De verborgen erfenis van kapitalistisch links (I) Een valse visie op de arbeidersklasse

Printer-friendly version

Eén van de plagen waar de revolutionaire organisaties van de Kommunistische Linkerzijde mee te kampen hebben, is dat veel van haar militanten eerder door partijen en groepen van Links en Ultra Links van het Kapitaal zijn gegaan (SP, CP, Trotskisme, Maoïsme, officieel anarchisme, het vermeende ‘nieuwe links’ van Syriza of Podemos). Dat is onvermijdelijk, want geen militant wordt geboren met een aangeboren helderheid. Deze stap laat echter een ballast achter die moeilijk te identificeren is : men slaagt er wel in te breken met de politieke standpunten van deze organisaties (syndicalisme, verdediging van de natie en nationalisme, deelname aan verkiezingen, enz.), maar het is veel moeilijker zich te ontdoen van de attitudes, de manier van denken, de manier van debatteren, de gedragingen, de opvattingen, die deze organisaties uitermate injecteren en die hun manier van leven vormen.

Deze erfenis, die wij de verborgen erfenis van de Linkerzijde van het Kapitaal noemen, draagt binnen de revolutionaire organisaties bij tot het uitlokken van spanningen tussen kameraden, wantrouwen, rivaliteit, destructief gedrag, blokkering van het debat, aberrante theoretische standpunten enz., die hen, in combinatie met de druk van de burgerlijke en kleinburgerlijke ideologie, veel schade berokkenen. Het doel van de door ons opgezette reeks is deze zware ballast te identificeren en te bestrijden.

Links van het Kapitaal: kapitalistische politiek in naam van het "socialisme"

Sinds haar eerste congres (1975) heeft de IKS het probleem aangepakt van die organisaties die beweren ‘socialistisch’ te zijn en er een kapitalistische praktijk op nahouden.  Het Platform [1] dat door dat congres werd goedgekeurd, wijst er in punt XIII op: “Het geheel van partijen en groeperingen die, zelfs voorwaardelijk of ‘kritisch’, bepaalde staten of bepaalde fracties van de bourgeoisie verdedigen tegen andere, hetzij in naam van het ‘socialisme’, ‘democratie’, ‘antifascisme’, ‘nationale onafhankelijkheid’, ‘eenheidsfront’ of ‘minste kwaad’; die, op welke manier dan ook, deelnemen aan het burgerlijke spel van verkiezingen, aan de tegen de arbeidersklasse gerichte activiteit van de vakbonden of aan de misleiding van het zelfbeheer, zijn organen van het politieke apparaat van het kapitaal. De belangrijkste  onder hen zijn de ‘socialistische’ en ‘kommunistische’ partijen.

Ons Platform behandelt ook het probleem van de groepen en kleine groeperingen die zich ‘links’ van deze twee grote partijen plaatsen, die vaak ‘opruiende kritiek’ op hen hebben en ‘radicalere’ standpunten innemen: “Het geheel van zogenaamde ‘revolutionaire’ stromingen, zoals het maoïsme, het trotskisme of het traditionele anarchisme behoren tot hetzelfde kamp als hen, het kamp van het kapitaal. Het feit dat zij minder invloed hebben of een radicaler taalgebruik hanteren, doet niets af aan het burgerlijke karakter van hun programma en hun aard, waardoor zij nuttige aanbrengers of vervangers zijn van de grote linkse partijen”.

Om de rol te begrijpen van links en ultralinks van het kapitaal, moeten we bedenken dat met het verval van het kapitalisme, de staat “een steeds machtiger, alomtegenwoordiger en systematischer controle uitoefent over alle aspecten van het sociale leven. Op een schaal die veel groter is dan tijdens het Romeinse of feodale verval, is de staat van het kapitalisme in verval, een monsterlijke, koude en onpersoonlijke machine geworden die uiteindelijk het wezen van de maatschappij heeft verslonden”. (Punt IV van ons Platform). Deze aard is evenzeer van toepassing op openlijk dictatoriale eenpartijstelsels (stalinistische, nazistische, militaire dictaturen) als op democratische Staatsstructuren.

