Bilan: De Nederlands Linkerzijde en de overgang naar het communisme

Printer-friendly version

Na een vertraging die veel langer duurde dan we oorspronkelijk van plan waren, hervatten we het derde deel van de serie over communisme. Laten we kort in herinnering brengen dat het eerste deel, dat ook in het Engels en Frans in boekvorm is verschenen, begon met het bekijken van de ontwikkeling van het concept communisme van pre-kapitalistische samenlevingen tot de eerste utopische socialisten, en zich vervolgens richtte op het werk van Marx en Engels en de inspanningen van hun opvolgers in de Tweede Internationale om het communisme niet te begrijpen als een abstract ideaal, maar als een materiële noodzaak die mogelijk werd gemaakt door de evolutie van de kapitalistische maatschappij zelf.[1] Het tweede deel onderzoekt de periode waarin de marxistische voorspelling van de proletarische revolutie, die voor het eerst werd geformuleerd in de periode van de overheersing van het kapitalisme, werd geconcretiseerd door het aanbreken van het ‘tijdperk van oorlogen en revoluties’ dat in 1919 door de Communistische Internationale werd erkend.[2] Het derde deel heeft zich tot nu toe geconcentreerd op de aanhoudende poging van de Italiaanse Communistische Linkerzijde in de jaren 1930 om lering te trekken uit de nederlaag van de eerste internationale golf van revoluties, maar vooral van de Russische revolutie, en de implicaties van deze lessen voor een toekomstige periode van overgang naar het communisme.[3]

Zoals we vaak hebben benadrukt, was de Kommmunistische Linkerzijde in de eerste plaats het product van een internationale reactie tegen de ontaarding van de Communistische Internationale en haar partijen. De linkscommunistische groepen in Italië, Duitsland, Rusland, Groot-Brittannië en elders kwamen tot dezelfde kritiek op de achteruitgang van de Komintern in de richting van parlementarisme, vakbeweging en compromissen met de sociaal-democratische partijen. Er waren intense debatten tussen de verschillende linkse stromingen en enkele concrete pogingen tot coördinatie en hergroepering, zoals de oprichting van de Communistische Arbeiders Internationale in 1922, voornamelijk door groepen die waren afgestemd op de Duitse Communistische Linkerzijde. Maar tegelijkertijd was de snelle mislukking van deze nieuwe formatie het bewijs dat het tij van de revolutie aan het keren was en dat de tijd niet rijp was voor de oprichting van een nieuwe wereldpartij. Bovendien benadrukte dit overhaaste initiatief onder leiding van elementen binnen de Duitse beweging wat misschien wel de ernstigste verdeeldheid binnen de gelederen van het linkscommunisme was - de scheiding tussen haar twee belangrijkste uitingen, die in Duitsland en Italië. Deze scheiding was nooit absoluut: in de begindagen van de Communistische Partij van Italië waren er pogingen om begrip op te brengen voor en in debat te gaan met andere linkse stromingen; en elders hebben we gewezen op het debat tussen Bordiga en Korsch later in de jaren 1920.[4] Maar deze contacten werden minder naarmate de revolutie zich terugtrok en de twee stromingen op verschillende manieren reageerden op de nieuwe uitdagingen waarvoor ze zich gesteld zagen. De Italiaanse Linkerzijde was, terecht, overtuigd van de noodzaak om in de Komintern te blijven zolang die een proletarisch leven had en voortijdige splitsingen of het uitroepen van nieuwe en kunstmatige partijen te vermijden - precies de koers die de meerderheid van Duitse Linkerzijde volgde. Bovendien kon de opkomst van openlijk partijvijandige tendensen in de Duitse Linkerzijde, met name van de groep rond Rühle, de overtuiging van Bordiga en anderen alleen maar aanwakkeren dat deze stroming gedomineerd werd door anarchistische ideologie en praktijken. Ondertussen waren de Duitse linkscommunistische groepen, die neigden naar het definiëren van de hele ervaring van het Bolsjewisme en Oktober 1917 als uitingen van een verlate burgerlijke revolutie, steeds minder in staat om de Italiaanse Linkerzijde te onderscheiden van de hoofdstroom van de Communistische Internationale, niet in het minst omdat deze laatsten bleven beweren dat de plaats van de kommunisten binnen de Internationale was, vechtend tegen haar opportunistische koers.

De huidige ‘Bordigistische’ groepen hebben deze tragische en kostbare scheiding van wegen getheoretiseerd met hun volharding dat alleen zij de historische communistische linkerzijde vormen en dat de Duitse KAPD en haar uitlopers in werkelijkheid niets anders waren dan een kleinburgerlijke anarchistische afwijking. Groepen als de Internationale Communistische Partij (Il Partito) gaan zelfs zo ver dat ze een verdediging publiceren van Lenin's De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme, en dit aanprijzen als een waarschuwing voor ‘toekomstige afvalligen’[5]. Deze houding verraadt een nogal tragische miskenning van het feit dat de linkskommunisten als kameraden samen hadden moeten strijden tegen het steeds meer afvallige leiderschap van de Komintern.

