Op de avond van 14 december kondigde de RTBF het einde van België aan; het Vlaamse parlement zou gestemd hebben voor de onafhankelijkheid. Het was pas een half uur later dat de RTBF de kijkers op de hoogte bracht door een ondertitel te plaatsen: ‘dit is wellicht fictie’. De verontwaardigde reacties van de belangrijkste politieke leiders waren gespeeld. Wie kan er nu geloof aan hechten dat deze mensen niet op de hoogte waren van de inhoud van deze ‘politieke fictie’? Ze staat al tien jaar in de steigers, en het centrale thema ervan, het uiteenspatten van België, was toch niet aan zijn proefstuk op de nationale zenders? Buiten de groteske dramatisering ervan door de media en de politieke middens om de boodschap over te brengen, moet er vooral worden vastgesteld dat deze ‘elektroshock’-uitzending over het communautaire vraagstuk niet zomaar uit de lucht is komen vallen: ze vond plaats op het moment zelf dat de ganse bevolking en de arbeidersklasse van het land zich zorgen maakte over de brutale slag die aan de arbeiders van VW werd toegebracht. De RTBF had er beter aan gedaan om haar uitzending als volgt te ondertitelen: ‘Dit is absoluut geen toeval’.
De communautaire spanningen hebben natuurlijk hun historische wortels in de vorming van de Belgische staat (zie onze artikels over dit vraagstuk in Internationalisme, nr. 319, 321 en 323). Het was een contrarevolutionaire en kunstmatige schepping, op getouw gezet door de grootmachten van die tijd, als een benepen en niet vooruitstrevend kader, ongunstig voor de industrialisering en de invoering van moderne sociale verhoudingen. Het is vooral de intrede van het verval van het kapitalisme die onvermijdelijk het inherente gebrek aan samenhang van de ‘Belgische natie’ zal blootleggen en de tendens zal inzetten om de tegenstellingen binnen de bourgeoisie steeds verder op de spits te drijven. De verbreiding van de ontbinding en van het ‘ieder voor zich’ op het einde van de twintigste eeuw versterkt deze middelpuntvliedende krachten en de communautaire spanningen nog verder en maakt het zoeken naar het opleggen van evenwicht steeds moeilijker. En dat mondt regelmatig uit in het feit dat de regionale fracties van de Belgische bourgeoisie en hun politieke partijen met getrokken messen tegenover elkaar staan.
Maar ondanks deze voortdurende moeilijkheden, die onlosmakelijk verbonden zijn aan de vorming van haar staat, is de Belgische bourgeoisie er altijd in geslaagd om haar eigen zwakheden op een magistrale manier uit te spelen tegen de arbeidersklasse. Dat realiseert ze door zelfs van de communautaire verdelingen en tegenstellingen een van haar speerpunten te maken bij de inkapseling en sabotage van de arbeidersstrijd. Al vijftig jaar worden deze systematisch gebruikt om de eenmaking van de arbeidersklasse op haar strijdterrein te beletten, door in te spelen op de verschillen tussen de regio’s: het regionalistische wapen was een krachtig middel om de strijd tegen de mijnsluitingen onder controle te houden en ongevaarlijk, eerst in Wallonië en later in Vlaansderen, daarna van de staalnijverheid in Wallonië en vervolgens van de scheepswerven in Vlaanderen. En vandaag hameren de burgerlijke media er de hele dag op dat ‘het onderwijs beter zou zijn in Vlaanderen’, dat ‘minder werklozen gesanctioneerd worden in Wallonië’, enzovoort. Evenzo is het één van de inkapselingsvormen van de vakbonden; ze scheiden de arbeiders niet alleen van elkaar per sector en per bedrijf, maar ook per streek.
Maar de verschrikkelijke agressie tegen de arbeiders van VW druiste juist diametraal in tegen deze tendens: door de geografische positie van de fabriek (Brussel) en vooral door de samenstelling van de arbeidskracht uit bijna gelijke delen van arbeiders uit de beide regio’s, kon de kaart van de regionalistische misleiding, de verdeling tussen Walen en Vlamingen, niet worden uitgespeeld bij het opleggen van de herstructureringsmaatregelen bij VW. In tegendeel zelfs, via de aanval op zich, maar ook via de uitingen van solidariteit die uit alle regio’s kwamen, begon het bewustzijn onder de arbeiders te kiemen over het feit dat de vijand niet de Waalse of Vlaamse arbeider was, maar een perspectiefloos systeem en dat de kracht om zich te verdedigen daaruit wordt geput dat ze tot een klasse behoren: tegen alle sectoriële, regionale en nationale verdelingen. Dat vormt de belangrijkste inzet van de komende strijd. Een begin van bewustwording dus waarbij ter discussie wordt gesteld wat historisch gezien één van de fundamentele dammen is die de Belgische bourgeoisie heeft opgeworpen tegen de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, vooral in de vervalperiode (een bewustwording die patroons, vakbonden en partijen trouwens probeerden in te perken door het idee te laten insijpelen dat de Duitse arbeiders verantwoordelijk zouden zijn voor de keuze van VW om eerder in België dan in Duitsland te ontslaan). Voor de bourgeoisie kwam het er absoluut op aan om dit inzicht ten koste van alles te voorkomen door de traditionele tegenstellingen weer in het centrum van de belangstelling te plaatsen om de arbeiders opnieuw te strikken in de netten van het burgerlijke bedrog.
Om al deze redenen mag de arbeidersklasse zich niet inlaten met de veelvuldige misleidingen die in deze campagne is ontwikkeld, noch zich illusies te maken over het komende verkiezingscircus. Want daar zullen wij zien hoe aan de ene kant het regionale getetter zal worden opgedreven, en aan de andere kant dat over de noodzaak om samenhang van de staat te bewaren. Met het trekken van lering uit het conflict bij VW moeten de arbeiders de strijd voortzetten en zich inspannen om alle valstrikken van de bourgeoisie te doorzien, als stappen vooruit in het parcours van de herovering van hun gevoel tot een klasse te behoren.
Januari 2007
Bijna twee maanden zijn de arbeiders van VW-Vorst in staking geweest tegen de drastische afslanking van het bedrijf. Met gevoelens van hoop en vertwijfeling werden zij als een speelbal heen en weer geslingerd tussen patronaat, regering en vakbonden, tussen Duitse, Spaanse, Belgische, en nog tal van andere nationale en regionale belangen. Voor de arbeiders is het vandaag belangrijk lessen te trekken uit deze strijdervaring. Eén ding staat vast: met vereende kracht hebben de burgerlijke partijen en organisaties er alles aan gedaan om de strijdbaarheid van de arbeiders te bekoelen en om de realiteit van de economische crisis die aan de basis ligt van de herstructureringsplannen te verdoezelen. Voor hen kwam het erop aan het failliet van het kapitalistische marktmechanisme weg te moffelen en de woede van de arbeiders op te vangen in de perspectiefloze ‘actie’-methodes van de vakbonden. En vooral de dynamiek naar de opbouw van een echte solidariteit – deze tussen de arbeiders onderling en niet die met het kapitaal in moeilijkheden – te dwarsbomen.
De media schrijven bladzijdenlang over de “hemeltergend hoge vertrekpremies”, de “superhoge lonen” van de VW-Vorst-arbeiders. Waar ze echter als vermoord over zwijgen is dat de herstructureringsmaatregelen die in VW-Vorst aangekondigd worden een uittekening zijn van hetgeen niet alleen de overblijvende VW-arbeiders maar ook de ganse arbeidersklasse te wachten staat.
De inlevering wordt immers bijzonder zwaar: slechts 2000 à 2200 jobs zullen overblijven van de ongeveer 5200 rechtstreekse werknemers. In 2009, als alles goed verloopt, zou er in totaal terug voor 3000 man werk zijn, zo wordt er beloofd, weliswaar voor een deel in andere meer precaire contracten. 950 werknemers gaan met brugpensioen, maar volgens de regels van het nieuwe generatiepact. 1950 verlaten op ‘vrijwillige basis’ het bedrijf, met voor de eerste 1500 een oprotpremie als beloning. Voor de meeste onder hen met werkloosheid als enig perspectief. Voor de blijvers is er een systeem van ‘langdurige tijdelijke werkloosheid’ maar vooral, bovenop de 33% productiviteitsstijging die de arbeiders reeds realiseerden in de periode 2001-2005 en de nieuwe regeling inzake flexibiliteit sedert de zomer van 2006 (werktijden tot 10 uur per dag en 48 uur per week), wordt er een nieuwe CAO afgesloten met lagere loon- en productiekosten. De productievoorwaarden zouden in 2009 gelijk moeten zijn met die van de VW-vestiging in het oostelijk Duitse Mosel waar de loonkosten 16,9 euro per uur bedragen tegenover 23,8 euro vandaag voor VW-Vorst. Met andere woorden: een bijzonder harde opdrijving van productiviteit, flexibiliteit met wellicht tot meer dan 20% loonsverlaging er bovenop. En dan zwijgen we nog over de vele duizenden arbeiders van de toeleveringsbedrijven die grotendeels aan hun lot worden overgelaten en voor het overgrote deel ontslagen zullen worden aan veel slechtere voorwaarden nog als hun collega’s bij VW. Indien VW jarenlang door de bourgeoisie als een modelbedrijf geprezen werd op het vlak van loon- en arbeidsvoorwaarden en werkzekerheid staat het ongetwijfeld nu model voor wat diezelfde bourgeoisie ons vandaag nog kan aanbieden: verregaande offers voor een systeem dat volledig op de dool is.
De media schrijven bladzijdenlang over de interne politiek van VW, de specifieke problemen van de automobielsector, het getouwtrek tussen de noden van de Belgische en Duitse economie, de zogenaamd overdreven winsten bij VW. Waarover men echter zwijgt is de realiteit van de crisis van het kapitalistische systeem, de wezenlijke oorzaak achter de herstructurering van VW.
Zo legt de socialistische metaalvakbond de verantwoordelijkheid voor dit bloedbad niet bij de patroons en de burgerlijke staat maar bij de Duitse arbeiders zelf en ‘hun’ bonden, die om de ‘Duitse banen’ te redden de ‘Belgische jobs’ bij VW-Vorst zouden opgeofferd hebben! Een afschuwelijke leugen! Schrapt VW niet ook 20.000 jobs in Duitsland, met daarbovenop loonsverlaging en arbeidstijdverlenging? De Duitse arbeiders, zoals die van alle landen, zijn net zo goed het slachtoffer van de kapitalistische agressie. De onomkeerbare historische crisis die het kapitalisme op wereldvlak doormaakt, vertaalt zich immers in het massaal ontslaan van arbeiders in alle landen. De arbeidskracht, wiens uitbuiting de bron is van de kapitalistische winst, ziet haar prijs als gevolg daarvan steeds verder dalen (zoals gebeurt met elke waar die in overvloed op de verzadigde markt aanwezig is) omdat de drastische vermindering van de productiekosten (en hierbij staat het loon op de eerste plaats) het enige middel is waarover de bourgeoisie beschikt om de concurrentie aan te kunnen op de steeds nauwere markten die met waren verzadigd zijn. Delokalisaties en herstructureringen dienen in de eerste plaats als drukkingsmiddel om de arbeidersklasse overal te dwingen almaar lagere lonen en almaar slechtere arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Arbeiders hier worden opgezet tegen de arbeiders van de andere landen in een eindeloze spiraal van loondalingen, productiviteitsver-hogingen en verloedering van de levensvoorwaarden (1). Wat biedt deze eindeloze spiraal van genadeloze concurrentie nog tenzij sluitingen (Renault Vilvoorde, Sabena, …), massale ontslagen (NMBS, Ford Genk, INBEV, DHL, Agfa Gevaert, …) en inleveringen (‘generatiepact’, ‘flexibiliteitpact’, ‘concurrentie- en werkgelegenheidspact’, …)?
De media schrijven bladzijdenlang over de negatieve invloed van de jarenlange ‘stakingscultuur’ van de VW-arbeiders en anderzijds over de constructieve en verantwoordelijke wijze waarop de vakbonden ‘actie’ gevoerd hebben. Wat ze hiermee nastreven is in feite de VW-arbeiders en tegelijk ook de ganse arbeidersklasse te overtuigen dat zij maar beter haar volle vertrouwen kan schenken aan de ‘realistische’ aanpak van de vakbonden, die, in overleg met de ‘behulpzame’ regering en met het patronaat het onderste uit de kan zal halen voor de arbeiders in de context van een nationale economie die verwikkeld is in een bikkelharde concurrentie op de wereldmarkt.
Herstructureringen en delokalisaties worden aldus gebruikt om het proletariaat te verdelen en te koppelen aan de ideologie van de concurrentie. Arbeiders worden opgesloten, fractie per fractie, en gericht op de verdediging van ‘hun’ uitbuitingsvoorwaarden, van het eigen bedrijf, van het fabrieksmerk ‘VW’, van het nationaal kapitaal. Vanuit deze logica is het kinderspel voor de burgerlijke propaganda – en de bonden spelen hierbij een vooraanstaande rol – om de gedachte ingang te doen vinden dat de kapitalistische staat en zijn regering een ‘beschermende factor’ zijn tegen de ‘wandaden’ van de ‘mondialisering’: “Premier Verhofstadt wist het Duitse topmanagement van VW tot garanties over een doorstart te overtuigen, in ruil voor een royaal aanbod van overheidshulp” (De Standaard, 09/01/2007). De regering wordt zo een ‘objectieve’ bondgenoot van de arbeiders teneinde de Duitse bonzen van VW tot rede te brengen en op te roepen de arbeiders ergens anders het mes op de keel te zetten (zoals in Spanje).
En de bourgeoisie weet maar al te goed dat deze boodschap het best aanslaat als er een gevoel van onmacht kan opgeroepen worden bij de arbeidersklasse en een afwezigheid van perspectief om collectief als klasse weerstand te bieden. Hiervoor zorgden de vakbondsmanoeuvres: vanaf het begin werden de arbeiders naar huis gestuurd, geïsoleerd van elkaar, zonder informatie of perspectieven. Een eindeloze aanslepende staking werd in het vooruitzicht gesteld, zonder algemene stakersvergaderingen waar echte discussies en beslissingen mogelijk waren, zonder gekozen, gecontroleerd en afzetbaar stakingscomité, zonder mobiliserende meetings, zonder massale delegaties die actief de solidariteit en uitbreiding zoeken naar andere delen van de arbeidersklasse. Elke uitbouw van echte strijdmiddelen en van een dynamiek om de strijd te versterken werd in de kiem gesmoord. De gedachte zélf van strijd voeren werd hoe langer hoe meer als zinloos ervaren. Er restte de arbeiders tenslotte niets anders dan te berusten in hun lot en al hun vertrouwen te stellen in de regerings- en vakbondsonderhandelaars.
En tenslotte schreven de media ook bladzijdenlang over het gebrek aan solidariteit binnen de arbeidersklasse met de VW-arbeiders en onder VW-arbeiders zelf. “Spontane solidariteitsacties, zoals in 1997 voor het personeel van Renault Vilvoorde, zijn er niet geweest” (De Standaard, 09/01/2007). Niet toevallig werd door de bourgeoisie – meer bepaald door de vakbonden – bijzondere aandacht besteed aan dit aspect van de campagne gedurende de ganse strijd:
De intensiteit van deze campagne is in feite een uitstekende indicator voor de angst die de bourgeoisie bij dit conflict bevangt. Door de ligging van VW in het Brusselse en het feit dat er evenveel getroffen arbeiders uit beide landsregio’s komen kon de kaart van de regionalistische en linguïstische misleiding veel moeilijker uitgespeeld worden. Bijgevolg was zij precies bijzonder bevreesd voor het ontstaan van een breed gevoel van solidariteit onder de arbeiders, over de sectoriële, regionale en taalkundige verdeeldheid heen, geen solidariteit uit ‘medelijden’ dus, maar een solidariteit van de arbeiders onderling, voor gemeenschappelijke belangen en dus belangeloos, zonder egoïsme, tegen dit barbaars systeem in ontbinding.
Al is de bourgeoisie met haar vakbondssabotage er uiteindelijk in geslaagd om de strijdbaarheid van de VW werknemers in te kapselen en te ontkrachten, toch laat de betoging van 2 december precies een ander facet van de sociale werkelijkheid zien. Door de dagelijkse aankondigingen van ontslagen en herstructureringen in fabrieken, dienstensector en openbare diensten groeit het besef bij steeds meer arbeiders dat iedereen wordt aangevallen. De sluiting van een sterk en strijdbaar bedrijf zoals VW roept niet enkel ‘medelijden’ op zoals de kranten schreven, maar vooral ook verontwaardiging, algemene ongerustheid over de toekomst. Velen kwamen betogen omdat dit de enige mogelijkheid was in de huidige omstandigheden om solidariteit te betonen. De aanwezigheid van veel jongeren sprak boekdelen: “Wij staan hier samen met onze ouders, wat rest er ons nog.” Ook tal van gepensioneerden waren aanwezig.
Deze toenemende strijdbaarheid zit weliswaar nog in een aanvangsfase maar er is een groeiende vastberadenheid in de arbeidersklasse om tegen de ontslagen te vechten. Jarenlang hebben de arbeiders aanvallen geslikt op hun arbeidsvoorwaarden, op hun lonen en werkzekerheid teneinde de werkgelegenheid te behouden op hun werkplek zelf. Maar vandaag zijn steeds minder werkenden bereid om deze eindeloze offers te brengen. Velen weten nog niet goed hoe samen te strijden, soms ook niet goed tegen wie of op wat zich te richten, hetgeen verklaart waarom het vandaag nog mogelijk is dat zij zich achter vakbond en regering scharen. Ondanks de grootse ideologische campagnes heerst er echter veel scepticisme ten aanzien van de gedane beloftes bij VW en dus ook elders. Het voorbije conflict kan niet afgedaan worden noch als een voorbeeld van een overwinning noch als dat van een nederlaag. Er heerst woede, wantrouwen en niet enkel verslagenheid in de arbeidersklasse als geheel.
Daarom is de bourgeoisie ook ongerust. Zij is zich bewust dat de klasse uit deze gebeurtenissen en sabotagemanoeuvres belangrijke lessen kan trekken. Daarom juist doet ze zoveel inspanningen om de solidariteit te kleineren. Werkloosheid bestrijden is niet eenvoudig. Dikwijls zullen de patroons inderdaad de stakingen net aanwenden als een voorwendsel om hun sluitingsplannen door te voeren (die sowieso gepland waren), zoals bij VW. Ze zullen hierin des te gemakkelijker slagen als de weerstand van de arbeiders geïsoleerd blijft tot een fabrieksvestiging of bedrijf. Anderzijds kan de dreiging of de reële uitbreiding van de strijd over de grenzen van vakbonds-, sectoriele of andere verdelingen heen – kortom de dreiging tot massastaking – de heersende klasse dwingen terug te krabbelen, zoals dit het geval was bij de strijd tegen de CPE in Frankrijk. Zo’n terugtocht is uiteraard tijdelijk. De verdieping van de economische crisis zal haar dwingen om terug tot het offensief over te gaan en nog meer desperate aanvallen uit te voeren op de arbeids- en levensvoorwaarden. Uiteindelijk, en dat is de voornaamste les, is de massale werkloosheid een onmiskenbaar teken van het bankroet van de kapitalistische samenleving. Voor de arbeidersklasse moet dit de stimulans zijn om niet enkel tegen de effecten van de uitbuiting weerstand te bieden maar tegen de uitbuitingsmaatschappij zelf.
Lac / 06.01.2007
(1) Zie de artikelenserie over de delokalisaties in Internationalisme, nr. 323, 325 en 328.
De wetten Sarkozy van 2003 en 2006 hebben de anti-immigrantenpolitiek aanzienlijk verscherpt. De uitwijzingen uit Frankrijk volgen elkaar op in een hels tempo: 12.000 in 2003, 15.000 in 2004, meer dan 20.000 in 2005 en waarschijnlijk 25.000 in 2006. Met het hart in de keel verstoppen duizenden families zich, geterroriseerd door de gedachte teruggestuurd te worden naar een plek op de wereld waar slechts de dood op hen wacht. Wat kan men anders dan verontwaardigd en woedend zijn tegenover een dergelijke onmenselijke politiek? Zelfs schoolgaande kinderen kunnen een razzia meemaken om te “vermijden dat het schoolgaan een nieuwe vorm van onwettige immigratie zou worden.” (sic!). Hoe te reageren en te strijden tegen deze wrede en onaanvaardbare maatregelen? De linkse organisaties en verenigingen wijzen allen dezelfde verantwoordelijke aan: de minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy. Om aan dat alles een einde te maken zou het volstaan Sarko uitde macht te verwijderen. “Stemt, stemt tegen Sarko in mei 2007 en alles zal beter gaan”, dat is in wezen de boodschap die onophoudelijk wordt herhaald door alle linkse krachten. Maar is dat werkelijk de oplossing?
Natuurlijk niet! Men zou zichzelf in slaap wiegen met illusies wanneer men gelooft dat de socialistische en communistische partijen een andere politiek zouden voeren als zij aan de macht zouden komen. Om zich daarvan te overtuigen hoeft men zich slechts enkele grote wapenfeiten van deze burgerlijke fracties in herinnering te roepen. De PCF heeft nooit afgezien van de meest brutale middelen om zich te ontdoen van de immigranten die zij ongewenst vond. Zo heeft de PCF in 1981 de illegale Malinesiërs in een van zijn steden, Montreuil-sous-Bois, doodgewoon met de bulldozer verjaagd. Wat de PS betreft kan haar politiek samengevat worden in de volgende opzienbarende verklaring van de socialistische eerste minister Michel Rocard in 1989: “Frankrijk kan niet alle ellende van de wereld ontvangen.” En “om niet alle ellende van de wereld te ontvangen” heeft de socialiste Edith Cresson in 1991 de massale uitwijzingen ingesteld, gebruik makend van chartervluchten. Het is om “om niet alle ellende van de wereld te ontvangen” dat Jean-Pierre Chevènement tijdens het Jospin-tijdperk zijn honden ophitste en op de illegalen losliet door zijn ordestrijdkrachten het bevel te geven de uitwijzingen te vermenigvuldigen: “De activiteit met betrekking tot het verwijderen van buitenlanders staat op een abnormaal laag peil. [...] Ik zou het op prijs stellen wanneer er in de laatste maanden van 1999 een beduidende toename van het aantal daadwerkelijke uitwijzingen zou zijn.” (1). Zo wordt de schijnheilige sluier van de grootspraak van links over het humanisme en het recht op waardigheid aan stukken gescheurd!
In feite hebben rechts en links, sinds 1974, elkaar afgelost op de hoogste staatsposten en dezelfde anti-immigrantenpolitiek bleef aan. Aan het einde van de jaren 1960 betekende de terugkeer van de economische crisis het einde aan de volledige tewerk-stellingspolitiek en de toename van de werkloosheid. Omdat ze niet meer waren dan fabrieksvlees dat niet meer kon worden uitgebuit, werden de immigranten steeds meer tot een last. Daarom besloot de toenmalige president Giscard d’Estaing de immigratie te ‘onderbreken’ en vervolgens, drie jaar later een ‘hulp bij terugkeer’ in het leven te roepen. Sindsdien zijn de anti-immigratiewetten bij elke recessie alleen maar verscherpt en dat door alle regeringen zonder uitzondering.
Dit zieltogende kapitalisme is niet langer in staat om een al maar groeiend deel van de mensheid op te nemen in het productieproces. Zijn ‘oplossing’ bestaat er uit om het ‘overschot’ ver over zijn grenzen uit te wijzen opdat het elders zou creperen. De volgende regering, van welke politieke kleur ze ook zal zijn, zal deze druk nog versterken. Het enige verschil tussen links en rechts zal de taal zijn, de ideologische verpakking. Het is waar dat de PS er meester in is geworden om de meest onmenselijke maatregelen een roze tintje te geven. De ‘gekozen immigratie’ maakt aldus plaats voor een ‘gedeelde immigratie’ gebaseerd op ‘het contractueel vaststellen van de migratiestromen samen met de landen van oorsprong’. In klare taal gaat het om een ‘krachtige politiek tegenover de illegale immigratie’ met als toegift het in leven roepen van een ‘gezamenlijke politie aan de grenzen van de Unie’. (2). Maar men kan er zeker van zijn, de uitwijzingen zullen met de PS zeer pedagogisch aangepakt worden, zoals François Hollande trots bevestigt: “Onze wetten op de immigratie moeten aan onze partners worden toegelicht.” Kortom, zoals Laurent Fabius zegt: “men kan humanist zijn zonder daarom laks te zijn!” (3)
In feite zou geen enkele vooruitziende man (of vrouw) aan het hoofd van de staat een andere politiek kunnen volgen. De wortels van het probleem liggen veel dieper en zijn verbonden met de aard van het kapitalistische systeem en zijn historische crisis. Via het tragische probleem van de emigratie zien wij hoe dit uitbuitingssysteem niet meer in staat is om een over-levingsminimum te verzekeren voor een steeds groter massa mensen die op de vlucht zijn voor de hel van honger, oorlogen en epidemieën. In dertig jaar is het aantal migranten in de wereld van 75 tot 200 miljoen mensen gestegen! En sinds het begin van de 21ste eeuw is de gezondheidstoestand wereldwijd aanzienlijk verslechterd. Vandaag is er een nieuwe kwalitatieve stap vooruit gezet met de woekering van gewapende conflicten en de afschrikwekkende ontwikkeling van de ellende; de exodus bereikt een in de geschiedenis van de mensheid nog niet eerder geziene omvang. Tegenover deze vloedgolf sluiten alle naties hun grenzen.
In de Verenigde Staten zal er tegen 2008 langs de Mexicaanse grens een werkelijke muur van 1.200 km gebouwd worden met radars, detectors, infraroodcamera's en een leger van 18.000 grensbewakers. De staat maakt zelfs gebruik van satellieten en robotvliegtuigen! Terwijl er al elk jaar honderden mensen in de woestijn omkwamen in de hoop de Verenigde Staten te bereiken, zullen het er, met deze ‘muur van de schaamte’, weldra duizenden zijn die daar met open mond gaan creperen.
In Europa is de toestand nog dramatischer. Rondom heel de Schengen-zone schieten de kampen waar men de illegalen opeenpakt als paddestoelen uit de grond. Een jaar geleden kwam deze gruwel openlijk ter sprake toen ons, in verband met de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in het Noorden van Marokko, beelden bereikten van mensen die letterlijk gespietst werden op de prikkeldraadversperringen aan de grens, die getroffen werden door politiekogels of die als schurftige honden midden in de woestijn gedropt werden. Dit barbaarse optreden werd trouwens uitgevoerd op bevel van de Spaanse regeringsleider, de zeer ‘democratische’ en ‘pacifistische’ meneer Zapatero, die eens te meer aantoonde dat zich achter het humanistische masker het hatelijke en bloeddorstige gezicht verbergt van de sociaal-democratie. Sindsdien is de situatie alleen maar verslechterd doordat ze zich heeft veralgemeend over heel Zuid- en Oost-Europa. Dit jaar zijn er op de ‘paradijselijke’ Canarische Eilanden in de Atlantische Oceaan 27.000 mensen aangespoeld in sloepjes van het (nood)lot, dat wil zeggen vijf maal meer dan in 2005! Dezelfde tragedie speelt zich af aan de kusten van Italië, op het eiland Lampedusa, op Malta en op Cyprus. Dezelfde tragedie aan de grens met Oekraïne, waar de zeer democratische Europese landen in het geheim het beheer van de kampen uitbesteden aan de Hongaarse staat, met werkelijke sloppenwijken waar duizenden illegalen uit de voormalige USSR of uit Azië zijn opeengepakt. En het ergste moet nog komen. Zoals dit zonder omwegen wordt bevestigd door Froilán Rodriguez (vice-minister voor immigratie van de Canarische Eilanden), “moet men zich voorbereiden op nooit geziene lawines” (4). Bewust van deze versnelling en bewust dat de toestand alleen maar zal verslechteren, zijn de Europese bourgeoisieën bezig om zich uit te rusten met een hoogtechnologisch uitgerust leger, belast met het de dood indrijven van duizenden migranten, net zoals in de Verenigde Staten: oprichten van kampen, infraroodkijkers, lucht- en zeepatrouilles…
Het kapitalisme is ten einde raad en het lot dat het voor de mensheid in petto heeft zit samengeperst in wat het deze massa van immigranten doet ondergaan. Door in te zien dat al deze ellende en onmenselijkheid voortkomt uit het kapitalisme in verval wordt één werkelijkheid overduidelijk: stemmen in mei 2007, voor wie dan ook, dient helemaal niets anders dan om zichzelf in slaap te wiegen met illusies. Opdat de mensheid kan leven, moet het kapitalisme sterven. Eenmaal bewust van wat er op het spel staat, en van de omvang van deze taak, is de eerste reactie dikwijls “maar in afwachting van deze ‘grote dag’ moet er toch iets gedaan worden!” Ja, natuurlijk moet er iets gedaan worden. Er moet gestreden worden, gestreden op het terrein van de arbeidersklasse. In de strijd komen de diepste gevoelens van solidariteit tot een praktische uitdrukking. En juist vandaag is de arbeidersklasse weer bezig met het terugvinden van deze weg, ze vindt haar strijdbaarheid terug, haar instincten van eenheid en solidariteit.
Op het onmiddellijke vlak zijn het de leerkrachten en ouders die in staking gaan en die zich fysiek verzetten tegen de politie die kinderen direct uit de klas komt halen. In alle lagere scholen, colleges en lycea waar zich ‘illegalen’ bevinden in korte broek, ontwikkelen zich discussies over hoe men de razzia’s kan beletten, hoe het ene of het andere kind verstoppen. Er zijn arbeiders die het werk stilleggen ter verdediging van hun fabriekskameraden zonder papieren die met uitwijzing bedreigd worden.
Ten slotte is er nog de strijd die getuigt van de diepgaande solidariteit en eenheid van het proletariaat, zoals die van de bagageafhandelaars die meerdere dagen de luchthaven van Heathrow in Londen hebben geblokkeerd, in Augustus 2005, uit solidariteit met de Pakistaanse arbeiders in de ravitaillering, die het slachtoffer waren van een gemene aanval van hun werkgever Gate Gourmet. Nochtans werden deze bagageafhandelaars niet bedreigd met ontslag en toch versloegen de media overal tegelijkertijd (5) de staatspropaganda van de heer Blair (nog een socialist!), die juist de haat opklopte tegen de Pakistani, die allemaal afgeschilderd werden als potentiële terroristen. In deze voorbeeldige strijd was het verschil bijna voelbaar tussen de verrotting van de burgerlijke ideologie en de grootsheid van de proletarische moraal.
De solidariteit van de arbeidersklasse heeft niets te maken met medelijden en neerbuigende gevoelens. Het gaat om een werkelijke solidariteit, gesmeed door het bewustzijn te behoren tot éénzelfde strijd, klassenbroeders te zijn, slachtoffers van hetzelfde systeem, van dezelfde uitbuiting, wat ook haar nationaliteit, kleur of godsdienst moge zijn. Door te stellen dat een natie “niet alle ellende van de wereld kan ontvangen”, drukt Michel Rocard de gedachtegang van heel de bourgeoisie uit. Maar de arbeidersklasse hoeft deze logica van het kapitalisme en zijn nationale grenzen niet te aanvaarden. In tegendeel, zij moet er haar internationalistisch wezen tegenover stellen door ronduit te bevestigen: “De arbeiders hebben geen vaderland. Arbeiders aller landen, verenigt u!”
Pavel / 16.10.2006
(1) Ministeriële circulaire van Oktober 1999.
(2) Maatregel aangenomen eind maart in het kader van de ‘Commissie voor het project 2007’ van de Parti Socialiste.
(3) Libération van 24 augustus 2006.
(4) Libération van 12 september 2006.
(5) Staking op hetzelfde moment als aanslagen in de Londense metro.
Ondanks de spiraal van nationalistische haat die in Israël en Palestina doorgaans de klassenstrijd in Israël en Palestina verlamt, drijven de grote economische ontberingen als gevolg van de permanente staat van oorlog de arbeiders van de twee tegenover elkaar staande kampen ertoe om voor hun eigen klassenbelangen op te komen. In september zette kantoorpersoneel van de Westelijke Oever en de Gaza-strook stakingen en betogingen op touw. Ze eisten van de Hamas-regering de uitbetaling van meerdere maanden achterstallige lonen, na de blokkering van de internationale fondsen door de staat Israël. Zo sloten ze zich aan bij de eisen van een groot deel van de 170.000 stakende ambtenaren. Ook de leerkrachten gingen sinds 4 september in staking met stakingspercentages die gaan van 80 tot 95%, van Rafah (in het zuiden van de Gaza-strook) tot Jenin (in het noorden van de Westelijke Oever). Deze beweging heeft zich uitgebreid tot in de Palestijnse politie en vooral begin oktober tot de gezondheidszorg waar de hygiënische toestand dramatisch is, met inbegrip van de Westelijke Oever. De ambtenaren van het Ministerie van Gezondheid ontvingen slechts drie gedeeltelijke lonen in zeven maanden en ze hebben beslist om over te gaan tot een onbeperkte staking om de betaling van hun loon op te eisen.
Parallel daaraan berichtte de site van Libcom.org, op 29 november dat er een algemene staking was uitgebroken onder de Israëlische ambtenaren, op de vliegvelden en de havens en dat alle postkantoren gesloten waren. 12.000 ambtenaren van de gemeentediensten, zoals de brandweer, gingen in staking, daarmee gehoor gevend aan de oproep van de vakbondscentrale Histradroet (de Algemene Federatie van de Arbeid) als antwoord op niet respecteren van de akkoorden tussen de vakbonden en lokale en religieuze autoriteiten. Histradroet heeft ook verklaard dat deze nog achterstallig moeten betalen en dat het geld van de ambtenaren dat in pensioenfondsen gestort moest worden was verdwenen.
De imperialistische oorlog vergroot de economische ruïne en de ellende van de proletariërs in de regio. De bourgeoisie van beide kampen is steeds minder in staat om zijn loonslaven te betalen.
Deze twee acties vormden het voorwerp van allerhande politieke manipulaties. Op de Westelijke Oever en in Gaza heeft de nationalistische oppositie, de Fatah, geprobeerd om de stakingen te gebruiken om druk uit te oefenen op hun rivalen van Hamas.
In Israël heeft de Histradroet al een lange traditie van ‘algemene stakingen’, die onder grote controle staan om de woede van de arbeiders weg te leiden naar burgerlijke terrein en ten gunste van de een of andere fractie. Maar het is veelbetekenend dat in Israël de algemene staking van de Histradroet (die na vierentwintig uur werd stopgezet) werd voorafgegaan door een golf van minder gecontroleerde stakingen onder bagagepersoneel, leerkrachten, universiteitsprofessoren, bankpersoneel en ambtenaren.
De ontgoocheling rond het militaire fiasco van Israël in Libanon heeft dit groeiend ongenoegen zonder enige twijfel gevoed. Tijdens de staking in de Palestijnse gebieden in september veroordeelde de regering van Hamas de actie van de ambtenaren als indruisend tegen het nationale belang en probeerde zij de stakende leerkrachten tot andere gedachten te brengen: “Als u wilt betogen, betoogt dan tegen Israël, de Amerikanen en Europa!”
In feite gaat de klassenstrijd tegen het nationaal belang in en stelt zich daardoor op tegen de imperialistische oorlog.
Amos / 2.12.2006
Beste,
Ik kan het niet goed opmaken uit de propaganda die jullie verspreiden of uit de berichten op jullie site, maar ik vraag mij af of Internationalisten, linkskommunisten morgen ook betogen.
Staan jullie niet achter de betoging die solidariteit met de VW-ARBEIDERS beoogt, een betoging die er is gekomen vanuit de woede van de basis. Als de vakbondsleiders geen directe actie ondernemen omdat zij tot de politieke bourgeoisie horen, moeten we de arbeiders nog niet in de steek laten, toch? (M.B.)
Ons antwoord:
Beste kameraad,
Je hebt overschot van gelijk om te beweren dat men de arbeiders niet kan laten vallen. En het staat ook zonder meer vast dat het fundamenteel is om onze solidariteit te betuigen met de ontslagen arbeiders van VW. Maar hoe kunnen de revolutionairen hun solidariteit tot uitdrukking brengen met de arbeiders van VW? Wat ons betreft, hebben de revolutionairen voor alles de verantwoordelijkheid om zo duidelijk mogelijk te zijn met betrekking tot de perspectieven die zich aftekenen voor de strijd en zijn organisatie: geen verhaaltjes vertellen aan de arbeiders, ze niet in slaap wiegen met illusies, hun werkelijke krachten vooropstellen en hun valse vrienden aanklagen en de valstrikken die deze voor hen uitzetten. Daarom klagen de internationalisten de valse nationale tegenstellingen aan als pogingen om hen te laten geloven dat de regering, de patroons en de arbeiders solidair zouden moeten zijn voor het behoud van de nationale economie. Daarom ook stellen ze voorop, zoals wij gedaan hebben in ons pamflet, dat de vakbonden van vandaag professionele saboteurs zijn van de strijd en dat een cruciale voorwaarde voor de ontwikkeling van de strijd, het in handen nemen van de strijd door de arbeiders zelf is, via dagelijkse en soevereine algemene vergaderingen.
Om deze perspectieven te verdedigen heeft de IKS een pamflet wijd verspreid ontrent de ontslagen bij VW, niet alleen aan de fabriek zelf maar op talrijke plaatsen in verschillende steden in heel België, want de vragen die worden opgeworpen door het conflict bij VW gaan heel de arbeidersklasse aan. Het pamflet is eveneens op de internetsite van de IKS geplaatst en is daar vertaald in het Duits en in andere talen. Verder was de IKS aanwezig op de betoging van 2 december om er het pamflet te verspreiden, en haar pers te verkopen en om te discussiëren met de arbeiders. Met het doel om een brede discussie mogelijk te maken ontrent de perspectieven van de beweging, hebben wij eveneens een speciale openbare bijeenkomst georganiseerd en wijden wij nu een ruime plaats aan de lessen uit het conflict in onze krant. Wij kunnen jou, net als onze andere lezers, er enkel toe aanmoedigen om aan deze overdenking deel te nemen opdat de strijd van de arbeiders bij VW kan bijdragen tot het smeden van de wapens voor de komende strijd van de arbeidersklasse.
Internationalisme
Verontwaardigd door een drama zoals dat bij VW en door het cynische antwoord van het patronaat en de sociaal-liberale regering, voor wie “het nutteloos is om zich te verzetten tegen de wetten van de economie, de mondialisering en volgens wie het beter is om er het beste van te maken door nog meer opofferringen te aanvaarden en door, uitbuiters en uitgebuiten, eendrachtig de handen in elkaar te slaan in het belang van de nationale economie”, vragen vele arbeiders zich af: Wat te doen? Hoe te reageren? Groepen van ‘socialistisch links’, zoals de PvdA, de SAP of de LSP, beweren een antwoord aan te dragen voor deze lastige vragen. Met radicale slagzinnen als: “Handen af van onze tewerkstelling”, “Geen ontslagen”, “Solidariteit met de arbeiders van VW en van de onderaannemers”, “Een andere politiek is nodig”, werpen deze ‘gauchistische’ organisaties zich op als onverzettelijke verdedigers van de belangen van de arbeiders. Maar laten we eens kijken achter de slogans, en een licht werpen op de pamfletten die verdeeld werden op 2 december, tijdens de vakbondsbetoging in solidariteit met de arbeiders van VW, en zien welke perspectieven zij echt vooropstellen voor de strijd en de organisatie ervan.
1. Deze ‘socialistische linksen’ roepen in de eerste plaats de arbeiders op om zich te mobiliseren tegen de ‘arrogantie van de multinationals’ en de ‘superwinsten’ van rijke aandeelhouders: “Volkswagen schrapt 4.000 jobs in België en 20.000 in Duitsland. Nochtans bulken de groep en zijn aandeelhouders van het geld”; “Als er vandaag duizenden families in België in angst leven, dan is dat om de familie Porsche, het vijfde grootste Duitse fortuin met 5,1 miljard Euro, aan te dikken” (Solidair, PvdA, 29.11.2006). Alsof de Belgische ondernemingen niet zouden rationaliseren en delokaliseren! Alsof de reden van de vernietigende spiraal van economische kaalslag en oorlog die de wereld vandaag meesleurt zou liggen in de superwinsten van enkele schatrijke families! Via dergelijke argumenten moffelen deze organisaties in werkelijkheid de ware redenen weg, van de ramp die onze wereld treft. Het probleem ligt niet in de gulzigheid van enkele oude vrekken maar in de doodscrisis die de grondvesten zelf van de kapitalistische productiewijze aantast en aantoont dat deze historisch voorbijgestreefd is. Wat op tragische wijze wordt aangetoond door de massale ontslagen bij VW, is juist het onafwendbare ineenstorten van dit economisch systeem in verval waarvan de langzame doodsstrijd gepaard gaat met een ononderbroken opeenvolging van economische rampen en oorlogsslachtingen.
Door in het bijzonder de multinationals en de ‘grote fortuinen’ aan te klagen, doen deze ‘gauchistische’ groepen tegelijkertijd het idee binnensijpelen dat de arbeidersklasse druk zou moeten uitoefenen op de nationale staat om op te treden als een mogelijke medestander van de arbeiders: zo beweren ze, met betrekking tot VW, dat “indien de multinational niet op zijn beslissing terugkomt, de regering de terugbetaling moet eisen van de toegekende belastingvoordelen. Ja, zelfs beslag moet leggen op het kapitaal van een miljard Euro van zijn coördinatiecentrum” (Solidair). Deze kapitalistische staat die de soberheid oplegt, de strijd onderdrukt en voortdurend de levensvoorwaarden aanvalt van de arbeidersklasse, diegene die ontslaat bij de NMBS en de Post, wordt dus voorgesteld als een bondgenoot van wie de arbeiders heil zouden kunnen verwachten!
2. Datzelfde ‘socialistisch links’ stelt als strijdperspectief het aanpassen van de arbeids- en levensvoorwaarden binnen het systeem. Zo roept de PvdA de arbeiders van VW er toe op om te strijden voor “het instellen van een nieuwe spreiding van de productie binnen de groep”, “een evenredige herverdeling van de modellen en de productie ervan over de verschillende Europese vestigingen” (pamflet Raak niet aan mijn job, PvdA). Met andere woorden, druk uitoefenen op het patronaat voor de ‘evenredige spreiding’ van de soberheid, ja zelfs aan de arbeiders van andere landen vragen om meer soberheid te aanvaarden ‘uit solidariteit’!
Anderen schijnen ‘radicalere’ perspectieven naar voren te schuiven: zij dringen aan op de druk die moet uitgaan van de strijd op de ‘overheid’ voor het doorvoeren van een beheer en een reconversie van de economie ten gunste van de arbeiders: “De overheid zou in de vestiging van Vorst echt de belangen van de arbeiders moeten dienen door de productie te heroriënteren op basis van een maatschappelijk debat ontrent de mobiliteit” (pamflet van de LSP); “een politiek die de controle van de arbeiders en hun vertegenwoordigers in de bedrijven versterkt, opdat er echte alternatieven zouden kunnen voorop gesteld worden [...] reconversie van de productie, onder controle van de vakbonden en de arbeiders” (pamflet van het Comité voor een Andere Politiek).
Het geheel van de voorstellen heeft één leidmotief: de acties moeten druk uitoefenen met het oog op het aanpassen van het systeem, het invoeren van hervormingen ten gunste van de arbeiders. Het idee dat er natuurlijk aan ten grondslag ligt is dat de arbeiders en de kapitalisten fundamenteel in hetzelfde schuitje zitten en dat voldoende druk op de ‘rijken’ het mogelijk moet maken om een beter sociaal en ecologisch evenwicht te vinden. Met dergelijke oriëntaties verdoezelen de ‘gauchisten’ de historische crisis van het kapitalisme en wat er daaruit voortvloeiend op het spel staat: de soberheidspolitiek van de laatste dertig jaar net zoals de ellende, de oorlogsslachtingen en de chaos op wereldschaal die niet voortvloeien uit de slechte wil van de ‘rijke aandeelhouders’ maar uit een economisch en politiek systeem dat op drift geslagen is. Het gaat er dus niet langer om het kapitalisme te hervormen maar het te vernietigen voor het de mensheid om zeep helpt. Want voor het behoud van haar privileges zal de bourgeoisie niet aarzelen om de arbeidersklasse in de meest barre ellende te storten, om haar te gebruiken als kanonnenvlees en de mensheid in het ergste barbarendom te doen wegzinken.
3. Achter hun radicale taal roepen de PvdA, de SAP en de LSP, er in de grond toe op om te strijden voor het hervormen van de democratische staat, die een dam zou vormen die de arbeiders beschermt tegen de uitwassen van de ‘neo-liberale logica’. De arbeidersklasse zou de ‘sociale dimensie’ moeten verdedigen van de democratische staat tegen de neo-liberale uitglijders en de druk op de ‘overheid’ zou moeten waarborgen dat de sociale voorwaarden terug aanvaardbaar zouden worden en de weerslag van de herstructureringen zou verminderen: “werktijdvermindering zonder loonverlies in de verschillende vestigingen van de groep”; “prépensioen op 55 jaar voor iedereen” (pamflet Raak niet aan mijn job, PvdA); “Het generatiepact moet worden teruggeschroefd” (pamflet van de vakbondsbasis, 15 DeBe/Mo 15 De). Of deze verdediging van de democratische staat wordt gesteld op het Belgisch vlak of zelfs op het vlak van een “Europese politiek die de macht van de aandeelhouders aan banden moet leggen en de concurrentie moet doen ophouden tussen de generaties en tussen de landen” (pamflet van het Comité voor een Andere Politiek, beweging voor een nieuw socialistisch links), het beeld dat wordt opgehangen van een sociale staat die de arbeider in bescherming neemt in het kader van de democratie, is in elk geval een valstrik. Het zijn daadwerkelijk de kapitalistische staten en hun regeringen die, met behulp van soberheidsplannen en tewerkstellings-, competitiviteits- en generatiepacten, de flexibiliteit verhogen en de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse aantasten.
De democratische staat wordt niet alleen geacht de arbeiders te beschermen, hij zou ronduit, en dank zij een ‘werkelijk reconversieplan’, de reconversie kunnen paren aan een maatschappij met respect voor de mens en de natuur: “De verdediging van de tewerkstelling van de arbeiders van deze sector houdt dus, op termijn, haar reconversie in naar de productie van sociaal nuttige en ecologisch draagbare producten. De fabriek in Vorst zou zich, bijvoorbeeld, kunnen wijden aan de productie van voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer en van materiaal voor het uitrusten van het Brusselse streekvervoer of aan het lanceren van een openbaar initiatief van de productie van een veilig en ecologisch verantwoord voertuig” (Pamflet van de SAP). Buiten het feit dat dit voorstel een hersenschim is, illustreert het eens te meer de misleidende aard van het zelfmoordperspectief dat door deze groepen aan de arbeiders wordt voorgesteld.
Kortom de argumentatie van de ‘gauchistische’ groepen mikt er op om het idee op te dringen dat de staat, in plaats van ten dienste te staan van de patroons, de arbeiders zou kunnen verdedigen, dat de staat tot een beschermheer van de loontrekkers zou kunnen worden en niet langer ‘in dienst van het patronaat’ zou staan. Niets is minder waar. In het kapitalisme in verval is het in werkelijkheid de staat die de aanvallen van de bourgeoisie coördineert. Hij is het die de meest algemene aanvallen leidt die de arbeidersklasse in haar geheel treffen: omtrent de pensioenen, de sociale zekerheid, tegen de werklozen. Het is de staat als patroon, die zelf het voorbeeld geeft van de brutaliteit van de aanvallen door het massaal verminderen van het aantal van zijn ambtenaren en door hun lonen gedurende jaren te blokkeren. De staat kan enkel de verdediger bij uitstek zijn van de belangen van de burgerlijke klasse door alle omstandigheden te verzekeren voor de verdediging van de belangen van het nationale kapitaal tegen de arbeidersklasse.
4. Wat de organisatie van de strijd betreft roepen de PvdA, de SAP en de LSP, de arbeiders er toe op om druk uit te oefenen op ‘hun’ vakbondsorganisaties en ‘hun’ délégués om de strijd te organiseren. En dit terwijl de vakbonden van bij het begin elke arbeidersmobilisering onderdrukt hebben door de arbeiders naar huis te sturen en aldus elke mogelijkheid hebben uitgeschakeld van uitbreiding naar andere bedrijven. En op het ogenblik dat deze professionele saboteurs de voorwaarden scheppen die hen in staat moesten stellen om de solidariteitsbetoging voor te stellen als een uitdrukking van de onmacht (zie artikel hiernaast), doet de LSP op een schijnheilige manier het idee schuimen onder de arbeiders omtrent de illusies in de vakbonden: “Waarom geen gebruik maken van het succes van deze betoging om een algemene 24 urenstaking aan te kondigen tegen de ontelbare herstructureringen?” (pamflet van de LSP).
De vakbonden zijn niet aan hun proefstuk: denken wij maar even terug aan het ‘solidariteitspact’ een jaar geleden. “Onaanvaardbare maatregelen” bazuinde het ABVV in oktober; maar ondanks het diepe algemene ongenoegen binnen de arbeidersklasse, dat in het bijzonder tot uiting kwam op de bijeenkomst van 100.000 arbeiders in Brussel tijdens de nationale vakbondsbetoging van 28 oktober, kondigde diezelfde organisatie eind december zonder verpinken aan: “opschorting van de acties en het zoeken naar meer doelgerichte drukkingsmiddelen” (sic!). En het parlement nam zonder tegenstand in december het ‘solidariteitspact’ aan net als de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Zoals de aanval op de arbeiders van VW eens te meer heeft laten zien, is het overlaten van de belangen van de arbeiders in de handen van de vakbonden de beste waarborg voor een totale nederlaag. Nu al sedert meer dan honderd jaar verdedigen de vakbondsorganisaties niet langer de belangen van de arbeidersklasse maar zijn ze omgevormd tot de waakhonden van de bourgeoisie in de fabriek. En door hun kritische steun aan deze organisaties waarborgen de ‘gauchistische’ groepen hun geloofwaardigheid, door de arbeiders die zich vragen stellen telkens terug in het vakbondsgareel terug te brengen.
Deze opstelling van de ‘gauchistische’ organisaties zoals de PvdA, de SAP en de LSP is niet eenmalig. Achter hun radicaal gepraat dat hen in staat stelt om de elementen aan te zuigen die ontgoocheld zijn door de voortdurende sabotage van de strijd door de vakbonden en door de openlijke deelname van traditioneel links aan de soberheids- en herstructureringspolitiek, vormen de strijd- en organisatieperspectieven die door deze groepen worden voorgesteld een zelfmoordkader voor de strijd. Dit kader kan enkel leiden tot ontmoediging en oriënteert de solidariteit naar verrotte perspectieven die leiden tot berusting en het slikken van de aanvallen. De schijnbare radicaliteit van hun stellingen is dus een lokvogel om de elementen die op zoek zijn naar een werkelijk alternatief voor het kapitalisme af te leiden naar de verdediging van de democratie en de strijd voor hervormingen, en om bij hen uiteindelijk elke dynamiek van bewustwording te kelderen.
Geconfronteerd met het verlies aan geloofwaardigheid van de ‘klassieke’ linkse partijen heeft de bourgeoisie er alle belang bij om nieuwe geloofwaardige krachten in stelling te brengen om de wacht af te lossen. Krachten die nog niet aangetast zijn door uitoefening van de macht maar die, via een radicaler gepraat en image, de arbeiders leiden naar dezelfde valstrikken van het parlementarisme en de illusoire strijd voor de hervorming van de burgerlijke staatstructuren. Vanuit dit standpunt doen de organisaties van ‘socialistische links’ zoals de LSP, de SAP en de PvdA een uitstekend werk... in dienst van de burgerlijke klasse.
