De wereldeconomie lijkt aan de rand van de afgrond te staan. De dreiging van een grote depressie, veel erger dan die van 1929, dringt steeds meer op, haast benauwend. Banken, ondernemingen, gemeentes, gewesten, en zelfs staten worden vandaag naar het faillissement, naar het bankroet gedreven. De media hebben het trouwens over niets anders dan wat ze ‘de schuldencrisis’ noemen.
De eerste grafiek toont de evolutie van de wereldwijde schuld van 1960 tot vandaag aan toe. De schuld is er uitgedrukt in percentage van het wereld BBP (bruto binnenlands product). Volgens deze grafiek was de schuld in 1960 gelijk aan het BBP (100%). In 2008 was ze 2,5 keer zo groot (250%). Anders gezegd, vandaag zou het terugbetalen van de schulden, die sinds 1960 op wereldvlak aangegaan werden, het geheel van de rijkdom opslorpen die in anderhalf jaar door de wereldeconomie geproduceerd wordt!
Deze evolutie is spectaculair in de landen die ‘ontwikkeld’ genoemd worden, zoals de volgende grafiek aantoont, die de overheidsschuld weergeeft van de Verenigde Staten. De laatste jaren is de opeenstapeling van overheidsschulden daar zo groot geworden dat de curve van hun evolutie, zoals te zien is in de grafiek, een verticale vorm aanneemt! Dat is wat de economen de ‘muur van de schuld’ noemen. En tegen die muur botst het kapitalisme vandaag met volle kracht. (1)
Het was niet moeilijk te voorspellen dat de wereldeconomie tenslotte tegen die muur zou opbotsen, dat sprak voor zich. Maar waarom hebben dan alle regeringen van de planeet, of ze nu links of rechts, uiterst-links of uiterst-rechts zijn, zogezegd ‘liberaal’ of ‘staatsgezind’, steeds het krediet aangemoedigd, de tekorten laten oplopen, actief gehandeld ten gunste van een toename van de schulden van de staat, van de ondernemingen en de huishoudens, en dat ruim een halve eeuw lang? Het antwoord is eenvoudig: ze hadden geen keuze. Hadden ze niet zo gehandeld, dan zou de afschrikwekkende recessie, waar we nu aan beginnen, al in de jaren 1960 uitgebroken zijn. In feite leeft – of liever overleeft – het kapitalisme al decennia lang op krediet. Om de oorsprong van dit verschijnsel te begrijpen, moeten we, zoals Marx het noemde, ‘het grote geheim van de moderne maatschappij: de voortbrenging van meerwaarde’ begrijpen. Hier is dus een kleine omweg langs de theorie noodzakelijk.
Het kapitalisme is sinds zijn ontstaan belast met een soort van aangeboren ziekte: het produceert in overvloed een vergif dat niet zijn organisme niet de baas kan, de overproductie. Het vervaardigt meer waren dan zijn markt kan opslorpen. Waarom? Laten we een voorbeeld nemen om dat uit te leggen: een arbeider werkt aan een lopende band of achter een computer en krijgt aan het eind van de maand 800 euro uitbetaald. In feite produceert hij niet het equivalent van de 800 euro, dat hij ontvangt, maar een waarde van wel 1600 euro. Hij heeft waarde voortgebracht die hij niet betaald krijgt of anders gezegd, een meerwaarde. Wat doet de kapitalist met de 800 euro die hij van de arbeider gestolen heeft (op voorwaarde dat hij die waren verkocht krijgt)? Hij gebruikt een deel ervan voor zijn persoonlijke consumptie, laten we zeggen: 150 euro. De overblijvende 650 euro herinvesteert hij in het kapitaal van zijn bedrijf, meestal in de vorm van de aankoop van modernere machines, enzovoort. Maar waarom gaat de kapitalist zo te werk? Omdat hij er economisch toe gedreven wordt. Het kapitalisme is een systeem van concurrentie, de producten moeten goedkoper verkocht worden dan die van de buurman, die dezelfde producten fabriceert. Bijgevolg moet de patroon niet alleen zijn productiekosten – lees: lonen – verlagen, maar bovendien een groeiend deel van de onbetaalde arbeid van de arbeiders opnieuw en, op de eerste plaats, investeren in meer modernere machines om de productiviteit op te voeren. Indien hij dit niet doet, kan hij niet moderniseren en zal zijn concurrent, vroeger of later, wel goedkoper kunnen verkopen en de markt kunnen inpalmen. Het kapitalistisch systeem is behept met een tegenstrijdig fenomeen: door de arbeiders niet volledig te vergoeden voor wat ze effectief als arbeid geleverd hebben en door de bazen te noodzaken af te zien een groot deel van de winst, dat ze zo afgeperst hebben, zelf te verbruiken, produceert het systeem meer waarde dan het kan verhandelen. De arbeiders en kapitalisten kunnen samen nooit alle geproduceerde waren verbruiken. Het kapitalisme moet daarom het overschot aan waren buiten zijn eigen productiesfeer verkopen, op markten die nog niet veroverd werden door de kapitalistische productieverhou-dingen, en die we de extra-kapitalistische markten noemen. Als het daar niet in slaagt, wordt het geconfronteerd met een overproductiecrisis.
Dit zijn in grote lijnen samengevat de conclusies waarde werken van Karl Marx in Het Kapitaal en van Rosa Luxemburg in De accumulatie van het kapitaal toe geleid hebben. Om het nog beknopter te zeggen, vatten we de theorie van de overproductie in enkele punten samen:
- Het kapitaal buit zijn arbeiders uit (of anders gezegd: hun lonen zijn minder belangrijk dan de werkelijke waarde die ze met hun arbeid scheppen).
- Het kapitaal kan zo zijn waren met winst verkopen, voor een prijs die behalve het loon van de arbeiders en de meerwaarde, ook de afbetaling van de productiemiddelen mogelijk maakt. Maar de vraag is: aan wie?- Natuurlijk kopen de arbeiders die waren... voor zover hun loon daartoe strekken. Er blijft dus een goed deel over dat nog verkocht moet worden. De waarde daarvan is gelijk aan het gedeelte van het werk van de arbeiders dat zij niet betaald krijgen. Enkel dat gedeelte bezit de magische kracht winst op te brengen voor het kapitaal.
- De kapitalisten verbruiken zelf ook... en zijn er meestal niet te slecht aan toe. Maar ze kunnen op hun eentje niet alle waren kopen die draagsters zijn van de meerwaarde. Dat zou zinloos zijn. Het kapitaal kan, als het winst wil maken, niet de eigen waren van zichzelf kopen; het zou zijn alsof het geld haalt uit de linkerzak om het vervolgens in de rechterzak te steken. Niemand wordt daar rijker van, zullen de armen je vertellen.- Om te accumuleren, om zich te ontwikkelen, moet het kapitaal dus kopers vinden buiten sfeer van de arbeiders en de kapitalisten. Anders gezegd, het moet absoluut afzetmarkten vinden buiten zijn systeem, zo niet blijft het zitten met onverkoopbare waren die de markt verstikken: het zit dan met een ‘overproduc-tiecrisis’!
Deze ‘innerlijke tegenstelling’ (die natuurlijke tendens tot overproductie en de verplichting onophoudelijk afzetmarkten buiten zichzelf te vinden) is een van de wortels van de ongelooflijke dynamiek van dit systeem in de eerste periode van zijn bestaan. Vanaf zijn ontstaan, in de loop van de 16e eeuw, heeft het kapitalisme handel moeten drijven met de economische sferen die het omringden: de oude heersende klassen, de boeren en de handwerkslui in de gehele wereld. In de 18e en 19e eeuw hielden de voornaamste kapitalistische mogendheden een echte wedren om de wereld te veroveren; ze deelden de planeet geleidelijk aan op in koloniën en vormden echte wereldrijken. Van tijd tot tijd aasden ze op hetzelfde territorium. De minst machtige moest dan buigen en op zoek gaan naar een ander stuk van de planeet, waar hij de bevolking kon dwingen zijn waren te kopen. Zo werden de oudere economieën omgevormd en beetje bij beetje geïntegreerd in het kapitalisme. Niet alleen waren de economieën van de koloniën steeds minder in staat een afzetgebied te vormen voor de waren uit Europa en de Verenigde Staten, ze dragen op hun beurt zelf hun steentje bij tot de overproductie.Deze dynamiek van het Kapitaal in de 18e en 19e eeuw, die afwisseling van overproductiecrises met lange periodes van voorspoed en uitbreiding, en ook die onverbiddelijke opmars van het kapitalisme in de richting van zijn periode van neergang, werd meesterlijk beschreven door Marx en Engels:
- “In de crisissen breekt een maatschappelijke epidemie uit, die in alle vroegere periodes iets onzinnigs zou hebben geleken - de epidemie van de overproductie. De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in een toestand van ogenblikkelijke barbaarsheid; een hongersnood, een algemene verdelgingsoorlog schijnen haar van alle levensmiddelen te hebben afgesneden: de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel levensmiddelen, te veel industrie, te veel handel bezit.” (2)- Omdat het kapitalisme in deze periode echter in volle groei was, kon het nieuwe territoria veroveren, en maakte elke crisis vervolgens plaats voor een nieuwe periode van voorspoed. “De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van haar producten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknopen. (…) De goedkope prijzen van haar waren zijn de zware artillerie, waarmee zij alle Chinese muren tegen de grond schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren tot overgave dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, wanneer zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zich in te voeren, d.w.z. bourgeois te worden. In één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.” (3)
- Maar reeds op dat moment zagen Marx en Engels in deze periodieke crises iets méér dan zomaar een eeuwige voortgaande cyclus, die telkens uitmondt in meer voorspoed. Ze zagen er de uitdrukking in van de diepe tegenstellingen, die het kapitalisme ondermijnen. Door “de verovering van nieuwe markten” bereidt de bourgeoisie “ alzijdiger en geweldiger crisissen voor (...) en vermindert zij de middelen om de crisissen te voorkomen.” (4) Of anders gezegd: “naarmate de hoeveelheid producten, dus de behoefte aan uitgestrekte afzetgebieden groeit, krimpt de wereldmarkt steeds meer in, blijven er steeds minder nieuwe markten ter uitbuiting over, omdat elke vorige crisis een tot nu toe nog niet veroverde of door de handel slechts oppervlakkig uitgebuite markt aan de wereldhandel heeft onderworpenen en zo de afzetmarkten beperkt.” (5)Maar onze planeet is slechts een kleine ronde bol
In het begin van de 20e eeuw waren alle territoria veroverd, de grote historische naties van het kapitalisme hadden de wereld onder elkaar verdeeld. Van toen af aan was de inzet niet langer om nieuwe gebieden te ontdekken, maar om de gebieden, die beheerst werden door concurrerende naties, af te pikken met behulp van de gewapende macht. Het ging niet meer om een wedren in Afrika, Azië of Amerika, maar om het voeren van een genadeloze oorlog om hun invloedssferen te verdedigen en om die van hun imperialistische concurrenten met kanonnenvuur te bemachtigen. Het gaat hierbij werkelijk om het overleven van de kapitalistische naties. Het is dan ook geen toeval dat Duitsland, dat zeer weinig kolonies bezat en van de goede wil van het Britse Rijk afhankelijk was om op diens territoria te handel te drijven (een afhankelijkheid die onhoudbaar is voor een nationale bourgeoisie), in 1914 de Eerste Wereldoorlog ontketende. Duitsland toonde zich het meest agressief vanwege de noodzaak, die in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog expliciet door Hitler onder woorden werd gebracht: ‘exporteren of sterven’. Op dat moment werd het kapitalisme, na vier eeuwen expansie, een systeem in verval. De verschrikkingen van twee wereldoorlogen en de Grote Depressie van de jaren 1930 zijn er de dramatische en de onweerlegbare bewijzen van. Nochtans, nadat het in de jaren 1950 de laatste extra-kapitalistische markten, die nog overgebleven waren, uitgeput had, is het kapitalisme toch niet in een dodelijke overproductie-crisis ten onder gegaan. Na honderd jaar trage doodstrijd staat het systeem nog steeds overeind, wankelend, ziekelijk, maar overeind. Hoe slaagt het erin te overleven? Waarom is zijn organisme nog niet compleet verlamd door het vergif van de overproductie? Dat komt omdat het zijn toevlucht zocht tot de schulden. De wereldeconomie is erin geslaagd een daverende ineenstorting te vermijden door steeds massaler zijn toevlucht te zoeken in schulden. Zo heeft het een kunstmatige markt gecreëerd. De laatste 40 jaar kunnen we samenvatten als een reeks van recessies afgewisseld met heroplevingen, die gefinancierd werden door krediet. En dan gaat het niet enkel om het ondersteunen van het ‘verbruik van de huishoudens’ door de staat. Nee, de staten hebben zichzelf even zwaar in de schulden gestoken om het concurrentievermogen van hun economie ten opzichte van andere naties kunstmatig in stand te houden (door rechtstreekse investeringen in infrastructuur te financieren, door geld aan de banken te lenen tegen de laagst mogelijke rentevoet, zodat zij op hun beurt aan de ondernemingen en de huishoudens zouden kunnen lenen,...). De sluizen van het krediet stonden wijd open, het geld stroomde vrijuit, en langzaam maar zeker bevonden alle sectoren van de economie zich in de klassieke toestand: ze zaten tot over de oren in de schulden. Vanaf dat moment moesten er elke dag meer leningen aangegaan worden om... de schulden van gisteren af te betalen. Die dynamiek moest onvermijdelijk vastlopen. Het wereldkapitalisme zit vandaag volop in de impasse, neus aan neus met de ‘muur van de schuld’.
De ‘schuldencrisis’ is voor het kapitalisme wat een overdosis morfine is voor een stervende
Om een beeld te gebruiken: schuld is voor het kapitalisme wat morfine is voor een terminale zieke. Door zijn toevlucht te zoeken tot deze medicijn, overwint de lijdende zijn crises een bepaalde tijd, hij kalmeert en rust. Maar geleidelijk aan neemt de afhankelijkheid van die dagelijkse dosis toe. De medicijn, die eerst een redding betekende, wordt op haar beurt een schadelijke factor ... en vormt uiteindelijk de overdosis! De wereldschuld is een symptoom van de historische neergang van het kapitalisme. De wereldeconomie overleeft, sinds de jaren 1960, onder de toediening van krediet, maar vandaag zitten de schulden overal in het organisme, ze verzadigen elk orgaan, tot in de kleinste cel van het systeem. Voor steeds meer banken, ondernemingen, gemeenten, staten is het en zal het onmogelijk worden om te betalen, om de wissels terug te betalen die hen verleend werden.
De zomer van 2007 heeft een nieuw hoofdstuk ingeluid in de geschiedenis van het verval van het kapitalisme, dat begon in 1914 met de Eerste Wereldoorlog. Het vermogen van de bourgeoisie om de ontwikkeling van de crisis te vertragen, middels een steeds massalere toevlucht tot krediet, neemt een eind. Voortaan zullen de schokken zich steeds sneller opvolgen zonder dat er kans is op een rustpauze of echte opleving. De bourgeoisie zal niet meer in staat zijn een werkelijke en duurzame oplossing te vinden voor deze crisis, niet omdat ze plots incompetent zou zijn geworden, maar omdat het een probleem is waarvoor geen oplossing bestaat. De crisis van het kapitalisme kan niet opgelost worden door het kapitalisme. Want, zoals we hebben proberen aantonen, is het kapitalisme het probleem zelf, het kapitalistisch systeem als geheel. En dat systeem is vandaag bankroet n
Pawel / 26.11.2011
1. Het gaat om de totale schuld in de wereld, dat wil zeggen: de schuld van de huishoudens, van de bedrijven en van de staten van alle landen.