In dit kader zijn de politieke partijen niet de vertegenwoordigers van de verschillende klassen en lagen van de maatschappij, maar de totalitaire instrumenten van de staat om de gehele bevolking en vooral de arbeidersklasse te onderwerpen aan de noden van het nationale kapitaal. Zij komen ook het hoofd ten staan van cliëntelistische netwerken, drukkingsgroepen en invloedssferen, die politiek en economisch handelen vermengen en de voedingsbodem worden voor oncontroleerbare corruptie. In democratische systemen is het politieke apparaat van de kapitalistische staat gestructureerd in twee vleugels : de rechtervleugel, verbonden met de klassieke fracties van de bourgeoisie en belast met de omkadering van de meest achtergestelde sectoren van de bevolking  [2], en de linkervleugel (samen met de vakbonden en een waaier van extreem-linkse organisaties) die hoofdzakelijk gewijd is aan de controle, de verdeling en de vernietiging van het bewustzijn van de arbeidersklasse.

Waarom hebben de voormalige arbeiderspartijen zich omgevormd tot linkse partijen van het kapitaal?

De organisaties die het proletariaat zichzelf geeft zijn niet vrij van degeneratie. De druk van de burgerlijke ideologie tast hen van binnenuit aan en kan hen leiden tot opportunisme dat, indien niet tijdig bestreden, eindigt in verraad en integratie in de kapitalistische staat [3]. Het opportunisme neemt de beslissende stap bij doorslaggevende historische feiten van het kapitalistische sociale leven: de twee sleutelmomenten waren tot nu toe de Imperialistische Wereldoorlog en de Proletarische Revolutie. In het IKS-platform proberen we het proces uit te leggen dat tot die fatale stap heeft geleid: “de socialistische partijen, die aangevreten worden door reformisme en opportunisme, werden er naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog toe gebracht zich eerst aan te passen aan de politiek van nationale verdediging en zich vervolgens openlijk te verzetten tegen de naoorlogse revolutionaire golf en uiteindelijk zo ver te gaan om zelf de rol te spelen van beulen van het proletariaat zoals in Duitsland in 1919. De definitieve integratie van elk van deze partijen in hun respectieve nationale staten vond op verschillende tijdstippen plaats in de periode na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar dit proces werd definitief beëindigd in het begin van de jaren 1920, toen de laatste proletarische stromingen werden geëlimineerd of hun gelederen verlieten om zich aan te sluiten bij de Kommunistische Internationale. Op dezelfde manier zijn de communistische partijen op hun beurt overgegaan naar het kamp van het kapitalisme na een vergelijkbaar proces van opportunistische ontaarding. Dit proces, dat begon aan het begin van de jaren twintig, zette zich voort na de dood van de Kommunistische Internationale (in 1928 gekenmerkt door de aanvaarding van de theorie van het ‘socialisme in één land’) totdat het, ondanks de felle strijd van haar linkse fracties, eindigde in een volledige integratie in de kapitalistische staat aan het begin van de jaren dertig met hun deelname aan de bewapeningsinspanningen van hun respectieve bourgeoisie en hun toetreding tot de ‘Volksfronten’. Hun actieve deelname aan het ‘verzet’ tijdens de Tweede Wereldoorlog en later aan de ‘nationale wederopbouw’ na het einde daarvan, heeft hen bevestigd als trouwe dienaren van het nationale kapitaal en als de zuiverste belichaming van de contrarevolutie”.