Dit was echter in geen geval de houding van de Italiaanse Linkerzijde tijdens de theoretisch meest vruchtbare periode: de periode die volgde op de oprichting, in ballingschap uit fascistisch Italië, van de Linkerfractie aan het eind van de jaren 1920 en de publicatie van het tijdschrift Bilan tussen 1933 en 1938. In een “Ontwerpresolutie over internationale banden” in Bilan nr. 22 schreven ze dat "de internationalistische kommunisten van Nederland (de tendens Gorter) en elementen van de KAPD de eerste reactie vertegenwoordigen op de moeilijkheden van de Russische staat, de eerste ervaring van proletarisch beheer, door zich te verbinden met het wereldproletariaat door middel van een systeem van principes uitgewerkt door de Internationale". Ze concludeerden dat de uitsluiting van deze kameraden uit de Internationale "geen enkele oplossing voor deze problemen bracht".

Deze benadering legde de basis van proletarische solidariteit waarop het debat kon plaatsvinden, ondanks de zeer grote verschillen tussen de twee stromingen; verschillen die halverwege de jaren 1930 aanzienlijk groter waren geworden, toen de Nederlands-Duitse Linkerzijde zich ontwikkelde in de richting van de standpunten van het radencommunisme, waarbij niet alleen het Bolsjewisme maar ook de partijvorm zelf als burgerlijk werd gedefinieerd. Er waren nog meer moeilijkheden door de taal en een gebrek aan kennis van elkaars standpunten, met als resultaat, zoals we in ons boek The Italian Communist Left opmerken, dat de contacten tussen de twee stromingen grotendeels indirect waren.

Het belangrijkste contactpunt tussen de twee stromingen was de Ligue des Communistes Internationalistes in België, die in contact stond met de Groep van Internationale Communisten (GIC) en andere groepen in Nederland. Het is misschien veelzeggend dat de belangrijkste vrucht van deze contacten die in Bilan verscheen de samenvatting was, geschreven door Hennaut van de LCI, van het boek Grondbeginselen van de Communistische Produktion en Distributie[6]  van de GIC, en de broederlijke maar kritische opmerkingen over het boek in Mitchell’s serie "Problemen van de overgangsperiode". Voor zover wij weten heeft de GIC op geen van deze artikelen gereageerd, maar het is toch belangrijk om onszelf eraan te herinneren dat de premissen voor een debat werden gelegd op het moment dat de Grondbeginselen werden gepubliceerd, niet in de laatste plaats omdat er daarna heel weinig pogingen zijn gedaan om de discussie voort te zetten. [7] We moeten duidelijk maken dat dit artikel geen poging zal doen om een diepgaande of gedetailleerde analyse van de Grondbeginselen te maken. Het heeft het meer bescheiden doel om de kritiek op het boek, gepubliceerd in Bilan, te bestuderen en zo enkele mogelijke terreinen voor toekomstige discussie aan te geven.

De GIC onderzoekt de lessen van een nederlaag

Op de Parijse conferentie van de pas opgerichte linkscommunistische groepen in 1974 legde Jan Appel, de veteraan van de KAPD en de GIC, die een van de belangrijkste auteurs van de Grondbeginselen was, uit dat de tekst was geschreven als onderdeel van de poging om te begrijpen wat er mis was gegaan met de ervaring van het staatskapitalisme of "staatscommunisme zoals we het soms plachten te noemen" in de Russische revolutie, en om enkele richtlijnen vast te leggen die het mogelijk zouden maken om soortgelijke fouten in de toekomst te vermijden. Ondanks hun meningsverschillen over de aard van de Russische revolutie was dit precies wat de kameraden van de Italiaanse Linkerzijde motiveerde om een studie te maken van de problemen van de overgangsperiode, ondanks het feit dat ze maar al te goed begrepen dat ze door de diepste periode van de contrarevolutie gingen.

Voor Mitchell, net als voor de rest van de Italiaanse Linkerzijde, waren de GIC de ‘Nederlandse internationalisten’, kameraden die bezield waren door een diep engagement om het kapitalisme omver te werpen en te vervangen door een communistische maatschappij. Beide stromingen begrepen dat een serieuze studie van de problemen van de overgangsperiode veel meer was dan een intellectuele oefening op zichzelf. Het waren militanten voor wie de proletarische revolutie een realiteit was die ze voor hun ogen hadden gezien; ondanks haar verschrikkelijke nederlaag behielden ze het volste vertrouwen dat ze zou herrijzen, en ze waren ervan overtuigd dat ze dan gewapend moesten zijn met een duidelijk communistisch programma als ze de volgende keer wilden zegevieren.

Aan het begin van zijn samenvatting van de Grondbeginselen stelt Hennaut precies deze vraag: "lijkt het geen tijdverspilling om ons te kwellen met de maatschappelijk regels die de arbeiders zullen moeten opstellen als de revolutie eenmaal volbracht is, terwijl de arbeiders helemaal niet op weg zijn naar de eindstrijd, maar in feite het terrein dat ze gewonnen hebben weer aan de triomferende reactie afstaan? Sterker nog, is niet alles hierover al gezegd door de congressen van de Komintern? ... Natuurlijk, voor hen voor wie de hele wetenschap van de revolutie neerkomt op het onderscheiden van de waaier van manoeuvres die de massa's moeten volgen, moet deze onderneming bijzonder zinloos lijken. Maar voor hen die van mening zijn dat het preciseren van de doelen van de strijd een van de functies is van iedere emancipatiebeweging, en dat de vormen van deze strijd, haar mechanismen en de wetten die haar reguleren alleen volledig aan het licht gebracht kunnen worden voor zover de uiteindelijk te bereiken doelen verduidelijkt zijn, met andere woorden dat de wetten van de revolutie steeds duidelijker worden naarmate het bewustzijn van de arbeidersklasse groeit - voor hen is de theoretische inspanning om precies te definiëren wat de dictatuur van het proletariaat zal zijn een fundamentele noodzaak"[8].