2. Het Kommunistisch Manifest.
3. Idem.
4. Idem. 5. Loonarbeid en kapitaal
De groeiende ellende, de brutale zweepslagen van de economische crisis, de behoefte aan vrijheid tegenover een regime van terreur, de verontwaardiging over de corruptie, beroeren nog steeds bijna overal de revolterende bevolkingen, vooral in Egypte (1).
Na de grote mobiliseringen van de maanden januari en februari van vorig jaar, zijn de permanente en dagelijkse bezettingen op het Tahrirplein in Caïro zich, sinds 18 november, om gaan vormen tot nieuwe massale demonstraties. Deze keer zijn het grotendeels het leger en haar leiders die tot hun doelwit geworden zijn. Deze gebeurtenissen tonen aan dat als de woede voortduurt er, in tegenstelling tot wat de bourgeoisie en haar media beweren, begin 2011geen “revolutie” is geweest, maar een massale protestbeweging. Geconfronteerd met deze beweging is de bourgeoisie er in geslaagd om een loutere vervanging van de heersers van het land op te dringen: het leger handelt net zoals Moebarak en voor de meerderheid van de bevolking er is niets veranderd aan de uitbuitingsomstandigheden en de repressie.
Alle grote steden in Egypte zijn opnieuw ‘besmet’ door de woede als gevolg van de verloedering van de levensomstandigheden en de alomtegenwoordigheid van het leger in het handhaven van de orde. De sfeer van confrontatie is evenzeer aanwezig in Alexandrië en in Port-Saïd in het noorden, als in Caïro. Belangrijke botsingen hebben plaatsgevonden in het centrum, in Suez en Qena, maar ook in het zuiden in Assout, in Assouan, en zelfs naar het westen toe in Marsa Martroub. De repressie was brutaal: officieel werden er 42 doden en ongeveer 2000 gewonden geteld! Het leger aarzelt niet om geweld te plegen tegen de menigten met haar anti-reltroepen. Het schieten verveelvoudigt zich net als de lancering van bijzonder schadelijk traangas. Sommige slachtoffers sterven na inademing aan verstikking. Een deel van het vuile werk wordt “uitbesteed”: aangeworven gespecialiseerde schutters gebruiken vanuit hinderlagen straffeloos echte kogels. Jonge manifestanten worden op straat neergemaaid door de moordende schoten van dit soort huurlingen. Om de grenzen te verleggen van de beperkingen, die aan het schieten met rubberkogels worden opgelegd, aarzelt de politie niet om systematisch op de gezichten te schieten. Een aangrijpende video doet de ronde en lokt de woede uit van de manifestanten, die duidelijk de bedoelingen kunnen horen van een smeris, ‘geobsedeerd door de ogen’, die zijn collega feliciteert: “In het oog! Het oog is geraakt! Bravo, mijn vriend!” (L’Express). Er zijn talloze betogers die rondlopen met één oog! Daar moet men nog de in het wilde weg plaatsvindende aanhoudingen en de martelingen aan toevoegen. Dikwijls worden de militairen vergezeld van militieleden, “de baltaguis”, die heimelijke ingezet worden om chaos te scheppen. Gewapend met ijzeren staven of met knuppels, nemen zij de taak op zich om manifestanten klem te zetten door ze te isoleren. Het zijn zij die vorige winter bijvoorbeeld de tenten van de opposanten omver hadden getrokken en in brand hadden gestoken en assistentie hadden verleend bij talrijke aanhoudingen (Le Monde).
In tegenstelling tot wat de media ons laten geloven, worden de vrouwen, die vandaag talrijker zijn in de menigte van ontevredenen, dikwijls door de “ordestrijdkrachten” seksueel aangerand en worden ze bijvoorbeeld veelvuldig verplicht om zich te onderwerpen aan een verschrikkelijke vernedering, zoals “controle op maagdelijkheid”. Meestal worden zij ontzien en des te meer gerespecteerd door de manifestanten, alhoewel er agressie gepleegd is op enkele journalisten (zoals die op Caroline Sinz, een journaliste van France 3, waar enkele jonge “burgers” bij betrokken zouden zijn geweest). Zo kunnen we lezen: “De massale samenkomsten op het Tahrirplein mogen ons niet doen vergeten dat er op het plein een nieuwe verhouding groeit tussen mannen en vrouwen. Het eenvoudige feit dat de twee seksen in open lucht in elkaars nabijheid kunnen slapen, vormt een echte nieuw verschijnsel. En vrouwen hebben ook van de vrijheid gebruik gemaakt die op het plein ontstaan is. Zij vormen een partij die deelneemt aan de strijd…” (Le Point).
Men verspreidt ook stiekem het gerucht dat de bezetters van Tahrir “nietsnutten” zijn omdat zij “spotten met de verkiezingen” en dreigen “de democratische overgang in gevaar te brengen”. Het zijn diezelfde media die, nadat zij Moebarak en zijn kliek zolang hadden gesteund, nog maar enkele maanden geleden het militaire regime als “bevrijder” hebben ondersteund en begroet, door te profiteren van de illusies die er bij de bevolking leefden over het leger! Een leger dat nu op zijn beurt wordt uitgejouwd.
Zelfs al heeft het leger op dit ogenblik sterk aan vertrouwen ingeboet, dan zijn het toch vooral de CSFA (Opperste Raad van de Strijdkrachten) en haar chef Hussein Tantaoui die het mikpunt zijn. Deze laatste, die tien jaar lang minister van landsverdediging was onder Moebarak, wordt gezien als een kloon van de dictator, en lokt een unanieme wens uit van de menigte die als volgt wordt samengevat: “Vertrek!”. Maar het leger, het klassieke steunpunt van Moebarak, is een stevig bolwerk en houdt nog steeds het geheel van de hefbomen van de staat in handen. Het heeft onophoudelijk gemanoeuvreerd om, met steun van de grootmachten en in het bijzonder van de Verenigde Staten, zijn positie te behouden, want Egypte vormt de belangrijkste pion voor de controle over het Midden-Oosten. Het is een wezenlijke factor van stabiliteit in de imperialistische strategie van de regio, voornamelijk in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Door te zwaaien met “het leger terug naar de kazernes”, slaagt de bourgeoisie er momenteel in om de aandacht van het essentiële af leiden. Niet zonder redenen, waarschuwde de krant Al Akhbar : “Het gevaarlijkste dat kan gebeuren is de verslechtering van de verhouding tussen het volk en het leger”. Het leger speelt, sinds de machtsovername van Nasser in1954, inderdaad niet alleen een grote politieke rol: het vormt sindsdien een wezenlijke en constante steunpilaar van de macht. Het speelt ook economisch een eersterangs rol, door het directe beheer van een aantal bedrijven. In feite heeft de bourgeoisie sinds de nederlaag van de “zesdaagse oorlog” tegen Israël en vooral sinds de akkoorden van Camp David in 1979, toen tienduizenden militairen werden gedemobiliseerd, het leger aangemoedigd en gunsten verleend zodat een deel ervan zou worden omgevormd tot ondernemers. Ze was bevreesd dat het gedemobiliseerde deel van het leger een zware bijkomende last zou worden op de arbeidsmarkt, waar reeds een aanslepende werkloosheid heerste. “Het is begonnen met de productie van materiaal voor eigen gebruik; wapens, toebehoren en kledij en daarna heeft het zich, in de loop van de tijd een plaats verworven in verschillende burgerlijke industrieën en heeft het geïnvesteerd in de exploitaties van landbouw, die vrij zijn van belastingen en heffingen.” (Libération van 28.11.2011). Het investeert in 30% van de productie en doortrekt zo een heel raderwerk van de Egyptische bourgeoisie. Zo “kan het CFSA beschouwd worden als de administratieve raad van een industriële groep, bestaande uit maatschappijen, die in het bezit zijn van het [militair] instituut en beheerd door generaals in ruste. Deze laatsten zijn ook oververtegenwoordigd in hoge regeringskringen; 21 van de 29 gouverneursposten van het land worden geleid door oud-officieren van het leger en van de veiligheid” volgens Ibrahim al-Sahari, vertegenwoordiger van het socialistisch studiecentrum van Caïro, die er aan toevoegt: “... men kan de angst van het leger voelen tegenover de onveiligheid en de sociale onlusten, die zich de laatste maanden hebben ontwikkeld. Er heerst een vrees dat de besmetting van de stakingen zal overslaan naar hun bedrijven, waar de werknemers beroofd zijn van sociale- en vakbondsrechten en waar elk protest beschouwd wordt als een verraderlijke misdaad” (geciteerd door Libération van 28.11.2011). De ijzeren vuist waarmee het regeert over het land, toont zijn ware repressieve gezicht.
Een moedige vastbeslotenheid die het proletariaat in de centrale landen aanmaant verder te gaan
Het vervolg van de repressie en het protest van de “familiecomités van de gewonden” hebben de kristallisering en de woede tegen het leger aangescherpt. Het ging niet enkel om het vertrek te eisen van het leger uit de macht, meer democratie en verkiezingen, maar ook om de verslechtering van de economische toestand en de donkerste ellende, die de betogers vandaag de straat opdrijven. Met de massale werkloosheid wordt het voeden van de familie eenvoudigweg steeds moeilijker. En het is deze sociale dimensie, die door de media verborgen wordt. Men kan alleen maar de moed en de vastbeslotenheid begroeten van de betogers, die met hun blote handen staan tegenover het geweld van de staat. Alleen de opgebroken voetpaden dienen als munitie, plaveisel en afval worden gebruikt als projectielen om zich te verdedigen tegen tot de tanden gewapende smerissen. De betogers getuigen van een grote wil om zich te organiseren in een collectieve en spontane geestdrift ten behoeve van de strijd. Tegenover de repressie zien ze zich genoodzaakt om zich te organiseren en heel vindingrijk een echte logistiek te ontwikkelen. Zo worden er bijna overal noodhospitalen geïmproviseerd op de grote markt, waarbij menselijke kettingen ziekenwagens laten passeren. Scooters worden gebruikt om gewonden over te brengen naar de eerste hulp of naar de hulpcentra. Maar de toestand is niet meer dezelfde als op het moment van de val van Moebarak, waarbij het proletariaat een doorslaggevende rol speelde, en waar de snelle uitbreiding van massale stakingen en de verwerping van de vakbondsinkadering er ruimschoots toe bijdroegen dat de militaire bevelhebbers, onder druk van de Verenigde Staten, de oud-president Moebarak verjoegen van de macht. De toestand voor de arbeidersklasse is heel anders. Zo is een van de eerste maatregelen die het leger, sinds de maand april heeft genomen, de verscherping van de wetgeving “tegen de stakingsbewegingen in elke groep of sector, die de productie kunnen verstoren en die de nationale economie schaadt” en vakbonden er toe gedreven hebben om ze strikter in te kadreren. Deze wet voorziet een jaar gevangenisstraf en een boete van 80.000 dollar (in en land waar het minimumloon 50 Euro’s bedraagt) voor stakers en voor diegenen die aanzetten tot staken.
Zo is de toevlucht tot de staking de laatste dagen erg plaatselijk geïsoleerd gebleven en heeft ze zich beperkt tot zuiver economische bewegingen tegenover de sluitingen van bedrijven en onbetaalde lonen. De mobilisering van de arbeiders is niet meer in staat geweest om, als een zelfstandige kracht in de beweging, een belangrijke rol te spelen.
Ook al verwerpt het vervolg van de beweging de macht van het leger, toch is ze ernstig verzwakt en gevoelig voor veel illusies. Op de eerste plaats omdat ze oproept tot de vorming van een “burgerlijke democratische” regering. De Moslimbroeders of de Salafisten (de twee partijen die op kop lagen bij de verkiezingen), die weten dat zij bijdragen aan een “burgerlijke regering” die een façade zal zijn zonder werkelijke macht (in de mate dat het leger de werkelijke macht zal behouden), hebben zelfs al afstand genomen van de protestbeweging. Ze hebben niet opgeroepen tot bijeenkomsten of betogingen, om reeds over hun politieke toekomst te kunnen overleggen met de militairen. De illusie die de “vrije verkiezingen” wekt, de eerste sinds 60 jaar, schijnt in staat te zijn om de woede tijdelijk te ondergraven. Ook al zijn de democratische illusies echt, dan zijn ze toch niet zo sterk als de bourgeoisie ons zou willen doen geloven: in Tunesië waar men gebluft heeft met een opkomst van 86%, zijn slechts 50% potentiële kiezers op de kieslijsten ingeschreven. Hetzelfde geldt voor Marokko, waar de deelname 45% bedroeg en in Egypte, waar de cijfers vager bleven (62% van de ingeschrevenen, maar 17 van de 40 miljoen kiezers).
Vandaag roepen de ultralinkse fracties uit alle landen : “Tahrir toont ons de weg !”, alsof het er om zou gaan dit model van strijd op alle punten te gaan kopiëren in Europa en Amerika. Er wordt voor de arbeiders een valstrik gespannen. Want van deze strijd moet niet alles worden overgenomen. De moed, de vastberadenheid, de leuzen die van nu af aan beroemd zijn “Wij hebben geen schrik meer!”, de wil om massaal bijeen te komen op de pleinen om te leven en samen te strijden... betekenen inderdaad een bron van onschatbare inspiratie en hoop. Maar we moeten ons, en met name, bewust zijn van de grenzen van de beweging: de democratische, nationalistische en religieuze illusies, de relatieve zwakte van de arbeiders... Deze hindernissen zijn verbonden met een gebrek aan revolutionaire en historische ervaring van de arbeidersklasse van deze regio van de wereld. De sociale bewegingen van Egypte en Tunesië hebben aan de internationale strijd van de uitgebuiten het maximum gebracht waartoe zij tot op heden in staat waren. Zij bereiken hun objectieve grenzen. Vandaag is het aan de meest ervaren arbeidersklasse, die leeft in het historische hart van het kapitalisme, in het bijzonder in Europa, om het wapen van de strijd tegen dit onmenselijke systeem verder te voeren. De mobilisering van de “Indignados” in Spanje behoort tot deze internationale dynamiek. Ze is begonnen met het openen van nieuwe perspectieven met haar algemene vergaderingen die open en autonoom zijn, met debatten waarop soms duidelijk internationalistische tussenkomsten waren, die de maskerade van de burgerlijke democratie aanklaagden. Alleen een dergelijke ontwikkeling van de strijd tegen de ellende en de draconische bezuinigingsplannen in de centrale landen van het kapitalisme kan nieuwe perspectieven openen voor de uitgebuitenen, niet alleen in Egypte maar ook in de rest van de wereld. Het is de onontbeerlijke voorwaarde om een perspectief te bieden aan de mensheid.
WH / 1.12.2011
(1) Het is duidelijke ook het geval in Syrië waar het regime meer dan 4000 personen heeft gedood (waarvan meer dan 300 kinderen) door de manifestaties, die vanaf maart 2011 plaatsvonden, in bloed te smoren ). Maar we komen op de situatie in dat land terug in een ander artikel dat later verschijnt.
Het eerste deel van dit artikel, gewijd aan de studie van de relatie tussen mens en natuur, toonde aan dat “Om te overleven [werd] de mensheid er altijd al toe gedreven de natuur te veranderen. Maar het kapitaal stelt vandaag een nieuw probleem: dit systeem produceert niet om de behoeften van de mensheid te bevredigen, maar voor de winst.”
Dit tweede deel behandelt de rol, die steenkool, aardolie en vervolgens kernenergie gespeeld hebben in het kapitalistisch tijdperk en vraagt zich af welke rol de energie in de toekomstige maatschappij zal spelen.
