In nummer twee van Révolution Internationale, gepubliceerd in 1969, staat een artikel met de titel “Comprendre Mai” (“Mei begrijpen”), geschreven door Marc Chirik, die was teruggekeerd uit meer dan tien jaar ballingschap in Venezuela, om actief deel te nemen aan de “gebeurtenissen” van Mei 1968 in Frankrijk [1].
Dit artikel was een polemische reactie op het pamflet “Enragés et situationnistes dans le mouvement des occupations [1]” van de Situationistische Internationale (IS) [2]. Erkennend dat de IS inderdaad een actieve rol had gespeeld in de beweging van mei en juni, prikte het haar bijna ongelimiteerde pretentie en zelfingenomenheid door, welke hen voerde tot de openlijk substitutionistische conclusie dat “de agitatie die in januari 1968 ontketend werd door de vier of vijf revolutionairen, die de groep Enragés zouden vormen, binnen vijf maanden zou leiden tot de virtuele liquidatie van de staat”. En dat “geen enkele agitatie, ondernomen door zo weinig individuen, in zo'n korte tijd geleid heeft tot dergelijke gevolgen”.
Maar de belangrijkste focus in de polemiek van RI richtte zich op de achterliggende opvattingen die de voedingsbodem vormden voor deze verheerlijking van “voorbeeldige” minderheden - hun verwerping van de materiële basis van de proletarische revolutie. Marc's artikel concludeert namelijk dat het voluntarisme en substitutionisme van de IS een logisch gevolg was van het verwerpen van de marxistische methode, die stelt dat massale en spontane acties door de arbeidersklasse nauw verbonden zijn met de objectieve situatie van de kapitalistische economie.
Tegenover het idee van de IS dat de “revolutionaire gebeurtenissen” van mei-juni waren uitgebroken tegen een kapitalisme dat “goed functioneerde”, en dat er “geen tendens naar een economische crisis” was geweest in de periode voorafgaand aan de explosie, toonde Marc op die manier aan dat de beweging was voorafgegaan door een groeiende dreiging van werkloosheid en dalende lonen - tekenen dat er een einde kwam aan de “glorieuze” welvaart van de naoorlogse periode. Deze signalen beperkten zich niet tot Frankrijk, maar uitten zich in verschillende vormen in de “ontwikkelde” wereld, met name in de devaluatie van het Britse pond en de dollarcrisis in de Verenigde Staten.
Hij benadrukte dat dit inderdaad slechts tekenen en symptomen waren, en dat “dit nog geen open economische crisis is, ten eerste omdat dit nog maar het begin is, en ten tweede omdat de staat in het huidige kapitalisme over een heel arsenaal aan middelen beschikt waarmee hij (de staat) kan ingrijpen om de meest treffende manifestaties van de crisis te vertragen en, gedeeltelijk, tijdelijk te verzachten”.
Terwijl het artikel het anarchistische (en Situationistische) idee verwerpt dat revolutie op elk moment mogelijk is, bevestigt het ook dat de economische crisis een noodzakelijke maar niet een voldoende voorwaarde is voor de revolutie, en dat diepgaande veranderingen in het subjectieve bewustzijn van de massa's niet automatisch worden voortgebracht door de neergang van de economie. Dit staat tegenover de stellingname van de stalinisten in 1929 die verklaarden dat, in de nasleep van de crash van 1929, een “derde periode” van een nakende revolutie begon, terwijl de arbeidersklasse in werkelijkheid de meest diepgaande nederlaag uit haar geschiedenis doormaakte (waarvan het stalinisme, natuurlijk, zowel een product als een actieve factor was).
Mei 68 was dus nog niet de revolutie, maar het betekende wel dat de contrarevolutionaire periode, die volgde op de nederlaag van de eerste wereldwijde revolutionaire golf, tot een einde was gekomen. “Mei 1968, in zijn volle betekenis, lijkt een van de eerste en belangrijkste reacties van de werkende massa te zijn geweest op een verslechterende wereldwijde economische situatie”. In het artikel wordt niet verder ingegaan op de feitelijke gebeurtenissen van 1968: dat is niet het doel van het artikel. Maar het geeft wel enkele aanwijzingen omtrent de gevolgen van het einde van de contrarevolutie (een periode die Marc van begin tot eind had meegemaakt) voor de toekomstige ontplooiing van de klassestrijd.
Het betekende dat de nieuwe generatie van de arbeidersklasse zich bevrijdde van veel van de mystificaties die haar in de afgelopen periode gevangen had gehouden, vooral het stalinisme en het antifascisme; en hoewel de terugkeer van de crisis het kapitalisme dwingt richting wereldoorlog, beschikt het vandaag, in tegenstelling tot de jaren 1930, “over steeds minder thema's van misleiding die in staat zijn de massa's te mobiliseren en in de massaslachting te storten. De Russische mythe brokkelt af; het valse dilemma tussen burgerlijke democratie en totalitarisme is opgebruikt. Onder deze omstandigheden laat de crisis, vanaf haar eerste uitingen, meteen te zien wat ze is. Vanaf de eerste symptomen zal ze in elk land steeds gewelddadiger reacties van de massa’s te zien geven”.
Bovendien, zoals een reeks artikelen geschreven in 2008, “Mei 68 en het revolutionaire perspectief” [3], benadrukt, is Mei 68 meer dan een louter defensieve reactie op een verslechterende economische situatie. Het leidde ook tot een intense politieke gisting, tot ontelbare debatten over de mogelijkheid van een nieuwe samenleving, tot serieuze pogingen van jonge gepolitiseerde elementen - zowel arbeiders als studenten - om de revolutionaire tradities uit het verleden te ontdekken. Het is vooral deze dimensie van de beweging die het perspectief van de revolutie nieuw leven inblaast, niet als een onmiddellijke mogelijkheid of kortetermijn mogelijkheid, maar als het historische product van een hele periode van heroplevende klassenstrijd. Het meer onmiddellijke resultaat van deze hernieuwde belangstelling voor revolutionaire politiek was de oprichting van een nieuw proletarisch politiek milieu, met inbegrip van de groepen die medio jaren zeventig de IKS zouden vormen.
De vraag die we hier willen stellen is of de voorspellingen in het artikel van Marc vijftig jaar later juist of onjuist zijn gebleken.
Op het niveau van de economische crisis
De meerderheid van de marxistische stromingen in de eerste decennia van de 20e eeuw was van mening dat de Eerste Wereldoorlog de definitieve verschuiving markeerde van het tijdperk waarin kapitalistische productieverhoudingen “vormen van ontwikkeling” voor de productieve krachten waren geweest naar een tijdperk waarin deze verhoudingen ketenen werden voor de verdere ontwikkeling ervan. Dit werd op economisch vlak geconcretiseerd door de transformatie van de cyclische overproductiecrises, die de 19de eeuw kenmerkte, naar een chronische economische crisis met een permanente militarisering van de economie en een spiraal van barbaarse oorlogen. Dit betekende niet, zoals sommige marxisten in de revolutionaire periode na de oorlog van 1914-1918 dachten, dat het kapitalisme in een “doodscrisis” was terechtgekomen, waaruit elke vorm van herstel onmogelijk zou zijn.
In een tijdperk van algemene neergang zou er nog steeds sprake zijn van momenten van heropleving, uitbreiding naar nieuwe zones die voorheen buiten het kapitalistische systeem vielen, en echte vooruitgang in de perfectionering van de productiekrachten. Maar de onderliggende tendens was niet langer een economische crisis als een voorbijgaande storm, maar een permanente, chronische ziekte, die op bepaalde momenten acuut zou worden. Dit werd al duidelijk met de crisis van de jaren 1930: het idee dat “met rust laten”, vertrouwend op de verborgen hand van de markt, de economie zou herstellen - het eerste antwoord van de meer traditionele burgerlijke sectoren - moest natuurlijk wijken voor een openlijker interventionistische politiek van de staat, getypeerd door de New Deal in de VS en de nazistische oorlogseconomie in Duitsland. En het waren vooral deze laatsten die, in een periode van nederlaag voor de arbeidersklasse, het echte geheim van de mechanismen onthulden dat diende om de acute crisis van de jaren 1930 te verlichten: de voorbereiding op een tweede imperialistische oorlog.
De terugkeer van de open crisis, die in 1969 in ons artikel werd aangekondigd, werd in de jaren daarna bevestigd, met de schok van de zogenaamde “oliecrisis” van 1973-1974 en de toenemende moeilijkheden van de naoorlogse Keynesiaanse consensus, welke tot uiting kwam in oplopende inflatie en aanvallen op de levensomstandigheden van de arbeiders, in het bijzonder de aanvallen op het loonniveau, dat gestaag was gestegen in de naoorlogse welvaartsperiode. Maar, zoals we lieten zien in ons artikel “30 jaar Open Economische Crisis” uit 1999 [4], is in de hele periode vanaf 1968 de tendens duidelijker geworden dat de open crisis een permanent gegeven wordt van het kapitalisme in verval: vandaag zouden we een artikel moeten schrijven over “50 Jaar Open Economische Crisis”. In ons artikel uit 1999 wordt het verloop van de crisis geschetst door de explosieve toename van de werkloosheid na de toepassing van “Thatcherism” en “Reaganomics” in het begin van de jaren 1980; de financiële crash van 1987; de recessie van het begin van de jaren 1990; de stuiptrekkingen in het Verre Oosten “Draken en Tijgers”, Rusland en Brazilië in 1997-1998. In een geactualiseerde versie zou de daaropvolgende recessie aan het begin van het millennium zijn opgenomen en natuurlijk de zogenaamde financiële crisis of kredietcrisis van 2007.
Het artikel uit 1999 benadrukt de belangrijkste kenmerken van de door de crisis geteisterde economie in deze decennia: de ongebreidelde groei van de speculatie, nu investeringen in productieve activiteiten steeds minder rendabel worden; de deïndustrialisatie van hele gebieden van de oude kapitalistische centra, nu het kapitaal werd aangetrokken door de bronnen van goedkopere arbeidskracht in de “ontwikkelingslanden”; en de ongeneeslijke verslaving van het kapitaal aan schulden die voor een groot deel ten grondslag ligt aan zowel de groei als de financiële schokken van deze hele periode. En het toont aan dat de crisis van het kapitalisme niet alleen wordt gemeten aan de hand van werkloosheidscijfers of groeipercentages, maar ook aan de hand van zijn sociale, politieke en militaire uitwerkingen.
Het was dus de wereldwijde economische crisis van het kapitalisme die een beslissende factor was in de ineenstorting van het Oostblok in 1989-1991, in de verscherping van de imperialistische spanningen en de verergering van oorlog en chaos, vooral in de zwakste zones van het wereldsysteem. In onze geactualiseerde versie zouden we ook proberen het verband aan te tonen tussen de toegenomen concurrentie als gevolg van de crisis en de toenemende plundering van de natuurlijke leefomgeving, waarvan de gevolgen (vervuiling, klimaatverandering, enzovoort) nu al directe gevolgen hebben voor de wereldbevolking. Kortom: het langdurige karakter van de open crisis van het kapitalisme in de laatste vijf decennia, waarbij de twee grote klassen in een sociale impasse raakten, en geen van beide in staat bleken om hun respectievelijke oplossingen voor de crisis - wereldoorlog of wereldrevolutie – door te zetten, lag ten grondslag aan de opkomst van een nieuwe en laatste fase in het verval van het kapitalisme, de fase van veralgemeende ontbinding.
Natuurlijk heeft de dynamiek van deze periode geen lange daling of zelfs maar een permanente stagnatie laten zien, en de heersende klasse heeft altijd maximaal gebruik gemaakt van de verschillende heroplevingen en mini-booms, die in de jaren 1980, 1990 en 2000 in de ontwikkelde landen hebben plaatsgevonden, om propaganda te voeren. Tegelijkertijd was de indrukwekkende opkomst van de Chinese economie in het bijzonder voor veel van haar woordvoerders een positief argument dat het kapitalisme verre van een seniel systeem is. Maar de enorme financiële crash van 2007 zette de kwetsbare, beperkte en tijdelijke basis van deze heroplevingen in de gevestigde centra van het systeem volop in de schijnwerpers, en legde de mate bloot waarin de kapitalistische groei was gestoeld op het drijfzand van ongelimiteerde schulden.
Dit verschijnsel speelt ook een rol in de opkomst van China, ook al heeft de groei van dat land een substantiëlere basis dan die van de “vampierachtige heroplevingen”, de “heroplevingen zonder banen” en de “heroplevingen zonder loonsverhogingen” die we in de westerse economieën hebben gezien. Maar China kan zich uiteindelijk niet onttrekken aan de tegenstellingen van het mondiale systeem en de duizelingwekkende omvang van zijn expansie kan toekomstige wereldwijde overproductiecrises nog vernietigender maken. Terugkijkend op de afgelopen vijftig jaar wordt duidelijk dat we het niet hebben over een cyclus van pieken en dalen zoals in de 19e eeuw, toen het kapitalisme echt een systeem was dat nog in bloei was, maar over één langgerekte wereldwijde economische crisis, die zelf de uitdrukking is van een onderliggende veroudering van de productiewijze. Het artikel uit 1969, gewapend met dit begrip van het historische karakter van de kapitalistische crisis, kon zo de werkelijke betekenis vaststellen van de kleine signalen van de slechte economische gezondheid die zo gemakkelijk door de Situationistische dokters werden weggewuifd.
De ontwikkeling van het staatskapitalisme
Als we op deze manier terugkijken, kunnen we ook de juistheid waarderen van de stelling in het artikel dat “de staat in het huidige kapitalisme over een heel arsenaal aan middelen beschikt waarmee hij (de staat) kan ingrijpen om de meest treffende manifestaties van de crisis te vertragen en, gedeeltelijk, tijdelijk te verzachten”.
De belangrijkste reden waarom deze crisis zo lang heeft geduurd en zo vaak zo moeilijk waarneembaar is geweest, is nu juist het vermogen van de heersende klasse om de staat te gebruiken om de effecten van de tegenstellingen in het systeem tegen te houden en uit te stellen. Vanaf de jaren 1960 maakte de heersende klasse niet dezelfde fout als zij die de “laissez-faire” verdedigden in de jaren 1930. In plaats daarvan handhaafde en versterkte een ouder en groter deel van de bourgeoisie de staatskapitalistische inmenging in de economie, die haar in staat had gesteld om te reageren op de crisis in de jaren 1930 en die hielp om de naoorlogse boom te ondersteunen. Dit bleek duidelijk uit de eerste keynesiaanse reacties op de opnieuw ontstane crisis, die vaak de vorm aannam van nationalisaties en directe financiële manipulaties door de staat. Maar ondanks de ideologische mist is deze reactie, zij het in een andere vorm, blijven hangen in het tijdperk van de “Reaganomics” en het “neoliberalisme”, waarin de staat de neiging had veel van zijn functies te delegeren aan de particuliere sector met als doel de productiviteit en het concurrentievoordeel te vergroten.
Het artikel van 1999 legt uit hoe deze herziene relatie tussen de staat en de economie heeft gefunctioneerd:
“Het mechanisme van de “financiële bedrijfsvoering” gaat als volgt. Enerzijds geeft de overheid obligaties en effecten uit om haar enorme en groeiende tekorten te financieren die worden gewaarborgd door de financiële markten (banken, bedrijven en particulieren). Anderzijds zet zij de banken ertoe aan om hun leningen op de markt te financieren door middel van de uitgifte van obligaties en effecten en kapitaalvermeerdering (aandelenemissies). Het gaat om een zeer speculatief mechanisme dat tracht winst te halen uit de ontwikkeling van een groeiend aantal fictieve kapitalen (meerwaarde die niet in nieuw kapitaal kan worden geïnvesteerd). Op die manier neigen de private fondsen veel meer door te wegen dan de publieke fondsen in de financiering van schulden (publiek en privé).
Dit betekent minder een vermindering van het gewicht van de staat (zoals de “liberalen” dat verkondigen) als wel een antwoord op de steeds overweldigender behoefte aan financiering (en vooral onmiddellijke liquiditeit), die een massale mobilisatie van al het beschikbare kapitaal vereist”.
De kredietcrisis van 2007 is misschien wel het duidelijkste bewijs dat de meest alomtegenwoordige remedie die het kapitalistische systeem de afgelopen decennia heeft toegepast - de toevlucht tot schulden - ook de patiënt heeft vergiftigd: het uitstellen van de onmiddellijke impact van de crisis verergert de toekomstige stuiptrekkingen enkel. Maar het toont ook aan dat deze remedie uiteindelijk de systematische politiek van de kapitalistische staat is geweest. De goudmijn, die de hausse in de woningbouw vóór 2007 aanwakkerde, zo vaak toegeschreven aan de hebzuchtige bankiers, was in werkelijkheid een politiek die werd besloten en gesteund in de hoogste regeringskringen, net zoals het de regering was die moest ingrijpen om, in de nasleep van de crash, de banken en het hele wankelende financiële bouwwerk te steunen. Het feit dat zij dit hebben gedaan door nog verder de schulden op te bouwen en zelfs door schaamteloos geld te drukken (“quantitative easing”), bewijst eens te meer dat het kapitalisme alleen op zijn tegenspraken kan reageren door ze erger te maken.
*************************************
Het is één ding om te laten zien dat we correct waren in onze voorspelling dat de open economische crisis in 1969 opnieuw zou opdoemen en een kader te bieden om uit te leggen waarom deze crisis een langdurige kwestie zou worden. Het is moeilijker om aan te tonen dat onze voorspelling van een heropleving van de internationale klassenstrijd ook gegrond is. Daarom zullen we een tweede deel van dit artikel wijden aan deze kwestie, terwijl een derde deel zal kijken naar wat er is terechtgekomen van de nieuwe revolutionaire beweging die is voortgekomen uit de gebeurtenissen van mei-juni 1968.
Amos, Maart 2018
Voetnoten
[1] https://en.internationalism.org/node/3417 [2]. Zie ook onze korte biografie van Marc om een beter beeld te krijgen van één aspect van deze “actieve deelname” aan de beweging. “Hij heeft de kans om één van zijn karaktertrekken te tonen, die niets van doen heeft met dat van een “kamertheoreticus”. Aanwezig op alle plaatsen waar de beweging gaande is, in de discussies maar ook in de demonstraties, brengt hij een hele nacht door achter een vastberaden barricade met een groep jonge elementen, om “tot de ochtend vol te houden” tegen de politie...”. https://en.internationalism.org/ir/066/marc-02 [3]
[2] https://libcom.org/article/enrages-and-situationists-occupations-movement [4]
[3] World Revolution nr. 313-316
[4] Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige editie, nr. 96 en 97
Zonder de gebeurtenissen van Mei 68 zou de IKS niet bestaan. Marc Chirik had al meegewerkt aan de vorming van een groep in Venezuela, Internacialismo, die vanaf 1964 alle basisstandpunten verdedigde die een decennium later door het IKS zouden worden aangenomen. Maar Marc was zich er vanaf het begin van bewust dat de heropleving van de klassestrijd in de centra van het wereldkapitalisme doorslaggevend zou zijn voor het begin van een verandering in de loop van de geschiedenis.
Het was dit inzicht dat hem ertoe aanzette terug te keren naar Frankrijk en een actieve rol te spelen in de beweging van mei-juni, onder meer door contacten te zoeken onder de gepolitiseerde voorhoede. Twee jonge leden van de Venezolaanse groep waren al naar Frankrijk verhuisd om aan de universiteit van Toulouse te studeren, en naast deze kameraden en een handvol anderen werd Marc in oktober 1968 medeoprichter van Révolution Internationale - de groep die zeven jaar later een centrale rol zou spelen in de oprichting van het IKS.
Sindsdien heeft de IKS nooit meer getwijfeld aan haar overtuiging over de historische betekenis van Mei 68 en zijn we steeds weer op het onderwerp teruggekomen. Om de tien jaar hebben we artikelen gepubliceerd in ons theoretisch orgaan, de International Revue, evenals artikels in onze territoriale pers die terugkijken op deze gebeurtenis. We hebben openbare bijeenkomsten gehouden ter gelegenheid van de 40ste en 50ste verjaardag ervan en zijn tussengekomen bij evenementen die door anderen werden georganiseerd.[1] In dit artikel beginnen we met een terugblik op een van deze artikelen, geschreven op een verjaardag die nu een duidelijke symbolische waarde heeft: 1988
In het eerste deel van deze nieuwe serie[2] concludeerden we dat de eerste beoordeling die gemaakt was door RI – “Mei 68 begrijpen”, geschreven in 1969, volgens welke Mei 68 de eerste grote reactie van de arbeidersklasse was op de heropkomst van de historische economische crisis van het kapitalisme - volledig geldig was: ondanks het vaak verbazingwekkende vermogen van het kapitaal om zich aan te passen aan de verscherpte tegenstellingen, is de crisis, die aan het einde van de jaren 1960 vanaf de eerste symptomen kon worden bespeurd, steeds duidelijker en in alle opzichten permanent geworden.
Maar hoe staat het met onze volharding dat Mei 68 het einde betekende van de decennia van contrarevolutie en de opening van een nieuwe periode, waarin een ongeslagen arbeidersklasse zich in de richting van massale en beslissende strijd zou bewegen; en dat de uitkomst van deze strijd op haar beurt het historische dilemma zou oplossen van de onoplosbare economische crisis: de wereldoorlog, in het geval van een nieuwe nederlaag voor de arbeidersklasse, of de wereldrevolutie en de opbouw van een nieuwe, kommunistische maatschappij?
Het artikel uit 1988, “20 jaar na Mei 1968 - Klassestrijd: de rijping van de voorwaarden voor de revolutie”[3] begon met een argumentatie tegen de heersende scepsis van die tijd - het idee, dat zeer wijdverspreid was in de burgerlijke media en onder een hele laag van de intellectuelen, dat Mei 68 op zijn best een mooie utopische droom was geweest die door de harde realiteit was vervaagd en uitgewist. Elders in onze pers hadden we, rond dezelfde tijd[4], ook kritiek geuit op het scepticisme dat grote delen van het revolutionaire milieu trof, en wel sinds de gebeurtenissen van 1968 zelf - een tendens die met name tot uiting kwam in de weigering van de belangrijkste erfgenamen van de traditie van de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde om in Mei 68 iets meer te zien dan een golf van kleinburgerlijke onrust, die niets had gedaan om het dode gewicht van de contrarevolutie te verlichten.
Zowel de Bordigistische als de Damenistische vleugel[5] van de naoorlogse Italiaanse Linkse Kommunistische traditie reageerden op deze manier. Beiden hebben de neiging om de partij te zien als iets dat buiten de geschiedenis staat, omdat ze het mogelijk achten de partij te handhaven, ongeacht de krachtsverhouding tussen de klassen. Zij zien de strijd van de arbeiders dus in wezen in kringetjes rondgaan, omdat deze alleen in revolutionaire zin kan worden omgevormd door de interventie van de partij, wat de vraag oproept waar de partij zelf vandaan komt. Met name de Bordigisten boden in 1968 een karikatuur van deze benadering, toen ze pamfletten uitbrachten waarin ze erop aandrongen dat de beweging alleen maar ergens toe zou leiden als ze zich achter de spandoeken van De Partij (dat wil zeggen, hun eigen kleine politieke groep) zou plaatsen.
Onze stroming daarentegen heeft altijd gezegd dat dit een in wezen idealistische benadering is die de partij scheidt van haar materiële wortels in de klassestrijd. We beschouwden onszelf als een voortzetting van de werkelijke verworvenheden van de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde in haar meest vruchtbare periode - de periode van de Fractie[6] in de jaren 1930 en 1940, toen zij inzag dat haar vermindering van haar eigen impact ten opzichte van de voorgaande fase van de partij een product was van de nederlaag van de arbeidersklasse, en dat alleen een heropleving van de klassestrijd de voorwaarde kon bieden voor de omvorming van de bestaande kommunistische fracties in een echte klassenpartij.
Na 1968 ontwikkelden deze voorwaarden zich inderdaad, niet alleen op het niveau van de gepolitiseerde minderheden die, in de nasleep van de gebeurtenissen en de daaropvolgende heropstanding van de arbeidersklasse, een belangrijke fase van groei doormaakten, maar ook op een meer algemeen niveau. De klassestrijd die in Mei 68 losbarstte, was geen eendagsvlieg, maar het startschot voor een krachtige dynamiek die snel op wereldschaal tot uiting zou komen.
De vooruitgang in de klassestrijd tussen 1968 en 1988
In overeenstemming met de marxistische visie, die de golvende aard van de klassebeweging al sinds lange tijd heeft opgemerkt, analyseert het artikel drie verschillende internationale strijdgolven in de twee decennia na 1968: de eerste, ongetwijfeld de meest spectaculaire, omvatte de Italiaanse hete herfst van 1969, de gewelddadige opstanden in Cordoba, Argentinië, in 1969 en in Polen in 1970, en belangrijke bewegingen in Spanje en Groot-Brittannië in 1972. In het bijzonder in Spanje begonnen de arbeiders zich te organiseren via massabijeenkomsten, een proces dat in 1976 zijn hoogtepunt bereikte in Vitoria. De internationale dimensie van de golf werd aangetoond door de echo's ervan in Israël (1969) en Egypte (1972) en, later, door de opstanden in de townships van Zuid-Afrika die werden geleid door van strijdcommité’s (de ‘Civics’).
Na een korte pauze in het midden van de jaren 1970 was er een tweede golf, met de stakingen van de Iraanse oliearbeiders en van de staalarbeiders van Frankrijk in 1978, de 'Winter van Ontevredenheid’ in Groot-Brittannië, de Rotterdamse havenstaking onder leiding van een onafhankelijk stakingscomité en de stakingen van de staalarbeiders in Brazilië in 1979, die ook de controle van de vakbonden op de proef stelden. Deze wereldwijde beweging culmineerde in de massastaking in Polen in 1980, die door haar zelforganisatie en eenwording de belangrijkste episode was in de klassestrijd sinds 1968 en zelfs sinds de jaren 1920 van de vorige eeuw.
En hoewel de zware repressie van de Poolse arbeiders deze golf tot stilstand bracht, duurde het niet lang voordat zich een nieuw opleving voordeed middels de strijd in België in 1983 en 1986, de algemene staking in Denemarken in 1985, de staking van de mijnwerkers in Groot-Brittannië in 1984-1985, de strijd van de spoorwegarbeiders en vervolgens van de gezondheidswerkers in Frankrijk in 1986 en 1988, en de beweging van de werkers in het onderwijs in Italië in 1987. Vooral de strijd in Frankrijk en Italië - net als de massastaking in Polen - vertoonde een reëel vermogen tot zelforganisatie middels algemene vergaderingen en stakingscomités.
Dit was geen eenvoudige lijst van stakingen. Het artikel benadrukt ook het feit dat deze golfachtige beweging niet in kringetjes rondging, maar een echte vooruitgang in het klassebewustzijn teweegbracht:
“Een eenvoudige vergelijking van de kenmerken van de strijd van 20 jaar geleden met die van vandaag zal ons in staat stellen om de omvang van de evolutie te zien die zich langzaam in de arbeidersklasse heeft voltrokken. Haar eigen ervaring, gevoegd bij de catastrofale evolutie van het kapitalistische systeem, heeft haar in staat gesteld om een veel duidelijker beeld te krijgen van de realiteit van haar strijd. Dit werd tot uitdrukking gebracht door:
Maar de ervaring van deze 20 jaar van strijd heeft niet alleen negatieve lessen voor de arbeidersklasse opgeleverd (wat niet moet worden gedaan). Het heeft ook lessen opgeleverd over wat er wel gedaan moet worden:
Tegelijkertijd werden de reacties van de bourgeoisie op het gevaar van de klassestrijd niet verwaarloosd: hoewel ze verrast was door het uitbreken van de Mei 68-beweging, en haar toevlucht nam tot wrede vormen van repressie die als katalysator diende voor de uitbreiding van de strijd, had ze later veel geleerd of opnieuw geleerd hoe om te gaan met het verzet van haar klassevijand.
Ze nam natuurlijk geen afstand van het gebruik van repressie, maar ze heeft subtielere middelen gevonden om het gebruik ervan te presenteren en te rechtvaardigen, zoals de bangmakerij van het terrorisme; ondertussen heeft ze haar arsenaal aan democratische misleidingen ontwikkeld om de strijd - met name in landen die nog steeds door openlijke dictaturen werden geregeerd – af te leiden naar burgerlijke politieke doelen. Op het niveau van de strijd zelf ging ze de groeiende ontgoocheling van de arbeiders over de officiële vakbonden en de dreiging van zelforganisatie tegen door radicalere vormen van vakbondsactiviteit te ontwikkelen, waaronder zelfs vormen, die buiten de vakbond omgingen (de 'coördinaties' opgezet door ultralinks in Frankrijk bijvoorbeeld).