In een tijdsbestek van 25 jaar - tussen 1914 en 1939 - verloor de arbeidersklasse eerst de socialistische partijen, daarna, in de jaren 1920, de kommunistische partijen en tenslotte, vanaf 1939, de groepen van Trotski's Linkse Oppositie die de nog brutalere barbarij van de Tweede Wereldoorlog steunden. “In 1938 wierp de Linkse Oppositie zichzelf op als de Vierde Internationale. Het was een opportunistisch avontuur omdat het niet mogelijk is een wereldpartij te vormen in een situatie van opmars naar de imperialistische oorlog en dus van een diepe nederlaag van het proletariaat. De resultaten waren rampzalig : in 1939-40 namen de groepen van de zogenaamde Vierde Internationale een standpunt in ten gunste van de wereldoorlog onder de meest uiteenlopende voorwendsels : de meerderheid steunde het Russische ‘socialistische vaderland’, maar er was zelfs een minderheid die het Frankrijk van Pétain steunde (een satelliet van de nazi's). Tegen deze degeneratie van de trotskistische organisaties reageerden de laatst overgebleven internationalistische kernen: vooral Trotski’s metgezellin en de revolutionair van Spaanse afkomst Munis. Sindsdien zijn de trotskistische organisaties ‘radicale’ fracties van het Kapitaal geworden, die het proletariaat proberen te misleiden via allerlei ‘revolutionaire doelstellingen’, die meestal overeenkomen met ‘anti-imperialistische’ fracties van de bourgeoisie (zoals tegenwoordig de beroemde sergeant Chavez). Op dezelfde manier winnen zij de arbeiders terug die walgen van de verkiezingsklucht door hen ‘kritisch’ te laten stemmen op de ‘socialisten’ om op die manier ‘de weg naar rechts af te sluiten’. Tenslotte hopen zij de vakbonden ‘terug te winnen’ via ‘strijdbare kandidaten’.” [4]

De arbeidersklasse is in staat linkse fracties voort te brengen binnen de proletarische partijen, wanneer deze beginnen aangetast te worden door de opportunistische ziekte. Zo kwamen binnen de partijen van de 2e Internationale de bolsjewieken, de stroming van Rosa Luxemburg, het Nederlandse tribunisme, de Italiaanse intransigenten, enz. op de voorgrond. De geschiedenis van de strijd van deze fracties is voldoende bekend, aangezien hun teksten en bijdragen zouden uitkristalliseren in de vorming van de Derde Internationale. De proletarische reactie op de moeilijkheden, fouten en latere ontaarding van de Derde Internationale kwam reeds vanaf 1919 tot uiting in de Kommunistische Linkerzijde (Italiaanse, Nederlandse, Duitse, Russische, enz.) die - met veel moeilijkheden en helaas zeer versnipperd - een heldhaftige en consequente strijd voerde. Trotski's Linkse Oppositie ontstond pas later en op een veel onsamenhangender manier. In de jaren dertig werd de kloof tussen de Kommunistische Linkerzijde - met name haar meest consequente groep, ‘Bilan’, exponent van de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde - en Trotski's Oppositie steeds duidelijker. Terwijl ‘Bilan’ in staat was de plaatselijke imperialistische oorlogen te zien als uitingen van een koers in de richting van de imperialistische wereldoorlog, raakte de Oppositie verstrikt in gebazel over de nationale bevrijding en het progressieve karakter van het anti-fascisme. Terwijl ‘Bilan’ in staat was de ideologische werving voor de imperialistische oorlog en het belang van het kapitaal te zien achter de mobilisatie van de Spaanse arbeiders voor de oorlog tussen Franco en de Republiek, zag Trotsky in de stakingen van juli 1936 in Frankrijk en in de anti-fascistische strijd in Spanje het begin van de revolutie... Hoewel ‘Bilan’ nog niet duidelijk was over de juiste aard van de USSR, het heel duidelijk was over het feit dat deze op geen enkele manier kon worden gesteund en dat de USSR een actieve factor was van de oorlog die werd voorbereid. Aan de andere kant zette Trotski met zijn speculaties over de USSR als een ‘ontaarde arbeidersstaat’, de deur open via de steun aan de USSR voor deelname aan het tweede wereldwijde bloedbad van 1939-45.

