De Februaristaking van 1941 in Nederland

Printer-friendly version

Welk verzet kan de arbeidersklasse plegen tegen de aanvallen van staten of rechtse groepen tegen buitenlanders of afzonderlijke etnische groepen? Op welke grondslag strijdt de arbeidersklasse tegen racistische pogroms – op een nationalistische of op een internationalistische? Over welke middelen beschikt de arbeidersklasse om zich als klasse te weer te stellen tegen dergelijke aanvallen? Hoe komen revolutionairen tussen in zo'n situatie? Dat de arbeidersklasse niet in het minst veroordeeld is tot hulpeloosheid of dadeloos moet toekijken bewijzen de reacties van de arbeiders in Nederland in de winter van 1941, exact 80 jaar geleden.

Midden tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland door Duitse troepen werd bezet, toen het Duitse kapitaal dwangarbeiders voor de fabrieken naar Duitsland afvoerde en begon met repressiemaatregelen en met het wegvoeren van Joden naar de concentratiekampen ontwikkelden de arbeiders in Nederland een klasseverzet dat voor ons momenteel veel lessen biedt.

We drukken hier een uittreksel af uit het boek De Hollands-Duitse Linkerzijde dat de IKS in het Frans en het Engels uitgegeven heeft. Het werd reeds gepubliceerd in Wereldrevolutie 94 in 2001. Daarin wordt de invloed van het Nederlandse ‘Marx-Lenin-Luxemburg-Front’ (MLL) behandeld dat na de Duitse bezetting als ondergrondse organisatie van links-kommunisten werd opgericht door enkele honderden leden. We kunnen hier niet nader op de geschiedenis van deze groep ingaan en verwijzen voor een uitvoeriger overzicht naar Hoofdstuk 10 van de Engelse uitgave van het boek over de Hollands-Duitse Linkerzijde.

De Februaristaking vond evenzeer zijn oorzaak in de Jodenvervolging door de Duitse autoriteiten als in de groeiende onvrede onder de Nederlandse arbeiders die te lijden hadden onder grote materiële ellende en deportatie naar de fabrieken van het Reich.

Sinds het einde van 1940 had de Rijkscommissaris, Seyss-Inquart antisemitische maatregelen genomen, daarbij gesteund door de NSB (Nationaal Socialistische Beweging) van Mussert, een kleine Nederlandse nazipartij. Iedere bevordering voor Nederlandse ambtenaren van Joodse oorsprong werd verboden; werk bij de overheid werd voor Joden verboden. Deze maatregelen hadden al tot stakingen bij studenten in Delft en Leiden geleid. Desondanks gingen de bezettende autoriteiten en Nederlandse nazi's door met hun vervolging van de bijzonder talrijke Joodse bevolking in Amsterdam. De toegang tot cafés en bioscopen werd hen ontzegd en vanaf januari 1941 moesten zij zich laten inschrijven in een speciaal register.

De protestbeweging tegen het antisemitisme – dat het geheel van de Nederlandse bevolking choqueerde – werd in begin vooral door studenten gedragen. Zij drukten hun vijandigheid uit ten opzichte van het antisemitisme vanuit een nationalistische gezindheid en manifesteerden op 31 januari in scholen en op straat om de verjaardag van prinses Beatrix te vieren die zich in ballingschap in Londen bevond. Het bombardement op Rotterdam in juni 1940, dat het leven had gekost van 30.000 mensen, en de beperkingen in de voedseldistributie hadden sterke anti-Duitse gevoelens in de bevolking teweeggebracht.

Voor het MLL-front was het buitengewoon belangrijk dat de gewettigde vijandigheid tegenover het antisemitisme niet leidde tot een uitbarsting van Nederlandse nationalistische en pro-Engelse gevoelens. De strijd tegen het antisemitisme vormde in haar opvatting een onderdeel van de algemene strijd tegen heel het kapitalistische systeem. In zijn tussenkomst riep het MLL-Front op tot boycot van de instellingen die zich vijandig tegen Joden opstelden, hoewel ze zich er van bewust was dat een algemene boycot nauwelijks te verwezenlijken was. Ze hoedde ervoor dat de strijd enkel tegen het antisemitisme was gericht en riep de Joden op tot strijd voor het socialisme; ze herinnerde eraan dat de bevrijding van de Joden slechts onder het socialisme mogelijk zou zijn en stelde het zionisme aan de kaak als een gevaarlijk streven naar een nationale staat binnen de kapitalistische wereld.

Tegelijk met de ontwikkeling van een diepe vijandigheid tegenover de toenemende antisemitische maatregelen nam ook de onvrede onder de arbeiders toe. Vooral de werkloosheid kwam hard aan: in Amsterdam waren er in augustus 1939 40.000 werklozen, in juli 1940 60.000, net als in de ergste jaren van de wereldhandelscrisis. De werkloosheid trof bijna 300.000 arbeiders over heel Nederland. In een jaar waren de levensmiddelenprijzen gestegen met meer dan 36%, wat de heersende nood nog vergrootte. De werkloze arbeiders werden onderworpen aan het systeem van werkverschaffing. Tegen een hongerloon moesten ze land ontginnen en dijken versterken. In oktober 1940 reisden alleen al uit Amsterdam dagelijks zo'n 11.000 arbeiders met de trein van en naar de provincie Utrecht. Vanaf november komt het tot betogingen en relletjes. In Amsterdam zijn er heel de maand januari kleine betogingen van arbeiders in de Werkverschaffing en van werklozen bij gemeentelijke arbeidsbureaus en het stadhuis. Telkens worden die door de Nederlandse politie uit elkaar gedreven.