Het artikel was begonnen met de erkenning dat veel van de optimistische praatjes over revolutie in 1968 inderdaad utopisch waren geweest. Dit kwam deels doordat de hele discussie over de mogelijkheid van revolutie werd vertekend door linkse opvattingen dat de gebeurtenissen in Vietnam of Cuba inderdaad socialistische revoluties waren die actief gesteund moesten worden door de arbeidersklasse in de centrale landen; maar ook, zelfs toen de revolutie werd opgevat als iets dat werkelijk de omvorming van de maatschappelijke verhoudingen met zich meebracht, omdat in 1968 de objectieve omstandigheden, vooral de economische crisis, nog maar net begon met het scheppen van de materiële basis voor een revolutionaire uitdaging van het kapitaal. Sindsdien zijn de ontwikkelingen wel moeilijker, maar ook diepgaander geworden:
Het keerpunt van 1989
Er zit veel in deze analyse waar we vandaag de dag nog steeds aan kunnen vasthouden. En toch kunnen we niet anders dan getroffen worden door een zin die de beoordeling van de derde strijdgolf in het artikel samenvat:
“Tot slot bevestigen de recente mobilisatie van de arbeiders in het Roergebied in Duitsland en de hervatting van de stakingen in Groot-Brittannië in 1988 (zie het editoriaal in dit nummer) dat deze derde internationale golf van arbeidersstrijd, die nu al meer dan 4 jaar duurt, nog lang niet voorbij is.”
In feite zou de derde golf, en zelfs de hele periode van strijd sinds 1968, plotseling tot stilstand komen met de ineenstorting van het Oostblok in 1989-1991 en de daarmee gepaard gaande stroom van campagnes over de dood van het kommunisme. Deze historische verandering in de wereldsituatie markeerde het definitieve begin van een nieuwe fase in de neergang van het kapitalisme - de fase van ontbinding.
De IKS had eerder in de jaren 1980 de symptomen van ontbinding opgemerkt en in de organisatie was er al een discussie gaande over de implicaties ervan voor de klassestrijd. Echter, het artikel over Mei 68 in Internationale Revue 53 evenals het editoriaal in hetzelfde nummer bewijzen dat de diepere betekenis ervan niet was begrepen.
Het artikel over Mei 68 heeft als tussentitel “20 jaar ontbinding” zonder een verklaring voor de term te geven, terwijl het editoriaal de term alleen toepast op de manifestaties ervan in de imperialistische conflicten - het fenomeen dat toen nog “Libanonisering” werd genoemd, de neiging van hele natiestaten om uiteen te vallen onder het gewicht van steeds irrationelere imperialistische rivaliteiten. Deze onnauwkeurigheden waren waarschijnlijk een afspiegeling van de werkelijke meningsverschillen die eind 1988, op het achtste congres van de IKS, naar voren waren gekomen.
De overheersende stemming op dit congres was er een van over-optimisme en zelfs van een soort euforie. Deels weerspiegelde dit het begrijpelijke enthousiasme dat ontstond door de integratie van twee nieuwe afdelingen van de IKS op het congres, Mexico en India. Maar het kwam vooral tot uiting in bepaalde analyses van de klassestrijd die naar voren werden gebracht: het idee dat de nieuwe burgerlijke misleidingen in een paar maanden tijd afgesleten waren; overdreven hoop op de strijd die toen in Rusland plaatsvond; het idee van een derde golf die steeds verder en hoger oprukte; en bovenal een terughoudendheid om het idee te accepteren dat de klassestrijd, in het licht van de groeiende sociale ontbinding, een “pas op de plaats” leek te maken of stagneerde (wat, gezien de ernst van de inzet, slechts een tendens tot terugtrekking of achteruitgang kon inhouden).
Dit standpunt werd verdedigd door Marc Chirik en een minderheid van kameraden op het congres. Het was gebaseerd op een duidelijk besef dat de ontwikkeling van de ontbinding een soort historische patstelling tussen de klassen tot uitdrukking bracht. De bourgeoisie had de arbeidersklasse geen beslissende historische nederlaag toegebracht en was niet in staat om haar te mobiliseren voor een nieuwe wereldoorlog; maar de arbeidersklasse die, ondanks 20 jaar strijd, de drang naar oorlog had tegengehouden en die inderdaad belangrijke ontwikkelingen in het klassebewustzijn had getoond, was niet in staat geweest om het perspectief van de revolutie te ontwikkelen, om haar eigen politieke alternatief voor de crisis van het systeem te scheppen. Het kapitalisme, dat op geen enkele manier vooruit was gekomen, maar nog steeds verzonken was in een zeer langdurige economische crisis, begon te rotten, en deze verrotting had op alle niveaus gevolgen voor de kapitalistische samenleving[7].
Deze diagnose werd schitterend bevestigd door de ineenstorting van het Oostblok. Aan de ene kant was deze gedenkwaardige gebeurtenis een product van ontbinding. Het benadrukte de diepe impasse van de stalinistische bourgeoisie, die vastzat in een economisch moeras, maar overduidelijk niet in staat was haar arbeiders te mobiliseren voor een militaire oplossing voor het bankroet van haar economie (de strijd in Polen in 1980 had dat duidelijk aangetoond aan de stalinistische heersende klasse).
Tegelijkertijd werden de ernstige politieke tekortkomingen van dit deel van de arbeidersklasse blootgelegd. Het proletariaat van het Russische blok had zeker aangetoond dat het in staat was om te vechten op het defensieve economische terrein, maar - geconfronteerd met een enorme historische gebeurtenis, die zich grotendeels op politiek niveau uitte - was het totaal niet in staat om haar eigen alternatief te bieden en als klasse was het verdronken in de democratische opleving, welke ten onrechte werd omschreven als een reeks van “volksrevoluties”.
Deze gebeurtenissen hebben op hun beurt het proces van ontbinding op wereldschaal drastisch versneld. Dit was het duidelijkst zichtbaar op het imperialistische vlak, waar het snelle uiteenvallen van het oude systeem van de blokken de tendens van "ieder voor zich" de diplomatieke en militaire rivaliteit in toenemende mate deed domineren. Maar dit gold ook voor krachtsverhouding tussen de klassen. In de nasleep van het debacle in het Oostblok, de campagnes van de wereldbourgeoisie over de dood van het kommunisme, over de onmogelijkheid van een alternatief van de arbeidersklasse voor het kapitalisme, werd de capaciteit van de internationale arbeidersklasse - met name in de centrale landen van het systeem - om een politiek perspectief naar voren te brengen, nog meer slagen toegebracht.
De IKS had de gebeurtenissen van 1989-1991 niet voorzien, maar was in staat erop te reageren met een coherente analyse op basis van eerder theoretisch werk. Dit gold zowel voor het begrijpen van de economische factoren die betrokken waren bij de ondergang van het stalinisme[8], als voor het voorspellen van de groeiende chaos die, bij afwezigheid van blokken, nu zou ontketend worden in de sfeer van imperialistische conflicten[9] [9]. En op het niveau van de klassestrijd konden we zien dat het proletariaat nu een bijzonder moeilijke periode doormaakte:
“De vereenzelviging, die systematisch wordt aangebracht tussen stalinisme en communisme, deze leugen die duizendmaal wordt herhaald en nu meer dan ooit, de leugen dat de proletarische revolutie alleen maar in een ramp kan eindigen, zal voor een hele periode invloed hebben op de arbeidersklasse. We moeten dus een tijdelijke teruggang verwachten in het bewustzijn van het proletariaat; de tekenen hiervan zijn nu al te zien in de versterking van de positie van de vakbonden. Terwijl de aanhoudende en steeds sterker wordende brute aanvallen die het kapitalisme wel op het proletariaat moet loslaten, de arbeiders zal dwingen om de strijd aan te gaan, zal dit aanvankelijk niet resulteren in een groter vermogen binnen de klasse om haar bewustzijn te ontwikkelen. Vooral de reformistische ideologie zal de komende tijd zeer zwaar wegen op de strijd, en dit zal de actie van de vakbonden sterk vergemakkelijken.
Gezien het historische belang van de gebeurtenissen die haar veroorzaken, is de huidige teruggang van het proletariaat - hoewel dit de historische koers niet ter discussie stelt – een algemeen perspectief voor de klassenconfrontaties en gaat ze veel dieper dan die gepaard ging met de nederlaag van 1981 in Polen. Dit gezegd hebbende, kunnen we niet van tevoren de breedte of de duur ervan voorzien. Met name zal het ritme van de ineenstorting van het westerse kapitalisme - dat we nu kunnen zien versnellen, met het vooruitzicht van een nieuwe en open recessie - een beslissende factor zijn bij het bepalen van het moment waarop het proletariaat in staat zal zijn om zijn mars naar het revolutionaire bewustzijn voort te zetten.”[10]
Deze passage is zeer duidelijk over de zeer negatieve gevolgen van de ineenstorting van het stalinisme, maar bevat nog steeds een zekere onderschatting van de diepte van de teruggang. De inschatting dat dit “kortstondig” zou zijn, verzwakt reeds de daaruit voortvloeiende uitspraak dat de teruggang “veel dieper zal zijn dan die van de nederlaag van 1981 in Polen”, en dit probleem zou zich in de jaren daarna in onze analyses tot uiting moeten komen, met name in het idee dat bepaalde gevechten in de jaren 1990 - in 1992, en opnieuw in 1998 - het einde van de teruggang inluidden. In werkelijkheid, terugkijkend op de afgelopen drie decennia, kunnen we zeggen dat de teruggang in het klassebewustzijn niet alleen is doorgegaan, maar ook dieper is geworden, met als resultaat een soort geheugenverlies over de verworvenheden en vooruitgang van de periode 1968-1989.
Wat zijn de belangrijkste indicatoren van dit traject?
Maar de economische politiek van de heersende klasse heeft ook bewust elk gevoel van klasse-identiteit aangevallen - zowel door het afbreken van oude industriële centra van proletarisch verzet als door de invoering van veel meer geatomiseerde vormen van arbeid, zoals in de zogenaamde “gig economie”[12] waar arbeiders routinematig worden behandeld als zelfstandige “ondernemers”.
We moeten de realiteit van al deze moeilijkheden onder ogen zien en de politieke consequenties ervan trekken voor de strijd om de verandering van de maatschappij. Maar hoewel het proletariaat zich niet kan onttrekken aan de harde school van de nederlaag, zijn wij van mening dat de groeiende moeilijkheden en zelfs gedeeltelijke nederlagen nog geen historische nederlaag voor de klasse en de eliminatie van de mogelijkheid van het communisme betekenen.
In de afgelopen tien jaar zijn er een aantal belangrijke bewegingen geweest die deze conclusie ondersteunen. In 2006 zagen we de massale mobilisatie van studerende jongeren in Frankrijk tegen de CPE[14]. Zelfs als de strijd in Frankrijk stevig gecontroleerd werd door de vakbonden, zoals in het meest recente geval[15] riepen de media van de heersende klasse vaak het schrikbeeld op van een “nieuwe Mei 68”, om des te beter de echte lessen van Mei 68 te kunnen verdraaien.
Maar de beweging van 2006 heeft in zekere zin de echte geest van 1968 doen herleven: enerzijds omdat de hoofdrolspelers van de beweging vormen van strijd herontdekten, die in die tijd waren opgedoken, met name algemene vergaderingen waar echte discussies konden plaatsvinden en waar de jonge deelnemers graag de getuigenissen wilden horen van oudere kameraden die aan de gebeurtenissen van 1968 hadden deelgenomen. Maar tegelijkertijd hield deze studentenbeweging, die de vakbonden had voorbijgestreefd, het reële risico in dat de arbeiders op een vergelijkbare “ongecontroleerde” manier zouden worden aangetrokken, precies zoals in Mei 68, en daarom trok de regering de CPE-wet in, welke de opstand in eerste instantie had uitgelokt.
In mei 2006 gingen 23.000 metaalarbeiders in Vigo, in de Spaanse provincie Galicië, in staking tegen een nieuwe arbeidswet voor deze sector, en in plaats van zich op te sluiten in de fabrieken, gingen ze op zoek naar solidariteit bij andere bedrijven, met name de scheepswerven en de Citroën-fabrieken, en organiseerden ze demonstraties in de stad om de hele bevolking samen te brengen, en organiseerden ze vooral dagelijkse openbare algemene vergaderingen die volledig openstonden voor andere arbeiders, werkenden, werklozen en gepensioneerden. Deze proletarische vergaderingen vormden een week lang de longen van een voorbeeldige strijd, totdat de beweging beklemd raakte tussen gewelddadige repressie enerzijds en de onderhandelingsmanoeuvres van de vakbonden en bazen anderzijds.
In 2011 waren we getuige van de golf van sociale revoltes in het Midden-Oosten en Griekenland, met als hoogtepunt de Indignados-beweging in Spanje en de “Occupy” in de VS. Het proletarische element in deze bewegingen varieerde van land tot land, maar was het sterkste in Spanje, waar we de wijdverbreide adoptie zagen van de algemene vergadering; een krachtige internationalistische impuls die de uitingen van solidariteit van deelnemers uit de hele wereld verwelkomde en waar de leuze van “wereldrevolutie” serieus werd genomen, misschien voor het eerst sinds de revolutionaire golf van 1917; een erkenning dat “het systeem verouderd is” en een sterke wil om de mogelijkheid van een nieuwe vorm van maatschappelijke organisatie te bediscussiëren. In de vele geanimeerde discussies, die plaatsvonden in de vergaderingen en commissies over kwesties als moraal, wetenschap en cultuur, en het alomtegenwoordige in vraag stellen van het dogma dat kapitalistische verhoudingen eeuwig zijn - ook hier zagen we de echte geest van Mei 68 vorm krijgen.
Natuurlijk hadden de meeste van deze bewegingen veel zwakheden, die we elders hebben geanalyseerd[16], niet in de laatste plaats de neiging van de deelnemers om zichzelf te beschouwen als “burger” in plaats van als proletariërs, en dus een echte kwetsbaarheid voor de democratische ideologie, waardoor burgerlijke partijen als Syriza in Griekenland en Podemos in Spanje zich konden presenteren als de ware erfgenamen van deze revoltes. En in sommige opzichten is het, zoals bij elke proletarische nederlaag, hoe hoger je klimt, hoe dieper je valt: de neergang van deze bewegingen heeft de algemene teruggang van het klassebewustzijn verder verdiept.
In Egypte, waar de beweging van de pleinen de beweging in Spanje en Griekenland inspireerde, hebben illusies in de democratie de weg bereid voor het herstel van hetzelfde soort autoritaire bewind, dat de oorspronkelijke katalysator vormde van de “Arabische lente”; in Israël, waar massademonstraties ooit de internationalistische leuze “Netanyahu, Mubarak, Assad, dezelfde vijand” naar voren bracht, heeft de wrede militaristische politiek van de regering van Netanyahu nu de overhand gekregen. En het ergste van alles is dat in Spanje veel van de jongeren, die deelnamen aan de Indignados-beweging, naar de absolute impasse van het Catalaanse of Spaanse nationalisme werden getrokken.
De opkomst van deze nieuwe proletarische generatie in de bewegingen van 2006 en 2011 gaf, bij een minderheid, ook opnieuw aanleiding tot een zoeken naar de kommunistische politiek. Maar de hoop dat dit zou leiden tot een hele nieuwe toestroom van revolutionaire krachten heeft zich, althans op dit moment, nog niet verwezenlijkt. De Kommunistische Linkerzijde blijft grotendeels geïsoleerd en verdeeld; onder de anarchisten, waar enkele interessante nieuwe ontwikkelingen waren begonnen, wordt de zoektocht naar klassestandpunten ondermijnd door de invloed van identiteitspolitiek en zelfs nationalisme. In een derde artikel in deze serie gaan we dieper in op de evolutie van het proletarische politieke kamp en zijn omgeving sinds 1968.
Maar als Mei 68 ons iets leert, dan is het wel dat de arbeidersklasse zich uit de ergste nederlagen weer kan oprichten, terugkeren van de diepste achteruitgang. De momenten van proletarische opstand, die ondanks de oprukkende dreiging van kapitalistische ontbinding, hebben plaatsgevonden, onthullen de mogelijkheid van het ontstaan van bewegingen die, door het perspectief van de revolutie terug te winnen, de vele gevaren die ontbinding met zich meebrengt voor de toekomst van de soort, kunnen voorkomen.
Deze gevaren - de verbreiding van militaire chaos, van de ecologische catastrofe, van honger en ziekte op een ongekende schaal - bewijzen dat revolutie meer dan ooit een noodzaak is voor de mensheid. Het verval en de ontbinding van het kapitalisme vergroten zeker het gevaar dat de objectieve basis voor een nieuwe maatschappij definitief zal worden vernietigd als de ontbinding een bepaald punt overschrijdt. Maar zelfs in zijn laatste fase brengt het kapitalisme nog steeds de krachten voort die gebruikt kunnen worden om het omver te werpen - in de woorden van het Kommunistische Manifest van 1848: “wat de bourgeoisie voortbrengt, is vooral haar eigen doodgraver”. Het kapitalisme, zijn productiemiddelen en communicatiemiddelen zijn mondialer dan ooit - maar het proletariaat is evenzeer internationaler en beter in staat om op wereldvlak onderling te communiceren.
Het kapitalisme is technologisch steeds geavanceerder geworden - maar dan moet het de arbeidersklasse opleiden in het gebruik van zijn wetenschap en technologie, die in een toekomstige maatschappij eerder voor menselijke behoeften dan voor de winst kunnen worden gebruikt. Deze meer geschoolde, internationaal georiënteerde laag van de klasse heeft in de recente sociale beweging steeds opnieuw zijn intrede gedaan, vooral in de centrale landen van het systeem, en zal zeker een sleutelrol spelen in elke toekomstige heropleving van de klassestrijd, net als de nieuwe proletarische legers die door de duizelingwekkende maar verziekte groei van het kapitalisme in Azië en andere eerder “onderontwikkelde” regio's zijn ontstaan. We hebben de laatste uiting van de geest van Mei 68 nog niet gezien.
Amos, juni 2018
[1] Zie bijvoorbeeld: “ICC meeting at ‘1968 and all that’: the perspective opened 40 years ago has not gone away [7]”, World Revolution, nr. 315, 2008.
[2] “Mei 68: Wegzakken in de economische crisis [8]”, IKS online, 2019
[3] “20 ans depuis Mai 1968: le mûrissement des conditions de la révolution prolétarienne [9]”, Revue Internationale, nr. 53, 1988. Het artikel is ondertekend RV, één van de jonge ‘Venezolanen’ die in 1968 hielpen bij de oprichting van Révolution Internationale.
[4] Zie in het bijzonder: “Polemic: Confusion of communist groups over the present period [10]”, International Review, nr. 54, 1988.
[5] Zie in het bijzonder: “The 1950s and 60s: Damen, Bordiga and the passion for communism [11]”, International Review, nr. 158, 2017.
[6] Hiermee wordt Bilan bedoeld, de groep uitgesloten Italiaanse linkscommunisten die probeerde de lessen te trekken uit de strijdgolf van 1917-1923, en vooral met betrekking tot de organisatorische kwestie.
[7] Voor een meer ontwikkelde balans van de strijd van de laatste decennia, die rekening houdt met de tendensen in onze analyse om het onmiddellijke potentieel van de klassenstrijd te overschatten, zie het Rapport over de klassenstrijd van het 21ste Congres van de IKS: “Report on the class struggle [12]”, International Review, nr. 156, 2016.
[8] “Stellingen over de economische en politieke situatie in de landen van het Oostblok”; Internationale Revue, nr. 11, 1983.
[9] Zie in het bijzonder: “Oriëntatietekst: Militarisme en ontbinding”, Internationale Revue, nr. 13, 1991.
[10] “Stellingen over de economische en politieke situatie in de landen van het Oostblok”, Internationale Revue, nr. 11, 1983.
[11] Zie punt 15 in: “22e Congres van de IKS: Resolutie over de internationale situatie [13]”, IKS online, 2018.
[12] De gig-economie is een economie waarin arbeiders géén vast dienstverband hebben, maar werken in de vorm van betaald klussen of kortstondige dienstverbanden, die zowel opeenvolgend als parallel worden uitgevoerd.
[13] Zie punt 16 en 17 in: “22e Congres van de IKS: Resolutie over de internationale situatie [13]”, IKS online, 2018.
[14] Contrat Premier Embauche (CPE), in het Nederlands: contract eerste aanstelling.
[15] Zie : “France: Grève “perlée” des cheminots: une manœuvre des syndicats pour nous diviser! [14]”, ICC online, 2018.
[16] Zie: “The Indignados in Spain, Greece and Israel: From indignation to the preparation of class struggle [15]”, International Review, nr. 147, 2011.
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 236.21 KB |
Eén van de meest populaire slogans in de demonstraties tegen de klimaatverandering is: "Change the system, not the climate".
Het lijdt geen twijfel dat het huidige systeem de mensheid naar een milieuramp voert. Dagelijks komen er materiële bewijzen bij: uitzonderlijke hittegolven, ongekende bosbranden in het Amazonegebied, smeltende gletsjers, overstromingen, het uitsterven van hele soorten - met als uiteindelijke gevolg het uitsterven van de menselijke soort. En zelfs als er geen opwarming van de aarde zou zijn, zouden de bodem, de lucht, de rivieren en de zeeën nog steeds vergiftigd worden en voor altijd uitgeput raken.
Het is geen wonder dat zoveel mensen, en vooral zoveel jongeren, geconfronteerd met deze bedreigende toekomst, zich grote zorgen maken over deze situatie en er iets aan willen doen.
De golf van protesten georganiseerd door Youth for climate, Extinction Rebellion, de groenen en de linkse partijen wordt gepresenteerd als een te volgen weg. Maar iedereen die op dit moment hun voorbeeld volgt, moet zich afvragen: waarom worden deze protesten zo breed gesteund door degenen die het huidige systeem regeren en verdedigen? Waarom wordt Greta Thunberg uitgenodigd om zich tot parlementen, regeringen en de Verenigde Naties te richten?
Natuurlijk belasteren mensen als Trump, Bolsonaro of Farage voortdurende Greta en de ‘ecologische strijders’. Zij beweren dat de klimaatverandering oplichterij is en dat maatregelen om de vervuiling tegen te gaan een bedreiging vormen voor de economische groei, met name in sectoren zoals de auto-industrie en de fossiele brandstoffen. Zij zijn de schaamteloze verdedigers van de kapitalistische winst. Maar hoe zit het met Merkel, Macron, Corbyn, Alexandria Ocasio-Cortez en anderen die de klimaatprotesten geprezen hebben: maken ze minder deel uit van het huidige systeem?
Veel van de deelnemers aan de huidige protesten zullen het erover eens zijn dat de wortels van de milieuvernietiging bij het systeem liggen en dat het hierbij gaat om het kapitalistische systeem. Maar de organisaties achter de protesten, en de politici die hypocriet beweren ze te steunen, verdedigen een politiek die de ware aard van het kapitalisme verbergt.
Laten we eens kijken naar één van de meest radicale programma's van deze politici: de zogenaamde Green New Deal. Deze biedt ons een reeks maatregelen die door de bestaande staten moeten worden genomen en die enorme kapitaalinvesteringen vereisen om ‘schone’ industrieën te ontwikkelen die een behoorlijke winst zouden moeten kunnen maken. Met andere woorden: het is volledig ingekaderd binnen de grenzen van het kapitalistische systeem. Net als de New Deal van de jaren 1930 is het doel om het kapitalisme in deze moeilijke tijden te redden, en niet om het te vervangen.
Wat is het kapitalistische systeem?
Het kapitalisme verdwijnt niet als het wordt geregeerd door staatsbureaucraten in plaats van privé-bazen, of als het groen wordt geschilderd.
Het kapitaal is een wereldwijde verhouding tussen klassen, gebaseerd op de uitbuiting van de loonarbeid en de productie voor de verkoop met het oog op winst. De voortdurende zoektocht naar afzetmogelijkheden voor zijn producten leidt tot een genadeloze concurrentie tussen de nationale staten voor een dominante positie op de wereldmarkt. En deze competitie vereist dat elk nationaal kapitaal zich ontwikkelt om niet ten onder te gaan. Een kapitalisme dat niet langer probeert door te dringen in de laatste hoek van de planeet en onbeperkt te groeien, kan niet bestaan. Ook is het kapitalisme totaal niet in staat om op wereldvlak samen te werken om een antwoord te bieden op de ecologische crisis, zoals reeds is aangetoond door de trieste mislukking van de verschillende klimaattoppen en -protocollen.
De jacht op winst, die niets te maken heeft met menselijke behoeften, ligt al sinds het begin van het kapitalisme ten grondslag aan de verwoesting van de natuur. Maar het kapitalisme heeft een geschiedenis, het is al een eeuw lang geen factor van vooruitgang meer en is ondergedompeld in een diepe historische crisis. Het is een beschaving in verval omdat de economische basis, die noodgedwongen is om onbeperkt te groeien, een overproductiecrisis veroorzaakt, welke de neiging heeft om permanent te worden. En zoals de wereldoorlogen en de ‘Koude Oorlog’ van de 20e eeuw hebben aangetoond, kan dit proces van verval de koers van het kapitaal naar de vernietiging alleen maar versnellen.
Nog voordat de wereldwijde verwoesting van de natuur duidelijk werd, dreigde het kapitalisme de mensheid al te vernietigen met zijn onophoudelijke imperialistische botsingen en oorlogen, die zich vandaag nog in een groot deel van de wereld verderzetten, van Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot Pakistan en India. Zulke conflicten kunnen alleen maar verergeren door de ecologische crisis, aangezien de nationale staten vechten om steeds schaarser wordende grondstoffen. Tegelijkertijd kan de wedloop om steeds gruwelijkere wapens te produceren - en vooral te gebruiken - de planeet alleen maar verder vervuilen. Deze schandalige combinatie van kapitalistische verwoesting maakt nu al delen van de planeet onbewoonbaar en dwingt miljoenen mensen om vluchteling te worden.
De noodzaak en mogelijkheid van het communisme
Dit systeem kan de economische crisis, de milieucrisis of de koers naar de oorlog niet overwinnen.
Het is daarom een misleiding om te eisen dat regeringen over de hele wereld ‘zich herpakken’ en iets doen om de planeet te redden - een verzoek dat is geformuleerd door alle groepen die de huidige marsen en demonstraties organiseren. De enige hoop van de mensheid ligt in de vernietiging van het huidige systeem en het scheppen van een nieuwe maatschappijvorm. Dit is wat wij het communisme noemen - een wereldwijde menselijke gemeenschap zonder natiestaten, zonder uitbuiting van de arbeid, zonder markten en zonder geld, waarbij alle productie op wereldschaal wordt gepland met als enig doel te voorzien in de menselijke behoeften. Het spreekt voor zich dat deze samenleving niets te maken heeft met de vormen van staatskapitalisme die we zien in landen als China, Noord-Korea of Cuba, of voorheen de Sovjet-Unie.
Het authentieke communisme is de enige basis voor een nieuwe relatie tussen de mensheid en de rest van de natuur. En dit is geen utopie. Dit is mogelijk, omdat het kapitalisme de materiële fundamenten ervoor heeft gelegd: de ontwikkeling van wetenschap en technologie, die kunnen worden bevrijd van hun verminking in dit systeem, en de wereldwijde onderlinge afhankelijkheid van alle productieve activiteiten, die kunnen worden bevrijd van de kapitalistische concurrentie en nationale tegenstellingen.
Maar het is vooral mogelijk omdat het kapitalisme gebaseerd is op het bestaan van een klasse die niets meer te verliezen heeft dan haar ketenen, een klasse die er belang bij heeft zich te verzetten tegen de uitbuiting en haar onderdrukking: de internationale arbeidersklasse, het proletariaat van alle landen. Het is een klasse die niet alleen bestaat uit mensen die op het werk worden uitgebuit, maar ook uit mensen die studeren om een plaats op de arbeidsmarkt te vinden en zij die door het kapitalisme in de werkloosheid en op de schroothoop zijn gegooid.
Burgerbewegingen of arbeidersstrijd?
Het is vooral hier dat de ideologie achter de klimaatmarsen dient om te voorkomen dat we de middelen zouden aangrijpen om dit systeem te bestrijden. Ze vertelt ons bijvoorbeeld dat de wereld in de problemen zit, omdat de ‘oude generatie’ er aan gewend is geraakt om te veel te consumeren. Maar door over generaties ‘in het algemeen’ te spreken, verbergt ze het feit dat het probleem, zowel gisteren als vandaag, is gelegen in de verdeling van de maatschappij in twee grote klassen, de kapitalistische klasse of bourgeoisie, die alle macht heeft, en een veel grotere klasse die wordt uitgebuit en beroofd van elke beslissingsbevoegdheid, zelfs in de meest ‘democratische’ landen. Het zijn de onpersoonlijke mechanismen van het kapitaal die ons in de huidige ellende hebben gestort, niet het persoonlijke gedrag van individuen of de hebzucht van een vorige generatie.
