Geen oplossing voor de ecologische catastrofe zonder de emancipatie van de arbeid van de kapitalistische uitbuiting

Printvriendelijke versie

De overweldigende consensus van de serieuze wetenschappelijke opinie is dat we nu al een wereldwijde ecologische catastrofe van ongekende proporties tegemoet gaan. Dit is niet de plaats om alle verschillende aspecten te ontleden van de ramp waar de mensheid mee te maken heeft, van de vervuiling van de zee, de lucht en de rivieren tot de dreigende uitroeiing van talloze planten- en diersoorten, met als dieptepunt de dreiging van het steeds snellere proces van opwarming van de aarde. Het volstaat te zeggen dat de combinatie van al deze tendensen, als ze niet worden tegengegaan, de planeet zelf onbewoonbaar zou kunnen maken en op zijn minst ongeschikt voor het in stand houden van een fatsoenlijk menselijk bestaan.

Het is echter onze stelling dat het niet voldoende is om dit probleem te onderzoeken door de bril van de ecologie, of de natuurwetenschappen, alleen. Om de onderliggende oorzaken van de ecologische verwoesting te begrijpen, en de mogelijkheid om deze om te keren, moeten we hun verband begrijpen met de bestaande maatschappelijke verhoudingen, met het economische systeem dat de aarde regeert: het kapitalisme. En dat betekent voor ons dat we de enige echt wetenschappelijke benadering moeten gebruiken om de structuur en de dynamiek van de menselijke samenleving te begrijpen - de methode van het marxisme. Een uitstekend uitgangspunt hierbij is de essay van Friedrich Engels uit 1876 ‘De rol van arbeid in de overgang van aap naar mens’, een onvoltooide beweging die is opgenomen in een bredere onvoltooide symfonie, ‘The Dialectics of Nature’ [1].

Engels’ essay is de toepassing van het idee dat alleen de beschouwing van het menselijk verleden vanuit het standpunt van een klasse van de arbeid - en van geassocieerde arbeid in het bijzonder - het mogelijk maakt om het opkomst van de menselijke soort te begrijpen. In tegenstelling tot de mechanistische opvatting dat dit het resultaat is van de geïsoleerde ontwikkeling van het menselijk brein - zowel de groei in omvang en complexiteit als het eenvoudige resultaat van willekeurige mutaties - stelt Engels dat de mens uiteindelijk zichzelf maakt; dat het de dialectische interactie is tussen hand en hersenen in de collectieve productie van gereedschappen en de transformatie van onze natuurlijke omgeving die de ‘mechanische’ capaciteiten van het brein, de beweeglijkheid van de menselijke hand, en de evolutie van een specifiek menselijk bewustzijn bepaalt. In dit bewustzijn wegen geplande, doelgerichte activiteit en culturele overdracht zwaarder dan de meer instinctieve handelingen van eerdere diersoorten.

“Uiteraard stellen wij het niet in vraag dat dieren de capaciteit hebben om op een geplande wijze te handelen. Integendeel, een geplande manier van handelen bestaat embryonaal zodra er protoplasma, levend eiwit, bestaat en reageert, en dus besliste, ook al zijn het extreem simpele, bewegingen stelt uitvoert als resultaat van externe stimulansen. Zo’n reactie vindt plaats zelfs indien er nog geen cel bestaat, zelfs geen zenuwcel. Er is een element van geplande actie in de wijze waarop insecten-etende planten hun prooi vangen, alhoewel ze dit vrij onbewust doen. Bij dieren staat de capaciteit voor bewuste, geplande acties, in verhouding tot de ontwikkeling van hun zenuwstelsel, wat onder zoogdieren een sterke ontwikkeling kan vormen.... Maar alle geplande acties van dieren zijn er nooit in geslaagd om de stempel van hun wil op te leggen aan de aarde. Dat werd overgelaten aan de mens [2].

Samengevat zien we dat de dieren hun omgeving slechts gebruiken en daarmee veranderingen aanbrengen omwille van hun aanwezigheid. De mensen brengen wijzigingen aan die nuttig zijn voor zichzelf, ze beheersen de omgeving. Dat is het essentiële verschil tussen de mens en andere dieren, en eens te meer is het de arbeid die leidt tot dit verschil.”