Tegelijkertijd beginnen de eerste deportaties van arbeiders naar Duitsland, met hulp van de Nederlandse autoriteiten, vooral van het gemeentelijke Amsterdamse arbeidsbureau: 7.000 in oktober 1940. In januari 1941 moesten op bevel van de Duitse marine 3.000 arbeiders naar Duitsland worden gestuurd op straffe van het concentratiekamp. Het ging om geschoolde arbeiders uit de metaalindustrie en de scheepsbouw. Midden februari veroorzaakt dat grote opwinding onder de arbeiders van de scheepswerven.

In deze steeds meer gespannen sociale atmosfeer namen de Duitse autoriteiten steeds hardere antisemitische maatregelen. De aanvallen van Nederlandse en Duitse nazi's op de joodse buurt in het centrum van Amsterdam slaan vanaf december om in pogroms. In die situatie werd een groep nazi's aangevallen door joodse en niet-joodse arbeiders die uit andere arbeidersbuurten kwamen. Bij het gevecht komt een Nederlandse nationaalsocialist om het leven. Op 12 februari sloten de Duitse gezaghebbers heel de joodse buurt af. Joodse persoonlijkheden werden opgeroepen om een Joodse Raad te vormen die verantwoordelijk zou zijn voor het 'handhaven van de orde' en die belast werd met het inleveren van de wapens. Maar de bevolking had geen wapens en het zoeken bleef vruchteloos. Deze eis vormde slechts een voorwendsel om de buurt in een getto om te vormen en de huizen te doorzoeken.

Op 17 februari namen 2.000 arbeiders van de scheepswerven het initiatief tot een staking uit solidariteit met hun 128 collega's die verplicht waren om in Duitsland te gaan werken. De Duitse autoriteiten zwichtten en de arbeiders behaalden een morele overwinning die later een belangrijke rol zou spelen in de veralgemening van de staking.

Na een incident waarbij de eigenaars van een Joods café de aanval van de Duitse politie (Grüne Polizei) hadden afgeslagen hielden de autoriteiten in het weekeinde van 22 en 23 februari meer dan 400 Joden aan. Kort tijd later werden ze naar Buchenwald afgevoerd. Het machtsvertoon van SS-mitrailleurs veroorzaakte grote onrust en woede onder de arbeiders van Amsterdam.

Op 25 februari brak de staking spontaan uit in de bedrijven van de stad. Er werden betogingen gehouden met slogans als: ‘Weg met de pogroms tegen de Joden!’. Op 26 februari veralgemeende de massastaking zich in Den Haag, Rotterdam, Groningen, Utrecht, Hilversum, Haarlem en nog een aantal andere steden. De staking breidde zich zelfs uit in België.

De maatregelen ter onderdrukking die de Duitse autoriteiten namen zouden gruwelijk zijn: het binnentrekken van SS-bataljons in de stakende steden met de opdracht om te schieten op de betogers; krijgsrecht, massale arrestaties, verplichting voor de werkgevers om de arbeiders de twee stakingsdagen niet uit te betalen. De stakingsbeweging was gebroken. De executie van stakers begon. De massadeportaties van Joden werden voortgezet om in juni 1942 nog te worden opgevoerd. Aan het einde van de oorlog hadden van een gemeenschap van 120.000 personen alleen de 20.000 het overleefd die de verstandige keus hadden gemaakt om onder te duiken, met valse papieren.

Het staat vast dat de Communistische Partij Nederland (CPN), die twee maanden na het begin van de Bezetting op 20 juli 1940 verboden werd, een grote rol heeft gespeeld bij het uitbreken van de staking. Maar ze werd overrompeld door de snelheid waarmee deze zich uitbreidde. De uitbreiding buiten Amsterdam verliep buiten haar toedoen en spontaan. Toen de CPN opriep tot een algemene staking in het hele land voor 6 maart werd die oproep door de arbeiders in de wind geslagen. De staking had een massaal karakter aangenomen, in omvang vergelijkbaar met de grote staking van 1903. Het aspect van spontane massastaking, verschillend van een algemene staking, zou niet zonder uitwerking blijven op het MLL-Front, dat steeds meer Luxemburgistische standpunten verdedigde.

