Resolutie over de krachtsverhouding tussen de klassen (2019)

Printvriendelijke versie

1) Aan het einde van de jaren 1960, met de uitputting van de naoorlogse economische bloei en tegen de achtergrond van de verslechterende levensomstandigheden, was de arbeidersklasse opnieuw op het maatschappelijk toneel verschenen. De arbeidersstrijd, die op internationaal vlak tot uitbarsting kwam, maakte een einde aan de langste periode van contrarevolutie in de geschiedenis en opende een nieuwe historische koers in de richting van klassenconfrontaties, en verhinderde zo dat de heersende klasse haar eigen antwoord op de acute crisis van het kapitalisme kon formuleren: een Derde Wereldoorlog. Deze nieuwe historische koers werd gekenmerkt door de opkomst van massale strijd, vooral in de West-Europese landen met de beweging van Mei 1968 in Frankrijk, gevolgd door de ‘Hete Herfst’ in Italië in 1969 en vele andere zoals Argentinië in het voorjaar van 1969 en Polen in de winter van 1970-1971. In deze massale bewegingen wierpen grote delen van de nieuwe generatie, die geen oorlog hadden meegemaakt, opnieuw het perspectief op van het kommunisme als een reële mogelijkheid.

Verbonden met deze algemene beweging van de arbeidersklasse aan het eind van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970 moeten we ook de internationale heropleving, op een zeer kleine maar niet minder significante schaal, benadrukken van de georganiseerde Kommunistische Linkerzijde, van de traditie die trouw bleef aan het vaandel van de proletarische wereldrevolutie gedurende de lange nacht van de contrarevolutie. In dit proces betekende de oprichting van de IKS een belangrijke impuls voor de Kommunistische Linkerzijde als geheel.

Geconfronteerd met een dynamiek naar de politisering van de arbeidersstrijd, ontwikkelde de bourgeoisie (die verrast was geweest door de beweging van Mei 1968) onmiddellijk een grootschalig en langdurig tegenoffensief om te voorkomen dat de arbeidersklasse haar eigen antwoord zou geven op de historische crisis van de kapitalistische economie: de proletarische revolutie.

2) Door de breuk in de politieke continuïteit met de arbeidersbeweging van het verleden, kwam de tendens tot politisering van de jaren 1960 tot uiting in het ontstaan van wat Lenin een ‘politiek moeras’ noemde: een milieu van verwarde groepen en elementen, en tegelijkertijd een doorgangsgebied, gelegen tussen de bourgeoisie en het proletariaat. Op het moment dat deze zone van politisering zich het meest uitbreidde, bestond het voornamelijk uit jonge en onervaren mensen, waaronder veel studenten. Al in de eerste helft van de jaren 1970, had het proces van decanteren binnen deze zone tot gevolg dat:

  • - de linkerzijde van het kapitaal erin slaagde een groot deel van deze jonge elementen, die betrokken waren bij het politiseringsproces, voor zich te winnen;
  • - frustratie en teleurstelling zetten velen van hen, sterk getekend door het ongeduld en het ‘radicalisme’ van de kleinburgerij, aan tot gedeeltelijke strijd of tot de gewelddadige, minderheidsacties van het terrorisme (de Baader-Meinhof Bende in Duitsland, de Rode Brigades in Italië en vervolgens Action Directe in Frankrijk);
  • - de lagen van het moeras, die streefden naar proletarische standpunten, werden aangetrokken door het autonomisme en arbeiderisme, of tot de verdediging van de mythe van ‘zelfbeheer’.

Bovendien vernietigde het ‘kritische’ aanhangen door de belangrijkste linkse groepen (trotskistische en maoïstische) van de contrarevolutie, alsmede hun organisatorische praktijk en interventie als cryptostalinistische sekten, maar ook het hersenloze activisme van het autonome milieu en de geweldscultus van de terroristische microgroepen een groot deel van deze nieuwe generatie in het proces van politisering. Dit destructieve werk droeg ertoe bij om de echte revolutionaire beweging van het proletariaat te vervormen en in diskrediet te brengen. Parallel aan deze uiterst negatieve rol van de pseudo-radicale component van het moeras en de groepen van extreem-links, ontwikkelde de bourgeoisie een grootschalig en langdurig politiek tegenoffensief tegen de historische heropleving van de klassestrijd. Dit politieke tegenoffensief van de bourgeoisie bestond aanvankelijk, in het begin van de jaren 1970, uit het opzetten van het ‘alternatief’ om links in de belangrijkste westerse landen in de regering te brengen. Het doel was om de arbeidersklasse terug te drijven naar de electorale schaapskooi, door de illusie te wekken dat het programma van de linkse partijen het mogelijk zou maken om de levensomstandigheden van de uitgebuite massa's te verbeteren. Deze eerste golf van strijd, die zich sinds het einde van de jaren 1960 had ontwikkeld, raakte tijdens deze ‘jaren van de illusies’ dan ook uitgeput.

3) Maar met de verergering van de economische crisis in de tweede helft van de jaren 1970 was er een nieuwe golf van arbeidersstrijd ontstaan, waarbij ook het proletariaat in sommige Oost-Europese landen (met name in Polen in de zomer van 1980) betrokken was.