Zoals gezegd was Hennaut geen lid van de GIC maar van de Belgische LCI. In zekere zin was hij goed geplaatst om op te treden als ‘tussenpersoon’ tussen Nederlands-Duitse en Italiaanse Linkerzijde, aangezien hij met beide overeenkomsten en meningsverschillen had. In een eerdere bijdrage aan Bilan[9], bekritiseerde hij de opvatting van de Italiaanse kameraden over de ‘dictatuur van de partij’ en legde hij de nadruk op de controle van de arbeidersklasse op het politieke en economische domein via haar eigen algemene organen zoals de raden. Tegelijkertijd verwierp hij Bilan’s opvatting van de USSR als een gedegenereerde arbeidersstaat en definieerde hij zowel het politieke regime als de economie in Rusland als kapitalistisch. Daar moet aan toegevoegd worden dat hij ook begonnen was met een proces van verwerping van het proletarische karakter van de revolutie in Rusland, waarbij hij de nadruk legde op het gebrek aan rijpheid van de objectieve omstandigheden, zodat "de Bolsjewistische revolutie werd gemaakt door het proletariaat, maar dat het geen proletarische revolutie was"[10]. Deze analyse lag vrij dicht bij die van de radenkommunisten, maar Hennaut onderscheidde zich ook van deze laatsten op een aantal belangrijke punten: helemaal aan het begin van zijn samenvatting maakt hij duidelijk dat hij het niet eens is met hun verwerping van de partij. Voor Hennaut zou de partij na de revolutie des te noodzakelijker zijn om de ideologische overblijfselen van de oude wereld te bestrijden, hoewel hij niet van mening was dat de zwakte van de GIC op dit punt het belangrijkste probleem met de Grondbeginselen was; en aan het einde van zijn samenvatting, in Bilan nr. 22, wijst hij op de zwakte van de opvatting van de GIC over de staat en hun enigszins rooskleurige visie op de omstandigheden waarin een revolutie plaatsvindt. Hij is echter overtuigd van het belang van de bijdrage van de GIC en doet een serieuze poging om ze nauwkeurig samen te vatten in vier artikelen. Het was duidelijk niet mogelijk om binnen het bestek van een dergelijke samenvatting alle rijkdom - en sommige van de schijnbare tegenstrijdigheden - in de Grondbeginselen over te brengen, maar hij slaagt er goed in om de essentiële punten van het boek te schetsen.

Hennaut’s samenvatting brengt het veelbetekenende feit naar voren dat de Grondbeginselen zich helemaal niet buiten de voorgaande tradities en ervaringen van de arbeidersklasse plaatst, maar zich baseert op een historische kritiek van verkeerde opvattingen die binnen de arbeidersbeweging waren ontstaan, en op praktische revolutionaire ervaringen - met name de Russische en Hongaarse revoluties - die vooral negatieve lessen hadden opgeleverd. De Grondbeginselen bevat dus een kritiek op de opvattingen van Kautsky, Varga, de anarcho-syndicalist Leichter en anderen, en probeert tegelijkertijd weer aansluiting te vinden bij het werk van Marx en Engels, in het bijzonder De kritiek van het programma van Gotha en de Anti-Dühring. Het begint met de eenvoudige stelling dat de uitbuiting van de arbeiders in de kapitalistische maatschappij volledig verbonden is met hun scheiding van de productiemiddelen via de kapitalistische maatschappelijke verhouding van loonarbeid. Sinds de periode van de Tweede Internationale was de arbeidersbeweging afgeweken van het idee dat de eenvoudige afschaffing van het privé-eigendom het einde van de uitbuiting betekende, en de Bolsjewiki hadden dit (foutieve) inzicht grotendeels toegepast na de Oktoberrevolutie.
Voor de Grondbeginselen kan de nationalisatie of collectivisatie van de productiemiddelen heel goed samengaan met loonarbeid en de vervreemding van de arbeiders van hun eigen product. Waar het dus om gaat is dat de arbeiders zelf, via hun eigen organisaties, die geworteld zijn in de werkplek, niet alleen beschikken over de fysieke productiemiddelen, maar over het hele maatschappelijk product. Maar om ervoor te zorgen dat het maatschappelijk product van het begin tot het einde van het arbeidsproces (beslissingen over wat te produceren en in welke hoeveelheden, distributie van het product inclusief de beloning van de individuele producent) in handen van de producenten blijft, was een algemene economische wet nodig die aan een strenge boekhouding kon worden onderworpen: de berekening van het maatschappelijk product op basis van de gemiddelde maatschappelijke noodzakelijke arbeidstijd. Hoewel het precies de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd is die aan de basis ligt van de ‘waarde’ van producten in de kapitalistische maatschappij, zou dit niet langer waardeproductie zijn, want hoewel de individuele ondernemingen een aanzienlijke rol zouden spelen bij het bepalen van hun eigen bijdrage aan de arbeidstijd die in hun producten zit, zouden de ondernemingen hun producten vervolgens niet op de markt verkopen (en de Grondbeginselen bekritiseert de anarcho-syndicalisten juist omdat ze de toekomstige economie zien als een netwerk van onafhankelijke ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door ruilrelaties). In de visie van de GIC zouden producten eenvoudigweg worden gedistribueerd in overeenstemming met de algemene behoeften van de maatschappij, die zouden worden bepaald door een congres van raden samen met een centraal bureau voor de statistiek en een netwerk van consumentencoöperaties. De Grondbeginselen benadrukt met klem dat noch het congres van raden noch het bureau voor de statistiek ‘gecentraliseerde’ of ‘staats’organen zijn. Hun taak is niet om de arbeid te bevelen, maar om het criterium van de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, grotendeels berekend op basisniveau, te gebruiken om toezicht te houden op de planning en distributie van het maatschappelijk product op wereldschaal. Een consequente toepassing van deze principes zou ervoor zorgen dat er in de volgende revolutie geen herhaling zou zijn van een situatie waarin " de machine uit onze handen glijdt" (de beroemde woorden van Lenin over het traject van de Sovjetstaat, geciteerd door de Grondbeginselen). Kortom, de sleutel tot de overwinning van de revolutie ligt in het vermogen van de arbeiders om directe controle over de economie te behouden, en het meest betrouwbare instrument om dit te bereiken is de regulering van productie en distributie door middel van de boekhouding van arbeidstijd.