Jos / 01.01.2007
De Franse OCL (Organisation Communiste Libertaire) publiceerde in haar maandblad Courant Alternatif in de zomer van 2006 een lang dossier onder de veelbelovende titel: “De rellen in de voorsteden in het licht van de beweging tegen de CPE.” Er zijn weinig organisaties die vandaag nog terugblikken op de voorbeeldige strijd van afgelopen voorjaar. De beweging van de studenten in Frankrijk is nochtans een goudmijn voor het hele wereldproletariaat. Haar dynamiek en methoden vormen even zovele lessen voor de arbeidersklasse om overal de strijd in eigen handen te nemen. De rellen in de voorsteden willen begrijpen ‘in het licht van de beweging tegen de CPE’ is dus van het grootste belang. En de OCL stelt meteen de juiste vraag : “Het enorme elan van solidariteit waarvan begin 2006 de schoolgaande jeugd genoten heeft in haar beweging tegen de CPE [...] zet ertoe aan opnieuw na te denken over de sociale revolte die vele volkswijken afgelopen herfst getroffen heeft [...] Waarom kon die revolte op zo weinig sympathie rekenen bij de bevolking ?”
Maar voor deze libertaire organisatie is die mooie intentieverklaring niets meer dan een alibi om kolom na kolom op de de beweging van vorig voorjaar te spugen en zich laatdunkend over de strijdende studenten uit te laten.
In werkelijkheid buigt de OCL zich niet één keer over de rellen ‘in het licht van de beweging tegen de CPE’ (Contrat de Première Embauche: het startbaancontract). Geen enkele keer probeert ze te begrijpen ‘in het licht’ van de Algemene Vergaderingen die voor alle arbeiders openstonden en van de verenigende ordewoorden van de strijd van de studenten, waarom het in brand zetten van de volkswijken slechts angst teweeggebracht heeft en het op zichzelf terugtrekken van de grote meerderheid van de arbeiders, waarom het slechts een versterking van de veiligheidspolitiek en de repressiemaatregelen van de staat vergemakkelijkt heeft.
Terwijl ze zichzelf drapeert met valse radicaliteit geeft de OCL zich daarentegen over aan een lofzang op het geweld. Ze rechtvaardigt punt voor punt het in band steken van lijnbussen, van scholen, auto’s, sportzalen... om te bewijzen dat dit geen ‘doelloze daden’ zijn, dat deze ‘doelwitten’ een revolte tonen tegen alles wat de jongeren van de buitenwijken dagelijks onderdrukt. Als bewijs geeft ze ons mee: “Waarom personenauto’s vernielen [...] ? Omdat wanneer 1/3 tot 2/3 van de huishoudens in sommige wijken geen geld hebben om er een te kopen, het bezit van een auto, net als het hebben van een vaste baan, voor sommige jongeren iets van de bevoorrechten is.” Nee, precies zijn buurman aanvallen omdat hij iets minder in de ellende zit, dat is wel de antithese van proletarische strijd. De woede van die jonge relschoppers is natuurlijk terecht, hun leven vandaag en morgen is ondraaglijk en onaanvaardbaar, maar meegesleurd door de woede van de wanhoop en het ‘no future’ kunnen ze zich slechts uitdrukken op het verrotte terrein van haat en vernieling.
Hun rellen konden niet uitmonden op enige solidariteitsbeweging in de arbeidersklasse. Ook al konden vele arbeiders de woede van die jonge uitgeslotenen ‘begrijpen’, dan nog waren ze er de eerste slachtoffers van. Op geen enkel moment konden ze zich herkennen in dergelijke methoden die inderdaad niet tot de klassenstrijd behoren.
Daarom heeft de staat tijdens de beweging tegen de CPE de ene provocatie na de andere gelanceerd, in de hoop de studenten op hun beurt mee te trekken in de impasse van gewelddadige rellen. De bedoeling was duidelijk : het “immense elan van solidariteit” moest gebroken worden, de dynamiek van de ontwikkeling van eenheid en vertrouwen in het proletariaat moest gebroken worden door de jonge betogers af te schilderen als relschoppers om zo de arbeiders, die zich in steeds grotere aantallen bij de betogingen aansloten, schrik aan te jagen. Begin maart werd de Sorbonne door tot de tanden gewapende CRS-oproerpolitie belegerd, waardoor in het Quartier Latin een sfeer van stadsoorlog geschapen werd. De studenten zaten in de val, weigerden op te geven, en zaten zonder water en eten. Alles werd in het werk gesteld om ze te doen buigen en confrontaties uit te lokken. Maar de studenten hebben niet toegegeven. Op 16 maart is het hetzelfde liedje: de regering, met de medeplichtigheid van de vakbonden waarmee over de route van de betogingen onderhandeld wordt, zetten een ware muizenval uit voor de Parijse betogers die aan het einde van het parcours ingesloten worden door de politie. Maar opnieuw trappen ze niet in de val van de opwinding over een gespierde confrontatie. En opnieuw geven de media een compleet vertekend beeld van wat zich op deze dag afgespeeld heeft door de camera's alleen te richten op enkele honderden jongeren uit de voorsteden die zich in de marge van de betoging overgeven aan stenengooien en ander zinloos geweld. Tenslotte is het op de 23e, met de zegen van de aanwezige politie, dat groepen jongeren zich tegen de betogers gekeerd hebben om hen te beroven of om hen zonder reden af te rossen. Niet alleen in Frankrijk, maar wereldwijd probeert de bourgeoisie op deze wijze de aandacht van de arbeidersklasse te richten op het verrotte terrein van vernielingen en knokpartijen met de politie. In Groot-Britannië, in de Verenigde Staten... namen de nieuwsjagers alleen nog maar het woord ‘riots’ (rellen) in de mond.
In het licht van deze feiten zijn de stellingnamen van de OCL ronduit walgelijk. Voor haar is het enige positieve dat we uit de beweging tegen het CPE moeten onthouden juist die vernietigingsdrang: “Een actieve minderheid heeft zich ingezet om de beweging te radicaliseren, zowel door gewelddadige acties in de marge van de betogingen als met wilde bezettingen.” De OCL stelt verder: “Een geradicaliseerde minderheid van studenten of revolutionaire militanten toonde zich vastbesloten om het uit te vechten met de politie en om etalageruiten en andere symbolen van de consumptiemaatschappij te vernietigen.” En deze ‘heldhaftige’ daden zouden een “samengaan in dezelfde gewelddadige houding” moeten vertegenwoordigen met “degenen die uit de volkswijken komen.” Hier komt tenslotte het ware gezicht tevoorschijn van de solidariteit met de jongeren uit de voorsteden waar de OCL zo de nadruk op legt: het navolgen van dezelfde rellenmethodes, heel de jeugd en alle arbeiders aanmoedigen om zich in die brandhaard en die strijd zonder vooruitzichten te gooien. De OCL doet dus niets anders dat het spelletje van de staat meespelen die ze zegt zo te haten. Precies die “minderheid van geradicaliseerde studenten” en die zogenaamd “revolutionaire militanten” heeft de bourgeoisie gebruikt om de beweging in diskrediet te brengen en er angst, wantrouwen en verdeeldheid in te zaaien.
Maar de OCL speelt niet alleen mee in het spel van de bourgeoisie, ze gaat nog verder door schaamteloos de strijd van de studenten af te kammen: “We begrijpen hier beter wat voor zware gevolgen het stopzetten van de mobilisatie tegen de CPE heeft gehad voor de jongeren uit de volkswijken: door op dat punt toe te geven, kreeg de regering de handen vrij om de rest van de wet over gelijke kansen en de CESEDA inzake immigratie onveranderd door te voeren.” Je moet maar durven! De onophoudelijke aanvallen die vandaag op de arbeidersklasse regenen zouden tenslotte vergemakkelijkt zijn door de strijd van het afgelopen voorjaar. Sterker nog: “De ‘zege’ van de beweging tegen de CPE werd [...] gedeeltelijk behaald over de rug van de jongeren die onderaan de sociale ladder vastzitten, door voor anderen de kansen veilig te stellen om die te kunnen beklimmen.” De studenten zouden tenslotte niets anders zijn dan kleinburgers die vechten voor hun eigen portemonnee, om hun voorrechten te kunnen behouden, zonder zich te bekommeren om de andere arbeiders, en nog minder om de jongeren in de volkswijken. Het zouden slechts individuen zijn die “voor examens willen slagen om op te klimmen in de sociale hiërarchie.” Niets is minder waar! (1).
De realiteit is, integendeel, dat de studenten, bewust van de onzekerheid van hun huidige en toekomstige situatie, zich in de arbeidersklasse hebben herkend. Ze hebben zich massaal in de strijd geworpen voor de toekomst van de HELE maatschappij, van alle generaties, van de werklozen en de precaire arbeiders, en dus ook om de jongeren uit de volkswijken een perspectief te bieden en hen de gelegenheid te geven om uit de wanhoop te klimmen waarin het blinde geweld van november 2005 hen heeft geduwd. De faculteit Censier in Parijs heeft een ‘Vommissie Voorsteden’ opgericht, belast om te gaan praten met de jongeren uit de achtergestelde wijken, met name om hen uit te leggen dat de strijd van studenten en leerlingen ook in het belang is van de jongeren die in de wanhoop van de massale werkloosheid en de sociale uitsluiting gestort zijn. In de algemene vergaderingen werden regelmatig tussenkomsten gehoord als: “Door de CPE af te wijzen, vechten wij zowel voor ons als voor de minstbedeelden.” Het meest overtuigende bewijs is waarschijnlijk de eis van amnestie voor alle jongeren die veroordeeld werden gedurende de ‘hete herfst’ van 2005. In tegenstelling tot de leugens die de OCL verspreidt, heeft de kracht van de beweging tegen de CPE, het vermogen van de studenten om een gevoel van solidariteit mee te dragen in de strijd, een onmiddellijk resultaat gehad, namelijk dat een grote meerderheid van de jongeren uit de voorsteden zich bij die strijd heeft aangesloten. Naarmate de strijd zich ontwikkelde, zijn de leerlingen van de lycea in de voorsteden zich in steeds grotere getale komen aansluiten bij de betogers, waardoor de afpersers en ander kleine misdadigers in de minderheid en in de marge bleven. Terwijl de rellen slechts een klein gedeelte van de jongeren in de hysterie van geweld konden meeslepen, terwijl de rest zich afgeschrikt opsloot, heeft de strijd van de studenten, haar methoden en doelstellingen, een andere manier om strijd te voeren en een perspectief geboden.
Omdat de strijd van de schoolgaande jeugd tegen de CPE zich de echte strijdmethoden van de arbeidersklasse heeft eigen gemaakt (met name de Algemene Vergaderingen, de verenigende ordewoorden en de straatbetogingen), heeft ze kunnen rekenen op de sympathie en solidariteit van een groeiend aantal proletariërs. Juist omdat de beweging tegen de CPE niet steunde op vernielingen in arbeiderswijken, maar op solidariteit tussen de generaties, tussen alle sectoren van de arbeidersklasse, tegen de aanvallen van de bourgeoisie, heeft ze duizenden jongeren kunnen aantrekken die enkele maanden nog ten prooi waren aan wanhoop, en heeft deze beweging een sociale kracht kunnen opbouwen die in staat was om de regering terug te dringen.
Pavel / 19.11.06
(1) Het is dan ook uiterst komisch om in de conclusie van dit dossier te kunnen lezen: “In de eerste plaats moet worden getracht om een solidariteit tussen proletariërs te bewerkstelligen, door de aandacht te vestigen op het gemeenschappelijke lot van de kapitalistische uitbuiting en de precariteit die allen bedreigt (zonder na te kunnen laten er iets aan toe te voegen) ofschoon in verschillende mate.”
De repressie die de Mexicaanse staat ontketend heeft tegen de bevolking van Oaxaca legt de bloeddorstige wreedaardigheid van de democratie bloot. Sinds vijf maanden is Oaxaca omgevormd tot een waar kruitvat, met paramilitaire korpsen en politie als gewapende arm van de staatsterreur. Huiszoekingen, opsluitingen en martelingen worden elke dag gebruikt door de staat om ‘orde en vrede’ te herstellen. De uitspattingen van de politie hebben tientallen ‘verdwijningen’ tot gevolg, talloze gevangenen en minstens drie doden (zonder het twintigtal personen mee te rekenen dat tussen mei en oktober dit jaar vermoord werd door de witte gardisten).
Zes jaar geleden verklaarde de heersende klasse dat met de regeerperiode van Fox een ‘tijd van veranderingen’ ingeluid werd. Maar de realiteit maakt duidelijk dat welke partijen of personen er ook in de regering zetelen, het kapitalisme geen enkele verbetering te bieden heeft... en het is duidelijker dan ooit dat het huidige systeem niets anders te bieden heeft dan uitbuiting, ellende en repressie. De hele arbeidersklasse moet zeer grondig de lessen trekken uit wat in Oaxaca is gebeurd om te begrijpen dat de toestand van geweld en repressie die zich daar ontwikkeld heeft niet gebonden is aan een regering in het bijzonder, maar dat ze in de aard van het kapitalisme zelf besloten ligt.
Opdat de komende strijd beter voorbereid zij, is het nodig een stand van zaken te bepalen omtrent de betekenis van de huidige mobilisaties.
De huidige betogingen in Oaxaca zijn zonder twijfel een uitdrukking van de ontevredenheid die er onder de arbeiders bestaat tegen de uitbuiting en de schande van het kapitalisme. De mobilisaties in die streek drukken de onvrede uit over de toenemende aftakeling van de levensvoorwaarden. Ze zijn het resultaat van een diepe woede en bewijzen een ware moed en strijdwil. Maar ze werden echter misbruikt door de bourgeoisie die erin geslaagd is de doeleinde, methodes en organisatie van de acties aan de controle van de arbeiders te onttrekken.
De conflicten die zich ontwikkelen binnen de bourgeoisie (die verdeeld is in rivaliserende fracties) hebben geholpen om de sociale onvrede af te leiden door de strijd voor looneisen te herleiden tot een beweging zonder vooruitzichten, afgeleid door één van de fracties van de bourgeoisie, de ‘democratiserende’, tegen een andere, bestaande uit oude kopstukken.
Geconfronteerd met de mobilisatie heeft het sysreem duidelijk zijn bloeddorstige aard getoond, maar dat gebruik van terreur door de staat gaat verder dan de repressie tegen de betogers van Oaxaca. Het optreden van de militaire en politiemacht heeft niet als hoofddoel de Volksassemblee van de volkeren van Oaxaca (APPO) van de kaart te vegen, maar wil fundamenteler terreur verbreiden als een waarschuwing en dreiging tegen het geheel van de arbeiders. De staatsterreur werd ontketend door de repressiekrachten van de staat te koppelen aan die van de federale regering, waarbij duidelijk getoond werd dat zelfs wanneer er een strijd bestaat tussen verschillende groepen van de bourgeoisie, deze er steeds in slagen een akkoord te bereiken om hun repressieve taak tot een goed einde brengen. De veronderstelling dat het mogelijk zou zijn een ‘dialoog’ aan te gaan met een deel van de bourgeoisie, komt erop neer de ijdele hoop te voeden dat er binnen de bourgeoisie een ‘progressieve’ of ‘verlichte’ fractie zou kunnen bestaan. Door het ontslag van Ulises Ruiz (1) als hoofddoel van de beweging voorop te stellen, heeft de APPO de illusie gewekt dat het kapitalistisch systeem verbeterd kan worden door het te democratiseren of door de mensen die de macht dragen te vervangen.
Het ordewoord van de APPO om de krachten te bundelen tegen Ulises Ruiz versterkt op geen enkele manier de collectieve overdenking en de bewuste actie. Het betekent integendeel het verspreiden van verwarring en het onderwerpen van de sociale actie aan de belangen van één van de fracties van de bourgeoisie tegen een andere. Het duidelijkste bewijs van die afleiding en van de groeiende verwarring wat betreft de objectieven blijkt uit het feit dat de loonkwestie, die aan de basis van de beweging lag, naar de achtergrond verschoven is. Vakbonden en federale regering hebben de loonkwestie herleid tot een eenvoudig technisch probleem van adequate steun voor de streek door een planning van de openbare uitgaven, waardoor ze de kwestie konden isoleren en haar voorstellen als een ‘plaatselijk’ probleem, zonder enig verband met de rest van de loontrekkers.
De strijdmethodes die vooropgesteld werden, piketten, blokkades, uitputtende marsen en uitzichtloze confrontaties, hebben belet dat solidariteit tot uiting kwam. Ze hebben de beweging integendeel geïsoleerd, haar kwetsbaar gemaakt tot ze een gemakkelijk doelwit werd voor de repressie.
De samenstelling van de APPO (bestaande uit ‘sociale-’ en vakbondsorganisaties) toont al dat deze organisatie, en de beslissingen die ze neemt, ontglippen aan de handen van het proletariaat. Omdat ze de discussie en overdenking overgelaten heeft aan de vakbonden en de groepen van de linkerzijde van de bourgeoisie, heeft deze structuur haar niet-proletarische aard voldoende aangetoond. Ze heeft er duidelijk voor gezorgd dat de kracht van destrijdende arbeiders finaal verdund en verzwakt werd, een kracht die zich nooit kan uitdrukken in een structuur die, hoewel ze zich voordoet als zogenaamd open assemblee, in de praktijk haar ware aard toont, namelijk die van een interklassefront dat geleid wordt door de verwarring en wanhoop van de middenlagen. De oproep die op 9 november 2006 gelanceerd werd om de APPO om te vormen tot een permanente structuur (Staatsassemblee van de volkeren van Oaxaca) bewijst dat goed, namelijk wanneer ze de Grondwet van 1917 van de Mexicaanse bourgeoisie omschrijft als "een historisch document dat de bevrijdende traditie van ons volk bevestigt" en door op te roepen die te verdedigen, "alsmede het grondgebied en zijn natuurlijke grondstoffen". Het radicalisme beperkt zich tot de verdediging van de nationalistische ideologie, die puur vergif is voor de arbeiders. De oproep bevat bovendien een regelrecht vervalsing van het proletarisch internationalisme wanneer ze de noodzaak uitroept van "het smeden van banden van samenwerking, solidariteit en broederschap met alle volkeren van de aarde voor de opbouw van een rechtvaardige, vrij en democratische maatschappij, een echte menselijke samenleving"... door de strijd voor de "democratisering van de VN"!
De oprichting van de APPO was geen stap vooruit voor de beweging van de arbeiders, ze is integendeel verbonden aan de verplettering van hun onvrede. De APPO heeft zich ontpopt tot een echte ‘dwangbuis’ om de proletarische strijdwil aan banden te leggen. De stalinistische, maoïstische en trotskistische groepen en de vakbonden die er deel van uitmaken hebben de moed en de uitdrukkingen van solidariteit van de arbeidersklasse van hun ware aard kunnen ontdoen door er een oriëntatie en een actie aan op te leggen die mijlenver verwijderd is van de belangen van de arbeiders en van de andere uitgebuiten. De vergelijkingen die de APPO durft te maken tussen haar structuur en die van de sovjets, hun pretentie dat ze een ‘embryo van arbeidersmacht’ zijn, dat alles zijn allemaal beledigingen aan het adres van de arbeidersbeweging.
De authentieke proletarische organisatie onderscheidt zich hierin, dat de doeleinden die ze zich stelt direct verbonden zijn aan haar klassebelangen, dat wil zeggen aan de verdediging van haar levensvoorwaarden. Ze stelt zich niet tot doel de ‘nationale economie’ te verdedigen, de verstaatste economie of de democratisering van het systeem dat haar uitbuit. Ze streeft vóór alles haar politieke onafhankelijkheid te verdedigen tegenover de heersende klasse, een onafhankelijkheid die haar in staat stelt haar strijd te voeren tegen het kapitalisme.
In die zin houdt de eisenstrijd van de arbeiders de voorbereiding in van een radicale kritiek van de uitbuiting: ze drukken het verzet uit tegen de economische wetten van het kapitalisme en de radicalisering ervan opent de weg naar de revolutie. Dat zijn momenten die deel uit maken van de voorbereiding op de revolutionaire gevechten die het proletariaat zal moeten leveren, en in die zin zijn ze de kiemen van de revolutionaire strijd.
Als internationale en internationalistische klasse moet het proletariaat in alle landen zich de ervaringen van zijn voorbije gevechten eigen maken en assimileren. Het is dus onmisbaar om de ontwikkeling van zijn bewustzijn aan te zwengelen dat het zich bijvoorbeeld de lessen eigen maakt van de mobilisatie die ontwikkeld werd door studenten en arbeiders in Frankrijk in het voorjaar 2006 tegen het Startbaancontract (CPE). De wezenlijke les van die beweging was haar organisatievermogen waardoor het voldoende controle over de strijd kon behouden om de gauchisten en vakbonden te verhinderen de beweging van haar centraal doel af te leiden, de strijd tegen de precariteit. De strijd die de arbeiders in Vigo (Spanje) in dezelfde periode gevoerd hebben gaat in dezelfde zin met hun looneisen en de uitbreiding van de strijd via de controle over hun assemblees tegen de sabotage door de vakbonden.
De verdediging van hun levensvoorwaarden, de organisatorische zelfstandigheid en de massale overdenking die in deze bewegingen bereikt werden, zijn lessen voor het gehele proletariaat, lessen die het voorop zal moeten stellen om zijn toekomstige gevechten te ontwikkelen.
Gebaseerd op een artikel in Revolucion Mundial, orgaan van de IKS in Mexico / 18.11.2006
(1) Gouverneur van de Staat van Oaxaca, lid van de voormalige leidende partij van Mexico, de PRI, corrupt en clientelist.
De bourgeoisieën van de meest ontwikkelde landen, met inbegrip van de Verenigde Staten, hebben ieder uit imperialistisch eigenbelang het verschijnen van het plan Baker voor de Amerikaanse buitenlandse politiek toegejuicht. Het werd uitgewerkt door een studiegroep die bestond uit de Amerikaanse top-politici: conservatieven zowel als democraten. Na de gevoelige nederlaag van president Bush en zijn regering bij de verkiezingen voor de het huis van afgevaardigden en de senaat moest de Amerikaanse bourgeoisie wel reageren. Die nederlaag werd vooral veroorzaakt door de totale mislukking van de imperialistische politiek van de Verenigde Staten in Afghanistan en vooral in Irak. Het steeds verder vastlopen van haar leger in Irak, de totale afwezigheid van enig perspectief, en de hand over hand toenemende chaos zijn slechts uitingen van de versnelde aftakeling van de grootste wereldmacht. Nu ze is een volslagen impasse is geraakt werkt de Amerikaanse bourgeoisie al maandenlang zeer officieel aan een nieuwe koers die geloofwaardiger moet overkomen en de verdediging van haar imperialistische belangen beter dient. Dat was de reden voor de oprichting van een onderzoekscommissie voor Irak die, in het voetlicht van de media, zo juist haar verslag heeft uitgebracht.
Het Amerikaanse imperialisme kan zijn aftakeling in de imperialistische arena niet ongedaan maken. Dit plan omvat de hele imperialistische politiek van de Verenigde Staten aan. Het begint met de voor de hand liggende vaststelling dat de oorlogspolitiek in Irak geen schijn van kans maakt. Maar het gaat verder, het benadrukt de opkomst van grote druk van anti-Amerikaanse en anti-Israëlische politiek in heel het Nabije en Midden-Oosten. Het lijkt er op dat dit verslag ingaat tegen de politiek die de Verenigde Staten in dit deel van de wereld al jarenlang voeren. Het voorziet in een geleidelijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak en de massale versterking van het Iraakse leger dat onder de leiding zou moeten komen te staan van de eerste minister Noeri Kamal Al Malaki. Terwijl de bloedige aanslagen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen, met een volslagen machteloze regering en een Amerikaans leger dat zich verschanst heeft in versterkte kampen, wordt onmiddellijk duidelijk wat een dergelijk voorstel is: onrealistisch, onuitvoerbaar en niet van deze wereld. Dat is zo overduidelijk dat men zich er in het plan Baker voor hoedt om de streefdatum voor de terugtrekking van de Amerikaanse troepen op te geven. Dat geldt ook voor de andere voorstellen die in dit rapport worden gedaan. Wat bij het lezen van het rapport eveneens opvalt zijn de voorstellen om de dialoog met Syrië en Iran officieel weer aan te gaan. Het verslag brengt dat nauwkeurig onder woorden: “Iran moet aanmoedigende voorstellen ontvangen, zoals herstel van de betrekkingen met de Verenigde Staten, en anderzijds afschrikkende om de vloed van wapens te stelpen die bestemd is voor de Iraakse milities. Het land moet geïntegreerd worden in de Studiegroep omtrent Irak.” (Courier International, 14 december 2006). Dit voorstel van het rapport is zo onrealistisch dat het duidelijk de totale impasse aantoont waarin de Verenigde Staten zich in Irak bevinden. En het is nog erger, ze zijn steeds minder in staat om de toenemende aanmatigingen van Syrië en Iran te temperen. De onmogelijkheid van het Amerikaanse leger om de toestand in Irak te beheersen drijft de Amerikaanse bourgeoisie er zelfs toe om in overweging te nemen Iran te betrekken in een poging om de Iraakse chaos te beheersen. Deze alternatieve politiek kan op niets anders uitlopen dan op toenemende eisen van Iran, op het vlak van de ontwikkeling van een kernwapen, maar ook strategisch, in het gehele Nabije en Midden-Oosten. Dergelijke eisen en stappen vooruit van het Iranese imperialisme zijn noch voor Israël, noch de verenigde Staten zelf aanvaardbaar. Het is hoogst waarschijnlijk dat in de komende maanden de toon van de Amerikaanse redevoeringen voor wat betreft de internationale betrekkingen gematigder zal worden en zal oproepen tot meer ‘internationale samenwerking’ in wat de bourgeoisie de strijd tegen het internationale terrorisme noemt. In het weinig waarschijnlijke geval dat dit slaagt zal de chaos zich over het gehele Nabije en Midden-Oosten uitbreiden. De toon is trouwens al gezet met de verklaring van de koning van Saoedie-Arabië, Abdallah aan de Amerikaanse vice-president Dich Cheney, bij zijn bezoek aan Riyad enkele weken geleden: “Saoedie-Arabië heeft de regering Bush laten weten dat in het geval van terugtrekking van Amerikaanse troepen het koninkrijk financiële steun zou kunnen gaan verlenen aan de Soennieten in Irak in om het even welk conflict waarin zij tegenover de Sjiieten zouden staan.” (Courier International, 13 december 2006). In Irak staan de Verenigde Staten met de rug tegen de muur. Geen van de voorgestelde mogelijkheden op militair vlak is bevredigend voor het Amerikaanse imperialisme. De toenemende betwisting van de Amerikaanse oppermacht niet alleen door Iran, maar tevens door imperialistische landen als Frankrijk, Duitsland en zelfs Rusland, kan de Verenigde Staten in de toekomst enkel drijven tot een steeds moorddadigere en barbaarsere vlucht vooruit, ongeacht de ontwikkeling van hun politiek in Irak. Dit kapitalisme in volle ontbinding zal ons nog veel meer vernietigende en irrationele militaire ingrepen voorschotelen.
Rossi
Sinds de winter van 2003 is er een ware volkerenmoord aan de gang in Darfoer, de westelijke regio van Soedan die grenst aan Tsjaad. Officieel telt men al meer dan 300.000 doden en 2.500.000 mensen zijn verdreven naar kampen waar geen enkele veiligheid verzekerd is. Anderen dwalen rond in een zone die ligt tussen Tsjaad en Soedan, omkomend van honger en de aanvallen ondergaand van min of meer gecontroleerde bewapende bendes die de streek onveilig maken. Dorpen worden geregeld gebombardeerd door de Soedanese luchtmacht en de bevolking wordt onderworpen aan afpersingen van de ‘janjaweeds’, met steun van de regering die hen betaalt. Het zijn bloeddorstige milities die in 1988 in Darfoer opdoken na de nederlaag van Khadafi in Tsjaad en van zijn Tsjaadse bondgenoot, die in deze regio onder bescherming van Khartoem stond. Deze laatsten verkrachten vrouwen en kinderen, plunderen en steken dorpen en velden in brand, vallen het vee aan en voeren een politiek van systematische vernietiging.
Het was pas in 2004 dat de Verenigde Naties zich, in de persoon van Kofi Annan, zou gaan ‘bekommeren’ om de toestand door het voor te stellen als een ‘etnisch en raciaal’ conflict. En ondanks de verklaringen van ‘goede bedoelingen’ hebben de pseudo-bedreigingen met vergeldingsmaatregelen de omstandigheden alleen maar verslechterd. En het zijn niet de luttele 7.000 soldaten die door de Afrikaanse Unie zijn gestuurd, zonder middelen of duidelijke doelstellingen, die daarin verandering kunnen brengen. In januari 2005 spreekt de Verenigde Naties duidelijk over ‘misdaden tegen de menselijkheid’ en roept het met zijn tweede resolutie nr. 1593 het internationaal gerechtshof op om vervolgingen in stellen tegen de verantwoordelijken van de begane misdaden. In augustus 2006 stemt de Veiligheidsraad voor het zenden van 17.000 soldaten en 3.000 politieagenten die echter niet worden toegelaten door Omar Al Bechir, de Soedanese president, die dit beschouwt als een ‘invasie’.
Momenteel, nu de Soedanese staat zijn militaire druk opvoert op de rebellenbewegingen, voornamelijk op het Bevrijdingsleger van Soedan, waarvan de opkomst het voorwendsel vormde voor de ontketening van dit geweld, verdubbelt de afpersing van de bevolking. En het is op dit moment Tsjaad dat de rebellengroepen tegen Khartoem steunt onder het welwillend oog van Frankrijk, dat zelf weer hulp verleent aan de Tsjaadse rebellen. Daardoor worden de moorden geëxporteerd naar Centraal Afrika, terwijl de Verenigde Naties zich nog steeds machteloos toont, ondanks de ‘zeer vruchtbare discussies’ in Addis Abeba.
In werkelijkheid trekt niemand in dit wespennest zich iets aan van de bevolking en de aarzelingen weerspiegelen de achtereenvolgende belangen, waarvoor de bevolking geslachtofferd wordt. Want Soedan met zijn olie wordt door de ontwikkelde landen het hof gemaakt, en dat stelt dit land in staat om zijn politiek van de verbrande aarde in Darfoer voort te zetten en nog op te drijven. Dit geldt ook voor de Verenigde Staten, die voor de show één van zijn vele wapenembargo’s heeft afgekondigd en waarvan de ondoeltreffendheid alom bekend is. Ook voor Groot-Brittannië heeft zich vierkant opgesteld tegen elke militaire interventie. En dan nog Frankrijk, dat reeds banden met Soedan had en daarom de ogen sluit. Het is slechts door het risico op de destabilisering van Tsjaad en Centraal Afrika, twee van zijn laatste bolwerken in Afrika, dat de Franse regering wenst om ‘Darfoer te stabiliseren’ om zo een domino-effect te vermijden. Anders gezegd, zolang ze verrekken in Darfoer is dat van geen belang, maar ze moeten niet komen rotzooien in de Franse achtertuin! Wat China betreft, een bijzonder actieve wereldwijde wapenhandelaar, die heeft er een afzetmarkt gevonden voor de afzet van zijn militair materiaal.
En zelfs indien de Verenigde Naties zijn ‘vredestichtende’ soldatentroepen stuurt naar Darfoer, kan men er zeker van zijn dat dit slechts de aanleiding kan worden tot een nieuwe periode van verdere destabilisering, want elk van de hoofdrolspelers heeft geen ander doel dan het verdedigen van zijn eigenbelang via de steun aan rebellenbendes.
Eens te meer zien we de werkelijkheid van deze kapitalistische wereld in volle ontbinding, waarbij de mensheid gegijzeld en tot de speelbal wordt gemaakt van interne twisten en oorlogen tussen bewapende klieken die zich vermenigvuldigen op de planeet, ondersteund door de grootmachten, groot en klein, die elkaar onderling verscheuren achter hun leugenachtig en cynisch gepraat.
Mulan / 24 .11.2006
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 413.3 KB |
Nadat de directie van Airbus zich meerdere weken in allerlei bochten heeft gewrongen, en na een ontmoeting tussen Chirac en Merkel, is nu de valbijl gevallen: 10.000 banen in Europa verdwijnen en verschillende fabrieken zullen worden gesloten of verkocht.
Met de hand op het hart vertelt ons de directie “er zullen geen gedwongen ontslagen vallen”, “alles zal met vroegtijdige pensionering en vrijwillig vertrek worden geregeld”. Er komen geen ontslagen bij Airbus, maar dat betreft slechts de helft van het personeel dat wordt geraakt: de 5000 uitzendkrachten of loonarbeiders bij onderaannemers worden verzocht om op te hoepelen. Wat voor de loonarbeiders van Airbus het “vrijwillig vertrek” betekent, kunnen we op de vingers van één hand natellen: pesterijen door allerlei lagere chefs om hen te doen afknappen. Alles bij elkaar genomen zal er nog meer werkloosheid zijn, vooral onder de jongeren die werk zoeken. En voor wie blijft: als maar helsere arbeidsritmen, meer werken voor hetzelfde salaris, of minder.
Om de crisis van Airbus te verklaren en om dergelijke maatregelen te rechtvaardigen, zingt een ieder zijn eigen liedje. Voor Gallois, de baas van Airbus, is het in de eerste plaats vanwege de sterke Euro: de vliegtuigen van Airbus zijn te duur in vergelijking met die van Boeing. Voor de vakbonden gaat het om een kwestie van slecht management of om de inhaligheid van de aandeelhouders. Voor de bazen is het omdat de staat zich heeft willen inmengen in de industriële politiek, wat zijn rol niet zou zijn: men moet de privé-investeerders het onder elkaar laten uitzoeken. Voor de linkse partijen is het omdat de staat zijn rol van aandeelhouder niet heeft gespeeld. Voor de Franse pers is het vanwege de Duitse staat die de dekens naar zich toe heeft getrokken. De Duitse pers, en de Duitse bourgeoisie die erachter staat, valt het moeilijk om dit argument om te keren, aangezien dat de chemiegigant Bayer net de opheffing van 6100 arbeidsplaatsen heeft aangekondigd, terwijl de directie van Deutsche Telekom terzelfdertijd heeft besloten om 50.000 arbeiders naar onderaannemers over te plaatsen – wat een manier is om hun ontslag voor te bereiden, dat zal volgen wanneer ze eenmaal in vele kleine bedrijfjes zijn ondergebracht en dit alles zonder dat de fransen hier voor iets tussen zitten. En om maar meteen met een ruime maat te meten, moeten degenen die achterblijven vijf uur per week extra werken zonder loonsverhoging. Door haar media probeert de Duitse bourgeoisie de arbeiders bij Airbus te vertroosten door te zeggen dat het voor hen nog erger had kunnen zijn: het zijn immers de Franse arbeiders die het meest getroffen worden. De Spaanse pers laat hetzelfde klokgeluid horen: Wanneer we niet al te slecht af zijn, is dat omdat we competitiever zijn. En om een regeltje aan het nationalistische refrein toe te voegen, worden de Duitsers en de Fransen ervan beschuldigd ieder hun eigen potje te koken zonder de Spanjaarden te raadplegen.
De Britse pers van zijn kant daar domineert vooral discretie: Op dit moment worden honderdduizenden arbeiders in de gezondheidszorg aangevallen met een bevriezing van hun toch al bijzonder lage salarissen.
Voor de Duitse vakbonden zijn de moeilijkheden van Airbus maar één voorbeeld onder meerdere van het slechte beheer door de bazen, dat ook al verantwoordelijk wordt gesteld voor de moeilijkheden bij Deutsche Telekom en bij Bayer. Zij eisen om nog meer betrokken te worden bij het beheer van de ondernemingen, terwijl ze praktisch al 50% van alle ondernemingsraden vertegenwoordigen, en ze al betrokken zijn geweest bij alle beslissingen bij Airbus en in andere sectoren. In dat kader stellen ze voor dat de te nemen maatregelen “om de toekomst van Airbus veilig te stellen” lokaal bediscussieerd worden, fabriek per fabriek, door de bazen en de vakbonden.
De Franse vakbonden klagen op hun beurt eveneens het “slechte bestuur” van de huidige directie aan, en stellen voor de staat een zwaardere stem te geven in het beheer van Airbus. Dit perspectief wordt ook gesteund door de Eerste Minister en door de rechtse en centrum-kandidaten bij de aanstaande presidentsverkiezingen Sarkozy en Bayrou. De socialistische kandidate Ségolène Royal doet er nog het voorstel bovenop dat de regio’s in het kapitaal van de vliegtuigbouwer moeten deelnemen. Dat bestaat al in Duitsland, waar de Länder deelnemen aan het kapitaal van Airbus, met het intussen bekende resultaat!
Er kan een greintje waarheid zitten in sommige van deze verklaringen. Het klopt dat de sterke Euro de verkoop van vliegtuigen die in Europa zijn geproduceerd hindert tegenover de concurrentie van Boeing. Het is juist dat er beheersproblemen zijn bij Airbus. In het bijzonder klopt het dat de concurrentie tussen de Duitse en de Franse staat de zaken niet heeft geregeld. Iedereen kan een stukje van de waarheid vertellen, maar allemaal delen deze lieden dezelfde leugen: dat de arbeiders die vandaag opdraaien voor de moeilijkheden van Airbus dezelfde belangen zouden hebben als hun bazen. Kortom, ze zouden met het doel van deze praatjes moeten instemmen: Airbus moet rendabel worden tegenover Boeing. En dat is precies wat de Amerikaanse bazen aan de Amerikaanse arbeiders vertellen, en waarom de laatsten in de afgelopen jaren tienduizenden ontslagen hebben ondergaan. Per slot van rekening willen alle praatjes die de “verantwoordelijken” afsteken – regering, bazen of vakbonden – de boodschap doen overkomen dat de Amerikaanse arbeiders de vijanden zouden zijn van de Europese, net als de Franse, Duitse, Engelse en Spaanse arbeiders allemaal elkaars vijanden zouden zijn. Uiteindelijk wil het geheel van de burgerlijke krachten in de economische oorlog van vandaag de arbeiders in de verschillende landen tegen elkaar opzetten net zoals ze dat in de militaire oorlogen doet.
De kapitalisten houden niet op om ons te vertellen dat ze elkaar onderling beconcurreren, en dat klopt zeker. De oorlogen van de twintigste eeuw hebben ons laten zien dat het de arbeiders zijn die het meeste te verliezen hebben in deze rivaliteiten tussen kapitalistische naties, en dat ze geen enkel belang hebben om zich aan de bevelen en de belangen van hun respectievelijke nationale bourgeoisie te onderwerpen. In de logica van het kapitalisme moeten de Amerikaanse net als de Europese arbeiders steeds meer offers brengen. Wanneer Airbus rendabeler wordt ten opzicht van Boeing, zullen de Amerikaanse arbeiders nieuwe aanvallen ondergaan. Er is trouwens vanaf vandaag al een banenverlies van 7000 aangekondigd. Vervolgens is het aan de Europese arbeiders om opnieuw de rekening te betalen. Ieder terugwijken van de arbeiders tegenover de kapitalistische eisen zal overal slechts de weg bereiden voor nieuwe aanvallen, die nog gewelddadiger zullen zijn dan de voorgaande. Het kapitalistische systeem heeft geen andere “opties”, want het verkeert in een onoplosbare crisis. Het enige antwoord dat het daarop heeft bestaat eruit als maar meer banen te schrappen en de arbeiders die “de kans hebben” om hun baan... voor het moment te behouden een steeds wredere uitbuiting op te leggen.
Voor de arbeiders die vandaag door de maatregelen van de directie van Airbus worden getroffen, bestaat er geen alternatief dan de strijd aan te gaan. In verschillende fabrieken van Airbus hebben ze dat onmiddellijk begrepen. Meteen na de aankondiging van de directieplannen zijn de 1000 arbeiders van de fabriek in het Zuid-Duitse Laupheim spontaan in staking gegaan, op hetzelfde moment dat de arbeiders in Méaulte, Picardië, het werk neerlegden. Ze hebben daar het werk weer hervat nadat de vakbonden hen hebben verteld dat de fabriek niet zou worden verkocht, wat een leugen was.
Maar de arbeiders van Airbus zijn niet de enigen die in deze strijd betrokken zijn. Alle uitgebuiten moeten zich solidair voelen tegenover de aanvallen die vandaag op de arbeiders in de luchtvaartsector neerkomen, die morgen opnieuw de automobielsector zullen treffen, de Telecom, de chemie, en alle sectoren.
De arbeiders moeten zich in soevereine algemene vergaderingen verenigen, waarin ze over doelen en middelen van hun strijd discussiëren en beslissen. Hun strijd, dat is de zaak van de arbeiders zelf. Dat is niet de zaak van verkiezingskandidaten, die hun beloften vergeten zodra ze aan de macht zijn. Dat is ook niet de zaak van hun gepatenteerde “vertegenwoordigers”, de vakbonden. Die besteden hun tijd met verdeeldheid te zaaien tussen de arbeiders onderling, of het nu in één fabriek is dan wel in eenzelfde productie-eenheid. We zien dat vandaag in Toulouse, waar de praatjes van de belangrijkste vakbond, “Force Ouvrière” proberen de ‘blauwe boorden' in de fabrieken tegen de ‘witte boorden’ van het hoofdkantoor uit te spelen, die zelf ook zwaar worden getroffen. Of die de arbeiders in het ene land tegenover die van een ander proberen te stellen, want de vakbonden zijn de eersten die de nationale dweilen uithangen. Voor de Franse vakbonden van Airbus, met “Force Ouvrière” aan het hoofd, moet er worden “gestreden”, inclusief het lamleggen van de productie, voor een “betere verdeling van de offers”. Met andere woorden: om de Duitse arbeiders nog zwaarder te treffen. En zelfs wanneer een vakbond als IG-Metall voor medio maart een gezamenlijke actiedag voorstellen voor de arbeiders uit de verschillende landen met Airbus-nederzettingen, is dat slechts een manoeuvre om te voorkomen dat de arbeiders zich ervan bewust worden dat hun belangen niet die van het nationale kapitaal zijn, en om in één adem door zijn verklaringen tegen de staking als toonbeeld van “verantwoordelijkheid” voor te stellen.
Tegelijkertijd is het een middel om een “solidariteit” tussen de Europese arbeiders van Airbus te cultiveren die tegenover de Amerikaanse arbeiders van Boeing worden gesteld, die in de herfst van 2005 een massieve staking hebben gehouden tegen de aanvallen van hun bazen.
De noodzakelijke solidariteit van alle arbeiders is begonnen zich te manifesteren, notabene door spontane werkonderbrekingen in fabrieken die relatief gespaard blijven, zoals in Hamburg en Bremen, de belangrijkste in Duitsland. Onlangs hebben de arbeiders van Airbus in het zuiden van Spanje, die nu worden aangevallen, hun steun betuigd aan de manifestaties van de families van arbeiders van het automobiel-uitrustingsbedrijf Delphi, die op straat gegooid waren door de sluiting van de fabriek in Puerto Real. Dat is de weg die alle arbeiders op moeten gaan.
Tegenover de oproepen van de bazen om het schrappen van banen, loonsverlagingen, en verslechtering van de arbeidsomstandigheden te accepteren is slechts één antwoord mogelijk: de offers afwijzen, die nog brutalere aanvallen voorbereiden! Alleen de strijd loont!
Tegenover de pogingen om de arbeiders per fabriek of per land te verdelen – de solidariteit van de hele arbeidersklasse!
Tegen het isolement, dat altijd naar de nederlaag leidt: de uitbreiding van de strijd! De arbeidersvergaderingen moeten massale delegaties naar de andere ondernemingen sturen, opdat het geheel van de arbeiders deel neemt aan een solidariteitsbeweging.
Tegenover een kapitalistisch wereldsysteem dat ten einde raad is, dat steeds brutalere aanvallen onderneemt tegen alle arbeiders in alle sectoren en alle landen, bestaat er voor de arbeidersklasse geen ander alternatief dan steeds vastberadener, steeds omvangrijker en steeds meer solidaire gevechten te voeren. Dat is het enige middel om een hindernis op te werpen aan een verscherping van de uitbuiting, aan steeds onmenselijker arbeids- en levensomstandigheden, en om zich voor te bereiden op de omverwerping van dit systeem, dat ellende, oorlog en barbarij zaait.
Internationale Kommunistische Stroming / 5 maart 2007
Sinds enkele tientallen jaren ondersteunen de verschillende ultralinkse organisaties, en dan vooral de trotskistische, ‘de gerechtvaardigde strijd van het Palestijnse volk’ tegen ‘het Amerikaanse imperialisme’ in naam van de ‘nationale bevrijdingsstrijd’. Momenteel worden de Palestijnse gebieden in volledige chaos gestort door onderlinge strijd. Sinds de president van de Palestijnse Autoriteit op 16 december vervroegde presidentiële en parlementaire verkiezingen aankondigde vonden in Gaza gewapende confrontaties plaats tussen rivaliserende fracties, enerzijds de islamisten van Hamas die de regering vormen en anderzijds Fatah van president Mahmoud Abbas. De confrontaties zijn bloedig: straatgevechten, aanslagen met bomauto’s, herhaaldelijk ontvoeringen. Het vereffenen van hun onderlinge rekeningen zaait dood en terroriseert de bevolking van de Gazastrook, die al te gronde is gericht is door de armoede.
Wat vinden trotskistische organisaties zoals Lutte Ouvrière (LO) of de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR, zusterorganisatie van de SAP in België) van een dergelijke ontketening van geweld en barbarij?
Onveranderd wijzen LO en de LCR met de vinger naar diegenen die volgens hen als enigen schuldig zijn: de Verenigde Staten en de ‘zionistische staat Israël’. LO verklaart in een artikel in zijn weekblad van 6 oktober: “Chaos en confrontaties zijn het onmiddellijke gevolg van de financiële sancties die door de Europese Unie, de regering van de Verenigde Staten en die van Israël werden opgelegd” en ook: “Het zijn wel degelijk Israël en zijn westerse meesters die verantwoordelijk zijn voor de rampzalige toestand waarin de Palestijnen verkeren” (LO, nr. 2003, 22 december 2006). Het imperialisme is onlosmakelijk verbonden aan het leven van iedere burgerlijke nationalistische fractie en komt tot uiting in een strijd ter verdediging van het nationaal kapitaal tegen alle concurrerende staten, van de grootste tot de kleinste. Er dient aangestipt te worden (tot ongenoegen van de trotskistische groepen) dat, wanneer Fatah kan rekenen op de steun van Israël, Verenigde Staten en de Europese Unie en Hamas financieel gesteund en bewapend wordt door Iran en Syrië, dat juist komt door het bestaan van Palestijnse burgerlijke klieken.
Door zogenaamd ‘alle Palestijnen’ te ondersteunen, moedigt LO de arbeidersklasse in feite aan om zich te scharen achter de burgerlijke klieken en zich te laten ronselen als kanonnenvlees voor de verdediging van het Palestijnse vaderland. Dat is wat deze organisatie, net als het geheel van de trotskistische groepen, altijd doet en ook enkel de politiek van bepaalde landen, van bepaalde staten, als imperialistisch aanduidt.
Wat de LCR betreft, die steekt het evenmin onder stoelen of banken door luid en duidelijk haar directe steun te betuigen niet aan het ‘Palestijnse volk’ in het algemeen, maar direct aan de een of andere fractie of militie. Daags na de verkiezingen waarbij Hamas als overwinnaar uit de bus kwam, verklaarde een communiqué van de LCR van 26 januari 2006: “Fundamenteel dragen de Israëlische regeringen, en die van Sharon op kop, en de Verenigde Staten een grote verantwoordelijkheid in wat sommigen een ‘politieke aardverschuiving’ noemen. Deze gespierde politiek van Bush en Sharon heeft de leiders van de Fatah parten gespeeld en Hamas in de kaart gespeeld.” De trotskistische organisaties zijn gebrand op het voortdurend kiezen voor één van de aanwezige kampen in alle oorlogen, in ieder conflict. En die politiek wordt hier ronduit belachelijk. Zo hebben we kunnen meemaken hoe bij de LCR de steun geleidelijk aan verschoof van Fatah naar Hamas: “De Verenigde Staten en Israël proberen de president van de Palestijnse Autoriteit te versterken [...] om de regering van Hamas te verzwakken, die massaal verkozen is en gesteund wordt door de meerderheid van de Palestijnen” of nog meer onomwonden: “Dat is de achtergrond van de bloedige botsingen van de laatste weken in Gaza, tussen de militanten van Fatah en die van Hamas, en waarvoor Fatah de volledige verantwoordelijkheid draagt.” (door ons vet gedrukt).
Die windhaanpolitiek veroorzaakt ontreddering binnen de trotskistische stroming en daarvan getuigt het woedende gebekvecht op het forum van de ‘revolutionaire marxisten’ (https://forumtrots.agorasystem.com/lcr [10]) dat onderhands onderhouden en gecontroleerd wordt door de LCR. Terwijl de oorlog tussen de Palestijnse fracties voortwoekert, gaat het er haar om voor één van deze fracties te kiezen, opdat het Palestijnse volk, in slijk en bloed, eindelijk de weg van haar ‘nationale bevrijding’ kan inslaan. Sommigen willen Fatah ondersteunen, dat progressief zou zijn. Anderen willen daarentegen, om dezelfde redenen, Hamas ondersteunen.
Een kleine bloemlezing, de één stelt “Eén van de fracties is burgerlijk nationalistisch en de andere vertegenwoordigt het groene fascisme. Ik verkies Fatah!” Een ander antwoordt hem: “Wat wij in deze crisis duidelijk kunnen merken is dat Fatah toch een drempel heeft overschreden als hulptroep van het imperialisme door de regering van Hamas te veroordelen […] en door naar alle middelen te grijpen om die te destabiliseren.” Een derde drukt zich als volgt uit: “Hamas verdedigt noch de bourgeoisie noch het fascisme maar een feodaal systeem gestoeld op het religieuze obscurantisme terwijl Fatah, nationalistisch en niet-confessioneel […] een zelfstandige staat verdedigt die geleid wordt door een nationale bourgeoisie […]. Ik kies voor de PLFP.” Nog een andere trotskistische sympathisant doet er nog een schepje bovenop: “Zelfs indien de PLFP de Hamas zou ondersteunen?” Antwoord van de voorafige: “Bij afwezigheid van een marxistische en revolutionaire organisatie die in staat zou zijn om een gewicht in de schaal te werpen bij de huidige gebeurtenissen, betuig ik mijn kritische steun aan wie ik kan! En dus aan de PLFP in dit geval…”. In naam van de democratie laat de LCR deze argumenten op een cynische manier onbeantwoord. En met reden, de wanklank van het debat is niets meer dan de weerspiegeling van de eigen innerlijke tegenspraken.
LO en de LCR vermijden zorgvuldig om de vraag te stellen: wáár stelt zich de verdediging van de belangen van de arbeidersklasse, in Palestina, in Israël of elders in de wereld? De wrede uitbuiting van de arbeidersklasse door de Palestijnse en Israëlische bourgeoisie is als bij toverslag verdwenen. De “verdediging van het Palestijnse vaderland, in naam van de gerechtvaardigde rechten van de Palestijnen” wordt er als slogan ingehamerd om de arbeidersklasse te ronselen voor het inter-imperialistische wespennest. Zo verspreiden de trotskistische broeinesten het ergste nationalistische gif in het bewustzijn van de arbeiders. Iedere bourgeoisie, Palestijns of Israëlisch, roept de arbeiders die op hun grondgebied wonen er toe op om deel te nemen aan de oorlog. Enerzijds moet er gestreden worden voor “de gerechtvaardigde zaak van het Palestijnse volk” en anderzijds zou men “Israël moeten verdedigen tegen de dreiging van het fanatisme van de Arabische moslimwereld.” Wat zijn de gevolgen van een dergelijk standpunt zowel voor de arbeiders die in Palestina leven als in Israël? Wat moet de houding zijn van de arbeiders overal ter wereld ten opzichte van dit conflict? Deze vragen en de antwoorden die er op komen zijn niet van bijkomstig belang voor de arbeidersklasse, integendeel, zij zijn van levensbelang voor de ontwikkeling van de klassenstrijd en het proletarische bewustzijn.