Geconfronteerd met deze hervatting van de klassestrijd, na een korte periode van teruggang, moest de bourgeoisie haar strategie wijzigen om elke politisering van het proletariaat door middel van haar economische strijd tegen te gaan. Dankzij een verstandige arbeidsverdeling tussen de verschillende burgerlijke facties werden rechtse regeringspartijen aangesteld om economische aanvallen uit te voeren op de levensomstandigheden van het proletariaat, terwijl de linkse oppositiepartijen (gesteund door de vakbonden en de ultralinkse partijen) de verantwoordelijkheid hadden om de strijd van de arbeiders van binnenuit te saboteren en hen af te leiden naar het terrein van de electorale misleiding.

De massastaking in Polen, in augustus 1980, onthulde dat het proletariaat, ondanks het loodzware gewicht van de stalinistische regimes, in staat was zijn hoofd op te heffen en spontaan zijn strijdmethoden te herstellen, met inbegrip van de soevereine algemene vergaderingen, de verkiezing van de stakingscomités die verantwoordelijk waren voor deze vergaderingen, de noodzakelijke geografische uitbreiding van de gevechten en hun eenwording, die de corporatistische verdelingen overstijgt.

Deze gigantische strijd van de arbeidersklasse in Polen toonde aan dat het proletariaat zich in de massale strijd tegen economische aanvallen bewust kan worden van zijn eigen kracht, zijn identiteit als klasse kan bevestigen tegenover het kapitaal en zijn zelfvertrouwen kan ontwikkelen.

Maar de nederlaag van de Poolse arbeiders, met de oprichting van de ‘vrije’ vakbond Solidarnosc (die de steun kreeg van de vakbonden van de westerse landen), toonde ook het sterke gewicht van de democratische illusies in een land, waar het proletariaat geen ervaring had met de burgerlijke democratie. De nederlaag en onderdrukking van de Poolse arbeiders leidde een nieuwe periode van teruggang in voor de internationale klassestrijd in het begin van de jaren 1980.

4) Desalniettemin was deze teruggang, ondanks de diepte ervan, van korte duur. In de eerste helft van de jaren 1980 kwam er een derde strijdgolf op gang door de toenemende economische crisis, de explosie van de werkloosheid en de nieuwe aanvallen op de levensomstandigheden van het proletariaat in de centrale landen. Ondanks de nederlaag van de lange staking van de mijnwerkers in Groot-Brittannië in 1985, werd deze golf van strijd gekenmerkt door het afslijten van de strategie van links in de oppositie, een toenemend verlies aan geloofwaardigheid van de vakbonden (zoals blijkt uit de sporadische spontane stakingen die in verschillende landen, waaronder Scandinavië, uitbraken buiten de vakbonden om en tegen de herhaalde vakbondsmanoeuvres in). Deze derde golf van arbeidersstrijd ging gepaard met een toename van het aantal stemonthoudingen bij de verkiezingen.

Om niet verrast te worden zoals in Mei 68, en om de hele dynamiek van de confrontaties met het syndicalisme te verlammen, ontwikkelde de bourgeoisie een derde strategie: die van het versterken van haar apparaat om de arbeidersklasse te controleren door de inzet van het basissyndicalisme, geleid door de groepen van ultralinks van het kapitaal. Geconfronteerd met de opkomst van de strijdbaarheid, met name in de publieke sector, versterkte de bourgeoisie de krachten van haar syndicalistische en half-syndicalistische krachten. Het doel van deze politiek was te voorkomen dat de strijd zich zou uitbreiden tot buiten de bedrijven of sectoren, de klasse-identiteit van het proletariaat te saboteren door een scheiding aan te brengen tussen ‘kantoorarbeiders’ en ‘fabrieksarbeiders’, en elke neiging tot zelforganisatie van de arbeidersklasse te blokkeren.

5) Het was de Britse bourgeoisie (de meest intelligente ter wereld), met de politiek van de ‘IJzeren Dame’ Margaret Thatcher, die de sleutel tot de strategie van de heersende klasse in andere centrale landen inluidde, gericht op het stoppen van de dynamiek van de klassestrijd.

Dankzij de sabotagerol van de mijnwerkersbond had de heersende klasse de arbeiders opgesloten in een lange, uitputtende sectoriële staking, volledig gescheiden van andere sectoren. De verpletterende nederlaag van de mijnwerkersstaking heeft de hele arbeidersklasse in dit land een harde klap toegebracht. Dit succes van de heersende klasse in Groot-Brittannië diende als voorbeeld voor de bourgeoisie in andere landen, met name in Frankrijk, het land in Europa waar het proletariaat van oudsher zeer strijdbaar was. De Franse bourgeoisie, geïnspireerd door het voorbeeld van de ‘IJzeren Dame’, die de dynamiek van de klassestrijd blokkeerde, wilde de arbeiders opsluiten in het corporatisme, waarbij ze ten volle profiteerde van de tendens tot het ‘ieder voor zich’ (wat een van de eerste verschijnselen van de ontbinding van het kapitalisme was).

In 1986, aangezien de van oudsher meest strijdlustige en ervaren sectoren van het Franse proletariaat sinds Mei 68 verschillende keren te maken hadden gehad met vakbondssabotage (in de mijnen, de staalindustrie, het vervoer, de auto-industrie...), kon de bourgeoisie een dergelijke strategie alleen maar toepassen door ‘coördinaties’ op te zetten die erop gericht waren om het stokje over te nemen van de in diskrediet gebrachte grote vakbondsfederaties.

In Italië, waar het proletariaat zeer belangrijke en massale strijd had geleverd (met name de ‘Hete Herfst’ van 1969), heeft de bourgeoisie dezelfde politiek van corporatistische inkadering gevoerd, door de coördinaties van de onderwijswerkers na 1987 te recupereren.

