de arbeidersklasse in staat is de macht te grijpen door middel van het algemeen kiesrecht. Het was wachten tot einde 1920 voordat ze hun standpunt, dat het “weerbarstige kadaver” van de Tweede Internationale weer tot leven gewekt moest worden, zouden herzien.

Wat de anarchisten betreft tenslotte, verscheen op 2 augustus 1914 in Luik het laatste nummer van L'Emancipateur. “Oorlog aan de oorlog” blokletterde het blad nog. De enige tekens van leven die de Belgische anarchisten daarna nog gaven, werden gedomineerd door de voorstanders van een ‘verdedigingsoorlog’. In november verscheen een brief van de Mechelse anarchist Verbelen, waarin ondubbelzinnig werd gepleit voor steun aan de geallieerden, en om zich aan te sluiten bij de verklaarde politieke vijand: de B.W.P. Een minderheid, vooral in Vlaanderen, verliet na de oorlog uiteindelijk de anarchistische rangen om zich bij de nieuw opgerichte Kommunistische Partij aan te sluiten.

5. Van het beginsel van het internationalisme naar het programma van de revolutionaire organisatie

Na de terugkeer van de kameraden van het front, na de strijd voor het proletarisch internationalisme, na de verdediging van de revoluties in Rusland en Duitsland, was de dringende opdracht nu om definitief met de ideologie van de sociaaldemocratie te breken, de standpunten van het communistisch alternatief te verhelderen en een duidelijk programma voor de opbouw van de nieuwe revolutionaire organisatie te realiseren. Voor de verwezenlijking van die opdracht was het heropnemen van contacten met buitenlandse verwante organisaties en de doorstroming en verspreiding van revolutionaire geschriften doorslaggevend,wat uiteindelijk leidde tot de oprichting van een communistische partij in België.

In een tweede deel van deze reeks zullen we nader ingaan op dit proces van hergroepering van de ‘internationalistische’ krachten vanaf het einde van de oorlog in november 1918 tot de oprichting van een communistische partij in 1920 en vooral op de uiterst moeilijke maar fundamentele discussie over de politieke basis waarop dit zou moeten plaatsvinden.

 


[1] W.I. Lenin, Das Basler Manifest, in Sozialismus und Krieg”.

[2] De Minderheidssocialisten: een politieke term waarmee, tijdens de Eerste Wereldoorlog,vanaf 1915, een centristische minderheid in de B.W.P. werd aangeduid maar ook kleine groepen die zich in verschillende steden in Vlaanderen afscheidden van de B.W.P. Zij konden dus zeker niet als een homogene groep beschouwd worden. Zij klaagden de officiële keuze van de B.W.P. voor de godsvrede aan en pleitten voor een pacifistische oplossing zoals de internationale vredesconferentie te Stockholm (1917).

[3] Sociaal-chauvinisme en verraad aan het proletarisch internationalisme, deel IV van de reeks over “De trage en moeilijke strijd voor de vorming van arbeidersorganisaties”, in Internationalisme nr. 327.

[4] Charles Massart, “La Belgique socialiste et communiste”, 1922.

[5] Georges Van den Boom, Enkele herinneringen, Over de weerslag van de Oktoberrevolutie in België, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 4, 2de jrg., december 1967.

[6] De B.W.P.-leiding zag er nauwlettend op toe dat de radicalisering van de Belgische vluchtelingenpers vanuit Nederland, zoals in De Belgische Socialist en De Metaalbewerker, niet te ver ging. Vooral na de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland, toen er artikelen verschenen die opriepen tot “Vive la révolution sociale”, werden dit soort geluiden onmiddellijk onder druk gezet of tot zwijgen gebracht. Voor de Belgische regering in LeHavre ging zelfs dit niet ver genoeg en de krant werd in maart 1918 uiteindelijk verboden. Vanuit Frankrijk groeide er eenzelfde kritiek tegen de oorlog via de krant Le Peuple Belge, waarvan de meerderheid koos voor de tendens Huysmans. Maar Vandervelde draaide de financiële kraan dicht en startte Le droit des Peuples, als de spreekbuis van de chauvinistische lijn.

[7] Georges Van den Boom, Enkele herinneringen, Over de weerslag van de Oktoberrevolutie in België, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 4, 2de jrg., december 1967.

[9] Voor de rol van het centrisme gedurende de Eerste Wereldoorlog, zie: Fractie of nieuwe partij?.