De industriële revolutie was ook een energie-revolutie, die de maatschappij in staat stelde over de grenzen te gaan, die opgelegd werden door de 'organische economie', die zich beperkte tot de seizoensgebonden groei van natuurlijke energiebronnen om aan de meeste van haar behoeften te voldoen. In de organische economie, die heerste sinds de neolithische revolutie tot aan de invoering van steenkoolgebruik op grote schaal, waren de kracht van mens en dier, en die van hout, de voornaamste bronnen van energie. Tussen 1561-1570 vertegenwoordigden ze in Engeland en Wales respectievelijk 22,8 %, 32,4 % en 33% van de verbruikte energie. Wind en hydraulische energie maakten samen 1% uit en steenkool stond in voor 10,6 %; De overvloed aan hout in Europa gaf het een voordeel op andere maatschappijen waar het zeldzaam was, maar de ontwikkeling van de productie putte die middelen uit en liet de groei vastlopen. Zo werd in 1717 in Wales een hoogoven 4 jaar nadat hij gebouwd werd niet opgestart omdat er al gebrek was aan hout en steenkool. Men heeft berekend dat in de periode voor de 18e eeuw een standaardhoogoven, die gedurende twee jaar ononderbroken werkte, een houtkap vereiste van 2000 hectaren bos.
In Zuid-Wales, bekend om zijn steenkoolmijnen, hebben de eerste stadia van de industriële revolutie niet alleen geleid tot de ontwikkeling van staalfabrieken, maar ook tot de ontbossing van de valleien die voordien dicht begroeid waren. De toenemende vraag naar hout bracht prijsverhogingen en hongersnood teweeg.
De grenzen, die de organische economie aan de productie oplegden, kunnen enkel goed ingeschat worden als we de hoeveelheid boomstammen berekenen die nodig zouden zijn om eenzelfde hoeveelheid energieverbruik, gebaseerd op steenkool, te voort te brengen. Hout is als energiebron niet zo efficiënt als steenkool want, om evenveel energie te produceren als één ton steenkool, zijn er twee ton hout nodig. Een acre (0,4 hectare) bos kan in een periode van een jaar ongeveer het equivalent aan energie voortbrengen van één ton steenkool. In 1750 werden in Engeland en Wales 4.515.000 ton steenkool bovengehaald. Om evenveel energie te produceren zou 13.045.000 ton hout nodig geweest zijn, dat wil zeggen 35% van het bosareaal (11,2 miljoen acres). Een halve eeuw later bereikte de steenkoolproductie 65.050.000 ton, wat neerkomt op niet minder dan 150% van het arseaal aan bos (48,1 miljoen acres).
De steenkoolreserves waartoe Groot-Brittannië, met de bestaande technologie toegang had, vormde een van de sleutels tot de Britse overheersing over de wereld.
Voordat men op grote schaal steenkool ging gebruiken, werd het energieverbruik in grote mate bepaald door de hoeveelheid zonne-energie, die de plantengroei regelde en dus de hoeveelheid voedsel en hout. Deze natuurcyclus leek een onoverkomelijke grens te stellen. Wijdverbreide armoede en ellende leken eeuwig, onveranderlijk, een lot van het leven. De grootschalige ontginning van steenkool en aardolie heeft die barrière doorbroken.
De voortgang van de industriële revolutie wordt vaak gemeten in tonnen steenkool, in tonnen geproduceerd staal en in kilometers aangelegde spoorwegen. Maar hij kan ook gemeten worden in de toename van het energieverbruik. In 1560 maakte de steenkool amper 10,6 % van de energie uit, die in Engeland en Wales verbruikt werd. In 1850 was dat 92%. Gedurende deze periode werd het energieverbruik vermenigvuldigd met 28!
De olie-industrie heeft zich gedurende de 20e eeuw geleidelijk aan ontwikkeld. In 1929 was de petroleumhandel gestegen tot 1,170 miljoen dollar, waarbij de Verenigde Staten, Venezuela en de Nederlandse Antillen de belangrijkste exporteurs waren. Maar er waren ook raffinaderijen gebouwd in Bahrein en Saoedi-Arabië door de Verenigde Staten, en in Irak en Libanon door Britse en Europese ondernemingen.
Echter na de Tweede Wereldoorlog werd aardolie pas de belangrijkste energiebron, goed voor 46,1 % van de wereldenergieproductie in 1973, hoewel ze in 2008 gedaald was tot 33,2 %. Het toenemend gebruik van energie is een kenmerk van de industrialisatie over de hele wereld. Het drukt niet alleen de groei uit van het niveau van de productie en de gevolgen van de bevolkingsgroei, maar ook de ontwikkeling van de productiviteit. Tussen 1973 en 2008 steeg het totale energieverbruik met 80%.
De revolutie in de vorm en de hoeveelheid energie, die beschikbaar is voor de mensheid, heeft een extra boost gegeven aan de industriële revolutie en opende de deur naar de mogelijke overgang van het rijk van de behoeften naar dat van de overvloed. Maar deze revolutie werd gedreven door de ontwikkeling van het kapitalisme, wiens doel het niet is om de menselijke behoeften te bevredigen, maar het kapitaal te doen groeien op basis van de toe-eigening van de meerwaarde, die door de uitgebuite arbeidersklasse geproduceerd wordt.
In het gebruik van energie, in de vernietiging van de eindige middelen, kent het kapitalisme kent geen ander criterium dan de kosten van de productie die ze vertegenwoordigen. De toename van de productiviteit zet aan tot meer vraag naar energie, terwijl de kapitalisten (behalve degenen die betrokken zijn bij de olie-industrie) moeten proberen de kosten van deze energie te verminderen. Aan de ene kant leidt dit tot een steeds alomvattender gebruik van deze energie voor de meest irrationele doeleinden, zoals het vervoer van dezelfde goederen in alle richtingen over de hele wereld, en de eindeloze toename van goederen, die aan geen enkele menselijke behoefte beantwoorden, maar slechts middelen vormen om meerwaarde te onttrekken en te realiseren. Aan de andere kant leidt dit ertoe dat miljoenen mensen geen toegang hebben tot dit hulpmiddel en tot deze producten omdat ze onvoldoende financieel belang vertegenwoordigen voor de kapitalisten. Dat wordt bijvoorbeeld geïllustreerd in Nigeria, waar Shell miljarden dollar olie oppompt, terwijl de plaatselijke bevolking er geen toegang toe heeft of haar leven riskeert door illegaal olie af te tappen uit de pijpleidingen.
De periode na de WO II werd gedomineerd door de rivaliteit tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, en de wapenwedloop. De ontwikkeling van kernenergie is echter niet alleen onlosmakelijk verbonden met die van nucleaire wapens.
Begin jaren 1950 was de Amerikaanse regering bezorgd over de reactie van het publiek wat betreft het gevaar van het kernarsenaal, dat ze opgebouwd had en de strategie van de 'first strike' waarvoor ze gekozen had. Om de publieke opinie voor zich te winnen beantwoordde ze de bezorgdheid met de lancering van een campagne, die bekend werd onder de naam ‘Operatie Candor’. Ze lanceerde berichten in de media (inclusief stripverhalen), een reeks toespraken van president Eisenhower, en uiteindelijk de bekendmaking, in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, van het programma 'Atomen voor Vrede' “om wereldwijd onderzoek aan te moedigen naar het meest efficiënte gebruik van splijtstoffen in vredestijd”.
Het plan omvatte een gedeelde informatie en hulpmiddelen, zowel met de medewerking van de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie, om samen een voorraad van splijtstofmateriaal aan te leggen. In de daaropvolgende jaren van de wapenwedloop werden kernwapens ter beschikking gesteld aan andere mogendheden, zoals naar Israël en India, vaak onder het voorwendsel van de ontwikkeling van een civiel nucleair programma,. Het delen van de kennis met betrekking tot nucleaire energie maakte toen deel uit van de imperialistische strijd op wereldvlak; zo steunde Groot-Brittannië eind jaren 1950 in het geheim Israël met zwaar water voor de reactor, die gebouwd werd met Franse hulp.
Ondanks de praatjes over “deze goedkopere vorm van energie” heeft de nucleaire industrie haar belofte nooit waargemaakt en had ze staatssteun nodig om haar werkelijke kosten te dekken. Terwijl privé-ondernemingen de fabrieken bouwen en beheren, worden ze gewoonlijk openlijk of heimelijk gesubsidieerd. Toen Thatcher in de jaren 1980 in Groot-Brittannië bijvoorbeeld de aanval inzette, mislukte de privatisering van de kernindustrie omdat het privékapitaal moest erkennen dat er niet te berekenen risico's en kosten aan verbonden waren. Pas in 1996, privé-investeerders British Energy kopen tegen een prijs van 2 miljard pond. Zes jaar later moest het bedrijf gered worden met een staatslening van 10 miljard pond.
Als de verdedigers van kernenergie vandaag beweren dat ze goedkoper is dan andere energiebronnen, dan blijft dat een discutabele stelling. In 2005 stelde de World Nuclear Association vast dat “buiten de geopolitieke en ecologische voordelen, die kernenergie meebrengt, in de meeste industrielanden nieuwe kerncentrales vandaag de meest economische manier zijn om elektriciteit op te wekken” en beweerde ze dat de bouw, de financiering, de uitvoering en de kosten van het afval allemaal gedaald zijn. Tussen 1973 en 2008 is het aandeel energie, dat uit kernreactoren gewonnen wordt, slechts toegenomen van 0,9 % toen naar een totaal van 5,8 % nu.
Een rapport, aangevraagd door de Duitse bondsregering en gepubliceerd in 2009, levert een veel kritischer evaluatie op van de kerneconomie en stelt het idee van een nieuwe opleving van de kernenergie in vraag. Het rapport toont aan dat het aantal reactoren, in tegenstelling tot de grotere uitbreidingsprojecten, zowel betreffende de reactoren als inzake tot de geproduceerde energie, de laatste jaren sterk gedaald is,. De toename van de opgewerkte energie, die tijdens deze periode tot stand kwam, is het resultaat van de rendabiliteit van de bestaande reactoren en het verlenging van hun operationeel leven. Het rapport gaat verder door te argumenteren dat er onzekerheid bestaat over de reactoren die meestal beschreven worden als 'in opbouw', terwijl sommige ervan al 20 jaar 'in opbouw' zijn. Het aantal reactoren 'in opbouw' is gezakt van een piek van 200 in 1980 naar minder dan 50 in 2006. Wat betreft de economische aspecten van kernenergie beschrijft het rapport de hoge mate van onzekerheid op alle gebieden, waaronder de financiering, de bouw en het onderhoud.
Het laat zien dat de staat een centrale plaats blijft innemen in alle nucleaire projecten, wie er ook aan meewerkt of wie ze ook beheert. Eén van die aspecten heeft te maken met de diverse vormen van subsidie die door de staat verleend worden om de kosten van het geïnvesteerde kapitaal te steunen op het gebied van onderhoud, in de ontmanteling van fabrieken, maar ook in de ondersteuning van de prijzen. Een ander aspect is de noodzaak voor de staat de verantwoordelijkheid van de industrie te beperken, zodat de privé-sector de risico's kan aanvaarden.
De gevaren van kernenergie staan even heftig ter discussie als de kosten ervan. Dat was in het bijzonder het geval met de kernramp van Tsjernobyl, waar de schatting over het aantal slachtoffers sterk varieert. Een rapport van de WHO schat dat van de 134 arbeiders, die tijdens de spoedinterventie in 2004 bestraald werden, er 47 gestorven zijn aan de gevolgen van de besmetting en gaat ervan uit dat er nauwelijks minder dan 9000 zullen sterven aan de gevolgen van kanker, veroorzaakt door de ramp. Een rapport van Russische wetenschapslui, gepubliceerd in de Annalen van de Academie van Wetenschappen in New York, meent dat er, vanaf het moment van het ongeluk tot 2006, als gevolg van kanker en een hele reeks andere ziekten, uitgegaan moet worden op 985.000 doden.
Voor wie de wetenschappelijke en medische kennis van de specialisten niet bezit is het moeilijk zich daarvan een idee te vormen. Maar wat minder twijfel laat, is de massale omvang van de geheimhouding en de vervalsing van feiten, zoals ook vandaag weer het geval is met het ongeluk van Fukushima. Om even terug te komen op Tsjernobyl: de Russische regering heeft het ongeluk verschillende dagen lang niet gerapporteerd, ze liet de plaatselijke bevolking gewoon voortleven en werken te midden de straling. Maar dat gebeurt niet enkel in Rusland. De Franse regering heeft de stralingsniveaus, die het land bereikten, gebagatelliseerd, en maakte de bevolking wijs dat de radioactieve wolk, die heel Europa aandeed, niet over Frankrijk dreef. Tegelijkertijd probeerde de Britse regering het land gerust te stellen door te melden dat er geen enkel gevaar bestond voor de volksgezondheid, waarbij ze een stralingsniveaus vermeldde die 40 keer lager waren dan de werkelijke hoeveelheid, alhoewel ze later toch tientallen boerderijen in quarantaine plaatste.
Kernenergie wordt door verschillende regeringen naar voor geschoven als een 'groene' oplossing voor de problemen in verband met fossiele brandstoffen. Voor het grootste deel is dat een rookgordijn dat de ware beweegredenen verbergt die gepaard gaan met de mogelijke uitputting van de olievoorraden, de toenemende kosten en de risico's verbonden aan de afhankelijke ontginning van de energiebronnen buiten de controle van de staat. Die 'groene' façade brokkelt al snel af wanneer de economische crisis er de staten toe noodzaakt haar toevlucht te nemen tot steenkool (1) en tot de verlaging van de kosten voor de exploitatie van nieuwe oliebronnen. De meesten hiervan zijn heel moeilijk toegankelijk of vereisen productieprocessen, die nog meer het milieu verontreinigen zoals met roet.
De stalinistische regimes, die zich van de naam van het kommunisme meester gemaakt en die naam besmeurd hebben, hebben alle dezelfde houding van het kapitalisme aangenomen met betrekking tot het gebruik van kernenergie en gehandeld met een compleet misprijzen voor de gezondheid van de bevolking en het milieu. Het is de Sovjet-Unie van gisteren en het China van vandaag, die op grote schaal de verwarring gevoed hebben dat het kommunisme aanstuurt op een geforceerde industrialisering, die geen rekening houdt met de natuur.
In tegenstelling tot die foutieve ideeën was Marx zich zeer bezorgd om de natuur, zowel in theoretische zin van de relatie tussen mens en natuur, als op praktisch vlak toen hij schreef over het gevaar van uitputting van de grond door de kapitalistische landbouw en de impact van de industrialisering op de gezondheid van de arbeidersklasse: “Bovendien is elke vooruitgang van de kapitalistische landbouw niet alleen een vooruitgang in de kunst van het uitbuiten van de arbeiders, maar ook in de kunst van de roof van de bodem; elke vooruitgang in de kunst van het vergroten van de vruchtbaarheid gedurende een bepaalde periode, is tevens een vooruitgang in het vernietigen van de blijvende bronnen van vruchtbaarheid. Naarmate een land, de Verenigde Staten van Noord-Amerika bijvoorbeeld, zich meer ontwikkelt op basis van de grootindustrie, des te sneller dit van vernietigingproces zich voltrekt. De kapitalistische productie ontwikkelt de techniek en de combinatie van de maatschappelijke productieprocessen enkel doordat ze tegelijkertijd de beide bronnen va alle rijkdom ondergraaft: de bodem en de arbeider.” (2)
We kunnen de 'energiepolitiek' van het kommunisme niet voorspellen, maar vertrekkend van het fundamentele feit dat de productie zal gericht zal zijn op de menselijke behoeften en niet op de winst, kunnen we voorzien dat het model van energiegebruik op aanzienlijke wijze zal veranderen en kunnen we al van bepaalde algemene aspecten uitgaan:
- we mogen verwachten dat er een enorme vermindering van de productie van nutteloze zaken en van transport zal plaatsvinden;
- tegelijk zal er een vermindering plaatsvinden van onnodige transporten naar werkplaatsen, terwijl de gemeenschappen menselijkere proporties zullen aannemen, en de scheiding tussen stad en platteland overstegen zal worden;
- de creativiteit en de intelligentie zullen gericht worden op de menselijke behoeften, en dus kunnen we verwachten dat grote ontwikkelingen zullen plaatsvinden op het vlak van de energiebronnen, en met name diegenen die geschikt zijn voor hergebruik en die ook, op lange termijn, het vooruitzicht in zich bergen om productiemiddelen, transportmiddelen en van andere uitrustingen en machines efficiënter te doen voortbrengen.