In Frankrijk, ondanks de nederlaag van de staking van de spoorwegarbeiders in 1986 (dankzij de sabotage van de ‘coördinaties’ bij de SNCF), kwam twee jaar later, in 1988, de strijdlust van de arbeiders opnieuw tot uitbarsting in een ander deel van de publieke sector, de ziekenhuizen. Geconfronteerd met een diepe en algemene onvrede over de vakbonden en het potentiële gevaar dat deze massale strijd zich zou kunnen uitbreiden naar de hele publieke sector, versterkte de heersende klasse opnieuw haar strategie om de arbeidersklasse op te delen en te verdelen. De Franse bourgeoisie kon gebruik maken van een nog onervaren en politiek ‘achtergebleven’ ziekenhuissector, de verpleegsters en verplegers, om elke poging tot éénwording in de ziekenhuizen op te sluiten en elke mogelijkheid van de beweging, om zich uit te breiden naar andere delen van de publieke sector, te saboteren.

Om de beweging in de ziekenhuissector te breken, bestond de manoeuvre van de bourgeoisie uit het aanbieden van een soort afkoopsom aan de verpleegkundigen (een loonsverhoging van 350 frank per maand, door het vrijgeven van een som van één miljard frank, die al in reserve was gehouden voor dit doel), terwijl andere categorieën in de ziekenhuizen die zich voor de beweging hadden gemobiliseerd, niets kregen! Deze nederlaag van de arbeidersklasse, gezien de historische tendens naar het ‘ieder voor zich’, kon alleen aan het proletariaat worden toegebracht dankzij het vuile werk van de zelfbenoemde ‘coördinatie van de verpleegkundigen’ die meteen met behulp van de CFDT was opgezet. Dit semi-vakbondsorgaan slaagde erin de woede van de verpleegsters en verplegers te laten ontsporen op het verrotte terrein van de verdediging van hun ‘status’ van ‘Bac plus 3’ om de herziening van hun loon te rechtvaardigen, terwijl hun beweging oorspronkelijk was uitgebroken tegen het gebrek aan personeel en de verslechtering van de omstandigheden die iedereen in de ziekenhuizen trof, zowel de ‘verpleegkundige’ als de ‘dienstverlenende’ sector. (Zie ons pamflet, “Bilan de la lutte des infirmières : les coördinations, la nouvelle arme de la bourgeoisie”). In de andere landen van Europa, waaronder Duitsland (met name in de automobielindustrie), bestond deze manoeuvre van de bourgeoisie erin om loonsverhogingen toe te kennen aan één categorie van werkers van hetzelfde bedrijf, met als doel de arbeiders te verdelen, de concurrentie tussen hen te versterken, de klassensolidariteit te ondermijnen en hen tegen elkaar uit te spelen.

Erger nog, met deze strategie van het verdelen van de arbeiders en het aanmoedigen van het ‘ieder voor zich’, konden de bourgeoisie en haar lakeien, de vakbonden, de nederlagen van de arbeidersklasse als overwinningen presenteren.

De revolutionairen mogen het machiavellianisme van de bourgeoisie in de evolutie van de krachtsverhouding tussen de klassen niet onderschatten. Dit machiavellianisme kan alleen maar doorgaan met het opvoeren van de aanvallen op de uitgebuite klasse. De stagnatie van de klassestrijd, vervolgens de teruggang ervan aan het eind van de jaren 1980, vloeide voort uit het vermogen van de heersende klasse om bepaalde uitingen van de ontbinding van de burgerlijke maatschappij, met name de neiging tot het ‘ieder voor zich’, tegen de arbeidersklasse te keren.

6) Sinds de teruggang van de eerste strijdgolf, zijn het vooral de democratische illusies (aangewakkerd door het tegenoffensief van de bourgeoisie en de vakbondssabotage) die het grootste obstakel zijn geweest voor de politisering van de strijd van de arbeidersklasse.

Zoals benadrukt in het artikel “The struggle of the proletariat in the period of decadence” (Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 23), wordt de arbeidersklasse geconfronteerd met verschillende factoren die de politisering van haar strijd bemoeilijken:

- De ware aard van het proletariaat, zowel een uitgebuite klasse, onteigend van alle bezittingen als een revolutionaire klasse, heeft er altijd toe geleid dat het klassebewustzijn niet van overwinning naar overwinning kan evolueren, maar zich slechts ongelijkmatig naar de overwinning kan ontwikkelen door een reeks van nederlagen, zoals Rosa Luxemburg betoogde.

In de periode van het verval:

  • kan de arbeidersklasse niet langer permanente massaorganisaties, politieke partijen en vakbonden in stand houden om haar belangen te verdedigen;
  • bestaat er niet langer een politiek ‘minimum’ programma zoals in de opgaande periode, maar slechts een ‘maximum’ programma. De burgerlijke democratie en haar nationale kader is niet langer een strijdperk voor de politieke actie van het proletariaat;
  • heeft de burgerlijke staat geleerd de voormalige arbeiderspartijen, die het proletariaat verraden hebben, op een intelligente manier te gebruiken tegen de politisering van de arbeidersklasse.

Bovendien, in de huidige periode:

- heeft de burgerlijke staat geleerd om het tempo van de economische crisis te vertragen, zijn aanvallen in overleg met de vakbonden te plannen en alle mogelijke middelen in te zetten om een gezamenlijk antwoord van de arbeidersklasse te voorkomen opdat deze zich de uiteindelijke politieke doelstellingen van zijn strijd tegen het kapitalisme niet opnieuw kan toeëigenen.

