50 jaar na Mei 68 (2) - De vooruitgang en teruggang in de klassestrijd sinds 1968

Printvriendelijke versie

Zonder de gebeurtenissen van Mei 68 zou de IKS niet bestaan. Marc Chirik had al meegewerkt aan de vorming van een groep in Venezuela, Internacialismo, die vanaf 1964 alle basisstandpunten verdedigde die een decennium later door het IKS zouden worden aangenomen. Maar Marc was zich er vanaf het begin van bewust dat de heropleving van de klassestrijd in de centra van het wereldkapitalisme doorslaggevend zou zijn voor het begin van een verandering in de loop van de geschiedenis.

Het was dit inzicht dat hem ertoe aanzette terug te keren naar Frankrijk en een actieve rol te spelen in de beweging van mei-juni, onder meer door contacten te zoeken onder de gepolitiseerde voorhoede. Twee jonge leden van de Venezolaanse groep waren al naar Frankrijk verhuisd om aan de universiteit van Toulouse te studeren, en naast deze kameraden en een handvol anderen werd Marc in oktober 1968 medeoprichter van Révolution Internationale - de groep die zeven jaar later een centrale rol zou spelen in de oprichting van het IKS.

Sindsdien heeft de IKS nooit meer getwijfeld aan haar overtuiging over de historische betekenis van Mei 68 en zijn we steeds weer op het onderwerp teruggekomen. Om de tien jaar hebben we artikelen gepubliceerd in ons theoretisch orgaan, de International Revue, evenals artikels in onze territoriale pers die terugkijken op deze gebeurtenis. We hebben openbare bijeenkomsten gehouden ter gelegenheid van de 40ste en 50ste verjaardag ervan en zijn tussengekomen bij evenementen die door anderen werden georganiseerd.[1] In dit artikel beginnen we met een terugblik op een van deze artikelen, geschreven op een verjaardag die nu een duidelijke symbolische waarde heeft: 1988

In het eerste deel van deze nieuwe serie[2] concludeerden we dat de eerste beoordeling die gemaakt was door RI – “Mei 68 begrijpen”, geschreven in 1969, volgens welke Mei 68 de eerste grote reactie van de arbeidersklasse was op de heropkomst van de historische economische crisis van het kapitalisme - volledig geldig was: ondanks het vaak verbazingwekkende vermogen van het kapitaal om zich aan te passen aan de verscherpte tegenstellingen, is de crisis, die aan het einde van de jaren 1960 vanaf de eerste symptomen kon worden bespeurd, steeds duidelijker en in alle opzichten permanent geworden.

Maar hoe staat het met onze volharding dat Mei 68 het einde betekende van de decennia van contrarevolutie en de opening van een nieuwe periode, waarin een ongeslagen arbeidersklasse zich in de richting van massale en beslissende strijd zou bewegen; en dat de uitkomst van deze strijd op haar beurt het historische dilemma zou oplossen van de onoplosbare economische crisis: de wereldoorlog, in het geval van een nieuwe nederlaag voor de arbeidersklasse, of de wereldrevolutie en de opbouw van een nieuwe, kommunistische maatschappij?

Het artikel uit 1988, “20 jaar na Mei 1968 - Klassestrijd: de rijping van de voorwaarden voor de revolutie”[3] begon met een argumentatie tegen de heersende scepsis van die tijd - het idee, dat zeer wijdverspreid was in de burgerlijke media en onder een hele laag van de intellectuelen, dat Mei 68 op zijn best een mooie utopische droom was geweest die door de harde realiteit was vervaagd en uitgewist. Elders in onze pers hadden we, rond dezelfde tijd[4], ook kritiek geuit op het scepticisme dat grote delen van het revolutionaire milieu trof, en wel sinds de gebeurtenissen van 1968 zelf - een tendens die met name tot uiting kwam in de weigering van de belangrijkste erfgenamen van de traditie van de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde om in Mei 68 iets meer te zien dan een golf van kleinburgerlijke onrust, die niets had gedaan om het dode gewicht van de contrarevolutie te verlichten.

Zowel de Bordigistische als de Damenistische vleugel[5] van de naoorlogse Italiaanse Linkse Kommunistische traditie reageerden op deze manier. Beiden hebben de neiging om de partij te zien als iets dat buiten de geschiedenis staat, omdat ze het mogelijk achten de partij te handhaven, ongeacht de krachtsverhouding tussen de klassen. Zij zien de strijd van de arbeiders dus in wezen in kringetjes rondgaan, omdat deze alleen in revolutionaire zin kan worden omgevormd door de interventie van de partij, wat de vraag oproept waar de partij zelf vandaan komt. Met name de Bordigisten boden in 1968 een karikatuur van deze benadering, toen ze pamfletten uitbrachten waarin ze erop aandrongen dat de beweging alleen maar ergens toe zou leiden als ze zich achter de spandoeken van De Partij (dat wil zeggen, hun eigen kleine politieke groep) zou plaatsen.