Hetzelfde geldt voor alle toespraken over ‘het volk’ of ‘de burgers’ die de kracht zouden vormen die de wereld kan redden. Dit zijn zinloze categorieën, die de tegenstrijdige klassenbelangen toedekken. De uitweg uit een systeem, dat niet kan bestaan zonder de uitbuiting van de ene klasse door de andere klasse, kan alleen worden bereikt door de klassenstrijd te hervatten, te beginnen met de verdediging van de meest fundamentele belangen van de werkers tegen de aanvallen op hun levens- en arbeidsomstandigheden die door alle regeringen en ondernemers worden ontketend als antwoord op de economische crisis - aanvallen die ook steeds vaker worden uitgevoerd in naam van de noodzaak om het milieu te beschermen. Dit is de enige manier voor de arbeidersklasse om de betekenis van haar eigen bestaan te ontwikkelen tegen alle leugens die ons vertellen dat zij al een ‘uitgestorven soort’ is. En dit is de enige manier voor de klassenstrijd om de economische en politieke dimensies samen te brengen - door de economische crisis, oorlog en ecologische rampen met elkaar te verbinden en door te erkennen dat alleen een wereldwijde revolutie deze kan overwinnen.
In de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog namen honderdduizenden mensen deel aan vreedzame betogingen. Zij werden aangemoedigd door de ‘democratische’ heersende klassen, want zij verspreidden de illusie dat er een vreedzaam kapitalisme kon bestaan. Vandaag de dag wordt steeds meer de illusie verspreid van een groen kapitalisme. Het pacifisme, met zijn oproep aan alle mensen van goede wil, verhulde bovendien het feit dat alleen de klassestrijd echt verzet tegen de oorlog biedt, zoals in 1917-1918 werd bewezen toen het uitbreken van de Russische en Duitse revoluties de wereldleiders dwong om snel een einde te maken aan deze oorlog. Pacifisme heeft nooit een einde gemaakt aan oorlogen, en de huidige milieucampagnes, door de verspreiding van valse oplossingen voor de klimaatramp, vormen alleen maar een hinderpaal voor de echte oplossing ervan.
Internationale Kommunistische Stroming / 27.08.2019
We hebben een artikel en een eerste pamflet over de protesten tegen de klimaatverandering van de Frans-, Nederlands- en Spaansetalige website verwijderd (ze waren niet op de engelse website gepubliceerd), omdat er algemene overeenstemming bestaat in de organisatie dat deze twee originele teksten niet kritisch genoeg waren over de betrokkenheid van de bourgeoisie in de klimaatdemonstraties. Het nieuwe internationale pamflet [20] op onze website geeft het standpunt weer van de organisatie over deze demonstraties. We zijn van plan om te zijner tijd een meer uitgewerkte analyse over de protesten tegen de klimaatverandering te geven.
Op 10 oktober deden twee vrachtwagenchauffeurs van Seine-et-Marne een oproep op Facebook voor een demonstratie op 17 november onder de titel: "Nationale blokkade tegen de stijgende brandstofprijzen". Hun boodschap werd snel doorgegeven op alle sociale netwerken, die bijna 200.000 “geïnteresseerden” aantrok. Het aantal initiatieven en oproepen nam toe. Zonder vakbond of politieke partij werden spontaan een hele reeks acties, bijeenkomsten en blokkades gepland. Het resultaat: op 17 november verlamden, volgens de regering, 287.710 personen, verspreid over 2.034 punten, wegenknooppunten, rotondes, autosnelwegen, tolwegen, parkeergarages, enzovoort. In de officiële cijfers, verstrekt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (met een bewonderenswaardige precisie!), werden de aantallen grotendeels en moedwillig onderschat. De “gele hesjes” zelf schatten dat het er twee keer zoveel waren.
In de dagen die daarop volgden mobiliseerden de blokkades, waarvan sommigen werden gehandhaafd terwijl anderen hier en daar plaatsvonden, enkele duizenden mensen per dag. Ongeveer tien raffinaderijen van Total werden ontregeld door een gelijktijdige actie van de CGT en de “gele hesjes”. Op 24 november ging een nieuwe grote actiedag van start met de naam “Akte 2: Alle Fransen naar Paris”. Het doel was om de prestigieuze plaatsen van de hoofdstad en de locaties van de macht te blokkeren: de Champs-Élysées, de Place de la Concorde, de Senaat en vooral het Elysée. “Het is noodzakelijk om een beslissende slag toe te brengen en met zijn allen naar Parijs op te trekken met alle mogelijke middelen (carpoolen, trein, bus, enzovoort). Parijs, want daar zetelt de regering! We verwachten iedereen, vrachtwagens, bussen, taxi’s, terreinwagens, tractoren, enzovoort. Iedereen”, aldus Éric Drouet, vrachtwagenchauffeur van Melun, mede-initiatiefnemer van de beweging en een aanvoerder van de mobilisatie. Uiteindelijk zou deze grote gezamenlijke mobilisatie niet plaatsvinden, aangezien veel “gele hesjes” er de voorkeur aan gaven plaatselijk te demonstreren, vaak vanwege de hoge kosten van het transport. Vooral de omvang van de mobilisatie was sterk aan het afnemen.
Slechts 8.000 demonstranten in Parijs, 106.301 in heel Frankrijk en 1.600 acties. Ook al onderschatten deze regeringscijfers de realiteit van de mobilisatie sterk, de trend was duidelijk in neerwaartse richting. Toch beweerden veel stemmen in de beweging dat ze bezig waren een overwinning te behalen. Het belangrijkste voor de “gele hesjes” waren deze beelden van de Champs-Élysées, die “een hele dag bezet was gehouden”, en die getuigden van “de kracht van het volk tegen de machtigen”. [1] Zo werd dezelfde avond, nog steeds via Facebook, een oproep gedaan voor een derde actiedag, gepland voor zaterdag 1 december: “Akte 3: Macron ontslag!”, waarbij twee eisen werden gesteld: “Verhoging van de koopkracht en afschaffing van de brandstofbelasting”.
Alle journalisten, politici en allerlei “sociologen” wijzen op het nooit geziene karakter van de beweging: spontaan, buiten elk politiek of vakbondskader, veelvormig, voornamelijk georganiseerd via sociale netwerken, relatief grootschalig, globaal gedisciplineerd, over het algemeen zonder vernielingen en confrontaties, enzovoort. Op de televisie en in de krantenkolommen werd de beweging gekwalificeerd als een “sociologische UFO”.
De woede tegen aanvallen van de regering!
Op gang gebracht door vrachtwagenchauffeurs, mobiliseerde deze beweging, zoals de initiatiefnemer Éric Drouet schreef, “vrachtwagens, bussen, taxi's, terreinwagens, tractoren”, maar dat niet alleen. Veel kleine ondernemers, “verpletterd door de belastingen”, waren er ook aanwezig. Actieve arbeiders, arbeiders met een precaire job, werklozen of gepensioneerden droegen het “gele hesje” en vormden het grootste contingent. “De “gele hesjes” lijken meer op een Frankrijk van bedienden, caissières, technici, kleuterschoolassistenten, die de levenswijze die ze voor zichzelf hebben gekozen willen verdedigen: een leven buiten de stadscentra, in vrede, met buren die op hen lijken, in een vrijstaand huis met een tuin en voor wie de aanval op de auto, door de verhoging van de belastingen op dieselbrandstof, als het ware hun privéruimte in vraag stelt”, zegt Vincent Tiberi. Volgens deze hoogleraar politieke wetenschappen van de U. Bordeaux, vertegenwoordigen de “gele hesjes” “niet alleen perifeer Frankrijk, het Frankrijk van de vergeten mensen. Ze belichamen meer wat socioloog Olivier Schwartz de kleine middenklasse noemt. Ze werken, betalen belasting en verdienen te veel om in aanmerking te komen voor steun en niet genoeg om goed te kunnen leven.” [2]
In feite getuigt de omvang van deze mobilisatie vooral van de enorme woede die in het binnenste van de maatschappij, en met name in de arbeidersklasse, bestaat over het bezuinigingspolitiek van de regering Macron. Officieel, volgens de Franse Observatoire français des conjonctures économiques, is het beschikbare jaarinkomen van de huishoudens (d.w.z. wat overblijft na belastingen en overige kosten) tussen 2008 en 2016 met gemiddeld 440 euro gedaald. Dit is slechts een zeer klein deel van de aanvallen op de arbeidersklasse. Naast deze algemene verhoging van de allerlei soorten belastingen, is er ook een stijging van de werkloosheid, de systematisering van de precaire jobs, met inbegrip van de openbare diensten, van de inflatie die met name van invloed is op de basisbehoeften, van de onbetaalbare huizenprijzen, enzovoort. De armoede neemt onverbiddelijk toe en daarmee ook de angst voor de toekomst. Maar wat volgens de “gele hesjes” nog belangrijker is, en wat deze enorme woede aanwakkert, is “het gevoel veracht te worden” [3].
Het is dit overheersende gevoel van “veracht” te worden, genegeerd door de regeringen, het verlangen om gehoord en erkend te worden door “degenen aan de top”, om de terminologie van “gele hesjes” te gebruiken, die een verklaring vormt voor de gekozen actiemiddelen: het dragen van fluorescerende gele hesjes, het blokkeren van de wegen, het optrekken naar de Senaat of het Elysée, onder de ramen van de grote bourgeoisie, door het bezetten van “de mooiste avenue ter wereld” [4].
De media en de regering vestigden de aandacht op de vernielingen en gewelddadigheden op de Champs-Élysées om te suggereren dat elke strijd tegen de hoge kosten van levensonderhoud en de verslechtering van de levensomstandigheden van de uitgebuitenen alleen maar kan leiden tot chaos en anarchie met acties van blind geweld en vandalisme. De media in dienst van de bourgeoisie, de specialisten van het amalgaam, de mensen doen geloven dat “gele hesjes” “extremisten” waren die ook “politieagenten wilden aanvallen” [5], terwijl in werkelijkheid vooral de repressiekrachten aanvielen en provoceerden! In Parijs werden er op 24 november onophoudelijk traangasgranaten afgevuurd en, charges uitgevoerd door CRS (de oproerpolitie) op groepen mannen en vrouwen, die rustig over de Champs-Élysées marcheerden.
Bovendien waren er deze keer zeer weinig ramen stukgeslagen [6] in tegenstelling tot bij de viering van het wereldkampioenschap voetbal, op dezelfde plaats vier maanden eerder. Ook al waren sommige gemaskerde “gele hesjes” opstokers die tegen de politie wilden vechten (leden van het(“zwarte blok” of “ultra-rechts” schorem), de overgrote meerderheid wil niet vechten of vernielen. Ze willen geen “vernielers” zijn, maar alleen “burgers” die “gerespecteerd” en “gehoord” worden. Daarom wordt in de oproep tot “Akte 3” benadrukt dat “het correct moet gebeuren. Geen vernielingen en 5 miljoen Fransen op straat”. En zelfs: “Om onze volgende samenkomst te beveiligen, stellen we voor om “rode hesjes” aan te duiden, die de verantwoordelijkheid zullen hebben de vernielers uit onze gelederen te verwijderen. We mogen vooral de bevolking niet van ons vervreemden. Laten we letten op ons imago, vrienden”.
Een interklassistische “burgerbeweging”.....
De beweging van de “gele hesjes” heeft desalniettemin één onthullend kenmerk gemeen met de viering van het Franse voetbalelftal dat wereldkampioen is geworden: de alom aanwezigheid van de “tricolore” en regionale vlaggen, van het nationale volkslied dat regelmatig werd aangeheven, de tastbare trots om “het Franse volk” te zijn. Een “Frans volk” dat, verenigd, in staat zou zijn om de machtigen te doen terugdringen. In vele hoofden leefde de gedachte aan de Franse Revolutie van 1789 of zelfs aan het verzet van 1939-1945. [7]
Dit aangewakkerd nationalisme, deze verwijzing naar het “volk”, deze smeekbede gericht aan de machtigen, onthullen de ware aard van deze beweging. De overgrote meerderheid van de “gele hesjes” zijn actieve of gepensioneerde en verpauperde arbeiders, maar ze verschijnen hier als burgers van het “Franse volk” en niet als leden van de arbeidersklasse. Het is duidelijk een interklassistische beweging waarin alle niet-uitbuitende klassen en lagen van de maatschappij met elkaar vermengd zijn. Het gaat om arbeiders (actieve arbeiders, werkloze arbeiders, arbeiders met een precaire job, gepensioneerden) en kleinburgers (ambachtslieden, vrije beroepen, kleine ondernemers, boeren en fokkers). Een deel van de arbeidersklasse heeft zich op sleeptouw laten nemen door de initiatiefnemers van de beweging (kleine bazen, chauffeurs van vrachtwagen, taxi's, ambulances).
Ondanks de legitieme woede van de “gele hesjes”, waaronder veel proletariërs die de eindjes niet meer aan elkaar kunnen knopen, is deze beweging geen arbeidersbeweging. Het is een beweging die opgestart werd door kleine bazen die boos zijn over de stijging van de brandstofprijzen. Zoals deze woorden van de vrachtwagenchauffeur, die de beweging op gang heeft gebracht, getuigen: “We verwachten iedereen, vrachtwagens, bussen, taxi’s, tractoren, terreinwagens, enzovoort. Iedereen”. “Iedereen” en heel het “Franse volk” achter de vrachtwagenchauffeurs, taxichauffeurs, boeren, enzovoort. De arbeiders worden zo opgelost in “volk”, als enkelingen, van elkaar gescheiden als een troep individuele burgers, vermengd met kleine ondernemers (van wie velen deel uitmaken van het electoraat van de Rassemblement national - ex-FN - van Marine Le Pen).
Het verrotte terrein waarop een groot aantal proletariërs, waaronder de meest verpauperde, zich hebben laten meevoeren, is niet dat van de arbeidersklasse! In deze “a-politieke” en “anti-syndicale” beweging is er geen oproep tot staking en tot uitbreiding ervan naar alle sectoren! Geen oproep tot soevereine algemene vergaderingen in bedrijven om samen te discussiëren en na te denken over de te ondernemen acties om de strijd verder te brengen en te verenigen tegen de aanvallen van de regering! Deze “burger”opstand is een valstrik om de arbeidersklasse te verdrinken in het “Franse volk” waarin alle burgerlijke klieken zich bewegen als “supporters” van de beweging. Van Marine Le Pen tot Olivier Besancenot, van Mélenchon tot Laurent Wauquiez (en zelfs Brigitte Bardot!), “iedereen” is erbij, van uiterst rechts tot de uiterst linkse zijde van het kapitaal, om deze interklassistische beweging en haar nationalistisch gif te steunen.
… met de steun van alle burgerlijke klieken
Het is inderdaad de interklassistische aard van de beweging van de “gele hesjes” die verklaart waarom Marine Le Pen haar begroet als een “legitieme beweging” van het “Franse volk”; waarom Nicolas Dupont-Aignan, president van Debout la France, deze beweging steunt: “We moeten heel Frankrijk blokkeren (.....), de Franse bevolking moet deze regering zeggen: nu is het genoeg!”; waarom Laurent Wauquiez, president van Les Républicains, de “gele hesjes” "waardige, vastberaden mensen”, noemt “die enkel eisen dat men de moeilijkheden van werkend Frankrijk hoort"; waarom de afgevaardigde Jean Lassalle, aan het hoofd van Résistons, een van de figuren van de beweging is en zijn gele hesje draagt in het parlement zoals op straat. Rechts en uiterst rechts herkennen in de "gele hesjes" duidelijk een beweging die het kapitalistische systeem op geen enkele manier in gevaar brengt. Bovenal zien zij haar als een zeer effectieve manier om hun belangrijkste concurrent bij de komende verkiezingen, de kliek van Macron, te verzwakken, wiens gezag en vermogen om de sociale vrede te bewaren ernstig wordt ondermijnd.
Wat links en extreem links betreft, zij hekelen de recuperatie van de beweging door rechts en extreem rechts, verwerpen de "facho's die de beweging bederven" en steunen de beweging ook min of meer openlijk. Na eerst voorzichtig te zijn geweest, opent Jean-Luc Mélenchon, aan het hoofd van La France insoumise (Rebellerend Frankrijk), nu al zijn registers door “De revolutionaire beweging in het geel", als een “populaire” en “massale” beweging te begroeten. Het moet gezegd worden: hij voelt zich daar als een vis in het water, hij en zijn “FRANCE insoumise”, zijn blauw-wit-rode vlaggen, zijn driekleurige sjerp die hij bij elke gelegenheid draagt, en zijn streven om “het volk te verenigen tegen de oligarchie” door middel van de stembus.
De steun die alle kanten van het burgerlijke politieke spectrum bieden, [8] en vooral die van rechts en extreem rechts, toont aan dat de beweging van de “gele hesjes” niet proletarisch van aard was en niets te maken heeft met klassestrijd! Als al deze partijen van het politieke apparaat van de bourgeoisie de “gele hesjes” gebruikten om Macron te verzwakken, in de hoop de vruchten ervan te plukken in de vorm van verkiezingswinst, weten ze dat deze beweging de strijd van het proletariaat tegen zijn uitbuiting en onderdrukking geenszins versterkt [9].
In dit soort interklassistische bewegingen heeft het proletariaat niets te winnen, want het is altijd de kleinburgerij die zijn kleur geeft aan de beweging (geel is trouwens de kleur van de stakingsbrekers!). Trouwens, onder de acht woordvoerders, die op 26 november werden benoemd, vindt men een overweldigende meerderheid van kleine ondernemers of zelfstandigen.
Het zijn dus de doelstellingen van de kleinburgerij, haar leuzen, haar strijdmethoden die zich aan allen opdringen. Aan de oppervlakte is deze sociale laag zeer radicaal. Omdat ze verpletterd, gedegradeerd wordt door het kapitaal, kan haar woede met geweld tot uitbarsting komen en het onrecht en zelfs de barbaarsheid van de grote bourgeoisie en haar staat aan de kaak stellen. Maar wat zij in wezen nastreeft is “erkenning” en geen “verachting” door de elites van “aan de top”, of beter nog, sommigen onder hen dromen ervan om tot de bovenste lagen van de bourgeoisie op te klimmen, en daarvoor moet hun bedrijf bloeien. Dit verklaart haar eisen door middel van de beweging van de “gele hesjes”: een goedkopere dieselolie en minder belastingen voor hun bedrijven om deze te kunnen laten draaien en ontwikkelen, acties om wegen te blokkeren, allen in het geel gekleed om gezien en beloond te worden, een focus op de persoon van Macron (“Macron, ontslag!”) die de drang symboliseert om Kalief te zijn in plaats van de Kalief, en een bezetting van “de mooiste avenue ter wereld”, een echte etalage van kapitalistische luxe.
Deze beweging van de “gele hesjes” is ook vergiftigd, al is het niet massaal, door de ideologie van het populisme. Een “ongekende”, “veelvormige” beweging, die beweert tegen politieke partijen te zijn, die de logheid van de vakbonden aan de kaak stelde en ..... vanaf het begin gesteund is door Marine Le Pen! Het is geen ongelukkig toeval, of het resultaat van een kleine groep individuen die tegen de stroom ingaan van de beweging, als, op 20 november, “gele hesjes”, die in een tankwagen verborgen migranten ontdekken, deze aan de gendarmerie verklilkken. Sommige demonstranten wilden deze migranten, die hun leven op deze manier op het spel zetten, redden, maar anderen hebben hen bewust “gedumpt”. De commentaren van enkele “gele hesjes” tijdens de arrestatie, gefilmd en uitgezonden, zijn misselijkmakend: “Je lacht als een flikker!”, “Wat een stelletje flikkers!”, “Dat wordt weer van onze belastingen afgetrokken!”, enzovoort.
De omvang van deze interklassistische beweging wordt verklaard door de moeilijkheid van de arbeidersklasse om haar strijdvaardigheid tot uitdrukking te brengen door alle vakbondsmanoeuvres om de strijd te saboteren (zoals we onlangs nog eens hebben gezien bij de langdurige “estafettestaking” bij de SNCF). Zo wordt de ontevredenheid over de vakbonden, die binnen de arbeidersklasse bestaat, gerecupereerd door de initiatiefnemers van de beweging. Wat veel aanhangers van de beweging van de “gele hesjes” willen overbrengen is dat de strijdmethoden van de arbeiders (stakingen, soevereine algemene vergaderingen en massademonstraties, stakingscomités, enzovoort) niet werken. Daarom moeten we nu het vertrouwen schenken aan de kleine bazen (die protesteren tegen belastingen en belastingverhogingen) om andere methoden te vinden om te strijden tegen “de hoge kosten van levensonderhoud” en om de hele “Franse bevolking” samen te brengen!
Veel arbeiders in “gele hesjes” verwijten de vakbonden dat ze “hun werk niet doen”. Nu zien we hoe de CGT dit probeert goed te maken door op te roepen tot een nieuwe “actiedag’ voor 1 december. We kunnen er zeker van zijn dat de CGT en de andere vakbonden eens te meer “hun werk” zullen doen om de strijdwil van de arbeiders in te kaderen en spontane bewegingen op klasseterrein te voorkomen.
De proletariërs moeten hun klassezelfstandigheid verdedigen en alleen op zichzelf vertrouwen!
Veel arbeiders voerden strijd tegen de armoede, de onophoudelijke economische aanvallen, de werkloosheid, de onzekere jobs.... Maar door zich aan te sluiten bij de “gele hesjes”, zijn deze arbeiders tijdelijk de weg kwijtgeraakt en hebben ze zich aangesloten bij een beweging, die in een doodlopend straatje leidt.
De arbeidersklasse moet haar levensomstandigheden verdedigen op haar eigen terrein, als zelfstandige klasse, tegen de nationale eenheid van alle “anti-Macron” krachten, die de woede van de “gele hesjes” manipuleren om het maximale aantal stemmen te behalen in de verkiezingen! Zij mag haar strijd niet delegeren en toevertrouwen aan reactionaire sociale lagen, noch aan de partijen die beweren haar te steunen, noch aan de vakbonden die haar valse vrienden zijn. Al “dat schoon volk”, ieder met zijn eigen credo, bezet en kapselt het sociale terrein in om te voorkomen dat de zelfstandige strijd van het proletariaat zich zou bevestigen.
Wanneer de arbeidersklasse zich als zelfstandige klasse opstelt, door een massale strijd te ontwikkelen op haar eigen klasseterrein, sleept ze een steeds groter deel van de maatschappij met zich mee, achter haar eigen strijdmethoden, haar eigen unitaire leuzen en ten slotte haar eigen revolutionaire project voor de omvorming van de maatschappij. In 1980 begon er in Polen, na de stijging van de prijzen van primaire benodigdheden, een enorme massabeweging vanaf de scheepswerven van Gdansk. Om de regering te confronteren en terug te dringen, hadden de arbeiders zich massaal als klasse georganiseerd tegen de “rode” bourgeoisie en haar stalinistische staat. [10] De andere delen van de bevolking hadden zich grotendeels aangesloten bij deze massale strijd van de uitgebuite klasse.
Als het proletariaat zijn strijd ontwikkelt, vormen de massale, soevereine en algemene vergaderingen die openstaan voor “iedereen” het hart van de beweging, de plaatsen waar de proletariërs zich samen kunnen organiseren, nadenken over unitaire leuzen, over de toekomst. Dan is er geen plaats voor het nationalisme, de gemoederen worden integendeel opgezweept door de internationale solidariteit want “de arbeiders hebben geen vaderland” [11]. De arbeiders moeten daarom weigeren de Marseillaise te zingen en met de “tricolore” te zwaaien, de vlag van de regering van Versailles die in 1871 30.000 proletariërs van de Commune van Parijs heeft vermoord!
Momenteel heeft de uitgebuite klasse moeite om zichzelf als een klasse te herkennen, en als de enige kracht in de maatschappij die in staat is om een gunstige krachtsverhouding te ontwikkelen tegenover de bourgeoisie. De arbeidersklasse is de enige klasse van de maatschappij die in staat is de mensheid een toekomst te bieden door haar strijd te ontwikkelen op haar eigen terrein, over alle corporatistische, sectoriele en nationale scheidslijnen heen. Vandaag koken de proletariërs van woede, maar ze weten niet hoe ze hun levensomstandigheden moeten verdedigen tegen de groeiende aanvallen van de bourgeoisie. Ze zijn hun eigen strijdervaringen vergeten, hun vermogen om zich te verenigen en te organiseren zonder te wachten op de instructies van de vakbonden.
Ondanks de moeilijkheid van het proletariaat om zijn klasse-identiteit terug te vinden, behoort de toekomst nog steeds aan de klassestrijd. Iedereen die zich bewust is van de noodzaak van de proletarische strijd moet proberen zich te hergroeperen, te discussiëren, lessen te trekken uit de laatste sociale bewegingen, na te denken over de geschiedenis van de arbeidersbeweging en niet toe te geven aan de ogenschijnlijk radicale lokroep van de “burger” en “volks”bewegingen, van de interklassistische mobilisaties van de kleinburgers!
“De zelfstandigheid van het proletariaat tegenover alle andere klassen van de maatschappij is de eerste voorwaarde voor de ontplooiing van zijn strijd in de richting van het revolutionaire doel. Alle bondgenootschappen, en vooral die met fracties van de bourgeoisie, kunnen slechts leiden tot zijn ontwapening tegenover zijn vijand omdat ze het proletariaat ertoe overhalen het enige terrein in de steek te laten waaraan het zijn krachten kan ontlenen: zijn klassenterrein. Elke politieke stroming die probeert het ertoe over te halen dit terrein in de steek te laten dient onmiddellijk de belangen van de bourgeoisie.” (Platform van de IKS) [12].
Révolution Internationale, Krant van de IKS in Frankrijk, 25 novembre 2018
Voetnoten
[1] Getuigenis verzameld door de militanten van de IKS op de Champs-Élysées.
[2] “De gele hesjes, een nog nooit vertoonde beweging in de Franse geschiedeni”, Le Parisien (24 november 2018).
[3] Dit idee is alomtegenwoordig op sociale netwerken.
[4] benaming toegekend aan de Champs-Élysées.
[5] Benadrukt moet worden dat een dergelijke boodschap over het algemeen niet direct wordt overgebracht, maar op een “subliminale” manier: op BFM-TV bijvoorbeeld, terwijl journalisten en “specialisten” wezen op het noodzakelijke onderscheid dat gemaakt moet worden tussen de “echte gele hesjes” en de “vernielers”, werden de beelden van de schade op de Champs Élysées voortdurend herhaald.
[6] De vernielingen zijn voornamelijk te wijten aan de bouw van geïmproviseerde barricades met straatmeubilair en aan de door de politie afgevuurde projectielen.
7] Op de Champs-Élysées konden we zelfs een "geel hesje" horen zeggen dat “we met Macron moeten doen zoals het verzet met de Moffen, hem elke dag lastigvallen totdat hij vertrekt”.
[8] Inclusief de NPA (Nieuwe Antikapitalistische Partij) en de Trotskistische LO (Lutte Ouvrière)
[9] Enkel de vakbondsmiddens hebben een sterke kritiek geuit op de “gele hesjes”, zoals trouwens de “gele hesjes” voor het merendeel ook elke vorm van vakbondsinmenging verwerpen.
[10] Zie ons artikel in de Internationale Reuvue, Frans-, Engels- en Spaanstalige editie, nr. 27, “Stellingen over de massastaking”
[11] Een van de belangrijkste leuzen van de Indignados in 2011 was “Van het Tahrirplein tot de Puerta del Sol”, wat het gevoel onderstreept dat de demonstranten in Spanje verbonden waren met degenen die een paar weken eerder in de Arabische landen in actie kwamen en hun leven op het spel zetten.
[12] Platform van de IKS: https://nl.internationalism.org/iks/201501/1228/9-de-frontvormingspolitiek-een-strategie-om-het-proletariaat-te-laten-ontsporen [22]
Naar aanleiding van de publieke bijeenkomst van de IKS over de Revolutie in Duitsland, die onlangs in Antwerpen werd gehouden, heeft een kameraad ons een schrijven doen toekomen, waarin hij globaal vier punten aansnijdt: Was er de laatste maand van 1918 in Duitsland sprake van een revolutionaire of pre-revolutionaire situatie? Was het een proletarische of een burgerlijke revolutie? Hoe groot was het gewicht van de sociaaldemocratie in de arbeidersklasse en haar minderheden? Moest de nieuw opgerichte Kommunistische Partij van Duitsland op een federatieve of op een gecentraliseerde wijze georganiseerd worden?
