Polemiek: Twijfels over de arbeidersklasse

Printer-friendly version

Wanneer de arbeidersklasse openlijk haar kracht toont, wanneer zij de productie dreigt te verlammen, de staat terugdringt, een echte gisting in de hele maatschappij teweegbrengt - zoals bijvoorbeeld het geval was tijdens de massastaking in Polen in de zomer van 1980 - lijkt de vraag ‘is de arbeidersklasse de revolutionaire kracht van onze tijd’ tamelijk absurd. In Polen, net als bij alle sociale bewegingen die het kapitalisme hebben geschokt, was het hart van de sociale beweging niet anders dan het hart van de arbeidersklasse zelf: de werfarbeiders van de Baltische kust, de staalarbeiders van Nova Huta, de mijnwerkers van Silezië. Toen de Poolse boeren zich in de strijd wierpen, toen de studenten of kunstenaars besloten de strijd op te nemen tegen de staat, hadden ze geen andere reflex dan ‘de arbeiders te vervoegen’.

Wanneer de arbeiders erin slagen de krachten te breken die hen machteloos en geatomiseerd houden, wanneer ze zich verenigen tegen de heersende klasse en het hele bouwwerk van hun overheersing door elkaar schudden en het dwingen terug te wijken, is het gemakkelijk, zelfs voor de hand liggend, om te begrijpen hoe en waarom de arbeidersklasse de enige kracht is die in staat is om de revolutionaire transformatie van de maatschappij te begrijpen en door te voeren.

Maar zodra de openlijke strijd ophoudt, zodra het kapitaal weer de overhand krijgt en zijn gewicht in de schaal legt, kan wat ooit voor de hand leek te liggen vervagen, zelfs in de herinnering, en dringt het kapitalisme in verval zijn eigen sinistere blik op de wereld op aan zijn onderdanen: die van de onderworpen geatomiseerde arbeidersklasse die elke ochtend in stille rijen door de fabriekspoorten trekt en niet in staat is om op eigen kracht haar ketenen te breken.

Op zulke momenten is er geen gebrek aan ‘theoretici’ om uit te leggen aan al diegenen die het willen horen dat de arbeidersklasse als zodanig in feite een integraal onderdeel van het systeem is, dat ze een plaats heeft in het systeem om te verdedigen, en dat alleen blinde fanatiekelingen deze massa van geldbeluste individuen kunnen beschouwen als de drager van een nieuwe maatschappij.

Zij die openlijk de voordelen van het kapitalistische systeem verdedigen, of dat nu in de ‘westerse’ of in de stalinistische vorm is, komen nooit met een ander credo op de proppen. Maar in periodes van teruggang van de arbeidersstrijd zien we ook regelmatig groepen of publicaties verschijnen die ‘twijfels’ over het historische karakter van de arbeidersklasse vertheoretiseren, zelfs onder degenen die beweren voor de kommunistische revolutie te zijn, en die zich geen illusies maken over de zogenaamde ‘socialistische’ landen of de zogenaamde ‘arbeiderspartijen’ in het westen. Daarmee worden oude ideeën die voortkomen uit anarchisme en populisme, volgens welke de revolutie niet het werk zal zijn van een bepaalde economische klasse, maar van alle mensen die op een of andere manier te lijden hebben onder de onmenselijkheid van het kapitaal, nieuw leven ingeblazen.

Met de teruggang in de arbeidersstrijd na Polen lijkt de ‘modernistische’ ideologie, de ideologie van een ‘moderne theorie van de revolutie’ die de ‘oude arbeidersbeweging’ met haar ‘stoffige marxisme’ afwijst, anno1983 een zekere opleving door te maken, net als tijdens de teruggang die volgde op de golf van strijd van 1968-1974. Zo hebben we in Frankrijk onder andere het tijdschrift “La Banquise” (letterlijk: ‘Het pakijs’)[1] zien verschijnen, en werd het tijdschrift “La Guerre Sociale”[2] een driemaandelijkse uitgave, en verscheen in Groot-Brittannië opnieuw “Solidarity”.[3] [4]

Deze publicaties zijn nogal verschillend van elkaar. “La Guerre Sociale” en “La Banquise” maken directer deel uit van een theoretische lijn die door “Invariance” en “Le Mouvement Communiste” loopt. Maar ze delen allemaal dezelfde afwijzing van dat basisidee van het ‘oude’ marxisme: dat de arbeidersklasse is de enige echte revolutionaire kracht in de maatschappij; dat de vernietiging van het kapitalisme en de openstelling van een kommunistische maatschappij een overgangsperiode vereist die wordt gekenmerkt door de politieke dictatuur van deze klasse.

