Tegen het opportunisme en sektarisme: Hoe een organisatie opbouwen ter verdediging van het proletarisch perspectief

Printvriendelijke versie

In reactie op het artikel “De strijd van de linkerzijde binnen de oude sociaaldemocratische partij - Reactie op een brief van een lezer over de Duitse Revolutie”, heeft dezelfde lezer ons een brief geschreven, waarin hij nog wat dieper ingaat en kritiek levert op enkele onderwerpen die in het artikel zijn ontwikkeld.

Deze discussie lijkt over een onbelangrijke kwestie te gaan, maar dat is niet zo. Ze gaat in wezen over de rol van revolutionairen en hoe een revolutionaire organisatie kan worden opgebouwd. Uit de ervaringen van het verleden en met die van de fracties en opposities in de Tweede Internationale ten tijde en vlak na de Eerste Wereldoorlog kunnen we een hele reeks lessen trekken voor de taken van revolutionairen van vandaag. In die zin zullen we eerst zijn kritiek in detail bespreken om daarna te laten zien waarom deze gedachtewisseling zo belangrijk is in de huidige periode.

De kritiek van de lezer: de politiek van de Kommunistische linkerzijden na de Eerste Wereldoorlog

In het bovenvermelde artikel schrijven we over de Hongaarse Revolutie van 1919:“Om een nieuwe regering te kunnen vormen onderhandelden de sociaaldemocraten in 1919 met de kommunisten en besloten om hun twee partijen samen te brengen onder de naam Hongaarse Socialistische Partij. De nieuwe Socialistische Partij creëerde een regering, die de revolutionaire regeringsraad genoemd werd, en die de Hongaarse Radenrepubliek uitriep.”

Hierop stelt de lezer ons de vraag: “Vinden jullie deze samensmelting van de jonge Kommunistische partij, die nog volop haar weg aan het zoeken was, met de oude, in alle knepen van het politiek bedrijf ervaren sociaal-democratische partij en hun gezamenlijk uitroepen van de Hongaarse Radenrepubliek zonder zelfs maar enige consultatie van de arbeidersraden, echt een positieve zaak?” Citerend uit een brochure van de IKS, schrijft de kameraad: “Al in 1919 werd er een hoge prijs betaald voor de fusie van Hongaarse communisten en socialisten...” (The Dutch and German Left). Als argumentatie voegt hij eraan toe:“Als de Kommunistische partij zo vlug en zo gemakkelijk samensmolt met de oude sociaal-democratische partij en ook zelfs haar naam terug inleverde, waarom was de partij dan opgericht? Was deze oprichting een vergissing? Het samensmelten van de Kommunistische en de sociaal-democratische partij in Hongarije tot een nieuwe socialistische eenheidspartij lijkt wel een voorafspiegeling van de eenheidsfrontpolitiek van de leiding van de IIIe Internationale.”

De kameraad heeft gelijk dat de gebeurtenissen in Hongarije in het artikel een beetje te eenvoudig zijn voorgesteld. Een fusie van de Kommunistische met de sociaal-democratische partij kan inderdaad nauwelijks worden bestempeld als een versterking van de revolutie. Het was een bewuste manoeuvre van de opportunistische rechterzijde binnen de sociaal-democratie om de Kommunistische partij binnenboord te halen en op te nemen in de regering, om deze zo verantwoordelijk te kunnen maken voor de anti-revolutionaire maatregelen. In de door de sociaal-democraten beheerste regering hadden de paar kommunisten nauwelijks zeggenschap, maar fungeerden wel als een uithangbord ervoor.

Toch kon de hele sociaal-democratische partij in het voorjaar van 1919 nog niet bij de vuilnisbelt gezet worden. “De linkervleugel van de sociaal-democratische partij verdedigde een proletarisch standpunt en had de neiging om zich naar de communisten toe te ontwikkelen.” (“The Hungarian Revolution of 1919 (II): The example of Russia 1917 inspires the workers in Hungary”; Internationale Revue, Frans-, Engels-en Spaanstalige uitgave nr. 144). Dat betekende dat er nog een proletarische vleugel bestond in de Hongaarse sociaal-democratische partij en het was de taak van de communisten om te blijven vechten om de proletarische elementen daarbinnen voor de revolutionaire strijd te behouden.