Maar het belangrijkste en meest interessante onderwerp in zijn bijdrage is de kwestie van de overgang van de sociaaldemocratie naar de bourgeoisie. Dit is namelijk ook een voortdurend punt van discussie tussen de IKS en een andere groep van het revolutionair politiek milieu, de Internationale Communistische Tendens (ICT). Terwijl de IKS het standpunt verdedigt dat de revolutionairen binnen een degenererende partij moeten blijven om een zo groot mogelijk deel ervan voor hun standpunt te winnen, verdedigt de ICT de opvatting dat ze in 1914 onmiddellijk de partij hadden moeten verlaten om zo snel mogelijk een nieuwe partij op te richten.
Onze kameraad schrijft in zijn bijdrage hierover: “Dat velen, zeer velen (…) nog het idee hadden dat de SPD nog altijd een echte vertegenwoordiger en vertolker van de verzuchtigen van de “kleine man”, de “gewone mens”was, had ook te maken met (…) het feit dat men zich nauwelijks een voorstelling kon maken wat het betekende om organisatorische klassegrenzen te overschrijden, klassestandpunten te verraden en dat dit slechts één keer kon en dat deze overgang onherroepelijk was.”
“Het verraad van de SPD leiding, haar overgang naar de bourgeoisie was dan ook niet iets dat men even later (bijvoorbeeld na de oorlog) kon rechtzetten, kon herroepen, maar een definitieve klassegrens: van dan af is de sociaaldemocratie een burgerlijke organisatie, een wapen in handen van de heersende klasse. Blijkbaar werd dat zelfs ook niet goed begrepen door verschillende leden van de KAPD, die uiteindelijk terugkeerden naar de (linkse oppositiegroepen in de) SPD.”
De kameraad heeft volkomen gelijk als hij zegt dat de leiding van de SPD de proletarische principes (in de eerste plaats het internationalisme) in 1914 heeft verraden. Daardoor ging ze over naar het kamp van de bourgeoisie. Maar het is niet zo dat de sociaaldemocratie als geheel daarmee een burgerlijke stroming was geworden. Met het verraad van de leiding van de sociaaldemocratische partijen in Duitsland, Engeland en Frankrijk had de IIe Internationale in augustus 1914 echter wel het loodje gelegd. Ze bestond alleen nog op papier.
“Onder het bankroet van de Internationale verstaan zij (de klassebewuste arbeiders dus)het ten hemel schreiende verraad dat de meerderheid van de officiële sociaaldemocratische partijen heeft gepleegd aan hun overtuigingen, aan de plechtige verklaringen in de redevoeringen op de internationale congressen te Stuttgart en Bazel, in de resoluties van deze congressen, enzovoort.” (‘Het bankroet van de Tweede Internationale’, Lenin, 1915)
Maar voor de verschillende afzonderlijke sociaaldemocratische partijen lag de situatie anders. Op de eerste plaats waren er verschillende sociaaldemocratische partijen die de proletarische principes in 1914 nog niet hadden verraden. Neem bijvoorbeeld de partijen in Servië, Bulgarije, Hongarije, Italië en niet te vergeten Rusland. Op de tweede plaats: ook al hadden de leiders van de verschillende sociaaldemocratische partijen de arbeidersklasse verraden, er was nog een grote schare aan leden binnen die partijen voor wie het internationalisme nog steeds hoog in hun vaandel stond. Op de derde plaats: de leiders hadden dan wel verraad gepleegd, maar daarmee was de partij nog niet verloren voor het proletariaat. Er bestond nog altijd de mogelijkheid om de leiding ‘buiten te sluiten’ en de partij voor de arbeidersklasse te redden. Enkele voorbeelden van deze verschillende scenario’s:
Hongarije: Om een nieuwe regering te kunnen vormen onderhandelden de sociaaldemocraten in 1919 met de kommunisten en besloten om hun twee partijen samen te brengen onder de naam Hongaarse Socialistische Partij. De nieuwe Socialistische Partij creëerde een regering, die de revolutionaire regeringsraad genoemd werd, en die de Hongaarse Radenrepubliek uitriep.
Duitsland: Nadat eerst een deel van de USDP (een sociaaldemocratische afsplitsing) weer was samengegaan met de SPD, bewoog een ander deel zich weg van het reformisme in de richting van het marxisme. De USDP fuseerde in 1920, met haar 1 miljoen leden, met de KPD en sloot zich aan bij de Kommunistische Internationale.
Rusland: Toen in juli-augustus 1914 de oorlog effectief uitbrak, stemde de meerderheidsfractie van de Russische Sociaal-Democratische ArbeidersPartij (RSDAP) tegen de oorlogskredieten. “Tijdens de vergadering van de Doema van 26 juli (8 augustus) 1914 liet de Bolsjewistische Doema-groep een krachtig protest horen; zij weigerden te stemmen voor oorlogskredieten en lanceerden een revolutionaire propaganda onder het volk.”(‘De linkse stroming, een kinderziekte van het kommunisme’; Lenin)
Nederland: In Nederland was het de Tribune (ook een sociaaldemocratische partij die zich had afgescheiden van de SDAP) die het internationalistische vaandel hoog hield.“Wij willen de Nederlandsche arbeiders niet in de oorlog laten hitsen, noch tegen Engeland door het rovende groot-kapitaal, noch tegen Duitschland door het onverantwoordelijke kleinburgerdom.”(The Tribune 19-08-1914)
Italië: Tijdens de oorlog was de leiding van de partij in handen van de linkerzijde. Het Congres van 1912 had de hervormingsgezinde rechterzijde en dat van 1914 de vrijmetselaars buitengesloten. Tot januari 1921was de de Italiaanse Socialistische Partij (PSI) de enige revolutionaire partij van Italië. Tijdens het Congres van Livorno, in 1921, kwam het pas tot een breuk tussen de revolutionaire en de reformistische vleugel.
De CWO, de groep van de ICT in Engeland, heeft in een artikel over de Duitse Revolutie en tijdens de openbare bijeenkomst van de IKS haar “verrassing” uitgesproken over ons standpunt dat er na 1914 nog steeds iets te verdedigen viel in de SPD.
“Het was dan ook verrassend dat een lid van de Internationalistische Kommunistische Stroming (.....) de kwestie stelde dat augustus 1914 te vroeg was voor de ‘Internationale’groep om zich af te scheiden van de Duitse sociaaldemocratie. Verrassend genoeg stelde hij dat augustus 1914 niet het definitieve verraad van de internationale arbeidersbeweging betekende” [1] (‘The Significance of the German Revolution’, ICT). Volgens de ICT is het echter onzin om te stellen dat niet de hele Duitse sociaaldemocratische partij verraad heeft gepleegd.
“De SPD stemde voor oorlogskredieten en dit was een duidelijk verraad van de arbeidersklasse. (.....) Er was behoefte aan een nieuw vaandel waarrond de revolutionaire arbeidersklasse zich kon verzamelen. Hoe eerder dat vaandel werd hooggehouden, hoe sneller de revolutionairen aan de slag konden om te bouwen aan de beweging die vroeg of laat tegen de oorlog zou uitbreken” [2] (‘The Significance of the German Revolution’, ICT).
De IIe Internationale was dood in augustus 1914. Maar, zoals hierboven aangetoond, waren niet alle sociaaldemocratische partijen met huid en haar overgegaan naar de bourgeoisie. De leiding was overgelopen naar het burgerlijke kamp, maar toen kon de strijd tussen de leiding en de basis om de herovering van de sociaaldemocratische partij pas goed beginnen. Er zat na 1914 nog veel proletarisch leven in verschillende sociaaldemocratische partijen, zoals de vermelde voorbeelden laten zien.
“Na het verraad van de partijleiders was er unanieme overeenstemming van alle internationalisten dat niet kon worden toegestaan dat de partij in de handen zou vallen van de verraders. Ze streefden er allemaal naar om de partij terug te winnen. Niemand wilde uit eigen beweging vertrekken, integendeel ze wilden allen werken als een fractie binnen de partij met de bedoeling om de sociaal-patriottische leiders uit te sluiten.” (‘Fractie of nieuwe partij?’ Internationale Revue nr. 26)
Dat brengt ons meteen op de vraag op wie het juiste standpunt verdedigde in de Eerste Wereldoorlog binnen de linkerzijde van de Duitse Sociaal Democratie: de Spartakisten (Luxemburg, Jogiches, Liebknecht, Mehring,en Zetkin) of the Bremer Linke (Pannekoek, Knief, Frölich). “Begin 1917, toen de leiding van SPD de oppositie uitsloot om de toename van hun standpunten binnen de partij te stoppen, zetten deze[laatste] groepen hun activiteit op zelfstandige wijze voort terwijl de Spartakisten hun fractie-activiteit binnen de centristische USPD voortzetten” (‘Rapport over de rol van de IKS als ‘Fractie’, Internationale Revue nr. 27).
Het standpunt van Rosa Luxembrug is altijd heel duidelijk geweest: in de sociaaldemocratie blijven totdat je wordt buitengesloten, wat in april 1917 gebeurde. Er waren echter geluiden die zeiden dat de Spartacusgroep, omdat ze in de USPD bleef, haar eigen ontwikkeling heeft afgeremd. “Het is waar dat de vertraging in de vorming van revolutionaire fracties in Duitsland voor de oorlog het vermogen belemmerde van de kommunistische minderheid om de revolutionaire situatie aan het einde van de oorlog het hoofd te bieden” [3] (‘1919: Seventy years ago; On the Revolution in Germany’; Internationale Revue, Frans, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 55).
Als we kijken naar de linkse fractie binnen de sociaaldemocratie in Nederland (de SDAP), is het duidelijk dat de Tribunisten zich te vroeg hadden afgescheiden, een standpunt dat altijd verdedigd werd door Herman Gorter. In De Tribune bestond daardoor een gevaar van sektarisme: het zich afzetten tegen en het afschrijven van alles en iedereen die nog iets met de SDAP te maken had. Ze deed dat op het moment dat er in de SDAP nog duidelijk proletarisch leven bestond. Zo gingen in de loop van de Eerste Wereldoorlog nog een aantal kameraden over van de SDAP naar de SDP: waaronder Henriette Roland Holst en Herman Sneevliet.
Anderzijds, hebben de Spartakisten dan weer te lang gewacht, niet om zich af te scheiden van de USPD, maar om een werkelijk fractiewerk binnen de sociaaldemocratie te ontwikkelen. Toen de SPD aan het ontaarden was, was een georganiseerde activiteit met een eigen pers een volstrekte voorwaarde voor de linkerzijde om de proletarische principes hoog te houden en een baken te vormen voor de doelloze massa’s, die nog gedesoriënteerd waren door het onverwachte en onvoorstelbare verraad van de leiding van de sociaaldemocratische SPD.
Verder bleven de Spartakisten te lang vasthouden aan de herovering van de partij. “De leuze is ‘noch afsplitsen noch verenigen’; ‘noch voor een nieuwe partij noch voor de oude partij’. Het gaat om de herovering van de partij van onderaf door middel van de opstand van de massa's, die de organisaties en hun middelen in eigen handen moeten nemen, niet in woorden, maar in daden, door rebellie (...) De beslissende strijd om de partij is begonnen” (‘Spartakusbriefe’, 30 maart 1916). Rosa Luxemburg durfde het woord ‘afscheiding’ echter niet hardop uit te spreken.
In 1916, “toen de krachtsverhouding binnen de SPD steeds meer begon te wankelen pleitten de groepen uit Dresden en Hamburg voor een onafhankelijk organisatie - zelfs als ze geen heldere organisatorische opvatting hadden met betrekking tot deze kwestie.” (‘Fractie of nieuwe partij?’ Internationale Revue nr. 26) De Spartakisten verzetten zich daar niet tegen, maar ze wilden dit niet uitvoeren door te weigeren om nog langer contributie te betalen, omdat zoiets alleen maar kon leiden tot uitsluiting, wat in september 1916 ook prompt gebeurde.
Een dergelijke tactiek, het bij stukjes en beetjes uitgesloten worden uit de partij, wat het gevolg was van het niet langer betalen van de lidmaatschapsgelden, zou “onder de gegeven omstandigheden, niet leiden tot de uitsluiting uit de partij van de meerderheid en van de mannen van Scheidemann, iets wat we willen, maar zal onvermijdelijk leiden tot een versnippering van de beste kameraden over kleine kringen en de kameraden tot volkomen onmacht veroordelen. Wij beschouwen deze tactiek schadelijk en zelfs destructief” (L. Jogisches, 30 september 1916).
Het beste voorbeeld van een geslaagd fractiewerk werd getoond door de Abstentionistische Fractie binnen de Italiaanse Socialistische Partij (PSI). Deze fractie, die georganiseerd was als een zelfstandige fractie binnen de PSI, met haar eigen pers, bleef zo lang mogelijk in de partij. Haar doel was om een meerderheid voor haar programma te winnen. “In oktober 1920 vormde zich in Milaan de Verenigde Kommunistische Fractie, die een Manifest redigeerde om op te roepen tot de vorming van de Kommunistische Partij, door de uitwijzing van de rechtervleugel van Turati.” (‘The Italian Communist Left’, IKS).
Maar toen ze er niet in slaagde om de meerderheid binnen de PSI voor zich te winnen, besloot ze om, in tegenstelling tot de Duitse Linkerzijde, in januari 1921 en bloc, als één groep uit de partij te stappen om de Kommunistische Partij van Italië op te richten. In december 1920, tijdens de Conferentie van Imola, werd er tot een principiële afscheiding besloten: “Ons werk als Fractie moet nu beëindigd worden (…) onmiddellijk de partij en het congres [van de PSI] verlaten, zodra de stemming ons de meerderheid of de minderheid gegeven geeft.” (‘The Italian Communist Left’, IKS)
Elders in zijn bief schrijft de kameraad nog:“Wat een verschil had het kunnen maken als er reeds voor de oorlog een fractie van echte linksen in de hele IIe Internationale (of in een groot deel ervan) met de Bolsjewiki, de SDKPL, Rosa Luxemburg, Franz Mehring, enzovoort in Duitsland, de Tribunisten, Bordiga, enzovoort,” was gevormd. “Het was waarschijnlijk ook dan niet mogelijk geweest de Eerste Wereldoorlog te voorkomen, maar het had het gemakkelijker gemaakt om (terug) internationale contacten te leggen en sneller tot een nieuwe Internationale te komen.”
Was het maar zo gemakkelijk, maar een nieuwe Internationale komt niet tot stand louter door het leggen van internationale contacten. De vorming van een fractie kan alleen maar het resultaat zijn van een strijd zonder compromissen binnen de bestaande proletarische partij: een radicaal standpunt innemen, een permanent tegengeluid laten horen, het ongenadig blootleggen van de standpunten en de tactieken van de opportunisten. Een fractie, en haar eenheid, moet gesmeed worden doorheen de permanente strijd tegen het binnendringen van de burgerlijke ideologie in de arbeidersorganisatie, zoals de revolutionairen van die tijd onderstrepen.
“Het enige middel om het opportunisme radicaal te bestrijden, is zelf vooruit te gaan, de tactiek te ontwikkelen. Staat er een flinke sterke stroom, dan vergaat ze [het opportunisme] vanzelf.” (‘Brief van Rosa Luxemburg aan aan Henriette Roland Holst’; 17 december 1904) “Herinneren wij ons de kritiek op het program van Gotha van 1875 (…) waarin Marx het opportunisme van dit program onbarmhartig geselde” (‘Staat en Revolutie’, Lenin). In zijn brief aan het Congres van de KAPD in Berlijn in augustus 1920, stelde Pannekoek dat“De Nederlands-Duitse stroming een meedogenloze strijd moet voeren binnen de Internationale tegen het opportunisme.” [4] (‘The Dutch Left’, IKS).
In dit kader is de strijd van de Linkerfractie van Zimmerwald heel instructief. Tijdens die Conferentie verdedigde zij tegenover de centristische meerderheid, onder leiding van de Bolsjewiki, voorstellen waarin de imperialistische oorlog werd veroordeeld, het pacifisme aan de kaak gesteld en werd aangedrongen op een breuk met de sociaal-democratie. Haar principiële verdediging van het internationalistisme werd slechts gedeeltelijk beloond en in het definitieve manifest opgenomen. Desondanks legde de Linkerfractie in Zimmerwald de eerste kiemen voor een tegenbeweging die enkele jaren later zijn beslag zou krijgen in de oprichting van de Derde Internationale.
We zijn het eens met de kameraad als hij zegt dat “de revolutionaire partij al zeer laat werd opgericht” en dat “dit een grote zwakheid was”. Maar dit betekent geenszins dat “als de voorbereidingen voor een kommunistische partij in augustus 1914 waren begonnen en niet in december 1918 (na het uitbreken van de revolutie) de hele ervaring in Duitsland ongetwijfeld anders zou zijn geweest” [5] (‘The Significance of the German Revolution’, ICT). Te vroeg, en dus op een onheldere basis breken met de oude partij (zoals de Tribunisten in 1909 deden) kan net zozeer catastrofaal zijn als splitsing die te laat tot stand komt.
De Abstentionistische Fractie van de Italiaanse Socialistische Partij speelde een overheersende rol bij de oprichting van de Italiaanse afdeling van de IIIe Internationale. In de revolutionaire jaren tussen 1917 en 1921 ontwikkelde de Abstentionistische Kommunistische Fractie zich tot het punt dat zij, toen ze de Kommunistische Partij van Italië oprichtte, een derde van de leden van de oude socialistische massapartij en alle jeugdorganisaties in haar gelederen opnam.
De Abstentionistische Fractie in Italië was rigoureus ten opzichte van de gematigde, centristische stromingen. Maar dit “betekende nooit een sektarische opsluiting, een weigering om te praten, om te discussiëren, integendeel! In feite (...) probeerde de Italiaanse Linkerzijde altijd om revolutionaire energieën te recupereren die op centristische standpunten waren blijven staan, zowel om haar eigen gelederen te versterken als om deze krachten te redden van de klassevijand” [6] (‘Marxism and opportunism in the construction of the revolutionary organization’; Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 103).
“De Abstentionistische Fractie van Bordiga kon alleen een partij worden door met al haar kracht te werken aan het overtuigen van ten minste een betekenisvolle minderheid. De zorg van de “Bordigistische”beweging was er altijd op gericht het terrein niet te verlaten en de strijd tot het einde toe voeren en daarom was het nooit een sekte, waarvan de tegenstanders haar beschuldigden” [7] (‘The Italian Communist Left’, IKS).
Alleen de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde - de Abstentionistische Factie – heeft het werk en de strijd van de fractie op een consequente manier opgenomen waardoor zij, doorheen de ergste degeneraties en ontkenningen, aan een programmatisch kader kon vasthouden, dat stevig geworteld was in de revolutionaire ervaring van het proletariaat.
Dennis / 2019-02-02
[1]“It was therefore surprising that a member of the Internationalist Communist Current (…) should pose the question that August 1914 was too early for the Internationale group to split from German Social Democracy. He surprisingly argued that August 1914 was not a definitive betrayal of the international workers’ movement.”
[2]“The SPD’s vote for war credits was a clear and obvious betrayal of the working class cause. (…) The need was for a new banner around which the revolutionary working class could rally. The sooner that banner was raised the quicker the revolutionaries could get to work to build for the movement which would break out, sooner or later, against the war.”
[3]“It's true that the delay in the formation of revolutionary fractions in Germany before the war was to hold back the communist minority's capacity to deal with the revolutionary situation at the end of the war.”
[4]“The Dutch-German current should engage a merciless struggle within the International against opportunism.”
[5] “had the preparations for a communist party started in August 1914 and not in December 1918 (after the revolution broke out) the whole experience in Germany would undoubtedly have been different”.
[6] “never meant a sectarian closure, a refusal to talk, to discuss, quite the reverse! In fact (…) the Italian Left always worked to recuperate revolutionary energies that had remained on centrist positions, both to strengthen its own ranks and to rescue these forces from the class enemy”.
[7] “The Abstentionist fraction could only become a party by working with all its strength to win over at least a significant minority. The concern of the ‘Bordigist’ movement was always never to abandon the terrain until the struggle had been waged to the end and because of this it never was a sect, which its adversaries accuse it of being.”
We publiceren hieronder grote delen uit een brief van een lezer die, hoewel hij de krachtlijn van ons pamflet over de beweging van de “gele hesjes” verwelkomt, ook kritiek heeft op een aantal van onze standpunten, in het bijzonder het idee dat er uit deze interklassistische beweging niets goeds kan voortkomen voor het proletariaat. Deze vragen raken aan uiterst belangrijke aspecten van de proletarische strijd: wat de arbeidersklasse is, haar strijd, haar perspectief.
Alleen door middel van een breed, open en geanimeerd debat zullen we erin slagen om de meest diepgaande antwoorden uit te werken, om deel te nemen aan de ontwikkeling van het klassebewustzijn van het proletariaat, om zich het wapen van de theorie eigen te maken. Wij moedigen al onze lezers dan ook aan ons te schrijven, hun kritiek, hun akkoorden of hun vragen te formuleren, om zo een debat te voeden dat van vitaal belang is voor het proletariaat. Met dit in het achterhoofd laten wij deze brief vergezeld gaan van ons antwoord.
“(....) Ik heb verschillende standpunten doorlopen, waaronder die van de verschillende linkse groepen die deze beweging zien als een heruitgave van 1968. Het verschil is duidelijk, maar een dergelijke vergelijking rechtvaardigt hun onbegrensde steun.
Net als in uw pamflet kunnen we erkennen dat de spontane opkomst van deze blokkades een afspiegeling is van een zeer diepe maatschappelijke woede. Een zeer uiteenlopende, zo niet tegenstrijdige woede, die het interklassistische karakter van de beweging en de burgerlijke of zelfs de nationalistische expressie ervan uitdrukt. Ik sluit me aan bij uw kritiek ten gronde.
Op drie punten zouden we in discussie kunnen treden:
- Het idee van een valkuil die voor de arbeiders is gezet. Welke betekenis moet aan deze “valkuil” worden gehecht? Een valkuil veronderstelt een organisatie die het voorbereidt, organiseert, enz. Hiervan is echter geen sprake.
In het pamflet staat ook het idee dat de arbeidersklasse verhinderd wordt te vechten: “Heel dit mooie politieke theater, ieder met zijn eigen credo, bezet en kapselt het sociale terrein in om te voorkomen dat de arbeiders zich massaal zouden mobiliseren, dat ze een autonome, solidaire en eengemaakte strijd zouden ontwikkelen tegen de aanvallen van de bourgeoisie”. Worden de arbeiders enkel “verhinderd”, zouden ze anders openlijk strijd leveren op hun klasseterrein? Nee, natuurlijk niet.
Er is inderdaad sprake van een gemengde sociale beweging, waarbij de verhoudingen niet in het voordeel zijn van de arbeidersklasse, en die andere lagen de ruimte laat om hun eigen belangen te behartigen, wat vandaag de dag niet verwonderlijk is. In die zin ben ik het eens met de passage: “De proletariërs willen hun diepe woede uiten, maar ze weten niet hoe ze hun levensomstandigheden doeltreffend kunnen verdedigen tegen de groeiende aanvallen van de bourgeoisie en haar regering”.
- Is het hier ook mogelijk om een autonome klassenstrijd op te vatten als voorwaarde voor een consequente beweging? Wordt de klassestrijd niet zelfstandig door zich als zodanig vrij te maken in de loop van de beweging zelf?
- Zelfs als ik de kritiek op de inhoud en de methoden deel, zou ik meer openstaan voor de mogelijkheid van hun evolutie. [U hebt] de spontaniteit in het uitlokken van deze blokkades opgemerkt, maar sommige van hen tonen de zorg om zich zelfstandig te organiseren, om te functioneren door middel van echte algemene vergaderingen, enz. (…)”
Op basis van een gemeenschappelijke vaststelling betreffende de beweging van de “gele hesjes”[1], gekenmerkt door “een zeer uiteenlopende, zo niet tegenstrijdige woede, die het interklassistische karakter van de beweging en de burgerlijke of zelfs de nationalistische expressie ervan uitdrukt” roept deze brief drie belangrijke vragen op.
In ons pamflet staat dat deze beweging een echte valkuil is voor de proletariërs. Maar voor de kameraad stelt zich de vraag:“welke betekenis moeten we aan deze "valkuil" geven? Een valkuil veronderstelt een organisatie die het voorbereidt, organiseert, enz. Hiervan is echter geen sprake”. Deze beweging was inderdaad spontaan. Een jonge zelfstandig ondernemer uit Seine-et-Marne heeft op sociale media een petitie gelanceerd tegen een verhoging van de belastingen op dieselbrandstof. Dan is er nog een chauffeur van hetzelfde departement die heeft opgeroepen de wegen blokkeren, met een geel hesje aan. In enkele klikken hebben deze twee kreten van woede zich in een zeer hoog tempo verspreid, wat getuigt van een algemene frustratie in de bevolking.
Het is dus geen valkuil van de bourgeoisie, haar staat, haar partijen, haar vakbonden of haar media, maar een beweging die door haar interklassistische aard op zich een valkuil is voor de arbeiders. Want in een interklassistische beweging waar de proletariërs (werkers, studenten, gepensioneerden, werklozen, ...) als individuen-burgers temidden van alle andere lagen van de samenleving (kleinburgers, boeren, ambachten, ...) verwaterd zijn, overheersende sociale aspiraties en strijdmethoden van al deze tussenliggende lagen.
Daarom was het uitgangspunt van de beweging de explosie van woede onder vrachtwagen-, taxichauffeurs en eigenaars van kleine ondernemingen bij de verhoging van de belastingen op dieselbrandstof, die hun bedrijf verder benadeelde. Daarom werd de voorkeur gegeven aan het bezetten van rotondes en tolhuizen, vervolgens van de “mooiste avenue ter wereld”, de Champs-Élysées, met een fluorescerend geel hesje op de rug, om “gezien”, “gehoord” en vooral “erkend te worden”. Daarom waren de Franse vlag, La Marseillaise en verwijzingen naar de Franse Revolutie van 1789, ook alomtegenwoordig te midden van deze kreet van het “Volk van Frankrijk”. Allemaal methoden die op geen enkele manier uitdrukking geven aan een mobilisatie van de arbeidersklasse op haar eigen terrein, waardoor de uitbuiting van het kapitalisme in vraag wordt gesteld door eisen zoals loonsverhogingen, tegen ontslag, enz.
Bovendien kwamen de strijdmethoden van de arbeidersklasse daarin nooit tot uitdrukking. De afwezigheid van stakingen in verschillende sectoren van de klasse of van algemene vergaderingen, waarin de uitgebuitenen debatteren en nadenken over hun strijd en de doelstellingen die eraan gegeven moeten worden, bevestigen dit ruimschoots.
Erger nog, het verrotte terrein van populisme en de xenofobie vergiftigt een groot deel van de beweging. Enkele van de meest misselijkmakende aspecten van de huidige historische periode kwamen tot uiting, zoals officiële oproepen tot versterking van anti-immigratiewetten of nog xenofobe misstanden.[2] Meer dan 90% van de aanhangers van de Rassemblement National van Marine Le Pen steunen de “gele hesjes” en meer dan 40% zegt zelf deel te nemen aan de beweging.
Ziedaar de valkuil waarin al deze proletariërs in de “gele hesjes” werden gevangen. Ja, deze beweging is voor hen een echte ideologische valkuil geweest.
In enkele regels van deze brief wordt een centrale vraag gesteld: “In het pamflet staat ook het idee dat de arbeidersklasse verhinderd wordt te vechten (…) Worden de arbeiders enkel “verhinderd”, zouden ze anders openlijk strijd leveren op hun klasseterrein? Nee, natuurlijk niet.”Wat zijn de oorzaken van de huidige politieke moeilijkheden van de arbeidersklasse? Het antwoord daarop vinden we niet in een fotografische visie van het actuele proletariaat, maar in de film van zijn geschiedenis. Deze complexe vraag kunnen we hier, in de context van dit artikel, dus niet volledig beantwoorden.[3]We willen eenvoudigweg één aspect benadrukken. We mogen het permanente ondermijnende werk van de vakbonden niet onderschatten, die al meer dan een eeuw een specifieke rol hebben in de sabotage, op het werkplek, van de strijd en het bewustzijn.
Een voorbeeld: enkele maanden voor de beweging van de "gele hesjes" organiseerden de vakbonden de "estafettestaking van de spoorwegarbeiders". Duizenden arbeiders, bijzonder strijdlustig, zijn vele dagen lang in staking gegaan, volledig geïsoleerd, afgesneden van andere sectoren van het proletariaat. Tegelijkertijd echter, in de bejaardentehuizen, bij de post, in de crèches, ziekenhuizen, bepaalde fabrieken, enz. vond er ook strijd plaats, elk in zijn eigen hoekje. Vervolgens lanceerde de CGT haar oproep tot “convergentie van de strijd”, een schijn van eenheid, bestaande uit het marcheren op straat, de enen na de anderen, ieder achter “zijn” leuze, “zijn”sector, “zijn” bedrijf.... en terug naar huis te keren zonder een gemeenschappelijke algemene vergadering, zonder discussie, zonder solidariteit in de strijd.