Het is niet onze bedoeling om hier een volledige kritiek te ontwikkelen van alle ideeën die door dit soort stromingen worden verdedigd. Een polemiek met deze tendensen is in ieder geval vaak steriel en vervelend; ten eerste omdat we het hebben over groepen die enigszins informeel zijn (en daar trots op zijn), bestaande uit verschillende ‘onafhankelijke’ individuen, wat betekent dat artikelen die in dezelfde publicatie verschijnen tegenstrijdige ideeën kunnen bevatten; ten tweede omdat modernisten permanent dubbelzinnigheden zoals ‘ja … maar’ en ‘nee …. maar’ cultiveren, vooral ten opzichte van het marxisme, waarvan ze vaak de woordenschat gebruiken (Marx wordt waar mogelijk geciteerd), terwijl ze het wezenlijke van het marxisme verwerpen. Daarom kunnen ze op kritiek altijd reageren met de klassieke formule ‘dat is niet wat we zeggen, je verdraait ons standpunt’.

Wat nu belangrijk is, in een periode van tijdelijke teruggang in de strijd van de arbeidersklasse, een periode waarin de sociale tegenstellingen, die tot zullen leiden de kommunistische revolutie, in een versneld tempo rijpen, is de centrale rol van de arbeidersklasse opnieuw te bevestigen, te laten zien waarom zij de revolutionaire klasse is en waarom je, vanaf het moment dat je deze essentiële realiteit van onze tijd negeert, jezelf veroordeelt tot onbegrip over de loop van de geschiedenis die zich voor onze ogen ontvouwt (zie ook het pessimisme van “La Banquise”), en terechtkomt in de ergste valkuilen van de burgerlijke ideologie (zie ook de dubbelzinnigheden van “La Guerre Sociale” en “Solidarity” over Solidarnosc in Polen). Dit is des te noodzakelijker omdat bepaalde modernistische groepen, net zoals de ‘radicale’ studenten in 1968, vaak een heldere en diepgaande analyse van sommige aspecten van het kapitalisme in verval ontwikkelen, wat alleen maar bijdraagt aan de geloofwaardigheid van hun politieke onzin.

Wat is het proletariaat?

Bij Marx, zoals bij alle marxisten, zijn de termen arbeidersklasse en proletariaat altijd synoniem geweest. Maar onder degenen die het revolutionaire karakter van de arbeidersklasse als zodanig in twijfel trekken, zonder rechtstreeks aanspraak te durven maken op het anarchisme of het radicale populisme van het einde van de vorige eeuw, zien we vaak dat er een onderscheid tussen beide woorden wordt verzonnen. De arbeidersklasse wordt gedefinieerd als de arbeiders en de werkers zoals je ze dagelijks ziet onder de heerschappij van het kapitaal, met hun strijd voor betere lonen en voor banen. Het proletariaat wordt gedefinieerd als een revolutionaire kracht, waarvan de contouren enigszins onbepaald zijn, maar die over het algemeen al diegenen omvat die op een of ander moment tegen het gezag van de staat in opstand kan komen. Dit kan iedereen zijn, van een metaalbewerker tot een beroepscrimineel, en het kan gaan om mishandelde vrouwen, rijken of armen, homoseksuelen of studenten, afhankelijk van de betreffende modernistische ‘denker’ (vgl. de fascinatie van de Situationistische Internationale of “Le Mouvement Communiste” voor ‘outlaws’; cf. het tijdschrift “Le Voyou” (de Hooligan) in het midden van de jaren 1970; zie ook de vlucht van “Solidarity” in het feminisme).