Onze stroming daarentegen heeft altijd gezegd dat dit een in wezen idealistische benadering is die de partij scheidt van haar materiële wortels in de klassestrijd. We beschouwden onszelf als een voortzetting van de werkelijke verworvenheden van de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde in haar meest vruchtbare periode - de periode van de Fractie[6] in de jaren 1930 en 1940, toen zij inzag dat haar vermindering van haar eigen impact ten opzichte van de voorgaande fase van de partij een product was van de nederlaag van de arbeidersklasse, en dat alleen een heropleving van de klassestrijd de voorwaarde kon bieden voor de omvorming van de bestaande kommunistische fracties in een echte klassenpartij.

Na 1968 ontwikkelden deze voorwaarden zich inderdaad, niet alleen op het niveau van de gepolitiseerde minderheden die, in de nasleep van de gebeurtenissen en de daaropvolgende heropstanding van de arbeidersklasse, een belangrijke fase van groei doormaakten, maar ook op een meer algemeen niveau. De klassestrijd die in Mei 68 losbarstte, was geen eendagsvlieg, maar het startschot voor een krachtige dynamiek die snel op wereldschaal tot uiting zou komen.

De vooruitgang in de klassestrijd tussen 1968 en 1988

In overeenstemming met de marxistische visie, die de golvende aard van de klassebeweging al sinds lange tijd heeft opgemerkt, analyseert het artikel drie verschillende internationale strijdgolven in de twee decennia na 1968: de eerste, ongetwijfeld de meest spectaculaire, omvatte de Italiaanse hete herfst van 1969, de gewelddadige opstanden in Cordoba, Argentinië, in 1969 en in Polen in 1970, en belangrijke bewegingen in Spanje en Groot-Brittannië in 1972. In het bijzonder in Spanje begonnen de arbeiders zich te organiseren via massabijeenkomsten, een proces dat in 1976 zijn hoogtepunt bereikte in Vitoria. De internationale dimensie van de golf werd aangetoond door de echo's ervan in Israël (1969) en Egypte (1972) en, later, door de opstanden in de townships van Zuid-Afrika die werden geleid door van strijdcommité’s (de ‘Civics’).

Na een korte pauze in het midden van de jaren 1970 was er een tweede golf, met de stakingen van de Iraanse oliearbeiders en van de staalarbeiders van Frankrijk in 1978, de 'Winter van Ontevredenheid’ in Groot-Brittannië, de Rotterdamse havenstaking onder leiding van een onafhankelijk stakingscomité en de stakingen van de staalarbeiders in Brazilië in 1979, die ook de controle van de vakbonden op de proef stelden. Deze wereldwijde beweging culmineerde in de massastaking in Polen in 1980, die door haar zelforganisatie en eenwording de belangrijkste episode was in de klassestrijd sinds 1968 en zelfs sinds de jaren 1920 van de vorige eeuw.

En hoewel de zware repressie van de Poolse arbeiders deze golf tot stilstand bracht, duurde het niet lang voordat zich een nieuw opleving voordeed middels de strijd in België in 1983 en 1986, de algemene staking in Denemarken in 1985, de staking van de mijnwerkers in Groot-Brittannië in 1984-1985, de strijd van de spoorwegarbeiders en vervolgens van de gezondheidswerkers in Frankrijk in 1986 en 1988, en de beweging van de werkers in het onderwijs in Italië in 1987. Vooral de strijd in Frankrijk en Italië - net als de massastaking in Polen - vertoonde een reëel vermogen tot zelforganisatie middels algemene vergaderingen en stakingscomités.

Dit was geen eenvoudige lijst van stakingen. Het artikel benadrukt ook het feit dat deze golfachtige beweging niet in kringetjes rondging, maar een echte vooruitgang in het klassebewustzijn teweegbracht:

“Een eenvoudige vergelijking van de kenmerken van de strijd van 20 jaar geleden met die van vandaag zal ons in staat stellen om de omvang van de evolutie te zien die zich langzaam in de arbeidersklasse heeft voltrokken. Haar eigen ervaring, gevoegd bij de catastrofale evolutie van het kapitalistische systeem, heeft haar in staat gesteld om een veel duidelijker beeld te krijgen van de realiteit van haar strijd. Dit werd tot uitdrukking gebracht door:

  • een verlies van illusies in de politieke krachten in de linkerzijde van het kapitaal en in de eerste plaats de vakbonden, waar de illusies plaats hebben gemaakt voor wantrouwen en, in toenemende mate, voor een openlijke vijandigheid;
  • de groeiende tendens om inefficiënte vormen van mobilisatie te laten varen, de doodlopende straatjes die de vakbonden zo vaak hebben gebruikt om de strijdlust van de arbeiders te begraven, zoals actiedagen, symbolische demonstraties, lange en geïsoleerde stakingen....