Omdat de kommunistische samenleving bekommerd is om het vooruitzicht op lange termijn, reduceert ze het gebruik van niet-hernieuwbare energiebronnen tot het minimum, zodat deze beschikbaar blijven voor komende generaties. We moeten opmerken dat zelfs het uranium, dat voor kernenergie gebruikt wordt een energiebron is die niet geschikt is voor hergebruik, en dus niet de afhankelijkheid doorbreekt van eindige hulpbronnen. Dit brengt met zich mee dat energie, die hergebruikt kan worden, van fundamenteel belang is voor de kommunistische maatschappij. En omdat de creativiteit en intelligentie van de mensheid zich zullen bevrijden van hun huidige ketenen, zal dat geen terugkeer betekenen naar de tekorten van de oude organische economieën.
We moeten aan de toekomst niet de beslissingen voorschrijven, die over deze kwestie genomen zullen worden. Maar uit wat we hierboven zeiden volgt dat er, in het licht van een ontwakende wetenschappelijke intelligentie, een aanzienlijke vermindering van het gebruik van energie en veranderingen in de vormen van energie mogelijk zijn. Door de potentiële gevaren van kernenergie en het feit dat uitputting en besmetting van de grond door olie een risico inhoudt voor nog honderdduizenden jaren, mogen we aannemen dat kernenergie geen plaats heeft in een maatschappij, die gericht is op het gemeenschappelijk welzijn, op de komende generaties en op een planeet waarvan we afhankelijk zijn.
North / 19.06.2011
(1) Van de totale hoeveelheid energiebronnen is het gebruik van steenkool toegenomen van 24,5% in 1973 tot 27% en 2008. Bron : ‘Internationaal Energie Agentschap,’ ‘Key world energy statistics 2010’, pagina 6.
(2) Marx, Het Kapitaal Deel I, Hoofdstuk XV, “Machines en grootindustrie”, Sectie 10, “De grootindustrie en de landbouw”.
De wil om het kapitalisme te veranderen heeft zich de laatste maanden, in het bijzonder onder de jeugd, via de beweging van de “Indignados” en de “Occupy”, in een groot tempo in de wereld verbreid. Tegenover het geweld van de economische crisis en de genadeloze verslechtering van de levensomstandigheden, brengt deze protestbeweging over de hele wereld in haar discussies haar vrees tot uiting over de toekomst. Maar wat te doen? Hoe te strijden? Tegen wie? De financiers? Rechts? De leiders? Is er een andere wereld mogelijk? Een van de antwoorden die naar voren geschoven worden is de noodzaak om het kapitalisme te hervormen, om het te “democratiseren”. De media, de intellectuelen, links en zelfs de altermondialistische organisaties oriënteren de beweging naar een strijd voor “meer democratie”.
De “Arabische lente” in Tunesië, Egypte, Syrië en Libië heeft duidelijk gemaakt dat de klieken, die aan de macht zijn en de bevolking al tientallen jaren lang plunderden, hun heerschappij vestigen gebaseerd op angst en repressie. Deze revoltes, opgewekt door de toenemende ellende, zijn een enorme aanmoediging geweest voor de utgebuiten in de hele wereld. In Europa, de wieg van de westerse democratie roepen de smerige praktijken van een “leiders-elite”, die onbekwaam en oneerlijk maar steenrijk is, verontwaardiging en afkeer uit. In Spanje heeft deze afwijzing van de elites het duidelijkste een politiek karakter aangenomen. Er bevond zich een frappant gegeven aan de oorsprong van de beweging van de “Indignados”: in volle verkiezingscampagne, een periode die traditioneel gekenmerkt wordt door een afwachtende en een naargeestige sfeer ten opzichte van de strijd, ontwikkelde zich een brede protestbeweging. Terwijl de media en de politiek verantwoordelijken zich concentreerden op de verkiezingen, was er op straat een gisting gaande met Algemene Vergaderingen (AV’s) en discussies van allerlei aard. Een idee dat bijzonder breed gedragen was, heette: “rechts en links dezelfde shit”. En zelfs hier en daar “alle macht aan de algemene vergaderingen!”
Maar wat hebben de democratische verkiezingen veranderd in Egypte en in Spanje? En het vertrek van Berlusconi en van Papandreoe in Italië en in Griekenland? Niets! De soberheidsplannen zijn nog verhard en zijn ondragelijker geworden. Verkiezingen of niet, de maatschappij wordt beheerst door een minderheid, die haar voorrechten in stand houdt over de rug van de meerderheid. Er is een groeiende wil om het niet meer toe te laten, om de zaken in eigen handen te nemen, via “alle macht aan de AV”s’, om een maatschappij op te bouwen waarin een minderheid niet langer onze levens dicteert. Maar zal deze nieuwe maatschappij er komen middels een strijd voor de “democratisering van het kapitalisme".
Dictatoriaal of democratisch, het kapitalisme blijft een uitbuitingssysteem
Zeker, het is aan ons om onze levens in handen te nemen. Maar wie zijn “wij”? In het antwoord dat in grote meerderheid gegeven wordt door de huidige bewegingen zijn deze “wij”: “iedereen”. Iedereen zou de huidige maatschappij moeten leiden, dit wil zeggen: het kapitalisme, door middel van een echte democratie. Maar behoort het kapitalisme niet toe aan de kapitalisten? Is dit systeem van uitbuiting niet juist het wezen van het kapitalisme? Laten wij de redenering verder zetten: stel ons een ogenblik voor dat we leven in een kapitalistische maatschappij, die bezield wordt door een perfecte en ideale democratie, waarin “iedereen” over alles collectief meebeslist. Een uitbuitingsmaatschappij beheren is nog niet hetzelfde als deze uitbuiting afschaffen. In de jaren 1970 stelden vele arbeiders de eis voorop van zelfbeheer, waarin zij sterk geloofden: “Weg met de bazen, wij produceren voor onszelf en betalen onszelf!”. De arbeiders van LIP in Frankrijk hebben een harde les geleerd: zij hebben “hun” bedrijf collectief en op gelijkwaardige basis beheerd. Maar volgens de onontkoombare wetten van het kapitalisme, werden ze er toe gedwongen om de logica van de marktwetten te aanvaarden zichzelf te ontslaan en dat op een zeer “vrije” en echte “democratische” wijze. Vandaag zou de meest perfecte democratie, in het kader van het kapitalisme, niets kunnen veranderen aangaande de opbouw van een nieuwe maatschappij. De democratie, in het kapitalisme, is geen orgaan waarmee het proletariaat de macht kan veroveren of het kapitalisme afschaffen, het is een politieke manier om het kapitalisme te beheren! Om een einde maken aan de uitbuiting bestaat er slechts één oplossing, de revolutie.
Wie kan de wereld veranderen? Wie kan de revolutie maken?
Steeds meer zijn er die dromen van een maatschappij waarin de mensen hun leven zelf in handen nemen, waarin zij zelf beslissen, waarin zij niet langer verdeeld zijn tussen uitbuiters en uitgebuitenen, maar eensgezind en gelijkwaardig. Maar wie kan deze wereld opbouwen? Wie zal er morgen toestaan dat de mensheid de maatschappij in eigen handen neemt? Iedereen? Welnee! Want niet “iedereen” heeft belang bij het einde van het kapitalisme. De groot-bourgeoisie, die van de “grote democratieën” inbegrepen, zal met hand en tand vechten om haar systeem en haar overheersende positie te behouden, ook al moet zij daarvoor veel bloed vergieten,. Bij “iedereen” horen ook de ambachtslui, de notabelen, de grondbezitters, die wil lenvasthouden aan de levensstijl die de maatschappij hen biedt, of die dromen van een ideaal in het verleden. Zij denkt er zeker niet aan om een einde aan het privébezit te maken.
Om baas te worden over zijn eigen leven moet de mensheid het kapitalisme voorbijstreven. Maar enkel het proletariaat kan dit systeem omverwerpen. De arbeidersklasse groepeert de loontrekkers uit de fabrieken en de kantoren, van de privé- en de openbare diensten, de gepensioneerden en de jonge werkers, de werklozen en de precairen. Dit proletariaat is de eerste klasse in de geschiedenis die tegelijkertijd uitgebuit wordt en revolutionair is. Voordien, met de adel of de bourgeoisie werd het ene uitbuitingssysteem vervangen. door een ander. Vandaag, tenslotte, zijn het de uitgebuitenen zelf, in de vorm de arbeidersklasse, die het heersende systeem kunnen verslaan en een wereld opbouwen zonder klassen en zonder grenzen. Vanaf 1848 heeft de arbeidersklasse zich trouwens de volgende leuze eigen gemaakt: “De proletariërs hebben geen vaderland. Arbeiders uit alle landen verenigt u!”.
Ondanks hun internationale impact, kennen de bewegingen van de laatste maanden ook een grote zwakheid: de levendige kracht van de uitgebuitenen, de arbeidersklasse beschikt nog niet over een zelfbewustzijn, van haar bestaan, van haar kracht, van haar bekwaamheid om zich te organiseren als klasse. Daardoor verdrinkt zij in de massa van “iedereen” en wordt zij het slachtoffer van de valstrik van de strijd “voor een meer democratisch kapitalisme”. Om de internationale revolutie te doen triomferen en een nieuwe maatschappij op te bouwen, moet de arbeidersklasse haar eigen strijd, haar eigen eenheid, haar eigen solidariteit. en vooral haar eigen klassebewustzijn ontwikkelen. Daarom moet zij ertoe overgaan om in haar midden de meest brede debatten en discussies te organiseren, die openstaan voor iedereen die willen proberen te antwoorden op de veelvuldige vragen die zich stellen aan de uitgebuitenen: Hoe de strijd ontwikkelen? Hoe ons te organiseren? Hoe de repressie te confronteren? En dat met de bedoeling om haar inzicht te ontwikkelen over de wereld, over dit systeem, over de aard van haar strijd.
De beweging van de “Verontwaardigden” en van de “Occupy” zijn een rechtstreekse uiting van deze wil tot debat, van de ongelooflijke gisting, van deze creativiteit van de massa’s in actie die kenmerkend zijn voor onze klasse, als zij de strijd aangaat. Dit hebben wij bijvoorbeeld kunnen zien in mei 1968, toen men op alle hoeken van de straten discussieerde. Maar deze creatieve kracht is vandaag verwaterd, verlamd door haar onmacht haar strijd en debatten te beschermen tegen die lofzangers van een zogezegd ‘humaan kapitalisme’, die zich in werkelijkheid met hart en ziel inzetten voor de overleving van het huidige systeem, door de bewegingen te oriënteren naar een “democratisering van het kapitalisme”
IKS / 01.02.2012.
Sinds de federale verkiezingen van juni 2010, ofwel bijna 540 dagen lang, zijn de schijnwerpers van de burgerlijke media gericht op het eindeloze afspringen van het communautaire feuilleton: onderhandelingen, compromis, breuken, verraad; de ‘burger’ werd permanent meegevoerd tussen de hoop van een nationaal compromis en de wanhoop van een uiteenvallen van het land. Momenteel, nu er een hachelijk akkoord is gesloten over een communautaire hervorming en een meerjarig begrotingsplan, heeft een nieuwe regering de teugels overgenomen. In deze context en om de situatie uiteen te zetten, waar de arbeidersklasse de komende maanden mee geconfronteerd zal worden, wil het rapport een antwoord geven op de volgende kwesties:
- Waar staat België op het economisch vlak in de wereldwijde crisis?
- Hoe moeten we de 18 maanden durende politieke communautaire crisis begrijpen?
- Wat zijn de gevolgen voor de bevolking en meer in het bijzonder voor de arbeidersklasse?
- Wat zijn de perspectieven voor de klassenstrijd?
Sedert 2008 slaagt de bourgeoisie er niet in om de tendens tot een wereldwijde recessie in te dammen. Meer precies, sinds de zomer van 2011, zijn we getuige van een versnelling van een helse spiraal van de crisis van de schulden van de nationale staten en van de druk op de staatsobligaties in Europa, van de crisis van de euro, de druk op de banken en de beurs, van een wereldeconomie die steeds duidelijker afglijdt naar een diepe wereldwijde recessie, van nieuwe faillissementen van financiële instellingen, enzovoort.
België is een van de meest open economische landen ter wereld, gemeten in termen van het deel van de buitenlandse handel in het BIP. België is heel erg afhankelijk van de situatie die zich voordoet bij haar belangrijkste handelspartners, in het bijzonder Duitsland, Frankrijk en Nederland. De productiesector (21% van het BIP) dat gespecialiseerd is in halfproducten (chemie en metaal) stelt het land heel erg bloot aan de internationale economische schommelingen.
1.1. In de eerste fase van de open crisis (in het bijzonder van 2008 tot 2010) heeft de bourgeoisie de Belgische economische situatie gepresenteerd als een uitzondering in Europa:
- een land dat relatief gespaard is gebleven door de crisis en de bezuinigingen;
- een staat waar de essentiële problemen niet van economische of sociaal van aard waren, maar bepaald werden door communautaire spanningen tussen Waalse ‘profiteurs’ en ‘arrogante’ Vlamingen.
Deze misleiding over de goede gezondheid van de Belgische economie is overeind gehouden door het geheel van de politieke partijen en door de ‘ontslagnemende’ regering Leterme, die bevestigde dat ‘de regering alles onder controle had:’ Wat heeft er dan een schijn van geloofwaardigheid gegeven aan de illusie van een ‘België dat aan crisis ontsnapt’.In feite zijn er drie factoren die dat begunstigd hebben:
- Tussen 2008 en 2011 heeft de Belgische economie enkele jaren kunnen parasiteren op de groei van de Duitsland en de relanceplannen van Frankrijk, waarvan het voor 65% afhankelijk is;
- De federale regering is doorgegaan om de ‘lopende zaken’ af te handelen, en heeft aldus de druk op de begroting kunnen vermijden van de klassieke ‘partijgebonden’ uitgaven, die de regeringspartijen doorgaans opleggen om hun traditionele electoraat tevreden te stellen. Aan de andere kant hebben de regionale, niet-demissionaire regeringen, die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van beheer van de staat, zoals het onderwijs, de gezondheidszorg, het milieu en de cultuur, volop bezuinigingsmaatregelen kunnen nemen, die zich op deze terreinen stelden.
- Een hele reeks van kadermaatregelen om de bezuinigingen door te voeren waren reeds in 2009 door de regering Van Rompuy genomen met als doel het begrotingstekort terug te brengen van 6% in 2009 tot 0% in 2015, oftewel 22 miljard euro aan bezuinigen en 2011. Deze worden verder stelselmatig toegepast
1.2. Sinds de herfst van 2011 wordt België hard wakker geschud en de feiten maken duidelijk dat de economische situatie erg precair is, veel moeilijker dan die van haar directe buren:
- De Belgische banken (Fortis, KBC, Dexia) hebben zwaar te lijden gehad onder de bankencrisis en zijn nog steeds instabiel door de twijfelachtige leningen, in het bijzonder naar bepaalde landen in het oosten en zuiden van Europa, iets dat onlangs geleid heeft tot het failliet van de Frans-Belgische bank Dexia.