Voor het tijdschrift “Invariance” (Camatte) in 1979 werd de definitie van het proletariaat uiteindelijk tot het maximum uitgebreid: de hele mensheid. Aangezien de overheersing van het kapitaal over de maatchappij steeds onpersoonlijker en totalitairder was geworden, was de conclusie dat de hele ‘menselijke gemeenschap’ in opstand moest komen tegen het kapitaal. Dit kwam erop neer dat men ontkende dat de klassenstrijd de dynamiek van de revolutie was. Vandaag biedt “La Guerre Sociale” ons een andere definitie, beperkter, maar niet veel preciezer:

"De proletariër is niet de arbeider of zelfs niet de arbeider en de werker, zij die op de onderste trede van de ladder werken. De proletariër is niet de producent, ook al is de producent misschien wel een proletariër. De proletariër is hij die ‘afgesneden’ is, ‘uitgesloten’, die ‘geen reserves’ heeft. (“La Guerre Sociale” nr. 6, “Open brief aan de kameraden van de nog bestaande Internationale Communistische Partij”, december 1982).

Het is waar dat de proletariër is uitgesloten, afgesneden van elke echte controle over het verloop van het maatschappelijk en dus van zijn of haar eigen leven. Het is waar dat de proletariër, in tegenstelling tot sommige pre-kapitalistische uitgebuite klassen, geen productiemiddelen bezit en zonder reserves leeft. Maar er is meer aan de hand dan dat. De proletariër is niet alleen een ‘arme’... zoals elke andere. Hij is ook een producent, de producent van de meerwaarde die wordt omgezet in kapitaal. Hij wordt collectief uitgebuit en het verzet tegen het kapitaal is onmiddellijk collectief. Dit zijn essentiële verschillen. De definitie van het proletariaat op deze manier verbreden is niet om de revolutionaire klasse te vergroten, maar om deze te verdunnen in de mist van het humanisme.

********************

“La Banquise”, in het kielzog van “Invariance”, is van mening dat men kan verwijzen naar Marx om de notie van het proletariaat te verbreden.

“In het algemeen kan men zeggen dat het product verandert van een direct product van de individuel producent in een maaatchappelijk product van een totaalarbeider (…) waarvan de verschillende leden in verschillende mate bij de bewerking van het arbeidsvoorwerp betrokken zijn. Naarmate het cooperatieve krakter van het arbeidsproces zelf sterk wordt, wordt derhalve ook het concept van de productieve arbeid en van de dragers van die arbeid, de productieve arbeider, ruimer. Om productief werkzaam te zijn is het niet meer nodig m zelf de hand aan het werk te slaan, maar is het voldoende orgaan te zijn van de totaalarbeider, één van de vele functies van de totaalarbeier uit te oefenen.” (Marx, Het Kapitaal Deel I; Afdeling V: De productie van absolute en relatieve meerwaarde; Hoofstuk 14: Absolute en relatieve meerwaarde)

Wat Marx hier echter benadrukte was niet het idee dat iemand en iedereen in de wereld productief of proletarisch was geworden. Hij toonde aan dat in het ontwikkelde kapitalisme de specifieke kwaliteit van het werk dat door deze of gene arbeider wordt verricht geen maatstaf is voor het al dan niet productief zijn ervan. Door het productieproces aan te passen aan zijn behoeften, benut het kapitaal de volledige arbeidskracht die het koopt, alsof het om één productieve arbeider gaat. Het concrete gebruik dat het maakt van elk lid van deze collectiviteit, bakker of kantoormedewerker, producent van wapens of straatveger, is ondergeschikt aan het belang van de vraag wie door het kapitaal wordt uitgebuit. Het is de collectiviteit als geheel die wordt uitgebuit. Het proletariaat, de arbeidersklasse, omvat vandaag de dag de meeste werkers in de zogenaamde 'tertiaire' sector.

Hoezeer het ook ontwikkeld is, het kapitalisme heeft de toestand van het proletariaat niet veralgemeend naar de hele maatschappij. Het kapitaal heeft enorme massa’s gemarginaliseerde mensen zonder werk voortgebracht, vooral in de onderontwikkelde landen. Het heeft pre-kapitalistische sectoren in staat gesteld te overleven, zoals kleine individuele boeren, kleine winkeliers, ambachtslieden, de vrije beroepen.

Het kapitaal domineert alle sectoren van de maatschappij. En al diegenen die in ellende leven onder zijn heerschappij, hebben goede redenen om ertegen in opstand te komen. Maar alleen zij die direct verbonden zijn met het kapitaal, door middel van loonarbeid en de productie van meerwaarde, zijn echt tegengesteld aan het kapitaal, alleen zij vormen het proletariaat, de arbeidersklasse.