Maar de ervaring van deze 20 jaar van strijd heeft niet alleen negatieve lessen voor de arbeidersklasse opgeleverd (wat niet moet worden gedaan). Het heeft ook lessen opgeleverd over wat er wel gedaan moet worden:

  • de poging om de strijd uit te breiden (vooral in België 1986);
  • de poging van de arbeiders om de strijd in eigen hand te nemen, door het organiseren van algemene vergaderingen en gekozen, herroepbare stakingscomités (in het bijzonder in Frankrijk 1986, Italië 1987)".

Tegelijkertijd werden de reacties van de bourgeoisie op het gevaar van de klassestrijd niet verwaarloosd: hoewel ze verrast was door het uitbreken van de Mei 68-beweging, en haar toevlucht nam tot wrede vormen van repressie die als katalysator diende voor de uitbreiding van de strijd, had ze later veel geleerd of opnieuw geleerd hoe om te gaan met het verzet van haar klassevijand.

Ze nam natuurlijk geen afstand van het gebruik van repressie, maar ze heeft subtielere middelen gevonden om het gebruik ervan te presenteren en te rechtvaardigen, zoals de bangmakerij van het terrorisme; ondertussen heeft ze haar arsenaal aan democratische misleidingen ontwikkeld om de strijd - met name in landen die nog steeds door openlijke dictaturen werden geregeerd – af te leiden naar burgerlijke politieke doelen. Op het niveau van de strijd zelf ging ze de groeiende ontgoocheling van de arbeiders over de officiële vakbonden en de dreiging van zelforganisatie tegen door radicalere vormen van vakbondsactiviteit te ontwikkelen, waaronder zelfs vormen, die buiten de vakbond omgingen (de 'coördinaties' opgezet door ultralinks in Frankrijk bijvoorbeeld).

Het artikel was begonnen met de erkenning dat veel van de optimistische praatjes over revolutie in 1968 inderdaad utopisch waren geweest. Dit kwam deels doordat de hele discussie over de mogelijkheid van revolutie werd vertekend door linkse opvattingen dat de gebeurtenissen in Vietnam of Cuba inderdaad socialistische revoluties waren die actief gesteund moesten worden door de arbeidersklasse in de centrale landen; maar ook, zelfs toen de revolutie werd opgevat als iets dat werkelijk de omvorming van de maatschappelijke verhoudingen met zich meebracht, omdat in 1968 de objectieve omstandigheden, vooral de economische crisis, nog maar net begon met het scheppen van de materiële basis voor een revolutionaire uitdaging van het kapitaal. Sindsdien zijn de ontwikkelingen wel moeilijker, maar ook diepgaander geworden:

  • Het is misschien minder gemakkelijk om in 1988 over revolutie te praten dan in 1968. Maar wanneer vandaag de dag het woord wordt geroepen in een demonstratie in Rome waar arbeiders het burgerlijke karakter van de vakbonden aan de kaak stellen, of in een demonstratie van werklozen in Bilbao, heeft het een veel diepgaandere en concretere betekenis dan in de koortsachtige vergaderingen, zo vol van valse illusies waren in 1968.
  • 1968 bevestigde de terugkeer van het revolutionaire doel. Al 20 jaar lang blijven de voorwaarden voor de realisatie ervan rijpen. De neergang van het kapitalisme in zijn eigen impasse, de steeds ondraaglijker situatie die dit schept voor alle uitgebuite en onderdrukte klassen, de ervaring die is opgedaan door de strijdwil van de arbeiders, dit alles leidt tot die situatie waarover Marx sprak, ‘waarin elk terugtocht onmogelijk is’.”

Het keerpunt van 1989

Er zit veel in deze analyse waar we vandaag de dag nog steeds aan kunnen vasthouden. En toch kunnen we niet anders dan getroffen worden door een zin die de beoordeling van de derde strijdgolf in het artikel samenvat:

“Tot slot bevestigen de recente mobilisatie van de arbeiders in het Roergebied in Duitsland en de hervatting van de stakingen in Groot-Brittannië in 1988 (zie het editoriaal in dit nummer) dat deze derde internationale golf van arbeidersstrijd, die nu al meer dan 4 jaar duurt, nog lang niet voorbij is.”