De rol van extreem links van het kapitaal tegen de heropleving van de arbeidersstrijd in 1968

Sinds 1968 is de proletarische strijd over de hele wereld herboren. De Franse Mei, de Italiaanse Hete Herfst, de Argentijnse Cordobazo, de Poolse Oktober enz. waren uitingen van deze krachtige strijd. Uit deze strijd kwam een nieuwe revolutionaire generatie voort. Overal ontstonden vele arbeidersminderheden en dit alles vertegenwoordigde een fundamentele kracht voor het proletariaat. Het is echter belangrijk te wijzen op de rol van vernietiging van deze minderheden, die gespeeld werd door de extreem-linkse groepen van het kapitaal. Het Trotskisme waarover wij reeds spraken, het officiële anarchisme [5] en, tenslotte, het Maoïsme. Wat dit laatste betreft, moet erop worden gewezen dat het nooit een proletarische stroming is geweest. De Maoïstische groepen zijn ontstaan uit de imperialistische twisten en invloedsoorlogen tussen Peking en Moskou die leidden tot de breuk tussen de twee staten en de toenadering van Peking tot het VS-imperialisme in 1972.

Naar schatting waren er in 1970 meer dan honderdduizend militanten in de wereld die zich, zij het met enorme verwarring, uitspraken voor de revolutie, tegen de traditionele linkse partijen (SP, CP), tegen de imperialistische oorlog en die op zoek waren naar manieren om de proletarische strijd in wording te bevorderen. Een immense meerderheid van dat belangrijke contingent werd teruggewonnen door die constellatie van extreem linkse groepen. De serie die wij schrijven zal nauwgezet alle mechanismen doornemen waardoor zij dat herstel hebben bewerkstelligd. Wij zullen het niet alleen hebben over het kapitalistische programma, verpakt in radicale en arbeidersvaandels, maar ook over de organisatorische methoden, van debat, van functioneren, van moraal, die zij gebruikten. Hun optreden is vast en zeker van groot belang geweest voor de vernietiging van het potentieel van de arbeidersklasse om een brede voorhoede op te bouwen voor haar strijd. De potentiële militanten werden afgeleid in de richting van activisme en onmiddellijke doelen, gekanaliseerd in een steriele strijd binnen de vakbonden, de gemeenten, de verkiezingscampagnes, enz.

De resultaten spraken voor zichzelf:

- De meerderheid verliet de strijd diep teleurgesteld en verviel in scepsis over de arbeidersstrijd en de mogelijkheid van het kommunisme; een niet onaanzienlijk deel van deze sector verviel in drugs, drank en de meest absolute wanhoop;

- Een minderheid bleef over als kaderleden van vakbonden en linkse partijen, die een sceptische en demoraliserende kijk op de arbeidersklasse propageerden;

- Een andere minderheid, die cynischer was, maakte carrière in vakbonden en linkse partijen, hoewel een deel van deze ‘winnaars’ ook deel ging uitmaken van de rechtse partijen [6].

De kommunistische militanten zijn een vitale troef voor het proletariaat en het is een centrale taak van de huidige groepen van de Kommunistische Linkerzijde die vandaag de dag de erfgenamen zijn van het traject van ‘Bilan’, ‘Internationalisme’, enz., om alle lessen te trekken uit het proces dat het proletariaat toen onderging tijdens zijn historisch ontwaken van 1968 en dat die enorme aderlating van militante krachten mogelijk maakte.

Een verkeerd beeld van de arbeidersklasse

Om hun vuile werk van inkapseling, verdeeldheid en verwarring uit te voeren, propageren de linkse en ultra linkse partijen een valse visie op de arbeidersklasse. Dit dringt door tot de kommunistische militanten en misvormt hun denken, hun gedrag en hun aanpak. Het is dan ook van vitaal belang deze te identificeren en te bestrijden.