Waarom is het proletariaat de revolutionaire klasse?

Voor Marx bleef de dynamiek van de geschiedenis van de maatschappij een mysterie. Om tevergeefs te proberen een samenhangend beeld van de geschiedenis te ontwikkelen, moest men zijn toevlucht nemen tot religieuze begrippen als de Voorzienigheid, tot het genie van militaire leiders, of tot de Geschiedenis met een hoofdletter G. Door de centrale rol van de klassenstrijd in deze dynamiek aan te tonen, maakte het marxisme het voor het eerst mogelijk om de geschiedenis te begrijpen. Daarbij is echter geen manier van interpreteren van de wereld ontstaan, maar een visie op de wereld die het mogelijk maakte om deze te veranderen. Marx was van mening dat zijn fundamentele ontdekking niet het bestaan van de klassenstrijd op zich was - dit hadden de burgerlijke theoretici al vastgesteld - maar het feit dat de klassenstrijd leidde tot de dictatuur van het proletariaat.

Marx zei dat de onverzoenlijke tegenstellingen tussen de arbeidersklasse en het kapitaal moesten leiden tot een revolutionaire strijd voor de vernietiging van de kapitalistische maatschappelijke verhoudingen en de vestiging van een kommunistische maatschappij. De hoofdrolspeler van deze revolutie zou de arbeidersklasse zijn, die zich als klasse autonoom moest organiseren ten opzichte van de rest van de maatschappij en een politieke dictatuur moest uitoefenen om de grondslagen van het oude regime volledig te vernietigen.

Het is deze analyse die de modernisten afwijzen:

“Om hun levensomstandigheden echt te veranderen, kunnen de proletariërs niet in opstand komen als de ‘arbeidersklasse’. Maar dat is moeilijk, want ze vechten juist op basis van hun bestaansvoorwaarden. Deze tegenspraak kan alleen in theorie worden opgehelderd als ze in de praktijk is overwonnen.” (La Banquise, nummer 1, ‘Avant la Debacle’ p.11) "Het proletariaat hoeft zich niet eerst voor te doen als een sociale kracht voordat het de wereld verandert.” (La Banquise, nummer 2, ‘Le Roman de nos origines’)

“Maar van nu af aan sluit men zich op in deze onderdrukking, als men zich er niet tegen verzet als proletariër of als mens, en niet op basis van een te verdedigen of te handhaven bijzonderheid, die toch al steeds meer illusoir wordt. Het ergste zou zijn om uit deze bijzonderheid af te leiden dat het proletariaat de capaciteit voor de opstand bezit”. (La Guerre Sociale nr. 5, La Guerre Sociale n. 5 ‘Vers la commu­nauté humaine’, p.32).

De modernisten weten niet wat het proletariaat in wezen is, omdat ze niet begrijpen waarom het revolutionair is. Waarom zou het zich apart organiseren, als een klasse, als het moet vechten voor de opheffing van klassen? Voor de modernisten is de arbeidersklasse als klasse niet meer revolutionair dan wie dan ook: als klasse blijft haar strijd beperkt tot de strijd voor betere lonen en de verdediging van de slavenarbeid. In plaats van zichzelf te vormen tot een politieke klasse, moet het proletariaat zichzelf beginnen te ontkennen als een klasse en zichzelf bevestigen als ... ‘menselijk’. Het ergste, zegt “Le Guerre Sociale”, zou zijn om een bijzonderheid te maken - een arbeider zijn bijvoorbeeld – “die de capaciteit voor de opstand bezit”.

Bij de modernisten lijkt de geschiedenis altijd bij hen te beginnen. De Parijse Commune, de massastaking in Rusland in 1905, de revolutie van oktober 1917, de revolutionaire beweging in Duitsland in 1919 - niets van dit alles laat ons zien of leert ons iets. Deze tegenspraak kan alleen in theorie worden opgehelderd als ze in de praktijk is overwonnen”, zegt “La Banquise”. Maar wie heeft de revolutionaire strijd tegen het kapitaal meer dan een eeuw lang geleid, als dat niet de arbeidersklasse was, die vocht voor de verdediging van haar specifieke aspiraties?

Waarom is het altijd zo geweest?