In feite zou de derde golf, en zelfs de hele periode van strijd sinds 1968, plotseling tot stilstand komen met de ineenstorting van het Oostblok in 1989-1991 en de daarmee gepaard gaande stroom van campagnes over de dood van het kommunisme. Deze historische verandering in de wereldsituatie markeerde het definitieve begin van een nieuwe fase in de neergang van het kapitalisme - de fase van ontbinding.

De IKS had eerder in de jaren 1980 de symptomen van ontbinding opgemerkt en in de organisatie was er al een discussie gaande over de implicaties ervan voor de klassestrijd. Echter, het artikel over Mei 68 in Internationale Revue 53 evenals het editoriaal in hetzelfde nummer bewijzen dat de diepere betekenis ervan niet was begrepen.

Het artikel over Mei 68 heeft als tussentitel “20 jaar ontbinding” zonder een verklaring voor de term te geven, terwijl het editoriaal de term alleen toepast op de manifestaties ervan in de imperialistische conflicten - het fenomeen dat toen nog “Libanonisering” werd genoemd, de neiging van hele natiestaten om uiteen te vallen onder het gewicht van steeds irrationelere imperialistische rivaliteiten. Deze onnauwkeurigheden waren waarschijnlijk een afspiegeling van de werkelijke meningsverschillen die eind 1988, op het achtste congres van de IKS, naar voren waren gekomen.

De overheersende stemming op dit congres was er een van over-optimisme en zelfs van een soort euforie. Deels weerspiegelde dit het begrijpelijke enthousiasme dat ontstond door de integratie van twee nieuwe afdelingen van de IKS op het congres, Mexico en India. Maar het kwam vooral tot uiting in bepaalde analyses van de klassestrijd die naar voren werden gebracht: het idee dat de nieuwe burgerlijke misleidingen in een paar maanden tijd afgesleten waren; overdreven hoop op de strijd die toen in Rusland plaatsvond; het idee van een derde golf die steeds verder en hoger oprukte; en bovenal een terughoudendheid om het idee te accepteren dat de klassestrijd, in het licht van de groeiende sociale ontbinding, een “pas op de plaats” leek te maken of stagneerde (wat, gezien de ernst van de inzet, slechts een tendens tot terugtrekking of achteruitgang kon inhouden).

Dit standpunt werd verdedigd door Marc Chirik en een minderheid van kameraden op het congres. Het was gebaseerd op een duidelijk besef dat de ontwikkeling van de ontbinding een soort historische patstelling tussen de klassen tot uitdrukking bracht. De bourgeoisie had de arbeidersklasse geen beslissende historische nederlaag toegebracht en was niet in staat om haar te mobiliseren voor een nieuwe wereldoorlog; maar de arbeidersklasse die, ondanks 20 jaar strijd, de drang naar oorlog had tegengehouden en die inderdaad belangrijke ontwikkelingen in het klassebewustzijn had getoond, was niet in staat geweest om het perspectief van de revolutie te ontwikkelen, om haar eigen politieke alternatief voor de crisis van het systeem te scheppen. Het kapitalisme, dat op geen enkele manier vooruit was gekomen, maar nog steeds verzonken was in een zeer langdurige economische crisis, begon te rotten, en deze verrotting had op alle niveaus gevolgen voor de kapitalistische samenleving[7].

Deze diagnose werd schitterend bevestigd door de ineenstorting van het Oostblok. Aan de ene kant was deze gedenkwaardige gebeurtenis een product van ontbinding. Het benadrukte de diepe impasse van de stalinistische bourgeoisie, die vastzat in een economisch moeras, maar overduidelijk niet in staat was haar arbeiders te mobiliseren voor een militaire oplossing voor het bankroet van haar economie (de strijd in Polen in 1980 had dat duidelijk aangetoond aan de stalinistische heersende klasse).

Tegelijkertijd werden de ernstige politieke tekortkomingen van dit deel van de arbeidersklasse blootgelegd. Het proletariaat van het Russische blok had zeker aangetoond dat het in staat was om te vechten op het defensieve economische terrein, maar - geconfronteerd met een enorme historische gebeurtenis, die zich grotendeels op politiek niveau uitte - was het totaal niet in staat om haar eigen alternatief te bieden en als klasse was het verdronken in de democratische opleving, welke ten onrechte werd omschreven als een reeks van “volksrevoluties”.

Deze gebeurtenissen hebben op hun beurt het proces van ontbinding op wereldschaal drastisch versneld. Dit was het duidelijkst zichtbaar op het imperialistische vlak, waar het snelle uiteenvallen van het oude systeem van de blokken de tendens van "ieder voor zich" de diplomatieke en militaire rivaliteit in toenemende mate deed domineren. Maar dit gold ook voor krachtsverhouding tussen de klassen. In de nasleep van het debacle in het Oostblok, de campagnes van de wereldbourgeoisie over de dood van het kommunisme, over de onmogelijkheid van een alternatief van de arbeidersklasse voor het kapitalisme, werd de capaciteit van de internationale arbeidersklasse - met name in de centrale landen van het systeem - om een politiek perspectief naar voren te brengen, nog meer slagen toegebracht.