Kritiek van de Italiaanse Linkerzijde

Zoals gezegd verwelkomde de Italiaanse Linkerzijde[11] de bijdrage van de GIC maar spaarde zijn kritiek op de tekst niet. Grofweg kan deze kritiek in vier rubrieken worden ondergebracht, hoewel ze allemaal naar andere kwesties leiden en nauw met elkaar samenhangen.

1. Een nationale visie op de revolutie.

2. Een idealistische kijk op de werkelijke omstandigheden van de proletarische revolutie.

3. Miskenning van het probleem van de staat en centralisme, en een nadruk op de economische ten koste van politieke kwesties.

4. Meer theoretische verschillen met betrekking tot de economie van de overgangsperiode: het overwinnen van de waardewet en de inhoud van het communisme; egalitarisme en de beloning van arbeid.

1. Een nationale visie op de revolutie

In zijn reeks "Parti-État-Internationale"[12] had Vercesi Hennaut en de Nederlandse kameraden al bekritiseerd omdat ze het probleem van de revolutie in Rusland vanuit een eng nationaal standpunt benaderden. Hij benadrukte dat er geen echte vooruitgang kon worden geboekt in de richting van een communistische maatschappij zolang de bourgeoisie de macht op wereldschaal in handen had - welke vooruitgang er onder proletarisch ‘beheer’ ook werd geboekt op één gebied, het kon niet definitief zijn:

"De fout die de Nederlandse linkskommunisten, en met hen kameraad Hennaut, naar onze mening maken is dat ze een in wezen steriele richting zijn ingeslagen, want het is fundamenteel voor het marxisme dat de grondslagen van een communistische economie zich alleen op wereldschaal aandienen en nooit gerealiseerd kunnen worden binnen de grenzen van een proletarische staat. Deze kan op economisch gebied ingrijpen om het productieproces te veranderen, maar kan dit proces op geen enkele manier definitief op communistische grondslag plaatsen, omdat de voorwaarden voor het realiseren van zo'n economie alleen op wereldschaal bestaan. Door te denken dat het mogelijk is om de economische taken van het proletariaat in één land uit te voeren schenden we  de essentie van de marxistische theorie. We zullen dit hoogste doel niet bereiken door de arbeiders te laten geloven dat ze, na de overwinning op de bourgeoisie, in staat zullen zijn om de economie in één land rechtstreeks te leiden en te beheren”[13].

In zijn serie werkte Mitchell dit thema verder uit:

"Terwijl het onbetwistbaar is dat een nationaal proletariaat bepaalde economische taken alleen kan vervullen na het installeren van zijn eigen heerschappij, kan de opbouw van het socialisme alleen op gang komen na de vernietiging van de machtigste kapitalistische staten, ook al kan de overwinning van een ‘arm’ proletariaat een enorme betekenis krijgen als het geïntegreerd wordt in het ontwikkelingsproces van de wereldrevolutie. Met andere woorden, de taken van een zegevierend proletariaat met betrekking tot de eigen economie zijn ondergeschikt aan de behoeften van de internationale klassenstrijd.

Het is opmerkelijk dat, terwijl alle echte marxisten de theorie van het ‘socialisme in één land’ hebben verworpen, de meeste kritiek op de Russische revolutie zich voornamelijk heeft gericht op de modaliteiten van de opbouw van het socialisme, waarbij eerder naar economische en culturele criteria wordt gekeken dan naar politieke, en wordt vergeten de logische conclusies te trekken die voortvloeien uit de onmogelijkheid van elke vorm van nationaal socialisme"[14].