Deze vakbondsbewegingen, die jaar na jaar worden herhaald, hebben als enige functie het gif van verdeeldheid, wanhoop en machteloosheid te verspreiden. Dus ja, de systematische sabotage van de eenheid van de arbeiders door de vakbonden is een van de belangrijkste ingrediënten van de huidige zwakheid van het proletariaat, een zwakheid die een gunstige voedingsbodem schept voor de explosie van interklassistische en dus uitzichtloze woede.
In feite maakt de bourgeoisie gebruik van de zwakheden van het proletariaat in een poging het meer te versuffen. De arbeidersklasse maakt inderdaad een moeilijke periode door. Sinds 1989 met de campagnes over de ineenstorting van het stalinisme die gelijkgesteld werd met het zogenaamde “bankroet van het kommunisme”, is het proletariaat er niet in geslaagd zijn klasse-identiteit terug te winnen en zichzelf als een revolutionaire klasse te herkennen. De uitgebuite klasse, die niet in staat is om de contouren van een maatschappij zonder uitbuiting te schetsen, blijft zeer kwetsbaar, maar vooral zeer passief op het gebied van de strijd.
Alhoewel grote delen van het proletariaat zich, terecht, niet herkenden in de volksopstand van de “gele hesjes”, waren deze centrale sectoren toch niet in staat om zich massaal en in solidariteit en eenheid te mobiliseren, om te reageren op de aanvallen van de regering op hun eigen klasseterrein en met hun eigen strijdmethoden.
Ondanks deze moeilijkheden is het proletariaat echter niet verslagen. Gezien de algemene ontevredenheid en de aanvallen die opdoemen, kunnen de grote proletarische massa's in de komende periode deze lethargie heel goed te boven komen. De toekomst behoort dus nog steeds aan de klassestrijd.
"Wordt de klassestrijd niet zelfstandig door zich als zodanig vrij te maken in de loop van de beweging zelf?Zelfs als ik de kritiek op de inhoud en de methoden deel, zou ik meer openstaan voor de mogelijkheid van hun evolutie. [U hebt] de spontaniteit in het uitlokken van deze blokkades opgemerkt, maar sommige van hen tonen de zorg om zich zelfstandig te organiseren, om te functioneren door middel van echte algemene vergaderingen, enz. (…)”
Zou de beweging van de "gele hesjes", ook al begon ze op een slechte basis, zich kunnen omvormen tot iets anders, een authentieke strijd van de arbeidersklasse?
Wat spreekt voor deze stelling is de geleidelijke verbreding van de eisen, aangezien de afwijzing van de verhoging van de dieselbelasting op de achtergrond is geraakt ten gunste van een breder protest tegen armoede en voor koopkracht. Bovendien blijft de sympathie van het publiek voor deze beweging onverminderd bestaan. Hoewel de beweging nooit massaal was (ongeveer 300.000 "gele hesjes" op het hoogtepunt van de mobilisatie) en de meerderheid van de proletariërs van grote bedrijven en de openbare dienst toeschouwers bleven, is het niettemin waar dat ze een grote populariteit genoot.
Ter ondersteuning van deze stelling zijn er historische precedenten. Hier zijn er slechts drie, maar niet de minste: de Commune van Parijs uit 1871 ging uit van een explosie van schijnbaar nationalistische en anti-Pruisische woede; de massale staking in Rusland in 1905 begon onder religieuze vaandels, met een pope (Gapon) aan het hoofd; mei 1968 in Frankrijk werd op gang gebracht door een beweging van studenten die in die tijd vaak uit de kleinburgerij voortkwam. Elke keer nam de arbeidersklasse uiteindelijk het voortouw in de strijd, met haar eigen methoden, organisatie en kracht. Om onze lezer te parafraseren: elke keer is "de klassestrijd zelfstandig geworden door zich als zodanig te ontwikkelen in de loop van de beweging zelf".
Zou de beweging van de "gele hesjes" ook iets anders kunnen zijn geworden, een echte arbeidersstrijd? In feite geeft de kameraad zelf het antwoord in zijn brief: “Er is inderdaad sprake van een gemengde sociale beweging, waarbij de verhoudingen niet in het voordeel zijn van de arbeidersklasse, en die andere lagen de ruimte laat om hun eigen belangen te behartigen, wat vandaag de dag niet verwonderlijk is.”
Maar waarom is dat zo? Omdat dit niet 1871, 1905 of zelfs 1968 is. In 1871 was de Commune van Parijs geen uitzondering. In veel delen van Europa, voornamelijk in Frankrijk, was de arbeidersklasse in een strijd verwikkeld en braken verschillende “Communes” uit. De massale staking in Rusland in 1905 werd voorafgegaan door een diepgaand proces van de opkomst van de proletarische strijd (van bewustzijn en organisatie), opnieuw op internationale schaal, sinds de jaren 1890 (Rosa Luxemburg beschrijft dit proces op briljante wijze in haar boek “Massastaking, Partij en Vakbonden”). Mei 68 kwam na een jaar 1967, gekenmerkt door zeer belangrijke stakingen van arbeiders, met name in termen van zelforganisatie, vooral in de grote steden van West-Frankrijk.
Vandaag de dag zien we daar niets van. Zoals we al eerder zeiden, is de arbeidersklasse verstrikt in grote moeilijkheden. Ze is zich zelfs niet eens bewust van haar bestaan als een klasse antagonistisch ten opzichte van de burgerlijke klasse en te onderscheiden van de tussenliggende sociale lagen (vooral de kleinburgerij). Ze is de herinnering aan haar eigen verleden kwijt en kan niet teruggrijpen naar haar reusachtige historische ervaring, waarvoor ze zich zelfs schaamt omdat de bourgeoisie het woord “arbeider” voortdurend gelijkstelt met een soort die "verdwenen" is en het woord “kommunisme” met de barbaarsheid van het stalinisme.
In deze situatie kan de beweging van de "gele hesjes" op geen enkele manier een soort springplank of vonk zijn voor een authentieke strijd van de arbeidersklasse. Integendeel, de proletariërs die zich achter de leuzen en methoden van de kleinburgerij begaven, ie verdronken in de interklassistische ideologie van het burgerschap, en die opgelost werden in alle andere sociale lagen, konden de negatieve druk van het burgerlijk “democratisme” en nationalisme alleen maar ondergaan.
Daarom is het een goede zaak dat de meerderheid van de arbeidersklasse zich tevredengesteld heeft met een platonische ondersteuning, en dat de proletariërs niet massaal deelnamen aan deze beweging zonder perspectief. Deze terughoudendheid toont aan dat de arbeidersklasse, afgezien van haar sympathie voor sommige eisen tegen de armoede, vanaf het begin vooral afstandelijk, voorzichtig was over de focus op belastingen en de gebruikte methoden (de bezetting van rotondes), gealarmeerd was door en walgend van de onmiddellijke steun door heel rechts en extreemrechts.
Dit wantrouwen toont aan dat het proletariaat, ondanks de moeilijkheden die het ondervindt om de strijd op het klasseterrein te beginnen, niet verpletterd, verslagen of massaal betrokken was bij de verrotte ideeën van de kleinburgerij en het xenofobe en anti-immigrantenpopulisme.
In de afgelopen weken, te midden van deze malaise, waren er zelfs kleine lichtpuntjes: middelbare scholieren begonnen te strijden tegen de hervorming van de eindexamens (zonder Marseillaise of Tricolore vlag), niet voor zichzelf, maar uit solidariteit met de toekomstige leerlingen die een opleiding van lager niveau krijgen. Ook studenten mobiliseerden om de verhoging van het collegegeld voor buitenlanders te verwerpen onder de leuze“Solidariteit met de immigranten”. De woede van de jong opgeleide generaties (en toekomstige proletariërs) is een vernietigend antwoord op zowel de onrechtvaardige regeringsmaatregelen als de anti-immigranteneisen van de "gele hesjes". Solidariteit is inderdaad het cement en de kracht van de arbeidersklasse.
Het proletariaat heeft tijdelijk zijn klasse-identiteit verloren, het is afgesneden van zijn geschiedenis en ervaring. Maar het is er nog, steeds levendig. In de diepte gaat de overdenking over het gebrek aan perspectief van de kapitalistische samenleving door, vooral bij de meest bewuste en strijdlustige elementen. Gedreven door de verergering van de economische crisis, in eerste instantie zonder zich bewust te zijn van zijn kracht, zonder te geloven in zijn mogelijke eenheid en zelforganisatie, zal het proletariaat gedwongen worden zich in te zetten voor de strijd om zijn levensomstandigheden te verdedigen. De beweging van de "gele hesjes" is een onthullend teken van de diepte van ontevredenheid, die in de hele uitgebuite klasse bestaat, en van het potentieel van de komende klassestrijd.
Tegenover de tijdelijke verlamming van de klassestrijd moeten de revolutionairen zich wapenen met geduld, niet het isolement, de bakken kritiek en het onbegrip vrezen; zij moeten alle vijanden van het proletariaat, alle ideologische valkuilen, alle impasses, ontmaskeren om in de mate van hun zwakke krachten deel te nemen aan de ontwikkeling van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse. Dit in de overtuiging dat alleen klassestrijd in staat is een perspectief te bieden voor de toekomst van de mensheid.
Révolution Internationale, krant in Frankrijk van de IKS, 24 december 2018
[1] “Face à la misère et à la dégradation de nos conditions de vie: Comment lutter pour faire reculer le gouvernement et le patronat ?” (een pamflet beschikbaar op onze website)
[2] “Stellingen over de ontbinding”, Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 107 (2001)
[3] “Quand la bourgeoisie fait croire au prolétariat qu’il n’existe pas”, Révolution Internationale nr. 447 (2014) et “Waarom heeft het proletariaat het kapitalisme nog niet omvergewrorpen ?”, Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 104 (2001)
De voorbije twee maanden stond de kwestie van de ecologische ramp, die onze planeet bedreigt, centraal in de debatten in België. Met de mars van 2 december 2018, die 75.000 mensen in Brussel bijeen bracht, heeft de mobilisatie voor klimaatverandering een ongekende omvang aangenomen. Geconfronteerd met de minachting van de regering en de politieke partijen, geobsedeerd door erbarmelijke manoeuvres ter voorbereiding van de volgende verkiezingen in mei, werd deze nog uitgebreid door een nieuwe demonstratie van 80.000 demonstranten in de straten van Brussel op zondag 27 januari.
Maar de belangrijkste uiting van verontwaardiging over het uitblijven van stappen van de politieke partijen is ongetwijfeld de golf van spontane “scholierenstakingen’ op de donderdagen, die sinds begin januari 2019 door middelbare scholieren in gang werden gezet om naar Brussel te gaan om te demonstreren. Deze demonstraties, gelanceerd door Antwerpse middelbare scholieren, hebben zich drastisch uitgebreid: van de 3.000 middelbare scholieren in de eerste demonstratie tot 35.000 op donderdag 24 januari, afkomstig uit zowel Vlaanderen als Wallonië. Daarnaast brachten de plaatselijke demonstraties ook nog duizenden middelbare scholieren bijeen in Antwerpen, Luik en Namen.
De centrale motivering voor deze mobilisaties van de middelbare scholieren is het gebrek aan perspectief dat de maatschappij biedt in het licht van de verslechtering van het klimaat. Gechoqueerd door de passiviteit van de regeringen wil de beweging “maximale druk uitoefenen op de autoriteiten” om verantwoorde beslissingen te nemen over klimaatkwesties.
De verontwaardiging over het gebrek aan daadkracht van regeringen is gerechtvaardigd, ook de bezorgdheid van middelbare scholieren over de toekomstperspectieven als werker; de roep om een alternatief voor deze maatschappij, die op een catastrofe afstevent, is noodzakelijker en dringender dan ooit. Maar is er veel te verwachten van de “autoriteiten”? Moeten we niet eerst en vooral nadenken over de ware redenen die een dergelijk gevaar voor de toekomst van de planeet en haar bewoners veroorzaken? En welke strijd moet er worden gevoerd om dit gevaar af te wenden?
Om een aanzet te geven tot een antwoord op deze vragen en de overdenking te stimuleren, publiceren we hieronder 2 artikels over de kwestie van ecologie. Ook al dateren ze uit 2009 en 1990, toch behouden ze hun actualiteit met betrekking tot de analyse van grondslag van het ecologische probleem en het vooruitzicht dat moet worden ontwikkeld:
Internationalisme, afdeling van de IKS in België
In reactie op het artikel “De strijd van de linkerzijde binnen de oude sociaaldemocratische partij - Reactie op een brief van een lezer over de Duitse Revolutie”, heeft dezelfde lezer ons een brief geschreven, waarin hij nog wat dieper ingaat en kritiek levert op enkele onderwerpen die in het artikel zijn ontwikkeld.
Deze discussie lijkt over een onbelangrijke kwestie te gaan, maar dat is niet zo. Ze gaat in wezen over de rol van revolutionairen en hoe een revolutionaire organisatie kan worden opgebouwd. Uit de ervaringen van het verleden en met die van de fracties en opposities in de Tweede Internationale ten tijde en vlak na de Eerste Wereldoorlog kunnen we een hele reeks lessen trekken voor de taken van revolutionairen van vandaag. In die zin zullen we eerst zijn kritiek in detail bespreken om daarna te laten zien waarom deze gedachtewisseling zo belangrijk is in de huidige periode.
In het bovenvermelde artikel schrijven we over de Hongaarse Revolutie van 1919:“Om een nieuwe regering te kunnen vormen onderhandelden de sociaaldemocraten in 1919 met de kommunisten en besloten om hun twee partijen samen te brengen onder de naam Hongaarse Socialistische Partij. De nieuwe Socialistische Partij creëerde een regering, die de revolutionaire regeringsraad genoemd werd, en die de Hongaarse Radenrepubliek uitriep.”
Hierop stelt de lezer ons de vraag: “Vinden jullie deze samensmelting van de jonge Kommunistische partij, die nog volop haar weg aan het zoeken was, met de oude, in alle knepen van het politiek bedrijf ervaren sociaal-democratische partij en hun gezamenlijk uitroepen van de Hongaarse Radenrepubliek zonder zelfs maar enige consultatie van de arbeidersraden, echt een positieve zaak?” Citerend uit een brochure van de IKS, schrijft de kameraad: “Al in 1919 werd er een hoge prijs betaald voor de fusie van Hongaarse communisten en socialisten...” (The Dutch and German Left). Als argumentatie voegt hij eraan toe:“Als de Kommunistische partij zo vlug en zo gemakkelijk samensmolt met de oude sociaal-democratische partij en ook zelfs haar naam terug inleverde, waarom was de partij dan opgericht? Was deze oprichting een vergissing? Het samensmelten van de Kommunistische en de sociaal-democratische partij in Hongarije tot een nieuwe socialistische eenheidspartij lijkt wel een voorafspiegeling van de eenheidsfrontpolitiek van de leiding van de IIIe Internationale.”
De kameraad heeft gelijk dat de gebeurtenissen in Hongarije in het artikel een beetje te eenvoudig zijn voorgesteld. Een fusie van de Kommunistische met de sociaal-democratische partij kan inderdaad nauwelijks worden bestempeld als een versterking van de revolutie. Het was een bewuste manoeuvre van de opportunistische rechterzijde binnen de sociaal-democratie om de Kommunistische partij binnenboord te halen en op te nemen in de regering, om deze zo verantwoordelijk te kunnen maken voor de anti-revolutionaire maatregelen. In de door de sociaal-democraten beheerste regering hadden de paar kommunisten nauwelijks zeggenschap, maar fungeerden wel als een uithangbord ervoor.
Toch kon de hele sociaal-democratische partij in het voorjaar van 1919 nog niet bij de vuilnisbelt gezet worden. “De linkervleugel van de sociaal-democratische partij verdedigde een proletarisch standpunt en had de neiging om zich naar de communisten toe te ontwikkelen.” (“The Hungarian Revolution of 1919 (II): The example of Russia 1917 inspires the workers in Hungary”; Internationale Revue, Frans-, Engels-en Spaanstalige uitgave nr. 144). Dat betekende dat er nog een proletarische vleugel bestond in de Hongaarse sociaal-democratische partij en het was de taak van de communisten om te blijven vechten om de proletarische elementen daarbinnen voor de revolutionaire strijd te behouden.
In het artikel schrijven we verder: “De USDP fuseerde in 1920, met haar 1 miljoen leden, met de KPD en sloot zich aan bij de Kommunistische Internationale”.
Hierop stelt de lezer ons de volgende vragen: “Zijn jullie nu plotseling, in de vervalperiode van het wereldkapitalisme, voor massapartijen? Als er dan toch een argument van aantallen zou moeten gelden: bij de KAPD ging het, zoals gezegd, om de meerderheid binnen de KPD en dus zeker niet om een kleine groep, zeker niet om een sekte, maar om een reële partij met militanten in zowat alle sectoren van de arbeidersklasse. Vinden jullie nu plotseling dat de uitgeslotenen hadden moeten blijven proberen lid te blijven van de KPD?”
De kameraad stelt in feite dus twee vragen:
-Zijn we nu plotseling voor massapartijen in de vervalperiode van het kapitalisme? Het antwoord is: nee. De IKS is van opvatting dat er, tot aan de pre-revolutionaire periode, geen massapartij van het proletariaat kan bestaan. Daarna kan ze tot een min of meer omvangrijke partij uitgroeien. Maar ook dan zal ze maar een minderheid van de klasse verenigen (1).
-Vinden jullie dat de uitgesloten meerderheid in de KPD had moeten blijven? Het antwoord is: voor zover dat nog mogelijk was, ja. Hoe schandalig de manoeuvre van de KPD leiding op het congres van Heidelberg in oktober 1919 ook was, de KPD was daarmee niet overgegaan naar de bourgeoisie en was dus niet verloren voor het proletariaat. Hetzelfde geldt voor de IIIe Internationale waar de KPD lid van was.
In het artikel schrijven we tevens: “We zijn het eens met de kameraad als hij zegt dat “de revolutionaire partij al zeer laat werd opgericht” en dat “dit een grote zwakheid was”. Maar dit betekent geenszins dat “als de voorbereidingen voor een Kommunistische partij in augustus 1914 waren begonnen en niet in december 1918 (na het uitbreken van de revolutie) de hele ervaring in Duitsland ongetwijfeld anders zou zijn geweest”.
De kritiek van de lezer hierbij is: “Ik blijf erbij dat het geen goede beslissing was van de Spartakisten om zich aan te sluiten bij de USPD en zeker niet om zo lang te wachten met hun afscheiding van de USPD. Evenmin als binnen de SPD was de groep rond Luxemburg en Liebknecht erin geslaagd om binnen de USPD een duidelijke fractie met een eigen pers te vormen.”
Daar voegt hij aan toe dat hij “het grotendeels oneens [is]met het tweede deel van het citaat. Want de kans is toch zeer groot dat de hele ervaring anders was geweest als de voorbereidingen voor de Kommunistische partij al in augustus 1914 zouden zijn begonnen.”
Om de juiste lessen te kunnen trekken uit gebeurtenissen van het verleden, is het nodig om een blik te werpen op de geschiedenis. Maar als de communisten terugkijken naar het verleden, dan doen ze dat vanuit de optiek dat ze er zelf ook deel van uitmaken en vorm aan hebben gegeven: de communisten maken de geschiedenis. In zijn kritiek stelt de kameraad zich echter teveel op als een toeschouwer, als iemand die buiten de klassenstrijd staat en daar achteraf op terugkijkt. Daarmee verliest hij uit het oog dat de uiteindelijke beslissing om met de oude partij te breken altijd afhangt van de strijd die de linkervleugel voert tegen de opportunistische rechtervleugel. Uiteindelijk is het de ontwikkeling van de krachtsverhouding binnen de partij die erover beslist welke fractie de overhand krijgt en of de partij behouden kan worden voor het proletariaat. En de uitkomst van die strijd bepaalt uiteindelijk ook of de linkervleugel binnen de partij blijft of niet.
In het artikel schrijven we ook:“Te vroeg, en dus op een onheldere basis breken met de oude partij (zoals de Tribunisten in 1909 deden) kan net zozeer catastrofaal zijn als splitsing die te laat tot stand komt.”
De kameraad is daarmee “akkoord, ook al klinkt het woord “catastrofaal” wel wat overdreven in verband met de te vroege breuk met de oude partij door de Tribunisten.”
Toegegeven, de voortijdige breuk van de Tribunisten met de SDAP heeft niet geleid tot een catastrofe. Maar het mag duidelijk zijn dat de leden, die braken met de SDAP, en die later de SDP vormden, nog geenszins een ernstig fractiewerking hadden beoefend binnen de oude partij. En op grond van de standpunten, die zij toen verdedigden, was een dergelijke breuk ook niet gerechtvaardigd. Dit blijkt wel uit het feit dat de nieuwe partij zich, in eerste jaren van haar bestaan, nog immer baseerde op hetzelfde programma als dat van de SDAP. Dat het niet is uitgelopen op een catastrofe voor de Tribunisten is voor een groot deel te danken aan de linkervleugel binnen de SDP, te weten Pannekoek, Gorter en nog enkele andere militanten: zij hebben de SDP ervoor behoed in het sektarisme te verstikken. Er zijn echter teveel voorbeelden, ook in de geschiedenis van de IKS, van groepen die zich zonder grondige politieke redenen afsplitsten om vervolgens in het niets te verdwijnen.
Het mag inmiddels wel duidelijk zijn dat te laat breken met de oude partij catastrofale gevolgen kan hebben. Daarvoor hoeven we slechts te verwijzen naar de oprichting van de KPD in Duitsland nadat de revolutie al in volle gang was en de oprichting van de IIIe Internationale nadat de strijd in Duitsland, Hongarije en Italië al min of meer op een nederlaag was uitgelopen. Maar waarom kan een te vroege breuk, op een onheldere basis, en dus zonder een voorafgaand degelijk fractiewerk, ook catastrofaal aflopen voor de betreffende organisatie? Om dat duidelijk te kunnen maken is het nodig even terug te keren naar de geschiedenis van de Derde Internationale en de reactie van de Hollands-Duitse Linkerzijde tegenover haar ontaarding.
De Linkerzijde in de IIIe Internationale bestond voornamelijk uit een Hollands-Duitse en een Italiaanse Linkerzijde. De Italiaanse Linkerzijde ontwikkelde binnen de IIIe Internationale een zodanig ernstig werk, dat ze haar activiteiten op een georganiseerde wijze kon voortzetten, toen ze er in 1927van werd uitgesloten. Ze wist haar ervaring te gebruiken om collectief de lessen te trekken uit de voorbije revolutionaire golf en stappen te zetten in de richting van een toekomstige internationale c.q. partij (2). De Hollands-Duitse Linkerzijde daarentegen stond in 1920 reeds buiten de IIIe Internationale zonder een gedegen fractiewerking te hebben verricht binnen de oude partij. In plaats van een fractiewerking buiten de partij op te starten, richtte ze binnen een half jaar een nieuwe partij op.
Het gevolg was dat Hollands-Duitse Linkerzijde, een van de voornaamste pijlers onder de georganiseerde voortzetting van het werk van de Bond van Communisten, de Eerste, Tweede en Derde Internationale, binnen tien jaar nagenoeg was verdwenen. Wat er overbleef waren een aantal verspreide groepjes militanten, zonder enig georganiseerd verband. Daarmee hadden ze niet alleen zichzelf tot machteloosheid veroordeeld, maar ook de rijke nalatenschap van de arbeidersbeweging in de waagschaal gezet. Dat haar voluntaristische politiek niet uitdraaide op een catastrofe voor de hele georganiseerde arbeidersbeweging was nagenoeg alleen te danken aan de Italiaanse Linkerzijde, die wel in staat was om de Kommunistische nalatenschap onder haar hoede te nemen en als een brug te fungeren naar de toekomstige Kommunistische generaties (3).
De kritiek van de kameraad betreft de fractiewerking van de Kommunistische Linkerzijde in de IIe en de IIIe Internationale. Maar in tegenstelling tot de eerste decennia van de 20e eeuw bestaat er momenteel geen Internationale of, een ander woord voor hetzelfde, een revolutionaire partij. Er bestaan daarentegen wel een aantal groepen, die hun oorsprong vinden in de geschiedenis van de arbeidersbeweging of die meer recentelijk werden opgericht en die samen het proletarische politieke milieu vormen. Dit proletarische milieu is de politieke uitdrukking van “De bewustwording van het proletariaat van zijn eigen aard als revolutionaire klasse en van zijn vermogen om het Kommunistische perspectief werkelijkheid te doen worden”. De verschillende groeperingen, die er deel van uitmaken, vormen de bouwstenen voor de constructie van de toekomstige revolutionaire partij (4).
Het proletarische politieke milieu is niet, zoals de ICT het omschrijft, “het kleine aantal van ons dat al in een politieke organisatie is ingeschreven“ en zelfs niet “het spectrum van groepen dat betrekking heeft op de linkskommunistische standpunten”. Zelfs als ze bestaat uit verschillende groeperingen, het is geen optelling van deze groepen en organisaties, maar één ongedeeld geheel. Samen vertegenwoordigen ze, of ze dat nu erkennen of niet, de politieke dimensie in de historische wording van het revolutionaire proletariaat. “De verdediging van haar identiteit tegen de krachten van de contrarevolutie, het verwerpen van alle niet-proletarische praktijken daarin, zijn essentiële aspecten van het leven van elke revolutionaire organisatie.” (“7th Congress of the ICC: Resolution on the Proletarian Political Milieu, Introduction”- Internationale Revue, frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr.51)
Revolutionaire organisaties hebben de fundamentele politieke verantwoordelijkheid om dit proletarische politieke milieu en al haar verschillende stromingen en tendensen te verdedigen tegen de infiltratie van een burgerlijke of kleinburgerlijke ideologie, zowel op het vlak van de programmatische standpunten (ten aanzien van de vakbonden, de deelstrijd, het verval van het kapitalisme bijvoorbeeld), de organisatorische beginselen (zoals een internationalistische gerichtheid, een gecentraliseerde werking, een openheid naar politieke discussies en polemieken); en niet te vergeten op het vlak van de gedragingen, die onverenigbaar zijn met de arbeidersklasse (zoals fysiek geweld, intimidatie, het zoeken van zondebokken), en die haar optreden dus schaden.
De politieke dynamiek binnen het proletarische milieu wordt voortdurend, en dit geldt des te meer in de fase van de ontbinding met zijn tendens van het ‘ieders voor zich’, ondermijnd door opportunistische en sektarische tendensen in zijn midden.
Sektarisme, zoals de weigering om elk debat aan te gaan met andere groeperingen in het proletarisch milieu en het afwijzen van de noodzaak van een fundamentele onderlinge solidariteit.
Opportunisme, zoals voortijdige splitsingen op een onheldere basis evenals overhaaste samenvoegingen (fusies) van groepen en organisaties waarbij echte meningsverschillen worden toegedekt.
Onder andere door deze twee tendensen gaat het proletarische milieu al tientallen jaren gebukt onder een grote verdeeldheid en worden zijn krachten hopeloos versnipperd.
Het bestaan van talrijke groeperingen in het huidige proletarisch milieu zou kunnen worden opgevat als een rijkdom. Het is echter een uitdrukking van armoede: van een onverantwoordelijk optreden tegenover de essentiële noodzaak om te beantwoorden aan het unitaire karakter van de arbeiders als de revolutionaire klasse. Iedere strijd voor de versterking van het proletarisch milieu, en meer bepaald voor haar eenmaking, veronderstelt daarom een onverzoenlijke en niet aflatende strijd tegen het sektarisme. Zo is het bijvoorbeeld hard nodig om komaf te maken met het bestaan van de verschillende ‘bordigistische’ groepen, die zich op geen enkele wijze fundamenteel van elkaar onderscheiden. Het sektarisme is een ware plaag voor het bestaande proletarische milieu (5).
Het is vooral de opportunistische tendens, die grote overeenkomsten vertoont met de strijd van de Linkerzijde binnen de sociaal-democratische organisaties na het verraad en de dood van de IIe Internationale. Zoals uit het eerste deel van dit artikel blijkt, stond de Linkerzijde tijdens en na de Eerste Wereldoorlog voor de taak om het proletarische leven binnen de sociaal-democratische partijen te verdedigen tegen de opportunistische rechterzijdes. En toen dit niet langer mogelijk bleek, was het in ieder geval de opdracht om zoveel mogelijk kameraden te behouden voor de revolutionaire strijd. Want een overgang van de sociaal-democratische partijen naar het burgerlijke kamp betekende dat de kameraden daarbinnen bijna zeker verloren waren voor de historische strijd van het proletariaat.