De IKS had de gebeurtenissen van 1989-1991 niet voorzien, maar was in staat erop te reageren met een coherente analyse op basis van eerder theoretisch werk. Dit gold zowel voor het begrijpen van de economische factoren die betrokken waren bij de ondergang van het stalinisme[8], als voor het voorspellen van de groeiende chaos die, bij afwezigheid van blokken, nu zou ontketend worden in de sfeer van imperialistische conflicten[9] [9]. En op het niveau van de klassestrijd konden we zien dat het proletariaat nu een bijzonder moeilijke periode doormaakte:

“De vereenzelviging, die systematisch wordt aangebracht tussen stalinisme en communisme, deze leugen die duizendmaal wordt herhaald en nu meer dan ooit, de leugen dat de proletarische revolutie alleen maar in een ramp kan eindigen, zal voor een hele periode invloed hebben op de arbeidersklasse. We moeten dus een tijdelijke teruggang verwachten in het bewustzijn van het proletariaat; de tekenen hiervan zijn nu al te zien in de versterking van de positie van de vakbonden. Terwijl de aanhoudende en steeds sterker wordende brute aanvallen die het kapitalisme wel op het proletariaat moet loslaten, de arbeiders zal dwingen om de strijd aan te gaan, zal dit aanvankelijk niet resulteren in een groter vermogen binnen de klasse om haar bewustzijn te ontwikkelen. Vooral de reformistische ideologie zal de komende tijd zeer zwaar wegen op de strijd, en dit zal de actie van de vakbonden sterk vergemakkelijken.

Gezien het historische belang van de gebeurtenissen die haar veroorzaken, is de huidige teruggang van het proletariaat - hoewel dit de historische koers niet ter discussie stelt – een algemeen perspectief voor de klassenconfrontaties en gaat ze veel dieper dan die gepaard ging met de nederlaag van 1981 in Polen. Dit gezegd hebbende, kunnen we niet van tevoren de breedte of de duur ervan voorzien. Met name zal het ritme van de ineenstorting van het westerse kapitalisme - dat we nu kunnen zien versnellen, met het vooruitzicht van een nieuwe en open recessie - een beslissende factor zijn bij het bepalen van het moment waarop het proletariaat in staat zal zijn om zijn mars naar het revolutionaire bewustzijn voort te zetten.”[10]

Deze passage is zeer duidelijk over de zeer negatieve gevolgen van de ineenstorting van het stalinisme, maar bevat nog steeds een zekere onderschatting van de diepte van de teruggang. De inschatting dat dit “kortstondig” zou zijn, verzwakt reeds de daaruit voortvloeiende uitspraak dat de teruggang “veel dieper zal zijn dan die van de nederlaag van 1981 in Polen”, en dit probleem zou zich in de jaren daarna in onze analyses tot uiting moeten komen, met name in het idee dat bepaalde gevechten in de jaren 1990 - in 1992, en opnieuw in 1998 - het einde van de teruggang inluidden. In werkelijkheid, terugkijkend op de afgelopen drie decennia, kunnen we zeggen dat de teruggang in het klassebewustzijn niet alleen is doorgegaan, maar ook dieper is geworden, met als resultaat een soort geheugenverlies over de verworvenheden en vooruitgang van de periode 1968-1989.

Wat zijn de belangrijkste indicatoren van dit traject?