- Als het BIP van België op dit moment minder hard daalt dan die in de belangrijkste buurlanden, dan is echter het begrotingstekort in 2010 5%, in plaats van de één jaar geleden voorziene 4,8% (+1,3 miljard euro) en de massale steun aan de banken heeft de schuld vandaag doen toenemen tot 96% van het BIP;
- België voelt steeds meer de druk van de markten en de rentevoeten, die door de Belgische staat betaald moeten worden op internationale markt, dreigen het niveau van de PIGGS-landen te benaderen;
- Het ratingbureau Standard en Poor’s (S&P) heeft op 25 november de rating van België van AA+ verlaagd naar AA, met een negatief vooruitzicht.
Ondanks de samenstelling van een nieuwe regering, die de ‘politieke onzekerheid’, zo aangeklaagd door de internationale instellingen van de bourgeoisie, zou moeten laten verdwijnen, onderschat de Belgische bourgeoisie nog steeds de catastrofale situatie, waarin de interne tegenstellingen haar gebracht hebben. Als je het gewicht van de opgelegde bezuinigingen dus met elkaar vergelijkt, dan blijven de maatregelen die sinds 2008 genomen zijn, samen met degene die opgenomen zijn in het nieuwe regeerakkoord, ruim achter bij de bezuinigingsoperatie van het begin van de jaren 1980 (devaluatie van de frank) of die vooraf ging aan de deelname aan de euro aan het eind van de jaren 1990. De wervelwind van de staatsschuld en de wereldwijde depressie zullen de druk verhogen om nog grotere en bredere maatregelen op te leggen op het gebied van de berekening van het salarissysteem, de werkloosheidsuitkeringen en de pensioenen: “België wordt afgeschilderd als het belangrijkste voorbeeld van een bevroren Bismarckse welvaartsstraat. De meeste bronnen vinden dat de hervormingen in België (als ze doorgevoerd worden) marginaal blijven en onvoldoende om effectief te zijn om de uitdagingen van de herstructurering en het ouder worden van de bevolking aan te gaan”. (8th ESPA-net Conference 2010, Social Policy and the Global Crisis: Consequences and Responses).
Hoe kan het dat de bourgeoisie in België 18 maanden lang gefocust was op de spanningen op communautair vlak en op het vlak van de taaltegenstellingen? De verdeling binnen de verschillende nationale fracties van de bourgeoisie drukt voor alles de druk uit van de historische crisis van het kapitalisme op de samenhang van alle burgerijen van de planeet. De botsing tussen de republikeinen en de democraten in de VS over de te volgen politiek ten opzichte van de economische depressie, net zoals de spanningen tussen de rijke regio’s in Italië (Noord Italië) en Spanje (Catatonie) en de arme regio’s van deze langen of de opkomst in een land als Nederland van de openlijk anti-Europese fracties: overal zijn dit soort toenemende spanningen vast te stellen. In dit kader zou het verkeerd zijn om de (sub-)nationalistische spanningen tussen Vlaanderen en Wallonië te zien als een ‘Belgische uitzondering’.
Dit gesteld zijnde, is het eveneens onmiskenbaar dat de Belgische bourgeoisie gekenmerkt wordt door een evident gebrek aan homogeniteit; sinds de kunstmatige schepping van de Belgische staat in 1830, bestaan er al spanningen in haar midden. Deze spanningen tussen de regionale fracties zijn vooral toegenomen sinds de WOI en verergerd sinds het begin van de historische crisis aan het einde van de jaren 1960. De laatste uitdrukking van deze spanningen was de toegenomen invloed, bij de laatste verkiezingen, van de autonomistische Vlaamse partij NVA (Nieuwe Vlaamse Alliantie), wat 18 maanden lang het politieke leven van de bourgeoisie geblokkeerd heeft. In deze maanden zijn de verschillende fracties elkaar als hongerige wolven te lijf gegaan om zich zo goed mogelijk een positie te verwerven teneinde hun overleving te verzekeren in de genadeloze strijd op de wereldmarkt, waarbij ze op sommige momenten zelfs het zicht verloren dat deze fractiestrijd het risico met zich meebracht alles te verliezen.
Ook al is de Belgische bourgeoisie echt verdeeld in diverse nationale en regionale fracties, die elkaar verscheuren als hun vitale belangen worden bedreigd, dan drukken ze deze conflicten naar de achtergrond en sluiten ze zich wel aaneen om hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen. Het zou naïef zijn om te denken dat, als het gaat om hun fundamentele gemeenschappelijke belangen - het handhaven van hun winsten, van hun deel van de markt dat bedreigd wordt door de verscherpte concurrentie –, deze burgerlijke fractie geen coalities aangaan om hun wet op te leggen aan de uitgebuitenen.
3. De bourgeoisie buit haar zwakheden uit in een intensieve nationalistische tamtam tegen de arbeidersklasse
De geschiedenis van de laatste 50 jaar heeft ons geleerd dat de Belgische bourgeoisie op zeer handige wijze haar interne verdelingen gebruikt tegen de arbeidersklasse met een tweeledig doel:
3.1. De bewustwording afremmen met betrekking tot de omvang van de aanvallen en de centrale rol die de Staat hierin speelt
Geconfronteerd met het risico dat ze bij afbetaling in gebreke blijven, hebben alle Europese landen gigantische besparingsplannen op stapel gezet om te trachten hun financiële sector en de overheidsfinanciën te saneren. Anderzijds echter, maken deze maatregelen ook steeds meer de rol van de Staat duidelijk, de zogenaamde ‘sociale staat’, in het opleggen van de kapitalistische inleveringen, waardoor de woede van de arbeiders zich steeds vaker tegen hem dreigt te keren. Inderdaad, de ‘democratische Staat’ is helemaal geen scheidsrechter die boven het gewoel staat en borg staat voor sociale rechtvaardigheid; vandaag blijkt steeds duidelijker wat hij in werkelijkheid is: een instrument van de uitbuitende klasse om haar steeds meedogenlozere voorwaarden aan de arbeiders op te leggen.
Maar de verschillende nationale bourgeoisieën zetten alle beschikbare misleidingmiddelen in om deze realiteit zolang mogelijk te verbergen voor de ogen van de arbeiders, om hen integendeel te bedwelmen met de democratische illusies. Het aanwakkeren door de Belgische bourgeoisie en haar fracties van de tegenstellingen tussen de gemeenschappen en de gewesten moet dan ook precies in deze context gezien worden. De bedoeling is de aanvallen en de fundamentele rol van de ‘democratische staat’ hierin te doen verdwijnen in een doolhof van instituten.
Het is geen toeval dat de jaren 1970, de jaren waarin de eerste uitdrukkingen van de historische crisis van het kapitalisme tot uiting kwamen, in België ook het begin inluidden van een omvangrijke reeks van institutionele hervormingen, die leidden tot het regionaliseren van de Staat, tot het opsplitsen van de beslissingsverantwoordelijkheid over de verschillende communautaire, regionale en gemeentelijke niveaus. Er ontstond een hele reeks van federale, communautaire en regionale regeringen (zeven in totaal), er werden samensmeltingen doorgevoerd van gemeenten en stedelijke agglomeraties, samen met de volledige of gedeeltelijke privatisering van een aantal overheidsbedrijven (Post, NMBS, telefoon, gas, elektriciteit, bepaalde gezondheidsdiensten, ...). Deze ‘hervorming’ leidde tot de meest waanzinnige verdeling van verantwoordelijkheden, een herverdeling van de ambtenaren over de verschillende bestuurslagen en het in het leven roepen van een hele reeks gemengde personeelsstatuten. Concreet gesproken, kan de doelstelling van deze ‘Staatshervorming’ als volgt samengevat worden:
- het opdrijven van de doeltreffendheid van de uitbuiting: de ‘responsabilisering’ van autonome eenheden schept in de praktijk een kader voor de interne concurrentie tussen regio’s. Vlaamse arbeiders worden opgeroepen om ‘performanter’ te werken dan hun Waalse ‘concurrenten’ en omgekeerd; de gewesten, de gemeenten worden als concurrenten tegen elkaar uitgespeeld om op de meest doeltreffende wijze de sociale budgetten te beheren, de flexibiliteit onder hun ambtenaren in te voeren, enzovoort;
- het versnellen van de herstructureringen, van de aanvallen op de personeelsstatuten, de lonen en de werkvoorwaarden van de ambtenaren onder de mom van de reorganisatie van de Staatsstructuur;
- het verdoezelen van de omvang van de aanvallen door ze te spreiden over de verschillende bestuursniveaus of door elk niveau te belasten met verschillende soorten maatregelen.
3.2 Elke eendrachtige reactie van de arbeiders en elke uitbreiding van hun strijd verhinderen
Als de arbeiders zich verzetten tegen de aanvallen, waarvan zij het slachtoffer zijn, maakt de bourgeoisie, vooral door middel van haar vakbonden, eens te meer gebruik van de verheviging van een (sub)nationalistische en regionalistische tamtam om elke vorm van ééngemaakt arbeidersverzet tegen de aanval op hun levensvoorwaarden, om elke uitbreiding van de strijd te beletten. Ook dit is een constant element in de verhouding tussen de klassen in België.
Sedert de jaren 1960 vooral, gebruikt de bourgeoisie de regionalistische misleiding om het bewustzijn binnen de arbeidersklasse af te remmen met betrekking tot de noodzaak van een eendrachtig verzet en van de uitbreiding van de strijd als antwoord op de aanvallen. Tijdens de algemene staking van 1960 reeds leidt het radicale syndicalisme, onder leiding van André Renard, de strijdbaarheid van de arbeiders uit de grote industriële bekkens van Luik en van Henegouwen af naar het Waalse subnationalisme, met de bewering dat een Waalse regionale staat, onder leiding van de PS, weerwerk zou kunnen bieden aan het nationale kapitaal en de industriële sectoren uit de regio van het verval zou kunnen redden. De arbeiders zouden zwaar betalen voor deze illusie, want het waren juist de regionale regeringen, die in de jaren 1970 en 1980, geleidelijk aan de Waalse mijnen en staalfabrieken zouden sluiten. Sinds het einde van de jaren 1980 kent Vlaanderen op haar beurt dezelfde problemen met de Limburgse mijnen, de scheepswerven (Boel Temse) en de automobielsector (Renault en onlangs nog Opel). Eens te meer wordt dezelfde misleiding gebruikt: ‘Wat we zelf doen, doen we beter’ luidt de leuze van de Vlaamse nationalisten. En inderdaad, de sluiting van de mijnen en van de scheepswerven werd met bekwame spoed afgehandeld. Ook de arbeiders van Opel werden zoet gehouden met allerlei beloftes van de Vlaamse regering over de ‘strijd van Vlaanderen om Opel te redden’.
Ook vandaag, nu de arbeiders weerstand beginnen te bieden aan de aanvallen, wordt de regionalisering van een hele reeks beslissingsniveaus en de (sub)nationalistische propaganda door de bourgeoisie en haar vakorganisaties gebruikt, eerst en vooral om de strijdbewegingen te verdelen, te isoleren en op te sluiten in oriëntaties die geen enkel perspectief bieden voor de arbeidersklasse. Als de ambtenaren dus worden aangevallen op hun lonen en hun werkvoorwaarden, wordt elke groep opgeroepen om te betogen voor het gebouw van hun eigen overheidsinstituut (federale, communautaire, gewestelijke, provinciale, gemeentelijke, ...). Vervolgens aarzelen de bonden niet om de arbeiders mee te slepen op het verrotte terrein van de regionale verdeling, ja zelfs van de nationalistische belangen. Zo worden Vlaamse en Waalse leerkrachten opgeroepen om te strijden voor aparte eisen, elk in hun regio. En onlangs riepen de vakbondsorganisaties de arbeiders op om te betogen voor een Belgische gemeenschappelijke sociale zekerheid, tegen de pogingen van de Vlaamse nationalisten om deze te regionaliseren.redden’.
4.1. Het plan van de nieuwe regering Di Ruppo bevat aanvallen op de arbeidersklasse op twee vlakken.
Het meerjarige begrotingsplan omvat globale aanvallen op de arbeidersklasse, bovenop de maatregelen die al genomen zijn in het kader van het meerjarenplan 2010-2015 van Van Rompuy. Een en ander wordt gerechtvaardigd door noodzaak van de kredietwaardigheid van de Belgische Staat te verdedigen ten opzichte van de markten:
-De verlaging van de uitkeringen voor de langdurige werklozen, het gezinshoofd inbegrepen, vanaf het tweede jaar in de werkloosheid;
-De beperking van de toegang tot het vervroegde pensioen, die verhoogd wordt van 60 naar 62 jaar;
-Het niet langer meetellen van de periodes van werkloosheid, het vervroegde pensioen en de kredieturen voor de berekening van het pensioen;
-De beperking van het recht op kredieturen en loopbaanonderbreking;
-De vermindering van de uitgaven voor de gezondheidszorg, hetgeen een bedreiging vormt voor de kwaliteit van de patiëntenzorg.
De maatregelen in het kader van de Staatshervorming leiden tot een verscherping van de concurrentie tussen regio’s. De communautaire spanningen worden op economisch vlak uitgebuit door de organisatie van een onderlinge concurrentie tussen de regio’s: een gedifferentieerde fiscaliteit tussen de regio’s ‘om bedrijven te lokken’, een financiering van de regio’s die gedeeltelijk verbonden is aan het behalen van criteria van rentabiliteit en van efficiëntie. Zo zal de begroting voor werkloosheidsuitkeringen bijvoorbeeld verbonden worden met de efficiëntie van de politiek van het ‘aan het werk krijgen’ van werklozen. De concurrentie en de prestatie-wedloop tussen de regio’s zullen leiden tot een verhoogde druk op de levens- en arbeidsomstandigheden van de arbeidersklasse.
4.2. Wat zijn de besparingsmaatregelen die door de andere landen van Europa worden genomen? Duitsland 82 miljard euro, Groot-Brittannië 7,2 euro in 2010; Italië 13 miljard euro in 2011 en daarbovenop twee aanvullende bezuinigingsplannen; Spanje 15 miljard euro extra. Deze indrukwekkende aanvallen impliceren massale opheffingen van werk in de openbare sector, de verlaging van de lonen (bijvoorbeeld 5% voor de ambtenaren in Spanje), de verhoging van de pensioenleeftijd en de verlaging van de pensioenen (bij bepaalde pensioenfondsen in Holland bijvoorbeeld) of van de ziekte-uitkeringen. Kortom, ze vormen een consequente verlaging van het levensniveau van de arbeidersklasse, vergelijkbaar met die men heeft gekend in de jaren 1930.
In de context van Europa en in die van de toenemende druk op de banken op de staatsschulden, dringen er zich aanvullende maatregelen op om de ‘kredietwaardigheid van België’ te herstellen. Achter de coulissen, schetsen de economische ‘think tanks’ van de bourgeoisie reeds de grote lijnen van een geduchtig bezuinigingsplan, gebaseerd op een dubbele oriëntatie: een drastische verlaging van de begrotingsuitgaven van de staat om de schuld te doen afnemen en een belangrijke verlaging van de lonen (globaal geschat op 10%) om de concurrentiepositie van de België ten opzichte van Duitsland (door een verhoging in tien jaar van +23% in België tegen +8,8% in Duitsland) te herstellen en delen van de markt te heroveren of de afname van buitenlandse investeringen tegen te gaan (-70%,) waardoor België van de tweede naar de tiende plaats is weggezakt op het vlak van het aantrekken van buitenlandse investeringen (De Morgen, 23.07.10).