In het artikel schrijven we verder: “De USDP fuseerde in 1920, met haar 1 miljoen leden, met de KPD en sloot zich aan bij de Kommunistische Internationale”.

Hierop stelt de lezer ons de volgende vragen: “Zijn jullie nu plotseling, in de vervalperiode van het wereldkapitalisme, voor massapartijen? Als er dan toch een argument van aantallen zou moeten gelden: bij de KAPD ging het, zoals gezegd, om de meerderheid binnen de KPD en dus zeker niet om een kleine groep, zeker niet om een sekte, maar om een reële partij met militanten in zowat alle sectoren van de arbeidersklasse. Vinden jullie nu plotseling dat de uitgeslotenen hadden moeten blijven proberen lid te blijven van de KPD?”

De kameraad stelt in feite dus twee vragen:

-Zijn we nu plotseling voor massapartijen in de vervalperiode van het kapitalisme? Het antwoord is: nee. De IKS is van opvatting dat er, tot aan de pre-revolutionaire periode, geen massapartij van het proletariaat kan bestaan. Daarna kan ze tot een min of meer omvangrijke partij uitgroeien. Maar ook dan zal ze maar een minderheid van de klasse verenigen (1).

-Vinden jullie dat de uitgesloten meerderheid in de KPD had moeten blijven? Het antwoord is: voor zover dat nog mogelijk was, ja. Hoe schandalig de manoeuvre van de KPD leiding op het congres van Heidelberg in oktober 1919 ook was, de KPD was daarmee niet overgegaan naar de bourgeoisie en was dus niet verloren voor het proletariaat. Hetzelfde geldt voor de IIIe Internationale waar de KPD lid van was.

In het artikel schrijven we tevens: “We zijn het eens met de kameraad als hij zegt dat “de revolutionaire partij al zeer laat werd opgericht” en dat “dit een grote zwakheid was”. Maar dit betekent geenszins dat “als de voorbereidingen voor een Kommunistische partij in augustus 1914 waren begonnen en niet in december 1918 (na het uitbreken van de revolutie) de hele ervaring in Duitsland ongetwijfeld anders zou zijn geweest”.

De kritiek van de lezer hierbij is: “Ik blijf erbij dat het geen goede beslissing was van de Spartakisten om zich aan te sluiten bij de USPD en zeker niet om zo lang te wachten met hun afscheiding van de USPD. Evenmin als binnen de SPD was de groep  rond Luxemburg en Liebknecht erin geslaagd om binnen de USPD een duidelijke fractie met een eigen pers te vormen.”

Daar voegt hij aan toe dat hij “het grotendeels oneens [is]met het tweede deel van het citaat. Want de kans is toch zeer groot dat de hele ervaring anders was geweest als de voorbereidingen voor de Kommunistische partij al in augustus 1914 zouden zijn begonnen.” 

Om de juiste lessen te kunnen trekken uit gebeurtenissen van het verleden, is het nodig om een blik te werpen op de geschiedenis. Maar als de communisten terugkijken naar het verleden, dan doen ze dat vanuit de optiek dat ze er zelf ook deel van uitmaken en vorm aan hebben gegeven: de communisten maken de geschiedenis. In zijn kritiek stelt de kameraad zich echter teveel op als een toeschouwer, als iemand die buiten de klassenstrijd staat en daar achteraf op terugkijkt. Daarmee verliest hij uit het oog dat de uiteindelijke beslissing om met de oude partij te breken altijd afhangt van de strijd die de linkervleugel voert tegen de opportunistische rechtervleugel. Uiteindelijk is het de ontwikkeling van de krachtsverhouding binnen de partij die erover beslist welke fractie de overhand krijgt en of de partij behouden kan worden voor het proletariaat. En de uitkomst van die strijd bepaalt uiteindelijk ook of de linkervleugel binnen de partij blijft of niet.

In het artikel schrijven we ook:“Te vroeg, en dus op een onheldere basis breken met de oude partij (zoals de Tribunisten in 1909 deden) kan net zozeer catastrofaal zijn als splitsing die te laat tot stand komt.”