  • De impact van de economische crisis in het Westen is niet zo eenvoudig geweest als de bovenstaande passage doet voorkomen. De herhaalde stuiptrekkingen van de economie hebben zeker de snoeverijen van de heersende klasse in het begin van de jaren 1990 verzwakt, namelijk dat we met het einde van het Oostblok een periode van onverminderde welvaart zouden ingaan. Maar de bourgeoisie heeft nieuwe vormen van staatskapitalisme en economische manipulatie (getypeerd in het concept van het “neoliberalisme”) kunnen ontwikkelen, die op zijn minst de illusie van groei in stand hielden, terwijl vooral de reële ontwikkeling van de Chinese economie velen ervan overtuigd heeft dat het kapitalisme zich oneindig kan aanpassen en altijd nieuwe manieren kan vinden om zich uit de crisis te bevrijden. 
    En toen de daaraan ten grondslag liggende tegenstellingen weer aan de oppervlakte kwamen, zoals bij de grote financiële crisis van 2008, hebben ze misschien bepaalde proletarische reacties gestimuleerd (bijvoorbeeld in de periode 2010-2013). Maar tegelijkertijd heeft de vorm van deze crisis, een “kredietcrisis” met een enorm verlies van spaarcenten voor miljoenen arbeiders, het moeilijker gemaakt om hierop te reageren op klasseterrein, aangezien de impact ervan meer op individuele huishoudens leek te zijn gericht dan op een geassocieerde klasse[11];
  • De ontbinding ondermijnt dit zelfbewustzijn van het proletariaat als afzonderlijke maatschappelijke kracht op een aantal manieren, wat de atomisering en het individualisme, dat inherent is aan de burgerlijke samenleving, versterkt. We zien dit bijvoorbeeld in de tendens naar de vorming van bendes in de stedelijke centra, die de uitdrukking zijn van zowel een gebrek aan economische vooruitzichten voor een aanzienlijk deel van de proletarische jeugd, als van een wanhopige zoektocht naar een vervangende gemeenschap die uiteindelijk leidt tot moordzuchtige scheidslijnen tussen jongeren op basis van rivaliteit tussen verschillende wijken en woonblokken, tot concurrentie om de lokale drugseconomie, of tot raciale en religieuze verschillen.

Maar de economische politiek van de heersende klasse heeft ook bewust elk gevoel van klasse-identiteit aangevallen - zowel door het afbreken van oude industriële centra van proletarisch verzet als door de invoering van veel meer geatomiseerde vormen van arbeid, zoals in de zogenaamde “gig economie”[12] waar arbeiders routinematig worden behandeld als zelfstandige “ondernemers”.

  • Het toenemend aantal bloedige en chaotische oorlogen, dat deze periode kenmerkt, terwijl de bewering dat het einde van het stalinisme de mensheid een “vredesdividend” zou geven opnieuw botweg wordt ontkracht, biedt geen basis voor een algemene ontwikkeling van het klassebewustzijn zoals bijvoorbeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen het proletariaat van de centrale industrielanden direct werd gemobiliseerd voor de slachting.
  • De bourgeoisie heeft haar les geleerd uit de sociale conflicten uit het verleden, die door de oorlog zijn uitgelokt (inclusief het verzet tegen de Vietnamoorlog) en heeft in de belangrijkste westerse landen haar best gedaan om het gebruik van dienstplichtige legers te vermijden en haar oorlogen in de periferieën van het systeem te voeren, gescheiden van het centrum. Dit heeft niet verhinderd dat deze militaire confrontaties een zeer reële impact hebben op de centrale landen, maar dit heeft vooral vormen aangenomen die het nationalisme en het vertrouwen in de “bescherming” van de staat versterken: de enorme toename van het aantal vluchtelingen dat de oorlogsgebieden ontvlucht, en de acties van terroristische groeperingen die bedoeld zijn om de bevolking van de meest ontwikkelde landen op hun beurt te treffen.[13]
  • Op politiek vlak hebben we, bij gebrek aan een duidelijk proletarisch perspectief, gezien dat verschillende delen van de arbeidersklasse beïnvloed werden door de nepkritiek op het systeem door het populisme enerzijds en het jihadisme anderzijds. En de groeiende invloed van “identiteitspolitiek” onder de meer opgeleide lagen van de arbeidersklasse is een verdere uiting van deze dynamiek: het gebrek aan klasse-identiteit wordt nog verergerd door de tendens tot versnippering in raciale, seksuele en andere identiteiten, waardoor uitsluiting en verdeeldheid worden versterkt, terwijl alleen het proletariaat dat voor zijn eigen belangen vecht, werkelijk inclusief kan zijn.

We moeten de realiteit van al deze moeilijkheden onder ogen zien en de politieke consequenties ervan trekken voor de strijd om de verandering van de maatschappij. Maar hoewel het proletariaat zich niet kan onttrekken aan de harde school van de nederlaag, zijn wij van mening dat de groeiende moeilijkheden en zelfs gedeeltelijke nederlagen nog geen historische nederlaag voor de klasse en de eliminatie van de mogelijkheid van het communisme betekenen.

In de afgelopen tien jaar zijn er een aantal belangrijke bewegingen geweest die deze conclusie ondersteunen. In 2006 zagen we de massale mobilisatie van studerende jongeren in Frankrijk tegen de CPE[14]. Zelfs als de strijd in Frankrijk stevig gecontroleerd werd door de vakbonden, zoals in het meest recente geval[15] riepen de media van de heersende klasse vaak het schrikbeeld op van een “nieuwe Mei 68”, om des te beter de echte lessen van Mei 68 te kunnen verdraaien.