[10] Alfred Rosmer, Le mouvement ouvrier pendant la Première Guerre mondiale - de Zimmerwald à la Révolution Russe, blz. 132.

[11] Alexandre Zevaès, Les manœuvres du camarade Huysmans, blz.13, artikel van in Républicain Socialiste 1.6.1916.

[13] Andries Van Gool nam in 1909 namens die Sociaal Democratische partij zitting in het hoofdbestuur van de jeugdorganisatie De Zaaier. In die hoedanigheid correspondeerde hij met Belgische, Zweedse en Schotse marxistische jongeren en met Willy Münzenberg, secretaris van het Bureau van de Socialistische Jeugdinternationale. In december 1915 betoogde hij in het blad JugendInternationale dat ontwapening onder het kapitalisme onmogelijk was en dat het proletariaat een revolutionair gebruik van de wapens zou moeten maken. In 1919 stond hij aan de basis van de oprichting van de Communistische Jeugd Internationale.

[14] Abraham Soep werkte jarenlang als diamantbewerker in Antwerpen, en was actief in de vakbeweging. Tijdens zijn verblijf tijdens de oorlog in Nederland keerde Soep zich, trouw aan zijn marxistische beginselen, tegen elke vorm van nationalisme. Hij verwierp de godsvrede tussen de partijen en verklaarde zich voor demobilisatie van het Nederlandse leger. Belangrijk was zijn verblijf in Brussel en Antwerpen in de periode 1918-1921. Soep was betrokken bij de oprichting van de Belgische Kommunistische Partij, maar in september 1921 werd hij door de Belgische politie over de grens was gezet.

[15] Geciteerd in: Claude Renard, “Oktober 1917en de Belgische arbeidersbeweging.

[16] War van Overstraeten, van de Brusselse S.J.W., was voor de oorlog verantwoordelijk voor de internationale contacten. Tijdens de oorlogsjaren probeerde hij die contacten te behouden, onder meer met Jules Humbert Droz, die van 1916 tot 1919 redacteur was van het socialistische dagblad La Sentinelle, en in 1919 het tijdschrift Le Phare oprichtte. In 1919 werd Humbert-Droz benoemd tot secretaris van de Communistische Internationale en vertrok hij naar Moskou.In 1921 speelde hij een belangrijke rol bij de oprichting van de Zwitserse Communistische Partij.

[17] Het activisme kenmerkte zich door het streven naar radicale politieke veranderingen die de Vlaamse gemeenschap de grootst mogelijke politieke zelfstandigheid moesten bieden binnen een hervormde Belgische staat of zelfs binnen een zelfstandig Vlaanderen. De zogeheten activisten waren bereid deze politieke eisen te verwezenlijken in samenwerking met en, natuurlijk, onderworpen aan de directieven van de Duitse bezetter. Zij onderscheidden zich daarmede van de loyalisten die, ter onderscheiding van de activisten, ook wel de passivisten werden genoemd.

[18] De Vlaamsche Revolutionaire Socialistische Partij zou in latere jaren, onder een andere naam, fuseren met de Belgische Kommunistische Partij.

[19] Georges Van den Boom, Enkele herinneringen, Over de weerslag van de Oktoberrevolutie in België, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 4, 2de jrg., december 1967.

[20] De naam Clarté is de afkorting van Ligue de Solidarité intellectuelle pour le Triomphe de la Cause internationale

[23] Een bijzonder antwoord dat revolutionaire arbeiders gaven op de ontwikkeling van het opportunisme, op de politiek van de B.W.P. die volledig onderworpen was aan de parlementaire routines, was de verwerping van iedere politieke activiteit, en het zich beperken tot de ‘directe actie’ van syndicale type. Vooral tussen 1903 en 1909 ontstonden een reeks initiatieven in die zin. Een revolutionair syndicalistische oppositie richtte een Belgische CGT op, die op het hoogtepunt van haar bestaan 4000 leden telde. Voor een verdere analyse van het revolutionair syndicalisme, zie: De doorbraak van reformisme en opportunisme, deel III van de reeks over “De trage en moeilijke strijd voor de vorming van arbeidersorganisaties”, in Internationalisme nr. 327; alsmede: What is revolutionary syndicalism?, International Review nr.118.

[24] Pirlot, Jules &Rikir, Emile, “Joseph Jacquemotte (1883-1936)”, blz. 3.

 

People: 

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: 

Politieke stromingen en verwijzingen: 

Rubric: 

Kommunistische Linkerzijde in België