Een som van individuele burgers

Voor links en ultralinks vormen de arbeiders geen sociale klasse die tegen het kapitalisme gekant is, maar een som van individuen. Zij zijn het ‘lagere’ deel van de ‘burgerdom’. Als zodanig moeten individuele werkers streven naar een ‘stabiele situatie’, naar een ‘billijke prijs’ voor hun werk, naar een ‘eerbiediging van hun rechten’, enz. Zo kan links iets essentieels verhullen: de arbeidersklasse is een onmisbare klasse voor de kapitalistische maatschappij omdat deze laatste zonder de bijbehorende arbeid niet kan functioneren, maar tegelijkertijd is zij ook een klasse die uitgesloten is van de maatschappij, vreemd aan al haar regels en levensnormen, en daarom is zij een klasse die zich alleen als zodanig kan verwezenlijken door de kapitalistische maatschappij van kop tot teen af te schaffen. In plaats van deze realiteit verschijnt het idee van een ‘geïntegreerde’ klasse, die door hervormingen en deelname aan de instellingen haar belangen zou kunnen bevredigen.

Vervolgens lost deze visie de arbeidersklasse op in de amorfe en interklassistische massa van ‘het burgerdom’. In zo'n magma lijkt de arbeider gelijk aan de kleinburger die hem oplicht, de politieman die hem onderdrukt, de rechter die hem tot uitzetting veroordeelt, de politicus die hem bedriegt en zelfs de ‘progressieve bourgeois’. De noties van sociale klasse en klasse-tegenstellingen verdwijnen om plaats te maken voor de notie van burgers van de natie, de valse ‘nationale gemeenschap’. Zodra het begrip klasse uit de hoofden van de arbeiders is gewist, verdwijnt ook het fundamentele begrip historische klasse. Het proletariaat is een historische klasse die, los van de situatie van haar verschillende generaties of haar verschillende geografische sectoren, een revolutionaire toekomst in handen heeft, namelijk de vestiging van een nieuwe maatschappij die de tegenstrijdigheden overwint en oplost die het kapitalisme naar de vernietiging van de mensheid leiden.

Door de vitale en wetenschappelijke noties van klasse, klasse-tegenstelling en historische klasse weg te vagen, stellen links en ultralinks van het kapitaal de revolutie voor als een vrome wens die moet worden overgelaten in de ‘deskundige’ handen van politici en partijen. Zij introduceren de notie van delegatie van macht, een concept dat volkomen geldig is voor de bourgeoisie, maar absoluut vernietigend voor het proletariaat. De bourgeoisie, de uitbuitende klasse die de economische macht in handen heeft, kan inderdaad het beheer van haar zaken toevertrouwen aan een gespecialiseerde politieke staf die een bureaucratische laag vormt met haar eigen belangen binnen het kader van het nationale kapitaal. Dat is niet hetzelfde voor het proletariaat, dat tegelijk een uitgebuite en revolutionaire klasse is, die geen economische macht heeft, maar waarvan zijn bewustzijn, zijn eenheid en solidariteit, zijn zelfvertrouwen de enige kracht zijn, met andere woorden factoren die radicaal vernietigd worden als het steunt op een gespecialiseerde laag van intellectuelen en politici.

Gewapend met deze overheveling verdedigen de linkse en ultralinkse partijen de deelname aan de verkiezingen als een middel om ‘de weg naar rechts af te sluiten’. Dat wil zeggen dat zij in de gelederen van de arbeiders de zelfstandige actie als klasse tenietdoen om hen om te vormen tot een massa van stemgerechtigde burgers, een geïndividualiseerde massa, ieder opgesloten in de ‘eigen belangen’. Zo worden de eenheid en de zelforganisatie van het proletariaat vermorzeld. Tenslotte vragen de linkse en ultralinkse partijen het proletariaat om zijn lot in handen van de staat te leggen om ‘een nieuwe samenleving tot stand te brengen’. Zij hebben het lef om de kapitalistische beul, de staat, voor te stellen als een ‘vriend van de arbeiders’.