5. Context en perspectieven voor de klassestrijd
De intensieve communautaire tamtam van de bourgeoisie, die eigenlijk quasi ononderbroken ontwikkeld werd sinds de zomer van 2008, heeft de werkers het zicht op de realiteit van de crisis en van de inzet ervan ontnomen en heeft moeilijke omstandigheden geschapen voor hun mobilisatie, voor hun strijd en voor de uitbreiding ervan. Dit verklaart waarom de arbeidersreacties tot nu toe minder markant zijn geweest dan die in Frankrijk en Duitsland. Het zou bovendien een illusie zijn te denken, dat de bourgeoisie haar best zal doen om de mist in de huidige periode op te doen lossen. Integendeel, ze probeert van bepaalde opluchting in de klasse, omdat de spanningen op het vlak van het beheer van de staat geregeld schijnen te zijn, gebruik te maken om nu de kaart uit te spelen van de noodzakelijke ‘nationale eenheid’ ten opzichte van de markten. Zij roept op tot ‘nationale solidariteit’ om ‘ons land te verdedigen’ tegen de aanvallen van een ‘agressieve buitenwereld’ en om de ‘fouten van het verleden goed te maken’. Voor de arbeidersklasse in België was de situatie deze afgelopen jaren moeilijk en die zal nog wel enige tijd moeilijk blijven.
De intensiteit van de misleiding en de uiterste voorzichtigheid, waarmee de bourgeoisie tegelijkertijd haar maatregelen naar voren brengt, is ook kenmerkend voor de angst van de bourgeoisie voor een arbeidersklasse, die in de jaren 1970 en 1980 haar strijdbaarheid al getoond heeft. Bovendien, sinds de aankondiging van de maatregelen van de nieuwe regering, heeft het gezamenlijke front van vakbonden een indrukwekkend programma van mobilisaties, manifestaties en stakingen aangekondigd om het sociale terrein stevig te bezetten. Alle elementen, ontwikkeld in dit rapport, laten zien dat het verschil met de sociale situatie in de andere Europese landen meer een kwestie van perceptie en van bewustwording is dan een objectieve realiteit: de economische en sociale werkelijkheid in België loopt geheel parallel met die in landen als Frankrijk en Nederland.
Bijgevolg kan de situatie snel evolueren, zoals de ‘Arabische lente’ heeft laten zien en de gebeurtenissen in Spanje en Groot-Brittannië. Zelfs als er in een eerste periode een periode van aarzeling en ontkrachting van de strijdbaarheid, in een veelvoud van syndicale acties, waarschijnlijk is, is er nu toch al een dynamiek van rijping van de strijdbaarheid en van overdenking in de minderheden van de klasse merkbaar:
- talloze momenten van actie: de staalarbeiders in Luik, de verplegers in Antwerpen en Brussel, de staking in de werkplaatsen van de SNCB in Brussel, de werkonderbrekingen in het openbaar vervoer; enzovoort.
- op verschillende plaatsen verschijnen er van minderheden, die discussiëren over de situatie en de perspectieven die naar voren moeten worden gebracht in de verschillende manifestaties of vergaderingen om het kader van de bewegingen van de ‘Indignados’ of ‘Occupy’s.
Deze laatste bewegingen, die zich de laatste maanden ontwikkelen, laten een oprechte wil zien samen collectief te leven en te strijden, de rug toe te keren aan het individualisme van het kapitalisme om samen een plaats te bezetten en er te discussiëren; deze bewegingen, hoe beperkt ze ook nog zijn, openbaren de wil collectief te discussiëren en collectief na te denken. Het feit dat deze bewegingen zich ontwikkelen op internationaal niveau geeft hun een besslissende betekenis. Ze geven aan dat de arbeidersklasse in België zeer snel de weg van de strijd terug kan vinden. En als de beweging eenmaal op gang is kan ze met meer strijdbaarheid en vastberadenheid dan elders reageren. Ook op dat vlak vormt België, in tegenstelling tot de wat de campagnes van de bourgeoisie beweren, geen uitzondering.
Internationalisme / 18.12.2011
Het hiernavolgende artikel, is geschreven door een sympathisant van onze organisatie, net voor de recente aanval op de Britse ambassade in Iran.
Op 29 november zijn studenten het gebouw van de ambassade binnengevallen en hebben schade veroorzaakt aan het kantoor en aan het wagenpark. Dominick Chilcott, de Britse ambassadeur, heeft in een interview, de Iraanse regering ervan beschuldigd achter deze ‘spontane’ aanvallen te zitten. Als vergelding heeft het Verenigd Koninkrijk de Iraanse ambassadeur het land uitgestuurd. Deze gebeurtenissen vormen een nieuwe episode in de toename van de spanningen in het Midden-Oosten tussen Iran en het Westen, rondom de kwestie van de atoomwapens en van Syrië.
Het recente rapport van het ‘Internationaal Atoom-Energie Agentschap’ heeft verklaard dat Iran een nucleair programma aan het ontwikkelen is. Als antwoord daarop hebben het Verenigd Koninkrijk, Canada en de Verenigde Staten nieuwe sancties opgelegd. De laatste dagen heeft Iran bevestigd dat ze een onbemand Amerikaans vliegtuigje (drone) hebben neergehaald, dat probeerde militaire inlichtingen te vergaren. Met betrekking tot Syrië maakt het artikel gewag van samenwerking in de slachting van de Syrische bevolking tussen het regime van Assad en de Revolutionaire Garde van Iran. Bij de plundering van de Britse ambassade heeft men eveneens de hand gezien van de jongerenafdeling van de Basij, achter de schermen geleid door El-Assad.
Net als de inter-imperialistische rivaliteiten, mogen we de interne rivaliteiten binnen de nationale bourgeoisieën van die landen zelf niet vergeten. Afgelopen zomer is het duidelijk geworden dat er een groeiende kloof bestaat tussen de Iraanse president Mahmoud Ahmedinejad en de ayatollah Ali Khamenei. Ondanks zijn antisemitische misprijzingen en zijn op stang jagende retoriek, vertegenwoordigt Ahmedinejad een fractie van de Iraanse bourgeoisie, die bepaalde banden met het Westen in stand wil houden. Khamenei heeft enkele van diens nauwe bondgenoten gearresteerd en uit de regering ontslagen. Als reactie daarop ging Ahmedinejad elf dagen ‘in staking’, door te weigeren zich te wijden aan zijn taken als hoofd van de regering. De recente gebeurtenissen rondom de overval op de Britse ambassade worden door bepaalde analytici van de media begrepen in het kader van deze twisten. Khamenei en zijn conservatieve medestrijders worden ervan verdacht achter de aanvallen te zitten om de meer verzoenende politiek van Ahmedinejad te ondermijnen en hem dwars te zitten met het oog op de komende verkiezingen in 2012. (zie: https://uk.reuters.com/article/2011/12/02/uk-iran-britain-policy-idUKLNE... [11] )
Met de verergering van de spanningen tussen Iran en het Westen, speculeren sommigen over de uitbarsting van een derde wereldoorlog. De kwestie die zich stelt is in de werkelijkheid een andere: zijn de arbeiders in het Midden-Oosten en het Westen bereid om zich te laten mobiliseren om een volgende grote oorlog te ondersteunen? De werkers van de hele wereld dragen al de molensteen van de crisis op hun schouders en beginnen te reageren. De oorlog zou nog meer bezuinigingen betekenen, meer geweld tegen de arbeiders, meer wanhoop. De arbeiders hebben geen enkel belang bij deze bloedige imperialistische slachtpartijen en zijn niet bereid om zich er massaal voor laten te inlijven.
IKS / 28.01.2012
Lezersbrief
Na acht maanden van protest, die in oorsprong deel uitmaakte van een regionale en internationale beweging tegen de repressie, werkloosheid en ellende, en waaraan Druzen, Soennieten, Christenen en Koerden, mannen, vrouwen, kinderen meededen, hebben de gebeurtenissen in Syrië een duistere wending gekregen. Waar de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk, ter verdediging van hun eigen belangen en strategieën, terugschrikken voor een directe aanval op Iran, kunnen ze, in het kader van de inter-imperialistische rivaliteiten, wel bijgedragen tot een aanval op zijn meest nauw bondgenoot, het regime van Assad in Syrië.
De gewelddadige veiligheidstroepen van Assad hebben, met de logistieke steun van “300 tot 400 Revolutionaire Gardisten” uit Iran (The Guardian, van 17.11.2011) duizenden personen vermoord en zo voeding gegeven aan een leugenachtige en hypocriete ‘bezorgdheid voor de burgers’ van de kant van de drie belangrijkste machten van anti-Iraanse front, die hierboven genoemd zijn. Net zoals in Libië zijn de Amerikanen de ‘leider op de achtergrond’, door deze keer de Arabische Liga ertoe te bewegen afstand te nemen van de Libanese, Iraakse en Algerijnse bondgenoten van Syrië en ze ertoe aan te zetten Syrië, dat een belangrijk lid was, te schorsen en aan vernederende voorwaarden te onderwerpen.
Op de voorgrond van deze quasi-bezorgdheid over lijf en leden van de bevolking stond het bloeddorstige regime van Saudi-Arabië, dat enige tijd geleden enkele duizenden militaire voertuigen met elitetroepen, opgeleid in Groot-Brittannië, stuurde om het protest in Bahrein de kop in te drukken en ook om de Amerikaanse en Britse belangen en bases daar te beschermen. De grondslag voor de hypocrisie wordt gevormd door de beslissing om Syrië, als straf voor zijn ‘bloedbad’, te schorsen. Deze beslissing was genomen tijdens de vergadering van de Arabische Liga, toen die op 16 november bijeenkwam in de Marokkaanse hoofdstad Rabat, op een moment dat Marokkaanse veiligheidstroepen duizenden protesterende mensen aanvielen en onderdrukten. Er waren meer imperialistische elementen betrokken in de actie van de Arabische Liga, in die zin dat haar besluiten zijn veroordeeld door Rusland, maar ook door China.
Maar het is niet alleen de Arabische Liga die door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië op deze weg gedreven wordt, maar ook de regionale macht Turkije, die eveneens betrokken was bij de bijeenkomst in Rabat. Nadat het Turkije blijkbaar had ontraden om een soort van ‘no-fly zone’ in te stellen aan de Turks-Syrische grens, zijn de Verenigde Staten langzamerhand van inzicht veranderd. Want de door Obama afgevaardigde de nationale veiligheidsadviseur, Ben Rhodes, heeft de afgelopen week gezegd: “Wij begroeten ten zeerste de ferme houding die Turkije heeft aangenomen”. De in het buitenland verblijvende leider van de Syrische Moslim Broederschap vertelde verslaggevers in de afgelopen week dat de Turkse militaire actie (‘natuurlijk om burgers te beschermen’!) wel aanvaardbaar was. (The Guardian, van 18.11.2011). Een mogelijke bufferzone langs de langzamerhand zwaar gemilitariseerde Turks-Syrische grens zou het mysterieuze ‘Vrije Syrische Leger’ voor de dag laten komen. Dit vindt voor het grootste deel zijn basis in Turkije (alsook in Libanon) en is op dit moment, qua aantal, duidelijk in de minderheid ten opzichte van de Syrische leger, dat in staat is om zich te verplaatsen met veel zwaarder wapentuig. In deze convergentie van imperialistische belangen, bestaat deze slangenkuil uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk, de meerderheid van de Arabische Liga, breed links, de Moslim Broederschap en de Salafi Jihad uit Syrië, die een grote rol hebben veroverd binnen de oppositie tegen Assad. Bovendien zijn een verdere destabilisering en potentieel nog grotere problemen heel duidelijk aanwezig zowel in de waarschuwing van Turkse president Gül, die Syrië waarschuwt dat het zal moeten betalen voor het opdrijven van de spanningen in het Koerdische zuid-oosten van Turkije, als in “de hernieuwde bereidheid van Washington een oogje dicht te doen voor de Turkse inval in Noord-Irak, gericht tegen de Koerdische guerilla-bases”. (The Guardian, van 18.11.2011). Dit geheel van onstabiele toestanden, die gevoed worden door de grootmachten en hun belangen, maakt dat een militaire tussenkomst van Turkije op Syrisch grondgebied steeds waarschijnlijker wordt.
Teheran, het uiteindelijk doelwit
‘Het Vrije Syrische leger’ is zelf betrokken geweest bij sektarische moorden en bij het doden van Syrische burgers (Newsnight, 17.11.2011) en aangezien het in de strijd en aanslagen tegen de regeringstroepen en politiemacht, opereert vanuit schuilplaatsen buiten het land, treffen de vergeldingsmaatregelen de burgerbevolking. De Syrische Nationale Raad, die de afgelopen maand het daglicht zag, heeft ook opgeroepen tot militaire tussenkomst tegen het leger van Assad, terwijl een andere oppositie-kracht, het Nationale Coördinatie Comité, dit standpunt heeft afgewezen. De Franse minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk, Alain Juppé, heeft in Parijs al een ontmoeting gehad met de oppositie en in een verbetering van de relaties ontmoette de Britse Secretaris van Buitenlandse Zaken, Hague, de oppositie op 21 november in Londen. Het is niet duidelijk geworden wie deze ‘oppositie’ precies was en of zij het Vrije Syrische Leger, de Syrische Nationale Raad, het Nationale Coördinatie Comité, de Koerdische oppositie, de Moslim Broederschap en de Salafi Jihad vertegenwoordigde. De oppositionele ‘coalities’ omvatten onder meer de Stalinisten, elf Koerdische organisaties, stam- en clanstructuren, plus een onthutsend aantal beginnende tegengestelde belangen. In ieder geval heeft Hague opgeroepen tot een ‘verenigd front’ en heeft hen een ‘ambassadeur’ toegewezen. (BBC News, 21.11.2011)!
Al een aantal jaren hebben de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Israël en Saoedi-Arabië de anti-Iraanse hysterie opgevoerd en dit is de werkelijke reden van hun steun aan de Syrische oppositie en hun ‘bezorgdheid voor de burgers’.Deze campagne is behoorlijk toegenomen door een recent rapport van het Internationaal Atoom-Energie Agentschap (IAEA), dat een ‘mogelijke’ militaire dimensie in de Iraanse nucleaire ambities meende gewaar te worden. Maar de Verenigde Staten omsingelen Iran al enige tijd. Aan de oostgrens van Iran liggen honderdduizend Amerikaanse troepen in Afghanistan, in het noord-oosten ligt Turkmenistan met zijn Amerikaanse militaire basis. In het zuiden van Bahrein liggen Amerikaanse en Britse marinebases. En in Qatar, anti-Iraanse marionet van Saoedi-Arabië, bevindt zich het hoofdkwartier van de Amerikaanse Commandotroepen.
De enige ademruimte die er voor Iran nog bestaat, ligt aan de westgrens met Irak en zelfs hier hebben Amerikaanse en Britse commandotroepen hun directe of indirecte invallen uitgevoerd. In 2007 heeft Bush de toestemming van het Congres gekregen voor een programma van 400 miljoen dollar, om ‘etnische’ groepen te steunen, terwijl Seymour Hersch onlangs in de Daily Telegraph en Brian Ross op ABC inlichtingen hebben binnengekregen over een groep Iraanse terroristische gangsters Joundallah. De leider van de groep Abdolmalek Rigi, die door de Iraanse geheime politie gevangen genomen is toen hij naar Doha ging, bevestigt dat hij op de Amerikaanse luchtmachtbasis van Manas, in Kirghizistan, de CIA had ontmoet om zijn steun aan te bieden aan de terroristische aanvallen in Iran.