Ook in de huidige periode staan de revolutionairen voor de taak om te vechten tegen de ontaarding van bepaalde groeperingen van het proletarisch milieu en te voorkomen dat die overgaan naar het burgerlijke kamp. Dit betreft bijvoorbeeld de bordigistische groepen zoals de “Parti Communiste International”, die Le Prolétaire publiceert. Daarnaast moeten de revolutionairen ook systematisch de strijd opnemen tegen iedere opportunistische toegeving die andere groeperingen van het proletarische milieu doen aan de burgerlijke ideologie. Dit betreft bijvoorbeeld de ICT, de voormalige IBRP. De IKS voert die strijd onder meer door tussen te komen in de publieke bijeenkomsten van deze groepen en door middel van kritieken (op de website of in de krant) op de meest tegenstrijdige en gevaarlijke standpunten, die zij verdedigen.
Deze strijd voor de verdediging van het proletarische milieu houdt onder meer in zoveel mogelijk proletarisch leven en zoveel mogelijk Kommunistische militanten voor de strijd van de arbeidersklasse te behouden. In het geval van een centristische groep (die zich bedient van een links discours, maar in de dagelijkse praktijk het opportunisme verdedigt) kan dit betekenen dat de politiek van de revolutionairen erop gericht is om, door politieke confrontatie, een splitsing te bewerkstelligen tussen een linker- en rechtervleugel en de betreffende groep zo dus te doen uiteenspatten.
De ontwikkeling van de revolutionaire krachten en de oprichting van een nieuwe Internationale (ofwel internationale Partij) behelst een vastberaden en onverzoenlijke strijd voor de verdediging van de politieke verworvenheden en voor de gestage uitdieping van de Kommunistische theorie. De strijd voor de geduldige versterking van de fundamenten van het proletarische milieu vormt daar een onlosmakelijk onderdeel van, want zonder een dergelijk fundament kan er geen revolutionaire theorie bestaan en is het onmogelijk om heldere politieke oriëntaties naar voren te schuiven voor de ontwikkeling van de strijd in de richting van de Kommunistische omwenteling.
Dennis / 2019.08.01
(1) In de oprichting van Kommunistische partijen gebruikte de Komintern de ‘brede' methode, die er “vooral op was gericht het onmiddellijk zoveel mogelijk mensen bijeen te brengen ten koste van de programmatische en prinselijke precisie, en moest leiden tot de oprichting van massapartijen, tot echte reuzen op lemen voeten, die echter bij de eerste de beste nederlaag, onder de invloed van het opportunisme, wel moesten terugvallen.” (“Internationalisme nr. 7 - Année 1946 - À propos du 1er congrès du Parti communiste internationaliste d'Italie”; Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 161)
(2) Zie vooral: “Rapport over de rol van de IKS als ‘Fractie’, 4. De fracties voortkomend uit de Kommunistische Internationale”; Internationale Revue nr. 27.
(3) Naast de Italiaanse Linkerzijde bestonden er nog wel enkele andere stromingen die aan een ernstige georganiseerde werking vasthielden. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de RSP die later, na een fusie met de OSP, omgedoopt werd tot de RSAP en waarin Sneevliet een centrale rol speelde.
(4) Hier is niet de plaats om uitgebreid uiteen te zetten hoe de vorming van een nieuwe internationale c.q. partij zal/moet gaan plaatsvinden.
(5) “The scourge of sectarianism in the internationalist camp”; Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave, nr. 116.
Het telefoontje van Trump naar Erdogan op 6 oktober leek het ‘groene licht’ te geven voor een grote Turkse invasie in Noord-Syrië en een brute saneringsoperatie tegen de Koerdische troepen die het gebied tot nu toe met Amerikaanse steun hebben gecontroleerd. Het veroorzaakte een storm van verontwaardiging, zowel onder de NAVO-‘bondgenoten’ van de VS in Europa als in grote delen van het militaire en politieke establishment in Washington, met name bij Trump's eigen voormalige minister van Defensie ‘Mad Dog’ Mattis. De belangrijkste kritiek, de afdanking van de Koerden door Trump, is dat het alle geloofwaardigheid in de VS ondermijnt als een bondgenoot waarop je kunt vertrouwen: kortom, het is een ramp op diplomatiek vlak. Maar er is ook de bezorgdheid dat de terugtrekking van de Koerden zal leiden tot een heropleving van de strijdkrachten van IS wier opsluiting bijna uitsluitend het werk was van de Koerdische strijdkrachten, ondersteund door de Amerikaanse luchtmacht. De Koerden hebben duizenden IS-gevangenen opgesloten, waarvan meer dan honderd al uit de gevangenis zijn ontsnapt.
Binnen de bourgeoisie van de VS heeft de actie van Trump de alarmbellen doen afgaan, en is de bezorgdheid fors toegenomen dat de onvoorspelbare en eigenwijze stijl van het presidentschap een reëel gevaar vormt voor de VS en zelfs dat hij onder druk van het ambt en vooral van de huidige impeachment, die tegen hem is gestart, zijn nog geringe mentale stabiliteit zal verliezen.
Zeker, zijn gedrag wordt steeds bizarder en hij laat niet alleen zien onwetend te zijn (de Koerden steunden ons niet bij de invasie in Normandië...), maar ook een reguliere gangster (zijn brief aan Erdogan, waarin hij hem waarschuwde geen dwaas of een stoere vent te zijn, die de Turkse leider prompt in de prullenbak gooide, zijn bedreigingen om de Turkse economie te vernietigen ...). Hij regeert via tweet, neemt impulsieve beslissingen, negeert het advies van zijn personeel en moet het volgende ogenblik zijn woorden terugnemen - getuige de brief en de overhaaste reis van Pence en Pompeo naar Ankara om een wapenstilstand in Noord-Syrië in elkaar te knutselen.
Maar laten we niet te veel stilstaan bij het karakter van Trump. In de eerste plaats is hij slechts een uitdrukking van de voortschrijdende ontbinding van zijn klasse, een proces dat overal aanleiding geeft tot ‘sterke mannen’ die de laagste gevoelens oproepen en zich verheugen in hun veronachtzaming van de waarheid en de traditionele regels van het politieke spel; van Duterte tot Orban en van Modi tot Boris Johnson. En zelfs als hij in zijn omgang met Erdogan te hard van stapel liep, was de politiek van terugtrekking van de troepen uit het Midden-Oosten geen uitvinding van Trump, maar gaat deze terug tot de regering Obama die het totale falen erkende van de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten sinds het begin van de jaren 1990 en de noodzaak om een 'spil' te creëren in het Verre Oosten teneinde de groeiende dreiging van het Chinese imperialisme tegen te gaan.
De laatste keer dat de VS groen licht gaven in het Midden-Oosten was in 1990, toen de Amerikaanse ambassadeur April Glaspie liet weten dat de VS niet zouden ingrijpen als Saddam Hussein Koeweit binnen zou vallen. Het was een goed opgezette valkuil, met het idee om een massale Amerikaanse operatie in het gebied uit te voeren en hun westerse partners te dwingen zich aan te sluiten bij een grote kruistocht. Dit was een moment waarop het westerse blok, na de ineenstorting van het Russische blok in 1989, al begon uiteen te vallen en de VS, als de enige overgebleven supermacht, hun autoriteit moesten laten gelden door een spectaculaire demonstratie van geweld.
Geleid door een bijna messiaanse ‘neo-conservatieve’-ideologie, werd de eerste Golfoorlog gevolgd door andere Amerikaanse militaire avonturen, in Afghanistan in 2001 en Irak in 2003. Maar de afnemende steun van zijn voormalige bondgenoten aan deze operaties, en vooral door de extreme chaos die ze in het Midden-Oosten hebben veroorzaakt, waarbij Amerikaanse troepen verstrikt raakten in niet te winnen conflicten met lokale opstandelingen, heeft de sterke achteruitgang aangetoond van het vermogen van de VS om de wereld te controleren. In die zin schuilt er een logica achter de impulsieve acties van Trump, ondersteund door aanzienlijke delen van de Amerikaanse bourgeoisie. Het VS-imperialisme heeft erkend dat het niet over het Midden-Oosten kan regeren door grondtroepen in te zetten of zelfs niet door zijn eigen luchtmacht.
In de verdediging van zijn belangen door middel van militaire actie zal het steeds meer vertrouwen op zijn meest betrouwbare bondgenoten in de regio - Israël en Saoedi-Arabië -, en zich met name richten tegen de toenemende macht van Iran (en, op de langere termijn, tegen de potentiële aanwezigheid van China als een serieuze mededinger in de regio).
Het staakt-het-vuren, onderhandeld door Pence en Pompeo - waarvan Trump beweert dat het ‘miljoenen levens’ zal redden - verandert in wezen niets aan de politiek die de Koerden in de steek laat. Het is alleen bedoeld om Koerdische troepen de gelegenheid te geven zich terug te trekken terwijl het Turkse leger zijn controle over Noord-Syrië bevestigt. En het moet gezegd worden dat dit soort ‘verraad’ niets nieuws is. In 1991, in de oorlog tegen Saddam Hoessein, moedigden de VS onder Bush Sr. de Koerden van Noord-Irak aan om in opstand te komen tegen het regime van Saddam - en lieten ze Saddam vervolgens aan de macht, die én bereid én in staat was om de Koerdische opstand met de uiterste wreedheid te verpletteren. Iran heeft ook geprobeerd de Koerden van Irak tegen Saddam te gebruiken. Maar alle machten in de regio, en de wereldmachten die erachter staan, hebben zich consequent verzet tegen de vorming van een verenigde Koerdische staat, wat zou betekenen dat de bestaande nationale ordening in het Midden-Oosten werd doorbroken.
De gewapende Koerdische strijdkrachten hebben ondertussen nooit geaarzeld om zichzelf aan de hoogste bieder te verkopen. Dit gebeurt voor onze ogen: de Koerdische militie wendde zich onmiddellijk tot Rusland en het Assad-regime om hen te beschermen tegen de Turkse invasie.
Bovendien was dit het lot van iedere ‘nationale bevrijdingsstrijd’, op zijn minst sinds de Eerste Wereldoorlog: ze konden alleen opbloeien onder de vleugels van één of andere imperialistische macht. Deze grimmige noodzaak geldt in het bijzonder voor het Midden-Oosten: de Palestijnse nationale beweging zocht de steun van Duitsland en Italië in de jaren 1930 en 1940, van Rusland tijdens de Koude Oorlog, en van verschillende regionale machten in de wereldwanorde die werden ontketend door de ineenstorting van het systeem van de blokken.
Ondertussen behoeft de Zionistische afhankelijkheid van de steun van de imperialistische grootmachten (voornamelijk, maar niet alleen, van de VS) niet te worden aangetoond, ze vormt geen uitzondering op de algemene regel. Nationale bevrijdingsbewegingen kunnen gebruik maken van vele ideologische uithangborden - stalinisme, islamisme, zelfs, zoals in het geval van de Koerdische troepen in Rojava, een soort anarchisme - maar ze kunnen de uitgebuite en onderdrukten alleen maar gevangen houden in de eindeloze oorlogen van het kapitalisme in zijn tijdvak van imperialistisch verval. [1]
De meest voor de hand liggende profiteur van de terugtrekking van de VS uit het Midden-Oosten was Rusland. In de jaren 1970 en 1980 was de USSR gedwongen af te zien van het merendeel van zijn posities in het Midden-Oosten, met name van zijn invloed in Egypte en zijn pogingen om Afghanistan te controleren. De laatste buitenpost, en een cruciale toegangspoort tot de Middellandse Zee, waren Syrië en het Assad-regime, dat dreigde in te storten door de oorlog die het land na 2011 overspoelde en door de eisen van de ‘democratische’ rebellen, maar vooral door de Islamitische Staat. De massale interventie van Rusland in Syrië heeft het Assad-regime gered en de controle over het grootste deel van het land hersteld, maar het valt te betwijfelen of dit mogelijk zou zijn geweest als de VS, die na Afghanistan en Irak wanhopig probeerden te voorkomen niet vast te komen zitten in een ander moeras, het land niet effectief aan de Russen hadden afgestaan. Dit heeft verdeeldheid gezaaid binnen de Amerikaanse bourgeoisie, binnen enkele van de meer gevestigde facties in het militaire apparaat, die nog steeds grote achterdocht koesteren ten opzichte van alles wat de Russen zouden kunnen doen, terwijl Trump en de mensen achter hem Poetin beschouwen als een man om zaken mee te doen en vooral een mogelijk bolwerk tegen de schijnbaar onverbiddelijke opkomst van China.
Een deel van de opkomst van Rusland naar zo'n leidinggevende positie in Syrië is toe te schrijven aan de ontwikkeling van een nieuwe relatie met Turkije, dat zich geleidelijk van de VS distantieert, niet in de laatste plaats vanwege de steun van de laatsten aan de Koerden in hun operatie tegen IS in het noorden van Syrië. Maar de Koerdische kwestie veroorzaakt meteen al problemen voor de Russisch-Turkse toenadering: aangezien een deel van de Koerdische troepen zich voor bescherming nu tot Assad en de Russen wenden, en terwijl het Syrische en Russische leger binnentrekken om de gebieden te bezetten die eerder door de Koerdische strijders werden gecontroleerd, bestaat er een groot risico op een confrontatie tussen Turkije enerzijds en Syrië en zijn Russische achterban anderzijds. Voorlopig lijkt dit gevaar te zijn afgewend door de overeenkomst van 22 oktober tussen Erdogan en Poetin in Sochi. De overeenkomst geeft Turkije controle over een bufferzone in Noord-Syrië ten koste van de Koerden, en bevestigt tegelijkertijd de rol van Rusland als de belangrijkste machtsfactor in de regio. Of deze regeling de langdurige tegenstellingen tussen Turkije en het Syrië van Assad zal overwinnen valt nog te bezien. De oorlog van allen tegen allen, een essentiele eigenschap van het imperialistische conflict sinds de ondergang van het systeem van de blokken, wordt nergens duidelijker geïllustreerd dan in Syrië.
Op dit moment kan het Turkije van Erdogan zichzelf ook feliciteren met zijn snelle militaire vooruitgang in Noord-Syrië en het opruimen van de Koerdische ‘terroristische nesten’. Op binnenlands vlak is de invasie voor Erdogan ook gekomen als een geschenk uit de hemel: na een aantal ernstige tegenslagen voor zijn AKP-partij bij verkiezingen van het afgelopen jaar, heeft de golf van nationalistische hysterie die door het militaire avontuur werd aangewakkerd een splitsing teweeg gebracht binnen de oppositie, die bestaat uit Turkse ‘democraten’ en de Koerdische HDP.
Voorlopig kan Erdogan terugvallen op de droom van een nieuw Ottomaans rijk; van een Turkije dat hersteld is in zijn oude glorie als wereldspeler voordat hij aan het begin van de 20e eeuw de ‘zieke man van Europa’ werd. Maar een situatie binnengaan die al heel erg chaotisch is, kan op de lange termijn gemakkelijk een gevaarlijke valstrik zijn voor de Turken. En bovenal zal deze nieuwe escalatie van het Syrische conflict aanzienlijk bijdragen aan de toch al gigantische menselijke offers. Meer dan 100.000 burgers zijn al ontheemd, waardoor de Syrische nachtmerrie van de binnenlandse vluchtelingen nog sterk toeneemt. Een tweede doel van de invasie is dan ook om ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen te dumpen, die momenteel in barre omstandigheden leven in Turkse kampen in het noorden van Syrië, grotendeels ten koste van de lokale Koerdische bevolking.
Het ongegronde cynisme van de heersende klasse wordt niet alleen onthuld in de massaslachtingen veroorzaakt door haar vliegtuigen, artillerie en terroristische bommenregen op de burgerbevolking van Syrië, Irak, Afghanistan of de Gazastrook, maar ook door de manier waarop ze mensen gebruikt die gedwongen zijn om weg te vluchten van de slagvelden.
De EU, dat toonbeeld van democratische deugdzaamheid, heeft Erdogan al een aantal jaren het vertrouwen gegeven om op te treden als gevangenisbewaker voor de Syrische vluchtelingen die onder zijn ‘bescherming’ staan, zodat zij zich niet kunnen voegen bij de stromen vluchtelingen die op weg zijn naar Europa. Nu ziet Erdogan een oplossing voor deze last via de etnische zuivering van Noord-Syrië en dreigt hij - als de EU zijn acties bekritiseert - een nieuwe stroom vluchtelingen naar Europa te laten gaan.
Mensen zijn alleen nuttig voor het kapitaal als ze kunnen worden uitgebuit of gebruikt als kanonnenvoer. En de openlijke barbaarsheid van de oorlog in Syrië is slechts een voorproefje van wat het kapitalisme voor de hele mensheid in petto heeft als het in staat wordt gesteld door te gaan. Maar de belangrijkste slachtoffers van dit systeem, al diegenen die het uitbuit en onderdrukt, zijn geen passieve objecten, en in het afgelopen jaar hebben we een glimp opgevangen van de mogelijkheid van massale reacties tegen armoede en de corruptie van de heersende klasse in sociale opstanden in Jordanië, Iran, Irak en het meest recent in Libanon. Deze bewegingen zijn vaak erg verward, aangetast door nationalistische illusies en roepen om een duidelijke leiding van de arbeidersklasse die op haar eigen klassenterrein ageert. Maar dit is niet alleen een taak voor de arbeiders in het Midden-Oosten, maar voor de arbeiders van de wereld, en vooral voor de arbeiders van de oude kapitalistische centra waar de zelfstandige politieke traditie van het proletariaat is ontstaan en het diepst geworteld is.
Amos / 23.10.2019
[1] Zie voor een analyse van de geschiedenis van het Koerdisch nationalisme:
https://en.internationalism.org/icconline/201712/14574/kurdish-nationalism-another-pawn-imperialist-conflicts [33]
Over onze openbare bijeenkomsten betreffende de vijftigste verjaardag van Mei 68
Ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van mei 1968 hield de IKS in een aantal landen en steden openbare bijeenkomsten. Over het algemeen herkenden de aanwezigen zich in grote lijnen in de voornaamste kenmerken van de beweging die we naar voren brachten:
Het idee dat Mei 68 het signaal was geweest voor de ontwikkeling van een golf van internationale strijd verbaasde de deelnemers in het algemeen niet. Maar paradoxaal genoeg was het niet altijd hetzelfde voor deze andere idee dat Mei 68 het einde inluidde van de lange periode van contrarevolutie, die het gevolg was van de nederlaag van de eerste revolutionaire wereldgolf, en tegelijkertijd een nieuwe koers opende voor klassenconfrontaties tussen de bourgeoisie en het proletariaat. Met name een aantal kenmerken van de huidige periode, zoals de opkomst van het integrisme, de vermenigvuldiging van oorlogen over de ganse planeet, enz., neigden ertoe te worden geïnterpreteerd als tekenen van een contrarevolutionaire periode.
Volgens ons is dit een vergissing die zijn oorsprong vindt in een tweeledige moeilijkheid.
Aan de ene kant is er het gebrek aan kennis over de periode van de wereldwijde contrarevolutie, die begonnen was met de nederlaag van de eerste revolutionaire golf, en dus een moeilijkheid om echt te begrijpen wat zo'n periode betekent voor de arbeidersklasse en haar strijd, maar ook voor de mensheid omdat de barbaarsheid die inherent is aan het kapitalisme in crisis dan geen grenzen meer kent. Daarom hebben we er in dit artikel voor gekozen om deze periode in detail te beschrijven.
Aan de andere kant lijkt de periode die begon met mei 68 misschien meer vertrouwd voor de generaties die mei 68 - direct of indirect – hebben meegemaakt, maar het begrijpen van de onderliggende dynamiek is niet iets dat spontaan ontstaat. In het bijzonder kan het verduisterd worden door gebeurtenissen en situaties die, hoewel belangrijk, niet de doorslaggevende factoren vormen. Daarom zullen we ook op deze periode terugkomen door de fundamentele verschillen met de periode van contrarevolutie te benadrukken.
De geschiedenis van de klassenstrijd bestaat uit momenten van vooruitgang en van achteruitgang
Het fenomeen dat iedereen onmiddellijk heeft kunnen waarnemen, namelijk dat de mobilisatie van de arbeiders na een strijd de neiging heeft om terug te vallen en daarmee vaak ook de wil om te strijden, bestaat ook op een dieper niveau op het vlak van de geschiedenis. In feite is dit een bevestiging van wat Marx hierover in de 18e Brumaire van Louis Bonaparte had opgemerkt, namelijk dat de proletarische strijd afwisselend vooruitgang, vaak zeer levendig en verblindend (1848-49, 1864-71, 1917-23) en periodes van terugval (in 1850, 1872 en 1923) kent, die bovendien telkens weer hebben geleid tot de verdwijning of degeneratie van de politieke organisaties die de klasse zichzelf had gegeven tijdens de periode van de opkomende strijd (Bond van Kommunisten: opgericht in 1847, ontbonden in 1852; IAA - Internationale Arbeiders Associatie: opgericht in 1864, ontbonden in 1876; Kommunistische Internationale: opgericht in 1919, ontaard en dood in het midden van de jaren 1920; het leven van de Socialistische Internationale 1889-1914, heeft een min of meer gelijkaardige maar minder duidelijke koers gevolgd. ("De historische koers", Internationale Revue, Frans- , Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 18)
De nederlaag van de eerste wereldwijde revolutionaire golf van 1917-23 opende de langste, diepste en meest verschrikkelijke periode van contrarevolutie die het proletariaat ooit heeft meegemaakt waardoor de arbeidersklasse als geheel haar bakens was kwijtgeraakt, waardoor de weinige organisaties die trouw bleven aan de revolutie tot kleine minderheden werden gereduceerd. Maar het opende ook de deur naar een ontketening van barbaarsheid, die de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog zou overstijgen. Aan de andere kant is er een tegenovergestelde dynamiek, die zich sinds 1968 heeft ontwikkeld, en er is geen reden om aan te nemen dat deze nu uitgeput is, ondanks de grote moeilijkheden die het proletariaat sinds het begin van de jaren 1990 heeft ondervonden met de uitbreiding en de verdieping van de barbaarsheid op de planeet.
De periode 1924 - 1967: de diepste contrarevolutie ooit door de arbeidersklasse ondergaan
De uitdrukking “Het is middernacht in de eeuw”, de titel van een boek van Victor Serge [1], is perfect van toepassing op de realiteit van deze nachtmerrie die bijna een halve eeuw duurde.
Verschillende vreselijke slagen, toegebracht aan de wereldrevolutiegolf die in 1917 met de Russische revolutie werd geopend, vormen al de voorbode van de lange reeks van offensieven van de bourgeoisie tegen de arbeidersklasse en die de arbeidersbeweging in de diepte van de contrarevolutie zullen storten. Voor de bourgeoisie is het niet alleen een kwestie van het verslaan van de revolutie, maar ook van het slagen toebrengen aan de arbeidersklasse waarvan ze niet kan herstellen. Geconfronteerd met een wereldwijde revolutionaire golf die de kapitalistische wereldorde had bedreigd, wat inderdaad haar bewuste en openlijke doelstelling was [2], kon de bourgeoisie zich niet zomaar tevreden stellen met het terugdringen van het proletariaat. Ze moest er alles aan doen om ervoor te zorgen dat deze ervaring voor de toekomst een dergelijk beeld aan de proletariërs over de hele wereld zou nalaten dat, ze er nooit meer aan zou willen beginnen.
Bovenal moest zij proberen het idee van een kommunistische revolutie en de mogelijkheid om een maatschappij zonder oorlog, zonder klassen en zonder uitbuiting op te bouwen, voor altijd in diskrediet te brengen. Om dit te bereiken kon zij genieten van politieke omstandigheden die haar bijzonder gunstig waren: het verlies van het revolutionaire bolwerk in Rusland werd niet bereikt door de nederlaag in de militaire confrontatie met de witte legers, die Rusland probeerden binnen te vallen, maar na de eigen interne ontaarding (waaraan de aanzienlijke oorlogsinspanningen natuurlijk in grote mate hebben bijgedragen). Zo was het voor de bourgeoisie gemakkelijk om het monster, dat uit de politieke nederlaag van de revolutie is voortgekomen, de socialistische USSR, voor het kommunisme te laten doorgaan. Tegelijkertijd moest deze laatste worden gezien als het onvermijdelijke lot van elke strijd van het proletariaat voor zijn emancipatie. Alle fracties van de wereldbourgeoisie, in alle landen, van uiterst rechts tot aan de trotskistische uiterst linkerzijde, namen deel aan deze leugen [3].
Toen de belangrijkste bourgeoisieën, die betrokken waren bij de Eerste Wereldoorlog, in november 1918 een einde maakten aan de oorlog, was dat met het voor de hand liggende doel om te voorkomen dat nieuwe revolutionaire haarden de stroom van de revolutie, die in Rusland zegevierde en in Duitsland bedreigend was, zouden opzwellen, terwijl de bourgeoisie van dat land door de militaire nederlaag verzwakt was. Dit verhinderde de revolutionaire koorts, gestimuleerd door de barbaarsheid van de slagvelden en door de ondraaglijke uitbuiting en ellende achter de frontlinies, om ook andere landen zoals Frankrijk, Groot-Brittannië, enz. in beslag te nemen… Dit doel werd globaal bereikt.
Toen de Eerste Wereldoorlog in november 1918 werd beëindigd door de belangrijkste bourgeoisieën die erbij betrokken waren, was dat met het duidelijke doel om te voorkomen dat nieuwe revolutionaire haarden, die in Rusland had gewonnen en in Duitsland, waar de bourgeoisie door de militaire nederlaag was verzwakt, het tij van de revolutie zouden aanwakkeren. Dit om te voorkomen dat de revolutionaire koorts, aangewakkerd door de barbaarsheid van de slagvelden en de ondraaglijke uitbuiting en ellende achter de frontlinies, zich ook meester maakte van andere landen zoals Frankrijk en Groot-Brittannië …. En dit doel werd globaal genomen bereikt.
In de zegevierende landen schaarde het proletariaat, dat de Russische revolutie niettemin vurig had toegejuicht, zich niet massaal achter de vlag van de revolutie om het kapitalisme omver te werpen, om voor altijd een einde te maken aan de verschrikkingen van de oorlog. Uitgeput door vier jaar lijden in de loopgraven of in de wapenfabrieken, streefde het er eerder naar om uit te rusten door te “profiteren” van de vrede die de imperialistische bandieten het zojuist hadden “aangeboden”. En aangezien in alle oorlogen de verslagen partijen uiteindelijk altijd worden beschouwd als de veroorzaker van de oorlogen, werd in het discours van de Entente (Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Rusland) de verantwoordelijkheid van het kapitalisme als geheel weggemoffeld achter die van de centrale machten (Duitsland, Oostenrijk, Hongarije). Erger nog, in Frankrijk beloofde de bourgeoisie de arbeiders een nieuw tijdperk van welvaart op basis van de herstelbetalingen, die aan Duitsland zouden worden opgelegd. Op die manier kwam het proletariaat in Duitsland en Rusland des te meer geïsoleerd te staan.
Maar wat er zal gebeurde, zowel in de zegevierende als in de verslagen landen, was de toekomst die Rosa Luxemburg in haar Juniusbochure had geschetst: als het wereldproletariaat er niet in zou slagen om door zijn revolutionaire strijd een nieuwe maatschappij op te bouwen op de rokende puinhopen van het kapitalisme, dan zou dit laatste onvermijdelijk nog ergere rampen voor de mensheid veroorzaken.
De geschiedenis van deze nieuwe neergang in de hel, die culmineerde in de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, valt op vele manieren samen met die van de contrarevolutie die zijn hoogtepunt bereikte op het einde van dit conflict.
Het offensief van de witte legers tegen de Sovjet-Rusland en het mislukken van revolutionaire pogingen in Duitsland en Hongarije
Al snel na oktober 1917 werd de Sovjetmacht geconfronteerd met de militaire offensieven van het Duitse imperialisme, dat niets wilde horen van vrede [4]. De witte legers, die financieel gesteund werden vanuit het buitenland, worden in verschillende delen van het land gevormd. En daarna worden nieuwe witte legers, die direct vanuit het buitenland waren gevormd, ingezet tegen de revolutie tot 1920. Het land is omsingeld door de witte legers en wordt economisch verstikt. De burgeroorlog laat een land achter dat volledig verwoest is. Bijna 980.000 soldaten stierven in de gelederen van het Rode Leger, ongeveer 3 miljoen onder de burgerbevolking. [5]
In Duitsland wordt de as van de contrarevolutie gevormd door de alliantie van de twee grootste krachten: de verraders van de SPD en het leger. Deze lagen aan de basis van de oprichting van een nieuwe macht, de Vrijkorpsen, de huurlingen van de contrarevolutie, de kern van wat de nazi-beweging zou worden. De bourgeoisie brengt het Berlijnse proletariaat een vreselijke klap toe door het mee te slepen in een voortijdige opstand in Berlijn, die in januari 1919 op brute wijze werd onderdrukt. Duizenden Berlijnse arbeiders en kommunisten - aangezien de meesten van hen ook arbeiders waren - werden vermoord (1200 arbeiders werden geëxecuteerd door een vuurpeloton), gemarteld en in de gevangenis gegooid. R. Luxemburg, K. Liebknecht en vervolgens ook Leo Jogisches werden vermoord. De arbeidersklasse verloor een deel van haar voorhoede en haar meest helderziende leider in de persoon van Rosa Luxemburg, die een kostbaar kompas zou zijn geweest voor de stormen die daarna volgden.