“...in het volledig gevormde proletariaat is de abstractie van de hele menselijkheid, zelfs van de schijn van de menselijkheid, bijna compleet, aangezien de levensomstandigheden van het proletariaat alle levensomstandigheden van de huidige maatschappij in hun meest onmenselijke vorm samenvatten; aangezien de mens zich in het proletariaat heeft verloren, maar tegelijkertijd niet alleen een theoretisch besef van dat verlies heeft gekregen, maar ook direct door de niet meer te negeren, niet meer te vergoeilijken, absoluut onvermurwbare noodzaak - de praktische uitdrukking van de noodzakelijkheid - rechtstreeks wordt gedreven om in opstand te komen tegen deze onmenselijheid, volgt hieruit dat het proletariaat zich kan en moet emanciperen. Maar het kan zichzelf niet emanciperen zonder de voorwaarden van zijn eigen leven af te schaffen. Het kan de toestand van zijn eigen leven niet afschaffen zonder alle onmenselijke levensomstandigheden af te schaffen van de huidige maatschappij, die in zijn eigen situatie worden samengevat.” (Marx, Die heilige Familie oder Kritik der kritischen Kritik; IV. “Die kritische Kritik” als die Ruhe des Erkennens oder die “kritische Kritik” als Herr Edgar; 4. Proudhon; Kritische Randglosse Nr.II; http://www.mlwerke.de/me/me02/me02_019.htm)

Dit is de bijzonderheid van de arbeidersklasse: zijn onmiddellijke en historische belangen vallen samen met die van de mensheid als geheel. Dit is bij geen enkele andere laag van de maatschappij het geval. Ze kan zich niet bevrijden van de kapitalistische loonarbeid, de meest complete vorm van uitbuiting van de mens door de mens, zonder alle vormen van uitbuiting, “alle onmenselijke levensomstandigheden af te schaffen van de huidige maatschappij” af te schaffen. Maar hieruit volgt niet dat alle delen van de mensheid de materiële kracht en het bewustzijn bezitten die onontbeerlijk zijn om een kommunistische revolutie te beginnen.

De arbeidersklasse ontleent haar kracht in de eerste plaats aan haar centrale positie in het productieproces. Kapitaal is geen machine en grondstoffen, het is een maatschappelijk verhouding. Wanneer de arbeidersklasse door haar strijd deze verhouding afwijst, is het kapitaal onmiddellijk verlamd. Er is geen kapitaal zonder meerwaarde, geen meerwaarde zonder de arbeid van de proletariërs. Hier ligt de kracht van de massastakingen. Dit verklaart voor een deel waarom de arbeidersklasse de vernietiging van het kapitalisme materieel kan ondernemen. Maar het is niet genoeg om uit te leggen waarom het de basis kan leggen voor een kommunistische maatschappij.

De Spartacus-slaven in de oudheid, of de lijfeigenen in het feodalisme, speelden ook een centrale, beslissende rol in het productieproces. Hun opstanden konden echter niet leiden tot een kommunistisch perspectief:

De splitsing van de maatschappij in een uitbuitende en een uitgebuite, een heersende en een onderdrukte klasse was een noodzakelijk gevolg van de vroegere geringe ontwikkeling van de productie. Zolang de totale maatschappelijke arbeid slechts weinig meer oplevert dan voor het nooddruftig bestaan van allen noodzakelijk is, zolang dus de arbeid de gehele of bijna de gehele tijd van de grote meerderheid van de leden van de maatschappij in beslag neemt, zo lang is deze maatschappij noodzakelijkerwijs in klassen verdeeld.(Engels, De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap, III Historisch materialisme;  https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1880/utopie/5.htm)

Het proletariaat is de drager van het kommunisme omdat de kapitalistische maatschappij de materiële middelen heeft gecreëerd voor de realisatie ervan. Door de materiële rijkdom van de maatschappij zodanig te ontwikkelen dat er voldoende overvloed is om de economische wetten, dat wil zeggen de wetten van het beheer van de schaarste, op te heffen, heeft het kapitalisme een revolutionair perspectief geopend voor de klasse die het uitbuit.