Langs de hele kust van Iran, in de Perzische Golf, is er een massale opbouw van Amerikaanse oorlogsschepen aan de gang en in de wijdere Golfregio versterken de Verenigde Staten hun troeven in Koeweit, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten. Recente berichten (The Guardian, 11.03.2011) hebben aangetoond dat het Verenigd Koninkrijk samen met de Amerikaanse troepen noodmaatregelen voorbereidt met het oog op een mogelijke maritieme en luchtaanval op doelen in Iran. Op nauwelijks 1500 kilometer daar vandaan bevindt zich Israël, dat nucleaire wapens bezit, en dat betrokken was bij de aanval met het virus Stuxnet, en er in slaagde om ongeveer een vijfde deel van de atoomcentra van Iran definitief lam te leggen. Het was ook betrokken bij de dood van Iraanse wetenschappers, waaronder op de eerste plaats een atoomexpert, generaal-majoor Moghaddam, die tien dagen geleden, samen 16 anderen, werd gedood in een enorme explosie op een basis van de Revolutionaire Garde, dichtbij Teheran.
Nogmaals, de hypocrisie van de democratie is bijna ongelofelijk: ondanks hun retoriek over ontwapening, bevestigt de Britse Amerikaanse Informatie-Raad van de Veiligheid (BASIC) dat de Verenigde Staten in de loop van het komende decennium 700 miljard uit zullen geven voor de modernisering van hun nucleaire bewapening en dat ”andere landen, China, India, Israël, Frankrijk en Pakistan inbegrepen, reusachtige sommen zouden moeten besteden aan tactische en strategische raketsystemen”(The Guardian, 31.10.2011). Het rapport gaat verder door te stellen dat “de nucleaire wapens een rol worden toebedacht die verder gaat dan alleen afschrikking … een rol als oorlogswapen in de militaire planning”. En wat Israël betreft, verklaart het rapport: “…. De omvang van de nucleaire kernkoppen van de kruisraketten van zijn vloot onderzeeboten is toegenomen en het land schijnt op de goede weg te zijn, dankzij zijn programma van lancering van satellieten, voor de toekomstige ontwikkeling van een intercontinentale ballistische raket (ICBM)”.
Groot-Brittannië, dat heeft bijgedragen om Israël van nucleaire wapens te voorzien, is niet genoemd in het rapport waartoe dit land de opdracht had gegeven. Iedereen weet dat een aanval op Iran stom zou zijn, zelfs in de ogen van de Mossad en de Shin Bet, de externe en interne geheime veiligheidsdiensten van Israël. Gebruikmakend van het kanaal, dat ze gewoonlijk gebruiken om informatie uit te laten lekken, de Koeweitse krant Al-Jarida, hebben de twee agentschappen hun ernstige twijfels geuit en de baas van Mossad, Meir Dagan, die onlangs met pensioen is gegaan, heeft het vooruitzicht van een aanval op Iran ‘de stomste van alle ideeën’ genoemd, waarover hij ooit had horen spreken. Maar het feit dat zoiets stom is of irrationeel maakt het nog niet onwaarschijnlijk: het is voldoende om te kijken naar de oorlog in Irak en de internationale nachtmerrie, totaal irrationeel, in Afghanistan/Pakistan. Syrië wordt een volgende stap in de omvorming van de geheime oorlog tegen Iran. Dat heeft niets te maken ‘de bescherming van burgers’, maar komt volledig overeen met het nastreven van de meest irrationale doelen, opgelegd door een systeem, dat in volledige ontbinding verkeert.
Baboon / 21.11.2011
Internationalisme nr. 354 - 2e kwartaal 2012
Internationalisme 355 - 3e kwartaal 2012
Al meer dan anderhalf jaar bombardeert, vermoordt, verkracht en foltert het bewind van Assad onder de ogen van de ‘internationale gemeenschap’ die een hypocriete klaagzang verspreidt over het lot van de Syrische bevolking die dagelijks al deze verschrikkingen moet ondergaan.
Aan alle kanten vermenigvuldigen de internationale bijeenkomsten, waarin de 16.000 doden van de Syrische repressie worden aangeklaagd, en oproepen worden gedaan tot vrede met dreigementen, de ene meer steriel dan de andere. De ‘filosoof’Bernard Henry Lévi, de niet aflatende vertegenwoordiger van de imperialistische belangen van de Franse bourgeoisie en sinds de oorlog in ex-Joegoslavië een onverzadigbare samoerai van de verschillende televisiekanalen en Parijse salons, kan, in navolging van de Verenigde Staten, die met de vinger aan de trekker, hun rekening willen vereffenen met de Syrische potentaat, niet anders dan oproepen tot een militaire interventie in Syrië
En zes maanden geleden is Mali ook terechtgekomen in een oorlogssituatie, die voorlopig ook geen enkel perspectief biedt op een bijleggen van de strijd. Ook daar hebben de hoogwaardigheidsbekleders, de vertegenwoordigers van de westerse democratische bourgeoisie, zich zonder ophouden geërgerd en ongerust gemaakt over de hel die de bewoners van deze regio wacht, schaamteloos geteisterd door gewapende min of meer islamitische bendes.
Maar wat is er waar van deze besluiteloosheid, deze mediadrukte die geacht wordt een appel op ons te doen met betrekking tot het lot van deze twee landen in het bijzonder? Niets! Wind en niets dan wind!
Niet alleen maken de grote mogendheden zich, zoals overal elders, in feite geen enkele zorg betreffende de barbarij die de bevolking van Syrië of Mali ondergaan, maar is hun enige reële bezorgdheid de inschatting van de mogelijke voordelen en de risico’s van een militaire ingreep. Deze beide situaties zijn een kritieke uitdrukking van de impasse waarin de kapitalistische wereld zich bevindt en de onmacht waarin waarvoor de westerse mogendheden zich gesteld zien.
In Mali betreft het over een verwikkeling, rechtstreeks veroorzaakt enerzijds door de sociale ontaarding, die het Franse kolonialisme heeft achtergelaten en haar onvermogen om een voldoende stabiele Malinese staat in het leven te roepen. De uitbarsting van de verschillende fracties, die de laatste maanden opgedoken zijn, zegt genoeg over de ondergang van deze regio, die verder reikt dan Mali zelf. Van de Aqmi tot en met de Mnla, uitgaande van diverse groepen dissidenten en opposanten van het regime van Bamako, de één meer ‘diepgelovig’ dan de ander, gaat het om bendes gewapende bandieten, die niet gisteren als door een betovering en het daglicht gekomen zijn. Men zegt ons dat de terugkeer is van de Toearegs, die voorheen geronseld waren door Khadafi, met andere woorden honderden krijgshaftig getrainde mannen, die zware wapens met zich meesleuren, de factor zijn die deze nieuwe zone van chaos in de Sahel-regio hebben ontketend.
Alsof zoiets niet was te verwachten! Toppunt van ‘verwondering’! Libië heeft geen gemeenschappelijke grenzen met Mali en de Toearegs hebben dus twee grenzen moeten oversteken: die van Libië-Algerije en die van Algerije-Mali. Ze werden zelfs niet ontwapend(!) toen zij de rangen en krachten van de voortgaande Touareg-rebellie in belangrijke mate kwamen vergroten, waardoor de begeerte van de kleine lokale en regionale boeven alleen maar werd geprikkeld. De larve zat dus al geruime tijd in het fruit. Mali, zoals de hele Sahel, maakt inderdaad deel uit van deze historische, moeilijk te controleren plaatsen door de ontelbare bevolkingsgroepen met verschillende culturen, waaronder de ex-koloniale machten, in concreto Frankrijk, die gedurende meer dan 150 jaar de ongelijkheid heeft onderhouden en aangewakkerd volgens de leuze: ‘verdeel en heers’. En indien de huidige situatie het product is van wat genoemd wordt: ‘Françafrique’, kan ze slechts verergerd worden door de reeds twintig jaar durende schimmige oorlog tussen de Verenigde Staten en Frankrijk, met als inzet de controle over de markt van Afrikaanse grondstoffen. Na Soedan is het niet onmogelijk dat ook Mali opgedeeld gaat worden in twee verschillende staten. Ondertussen verspreidt zich een cholera-epidemie in Goa, waarmee uitzinnige islamieten de omgeving extra hebben ondermijnd, en aldus de ganse bevolking hebben gegijzeld. Maar we mogen gerust zijn, de Veiligheidsraad van de VN heeft in een resolutie, donderdag met unanimiteit aangenomen, opgeroepen tot sancties tegen de rebellen van Noord-Mali terwijl de Cedeao elke westerse militaire inmenging in het land verbiedt!
Stad na stad wordt het land onderworpen aan een intensief artillerie-bombardement en zit de bevolking gedurende dagen of weken opgesloten in hun huizen of kelders, zonder voeding of elektriciteit. Sluipschutters van het leger installeren zich op de daken, iedereen neerschietend die zo gek is om voedsel te gaan halen voor zijn gezin. En als dan uiteindelijk de stad valt, worden alle gezinnen direct en persoonlijk getroffen, hetzij door de soldaten van het reguliere leger of nog vaker - door de massieve deserties van soldaten die walgen van wat ze moesten doen - door bendes vage criminelen, ‘Shabiha’ genoemd, oftewel ‘geesten’. De twee meest bekende moordpartijen hebben plaatsgevonden in Houla en Mazraat al-Qubair, maar ze zijn helemaal niet de enige voorbeelden.
Met de meest schaamteloze arrogantie praten de woordvoeders van het regime de bloedbaden goed door het bestaan van ‘gewapende terroristische groepen’, die zich gevestigd zouden hebben in de desbetreffende steden. Heel dikwijls beschuldigen ze dat de moordpartijen van vrouwen en mannen, die het meest uitvoerig in het nieuws geweest zijn, komen van deze groepen die zogenaamd handelend om de regering in diskrediet te brengen
Tegenover de grote protestacties, die tegen zijn overheersing ontstaan zijn tijdens de andere massabewegingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, heeft Pasar el-Assad de sporen van zijn vader proberen te volgen: in 1982 heeft Hafez el-Assad weerstand moeten bieden aan een andere opstand geconcentreerd in Hama en geleid door de Moslimbroeders. Het regime heeft toen een gruwelijke slachting aangericht: het dodenaantal werd geschat tussen de 17.000 en 40.000. De opstand werd verpletterd en de dynastie van Assad heeft bijna 30 lang jaar een min of meer gecontesteerde controle over het land kunnen handhaven.
Wat verleden jaar begonnen is als een ongewapende volksopstand tegen het regime van Assad, is veranderd in een lokale oorlog tussen de regionale en mondiale imperialistische mogendheden. De voornaamste geallieerde van Syrië in de regio, Iran, houdt zich aan de zijde van Assad en men weet dat de ‘Bewakers van de Revolutie’ of andere agenten van de islamitische republiek ter plaatse meewerken en medeplichtig zijn aan de terreurcampagne van Assad. Deze laatste blijft bovendien genieten van de bescherming van Rusland en China die, in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, actief de resoluties blokkeren die zijn regering veroordelen en oproepen tot sancties. Zelfs als Rusland zich, ten opzichte van de begaande afschuwelijkheden, genoodzaakt zag zijn houding te matigen, door zijn eerste schuchtere kritiek te uiten over de moordpartijen van Assad, dan vormt haar steun aan de ‘non-interventiepolitiek’ een versterking van de massale hulp met wapens aan Syrië. Hillary Clinton heeft Rusland er recentelijk van beschuldigd aanvalshelikopters te leveren - waarop Sergueï Lavrov, de Russische Minister van Buitenlandse Zaken, antwoordde dat de helikopters enkel een ‘defensieve’ taak vervullen en dat het Westen in ieder geval de rebellen bewapent. Wat evenzeer waar is.
Want vanaf het moment dat de oppositie zich verenigd had rond het Vrije Syrische Leger en de nationale Syrische Raad tot een belangrijke politieke burgerlijke macht werd, zijn er wapentransporten geweest vanuit Saoedi-Arabië en Qatar.
Wat betreft Turkije, die lange tijd goede relaties heeft onderhouden met het regime van Assad, zagen we in de laatste maanden hoe deze haar houding radicaal veranderde met een veroordeling van de onmenselijkheid, door bescherming te bieden aan dissidente militairen en ontheemden, die deze moordpartij ontvluchten.
Op militair vlak heeft zij een belangrijke macht op de been gebracht aan de Syrische grens en Moskou er tegelijkertijd van beschuldigend Syrië te steunen. Hillary Clinton suggereert dat de massale komst van Syrische troepen rond Aleppo, vlakbij de grens met Turkije “best de rode lijn zou kunnen zijn voor de Turken in de verdediging van hun nationale strategische belangen”. Van de kant van de Turkse staat betreft het een politiek van duidelijke (1) provocatie, bedoeld om in de ogen van de westerse mogendheden een versterkte status te verwerven als voornaamste macht op het regionaal vlak.
De politiek van terreur van Assad, verre van de ijzeren greep op het land te verstevigen, heeft alles tot een kookpunt gebracht in een perspectief van een niet te overzien imperialistisch conflict. De etnische en religieuze verdelingen binnen het land nemen alleen maar toe. De Iraniërs steunen de Alawitische minderheid, oftewel de Saoedi’ s, en zonder enige twijfel een resem aan ongecontroleerde djihadstrijders, die door het conflict worden aangetrokken, om een soort Soennitisch regime op te leggen. De spanning tussen christenen en islamieten en tussen Koerden en Arabieren stijgt ook. Het geheel vindt plaats in een context waarbij Israël de Verenigde Staten onder druk zet om Iran aan te vallen en dreigt om de klus zelf te klaren. Tevens zou een escalatie van de oorlog in Syrië als gevolg hebben dat de Iraanse kwestie nog meer in het daglicht wordt gesteld, met nog meer verstrekkende en verwoestende gevolgen.
De sociale en politieke gevolgen van een nieuw oorlogstoneel, dat zich opent voor de grote mogendheden in deze Syrische regio, zijn niet in te schatten. Hetzelfde geldt voor Mali, waar een reëel risico bestaat dat de gehele Sahel in vuur en vlam wordt gezet door de creatie van een immense haard van conflicten, die Afrika van oost naar west doorkruist.
We kunnen dus niet voorspellen of de westerse mogendheden in de komende periode, hetzij in Syrië hetzij in Mali, gaan tussenkomen, daar de situatie dan waarschijnlijk oncontroleerbaar zou worden. Maar of zij het nu wel of niet doen, de doden stapelen zich op en hun uitvoerige ‘humanitaire’ toespraken tonen aan wat ze waard zijn: leugens, misprijzen voor de bevolking en de inschatting van de verschillende belangen
Wilma / 07.08.2012
(1) De vernietiging van een Turks vliegtuig boven het Libische luchtruim is er een bewijs van.
In de hiernavolgende bijdrage stellen wij de eerste inleiding voor van deze cyclus. De erop volgende discussie was heel levendig en kon zich verheugen op de deelname van alle aanwezigen.
Deze eerste discussie centreerde zich rond vier grote lijnen : het zoeken om definities en gehanteerde begrippen beter te omschrijven (geld en krediet, schulden, afzetmarkten, ruil- en gebruikswaarden, enz.) ; de historische crisis van het kapitalisme ( zijn verval) en de kwestie van de overproductie ; het verband tussen crisis – oorlog – heropbouw en de rol van het imperialisme en thema’s die al een aanloop vormden naar de volgende twee discussie-rondes.Na de cyclus werden alle teksten gebundeld. Deze bundel is ook op aanvraag verkruigbaar.