De kameraad is daarmee “akkoord, ook al klinkt het woord “catastrofaal” wel wat overdreven in verband met de te vroege breuk met de oude partij door de Tribunisten.”

Toegegeven, de voortijdige breuk van de Tribunisten met de SDAP heeft niet geleid tot een catastrofe. Maar het mag duidelijk zijn dat de leden, die braken met de SDAP, en die later de SDP vormden, nog geenszins een ernstig fractiewerking hadden beoefend binnen de oude partij. En op grond van de standpunten, die zij toen verdedigden, was een dergelijke breuk ook niet gerechtvaardigd. Dit blijkt wel uit het feit dat de nieuwe partij zich, in eerste jaren van haar bestaan, nog immer baseerde op hetzelfde programma als dat van de SDAP. Dat het niet is uitgelopen op een catastrofe voor de Tribunisten is voor een groot deel te danken aan de linkervleugel binnen de SDP, te weten Pannekoek, Gorter en nog enkele andere militanten: zij hebben de SDP ervoor behoed in het sektarisme te verstikken. Er zijn echter teveel voorbeelden, ook in de geschiedenis van de IKS, van groepen die zich zonder grondige politieke redenen afsplitsten om vervolgens in het niets te verdwijnen.

Het mag inmiddels wel duidelijk zijn dat te laat breken met de oude partij catastrofale gevolgen kan hebben. Daarvoor hoeven we slechts te verwijzen naar de oprichting van de KPD in Duitsland nadat de revolutie al in volle gang was en de oprichting van de IIIe Internationale nadat de strijd in Duitsland, Hongarije en Italië al min of meer op een nederlaag was uitgelopen. Maar waarom kan een te vroege breuk, op een onheldere basis, en dus zonder een voorafgaand degelijk fractiewerk, ook catastrofaal aflopen voor de betreffende organisatie? Om dat duidelijk te kunnen maken is het nodig even terug te keren naar de geschiedenis van de Derde Internationale en de reactie van de Hollands-Duitse Linkerzijde tegenover haar ontaarding.

De Linkerzijde in de IIIe Internationale bestond voornamelijk uit een Hollands-Duitse en een Italiaanse Linkerzijde. De Italiaanse Linkerzijde ontwikkelde binnen de IIIe Internationale een zodanig ernstig werk, dat ze haar activiteiten op een georganiseerde wijze kon voortzetten, toen ze er in 1927van werd uitgesloten. Ze wist haar ervaring te gebruiken om collectief de lessen te trekken uit de voorbije revolutionaire golf en stappen te zetten in de richting van een toekomstige internationale c.q. partij (2). De Hollands-Duitse Linkerzijde daarentegen stond in 1920 reeds buiten de IIIe Internationale zonder een gedegen fractiewerking te hebben verricht binnen de oude partij. In plaats van een fractiewerking buiten de partij op te starten, richtte ze binnen een half jaar een nieuwe partij op.

Het gevolg was dat Hollands-Duitse Linkerzijde, een van de voornaamste pijlers onder de georganiseerde voortzetting van het werk van de Bond van Communisten, de Eerste, Tweede en Derde Internationale, binnen tien jaar nagenoeg was verdwenen. Wat er overbleef waren een aantal verspreide groepjes militanten, zonder enig georganiseerd verband. Daarmee hadden ze niet alleen zichzelf tot machteloosheid veroordeeld, maar ook de rijke nalatenschap van de arbeidersbeweging in de waagschaal gezet. Dat haar voluntaristische politiek niet uitdraaide op een catastrofe voor de hele georganiseerde arbeidersbeweging was nagenoeg alleen te danken aan de Italiaanse Linkerzijde, die wel in staat was om de Kommunistische nalatenschap onder haar hoede te nemen en als een brug te fungeren naar de toekomstige Kommunistische generaties (3).

De strijd voor de ontwikkeling en de eenheid van de revolutionaire politieke krachten?