Maar de beweging van 2006 heeft in zekere zin de echte geest van 1968 doen herleven: enerzijds omdat de hoofdrolspelers van de beweging vormen van strijd herontdekten, die in die tijd waren opgedoken, met name algemene vergaderingen waar echte discussies konden plaatsvinden en waar de jonge deelnemers graag de getuigenissen wilden horen van oudere kameraden die aan de gebeurtenissen van 1968 hadden deelgenomen. Maar tegelijkertijd hield deze studentenbeweging, die de vakbonden had voorbijgestreefd, het reële risico in dat de arbeiders op een vergelijkbare “ongecontroleerde” manier zouden worden aangetrokken, precies zoals in Mei 68, en daarom trok de regering de CPE-wet in, welke de opstand in eerste instantie had uitgelokt.

In mei 2006 gingen 23.000 metaalarbeiders in Vigo, in de Spaanse provincie Galicië, in staking tegen een nieuwe arbeidswet voor deze sector, en in plaats van zich op te sluiten in de fabrieken, gingen ze op zoek naar solidariteit bij andere bedrijven, met name de scheepswerven en de Citroën-fabrieken, en organiseerden ze demonstraties in de stad om de hele bevolking samen te brengen, en organiseerden ze vooral dagelijkse openbare algemene vergaderingen die volledig openstonden voor andere arbeiders, werkenden, werklozen en gepensioneerden. Deze proletarische vergaderingen vormden een week lang de longen van een voorbeeldige strijd, totdat de beweging beklemd raakte tussen gewelddadige repressie enerzijds en de onderhandelingsmanoeuvres van de vakbonden en bazen anderzijds.

In 2011 waren we getuige van de golf van sociale revoltes in het Midden-Oosten en Griekenland, met als hoogtepunt de Indignados-beweging in Spanje en de “Occupy” in de VS. Het proletarische element in deze bewegingen varieerde van land tot land, maar was het sterkste in Spanje, waar we de wijdverbreide adoptie zagen van de algemene vergadering; een krachtige internationalistische impuls die de uitingen van solidariteit van deelnemers uit de hele wereld verwelkomde en waar de leuze van “wereldrevolutie” serieus werd genomen, misschien voor het eerst sinds de revolutionaire golf van 1917; een erkenning dat “het systeem verouderd is” en een sterke wil om de mogelijkheid van een nieuwe vorm van maatschappelijke organisatie te bediscussiëren. In de vele geanimeerde discussies, die plaatsvonden in de vergaderingen en commissies over kwesties als moraal, wetenschap en cultuur, en het alomtegenwoordige in vraag stellen van het dogma dat kapitalistische verhoudingen eeuwig zijn - ook hier zagen we de echte geest van Mei 68 vorm krijgen.

Natuurlijk hadden de meeste van deze bewegingen veel zwakheden, die we elders hebben geanalyseerd[16], niet in de laatste plaats de neiging van de deelnemers om zichzelf te beschouwen als “burger” in plaats van als proletariërs, en dus een echte kwetsbaarheid voor de democratische ideologie, waardoor burgerlijke partijen als Syriza in Griekenland en Podemos in Spanje zich konden presenteren als de ware erfgenamen van deze revoltes. En in sommige opzichten is het, zoals bij elke proletarische nederlaag, hoe hoger je klimt, hoe dieper je valt: de neergang van deze bewegingen heeft de algemene teruggang van het klassebewustzijn verder verdiept.

In Egypte, waar de beweging van de pleinen de beweging in Spanje en Griekenland inspireerde, hebben illusies in de democratie de weg bereid voor het herstel van hetzelfde soort autoritaire bewind, dat de oorspronkelijke katalysator vormde van de “Arabische lente”; in Israël, waar massademonstraties ooit de internationalistische leuze “Netanyahu, Mubarak, Assad, dezelfde vijand” naar voren bracht, heeft de wrede militaristische politiek van de regering van Netanyahu nu de overhand gekregen. En het ergste van alles is dat in Spanje veel van de jongeren, die deelnamen aan de Indignados-beweging, naar de absolute impasse van het Catalaanse of Spaanse nationalisme werden getrokken.  

De opkomst van deze nieuwe proletarische generatie in de bewegingen van 2006 en 2011 gaf, bij een minderheid, ook opnieuw aanleiding tot een zoeken naar de kommunistische politiek. Maar de hoop dat dit zou leiden tot een hele nieuwe toestroom van revolutionaire krachten heeft zich, althans op dit moment, nog niet verwezenlijkt. De Kommunistische Linkerzijde blijft grotendeels geïsoleerd en verdeeld; onder de anarchisten, waar enkele interessante nieuwe ontwikkelingen waren begonnen, wordt de zoektocht naar klassestandpunten ondermijnd door de invloed van identiteitspolitiek en zelfs nationalisme. In een derde artikel in deze serie gaan we dieper in op de evolutie van het proletarische politieke kamp en zijn omgeving sinds 1968.