Overal hebben de arbeiders dezelfde belangen te verdedigen, tegen dezelfde klasse van uitbuiters. Dat betekent slechts één ding voor de arbeidersklasse: tegenover de imperialistische en nationale oorlogen van de bourgeoisie kan het proletariaat enkel zijn klassenoorlog stellen en zijn internationale eenheid. Rosa Luxemburg, een van de grootste persoonlijkheden van het revolutionaire proletariaat, beklemtoonde dit bijna een eeuw geleden al luid en duidelijk: “In het tijdperk van het ontketende imperialisme kan er geen nationale oorlog meer zijn. De nationale belangen zijn niets anders dan een misleiding die tot doel heeft om de werkende volksmassa’s in dienste te stellen van hun doodsvijand: het imperialisme” (1). Onder het mom van een gerust geweten en in naam van de verdediging van een Palestijns vaderland waar de rechten van het volk gerespecteerd zouden worden, zien we met welk vuil werk organisaties als LO en de LCR zich bezighouden. Erger nog! Wanneer zij geconfronteerd worden met organisaties die op een werkelijke en concrete wijze het proletarisch internationalisme verdedigen, behandelen zij die als ‘onverschilligen’. Het enig mogelijke marxistische en revolutionaire standpunt is dat wat gesteld werd door een aanhanger van de standpunten van het Links Kommunisme, die het woord nam op het trotskistische Forum: “Wat er in Gaza gebeurt toont eens te meer aan wat de nationalistische ideologie voor de arbeidersklasse betekent. Wanneer de arbeidersklasse vergiftigd is door deze ideologie wordt deze er telkens toe gebracht om elkaar onderling uit te moorden voor belangen die niet de hunne zijn. Dat hebben we gezien in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog, tijdens de conflicten tussen het Oostblok en het Westen. Nu weer met de ontwrichting van de Palestijnse Autoriteit worden de Palestijnse arbeiders er toe gebracht om elkaar af te maken in naam van het feit dat het ene of het andere kamp progressief zou zijn. En dat terwijl alle aanwezige kampen een nationale zaak verdedigen die niet het terrein is van de arbeidersklasse. Tegenover een dergelijke toestand moet eens te meer de oorlogskreet van de arbeidersklasse worden aangeheven: proletariërs hebben geen vaderland!”.
Tino / 22.01.2007
(1) Stellingen over de internationale democratie.
Na 90 jaar blijft de ontketening van de Russische Revolutie in 1917 de meest reusachtige, meest bewuste massabeweging van de uitgebuiten. Ze was rijker aan ervaringen, aan initiatieven en aan creativiteit dan welke andere gebeurtenis uit de geschiedenis ook.
Na 90 jaar blijft de ontketening van de Russische Revolutie in 1917 de meest reusachtige, meest bewuste massabeweging van de uitgebuiten. Ze was rijker aan ervaringen, aan initiatieven en aan creativiteit dan welke andere gebeurtenis uit de geschiedenis ook. Miljoenen proletariërs zijn er toen werkelijk in geslaagd om hun isolement te doorbreken, om zich bewust te verenigen, om zich de middelen te verschaffen om collectief, als één macht op te treden, en om de instrumenten voor de omverwerping van de burgerlijke staat en het veroveren van de macht in werking te brengen: de arbeidersraden (sovjets). Belangrijker nog dan de omverwerping van het eeuwenoude tsaristische regime was dat deze bewuste massabeweging niets minder aankondigde dan het begin van de proletarische wereldrevolutie in het kader van een internationale golf van revoltes van de arbeidersklasse tegen de oorlog en tegen het kapitalistisch systeem in zijn geheel.
De bourgeoisie heeft zich hierin niet vergist; zij verspreidt sinds decennia de meest doortrapte leugens over deze historische gebeurtenis. Met een heel palet aan spitsvondigheden doen de burgerlijke historici in feite niets anders dan één van de meest afgezaagde legendes herhalen, die de Russische Revolutie van februari 1917 afschildert als een beweging voor ‘democratie’, die door een bolsjewistische staatsgreep verkracht zou zijn. Februari 1917 zou een waar ‘democratisch feest’ geweest zijn, Oktober 1917 een platvloerse ‘staatsgreep’, een manipulatie door de bolsjewistische partij van de achterlijke massa’s van tsaristisch Rusland. Deze schaamteloze vervalsing is het product van de angst en de woede die de wereldbourgeoisie voelt tegenover een collectief en solidair werk, een bewuste actie van de uitgebuite klasse, die het hoofd durft te verheffen en de bestaande orde der dingen in vraag stelt.
De opstand van de arbeiders van St. Petersburg (Petrograd) in Rusland in februari 1917 komt niet als een donderslag bij heldere hemel. Hij ligt in het verlengde van de hard onderdrukte economische stakingen die door de Russische arbeiders vanaf 1915 gevoerd worden tegen de wreedheid van de wereldoorlog, tegen de honger, de zwarte ellende, de doorgedreven uitbuiting en de ononderbroken terreur van de staat van oorlog. Deze stakingen en revoltes beperken zich in die periode niet tot het Russische proletariaat, maar maken deel uit van de strijd en de acties van het internationaal proletariaat. Een soortgelijke golf van arbeidersverzet ontwikkelt zich in Duitsland en Oostenrijk, in Groot-Britannië... Aan het front, vooral bij het Russische en het Duitse leger, vinden muiterijen, collectieve deserties, en verbroedering tussen soldaten van beide kanten plaats. Nadat het zich had laten meeslepen door het vergif van het patriottisme en het ‘democratisch’bedrog van de regeringen, gesteund door het verraad van de meeste sociaal-democratische partijen en vakbonden, stak het wereldproletariaat opnieuw de kop op en begon het uit de mist van de chauvinististische dronkenschap te ontwaken. Aan het hoofd van de beweging bevonden zich de internationalisten – bolsjewieken, spartakisten, heel de linkerzijde van de IIe Internationale die de oorlog, nadat die in augustus 1914 was uitgebroken, onophoudelijk aanklaagden als een imperialistische rooftocht, als de uitdrukking van het failliet van het wereldkapitalisme, als het signaal voor het proletariaat om zijn historische missie ten uitvoer te brengen: de internationale socialistische revolutie. Deze historische uitdaging is de arbeidersklasse aangegaan vanaf 1917 tot in 1923. In de voorhoede van deze proletarische beweging die een einde maakte aan de oorlog en die de mogelijkheid opende voor de wereldrevolutie stond het Russische proletariaat in de maand februari van 1917. Het losbarsten van de Russische Revolutie was dus geen nationale gebeurtenis of een op zichzelf staand fenomeen – dat wil zeggen een vertraagde burgerlijke revolutie die zich ertoe beperkte het feodale absolutisme omver te werpen. Ze vormde integendeel het hoogtepunt van het antwoord van het wereldproletariaat op de oorlog, en op een nog fundamenteler niveau: op de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode.
Tussen 22 en 27 februari ontketenen de arbeiders van St. Petersburg een opstand in antwoord op het historisch probleem dat gesteld wordt door de wereldoorlog als uitdrukking van het verval van het kapitalisme. De staking begint bij de textielarbeiders die de aarzelingen bij de revolutionaire organisaties opzijzetten, en omvat binnen drie dagen praktisch alle fabrieken van de hoofdstad. Op de 25e hebben 240.000 arbeiders het werk stilgelegd. Ze blijven geenszins passief in hun werkplaatsen, maar komen bijeen in meetings en straatbetogingen, waar de ordewoorden van het eerste uur om ‘brood’ te eisen al snel versterkt worden tot ‘weg met de oorlog’ en ‘weg met de autocratie.’
Op de avond van de 27e heerst de opstand, gevoerd door het bewapende proletariaat, als heer en meester over de stad, terwijl arbeidersstakingen en betogingen op gang komen in Moskou, en in de dagen daarna ook in de provinciesteden Samara, Saratov en Charkov... Geïsoleerd en niet bij machte een leger, dat sterk verzwakt is door de oorlog, in te zetten tegen de revolutionaire beweging, ziet het tsaristisch regime zich gedwongen om af te treden.
Wanneer eenmaal de eerste ketenen gebroken zijn, willen de arbeiders niet meer wijken. Om niet blindelings te handelen, bouwen ze voort op de ervaring van 1905 en richten ze sovjets op, die toen al spontaan waren ontstaan tijdens de massastaking. De arbeidersraden waren de directe uitdrukking van duizenden arbeidersvergaderingen in de bedrijven en de wijken. Ze pasten de soevereiniteit toe van de assemblees en de centralisatie via verkozen en permanent afzetbare afgevaardigden. Een dergelijk sociaal proces kan vandaag voor veel arbeiders utopisch lijken, maar het is het proces van transformatie van een onderworpen en verdeelde massa tot een verenigde klasse die als één enkel mens optreedt en in staat is zich in de revolutionaire strijd te gooien. Meteen na 1905 beschreef Trotski wat een arbeidersraad is : “Wat was de sovjet van arbeidersafgevaardigden? De sovjet werd gevormd om aan een praktische nood te beantwoorden die voortkwam uit de loop der gebeurtenissen. Het was een gezaghebbende organisatie maar die niet op tradities boogde, die in één klap een versnipperde massa van honderdduizenden mensen kon samenvatten, bijna zonder organisatieapparaat, die de revolutionaire stromingen in het proletariaat verenigde, die in staat was om initiatieven te nemen en om zichzelf op een spontane manier te controleren en, het belangrijkste van allemaal, die binnen 24 uur vanuit de illegaliteit naar buiten kon treden.” (Trotski, 1905). Deze “eindelijk gevonden vorm van de dictatuur van het proletariaat”, zoals Lenin het uitdrukte, maakte de permanente organisatie in vakbonden vervallen en overbodig. In de periode waarin de revolutie historisch gezien op de agenda staat, breekt de strijd spontaan uit en neigt hij ertoe zich over alle productiesectoren uit te breiden. Het spontane ontstaan van de arbeidersraden is dus het directe resultaat van het explosieve en ongeprogrammeerde karakter van de revolutionaire strijd.
De arbeidersraden ten tijde van de Russische Revolutie waren niet een eenvoudig passieve product van uitzonderlijke objectieve omstandigheden, maar het product van een collectieve bewustwording. De radenbeweging heeft zelf het materiaal aangedragen voor de zelfopvoeding van de massa's. De arbeidersraden vermengden voortdurend de economische en politieke aspecten (van de strijd) tegen de heersende orde. Zoals Trotski schreef : “Een revolutie leert, en wel snel. Daarin is haar kracht gelegen. Iedere week bracht de massa’s iets nieuws. Iedere twee maanden waren een tijdperk. Eind februari – de opstand. Eind april – optreden van gewapende arbeiders en soldaten in Petrograd! Begin juli – een nieuw optreden op veel grotere schaal en onder veel positievere leuzen. Eind augustus – de poging tot een staatsgreep van Kornilov, afgeslagen door de massa’s. Eind oktober – machtsgrijping door de bolsjewiki. Onder deze gebeurtenissen, die verbluffend zijn door hun wetmatige verloop, voltrokken zich diepgaande, interne processen welke de verschillende delen van de arbeidersklassen samensmolten tot één politiek geheel. (...) Men hield bijeenkomsten in de loopgraven, op dorpspleinen, in fabrieken... Maandenlang was in Petrograd en in heel Rusland elke straathoek een politieke tribune...” (Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie)
Door de arbeidersraden het overwicht te geven, verschafte het Russische proletariaat zich de middelen om zijn strijd te voeren, maar desondanks bevond het zich vanaf februari in een bijzonder gevaarlijke situatie. De krachten van de internationale bourgeoisie probeerden immers dadelijk de situatie in haar voordeel te keren. Omdat ze de beweging niet in bloed konden smoren, probeerden ze haar te richten op burgerlijk ‘democratische’ doeleinden. Enerzijds werd een officiële voorlopige regering gevormd met als doel de voortzetting van de oorlog. Anderzijds werden de sovjets in het begin overspoeld door mensjewieken en sociaal-revolutionairen. Deze laatsten, waarvan de meerderheid met de oorlog overgelopen was naar het kamp van de bourgeoisie, genoten bij het begin van de februarirevolutie van een immens vertrouwen onder de arbeiders. Ze kwamen vanzelf terecht in het Uitvoerend Comitee van de Sovjet. Vanuit die strategische positie probeerden ze op alle mogelijke manieren de sovjets te saboteren, ze te vernietigen. Van een situatie van ‘dubbele macht’ kwam men daardoor in een situatie van ‘dubbele onmacht’ terecht in mei en juni 1917 omdat het Uitvoerend Comitee van de sovjets als masker diende voor de bourgeoisie om haar doelen te realiseren, met in de eerste plaats het herstellen van de orde aan het front en in het achterland om de imperialistische slachting te kunnen voortzetten. De demagogen van mensjewieken en sociaal-democraten deden steeds opnieuw beloftes over vrede, over een oplossing voor het landbouwprobleem, over de invoering van de achturendag, enzovoort, zonder dat daar ooit iets van terechtkwam. Ook al waren de arbeiders, tenminste die in Petrograd, ervan overtuigd dat alleen de sovjetmacht hun aspiraties kon verwezenlijken, en al zagen ze dat geen rekening gehouden werd met hun wensen en eisen, dan geloofde men in de provinciesteden en onder de soldaten nog in de ‘verzoeners’, in degenen die opkwamen voor de zogezegde burgerlijke revolutie. Tenslotte was het Lenin die met zijn Aprilstellingen, twee maanden na het ontketenen van de beweging, zijn gedurfde platform onthulde om de partij van de bolsjewieken te herbewapenen, die ook al de neiging had om zich met de voorlopige regering te verzoenen. Zijn Stellingen maakten overduidelijk welke weg het proletariaat opging en formuleerden de perspectieven van de partij: “1. In onze houding tegenover de oorlog die (...) ook onder de nieuwe regering (...) onvoorwaardelijk een imperialistische oorlog blijft, zijn ook de geringste concessies aan de ‘revolutionaire vaderlandsverdediging’ ontoelaatbaar.” “3. Generlei steun aan de Voorlopige Regering, het aan het licht brengen van heel de leugenachtigheid van al haar beloften... Ontmaskering van de Voorlopige Regering in plaats van de ontoelaatbare, tot illusies aanleiding gevende ‘eis’ dat deze regering, de regering van de kapitalisten, moet ophouden imperialistisch te zijn.” “5. Geen parlementaire republiek – van de Sovjets van arbeidersafgevaardigden daarheen terugkeren zou een stap achteruit betekenen – maar een republiek van Sovjets van arbeiders-, landarbeiders- en boerenafgevaardigden in het gehele land, van onder tot boven.” Gewapend met dit stevige kompas was de bolsjewistische partij bij machte concrete voorstellen te doen die beantwoordden aan de noden en mogelijkheden op elk moment van het revolutionair proces door het vooruitzicht van de machtsgreep in het vizier te houden, en door een werk van “bijzonder grondig, volhardend en geduldig” uitleggen” (Lenin). En in deze strijd van de massa’s om de controle over hun organisaties in handen te nemen tegen de sabotage door de bourgeoisie, werd het na verschillende politieke crises, in april, in juni en vooral in juli, mogelijk de Sovjets te vernieuwen, waarin de bolsjewieken tenslotte de meerderheid behaalden. De doorslaggevende activiteit van de bolsjewieken heeft dus als centrale krachtlijn de ontwikkeling van het klassenbewustzijn, met een vertrouwen in de capaciteit tot kritiek en analyse van de massa’s en een vertrouwen in hun vermogen tot vereniging en zelforganisatie. De bolsjewieken hebben de massa’s nooit willen onderwerpen aan een vooraf opgesteld ‘actieplan’ dat hen zou verheffen zoals men een leger leidt. “De voornaamste kracht van Lenin was daarin gelegen, dat hij de innerlijke logica van de beweging begreep en daarnaar zijn politiek richtte. Hij drong zijn plan niet aan de massa’s op. Hij hielp de massa’s hun eigen plan te zien en te verwezenlijken.” (Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie, hoofdstuk ‘de reorganisatie van de partij’) Zo kwam het dat de bolsjewieken vanaf september in de vergaderingen van arbeiders en soldaten duidelijk de kwestie van de opstand stelden. “Tot de opstand werd om zo te zeggen besloten op een vastgestelde datum: 25 oktober. Daartoe werd niet besloten op een geheime vergadering, maar openlijk en publiekelijk, en de zegevierende revolutie had precies op die 25e oktober plaats...” (idem.) Ze veroorzaakte een enthousiasme zonder weerga bij de arbeiders van de gehele wereld en werd het ‘lichtbaken’ dat de toekomst van alle uitgebuiten verlichtte. Vandaag nog is de vernietiging van de politieke en economische macht van de heersende klasse een dwingende noodzaak om te overleven. De dictatuur van het proletariaat, georganiseerd in soevereine Raden blijft de enige realistische weg om de basis te leggen voor een nieuwe, waarachtig communistische maatschappij. Dat moeten de proletariërs zich herinneren in het licht van de ervaring van 1917.
SB
Sinds enkele weken hebben de media het startsein gegeven voor de verkiezingscampagne van 10 juni. Ze prenten ons in dat “De burger, zoals om de vier jaar, zal kunnen deelnemen aan het bepalen van de politiek van het land en zijn democratische vertegenwoordigers zal kunnen kiezen.” En ze tonen ons ook wat er op het spel staat bij deze verkiezingen: Zullen Verhofstadt en zijn ‘ethisch-progressieve’ coalitie de meerderheid behouden of zullen de christen-democraten en hun ‘moreel reveil’ een nieuwe meerderheid behalen? Zal de toekomstige eerste minister de liberaal Verhofstadt zijn, de christen-democraat Leterme of de socialist Di Rupo? Komt er een nieuwe ronde van gemeenschapsonderhandelingen om de bevoegdheden te regionaliseren of eerder een zekere ‘her-federalisering’ van bepaalde financiële middelen? Ze stellen ons ook de wedijverende programma’s voor: terwijl de liberalen meer de individuele vrijheden willen om het land beter te integreren in de gemondialiseerde maatschappij, dan beweren de christen-democraten anderzijds dat zij de staat beheren als ‘een goede familievader’ met behoud van ‘een zorgzame samenleving’ die zich bekommert om de ‘allerarmsten’. De socialisten van hun kant roepen op tot een verbond van progressieven en groenen om een ‘sociaal rechtschapen en milieuvriendelijke maatschappij op te bouwen’. Maar op socio-economisch vlak zijn alle partijen het eens over het wezenlijke, zelfs al spelen ze in op enkele verschillen omtrent de aanvullende maatregelen: de groei van de nationale economie gaat de goede richting uit en alles moet in het werk gesteld worden ‘om de competitiviteit ten koste van alles te handhaven’ tegenover de concurrenten op de internationale markt waar de wedijver wreed is. Zijn zij trouwens niet allen betrokken bij het uitvoeren van deze politiek op de verschillende machtsniveaus? De liberalen leiden de federale regering, de christen-democraten de Vlaamse regering, de socialisten de Waalse deelregering en het Brussels gewest.
En juist op het sociaal vlak is er één vraagstuk dat totaal ontbreekt in het verkiezingsdebat, namelijk dat van de arbeids- en levensomstandigheden van de bevolking in het algemeen en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Weggeveegd de crisis, de ontslagen, de loonsdalingen, de flexibiliteit, de stress, een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld, jongeren die doorslaan… Deze stilte hoeft ons niet te verbazen want op het vlak van de aanvallen tegen de arbeidersklasse, zijn alle partijen het roerend eens en hun ministers zitten tot over de oren verwikkeld in de getroffen maatregelen.
Achter de verkiezingsheisa schuilt de heilige eenheid om de arbeidersklasse aan te vallen
Denken wij even terug aan de hoofdlijnen van het offensief van de bourgeoisie zoals geformuleerd tijdens de conferenties voor tewerkstelling van september 2003 (cf. Internationalisme, nr. 300, 15.11.03), die het geheel van de patronale, syndicale en politieke krachten bijeenbracht. Ze hadden vijf werkterreinen vooropgesteld voor de aanvallen op de loontrekkenden: daling van de bedrijfslasten, loonmatiging, vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid, verlenging van de werkweek en loopbaanverlenging en tenslotte de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Tegenover het misleidende gepraat van de partijen is het niet nutteloos om de vernietigende gevolgen van deze voorbedachte politiek even in herinnering te roepen:
- Daling van de bedrijfslasten:
Belastingwijzigingen voor de bedrijven, het versoepelen van ontslagprocedures en vooral maatregelen die de flexibiliteit doen toenemen volgden elkaar op. Het patronaat heeft berekend dat de toegekende matige loonstijgingen de laatste jaren ruimschoots gecompenseerd worden door een duizelingwekkende productiviteitsstijging, dank zij de toename van de flexibiliteit, mogelijk gemaakt door een verdubbeling van de maximaal toegestane arbeidstijd (in 2006 ging het aantal arbeidsuren per jaar boven de officiële arbeidstijd van 65 naar 130 arbeidsuren, ofwel een gemiddelde van twee uur per week), en een sterkere lastendaling voor de werkgevers, toegekend door de regering. In 2003 stond België op de tweede plaats op de wereldranglijst van de productiviteit per gewerkt uur en in 2006 staat het nog altijd in de top-3 (na Luxemburg en Noorwegen) (The Conference Board, in De Morgen, 27.01.07). De Belgische arbeider produceert per uur 12% meer waarde dan in de USA, wat veel zegt over het ritme en de flexibiliteit van de arbeid, die volgens de bourgeoisie nochtans moeten worden verbeterd.
- Loonmatiging:
Sinds minstens tien jaar kunnen de lonen de prijzenindex met moeite te volgen en dikwijls, zoals in 2005, is er een ‘officiële’ daling van de koopkracht, net als trouwens in andere landen van Europa en in de Verenigde Staten (De Morgen, 05.06.06). In elk geval is de ‘automatische loonindexering’ zelf een mythe in de mate dat er met de index geknoeid is (petroleumproducten en producten ‘schadelijk voor de gezondheid’ zijn er uitgehaald). Bovendien heeft de bourgeoisie sinds 1990 een ‘loonnorm’ ingevoerd om de index te ‘matigen’ door te bepalen dat de voorziene loonstijgingen niet hoger mogen zijn dan het gemiddelde toegekend in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Voor 2007-2008 is die vastgelegd op 0,5% onder die welke voorzien zijn in deze landen. Men hoeft er dus niet verbaasd over te zijn dat de koopkracht van de Belgische arbeider de laagste is van alle industrielanden van Europa, bijvoorbeeld 25% minder dan in Nederland (cijfers van de Federatie van Europese Werkgevers, De Morgen, 05.06.06).
- Vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid:
Onder de mom van de veel te hoge werkloosheidsgraad in verhouding tot de werkaanbiedingen (cf. De Nationale Bank onderstreept dat de werkloosheidsgraad van 8% te hoog blijft in verhouding tot de economische groei terwijl de bedrijven geen kandidaten vinden (De Morgen, 15.02.07), pleiten regering en patronaat met steeds harder voor het verminderen van de werkloosheidsuitkeringen en voor het beperken van de duur ervan. Zo heeft de Vlaamse socialistische minister voor tewerkstelling, F. Vandenbroucke een systematische politiek gevoerd van het individueel volgen van jonge werklozen om hen onder druk te zetten en te sanctioneren als ze niet ‘proactief zijn op de arbeidsmarkt’. Bovendien pleit hij voor hogere werkloosheidsvergoedingen… maar van beperkte duur om de druk op te voeren want de ‘werkaanbiedingen kunnen niet meer worden ingevuld.’
- Verlenging van de werkweek en loopbaanverlenging:
Tegenover een tewerkstellingsgraad van 60,9%, één van de laagste van Europa, heeft het ‘generatiepact’, aangenomen in 2005, de loopbaanbeëindiging vastgelegd op 65 jaar (in afwachting van de 67 jaar zoals in Duitsland?) en iedere kans op vervroegd pensioen vóór 60 jaar drastisch ingeperkt.
- Alternatieve financiering van de sociale zekerheid:
Sedert meer dan tien jaar zijn de sociale minima geblokkeerd of door de opeenvolgende regeringen karig opgetrokken: “Onze sociale zekerheid wordt ernstig bedreigd” erkennen zelfs de geleerde sociologen van het Centrum voor Sociale Studies van de Universiteit van Antwerpen (De Morgen, 26.02.07). De pensioenen en sociale uitkeringen, vooral de minimum-uitkeringen van het OCMW, zijn in België lager dan elders (in vergelijking met de toegekende uitkeringen in Nederland en Frankrijk) en ze liggen dikwijls onder de Europese armoedegrens (De Standaard, 07.02.06). 15% van de Belgen leeft onder de armoedegrens (27% in Brussel) en in de arbeiderswijken van de grote steden zoals Charleroi, Luik, Brussel, Antwerpen of Gent, benadert de werkloosheid 30% of overstijgt die: 14,3% van de Belgische volwassenen en 13,5% van de jongeren leven in een gezin waarin helemaal niemand werk heeft (De Standaard, 20.02.07).
Kortom, de werkenden zagen hun koopkracht dalen, betalen meer belastingen (directe, of indirecte ‘voor het milieu’) op hun loon en krijgen een steeds hoger ritme opgelegd in het kader van de opgedreven flexibiliteit. Dit houdt bovendien een feitelijke verhoging van de gemiddelde arbeidstijd in, door de bepalingen voor de lengte van de arbeidsdag te vervangen door bepalingen over de arbeidsmaand. Daar bovenop zijn de ontslagregelingen versoepeld en de werkloosheidsuitkeringen, net als de sociale uitkeringen en de pensioenen, verlaagd. En dit in een land waar de kwaliteit van de lucht en het water en meer in het algemeen de toestand van het leefmilieu catastrofaal is: “De druk op de waterlopen en de grondstoffen ligt bij de hoogste van alle OESO-landen” (Rapport van de OESO, aangehaald in De Morgen, 26.09.06). Bijgevolg is ook de druk op hun fysieke en mentale gezondheid enorm. In Vlaanderen is het peil van de stress gestegen van een waarde van 15 op de stressindex in 2000 tot het peil van 19 vandaag, ofwel een stijging van meer dan 25%.
Wie denkt dat het daarmee gedaan is begrijpt nog steeds weinig van het helse raderwerk van de opgedreven concurrentie op de verzadigde wereldmarkt waarin de bourgeoisie gevangen zit. Die drijft haar tot het steeds harder aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse: ondanks een uitzonderlijk productiviteitspeil, zijn het banenverlies en de ontslagen in België verveelvoudigd: tienduizenden arbeidsplaatsen zijn in de laatste jaren verdwenen tot bij de meest prestigieuze bedrijven: Philips, Siemens, Ford, Opel, ARCELOR, Bayer, Belgacom, De Post en de NMBS. VW-Vorst is daarvan het laatste karikaturale voorbeeld. Hoewel het bedrijf sterk presteerde, heeft de zelfmoordkoers van de productiviteit geleid tot het ontslag van meer dan de helft van de arbeiders met inbegrip van een productiviteitsstijging van 20% voor diegenen die blijven met het opleggen van de 38-urenweek terwijl zij slechts betaald worden voor 35 uur en een deel van de lonen en variabele premies afhankelijk te maken van de bedrijfsresultaten.
De verkiezingen dienen de belangen van de bourgeoisie
Dit systematisch offensief tegen de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse – die men trouwens overal aantreft in het geheel van de industrielanden (cf. het soberheidsplan van de ‘grote coalitie CDU-SPD in Duitsland) – is, niet te vergeten, het product van een meer bewuste en systematische politiek waaraan het merendeel van de politieke krachten hebben meegewerkt op beleidsniveau of elders. Ook al heerst er eenstemmigheid onder het geheel van de politieke partijen, toch moeten zij - ter behoud van enige geloofwaardigheid en vooral om aan de aanvallen een aureool van billijkheid te geven - deze onderdompelen in een dikke mist van ideologisch bedrog. De verkiezingen en de democratische tamtam dienen juist om dit te verwezenlijken.
De heisa rond de verkiezingen bestaat er uit om de arbeiders ervan te overtuigen dat stemmen het belangrijkste wapen is van de arbeidersklasse ter verdediging van haar belangen, en vooral dat men moet stemmen voor het ‘verbeteren’, ‘veranderen’, het opbouwen van een ‘rechtvaardigere’ maatschappij. Het is er fundamenteel op gericht om ze op te sluiten in de valse keuze van het democratische bedrog: een beetje minder directe belastingen of een beetje meer indirecte in naam van het leefmilieu en van de mobiliteit; het stimuleren van de individuele verantwoordelijkheid of eerder het versterken van collectieve beperkingen op het vlak van de ‘sociale zekerheid’; het begunstigen van de vrije concurrentie of het opleggen van sociale verplichtingen voor de arbeidsmarkt. Het ‘debat’ draait altijd rond het aanpassen van de ‘rationaliserings’-maatregelen, onder de vorm van ‘onvermijdelijke’ offers, nooit over het beginsel of de logica die daaraan ten grondslag ligt. De verkiezingscampagne maakt deel uit van een veel breder manoeuvre die er op gericht is om de arbeidersklasse er van te overtuigen dat zij zich moet inzetten in de burgerparticipatie en voor de verdediging van de democratische instellingen. En dit brengt het billijken van de soberheidspolitiek met zich mee ‘uit burgersolidariteit’. Via deze weg gaat het er in feite om de ‘democratisch vastgestelde’ offers op te leggen en de aandacht van de werkenden af te leiden van de werkelijke redenen voor de herstructureringsmaatregelen en de soberheid: de spiraal zonder uitweg van rationalisaties ter verhoging van de rentabiliteit waarin het kapitalistische systeem in verval is terechtgekomen.
Als de verkiezingscampagnes voor de bourgeoisie een kostbaar ideologisch instrument zijn geworden van het democratisch bedrog, dan zijn ze momenteel voor de arbeidersklasse lokaas. Ze laten immers het idee binnensijpelen dat de arbeider ‘als burger’ de politiek van de bourgeoisie kan beïnvloeden, zelfs bepalen. De verkiezingen zijn voor de arbeidersklasse een valstrik, waarmee de illusie in stand wordt gehouden dat men via een stem als individuele ‘burger’ in het stemhokje invloed zou kunnen uitoefenen op de politiek van de bourgeoisie, en die zelfs radicaal zou kunnen ombuigen. In het kapitalisme in verval is het de burgerlijke staat die de politieke koers uitwerkt om op de beste manier de nationale belangen te verdedigen in de strijd om de markten op internationaal vlak. De verschillende parlementaire fracties zijn niets anders dan uitingen van deze politiek. De (betrekkelijke) waaier van hun programma’s, slogans en kleuren en de organisatie van verkiezingen en van verkiezingscampagnes dienen slechts om de ‘democratische illusie’ in stand te houden. Ze dienen om de ‘burger’ de indruk te geven, en vooral aan de loontrekkende werkenden, dat zij om de vier jaar werkelijk de politiek van hun ‘vaderland’ kunnen bepalen zowel als de politici die deze moeten uitvoeren. In werkelijkheid sluiten zij, net zoals het stemhokje met de kiezer doet, de arbeider op als een burger in een absurde, helse zelfmoordspiraal van moordende concurrentie die het in het nauw gebrachte kapitalistische systeem aan de wereld oplegt.
De arbeidersklasse kan het zich niet de minste zinsbegoocheling veroorloven over de mogelijkheid van lotsverbetering via de stembus, noch door vertrouwen te schenken aan diegenen die beweren de rijkdommen anders te zullen verdelen. Het is net het tegenovergestelde. Daarmee kan zij slechts dieper wegzinken in een steeds ondraaglijker ellende. In feite heeft de arbeidersklasse niets te zoeken op het verkiezingsterrein. Het is doorgestoken kaart: de verkiezingen dienen alleen maar één klasse, die van de uitbuiters. Men hoeft zich daar geen enkele illusie over te maken. Dit uitbuitingssysteem kan niet hervormd worden. Het moet worden vernietigd. Enkel de ontwikkeling van haar strijd voor het omverwerpen van dit systeem op wereldschaal kan het mogelijk maken dat er zich voor haar een ander perspectief ontvouwt .
Jos / 27.02.07
De klinkende verkiezingsoverwinning van Chavez, die bij de verkiezingen van 3 december 2006 63% van de geldige stemmen kreeg tegenover 37% voor de oppositiekandidaat, versterkt en wettigt niet alleen de macht van de chavistische sector van de bourgeoisie, maar betekent ook een overwinning voor de gehele Venezolaanse bourgeoisie. Eens te meer heeft de confrontatie tussen fracties van de bourgeoisie, die de politieke scène beheerst sinds Chavez in 1999 aan de macht kwam, de bevolking in haar ban kunnen houden en haar ertoe gebracht massaal aan de verkiezingsstrijd deel te nemen: volgens cijfers van de Nationale Verkiezingsraad (CNE) lag de massa niet-stemmers van 25% ver onder het gemiddelde van rond de 40%.
Door opnieuw delen van de oppositie aan het verkiezingstoneel deel te laten nemen (die zich afzijdig hielden van de parlementsverkiezingen van 2005) is de bourgeoisie erin geslaagd het bedrog van democratie en verkiezingen nieuw leven in te blazen. Maar de belangrijkste steun aan dit streven kwam van het chavisme zelf dat de strijd op de spits dreef door de oppositiekandidaat ervoor uit te maken de kandidaat van de ‘duivel Bush’ te zijn, en dat als hij zou winnen dit het bestaan van de ‘missies’ (waarmee de regering haar beleid van ‘politieke rechtvaardigheid’ ten uitvoer brengt) en de verworvenheden van de ‘revolutie’ in gevaar zou brengen. Op die manier worden het proletariaat en de massa’s van sociaal uitgeslotenen opnieuw in de tang genomen. Door de tegenstellingen tussen burgerlijke frakties op de spits te drijven wordt ervoor gezorgd dat ze hun hoop richten op een deel van de bourgeoisie die handig gebruik maakt van een links-populistische politiek gericht op de armste lagen van de maatschappij door gebruik te maken van de hoge olie-inkomsten. Dat beleid bestaat uit niets anders dan het beheer van de schaarste en de bestaansonzekerheid door aan te sturen op een ‘gelijkheid’ die het geheel van de maatschappij op het laagste niveau gelijkschakelt, de middenlagen verarmt maakt en ook de arbeiders en uitgeslotenen nóg armer maakt. Dat is het recept van het ‘socialisme van de 21e eeuw’ dat het chavisme exporteert naar Bolivia, Ecuador en Nicaragua en dat dient als stokpaardje om zich te versterken in de geopolitieke situatie van de regio.
Het ‘radicale’ anti-Amerikanisme van Chavez (dat door de anti-globalistische bewegingen zo hard wordt toegejuicht), de steun aan andere ultralinkse regeringen zoals die van Bolivia, Ecuador en Nicaragua, alsook de ‘hulp’ aan andere landen uit de regio via een daling van de oliefactuur voor die landen, gebruikt de olie om de regio te beheersen, ten koste van de belangen van de Amerikaanse bourgeoisie die Latijns-Amerika altijd als haar privé-achtertuin heeft beschouwd.
Wat steekt er achter de ‘massale volkssteun’ voor Chavez?
De chavistische sector van de bourgeoisie, geleid door enkele militaire en burgerlijke sectoren van links en ultra-links, heeft als sociale basis de steun van de uitgebuite massa’s, voornamelijk de sociaal uitgesloten massa’s, de massa’s waaraan ze de illusie verkochten dat ze uit hun situatie van armoede zouden kunnen geraken in... 2021!!
Het ‘grote inzicht’ van dit deel van de bourgeoisie bestond eruit zichzelf voor te stellen als van volkse komaf en als naast de armen staand. Dit bestaan als ‘arme’ dient om zich als slachtoffer voor te doen van de ‘burgerlijke slagen onder de gordel’, vooral van de kant het Amerikaans imperialisme, dat als dreiging van buiten wordt gebruikt en dat ‘de revolutie’ ervan zou weerhouden ‘de armoede uit te bannen’.
De regering Chavez heeft halverwege het jaar 2003 de ‘sociale uitgaven’ in een andere richting gestuurd met de oprichting van de zogenaamde ‘missies’, sociale plannen. Daarmee deelt de staat kruimels uit aan de bevolking, met twee belangrijke doelen: het bewaren van de sociale vrede en het versterken van de controle over de verarmde massa’s om zo de actie tegen te werken van de delen van de bourgeoisie die al meerdere pogingen deden om Chavez de macht te ontnemen. Deze ‘sociale uitgaven’ gingen samen met een ongeziene ideologische manipulatie die eruit bestond het staatskapitalistisch beleid van het chavisme voor te stellen als dat van een welwillende staat die de rijkdom op ‘rechtvaardige’ wijze verdeeld. Zo wordt bij de verpauperde massa’s de illusie gewekt dat de staat over onuitputtelijke middelen beschikt, dat de kraan van de oliedollars alleen maar hoeft te worden opengedraaid en dat de frakties van de bourgeoisie er daadwerkelijk belang bij hebben de problemen aan te pakken en op te lossen.
Om de presidentsverkiezingen te winnen (waarin het 7 miljoen stemmen behaalde, terwijl het doel 10 miljoen was, op een kiesgerechtigde bevolking van 16 miljoen), heeft het chavisme, zoals eerdere regeringen ook deden in verkiezingsjaren, het overgrote deel van zijn staatsuitgaven in het jaar 2006 gedaan. In de eerste maanden werd de invoer van voedingswaren opgevoerd die vervolgens tegen gesubsidieerde bedragen werden verkocht; door allerlei werken op te starten waarvan sommigen niet werden uitgevoerd, door vaste arbeiders in mei en september een verhoging van het minimumloon te geven; door de uitkeringen van ouderdomspensioenen te versnellen; door achterstallige schulden aan arbeiders uit te betalen, door te onderhandelen over aflopende collectieve arbeidsovereenkomsten, en ga zo maar door. Tenslotte ontvingen ambtenaren, gepensioneerden en leden van de ‘missies’ enkele dagen voor de verkiezingen eenmalige premies. De regering organiseerde dat ‘groot festijn’ met het ‘zwarte goud’, de olie, om bij de bevolking een illusie van welvaart op te wekken. Die uitgaven, bovenop die van een ongekende toename van de invoer, de aankoop van wapens, ‘hulp’ aan andere landen, enzovoort, zijn er verantwoordelijk voor dat de staatsuitgaven in 2006 met 58% stegen ten opzichte van 2005, wat neerkomt op 35% van het Bruto Intern Product. Een tijdbom die vroeg of laat gevolgen zal hebben op het vlak van de economische crisis.
De ‘sociale verworvenheden’ van het chavisme maken de verpaupering nog erger
Volgens de propaganda die het chavisme in binnen- en buitenland verspreidt (met de hulp en goede raad van linkse leiders en intellectuelen, daarbij vooraanstaande leiders van de andersglobalistische beweging waaronder François Ramonet een belangrijke plaats inneemt) stevent Venezuela af op het uitbannen van de armoede tegen 2021.
De werkelijkheid die achter de verstikkende publiciteit van de chavistische regering schuilgaat is heel anders. Het volstaat een bezoek te brengen aan de armenwijken van het uiterste oosten (Tetare) of westen (Catia) van de hoofdstad Caracas, of zelfs het centrum van de stad, om de tastbare ellende te zien die achter dat rookgordijn wordt verborgen: ontelbare behoeftigen, meestal jongeren, leven en slapen op straat, onder de bruggen en langs de rivier de Guaire (een open riool waarin het afvalwater van de stad wordt geloosd). Straten en pleinen liggen vol vuil dat ratten aantrekt en ziekten verspreidt. Tienduizenden rondtrekkende straatventers (‘buhoneros’) die wat basisvoedingsmiddelen verkopen, doen de rangen van de zogenaamde informele economie aanzwellen. De omvang van de criminaliteit heeft Caracas tot één van de gevaarlijkste steden van de regio gemaakt terwijl Venezuela als geheel hard op weg is om het land met de grootste criminaliteit van het continent te worden, waarbij het Colombia onttroont dat een tijdlang in dat klassement bovenaan stond. Op nationaal vlak neemt het aantal gevallen van malaria en gewrichtsontstekingen toe terwijl de sterfte van kinderen en moeders groeit. Dat beperkt zich niet tot Caracas, maar geldt voor alle grote steden en verovert stilaan de middelgrote en kleinere steden. Hoewel de regering maatregelen heeft genomen om al die ellende te verbergen, of haar toeschrijft aan ingrepen van de oppositie of van het Amerikaans imperialisme, kunnen de bewijzen van de verarming niet worden weggemoffeld.
Met hemeltergende schijnheiligheid bekritiseren de sectoren van de oppositie die uitingen van armoede om zichzelf voor te stellen als de betere keuze ter ‘verdediging van de armen’, terwijl hun ware bedoeling er natuurlijk uit bestaat de controle over het staatsapparaat weer in handen te krijgen. De regeringspropaganda bericht op zijn beurt niet over de situatie of bagatelliseert die, wat trouwens niet eigen is aan de Venezolaanse steden, maar een gemeenschappelijke noemer met steden in andere landen aan de periferie.
Naast deze zichtbare uitdrukkingen van armoede zijn er ook minder opvallende tekenen van verarming van de proletarische massa’s: via de door de staat aangemoedigde coöperaties werd de losse tewerkstelling geïnstitutionaliseerd omdat de arbeiders van de coöperaties minder verdienen dan de vaste arbeiders en ze, volgens de verklaringen van vakbonden en de coöperaties zélf, niet eens het officiële minimumloon verdienen. De discussie over de collectieve arbeidsovereenkomsten, vooral die voor de ambtenaren, heeft grote vertraging opgelopen. De loonsverhogingen worden toegekend via decreten en in de grote meerderheid door losse premies die geen invloed hebben op de sociale verzekering en die, als ze al uitbetaald worden, dan is het met grote vertraging. Door de ‘missies’ en andere regeringsplannen worden naast de officiële nieuwe dienstverleningsorganen geschapen in de sectoren als gezondheidszorg en onderwijs, en die worden gebruikt om de vaste arbeiders onder druk te zetten en hun arbeidsvoorwaarden aan te tasten. Zoals we kunnen zien zijn bestaansonzekerheid en flexibiliteit van het werk en de aanvallen op de lonen van de arbeiders, kenmerkend voor ‘ongetemde’ kapitalisme, onvermijdelijk voor elke bourgeoisie, de chavistische, die zich zo ‘anti-neo-liberaal’ voordoet, daarbij inbegrepen.
De loonafhankelijken en uitgesloten massa’s betalen de prijs van de groeiende staatsuitgaven. De ‘nieuwe’ chavistische bourgeoisie probeert die te compenseren door een opgedreven inflatie, die de laatste drie maanden de hoogste van heel Latijns-Amerika was (2004: 19,2%; 2005: 14,4%; 2006: 17%, volgens de officiële cijfers). Die toename, die fundamenteel veroorzaakt wordt door de economische staatspolitiek, heeft de levensvoorwaarden van het geheel van de bevolking ondergraven, vooral van de massa’s armen die 70% van hun inkomsten uitgeven voor voedsel. Volgend de cijfers van de Venezolaanse Centrale Bank bedroegen de gezamenlijke prijsverhogingen in de gemelde periode daarvoor 152% (26% in 2006). De schattingen voor 2007 zijn geenszins rooskleuriger, want men verwacht een inflatie boven de 20%; die van januari 2007 alleen al bedroeg 2%, de hoogste van de regio.
Door de verkiezingsoverwinning krijgt het chavisme groen licht om zijn aanvallen op de arbeiders voor te zetten
Enkele dagen na de verkiezingen versnelde de regering een geheel van maatregelen om haar doelstelling van ‘socialisme van de 21e eeuw’ te versterken, met het argument dat ‘het volk’ bij de verkiezingen zijn steun aan die doelstelling had verleend.
Om te beginnen toonde regering haar spierballen aan de vijandige sectoren van de bourgeoisie, zowel van het nationaal kapitaal als op internationaal vlak, door een aantal nationalisatiemaatregelen aan te kondigen in verschillende economische sectoren (Zoals telecommunicatie, audiovisuele middelen en energie), een meerderheidsaandeel te nemen in de olie-ontginning die tot dan toe in handen was van multinationals, en een vergroting van de belastingdruk. Die maatregelen tonen het hoofddoel van de chavistische bourgeoisie: het verwerven van een directer controle over de nationale economie apparaat door radicaal staatskapitalistische maatregelen.
De bourgeoisie weet dat de crisis, als gevolg van de excessieve staatsuitgaven die bij het politieke model van het chavisme horen, vroeg of laat zal uitbreken. Daarom voorzien de zogenaamde ‘motoren van de bolivariaanse revolutie’ in maatregelen voor groter politieke en sociale controle over de arbeiders en de bevolking in het algemeen via de zogenaamde ‘Volksmacht’ en de Gemeenteraden.
Terwijl ze de versterking aankondigde van deze sociale controle-organen begon de regering het nieuwe jaar ook met het nemen of aankondigen van maatregelen tegen de levensvoorwaarden van de arbeiders en de bevolking:
– controle- en repressiemaatregelen tegen de straatventers in de hoofdstad en daarna in het gehele land;
– aankondiging van een verhoging van de benzineprijs, die vroeger of later in werking zal treden;
– de ‘missies’ worden gedeeltelijk aan hun lot overgelaten (bijvoorbeeld die van voedseldistributie en gezondheidszorg), wat leidde tot het sluiten van meerdere instellingen en het wegvallen van de bevoorrading van bepaalde basisproducten met door de staat vastgestelde prijzen. De regering heeft heel slim delen van het privé-kapitaal ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor deze situatie, terwijl die voortvloeit uit maatregelen van de regering;
– er is een strijd aangekondigd tegen de bureaucratie en de corruptie. In dat kader heeft Chavez geëist dat de hoge lonen van top-bureaucraten van de staat verlaagd worden (die in sommige gevallen het vijftigvoudige bedragen van een officieel minimumloon). Het gaat om een afleidingsmanoeuvre, want het chavisme kocht zelf de trouw van de top-bureaucraten van staat en leger door hen met lonen tot multimiljonairs te maken en door hen een beheer van de staatsmiddelen mogelijk te maken waarover geen ophef wordt gemaakt. Het ware doelwit van deze maatregel bestaat enkel uit het aanpakken van de kleine bureaucraten, dat wil zeggen door de banen van het kantoorpersoneel in overheidsdienst op de tocht te zetten (zoals door hen te verplichten coöperatieven te vormen) en zelfs door ze te ontslaan.
De regering, gesterkt door haar grote populariteit, is bezig volop haar ware gelaat als burgerlijke regering te tonen. Nadat ze de arbeiders en de uitgebuite lagen in de verkiezingen heeft gebruikt, kondigt ze nu maatregelen van soberheid en repressie aan.
In die omstandigheden hebben de arbeiders in Venezuela, net als in de rest van de wereld, geen ander uitweg dan hun strijd te ontwikkelen tegen de onophoudelijke aanvallen van het kapitaal. We weten dat die strijd niet gemakkelijk zal zijn, deels ook door de verwarring die de chavistische ideologie heeft gezaaid en waardoor ieder begrip van socialisme verzwakt en gemanipuleerd is, dat wil zeggen het te bovenkomen van het rijk van de bestaansonzekerheid door de revolutionaire strijd van het proletariaat.
IKS / 18.02.2007
“Het inschrijvingsgeld van de cursussen voor volwassenen in Vlaanderen wordt sterk verhoogd vanaf september 2007 en dat geldt ook voor de cursus Nederlands voor allochtonen die hier wonen. Daartegen is er vandaag donderdag 11.01.07 een betoging geweest bij de Vlaams Ministerie van Onderwijs, in Brussel, waar leraars en cursisten een actie gevoerd hebben […]. Graag jullie commentaren en eventueel steun. Dat gaat niet alleen over Nederlands te kunnen leren, maar ook over andere cursussen voor volwassenen. T & G.”
We willen graag ingaan op deze oproep en op verdere reacties hierover van verschillende lezers en contacten omdat ze kenmerkend zijn voor de onrust die deze nieuwe bezuinigingsmaatregel van Vlaamse minister van Onderwijs, de ‘socialist’ Vandenbroucke zaait. Deze reacties zijn ook kenmerkend voor de dynamiek en de vele vragen die door de acties worden opgeroepen. Wie is er getroffen? Hoe reageren? Samen de straat op gaan? De lessen onderbreken? Hoe oproepen tot solidariteit? De vele vragen die de actievoerders zich stellen over de weg die moet afgelegd worden om een werkelijke krachtsverhouding op te bouwen zijn inderdaad een essentieel onderdeel voor een succesvol verzet.
Een nieuwe aanval die de arbeidersklasse viseert
“Om te vermijden dat cursisten van de ene ‘huis- tuin en keukencursus’ naar de andere shoppen, stelt de minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke (SP.A), voor om het inschrijvingsgeld te verhogen.” (De Standaard, 14.02.2007). Concreet gezien komt het er op neer het inschrijfgeld per lesuur op te trekken naar 1 Euro, wat in de praktijk neerkomt op een verdrie- of verviervoudiging van de kosten (per cursus dikwijls een stijging van 100 naar 300 EUR) ! Maar zegt Vandenbroucke: “Nu fladderen te veel volwassenen van, pakweg, een cursus bloemschikken naar een cursus Italiaans en terug. Deze hobbycursisten bevolken het volwassenenonderwijs, maar in de lessen zitten evengoed volwassenen die de opleiding hard nodig hebben. Door een financiële drempel op te werpen, moeten vooral nog de gemotiveerde volwassenen overblijven. ” (De Standaard, 14.02.2007). Daar zullen die ‘volwassenen die de opleiding hard nodig hebben’ zeer tevreden mee zijn (sic)! Dit is de zoveelste nieuwe regelrechte aanval op de leefomstandigheden van de werkende bevolking. Deze keer via het Volwassenonderwijs. Het zal een deel van de werkende klasse belemmeren om zich verder te scholen of om te scholen en om alzo zelf te proberen hun jobkansen en levenskwaliteit te verbeteren. Voor de allochtonen zal nog een groter bedrag afgeroomd worden van hun (over)leefloon en wordt het hen nog moeilijker gemaakt om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. En dan zwijgen we nog over de druk die uitgeoefend wordt met betrekking tot de aanwezigheden van de cursisten (die soms afwezig zijn omdat ze moeten werken in jobs met zeer flexibele en moeilijke uurroosters). Sommige overheidsinstanties gaan zover om van de scholen te eisen dat ze voor hen gaan klikken over wie wel of niet aanwezig is.
Dit staat in schril contrast met de veel gehanteerde slogan en beloften over de waarborg op ‘levenslang leren’ of op een ‘sociaal onderwijsbeleid’ van dezelfde ‘socialistische’ minister die hij al heel de legislatuur verkondigt en die zo breed worden uitgesmeerd in de media. Ook in Frankrijk probeerde men de CPE aanvankelijk te verkopen als een “sociale maatregel om jongeren aan werk te helpen”, ook bij VW worden de massale afdankingen en loonsverlaging verkocht “om de toekomst veilig te stellen”. Eens te meer wordt een bezuinigings- of rationalisatiemaatregel verkocht als een ‘sociale’ beslissing die de ‘toekomst moet waarborge’! De zoveelste les dus dat we van welke regering ook, met of zonder socialistische ministers, niets anders kunnen verwachten dan maatregelen die de overlevingskansen van het kapitalistisch uitbuitingssysteem moeten verhogen. Minder productiekosten, minder indirect loon, minder sociale uitgaven, duurder onderwijs, duurder cultureel en sociaal aanbod, hogere bijdrage voor gezondheid.
Maar men zou kunnen denken dat de minister misschien met de besparingsmaatregel de lonen van de leerkrachten wil verdubbelen? Wel integendeel: in heel Vlaanderen wil Vandenbroucke de vormingscentra per regio samenvoegen, rationaliseren dus, ‘vraag en aanbod beter afstemmen op elkaar’ wordt dit in vakjargon genoemd. Dit wil zeggen met minder personeel en minder logistieke ondersteuning en een betere ‘benuttigingsgraad’ van de geïnvesteerde middelen de boel doen draaien. Deze situatie roept juist, op zijn zachtst gezegd, veel vragen en onrust op bij het personeel: hoeveel jobs gaan hier sneuvelen en volgens welke criteria? Bovendien zouden de directies ‘goede’ leerkrachten mogen ‘belonen’ in de zin van: de ene geeft 15 uur en de andere 25 uur, voor hetzelfde loon. Leve de willekeur en het favoritisme dus! Een meesterzet van verdeel en heers.