Het staat buiten kijf dat de mensheid deze capaciteiten heeft verworven door collectieve activiteit, door associatie. Met name Engels stelt dat de evolutie van de taal - een voorwaarde voor de ontwikkeling van het denken en de culturele overdracht van de ene generatie op de andere - alleen kan worden begrepen in de context van een zich ontwikkelende sociale verbondenheid:

“Zoals reeds gezegd leefde onze apen voorouders in troepen. Het is duidelijk dat het onmogelijk is de oorsprong van de mens, de meest sociale van alle dieren, te zoeken bij onmiddellijke voorouders die niet in troepen leefden. De heerschappij over de natuur, die begint met de ontwikkeling van de hand, met de arbeid, verbreedde de horizon van de mens met iedere nieuwe stap vooruit. Hij ontdekte voortdurend, tot dan toe ongekende eigenschappen van de dingen in de natuur. Aan de andere kant bracht de ontwikkeling van arbeid de leden van de maatschappij dichter bij elkaar, doordat het aantal gevallen waarbij wederzijdse ondersteuning en gezamenlijke activiteit nodig was, toenam. En doordat het voordeel voor ieder individu van gezamenlijke activiteit duidelijk werd. Om kort te gaan, de mens in wording belandde op een punt waar men iets tegen elkaar te zeggen had. Deze noodzaak leidde tot de schepping van haar orgaan. Door aanpassingen werd het onderontwikkelde strottehoofd van de aap langzaam maar zeker veranderd ten behoeve van steeds verder ontwikkelde aanpassingen, en de organen van de mond leerden langzamerhand de ene verstaanbare letter na de ander uit te spreken.”

Het menselijk vermogen om de natuur te transformeren heeft haar enorme evolutionaire en historische voordelen gebracht, waardoor ze ontegenzeggelijk de dominante soort op de planeet is geworden. Van het gebruik van vuur tot het domesticeren van dieren en het zaaien van gewassen; van de bouw van de eerste steden tot de ontwikkeling van uitgestrekte productie- en communicatienetwerken die de hele planeet zouden kunnen verenigen: dit waren de noodzakelijke etappes in het ontstaan van een wereldwijde menselijke gemeenschap die gebaseerd is op de verwezenlijking van het creatieve potentieel van al haar leden, met andere woorden, van de kommunistische toekomst, die Marx en Engels hebben voorspeld en waarvoor ze gevochten hebben.

Een waarschuwing tegen arrogante veronderstellingen

En toch is ‘De rol van arbeid in de overgang van aap naar mens’ allesbehalve een arrogante lofzang op de menselijke superioriteit. In de voetsporen van Darwin begint ze met het erkennen dat alles wat uniek menselijk is ook zijn wortels heeft in de capaciteiten van onze dierlijke voorouders. En bovenal geeft Engels, van zodra hij het fundamentele onderscheid tussen mens en dier heeft opgemerkt, een waarschuwing af die een zeer duidelijke weerklank heeft in het licht van de huidige ecologische crisis:

“We moeten echter niet overdrijven als we het hebben over de menselijke overwinningen op de natuur. Voor elke overwinning neemt de natuur wraak. Iedere overwinning, en dat klopt, leidt aanvankelijk tot de resultaten die we verwacht hadden, maar daarna heeft het soms erg verschillende onvoorziene gevolgen die maar al te vaak het eerste resultaat teniet doen. De mensen die in Mesopotamië, Griekenland of Klein-Azië, de bomen kapten om vruchtbare landbouwgrond te creëren, konden niet inschatten dat door het verwijderen van de bomen de reservoirs van vocht zouden verdwijnen wat de basis vormde voor de huidige slechte staat van de grond. Toen de Italianen in de Alpen de bossen op de zuidelijke hellingen gebruikten, en de bossen op de noordelijke hellingen onaangeroerd lieten, hadden ze er geen besef van dat ze op deze wijze de basis van de zuivelindustrie in de regio aantastten, laat staan dat ze beseften dat ze de bergen de mogelijkheid ontnamen om water op te slaan tijdens het regenseizoen of om de enorme regenval te verwerken bij stevige regenval. Diegenen die de aardappel naar Europa brachten, beseften niet dat ze met deze plant ook een vorm van tuberculose meebrachten. Bij iedere stap worden we eraan herinnerd dat de natuur zich niet laat veroveren zoals een vreemd volk dat doet, maar dat wij, als vlees, bloed en hersenen, deel uitmaken van de natuur en midden in de natuur leven waarbij onze heerschappij enkel bestaat uit het feit dat we op andere wezens het voordeel hebben dat we de lessen van de natuur kunnen leren en correct kunnen toepassen.”