Uiteindelijk is het proletariaat de drager van het kommunisme, omdat het de drager is van het kommunistische bewustzijn. Als we de half-godsdienstige, pre-kapitalistische visies van een maatschappij zonder uitbuiting buiten beschouwing laten, is het project van een kommunistische maatschappij zonder privé-eigendom, zonder klassen, waar de productie direct en uitsluitend gericht is op de bevrediging van menselijke behoeften, ontstaan en ontwikkeld met de opkomst van de arbeidersklasse en van haar strijd.

De socialistische ideeën van Babeuf, Saint-Simon, Owen of Fourier weerspiegelden de ontwikkeling van de arbeidersklasse aan het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw. Het ontstaan van het marxisme, de eerste coherente en wetenschappelijk onderbouwde theorie van het kommunisme, viel samen met het verschijnen van de arbeidersklasse als een uitgesproken politieke kracht (de Chartistische beweging, de revoluties van 1848). Sindsdien hebben alle belangrijke gevechten van de arbeidersklasse op de een of andere manier, met meer of minder duidelijkheid, de kommunistische ideeën opgepakt.

Kommunistische ideeën, revolutionaire theorieën kunnen alleen worden ontwikkeld door inzicht in de strijd van de arbeiders. Alle grote stappen voorwaarts in de theorie van de kommunistische revolutie zijn het product geweest, niet van de puur logische afleidingen van een paar denkers in hun studeerkamer, maar van een militante en geëngageerde analyse van de grote vooruitgang van de echte beweging van de arbeidersklasse.

Daarom is de arbeidersklasse de enige die heeft geprobeerd de macht van het kapitalisme op een kommunistische manier te vernietigen (Parijse Commune, Oktober 1917). De geschiedenis van de kommunistische beweging is niets anders dan de geschiedenis van de arbeidersbeweging.

*******************

Betekent dit dat het proletariaat de revolutie helemaal alleen kan maken en de rest van de maatschappij kan negeren? Sinds de 19e eeuw weet het proletariaat dat het kommunisme ‘de vereniging van de mensheid’ moet zijn. De ervaring van de Russische revolutie heeft duidelijk aangetoond hoe belangrijk het is om de steun van alle uitgebuite lagen te winnen. Maar de ervaring heeft ook geleerd dat alleen het proletariaat een samenhangend revolutionair programma kan voorleggen. De vereniging van de mensheid, en om te beginnen van alle uitgebuitenen, kan alleen tot stand worden gebracht op basis van de activiteit en het programma van de arbeidersklasse. Door zich apart te organiseren, verdeelt het proletariaat de maatschappij niet. Het geeft zichzelf de middelen om zijn kommunistische eenwording te bereiken.

Daarom begint, in tegenstelling tot wat de modernisten zeggen, de beweging naar de kommunistische revolutie met de verenigde organisatie van de arbeidersklasse als een kracht; met de dictatuur van het proletariaat.

De verwarring van het modernisme

De historische periode

Het begrijpen van de huidige historische periode, terwijl men zich er niet van bewust is dat de arbeidersklasse de revolutionaire kracht is, is net zo moeilijk als het begrijpen van het einde van het feodale regime zonder rekening te houden met de ontwikkeling van de revolutionaire bourgeoisie.

Het is moeilijk te achterhalen of de voorwaarden voor een revolutionaire omwenteling zich ontwikkelen als je niet weet hoe je de hoofdrolspeler van de revolutie kan identificeren.

Wie de geschiedenis van de arbeidersbeweging kent en het revolutionaire karakter ervan begrijpt, weet dat het proces dat het proletariaat naar de kommunistische revolutie leidt, noch lineair noch automatisch is. Het is een dialectische dynamiek die bestaat uit vooruitgang en achteruitgang, waarin alleen de langdurige praktijk en de ervaring van de strijd miljoenen proletariërs in staat stelt om zich, onder de druk van de armoede, te verenigen, de lessen van de vroegere strijd te herontdekken, de ideologische greep van de heersende klasse te doorbreken en een nieuwe aanval op de gevestigde orde te lanceren.