Naast het onvermogen van de arbeidersbeweging in Duitsland om deze manoeuvre te dwarsbomen, zal zij lijden onder een schrijnend gebrek aan coördinatie tussen de verschillende centra van de beweging: na de opstand van Berlijn brak in het Roergebied een defensieve strijd uit waarbij miljoenen mijnwerkers, staalarbeiders, textielarbeiders uit de industriële regio’s Noord Rijn en Westfalen (1e kwartaal 1919) betrokken waren, gevolgd (eind maart) door strijd in Midden-Duitsland en opnieuw in Berlijn. De Uitvoerende Raad van de Beierse Radenrepubliek werd in München uitgeroepen en vervolgens omvergeworpen, wat de inleiding vormde voor een wrede repressie.
Berlijn, het Roergebied, weer Berlijn, Hamburg, Bremen, Midden-Duitsland, Beieren, overal werd het proletariaat stuk voor stuk verpletterd. Alle wreedheid, barbaarsheid, sluwheid, een beroep op verklikkers en militaire technologie werden in dienst gesteld van de repressie. Zo werden bijvoorbeeld, “om de Alexanderplatz in Berlijn terug te veroveren, voor het eerst in de geschiedenis van de revoluties alle wapens gebruikt van het slagveld: namelijk, lichte en zware artillerie, bommen tot en met een gewicht van honderd kilo, luchtverkenning en luchtbombardementen”. [6]. Duizenden arbeiders werden gefusilleerd of tijdens de gevechten gedood; er werd op kommunisten gejaagd en velen werden ter dood veroordeeld.
De arbeiders in Hongarije hebben zich in maart ook tegen het kapitaal verzet in revolutionaire confrontaties. Op 21 maart 1919 werd de Radenrepubliek uitgeroepen, maar in de zomer werd ze verpletterd door de contrarevolutionaire troepen. Voor meer informatie, lees onze artikelen in de International Revue [7].
Ondanks latere heldhaftige pogingen van het proletariaat in Duitsland in 1920 (tegenover de Kapp putsch) en in 1921 (de Maartactie) [8], die getuigen van een aanhoudende sterke strijdbaarheid, zou blijken dat de dynamiek niet langer ging in de richting van een politieke versterking van het Duitse proletariaat als geheel, maar het tegenovergestelde.
De degeneratie van de revolutie in Rusland zelf
De verwoestingen van de oorlogen tegen de aanvallen van de internationale reactie, en meer bepaald de aanzienlijke verliezen die het proletariaat heeft geleden; de politieke verzwakking van het proletariaat met het verlies van de politieke macht door de arbeidersraden en de ontbinding van de Rode Garde; het politieke isolement van de revolutie, dit alles vormde de gunstige basis voor de ontwikkeling van het opportunisme binnen de Bolsjewistische Partij en de Kommunistische Internationale [9]. De repressie van de opstand in Kronstadt in 1921, die plaatsvond als reactie op het machtsverlies door de Sovjets, werd bevolen door de Bolsjewistische Partij. Van de voorhoede van de revolutie ten tijde van de machtsovername werd deze partij de voorhoede van de contrarevolutie ten gevolge van een interne ontaarding, die niet kon worden voorkomen door de fracties die binnen deze partij ontstonden om juist te strijden tegen het groeiende opportunisme [10].
Verdwenen waren de grote massa's die in Rusland, Duitsland, Hongarije, ... de hemel hadden bestormd. Ze waren bebloed, uitgeput, verslagen en waren aan het einde van hun krachten. In de landen die de oorlog hadden gewonnen had het proletariaat zich onvoldoende gemanifesteerd. Dit alles zou de politieke nederlaag van het proletariaat overal ter wereld betekenen.
Het stalinisme wordt de speerpunt van de wereldbourgeoisie tegen de revolutie
Het proces van ontaarding van de Russische revolutie wordt versneld door Stalins machtsgreep in de Bolsjewistische Partij. De goedkeuring in 1925 van de stelling van het “socialisme in één land”, dat de doctrine van de Bolsjewistische Partij en de Kommunistische Internationale werd, vormde een onomkeerbaar breekpunt. Dit echte verraad van het proletarische internationalisme, het basisprincipe van de proletarische strijd en de kommunistische revolutie, werd nu door alle kommunistische partijen van de wereld [11] aangenomen en verdedigd tegen het historische project van de arbeidersklasse. De stelling van het socialisme in één land komt overeen met het Russische integratieproces in het wereldkapitalisme, terwijl het tegelijkertijd de verwerping van ieder proletarisch project betekent.
Vanaf het midden van de jaren 1920 voerde Stalin een politiek van genadeloze liquidatie van alle voormalige metgezellen van Lenin door stelselmatig gebruik te maken van de repressieve organen die de Bolsjewistische Partij had opgericht om zich te verzetten tegen de blanke legers (onder andere de politieke politie, de Tsjeka). [12] De hele kapitalistische wereld had in Stalin de juiste man op de juiste plaats herkend, degene die de laatste overblijfselen van de Oktoberrevolutie zou uitroeien en aan wie alle nodige steun moest worden gegeven om de generatie proletariërs en revolutionairen uit te roeien, die het aangedurfd hadden om midden in de wereldoorlog de strijd op leven en dood tegen de kapitalistische orde aan te gaan. [13]
Revolutionairen worden achtervolgd en onderdrukt door het stalinisme, waar ze zich ook bevinden, met de medeplichtigheid van de grote democratieën, dezelfde mensen die hun witte legers hadden gestuurd om de sovjets uit te hongeren en hun macht omver te werpen.
Voortaan is “de USSR van Stalin het socialisme”, terwijl het echte proletarische project uit het bewustzijn verdwijnt.
Het Rusland van Stalin zal door de stalinistische bourgeoisie en door de wereldbourgeoisie worden gepresenteerd als het bereiken van het uiteindelijke doel van het proletariaat, de vestiging van het socialisme. Daarbij werkten alle wereldfracties van de bourgeoisie, zowel de democratische fracties als de verschillende nationale Kommunistische Partijen, samen.
De overgrote meerderheid van degenen, die nog steeds in de revolutie geloven, zou het doel ervan gelijkstellen aan de vestiging van een regime van het type USSR in andere landen. Hoe meer licht er werd geworpen op de realiteit van de situatie van de arbeidersklasse in de USSR, hoe dieper de verdeeldheid in het wereldproletariaat werd: zij die het "progressieve" karakter van de Sovjet-Unie zouden blijven verdedigen (ondanks alle tekortkomingen), met het idee dat er "geen bourgeoisie" aanwezig was; zij voor wie de situatie in de USSR daarentegen een verschrikking vormt, maar zonder de kracht te hebben om een alternatief project te bedenken. Het proletarische project werd alleen maar gedragen door steeds kleiner wordende minderheden van revolutionairen, die er trouw aan bleven.
Het proletariaat geconfronteerd met de crisis van 1929 en de jaren 1930
De jaren na de crisis van 1929 waren dramatisch voor de levensomstandigheden van het wereldproletariaat, vooral in Europa en de Verenigde Staten. Maar in het algemeen zullen zijn reacties op deze situatie geen antwoord vormen dat kan leiden tot een dynamiek van klassestrijd en het in vraag stellen van de gevestigde orde. Verre van dat. Erger nog, opmerkelijke reacties in Frankrijk en Spanje zullen worden afgeleid naar de impasse van de antifascistische strijd.
In Frankrijk gaf de grote golf van stakingen, na de komst van het Volksfront in 1936, duidelijk de grenzen aan van de arbeidersklasse dat onder het loodzware juk gebukt ging van de contrarevolutie. De golf van stakingen begon met spontane bezettingen van fabrieken, en toonde toch een zekere strijdwil onder de arbeiders. Maar vanaf de eerste dagen zou links deze gigantische massa kunnen gebruiken om de hele Franse bourgeoisie de maatregelen van het staatskapitalisme op te leggen die nodig waren om de economische crisis het hoofd te bieden en zich voor te bereiden op oorlog.
Als het waar is dat er voor het eerst in Frankrijk fabrieksbezettingen waren, was het ook de eerste keer dat we de arbeiders zowel de Internationale als de Marseillaise zagen zingen, lopend achter de plooien van de rode vlag gemengd met die van de Franse “tricolore”. [14] Het inkaderingsapparaat van de Franse Kommunistische Partij en de vakbonden had de situatie onder controle en slaagde erin om de arbeiders, die zich door het geluid van de accordeon lieten sussen, op te sluiten in de fabrieken.
Omdat het Spaanse proletariaat relatief afzijdig bleef van de Eerste Wereldoorlog en de revolutionaire golf [15], bleven zijn fysieke krachten relatief intact om de aanvallen, waarvan het in de jaren 1930 het slachtoffer was, het hoofd te bieden. Deze zouden echter tussen 1931 en 1939 meer dan een miljoen doden veroorzaken, waarvan het belangrijkste deel het gevolg was van de burgeroorlog tussen het republikeinse kamp en dat van generaal Franco, die absoluut niets te maken had met de klassestrijd van het proletariaat, maar juist werd mogelijk gemaakt door de verzwakking ervan. De situatie werd in 1936 versneld met de staatsgreep van generaal Franco.
De arbeiders antwoorden daarop bliksemsnel: op 19 juli, 36 juli, gingen ze in staking en gingen massaal naar de kazernes om deze poging tot staatsgreep te ontwapenen, zonder zich druk te maken om de tegengestelde richtlijnen van het Volksfront en de republikeinse regering. Door de eisenstrijd te verenigen met de politieke strijd, hielden de arbeiders, door deze actie, de moorddadige hand van Franco tegen. Maar niet die van de burgerlijke fractie, georganiseerd in het Volksfront. Amper een jaar later, in mei 1937, stond het proletariaat van Barcelona weer op, maar in een wanhoopspoging, en werd het afgeslacht door de regering van het Volksfront, onder leiding van de Spaanse Kommunistische Partij en haar Catalaanse tak, de PSUC, terwijl de troepen van Franco vrijwillig hun opmars stopten om de stalinistische beulen in staat te stellen de arbeiders te verpletteren.
Deze verschrikkelijke tragedie van de arbeiders, die vandaag de dag nog steeds verkeerd wordt voorgesteld als “een Spaanse sociale revolutie” of “een grote revolutionaire ervaring”, markeert, door de ideologische en fysieke verplettering van de laatste levende krachten van het Europese proletariaat, de triomf van de contrarevolutie. Dit bloedbad was een generale repetitie die de koninklijke weg opende naar de ontketening van de imperialistische oorlog. [16]
De jaren ‘30: de bourgeoisie heeft haar handen weer vrij om haar oplossing voor de crisis op te leggen
De Weimarrepubliek had zich onderscheiden door de invoering van een verregaande rationalisering van de uitbuiting van de arbeidersklasse in Duitsland, vergezeld van maatregelen om de arbeiders vertegenwoordiging te geven in het bedrijf met als enige bedoeling om hen de tuin te leiden.
In Duitsland, tussen de Weimarrepubliek (1923) en het fascisme (1933), bestond er geen enkele oppositie: de eerste had het mogelijk gemaakt de revolutionaire dreiging te verpletteren, het proletariaat te verspreiden, het bewustzijn te vertroebelen; de tweede, het nazisme, aan het einde van deze ontwikkeling, zou dit werk afmaken en met een ijzeren hand de eenheid van de kapitalistische maatschappij bereiken door elke proletarische dreiging te verstikken. [17]
In alle Europese landen waren partijen in ontwikkeling die zich beriepen op Hitler of Mussolini, wier programma bestond uit de versterking en concentratie van de politieke en economische macht in de handen van één enkele partij in de staat. Hun ontwikkeling ging gepaard met een uitgebreid offensief tegen de arbeiders door de staat, gebaseerd op een repressief apparaat dat door het leger wordt versterkt, en, indien nodig, op fascistische troepen. Van Roemenië tot Griekenland zien we de ontwikkeling van fascistische organisaties die, met de medeplichtigheid van de nationale staat, belast waren met het voorkomen van elke reactie van de arbeidersklasse. De kapitalistische dictatuur werd openlijker, meestal in de vorm van het Mussolini of Hitler model.
In de geïndustrialiseerde landen, die het minst door de crisis waren getroffen, was het echter mogelijk om het kader van de democratie in stand te houden. Dit was zelfs een noodzaak om het proletariaat te misleiden. Het fascisme had door het ontstaan van het “antifascisme” het misleidingsvermogen van de “democratische machten” versterkt. Onder het mom van de ideologie van de Volksfronten [18] die het mogelijk maakte de arbeiders gedesoriënteerd te houden achter de programma's van nationale eenheid en de voorbereiding op de imperialistische oorlog, en in medeplichtigheid met de Russische bourgeoisie, organiseerden de meeste kommunistische partijen, die gehoorzaamden aan het nieuwe imperialisme, een grote campagne over de opkomst van het fascistische gevaar. [19]
De bourgeoisie kon alleen oorlog voeren door de arbeiders te misleiden, door hen te doen geloven dat het ook hun oorlog was: “Met het stopzetten van de klassestrijd, of beter gezegd de vernietiging van de klassekracht van het proletariaat, de vernietiging van haar bewustzijn en de afleiding van haar strijd, slaagde de bourgeoisie om met behulp van haar agenten binnen het proletariaat om de klassestrijd van hun revolutionaire inhoud te ontdoen en hen mee te voeren op het spoor van het reformisme en nationalisme, wat de ultieme en beslissende voorwaarde was voor het uitbreken van de imperialistische oorlog.” (Verslag over de internationale situatie van de conferentie van juli 1945 van de Gauche Communiste de France) [20].
De slachtpartijen van de Tweede Wereldoorlog
Het merendeel van de strijders, die aan beide zijden waren opgeroepen, vertrok niet met de bloem op het geweer, nog steeds verlamd door de dood van hun vaders slechts 25 jaar eerder. En wat ze meemaakten was niet iets om vrolijk van te worden: de “Blitzkrieg” veroorzaakte immers 90.000 doden en 120.000 gewonden aan de Franse kant, 27.000 doden aan de Duitse kant. Het debacle in Frankrijk zou tien miljoen mensen onder erbarmelijke omstandigheden op de vlucht drijven. Anderhalf miljoen gevangenen werden naar Duitsland gestuurd. Overal onmenselijke omstandigheden om te overleven: een massale uittocht in Frankrijk, de terreur van de nazistaat die de bevolking onder controle hield in Duitsland.
Zowel in Italië als in Frankrijk vervoegden vanaf dit moment veel arbeiders de weerstand. De stalinistische partij en de Trotskisten gaven hen het frauduleus verdraaide voorbeeld van de Commune van Parijs (moeten de arbeiders niet opstaan tegen hun eigen bourgeoisie geleid door Pétain - de nieuwe Thiers, terwijl de Duitsers Frankrijk bezetten?). Te midden van een geterroriseerde en machteloze bevolking door het uitbreken van de oorlog, werden veel Franse en Europese arbeiders gerekruteerd in de verzetsgroepen en zullen dan ook gedood worden in de overtuiging dat ze streden voor de “socialistische bevrijding” van Frankrijk, Italië...... De stalinistische en trotskistische verzetsbendes richtten hun afschuwelijke propaganda in het bijzonder op het idee dat de arbeiders “in de voorhoede van de strijd voor de onafhankelijkheid van de volkeren” zouden staan.
Terwijl er in de Eerste Wereldoorlog 20 miljoen mensen waren gedood, vielen er in de Tweede Wereldoorlog 50 miljoen doden, waarvan 20 miljoen Russen aan het Europese front. 10 miljoen mensen stierven in de concentratiekampen, waarvan 6 miljoen als gevolg van de nazi-politiek teneinde de joden uit te roeien. Hoewel geen van de macabere misstanden van het nazisme nu onbekend zijn bij het grote publiek, in tegenstelling tot de misdaden van grote democratieën, blijven nazi-misdaden een onweerlegbare illustratie van de onbeperkte barbaarsheid van het kapitalisme in verval, .... en ook van de afschuwelijke hypocrisie van het geallieerde kamp. Tijdens de bevrijding deden de geallieerden namelijk alsof ze de concentratiekampen net hadden ontdekt.
Dit was een pure maskerade om hun eigen barbaarsheid te verbergen door die van de verslagen vijand bloot te leggen. De bourgeoisie, zowel de Engelse als de Amerikaanse, was namelijk perfect op de hoogte van het bestaan van de kampen en wat er zich daar afspeelde. En toch, ogenschijnlijk vreemd, heeft ze er bijna de hele oorlog geen ruchtbaarheid aan gegeven en geen centraal thema in haar propaganda van gemaakt. In feite vreesden de regeringen van Churchill en Roosevelt als de pest dat de nazi's de kampen zouden leegmaken en de Joden massaal zouden uitwijzen. Zo weigerden zij het aanbod om 1 miljoen Joden uit te wisselen. Zelfs in ruil voor niets, wilden ze het niet [21].
In het laatste jaar van de oorlog waren de bombardementen rechtstreeks gericht op arbeidersconcentraties, om de arbeidersklasse zo veel mogelijk te verzwakken door haar uit te roeien en te terroriseren.
De wereldbourgeoisie neemt haar voorzorgen om de mogelijkheid van een proletarische opleving te voorkomen
Het doel is een herhaling te voorkomen van een proletarische uitbarsting zoals in 1917 en 1918 als reactie op de verschrikkingen van de oorlog. Daarom werden de Anglo-Amerikaanse bombardementen - vooral op Duitsland maar ook op Frankrijk - gekenmerkt door sinistere prestaties. De tol van wat ongetwijfeld een van de grootste oorlogsmisdaden was van de tweede wereldwijde slachtpartij, ongeveer 200.000 doden [22], bijna allemaal burgers. Het bombardement van 1945 op Dresden, een ziekenhuisstad, had geen enkel strategisch belang; het gebeurde alleen om de burgerbevolking te decimeren en te terroriseren [23]. Ter vergelijking: bij het bombardement op Hiroshima, een andere gruwelijke misdaad, vielen 75.000 doden en de verschrikkelijke Amerikaanse bombardementen op Tokio, in maart 1945, kostten 85.000 mensen het leven!
In 1943, toen Mussolini omvergeworpen en vervangen werd door maarschalk Badoglio, die sympathiek stond tegenover de geallieerden, die zelf het zuiden van het land al in handen hadden, deden deze niets om naar het noorden op te trekken. Het idee was om de fascisten hun rekening te laten vereffenen met de werkende massa's die in de industriële regio's van Noord-Italië op klasseterrein in opstand waren gekomen. Aangesproken om deze passiviteit te verklaren antwoordde Churchill: “We moeten de Italianen in hun eigen sop laten gaarkoken”.
Vanaf het einde van de oorlog gaven de geallieerden de voorkeur aan de Russische bezetting overal waar zich opstanden van arbeiders hadden voorgedaan. Het Rode Leger was het best geplaatst om de orde in deze landen te herstellen, hetzij door het proletariaat af te slachten, hetzij door het in naam van het “socialisme” af te leiden van zijn klasseterrein.
Een soortgelijke taakverdeling werd opgezet tussen het Rode Leger en het Duitse leger. In Warschau en Boedapest, toen het zich al in de voorsteden bevond, liet het “Rode Leger”, zonder een vinger uit te steken, de opstanden, die erop gericht waren het Duitse leger uit het land te verdrijven verpletterd worden door dit leger. Stalin vertrouwde Hitler dus de taak toe om tienduizenden gewapende arbeiders af te slachten, die zijn plannen hadden kunnen dwarsbomen. [24]
De “democratische” bourgeoisie van de zegevierende landen bood niet enkel aan Stalin de gebieden aan waar een hoog sociaal risico bestond, ze riep ook de “kommunistische partijen” op om in de regering te stappen in de meeste Europese landen (onder andere in Frankrijk en Italië) door ze een vooraanstaande plaats te geven in de verschillende ministeries (Thorez - secretaris van de Franse Kommunistische Partij - werd in 1944 benoemd tot vice-eerste minister).
Onmiddellijk na de oorlog werd een schrikbewind opgelegd aan de Duitse bevolking
In continuïteit met de preventieve moordpartijen die bedoeld waren om elke vorm van proletarische opstand in Duitsland aan het einde van de oorlog te voorkomen, waren de bloedbaden, die na de oorlog plaatsvonden, niet minder barbaars en doortastend.
Duitsland werd door de bezettingsmachten van Rusland, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten omgevormd tot één groot vernietigingskamp. Na de oorlog stierven er veel meer Duitsers dan in veldslagen, bombardementen en interneringskampen. Volgens James Bacque, de auteur van “Crimes and Mercies: The Fate of German Civilians Under Allied Occupation, 1944-1950” [25], meer dan 9 miljoen mensen stierven tussen 1945 en 1950 als gevolg van de politiek van het geallieerde imperialisme.
Pas toen dit dodelijke doel was bereikt en het Amerikaanse imperialisme begon in te zien dat de naoorlogse uitputting van Europa kon leiden tot de overheersing van het Russische imperialisme over het hele continent, werd het beleid van Potsdam veranderd. De wederopbouw van West-Europa vereiste de heropleving van de Duitse economie. De Berlijnse luchtbrug in 1948 was het symbool van deze verandering van strategie [26]. Natuurlijk, net als de bombardementen op Dresden, “... de mooiste terreuraanslag van de hele oorlog [die] het werk was geweest van de zegevierende geallieerden”, deed de democratische bourgeoisie al wat mogelijk was om de realiteit van de werkelijke kosten van barbaarsheid, die door de beide kampen van de wereldoorlog ruim gedeeld werdne, te verdoezelen.
Het proletariaat was niet in staat om zich op te richten in een frontale strijd tegen de oorlog
Ondanks incidentele manifestaties van strijd op verschillende plaatsen, vooral in Italië in 1943, was het proletariaat niet in staat geweest zich op te richten door verzet te plegen tegen de barbaarsheid van de Tweede Wereldoorlog, zoals het tegen de Eerste Wereldoorlog had gedaan.
De Eerste Wereldoorlog had miljoenen arbeiders voor het internationalisme gewonnen, de tweede gooide hen in het diepe van het meest verachtelijke chauvinisme, de jacht op "de moffen" [27] en op de "collabos" [28].
De arbeidersklasse had de bodem bereikt. Wat haar werd gepresenteerd en wat zij interpreteerde als haar grote “overwinning”, de overwinning van de democratie op het fascisme, vormde haar meest complete historische nederlaag. Het maakt het mogelijk om de ideologische pijlers van de kapitalistische orde te bouwen: het gevoel van overwinning en euforie dat de arbeidersklasse overspoelt, het geloof in de “heilige deugden” van de burgerlijke democratie, die haar in twee imperialistische slachtingen leidde en haar revolutie in het begin van de jaren 1920 verpletterde. En tijdens de periode van wederopbouw, en vervolgens de naoorlogse economische “boom”, liet de tijdelijke verbetering van zijn levensomstandigheden in het Westen het niet toe de werkelijke omvang van de geleden nederlaag in te zien. [29]
In de Oost-Europese landen, die niet profiteren van het Amerikaanse gulheid van het Marshallplan, omdat de stalinistische partijen dit op bevel van Moskou weigerden, duurde het langer voordat de situatie enigszins verbeterde. De misleiding die aan de arbeiders werd gepresenteerd was die van de “opbouw van het socialisme”. Deze misleiding heeft enig succes gehad, zoals in Tsjecho-Slowakije, waar de “Praagse staatsgreep” van februari 1948, d.w.z. de machtsovername door de stalinisten, werd uitgevoerd met de sympathie van vele arbeiders.
Toen deze illusie eenmaal versleten was, vonden er opstanden plaats, zoals in 1956 in Hongarije, maar ze werden wreed onderdrukt door Russische troepen. [30] De betrokkenheid van Russische troepen bij de repressie vormde toen een extra bron van nationalisme in Oost-Europese landen. Tegelijkertijd werd het op grote schaal gebruikt door de propaganda van de “democratische” en pro-Amerikaanse sectoren van de bourgeoisie in de West-Europese landen, terwijl de stalinistische partijen van deze landen dezelfde propaganda gebruikten om de opstand van de Hongaarse arbeiders als een chauvinistische, zelfs “fascistische” beweging te presenteren ten dienste van het Amerikaanse imperialisme.
Bovendien was de opsplitsing van de wereld in twee blokken tijdens de « Koude Oorlog », en zelfs toen deze na 1956 plaats maakte voor « vreedzame co-existentie », een belangrijk instrument voor de misleiding van de arbeidersklasse.
In de jaren vijftig bleef dezelfde soort politiek als in de jaren 1930 de arbeidersklasse verdelen en desoriënteren: een deel van de arbeidersklasse wilde niets meer weten van het kommunisme (wat werd geïdentificeerd met de USSR) terwijl een ander deel nog steeds te lijden had onder de ideologische overheersing van de stalinistische partijen en hun vakbonden. Sinds de Koreaanse oorlog werd de Oost-West confrontatie dus gebruikt om de verschillende sectoren van de arbeidersklasse tegen elkaar op te zetten en miljoenen arbeiders, in naam van “de strijd tegen het imperialisme”, achter het Sovjetkamp te mobiliseren
In dezelfde periode bieden koloniale oorlogen een extra kans om arbeiders af te leiden van hun klasseterrein eens te meer in naam van de “strijd tegen het imperialisme” (en niet de strijd tegen het kapitalisme) waarbij de USSR wordt voorgesteld als de kampioen van het “recht en de vrijheid van volkeren”. Dit soort campagnes zouden in de jaren 1950 en 1960 in veel landen worden voortgezet, onder andere tijdens de oorlog in Vietnam, waar de Verenigde Staten vanaf 1961 sterk bij betrokken raakten. [31]
Een ander gevolg van deze zeer lange en diepe teruggang van de arbeidersklasse was de organische breuk met de kommunistische fracties uit het verleden [32], waardoor toekomstige generaties van revolutionairen genoodzaakt werden om zich de verworvenheden van de arbeidersbeweging kritisch eigen te maken.
Mei 68, Einde van de contrarevolutie
De crisis van 1929 en de jaren 1930 had in het beste geval bepaalde reacties van strijdbaarheid uitgelokt van het proletariaat, zoals in Frankrijk en Spanje, maar die werden, zoals we eerder hebben gezien, afgeleid van het klasseterrein naar het antifascisme en de verdediging van de democratie, dankzij de invloed van de stalinisten, trotskisten en vakbonden. Dit droeg alleen maar bij tot een verdere verdieping van de contrarevolutie.
In 1968 stonden we nog maar aan het begin van de terugkeer van de wereldwijde economische crisis. Toch zijn het de gevolgen van deze wereldwijde economische crisis in Frankrijk (stijgende werkloosheid, bevriezing van de lonen, intensivering van de productiecijfers, aanvallen op de sociale zekerheid) die grotendeels de verklaring vormen voor de toename van de strijdbaarheid van de werkers in dit land vanaf 1967. In plaats van door de stalinisten en de vakbonden te worden gekanaliseerd, keerde de hernieuwde strijdbaarheid van de arbeiders zich af van de door de vakbonden geleide “stakingetjes” en actiedagen. Reeds in 1967 gebeurden er zeer harde en vastberaden conflicten tegenover de gewelddadige repressie van de ondernemers en de politie, waarbij de vakbonden verschillende keren de controle verliezen.
Het doel van dit artikel is niet om terug te komen op alle belangrijke aspecten van Mei 68 in Frankrijk. Daarom verwijzen we de lezer naar de artikelen “Mei 68 en het revolutionaire vooruitzicht”, geschreven ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van deze gebeurtenissen [33]. De herinnering aan bepaalde feiten is echter belangrijk om de verandering in de dynamiek van de klassestrijd in Mei 1968 te illustreren.