Hoewel het was teruggebracht tot een kleine organisatie die een 300-tal militanten telde speelde het MLL-Front een niet te verwaarlozen rol in de staking. Naar het voorbeeld van de vroegere organisaties was er een jongerenorganisatie opgericht, het MJC (Marxistisch Jeugd Comité), dat een maandblad uitgaf: Het Kompas. Sinds januari 1941 werd met vaste tussenpozen een propagandakrant uitgegeven, Spartacus, die in februari 1941 in 5.000 exemplaren verscheen. Voor een illegale krant was dat een zeer grote oplage. De keuze van de naam verwees uitdrukkelijk naar Rosa Luxemburg. Het feit dat Sneevliet zelf de Junius-brochure De crisis der sociaal-democratie vertaalde, liet zien dat er duidelijk afstand werd genomen van de Leninistische standpunten over het nationale vraagstuk.

Voor de staking verspreidde het MLL-Front veel geschriften (pamfletten, manifesten) waarin tot strijd werd opgeroepen. Propagandistisch werden de arbeiders opgeroepen om in de arbeiderswijken stoottroepen te vormen tegen antisemitische acties. Tijdens de razzia's tegen de Joden deden ze de volgende oproep:

“Als mannen en vrouwen uit de arbeiderswijken te hoop lopen in de Jodenbuurt van Amsterdam [...] als zij de strijd opnemen tegen de betaalde bandieten van de Hollandse nationaal-socialistische beweging, dan hebben wij te maken met een prachtuiting van spontane solidariteit, die in de bedrijven in hogere en meer afdoende vorm tot uiting moet komen.

Het antwoordt elke gewelddaad van het nationaal-socialisme met roerigheid en proteststakingen in de bedrijven.

Stroom! uit de fabrieken, verlaat de werven en de werken en sluit je in massa aan bij jullie in de bedreigde buurten strijdende klassengenoten”.

De invloed van het MLL-Front op de staking is in Amsterdam moeilijk in te schatten, alhoewel er in deze stad voor de bezetting 400 leden van het Nationaal Arbeiders Secretariaat (NAS) waren. Vast staat dat als de CPN het initiatief nam om tot staking op te roepen - in omstandigheden van een sociale beroering die zich onafhankelijk van haar ontwikkelde -, het MLL-Front een belangrijke rol speelde in de uitbreiding van de staking naar de andere steden. Maar de staking werd vooral door de arbeiders gewild en gevoerd, onafhankelijk van alle oproepen van partijen. Aan het einde van staking zou het MLL-Front, dat de oproep van de CPN tot algemene staking op 6 maart aan de kaak stelde, de oprichting aanbevelen van ondergrondse stakings- en actiecomités in de fabrieken. Maar door haar zwakte gaf de staking -die zich daarmee onderscheidde van de grote massastakingen uit het verleden- geen aanleiding tot het ontstaan van stakingscomités die de strijd leidden. De Februaristaking was spontaan zonder spontaan specifieke arbeidersorganisaties te doen ontstaan.

In het MLL-Front bestond ongetwijfeld een neiging om het revolutionaire karakter van een staking die op geen enkel moment werd gedragen door eigen arbeiderseisen, te overschatten. Anderzijds toonde zijn verwerping van het nationalisme dat het de noodzaak niet onderschatte van strijd tegen de ideologie van het nationale verzet. Wilde het niet gezien worden als onderdeel van een anti-Duits nationaal verzetsfront, dan moest het de noodzaak van het internationalisme onderstrepen. De volgende oproep is op dit vlak ondubbelzinnig:

"Wie moet winnen?

Duitsland? Neen.

Engeland? Neen.

Het derde front, het socialistische proletariaat.

Tegen nationaal-socialisme en nationaal bolsjewisme.

De internationale klassestrijd!

De toon van dit Manifest rekende af met die van de CPN die in zijn oproep tot staking slogans tegen de nazi's vermengde met nationalistische slogans: "Strijdt fier voor de vrijmaking van ons land!!!!". In het algemeen bracht het MLL-Front nooit antifascistische slogans naar voren. In tegenstelling tot Nederlandse sociaaldemocratische groepen die van het antifascisme de ‘eerste stap’ maakten in de strijd voor het socialisme, benadrukten zij dat er maar een etappe bestond: de algemene strijd tegen het kapitalisme in de hele wereld.

Het is in deze geest dat het 'Derde Front' een hele propaganda ontwikkelde naar de Duitse soldaten: zelfs op heel gevaarlijke wijze, want in Rotterdam werden er pamfletten verspreid in de kazernes. De propaganda die verspreid werd was noch een oproep tot verdediging van de democratie noch tot pacifisme. In het manifest van 1 mei 1941, in het Duits, kon men lezen:

“De volksmassa’s hebben geen belang bij een overwinning van Engeland. Ze hebben ook geen enkel belang bij een overwinning van Duitsland. Ze moeten hum eigen lot in eigen hand nemen. Zij vormen het Derde Front, dat kan overwinnen en  moet overwinnen!

Weg met de oorlog, maar ook, weg met de kapitalistische vrede!

De wereldvrede kan alleen verzekerd worden door het zegevierende Internationale Socialisme!”

 

 

 

Historische gebeurtenissen: 

People: 

Politieke stromingen en verwijzingen: 

Ontwikkeling van proletarisch bewustzijn en organisatie: 

Rubric: 

Lessen uit het verleden voor de toekomst