Een massa mislukkelingen, verzonken in een vulgair materialisme

Links en de vakbondsmensen verkondigen een vulgair materialistische visie op de arbeiders. Volgens hen zijn de arbeiders individuen die alleen maar denken aan hun gezin, aan hun comfort, aan het hebben van de beste auto, het meest luxueuze huis; verzwolgen door dit consumentisme hebben zij ‘geen ideaal’ van strijd, zij blijven liever thuis om voetbal te kijken of met hun vrienden op café te gaan. Met veel muggenziften beweren zij dat de arbeiders tot aan hun nek in de schulden zitten om hun consumptiegrillen te betalen en dat zij daarom niet in staat zijn tot enige strijd [7]. Met dit moraliseren stellen zij de arbeidersstrijd voor als een voluntaristisch ideaal en niet als een materiële noodzaak. Het communisme, het einddoel van de arbeidersklasse, is een materiële noodzaak als antwoord op de onoplosbare tegenstellingen van het kapitalisme [8]. Zij scheiden de eisenstrijd van de revolutionaire strijd en stellen ze tegenover elkaar, terwijl er een eenheid tussen beide bestaat, omdat de strijd van de arbeidersklasse, zoals Engels zei, een economische, politieke en ideologische eenheid vormt.

Het ontnemen van die eenheid aan onze klasse leidt tot de idealistische visie van een ‘vuile’ en ‘materialistische’ strijd voor economische behoeften en een ‘glorieuze’ en ‘morele’ strijd voor de ‘revolutie’. Dit werkt zeer demoraliserend op de arbeiders, die zich beschaamd en schuldig voelen over het feit dat zij zich bekommeren om hun levensnoden, hun kinderen en hun medemensen, dat zij armzalige individuen zijn die alleen maar om geld zouden geven. Met deze valse benaderingen, die ontleend zijn aan de cynische en schijnheilige visie van de katholieke kerk, ondermijnen links en ultralinks van binnenuit het zelfvertrouwen van de arbeiders als klasse en proberen zij hen voor te stellen als het ‘laagste’ deel van de samenleving. Daarmee sluiten zij zich aan bij de dominante ideologie die de arbeidersklasse voorstelt als de klasse van de mislukkelingen. Het beroemde ‘gezonde verstand’ zegt dat een arbeider een individu is dat, als hij arbeider is gebleven, dat is omdat hij nergens anders goed voor is of niet hard genoeg heeft gevochten om hogerop te komen op de sociale ladder. De arbeiders zouden lui zijn, geen aspiraties hebben, het zijn de sukkels....

Het is echt de wereld op zijn kop! De sociale klasse die de voornaamste rijkdom van de maatschappij voortbrengt door de bijbehorende arbeid, zou bestaan uit de slechtsten van deze maatschappij. Aangezien het proletariaat het grootste deel van de samenleving uitmaakt, zou het hoofdzakelijk bestaan uit luie, onsuccesvolle, cultuurloze en ongemotiveerde individuen. De bourgeoisie buit het proletariaat niet alleen uit, maar drijft er ook de spot mee. De sociale klasse, die een minderheid vormt en leeft van de inspanningen van miljoenen mensen, heeft de brutaliteit om deze mensen als lakse, mislukte, nutteloze en aspiratieloze individuen te beschouwen. De sociale werkelijkheid ziet er radicaal anders uit: in het wereldwijd geassocieerde werk van het proletariaat worden culturele en wetenschappelijke elementen ontwikkeld, en tegelijkertijd diep menselijke banden, solidariteit, vertrouwen, kritische geest. Zij zijn de kracht die de samenleving stil en geruisloos in beweging brengt, de bron van de ontwikkeling van de productiekrachten.

Het proletariaat wordt voorgesteld als een anonieme, saaie en zwijgende massa. Deze voorstelling is de vrucht van een tegenstrijdigheid waarvan het proletariaat het slachtoffer is als een gelijktijdig uitgebuite en revolutionaire klasse. Enerzijds vormt zij de klasse van arbeiders op wereldvlak en als zodanig brengt zij de tandwielen van de kapitalistische productie in beweging en heeft zij de krachten en capaciteiten in handen om de maatschappij radicaal te veranderen. Maar anderzijds verpletteren de concurrentie, de warenproductie, het dagelijkse leven van de maatschappij waar verdeeldheid en allen tegen allen heersen, haar als een som van individuen, ieder hulpeloos, met een gevoel van mislukking en schuldbesef, afgescheiden van de anderen, geatomiseerd en gedwongen om alleen voor zichzelf te vechten. Links en ultralinks van het kapitaal willen, in overeenstemming met de bourgeois ideologie, dat wij alleen deze amorfe massa van geatomiseerde individuen zien. Daarmee dienen zij het kapitaal en de staat in hun taak om de arbeidersklasse te demoraliseren en uit te sluiten van elk sociaal perspectief.