Mitchell wijdde ook een groot deel van de serie aan het argumenteren tegen het Mensjewistische idee, grotendeels overgenomen door de radenkommunisten, dat de Russische revolutie niet echt proletarisch kon zijn omdat Rusland niet rijp was voor het socialisme. Tegenover deze benadering stelt Mitchell dat de voorwaarden voor de communistische revolutie alleen op wereldschaal kunnen worden gesteld en dat de revolutie in Rusland gewoon de eerste stap was geweest in een wereldwijde revolutie, noodzakelijk geworden door het feit dat het kapitalisme als wereldsysteem zijn periode van verval was ingegaan. Elk begrip van wat er was misgegaan in Rusland moet dus gesitueerd worden in de context van de wereldrevolutie: de ontaarding van de Sovjetstaat was in de eerste plaats niet het gevolg van de economische maatregelen van de Bolsjewiki, maar van het isolement van de revolutie. Volgens hem hadden de Nederlandse kameraden "een verkeerd oordeel over de Russische revolutie geveld, en vooral de reikwijdte van hun onderzoek naar de onderliggende oorzaken van de reactionaire evolutie van de USSR sterk ingeperkt. Ze zoeken de verklaring daarvoor niet in de onderstroom van de nationale en internationale klassenstrijd (een van de negatieve kenmerken van hun studie is dat ze een abstractie maken van de  politieke problemen), maar in het economische mechanisme."[15]

Kortom: er zijn grenzen aan de conclusies die we kunnen trekken uit de economische maatregelen die tijdens de Russische revolutie zijn genomen. Zonder de uitbreiding van de wereldrevolutie zouden zelfs de meest perfecte maatregelen het proletarische karakter van het regime in de USSR niet overeind hebben kunnen houden, en hetzelfde gold voor elk land, ‘geavanceerd’ of ‘achtergebleven’, dat geïsoleerd was in een wereld die gedomineerd werd door het kapitaal.

2. De werkelijke omstandigheden na de proletarische revolutie

We hebben opgemerkt dat Hennaut zelf wees op de neiging van de Nederlandse kameraden om de omstandigheden na een proletarische revolutie te vereenvoudigen: "het zou voor veel lezers kunnen lijken dat alles het beste van het beste is van alle mogelijke werelden. De revolutie marcheert voort, ze kan niet uitblijven en het is genoeg om de dingen aan zichzelf over te laten om het socialisme werkelijkheid te kunnen laten worden"[16]. Vercesi had ook betoogd dat ze de neiging hadden om de heterogeniteit in het klassenbewustzijn zelfs na de revolutie enorm te onderschatten - een fout die rechtstreeks verband hield met het feit dat de radenkommunisten de noodzaak van een politieke organisatie van de meer gevorderde elementen van de arbeidersklasse niet begrepen. Bovendien hield dit ook verband met de onderschatting door de Nederlandse kameraden van de moeilijkheden die de arbeiders ondervonden bij het direct in handen nemen van de productie. Mitchell van zijn kant stelt dat de Nederlandse kameraden uitgaan van een ideaal, abstract schema dat de stigmata van het kapitalistische verleden al uitsluit als basis voor de vooruitgang naar het communisme.

"We hebben al duidelijk gemaakt dat de Nederlandse internationalisten, in hun poging om de problemen van de overgangsperiode te analyseren, veel meer geïnspireerd zijn door hun verlangens dan door de historische werkelijkheid. Hun abstracte schema waarin ze als mensen, die volkomen in overeenstemming zijn met hun principes, de wet van waarde, de markt en geld uitsluiten, moet logischerwijs ook een ‘ideale’ verdeling van producten met zich meebrengen. Dat komt omdat voor hen ‘de proletarische revolutie de productiemiddelen collectiviseert en zo de weg opent naar het communistische leven; de dynamische wetten van de individuele consumptie moeten absoluut en noodzakelijk met elkaar verbonden zijn omdat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de wetten van de productie. Deze verbinding wordt ‘vanzelf’ tot stand gebracht door de overgang naar communistische productie’ (blz.72 van hun brochure)"[17]

Later richt Mitchell zich op de hindernissen die de instelling van gelijke beloning van arbeid tijdens de overgangsperiode in de weg staan. Kortom, voor de Nederlandse kameraden lopen de lagere fase en de hogere fase van het communisme volledig door elkaar:

"Tegelijkertijd hebben ze, door de dialectische analyse te verwerpen en over het probleem van het centralisme heen te stappen, uiteindelijk de betekenis van woorden veranderd, want waar ze naar kijken is niet de overgangsperiode, die vanuit het oogpunt van het oplossen van praktische problemen als enige interessant is voor marxisten, maar de hogere fase van het communisme. Het is dan gemakkelijk om te spreken over ‘een algemene maatschappelijke boekhouding die gebaseerd is op een economisch centrum waar alle stromen van het economische leven samenkomen, maar dat niet het recht heeft om de productie te sturen of te beslissen over de verdeling van het maatschappelijk product’” (blz. 100/101.). En ze voegen eraan toe dat ‘in de vereniging van vrije en gelijke producenten de controle over het economische leven niet voortkomt uit persoonlijkheden of instanties, maar voortvloeit uit de openbare registratie van de werkelijke loop van het economische leven. Dit betekent dat de productie wordt gecontroleerd door reproductie’. Met andere woorden, ‘het economische leven wordt door zichzelf gecontroleerd door middel van de gemiddelde sociale arbeidstijd’. Met zulke formuleringen kunnen de oplossingen voor de problemen van het proletarisch beheer helemaal niet vooruit komen, omdat de brandende vraag die aan het proletariaat wordt gesteld niet is om de mechanismen uit te werken die de communistische maatschappij reguleren, maar om de weg te vinden die daar naartoe leidt."[18]