De kritiek van de kameraad betreft de fractiewerking van de Kommunistische Linkerzijde in de IIe en de IIIe Internationale. Maar in tegenstelling tot de eerste decennia van de 20e eeuw bestaat er momenteel geen Internationale of, een ander woord voor hetzelfde, een revolutionaire partij. Er bestaan daarentegen wel een aantal groepen, die hun oorsprong vinden in de geschiedenis van de arbeidersbeweging of die meer recentelijk werden opgericht en die samen het proletarische politieke milieu vormen. Dit proletarische milieu is de politieke uitdrukking van “De bewustwording van het proletariaat van zijn eigen aard als revolutionaire klasse en van zijn vermogen om het Kommunistische perspectief werkelijkheid te doen worden”. De verschillende groeperingen, die er deel van uitmaken, vormen de bouwstenen voor de constructie van de toekomstige revolutionaire partij (4).

Het proletarische politieke milieu is niet, zoals de ICT het omschrijft, “het kleine aantal van ons dat al in een politieke organisatie is ingeschreven“ en zelfs niet “het spectrum van groepen dat betrekking heeft op de linkskommunistische standpunten”. Zelfs als ze bestaat uit verschillende groeperingen, het is geen optelling van deze groepen en organisaties, maar één ongedeeld geheel. Samen vertegenwoordigen ze, of ze dat nu erkennen of niet, de politieke dimensie in de historische wording van het revolutionaire proletariaat. “De verdediging van haar identiteit tegen de krachten van de contrarevolutie, het verwerpen van alle niet-proletarische praktijken daarin, zijn essentiële aspecten van het leven van elke revolutionaire organisatie.” (“7th Congress of the ICC: Resolution on the Proletarian Political Milieu, Introduction”- Internationale Revue, frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr.51)

Revolutionaire organisaties hebben de fundamentele politieke verantwoordelijkheid om dit proletarische politieke milieu en al haar verschillende stromingen en tendensen te verdedigen tegen de infiltratie van een burgerlijke of kleinburgerlijke ideologie, zowel op het vlak van de programmatische standpunten (ten aanzien van de vakbonden, de deelstrijd, het verval van het kapitalisme bijvoorbeeld), de organisatorische beginselen (zoals een internationalistische gerichtheid, een gecentraliseerde werking, een openheid naar politieke discussies en polemieken); en niet te vergeten op het vlak van de gedragingen, die onverenigbaar zijn met de arbeidersklasse (zoals fysiek geweld, intimidatie, het zoeken van zondebokken), en die haar optreden dus schaden.

De politieke dynamiek binnen het proletarische milieu wordt voortdurend, en dit geldt des te meer in de fase van de ontbinding  met zijn tendens van het ‘ieders voor zich’, ondermijnd door opportunistische en sektarische tendensen in zijn midden.

Sektarisme, zoals de weigering om elk debat aan te gaan met andere groeperingen in het proletarisch milieu en het afwijzen van de noodzaak van een fundamentele onderlinge solidariteit.

Opportunisme, zoals voortijdige splitsingen op een onheldere basis evenals overhaaste samenvoegingen (fusies) van groepen en organisaties waarbij echte meningsverschillen worden toegedekt.

Onder andere door deze twee tendensen gaat het proletarische milieu al tientallen jaren gebukt onder een grote verdeeldheid en worden zijn krachten hopeloos versnipperd.

Het bestaan van talrijke groeperingen in het huidige proletarisch milieu zou kunnen worden opgevat als een rijkdom. Het is echter een uitdrukking van armoede: van een onverantwoordelijk optreden tegenover de essentiële noodzaak om te beantwoorden aan het unitaire karakter van de arbeiders als de revolutionaire klasse. Iedere strijd voor de versterking van het proletarisch milieu, en meer bepaald voor haar eenmaking, veronderstelt daarom een onverzoenlijke en niet aflatende strijd tegen het sektarisme. Zo is het bijvoorbeeld hard nodig om komaf te maken met het bestaan van de verschillende ‘bordigistische’ groepen, die zich op geen enkele wijze fundamenteel van elkaar onderscheiden. Het sektarisme is een ware plaag voor het bestaande proletarische milieu (5).