Solidariteit opbouwen
Zowel leerkrachten, logistiek personeel als de cursisten lieten zich niet in slaap wiegen omdat ze zich bewust waren dat dit een georkestreerde bezuinigingsmaatregel is die aan de ribben zal blijven plakken van veel arbeidersgezinnen: meer dan 200.000 cursisten en enkele duizenden personeelsleden. De actie van 11 januari door leerkrachten en cursisten waarvan boven sprake was immers een eerste spontane reactie van leerkrachten en cursisten samen. Een zoektocht waarin de ordewoorden van vakbonden en directies niet werden afgewacht. In de voorbije maanden volgden in die zin verschillende acties verspreid over heel Vlaanderen terwijl de vakbonden ‘in alle stilte’ aan het onderhandelen waren. (zie ondermeer:www.neeaanleuro.be [17] en www.platformvolwassenenon [18]derwijs.be). Vakbonden en inrichtende machten en centra reageerden prompt door eigen ‘acties’ te lanceren via het ‘platform volwassenenonderwijs’ en op te roepen om de lessen gedurende twee dagen tien minuten te onderbreken. Wat een uitzichtloos perspectief! Hun eisenbundel bulkt bovendien uit van visies die de ene categorie tegen de andere uitspeelt en ‘constructief ingaat’ op tal van deelaspecten van het plan van de minister. Geen illusies! Om zo'n maatregel tegen te houden zullen wij moeten rekenen op de solidariteit binnen de arbeidersklasse en die ook actief gaan zoeken. Wij mogen niet geïsoleerd blijven. En daar rekenen de beleidsmakers en hun lakeien de vakbonden op. Dan kunnen zij, ieder in zijn eigen rol, de maatregel er door rammen. Wij hebben gezien hoe de arbeiders bij VW gemanipuleerd werden (zie elders in deze krant) om tot slot (en dank zij de vakbonden) afdankingen en loonsdaling door de strot geduwd te krijgen, “in naam van het gezond verstand”. Dat is wat de actievoerders willen vermijden. Maar hoe, want dat is de vraag die overal in de gesprekken die we voerden naar voor springt. Zoals de gebeurtenissen bij VW andermaal lieten zien, moeten wij onze inspanningen richten op het actief zoeken van solidariteit en daardoor naar een uitbreiding van onze strijd en het opentrekken naar gemeenschappelijke eisen. Daarvoor zullen we zelf de organisatie van de strijd in eigen handen moeten houden door tot algemene vergaderingen van de betrokkenen op te roepen en de inzet te verbreden.
Alleen door een krachtsverhouding op te bouwen tegenover de bourgeoisie kunnen wij haar besparingswoede en alle ellende van dien tijdelijk doen terugwijken. Want zij kent geen ander beginsel dan productiviteit, kostenbesparing en nastreven van winst en daarvoor moet alles wijken. De strijd van de arbeidersklasse echter kan maar leven via de solidariteit en draagt in zich de kiemen van een maatschappij die streeft naar een productie voor de werkelijke behoefte van de hele mensheid .
K. Stof&Lac / 3.3.2007
Na alle ophef over de documentaire film van Al Gore (An Inconvenient Truth; Een ongerieflijke waarheid) en vervolgens het ‘ecologisch verbond’ van televisiepresentator Nicolas Hulot in Frankrijk heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (1), in vergadering eind januari te Parijs om de conclusies te trekken uit het eerste deel van zijn rapport voor 2007, op zijn beurt de alarmklok voor het klimaat geluid. Dit keer zijn de vijfhonderd belangrijkste deskundigen ter wereld (onder het gezag van de Verenigde Naties) formeel en eensgezind: de aarde ondergaat een ingrijpende klimaatverandering die nooit eerder is gezien. “De paleoklimatologische gegevens (2) bevestigen dat de opwarming van de laatste vijftig jaar afwijkt van minstens de laatste 1300 jaar” (Samenvatting voor besluitvormers). Op kleinere schaal stelt het IPCC vast dat van de laatste twaalf jaar er elf zijn die behoren tot “de twaalf warmste jaren sinds de oppervlaktetemperatuur wordt gemeten (sinds 1850).”
De opwarming van het klimaat schrijdt voort, en als de mens de uitstoot van CO2-gas, dat het broeikaseffect veroorzaakt, niet drastisch vermindert, zal de temperatuur van de aarde tot het jaar 2100 tussen de twee en vier graden Celsius stijgen. In één enkele eeuw veroorzaakt de menselijke activiteit dus een radicale klimaatverandering die anders alleen in miljoenen jaren van natuurlijke ontwikkeling teweeg kan worden gebracht. Vandaar dat de toekomst die deze groep van deskundigen door middel van een reeks van mogelijke scenario’s schildert niet echt schitterend is: de komende klimaatomstandigheden voor het menselijk leven zijn apocalyptisch... daarbij inbegrepen: in “het beste geval”!
De eerste gevolgen van een vijandige en dodelijke natuurlijke omgeving laten niet op zich wachten: “Groter en langduriger droogte wordt sinds 1970 waargenomen over grote oppervlakten, vooral in de tropische en sub-tropische gebieden”... en ook: “de waarnemingen maken duidelijk dat er ongeveer sinds 1970 een toename is van tropische cycloon-activiteit in het noorden van de Atlantische Oceaan, in samenhang met een verhoging van de oppervlaktetemperatuur van de zee in de tropen.”
“Sinds 1970...”, het is dus oud nieuws... “Welk nieuws”, zo vraagt Le Nouvel Observateur zich af, “bieden onze wetenschappers in hun uitgave van 2007?”“Terwijl het geheim heel goed bewaard werd waren de voorbereidende werkzaamheden alleen toegankelijk voor de specialisten die hun mond hielden.”
We moeten de oren dus wijd openen voor de openbaring van dit “goed bewaarde geheim” en er vooral niets van missen: “de hoofdmoot van de waargenomen opwarming van de laatste vijftig jaar is heel waarschijnlijk het gevolg van de door de mens voortgebrachte toename van concentraties van gas dat het broeikaseffect veroorzaakt.” Tussen het rapport van 2001 en dat van 2007 zijn we zo overgegaan van “waarschijnlijk” tot “heel waarschijnlijk” en de uitdrukking “door de mens voortgebracht” is er aan toegevoegd. Wat een geweldige wetenschappelijke vooruitgang! Wie had dat nu kunnen denken?
Het enig nieuwe in dat alles is dat vijfhonderd wetenschappers (“met jarenlange ervaring”, volgens Le Nouvel Observateur) van hun stoel zijn gevallen en nu sterretjes zien... ongetwijfeld een harde klap!
De aarde warmt op en de menselijke activiteit is daar niet vreemd aan... Er was toch niet veel nodig om zich daarvan rekenschap af te leggen. “Sinds 1970...” hebben de internationale conferenties elkaar opgevolgd (Stockholm, Rio, Kyoto...), die telkens dezelfde machteloosheid tentoonspreidden maar ook steeds minder ruimte hadden om te ontkennen wat overduidelijk is... deze ongerieflijke waarheid.
Hoe dan ook, het idee (bijna een waarheid als een koe) volgens welk “de mens de belangrijkste oorzaak vormt van de ontregeling van het klimaat” is niet aan dovemansoren gericht. Het wordt onmiddellijk uitgebaat in het voordeel van de heersende klasse om deel te gaan uitmaken van haar ruime verzameling van allerlei gezichtsbedrog.
“Het wordt warmer: de schuld van de mens” (titel van een artikel in Libération van 2 februari). Daar is hij weer, die stoute bengel, zo onredelijk en egoïstisch, die de planeet vernietigt zoals men speelgoed stukmaakt. Het aanwijzen van een liefst zo onbestemd mogelijke zondebok is gemakkelijk, met als groot voordeel dat het eigenlijke, inderdaad ongerieflijke probleem met één klap van tafel is geveegd, namelijk dat van de productiewijze. En toch is de mens sinds hij op aarde is niet bezig het milieu te vernietigen en heeft hij het klimaat niet grootschalig in de war gebracht omdat de thermostaat dan allang op “+400 ºC” had gestaan. Deze ongekende ecologische crisis ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw en is dus nauw verbonden met het bestaan van een productiewijze (die zelf ook ongekend is in de geschiedenis van de menselijke soort): de kapitalistische productiewijze. De industriële activiteit binnen het raamwerk van het kapitalisme (een systeem dat geen andere wet kent dan die van de economische rentabiliteit voor zoveel mogelijk concurrentiekracht en winsten) en wat dat de mensheid en haar leefmilieu kost...: dat is de ware kern van het probleem dat opgelost moet worden.
De mensen, de bevrediging van hun behoeften, de lucht die ze inademen, hun toekomst... alles wat het meest wezenlijk is wordt in deze wereld op de laatste plaats gesteld.
We kunnen heel geleerd doen en ons in wetenschappelijke objectiviteit kleden maar we maken daarom niet minder deel uit van een systeem en dan zijn er als altijd waarheden die liever verborgen worden gehouden.
De klimaat-chaos klopt op de deur en dus is er “gezien de urgentie geen tijd meer voor halve maatregelen: het is tijd voor de revolutie in de eigenlijke betekenis van het woord. De revolutie van het geweten. De economische revolutie.” En het is een ‘revolutionair in ruste’ die het ons meedeelt: Jacques Chirac. Deze clowneske oproep van de Pancho Villa (4) van het Elysée is vooral een manifest teken van het overduidelijke onvermogen van de bourgeoisie om de ecologische crisis die haar systeem veroorzaakt te boven te komen. De veertig landen die op 3 februari bijeenkwamen voor de Conferentie van Parijs (om uitspraak te doen over het rapport van de IPCC) eisten evenzo plechtig de aanvaarding van een “Universele verklaring van milieurechten en -plichten”; “Dit gemeenschappelijke handvest zal de huidige en komende generaties garanties verlenen voor een nieuw mensenrecht: het recht op een onbedorven en beschermd milieu.” Maar omdat ze nogal kort van memorie zijn is het nodig er aan te herinneren dat dezelfde landen al op de Top van de Aarde in Rio in 1992 bij alle heiligen zworen, “vastbesloten te zijn het klimaatsysteem te beschermen voor de huidige en komende generaties” ... en de uitstoot van gas dat het broeikaseffect veroorzaakt terug te dringen! Kortom, of het nu op zijn Chirac’s met “Viva la Revolucion!” gaat of met lyrische en plechtige verklaringen over ‘Mensenrechten’, over ‘De Burger’ of ‘De Aarde’; de heersende klasse is onverbeterlijk niet in staat om de huidige en komende generaties een toekomst te bieden.
Het is trouwens tekenend dat de enige uitweg die de bourgeoisie ons voorspiegelt bestaat uit de oprichting van een “energiesobere en zuinige” maatschappij naar het voorbeeld van de mediaonderneming van 1 februari: “Vijf minuten adempauze voor de planeet”, waarbij de Europese gezinnen door zeventig ecologische verenigingen werden opgeroepen om hun elektriciteitsverbruik te onderbreken. “Pas op, de toevoer wordt afgesloten!” ... en zo wordt de mensheid, na alle inspanning, met het omzetten van één enkele schakelknop in het duister geworpen, als voorproefje voor de terugkeer naar het stenen tijdperk. Als een wereld bankroet gaat is het niet verbazingwekkend dat men over een toekomst als grotbewoners begint na te denken.
De arbeidersklasse kan geen tijd verspillen aan dergelijke hersenspinsels. Want deze wereld is de hare niet, en omdat zij via alle poriën de pestlucht van de dood opneemt zal zij zich daar zonder rouwen van ontdoen om de grondslag te leggen voor een nieuwe maatschappij, die in staat is om van de aarde het kostbaarste bezit van het leven en van de menselijke activiteit te maken..
Jude / 19.02.2007
(1) IPCC, Intergouvernementeel panel over de klimaatverandering.
(2) paleoklimatologie = de studie van het klimaat tot een miljoen jaar geleden.
(3) Volgens sommige schattingen zou de opwarming van de planeet over de hele wereld de migratie van meer dan 200.000.000 mensen kunnen veroorzaken: de ‘klimaatvluchtelingen’.
(4) een Mexicaans bandiet-revolutionair.
Op 27 februari antwoordde 76% van de arbeiders bij VW-Vorst met “Ja” op de enige vraag die in het door de vakbonden georganiseerde referendum werd gesteld: “Gaat u akkoord of niet akkoord om met Audi verder te gaan?” Terwijl in november 2006 de regering ‘verontwaardiging’ veinsde over de brutaliteit van de aanvallen teneinde de woede van de arbeiders te kalmeren, spreekt zij nu haar voldoening uit over een stemming waarmee dezelfde aanvallen worden bekrachtigd: “De eerste minister, Guy Verhofstadt sprak zijn voldoening uit over de bij VW-Vorst gehouden stemming. Het gezonde verstand voerde de boventoon, zei de eerste minister die zich verheugde in het vooruitzicht van een concretisering van een mooi industrieel plan, zoals het was voorgesteld tijdens zijn onderhoud met de heren Piëch en Winterkorn op 1 december 2006. De eerste minister benadrukte nogmaals dat de positieve stemming van de arbeiders bij VW-Vorst niet alleen arbeidszekerheid verschaft voor 2.200 arbeiders van Audi/VW maar tevens voor de duizenden arbeiders die worden tewerkgesteld door de toeleveringsbedrijven.” (Agence Belga, 27/02/2007). De provocerende wijze waarop de vraag was geformuleerd stelde de arbeiders voor een valse keuze: ófwel een vermindering aanvaarden van de loonmassa et slechtere arbeidsomstandigheden, ófwel de maatregelen verwerpen en een zelfmoord-weg inslaan die zou uitlopen op een verlies van de 2.200 overblijvende arbeidsplaatsen en van nog eens duizenden bij de onderaannemers. In dat laatste scenario zou de bourgeoisie de hele verantwoordelijkheid voor de fabriekssluiting bij de arbeiders kunnen leggen en ze een schuldgevoel kunnen aanpraten voor de ontslagen bij de onderaannemers.
Drie maanden lang werden de arbeiders van VW-Vorst geheel en al in het ongewisse gelaten over hun toekomst. Het gaat er hier niet om te speculeren over de bedoelingen van VW om de fabriek al dan niet te sluiten, waarmee er chantage werd gepleegd, want het resultaat van het ultimatum is er vandaag: de arbeiders hebben moeten slikken, zonder enige garantie voor de toekomst, dat er 3.000 arbeidsplaatsen verloren gaan met nieuwe offers voor de overblijvende 2.200 banen waaronder de verlenging van de arbeidstijd tot 38 betaalde uren per week, tegen het loon van de 35 huidige uren. Dat de bourgeoisie er drie maanden over deed om dit resultaat te bereiken kan niet alleen worden verklaard door de strijdbaarheid onder de arbeiders van VW, maar vooral door de algemene onrust die daarmee vergezeld gaat. Het Belgische kapitalisme kan haar erg hoge productiviteit en concurrentiekracht momenteel alleen handhaven door een voortdurende afbraak van de arbeids- en levensomstandigheden van de hele arbeidersklasse. Daarom gaat het om een algemene onrust die bij alle arbeiders heerst. Daarom zijn al de loontrekkenden ook zo gevoelig voor de strijd bij VW. De bourgeoisie wilde de arbeidersklasse derhalve een flinke nederlaag bezorgen voordat deze onvrede werd omgezet in algemene strijdbaarheid. Vandaar dat de aanzienlijke economische en sociale afbraak die de bourgeoisie momenteel weet op te leggen aan de arbeiders van VW alle werkenden raakt en die voelen heel goed dat deze afbraak in de nabije toekomst ook voor hen in het verschiet ligt.
In november 2006, toen het conflict bij VW uitbrak, veroorzaakte het besluit om 4.000 arbeiders te ontslaan een schok in de hele arbeidersklasse in België. Vanwege het algemene klimaat van gespannen sociale verhoudingen moest de bourgeoisie bijgevolg enige voorzichtigheid betrachten en ze liet de vakbonden alle ruimte om de arbeiders op dood spoor te zetten. Toen de woede groot was in vele delen van de arbeidersklasse, zoals duidelijk werd met de manifestatie van 2 december, deden de vakbonden er alles aan om een daadwerkelijke solidariteit te voorkomen. Om ieder strijdperspectief te ontnemen, van uitbreiding en van algemene vergaderingen, aanvaardden de vakbonden snel het verlies van 3.000 arbeidsplaatsen door die om te zetten in brugpensioenen en een ontslagpremie... die de directie van VW op haar beurt in alle haast aanvaardde: “950 werknemers gaan met brugpensioen, maar volgens de regels van het nieuwe generatiepact. 1950 verlaten op ‘vrijwillige basis’ het bedrijf, met voor de eerste 1500 een oprotpremie als beloning. Voor de meeste onder hen met werkloosheid als enig perspectief. Voor de blijvers is er een systeem van ‘langdurige tijdelijke werkloosheid’ maar vooral, bovenop de 33% productiviteitsstijging die de arbeiders reeds realiseerden in de periode 2001-2005 en de nieuwe regeling inzake flexibiliteit sedert de zomer van 2006 (werktijden tot 10 uur per dag en 48 uur per week), wordt er een nieuwe CAO afgesloten met lagere loon- en productiekosten. De productievoorwaarden zouden in 2009 gelijk moeten zijn met die van de VW-vestiging in het oostelijk Duitse Mosel waar de loonkosten 16,9 euro per uur bedragen tegenover 23,8 euro vandaag voor VW-Vorst.” (Internationalisme, nr. 329).
De verdelingsmanoeuvres van de vakbonden kregen geleidelijk de overhand en de strijdvoorwaarden werden steeds ongunstiger: “Hiervoor zorgden de vakbondsmanoeuvres: vanaf het begin werden de arbeiders naar huis gestuurd, geïsoleerd van elkaar, zonder informatie of perspectieven. Een eindeloze aanslepende staking werd in het vooruitzicht gesteld, zonder algemene stakersvergaderingen waar echte discussies en beslissingen mogelijk waren, zonder gekozen, gecontroleerd en afzetbaar stakingscomité, zonder mobiliserende meetings, zonder massale delegaties die actief de solidariteit en uitbreiding zoeken naar andere delen van de arbeidersklasse. Elke uitbouw van echte strijdmiddelen en van een dynamiek om de strijd te versterken werd in de kiem gesmoord. De gedachte zélf van strijd voeren werd hoe langer hoe meer als zinloos ervaren. Er restte de arbeiders tenslotte niets anders dan te berusten in hun lot en al hun vertrouwen te stellen in de regerings- en vakbondsonderhandelaars.” (Internationalisme, nr. 329). Zo ging een werkelijk strijdperspectief geleidelijk in rook op.
Regering en vakbonden slaagden er in toenemende mate in om een gevoel van alleen-staan en onmacht op te leggen aan de 2.200 overblijvende arbeiders. Het was juist de strijdsabotage door de vakbonden die de bourgeoisie in staat stelde om nu des te vastbeslotener en brutaler een ware chantage aan te arbeiders op te leggen. De ‘onderhandelingen’ tussen directie en vakbonden werden in het geheim gevoerd om de arbeiders voor een voldongen feit te kunnen plaatsen. Maar als de vakbonden, al ‘onderhandelend’ achter hun rug om, dachten dat ze de maatregelen voor de ‘redding’ konden opleggen zonder de arbeiders zelfs maar te raadplegen dan slaagden ze er niet in de reactie van de arbeiders te voorkomen; die aarzelden niet om na drie uitputtende maanden van onzekerheid andermaal in staking te gaan, en wel twee dagen voordat de vakbonden het akkoord met de directie zouden ondertekenen. Volslagen onwetend gehouden over hun lot gingen de overblijvende arbeiders spontaan in staking: “De drie vakbonden zouden zelf beslissen over het al dan niet goedkeuren van de directieplannen. Maar de arbeiders zagen dat anders. Maandagochtend weigerden ze om naar de assemblagelijnen te gaan. Later protesteerden ze voor de ramen van de zaal waar de ondernemingsraad bijeenkwam. Ze veroordeelden het gebrek aan informatie over de inhoud van het plan en verweten hun vertegenwoordigers hen niet te raadplegen.” (Le Soir, 27/02/2007).
Maar na drie maanden later waren de omstandigheden niet meer dezelfde. Gezien het vertrek van de meer dan helft van de arbeiders en het volslagen ontbreken van enig breder strijdperspectief dat de vakbonden de arbeiders hadden kunnen ontnemen, konden ze hun woede enkel uiten in een laatste strijd om hun eer te redden. De bourgeoisie en haar media lieten niet af openlijk druk uit te oefenen door de arbeiders voor ‘onverantwoordelijk’ uit te maken indien wanneer ze het akkoord dat door de vakbonden was gesloten niet zouden aanvaarden. Terwijl in december 2006 de regionale en de taal-kaarten niet kon worden uitgespeeld om de arbeiders die zich in de strijd hadden verenigd op te delen, dan bloeien nu de verdelingsmanoeuvres op rond de zogenaamde Waalse ‘heethoofden’ van het FGTB en de ‘gewillige’ Vlamingen van de ACV. In die grondig veranderde krachtsverhoudingen konden de vakbonden een referendum met geheime en individuele stemming houden over een vraag die geen andere keuze liet dan het legitimeren van de ondertekening van het akkoord dat de vakbonden met de directie hadden gesloten. Deze stemming vertegenwoordigt niet slechts een overwinning voor de directie van VW, maar ook van de regering en vooral van de vakbonden, en een nederlaag voor de arbeiders, niet alleen die van VW in België, in Duitsland en in Spanje, maar ook voor de gehele uitgebuite klasse in België. Deze overwinning van de bourgeoisie zal als voorbeeld gaan dienen om de productiviteit over de rug van de arbeiders nog verder op te voeren en de concurrentie onder hen op te drijven. Maar ondanks deze tijdelijke nederlaag is de arbeidersklasse nog in staat lering te trekken uit haar mislukkingen; de ervaring kan op termijn enkel leiden tot een bewustwording dat we alléén niet kunnen winnen en dat de solidariteit niet passief kan blijven. Een nieuwe dynamiek in die betekenis komt onvermijdelijk met de komende strijd.
Internationalisme / 01.03.2007
Toen Lenin, terugkerend uit zijn ballingschap in Zwitserland, op 4 april 1917 in Petrograd aankwam, wendde hij zich onmiddellijk tot de duizenden arbeiders en soldaten die in het station waren toegestroomd met de volgende woorden: "Waarde kameraden, soldaten, matrozen en arbeiders, ik heb de eer in u de overwinnende Russische revolutie te begroeten, u te begroeten als de voorhoede van het proletarisch wereldleger... De Russische revolutie die door u tot stand is gebracht heeft een nieuw tijdperk geopend !...". Negentig jaar later zijn de bourgeoisie, haargeschiedschrijvers en de media aan haar leiband nog steeds volop bezig de ergste leugens en historische verdraaiingen in stand te houden over de proletarische wereldrevolutie die in Rusland begon.
Al de haat en minachting van de heersende klasse tegenover de titanenstrijd van de uitgebuite massa's komt samen in het belachelijk maken en tot beuzelarij kwalificeren van de kommunistische voornemens van de arbeidersklasse; het 'aantonen' van haar fundamentele onvermogen om op wereldschaal een nieuwe sociale orde, waarvan zij de enige draagster is, in te stellen. De ineenstorting van het Oostblok in 1989 heeft deze klassenirritaties enkel aangewakkerd. Sindsdien is er een reusachtige campagne gestart om de duidelijke mislukking van het kommunisme, dat met het stalinisme vereenzelvigd wordt, in alle windrichtingen uit te bazuinen, en daarmee ook de mislukking van het marxisme, de klassenstrijd zou achterhaald zijn net als natuurlijk het hele idee van de revolutie, die enkel zou kunnen uitdraaien op terreur en de Goelag. In het midden van deze weerzinwekkende propaganda staat de politieke organisatie, de belichaming van de omvangrijke opstand van 1917, de Partij van de Bolsjewieken, en daarop spitst het publiek aan de kaak stellen door de verdedigers van de bourgeoisie zich dan ook toe. Voor al deze goedpraters van de kapitalistische orde, waaronder de anarchisten, en wat ook hun zogenaamde onderlinge meningsverschillen mogen zijn, gaat het erom dat Lenin en de bolsjewieken een bende machtshongerige fanatici zouden zijn geweest die er alles aan deden om de democratische verworvenheden van Februari 1917 de nek om te draaien (zie Internationalisme, nr. 330) teneinde Rusland en de wereld te storten in één van de rampzaligste ervaringen uit de geschiedenis.
Ten opzichte van die ongelooflijke laster over het bolsjewisme is het aan de revolutionairen om de waarheid te herstellen en de kern van de zaak over de Partij van de Bolsjewieken andermaal naar voren te brengen. Deze partij was geen product van de barbarij en de achterlijkheid van Rusland, van een gedeformeerd anarcho-terrorisme, of van de absolute machtshonger van haar leiders. Het bolsjewisme was op de eerste plaats een product van het wereldproletariaat, verbonden aan de marxistische traditie; het vormde de voorhoede van een internationale beweging om iedere uitbuiting en onderdrukking af te schaffen. De stellingen die Lenin redigeerde toen hij in 1917 in Rusland terugkeerde, en die bekend staan als de Aprilstellingen, vormen een uitmuntend uitgangspunt om de leugens te bestrijden die over de Partij van de Bolsjewieken zijn uitgestrooid, over haar aard, haar rol en haar banden met de proletarische massa's.
In een eerder artikel (Internationalisme nr. 330) herinnerden we eraan dat de arbeidersklasse in Rusland met de gebeurtenissen van Februari 1917 de weg opende voor de kommunistische wereldrevolutie door het tsarisme omver te werpen, door zich in Sovjets te organiseren en door van een groeiende radicaliteit blijk te geven. De opstand leidde tot een situatie van dubbele macht. De officiële macht was die van de 'Voorlopige Regering' van de bourgeoisie, die aanvankelijk werd geleid door de 'liberalen', maar die later een wat 'socialistischer' kleur aannam onder leiding van Kerenski. Anderzijds bevond de werkelijke macht zich in brede zin al in handen van de sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden. Zonder toestemming van de Sovjets had de regering weinig kans om haar richtlijnen aan de arbeiders en soldaten op te leggen. Maar de arbeidersklasse had nog niet de politieke rijpheid verworven die nodig was om de macht in haar geheel over te nemen. Ondanks haar steeds radicaler acties en houding, werd de meerderheid van de arbeidersklasse, en daarachter de boerenmassa's, teruggehouden door illusies over de aard van de bourgeoisie, door het idee dat in Rusland niet meer dan de burgerlijke democratische revolutie op de agenda stond. Deze toonaangevende ideeën in de massa's werden binnen de sovjets weerspiegeld in de overheersing door de mensjewieken en de sociaalrevolutionairen. Zij deden er alles aan om deze organen machteloos te maken tegenover het burgerlijk regime dat net was geïnstalleerd. Deze partijen, die in handen waren gevallen van de bourgeoisie of daarnaar op weg waren, gebruikten alle middelen om de groeiende revolutionaire beweging te onderwerpen aan de doelen van de Voorlopige Regering, vooral wat betreft het voortzetten van de oorlog. In een situatie zo vol van gevaren en zo vol van beloften, bevonden de bolsjewieken, hoewel ze de internationale strijd tegen de oorlog hadden geleid, zich zelf op dat moment in een bijna volslagen verwarring en waren ze politiek volkomen gedesoriënteerd. Bijvoorbeeld : "In het 'Manifest van het centraal comité van de bolsjewieken', dat terstond na de zege van de opstand uitgevaardigd was, heette het : 'de arbeiders in de fabrieken en werkplaatsen moeten evenals de opstandige troepen terstond hun vertegenwoordigers in de revolutionaire Voorlopige Regering kiezen'. [...]. Zij handelden niet als vertegenwoordigers van een proletarische partij, die zich voorbereidt op zelfstandige strijd om de macht, maar als linkervleugel van de demokratje [...]". (Trotski, Geschiedenis der Russische revolutie, deel. I, Amsterdam, Van Gennep, 1978, p. 340). Erger nog, vanaf het moment in maart waarop Stalin en Kamenjev de leiding van de partij in handen nemen, volgt er een wending naar rechts. Het officieel orgaan van de partij, de Pravda, neemt openlijk een 'verdedigings-standpunt' in ten opzichte van de oorlog : "Niet het 'Wég met de oorlog', dat zonder inhoud is, is onze leus. [...] ieder [blijft] als strijder op zijn post". (aangehaald in Trotski, idem, p. 345). Het flagrant verlaten van het standpunt van Lenin over de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog leidde tot verzet en zelfs woede binnen de partij en onder de arbeiders in Petrograd, in het hart van het proletariaat. Maar deze meest radicale elementen vermochten het niet een helder programmatisch alternatief te stellen tegenover de wending naar rechts. Zo werd de partij als vanzelf naar het compromis en het verraad gezogen, onder invloed van de mist van de democratische roes ontstaan in de opstand van Februari.
Het was dus aan Lenin, vanaf het moment dat hij terugkeerde uit zijn ballingschap, om de partij politiek te herbewapenen en om in zijn Aprilstellingen, "die het effect hadden van een inslaande bom" (Trotski, idem), het doorslaggevend belang te verdedigen van de revolutionaire leiding. Het oude programma van de partij was achterhaald en liep sterk achter op de spontane actie van de massa's. De opdracht waarachter de 'oude bolsjewieken' zich schaarden was voorbijgestreefd. Lenin maakte duidelijk dat de "democratische dictatuur van het proletariaat en de boerenstand" al verwezenlijkt was (Lenin, Brieven over de tactiek). Niettemin, "Het eigenaardige van de tegenwoordige situatie in Rusland ligt in de overgang van de eerste etappe van de revolutie, die als gevolg van het onvoldoend ontwikkeld klassenbewustzijn en van de onvoldoende georganiseerdheid van het proletariaat de bourgeoisie aan de macht heeft gebracht, naar de tweede etappe van de revolutie, die de macht in handen moet geven van het proletariaat en van de armste lagen van de boeren." (tweede van de Aprilstellingen, Lenin, Keuze uit zijn werken, Moskou, Progres, 1973, deel. I, p. 407). Lenin was één van de eersten om het revolutionair belang te begrijpen van de sovjet als orgaan van proletarische politieke macht. En nogmaals gaf Lenin een les in marxistische methode door duidelijk te maken dat het marxisme het tegendeel was van een dogma, maar dat het, vanuit zijn eigen wezen, een levende wetenschappelijke theorie is, die voortdurend moet worden getoetst in het laboratorium van de sociale bewegingen.
Tegenover het standpunt van de mensjewieken, volgens wie het achterlijke Rusland nog niet rijp was voor het socialisme, argumenteerde Lenin als echt internationalist, dat de onmiddellijke taak er niet uit bestond om het socialisme in Rusland in te voeren (Stelling 8). Als Rusland, op zichzelf, nog niet rijp was voor het socialisme, dan had de imperialistische oorlog duidelijk gemaakt dat het wereldkapitalisme als geheel al overrijp was. Voor Lenin net als voor alle toenmalige internationalisten, was de wereldrevolutie niet enkel een vrome wens maar vooral een concreet vooruitzicht. Het kwam tot ontwikkeling beginnend met de internationale proletarische revolte tegen de oorlog zoals de stakingen in Groot-Brittannië en Duitsland, via politieke manifestaties, muiterijen en verbroederingen in de legers in verscheidene landen, tot natuurlijk in de opkomst van het revolutionaire getij in Rusland zelf, wat het geheel van de beweging blootlegde. Vandaar ook de oproep tot een nieuwe Internationale aan het einde van de stellingen. Dit vooruitzicht werd volledig bevestigd na de Oktoberopstand door de uitbreiding van de revolutionaire golf naar Italië, Hongarije, Oostenrijk en vooral Duitsland.
Deze nieuwe omschrijving van de taken van het proletariaat brengt ook een geheel andere opvatting mee over de rol en het functioneren van de partij. Ook hier staan de 'oude bolsjewieken' zoals Kamenjev in het begin tegenover de visie van Lenin; tegenover zijn idee van de machtsgreep door de sovjets enerzijds, anderzijds verzetten zij zich tegen de nadruk die hij legt op de klassenzelfstandigheid van het proletariaat tegenover de burgerlijke regering en de imperialistische oorlog, zelf wanneer dat betekent dat men zekere tijd in de minderheid zal blijven en niet zoals Kamenjev "tot aan het einde de partij blijven van de revolutionaire massa's van het proletariaat". Kamenjev stelt de 'de massapartij' tegenover de opvatting van Lenin over een vastbesloten partij van revolutionairen, met een helder programma, verenigd, gecentraliseerd, in de minderheid, in staat om aan de burgerlijke en kleinburgerlijke verlokkingen te weerstaan net als aan de illusies die binnen de arbeidersklasse bestaan. Deze opvatting over de partij heeft niets te maken met die van een blanquistische terroristische sekte, waarvan Lenin werd beschuldigd, of een anarchistische, onderworpen aan de spontaneïteit van de massa's. Geheel in tegenstelling daartoe ontwikkelde hij juist de opvatting dat in een periode van massale revolutionaire woelingen, in een periode van bewustzijnsontwikkeling binnen de klasse, de partij niet langer de massa's kon organiseren, noch de massa's kon inkaderen of de stappen vooruitzien zoals de samenzwerings-organisaties uit de negentiende eeuw. Lenin sloot zich aan bij de visie van Rosa Luxemburg in haar magistrale analyse van de massastaking in de vervalperiode van het kapitalisme: "laten we de betweterige theorie ter zijde leggen over een voorbeeldige staking, die kunstmatig in scène wordt gezet door de Partij en de vakbonden en die uitgevoerd wordt door een georganiseerde minderheid; laten we daartegenover het levende beeld eens bekijken van een ware volksbeweging die voortkomt uit verontwaardiging over de conflicten tussen de klassen en de politieke situatie [...] de taak van de sociaal-democratie zou niet bestaan uit de voorbereiding van de technische leiding van de staking maar uit de politieke leiding over het geheel van de beweging". Al de energie van Lenin wordt derhalve gericht op de noodzaak de partij te overtuigen van deze nieuwe taken. Het moet die op de schouders nemen en ten opzichte van de arbeidersklasse wordt de centrale hoofdlijn die van de ontwikkeling van het klassenbewustzijn. De vierde stelling formuleert dit helder: "Aan de massa's moet uiteengezet worden, dat de Sovjets van arbeidersafgevaardigden de enige mogelijke vorm van een revolutionaire regering zijn en dat het, zolang deze regering zich door de bourgeoisie laat beïnvloeden, slechts onze taak kan zijn geduldig, stelselmatig, standvastig, in het bijzonder aangepast aan de praktische behoeften van de massa's de fouten van hun tactiek uiteen te zetten [...], waarbij wij tegelijkertijd de noodzakelijkheid propageren dat de gehele staatsmacht overgaat in handen van de sovjets van arbeidersafgevaardigden, opdat de massa's zich door de ervaring van hun fouten ontdoen[...]". Deze benaderingswijze, de wil om heldere en duidelijke klassenbeginselen te verdedigen. wetende dat het tegen de stroom in is, had dus niets te maken met purisme of sektarisme. Integendeel, hij stoelt op een begrip van de werkelijke beweging die zich op ieder moment binnen de klasse afspeelt, op een vermogen om het woord en de leiding te geven aan de radicaalste elementen binnen het proletariaat. De opstand is onmogelijk zolang de revolutionaire standpunten van de bolsjewieken, standpunten die tot ontwikkeling kwamen tijdens het hele revolutionaire proces in Rusland, de sovjets nog niet bewust in hun greep hadden. We staan hier dus erg ver af van de laag-bij-de-grondse verzinsels van de bourgeoisie over de vermeende putchistische houding van de bolsjewieken! Lenin stelt duidelijk: "Wij zijn geen charlatans [...] we moeten ons uitsluitend baseren op het bewustzijn van de massa's" (aangehaald bij Trotski, zie boven).
De beheersing van de marxistische methode door Lenin, waarmee hij de schijn en de oppervlakkigheid van de gebeurtenissen doorzag, stelt hem tezamen met de beste elementen van de partij in staat om de werkelijke dynamiek te doorgronden van de beweging die zich onder hun ogen voltrok. Hij kan zich aansluiten bij de diepste verlangens van de massa's door hen de theoretische bronnen te verschaffen om hun standpunten te verdedigen en hun acties te verhelderen. Dat stelt hen tevens in staat zich te oriënteren op de confrontaties met de bourgeoisie door de valkuilen bloot te leggen en te ontlopen die deze voor het proletariaat had gegraven, zoals tijdens de julidagen van 1917. We beroepen ons dan ook op de fundamentele rol die Lenin gespeeld heeft in de wederopbouw van de Partij van de Bolsjewieken, zonder welke het proletariaat nooit of te nimmer in Oktober 1917 de macht had kunnen overnemen. Dat alles in tegenstelling tot de mensjewieken van dat ogenblik en hun talrijke anarchistische, sociaal-democratische of radenistische navolgers, die een schandalige karikatuur hebben gemaakt van de weinige werkelijke vergissingen van Lenin (1), en wel enkel om het proletarisch karakter van de Oktoberrevolutie van 1917 te kunnen ontkennen. De levenslange strijd van Lenin voor de opbouw van de revolutionaire organisatie is een historische verworvenheid van de arbeidersbeweging. Hij liet aan de huidige revolutionairen een onvervangbare basis na voor de wederopbouw van de klassepartij en stelde hen in staat te begrijpen wat zijn rol moet zijn binnen de klasse als geheel. De geslaagde opstand van Oktober 1917 vormt een bevestiging voor Lenins gezichtspunt. Het isolement van de revolutie na de mislukking van de revolutionaire pogingen in de andere landen van Europa maakt een einde aan de dynamiek van de internationale revolutie die de enige garantie vormt voor een plaatselijke overwinning in Rusland en maakt het mogelijk dat de sovjetstaat de opkomst begunstigt van het stalinisme, de beul van de revolutie en van de ware bolsjewieken. Wat belangrijk blijft is dat de Lenin van de Aprilstellingen op geen enkel moment een geïsoleerde profeet was, noch de grote schepper die boven de vulgaire massa's zweefde; hij was de helderste stem van de meest revolutionaire tendensen binnen het proletariaat, een stem die de weg aangaf in de richting van de overwinning van Oktober 1917. "In Rusland kon het probleem enkel worden gesteld. In die zin is de toekomst overal aan het 'bolsjewisme" (Rosa Luxemburg, De Russische Revolutie).
S.B.
(1) Onder hen hebben de radenisten een hele heisa gemaakt rond de theorie van 'het bewustzijn dat van buitenaf wordt ingebracht', zoals ontwikkeld in Wat te doen?. Maar Lenin heeft deze fout later openlijk erkend en hij heeft in de praktijk uitvoerig bewezen dat hij tot een juiste opvatting was gekomen over het ontwikkelingsproces van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse.
Tegenover de steeds fletsere verkiezingsprogramma’s van de traditionele partijen, SP.a en PS inbegrepen, verschijnen er, tot in de burgerlijke media toe, oproepen voor de oprichting van een ‘strijdbare volkspartij links van de SP.a of de Groenen’. In het licht van de verkiezingen van 10 juni werden er verschillende initiatieven gelanceerd om een dergelijke dynamiek op gang te trekken. Zo heeft de bourgeoisie het ‘verkiezingssucces’ opgeklopt van de Partij van de Arbeid van België (de ex-stalinistische PvdA), die haar aantal gemeenteraadsleden tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen heeft verdrievoudigd. Zij heeft in het bijzonder haar ‘links populistische’ heroriëntering begroet naar het voorbeeld van de Nederlandse SP. Anderzijds is er enkele maanden geleden het CAP (Comité voor een Andere Politiek) opgericht, dat personaliteiten uit het linkse en vakbondsmilieu groepeert (zoals de ex-volksvertegenwoordiger Sleeckx en de ex-patroon van de socialistische vakbond Debunne). Dit initiatief wordt gesteund door de trotskisten van de LSP/MAS en er werd meteen beslist om deel te nemen aan de komende wetgevende verkiezingen. Dit ‘andere links’ beweert een programma ‘links van de SP.a’ voor te stellen, een progressief alternatief tegenover de gevoerde politiek van de traditionele sociaal-democratische partijen. Wat is daar van waar als men hun programma en hun doelstellingen nader onderzoekt?
Deze partijen beweren dat hun programma’s het mogelijk maken om een werkelijke politiek van verandering op gang te brengen tegenover de neo-liberale logica van het kapitalisme. Laten we hun belangrijkste krachtlijnen overlopen:
-de economie ‘moraliseren’: “de mensen eerst, niet de winst”, “de grootste vervuilers moeten de zwaarste lasten dragen” (PvdA), het onder controle brengen van de speculatie of het openen van de boeken van de bedrijven. Met andere woorden, de functionering van de economie onderwerpen aan meer ‘morele’ regels zou volstaan om te evolueren naar een meer rechtvaardige maatschappij. Het is echter niet het gebrek aan menselijkheid dat de oorzaak is van de crisis, de soberheid, de massale ontslagen en de loonsdalingen, het is net het tegenovergestelde: de ontwikkeling van steeds cynischere en ongenadigere gedragscodes is in werkelijkheid het directe gevolg van het doodlopende straatje waarin de kapitalistische productiewijze is terechtgekomen. Alle middelen zijn goed om haar waren te slijten op een oververzadigde wereldmarkt. Geen enkele ‘redelijke’, ‘eerlijke’ of ‘morele’ maatregel zal beletten dat de soberheid en de barbarij ravages aanrichten over de hele planeet. Dergelijke programmatische oriënteringen mikken er echter wel op om de illusie te verspreiden dat men het wegrottende kapitalistische systeem kan “humaniseren door het te reguleren”, en dat het dus niet vernietigd moet worden.
- “de rijken doen betalen”: “belasting op de grote fortuinen” (PvdA), “herverdeling van de 27 miljard winst van de negentien grootste bedrijven” (CAP). Voor het ‘andere links’, zou de oplossing voor de werkloosheid en de ellende die wordt voortgebracht door het kapitalisme, liggen in een “billijke herverdeling” van de winsten. Daardoor doen ze niets anders dan de mythe verspreiden dat de ellende, die wordt voortgebracht door het kapitalisme, niet het resultaat is van zijn tegenstrijdigheden die steeds erger oplopen, maar dat het gewoon een kwestie is van een “meer rechtmatige verdeling van de rijkdom”. Voor hen zouden de sociale ongelijkheden en de werkloosheid voortvloeien uit het feit dat de ‘rijken’ te veel poen opstapelen die zij niet willen delen, en niet uit de logica zelf van de kapitalistische productieverhoudingen.
Welnu, sinds Marx en zijn brochure Loon, prijs en winst, hebben de revolutionairen juist met uiterste energie de illusie bestreden omtrent de mogelijkheid om een rechtvaardige en billijke maatschappij in te stellen in de schoot van het kapitalisme, de illusie die er uiteindelijk op neerkomt dat er een kapitalisme zonder winst mogelijk zou zijn. Zij hebben duidelijk gemaakt dat de winst de motor is van de kapitalistische uitbuiting. Zoals Rosa Luxemburg zei: “De kapitalistische productiewijze draagt deze bijzonderheid in zich dat de menselijke consumptie, die in alle voorafgaande economieën het doel was, niets meer wordt dan een middel ten dienste van het eigenlijke doel: de kapitalistische accumulatie. De groei van het kapitaal doet zich voor als het begin en het einde, het einde op zich, en de zin van heel de productie… Het fundamenteel doel van elke sociale productievorm: het onderhoud van de maatschappij door werk, het voldoen van de behoeften, treedt hier naar voren compleet omgekeerd en op zijn kop gezet, aangezien de productie voor de winst en niet voor de mens de wet wordt die de wereld overheerst en de onder-consumptie van de enorme meerderheid van de mensheid de regel wordt” (Rosa Luxemburg: Inleiding tot de Politieke Economie).
Het is deze ijzeren loonwet, deze onwrikbare logica die ten grondslag ligt aan de aard van het kapitalisme. Het is om die reden niet verwonderlijk te zien hoe bedrijven en nationale staten zich steeds wreder en roofzuchtiger gaan gedragen, in een alsmaar meer verbeten concurrentie tussen de naties, om te voldoen aan hun steeds toenemende behoeften aan winst. Wanneer dit ‘andere links’ bij de arbeiders het idee probeert in te lepelen van een kapitalisme waarvan het volstaat het ‘rechtvaardiger te maken’, dan dient dat vooral om te verbergen dat het enige historische antwoord dat de arbeidersklasse kan geven ten overstaan van de ongerechtigheden die door dit systeem worden te weeg gebracht, neerkomt op het vernietigen ervan, op het afschaffen van de loonarbeid door de ontwikkeling van de strijd tegen de uitbuiting van de arbeidskracht en de kapitalistische productieverhoudingen.
- de controle van de ‘overheid’ op de economie versterken: door de staat op te roepen om dwangmaatregelen te nemen tegen de ‘privé patroons’, bijvoorbeeld in de farmaceutische industrie, of nog om “prepensioen terug in te voeren met de verplichting tot het aanwerven van jongeren”, door het opleggen van ‘een vermindering op de gas- en elektriciteitsfactuur’, wijzen PvdA en CAP de privé patroons en hun “slecht beheer van het bedrijf” aan als de oorzaak van de ellende van de uitgebuiten. Voor hen ligt de oplossing voor de hand: het zou volstaan om de productiemiddelen te concentreren in de handen van de staat. Vandaar hun verkiezingseisen: “stop de privatisering van de Openbare Diensten”. Deze staat en bijgevolg ook zijn regering worden voorgesteld als een scheidsrechter verheven boven de sociale klassen, die de kant kan kiezen van de ene of andere klasse: de bourgeoisie of het proletariaat. Het verwijt dat ze maken aan de ‘overheid’ is dat deze “zich ten dienste stelt van de patroons”, “cadeaus geeft aan het patronaat”. Zo verdoezelen zij de aard van de kapitalistische staat door doen te geloven dat hij het is die de privé patroons dient, terwijl, zelfs al kunnen er meningsverschillen bestaan tussen de staten en bepaalde patroons, dit geenszins afbreuk doet aan het feit dat deze laatste uiteindelijk handelen in overeenstemming en in de zin van het nationaal belang en van de staat van de landen waarvan zij afhankelijk zijn. Het is de staat die de prijzen, de collectieve arbeidsovereenkomsten, de uitbuitingsgraad, de productie, enz. reglementeert. Hij is het die, via zijn fiscale, monetaire en kredietpolitiek, enz. de voorwaarden dicteert van de ‘vrije markt’, zowel in de financiële als in de productiesectoren. Sinds het einde van de jaren 1960, met het heropduiken van de economische crisis, is het de staat die verantwoordelijk is geweest voor de grote ontslagplannen in naam van de industriële herstructurering van de staalnijverheid, de mijnen, de scheepswerven, de automobiel, en de aderlating die vandaag verder gezet wordt in de luchtvaartsector, de automobiel, de telecommunicatie, enz. Het is de staat die duizenden jobs geschrapt heeft bij de Post, bij de NMBS, in de hospitalen en die dat blijft doen in de openbare diensten, in het onderwijs, enz. Hij is het die voortdurend knaagt aan de sociale minima, die de toename van de armoede begunstigt, van de precariteit, die duidelijk snijdt in de sociale budgetten (huisvesting, pensioenen, gezondheid, opvoeding). Door haar programma veegt het ‘andere links’ de spons over de allereerste verantwoordelijke voor de kapitalistische soberheid en de werkloosheid, de eerste beslisser bij ontslagen en sociale achteruitgang: de staat van de bourgeoisie die alleen maar een burgerlijke, kapitalistische staat kan zijn.
De algemene indruk die wordt opgewekt door de eisen, die door het ‘andere links’ naar voren worden geschoven, is dat het behoud van de lonen, de schepping van tewerkstelling of het vrijwaren van de sociale zekerheid ‘voordelen’ zijn die ‘ontrukt’ zouden zijn aan de kapitalistische winsten. Het is net het tegenovergestelde. De rijkdommen worden geproduceerd door de arbeid, niet door het kapitaal. En het is deze laatste die zich een deel toeeigent op de rug van de arbeiders via de meerwaarde. De verkoop van de producten van de loonarbeid in het kader van de wereldmarkt is de onmisbare voorwaarde om deze meerwaarde te realiseren. De fundamentele oorzaak van de soberheid en de ellende die zich uitstort over de arbeidersklasse, is wel degelijk de overproductiecrisis die de concurrentie tussen kapitalisten op een oververzadigde markt op de spits drijft, die hen er toe drijft om hun productiekosten te verlagen, de flexibiliteit ten top te drijven, de lonen te verlagen en overal te ontslaan. Dat toont duidelijk aan waarom een ‘andere politiek’, dat wil zeggen een politiek die zou breken met de dynamiek van ellende en oorlog, niet mogelijk is in de schoot van het kapitalisme en zijn ‘democratische staat’.
Tegenover de onmiskenbare anti-arbeiderspolitiek van de socialistische partijen SP.a/PS die al tien jaar in de regering zetelen, net als tegenover de corruptie en schandalen die hen periodiek teisteren, kan het logisch lijken om op te roepen tot het oprichten van ‘een echte linkse partij’, die werkelijk de belangen zou vertegenwoordigen van de werkers bij de verkiezingen en hun belangen zou verdedigen in het vertegenwoordigingssysteem van de burgerlijke staat, in het nationale parlement. Nochtans is het niet de eerste keer dat een partij zich opwerpt als de uitdrukking van een ‘ander links’ en oproept om voor haar te stemmen met de belofte om een ‘andere politiek’ te voeren: van de verschillende ‘communistische’ partijen tot de PDS in Duitsland, de Partido de la Rifondazione Comunista in Italië of de ‘Arbeiderspartij’ van Lula in Brazilië, al deze partijen ‘links van de SP’ hebben dat beloofd maar dat heeft hen niet belet, van ‘president’ Lula in Brazilië tot de ‘ex-communisten’ van Italië of in Duitsland, om een politiek te ondersteunen van het versterken van het nationale kapitaal, van de nodige maatregelen te nemen om de concurrentiecapaciteit van het nationale kapitaal te verstevigen.
Voor de revolutionairen is het verraad van de socialistische partijen en later dat van de ‘communistische’ of ‘arbeiders’partijen niet het gevolg van het toeval, van pech of van slechte leiders, het is het product van de evolutie zelf van het kapitalistisch systeem en van zijn huidige fase. In de huidige fase van het verval, van de wereldcrisis, van de chaos en de veralgemeende oorlog, zijn de burgerlijke staten in hun geheel geëvolueerd naar een systeem waarbij de partijen niet zozeer de uitdrukking zijn van de strijd tussen burgerlijke fracties om de controle over de staat, maar waarbij het geheel van deze partijen eerder het uitvloeisel is van de belangen van het nationale kapitaal en zich inzetten voor de verdediging ervan, in de krachtmeting tussen de imperialistische rovers op het internationaal vlak. Geloven dat in een dergelijke context die volkomen wordt gecontroleerd door de burgerlijke staat, er zich een partij zou kunnen ontwikkelen die de belangen van de uitgebuite klasse zou kunnen verdedigen binnen het kader van het parlementaire verkiezingssysteem, ja zelfs de macht veroveren, komt neer op zichzelf verhaaltjes wijsmaken, zich in slaap wiegen met zinsbegoochelingen.
Bij de aanvang van de twintigste eeuw hebben de opportunistische fracties van de sociaal-democratie, verblind door de exponentiële groei van het kapitalisme en door de indrukwekkende ontwikkeling van hun eigen krachten, de illusie verspreid van een geleidelijke overgang naar het socialisme door de controle te nemen over de burgerlijke staat door middel van de verkiezingshefboom. Honderd jaar later, na twee wereldoorlogen, verschrikkelijke economische crises, een groeiende chaos en een barbarij over de hele planeet, betekent het komen aandraven met een dergelijke opvatting niets anders dan een schaamteloze misleidingsonderneming die er op gericht is om de werkers de weg op te drijven van de zelfmoord.