In mei veranderde de sociale sfeer radicaal: “Op 13 mei vinden in alle steden van het land de belangrijkste demonstraties plaats sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog [in solidariteit met de studenten die slachtoffer zijn van de repressie]. Aan de zijde van de studenten is de arbeidersklasse massaal aanwezig. (…) Aan het eind van de betogingen worden bijna alle universiteiten bezet, niet alleen door de studenten maar ook door veel jonge arbeiders. Overal wordt vrijuit gesproken. De discussies beperken zich niet tot academische kwesties, of tot de repressie. Ze beginnen alle sociale problemen op te rakelen: de arbeidsomstandigheden, de uitbuiting, de toekomst van de maatschappij. (…) Op 14 mei worden de discussies in veel bedrijven voortgezet. Na de reusachtige betoging van de dag ervoor, met het enthousiasme en het gevoel van kracht dat eruit voortvloeit, is het moeilijk om weer aan het werk te gaan alsof er niets is gebeurd. In Nantes ontketenen de arbeiders van Sud-Aviation, meegevoerd door de jongsten onder hen, een spontane staking en besluiten de fabriek te bezetten. De arbeidersklasse is begonnen de fakkel over te nemen...” [34] [36]
Het klassieke inkaderingsapparaat van de bourgeoisie is niet opgewassen tegen de spontaniteit van de arbeidersklasse om de strijd aan te gaan. Zo verspreidde de staking zich, in de drie dagen die volgden op de demonstratie op 13 mei, spontaan naar bedrijven in heel Frankrijk. De beweging overstroomde de vakbonden die enkel konden volgen. Geen specifieke eisen. Een gemeenschappelijk kenmerk: totale staking, onbeperkte bezetting, vastgenomen directie, rode vlag geheven. Tenslotte riep de CGT op tot uitbreiding en probeerde zo “op de rijdende trein te springen” [35]. Maar nog voor de instructies van de CGT bekend waren, waren er al een miljoen arbeiders in staking.
Het groeiende bewustzijn van de arbeidersklasse van haar eigen kracht stimuleerde de discussie in haar schoot en de politieke discussie in het bijzonder. Alle verhoudingen in acht genomen, deed dit denken aan het politieke leven dat de arbeidersklasse doormaakte in de revolutionaire gisting van 1917, zoals blijkt uit de geschriften van Trotski en J. Reed.
De sluier van leugens die decennialang door de contrarevolutie en haar aanhangers, zowel stalinistische als democratische, geweven was begonnen te vervagen. Amateurvideo's in de bezette Sud-Aviation fabriek in Nantes toonden een gepassioneerde discussie onder een groep arbeiders over de rol van stakingscomités in de periode van “dubbelmacht”. De dubbelmacht in 1917 was het product van de strijd om de echte macht tussen de burgerlijke staat en de arbeidersraden. In veel fabrieken, die in staking waren, hadden de arbeiders in 1968 stakingscomités gekozen. We bevonden ons nog lang niet in een pre-revolutionaire situatie, maar wat er gebeurde was een poging van de arbeidersklasse om haar eigen ervaring, haar revolutionaire verleden, terug te winnen. Een andere ervaring toont dit aan:
“Sommige arbeiders vragen aan hen die het idee van de revolutie verdedigen om hun standpunt te komen uitleggen in het bezette bedrijf. Zo wordt in Toulouse de kleine kern, die later de afdeling van de IKS in Frankrijk zal oprichten, uitgenodigd om het idee van de arbeidersraden in de bezette JOB-fabriek (papier en karton) uiteen te zetten. En het meest betekenisvolle is dat deze uitnodiging afkomstig is van militanten... van de CGT en de PCF. Deze moeten een uur lang onderhandelen met permanente afgevaardigden van de CGT van de grote fabriek Sud-Aviation, die het stakingspiket bij JOB kwamen “versterken”, om toestemming te krijgen om “ultra-linksen” de fabriek binnen te laten. Meer dan zes uur lang zullen arbeiders en revolutionairen, zittend op rollen karton discussiëren over de revolutie, de geschiedenis van de arbeidersbeweging, de sovjets en het verraad van… de PCF en de CGT.” [36]
Een dergelijke overdenking zal duizenden arbeiders in staat stellen om de historische rol van de arbeidersraden te herontdekken, evenals de verworvenheden van de klassestrijd van de arbeiders, zoals de revolutionaire pogingen in Duitsland in 1919. Ook was er een groeiende kritiek op de rol van de Franse Kommunistische Partij (die zich toen definieerde als een partij van orde) in relatie tot de gebeurtenissen van 1968 zelf, maar ook sinds de Russische revolutie. Dit was de eerste keer dat het stalinisme en de rol van de kommunistische partijen als hoeders van de gevestigde orde op ruime schaal in twijfel werd getrokken. De kritiek had ook gevolgen voor de vakbonden, en deze zou toenemen toen zij zich openlijk manifesteerden als de verdelers van de arbeidersklasse, teneinde hen weer aan het werk te krijgen. [37]
Er begon een ander tijdperk, gekenmerkt door een “wedergeboorte” in het klassenbewustzijn onder de uitgestrekte arbeidersmassa’s. Deze breuk met de contrarevolutie betekende niet dat deze niet negatief zou blijven wegen op de verdere ontwikkeling van de klassestrijd, noch dat het bewustzijn van de arbeiders vrij was van zeer sterke illusies, met name wat betreft de te overwinnen obstakels op weg naar de revolutie, die veel verder weg was dan de overgrote meerderheid zich destijds voorstelde.
Een dergelijke karakterisering van Mei 68 als illustratie van het einde van de contrarevolutionaire periode, zou worden bevestigd door het feit dat deze gebeurtenissen, verre van een geïsoleerd fenomeen te blijven, integendeel het uitgangspunt vormden voor de hervatting van de klassestrijd op internationale schaal, aangezwengeld door de verdieping van de economische crisis, met als gevolg de ontwikkeling van een proletarisch politiek milieu op internationale schaal [38].
De oprichting, in 1968, van “Révolution Internationale” was hiervan een illustratie, aangezien deze groep een leidende rol zou spelen in het hergroeperingsproces dat leidde tot de oprichting van IKS in 1975, waarvan “Révolution Internationale” nu de afdeling in Frankrijk is. In tegenstelling tot de donkere periode van contrarevolutie had de bourgeoisie nu een klasse voor zich die niet bereid was de offers van de economische wereldoorlog te aanvaarden en die ook een obstakel vormde voor het uitbreken van de wereldoorlog, zoals we later zullen zien.
De internationale heropleving van de klassestrijd vanaf 1968
De IKS heeft zojuist een artikel gewijd aan deze vraag, “De vooruitgang en tegenslagen van de klassestrijd sinds 1968” [39], die wij onze lezers adviseren en waaruit wij vele elementen putten die nodig zijn om de verschillen tussen de contrarevolutionaire periode en de historische periode, die met Mei 68 werd geopend, te benadrukken. In een paar woorden, het fundamentele verschil tussen de periode van contrarevolutie, die begon met een zware nederlaag van de arbeidersklasse, en de periode die geopend werd met Mei 68, ligt in het feit dat het proletariaat sinds deze strijd en ondanks alle moeilijkheden waarmee het geconfronteerd werd, geen beslissende nederlaag heeft geleden.
De verdieping van de open economische crisis, die aan het eind van de jaren 1960 nog in de kinderschoenen stond, zette het proletariaat ertoe aan zijn strijdwil en bewustzijn te ontwikkelen.
Drie strijdgolven volgden elkaar op in de twee decennia na 1968
De eerste, ongetwijfeld de meest spectaculaire, bestond uit de hete Italiaanse herfst in 1969, de gewelddadige opstand in Cordoba, Argentinië in 1969 en in Polen in 1970, en grote bewegingen in Spanje en Groot-Brittannië in 1972. Er was ook een hete herfst in Duitsland in 1969 met veel wilde stakingen. Meer specifiek in Spanje begonnen arbeiders zich te organiseren door middel van massabijeenkomsten, een proces dat in 1976 in Vitoria zijn hoogtepunt bereikte. De internationale dimensie van de golf werd aangetoond door de echo's in Israël (1969) en Egypte (1972) en later door de opstanden in de townships van Zuid-Afrika, die geleid werden door strijdcomités (de Civics).
Na een korte pauze in het midden van de jaren 1970 was er een tweede golf met stakingen door de Iraanse oliearbeiders, de staalarbeiders in Frankrijk in 1978, de “winter van ontevredenheid” in Groot-Brittannië, de havenarbeidersstaking in Rotterdam onder leiding van een onafhankelijk stakingscomité, en de staalstakingen in Brazilië in 1979, die ook de vakbondscontrole aanvochtten; in Azië was er de opstand in Kwangju (Zuid-Korea). Deze golf van strijd bereikte haar hoogtepunt in Polen in 1980, zeker de belangrijkste episode van de klassestrijd sinds 1968, en zelfs sinds de jaren 1920.
Hoewel de zware repressie van Poolse arbeiders deze golf tot stilstand bracht, duurde het niet lang voordat er een nieuwe beweging ontstond met de strijd in België in 1983 en 1986, de algemene staking in Denemarken in 1985, de staking van mijnwerkers in Engeland in 1984-1985, de strijd van spoorweg- en gezondheidswerkers in Frankrijk in 1986 en 1988 en de beweging in het onderwijs in Italië in 1987. Met name de strijd in Frankrijk en Italië - net als de massale staking in Polen - heeft laten zien dat er sprake was van een echt vermogen tot zelforganisatie met algemene vergaderingen en stakingscomités.
Deze beweging in golven van strijd leidde niet tot een vicieuze cirkel, maar stimuleerde een echte vooruitgang in klassebewustzijn, tot uitdrukking gebracht middels de volgende kenmerken:
Maar de ervaring van deze 20 jaar strijd heeft niet alleen “negatieve” lessen voor de arbeidersklasse opgeleverd (over wat niet moet worden gedaan). Het vertaalde zich ook in lessen over wat wel te doen:
Ook de meer verfijnde manoeuvres die de bourgeoisie uitdokterde om de klassestrijd het hoofd te bieden, getuigden van de ontwikkeling van deze laatste in deze periode. Zo counterde ze de groeiende ontgoocheling over de officiële vakbonden en de dreiging van zelforganisatie door de ontwikkeling van vormen van syndicalisme, die de schijn zelfs wekten “buiten de vakbonden” te staan (de coördinaties die door ultralinks in Frankrijk werden opgezet, bijvoorbeeld).
Het proletariaat remt de oorlog af
Aan het einde van deze twintig jaar na 1968 was de bourgeoisie, die de arbeidersklasse geen beslissende historische nederlaag had toegebracht, niet in staat haar te mobiliseren voor een nieuwe wereldoorlog, in tegenstelling tot de situatie in de jaren 1930, zoals we eerder in dit artikel hebben geïllustreerd.
Het was voor haar inderdaad uitgesloten om een wereldoorlog te ontketenen zonder zich vooraf van de volgzaamheid van het proletariaat te hebben verzekerd, een essentiële voorwaarde om het de offers te laten aanvaarden die de staat van oorlog eist. Want zoiets vereist de mobilisatie van alle levende krachten van de natie, zowel in de productie als aan het front. Een dergelijke doelstelling was immers volstrekt onrealistisch, aangezien het proletariaat niet eens bereid was zich gehoorzaam te onderwerpen aan de bezuinigingsmaatregelen die de bourgeoisie moest nemen om de gevolgen van de economische crisis het hoofd te bieden.
Dat is de reden waarom een Derde Wereldoorlog tijdens deze periode niet plaatsvond, een tijd waarin de spanningen tussen de blokken op hun hoogtepunt waren en de allianties tussen hen reeds stevig waren gevestigd door de twee blokken. Bovendien had de bourgeoisie in geen van de historische concentraties van het proletariaat getracht het proletariaat massaal te mobiliseren om als kanonnenvoer deel te nemen aan de verschillende lokale oorlogen, die relevant waren voor de Oost-West-rivaliteit, die in deze periode de wereld eveneens bloederig hadden gemaakt.
Dit gold in het bijzonder voor de arbeidersklasse van het Westen, maar ook voor die van het Oosten, hoewel die laatste politiek zwakker was, vooral in de USSR, gezien de schade die de stoomwals van het stalinisme had aangericht. De stalinistische bourgeoisie, die in een snel verslechterend economisch moeras verstrikt was geraakt, had een strijdende klasse tegenover haar (dit werd geïllustreerd door de stakingen in Polen in 1980) en was duidelijk niet in staat om haar arbeiders te mobiliseren voor een militaire oplossing van haar economisch bankroet.
Dit gezegd zijnde, ook al vormde de arbeidersklasse tot het einde van de jaren 1980 een obstakel voor de wereldoorlog, gezien het feit dat zij in staat was geweest haar verzet tegen de aanvallen van het kapitaal in de twee decennia na 1968 te ontwikkelen zonder een beslissende nederlaag te lijden die de wereldwijde dynamiek van confrontatie tussen de klassen zou hebben omgebogen, toch betekende dit niet dat zij sterk genoeg was om oorlogen over de hele planeet te voorkomen. In feite waren ze in deze periode nooit gestopt. In de meeste gevallen ging het om de uitdrukking van imperialistische rivaliteit tussen Oost en West, niet om een directe confrontatie tussen hen, maar via de tussenliggende landen. En in deze landen, aan de rand van het kapitalisme, had het proletariaat niet de kracht om de gewapende arm van de bourgeoisie te verlammen.
Het proletariaat tegenover de ontbinding van het kapitalisme
Ondanks de vooruitgang in de klassestrijd, met name door de belangrijke ontwikkeling van het klassebewustzijn en het onvermogen van de bourgeoisie om het proletariaat in een nieuw wereldconflict mee te slepen, was de arbeidersklasse toch niet in staat om haar perspectief van revolutie te ontwikkelen, om haar eigen alternatief te bieden voor de crisis van het systeem.
Geen van beide fundamentele klassen was dus in staat om haar oplossing van de crisis van het kapitalisme op te leggen. Het kapitalisme, dat geen enkele uitweg meer had, maar nog steeds midden in een langdurige economische crisis zat, begon te rotten, en deze rotting had gevolgen voor de kapitalistische maatschappij op alle niveaus. Het kapitalisme kwam daarmee in een nieuwe fase van zijn verval, namelijk die van zijn sociale decompositie. Zoals we al vaak hebben beklemtoond, is deze fase synoniem met toegenomen moeilijkheden voor de strijd van het proletariaat [40].
Terugkijkend op de afgelopen drie decennia kunnen we zeggen dat de teruggang in het bewustzijn zich heeft verdiept, waardoor een soort geheugenverlies is ontstaan met betrekking tot de verworvenheden en de vooruitgang van de periode 1968-1989 en dat kan in principe door twee factoren worden verklaard:
Ondanks deze enorme moeilijkheden van de arbeidersklasse sinds 1990 moeten twee elementen in aanmerking worden genomen om de huidige periode te begrijpen:
In de afgelopen decennia zijn er inderdaad een aantal belangrijke bewegingen geweest die deze analyse bevestigen:
De bedreigingen die het voortbestaan van het kapitalisme vormt voor de mensheid, bewijzen dat revolutie meer dan ooit een noodzaak is voor de mensheid: de uitbreiding van militaire chaos, de ecologische catastrofe, hongersnood en ziekte op een ongekende schaal; het verval van het kapitalisme en de ontbinding versterken zeker de dreiging dat de objectieve basis van een nieuwe maatschappij definitief kan worden vernietigd als de ontbinding een bepaald punt overschrijdt. Maar zelfs in zijn laatste fase brengt het kapitalisme nog steeds de krachten voort die gebruikt kunnen worden om het omver te werpen - in de woorden van het Kommunistisch Manifest uit 1848: “Zij produceert voor alles haar eigen doodgraver”.
Met de intrede van het kapitalisme in zijn ontbindingsfase, ook al ging dit gepaard met grotere moeilijkheden voor het proletariaat, is er geen enkele aanwijzing dat het een nederlaag heeft geleden met onomkeerbare gevolgen en dat het dus alle nodige offers zou brengen, zowel op het gebied van de arbeidsvoorwaarden als op het gebied van de rekrutering in de imperialistische oorlog.
We weten niet wanneer en op welke schaal de volgende manifestaties van zulke mogelijkheden van het proletariaat zullen plaatsvinden. Wat we wel weten is dat de vastberaden en passende interventie van de revolutionaire minderheid nu al bepalend is voor de toekomstige versterking van de klassestrijd van morgen.
Silvio (juli 2018)
Voetnoten
[1] Victor Serge is vooral bekend vanwege zijn beroemde verhaal over de geschiedenis van de Russische revolutie, Jaar I van de Russische Revolutie.
[2] “Een nieuw tijdperk is aangebroken: het tijdperk van het uiteenvallen van het kapitalisme, van zijn interne ineenstorting. Het tijdperk van de kommunistische revolutie van het proletariaat”. Uitnodigingsbrief voor het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale. Lees over dit onderwerp ons artikel in de serie “Het kommunisme is geen mooi ideaal, maar een materiële noodzaak”, “Het Platform van de Kommunistische Internationale”. Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 94.
[3] De Vierde Internationale, door (na de dood van Trotski) het imperialistische Rusland te steunen, verraadde op haar beurt het proletarische internationalisme. Zie ons artikel “Trotskisme en de Tweede Wereldoorlog” in onze brochure “Trotskisme tegen de arbeidersklasse”.
[4] Dit zou ertoe leiden dat de regering in Rusland de overeenkomsten van Brest-Litovsk moest ondertekenen om het ergste te vermijden.
[5] Lees ons artikel De wereldbourgeoisie tegen de Oktoberrevolutie (Deel I), Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 160.
[6] Paul Frölich, Rudolf Lindau, Albert Schreiner, Jakob Walcher, “Revolution und Konterrevolution in Deutschland 1918-1920”, éditions Science Marxiste, 2013.
[7] “Duitse Revolutie (III): De voortijdige opstand” in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 83 en “Duitsland 1918-19: burgeroorlog” in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 136.
[8] Lees ons artikel "De Maartactie 1921, het gevaar van de ongeduldige kleinburgerij” in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr.. 93.
[9] “Pogingen om de steun van de massa's te winnen in een fase van afnemende activiteit van deze massa's leidden tot opportunistische “oplossingen” - de groeiende nadruk op werk in het parlement en de vakbonden, oproepen tot verzet van de “Oostelijke Volkeren” tegen het imperialisme en, bovenal, de politiek van het verenigd frontale met de socialistische en sociaaldemocratische partijen die alle zuurverdiende duidelijkheid overboord gooiden over het kapitalistische karakter van degenen die sociale patriotten waren geworden”. “De kommunistische linkerzijde en de continuïteit van het marxisme”. In “Wat is de IKS?”op onze website.
[10] Lees in serie “Het kommunisme is geen mooi ideaal, maar een materiële noodzaak”, ons artikel “1922-1923: de kommunistische fracties tegen de opkomst van de contrarevolutie, in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 101
[11] Deze zouden ook linkerfracties kennen. Zie het artikel “De kommunistische linkerzijde en de continuïteit van het marxisme” op onze website.
[12] Lees ons artikel “How Stalin wiped out the militants of the October 1917 revolution”, in World Revolution nr. 312.
[13] Zo kreeg Stalin bijvoorbeeld vanaf 1925 de volledige steun van de wereldbourgeoisie voor zijn strijd tegen de linkse oppositie die, binnen de bolsjewistische partij, een internationalistisch standpunt probeerde te handhaven tegen de stelling van “het opbouwen van het socialisme in één land”. Lees ons artikel “Quand les démocraties soutenait Staline pour écraser le prolétariat” op onze website.
[14] Zoals onze kameraad Marc Chirik zelf zei: “Deze jaren van verschrikkelijk isolement doorbrengen, het Franse proletariaat met de driekleurige vlag, de vlag van het régime van Versailles en het zingen van de Marseillaise, dit alles in naam van het kommunisme, was voor alle generaties die revolutionair waren gebleven, een bron van verschrikkelijk verdriet”. En precies ten tijde van de Spaanse oorlog bereikte dit gevoel van isolement een van de hoogtepunten toen veel organisaties, die erin geslaagd waren de klassenstandpunten te behouden, meegesleurd werden door de “antifascistische” golf. Zie ons artikel “Marc: Van de revolutie van Oktober 1917 tot de Tweede Wereldoorlog”. Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 65
[15] Er zij echter op gewezen dat een grote minderheid binnen de CNT zich bij de oprichting van de Kommunistische Internationale had uitgesproken voor toetreding tot de Kommunistische Internationale.
[16] Zie over dit onderwerp “De les van de gebeurtenissen in Spanje” in nummer 36 van de Revue Bilan (november 1936). Heruitgegeven in onze brochure “Fascisme & Democratie: twee uitdrukkingen van het dictatorschap van het kapitaal”.
[17] Zie over dit onderwerp “De verplettering van het Duitse proletariaat en de opkomst van het fascisme” in nummer 16 van de Revue Bilan (maart 1935), heruitgegeven in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 71.
[18] Voor meer informatie, lees: "1936: Volksfronten in Frankrijk en Spanje: hoe de bourgeoisie de arbeidersklasse mobiliseerde voor oorlog", International Review No. 126.
[19] Zie over dit onderwerp "De herdenkingen van 1944: 50 jaar imperialistische leugens (deel I)". Gepubliceerd in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 78.
[20] Opnieuw gepubliceerd in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 59.
[21] Lees hierover: “Laten we niet vergeten: de slachtpartijen en misdaden van de “grote democratieën”. Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 66.
[22] Dit is het cijfer volgens Amerikaanse schattingen, die na de oorlog zijn gemaakt.
[23] Ter informatie: de meest dodelijke bombardementen op burgerbevolking, die eerder in Duitsland plaatsvonden, zijn die van Hamburg (50.000 doden en 40.000 gewonden in juli 1943, voornamelijk in woon- en arbeiderswijken), Kassel (10.000 doden in oktober 1943), Darmstadt, Königsberg, Heilbronn (meer dan 24.000 doden begin 1944), Braunschweig (23.000 verkoolde of gestikte mensen), Berlijn (25.000 doden).
[24] Lees het artikel “Quand les démocraties soutenaient Staline pour écraser le prolétariat” (in Révolution Internationale N°185)
[25] Dit boek is in het Engels beschikbaar onder de titel “"Crimes and Mercies: The Fate of German Civilians Under Allied Occupation, 1944-1950”. Volgens de auteur: “Meer dan 9 miljoen Duitsers stierven als gevolg van een opgelegde hongersnood van de geallieerden en de politiek van uitwijzing na de Tweede Wereldoorlog - een kwart van het land werd geannexeerd en ongeveer 15 miljoen mensen werden verdreven in de grootste etnische zuivering die de wereld ooit heeft gezien. Meer dan twee miljoen van hen, waaronder talloze kinderen, stierven onderweg of in concentratiekampen in Polen en elders. Westerse regeringen blijven ontkennen dat deze sterfgevallen hebben plaatsgevonden.”
[26] Zie ons artikel “Berlijn 1948: De luchtbrug naar Berlijn verbergt de misdaden van het geallieerde imperialisme” in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 95.
[27] “Boche” (mof) is een vernederende term voor een Duitse soldaat of een persoon van Duitse afkomst. Het gebruik ervan, door de Franse Kommunistische Partij in het bijzonder, was bedoeld om chauvinistische haat tegen Duitsers op te wekken.
[28] Verwijst naar hen die, tijdens de Tweede Wereldoorlog “verraad” hebben gepleegd door samen te werken met de Duitse vijand.
[29] Lees in dit verband ons artikel “Aan het begin van de 21ste eeuw..... waarom het proletariaat het kapitalisme nog niet ten val heeft gebracht (I)”. Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 103.
[30] Voor meer informatie, lees ons artikel “Klassestrijd in Oost-Europa (1920-1970): de noodzaak van internationalisering van de strijd”, Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 27. (Nederlandstalige Internationale Revue nr. 11)
[31] Lees in dit verband ons artikel “Aan het begin van de 21ste eeuw..... waarom het proletariaat het kapitalisme nog niet ten val heeft gebracht (II)”. Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 104.
[32] zij die voortkwamen uit de voormalige arbeiderspartijen die ontaardden met de nederlaag van de wereldrevolutiegolf in 1917-1923.
[33] Er zijn twee opeenvolgende artikelen: “De studentenbeweging in de wereld in de jaren zestig” en “Het einde van de contrarevolutie, een historische opleving van het wereldproletariaat”, respectievelijk gepubliceerd in Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 133 en 134.
[34] “Mei 68 en het revolutionaire perspectief (II): Einde van de contrarevolutie, historisch herstel van het wereldproletariaat”. Zie onze website.
[35] Dit zal hen in staat stellen om aanwezig te zijn op het moment van de onderhandelingen en om de rol van de belangrijkste scheidsrechter van de beweging te spelen door, in elk van onderhandelingen, de arbeiders terug aan het werk te krijgen, sector per sector, door middel van geïsoleerde onderhandelingen.
[36] Idem.
[37] De nadruk die hier wordt gelegd op het in vraag stellen van de inkadering door de Franse Kommunistische Partij en de vakbonden mag echter niet suggereren dat zij inactief zijn gebleven. In veel bezette bedrijven doen de vakbonden hun uiterste best om arbeiders te isoleren van elk contact van buitenaf dat een “schadelijke” invloed op hen zou kunnen hebben (van wat zij “links” noemden). Daar hielden ze de arbeiders de hele dag bezig met tafeltennis.
[38] Dit vraagstuk rechtvaardigt het dat een artikel alleen hieraan wordt gewijd. Dit zullen we later doen in een artikel gewijd aan de evolutie van het proletarische politieke milieu sinds 1968.
[39] Zie Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr. 161.
[41] CPE = eerste arbeidsovereenkomst, een maatregel die de arbeidsonzekerheid voor jonge werknemers vergroot. Voor een analyse van deze beweging, zie “Stellingen over de studentenbeweging van lente 2006 in Frankrijk”, Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr 125.
[42] Zie “De verontwaardigden in Spanje, Griekenland en Israël: van verontwaardiging tot de voorbereiding van de klassestrijd”, Internationale Revue, Frans-, Engels- en Spaanstalige uitgave nr.147.
Links
[1] https://juralibertaire.over-blog.com/article-18020964.html
[2] https://en.internationalism.org/node/3417
[3] https://en.internationalism.org/ir/066/marc-02
[4] https://libcom.org/article/enrages-and-situationists-occupations-movement
[5] https://nl.internationalism.org/tag/historische-gebeurtenissen/mei-1968
[6] https://nl.internationalism.org/tag/9/146/1968-mei-frankrijk
[7] https://en.internationalism.org/wr/315/may68-meetings
[8] https://nl.internationalism.org/content/1428/50-jaar-na-mei-68-1-wegzakken-de-economische-crisis
[9] https://fr.internationalism.org/rinte53/mai1968.htm
[10] https://en.internationalism.org/content/3026/polemic-confusion-communist-groups-over-present-period
[11] https://en.internationalism.org/international-review/201609/14092/1950s-and-60s-damen-bordiga-and-passion-communism
[12] https://en.internationalism.org/international-review/201601/13787/report-class-struggle
[13] https://nl.internationalism.org/content/1414/22e-congres-van-de-iks-resolutie-over-de-internationale-situatie
[14] https://fr.internationalism.org/revolution-internationale/201804/9690/greve-perlee-des-cheminots-manoeuvre-des-syndicats-nous-divise
[15] https://en.internationalism.org/international-review/201111/4593/indignados-spain-greece-and-israel
[16] https://nl.internationalism.org/files/nl/2019_n-pamflet_klimaat_sept2019_web.pdf
[17] https://nl.internationalism.org/tag/people/greta-thunberg
[18] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/klimaatbetoging
[19] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/klimaatstaking
[20] https://nl.internationalism.org/content/1442/het-kapitalisme-bedreigt-de-planeet-en-de-mensheid-alleen-de-wereldwijde-strijd-van-het
[21] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/klimaat
[22] https://nl.internationalism.org/iks/201501/1228/9-de-frontvormingspolitiek-een-strategie-om-het-proletariaat-te-laten-ontsporen
[23] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/gele-hesjes
[24] https://nl.internationalism.org/tag/historische-gebeurtenissen/duitse-revolutie-1918-1919
[25] https://nl.internationalism.org/tag/historische-gebeurtenissen/novemberrevolutie-1918
[26] https://nl.internationalism.org/tag/18/294/duitsland-1919
[27] https://nl.internationalism.org/tag/9/145/1919-de-revolutie-duitsland
[28] https://nl.internationalism.org/tag/8/132/tweede-internationale
[29] https://nl.internationalism.org/content/top-van-kopenhagen-om-de-planeet-te-redden-moet-het-kapitalisme-vernietigd-worden
[30] https://nl.internationalism.org/content/marxisme-en-ecologie-het-kapitalisme-vergiftigt-de-aarde
[31] https://nl.internationalism.org/tag/11/153/lezersbrieven
[32] https://nl.internationalism.org/tag/3/50/partij-en-fractie
[33] https://en.internationalism.org/icconline/201712/14574/kurdish-nationalism-another-pawn-imperialist-conflicts
[34] https://nl.internationalism.org/tag/4/87/midden-oosten
[35] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/oorlog-syrie
[36] https://fr.internationalism.org/content/9761/a-propos-nos-reunions-publiques-cinquantenaire-mai-68#_ftn34