Hier zien we wat we in het begin zeiden: de opvatting van het proletariaat als een som van individuen. Het proletariaat is echter een klasse en gedraagt zich als zodanig telkens wanneer het er met een consequente en autonome strijd in slaagt zich los te maken uit de ketenen die het onderdrukken en atomiseren. We zien dan niet alleen een klasse in actie, maar we zien ook elk van haar onderdelen getransformeerd tot wezens die handelen, strijden, denken, initiatieven nemen en creativiteit ontwikkelen. Dit is gebleken tijdens de grote momenten van klassenstrijd, zoals bijvoorbeeld de Russische revoluties van 1905 en 1917. Zoals Rosa Luxemburg in Massastaking, Partij en Vakbonden zeer goed heeft opgemerkt, “in de storm van de revolutionaire periode wordt de proletariër zelf getransformeerd; hij houdt op een vooruitziende huisvader te zijn en wordt een ‘romantische revolutionair’, voor wie zelfs het hoogste goed, het leven zelf, om nog maar te zwijgen van het materiële welzijn, heel weinig betekent in vergelijking met de idealen van de strijd”. Als één klasse wordt de individuele kracht van elke arbeider bevrijd en ontketend, zijn menselijk potentieel wordt ontwikkeld. Als een som van individuen worden de capaciteiten van elk van hen vernietigd, verdund, verkwist voor de mensheid. Het is de taak van links en ultralinks van het kapitaal om de arbeiders vast te klitten aan de ketenen van het burgerschap, dat wil zeggen, als een som van individuen.

Een klasse met een  klok die stilgevallen is bij de tactiek uit de 19e eeuw

In het algemeen kon de arbeidersklasse tijdens de opkomst van het kapitalisme, en meer bepaald in zijn hoogtijdagen (1870-1914), strijden voor verbeteringen en hervormingen binnen het kader van het kapitalisme, zonder onmiddellijk te denken aan de revolutionaire vernietiging ervan. Daaraan beantwoordde enerzijds de oprichting van grote massaorganisaties (socialistische partijen, vakbonden, coöperaties, arbeidersuniversiteiten, vrouwen- en jongerenverenigingen, enz.) en anderzijds strijdtactieken die deelname aan verkiezingen, drukkingsacties, door de vakbonden geplande stakingen, enz. omvatten.

In het begin van de 20e eeuw begonnen deze methoden steeds meer tekort te schieten. In de revolutionaire gelederen ontstond een breed debat tussen enerzijds Kautsky, een aanhanger van deze methoden, en anderzijds Rosa Luxemburg  [9] die, lering trekkend uit de Russische revolutie van 1905 [10], duidelijk aantoonde dat de arbeidersklasse zich oriënteerde op nieuwe strijdmethoden die overeenkwamen met de nieuwe situatie die op komst was: een tijdperk van veralgemeende oorlogen, kapitalistische crisis etc., dat wil zeggen, de intrede van het kapitalisme in zijn tijdperk van verval. De nieuwe strijdmethoden waren gebaseerd op massale directe actie, op de zelforganisatie van het proletariaat in algemene vergaderingen en arbeidersraden, op de afschaffing van de oude verdeling tussen het minimum- en het maximumprogramma. Deze methoden botsten frontaal met het syndicalisme,  de hervormingen, de verkiezingsdeelname en de parlementaire weg.