Tegenover de twijfel omtrent het nut van dergelijke programma’s en organisaties, brengen de ‘radicaalste’ onder hen, zoals de trotskisten van LSP/MAS, daar tegen in: “Wij laten ons niet vangen. Wij weten heel goed dat deze nieuwe partij geen revolutionaire partij zal zijn, dat de ene of andere politieke leider of vakbondsman nog verraad zal plegen, maar deze negatieve ervaring is een verplichte ervaring voor de werkers opdat zij zouden leren inzien wie de werkelijke revolutionairen zijn” (LSP, Voor een nieuwe partij van de arbeiders, 06.04.06). Doen geloven dat het opsluiten van de arbeiders in een reformistische logica en een perspectief van zelfmoordactie de ontwikkeling van de proletarische bewustwording zou kunnen begunstigen, getuigt van een grenzeloos cynisme. Verre van te steunen op de kracht en de organisatie die de arbeidersklasse kan verwerven in haar strijd, stelt LSP als doelstelling voor de ontwikkeling van de bewustwording… de individuele ervaring van ‘iedere arbeider’, de democratische misleiding die ‘elke arbeider’ omvormt tot een ‘burger’, alleen, geïsoleerd in zijn stemhokje, met de illusie dat zijn stembiljet invloed zal hebben op zijn sociale levensvoorwaarden. De gauchisten beweren dat men moet vertrekken van de illusies van de arbeiders om hen mee te sleuren in een negatieve ervaring opdat zij zouden bewust worden. Beweren dat bewustwording ontstaat uit de verwarring, uit de misleiding en de ontmoediging, getuigt van walgelijk cynisme en onthult alleen maar de ware aard van dergelijke initiatieven: niet het ontwikkelen van het bewustzijn van de arbeidersklasse maar in tegendeel het vertroebelen ervan door de klasse in de val te lokken van de democratische campagnes van de bourgeoisie.
Deze campagnes rond de ontwikkeling van een ‘echte linkerzijde’ bieden dus geen enkel strijdperspectief aan de arbeidersklasse. In tegendeel, ze leiden de woede die steeds meer tot uitdrukking komt af naar de valstrik van de verkiezingen en de democratische hervormingen. En zo vermijden zij de ontwikkeling van het nadenken in de schoot van het proletariaat omtrent de perspectieven en de middelen van de strijd tegen de toenemende barbarij van de burgerlijke maatschappij.
Jos / 01.04.07
Geconfronteerd met de angst voor de toekomst, de schrik voor de werkloosheid, het balen van de soberheid en de bestaansonzekerheid, gebruikt de bourgeoisie de verkiezingen om het nadenken binnen de arbeidersklasse te belemmeren.
De weigering om deel te nemen aan het verkiezingscircus is geen vanzelfsprekende zaak voor het proletariaat omdat deze misleiding nauw verbonden is met de kern van de ideologie van de heersende klasse: de democratie. Heel het sociale leven van het kapitalisme wordt door de bourgeoisie georganiseerd rond de mythe van de ‘democratische’ staat. Deze mythe is gegrondvest op het leugenachtige idee dat alle burgers ‘gelijk’ en ‘vrij’ zouden zijn om via hun stem, te ‘kiezen’ voor hun politieke vertegenwoordigers en het parlement, dat voorgesteld wordt als de weerspiegeling van de ‘volkswil’. Dit ideologische bedrog is voor de arbeiders moeilijk te ontzenuwen, ook al omdat de verkiezingsmis-leiding gedeeltelijk steunt op bepaalde waarheden. De bourgeoisie misbruikt ze, via het vervalsen van de geschiedenis van de arbeidersbeweging, door de herinnering op te roepen van de heldhaftige strijd van de arbeidersklasse voor de verovering van het stemrecht. Tegen de grove propagandistische leugens is het noodzakelijk om terug te grijpen opde werkelijke standpunten die werden verdedigd door de arbeidersbeweging en haar revolutionaire organisaties. En dat niet op zichzelf, maar met betrekking tot de verschillende perioden van de ontwikkeling van het kapitalisme en van de behoeften van de revolutionaire strijd van het proletariaat.
De negentiende eeuw is de periode van volle ontwikkeling van het kapitalisme, waarbij de bourgeoisie het algemeen stemrecht en het parlement gebruikte in haar strijd tegen de adel en haar eigen reactionaire fracties. Zoals Rosa Luxemburg in 1904 onderstreepte in haar tekst Sociaal-democratie en parlementarisme: “Verre van een absoluut product te zijn van de democratische ontwikkeling, van de vooruitgang van het menselijke geslacht of van soortgelijk schoons, is het parlementarisme veeleer de bepaalde historische vorm van de klassenheerschappij van de bourgeoisie en – dit is dan de keerzijde van deze heerschappij – van de strijd van de bourgeoisie tegen het feodalisme. Het burgerlijke parlementarisme blijft slechts zolang in leven als de strijd tussen de bourgeoisie en het feodalisme duurt.” (Rosa Luxemburg, Orde heerst in Berlijn, L.J.C. Boucher, Den Haag) Met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, schaft de bourgeoisie de lijfeigenschap af en breidt zij de loonarbeid uit voor de behoeften van haar economie. Het parlement wordt de arena waar de verschillende burgerlijke partijen elkaar bevechten om te beslissen over de samenstelling en de oriënteringen van de regering die belast wordt met de uitvoerende macht. Het parlement wordt tot het centrum van het burgerlijke politieke leven, maar in dit democratisch parlementair systeem, zijn alleen de notabelen kiezers. De proletariërs hebben geen spreekrecht, noch het recht van organisatie.
Onder druk van de Eerste en vervolgens van de Tweede Internationale gingen de arbeiders sociale strijd van grote omvang voeren, dikwijls ten koste van hun eigen leven, om verbeteringen af te dwingen van hun levensvoorwaarden (vermindering van de werktijd van veertien tot tien uren, verbod op kinderarbeid en op zwaar werk voor de vrouwen… ). Aangezien het kapitalisme toen nog een sociaal systeem in volle bloei was, stond zijn omverwerping door de proletarische revolutie nog niet op de dagorde. Dat is de reden waarom de eisenstrijd op het economische vlak, via de vakbonden, en de strijd van zijn politieke partijen op het parlementaire terrein, het voor het proletariaat mogelijk maakten om hervormingen in zijn voordeel in de wacht te slepen. Een dergelijke deelname “maakte het voor de arbeidersklasse mogelijk druk uit te oefenen ten gunste van deze hervormingen, en tegelijkertijd de verkiezingscampagnes te gebruiken als propaganda- en agitatiemiddel voor het proletarisch programma en het parlement te gebruiken als tribune om de schandelijke politiek van de bourgeoisie aan de kaak te stellen. Daarom ook was in een groot aantal landen de strijd voor het algemeen kiesrecht gedurende de hele 19e eeuw één van de belangrijkste gelegenheden voor de mobilisatie van het proletariaat ” (1). Dit zijn de stellingen die Marx en Engels gedurende heel deze periode van de bloei van het kapitalisme verdedigden in goedkeuring van de deelname van het proletariaat aan de verkiezingen.
Aan de dageraad van de twintigste eeuw had het kapitalisme de wereldmarkt veroverd. Toen het opbotste tegen de grenzen van zijn geografische uitbreiding, stuitte het op de objectieve beperkingen van de markten: de afzetmarkten van zijn productie worden steeds meer ontoereikend. De kapitalistische productieverhoudingen vormen zich vanaf dat moment om tot belemmeringen van de ontwikkeling van de productiekrachten. Het kapitalisme komt als een geheel terecht in een periode van crises en oorlogen van wereldomvang.
Een dergelijke omwenteling zal een diepe verandering teweegbrengen in de politieke levenswijze van de bourgeoisie, in het functioneren van haar staatsapparaat en, a fortiori, in de voorwaarden en strijdmiddelen van het proletariaat. De rol van de staat wordt overheersend want hij alleen is in staat om ‘de orde’ en de samenhang te verzekeren van een kapitalistische maatschappij die wordt verscheurd door haar eigen tegenstellingen. De burgerlijke partijen worden steeds vanzelfsprekender tot instrumenten van de Staat die belast worden met het doen aanvaarden van diens politiek. De politieke macht vertoont de neiging om zich te gaan verplaatsen van de wetgevende naar de uitvoerende macht en het burgerlijke parlement wordt tot een lege huls. Het beschikt niet meer over een werkelijke beslissingsmacht. Deze werkelijkheid werd in 1920, op haar Tweede Congres, door de Kommunistische Internationale duidelijk gekenschetst. “De houding van de Derde Internationale ten overstaan van het parlementarisme wordt niet bepaald door een nieuwe doctrine maar door de verandering van de rol van het parlement zelf. In het voorbije historische tijdperk heeft het parlement als instrument van het kapitalisme in ontwikkeling, in zekere zin, meegewerkt aan de vooruitgang van de geschiedenis. Onder de moderne voorwaarden van ongebreideld imperialisme is het parlement een wapen van valsheid, bedrog, en geweld geworden, een plaats van opgewonden gebabbel. [...] In de huidige tijd kan het parlement, voor de kommunisten, in geen enkel geval, nog dienst doen als de arena voor de strijd voor hervormingen en verbeteringen van de levensstandaard van de arbeidersklasse, zoals dat het geval was op bepaalde momenten in het vorige tijdperk. Het brandpunt van het politieke leven is volledig en voorgoed naar buiten de grenzen van het parlement verschoven." (2).
Sindsdien was er voor de bourgeoisie geen sprake meer van het toestaan van werkelijke en duurzame hervormingen van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse. Het tegendeel dringt zich op aan het proletariaat: steeds grotere opofferingen, ellende en uitbuiting. De revolutionairen zijn eensgezind in de erkenning van het feit dat het kapitalisme zijn historische grenzen heeft bereikt, en dat het in zijn vervalfase is binnengetreden, zoals bleek uit de ontketening van de Eerste Wereldoorlog. Voortaan was het alternatief: socialisme of barbarij. Het tijdperk van de hervormingen was definitief afgesloten en de arbeiders konden niets meer verkrijgen op het terrein van de verkiezingen.
Desalniettemin ging er zich een debat ontwikkelen in de loop van de jaren 1920 in de schoot van de Kommunistische Internationale omtrent de mogelijkheid, verdedigd door Lenin en de Bolsjewistische Partij, van de ‘tactiek’ van ‘het revolutionaire parlementarisme’. Geconfronteerd met de ontelbare vraagstukken die werden opgeworpen door de intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode, woog het gewicht van het verleden door op de arbeidersklasse en haar organisaties. De imperialistische oorlog, de proletarische revolutie in Rusland, en vervolgens de terugval van de proletarische strijdgolf op wereldvlak vanaf de jaren 1920 brachten Lenin en zijn kameraden er toe om te denken dat men het parlement van binnen uit zou kunnen vernietigen of het parlement zou kunnen gebruiken als een revolutionaire tribune. In feite zou deze foute ‘tactiek’ de Derde Internationale steeds verder doen afdrijven naar compromissen met de ideologie van de heersende klasse. Het isolement van de Russische Revolutie, de onmogelijkheid van haar uitbreiding naar de rest van Europa door het neerslaan van de revolutie in Duitsland, zouden eerst de Bolsjewiki en de Internationale, en vervolgens de Kommunistische Partijen, doen afdrijven naar een ongebreideld opportunisme. Dit opportunisme zou hen er toe brengen om de revolutionaire standpunten van de Eerste en de Tweede Congres van de Kommunistische Internationale in vraag te gaan stellen om daarna, tijdens de daaropvolgende congressen, te ontaarden in het verraad van het stalinisme dat tot speerpunt werd van de triomferende contrarevolutie.
Tegen dit opgeven van de beginselen reageerden de meer linkse fracties in de Kommunistische Partijen (3). Te beginnen met de Italiaanse Linkerzijde met Bordiga aan het hoofd ervan die, reeds vóór 1918, de verwerping van de verkiezingsactie voorstond. Eerst gekend als ‘Abstentionistische kommunistische fractie’, werd die formeel opgericht na het Congres van Bologna in oktober 1919 en, in een brief gestuurd vanuit Napels naar Moskou, bevestigde zij dat een werkelijke partij die zich moest aansluiten bij de Kommunistische Internationale, alleen kon worden opgericht op basis van antiparlementaire grondslagen. Anton Pannekoek bandrukte ook duidelijk de onmogelijkheid voor de revolutionairen om het parlement te gebruiken, want een dergelijke tactiek zou enkel kunnen leiden tot het sluiten van compromissen, van toegevingen aan de heersende ideologie. Zij kon er enkel toe leiden om een schijn van leven te verlenen aan deze afstervende instellingen, tot aanmoedigen van de passiviteit van de arbeiders, terwijl de revolutie een actieve en bewuste deelname vereist van het geheel van het proletariaat.
In de jaren 1930, zou de Italiaanse Linkerzijde, via haar tijdschrift Bilan op concrete wijze aantonen hoe de strijd van de Franse en Spaanse proletariërs werd omgebogen naar het verkiezingsterrein. Bilan beweerde terecht dat de ‘tactiek’ van de volksfronten in 1936, het mogelijk had gemaakt om het proletariaat als kanonnenvlees in te kaderen in de tweede imperialistische wereldslachting. Op het einde van deze afschuwelijke holocaust was het de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk (waar de IKS uit voortkomt) die het tijdschrift Internationalisme publiceerde, die op de duidelijkste manier de ‘tactiek’ van het revolutionaire parlementarisme zou aanklagen: “De politiek van het revolutionaire parlementarisme heeft ruimschoots bijgedragen tot het ontaarden van de partijen van de Derde Internationale en de parlementaire fracties hebben gediend als forten van het opportunisme [...]. De waarheid is dat het proletariaat voor zijn bevrijdingsstrijd geen gebruik kan maken van ‘het politieke strijdmiddel’ dat eigen is aan de bourgeoisie en bestemd is voor zijn onderwerping. Het revolutionaire parlementarisme heeft als werkelijke activiteit in feite nooit bestaan om de eenvoudige reden dat de revolutionaire actie van het proletariaat, wanneer deze er mee geconfronteerd werd, inhield dat het zich als klasse mobiliseerde op een buiten-kapitalistisch vlak, en niet gebonden aan stellingen binnen de kapitalistische maatschappij” (4).
Sindsdien is het niet deelnemen aan de verkiezingen een klassengrens tussen de proletarische en de burgerlijke organisaties. Onder deze voorwaarden worden, sinds meer dan tachtig jaar, de verkiezingen op wereldschaal door alle regeringen gebruikt, wat ook hun politieke kleur is, om het ongenoegen van de arbeiders af te leiden naar een steriel terrein en om de mythe van de ‘democratie’ geloofwaardig te houden. Het is trouwens geen toeval dat vandaag, in tegenstelling tot de negentiende eeuw, de ‘democratische’ staten een verwoede strijd leveren tegen het abstentionisme (het niet-stemmen) en tegen de leegloop van de partijen, want de deelname van de arbeiders aan de verkiezingen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van de democratische zinsbegoocheling.
In tegenstelling tot de onpasselijk makende propaganda die ons ervan wil overtuigen dat de stembus regeert, moeten wij opnieuw bevestigen dat de verkiezingen een pure maskerade zijn. Natuurlijk kunnen er meningsverschillen bestaan bij de verschillende fracties die deel uitmaken van de burgerlijke staat over de wijze waarop de belangen van het nationale kapitaal het best verdedigd worden, maar fundamenteel organiseert en controleert de bourgeoisie het verkiezingscarnaval opdat het resultaat zou overeenstemmen met haar behoeften als heersende klasse. Dat is de reden waarom de kapitalistische staat haar dienstbare media organiseert, manipuleert en gebruikt. Zo is er sinds het einde van de jaren 1920 tot op heden, onafhankelijk van het resultaat van de verkiezingen, van het feit of het rechts was of links dat zegevierend uit de verkiezingen kwam, tenslotte altijd dezelfde anti-arbeiderspolitiek gevoerd.
De laatste maanden is het georkestreerd focussen van de bourgeoisie op de presidentsverkiezingen van mei 2007 in Frankrijk er tijdelijk in geslaagd om de aandacht van de arbeiders aan te trekken en hen er van te overtuigen dat deze een inzet vormen voor hun toekomst en voor die van hun kinderen. Niet alleen stort de bourgeoisie de arbeidersklasse in een absolute verpaupering, maar bovendien vernedert ze haar door haar ‘het brood en spelen van het verkiezingscircus’ te geven. Vandaag blijft er voor het proletariaat geen andere keuze over. Ofwel laat het zich meeslepen op het verkiezingsterrein van de burgerlijke staten die haar uitbuiting en onderdrukking organiseren, een terrein waarop het slechts kan geatomiseerd worden en waarop het geen weerstand kan bieden aan de aanvallen van het kapitalisme in crisis. Ofwel ontwikkelt het zijn collectieve strijd, op een solidaire een eensgezinde wijze, ter verdediging van zijn levensvoorwaarden. Het is alleen op deze wijze dat het proletariaat zijn kracht zal kunnen terugvinden als revolutionaire klasse: zijn eenheid en zijn capaciteit om te strijden buiten en tegen de burgerlijke instellingen om (parlement en verkiezingen), voor de omverwerping van het kapitalisme.
Tegenover de verergering van de aanvallen en de electorale hersenspoeling ten spijt, is het proletariaat bezig met het ontwikkelen van een diepere overdenking van de betekenis van de massale werkloosheid, van de onophoudelijke aanvallen, van de ontmanteling van de pensioensystemen en de sociale bescherming. Op termijn kunnen de anti-arbeiderspolitiek van de bourgeoisie en het proletarisch verzet hiertegen slechts uitmonden in een groeiende bewustwording in de schoot van de arbeidersklasse, van het historisch bankroet van het kapitalisme. Het proletariaat moet niet meewerken aan het smeden van zijn eigen ketenen, maar moet ze stuk breken! De versterking van de kapitalistische staat moeten de arbeiders beantwoorden met de wil om hem te vernietigen!
Het alternatief van vandaag blijft dus hetzelfde als dat wat door de marxistische Linkerzijde in de jaren 1920 werd ontwikkeld: verkiezingen en misleiding van de arbeidersklasse of ontwikkeling van de bewustwording van de klasse en uitbreiding van de strijd naar de revolutie!
D.
(1) Platform van de IKS
(2) Tweede Kongres van de Kommunistische Internationale
(3) De IKS is de erfgename van deze Kommunistische Linkerzijde en onze standpunten zijn er de voortzetting van.
(4) Lees hiervoor het artikel van Internationalisme, nr.36 van juli 1948, opnieuw gepubliceerd in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr.36.
Als we de bourgeoisie zouden geloven, die van rechts en die van links, dan zou het kapitalisme gezond en in volle groei zijn. Het ongelooflijk dynamisme van de Chinese economie zou daar het onweerlegbaar bewijs van zijn. Werkloosheid? Ontslagen bij de vleet? Toenemende verarming? Dat zou enkel het gevolg zijn van uitwassen, de fout van winstgeile leiders zonder scrupules. Met wat minder liberalisme en wat meer staat zou alles nog beter gaan in de best mogelijke van alle werelden. Dit alles is één grote leugen. In werkelijkheid is het kapitalisme een systeem in doodsnood en maakt zijn economische wereldcrisis momenteel een nieuwe versnelling door. Wat voor toekomst heeft de heersende klasse voor ons in petto, voor een arbeidersklasse die al een voortdurende aftakeling van haar bestaansvoorwaarden ondergaat?
Op dinsdag 27 februari onderging de beurs van Sjanghai in China in enkele uren een plotse daling van 8,8%, en sleurde daarbij de beurzen van de hele wereld in haar kielzog mee. In New York bijvoorbeeld ging Wall Street er 3,5% op achteruit, de grootste daling in vijf jaar.
Hoe kon de marktdaling in Sjanghai een golf van aandelenverkopen teweegbrengen die de hele wereld troffen, terwijl de specialisten dag na dag opscheppen over de goede gezondheid van de beursmarkten? In feite hebben de records die de beursindexen de laatste jaren bereiken geen andere basis dan speculatie. Overal, in alle sectoren en alle landen, worden investeerders met hetzelfde probleem geconfronteerd: overproductie. Zo is speculatie het enige middel geworden om winst te maken. In het grote casino van de virtuele economie is het doel van het spel aandelen te kopen in de hoop die op het juiste moment duur te verkopen. Maar bij het minste slechte nieuws steekt een wind van paniek op. Iedereen wil tegelijk verkopen, wetende dat het merendeel van die aandelen in werkelijkheid niets vertegenwoordigt, geen fabriek, geen goederen. De kleine oprisping in Sjanghai geeft aan wat voor stormen er in de toekomst kunnen opsteken.
Het inzakken van de beurs van Sjanghai is voor een deel verbonden met wat de economisten de verhitting van de Chinese economie noemen. Teveel investeringen, overcapaciteit inzake productie, grote schuldenlast: de Chinese economie is compleet uit balans en stevent steeds duidelijker af op een bijzonder brutale recessie. Natuurlijk, enkele jaren geleden kende de Chinese economie nog een zeer hoge groeivoet en een versnelde industriële ontwikkeling. In 2006 bereikte die groei zelfs 10,7%. Maar de arbeiders in dit land, die leven en werken in echte industriële strafkampen, ondervinden aan den lijve wat die expansie betekent. In werkelijkheid draait die rond twee pijlers die een kritisch breukpunt bereiken. De eerste pijler is de schuldenlast. De schuld van China groeit dubbel zo snel als zijn Bruto Nationaal Produkt! Zijn banksysteem zit opgescheept met 50% ongedekte schulden! De tweede pijler is de noodzaak voor China om een groeiend deel van zijn waren af te zetten op de Amerikaanse markt, terwijl die, op de rand van de recessie, serieus aan het krimpen is. De binnenlandse Chinese markt is inderdaad zeer zwak en kan wat het land produceert geenszins opnemen. Zijn economie is dus compleet afhankelijk van de uitvoer. En de tijd dat de Amerikaanse economie de wereldeconomie vooruittrok loopt ten einde, zonder dat een ander land in staat is het voortouw over te nemen.
De Chinese eerste minister, Wen Jiabao, die het grote gevaar van overproductie beseft, heeft onlangs verklaard dat de regering de groei in 2007 tot 8% zal beperken. Dat zal gaan via een verstrakken van het monetaire beleid. Geld lenen zal duurder worden. Duidelijk gezegd: in het vervolg zal het moeilijker worden te investeren om te vermijden dat de economie buiten proporties op hol slaat!
Gedurende die zwarte week van de beurzen over de wereld was de Amerikaanse staatssecretaris van de schatkist, Hank Paulson, op rondreis door Azië. Hij moest de Chinese staat overtuigen van de stevigheid van de Amerikaanse economie, door als een echte praatjesmaker de ernst van de vastgoedcrisis en de monetaire en financiële risico's te bagateliseren. Een belangrijk deel van de Chinese economie wordt inderdaad gevoed met massale Amerikaanse tegoeden en deviezen, dollars die China deels opnieuw in de Verenigde Staten investeert en die dienen om de groei van het Amerikaans tekort te beperken. Om al die redenen worden beide economieën geconfronteerd met een verschrikkelijke tegenstelling: ze worden gedwongen een hardnekkige oorlog te voeren en tegelijk zijn ze uiterst afhankelijk van elkaar geworden, waarbij de recessie van de één de recessie van de ander veroorzaakt. En vandaag zijn beide inderdaad aan het wegzakken.
A. Greenspan, de voormalige grote goeroe van het Amerikaanse financieel beleid, erkent zeer officieel de mogelijkheid van een recessie in 2007 in de Verenigde Staten. De meest zichtbare en onmiddellijke reden voor die vertraging is zonder twijfel dat de vastgoed ballon van dit land aan het ontploffen is. De prijzen in die activiteitssector zijn al met een kwart gedaald, en dat is nog maar een begin. Sommige economisten schatten dat die markt met 40% overschat is. De correctie zou kunnen neerkomen op 6000 miljard dollar, dat is zowal één derde van het Amerikaans Bruto Binnenlands Produkt! De vastgoedcrisis slaat nu over naar Groot-Brittannië: "Dit is slecht nieuws dat kan alarmeren. Kensington, leider inzake riskant vastgoedkrediet in Groot-Brittannië, heeft op vrijdag 23 maart toegegeven 23% van zijn aandeel verloren te hebben." (Le Monde, 24.03.07). Die haai van het krediet leent geld aan meer dan 15.000 gezinnen, die op hun beurt insolvent geacht worden.
De gevolgen voor de arbeidersklasse zullen verschrikkelijk zijn. In de Verenigde staten hadden de huishoudens de gewoonte aangenomen via hypothecair krediet geld te lenen naarmate de waarde van hun appartement toenam. De fenomenale stijging van de vastgoedprijzen in de laatste jaren gaf de arbeiders de indruk dat ze rijker geworden waren! Met tienduizenden zullen de huishoudens nu niet langer in staat zijn hun afbetalingen te voldoen, ze zijn letterlijk geruïneerd en kunnen op straat worden gezet. Erger nog: de vastgoedsector en de bouw zorgden voor 40% van de werkgelegenheid in de laatste drie jaar! De crisis in deze sector betekent dus dat tienduizenden arbeiders werkloos zullen worden. Die ladingen ontslagen komen bovenop die in de autosector die zwaar in de problemen is en aan de rand van het failliet staat. In zijn herstructureringsplan, dat van het vierde kwartaal 2005 tot het eerste kwartaal 2008 loopt, voorziet Ford koudweg de sluiting van 40% van zijn Noord-Amerikaanse vestigingen en het 'vertrek' van 50.000 van de 130.000 arbeiders. Eén van de laatste sectoren die nog overeind bleef aan de andere kant van de Atlantische oceaan, de dienstensector, deed dat vooral dankzij de groei van de activiteiten in de financiële sector. Ook deze sector gaat dus duistere dagen tegemoet met massale ontslagen.
Het binnenlands verbruik in de Verenigde Staten kan dus enkel verder en steeds sterker inkrimpen in de komende maanden. Het probleem voor de bourgeoisie is dat dit verbruik in de USA de voornaamste motor is waarop de wereldeconomie momenteel draait. Voor Europa, China, Japan, India... zal een groeiend deel van hun waren onverkoopbaar worden. De overproductie, bepalende factor van de wereldcrisis van het kapitalisme gaat nieuwe toppen scheren!
De besmetting van de economische wereldcrisis strekt zich vanzelfsprekend uit tot het monetaire front, en meer bepaald tot de dollar die in de komende maanden zal blijven dalen. De Verenigde Staten, die over alle redelijke grenzen heen in de schulden zitten (de Amerikaanse schuld bedraagt 7800 miljard dollar en stijgt met 1,64 miljard dollar per dag), zullen de buitenlandse kapitalen die de economie op de rand van de verstikking kwamen helpen, massaal zien wegvluchten. In Amerika is een gewelddadige daling van de groei nu onafwendbaar, die in haar kielzog een algemene recessie van de wereldeconomie zal veroorzaken. Niemand kan op dit ogenblik overzien met welke snelheid en diepgang deze nieuwe aardbeving het geheel van de economie zal treffen. Maar de gevolgen voor het proletariaat zijn niet moeilijk te raden. De arbeiders in India en China leven in omstandigheden die nog erger zijn dan die van hun klassenbroeders in Europa in de negentiende eeuw. Onder het juk van het wreedste aller uitbuitingen overleven de arbeiders er in ellende en ontbering. Geconfronteerd met het failliet van haar systeem en met de economische oorlog, werkt de bourgeoisie koudweg verder aan het exporteren van die wreedaardige uitbuitingsvoorwaarden naar het hart van het kapitalisme, naar de Verenigde Staten en West-Europa.
De enige toekomst die dit systeem voor ons in petto heeft, is die van steeds meer ellende. Geloven in een menselijker en beter beheerd kapitalisme is een luchtspiegeling, een utopie. Er is slechts één oplossing en die ligt in de handen van het proletariaat: een nieuwe wereld opbouwen, zonder klassen en zonder uitbuiting.
Tino / 28.03.07
Na alle ophef over de documentaire film van Al Gore “An Inconvenient Truth”, het Intergovernmental Panel on Climate Change eind januari te Parijs, was er de top van de EU in maart die zich boog over de klimaatsopwarming. Ze belijden allemaal luid en duidelijk hun wil te handelen om het natuurlijk milieu te beschermen en de toekomst van de komende generaties veilig te stellen. Nochtans, ondanks de vurige verklaringen eerder op de Aardetop in Rio (1992) of de resoluties van het protocol van Kyoto (1998) stijgt de vervuiling zienderogen en nemen de bedreigingen verbonden aan een ontregeling van het klimaat in omvang toe. Onmiskenbaar wekt de alarmklok voor het klimaat die nu geluid wordt heel wat onrust onder de bevolking en vooral bij jonge mensen die hun toekomst daardoor nog somberder inzien.
In de wirwar van verklaringen en misleidende campagnes blijven heel wat vragen, die onvermijdelijk rijzen, naar oorzaken, verbanden en oplossingen onbeantwoord.
Om dit overdenkingproces te stimuleren organiseert de IKS verschillende publieke bijeenkomsten om een werkelijk debat op gang te brengen. Dit was onder meer het geval in Brussel op 17 maart. Om de discussie op deze publieke bijeenkomst zo levendig en open mogelijk te maken vroegen we aan een jonge sympathisant of die de inleiding wilde houden. Heel enthousiast aanvaarde die het voorstel en de inleiding werd door de IKS en alle aanwezigen, waarvan zowat de helft jongeren, erg verwelkomt. De discussie op de bijeenkomst was zeer levendig onder meer door de actieve deelname van een ruim aandeel van de jongeren. De belangeloze en eerlijke inspanning van alle aanwezigen getuigde van een gemeenschappelijke bezorgdheid van de deelnemers om samen met de IKS deze zoektocht te ondernemen naar duidelijke argumenten en antwoorden. Zoals een deelnemer naar voor bracht: "Het zoeken naar de waarheid is belangrijker dan de waarheid zelf".
Niet alle onderwerpen konden echter behandeld worden, wat door sommige aanwezigen als frustrerend werd aangevoeld. Een positieve frustratie die getuigde van de honger naar meer die door het debat werd opgewekt! Afspraken voor een vervolg werden dan ook gemaakt.
Hieronder publiceren we de inleiding alsook de grote lijnen van het gevoerde debat.
Het is nu officieel: het VN-klimaatrapport zegt ons dat er op dit moment dreigende klimaatsveranderingen plaatsvinden die in de toekomst nog meer voelbaar zullen worden. Over de geloofwaardigheid van dit rapport kan gediscussieerd worden. Een artikel in EOS (Ongemakkelijke waarheden?, EOS, nr. 1, januari 2007), een maandblad over wetenschap en technologie, vertelt ons dat de gegevens waarop het Intergovernmental Panel on Climate Change, de onderzoeksgroep van de Verenigde Naties die de klimaatsveranderingen bestudeert, zich op onvoldoende en onvolledige gegevens baseert. Zeker is dat er belangrijke klimaatsveranderingen plaatsvinden en dat we ons kunnen verwachten aan de ergste rampscenario's: dieren, planten, hele ecosystemen zullen verdwijnen of verhuizen; droogte en hongersnood nemen toe; tijdens hittegolven zullen meer kinderen, ouderen en zieken sterven; in regio's die geteisterd zullen worden door stormen en intense regenval zullen nog meer slachtoffers vallen; ziektes zullen zich sneller verspreiden; indien de oceaanstromen stoppen kan het in West-Europa extreem koud worden; we kunnen miljoenen ecovluchtelingen verwachten; etc. Maar de bedoeling van de discussie die we vandaag zullen houden is niet om de klimatologie opnieuw uit te vinden, maar om over het maatschappelijke aspect te spreken, om stil te staan bij de propaganda van de heersende klasse.
- Zijn de klimaatsveranderingen de schuld van 'de mens' of van 'de mensheid', zoals het VN-klimaatrapport het ons voorschotelt? De krant De Morgen titelt: "Het is bijna zeker: het is onze schuld", waarmee ze verwijst naar het VN-rapport waarin staat dat 'de mens' zeer waarschijnlijk verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde door het gebruik van fossiele brandstoffen. 'De mensheid', wat betekent dit abstract begrip? Is dit het onnadenkende, egoïstische monster, dat niet op lange termijn kan denken, dat niet aan de volgende generaties denkt? Maar hebben wij hier, jij of ik, die wel bezorgd zijn over de toekomst, iets te zeggen over de manier waarop regeringen met dit probleem omgaan? Neen, volgens mij is de oorzaak niet 'de mens' of 'de mensheid'.
- Ligt de oorzaak van klimaatveranderingen dan bij de burger of met andere woorden het individu? We verbruiken te veel energie, te veel water, we rijden te veel met de auto. Dat is wat de media ons constant aanpraten. Is het aan elk individu om zijn consumptiegedrag of zijn energieverbruik aan te passen? Maar in de huidige maatschappij kan je enkel kiezen tussen een vervuilende en een minder vervuilende auto, tussen een minder dure, vervuilende verwarming en dure zonnepanelen. Waarom werkt men 's nachts en met de lampen aan i.p.v. overdag bij zonlicht? Neen, de schuld ligt niet bij het individu.
- Ligt de oorzaak dan bij de industrie? De industrie zelf is in wezen niet iets slechts. In de negentiende eeuw, met het kapitalisme in volle ontwikkeling, bloeide de industrie op, een bewijs van het toen vooruitstrevende karakter van het kapitalistische productiesysteem, aangezien de industrie ons voor het eerst in de geschiedenis de mogelijkheid bood te veel te produceren. Vanaf dat moment konden potentieel de basisbehoeften van alle mensen bevredigd worden.
- Of ligt de verantwoordelijkheid van de klimaatsveranderingen bij de kapitalistische maatschappij, bij het kapitalistische productiesysteem? Volgens mij ligt de werkelijke oorzaak van de klimaatsveranderingen inderdaad niet bij de 'destructieve aard van de mensheid', of bij het 'bewuste of onbewuste vervuilende gedrag van het individu', of tenslotte bij het productieapparaat als dusdanig, maar bij de manier waarop de industrie, de wetenschap en de techniek vandaag wordt gebruikt en ontwikkeld, dus bij het huidige productiesysteem. Want als de huidige technieken en wetenschappelijke inzichten ons de mogelijkheid bieden deze milieuramp te vermijden of zo veel mogelijk te beperken, waarom biedt de kapitalistische maatschappij ons die mogelijkheid dan niet?.
Kunnen we het probleem van klimaatsveranderingen oplossen binnen de huidige kapitalistische maatschappij, binnen de huidige economische, politieke en sociale structuren? Kan de staat dus of een vereniging van staten het probleem oplossen? Dat is de volgende vraag die we ons moeten stellen. Kan het kapitalisme bijvoorbeeld via haar politieke structuren, via de staat de mensheid redden? Ik betwijfel het. Vera Dua, voorzitter van Groen!, schreef in maart 2007 op de site van Groen!: "Er wordt amper minder CO2 uitgestoten dan in het beginjaar 1990. Terwijl nu al duidelijk is dat er in de periode na Kyoto nog veel zwaardere inspanningen zullen moeten volgen." Het is dus duidelijk: zelfs de bourgeoisie geeft toe dat haar 'revolutionaire' Kyoto-protocol niets uithaalt. En wat betekenen die 'zwaardere inspanningen' concreet? Meer betalen voor vuilniszakken, elektriciteit en water? Een deel van ieders loon afstaan 'voor het milieu'? Kunnen staten over de hele wereld zich verenigen over de grenzen heen en een blok vormen om deze ramp te voorkomen? Als de onderhandelingen tussen staten in hetzelfde tempo resultaten opleveren als op de recente EU- klimaattop, kunnen we het wel vergeten. In brede zin komt dit ecologisch probleem neer op de vraag of het kapitalisme de menselijke behoeften kan bevredigen, en dus ook een gezond milieu voor iedereen kan verzekeren. Indien ze zou bestaan om de menselijke behoeften te bevredigen zouden er niet tegelijk een overschot aan voedsel en hongersnood bestaan, zou men al lang milieuvriendelijke vervoersmiddelen gebruiken, zou men de wetenschap ontwikkelen voor andere doeleinden dan hoogtechnologische, uiterst vervuilende wapens.
De laatste en misschien belangrijkste vraag die dan te beantwoorden valt is: Welk alternatief dan voor de kapitalistische maatschappij, die de oorzaak lijkt te zijn van deze ecologische miserie? Het debat is open.
Verschillende deelnemers toonden met heel wat voorbeelden aan dat reeds met de huidige wetenschap en technologie inderdaad veel mogelijk is met veel minder schadelijke gevolgen. Zo werden onder meer opzienbarende projecten in verschillende werelddelen door een architectenbureau uit NY naar voor gebracht. Maar de discussie toonde al snel aan dat dergelijke experimenten vandaag enkel gerealiseerd worden als dit voldoende winst oplevert. In een aantal gevallen dienen de projecten enkel als imago van 'goodwill' of als prestigeproject om de slechte faam te verdoezelen van erg vervuilende bedrijven (vb Shell, Nike, Monsanto). Deze discussie maakte echter impliciet duidelijk, dat wetenschappelijk en technologisch gezien de kiemen voor een andere manier van produceren en leven aanwezig zijn. De aanwezigen waren het eens dat de enige grens om dit alternatief te realiseren die van het kapitalisme met zijn marktwetten is, niet de grenzen van de technologie of wetenschap.
Al snel draaide de discussie dan rond de vraag "Wat zijn de oorzaken dan?: de menselijke aard, het individu of het kapitalisme". Het Rapport van Parijs wijst de mens en het individu als consument aan als vervuiler: 'ieder deelt in de problematiek (auto, plasticzakken,verwarming,…)' zo wordt gesteld. Maar alles is geïndividualiseerd, opgebouwd volgens de wetten van de moordende concurrentie, en is dus niet individueel op te lossen, repliceren de aanwezigen. Dit rapport praat alleen een schuldgevoel aan.
Verschillende deelnemers probeerden aan te tonen dat de mens inderdaad zijn omgeving, de natuur modificeert, en de klimaatwijzigingen niet enkel een natuurlijk fenomeen zijn maar meer en meer veroorzaakt worden door de menselijke activiteit. Dat is niet nieuw. Vroeger kenden we de ontwikkeling van de veeteelt en de landbouw, de groei der grote steden, die massale ontbossing tot 60% van de wereldvoorraad met zich meebracht, vooral in de achttiende en negentiende eeuw. Maar indien vroeger de gevolgen beperkt bleven - hoewel veel ziektes erdoor kunnen verklaard worden - dan zijn die momenteel wereldwijd onmiskenbaar geworden op grote schaal. Wanneer het systeem bij het begin van de twintigste eeuw aan zijn vervalfase begint, neemt de vernieling van het natuurlijk milieu hele andere dimensies aan. Ze wordt genadeloos, net zoals de genadeloze strijd die de kapitalistische ratten met elkaar leveren om zich te handhaven op de wereldmarkt. De productiekosten tot het minimum herleiden om zo concurrentieel mogelijk te zijn wordt een onafwendbare regel om te overleven. In die context worden maatregelen om de industriële vervuiling in te dijken natuurlijk een onaanvaardbare meerkost. Het kapitalisme heeft zich nooit om het welzijn van de planeet noch van de mens bekommert maar met het historisch verval van het kapitalisme is het veel erger geworden en versnelt dit proces zich. De accumulatie van kapitaal is het hoogste doel van de kapitalistische productie en het lot dat de mensheid of het milieu beschoren wordt heeft geen belang... zolang het rendeert, is het goed. De rest is tenslotte 'quantité négligeable', een onbelangrijk detail.Een deelnemer citeerde in dit verband Marx: "Accumulatie om de accumulatie, productie om de productie, dat is het ordewoord van de politieke economie die de historische missie van de burgerlijke periode aankondigt. En ze heeft nooit stilgestaan bij de pijnen die het scheppen van rijkdom met zich meebrengt: waartoe zou dat gejammer dienen dat toch niets verandert aan de historische onafwendbaarheden?" (Karl Marx, Het Kapitaal - Boek I)
Een aspect dat eveneens uitvoerig aan bod kwam was of het ecologisch drama de motor kan zijn voor een groeiend bewustzijn op wereldvlak. Enerzijds argumenteerden sommigen dat de frustratie in positieve zin kan omgezet worden: "zo kan het niet verder, maar er zijn oplossingen". De ganse mensheid op wereldvlak is betrokken, er is een gezamenlijke vijand. Dus is er een breed draagvlak mogelijk voor het alternatief.
Maar, voerden anderen aan, de ideologische campagnes die nu met veel heisa gevoerd worden gaan de bewustwording dat het kapitalisme de oorzaak is tegen. Zij voorkomen dat het probleem van de klimaatwijziging nu in verband wordt gebracht met de andere grote rampen op wereldschaal: de honger, de oorlog, de vluchtelingenstroom, de ziektes, de overproductiecrisis. Met de campagnes rond de huidige dreiging probeert de bourgeoisie, net zoals ze dat deed met de atoomdreiging in de jaren 1950 tot 1990, de boodschap te verspreiden van: "schakel dit probleem uit en er is geen probleem meer", het kapitalistische productie-systeem met zijn imperialistische uitwassen en vernietiging wordt op zich niet in vraag gesteld. In feite wordt, paradoxaal genoeg, het probleem geëxploiteerd om offers te eisen, niet van de bourgeoisie maar van de arbeidersklasse. Allerlei vormen van soberheidsmaatregelen en van milieubelasting worden via slinkse trucs doorgevoerd (dikke truiendag, autoloze zondagen, fietsdagen, taks op oude auto's, op plasticzakken, op verwarming,…). Maar daar blijft het niet bij. De problematiek wordt ook gebruikt in de concurrentieslag met andere landen. Zo probeert men China ecologische normen op te leggen om de eigen markten te beschermen. Of in naam van de vervuiling militaire actie te rechtvaardigen zoals in Kosovo waar een belangrijke fabriek gesloten werd. Ook in het nucleair debacle zien we iedere staat zijn eigen belangen verdedigen, en helemaal geen algemeen plan van aanpak. Tenslotte werd ook nog aangehaald dat er zelfs sprake is van een soort van 'ramptoerisme'. Canada opent nieuwe uitwegen door het smelten van het ijs, allerlei firma's proberen winst te slaan via het commercieel etiket 'dit is ecologisch'.
De actieve deelname van het merendeel van de aanwezigen aan het debat bracht met zich mee dat er geen ruimte meer was voor een uitgebreide discussie over de alternatieven en duurzame oplossingen. De meeste waren het eens met de aard en de ernst van de problemen en ook met de globale analyse. Allen waren het bovendien eens dat een samenleving creëren waar de mens en zijn toekomst centraal staan een dwingende noodzaak is geworden. Probleem voor veel aanwezigen was dat ze niet goed zagen hoe te beginnen aan de omvorming van deze maatschappij. In de conclusie gaf de IKS enkele oriëntaties in dit verband en de aanwezigen vroegen een verdere discussie daarover te organiseren.
Lac / 09.04.2007
Nog maar net waren de 3000 afdankingen bij VW Vorst en de duizenden andere bij de toeleveringsbedrijven vastgelegd, waren de productiviteitsstijgingen en de loondalingen bij de 2200 arbeiders “die het geluk hebben om bij VW te mogen blijven” opgelegd of een nieuwe grootscheepse aanval werd ontketend in de automobielsector: 1400 ontslagen onder de 4500 arbeiders in de GM vestiging in Antwerpen. En steeds opnieuw, hetzelfde syndicale gekonkel om elke poging tot weerstand te ontkrachten en de arbeiders af te leiden van een reflectie over de ware betekenis van deze sociale catastrofe:
– het nationalisme: ze doen alles om de arbeiders van de verschillende vestigingen tegen elkaar op te zetten: “De Duitsers van Opel, de Britten van Vauxhall, de Zweden van Saab hebben het op een akkoord gegooid op de kap van de Belgen” (zie DM, 19.04.07);
– het corporatisme: gedurende jaren maakten de bonden de arbeiders wijs dat ze ‘de beste van de klas’ waren en dat GM Antwerpen de herstructureringsdans zou ontspringen indien ze hun eisen matigden en de flexibiliteit aanvaardden. Vandaag roepen ze diezelfde arbeiders op om te tonen dat ze de beste zijn door niet in staking te gaan maar nog harder te werken en om te vertrouwen op de vakbondsonder-handelaars voor het afdwingen van het “best mogelijk plan voor de fabriek”;
– het isolement: tijdens de staking bij VW Vorst nog, riepen de bonden op om afstand te houden van de ‘heethoofden’ van VW en om de solidariteit te beperken tot mooie woorden. Vandaag zetten ze duidelijk uit wat zij onder solidariteit verstaan, precies op dezelfde wijze als de bourgeoisie dat ziet: het verdelen van de offers in het belang van de economische wetmatigheden: “Hoopgevend is het dat het vakbondsfront van alle Opel-vestigingen de sluiting van een volledige fabriek heeft weten te voorkomen. [...] Alle vestigingen dragen een deel van de saneringsinspanning. Dat was helemaal niet zo bij VW Vorst, waar van grensoverschrijdende solidariteit geen sprake was” (H. Jorrissen, voorzitter van de Socialistische metaalvakbond, De Standaard, 18.04.07).
In werkelijkheid hebben patroons, vakbonden en regering gezamenlijk deze aanval gepland en ten uitvoering gebracht, door eerst de duizend afdankingen bij Gevaert erdoor te drukken, om vervolgens het ‘probleem’ VW aan te pakken, en dan tenslotte pas de arbeiders van GM te treffen, terwijl ze sedert maanden perfect op de hoogte waren van de bedoelingen van de internationale leiding van GM. Vandaag bundelen ze hun krachten om de arbeiders te overtuigen dat er niets te ondernemen valt tegen de ‘natuurlijke wetten van de economie’, om te verdoezelen hoezeer deze maatregelen precies de uitdrukking zijn van een steeds duidelijker wordend failliet van de kapitalistische productiewijze.
Terwijl de bourgeoisie genoodzaakt is ten gevolge van de economische impasse om steeds hardere aanvallen uit te voeren, vermenigvuldigen zich echter ook binnen de arbeidersklasse woede en strijdbaarheid. Arbeiders wachten niet langer op syndicale ordewoorden maar gaan spontaan in staking: bij het openbaar vervoer in Wallonië of in Brussel, bij de NMBS of de veiligheidsdiensten en de brandweerlieden op de luchthaven van Zaventem, en last but not least bij verschillende toeleveringsbedrijven van de Fordfabrieken in Genk, waar arbeiders spontaan in staking gingen, eerst bij SML (motoren), om vervolgens uit te breiden naar Lear (zetels), IAC (instrumentenborden) et TDS (losse stukken).
Over het algemeen haasten de bonden zich in de huidige periode om zulke bewegingen te erkennen om ze op die manier onder controle te krijgen. Bij de uiterst gespannen sfeer in de automobielsector echter, probeerden de bonden de spontane staking bij de toeleveraars meteen de kop in te drukken door de ‘onverantwoordelijkheid’ van de actie aan te klagen en cynisch te stellen: “Er is niet alleen het economische verlies voor Ford. Voor de fabriek dreigt ook imagoverlies” (H. Jorrissen, De Morgen, 18.04.07). De waakzaamheid en de zenuwachtigheid van de bourgeoisie en haar bonden valt te verklaren door het feit dat ze zeer goed weet dat het hier niet gaat om lokale, regionale of zelfs nationale problemen. Zoals de volgende tekst laat zien, regent het aanvallen in alle industrielanden en staan de bonden overal op de eerste rij om de ontwikkeling van de weerstand van de arbeiders te ondergraven.
Afdankingen, afschaffingen van betrekkingen, sluiting van bedrijven, toenemende bestaansonzekerheid, delocalisaties… Steeds meer loontrekkers ondergaan deze verschrikkelijke werkelijkheid van de versnelling van de kapitalistische crisis. Het zijn dezelfde aanvallen, in Europa voor de groep EADS-Airbus, bij Alcatel-Lucent, Volkswagen, Deutsche Telekom, Bayer, Nestlé, Thyssen Krupp, IBM, Delphi… Net als op het Amerikaanse continent, met Boeing, Ford, General Motors, Chrysler. Deze plannen, die voortaan op wereldschaal gemaakt worden, zijn steeds omvangrijker en treffen niet alleen meer de sectoren die niet meer mee kunnen of verouderd zijn, maar ook speerpuntsectoren zoals de luchtvaart, de informatica, de elektronica… Ze treffen niet alleen de kleine en middelgrote bedrijven maar breiden zich uit tot de grote groepsleiders van de industrie en hun onderaannemers. Ze beperken zich niet langer tot arbeiders aan de productielijnen maar nemen ook ingenieurs, commerciële kaders, de sectoren van het onderzoek in het vizier.
Elke staat, elke leider van een bedrijf weet heel goed dat deze toestand er toe leidt dat alle loontrekkers, van de privé zowel als van de openbare sector waar proletariërs precies hetzelfde lot ondergaan, zich steeds meer prangende vragen stellen over de toekomst die hun te wachten staat, en nog meer over de toekomst van hun kinderen. Het blijkt steeds duidelijker dat de loontrekkers van alle landen in dezelfde lekkende boot zitten. In deze niet eerder geziene context gaat de eerste zorg van de bourgeoisie er niet slechts naar uit om te proberen de meest gapende lekken in haar systeem te dichten maar ook om tijd te winnen, om te verhinderen dat de proletariërs zich bewust worden van deze werkelijkheid.
Dat is de reden waarom de vakbonden, die binnen het staatsapparaat de specifieke rol vervullen om de arbeidersklasse in te kapselen en te controleren, overal het voortouw nemen en het sociale terrein bezetten om het gras voor de voeten weg te maaien van iedere poging tot een verenigende mobilisatie van de arbeiders tegen deze massale en frontale aanvallen. Hun wezenlijke taak bestaat er vandaag uit om de controle te verkrijgen over de strijd, om de aanvallen te laten slagen door de onderlinge concurrentie en verdeeldheid tussen de arbeiders in stand te houden, per werkplaats, per locatie, per bedrijf, per sector, per land.
De vakbonden, de regering, de directie, heel de politieke klasse en de media hebben de aandacht toegespitst op de 10.000 arbeidsplaatsen die verloren gingen bij Airbus (dat tot dan toe voorgesteld werd als een ‘paradepaardje’) waar zij de manoeuvres hebben vermenigvuldigd om de verdeeldheid te organiseren onder de arbeiders, om hun woede te verbrokkelen en hun strijdbaarheid te laten verdampen.
Om te beginnen wilden de Franse vakbonden doen geloven dat ze niet op de hoogte waren van wat er op touw gezet werd, dat ze de werkgelegenheid en de belangen van de arbeiders zouden verdedigen. En dat terwijl ze gedurende maanden volledig betrokken waren bij het fameuze plan Power 8. In feite had de directie daarvoor een ‘stuurcommissie’ in het leven geroepen dat gevormd werd door de HRM (directie van de Personeelsdienst) en de vakbonden. Dit had juist tot doel om “zich voor te bereiden op elke sociale impact die haar maatregelen zouden kunnen hebben” (volgens een interne directienota van het bedrijf van Toulouse-Blagnac). De vakbonden hebben overal dezelfde taal gehanteerd, die van het minimaliseren van de aanval toen die werd voorbereid, en door de leugens van de directie en de betrokken staten volledig voor hun rekening te nemen. Vervolgens hebben ze de arbeiders van Méaulte, die twee dagen vóór de officiële aankondiging van het plan Power 8 spontaan in staking waren gegaan, het werk doen heropnemen. Zij beweerden dat de fabriek niet zou worden verkocht, terwijl de directie tezelfdertijd liet weten dat geen enkele beslissing over dit onderwerp was aangehouden.