Het is vooral de opportunistische tendens, die grote overeenkomsten vertoont met de strijd van de Linkerzijde binnen de sociaal-democratische organisaties na het verraad en de dood van de IIe Internationale. Zoals uit het eerste deel van dit artikel blijkt, stond de Linkerzijde tijdens en na de Eerste Wereldoorlog voor de taak om het proletarische leven binnen de sociaal-democratische partijen te verdedigen tegen de opportunistische rechterzijdes. En toen dit niet langer mogelijk bleek, was het in ieder geval de opdracht om zoveel mogelijk kameraden te behouden voor de revolutionaire strijd. Want een overgang van de sociaal-democratische partijen naar het burgerlijke kamp betekende dat de kameraden daarbinnen bijna zeker verloren waren voor de historische strijd van het proletariaat.

Ook in de huidige periode staan de revolutionairen voor de taak om te vechten tegen de ontaarding van bepaalde groeperingen van het proletarisch milieu en te voorkomen dat die overgaan naar het burgerlijke kamp. Dit betreft bijvoorbeeld de bordigistische groepen zoals de “Parti Communiste International”, die Le Prolétaire publiceert. Daarnaast moeten de revolutionairen ook systematisch de strijd opnemen tegen iedere opportunistische toegeving die andere groeperingen van het proletarische milieu doen aan de burgerlijke ideologie. Dit betreft bijvoorbeeld de ICT, de voormalige IBRP. De IKS voert die strijd onder meer door tussen te komen in de publieke bijeenkomsten van deze groepen en door middel van kritieken (op de website of in de krant) op de meest tegenstrijdige en gevaarlijke standpunten, die zij verdedigen.

Deze strijd voor de verdediging van het proletarische milieu houdt onder meer in zoveel mogelijk proletarisch leven en zoveel mogelijk Kommunistische militanten voor de strijd van de arbeidersklasse te behouden. In het geval van een centristische groep (die zich bedient van een links discours, maar in de dagelijkse praktijk het opportunisme verdedigt) kan dit betekenen dat de politiek van de revolutionairen erop gericht is om, door politieke confrontatie, een splitsing te bewerkstelligen tussen een linker- en rechtervleugel en de betreffende groep zo dus te doen uiteenspatten. 

De ontwikkeling van de revolutionaire krachten en de oprichting van een nieuwe Internationale (ofwel internationale Partij) behelst een vastberaden en onverzoenlijke strijd voor de verdediging van de politieke verworvenheden en voor de gestage uitdieping van de Kommunistische theorie. De strijd voor de geduldige versterking van de fundamenten van het proletarische milieu vormt daar een onlosmakelijk onderdeel van, want zonder een dergelijk fundament kan er geen revolutionaire theorie bestaan en is het onmogelijk om heldere politieke oriëntaties naar voren te schuiven voor de ontwikkeling van de strijd in de richting van de Kommunistische omwenteling.

Dennis / 2019.08.01

(1) In de oprichting van Kommunistische partijen gebruikte de Komintern de ‘brede' methode, die er “vooral op was gericht het onmiddellijk zoveel mogelijk mensen bijeen te brengen ten koste van de programmatische en prinselijke precisie, en moest leiden tot de oprichting van massapartijen, tot echte reuzen op lemen voeten, die echter bij de eerste de beste nederlaag, onder de invloed van het opportunisme, wel moesten terugvallen.” (“Internationalisme nr. 7 - Année 1946 - À propos du 1er congrès du Parti communiste internationaliste d'Italie”; Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 161)

(2) Zie vooral: “Rapport over de rol van de IKS als ‘Fractie’, 4. De fracties voortkomend uit de Kommunistische Internationale”; Internationale Revue nr. 27.

(3) Naast de Italiaanse Linkerzijde bestonden er nog wel enkele andere stromingen die aan een ernstige georganiseerde werking vasthielden. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de RSP die later, na een fusie met de OSP, omgedoopt werd tot de RSAP en waarin Sneevliet een centrale rol speelde.

(4) Hier is niet de plaats om uitgebreid uiteen te zetten hoe de vorming van een nieuwe internationale c.q. partij zal/moet gaan plaatsvinden.

(5) “The scourge of sectarianism in the internationalist camp”; Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 116.

Aktiviteiten van de IKS: 

Theoretische vraagstukken: 

Rubric: 

De opbouw van de politieke organisatie