Het is waar dat er een aantal passages in de Grondbeginselen staan waar de Nederlandse kameraden Marx’ onderscheid tussen de lagere en hogere fase van de overgangsperiode aanhalen; en ze erkennen wel degelijk dat er een proces is, een beweging naar integraal communisme waarin de noodzaak van arbeidstijdboekhouding bijvoorbeeld geleidelijk aan belang zal inboeten met betrekking tot individuele consumptie:

“Een van de meest kenmerkende eigenschappen van AMW-ondernemingen (zoals gezondheidszorg en onderwijs)  is het feit dat ‘nemen naar behoefte’ hier essentieel is. De omvang van het arbeidsuur speelt niet langer een rol bij de verdeling. Met de groei van het communisme zal dit type onderneming worden uitgebreid, zodat ook wordt gezorgd voor voedsel, persoonlijk vervoer, huisvesting, enzovoort, kortom: de bevrediging van algemene behoeften, op deze grond zal komen te staan. Deze ontwikkeling is een proces dat, voor zover het de technische kant van de taak betreft, snel kan plaatsvinden. Hoe meer de maatschappij in deze richting groeit, hoe meer producten volgens dit principe worden verdeeld, hoe minder de individuele arbeid de maatstaf zal zijn voor individuele consumptie. Hoewel arbeidstijd de maatstaf is voor individuele distributie, zal deze maatstaf in de loop van de ontwikkeling vernietigd worden[19]

En tegelijkertijd, zoals Mitchell hierboven opmerkt, hebben ze het over de ‘vrije en gelijke producenten’ die juist in de lagere fase over dit of dat beslissen, een tijd waarin echte vrijheid en gelijkheid worden bevochten door het georganiseerde proletariaat, maar nog niet definitief zijn veroverd. De term ‘vrije en gelijke producenten’ kan alleen echt worden toegepast op een maatschappij waarin er geen arbeidersklasse meer is.
Een voorbeeld van deze neiging tot vereenvoudiging is hun behandeling van het landbouwvraagstuk. Volgens dit deel van de Grondbeginselen zou de ‘boerenkwestie’, die zo'n grote last was voor de Russische revolutie, geen grote problemen opleveren voor de revolutie van de toekomst, omdat de ontwikkeling van de kapitalistische industrie de meerderheid van de boeren al heeft geïntegreerd in het proletariaat. Dit is een voorbeeld van een zekere eurocentrische visie (en zelfs in Europa was dit in de jaren 1930 verre van het geval) die geen rekening houdt met de enorme aantallen niet-uitbuitende, maar ook niet-proletarische massa’s die op wereldschaal bestaan en die de proletarische revolutie zal moeten integreren in de werkelijk gesocialiseerde productie.

3. De staat, centralisme en economisme

Spreken over het bestaan van andere klassen dan het proletariaat in de overgangsperiode doet onmiddellijk de vraag rijzen naar een semi-staat die onder andere tot taak zou hebben deze massa's politiek te vertegenwoordigen. Een ander gevolg van het abstracte schema van de Nederlandse kameraden is dus dat ze het probleem van de staat uit de weg gaan. Nogmaals, zoals we hebben opgemerkt, Hennaut ziet dat "de staat in het systeem van de Nederlandse kameraden een plaats inneemt die op zijn zachtst gezegd dubbelzinnig is."[20] Mitchell merkt op dat zolang er klassen bestaan, de arbeidersklasse de gesel van een staat zal moeten verdragen, en dat dit verbonden is met het probleem van centralisme:

"De analyse van de Nederlandse internationalisten verwijdert zich ongetwijfeld van het marxisme omdat ze nooit de fundamentele realiteit naar voren brengen dat het proletariaat gedwongen is de ‘gesel’ van de staat te verdragen totdat de klassen verdwenen zijn, dat wil zeggen, totdat het wereldkapitalisme opgeheven is. Maar het onderstrepen van zo'n historische noodzaak is toegeven dat staatsfuncties nog steeds tijdelijk vermengd zijn met centralisatie, ook al vindt dit plaats na de vernietiging van het kapitalistische onderdrukkingsapparaat en is het niet noodzakelijkerwijs in strijd met de ontwikkeling van het culturele niveau van de werkende massa's en hun vermogen om het heft in handen te nemen. In plaats van de oplossing voor deze ontwikkeling te zoeken in de werkelijke context van de historische en politieke omstandigheden, hebben de Nederlandse internationalisten geprobeerd deze te vinden in een toe-eigeningsformule die zowel utopisch als retrograde is en die niet zo duidelijk het tegenovergestelde is van ‘burgerlijk rechts’ als zij zich voorstellen".[21]