- alle krachten van het kapitalisme hebben zich ingespannen om de politisering van de arbeidersklasse te blokkeren door te verhinderen dat deze een verband legt tussen de economische strijd tegen uitbuiting en de weigering van de arbeiders in de centrale landen om zich achter de oorlogspolitiek van de bourgeoisie te scharen. Een bijzonder belangrijke manoeuvre in het begin van de jaren 1980 was de pacifistische campagne tegen het ‘Star Wars’ programma van Reagan. Toen de derde strijdgolf aan het einde van de jaren 1980 begon af te nemen, bracht een belangrijke gebeurtenis in de internationale situatie, de spectaculaire ineenstorting van het Oostblok en de stalinistische regimes in 1989, een harde klap toe aan de dynamiek van de klassestrijd, waardoor de krachtsverhouding tussen het proletariaat en de bourgeoisie in belangrijke mate veranderde ten voordele van de laatste. Deze gebeurtenis kondigde luidkeels aan dat het kapitalisme de laatste fase van zijn verval inging: die van de ontbinding. Toen het stalinisme instortte, verleende het nog een laatste dienst aan de bourgeoisie. Het stelde de heersende klasse in staat om een einde te maken aan de dynamiek van de klassestrijd die zich in de loop van twee decennia, met vooruitgang en teruggang, had ontwikkeld.

Daar het niet de strijd van het proletariaat was, maar de verrotting van de kapitalistische maatschappij, die een einde maakte aan het stalinisme, was de bourgeoisie in staat deze gebeurtenis aan te grijpen om een gigantische ideologische campagne te ontketenen om de grootste leugen in de geschiedenis te bestendigen: de identificatie van het kommunisme met het stalinisme. De heersende klasse heeft daarmee een uiterst gewelddadige klap toegebracht aan het bewustzijn van het proletariaat. De oorverdovende campagnes van de bourgeoisie over het zogenaamde ‘bankroet van het kommunisme’ hebben geleid tot een terugval van het proletariaat in de voortgang naar zijn historisch perspectief van de omverwerping van het kapitalisme. Ze waren een harde klap voor de klasse-identiteit van het proletariaat.

Deze diepe teruggang in het bewustzijn en de klassestrijd heeft zich gemanifesteerd in een afname van de strijdwil van de arbeiders in alle landen, een versterking van de democratische illusies, een zeer sterke toename van de greep van de vakbonden en een zeer grote moeilijkheid voor het proletariaat om terug te keren naar de weg van de massale strijd, ondanks de verergering van de economische crisis, de toename van de werkloosheid, de onzekerheid en de algemene verslechtering van de levensomstandigheden in alle sectoren en alle landen.

Bovendien werd het proletariaat, met de intrede in de laatste fase van het verval van het kapitalisme, geconfronteerd met het miasma van de ontbinding van de burgerlijke maatschappij, dat zijn vermogen om de weg terug te vinden naar zijn revolutionaire perspectief aantast. Op ideologisch vlak: “komen de verschil­lende elementen die de kracht van de arbeidersklasse bepalen in directe confrontatie met de verschillende aspecten van de ideolo­gische ontbinding:

  1. de solidariteit en collectieve actie, worden geconfronteerd met de versplintering, het ‘elk voor zichzelf’ de ‘individuele plantrekkerij’;
  2. de noodzaak van organisatie botst met sociale ontbinding, de desintegratie van de relaties, die de basis van het sociale leven vormen;
  3. het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst en in eigen kracht, wordt voortdurend ondergraven door de wanhoop en het nihilisme, die overal in de maatschappij aanwezig zijn;
  4. het bewustzijn, de helderheid, de samenhang van het denken, de drang naar theoretisch begrip, moeten zich een weg banen tussen de vlucht in illusies, drugs, sekten, mysticisme, de afwijzing of vernietiging van het denken, alle zo karakteristiek voor ons tijdperk.” (“Stellingen: De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme”; Internationale Revue nr. 13)

Met de teruggang van zijn revolutionaire perspectief en klasse-identiteit heeft het proletariaat ook het vertrouwen in zichzelf en in zijn vermogen om het kapitalisme effectief te bestrijden bij de verdediging van zijn levensomstandigheden grotendeels verloren.

7) Een van de objectieve factoren die het verlies van de klasse-identiteit van het proletariaat verergerde, was de politiek van delokalisatie en herstructurering van het productieapparaat in de belangrijkste landen van West-Europa en de Verenigde Staten. Veel grote concentraties van arbeiders werden ontmanteld door de sluiting van mijnen, staalfabrieken, autofabrieken, enz., allemaal sectoren waar de arbeidersklasse traditioneel massale en strijdbare gevechten gevoerd heeft. Deze industriële woestijnvorming ging gepaard met een versterking van de ideologische campagnes over het einde van de klassestrijd, en dus van elk revolutionair perspectief. Deze burgerlijke campagnes hebben zich kunnen ontwikkelen dankzij de stalinistische of sociaaldemocratische partijen die de arbeidersklasse decennialang alleen met de ‘fabrieksarbeiders’ hebben vereenzelvigd en zo het feit verhuld dat het de loonarbeid en de uitbuiting van de arbeidskracht zijn die de arbeidersklasse definiëren. Bovendien is het ‘witteboordenproletariaat’, met de ontwikkeling van nieuwe technologieën, veel meer verspreid over kleine productie-eenheden, waardoor het moeilijker wordt om massale strijd te doen ontstaan.