In deze passage geeft Engels ons een concreet voorbeeld van de marxistische theorie van de vervreemding, die gebaseerd is op de erkenning dat, in gegeven maatschappelijke omstandigheden, het product van de eigen arbeid van de mens een vijandige kracht kan worden, een vreemde kracht die zich aan zijn controle onttrekt en tegen hem optreedt. Zonder in te gaan op de verder teruggrijpende oorsprong van deze menselijke zelfvervreemding, kunnen we met zekerheid zeggen dat de kwalitatieve ontwikkeling van dit proces samenhangt met de opkomst van klasse-uitbuiting, waarbij degenen die arbeid verrichten per definitie gedwongen worden niet voor zichzelf te produceren, maar voor een klasse die de macht en de rijkdom van de maatschappij in handen heeft. En het is geen toeval dat de ontwikkeling van uitbuiting en van vervreemde arbeid verbonden is met de voortschrijdende vervreemding van de mensheid van de natuur. De voorbeelden van “onvoorziene gevolgen” van de productie die Engels ons in de zojuist geciteerde passage geeft, zijn vooral ontleend aan pre-kapitalistische vormen van de klassenmaatschappij, en juist onder deze eerdere vormen van beschaving vinden we het eerste duidelijke voorbeelden van een milieurampen, die door de mens zijn veroorzaakt.

“De eerste gevallen van extensieve ecologische vernietiging vallen samen met de eerste stadsstaten. Er is aanzienlijk bewijsmateriaal dat het echte ontbossingproces dat beschavingen zoals de Sumerische, de Babylonische, de Singalese en andere toestond om zich te ontwikkelen op basis van grootschalige landbouw ook, op langere termijn, een aanzienlijke rol speelde in hun verval en hun verdwijning. [3]

Maar dit waren, relatief gezien, lokale rampen. In tegenstelling tot de vorige productiewijzen wordt het kapitalisme, door zijn diepste innerlijke drang, gedwongen om de hele planeet te domineren. Zoals het staat in het Kommunistisch Manifest:

“De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van haar producten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknopen...

De bourgeoisie rukt door de snelle verbetering van alle productiemiddelen, door het immens gemakkelijker verkeer alle, ook de meest barbaarse volken in de kring van de beschaving. De goedkope prijzen van haar waren zijn de zware artillerie, waarmee zij alle Chinese murentegen de grond schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren totovergave dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen temaken, wanneer zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bijzich in te voeren, d.w.z. bourgeois te worden. Met één woord, zij schept zich een wereld naarhaar eigen beeld.”

Deze noodzaak om te ‘globaliseren’ heeft echter ook geleid tot de ‘globalisering’ van de milieuramp. Voor Marx was de kapitalistische maatschappelijke verhouding het toppunt van het hele proces van vervreemding, want nu is de uitbuiting van menselijke arbeid niet meer gericht op een persoonlijke relatie tussen meester en dienaar, zoals in de vorige klassenmaatschappijen, maar op de expansie en groei van een fundamenteel onpersoonlijke macht – ‘Het Kapitaal’, oftewel het winstsysteem.  De universele opkomst van de productie voor de markt en voor de winst betekent dat de neiging om de resultaten van de productie aan de controle van de producent te onttrekken zijn ultieme punt heeft bereikt. Bovendien wordt de kapitalistische uitbuiter, hoewel hij profiteert van de opbrengsten van de uitbuiting, zelf ook gedreven door de meedogenloze concurrentie om de winst, en is hij uiteindelijk slechts de verpersoonlijking van het kapitaal. We worden dus geconfronteerd met een productiewijze, die als een moloch uit de hand loopt en die zowel de uitbuiter als de uitgebuite dreigt te verpletteren.