Maar als Mei 68 ons iets leert, dan is het wel dat de arbeidersklasse zich uit de ergste nederlagen weer kan oprichten, terugkeren van de diepste achteruitgang. De momenten van proletarische opstand, die ondanks de oprukkende dreiging van kapitalistische ontbinding, hebben plaatsgevonden, onthullen de mogelijkheid van het ontstaan van bewegingen die, door het perspectief van de revolutie terug te winnen, de vele gevaren die ontbinding met zich meebrengt voor de toekomst van de soort, kunnen voorkomen.

Deze gevaren - de verbreiding van militaire chaos, van de ecologische catastrofe, van honger en ziekte op een ongekende schaal - bewijzen dat revolutie meer dan ooit een noodzaak is voor de mensheid. Het verval en de ontbinding van het kapitalisme vergroten zeker het gevaar dat de objectieve basis voor een nieuwe maatschappij definitief zal worden vernietigd als de ontbinding een bepaald punt overschrijdt. Maar zelfs in zijn laatste fase brengt het kapitalisme nog steeds de krachten voort die gebruikt kunnen worden om het omver te werpen - in de woorden van het Kommunistische Manifest van 1848: “wat de bourgeoisie voortbrengt, is vooral haar eigen doodgraver”. Het kapitalisme, zijn productiemiddelen en communicatiemiddelen zijn mondialer dan ooit - maar het proletariaat is evenzeer internationaler en beter in staat om op wereldvlak onderling te communiceren.

Het kapitalisme is technologisch steeds geavanceerder geworden - maar dan moet het de arbeidersklasse opleiden in het gebruik van zijn wetenschap en technologie, die in een toekomstige maatschappij eerder voor menselijke behoeften dan voor de winst kunnen worden gebruikt. Deze meer geschoolde, internationaal georiënteerde laag van de klasse heeft in de recente sociale beweging steeds opnieuw zijn intrede gedaan, vooral in de centrale landen van het systeem, en zal zeker een sleutelrol spelen in elke toekomstige heropleving van de klassestrijd, net als de nieuwe proletarische legers die door de duizelingwekkende maar verziekte groei van het kapitalisme in Azië en andere eerder “onderontwikkelde” regio's zijn ontstaan. We hebben de laatste uiting van de geest van Mei 68 nog niet gezien.

Amos, juni 2018


[3]20 ans depuis Mai 1968: le mûrissement des conditions de la révolution prolétarienne”,  Revue Internationale, nr. 53, 1988. Het artikel is ondertekend RV, één van de jonge ‘Venezolanen’ die in 1968 hielpen bij de oprichting van Révolution Internationale.

[4] Zie in het bijzonder: “Polemic: Confusion of communist groups over the present period”, International Review, nr. 54, 1988.

[5] Zie in het bijzonder: “The 1950s and 60s: Damen, Bordiga and the passion for communism”, International Review, nr. 158, 2017.

[6] Hiermee wordt Bilan bedoeld, de groep uitgesloten Italiaanse linkscommunisten die probeerde de lessen te trekken uit de strijdgolf van 1917-1923, en vooral met betrekking tot de organisatorische kwestie.

[7] Voor een meer ontwikkelde balans van de strijd van de laatste decennia, die rekening houdt met de tendensen in onze analyse om het onmiddellijke potentieel van de klassenstrijd te overschatten, zie het Rapport over de klassenstrijd van het 21ste Congres van de IKS: “Report on the class struggle”, International Review, nr. 156, 2016.

[8] “Stellingen over de economische en politieke situatie in de landen van het Oostblok”; Internationale Revue, nr. 11, 1983.

[9] Zie in het bijzonder:Oriëntatietekst: Militarisme en ontbinding”, Internationale Revue, nr. 13, 1991.

[10] “Stellingen over de economische en politieke situatie in de landen van het Oostblok”, Internationale Revue, nr. 11, 1983.

[12] De gig-economie is een economie waarin arbeiders géén vast dienstverband hebben, maar werken in de vorm van betaald klussen of kortstondige dienstverbanden, die zowel opeenvolgend als parallel worden uitgevoerd.

[13] Zie punt 16 en 17 in: “22e Congres van de IKS: Resolutie over de internationale situatie”, IKS online, 2018.

[14] Contrat Premier Embauche (CPE), in het Nederlands: contract eerste aanstelling.

Historische gebeurtenissen: 

Geschiedenis van de arbeidersbeweging: 

Rubric: 

Mei 1968