In zo'n situatie van teruggang van het klassebewustzijn van het proletariaat en van het revolutionaire perspectief dat zich steeds verder verwijdert, neigt het ‘ieder voor zich’ en de concurrentie om te overleven te midden van de groeiende economische teruggang de situatie te gaan domineren.

De toename van de werkloosheid en de werkonzekerheid heeft ook het verschijnsel van de ‘Uberisatie’ van het werk aan het licht gebracht. Door een internetplatform te gebruiken om een baan te vinden, verhult de ‘Uberisatie’ de verkoop van arbeidskrachten aan een baas als een vorm van ‘individueel ondernemerschap’, terwijl het de verarming en onzekerheid van deze ‘ondernemers’ versterkt. De ‘Uberisatie’ van het individuele werk is een sleutelfactor bij het versterken van de atomisering en het vergroten van de moeilijkheid om in staking te gaan, omdat de zelfuitbuiting van deze werkers hun vermogen om collectief te strijden en een solidariteit te ontwikkelen tegen kapitalistische uitbuiting aanzienlijk belemmert.

8) Met het faillissement van de Lehman Brothers bank en de financiële crisis van 2008 kon de bourgeoisie opnieuw een wig drijven in het bewustzijn van het proletariaat door de ontwikkeling van een nieuwe globale ideologische campagne. Ze had tot doel het idee in te prenten (naar voren gebracht door de linkse partijen) dat de ‘corrupte bankiers’ verantwoordelijk waren voor deze crisis en het zo voor te stellen alsof het kapitalisme wordt belichaamd door beurstraders en door de macht van geld.

De heersende klasse was dus in staat om de wortels van het falen van haar systeem te verbergen. Enerzijds probeerde zij de arbeidersklasse ertoe aan te zetten de ‘beschermende’ staat te verdedigen, aangezien de maatreglen om de banken te redden bedoeld waren om kleine spaarders te beschermen. Aan de andere kant is deze politiek van de redding van de banken, meer specifiek door links, ook gebruikt om met de vinger te wijzen naar regeringen die de bankiers en de financiële wereld proberen te beschermen.

Maar afgezien van deze misleidingen heeft deze campagne de arbeidersklasse nog machtelozer gemaakt tegenover een onpersoonlijk economisch systeem waarvan de algemene wetten schijnbaar niet te controleren of te wijzigen zijn.

9) De ontketening van de imperialistische conflicten in het Midden-Oosten, evenals de absolute ellende van de verarmde massa's in de landen van het Afrikaanse continent, hebben geleid tot een toenemende stroom vluchtelingen naar de landen van West-Europa. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan wordt het wegzakken van het kapitalisme in het verval geïllustreerd door de uittocht van stromen migranten uit de Latijns-Amerikaanse landen naar de Verenigde Staten.

Tegenover deze uitingen van de ontbinding van de kapitalistische maatschappij is er een nieuw gevaar voor het proletariaat opgedoken: de populistische ideologie gebaseerd op een rigoureuze ‘identitaire’ politiek van desolidarisering, waarbij wordt bepleit dat, in een situatie van verdiepende crisis waarin de ‘middelen’ en de ‘mogelijkheden’ kleiner worden, de ‘autochtone’ bevolking alleen maar het ergste kan vermijden ten koste van andere delen van de niet-uitbuitende bevolking. Deze politiek uit zich in protectionisme, de stigmatisering van immigranten als ‘profiteurs van de welvaartsstaat’ en het sluiten van de grenzen voor de stromen migranten.

De steeds openlijker afwijzing van de traditionele burgerlijke partijen en ‘elites’ heeft niet geleid tot een politisering van het proletariaat op het klasseterrein, maar tot een tendens om ‘nieuwe’ sterke mannen te zoeken op het terrein van de burgerlijke democratische verkiezingen. Deze ‘nieuwe mannen’ zijn grotendeels populistische demagogen en avonturiers (zoals Donald Trump). De opkomst van extreemrechtse partijen in verschillende Europese landen, evenals de opkomst van Trump in de Verenigde Staten, gekozen met veel stemmen van de arbeiders uit de ‘roestgordel’, laat zien dat sommige perifere sectoren van het proletariaat (vooral degenen die getroffen worden door werkloosheid) vergiftigd kunnen worden door het populisme, de vreemdelingenhaat, nationalisme en alle reactionaire en obscurantistische ideologieën die voortkomen uit de smerige verrotting van het kapitalisme.

De neiging tot het ‘elk voor zichzelf’ en tot de ontwrichting van de maatschappij heeft zich ook gemanifesteerd in het gevaar dat bepaalde sectoren van het proletariaat worden gemobiliseerd achter nationale of regionale vlaggen (zoals het gebeurde tijdens de onafhankelijkheidscrisis in Catalonië in 2018).

10) Vanwege de huidige grote moeilijkheden van de arbeidersklasse in de ontwikkeling van haar strijd, van haar huidige onvermogen om haar klasse-identiteit te herwinnen en een perspectief te openen voor de hele maatschappij, wordt het sociale terrein bezet door interklassistische gevechten die vooral de stempel dragen van de kleinburgerij. Deze sociale laag, zonder historische toekomst, kan alleen maar een vehikel zijn voor de illusies in de mogelijkheid om het kapitalisme te hervormen door te beweren dat het kapitalisme een meer ‘menselijker gezicht’ kan hebben, democratischer, rechtvaardiger en schoner kan zijn, zich meer kan bekommeren om de armen en het behoud van de planeet.