Omdat het kapitalisme wordt gedreven door de meedogenloze eisen van de accumulatie (wat het ‘economische groei’ noemt), kan het nooit komen tot een rationele, globale controle van het productieproces, gericht op de belangen van de mensheid op lange termijn. Dit geldt vooral in een periode van economische crisis, waarin voor alle koortsachtig concurrerende kapitalistische en nationale eenheden de druk steeds onweerstaanbaarder wordt om door te dringen tot de laatste ongerepte gebieden van de planeet en hun hulpbronnen te plunderen.

Het extreme punt in de vervreemding van de arbeider in het productieproces wordt zo weerspiegeld in de meest extreme vervreemding van de mensheid van de natuur. Zoals de arbeidskracht van de arbeiders tot een waar wordt gemaakt en onze intieme behoeften en gevoelens als potentiële markten worden gezien, zo ziet het kapitalisme de natuur als een groot pakhuis dat naar believen kan worden beroofd en geplunderd om de moloch van de accumulatie te voeden. We zien nu de uiteindelijke gevolgen van de illusie om over de natuur te heersen ‘als over een vreemd volk’: het kan er alleen maar toe leiden dat ‘de natuur wraak neemt’ op een schaal die veel groter is dan in elke voorgaande beschaving, aangezien deze wraak zou kunnen uitmonden in de uitroeiing van de mensheid zelf.

‘De controle terugnemen’

Laten we teruggaan naar de laatste passage uit Engels, waar hij schrijft dat “Bij iedere stap worden we eraan herinnerd dat de natuur zich niet laat veroveren zoals een vreemd volk dat doet, maar dat wij, als vlees, bloed en hersenen, deel uitmaken van de natuur en midden in de natuur leven waarbij onze heerschappij enkel bestaat uit het feit dat we op andere wezens het voordeel hebben dat we de lessen van de natuur kunnen leren en correct kunnen toepassen. Zo gaat hij verder: In feite verwerven we iedere dag een grotere kennis en beter begrip van de natuurwetten waardoor we een zicht krijgen om de meer directe maar ook de meer afgeleide gevolgen van onze tussenkomst in de normale gang van de natuur. Dat geldt zeker na de enorme vooruitgang van de natuurwetenschappen sinds het begin van deze eeuw, waardoor we meer dan ooit tevoren in een positie zitten waarbij we ons realiseren, en er dus controle over hebben, dat er afgeleide natuurlijke gevolgen zijn van onze dagelijkse activiteiten.”

De paradox van het kapitaal is dat de ontwikkeling van de wetenschap onder haar bewind ons weliswaar in staat heeft gesteld de natuurwetten in ongekende mate te begrijpen, maar dat we steeds machtelozer lijken te worden om ze “correct toe te passen”.

Voor Engels was het vermogen om de gevolgen van onze productie te beheersen natuurlijk afhankelijk van de omverwerping van het kapitalisme en de toe-eigening van de wetenschap door de revolutionaire arbeidersklasse. Maar Engels, die ervan overtuigd was dat de overwinning van de socialistische revolutie niet ver weg was, kon de tragedie van de eeuwen daarna niet voorzien: de nederlaag van de eerste poging tot wereldwijde proletarische revolutie, en de verlenging van het kapitalistische systeem dat een zodanig niveau van verval heeft bereikt dat het de grondslagen zelf van een toekomstige kommunistische maatschappij ondermijnt. In de nachtmerrie die het kapitalisme in verval voor onze ogen vormgeeft, wordt de wetenschappelijke kennis van de natuurwetten, die zou kunnen en moeten worden gebruikt voor het welzijn van de mensheid, steeds vaker ingezet om het toenemende onheil te verergeren, door deze om te buigen naar de intensivering van de uitbuiting van mens en natuur. Ofwel voor het creëren van angstaanjagende vernietigingswapens die zelf een grote ecologische bedreiging vormen. Een maatstaf voor het verval van het kapitalisme is namelijk juist deze groeiende kloof tussen het potentieel dat wordt gecreëerd door de ontwikkeling van de productiekrachten - waarvan de wetenschap een essentieel onderdeel is - en de manier waarop dit potentieel wordt geblokkeerd en vervormd door de bestaande maatschappelijke verhoudingen.