In het licht van de Russische ervaring waren de Nederlandse kameraden zeker terecht op hun hoede dat een centraal organiserend orgaan dictatoriale macht over de arbeiders zou kunnen krijgen. Tegelijkertijd verwerpen de Grondbeginselen de noodzaak van een vorm van centrale coördinatie niet. Ze hebben het over een centraal bureau voor statistiek en een ‘economisch congres van arbeidersraden’, maar deze worden voorgesteld als economische organen die belast zijn met eenvoudige coördinatietaken: ze lijken geen politieke of staatsfuncties te hebben. Maar door eenvoudigweg van tevoren te bepalen dat dergelijke centrale of coördinerende organen geen staatsfuncties op zich zullen nemen of daarmee verbonden zijn, verzwakken ze in feite het vermogen van de arbeiders om zichzelf te verdedigen tegen een reëel gevaar dat gedurende de hele overgangsperiode zal bestaan: het gevaar dat de staat, zelfs een ‘semi-staat’ die rigide wordt geleid door de unitaire organen van de arbeiders, en die zich steeds meer vormt tot een autonome macht ten opzichte van de maatschappij en opnieuw directe vormen van economische uitbuiting oplegt.

De notie van de postrevolutionaire staat komt kort voor in het boek (in feite in het allerlaatste hoofdstuk). Maar in de woorden van de GIC fungeert het " als een puur machtsapparaat van de dictatuur van het proletariaat. Het zal het verzet van de bourgeoisie breken ... maar heeft geen plaats in het beheer van de economie."[22]

Mitchell verwijst niet naar deze passage, maar het zou niet in tegenspraak zijn met zijn twijfels over de neiging van de GIC om de staat en de dictatuur van het proletariaat als identiek te beschouwen, een identificatie die volgens hem de arbeiders ontwapent ten gunste van de staat: "De actieve aanwezigheid van proletarische organismen is de voorwaarde om de proletarische staat in dienst van de arbeiders te houden en om te voorkomen dat hij zich tegen hen keert. Het ontkennen van het tegenstrijdige dualisme van de proletarische staat is het vervalsen van de historische betekenis van de overgangsperiode.

Sommige kameraden zijn daarentegen van mening dat er in deze periode een identificatie moet zijn tussen de arbeidersorganisaties en de staat. (zie: kameraad Hennaut’s ‘Aard en evolutie van de Russische staat’, Bilan blz.1121). De Nederlandse internationalisten gaan zelfs nog verder als ze zeggen dat aangezien ‘de arbeidstijd de maatstaf is voor de verdeling van het maatschappelijk product en het geheel van de verdeling buiten elke ‘politiek’ blijft, de vakbonden geen functie hebben in het communisme en de strijd voor de verbetering van de levensomstandigheden tot een einde zal zijn gekomen’” (blz.115 van hun brochure).
Het centrisme (van de aan Moskou gelieerde partijen) gaat ook uit van de opvatting dat, aangezien de Sovjetstaat een arbeidersstaat is, elke eis die door de arbeiders wordt gesteld een daad van vijandigheid tegenover ‘hun’ staat wordt, waardoor de totale ondergeschiktheid van de vakbonden en de fabriekscomités aan het staatsmechanisme wordt gerechtvaardigd."[23]

 De Nederlands-Duitse Linkerzijde was natuurlijk veel sneller met het erkennen dat de vakbonden onder het kapitalisme geen proletarische organen meer waren, laat staan in de overgangsperiode naar het communisme, waar de arbeidersklasse haar eigen unitaire organen (fabriekscomités, arbeidersraden enz.) zou hebben geschapen. Maar Mitchell’s fundamentele punt blijft volkomen geldig. Door de reis te verwarren met de bestemming, door andere niet-proletarische klassen en de hele complexe sociale heterogeniteit van de situatie na de opstand uit de vergelijking te schrappen en vooral door een bijna onmiddellijke de toestand van de opheffing van het proletariaat als uitgebuite klasse voor ogen te hebben, laten de Nederlandse kameraden, ondanks al hun antipathie tegen de staat, de deur open voor het idee dat gedurende de overgangsperiode de noodzaak voor de arbeidersklasse om haar directe belangen te verdedigen overbodig is geworden. Voor de Italiaanse Linkerzijde was de noodzaak om de onafhankelijkheid van vakbonden en/of fabriekscomités te bewaren ten opzichte van de algemene organisatie van de maatschappij - kortom, ten opzichte van de overgangsstaat - een fundamentele les van de Russische revolutie waar de ‘arbeidersstaat’ de arbeiders uiteindelijk onderdrukte.

Dit ontwijken of vereenvoudigen van de staatskwestie, net als het falen van de GIC om de noodzaak van de internationale uitbreiding van de revolutie te begrijpen, maakt deel uit van een bredere onderschatting van de politieke dimensie van de revolutie. De obsessie van de GIC is het zoeken naar een methode om maatschappelijke arbeid te berekenen, te verdelen en te belonen zodat centrale controle tot een minimum kan worden beperkt en de overgangseconomie op een semi-automatische manier kan evolueren naar een integraal communisme. Maar voor Mitchell is het bestaan van zulke wetten geen vervanging voor de groeiende politieke volwassenheid van de werkende massa's, van hun werkelijke vermogen om hun eigen richting aan het sociale leven te geven.