Deze interklassistische bewegingen zijn het product van de afwezigheid van ieder perspectief dat de maatschappij als geheel, inclusief een belangrijk deel van de heersende klasse zelf, aantast.

De volksopstand van de ‘Gele Hesjes’ in Frankrijk tegen de ‘hoge kosten van levensonderhoud’ en de internationale beweging van de ‘Youth for Climate’ vormen een illustratie van het gevaar van het inter-klassisme voor het proletariaat. De burgeropstand van de ‘Gele Hesjes’ (vanaf het begin gesteund en aangemoedigd door alle rechtse en extreemrechtse partijen) heeft aangetoond dat de bourgeoisie in staat is om interklassistische sociale bewegingen te gebruiken tegen het bewustzijn van het proletariaat.

Door een pakket van 10 miljard euro vrij te maken om de chaos bij de demonstraties van de ‘Gele Hesjes’ aan te pakken, konden de Franse bourgeoisie en haar media op verraderlijke wijze het idee aanwakkeren dat alleen interklassistische burgerbewegingen en kleinburgerlijke strijdmethoden de regering kunnen terugdringen.

Geconfronteerd met de versnelling van de economische aanvallen op de uitgebuite klasse en het gevaar van een heropleving van de arbeidersstrijd, probeert de bourgeoisie nu de klassetegenstellingen uit te wissen. Door te proberen het proletariaat te verdrinken en ‘op te lossen’ in de ‘burgerbevolking’, wil de heersende klasse voorkomen dat het zijn klasse-identiteit terugvindt. De internationale media-aandacht voor de beweging van de ‘Gele Hesjes’ laat zien dat dit een zorg is voor de bourgeoisie van alle landen.

Hoewel ze een globale bezorgdheid uitspreekt over de dreigende vernietiging van de mensheid, is de beweging van de jeugd voor het klimaat volledig omgeleid naar het terrein van de gedeeltelijke strijd, die gemakkelijk kan worden gerecupereerd door de bourgeoisie en die zeer sterk wordt gekenmerkt door de kleinburgerij.

 “Alleen het proletariaat draagt een perspectief voor de hele mensheid in zich. Zo beschouwd ligt de grootste bron van verzet tegen deze ontbinding in de rangen van het proletariaat. Dit betekent echter nog niet dat het proletariaat im­muun is, want het leeft naast de klein­burgerij, die één van de belangrijkste dragers van de infectie is. (…) Gedu­rende deze periode moet het de gevolgen van de ontbinding binnen de eigen ran­gen bestrijden, door alleen te vertrouwen op de eigen kracht en op zijn bekwaamheid om collectief en solidair zijn belangen te verdedigen als uitgebuite klasse.” (“Stellingen: De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme”; Internationale Revue nr. 13)

De strijd voor de klassezelfstandigheid van het proletariaat is cruciaal in deze situatie, die wordt opgelegd door de verergering van de ontbinding van het kapitalisme:

  • tegen de interklassistische strijd;
  • tegen de vormen van deelstrijd die vooropgezet worden door allerlei sociale categorieën en die een valse illusie geven van een ‘beschermende gemeenschap’;
  • tegen de mobilisaties op het verrotte terrein van het nationalisme, het pacifisme, de ‘ecologische’ hervormingen, enz.

In de krachtsverhouding tussen de bourgeoisie en het proletariaat is het altijd de heersende klasse die in het offensief is, behalve in een revolutionaire situatie. Ondanks haar interne moeilijkheden en de toenemende neiging om de controle over haar politieke apparaat te verliezen, is de bourgeoisie erin geslaagd om de manifestaties van de ontbinding van haar systeem te keren tegen het bewustzijn en de klasse-identiteit van het proletariaat. Daarom is de arbeidersklasse de diepe tegenslag nog niet te boven gekomen die zij heeft geleden sinds de ineenstorting van het Oostblok en van de stalinistische regimes. Dit is des te meer het geval omdat de democratische en antikommunistische campagnes, waaraan lange tijd werd vastgehouden, regelmatig werden aangewakkerd (bijvoorbeeld ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de Oktoberrevolutie van 1917).

11) Toch is de bourgeoisie, ondanks drie decennia van teruggang van de klassestrijd, er tot nog toe niet in geslaagd een beslissende nederlaag toe te brengen aan de arbeidersklasse, zoals in de jaren 1920 en 1930. Ondanks de ernst van de problemen, die in de huidige historische periode op het spel staan, is de situatie niet identiek aan die van de contrarevolutionaire periode. Het proletariaat van de centrale landen heeft geen fysieke nederlaag geleden (zoals het geval was tijdens de bloedige verplettering van de revolutie in Duitsland tijdens de eerste revolutionaire golf van 1917-23). Het is niet massaal gemobiliseerd achter nationale vlaggen. De overgrote meerderheid van de proletariërs is niet bereid om hun leven te offeren op het altaar van de verdediging van het nationale kapitaal. In de grote geïndustrialiseerde landen, zowel in de Verenigde Staten als in Europa, hebben de proletarische massa's zich niet aangesloten bij de imperialistische (en zogenaamde ‘humanitaire’) kruistochten van ‘hun’ nationale bourgeoisie.