Naar gelang de bijzondere situatie van iedere fabriek hebben de vakbonden de verdeeldheid georganiseerd, zoals in Toulouse: tussen de getroffen en de gespaarde sectoren. Sterker nog, gedurende maanden hebben ze er op gehamerd dat als Airbus in een dergelijke situatie terecht is gekomen dat ‘de schuld is van de Duitsers’. In Duitsland was het al net zo: ‘het is de schuld van de Fransen’. De vakbonden hebben niet opgehouden met het ophitsen van het ‘economisch patriottisme’. In een pamflet van 7 maart dat mede ondertekend was door FO-Metaal (vakbond met ruime meerderheid in Toulouse), de CFE-CGC (vakbond van de kaders) en de CFTC, verklaarden zij bijvoorbeeld: “Het belang van de Franse, lokale en regionale economie staat op het spel [...] Laten wij gemobiliseerd blijven [...] om Airbus te verdedigen, onze belangen, ons arbeidsinstrument, onze competenties en onze kennis ten dienste van de hele lokale, regionale en nationale economie.” Deze weerzinwekkende propaganda duwde de arbeiders in de richting van de concurrentielogica van het kapitaal. Dat was ook al aanwezig tijdens een mobilisatie van de vakbonden uit de verschillenden landen van Europa waar de bedrijven van Airbus zijn ingeplant: “Laten wij samen ons arbeidsinstrument verdedigen, als loontrekkers van Airbus, als onderaannemers van alle bedrijven van Airbus in Europa” (gemeenschappelijk pamflet van de vakbonden op 5 februari 2007).
Na de betogingen van 6 maart, hebben ze een Europees antwoord voor 16 maart voorgespiegeld en kondigden ze een grote betoging aan in Brussel, om deze vervolgens drie dagen tevoren af te gelasten en te vervangen door betogingen die nog altijd werden aangekondigd als ‘een Europese mobilisatiedag’, maar die beperkt bleven tot de arbeiders van Airbus, versplinterd over de verschillende lokale bedrijven. En de kers op de taart was te zien in Toulouse waar de vakbonden de arbeiders bij de ingang van de fabriek oppikten en in volgepropte bussen afvoerden naar een totaal verlaten verzamelpunt. Vervolgens lieten ze hen tot aan het kantoor van Blagnac marcheren waar ze werden opgewacht door een zee van tv-camera’s die ‘de gebeurtenis’ helemaal in de kijker zetten. Zodra ze daar waren aangekomen werden ze andermaal in de bussen gestouwd op weg naar de fabriek om het werk te hervatten (1).
Net zoals het geheel van de bourgeoisie hielden de vakbonden er niet aan vast om, in de context van aanvallen van alle kanten, een brede mobilisatie te zien van arbeiders op een Europese schaal, waarbij de arbeiders zouden samenkomen, elkaar ontmoeten, met elkaar discussiëren en hun ervaringen uitwisselen.
Er was voor de vakbonden evenmin sprake van dat de betoging in Parijs van de loontrekkers van Alcatel-Lucent tezelfdertijd zou plaatsvinden. Deze ging in tegen het herstructureringsplan van de groep die 12.500 arbeidsplaatsen gaat kosten, waarvan ten minste 3.200 in Europa tegen 2008. Ze werd voorgesteld als een Europese eenheidsbetoging maar er kwamen slechts 4.000 mensen opdagen. Ze waren afkomstig van alle getroffen Franse bedrijven, in het bijzonder uit Bretagne, maar ook uit de buurlanden, met uitsluitend symbolische vakbondsafvaardigingen van Spanje, Duitsland, Nederland, België en Italië. En die werden dan bedolven onder een woud van... Bretonse vlaggen op marsmuziek van de Bretonse doedelzak! In een reeks kleinere stakingen zoals bij Peugeot-Aulnay hebben de vakbonden de arbeiders meegesleurd in een lange uitputtingsslag rond loonsverhogingen. Terwijl in de Renaultfabriek van Le Mans, 150 arbeiders door de CGT werden meegesleurd in een staking die heel erg beperkt bleef, rond een nieuw flexibiliteitcontract dat door de andere vakbonden was goedgekeurd. Wanneer men weet dat zowel PSA als Renault op hun beurt binnenkort ontslagplannen bekend zullen maken, merkt men dat het werkelijke doel van deze vakbondsstakingen en -acties is om de arbeidersstrijdbaarheid af te matten om deze aanvallen er gemakkelijker door te drukken. Dat was net zo bij de zoveelste actiedag, waartoe de leerkrachten op 20 maart werden opgeroepen. Ook daar was het doel hen uit te putten om hen vervolgens gemakkelijker alle aanvallen op te leggen waarvan zij het doelwit zijn.
De arbeiders hebben geen enkel gemeenschappelijk belang te verdedigen met hun bourgeoisie. In tegendeel, de toestand dwingt hen er toe, te erkennen wat hun gemeenschappelijke belangen zijn tegenover dezelfde (massale en gelijktijdige) aanvallen waarmee ze overal geconfronteerd worden. Een dergelijke situatie begunstigt de ontwikkeling van in-vraag-stelling en nadenken. Daaruit vloeien op hun beurt, op steeds duidelijker wijze, de behoeften voort aan uitbreiding van de strijd, aan eenheid en solidariteit in de schoot van het proletariaat. Deze vormen de sleutel van de toekomstige strijd. Zelfs indien de vakbonden er op dit ogenblik in slagen om zonder zichtbare hindernissen hun sabotage-, verdeel- , isolerings- en opsluitingsmanoeuvres van de proletariërs door te drukken, zijn ze er toe gedwongen worden om zich steeds openlijker ongeloofwaardig te maken in de ogen van de arbeidersklasse. Het is vandaag dat de voorwaarden rijpen die het morgen de strijdende arbeiders mogelijk maken om samen te discussiëren, bij elkaar te komen, om hun ervaringen uit te wisselen, om zich buiten de vakbonden om en over de nationale grenzen heen te organiseren.
Wim / 24.03.2007
(1) De volgende dag titelde Libération (17 maart): Ongeziene radicalisering tegen de directie van vliegtuigbouwer Airbus: de loontrekkers van alle landen hebben zich verenigd.
Welke houding in te nemen tegen de oorlog? Vele tijdschriftartikels; discussies op websites en in discussiekringen; uiteenlopende verklaringen en een bonte menigte anti-oorlogsmanifestanten laten zien dat velen zich momenteel die vraag stellen en geschikte antwoorden zoeken. In deze zoektocht wordt het verband gezocht tussen de oorlogen en hun oorzaken, om de schuldigen te veroordelen en de oorlog uit te bannen. Maar hoe de oorlogshysterie een halt toeroepen, met wie, tegen wie?
De IKS stelt, net als steeds meer andere groepen en individuen, dat deze oorlogen veroordeeld moeten worden vanuit een internationalistisch standpunt: we hoeven niet te kiezen tussen de pest en de cholera, geen partij te kiezen tussen de oorlogsvoerende partijen. Hoe klein ook, momenteel verdedigen ze alle imperialistische belangen, ze zijn pionnen in het schaakspel van het kapitaal in doodscrisis. Alleen als het kapitalisme vernietigd wordt kan de imperialistische oorlog voorgoed uitgebannen worden.
Naar aanleiding van een discussie tussen enkele jongeren rond de anti-oorlogsmanifestatie tegen de Amerikaanse inval in Irak eerder dit jaar hield de IKS een Publieke Bijeenkomst in Antwerpen rond dit thema. We nodigden de jongeren in kwestie uit en gingen in de inleiding uit van hun vraagstelling. In dit kort artikel halen we eerst de voornaamste punten aan uit de oproep van een van hen en vervolgens ook uit de reactie hierop van een ander. Verder gaan we wat nader in op de thema’s die werden aangestipt in de uitgebreide discussie op deze bijeenkomst.
Oproep:
Aanstaande zondag is er de klassieke vredesbetoging (een soort van herdenking voor de illegale invasie van de VS in Irak, als een invasie al legaal kan zijn). Wel u kan zeggen, deze betoging haalt toch niets uit. U hebt waarschijnlijk gelijk, maar het is gewoon een democratische plicht om op de straat te komen tegen malafide zaken in de wereld. Het zijn de grote ontvoogdingsstrijden en emancipatiebetogingen [...] die de wereld ten gunste veranderden (en geen invasie in Irak, Afghanistan of Somalië). Libanon werd kapotgeschoten, maar toch verloor Israël, de gewone bevolking van zowel Libanon als Israël betaalt weer het gelag van de imperialistische honger.
Afghanistan is er ook niet beter af dan na de Amerikaanse inval. De Taliban werd gewoon even opzij geschoven om Osama Bin laden niet te vinden. nu controleert de Taliban terug delen van Afghanistan en is de opiumteelt de enige bron van inkomsten voor een door de wereld vernietigd land. geen wonder dat de bevolking er zich tot het extremisme bekeert.
Het is onze taak, als jongelingen, om niet hypocriet mei 1968 nostalgisch staan te wezen, maar zelf een mondiaal verzet te bieden tegen het oorlogsgeweld dat de wereld in een sociale en ecologische crisis stort. Ben je nu groen, sociaal-democraat, liberaal, socialist, communist, anarchist, of gewoon jezelf, de wereld heeft u nodig. [...]. Een andere wereld is mogelijk!
Discussie over de inhoud van de mail en betoging is welkom en nodig.
Reactie:
Deze oproep om mee te protesteren tegen de oorlog in het Midden-Oosten is eerlijk/oprecht/gemeend! Ik steun deze oproep en zal zelf naar de betoging gaan!
Twee opmerkingen:
– We moeten wel zeer kritisch zijn tegenover de politieke partijen en organisaties die zullen meestappen in de betoging, omdat deze laatste niet per sé tegen de oorlog en de sociale miserie in de regio zijn, maar vaak hun eigen economische, imperialistische, militaire, politieke en strategische belangen verdedigen. Wie steunt, financiert, bewapent immers de terroristische organisaties in deze landen, organisaties die in feite relatief klein zijn tegenover het VS-leger? Want het is bijv. bekend dat de Verenigde Staten de Taliban zelf opleidden om mee te vechten tegen het Russisch blok tijdens de Koude Oorlog. Het is bekend dat Frankrijk en België een belangrijke rol speelden in de bewapening van milities in Rwanda. Waar halen de terroristen van vandaag hun kracht vandaan? Welke grootmachten staan achter deze groepen? Zij die (onder bedekte termen) terroristische organisaties verdedigen, omdat zij zogezegd 'vrijheidsstrijders' zijn, omdat zij de zwakken zijn tegenover de sterke Verenigde Staten, doen in feite mee aan de oorlog. Terroristen zijn en blijven massamoordenaars en wakkeren mee de onmenselijke chaos aan die vandaag in het Midden-Oosten heerst! Welk kamp verdedigen deze goedpraters van terroristen?
– De Golfoorlog in 1991 was goedgekeurd door de VN en dus 'legaal', maar het spreekt de 100.000den doden niet goed. Al zou deze oorlog 'legaal' zijn, al zou Irak nucleaire wapens hebben gehad (die hebben de Verenigde Staten, Frankrijk, Israël, India, Pakistan, Noord-Korea, het Verenigd Koninkrijk... toch ook?), dan zie ik nog niet in wat er aan deze oorlog te verdedigen valt.
Genoeg stof tot discussie dus.
Tegen oorlog! Tegen terrorisme! Tegen elk nationalisme!
Voor de Vrede! Voor het internationalisme!
Na een korte inleiding rond de kernpunten van deze bijdragen ontspon zich een uitgebreide discussie vooral rond volgende thema’s:
– Is de oorlog een product van de slechte inborst van leiders? Het kapitalisme is een onmenselijk systeem en kan dus alleen onmenselijke leiders voortbrengen die het ten koste van alles zullen verdedigen. Het systeem is immers gebaseerd op winstbejag en de uitbuiting van de arbeidersklasse. De bloedige imperialistische botsingen tussen de concurrerende naties voor economische en strategische belangen is het onvermijdelijk antwoord van alle machthebbers.
– Wat zijn de werkelijke oorzaken van de huidige oorlogen? Deze vraag sloot direct bij de voorgaande aan want kapitalistische oorlogen spelen zich af temidden van een bikkelharde concurrentiestrijd op een oververzadigde wereldmarkt. Sinds het begin van de vervalperiode van het kapitalisme zijn alle landen, groot of klein, imperialistisch geworden omdat de hele wereldbol kapitalistisch is geworden. En ze proberen elkaars markten en grondstoffen in te pikken. Door deze economische crisis met al zijn menselijke drama’s en ellende die blijft voortwoekeren, blijven de conflicten aanslepen en ontstaan er steeds nieuwe. In de huidige periode ontaarden zij steeds meer in louter strategische botsingen tussen imperialistische staten.
– Waarom viel de Verenigde Staten Irak binnen? Voor grondstoffen of uit strategisch belang? De inval in Irak en de oorlog in de Balkan en Afghanistan tonen heel concreet en duidelijk aan wat boven besproken werd en dat de oorlogen in de huidige periode elke rationaliteit verloren hebben. Waar blijven de winsten voor de landen die aan deze oorlogen deelnemen? Het gaat in de huidige periode van verval en ontbinding van het kapitalisme vooral nog om strategische belangen al was het maar om het gras voor de voeten van de concurrenten weg te maaien zonder er zelf onmiddellijke winst bij te halen.
– Waarom zijn er nu geen duidelijke imperialistische blokken, zoals tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog of zoals ten tijde van de Koude Oorlog? Het is waar dat er nu geen directe dreiging is van een wereldoorlog, waarbij blokken gevormd worden, maar dat is een gevolg van het feit dat wij leven in een periode waarin noch de bourgeoisie (wereldoorlog) noch de arbeidersklasse (wereldrevolutie) er in slaagt om hun antwoord op de problemen door te zetten. Wij zitten in een soort patstelling die de IKS de ontbindingsfase van het kapitalisme noemt en waarbij de kapitalistische maatschappij ter plekke wegrot. Het perspectief van de revolutie kan ook in deze fase wegzinken in het drijfzand als de arbeidersklasse niet bewust gaat strijden voor haar eigen ontvoogdingsperspectief.
In een tweede deel van de discussie over hoe de oorlogsspiraal te doorbreken, en door wie, waren het vooral de volgende thema's die aan bod kwamen:
– Kan het pacifisme de oorlog beëindigen? De geschiedenis heeft duidelijk bewezen dat geen enkele pacifistische actie of manifestatie heeft bijgedragen tot het voorkomen of beëindigen van de oorlog. Noch de deserties, noch de sabotagedaden, noch de drie miljoen betogers in Groot-Brittannië hebben Blair & Co er van weerhouden om toch, met de Verenigde Staten, Irak binnen te vallen. Als voorbeeld werden ook de vruchteloze betogingen voor de Eerste Wereldoorlog en de tonnen petities voor de Tweede Wereldoorlog aangehaald. Pas toen de arbeidersklasse in opstand kwam werd de oorlog beëindigd, bijvoorbeeld door de revolutionaire golf van 1917-1923. Als de arbeidersklasse zich niet als alternatief opwerpt wordt elke oorlog tot het bittere einde uitgevochten zoals de Tweede Wereldoorlog illustreert met de totale vernietiging van Duitsland en Japan of zoals Afghanistan en Irak nu.
– Waarom komen er niet meer mensen op de been terwijl het zo belangrijk is voor het overleven van de mensheid? Staan de arbeidersklasse en de bourgeoisie dan zo verschillend tegenover de oorlog? Dat was inderdaad de hamvraag die verbonden is met het inzicht dat geen enkel deel van de bourgeoisie, hoe 'humaan' of goedbedoelend ook, verder kan gaan dan medelijden met oorlogsslachtoffers. Als deel van de kapitalistenklasse moeten zij het winstbejag en het voortbestaan van het kapitalisme verdedigen en dat betekent onvermijdelijk het op de spits drijven van de concurrentie en de gewapende confrontatie met andere naties aangaan. De arbeidersklasse van haar kant is niet alleen slachtoffer van deze oorlogen, maar door haar collectief karakter als klasse die geen specifieke belangen heeft bij het voortbestaan van dit systeem, draagt haar verzet het alternatief in zich van een andere maatschappij gebaseerd op de menselijke behoeften. Alleen wereldwijde arbeidersstrijd kan een eind maken aan de voortdurende oorlogsdreiging van alle imperialistische machten die in het kapitalisme over de mensheid hangt. Oorlog kan enkel gestopt worden door de vernietiging van het kapitalistisch systeem!
Met dit perspectief moest de discussie, hoewel ver van uitgeput, voorlopig beëindigd worden.
Lac & K.Stof
De gebeurtenissen van Juli 1917 in Petrograd, die bekend staan als de 'Julidagen', vertegenwoordigen één van de meest markante episoden uit de Russische Revolutie. Temidden van de gisting onder de arbeiders begin juli 1917, bleek de partij van de bolsjewieken inderdaad in staat te voorkomen dat het aan gang zijnd revolutionair proces uitliep op een tragische nederlaag als gevolg van een voorbarige krachtmeting geprovoceerd door de burgerlijke krachten. De lessen die we heden nog kunnen leren uit deze gebeurtenissen zijn fundamenteel voor de strijd van het proletariaat op weg naar zijn bevrijding!
De gebeurtenissen van Juli 1917 in Petrograd, die bekend staan als de 'Julidagen', vertegenwoordigen één van de meest markante episoden uit de Russische Revolutie. Temidden van de gisting onder de arbeiders begin juli 1917, bleek de partij van de bolsjewieken inderdaad in staat te voorkomen dat het aan gang zijnd revolutionair proces uitliep op een tragische nederlaag als gevolg van een voorbarige krachtmeting geprovoceerd door de burgerlijke krachten. De lessen die we heden nog kunnen leren uit deze gebeurtenissen zijn fundamenteel voor de strijd van het proletariaat op weg naar zijn bevrijding.
De Februariopstand leidde tot een situatie van dubbele macht: die van de arbeidersklasse, georganiseerd in sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden, en die van de bourgeoisie, vertegenwoordigd door de Voorlopige Regering ondersteund door de mensjewistische en sociaalrevolutionaire 'verzoeners', met name binnen het Uitvoerend Comité dat door de Sovjets was gekozen (1). Deze situatie van dubbele macht werd, met de ontwikkeling van de revolutie, volslagen onhoudbaar.
In slaap gewiegd en voorzien van ijdele hoop door nooit gehouden beloften van de mensjewistische en sociaalrevolutionaire demagogen over de vrede, over 'oplossing voor het landbouwvraagstuk', over de toepassing van de achturendag, enz. begonnen de arbeiders van vooral Petrograd zich er rekenschap van te geven dat het Uitvoerend Comité van de sovjets op geen enkele wijze tegemoet kwam aan hun eisen en verlangens. Zij begonnen bovendien te begrijpen dat het Uitvoerend Comité integendeel diende als dekmantel waaronder de Voorlopige Regering haar doel kon bereiken. Op de allereerste plaats bestond dat uit het herstel van de orde in het achterland en aan het front om in staat te zijn de imperialistische oorlog voort te zetten. De arbeidersklasse, in zijn radicaalste bolwerk Petrograd, voelde zich steeds meer bedrogen, voor de gek gehouden, verraden door dezelfden aan wie ze de leiding van de raden had toevertrouwd. Hoewel nog verward, begon de voorhoede van de arbeidersklasse het werkelijke vraagstuk te stellen : wie oefent werkelijk de macht uit, de bourgeoisie of het proletariaat. De radicalisering van de arbeiders begint zich midden april door te zetten na een provocerende nota van de liberale minister Miljoekov waarin nogmaals werd bevestigd dat Rusland er zich met de geallieerden toe verbond de imperialistische oorlog voort te zetten. Reeds getergd door alle soorten van ontberingen antwoordden de arbeiders en soldaten onmiddellijk met spontane demonstraties en massale bijeenkomsten in de wijken en de bedrijven. Op 20 april dwingt een gigantische manifestatie het ontslag van Miljoekov af. De bourgeoisie moet (tijdelijk) terugwijken met haar oorlogsplannen. De bolsjewieken zijn buitengewoon actief in deze proletarische gisting en hun invloed groeit onder de arbeidersmassa's. De radicalisering van het proletariaat vindt vooral plaats rond de slogan die Lenin in zijn Aprilstellingen naar voren had gebracht: "Alle macht aan de Sovjets", wat, in de maanden mei en juni, het streven van de arbeidersmassa's wordt. De hele maand mei kwam de bolsjewistische partij steeds meer naar voren als de enige partij die zich daadwerkelijk inzette aan de kant van de arbeiders. In alle hoeken van Rusland vindt een koortsachtige organisatieactiviteit plaats als teken van de revolutionaire gisting. Heel het werk van uitleg en betrokkenheid van de bolsjewieken voor de macht van de sovjets komt bovendien tot uiting op de Conferentie van industriearbeiders in Petrograd doordat deze fractie van het proletariaat, de meeste strijdbare, hen eind mei de meerderheid verschaft in de fabriekscomités. De maand juni is er een van intense politieke propaganda die op de 18e spectaculair uitloopt in een gigantische manifestatie. Oorspronkelijk bijeengeroepen door de mensjewieken om de Voorlopige Regering te ondersteunen, die net besloten had tot een nieuw militair offensief, en door het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd die nog door hen beheerst wordt, keert de manifestatie zich tegen de 'verzoeners'. De betoging neemt in overgrote meerderheid de bolsjewistische slogans over: "Weg met het offensief!", "Weg met de kapitalistische ministers!", "Alle macht aan de Sovjets!".
Terwijl het nieuws van de mislukking van het militair offensief de hoofdstad bereikt en daar het revolutionair vuur aanwakkert, is daar in de rest van het land nog geen sprake van. Om het hoofd te bieden aan een zeer gespannen situatie probeert de bourgeoisie in Petrograd een voortijdige revolte te provoceren teneinde de arbeiders en de bolsjewieken te verpletteren en de schuld van de mislukking van het militair offensief aan het proletariaat van de hoofdstad te geven dat "een mes in de rug" zou hebben gestoken van degenen die aan het front stonden.
Zo'n manoeuvre is mogelijk omdat de voorwaarden voor de revolutie nog niet rijp zijn. Hoewel de arbeiders en soldaten overal in het land ontevreden zijn, bereikt dat zeker niet dezelfde diepte en reikwijdte als in Petrograd. De boeren hebben nog vertrouwen in de Voorlopige Regering. Onder de arbeiders zelf, ook die van Petrograd, heerst het idee dat de macht niet moet worden overgenomen, maar dat de 'socialistische' leiders met kracht gedwongen moeten worden deze "werkelijk in handen te nemen". Het is zeker dat met een verpletterd proletariaat in Petrograd en met een gedecimeerde bolsjewistische partij het zo onthoofde proletariaat in Rusland binnen korte tijd in zijn geheel zou zijn overwonnen.
Petrograd bruist. De mitrailleurs die met de matrozen van Kroonstad binnen het leger de meest vooroplopende vleugel vormen van de revolutie willen onmiddellijk tot actie overgaan. De stakende arbeiders gaan rond langs de regimenten en nodigen hen uit om de straat op te gaan en bijeenkomsten te organiseren. In dat verband kon de bourgeoisie gemakkelijk een aantal 'gepaste' maatregelen nemen om de revolte in de hoofdstad te laten uitbreken. Zo neemt de partij van de cadetten de beslissing om vier ministers uit de Voorlopige Regering terug te trekken teneinde de leuze van de onmiddellijke macht aan de Sovjets onder de arbeiders en soldaten opnieuw ingang te laten vinden. En inderdaad betekende de weigering van de mensjewieken en sociaalrevolutionairen om de slogan "Alle macht aan de Sovjets" te onderschrijven, die ze tot dan toe met de mond hadden beleden onder het voorwendsel samen te werken met de vertegenwoordigers van de 'democratische bourgeoisie', dat er geen enkel gesprek meer mogelijk was. Bovendien, naast andere provocaties, dreigt de regering ermee om de revolutionaire regimenten van de hoofdstad onmiddellijk naar het front te sturen. In enkele uren komt het proletariaat van heel de stad op de been, verenigd onder de slogan "Alle macht aan de Sovjets".
Het is trouwens vanaf de betoging van 18 juni dat de bolsjewieken de arbeiders al publiek waarschuwden tegen een voorbarige actie. Omdat ze echter meenden dat het niet mogelijk zou zijn de beweging te doen stoppen, besloten ze haar te steunen en zich aan het hoofd ervan te plaatsen, maar aan de bewapende betoging van 500.000 arbeiders en soldaten een "vreedzaam en georganiseerd karakter" te geven. De avond zelf gaven de arbeiders zich rekenschap van de tijdelijke impasse van de situatie, verbonden met de onmiddellijke onmogelijkheid om de macht te grijpen. De volgende dag volgen ze de bolsjewistische ordewoorden en blijven ze thuis. Dan komen in Petrograd de 'verse' troepen aan die de bourgeoisie en haar mensjewistische en sociaalrevolutionairen handlangers komen bijstaan. Om hen dadelijk tegen het bolsjewisme 'in te enten' worden ze met geweerschoten onthaald door gewapende provocateurs van de bourgeoisie die als 'bolsjewieken' voorgesteld werden. Dan begint de repressie. De jacht op de bolsjewieken is open. Ze wordt door de bourgeoisie in het teken geplaatst van een campagne die hen ervan beschuldigt Duitse agenten te zijn om de troepen tegen de arbeiders op te zetten. Het resultaat is dat Lenin en andere bolsjewistische leiders moeten onderduiken, terwijl Trotski en anderen aangehouden worden. "De klap die de massa's en de partij in juli te verwerken krijgen is zeer zwaar. Maar de klap is niet beslissend. Slachtoffers vielen er met tientallen, maar niet met tienduizenden. De arbeidersklasse doorstond de beproeving zonder onthoofd te worden of leeg te bloeden. Ze behoudt volledig haar strijdkaders, en die kaders hadden veel geleerd." (2).
Tegen de campagnes van de bourgeoisie van nu die de Oktoberrevolutie 17 voorstellen als een bolsjewistisch complot tegen de 'jonge democratie' die ingesteld werd door de Februarirevolutie en tegen de al even democratische partijen die toen aan de macht kwamen, cadetten, sociaalrevolutionairen en mensjewieken, zorgen de gebeurtenissen van juli op zich al voor een ontkrachting van die stelling. Ze tonen duidelijk dat de complotsmeders juist die democratische partijen waren, in samenwerking met andere reactionaire sectoren van de Russische politieke klasse, en met de bourgeoisie van de met Rusland geallieerde imperialistische landen, om te proberen het proletariaat een beslissende slag toe te brengen.
Juli 1917 toonde ook dat het proletariaat zich vóór alles moet hoeden voor partijen die vroeger proletarisch waren en die verraad gepleegd hebben, en dat het dus zijn illusies in die partijen moet opgeven. Zo'n illusie woog nog zwaar op de arbeidersklasse tijdens de julidagen. Maar deze ervaring heeft definitief duidelijk gemaakt dat de mensjewieken en sociaalrevolutionairen onherroepelijk naar de contrarevolutie overgelopen waren. Vanaf half juli trekt Lenin duidelijk deze les : "Na 4 juli haalt de contrarevolutionaire bourgeoisie, die opstapt met de monarchisten en de Zwarte Honderd, gedeeltelijk door intimidatie de sociaalrevolutionaire en mensjewistische kleinburgers aan haar zijde en zij vertrouwt de effectieve staatsmacht toe aan de cavaignacs, aan de militaire kliek die de weerspannigen aan het front fusilleert en de bolsjewieken afslacht in Sint-Petersburg." (3).
De geschiedenis toont dat een geduchte tactiek van de bourgeoisie tegen de beweging van de arbeidersklasse erin bestaat voorbarige confrontaties uit te lokken. In 1919 en 1921 in Duitsland was het resultaat een bloedige onderdrukking van het proletariaat. Als de Russische revolutie er het enig groot voorbeeld van is hoe de arbeidersklasse in staat was zo'n valstrik en een bloedige nederlaag te vermijden, is dat vooral omdat de bolsjewistische klassepartij haar beslissende rol van voorhoede, van politieke leiding van de klasse kon vervullen.
De bolsjewistische partij was ervan overtuigd dat het haar verantwoordelijkheid is voortdurend de krachtsverhouding tussen beide vijandelijke klassen te analyseren, om in staat te zijn op elk moment van de ontwikkeling van de strijd correct te kunnen tussenkomen. Zij weet dat het van cruciaal belang is de aard, strategie en tactiek van de vijandelijke klasse te bestuderen om haar manoeuvres te kunnen identificeren, begrijpen en er het hoofd aan te bieden. Zij is doordrongen van het marxistisch inzicht dat de revolutionaire machtsgreep een soort kunst of wetenschap is en zij is zich er volmaakt van bewust dat een opstand op het verkeerde moment even fataal is als de mislukking van een poging tot machtsgreep die op het juiste moment gebeurt. Het diepe vertrouwen dat de partij heeft in het proletariaat en in het marxisme heeft, haar vermogen te steunen op de kracht die beide historisch vertegenwoordigen, stellen haar in staat met overtuiging op te komen tegen de illusies in de arbeidersklasse. Ze laten haar ook toe de druk van anarchisten en "gelegenheidsvertolkers van de verontwaardiging van de massa's" zoals Trotski ze noemt (2) terug te drijven die, geleid door hun kleinburgerlijk ongeduld, de massa's opjutten met het oog op onmiddellijke actie.
Maar wat ook beslissend was in die julidagen, was het diepe vertrouwen van de Russische arbeiders in hun klassepartij, die deze laatste in staat stelde in de klasse tussen te komen en zelfs de rol van leiding op zich te nemen, al was het voor iedereen duidelijk dat de partij noch hun onmiddellijke doel, noch hun illusies deelde.
De bolsjewieken boden het hoofd aan de repressie die op 5 juli begon, zonder enige illusie in de democratie en zich met hand en tand verzettend tegen de laster waar ze het voorwerp van waren. Vandaag, 80 jaar later, is de bourgeoisie niet van aard veranderd, maar is ze integendeel nog meer ervaren en cynisch geworden. Met dezelfde 'logica' voert ze vandaag een campagne tegen de Kommunistische Linkerzijde zoals die welke ze in juli 1917 tegen de bolsjewieken ontplooide. In juli 17 wou ze doen geloven dat de bolsjewieken, die weigerden de Entente te steunen, niet anders dan aan de Duitse kant konden staan ! Vandaag wil ze het idee ingang doen vinden dat als de Kommunistische Linkerzijde weigerde het 'antifascistisch' imperialistisch kamp te steunen in de tweede wereldoorlog, dat was omdat zij, en haar opvolgers vandaag, aan de kant van de nazi's staan. Revolutionairen die vandaag de betekenis van dergelijke campagnes tegen hen onderschatten, die enkel komende pogroms voorbereiden, moeten nog veel leren van de ervaring van de bolsjewieken die na de julidagen hemel en aarde bewogen hebben om hun reputatie in de arbeidersklasse te verdedigen.
Gedurende die beslissende dagen stelde de actie van de bolsjewistische partij de opkomende revolutie in staat de valstrikken uitgezet door de bourgeoisie te ontlopen. Zij heeft niets te maken met de uitvoering van een plan dat vooraf bedacht werd door een generale staf die buiten de arbeidersklasse staat, zoals de bourgeoisie meestal voorhoudt wanneer ze het over de Oktoberrevolutie heeft. Ze is integendeel het werk van een levende uitdrukking van de arbeidersklasse. Drie maanden eerder bevond de bolsjewistische partij zich in een toestand van diepe ontreddering tegenover de situatie omdat ze niet begreep dat de Februarirevolutie de machtsgreep door de arbeidersklasse aan de orde van de dag plaatste in Rusland. Nadat ze zich een duidelijke oriëntatie gaf, was ze in staat, steunend op haar eigen ervaring en die van heel de arbeidersbeweging, haar verantwoordelijkheden op te nemen.
KB
(1) Zie Internationalisme, nr. 330 en 331.
(2) Trotski, Geschiedenis van de Russische revolutie.
(3) Lenin, Over ordewoorden, in Volledige Werken, deel 25.
We publiceren hieronder een brief van een lezer uit Brazilië die sympathiseert met het beleid gevoerd door Chavez (en Lula) ten gunste van de meest noodlijdende bevolkingslagen. Die sympathiebetuigingen aan het adres van het chavisme worden steeds maar talrijker, zoals we kunnen merken op onze publieke bijeenkomsten en in de forums waaraan we deelnemen. Ze drukken een reële bekommernis uit met de situatie van verpaupering die de meest noodlijdende lagen ondergaan (waaronder miljoenen proletariërs) en de verwerping van de vreselijke imperialistische politiek van de Verenigde Staten. Velen zien Chavez en zijn ‘socialisme van de 21e eeuw’ als een redmiddel om uit de armoede te geraken en het ‘yankee-imperialisme’ te verzwakken. In ons antwoord proberen we aan te tonen dat de ‘verschijnselen’ als Chavez, Lula, Evo Morales en Correa. enkel uitingen zijn van het aan de macht komen van fracties van de Zuid-Amerikaanse bourgeoisie die in staat zijn te ‘surfen’ op de thema’s van ‘sociaal links’ en op de wil tot verandering bij de bevolking en de nadruk te leggen op werkonzekerheid en verpaupering.
Als bewoner van het Zuid-Amerikaans continent bekijk ik met wantrouwen alle kritiek die van links zowel als rechts geuit wordt op het chavisme. Chavez (net als Lula in Brazilië) is een leider afkomstig uit de laagste economische klassen en hij geeft daarvan ook blijk, zowel in woorden als in daden; hij verlangt een betere situatie voor de meest noodlijdende en voor de middenklasse in Venezuela. Hij heeft het hoofd geboden aan een burgerlijke staatsgreep en hij is gedragen door het volk teruggekeerd in de regering. Of hij nu populistisch is of niet heeft geen belang omdat hij de dromen van zijn volk verwezenlijkt. Tot nu toe is het grootste deel van zijn beleid zeer samenhangend geweest en bijzonder moedig. De confrontatie aangaan met de wereldreus is een gevecht van David tegen Goliath en dat is geen gemakkelijke zaak. Andere recente leiders van het continent reiken hem de hand: Evo Morales en Raphael Correa. China drijft aanzienlijk zijn betrekkingen op met Venezuela. Trek dus maar jullie conclusies.
Groeten !
F.
Beste F.
Het klopt dat Chavez in zijn redevoeringen zegt dat hij “een betere situatie verlangt voor de meest noodlijdende en de middenklasse in Venezuela” (en dat geldt ook voor andere staatsleiders zoals Lula, Morales, Correa, en zelfs voor die ‘duivel’ van een Bush, elk voor de eigen bevolking). Maar in de praktijk moeten we vaststellen dat er een steeds grotere kloof gaapt tussen redevoeringen en werkelijkheid. Achter de sluikse propaganda van het chavisme (zowel in binnen- als buitenland) die de ‘successen’ van de ‘bolivariaanse revolutie’ voor de armen ophemelt, bestaat er in werkelijkheid een toenemende verpaupering van de proletariërs en van de meest noodlijdende lagen, de middenklasse daarbij inbegrepen. En dat terwijl de nieuwe elite van het chavisme rijkelijke inkomsten opstrijkt (vaak meer dan tienduizend dollar per maand, tot vijftig keer het minimumloon dat een arbeider verdient) en ze gouden zaakjes doet met de weldaden van de olierente die nu in haar schoot valt.
Die kloof tussen redevoering en praktijk is niet eigen aan het chavisme, maar ligt aan de basis van het schijnheilig gedrag dat kenmerkend is voor de heersende klasse tegenover de uitgebuite massa’s, die ze onder controle moet houden door bij hen de hoop te wekken dat het mogelijk is hun armoedige toestand te boven te komen zonder aan de grondvesten van het kapitalistisch systeem te raken. Daarom heeft de chavistische folklore de natuurlijke tendens van het kapitalisme tot concentratie van de rijkdom in weinige handen en het veroordelen van een steeds groeiende bevolkingsmassa tot leven in volstrekte armoede niet doen verdwijnen maar is ze er in tegendeel in geslaagd die tendens verder te zetten.
We moeten de rol verduidelijken van Chavez als leider “afkomstig uit de laagste economische klassen”. Het feit dat een leider of een regering voortkomt uit het ‘volk’ of zelfs uit het proletariaat betekent zeker niet dat deze automatisch een ‘verdediger van de meest ontberenden’ is en dus niet gerekend zou moet worden tot de heersende klasse en haar staat. De geschiedenis puilt uit van voorbeelden van individuen van dat slag die van zeer groot nut geweest zijn voor de heersende klassen, juist op momenten van scherpe crisis: Lech Walesa in Polen (in de jaren 1980) en Lula in Brazilië, bijvoorbeeld. Die twee ‘arbeidersleiders’ hebben de bourgeoisie van hun land een onschatbare dienst bewezen, en doen dat nog steeds. Chavez, zoon van een onderwijzer, is ook een grote hulp geworden voor de Venezolaanse bourgeoisie. Het feit dat het een arbeiderszoon is of een zoon van een notoire bourgeoisfamilie die staatshoofd is, verandert niets aan de zaak: de een zowel als de ander hebben verantwoordelijkheid als staatshoofd en worden daardoor de hoogste beheerder van het orgaan dat de heerschappij van het nationaal kapitaal (privé of staatskapitaal) uitoefent en als zodanig maken hij en zijn aanhangers deel uit van de uitbuitende klasse.
Het opduiken van ‘verschijnselen’ als Chavez, Lula, Kirchner en recent nog Morales in Bolivia en Correa in Ecuador is het gevolg van de haast algemene uitputting van de sociaal-democratische en sociaal-christelijke partijen die tot in de jaren 1990 regeerden en die, onderhevig aan ontbinding en politieke aderverkalking, in ernstige moeilijkheden kwamen om de politieke crises te controleren wat tot nieuwe ideologische vormen leidde waarmee de sociale malaise wordt tegengegaan. Door zich te steunen op hun volkse afkomst, hebben die leiders munt kunnen slaan uit de malaise van de proletariërs en de uitgeslotenen door populistische beleid te ontwikkelen waarmee ze de ‘dromen van hun volk’ kunnen kanaliseren in dienst van de belangen van het nationaal kapitaal. Die nieuwe leiders zijn de nieuwe beheerders van de sociale onzekerheid.
Wanneer we van populistische politiek spreken, dan doen we dat niet in dezelfde ongunstige betekenis als sommige delen van de bourgeoisie die zich verzetten tegen die nieuwe leiders van het kapitaal. We verwijzen wel naar regeringen die in Latijns-Amerika en in andere landen aan de periferie opgekomen zijn, zoals die van Peron in Argentinië (1946-1955), of die van Getulio Vargas in Brazilië (1930-1954), onder andere; aan degenen die de illusies van de armsten op de spits drijven, juist in periodes waarin de regeringen van de nationale bourgeoisie een diepe crisis doormaken. Geen enkele van die regeringen heeft de armoede van de massa’s die hun hoop op hen gesteld hadden kunnen verlichten, en hun vervanging door andere, even burgerlijke regeringen heeft evenmin iets veranderd, behalve dan dat die massa’s in nog diepere ellende gestort werden in afwachting van een andere Messias die hun ‘dromen’ weer op gang brengt. Dat is en blijft het drama van de lagen die in armoede leven, zolang het proletariaat niet de leiding heeft genomen van de sociale bewegingen en door zijn revolutionaire strijd de oorzaken opruimt van de verpaupering en de sociale onzekerheid zoals die eigen zijn aan het functioneren zélf van de kapitalistische uitbuitingswijze.
Het lijdt geen twijfel dat Chavez zich verzet tegen de ‘wereldreus’ en we weten dat die strijd van “David tegen Goliath” geen “gemakkelijke zaak is”. Maar die strijd tegen het Noord-Amerikaans imperialisme is niets anders dan een strijd om het ‘kleine’ Venezolaanse imperialisme in de regio te versterken, dat zijn olie gebruikt (op dezelfde manier als de Verenigde Staten hun economische en militaire macht gebruiken) als een middel om chantage te plegen en druk uit te oefenen om zich op geopolitiek vlak te versterken. Net zoals de imperialistische politiek van de Verenigde Staten gevoerd wordt op de rug van het proletariaat en de bevolking van de Verenigde Staten, zo wordt de imperialistische politiek van de Venezolaanse bourgeoisie (met aan haar hoofd de chavistische fractie) ontwikkeld ten koste van de levensvoorwaarden van de sociale lagen die het chavisme beweert te verdedigen. Het gedeelte van het nationale begroting dat besteed wordt aan de strijdkrachten, aan de aankoop van wapens (die vroeg of laat tegen de Venezolaanse bevolking of die van een ander land uit de regio gebruikt zullen worden) is nu hoger dan het gedeelte dat dient voor de zogenaamde ‘sociale uitgaven’.
Het ‘anti-yankee-imperialisme’ dient al meer dan een eeuw om de ambities van de bourgeoisieën van de regio te verbergen. Die verzetten zich tegen de Noord-Amerikaanse bourgeoisie omdat de Zuid-Amerikaanse leiders natuurlijk de enige uitbaters willen zijn van de productiekrachten van hun achtereenvolgende landen. In die zin zijn de ‘raadgevingen’ van de Cubaanse bourgeoisie aan Chavez geen toeval: het ‘anti-yankee-imperialisme’ heeft in Cuba gedurende meer dan veertig jaar gediend om het proletariaat en de Cubaanse bevolking uit te buiten en de grootste offers te rechtvaardigen. Verder is het op zijn minst tegenstrijdig dat ondanks de ‘radicale confrontatie’ van Chavez met de Verenigde Staten dit land de voornaamste handelspartner van Venezuela blijft. Het proletariaat moet elk imperialisme bestrijden, of het nu groot is of klein.
Wat de terugkeer aan de macht van Chavez betreft na de “burgerlijke machtsgreep” moeten we verduidelijken dat die terugkeer niet echt gebeurd is “gedragen door het volk”, maar wel gedragen door loyale militairen, nadat de militairen die hem omvergeworpen hadden aan de kant waren gezet. Deze laatsten besloten inderdaad zich over te geven toen het bleek hoe zwak de sectoren van de bourgeoisie waren die de leiding namen in de staatsgreep tegen Chavez, die twee dagen later al weer aan de macht was. Het was het chavisme dat de meeste voordeel heeft getrokken uit die gebeurtenis omdat het zich kon presenteren als slachtoffer van de fracties die de staatsgreep beraamden, maar bovendien ook van de Noord-Amerikaanse regering die de staatsgreep leek te steunen omdat ze hem niet veroordeelde. Natuurlijk heeft een deel van de bevolking geroepen en zelfs gehuild voor de terugkeer van Chavez, maar de loop van de gebeurtenissen lag in handen van het leger, dat in dergelijke omstandigheden de uiteindelijke beslissing neemt welke fractie van de bourgeoisie de leiding van de staat krijgt. De terugkeer van Chavez “gedragen door het volk” behoort tot de mythologie die hijzelf geschapen heeft om zichzelf van een aureool te voorzien om de massa’s te bedriegen die hun vertrouwen in hem gesteld hebben, een mythologie die door de anders-globalisten van de regio en elders hoog wordt gehouden en op ruime schaal verspreid.
Tenslotte willen we nog duidelijk maken, en ons antwoord maakt dit duidelijk, dat onze kritiek niet deel uitmaakt van de waaier van kritieken vanuit linkse of rechtse standpunten, die wij beschouwen als politieke krachten die elkaar aanvullen in hun verdediging van de belangen van de bourgeoisie. Onze kritiek situeert zich op een ander terrein, dat van de Kommunistische Linkerzijde.
Kameraad F., we nodigen je uit over de kwesties die hier gesteld werden te discussiëren omdat wij menen dat dit de enige manier is om zich bewust te worden van het perspectief van het revolutionair socialisme.
Met broederlijke groeten,
De IKS
De twee eerste ervaringen met de sociaal-democratie in de regering leveren dus de volgende onherroepelijke vaststellingen op: het bloedig neerslaan van het revolutionaire proletariaat en het ronselen ter voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens tonen de talrijke voorbeelden hoe de ‘moderne’ sociaal-democratie, zowel in de regering als in de oppositie, haar smerige werk tegen de arbeidersklasse voortzet. Laten wij even naar de Franse en Belgische voorbeelden kijken.
Na de ‘algemene staking’ van1968 in Frankrijk komt F. Mitterrand aan de leiding van een PS van ‘linkse eenheid’ op het congres van Epinay-sur-Seine in 1971, met als opdracht tot een regeerakkoord te komen met de PCF. De toon werd door Mitterrand in zijn toespraken gezet: hij sprak van ‘revolutie’, van ‘anti-kapitalistische breuk’ en van ‘klassenfront’. Gedurende heel de jaren 1970 zou deze moderne sociaal-democratie, belichaamd door Mitterrand, haar wapens slijpen in de oppositie. In plaats van af te wachten zou deze oppositie de PS in de gelegenheid stellen fundamentele steun te verlenen aan de bourgeoisie. Dit deed ze door het opvangen van de arbeiderswoede als gevolg van de aanvallen van rechts, en door zichzelf voor te stellen als een geloofwaardig regeringsalternatief, daarmee de democratische en parlementaire illusies in arbeidersrangen nog versterkend.
In 1981 werd Mitterrand gekozen tot president, en leek het moment aangebroken om de zo dikwijls op het congres van Epinay gescandeerde ‘anti-kapitalistische breuk’ in praktijk te brengen. De illusie zou niet lang standhouden. Na een jaartje respijt valt het masker met de soberheids-programma’s die sinds 1982 worden opgesteld door de eerste minister P. Mauroy: einde van de automatische prijscompensatie, hoewel de inflatie sinds 1981 niet eens onder controle kon worden gehouden, herstructurering van grote bedrijven die met honderdduizenden ontslagen gepaard gaan in de grote sectoren, ontstaan van werkonzekerheid door het invoeren van tijdelijke arbeidscontracten bij de openbare instellingen. Tenslotte de werkloosheid die in deze jaren onophoudelijk zou stijgen, terwijl de uitkeringen alsmaar kleiner werden.
De tweede zevenjarige ambtstermijn van Mitterrand was van hetzelfde laken een broek: versterking van de politiestaat, ontwikkeling van de jacht op illegale gastarbeiders, eerste overpeinzingen over hervorming van de pensioenen, andermaal vermindering van de werkloosheidsuitkering. Maar het beeld van wat de sociaal-democratie tot stand bracht zou onvolledig zijn als wij geen melding zouden maken van een van de grootste aanvallen op de arbeidersklasse sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog: de 35 uren. Deze wet, gedragen door M. Aubry, minister van werkgelegenheid onder eerste minister L. Jospin, raakte heel de arbeidersklasse door het invoeren van zoveel mogelijk flexibiliteit in de uitbuiting die bijdroeg tot een loonstop.
De rol van de socialistische partij in België, herdoopt tot BSP, en vervolgens opgesplitst in een Franstalige PS en een Nederlandstalige SP.a, wijkt daar nauwelijks van af. Tijdens de grote stakingen van 1960-1961 in België herhaalden de partijleidingen en vakbonden: “Wij hebben alles in het werk gesteld om… de staking te beperken tot één enkele sector” (L. Major), en dit om de beweging vervolgens te verdelen en te vangen in het regionalisme. Tijdens de stakingen in de mijnen van Limburg in 1966 gaf de socialistische minister van binnenlandse zaken, A. Vranckx, opdracht om op stakers te schieten. En bij alle rationaliseringen en soberheidsprogramma’s liepen Claes, Mathot, Tobback, Spitaels en Vande Lanotte voorop; ze worden vereenzelvigd met herstructureringen in de staalnijverheid in de jaren 1970, met de sluiting van de mijnen van Limburg in 1987, met de rationalisering van de NMBS en De Post in de jaren 1990; met de soberheid die werd opgelegd aan de gemeentebedienden in Luik en Antwerpen, de soberheidsplannen om de Euro te kunnen invoeren van Dehaene in de jaren 1990, tot aan het Generatiepact, dat opgelegd werd door de regering Verhofstadt in 2005.
Dat nu is de ‘mooie toekomst’ die deze sociaal-democratie ons biedt! Haar ‘nieuwe politieke cultuur’ is bovendien grof bedrog dat er uit bestaat haar vroegere daden te doen vergeten. Zo zijn de dreigementen van Vandenbroucke en Onckelinkx tegen de werklozen helemaal geen onhandige of uitzonderlijke uitvallen. De sociaal-democratie heeft sinds haar verraad aan het internationalisme in 1914 geen enkele band meer met de arbeidersbeweging. Al negentig jaar zijn de socialistische partijen grafdelvers van de arbeidersbelangen. Of ze nu in de regering zit-ten of in de oppositie, ze dienen enkel de belangen van hun klasse en van de staat, en als het moet steken ze zonder aarzelen een handje toe, zelfs als ze zich daarbij met arbeidersbloed besmeuren.
Jos / 01.06.2007
Al meer dan twee weken zijn dagelijks alsmaar gewelddadigere gevechten uitgebroken in het noorden van Libanon. Officieel worden er al 90 doden geteld, onder de soldaten van het Libanese leger en bij de strijders van de Fatah al-Islam, maar ook bij de Palestijnse burgerbevolking in het kamp Nahr al-Bared, één van de twaalf die het land telt waarin 400.000 Palestijnen proberen te overleven, die de Israëlisch-Arabische oorlog van 1967 zijn ontvlucht! Van de 31.000 personen die dat kamp telt, zijn 26.000 de botsingen ontvlucht, sommigen om op elkaar geperst te worden in het naburige kamp van Baddaoui, anderen op een onzekere dwaaltocht. Ze zitten in de ellende en worden onderworpen aan de maffiawetten van de Palestijnse groepen die hen ‘beschermen’ als vee dat hier en daar onder de hoede van het Rode Kruis en de Verenigde Naties wordt geplaatst. De overige 5.000 Palestijnen zijn helemaal overgeleverd aan de verschrikkingen. Tussen het kruisvuur van de Libanese strijdkrachten, die het kamp omsingelen en met mitrailleurs of raketten beschieten, en dat van de Fatah al-Islam, die hen gebruiken als menselijke schilden, worden mannen, vrouwen en kinderen verstikt in een dodelijke muizenval.
De beslissing van de VN om een tribunaal ‘met internationaal karakter’ op te richten, belast met het veroordelen van de moordenaars van Rafik Hariri en het vooruitzicht van presidentsverkiezingen in Libanon, heeft het lont in het kruidvat gestoken. Deze spiraal van geweld kent geen gelijke na het begin van de jaren 1970, tijdens het ergste moment van de Koude Oorlog. Uiteraard wordt Syrië in het bijzonder in het vizier genomen. Het recente opduiken van de Groep Hamas al-Islam, blijkbaar een afsplitsing van een pro-Syrische groep die verwant zou zijn aan Al Qaïda, de Hamas al-Intifada, die zelf voorkomt uit de oude PFLP van George Habbasj, die zich tegen Jasser Arafat keerde en die zijn basis in Damascus had, roept de verdenking op dat de Syrische staat in de huidige situatie een rol speelt. En dat des te meer omdat deze splintergroep geen enkele Palestijnse eis vertegenwoordigt. Bovendien doet Syrië met zijn radicale afwijzing van het tribunaal, dat Syrische verantwoordelijken officieel onder verdenking stelt, andermaal met de vinger op zich wijzen vanwege zijn implicatie in de moord op Hariri. Herinneren eij ons dat de moord op de Libanese leider in 2005 het vertrek van de Syrische troepen van de Golanhoogte tot gevolg had, die historisch wordt opgeëist door Syrië, en die een voortdurende twistappel blijft in de betrekkingen tussen Damascus en Beiroet.
Zeker, de ‘internationale gemeenschap’ wordt door een dergelijke situatie in beroering gebracht, in een land dat 4.500 blauwhelmen telt, het ‘internationale vredesleger’ dat momenteel de grootste concentratie van VN-strijdkrachten ter wereld vormt. Voor één keer zitten Frankrijk en de Verenigde Staten op dezelfde golflengte, en stonden ze in de eerste rij om hun goede diensten aan te bieden: “De Libanese regering doet wat zij moet doen om een zeer gevaarlijke terroristische groep te bestrijden en om wet en orde te herstellen in het land”, hoorde men in Washington op 25 mei. En in hetzelfde elan kwamen er zes met wapens volgestouwde vrachtvliegtuigen in Libanon aan om de actie van het leger van Beiroet te ‘ondersteunen’.