"De Nederlandse kameraden hebben inderdaad een onmiddellijke oplossing voorgesteld: geen economisch of politiek centralisme, dat alleen maar een onderdrukkende vorm kan aannemen, maar de overdracht van het beheer aan ondernemingsorganisaties die de productie coördineren door middel van een ‘algemene economische wet’. Voor hen vindt de afschaffing van uitbuiting (en dus van klassen) niet plaats via een lang historisch proces waarin de deelname van de massa’s aan het maatschappelijk bestuur onophoudelijk toeneemt, maar via de collectivisering van de productiemiddelen, op voorwaarde dat dit gepaard gaat met het recht van de fabrieksraden om over de productiemiddelen en het maatschappelijk product te beschikken. Maar afgezien van het feit dat deze formulering haar eigen tegenstrijdigheid bevat - omdat het erop neerkomt dat de integrale collectivisatie (eigendom van iedereen maar van niemand in het bijzonder) wordt geplaatst tegenover een soort beperkte, ‘collectivisatie’, verspreid onder maatschappelijke groepen (de naamloze vennootschap is ook een gedeeltelijke vorm van collectivisering) - heeft ze eenvoudigweg de neiging om een juridische oplossing (het recht om over de ondernemingen te beschikken) te vervangen door een andere juridische oplossing, de onteigening van de bourgeoisie. Maar zoals we al gezien hebben, is de onteigening van de bourgeoisie slechts de eerste voorwaarde voor de maatschappelijke omvorming (ook al is volledige collectivisatie niet onmiddellijk realiseerbaar), en de klassenstrijd zal doorgaan zoals voor de revolutie, maar op politieke grondslagen die het proletariaat in staat zullen stellen om haar een beslissende richting op te leggen."[24]

Achter deze afwijzing van de politieke dimensie van de klassestrijd zien we een fundamenteel verschil tussen de twee takken van de Communistische Linkerzijde in hun begrip van de overgang naar het communisme. De Nederlandse kameraden erkennen de noodzaak van waakzaamheid tegenover de overblijfselen van " een sterke neiging, geërfd van de kapitalistische productiewijze,  om de beschikkingsbevoegdheid bij een centraal autoriteit te leggen."[25] Maar deze verhelderende paragraaf verschijnt midden in een onderzoek naar boekhoudmethoden in de overgangsperiode, en in het boek als geheel is er weinig besef van de immense strijd die nodig zal zijn om de gewoonten van het verleden te overwinnen, evenals hun materiële en maatschappelijke verpersoonlijking in klassen, lagen en individuen die min of meer vijandig staan tegenover het communisme. In de visie van de GIC lijkt er weinig behoefte te zijn aan een politieke strijd, een confrontatie tussen botsende klassenstandpunten, binnen de organen van de arbeidersklasse, op de werkplek of op een breder maatschappelijk vlak. Dit komt ook overeen met hun afwijzing van de noodzaak van communistische politieke organisaties, van de klassenpartij.

We zullen enkele van de meer theoretische problemen van de economische dimensie van de communistische transformatie bekijken in het tweede deel van dit artikel.[26]

 

CD Ward

 

[3] Zie de artikelen in deze serie in International Review nrs. 127-132

[4] Zie artikel uit deel twee van de serie, Unravelling the Russian enigma: 1926-36 in International Review nr. 105.

[6] Bilan nrs. 19, 20, 21, 22, 23.

[7]Van de studies over de Grondbeginselen kunnen we Paul Mattick's inleiding uit 1970 bij de Duitse heruitgave van het boek noemen. The Dutch and German Communist Left, uit 2001, bevat ook een hoofdstuk over de Grondbeginselen. Dit gedeelte laat de continuïteit zien van onze opvattingen met de kritiek op de tekst die voor het eerst naar voren kwam in Mitchell’s artikelen.

De eerste versie van de “Gondbeginselen van de communistische productie en distributie”, met een inleiding van Mattick, bestaat niet in het Nederlands Grundprinzipien kommunistischer Produktion und Verteilung.

De versie uit 1935 is wel in het Nederlands Grondbeginselen van de communistische productie en distributie.

[11] We moeten hier preciezer zijn: Mitchell, zelf een voormalig lid van de LCI, maakte eigenlijk deel uit van de Belgische fractie die zich afsplitste van de LCI over de kwestie van de oorlog in Spanje. In een van zijn artikelen over de overgangsperiode (Bilan nr. 38) uitte hij kritiek "op de kameraden van Bilan", omdat hij vond dat ze niet genoeg aandacht hadden besteed aan het economische aspect van de overgangsperiode.

[13] Bilan nr. 21, geciteerd in “Communism Vol. 3, Part 4 - The 1930s: debate on the period of transition”, International Review nr. 127

[14] Bilan  nr. 37, opnieuw gepubliceerd als Italian Left 1936: Problems of the period of transition in International Review nr. 132

[15] Bilan nr. 35, opnieuw gepubliceerd als Communism Vol. 3, Part 8 - The problems of the period of transition (IV) in International Review nr. 131

[19] Grundprinzipien, blz. 68: “Die Vergesellschaftung der Verteilung”

[22] Grundprinzipien, Kapitel 19, blz. 139 “Vermeintliche Utopie”

[25] Grundprinzipien, Kapital 10, "Die sachliche Kontrolle".

Politieke stromingen en verwijzingen: 

Ontwikkeling van proletarisch bewustzijn en organisatie: 

Recent en lopend: 

Rubric: 

Het communisme is geen mooi ideaal