Op zichzelf is zelfs de meest belangeloze wetenschappelijke kennis machteloos om het tij van de plundering van de natuur te keren. Vandaar dat de eindeloze waarschuwingen van bezorgde wetenschappelijke instanties over het smelten van de gletsjers, het vergiftigen van de oceanen of het uitsterven van de soorten eindeloos worden genegeerd of tegengewerkt door het echte politiek van kapitalistische regeringen wier hoofdregel altijd ‘uitbreiden of sterven’ is. Het maakt daarbij niet uit of deze regeringen nu wel of niet worden geregeerd door grove ontkenners van de klimaatverandering zoals Trump of door serieuze liberalen en zelfverklaarde socialisten.

De oplossing voor de ecologische crisis - die in toenemende mate niet los kan worden gezien van de onomkeerbare economische crisis van het kapitalisme en zijn streven naar een imperialistische oorlog - kan alleen tot stand komen als de mensheid ‘de controle terugneemt’ door middel van de afschaffing van de kapitaalaccumulatie, met al zijn uiterlijke verschijningsvormen, niet in de laatste plaats het geld, de staat, en alle nationale grenzen. De arbeid moet zich bevrijden van de kapitalistische uitbuiting: het hele productieproces moet worden georganiseerd op basis van de behoeften van de producenten en hun interactie op lange termijn met de rest van de natuur.

Dit is een voorwaarde voor het voortbestaan van onze soort. Maar het is ook veel meer dan dat. In de laatst geciteerde passage gaat Engels verder: “Hoe sterker dit ontwikkelt, hoe meer we ons niet enkel zullen één voelen met de natuur, maar ook weten dat we deel uitmaken van de natuur, waardoor het onmogelijk zal zijn om een tegenstelling te zien tussen de geest en de materie, de mens en natuur, de ziel en het lichaam, tegenstellingen die ontstonden na de neergaan van de klassieke oudheid in Europa en hun hoogste ontwikkeling kenden in het christendom.”

Hier keert Engels terug naar enkele van de meest gedurfde hypothesen van de jonge Marx over de aard van het kommunisme. Het volledig verwezenlijkte kommunisme betekent de ontvoogding van de arbeid niet alleen in de zin van het opheffen van de klasse-uitbuiting: het vereist ook de transformatie van de arbeid, van een boetedoening naar een genoegen, de ontketening van de menselijke creativiteit. En dit is op zijn beurt de voorwaarde voor de subjectieve transformatie van de menselijke soort, die zijn eenheid met de natuur zal ‘aanvoelen en weten’.

Dergelijke begrippen brengen ons in een verre toekomst. Maar het zal alleen onze toekomst worden als de klasse die haar belichaamt, het wereldproletariaat, in staat is om te vechten voor haar specifieke belangen, om zijn gevoel voor zichzelf als klasse te herontdekken en om een perspectief te formuleren voor zijn strijd. Dit zal betekenen dat zijn onmiddellijke, defensieve strijd meer en meer de strijd tegen kapitalistische onderdrukking en barbarij in al hun vormen zal moeten omvatten. Tegelijkertijd kan het proletariaat alleen door te strijden op zijn eigen klasse terrein al die lagen van de maatschappij achter zich krijgen, die de kannibalisering van de natuur door het kapitalisme een halt willen toeroepen. De erkenning dat het kapitalisme een bedreiging vormt voor al het leven op de planeet zal centraal staan in deze verbreding van de klassenstrijd naar een politieke en sociale revolutie.

 Amos 

Voetnoten

[1] Friedrich Engels, De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens, 1976

[2] Antropologen, geologen en andere wetenschappers hebben de term "Antropoceen" bedacht om een nieuw geologisch tijdperk aan te duiden waarin de mens definitief zijn wil heeft opgelegd aan de atmosfeer, het klimaat en de biologie van de Aarde. Zij hebben verschillende momenten voorgesteld om deze overgang van het Holoceen naar het Antropoceen te markeren, waarbij sommigen de uitvinding van de landbouw als cruciaal beschouwden, terwijl anderen kozen voor het begin van de industriële revolutie, dat wil zeggen het begin van het kapitalistische tijdperk, maar die ook een fase omvat van aanzienlijke versnelling na 1945.

 [3]  IKS, Het kapitalisme vergiftigt de aarde, Internationale Revue nr. 20

Rubric: 

Ecologie & milieu