Bij zijn “solidariteitsbezoek” aan Libanon heeft de onmisbare ‘french doctor’ Bernard Kouchner, genietend van de media- aandacht, verklaard dat “de Franse politiek ongewijzigd blijft”, stelde hij zonder schroom voor om, militaire uitrusting en wapens aan de Libanese regering te leveren, om ‘humanitaire’ redenen, wel te verstaan.
Het is duidelijk, beide imperialistische haaien gaan de oorlogsconfrontaties alleen maar aanwakkeren, en er zelfs direct aan deelnemen. Frankrijk en de Verenigde Staten zijn in feite beide een direct belang om in de situatie in Libanon tussen te komen.
De Verenigde Staten, die in het begin van de jaren 1990 de Golanhoogte aan Syrië hadden overgelaten als beloning voor zijn samenwerking met Washington en om de Fransen in Libanon het gras onder de voeten weg te maaien, willen Syrië laten boeten voor zijn steun aan de pro-Irakese soennitische krachten en aan de terroristen van Al Qaïda, die het sinds de Amerikaanse inval in Irak heeft gesteund. Ook zal het Witte Huis niet zuinig zijn met Beiroet middelen aan te bieden om hard op te treden tegen de indringing van Syrië via de Fatah al-Islam.
Voor Frankrijk, dat zijn belangen in het Midden-Oosten altijd al voornamelijk via Libanon verdedigde, gaat het erom met alle middelen te proberen er opnieuw een voet aan de grond te krijgen. Na het gedwongen vertrek van de pro-Franse generaal Aoun in 1992, die van de Verenigde Staten moest opkrassen om Syrië zich beter in de Golanhoogte te laten nestelen en om Syrië zijn greep op de Libanese staat te laten versterken, heeft de Franse staat hemel en aarde bewogen om zijn invloed in de regio te herstellen.
Vandaar dat er helemaal geen sprake kan zijn van een bondgenootschap tussen de Verenigde Staten en Frankrijk tot herstel van de vrede in Libanon, net zo min als voor het geheel van de regio. Integendeel, in werkelijkheid stuurt de imperialistische concurrentie hun bedoelingen, wat slechts nieuwe botsingen en opnieuw een versnelling van de oorlogsconflicten in deze zone van de wereld zal voortbrengen.
Hun leugenachtige praatjes willen ons doen geloven dat ze een gemeenschappelijk doel nastreven om het vraagstuk te regelen. Daar is totaal geen sprake van. Als ze dan al hetzelfde belang hebben om Syrië en de terroristen van Hamas al-Islam hun biezen te zien pakken en Libanon uit te zetten, dan geldt dat niet voor Libanon zelf, dat een belangrijke inzet zal blijven voor deze twee imperialistische concurrenten in het Midden-Oosten. De stabilisatie van Libanon maakt het voor de Verenigde Staten mogelijk om Syrië te controleren en onder druk te zetten. Het vormt immers een achterland voor de anti-Amerikaanse krachten in Irak. Frankrijk heeft als dubbele inzet om zijn pretenties van imperialistische wereldmacht te handhaven – het wil zich bevestigen als een macht ‘die meetelt’ in het Midden-Oosten – en om een steunpunt in deze regio in te richten om de militaire en strategische politiek van de Verenigde Staten te saboteren, in Irak zoals in heel het Nabije en Midden-Oosten.
Het kruitvat van het Midden-Oosten staat niet op het ount uit te doven. De gebeurtenissen in Libanon hebben hun tegenhangers in de bezette gebieden van de Gaza-strook, die al weken onder vuur liggen van het Israëlische leger. Ook daar vinden we dezelfde hoofdrolspelers uit de ontwikkelde landen, die als barmhartige Samaritanen altijd bereid zijn om een ‘vredeskwartet voor het Midden-Oosten’ te vormen (de Europese Unie, de Verenigde Staten, de VN en Rusland), dat vruchteloos oproept om het geweld tussen Israël en de Hamas in de Gaza-strook, en tussen Hamas en Al Fatah in het noorden van Libanon te doen staken.
De waarachtigheid van de goede bedoelingen van degenen die deze wereld regeren is af te meten aan de mate waarmee zij de bevolking en de arbeidersklasse overal doen lijden: bloed, zweet en ellende. Dat is de enige taal die de bourgeoisie spreekt, het is de taal van het kapitalisme.
Mulan / 2.6.2007
De laatste weken waren de Belgische federale verkiezingen van 10 juni het centrale onderwerp in het nieuws. Er is veel commentaren geleverd op het ‘Waterloo van de socialisten’ in zowel Wallonië (-20% van de zetels) als Vlaanderen (-30% van de zetels) en er wordt uitgebreid gespeculeerd over de komende coalitie. Er wordt gewezen op de overwinning van de christen-democraten in het Noorden en de Liberalen in het Zuiden van het land. Eén thema is tijdens de campagne en in het commentaar bij de uitslag echter zorgvuldig vermeden: het sociale vraagstuk, dat van de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse.
Daarom werd de verkiezingscampagne vooral voorgesteld als een strijd tussen persoonlijkheden: in Vlaanderen werd de ‘kiesplichtige burger’ opgeroepen om te kiezen tussen de aftredende eerste minister, de liberaal G. Verhofstadt en zijn ‘ethisch progressieve’ politiek (homohuwelijk, wet op de euthanasie, …) of de verandering voorgesteld door zijn uitdager, de christen-democraat Y. Leterme, de huidige minister-president het Vlaamse Gewest, die de nadruk legt op ‘goed bestuur’ en ‘solidariteit… met de zwaksten’. In Wallonië werden de schijnwerpers vooral gericht op het hanengevecht tussen de vertegenwoordiger van de corrupte Waalse PS-staat, de Waalse minister-president E. Di Rupo, en zijn uitdager, de liberale minister van economie en bewonderaar van Sarkozy, D. Reynders. Alles werd dus in het werk gesteld om niet te polariseren rond de ‘netelige vraagstukken’ zoals de rationaliseringen en de bedrijfssluitingen, verhoging van arbeidsritme en flexibiliteit, de systematische verlaging van het levenspeil, soberheidspolitiek en geleidelijke ontmanteling van de ‘welvaartsstaat’. Al deze vraagstukken zijn in de debatten vermeden en met reden: er heerst immers volledige overeenstemming tussen al de partijen over deze politiek en de toekomstige regering, wat ook haar samenstelling moge zijn, zal op dat vlak de voorafgaande politiek voortzetten.
Waaruit bestaan dan de politieke omwentelingen die in het nieuws zo breed wordt uitgemeten? Om deze politiek te kunnen voeren in een wereldwijde samenhang van toenemende verrotting van de maatschappelijke structuur neigt de bourgeoisie er toe om haar meest stabiele partijen aan het roer van de staat te plaatsen. Welnu, de twee ‘families’ van de paarse regering bleken de laatste jaren kwetsbaar en hinderlijk wankelbaar: aan de kant van de liberalen werd de Vlaamse partij verscheurd door interne twisten met zelfs een afsplitsing naar rechts, de Lijst Dedecker die meer dan 6,5% van de stemmen haalde. De socialistische familie, op haar beurt, werd geteisterd door corruptieschandalen in de Waalse PS waarin de verschillende clans slaags raakten. Het is dus niet verwonderlijk dat de bourgeoisie haar oude christen-democratische partij weer aan het werk zet, sinds haar stichting de trouwe vertegenwoordigster van de Belgische staatsbelangen en gelouterd door acht jaar oppositie. Dat geeft de socialistische partijen, die zwaar aangeslagen zijn door twintig jaar ononderbroken regeringsdeelnames, de gelegenheid een gezondheidskuurtje te doen in de oppositie.
Er is nog iets anders dat de mediatamtam over de ‘politieke verandering’ verklaart; het idee dat de burger ‘zijn stem kan laten horen via de stembus’ vormt de doorslaggevende illusie om de geloofwaardigheid van de burgerlijke democratie overeind te houden. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat in marmer gebeiteld: “Alle mensen worden vrij en gelijk voor de wet geboren.” Vandaar dat elke burger een onvervreemdbaar recht heeft: het stemrecht. Deze ideologie berust op het simpele uitgangspunt: één persoon = één stem. Toch hangt deze mooie beginselverklaring in het luchtledige. In de werkelijke wereld zijn de mensen alles behalve gelijk. In de werkelijke wereld is de maatschappij in klassen verdeeld. Daarboven, de teugels stevig in handen houdend, heerst de bourgeoisie; daarover bevinden zich alle andere lagen van de maatschappij en in het bijzonder de arbeidersklasse. In de praktijk betekent dit dat een minderheid de staat, de kapitalen en de media in handen heeft. Zo kan de bourgeoisie iedere dag haar ideeën verspreiden, haar propaganda voeren: de heersende ideologie is de ideologie van de heersende klasse. De pletwals van de media rolt voortdurend over het kiezerskorps. De propaganda houdt niet op. Deze hersenspoeling is niet nieuw. Het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale verklaarde al in 1919: “[De persvrijheid] is een leugen zolang de beste drukkerijen en de grootste papiervoorraden door de kapitalisten gemonopoliseerd worden […]. De kapitalisten noemen de mogelijkheid van de rijken om de pers te corrumperen, de mogelijkheid om hun rijkdom te gebruiken om de zogenaamde publieke opinie te vormen en te ondersteunen persvrijheid.” (Stellingen over de burgerlijke democratie en de proletarische dictatuur, ingediend door Lenin op 4 maart 1919).
Als de politiek van de belangenverdediging van de nationale bourgeoisie het onveranderlijke programma is van iedere nationale regering, dan dient de verkiezingspropaganda juist om deze rauwe waarheid te verbergen door de mogelijkheid van een alternatief voor te spiegelen: “Ja, een andere politiek is mogelijk… als je goed stemt.” Leugens en zand in de ogen! Of het nu gaat om een nieuwe ‘blauw-oranje’ regering , zoals toen het ging om de paarse regering van Verhofstadt, of de ‘rood-oranje’ regering van Dehaene aan het einde van de jaren 1990, ze behoren allemaal tot dezelfde familie… de bourgeoisie. De verschillen die de burgerlijke partijen van elkaar scheiden betekenen niets in vergelijking met wat ze gemeen hebben: de verdediging van het nationaal kapitaal. Daarom zijn ze zo goed in staat tot nauwe samenwerking, vooral achter de gesloten deuren van de parlementaire commissies en in de hoogste regionen van het staatsapparaat. En in de vergaderzaal van het parlement debatteren en gebaren ze druk voor de camera’s om verontwaardiging te veinzen over de een of andere maatregel, tegenover het een of andere ‘misplaatste’ woord van een andere afgevaardigde. Zo wordt de indruk gewekt dat de democratie springlevend is; zo wordt de geloofwaardigheid van de burgerlijke democratie overeind gehouden.
Dat de sociale werkelijkheid heel anders is blijkt enerzijds uit de herstructureringen (Opel Antwerpen, De Post, Johnson Control, …) en anderzijds uit de arbeidersstrijd (postbedienden, gemeenteambtenaren, arbeiders bij de toeleveringsbedrijven voor de automobiel, …) die zelfs midden in de electorale campagnes door ging. Die uiteenlopende bewegingen, die strijdbaarheid laten zien, maar soms ook van de ontreddering door de afwezigheid van alternatieven, bevinden zich op het werkelijke terrein van de verdediging van de arbeidersbelangen tegenover de aanvallen. Ze laten zien dat er binnen de klasse, zij het vaak nog weifelend, wordt nagedacht, over de wijze waarop de strijd gevoerd kan worden en over de doelen die daarin voorop horen te staan. Deze strijd, die dikwijls spontaan begint, is moeilijk omdat hij stelselmatig erkend wordt door de vakbonden om hem des te beter te kunnen saboteren. De verschillende bewegingen worden zo van elkaar gescheiden en verstikt in uitzichtloze acties of eisen. Meer dan ooit moet de richting van de strijd gedragen worden door het oproepen tot solidariteit, door het op gang brengen van massale bewegingen, het nadenken over de doelen die voorop moeten staan tegenover het bankroet van het systeem, en niet het verkiezingsterrein waarop de arbeidersklasse niets te winnen heeft. De bourgeoisie daarentegen vormt de arbeiders om tot kiesplichtige burgers, zij lost ze op in de massa van de bevolking, isoleert ze van elkaar. Alleen en dus machteloos kunnen ze zo naar hartelust worden gehersenspoeld.
Jos / 12.06.2007
“Naar het beeld van de ruiters van de Apocalyps, die bij dageraad neerstrijken op de rebelse dorpen en bij hun passage slechts een spoor van verbrande huizen achterlaten, is alles in dit conflict in het halfduister gehuld. Hoeveel doden zijn er sinds vier jaar gevallen? Tienduizend volgens de Soedanese gezaghebbers, vierhonderdduizend volgens de niet-gouvernementele organisaties (NGO’s). Hoe moet de tragedie van Darfoer worden ingeschat? Oorlog tegen de opstand meent men in Khartoem; oorlogsmisdaden oordeelt de Verenigde Naties; misdaad tegen de menselijkheid verzekert de Europese Unie; eerste volkerenmoord van de éénentwintigste eeuw stellen westerse intellectuelen onlangs in opbod en in antwoord op een oproep van hun achtereenvolgende regeringen. Hoe kan hieraan een eind worden gemaakt? De rebellenlegers ontwapenen stelt generaal en president Omar el Béchir; de rebellenlegers bewapenen antwoorden de intellectuelen en hun lobbies daarop; onderhandelen en het Soedanese regime afstraffen, zo wil de Verenigde Naties… In deze maalstroom van passies, bijgedachten , manipulaties en soms onverantwoordelijkheid komen toch een paar zekerheden bovendrijven.” (Jeune Afrique, 1-14 april 2007).
Maar er bestaat wel degelijk zekerheid over wie verantwoordelijk is voor de misdaden: het zijn de imperialistische grootmachten en hun gewapende bendes ter plaatse, de regering van Khartoem en de rebellen. Het zijn deze kapitalistische bandieten (vooral de Chinese en Amerika en Frankrijk, hier tijdelijke bondgenoten, terwijl ze elkaar elders in de haren vliegen) en hun locale knechten die deze afgrijselijke afslachtingen straffeloos begaan hebben en nog begaan. Het zijn ‘misdaden tegen de menselijkheid’.
“Tegenover deze kroniek van een aangekondigde ramp nemen de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie vooral symbolische en vertragende maatregelen. Sinds twee jaar wordt er in Darfoer een inter-Afrikaanse strijdmacht ontplooid van zevenduizend vijfhonderd man, de Afrikaanse Missie in Darfoer (AMIS). [...] Deze strijdkracht is volslagen ondoeltreffend gebleken. In feite zijn haar middelen te zwak: ze zou uit minstens dertigduizend man moeten bestaan om de vijfhonderdduizend vierkant kilometer van Darfoer te kunnen bestrijken. Bovendien beschikt de gebrekkig bewapende AMIS beschikt slechts over een belachelijk beperkt mandaat: de soldaten hebben niet het recht om offensieve patrouilles uit te voeren, zij moeten zich beperken tot ‘onderhandelen’ en zich in feite tevreden stellen met het optekenen van de bloedbaden. [...] Privé verklaren de Afrikaanse soldaten zelf ontgoocheld: ‘Wij zijn nutteloos’” (Le Monde Diplomatique, maart 2007).
Als dat nog nodig was illustreert dit de walgelijke schijnheiligheid van de imperialistische grootmachten die de wereld regeren en die in Darfoer hun ware gelaat laten zien van cynische kapitalistische barbaren. Deze leiders die ‘vredesresoluties’ in stemming brengen en onder de kleuren van de Verenigde Naties soldaten naar Darfoer zenden, wier enige opdracht bestaat uit het ‘vaststellen van de bloedbaden’ en niet die te beletten zoals met veel tamtam wordt aangekondigd. Maar wat kan men verwachten van de Verenigde Naties, dit rovershol waar al deze bandieten bij elkaar zitten, deze immorele gieren die vechten om de resten van een wegrottend Afrika?
Daar vallen de maskers, maar het toppunt van cynisme bestaat er uit dat de bourgeoisie van de grootmachten probeert om de eigen verantwoordelijkheden voor de tragedie van Darfoer weg te moffelen met onophoudelijke ‘pelgrimstochten’ van de media te midden van de stervende slachtoffers.
Om elk nadenken en iedere bewustwording in verband met de werkelijke doelstellingen van hun gedoe in Darfoer beter in de kiem te smoren, organiseren de ‘grote democratieën’ regelmatig ‘humanitaire safari’s’ in Darfoer en bijeenkomsten in de metropolen “ter ondersteuning van de slachtoffers van de Soedanese volkerenmoord”. En inderdaad, in het kielzog van Hollywoodsterren (zoals Georg Cloney & Co.) werd op 20 maart in Parijs een bijeenkomst georganiseerd op initiatief van een geheel van verenigingen die ‘Noodkreet Darfoer’ (Urgence Darfour) is gedoopt. Deze was voornamelijk samengesteld uit media-beroemdheden (Bernard Kouchner, Bernard-Henri Lévy, Romain Goupil en andere vertegenwoordigers van de ‘humanitaire’ lobbies) die zich tot doel stelden om “Darfoer op de agenda te zetten van de presidentsverkiezingen.” En inderdaad hebben deze laatsten (met Ségolène Royal en François Bayrou op kop) de oproep beantwoord door een tekst te ondertekenen die, samen met andere maatregelen, de interventie van Franse troepen (die al actief zijn in Tsjaad en Centraal-Afrika) aanbeveelt, om in Darfoer een ‘humanitaire corridor’ mogelijk te maken. En als ware volksmenners gingen de genoemde presidentskandidaten nog een stap verder in hun cynisme: “Getuigend van een in Frankrijk ongeziene vastberadenheid voorkwam het document niet dat sommige presidentskandidaten nog verder gingen, zoals Ségolène Royal (Socialistische Partij) en François Bayrou (UFD, Franse liberalen), die voorstelden de Olympisch Spelen van Beijing in 2008 te boycotten om druk uit te oefenen op China, dat wordt aangewezen als de voornaamste steun van Khartoem in de Veiligheidsraad van de Verenigde naties.” (Jeune Afrique).
Wat een huichelaars, wat een gewetenloze bedriegers, deze Amerikaanse en Franse burgerlijke klassen! Kortom, deze vermomde verdedigers van de belangen van hun eigen imperialisme doen alsof Frankrijk er niet al tot over zijn oren in was betrokken, als bondgenoot van het regime in Tsjaad dat het nu direct steunt, de tegenstander van het Soedanese regime van de ‘volkerenmoord’. Dat is trouwens de bedoeling van de ‘politiek-humanitaire’ oproep, die openlijk de interventie aanbeveelt van het Franse leger om een zogenaamde ‘humanitaire corridor’ in de gevechtszones te openen. En het is geen toeval dat met name China wordt aangeklaagd als voornaamste steun van Khartoem want: “Ver achter de Verenigde Staten en China hult Frankrijk zich in het duister om zijn plaatselijke klanten te bedienen die door het Soedanese regime worden bedreigt. Parijs heeft Khartoem lange tijd de handen boven het hoofd gehouden tegen de ‘Angelsaksische’ vijandigheid, maar dat is nauwelijks in dank afgenomen door het islamistische regime. De petroleumlicenties van Total in het zuiden van Soedan zijn nog altijd geblokkeerd wegens juridisch gebekvecht, en de milities van het regime zijn in de weer om de bondgenoten van Frankrijk vanuit Darfoer te destabiliseren: de Tsjadische president Idriss Déby Itno en zijn Centraal-Afrikaanse ambtgenoot François Bozizé” (Le Monde Diplomatique, maart 2007).
En tenslotte zijn er nog bepaalde sectoren van de Franse bourgeoisie die zich ronduit afvragen of het regime in Beijing er niet op uit is om de Fransgezinde regimes ter plaatse in Centraal-Afrika, via het uitrusten van milities die optreden voor Khartoem en die doorgestoten zijn tot in de voorsteden van N’Djamena, omver te werpen. Beijing is vandaag inderdaad de grootste wapenleverancier en de grootste afnemer van de Soedanese petroleum. Zo ziet men waarom Beijing niet wil dat er een resolutie wordt uitgevoerd die niet “de Soedanese nationale soevereiniteit zou respecteren”, maar waarom het helemaal niet gaat. Daar komt nog bij dat het Franse imperialisme zich ook om andere redenen zorgen maakt en dat het ware doel laat zien van de media- en humanitaire-campagnes tegen de imperialistische concurrenten, China en de Verenigde Staten. Deze blijven natuurlijk niet achter in het uitblinken in vergaand cynisme. Zo gaf Bush op 18 april “een laatste waarschuwing aan de Soedanese regering om zich spoedig te houden aan haar verplichtingen om een eind te maken aan de volkerenmoord in Darfoer.”
In feite weten wij dat Washington, de ogen sluitend voor de wreedheden van de bloeddorstige klieken, Khartoem spaart, zijn ijverige bondgenoot in de ‘strijd tegen het terrorisme’. Dat komt overduidelijk neer op het stiekem uitsteken van een hand in de richting van een versterkt bondgenootschap met Soedan dat het in het openbaar bedreigt.
Wat er uiteindelijk schuilgaat achter de redevoeringen over ‘vredesacties’ en andere ‘humanitaire corridors’ voor Darfoer is de werkelijkheid van de smerige strijd van de kapitalistische aaseters te midden van een voortdurende opeenstapeling van lijken.
Amina / 23.04.2007
Een stakingsgolf overspoelde begin dit jaar verschillende sectoren in Egypte; in cement- en pluimveebedrijven, in de mijnen, bij de bussen en de spoorwegen, in de gezondheidssector, en vooral in de textielindustrie. Daar hebben de arbeiders een reeks van stakingen gevoerd tegen de snel dalende reële lonen en de kortingen op de toelagen. Men kan een glimp opvangen van het strijdbare en spontane karakter van deze strijd in de beschrijving van hoe in december vorig jaar de strijd uitbrak bij het grote Mahalla al-Kubra Mirs spinnerij- en weefcomplex ten noorden van Kaïro, dat het epicentrum van de beweging was. Het uittreksel komt uit Egyptian textile workers confront the new economic order door Joel Beinin en Hossam el-Hamalawy, gepubliceerd in Middle East Report Online en libcom.org, en gebaseerd op interviews met twee arbeiders van het bedrijf, Muhammed Attar en Sayyid Habib.
“De meer dan 24.000 arbeiders van het Mahalla al-Kubra Misr spinnerij- en weefcomplex waren verheugd over het nieuws van 3 maart 2006 dat de eerste minister Ahmad Nazif had besloten tot een verhoging van de jaarlijkse bonus die aan alle arbeiders wordt toegekend, gaande van 100 Egyptische pond (ongeveer 15 Euros) tot een bonus van twee maandlonen. De laatste keer dat de jaarlijkse bonussen waren opgetrokken was in 1984 – van 75 naar 100 pond.
‘We lazen het decreet en begonnen erover te praten in de fabriek’ zei Attar: ‘Ironisch genoeg maakten zelfs de pro-regerings-vakbondsvertegenwoordigers het nieuws bekend als een van hun verwezenlijkingen’. Hij vervolgde: ‘December kwam er aan [wanneer de jaarlijkse bonussen worden uitbetaald] en iedereen was gespannen. We ontdekten dat we bestolen waren. Ze gaven ons alleen dezelfde 100 pond als voorheen. In feite juister gezegd 89 ponden, omdat er geld werd ingehouden [voor belastingen]’.
Er hing een geest van verzet in de lucht. De volgende twee dagen waren er groepen arbeiders die weigerden hun lonen in ontvangst te nemen als teken van protest. Dan, op 7 december, kwamen er duizenden arbeiders van de ochtendploeg samen op het Mahalla’s Tal’at Harb Plein, tegenover de ingang van het textielbedrijf. Het ritme van de fabrieksarbeid was toen al aan het verlagen, maar de productie viel helemaal stil toen een 3.000 tal vrouwelijke kledingarbeidsters hun ateliers verlieten en naar de spinnerij- en weefafdelingen gingen waar hun collega’s het werk nog niet hadden neergelegd. De vrouwelijke arbeidsters stormden er binnen al zingend: ‘Waar zijn de mannen? Hier zijn de vrouwen!’ Beschaamd sloten de mannen zich bij de staking aan.
Rond de 10.000 arbeiders verzamelden zich op het plein roepend ‘Twee maanden! Twee maanden!’ om hun eis voor de hun toegezegde bonussen kracht bij te zetten. Zwart geklede oproerpolitie werd haastig ingezet rond de fabriek en door heel de stad, maar trad niet op om het protest te smoren. ‘Ze waren geschrokken van ons aantal’ zei Attar. ‘Ze hoopten dat we tijdens de nacht of de volgende dag de aftocht zouden blazen’. Onder druk van de staatsveiligheidstroepen bood de directie een bonus aan van 21 werkdagen. Maar zoals Attar zich lachend herinnerde ‘de arbeidsters verslonden al de vertegenwoordigers van de directie die het waagden om te komen onderhandelen’.
Bij het invallen van de nacht, zei Sayyid Habib, vonden de mannen het ‘heel moeilijk om de vrouwen er van te overtuigen naar huis te gaan. Ze wilden blijven en er de nacht doorbrengen. Het duurde uren voor we hen er toe konden bewegen om naar huis te gaan, naar hun gezinnen en de volgende dag terug te komen’. Breed glimlachend voegde Attar daar aan toe, ‘De vrouwen waren veel militanter dan de mannen. Ze werden geïntimideerd door de veiligheidstroepen en bedreigd maar ze hielden vol’.
Nog voor de ochtendgebeden bestormde de oproerpolitie de poorten van het bedrijf. Zeventig arbeiders, met inbegrip van Attar en Habib, sliepen toen in het bedrijf waarin ze zichzelf hadden opgesloten. ‘De officieren van de veiligheidstroepen van de staat vertelden ons dat we met maar weinigen waren en maar beter naar buiten kwamen’, zei Attar. ‘Maar ze wisten niet met hoeveel we binnen waren . We logen en zeiden dat we met duizenden waren’. Attar en Habib maakten haastig hun kameraden wakker en de arbeiders begonnen luid te slaan op ijzeren vaten. ‘We maakten iedereen in het bedrijf en de stad wakker. Onze gsm’s gingen plat door het bellen naar onze families en vrienden buiten waarbij wij vroegen hun ramen te openen om de veiligheidstroepen te laten weten dat ze in de gaten werden gehouden. We riepen alle arbeiders die we kenden op om snel naar de fabriek te komen’.
Tegen die tijd had de politie water en elektriciteit van het bedrijf afgesloten. Staatsagenten haastten zich naar de treinstations om arbeiders die van of naar de stad gingen te vertellen dat de fabriek was gesloten wegens elektriciteitsuitval, maar het bedrog mislukte.
‘Meer dan 20.000 arbeiders kwamen opdagen’, zei Attar. ‘We hielden een massale betoging met symbolische begrafenissen van onze bazen. De vrouwen brachten ons eten en sigaretten en sloten zich bij de betoging aan. De ordetroepen durfde het niet aan om op te treden. Lagere school-kinderen en studenten van nabijgelegen middelbare scholen kwamen op straat om de stakers te ondersteunen’. Op de vierde dag van de bezetting van het textielbedrijf boden in paniek rakende regeringsambtenaren een bonus aan van 45 dagen en verzekerden dat het bedrijf niet zou worden geprivatiseerd. De staking werd toen opgeheven. Het succes van de ‘wilde actie’ van de arbeiders van het Spinnerij- en Weefbedrijf Misr was vernederend voor de door de regering gecontroleerde vakbondsfederatie.”
De overwinning bij Mahalla inspireerde de arbeiders in een aantal andere sectoren om de strijd aan te gaan en de beweging is nog lang niet verflauwd. In april kwam het conflict tussen de arbeiders bij Mahalla en de staat opnieuw aan de oppervlakte. De arbeiders beslisten om een grote afvaardiging naar Kaïro te zenden om met het hoofd van de Algemene Federatie van Vakbonden te onderhandelen (!) over de looneisen en over het afzetten van het Mahalla vakbonds-comité vanwege zijn steun aan de bazen bij de staking in december. Het antwoord van de veiligheidstroepen van de staat bestond uit het onder beleg plaatsen van de fabriek. Als antwoord daarop gingen de arbeiders in proteststaking en twee andere grote textielbedrijven verklaarden hun solidariteit, Mahalla-Ghaz Shebeen en Kafr el-Dawwar. De verklaring van de laatste was bijzonder scherpzinnig:
“Wij textielarbeiders van Kafr el-Dawwar verklaren onze volledige solidariteit met jullie om jullie gerechtvaardigde eisen ingewilligd te krijgen, die dezelfde zijn als de onze. We veroordelen krachtig het optreden van de veiligheidstroepen dat de afvaardiging van de arbeiders van Mahalla verhinderde om zich naar een sit-in te begeven voor het hoofdkwartier van de Algemene Vakbondsfederatie in Kaïro. We veroordelen eveneens Saïd al-Gohary’s (1) verklaring aan Al-Masry Al-Youm van vorige zondag, waarbij hij jullie houding omschreef als ‘onzin’. We volgen gespannen wat jullie overkomt en verklaren onze solidariteit met de staking van de textielarbeiders van eergisteren en met de gedeeltelijke staking in de zijdefabriek.
We willen dat jullie weten dat wij arbeiders van Kafr el-Dawwar en jullie arbeiders van Mahalla dezelfde weg bewandelen en eenzelfde vijand hebben. We ondersteunen jullie beweging omdat we dezelfde eisen hebben. Sinds het eind van onze staking in de eerste week van februari heeft het Vakbonds-Fabriekscomité geen hand uitgestoken om onze eisen die aan de basis liggen van onze staking ingewilligd te krijgen. Het Vakbonds-Fabriekscomité heeft onze belangen geschaad… We ondersteunen jullie eis om het loonsysteem te hervormen. We wachten net als jullie tot eind april om te zien of de Minister van Arbeid onze eisen inwilligt of niet. Wij verwachten weliswaar niet veel van de minister, aangezien we noch haar, noch het Vakbonds-Fabriekscomité enige stappen hebben zien ondernemen. Het zal van onszelf afhangen als we onze eisen ingewilligd willen zien.
Daarom benadrukken we dat:
1. We in hetzelfde schuitje zitten als jullie en samen met jullie de reis aanvangen.
2. We verklaren onze volledige solidariteit met jullie eisen en verzekeren jullie dat we bereid zijn tot het houden van solidariteitsacties, als jullie besluiten tot stakingen.
3. We zullen stappen ondernemen om de arbeiders van Artificial Silk (Kunstzijde), El-Beida Dyes en Misr Chemicals te informeren over jullie strijd en bruggen te bouwen om het solidariteitsfront uit te breiden. Alle arbeiders zijn broeders in tijden van strijd.
4. We moeten een breed front in het leven roepen om onze strijd met de regeringsvakbonden te beslechten. We zullen deze vakbonden nu opzij moeten zetten, niet later.” (vertaling van de Arabawy website en oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd libcom.org).
Dit is een voorbeeldige verklaring omdat zij de fundamentele basis voor elke echte klassensolidariteit laat zien die de verdelingen per bedrijfstak of bedrijf overstijgt – het besef tot dezelfde klasse te behoren en te strijden tegen dezelfde vijand. Ze is ook bijzonder duidelijk over de noodzaak de strijd aan te gaan met de staatsvakbonden.
In deze periode zijn er ook elders stakingen uitgebroken: vuilnismannen bestormden de bedrijfskantoren omdat hun lonen niet werden uitbetaald; 2.700 textielarbeiders in Monofiya bezetten een textielfabriek; 4.000 textielarbeiders in Alexandrië gingen voor een tweede keer in staking nadat de directie had geprobeerd om loon in te houden wegens de vorige staking. Ook dit waren onwettige, wilde stakingen.
Er zijn ook andere pogingen geweest om de beweging met geweld te onderdrukken. Veiligheidspolitie sloot of dreigde met het sluiten van de ‘Centra voor Vakbonden en Arbeidersdiensten’ in Nagas Hammadi, Helwan en Mahalla. De centra worden er van beschuldigd van aanstoken tot een ‘stakingscultuur’.
Het bestaan van deze centra toont aan dat er moeite worden gedaan om nieuwe vakbonden op te richten. In een land als Egypte, waar de arbeiders enkel ervaringen hebben met vakbonden die openlijk optreden als politie op de werkvloer, is het onvermijdelijk dat de arbeiders gevoelig zullen zijn voor het idee dat het antwoord op de problemen ligt in de oprichting van werkelijk ‘onafhankelijke’ vakbonden, op vergelijkbare wijze als onder de Poolse arbeiders in 1980-1981. Maar wat duidelijk naar voor komt uit de manier waarop de staking was georganiseerd in Mahalla (via spontane optochten, massale afvaardigingen en bijeenkomsten aan de fabriekspoorten), is het feit dat de arbeiders het sterkst staan wanneer zij de zaak in eigen hand nemen eerder dan hun macht over te hevelen naar een nieuw vakbondsapparaat.
In Egypte kunnen de kiemen van de massastaking al ontwaard worden – niet alleen in het vermogen van de arbeiders om tot massale en spontane actie over te gaan, maar ook in het hoge niveau van het klassenbesef dat tot uiting kwam in de verklaring van Kafr el-Dawwar.
En toch is er nog geen bewust verbandband tussen deze gebeurtenissen en andere stakingen aan de verschillende kanten van de imperialistische scheidingslijnen in het Midden-Oosten: in Israël voor loonsverhogingen bij de dokwerkers, kantoorpersoneel van de openbare diensten, en meest recent bij leerkrachten, en studenten die botsten met de politie in betogingen tegen stijgingen van inschrijvingsgelden bij het onderwijs; in Iran waar duizenden arbeiders op 1 Mei de officiële regeringsoptochten verstoorden door anti-regerings-slogans te scanderen of waar ze deelnamen aan niet toegestane manifestaties en strenge politierepressie riskeerden. Maar het gelijktijdig karakter van deze bewegingen heeft een gemeenschappelijke bron – de drang van het kapitalisme om de arbeidersklasse overal ter wereld de armoede in te drijven. In deze zin bevatten ze de kiemen van de toekomstige internationalistische eenheid van de arbeidersklasse over de muren heen van nationalisme, godsdienst, en imperialistische oorlog.
Amos / 01.05.2007
(1) Leider van de textielvakbond, Saïd El-Gohary, beschuldigde de arbeiders ondermeer ervan "terrorristen te zijn die de onderneming willen saboteren".
Het feit dat het leven van de Belgische bourgeoisie sinds lang dooreen wordt geschud door innerlijke spanningen heeft nooit voorkomen dat deze spanningen sinds het begin van de twintigste eeuw meesterlijk worden gebruikt tegen de arbeidersklasse. Het stelselmatige gebruik ervan is een constante in de arbeidersvijandige politiek van de Belgische bourgeoisie sinds de Eerste Wereldoorlog en meer in het bijzonder sinds de heropleving van de klassenstrijd aan het einde van de jaren 1960, en dat in meerdere opzichten:
– De politiek van ‘machtoverdracht aan de regio’ heeft vooral gediend ter wettiging van het doorvoeren van herstructuringen in de industrie en de administratie, zoals andermaal op karikaturale wijze bleek uit het recente ‘Marschall Plan voor Wallonië’ van de Waalse regionale regering. Sinds de jaren 1970 zijn de begrotingsverlagingen en het inperken van personeelsbezetting en werkingsmiddelen onder voorwendsel van ‘groter doelmatigheid’ een karaktertrek van de ‘geregionaliseerde’ regeringen, zoals in het onderwijs, de openbare werken, het openbaar vervoer, het stadspersoneel en de werkloosheid. Wat betreft de noodlijdende industrieën – de staalindustrie in Wallonië en de scheepswerven in Vlaanderen –, deze zijn gerationaliseerd en gesloten in naam van het regionale dynamisme dat geen ‘kwakkelende bedrijven’ als blok aan het been kon hebben.
– De communautaire en regionale confrontaties zijn bewust uitgespeeld en gedramatiseerd om de aanvallen op de arbeidersklasse te verbergen. Zo trok het federaliseringsproces heel de jaren 1990 veel media-aandacht op momenten waarop uiterst harde soberheidsmaatregelen werden genomen om het begrotingstekort van de staat drastisch te verminderen. De verbale separatistische dreigementen, waarop de getrouwe unitaristen van repliek dienden werden opgeblazen om de aandacht van de bevolking, en natuurlijk vooral de arbeiders, daarop te richten om de werkelijke inzet uit het zicht te houden.
– Er is een voortdurende mediacampagne ontwikkeld om de arbeiders te mobiliseren achter de belangen van ‘hun’ taalgemeenschap en er werd alles aan gedaan om wedijver tussen de regio’s in te blazen. Zo hameren de media er hele dagen op dat ‘Vlaanderen niet langer wil opdraaien voor de verlieslijdende Waalse staalindustrie’, dat ‘Wallonië niets te maken heeft met de toekomstloze Vlaamse scheepswerven’, dat ‘het onderwijs in Vlaanderen van betere kwaliteit is’, dat ‘werklozen in Wallonië minder sancties krijgen’, enzovoort. Het ‘sub-nationalistische’ bedrog van de ‘regionale macht’ dient maar één enkel doel: de arbeiders mobiliseren achter hun bourgeoisie (nationaal of regionaal), daarbij de Waalse arbeiders opstokend tegen hun Vlaamse klassenbroeders en omgekeerd, en ze de onvermijdelijkheid van crisis en offers aan te praten.
– Het regionalistische vergif is tenslotte stelselmatig door de bourgeoisie gebruikt om de oplaaiende arbeidersstrijd te verdelen en te isoleren. Tijdens de algemene staking van 1960-1961 spelen de Waalse socialisten en syndicalisten het bedrog van het federalisme uit om de arbeidersstrijd te verdelen en naar een impasse te voeren; het Vlaamse nationalisme speelde een niet verwaarloosbare rol in de sabotage van de wilde stakingen van de Limburgse mijnwerkers in 1966 en 1970; onlangs, tijdens de drastische rationalisaties bij VW Vorst probeerden de arbeiders het regionalistische keurslijf te doorbreken maar patronaat, regering en vakbonden verenigden zich om de beweging te breken door het communautaire vergif weer in te spuiten.
De arbeiders mogen zich ook niet laten inpakken door de campagne rond de toekomst van België, die er fundamenteel toe dient om ze het klassenspoor bijster te laten worden maar in tegendeel afstand te nemen en te begrijpen welke krachten er in het spel zijn. Met het ‘sub-nationalistische bedrog’ wordt geprobeerd de arbeidersklasse te verbergen dat het een veralgemeende wereldcrisis is die de Waalse industrie om zeep helpt en die de Vlaamse industrie vernietigt, dat het kapitalisme in zijn geheel in crisis is en ter discussie moet worden gesteld. En de bourgeoisie gebruikt het verstoorde evenwicht van haar staat net als de uitingen van ontbinding van haar eigen politieke leven om te voorkomen dat het bewustzijn van deze werkelijkheid bij de arbeiders tot ontwikkeling komt, om de strijdbaarheid te ondergraven en in een poging ze te binden aan ‘hun’ regionale bourgeoisie ter ‘verdediging van hun regio’.
Jos / 10.09.2007
De zomer van 2007 heeft de verergering van de gruwelen en oorlogschaos in een groot deel van de wereld alleen maar bevestigd. Al is de toestand in Libanon betrekkelijk en heel tijdelijk bedaard, in Afghanistan zagen we een toename van de strijd en van terroristische aanslagen door de Taliban. En dan blijft vooral Irak dat wegzinkt in het weerzinwekkende. Dagelijks zijn er tientallen doden, zowel bij bewapende botsingen als in zelfmoordaanslagen en slachtpartijen onder de bevolking. Deze blinde en dolle woede neemt overhand toe en breidt zich uit over het land als een echte vlucht voorwaarts die oncontroleerbaar is geworden. In de maand augustus zijn vijfhonderd mensen van de Yazidie gemeenschap (1) vermoord in vier achtereenvolgende zelfmoordaanslagen. Ondertussen ontketenen zich met ongehoorde brutaliteit afpersingen tussen Koerden, Soennieten en Sjiieten, en dikwijls nog binnen hun eigen milieu. In juli alleen al werden er 1.650 Iraakse burgers omgebracht en het ziet er naar uit dat de balans van de maand augustus nog erger zal zijn.
Dat weerhoudt de Iraakse president niet om te verklaren: “Er bestaat geen sjiitisch-soennitische oorlog, maar wel verdeeldheid binnen deze gemeenschappen” (2). Niet meer, niet minder!
Sinds 2003 zijn er meerdere tienduizenden Irakiërs gedood als rechtstreeks gevolg van de oorlog, de bevolking lijdt honger, zit zonder zorgstelsel, elektriciteit is een luxe geworden, net zoals water. Bagdad is omgevormd tot een verzameling ommuurde getto’s en herbergt rivaliserende bendes en aan elkaar vijandige gemeenschappen, terwijl hele families totaal uit elkaar gerukt zijn.
Meer dan twee miljoen mensen zijn binnen het land zelf verdreven met geen ander perspectief dan op het onmiddellijke vlak aan de slachtpartij te ontsnappen, en eenzelfde aantal is naar het buitenland gevlucht met een toekomst die al even onzeker is.
Wat het Amerikaanse leger betreft, dat telt al meer dan 3.000 ‘officiële’ doden, terwijl bepaalde officieuze Amerikaanse hospitaalbronnen het al hebben over 10.000, zonder de zelfmoorden te tellen die in 2006 al tegen de honderd bedroeg, en er doen geruchten de ronde dat er binnen het leger verzetshaarden zijn die met de dag duidelijker worden.
Dat is de onmiddellijke ‘erfenis’ van de grote strijd tegen het terrorisme van de ploeg rond Bush, en de coalitie die met hem is meegelopen, in een oorlog die nu door 58% van de Amerikanen wordt veroordeeld.
In deze context van schreeuwende onmenselijkheid is Kouchner, een fervent verdediger van de oorlog in Irak net als alle andere oorlogen ter wereld, als het maar ‘voor de goede zaak’ is, zich gaan bemoeien met Bagdad. Dit ‘verrassingsbezoek’ diende voor het overbrengen van een “simpele vriendschapsboodschap”, als drager van de internationale humanitaire vlam. Deze onvermoeibare reiziger van het Franse imperialisme heeft van de Irakiërs “geduld” gevraagd want men was juist aan het “begin van, naar hij hoopte, het einde gekomen van de crisis.” Wat een man met visie!
Nochtans kleeft er aan die enigszins belachelijke en ijdele aspecten van deze reis een onderliggende betekenis van de bedoeling van Frankrijk om weer mee te spelen op het Iraakse toneel, waar het graag weer invloed zou willen winnen. Het is vanzelfsprekend dat Frankrijk geen enkel werkelijk gewicht in de schaal kan werpen in de Iraakse toestand, naar het evenbeeld van de Verenigde Naties, naar het engagement van wie Kouchner met hart en ziel verwijst. Of het nu is in de context van de eventuele terugtrekking van de Verenigde Staten of in die van het voortzetten van hun aanwezigheid, terwijl Groot-Brittannië alle voorbereidingen treft voor zijn vertrek, kan men niet zien wat de objectieve inbreng van Parijs zou kunnen zijn bij het “helpen van de Verenigde Staten om een achterdeur te vinden om Irak te verlaten” (3). En dat terwijl de Franse inlichtingendiensten voortdurend aan de Franse president berichten over de elementen van chaos en van de groeiende ramp die het Amerikaanse leger ondergaat. Bovendien zou Frankrijk door zijn betrokkenheid weer in het vizier komen van terroristen.
Toch dient de schanddaad en het cynisme van de Franse regering en haar vertegenwoordigers aangestipt te worden die, bedekt met de humanitaire vredesmantel, de monsterachtigheden van de oorlog aanwenden, er ogenschijnlijk over ontsteld te zijn, om vervolgens achterbaks hun imperialistische en militaire behoeften na te jagen.
De anti-terroristische kruistocht van de Verenigde Staten is een totale mislukking die Washington werkelijk in een doodlopend straatje heeft gewerkt. De verschillende mogelijkheden die momenteel in overweging worden genomen zijn allemaal ongunstig. Bush is niet in staat gebleken om in Irak een regering met een minimum aan geloofwaardigheid op de been te houden. Ze is de directe uiting van de meningsgeschillen tussen Sjiieten en Soennieten, een regering die al drie jaar lang de helft van de door het Pentagon geleverde wapens aan de officiële Iraakse gezaghebbers hebben gestolen ten gunste van hun achtereenvolgende klieken. En dan nog zonder het te hebben over een politie waarvan vele elementen zelfmoordterroristen toegang verlenen tot de Amerikaanse militaire kampen. Dat is de betrouwbaarheid van de instanties en van de mannen die door de Verenigde Staten op Iraaks grondgebied in het zadel zijn geholpen. Als de Verenigde Staten blijven zal dat niets aan de toestand veranderen behalve hem ter plekke nog verergeren en in de Verenigde Staten zelf de anti-oorlogsoppositie verder aanwakkeren. Het vertrek zal enkel over verschillende maanden gespreid kunnen plaatsvinden. Omdat er 150.000 man ter plaatse is met hun materieel is het voor het Amerikaanse leger zelf gevaarlijk, omdat het de weg opent naar een uitbarsting van alzijdige oorlogsterreur die nog erger zou zijn dan de huidige en de poorten zou openen voor Iran dat zijn kans afwacht. En het zijn niet de 90 man die de Verenigde Naties daarheen wil sturen, in plaats van de huidige 65, die het tegengewicht gaan vormen!
Toch wordt het vooruitzicht van minstens een gedeeltelijke terugtrekking onder ogen gezien door de Bush-administratie. En het is in die zin, en om tegengewicht te bieden aan de overheersingsdrang van Teheran, dat er inspanningen worden geleverd om een blok op de been te brengen van Arabische landen die bondgenoten zijn van Amerika, door hen versterking aan te bieden van hun militair potentieel: de komende tien jaar twintig miljard ultraverfijnde bewapening voor Saoedi-Arabië, Qatar, Bahrein, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten en dertien miljard dollar voor Egypte in dezelfde periode. Maar daar zit ’m de kneep, want Israël eist zijn tegenwaarde, wegens het feit dat zijn militaire heerschappij in twijfel zou kunnen worden getrokken, net als zijn rol van ‘politieagent’ van de regio. Daarom hebben de Verenigde Staten Israël een ‘compensatie’ van dertig miljard dollar aan wapens toegekend. Dit wil zeggen een aanzienlijke toename van 25% van hun militaire leveringen aan Tel Aviv.
Zo ziet men dat de Amerika zelf een opbod aan bewapening organiseert in een hoogst riskante regio en voor landen zoals Saoedi-Arabië dat in Washington zelfs beschuldigd wordt van het ondersteunen van de terroristische Soennieten, ja zelfs van Al Qaïda. In een wereld waar de regel heerst van het ‘ieder voor zich’ bestaat het antwoord dat de grootste wereldmacht probeert te geven uit niets anders dan het verergeren van het opvoeren van dit ‘ieder voor zich’ en de oorlogsspanningen.
Breed genomen bestaat er een koortsachtige wapenwedloop, die zich sinds eind 2006 aanzienlijk ontwikkelt en die zich verbreidt over talrijke grootmachten. En in deze versnelling van de kapitalistische oorlogsgekte, staat de kernbewapening steeds meer bovenaan. Op zich is dat geen verrassing. De kernproeven van Noord-Korea begin 2006, de sinds een jaar herhaalde Iraanse aankopen van kerntechnologie en raketten van Rusland, de weifelende houding van tweederangs mogendheden zoals Brazilië over hervatting van hun kernprogramma, enzovoort, waren tekens aan de wand dat elk land er niet langer genoegen mee neemt om schuil te gaan onder de kern-‘paraplu’ van de een of andere grootmacht, maar in tegendeel zichzelf wil gaan verdedigen.
In januari 2007 werd een weersatelliet vernietigd door een Chinese raket, een vernietiging in de ruimte die de zwakte duidelijk maakte van het Amerikaanse vermogen om de lucht-, zee- en landbewapening in ver afgelegen conflicten te geleiden. En de Verenigde Staten stonden eveneens aan de basis van deze versnelling door het voorstel om het anti-raketschild bijna tot aan de grens van Rusland uit te breiden. Rusland moest dat natuurlijk beantwoorden, en zaten er slechts op te wachten, via vage bedreiging om te gaan richten op Europa en later via de meer concrete dreiging van het installeren van raketten in Kaliningrad, aan de Baltische Zee, net tussen Polen en Litouwen, op een paar passen van het Amerikaanse schild.
Maar de wedloop van de kernbewapening draait niet langer enkel om de grootmachten. We zien inderdaad dat er zich een kernstrook ontwikkelt van het Midden-Oosten naar het Nabije Oosten en tot in Oost-Azië. Als we Iran meetellen als mogelijke kernmacht zouden we een bijna doorlopende cirkel kunnen trekken die volgestouwd is met kernraketten, gaande van Israël naar Noord-Korea, via Pakistan, India en China, overkoepeld door het Russische arsenaal. Kortom een atoom kruitvat, in het bijzonder in bepaalde regio’s die nu al kruitvaten zijn en plekken van voortdurende oorlogsconflicten.
In de context van het hedendaagse voortwoekeren van allerlei conflicten wordt de draad waaraan het zwaard van Damocles van de kernbedreiging die boven ons hoofd hangt steeds verder gespannen. En het zijn niet de Salt-akkoorden die daartegen enige waarborg bieden. Enkel de massale ontwikkeling van de arbeidersstrijd die kan leiden tot het omver werpen van deze kapitalistische maatschappij, en die noodzakelijk is om een eind te maken aan de terroristische en kernoorlogsdreiging, kan de weg openen van een toekomst voor de mensheid.
Mulan / 30.08.2007
(1) De Yazidies zijn een religieuze gemeenschap die beschouwd worden als ketters door de Soennitische moslimorthodoxie. Een groot aantal onder hen zijn Koerden.
(2) Le Monde, 22 augustus 2007.
(3) Geciteerd door Le Canard Enchaîné van 22 augustus 2007.
De opstand was het werk van de sovjets, maar ze hadden die niet tot een goed einde kunnen brengen zonder de doorslaggevende rol van de bolsjewistische partij, die gedurende heel het revolutionair proces in symbiose gehandeld heeft met de klasse in haar geheel. Haar activiteit had de ontwikkeling van het klassenbewustzijn als centrale krachtlijn: “Het is inderdaad een geduldig werk van verheldering van het klassenbewustzijn en van samenhang van de proletariërs van de stad en van het platteland” (2). Anderzijds stelde zij vertrouwen in het vermogen tot eenheid en zelforganisatie van het proletariaat: “Geloof niet in woorden. Laat u niet inpakken met beloften. Overschat uw krachten niet. Organiseer u in elk bedrijf in elk regiment en in elke compagnie, in elke wijk. Werk dag na dag, uur na uur om u te organiseren...” (3). De zege van de revolutie “dankten de bolsjewieken aan hun kennis van de behoeften van de arbeidersklasse” (1). Bovendien is het zo dat het proletariaat, in tegenstelling tot de bourgeoisie en als gevolg van haar specifieke situatie in de maatschappij, over geen enkele economische of politieke basis beschikt binnen de maatschappij. Zijn enige wapens zijn haar bewustzijn (product van de lessen die het trekt uit zijn historische ervaring tegen het kapitalisme, en actieve factor in zijn strijd) en zijn organisatie (enerzijds de eenheidsorganisatie, de arbeidersraden, en anderzijds zijn politieke organisatie, de partij die de meest bewuste elementen van de klasse groepeert). De latere nederlaag van de revolutie die in Rusland begonnen was, zal in de eerste plaats te wijten zijn aan de nederlaag van de wereldrevolutie (mislukking van de Duitse revolutie voorop) en aan het isolement van het eerste proletarisch bastion. Wat betreft de kunst van de opstand zei Lenin: “De opstand, om met succes bekroond te worden, moet als steunpunt niet een complot hebben, niet een partij, maar een geavanceerde klasse. Dat om te beginnen. De opstand moet zich steunen op het revolutionair elan van het volk. Dat in de tweede plaats. De opstand moet steunen op een keerpunt in de geschiedenis van de groeiende revolutie, op het moment waarop de activiteit van de volksmassa’s haar hoogste graad bereikt, waarop de aarzelingen in de rangen van de vijand hun hoogste graad bereiken, net als bij de zwakke vrienden van de revolutie, de dubbelzinnigen en onbeslisten. Dat op de derde plaats. Door deze manier van de drie voorwaarden van de opstand te stellen, verschilt het marxisme van het blanquisme.” (Marxisme en Opstand). In die zin blijft de proletarische Oktober levend door het voorbeeld dat hij ons geeft van de noodzaak, de mogelijkheid en de middelen om de proletarische wereldrevolutie tot stand te brengen.