De proletarische klassestrijd bestaat uit voor- en achteruitgang waarbij de arbeidersklasse ernaar streeft haar nederlagen te overstijgen, ervan te leren en opnieuw terug te keren tot de strijd. Zoals Marx in de “18e Brumaire” verklaarde

 “Burgerlijke revoluties, zoals die van de achttiende eeuw, stormen snel van succes tot succes. (…) Proletarische revoluties daarentegen, zoals die van de negentiende eeuw, kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegenover hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde onmetelijkheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt en de omstandigheden zelf roepen: Hic Rhodus, his salta!” (“De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte”; K. Marx)

Deze ‘omstandigheden’ die een ‘situatie zullen creëren die het onmogelijk maakt om terug te keren’ zullen in de eerste plaats worden bepaald door de uitputting van de lapmiddelen die de bourgeoisie tot nu toe in staat hebben gesteld om de ineenstorting van de wereldeconomie af te remmen. Om de voorwaarden voor het ontstaan van een periode van revolutionaire strijd te scheppen, is het inderdaad noodzakelijk dat de uitbuiters niet langer op de oude manier kunnen leven en regeren. Pas dan, wanneer de ‘onderste lagen’ het oude niet langer willen en de ‘bovenste lagen’ niet langer op de oude manier kunnen, pas dan kan de revolutie overwinnen.” (“De linkse stroming, een kinderziekte van het kommunisme”; Lenin)

De onverbiddelijke verergering van de armoede, de werkonzekerheid, de werkloosheid en de aanvallen op de waardigheid van de uitgebuitenen in de komende jaren vormen de materiële basis die de nieuwe generaties proletariërs ertoe kan aanzetten de weg van de strijd terug te vinden, die door de vorige generaties werd gevoerd ter verdediging van alle aspecten van hun levensomstandigheden. Ondanks alle gevaren die het proletariaat bedreigen, heeft de periode van ontbinding van het kapitalisme geen einde gemaakt aan de objectieve ‘omstandigheden’ die sinds het begin van de arbeidersbeweging de aanzet hebben gegeven tot de revolutionaire strijd van het proletariaat.

12) De verergering van de economische crisis heeft al een nieuwe generatie op het matschappelijk toneel gebracht, ook al gebeurde dit nog steeds op een zeer beperkte en embryonale wijze: in 2006 de studentenbeweging in Frankrijk tegen de CPE, vijf jaar later gevolgd door de beweging van de ‘Indignados’ in Spanje. Deze twee massale bewegingen van de proletarische jeugd herontdekten spontaan de strijdmethoden van de arbeidersklasse, met inbegrip van de debatcultuur in massale algemene vergaderingen die voor iedereen toegankelijk zijn.

Deze bewegingen werden ook gekenmerkt door solidariteit tussen de generaties (terwijl de studentenbeweging van de late jaren 1960, zeer sterk getekend door het gewicht van de kleinburgerij, zichzelf vaak zag in oppositie tot de generaties die voor de oorlog waren gemobiliseerd). Terwijl in de beweging tegen de CPE, de overgrote meerderheid van de studenten, die streden tegen het vooruitzicht van werkloosheid en werkonzekerheid, zichzelf als onderdeel van de arbeidersklasse had erkend, dan waren de Indignado's in Spanje (alhoewel hun beweging zich internationaal verspreidde via de sociale netwerken) zich er niet duidelijk van bewust dat ze tot de uitgebuite klasse behoren.

Terwijl de massale beweging tegen de CPE een proletarische reactie was op een economische aanval (die de bourgeoisie dwong zich terug te trekken door de CPE in te trekken), werd de beweging van de ‘Indignados’ in wezen gekenmerkt door een wereldwijde bezinning op het bankroet van het kapitalisme en de behoefte aan een andere maatschappij.

Onder deze nieuwe generatie is de klasse-identiteit van het proletariaat nog niet hersteld door het gebrek aan ervaring van deze jonge generatie, haar kwetsbaarheid voor de misleidingen van de ‘antiglobaliseringsideologie’ en haar moeilijkheid om de geschiedenis en ervaring van de arbeidersbeweging terug te winnen.

Toch zijn deze bewegingen begonnen de basis te leggen voor een langzame rijping van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse (en vooral onder haar jonge hoogopgeleide generaties) over de uitdagingen van de huidige historische situatie.

13) Een essentieel kenmerk van de ontwikkeling van het klassebewustzijn van het proletariaat was altijd zijn vermogen tot ondergrondse rijping, dat wil zeggen: het vermogen om zich buiten de periodes van open strijd en zelfs in periodes van een grote nederlaag te ontwikkelen. Het klassebewustzijn kan zich diepgaand ontwikkelen, in kleine minderheden, zonder dat het zich wijd verspreidt in het proletariaat. De ontwikkeling van het klassebewustzijn moet daarom niet alleen worden gemeten aan de hand van de onmiddellijke uitbreiding ervan in de klasse op een bepaald moment, maar ook aan de hand van de historische continuïteit. Zoals we in het artikel “Intern debat: Centristische toegevingen in de richting van het radenisme” al stelden: “Het is noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen wat deel uitmaakt van een continuïteit in de historische beweging van het proletariaat - de geleidelijke uitwerking van zijn politieke standpunten en zijn programma - en wat verband houdt met indirecte factoren - de mate van assimilatie en de impact ervan in de klasse als geheel”. (Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 42)

Het bestaan en de vastberaden handhaving van de organisaties van het linkskommunisme, onder de moeilijke omstandigheden van de ontbinding van het kapitalisme, zijn een uitdrukking van dit ondergrondse vermogen van het klassebewustzijn om zijn historische beweging te ontwikkelen in een periode van diepe desoriëntatie van het proletariaat, zoals we die vandaag de dag doormaken.