Maar als je in de strijd van de arbeiders als een klasse alleen maar een strijd zonder een uitweg ziet, als je hun revolutionaire potentieel en dynamiek niet begrijpt, kun je alleen maar ‘teleurgesteld’ worden. Als je in de strijd, zoals die in Polen in 1980, alleen strijd ‘binnen het kapitaal’ ziet, dan is het normaal dat je vijftien jaar na Mei 68 depressief bent; het is duidelijk dat je het belang niet inziet van stakingen die, ondanks de kortstondige teruggang in de arbeidersstrijd sinds 1980, hier en daar in het hart van de geïndustrialiseerde landen (België 1982, Italië 1983) zijn uitgebroken; en dat we niet getuige zijn van de mobilisatie van de arbeiders achter de belangen van de nationale economie en haar vakbondsvertegenwoordigers zien, maar integendeel steeds gewelddadiger botsingen tussen arbeiders en vakbonden.

Dus opent nummer 1 van “La Banquise” met een zin die gekenmerkt wordt door een nostalgie naar de barricades van 1968 in Parijs en door een gedeprimeerde toon: “Onder de straatstenen, het strand”, zeiden we voor de grote ijstijd. Vandaag heeft het pakijs dat allemaal bedekt. Tien, twintig, honderd meter ijs boven de straatstenen. Daaronder, het strand.”

Dit is een depressie die net zo seniel is als de radicale studenten van 1968 in hun overtuiging dat je ‘alles, onmiddellijk’ kon krijgen. Het modernisme lijkt heel snel oud te worden!

De onmacht en de verwarring van het modernisme ten opzichte van de klassenstrijd

Het is geen toeval dat modernistische publicaties als “Solidarity” of “La Guerre Sociale” niet meer verschenen tijdens de strijd in Polen. Net als de kleinburgerij, waarvan het de ‘radicale’ uitdrukking is, leeft de modernistische stroming in een staat van dubbelzinnigheid en aarzeling tussen de verwerping van de burgerlijke ideologie en een minachting voor de nuchtere strijd van de arbeiders. Wanneer de revolutionaire kracht zich laat gelden, zelfs op een nog embryonale manier, zoals in Polen, heeft de geschiedenis de neiging om zich te ontdoen van dubbelzinnigheden en dus van de ideologieën die zich erin wentelen. Dit is wat er tijdelijk gebeurde met de modernisten in 1980.

Maar de politieke desoriëntatie van de stroming blijft helaas niet op het niveau van loutere onmacht. Het kan leiden tot de verdediging van ronduit linkse standpunten als het gaat om het zich uitspreken over een arbeidersstrijd.

Zo kwam “La Guerre Sociale” samen met de trotskisten en andere democraten tot de conclusie dat Solidarnosc - organisator van de nederlaag van de arbeiders in Polen - een proletarisch orgaan is: “Solidariteit is ontegenzeggelijk een orgaan van het proletariaat. Het feit dat elementen afkomstig uit lagen die niet behoorden tot de arbeidersklasse (intellectuelen of anderen) aan het hoofd werden geplaatst, veranderde niets aan het feit dat het proletariaat zich vanaf het begin in erin herkende. Hoe kunnen we anders de steunbetuiging van vrijwel het hele Poolse proletariaat verklaren? Hoe kunnen we de invloed van de vakbond op de klasse verklaren?" (La Guerre Sociale nr. 6)

Dit is een typisch linkse manier van redeneren, in de geest van de ontaarde 3e Internationale. Volgens deze logica zou de Poolse kerk, die trouwere werkers heeft dan Solidarnosc, ook ‘ontegenzeggelijk een orgaan van het proletariaat’ moeten zijn ... en de paus, Lenin!

“La Guerre Sociale” spreekt ook in algemene termen over de aard van de vakbonden, maar alleen om de oude dubbelzinnige soep van de groep “Pouvoir Ouvrier” (aan het eind van de jaren 1960 - in feite ook van de groep “Socialisme ou Barbarie”) op te dienen over de ‘tweeledige aard van de vakbonden’:

“De vakbond is geen orgaan van het kapitaal, een oorlogsmachine tegen het proletariaat, maar de organisatorische uitdrukking van haar verhouding tot het kapitaal, het antagonisme en de samenwerking. Het is de uitdrukking van het feit dat het kapitaal niets is zonder het proletariaat, en dat, op het onmiddellijke vlak, het tegenovergestelde ook waar is.” (idem)