De ineenstorting van het Oostblok in 1989 heeft het ontketenen van leugens met betrekking tot de proletarische revolutie van Oktober 1917 verdubbeld. De smerigste van die leugens is die welke beweert dat de overweldigende ineenstorting van de regimes van het Oostblok, het definitief bankroet van het stalinisme, in feite juist het failliet van de revolutie van Oktober 1917 is. ‘Het kommunisme is dood’ herhalen ze tot vervelens toe. In die schandalige gelijkstelling van kommunisme met stalinisme, terwijl dat laatste het afzichtelijk concentraat is van het kapitalisme in verval, hebben demokroten en stalinisten alsook de trotskistische groepen elkaar altijd, over hun tegenstellingen heen, teruggevonden in een heilig verbond om de arbeiders wijs te maken dat het, ondanks alle fouten en misvormingen, het socialisme was dat heerste in het Oostblok. Het in stand houden van die monsterlijke fictie van het ‘socialisme’ in het Oostblok is vandaag meer dan ooit van groot belang voor de bourgeoisie. Het gaat erom de arbeiders te doen geloven dat er buiten het kapitalisme niets te verwachten valt. Als volgens de bourgeoispropaganda revolutie gelijkstaat aan goelag, dan is dat omdat Oktober 1917 in ieder geval niets meer was dan een ‘vulgaire staatsgreep’ begaan door de ‘boosaardige bolsjewieken’. Die cynische vervalsing bewijst dat de wereldbourgeoisie vóór alles een onderneming vreest zoals die van Oktober, waarin miljoenen proletariërs, die achter zich alle andere uitgebuite lagen van de maatschappij meetrekken, erin geslaagd zijn zich bewust te verenigen en collectief te handelen om meester te worden van hun eigen lot. Inderdaad, de revolutie van oktober 1917 in Rusland en de internationale revolutionaire golf die erop volgde tot in de jaren 1920, blijven tot op vandaag het enig moment in de geschiedenis waarop de burgerlijke overheersing ofwel omvergeworpen werd door het proletariaat (in Rusland in 1917) of echt daardoor bedreigd werd (in Duitsland in 1919).
SB
(1) Victor Serge, L’An I de la Révolution Russe, deel I, Ed. Maspéro.
(2) Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie.
(3) Lenin, Inleiding tot de conferentie van april 1917.
Enkele maanden geleden ontvingen we via internet (1) twee berichten over Che Guevara van een kameraad die E.K. tekent. Wij drukken hier de brief af die we hem begin april stuurden, maar maken van de gelegenheid gebruik om ons antwoord te verbreden en te vervolledigen over kwesties die toen niet werden uitgewerkt. We publiceren deze correspondentie omdat, zoals EK zelf opmerkt, we middenin “de herdenkingen zitten van veertig jaar sinds zijn dood in de strijd”. Voor ons, de IKS, gaat het er niet om mee te doen aan deze herdenkingsronde, maar integendeel, om te proberen te begrijpen of Che Guevara inderdaad een revolutionair was en of de arbeidersklasse en de jonge generaties zich al dan niet moeten beroepen op zijn actie.
Voor kameraad EK is Che een authentieke strijder voor de zaak van de onderdrukte volkeren. Voor hem staat inderdaad “het internationalisme van Che buiten kijf. Hij staat model voor de internationale strijder en voor de solidariteit tussen de volkeren.” Hij zou bijvoorbeeld een van de weinige revolutionairen zijn geweest die het regime van de Sovjet-Unie bekritiseerd heeft: “Tijdens het tweede studiedag van de Afro-Aziatische solidariteit bekritiseert Che zonder omwegen de conservatieve en uitbuitersstandpunten van de Sovjet-Unie.” En tenslotte zet EK in zijn eerste bericht zijn visie op het proletariaat en op de rol van de revolutionairen uiteen: “Wat betreft de historische uitvoerder van de sociale omvorming is er naar mijn oordeel geen reden om het begrip van het proletariaat te beperken tot enkel de arbeiders als absolute negatie van de menselijke conditie. [...] Het is de taak van de intellectuelen om, met uitermate politieke middelen, het bewustzijn van zijn omstandigheden bij het proletariaat binnen te brengen.”
Na ons eerste antwoord stuurde EK ons zeer snel een tweede bericht waarin hij zich sterk afzet tegen al degenen die Che in een icoon veranderen, met een massa T-shirts en allerlei posters met zijn beeltenis: “De verheffing van Che tot een mythe via de vermenigvuldiging van zijn beeld neigt ertoe zijn leven en werk te verdoezelen.” Maar vooral benadrukt hij dat “Che, door duidelijk afgelijnde doelen na te streven, er heel logisch toe afstand neemt van het sociaalimperialistisch model van de Sovjet-Unie. De CIA en de KGB werken zelfs samen om zich van hem te ontdoen tijdens zijn revolutionaire poging in Bolivia.” En de kameraad besluit: “Ernesto Che Guevara heeft zijn intellectuele oprechtheid met de dood betaald. Hem eer betonen betekent zijn teksten lezen; de herinnering aan hem te doen voortleven betekent zijn strijd voort te zetten; hem recht doen betekent zijn waarden overnemen. Aan de vooravond van de herdenking van veertig jaar sinds zijn dood in de strijd, is het hoog tijd zijn gedachten kracht bij te zetten en zijn ideeën leven in te blazen.”
We bedanken je voor je bericht van begin april. Gelieve ons te verontschuldigen voor deze late aanvulling op ons antwoord. Wij willen hier kritiek leveren op wat je ons schreef. Deze kritiek betekent voor ons geen complete afwijzing, integendeel. Wij zijn steeds bereid je vragen en standpunten te beantwoorden. We willen antwoorden op wat je schreef over Che Guevara door, zoals je vraagt, zo oprecht en serieus mogelijk te onderzoeken waaruit “zijn waarden”, “zijn ideeën” en “zijn strijd” werkelijk bestonden.
Is Che Guevara een voorbeeld voor de revolutionaire jeugd van vandaag?
In oktober dit jaar is het veertig jaar geleden dat Che Guevara stierf, gedood door het Boliviaanse leger, in dienst van de Amerikaanse CIA.
Sinds 1967 is ‘El Che’ een symbool geworden voor de eeuwige ‘romantische revolutionaire jeugd’: jong gestorven, met de wapens in de hand, in de strijd tegen het Amerikaans imperialisme, grote “verdediger van de arme massa’s van Latijns Amerika”. Heel de wereld kent dat beeld van Che met de baret met de ster op zijn hoofd, de trieste blik op oneindig.
Zijn beroemde ‘reisdagboeken’ hebben er veel toe bijgedragen de geschiedenis van deze gerevolteerde bekend te maken. Hij kwam uit een gegoede, een beetje ‘bohémien’ familie uit Argentinië, en stort zich in een avontuurlijke reis op de motor door Zuid Amerika, waarbij hij zijn medische kennis in dienst stelt van de armen... Hij leeft in Guatemala op een moment (1956) dat de Verenigde Staten daar de zoveelste staatsgreep beramen tegen een regering die hen niet aanstaat. Die voortdurende greep op de landen van Latijns Amerika door de Verenigde Staten zal bij hem heel zijn leven een gloeiende haat daartegen voeden. Later sluit hij zich aan bij de Cubaanse groep van Castro, die naar Mexico is gevlucht na een mislukte poging de Cubaanse dictator Batista, die lang door de Amerikanen gesteund werd (2), omver te werpen. Na een reeks avonturen nestelt de groep zich in de bergen op Cuba, tot aan de nederlaag van Batista begin januari 1959. De ideologische kern van deze groep is het nationalisme, ‘marxisme’ is maar een bijkomstig omhulsel voor een heftig ‘verzet’ tegen de yankees, ook al noemen enkele elementen, waaronder Guevara, zichzelf ‘marxist’. De Cubaanse Communistische Partij, die op een bepaald moment Batista trouwens steunde, stuurt in 1958 Carlos Rafael Rodríguez, een van haar leiders, om slechts enkele maanden voor deze overwint, met Castro te praten.
Die guerrilla is geenszins de uitdrukking van enige boerenrevolte, en nog minder van de arbeidersklasse. Ze is de militaire uitdrukking van één fractie van de Cubaanse bourgeoisie die een andere fractie wil omverwerpen om haar plaats in te nemen. Aan de machtsgreep door de guerrilla van Castro komt geen ‘volksopstand’ te pas. Zoals wel vaker in Latijns Amerika neemt het de vorm aan van de vervanging van de ene militaire kliek door een andere militaire formatie waarin de uitgebuite en verarmde lagen van de bevolking van het eiland, al of niet opgetrommeld door de putschistische strijders van de guerrilla, geen belangrijker rol spelen dan die van het toejuichen van de nieuwe machthebbers. Geconfronteerd met het tamelijk zwakke verzet van de soldaten van Batista lijkt Guevara een onverschrokken guerrillero wiens vastberadenheid en groeiend charisma zijn meester Fidel in de schaduw dreigt te stellen. Na de overwinning op Batista belast Fidel Castro Che met het installeren van ‘revolutionaire rechtbanken’, een bloedig schimmenspel in de beste traditie van de afrekeningen tussen fracties zoals die gebruikelijk is bij verschillende nationale bourgeoisieën, vooral in Latijns Amerika. Che Guevara neemt zijn nieuwe rol ter harte, met overtuiging en ijver, door een ‘volksgerecht’ in te stellen waarin men om de massa’s stoom te laten afblazen niet alleen de voormalige beulen van het Batistaregime veroordeelt, maar ook om het even wie die het ongeluk heeft ‘aangegeven’ te worden. Guevara gaat daar later trouwens prat op, wanneer hij voor de Verenigde Naties in antwoord op Latijns Amerikaanse vertegenwoordigers die zich als brave ‘democratische’ zielen verontwaardigen over zijn methodes, verklaart: “Wij hebben gefusilleerd, wij fusilleren en zullen blijven fusilleren zolang dat nodig is.” Die praktijken hebben niets te maken met een of andere onhandige uitvoering van wat voor revolutionaire rechtvaardigheid dan ook. We herhalen het: het zijn de typische methodes van een fractie van de bourgeoisie die met wapengekletter de overhand behaald heeft over een andere fractie.
Men kan zich in zijn dromen dan nog vereenzelvigen met de sobere ‘held’ van de Sierra Maestra, met de ‘heldhaftige guerrillero’ die enkele jaren later sneuvelt in de Boliviaanse bergen, maar in de werkelijke wereld heeft hij alleen de rol gespeeld van uitvoerder van smerige werkjes bij de vestiging van een regime dat alleen in naam kommunistisch is.
Je schrijft dat “het internationalisme van Che buiten kijf staat” en dat “tijdens het tweede studiedag van de Afro-Aziatische solidariteit Che zonder omwegen de conservatieve en uitbuiters standpunten van de Sovjet-Unie” bekritiseerde.
Het nationalistisch regime van Castro drapeerde zich al snel in een mantel van ‘kommunisme’, anders gezegd: het regime koos partij voor... het imperialistisch kamp dat door de Sovjet-Unie werd beheerst. Omdat Cuba maar op enkele zeemijlen van de Amerikaanse kust ligt, moest dat de leider van het Westers blok natuurlijk verontrusten. Het proces van stalinisering van het eiland, met een ruime aanwezigheid van burgerpersoneel, militairen en geheime agenten uit het Oostblok, groeit naar een hoogtepunt tijdens de ‘rakettencrisis’ van 1962.
In de loop van dat proces wordt Che Guevara, nu minister van industrie (1960-1961) door Castro naar de landen van het Oostblok gestuurd om het nieuwe verbond met het ‘socialistische kamp’ te versterken. Che zingt daar de lof van de Sovjet-Unie: “dit land dat zo diep van de vrede houdt”, “waar gedachtenvrijheid heerst”, “de moeder van de vrijheid”... Hij bezingt evenzeer het “buitengewone” Noord Korea, en het China van Mao waar “iedereen vol enthousiasme is, iedereen overuren maakt”, en ga zo maar verder voor het geheel van de Oostbloklanden: “de prestaties van de socialistische landen zijn buitengewoon. Er is geen vergelijk mogelijk tussen hun levenswijze, hun ontwikkelingsmodel, en dat van de kapitalistische landen.” Een ware verheerlijker van het stalinistisch model! We komen straks nog terug op de ‘liefdesbreuk’ van Guevara met de Sovjet-Unie. Maar in tegenstelling tot wat je zegt heeft Che nooit enige principiële twijfel geuit over het stalinistisch systeem. Voor hem waren de Sovjet-Unie en haar blok het “socialistisch, vooruitstrevende” kamp en zijn eigen strijd maakte volop deel uit van het Russische blok tegen het Westerse. De slogan die Che aanhief was: “Twee, drie, vele Vietnams”. Dat was geen ‘internationalistische’ slogan, maar klip en klaar nationalistisch en in het voordeel van het Russische blok! Het criterium waar hij vanuit gaat is niet de sociale verandering, maar de haat tegen het andere blokhoofd, de Verenigde Staten.
Inderdaad werd de wereld na de Tweede Wereldoorlog verdeeld in twee tegengestelde blokken, het ene onder de knoet van de Amerikaanse mogendheid, het andere onder dat van de Sovjet-Unie. De ‘nationale bevrijding’ blijkt dan een perfect ideologisch bedrog om de bevolking telkens weer militair te mobiliseren. In die oorlogen hadden noch de arbeidersklasse, noch de andere uitgebuite klassen iets te winnen, ze dienden enkel als massa’s waarmee de verschillende fracties van de heersende klasse en hun imperialistische peetvaders konden manoeuvreren. De verdeling van de wereld in twee imperialistische blokken na de akkoorden van Yalta betekende dat wanneer een land van het ene blok afscheurde, het onvermijdelijk in het andere blok terechtkwam. En daarvan bestaat geen beter voorbeeld dan dat van Cuba: dat land stapte over van de corrupte dictatuur van Batista, onder de directe controle van Washington, zijn geheime diensten en allerlei soorten maffia, over naar de greep van het stalinistisch blok. De geschiedenis van Cuba is in een notendop de tragische geschiedenis van de ‘nationale bevrijdingsstrijd’ gedurende bijna een halve eeuw!
Dus, fundamenteel, voordat we kunnen vaststellen wanneer en hoe Guevara zich min of meer zou hebben ‘afgekeerd’ van de Sovjet-Unie, moeten we duidelijk scheppen over de aard van de Sovjet-Unie en haar blok. Achter de verdediging van een ‘revolutionaire’ Che Guevara schuilt het idee dat de Sovjet-Unie, min of meer, of men wil of niet, ondanks al haar gebreken... toch het “socialistisch, vooruitstrevende blok” was. Dat is de grootste leugen van de twintigste eeuw. Zeker, er is een proletarische revolutie geweest in Rusland, maar ze werd verslagen. De stalinistische vorm van de contrarevolutie hief de slogan “opbouw van het socialisme in één land” aan, een slogan die lijnrecht tegenover de natuurlijke en fundamentele basis van het marxisme staat. Voor het marxisme geldt: “de proletariërs hebben geen vaderland” (3)! Dit internationalisme, een zeer tastbaar internationalisme, was het kompas van de internationale revolutionaire golf die begon in 1917, het kompas van alle revolutionairen van die tijd, van Lenin en de bolsjewieken tot aan Rosa Luxemburg en de Spartakisten (4). De absurde aanname van de ‘theorie’ van een ‘socialistisch vaderland’ dat verdedigd zou moeten worden ging samen met het systematisch gebruik van een burgerlijke methode: die van terreur en staatskapitalisme, van het laarzengestamp, van de meest totalitaire en wrede vorm van kapitalistische uitbuiting!
Aan de kritieken van Che op de Sovjet-Unie ligt de ‘rakettencrisis’ van 1962 ten grondslag. Voor de Sovjet-Unie vormde het een buitenkansje dat ze de hand kon leggen op Cuba. Zo kon ze de Verenigde Staten met gelijke munt betalen, die de Sovjet-Unie vanuit haar buurlanden, zoals Turkije, kon bedreigen. De Sovjet-Unie begon op enkele zeemijlen van de Amerikaanse kust lanceerinstallaties voor raketten met atoomkoppen te plaatsen. De Verenigde Staten reageerden onmiddellijk door een algeheel embargo af te kondigen voor het hele eiland, waardoor de Russische schepen rechtsomkeer moesten maken. Chroesjtsjov, toen meester van het Kremlin, wordt uiteindelijk gedwongen zijn raketten terug te trekken. In oktober 1962 bracht de imperialistische confrontatie tussen degenen die zich ‘de vrije wereld’ noemden en degenen die zich voorstelden als de ‘vooruitstrevende socialistische wereld’ de mensheid enkele dagen lang op de rand van de afgrond. Chroesjtsjov wordt dan door de Castristische leiders beschouwd als een ‘slappeling’, te laf was om de Verenigde Staten aan te vallen. In een aanval van patriottische hysterie, waarin de Castristische slogan ‘vaderland of dood’ zijn meest sinistere betekenis krijgt, waren ze bereid het volk te offeren op het altaar van de nucleaire oorlog (zij zouden gezegd hebben dat het volk bereid was zich op te offeren). In dat perverse delirium moest Guevara wel de spits afbijten. Hij schreef: “Zij hebben gelijk [de landen van de OEA (5), die de ‘Cubaanse subversie’ vrezen], want dit is het afschrikwekkende voorbeeld van een volk dat bereid is zichzelf met atoomwapens te laten vernietigen opdat zijn as dient als cement voor nieuwe maatschappijen, en dat, wanneer een akkoord gesloten wordt over de terugtrekking van de atoomraketten zonder daarbij geraadpleegd te zijn, geen zucht van verlichting slaakt of erkentelijk is voor het bestand. Het werpt zich in de arena [...] om zijn beslissing kracht bij te zetten de strijd voort te zetten, desnoods geheel alleen, tegen alle gevaren in, en zelfs tegen de atoomdreiging van het yankee imperialisme.” (6). Deze ‘held’ heeft besloten dat het Cubaanse volk bereid was zichzelf te laten vernietigen voor het vaderland... Blijkt dus dat de grond voor de ‘teleurstelling’, van de kritiek op de Sovjet-Unie niet was gelegen in het verlies van geloof in de deugden van het ‘sovjetkommunisme’ (in werkelijkheid het stalinistisch kapitalisme), maar integendeel in het feit dat dit systeem haar oorlogslogica niet tot het eind wil volgen, tot aan de confrontatie op het hoogtepunt van de periode van de ‘koude oorlog’. En de rede die Che Guevara in Algiers afstak en waarop jij je beroept om te kunnen beweren dat Che zich afkeerde van het sociaalimperialistisch model van de Sovjet-Unie verandert niets aan het feit dat Guevara bleef vasthouden aan de stalinistische standpunten. Integendeel! In die fameuze redevoering stelt hij wel de ‘koopmansgeest’ in de verhoudingen tussen de landen van het blok van de Sovjet-Unie ter discussie, maar hij blijft hen socialistisch en “bevriende volkeren” noemen: “De socialistische landen zijn, in zekere mate, medeplichtig aan de imperialistische uitbuiting [...]. [Ze] hebben de morele plicht hun stilzwijgende medeplichtigheid te beëindigen met de uitbuitende landen van het Westen.” Een dergelijke kritiek mag dan radicaal lijken, maar het is de kritiek van iemand van binnenin het stalinistisch systeem. Erger nog, het is de kritiek van een verantwoordelijke die met al zijn krachten heeft deelgenomen aan het invoeren van een dergelijk staatskapitalistisch systeem op Cuba! Later zal Guevara officieel trouwens nooit meer enige kritiek uitbrengen op de Sovjet-Unie.
Toen Che Guevara in 1967 door de CIA en het Boliviaanse leger vermoord werd, was hij niet alleen het slachtoffer van het Amerikaans imperialisme, maar ook van de nieuwe politieke oriëntatie van het Kremlin, namelijk de “vreedzame coëxistentie” met het Westerse Blok. We gaan hier niet uiteenzetten hoe de leiding van de Sovjet-Unie en haar blok tot die ‘ommezwaai’ kwam. Die ‘ommezwaai’ heeft echter niets te maken met enig ‘verraad’ aan de volkeren die ‘zich wilden bevrijden’ van het imperialisme, noch aan het proletariaat. Het beleid van de stalinistische heersende klasse veranderde wel vaker naar gelang haar belangen als heersende klasse, en juist de rakettencrisis bewees de leiders van het stalinistisch imperialisme dat ze niet de middelen hadden om het hoofd van het andere blok net aan zijn voordeur uit te dagen, en dat ze voorzichtig moesten zijn in Latijns Amerika. Dat wilden Guevara en een fractie van de Cubaanse leiders niet begrijpen, tot op het punt dat ze hinderlijk werden, niet alleen voor de Sovjet-Unie, maar ook voor hun eigen Cubaanse vrienden. Van dat moment af was het lot van Guevara bezegeld: na het rampzalige avontuur in Kongo (7) bevindt hij zich helemaal alleen in Bolivia, met een handvol wapenmakkers, in de steek gelaten door de Boliviaanse Communistische Partij die zich uiteindelijk tot de lijn van Moskou bekeerde. Voor de meest Moskougezinde fracties waren de voorstanders van de ‘foco’-tactiek (guerrillahaard) kleinburgers op zoek naar avontuur, “afgesneden van de massa’s”. En voor de fracties van de Communistische Partij die voor de gewapende strijd waren, met hun kritische steun van allerlei slag, waren de ‘officiëlen’ van de KP enkel “salon-revolutionairen”, verburgerlijkte bureaucraten... en eveneens “afgesneden van de massa’s”. Voor ons, die ons beroepen op de Kommunistische Linkerzijde, gaat het hier om twee vormen van dezelfde contrarevolutie, twee varianten van de grootste leugen van de eeuw, die eruit bestaat de stalinistische contrarevolutie te laten doorgaan voor voortzetter van de Oktoberrevolutie, en de Sovjet-Unie voor kommunistisch.
Voor jou bestaat de taak van de intellectuelen er uit “het bewustzijn van zijn omstandigheden bij het proletariaat binnen te brengen...”. Je lijkt hier de visie over te nemen van Che over de “revolutionaire elite”. Maar verbergt het standpunt van Che in feite geen diep misprijzen voor de arbeidersklasse? Waarover gaan zijn lyrische uithalen over “de nieuwe mens in de Cubaanse revolutie” eigenlijk?
De proletarische revolutionaire eenheid heeft een zeer concrete praktische basis: de klassensolidariteit. Die spontane solidariteit in de organisatie van de strijd, die bestaat uit onderlinge hulp en broederlijkheid, voedt de kwaliteiten van proletarische revolutionaire toewijding. Maar die ‘toewijding’ klinkt uit de mond van Guevara, in het beste geval, als een haast mystieke oproep tot het hoogste offer (men moet hem nageven dat hij altijd klaarstond om dat offer te brengen, en waarschijnlijk was hij bereid een ‘martelaar’ te worden van de imperialistische zaak die hij verdedigde, samen met het ‘vrijwillige’ Cubaanse volk, tijdens de rakettencrisis)... Maar belangrijker dan zijn eigen ‘voorbeeldige’ gedrag blijft er de visie van ‘offer’ of ‘heldendom’ (van hetzelfde allooi als het patriottisch idealisme dat verheerlijkt en verspreid werd door de stalinisten van het ‘Verzet’ tijdens de Tweede Wereldoorlog) dat van bovenuit moest worden opgelegd, al naar gelang de behoeften van de staat en onder de knoet van een líder maxímo (opperste leider). Deze visie berust op het misprijzen van een kleinburgerlijk intellectueel voor de ‘proletarische massa’ die van bovenuit bekeken wordt, die men zegt te willen ‘opvoeden’ zodat ze de ‘weldaden van de revolutie’ zouden kunnen begrijpen. “De massa”, verklaarde Guevara neerbuigend, “handelt niet als een gedweeë kudde. Het is waar dat ze zonder aarzelen haar leiders volgt, vooral Fidel Castro...” “Als men de zaken oppervlakkig bekijkt, dan kan men denken dat zij die spreken van onderwerping van het individu aan de staat gelijk hebben, maar de massa’s realiseren met ongeëvenaard enthousiasme en discipline de taken die de regering vooropstelt, of die nu economisch, cultureel, inzake verdediging of sportief zijn... Het initiatief komt meestal van Fidel of van het oppercommando van de Revolutie en wordt aan de bevolking uitgelegd die het tot het hare maakt” (Socialisme en de mens op Cuba, 1965).
In feite put jouw redenering, wanneer je ons zegt “dat er geen redenen zijn om het begrip proletariaat te herleiden tot alleen de arbeiders”, zonder twijfel en ongewild haar wortels uit deze misprijzende visie op de arbeidersklasse. Een van de kenmerken van de incarnaties die het stalinisme aanneemt (van Maoïsme tot Castrisme) is het wantrouwen en misprijzen voor de arbeidersklasse, waarbij van een mythische arme boerenstand de ‘drijfkracht van de revolutie’ wordt gemaakt, geleid door intellectuelen die, zij wel, het bewustzijn bezitten en dat in de hersens van de massa’s ‘binnenbrengen’. In het beste geval is de arbeidersklasse voor die neostalinisten een massa waarmee gemanoeuvreerd kan worden en die als historische referentie dient, een figurant in hun revolutie. In de geschriften van deze pseudo-revolutionairen vindt men nooit enige verwijzing naar een georganiseerde arbeidersklasse als dusdanig en naar de machtsorganen van de klasse, de sovjets. Deze klonen van het stalinisme hebben er geen behoefte meer aan hun staatskapitalistische ideologie te verbergen en te spreken van arbeidersraden of andere uitdrukkingen van het proletarische leven in de Russische Revolutie. Er is alleen nog een staat die geleid wordt door enkele ‘verlichte’ geesten en daaronder de massa, die men soms nog ‘initiatief’ laat nemen, georganiseerd in de ‘comités ter verdediging van de revolutie’ en andere organismen van sociale controle.
En op Cuba liepen de vakbonden eens te meer voorop bij de organisatie van, en leiding over de arbeidersklasse, en dat hoeft ons geenszins te verbazen. De Cubaanse vakbonden (CTC) waren al vakbonden op z’n Amerikaans, perfect geïntegreerd in het ‘liberale kapitalisme’ en in zijn corruptie. In 1960 worden ze door de Cubaanse leiding zeer snel omgevormd tot vakbonden met een stalinistisch sausje, op een bureaucratische en staatsgebonden leest. De eerste beslissingen van het Castristisch regime belastten de vakbonden met het organiseren van de gelijkschakeling van de lonen naar beneden toe en het laten respecteren van het stakingsverbod in de bedrijven, als gepatenteerde politiemannen! Eens te meer zal die aanval op de arbeidersklasse worden gerechtvaardigd met de anti-Amerikaanse ideologie en de “verdediging van het Cubaanse volk”. Toen in die periode arbeiders van bedrijven die afhingen van Amerikaanse kapitalen in staking gingen tegen de loonsdaling, maakten de Castristische leiders van de gelegenheid gebruik om deze staking van ‘bevoorrechten’, bij monde van de nieuwe Castristische leider van de CTC, te veroordelen, en een “staking tegen de staking” uit te roepen.
In de voorbije weken kregen we controverses voorgeschoteld over leven en werk van Che. Enerzijds, in de lijn van de apostelen van de ‘dood van het kommunisme’, warmden de rechtse fracties van de bourgeoisie, braaf geholpen door enkele historici die altijd bereid zijn de ‘anti-democratische’ rol van Che op te kloppen, zijn rol van beulschef als verantwoordelijke voor de ‘revolutionaire’ rechtbanken in het begin van de Castristische periode, waarbij ze elkaar de mantel uitveegden over de kwesties of die executies nu al of niet buitensporig waren, of er een ‘bloedbad’ had plaatsgevonden of niet, of de rechtspraak ‘gematigd’ dan wel ‘willekeurig’ was. Voor ons, zoals we hierboven al zeiden, speelde hij gewoonweg zijn rol die nodig was voor het invoeren van een nieuw regime dat even burgerlijk en onderdrukkend was als het vorige. Aan de andere kant worden we platgeslagen met leugens en halve waarheden om hem te vereren. We hoeven maar te zien hoe de Ligue Communiste Révolutionnaire, met haar ambitie de Franse Communistische Partij te vervangen als eerste ‘anti-kapitalistische’ partij van Frankrijk, ‘El Che’ ophemelt en zijn ‘jong en rebels’ imago uitbuit.
Beste kameraad EK, de realiteit is deze: bij al die jongeren die T-shirts dragen met de beeltenis van Che zijn er zeker met een groot en eerlijk hart, die het onrecht en de verschrikkingen van deze wereld willen bestrijden. Bovendien, als Che naar voren wordt geschoven, dan is het vooral om het enthousiasme te steriliseren dat de revolutionaire passie voedt. Maar Che is zelf slechts één figuur uit de lange lijst nationalistische en stalinistische leiders, misschien wat innemender dan de anderen, maar evengoed een vertegenwoordiger van die tropische incarnatie van de stalinistische contrarevolutie, het Castrisme.
Ondanks onze meningsverschillen, kameraad EK, blijft de discussie natuurlijk open... Meer nog: we nodigen je er hartelijk toe uit.
IKS
(1) https://fr.internationalism.org/contact [27].
(2) De onderneming werd feitelijk met het succes van de omverwerping van Batista door Castro en Guevara bekroond door de steun van de Verenigde Staten en de welwillendheid van een rechtse partij die de corruptie van het regime veroordeelde. Door het wapenembargo waartoe de Amerikaanse regering voor Cuba besloot ontbrak het Batista aan doorslaggevende middelen om tegen de guerrilla op te treden. Het is pas na enkele maanden dat de betrekkingen tussen de nieuw macht en de Verenigde Staten verslechteren en het is onder dreiging van een militaire interventie dat Castro zich tot het Russische Blok wendt.
(3) Beroemd citaat uit Het communistisch manifest, geschreven door Marx en Engels.
(4) Zie onze artikelen over Oktober 1917, met name: De arbeidersmassa’s nemen hun lot in handen (Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 131) en: Het stalinisme is de doodgraver van de Russische revolutie (Révolution Internationale, nr. 383).
(5) Organisatie van Amerikaanse Staten, continentaal orgaan om de belangen van ‘Uncle Sam’ en zijn heerschappij veilig te stellen over de andere Latijns-Amerikaanse staten, waarvan Castristisch Cuba was uitgesloten.
(6) Geschreven tijdens de ‘rakettencrisis’, pas in 1968 uitgegeven door een Cubaans legertijdschrift. Hier overgenomen uit de lijvige biografie Ernesto Che Guevara, een legende uit onze eeuw, door Pierre Kalfon, verschenen in het Spaans en Frans, 1997.
(7) In 1965, wellicht om de leuze “Twee, drie, vele Vietnams” in praktijk te brengen, strijken enkele tientallen Cubanen neer in het oosten van de Kongolese Republiek (voormalig Zaïre) om een “anti-imperialistische foco” (guerrillahaard) te organiseren, het geheel onder auspiciën van de Cubaanse geheime dienst en met goedkeuring van de Sovjet-Unie (misschien ook om zich van Che te ontdoen...). Het is onmiddellijk een voorzienbare ramp: Guevara staat onder politieke leiding van een bende Kongolese leiders (waaronder Kabilla, toekomstig bloedig president-dictator van Zaïre in de jaren 1990), avonturiers die dankzij Russische en Chinese financiële steun op grote voet leven. Wat de bevolking aangaat, die geacht werd deze bevrijders met open armen te ontvangen, die was verbijsterd bij het zien van deze lui die uit het niets opdoken. Dat liep vooruit op wat zich het volgende jaar in Bolivië zou afspelen. Daaraan moet worden toegevoegd dat duizenden Cubanen, nog altijd voor rekening van het Russische imperialisme, bleven dienen als ‘militair raadgever’ in de talrijke ‘nationale bevrijdingsoorlogen’ op Afrikaanse bodem (Guinee Bissau, Mozambique, Angola, ...) tot aan de ineenstorting van de Sovjet-Unie en haar blok in de jaren 1990.
(8) We gaan hier niet in op de vraag wat de arbeidersklasse of het proletariaat is, wat voor ons hetzelfde is. Maar onze opvatting heeft niets te maken met de sociologie of met het verheerlijkende beeld van de arbeider in blauwe werkplunje.
(9) De grote man van de Franse LCR, Olivier Besancenot, verklaart momenteel dat zijn partij zich heel wat meer met Che Guevara vereenzelvigt dan met Trotski, hoewel deze organisatie vanaf haar geboorte haar toebehoren tot de arbeidersklasse valselijk legitimeerde door zich te beroepen op deze grote militant van de Bolsjewieken.
We hebben twee conferenties gehouden over het thema Socialisme en het verval van het kapitalisme aan twee van de universiteiten van de Dominicaanse Republiek: Santiago de los Caballeros (de tweede stad) en Santo Domingo (de hoofdstad). Deze debatten werden mogelijk gemaakt door de wil en de organisatorische inspanningen van een internationalistische discussiekern. Wij willen hen hartelijk bedanken voor het werk dat zij verzet hebben. Die bijeenkomsten hadden niets academisch. Net als tijdens een soortgelijke ervaring aan een universiteit in Brazilië (1), werden er ongerustheid en zorgen geuit over de toekomst die het kapitalisme ons biedt, over de wijze waarop we kunnen vechten voor een maatschappij die de tegenstellingen overstijgt waarin het huidige systeem ondergedompeld is, over de sociale krachten die in staat zijn die verandering door te voeren...
Deze debatten maken deel uit van de pogingen tot bewustwording door minderheden van het proletariaat. De internationale dimensie van deze inspanning staat vast. Onze samenvatting van de discussies in de Dominicaanse Republiek beantwoordt aan een dubbel doel: deelnemen aan de ontwikkeling van een internationaal debat en ertoe bijdragen dat de debatten en discussies die zich in één land ontwikkelen hun plaats vinden in het enige kader waarin ze vruchten kunnen afwerpen: het internationaal en internationalistisch kader (2).
Na de inleiding (3) werden talloze vragen gesteld, waarvan sommige een discussie in de zaal uitgelokt hebben. In de samenvatting die we hieronder geven hebben we ze per thema georganiseerd in een vraag-en-antwoord vorm.
Er zijn in de twintigste eeuw veel revoluties geweest. Toch veroordelen jullie de meeste ervan, uitgezonderd de Russische Revolutie, waarvan jullie zeggen dat ze een mislukking was. Jullie zijn onrechtvaardig tegenover de inspanningen van de volkeren die vechten voor hun bevrijding.
Het gaat er niet om de strijd van de uitgebuite en onderdrukte klassen te kleineren, maar wel om te begrijpen wat er vanaf de twintigste eeuw echt aan de orde is in de revolutie. Vanuit dat gezichtspunt is er een fundamentele verandering vanaf het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog, die verbijsterende records van onmenselijkheid heeft bereikt, toonde aan de hele wereld dat het kapitalisme een sociaal systeem in verval geworden was, dat de mensheid niets meer te bieden heeft dan oorlogen, hongersnood, vernietiging en ellende. Hij maakte een einde aan de periode van burgerlijke revoluties, dat wil zeggen aan de democratische, reformistische en nationale volksrevoluties. Van toen af aan werden die bewegingen simpelweg het opknappen van de façade van de staat. Vanaf de Eerste Wereldoorlog is de enige revolutie die vooruitgang kan betekenen voor de mensheid de proletarische revolutie, die tot doel heeft het kommunisme in te stellen in de gehele wereld. De Russische Revolutie van 1917, en heel de revolutionaire golf die erop volgde, drukken die stand van zaken uit. Het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale, in maart 1919, bevestigde dit: “Een nieuwe periode is aangebroken. De periode van ontbinding van het kapitalisme, van zijn interne ineenstorting. Een periode van kommunistische revolutie van het proletariaat” (4).
Waarom blijven jullie steken in het dogma van een wereldrevolutie en waarom verwerpen jullie de geleidelijke vooruitgang via nationale revoluties?
De burgerlijke revoluties hadden een nationaal karakter en konden lange tijd overleven binnen hun landsgrenzen. Zo zegevierde de Engelse revolutie in 1640 en overleefde ze in een wereld die nog feodaal bleef tot aan de burgerlijke revoluties tegen het einde van de achttiende eeuw. De proletarische revolutie daarentegen zal wereldwijd zijn of niet zijn. Om te beginnen is de productie vandaag wereldwijd. De arbeidersklasse is internationaal. Maar ook omdat het kapitalisme een wereldmarkt gecreëerd heeft en de marktwetten ook internationaal zijn. De problemen verbonden met het kapitalisme zijn internationaal en kunnen alleen opgelost worden door de verenigde strijd van het gehele wereldproletariaat.
Wat is jullie standpunt over Trotski en het trotskisme?
Trotski was zijn hele leven een revolutionair militant. Hij vervulde een zeer belangrijke rol tijdens de Russische Revolutie van 1917. Maar hij streed ook tegen de ontaarding van de Russische Revolutie door internationalistische standpunten te blijven verdedigen. Hij was de voornaamste kracht van wat de Linkse Oppositie genoemd werd, die een heroïsche strijd voerde in verzet tegen de stalinistische contrarevolutie, zowel in Rusland als in de verschillende kommunistische partijen in de wereld. Toch hebben Trotski en de Linkse Oppositie nooit de ware aard van de USSR begrepen en beschouwden haar als een ‘arbeidersstaat met bureaucratische afwijkingen’ die toch verdedigd moest worden. De gevolgen van deze vergissing waren rampzalig. Nadat hij op laffe wijze vermoord was door Ramon Mercader, moordenaar in dienst van Stalin, riepen degenen die zich de erfgenamen van Trotski noemden op om deel te nemen aan de Tweede Wereldoorlog en werden zij een stroming die steeds, natuurlijk op ‘kritische’ wijze en met een ‘radicale’ taal, dezelfde stellingen verdedigde als de stalinistische en sociaal-democratische partijen (5).
Jullie behandelen Chavez onrechtvaardig, maar het kan nog erger: jullie houden geen rekening met het revolutionair proces dat door Chavez op gang gebracht is en dat zich vandaag ontwikkelt in heel Latijns Amerika, dat in volle revolutionaire beroering is.
Het dilemma Chavisme-anti-Chavisme is een valstrik, zoals pas nog aangetoond is door de mobilisaties van studenten in Venezuela die zich proberen los te werken uit die steriele en destructieve tegenstelling tussen Chavisme en oppositie (6).
Chavez steunt zowel de versterking van de staatstussenkomst in de economie als de concentratie van de macht in handen van één enkel persoon (de grondwetshervorming die zijn permanente herverkiezing mogelijk maakt). Hij lanceert ‘sociale’ programma's die misschien de situatie van enkele gemarginaliseerde lagen tijdelijk verbeteren, maar die in feite passen in een programma van versterkte uitbuiting van de arbeiders en van verarming van het grootste deel van de bevolking. Dat soort programma’s dient er alleen voor om de bevolking de ergste ellende te doen aanvaarden. Het gaat om formules die gedurende de hele 20e eeuw steeds opnieuw gebruikt zijn en die steeds tot klinkende mislukkingen hebben geleid. Ze hebben aan het kapitalisme niets veranderd, ze hebben er enkel toe bijgedragen het in leven te houden, en ook het lijden van de overweldigende meerderheid van de bevolking doen voortduren (7).
Chavez beweert anti-imperialist te zijn onder het voorwendsel dat hij zich halsstarrig verzet tegen de ‘duivel Bush’. Het zogenaamde anti-imperialisme van Chavez is niets anders dan camouflage waarachter hij zijn eigen imperialistische plannen nastreeft. De arbeiders en onderdrukten kunnen hun strijd niet baseren op een gevoel van haat of wraak tegen een almachtig rijk als de Verenigde Staten, want dat gevoel wordt gemanipuleerd door de Latijns Amerikaanse bourgeoisieën – zowel door de fracties in de regering als door die in de oppositie – om ervoor te zorgen dat de bevolking zich blijft opofferen voor hun belangen. Er bestaat geen nationale oplossing voor de wereldwijde crisis van het kapitalisme. De oplossing kan alleen wereldwijd zijn en steunen op de internationale solidariteit van het proletariaat, in de ontwikkeling van zijn zelfstandige strijd.
Waarom hebben jullie het alleen over arbeiders, en niet over boeren en andere lagen van de bevolking?
Hoe groot of klein haar aantal ook is in elk land afzonderlijk, de arbeidersklasse is de enige internationale klasse wier belangen mondiaal zijn. Haar strijd als klasse vertegenwoordigt de belangen en toekomst van de gehele onderdrukte en uitgebuite mensheid. De arbeidersklasse probeert de boeren en de gemarginaliseerde lagen in de grote steden voor haar strijd te winnen. Het gaat er geenszins om een ‘front van sociale bewegingen’ te vormen, want het fundamentele belang, de echte bevrijding van de arbeiders, boeren, en gemarginaliseerden van de steden is geen optelsom van corporatistische eisen, maar de gemeenschappelijke vernietiging van het juk van de loonslavernij en de commerciële uitbuiting.
Vervallen jullie niet in achterhaalde recepten en formules? De arbeidersklasse bestaat niet meer, en hier in Amerika zijn haast geen fabrieken meer.
De arbeidersklasse bestond nooit alleen maar uit industriearbeiders. Wat de arbeidersklasse kenmerkt, is de sociale verhouding gebaseerd op de uitbuiting van de loonarbeid. De arbeidersklasse is geen sociologische categorie. De arbeiders uit de industrie, de arbeiders op de velden, de overheidsambtenaren en veel ‘intellectuele’ arbeiders maken deel uit van het proletariaat. We moeten ook rekenen met al de arbeiders die werkloos gemaakt zijn en die om te overleven verplicht zijn spulletjes op straat te verkopen.
Is er geen mentaliteitsverandering nodig opdat de arbeidersmassa’s de revolutie zouden kunnen doorvoeren?
Natuurlijk! De proletarische revolutie is niet eenvoudigweg het resultaat van onafwendbare objectieve factoren, ze steunt hoofdzakelijk op bewuste, collectieve en solidaire actie van de grote arbeidersmassa’s. In ‘De Duitse ideologie’ stellen Marx en Engels dat de revolutie niet alleen nodig is om de staat te vernietigen die de meerderheid onderdrukt, maar ook opdat die meerderheid zich zou bevrijden van de ideologische overblijfselen van de oude maatschappij die hen aan het lijf kleeft. De proletarische revolutie wordt voorbereid door een gigantische verandering van de mentaliteit van de massa’s. Ze zal het product zijn van de zelfstandige inspanning van de massa’s, die niet alleen bestaat uit strijd, maar ook uit gepassioneerde debatten.
IKS
(1) Zie https://es.internationalism.org/ccionline/2006_brasil.html [30]
(2) Wanneer de kameraden belangstelling hebben voor het organiseren van dergelijke debatten in hun stad of land, zijn we graag bereid om daaraan mee te werken.
(3) De inleiding is op onze website te vinden als aanhangsel van dit artikel (in het Spaans).
(4) Zie onze brochure over de revolutie in Rusland 1917 (in druk en op de website)
(5) Zie onze brochure over Trotski en het stalinisme
(6) Zie https://es.internationalism.org/ccionline/2007_hojaestudiantes [31]
(7) Zie https://es.internationalism.org/ccionline/2007/Chavez [32] en: https://es.internationalism.org/ccionline/2007/elecvenez [33].
De geweldige schat aan ervaringen, opgedaan tussen februari en oktober 1917 door het proletariaat in Rusland, heeft aan de proletariërs van de hele wereld getoond dat het mogelijk is de macht van de bourgeoisie omver te werpen. De opstand van Oktober betekende de zege van de bewuste arbeidersmassa’s georganiseerd in arbeidersraden en met in hun schoot hun politieke voorhoede, de bolsjewistische partij (zie Internationalisme, nr. 333). Het verloop van de gebeurtenissen na de Oktoberopstand, dat wil zeggen het ontaardingsproces van de Russische revolutie, waaruit het stalinisme zou ontstaan, kan enkel begrepen worden vanuit de dynamiek van de nederlaag van de internationale revolutionaire golf waarvan dat proces een gevolg is. Die ontaarding heeft dus niets te zien met de burgerlijke leugen van de zogenaamde continuïteit tussen de dictatuur van het proletariaat die voortkwam uit oktober 1917 en het stalinisme dat zich integendeel op de assen van de revolutie heeft ontwikkeld.
De Russische revolutie van 1917 was geen alleenstaand verschijnsel, gevolg van omstandigheden eigen aan Rusland, ze was het hoogtepunt van de eerste internationale revolutionaire golf die de burgerlijke orde dooreenschudde van Duitsland tot de Verenigde Staten, van Europa tot Azië, tot in het Zuid-Amerikaans continent. Die revolutionaire golf was het antwoord op de imperialistische oorlog die de periode van verval van het wereldkapitalisme inluidde. Van nu af was één enkel alternatief in staat de kapitalistische barbarij te weerstaan: de proletarische wereldrevolutie.
Als Lenin en de bolsjewieken optreden als de voorhoede van de revolutionairen, is het in de overtuiging dat enkel de wereldrevolutie van het proletariaat het alternatief kan zijn voor de wereldoorlog. Als internationalisten zagen ze in de Russische Revolutie enkel “de eerste etappe van de proletarische revoluties die onvermijdelijk zullen uitbreken als gevolg van de oorlog”.
De machtsgreep in Rusland, zodra hij mogelijk wordt door de rijping van de voorwaarden op wereldschaal en in Rusland zelf, wordt door de revolutionairen gezien als een elementaire plicht van het Russisch proletariaat tegenover het wereldproletariaat. In antwoord op de argumenten van de mensjewieken die stelden dat de revolutie in een meer ontwikkeld land moest beginnen, rechtvaardigt Lenin als volgt de noodzaak van de machtsgreep: “De Duitsers, dat wil zeggen de Duitse internationalistische revolutionairen, met enkel Liebknecht (die bovendien in de gevangenis zit), zonder persorganen, zonder vergaderrecht, zonder raden, tegenover de gigantische vijandigheid ten opzichte van de ideeën van het internationalisme van alle klassen van de bevolking, tot in het laatste boerengehucht toe, tegenover de geweldige organisatie van de grote, middelgrote en kleine imperialistische bourgeoisie, de Duitsers, dwz. de Duitse internationalistische revolutionairen, de arbeiders in uniform en de matrozen, zijn in opstand beginnen komen in de vloot, met een krachtsverhouding van misschien één tegen honderd tegen hen. Maar wij, die dozijnen kranten hebben, die vrij zijn vergaderingen te houden, die de meerderheid behaald hebben in de sovjets, wij die in vergelijking met de internationalistische proletariërs van de hele wereld in de beste voorwaarden verkeren, wij zouden moeten nalaten de Duitse revolutionairen te steunen met onze opstand. Men zal dezelfde argumenten gebruiken als Scheidemann en Renaudel: het zinnigste is niet in opstand te komen, want als we gefusilleerd worden, verliest de wereld in ons zulke prachtige, zulke redelijke revolutionairen. Laat ons een resolutie aannemen van sympathie met de Duitse opstandelingen. Dat zou echt redelijk internationalisme zijn.” (Brief aan de kameraden bolsjewieken op het congres van de sovjets van de regio noord).
Minder dan een jaar na de machtsgreep in Rusland lijdt het geen twijfel dat de rest van het proletariaat in de andere landen het voortouw moet overnemen om de wereldrevolutie verder te stuwen: “De Russische revolutie is slechts een detachement van het socialistisch wereldleger en het succes en de triomf van de Russische revolutie die wij uitgevoerd hebben hangen af van de actie van dat leger [...] Het Russische proletariaat is zich bewust van zijn revolutionair isolement, het ziet duidelijk dat zijn overwinning als onmisbare voorwaarde en als fundamentele premisse de eensgezinde interventie van de arbeiders van de hele wereld heeft” (Lenin, Rede van 23 juli 1918 op de conferentie van fabrieks-comités van Moskou).
De Russische revolutie liet het er niet bij haar lot passief toe te vertrouwen aan het uitbreken van de proletarische revolutie in andere landen, ze nam voortdurend initiatieven om die revolutie uit te breiden. Het zwaartepunt van de krachtsverhouding tussen de klassen lag in Duitsland en een grote verantwoordelijkheid rustte op de schouders van de arbeidersklasse in dat land. “Het Duits proletariaat is de trouwste, de zekerste bondgenoot van de Russische revolutie en van de proletarische revolutie” (Lenin).
De Duitse revolutionairen van hun kant begrepen volop wat er in de situatie op het spel stond: “[...] het lot van de Russische revolutie: ze zal haar doel uitsluitend bereiken als proloog van de Europese revolutie van het proletariaat. Als integendeel de Europese, Duitse arbeiders toeschouwers blijven van dit boeiend drama en de kijklustigen blijven spelen, dan zal de Russische macht van de sovjets zich aan niets anders kunnen verwachten dan aan het lot van de Commune van Parijs (dwz. een bloedige nederlaag)” (Spartakus, januari 1918).
De revolutionaire gisting die zich met name in Duitsland en centraal Europa ontwikkelde in de loop van 1918 hield alle verwachtingen levend over de naderende wereldrevolutie.
Links
[1] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/sociale-situatie-belgie
[2] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/klassenstrijd-belgie
[3] https://nl.internationalism.org/tag/4/87/midden-oosten
[4] https://nl.internationalism.org/tag/7/122/officieel-anarchism
[5] https://nl.internationalism.org/tag/4/85/mexico
[6] https://nl.internationalism.org/tag/4/94/verenigde-staten
[7] https://nl.internationalism.org/tag/4/55/afrika
[8] https://nl.internationalism.org/files/nl/Pamflet_AIRBUS.pdf
[9] https://nl.internationalism.org/tag/11/155/tussenkomsten
[10] https://forumtrots.agorasystem.com/lcr
[11] https://nl.internationalism.org/tag/3/45/internationalisme
[12] https://nl.internationalism.org/tag/18/328/russische-revolutie-1917
[13] https://nl.internationalism.org/tag/14/221/themas-verdiepen
[14] https://nl.internationalism.org/tag/9/144/1917-de-oktoberrevolutie-rusland
[15] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-belgie
[16] https://nl.internationalism.org/tag/2/25/verval-van-het-kapitalisme
[17] http://www.neeaanleuro.be
[18] http://www.platformvolwassenenon
[19] https://nl.internationalism.org/tag/3/48/milieu
[20] https://nl.internationalism.org/tag/7/121/ultra-links
[21] https://nl.internationalism.org/tag/2/31/het-parlementaire-bedrog
[22] https://nl.internationalism.org/tag/4/86/venezuela
[23] https://nl.internationalism.org/tag/4/83/midden-en-zuid-amerika
[24] https://nl.internationalism.org/tag/4/88/irak
[25] https://nl.internationalism.org/tag/8/139/internationale-kommunistische-stroming
[26] https://nl.internationalism.org/tag/4/59/zuid-afrika
[27] https://fr.internationalism.org/contact
[28] https://nl.internationalism.org/tag/2/28/stalinisme-het-oostblok
[29] https://nl.internationalism.org/tag/11/153/lezersbrieven
[30] https://es.internationalism.org/ccionline/2006_brasil.html
[31] https://es.internationalism.org/ccionline/2007_hojaestudiantes
[32] https://es.internationalism.org/ccionline/2007/Chavez
[33] https://es.internationalism.org/ccionline/2007/elecvenez
[34] https://nl.internationalism.org/tag/11/152/correspondentie-met-andere-groepen
[35] https://nl.internationalism.org/tag/4/61/azie
[36] https://nl.internationalism.org/tag/7/109/kommunistische-linkerzijde