Deze ondergrondse rijping van het klassebewustzijn van het proletariaat manifesteert zich vandaag ook door de opkomst van kleine minderheden en jonge elementen op zoek naar een klasseperspectief en naar de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde.

De organisaties van de Kommunistische Linkerzijde mogen deze kleine minderheden niet negeren, ook al lijken ze onbetekenend te zijn. Het proces van decantatie in de periode van kapitalistische ontbinding verloopt veel trager en ongelijker dan aan het eind van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970.

De verderfelijke effecten van de ontbinding wegen door en het proletariaat staat trotseert grote gevaren maar“Het historische perspectief staat vandaag de dag nog volledig open. Ondanks de zware slag die de ineenstorting van het Oostblok aan het bewustzijn van het pro­letariaat heeft toegebracht, heeft de klasse geen belangrijke nederlagen op haar eigen strijdterrein geleden. (…) Boven­dien, en dit is het element dat in laatste instantie de uitkomst van de wereldsitua­tie zal bepalen, is de onverbiddelijk ver­ergerende kapitalistische crisis de be­langrijkste stimulans voor de klassestrijd en de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn, de voorwaarde voor de moge­lijkheid tot verzet tegen het ideologische vergif van de sociale verrotting. Terwijl zij zich niet als klasse kan éénmaken op het terrein van de deelstrijd tegen de effecten van de ontbinding, vormt de strijd tegen de directe gevol­gen van de crisis de basis voor de ont­wikkeling van de kracht en de eenheid van de klasse.” (“Stellingen: De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme”; Internationale Revue nr. 13)

14) In de economische en defensieve gevechten “Zegevieren van tijd tot tijd de arbeiders, maar slechts tijdelijk. Het eigenlijk resultaat van hun gevechten is niet de directe resultaten, maar de altijd verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders. Zij wordt bevorderd door de toenemende communicatiemiddelen, die door de grootindustrie worden voortgebracht en die de arbeiders van de verschillende streken met elkaar in verbinding brengt. Het is precies die verbinding die nodig was om de vele lokale worstelingen, die overal hetzelfde karakter vertonen, tot een nationale strijd tussen klassen te centraliseren. Iedere klassestrijd is echter een politieke strijd. En de vereniging waarvoor de burgers van de middeleeuwen met hun buurtwegen eeuwen nodig hadden, brengen de moderne proletariërs met de spoorwegen in weinige jaren tot stand.”

“Deze organisatie van de proletariërs tot klasse, en daardoor tot een politiek geheel, wordt ieder ogenblik weer verbroken door de concurrentie onder de arbeiders zelf. Maar zij herleeft telkens weer, sterker, vaster, machtiger.” (Het Kommunistisch Manifest)

De “toename van de verkeersmiddelen”die de werkers “met elkaar in verbinding brengt” om de lokale strijd te centraliseren betreft niet langer de spoorwegen, zoals in de tijd van Marx, maar de nieuwe digitale telecommunicatietechnologieën.

Als de effecten van de ‘globalisering’, de delokalisaties, het verdwijnen van hele industriële sectoren, de verspreiding in een veelheid van kleine productie-eenheden, de forse toename van kleine banen in de dienstensector, de werkonzekerheid en de ‘Uberisatie’ van het werk klappen hebben toegebracht aan de klasse-identiteit van het proletariaat van de oude industriële metropolen, dan bevatten de nieuwe economische, technologische en sociale omstandigheden, waarin het proletariaat zich vandaag de dag bevindt, elementen die gunstig zijn voor de herovering van deze klasse-identiteit op een veel grotere schaal dan in het verleden. De ‘globalisering’ en vooral de ontwikkeling van het internet, de schepping van een soort ‘globaal netwerk’ van kennis, vaardigheden, samenwerking op het gebied van werk, samen met het massaal reizen, vormen de objectieve basis voor de ontwikkeling van een klasse-identiteit op wereldschaal, vooral voor de nieuwe proletarische generaties.

15) Een van de belangrijkste redenen waarom het proletariaat er niet in geslaagd is zijn strijd en bewustzijn te ontwikkelen tot het niveau dat vereist wordt door de ernst van de historische situatie, is de breuk van de politieke continuïteit met de arbeidersbeweging van het verleden (en vooral met de eerste revolutionaire golf van 1917-1923). Deze breuk werd geïllustreerd door de zwakte van de revolutionaire organisaties van de linkskommunistische stroming die in de jaren 1920 en 1930 tegen het stalinisme hadden gestreden.

Dit betekent dat er een enorme verantwoordelijkheid ligt bij de huidige Kommunistische Linkerzijde om als brug te fungeren tussen de voormalige verdwenen partij (de IIIe Internationale) en de toekomstige partij van het proletariaat. Zonder de oprichting van deze toekomstige wereldpartij zal de proletarische revolutie onmogelijk zijn en zal de mensheid uiteindelijk worden opgeslokt door de barbaarsheid van de oorlog en/of de langzame ontbinding van de burgerlijke maatschappij.

 “Theoretisch hebben de kommunisten op de overige massa van het proletariaat voor dat zij inzicht hebben in de voorwaarden, de gang en de algemene resultaten van de proletarische beweging.” (Het Kommunistisch Manifest)

IKS / Mei 2019

Aktiviteiten van de IKS: 

Rubric: 

23ste Internationaal Congres van de IKS