In het kapitalisme in verval is er geen samenwerking tussen het kapitalisme en de arbeiders die de arbeiders ten goede komt. In ons tijdperk is de opvatting die de vakbonden vereenzelvigt met de arbeidersklasse niets anders dan propaganda van de heersende klasse (die ook op wereldvlak weet samen te werken om een geloofwaardige ‘Solidarnosc’ te creëren). Ze is gebaseerd op het idee dat er een verzoening kan zijn tussen de belangen van het kapitaal en de belangen van het proletariaat. Ze negeert het revolutionaire karakter van de arbeidersklasse. Zo maakt “La Guerre Sociale” de volgende openhartige opmerkingen:

“Het wezenlijke verschil tussen Solidarnosc en het Poolse proletariaat is dat de eerste rekening hield met de nationale en internationale economische belangen die nodig zijn voor het voortbestaan van het systeem, terwijl het tweede de verdediging van zijn onmiddellijke belangen voortzette zonder zich in het minst bezig te houden met de problemen van de waardevorming van het kapitaal.” (idem)

Alleen door het revolutionaire karakter van het proletariaat te negeren, door het te beschouwen als in wezen een deel van het kapitaal en niet als zijn vernietiger, kun je een soort identiteit zien tussen ‘de nationale en internationale economische belangen’ van het kapitaal, en de ‘onmiddellijke belangen’ van het proletariaat.

De verwarring die wordt veroorzaakt door het niet erkennen van het revolutionaire karakter van de arbeidersklasse leidt dus tot dezelfde opvatting als die van links, welke zo zwaar bekritiseerd wordt door het radicale modernisme.

********************

Het proletariaat is de eerste revolutionaire klasse in de geschiedenis die ook een uitgebuite klasse is. Het proces van strijd dat leidt tot de kommunistische revolutie wordt onvermijdelijk gekenmerkt door perioden van teruggang. Deze perioden worden niet alleen geconcretiseerd door een vermindering van het aantal arbeidersgevechten. Op het niveau van het bewustzijn ondergaat het proletariaat ook een verwarring die zich manifesteert in de verzwakking van zijn revolutionaire politieke uitingen en de heropleving van politieke stromingen die ‘twijfels’ over de arbeidersklasse cultiveren.

De doorbraak in 1968, na bijna een halve eeuw van triomfantelijke contrarevolutie, opende een koers naar beslissende klassenconfrontaties. Deze koers is door de teruggang na Polen niet meer omgekeerd dan het geval was in de teruggang van 1975-1978. De historische omstandigheden van deze teruggang worden in hetzelfde tempo versleten als de economische crisis zich verdiept, en het is de realiteit van de crisis die langzaam maar zeker de pijlers van de burgerlijke ideologie in verval ondermijnt (het karakter van de arbeidersklasse van het Oostblok, de welvaartsstaat, de parlementaire democratie, de vakbonden, de nationale bevrijdingsstrijd, enzovoort).

Alle voorwaarden rijpen, zodat het proletariaat, met al zijn kracht, door zijn strijd opnieuw de toekomst van de mensheid kan laten zien en alle twijfels over zijn revolutionaire karakter kan wegnemen.

RV /1983


[1] La Banquise, Postbus 214, 75624 Parijs, Cedex 13, Frankrijk

[2] La Guerre Sociale, B.P. 88, 75623 Paris Cedex 13. Jaarlijks van 1977 tot 1979 is deze publicatie in 1980, ten tijde van de grootste gevechten in Polen, tijdelijk stopgezet. Het verscheen pas weer in mei 1981 en werd driemaandelijks in juni 1982.

[3] De groep Solidarity vindt zijn oorsprong in de jaren 1960. In de jaren 1970 publiceerde zij regelmatig een gelijknamig tijdschrift, maar in de herfst van 1980, niet in staat om een coherent standpunt in te nemen over de strijd in Polen en om zich uit te spreken over de houding ten opzichte van Solidarnosc, verdween het. Het verscheen opnieuw aan het begin van 1983 met een nieuwe reeks (waarin hun crisis van 1980 werd besproken). Solidarity: c/o 123, Lathom Road, London E6, UK.

[4] Deze drie groepen zijn direct en indirect verbonden met “Socialisme ou Barbarie”, een tijdschrift uit de jaren1950 en 1960, waarvan de belangrijkste animator, Castoriadis (ook wel bekend als Chaulieu, Cardan, Coudray) het grootste deel van zijn tijd besteedde aan de ontwikkeling van een theorie over de veroudering van het marxisme.

Rubric: 

Arbeidersklasse = revolutionaire klasse