Links en ultralinks van het kapitaal richten hun politiek op het opsluiten van de arbeidersklasse in die oude methoden die vandaag de dag radicaal onverenigbaar zijn met de verdediging van haar belangen, zowel op onmiddellijk als op historisch vlak. Zij hebben zelfgenoegzaam de klok van de geschiedenis stilgezet in de ‘gouden’ jaren van 1890 tot 1910 met al hun steeds meer demobiliserende routine van verkiezingsdeelnames, vakbondsacties, het passief bijwonen van ‘Partij’-manifestaties, van tevoren geprogrammeerde demonstraties enz, een routine die van de arbeiders ‘goed werkende burgers’ maakt, dat wil zeggen passieve en geatomiseerde wezens die zich gedisciplineerd onderwerpen aan alles wat het kapitaal nodig heeft: hard werken, elke vier jaar stemmen, hun schoenen verslijten in de vakbondsdemonstraties en zonder tegensputteren de zelfbenoemde leiders volgen.

Dit beleid wordt schaamteloos verdedigd door de socialistische en communistische partijen, terwijl hun ‘meer linkse’ aanhangsels het reproduceren met ‘kritische’ accenten en ‘radicale’ boventonen. Beiden verdedigen een visie van de arbeidersklasse als een klasse voor het kapitaal, die zich moet onderwerpen aan al zijn vereisten en zich tevreden moet stellen met enkele vermeende kruimels die het van tijd tot tijd van zijn gouden tafel laat vallen.

C. Mir / 18.12.2017 

 


[2] De klassieke rechtse partijen (conservatieven, liberalen, centrum, progressieven, democraten, radicalen) vullen hun controle over de samenleving aan met extreem rechtse partijen (fascisten, neonazi's, rechtspopulisten, enz.). De aard van dit laatste is complexer, zie Bijdrage over het probleem van het populisme, https://nl.internationalism.org/iksonline/201701/1357/over-de-kwestie-van-het-populisme

[3] Voor een studie over hoe het opportunisme binnendringt en hoe het het proletarische leven van de organisatie vernietigt, met alle nare gevolgen van dien, zie Hoe het Duitse socialisme uiteindelijk de arbeiders verraadde, https://nl.internationalism.org/internationalerevue/201511/1294/1914-hoe-de-duitse-sociaal-democratie-de-arbeiders-verraadde

[5] We hebben het hier niet over de minderheidsgroeperingen van het internationalistisch anarchisme, dat ondanks zijn verwarring aanspraak maakt op veel standpunten van de arbeidersklasse en zich duidelijk heeft gemanifesteerd tegen de imperialistische oorlog en voor de proletarische revolutie.

[6] Voorbeelden in overvloed. José Manuel Barroso, voormalig voorzitter van de Europese Unie, was in zijn jeugd Maoïst. Daniel Cohn Bendit, voormalig lid van het Europees Parlement voor de Groenen in was in Mei ’68 voorzitter van de 22 Maart beweging; Lionel Jospin, voormalig Eerste Minister van Frankrijk, was een trotskist in zijn jeugd....

[7]  Men moet erkennen dat het consumentisme - dat sinds de jaren 1920 in de Verenigde Staten is opgekomen en zich na de Tweede Wereldoorlog heeft uitgebreid naar andere geïndustrialiseerde landen - heeft bijgedragen tot de ondermijning van de wraakzuchtige visie in de rangen van de arbeidersklasse, omdat de behoeften die iedere arbeider heeft om te leven zijn vervormd door de consumentistische inslag, waardoor ze zijn veranderd in een individuele zaak waarin ‘alles kan worden verkregen door krediet’.

[8] Zie onze serie Kommunisme is geen mooi ideaal maar een materiële noodzaak. https://nl.internationalism.org/content/het-kommunisme-geen-mooi-ideaal-maar

[9] Zie het boek Debat over de massastaking, 2 delen, (Spaanse uitgave). Ver el libro Debate sobre la huelga de masas, 2 tomos, Editorial Pasado y Presente.

[10] Zie haar klassieke werk: Massastaking, Partij en Vakbonden, https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1906/massastaking/index.htm

 

Rubric: 

Kapitalistisch links