Om te beginnen is het onloochenbaar dat de crisis zich, en wel het meest spectaculair zelfs, uit op het financiële vlak: de banken hebben vanaf het einde van de jaren 1980 alle ruimte gekregen om hun politiek van financieren en tussenhandel te verruimen en vormen nu – ook al is het virtueel via de computer – een belangrijkere markt dan alle niet-financiële sectoren bij elkaar. In 2008 was de som van de wereldwijde financiële transacties toegenomen tot 2.200.000 miljard dollar, tegen een Bruto Nationaal Product op wereldschaal van 55.000 miljard. De speculatieve economie is daardoor 40 keer groter dan de zogenaamde ‘echte’ economie. En deze miljarden zijn in de afgelopen jaren in toenemende mate geïnvesteerd in doldraaiende en zelfvernietigende beleggingen. De financiële sector is de laatste 25 jaar niet meer gebaseerd op reële of intrinsieke waarden, maar tot een steeds meer op zichzelf gericht fenomeen uitgegroeid. Ze heeft haar contact met de economische realiteit volkomen verloren. Ze staat al lang niet meer ten dienst staan van de reële economie, maar is gebaseerd op irreële overwaarde (lucht). Het is hier, waar de enorm opgeblazen schulden van overheden, financiële instellingen, ondernemingen en particulieren uit voortvloeien.
Op het einde van de 20e eeuw heeft de bourgeoisie de banken alle ruimte heeft gegeven om hogere hypotheekleningen te verstrekken dan gebruikelijk was tegen een hele lage aanvangsrente. De explosie van dit hypothecaire krediet zorgde in een groot aantal landen voor stijgende vastgoed- en huizenprijzen. Door steeds grotere leningen te verstrekken tegen sterk overgewaardeerde prijzen op de huizenmarkt, konden de banken een steeds groter deel van het inkomen van de arbeiders aan rente innen. Tot het moment dat de rente verhoogd werd, om de dreigende inflatie (verhoging van de huizenprijzen leidde tot een oververhitting van de huizenmarkt) een halt toe te roepen. En toen konden plotseling een massa aan arbeidersfamilies de rente op hun hypotheek niet meer opbrengenMaar het verschijnsel van arbeidersfamilies, die met handen en voeten gebonden zijn aan een hypotheek, is altijd al aanwezig geweest binnen het kapitalisme en kan de omvang van de huidige krisis niet verklaren. Tegenwoordig zijn ze met handen en voeten gebonden aan de banken, vroeger waren ze dat aan de patroon, zoals we weten uit de verslagen van Friedrich Engels: ‘De ketening van de arbeider aan een eigen huis’, bestond al in de jaren ‘80 van de 19e eeuw“. (De fabrikant) Dolfuss en zijn collega’s trachtten de arbeiders kleine huisjes te verkopen die in jaarlijkse termijnen afbetaald moesten worden. (….) Op deze manier gingen de arbeiders gebukt onder zware hypotheeklasten (...) en werden daarna pas echt de slaven van hun broodheren; ze waren gebonden aan hun huizen, ze konden niet weg, en moesten alle werkomstandigheden slikken”. (Friedrich Engels 1887)
Het probleem betreft echter niet de immobiliënmarkt op zich maar het gehele marktmechanisme met zijn uitgesproken speculatief karakter.
De extravagante leningen van banken aan huishoudens en bedrijven, die de crisis veroorzaakten, hadden geen productief karakter. Er werd geen echte waarde gecreëerd, alleen de kosten van de al bestaande goederen en diensten werden verhoogd door de politiek van de banken. Op een nog vulgairder wijze verstrekten verzekeraars polissen met gigantische verborgen kosten, de toepasselijk getitelde woekerpolissen. Banken en verzekeraars verdienden dus - figuurlijk - hun geld door tolpoortjes neer te zetten, niet door nieuwe wegen aan te leggen. Hoe de winsten ook gerealiseerd werden door de betreffende banken, alle instellingen (pensioenfondsen, banken, woningcorporaties) in de hele wereld wilden een graantje van meepikken van de winsten die, middels rommelhypotheken, gemaakt werden op de, met name de Amerikaanse, huizenmarkt. Deze rommelhypotheken, deze risicovolle beleningen, werden vermengd met minder risicovolle beleningen en door de betreffende banken op de beurs te koop aangeboden.
En ondanks het feit, of juist vanwege het feit dat de aandelen, obligaties van de betrokken banken en verzekeringsmaatschappijen bleven stijgen, gingen anderen, die daar ook van wilden snoepen, steeds meer risico’s aan. Om mee te kunnen doen aan dit casinospel kregen de banken (eigenlijk gewone nutsbedrijven) toestemming van hun respectievelijke staat hun voorraad liquide middelen tot een minimum terug te brengen. De inkomsten namen inderdaad met grote sprongen toe. De pensioenfondsen in Nederland bijvoorbeeld verdienden er zoveel mee dat de staat in de jaren 1990 hun kas zelfs tweemaal heeft afgeroomd, omdat ze over teveel kapitaalreserves beschikten. De met grote sprongen toegenomen winsten waren op zichzelf het bewijs dat het allemaal geen kwaad kon. Maar toen in de VS de (de virtuele) overwaarde plotseling in rook opging, zaten de instellingen in de rest van de wereld ook met de gebakken peren: hun beleggingen in de rommelhypotheken bleken opeens bijna niks meer waard te zijn.
Ook dit fenomeen is niet nieuw. Ook dit fenomeen hebben we in de geschiedenis ook al eens eerder gezien en zegt niets over de oorzaak van de crisis van vandaag. Eén van de belangrijkste verschijnselen van de Grote Depressie van de jaren 1930 van de vorige eeuw was het aantal banken dat failliet ging. Ook toen daalde het vertrouwen tussen de banken tot een nulpunt (want wie heeft hoeveel onbetrouwbare beleggingen?), waardoor de liquiditeitsverstrekking, het smeermiddel van de economie, tot een nulpunt daalde.
In de laatste jaren is iedere ineenstorting van de beurs gepaard gegaan met affaires over zogenaamde bedrieglijke handelaars. Het waren niet alleen maar fraudeurs: zo zijn de praktijken van Madoffs de laatste zestien jaar wel acht keer tegen het licht gehouden door allerlei toezichthoudende autoriteiten, zoals de Securities en Exchange Commission (SEC). Hoewel onderzoekers getipt waren, stuitten ze nooit op fraude. In feite hebben de volgende voorbeelden met veel risico’s gespeculeerd, maar zijn ze er op een ongelofelijke manier mee de teil in gegaan. In december 2008 was het Bernard Madoff opeens een fraudeur, toen bleek dat de bankenreus Lehman Brothers 65 miljard dollar in lucht had zien opgaan. Hetzelfde gebeurde in september 2011 door toedoen van Kweku Adoboli met een ‘fraude’ van 2.3 miljard dollar bij de Zwitserse bank UBS. In januari 2008 herhaalde dat zich nog eens door Jerome Kirviel met een ‘fraude’ van 4.82 miljard euro’s bij Franse Bank Société Générale. Maar speculatie is geen nieuw fenomeen : “Een zekere Sullivan krijgt op het ogenblik van zijn vertrek — voor een regeringsopdracht — naar een deel van Indië, dat ver verwijderd ligt van de opiumgebieden, een opiumcontract toegewezen. Sullivan verkoopt zijn contract voor £40.000 aan een zekere Binn, Binn verkoopt het contract op dezelfde dag voor £60.000 en de uiteindelijke koper en uitvoerder van het contract verklaart dat hij er daarna nog een enorme winst uit haalde.”
Maar dit fenomeen is ook helemaal niet kenmerkend voor de huidige crisis. Het bestaat al heel lang binnen het kapitalisme. Marx omschreef de destructieve werking van de financiële sector en de speculanten in zijn tijd als de ‘plunderende ridders van het krediet’;‘een parasitaire klasse’. “Het woekerend kapitaal gebruikt de kapitalistische wijze van exploitatie, zonder de kapitalistische wijze van productie,”
Eens te meer dus is speculatie een fenomeen dat aanwezig was doorheen de ganse geschiedenis van het kapitalisme en bijgevolg kan het moeilijk de grondslag vormen voor de huidige crisis van het kapitalisme.
Dat er een enorme kloof gaapt tussen de economieën van zuidelijke en noordelijke Europese landen als Nederland en Duitsland wisten we in 2000 ook al. Een land als Griekenland is niet in staat om te concurreren met de meer noordelijke landen. Het was duidelijk dat de situatie vanaf het begin onhoudbaar was en de fundamenten van de Europese munteenheid wel moest ondermijnen. De verschillende bourgeoisieën uit het Noorden handelden in het verleden echter zeer bewust in overeenstemming met hun economische belangen toen ze landen uit de Europese periferie, die aantoonbaar met begrotingscijfers knoeiden, toch de Eurozone inloodsten. Strenge fiscale regels werden terzijde geschoven omwille van de beloftes van nieuwe, beschermde markten voor hun ondernemingen.
Ook nu proberen de politici mogelijke inzichten te vertroebelen door de boodschapper aan te vallen. Maar dit beantwoordt natuurlijk aan de rol waarvoor ze aangesteld en betaald worden : de bevolking voor te liegen over de grondslag van de gebeurtenissen die de financiële druk veroorzaken op bepaalde Europese landen en de spanningen binnen de Eurozone verscherpen, en vooral te verbergen dat het kapitalisme gekenmerkt wordt door fundamentele tegenspraken, die binnen dit systeem niet op te lossen zijn.
Het kapitalisme is de eerste maatschappijvorm in de geschiedenis wier crisis niet het gevolg van onderproductie, van een product van tekort, maar als gevolg van een overproductie, van een teveel aan goederen. In de crisissen breekt een maatschappelijke epidemie uit, die voor alle vroegere periodes iets onzinnigs zou hebben geleken – de epidemie van de overproductie. Het is een crisis van de op loonarbeid gebaseerde kapitalistische productiewijze Het kapitalisme is sinds zijn ontstaan belast met een soort van aangeboren ziekte: het produceert in overvloed een vergif dat niet zijn organisme niet de baas kan, de overproductie. Het vervaardigt meer waren dan zijn markt kan opslorpen. Waarom? Laten we een voorbeeld nemen om dat uit te leggen: een arbeider werkt aan een lopende band of achter een computer en krijgt aan het eind van de maand 800 euro uitbetaald. In feite produceert hij niet het equivalent van de 800 euro, dat hij ontvangt, maar een waarde van wel 1600 euro. Hij heeft waarde voortgebracht die hij niet betaald krijgt of anders gezegd, een meerwaarde. Wat doet de kapitalist met de 800 euro die hij van de arbeider gestolen heeft (op voorwaarde dat hij die waren verkocht krijgt)? Hij gebruikt een deel ervan voor zijn persoonlijke consumptie, laten we zeggen: 150 euro. De overblijvende 650 euro herinvesteert hij in het kapitaal van zijn bedrijf, meestal in de vorm van de aankoop van modernere machines, enzovoort. Maar waarom gaat de kapitalist zo te werk? Omdat hij er economisch toe gedreven wordt. Het kapitalisme is een systeem van concurrentie, de producten moeten goedkoper verkocht worden dan die van de buurman, die dezelfde producten fabriceert. Bijgevolg moet de patroon niet alleen zijn productiekosten – lees: lonen – verlagen, maar bovendien een groeiend deel van de onbetaalde arbeid van de arbeiders opnieuw en, op de eerste plaats, investeren in meer modernere machines om de productiviteit op te voeren. Indien hij dit niet doet, kan hij niet moderniseren en zal zijn concurrent, vroeger of later, wel goedkoper kunnen verkopen en de markt kunnen inpalmen. Het kapitalistisch systeem is behept met een tegenstrijdig fenomeen: door de arbeiders niet volledig te vergoeden voor wat ze effectief als arbeid geleverd hebben en door de bazen te noodzaken af te zien een groot deel van de winst, dat ze zo afgeperst hebben, zelf te verbruiken, produceert het systeem meer waarde dan het kan verhandelen. De arbeiders en kapitalisten kunnen samen nooit alle geproduceerde waren verbruiken. Het kapitalisme moet daarom het overschot aan waren buiten zijn eigen productiesfeer verkopen, op markten die nog niet veroverd werden door de kapitalistische productieverhoudingen, en die we de extra-kapitalistische markten noemen. Als het daar niet in slaagt, wordt het geconfronteerd met een overproductiecrisis.
Dit zijn in grote lijnen samengevat de conclusies waar de werken van Karl Marx in Het Kapitaal en van Rosa Luxemburg in De accumulatie van het kapitaal toe geleid hebben. Om het nog beknopter te zeggen, vatten we de theorie van de overproductie in enkele punten samen:
- Het kapitaal buit zijn arbeiders uit (of anders gezegd: hun lonen zijn minder belangrijk dan de werkelijke waarde die ze met hun arbeid scheppen).- Het kapitaal kan zo zijn waren met winst verkopen, voor een prijs die behalve het loon van de arbeiders en de meerwaarde, ook de afbetaling van de productiemiddelen mogelijk maakt. Maar de vraag is: aan wie?
- Natuurlijk kopen de arbeiders die waren… voor zover hun loon daartoe strekken. Er blijft dus een goed deel over dat nog verkocht moet worden. De waarde daarvan is gelijk aan het gedeelte van het werk van de arbeiders dat zij niet betaald krijgen. Enkel dat gedeelte bezit de magische kracht winst op te brengen voor het kapitaal.- De kapitalisten verbruiken zelf ook… en zijn er meestal niet te slecht aan toe. Maar ze kunnen op hun eentje niet alle waren kopen die draagsters zijn van de meerwaarde. Dat zou zinloos zijn. Het kapitaal kan, als het winst wil maken, niet de eigen waren van zichzelf kopen; het zou zijn alsof het geld haalt uit de linkerzak om het vervolgens in de rechterzak te steken. Niemand wordt daar rijker van, zullen de armen je vertellen.
- Om te accumuleren, om zich te ontwikkelen, moet het kapitaal dus kopers vinden buiten sfeer van de arbeiders en de kapitalisten. Anders gezegd, het moet absoluut afzetmarkten vinden buiten zijn systeem, zo niet blijft het zitten met onverkoopbare waren die de markt verstikken: het zit dan met een ‘overproductiecrisis’! n
DS
Om die reden stelt de IKS dan ook vandaag dat de arbeidersklasse niets te zoeken heeft op het verkiezingsterrein. Deze houding van de revolutionairen heeft niets te maken met het specifieke karakter van de gemeenteraadsverkiezingen die in oktober in België doorgaan, maar vloeit voort, zoals onderstaande tekst duidelijk maakt, uit de algemene kenmerken van de ontwikkeling van het kapitalisme sedert begin van vorige eeuw.
Geconfronteerd met de angst voor de toekomst, de schrik voor de werkloosheid, het balen van de soberheid en de bestaansonzekerheid, gebruikt de bourgeoisie de verkiezingen om het nadenken binnen de arbeidersklasse te belemmeren.De weigering om deel te nemen aan het verkiezingscircus is geen vanzelfsprekende zaak voor het proletariaat omdat deze misleiding nauw verbonden is met de kern van de ideologie van de heersende klasse: de democratie. Heel het sociale leven van het kapitalisme wordt door de bourgeoisie georganiseerd rond de mythe van de democratische staat. Deze mythe is gegrondvest op het leugenachtige idee dat alle burgers gelijk en vrij zouden zijn om via hun stem, te kiezen voor hun politieke vertegenwoordigers en het parlement, dat voorgesteld wordt als de weerspiegeling van de volkswil. Dit ideologische bedrog is voor de arbeiders moeilijk te ontzenuwen, ook al omdat de verkiezingsmis-leiding gedeeltelijk steunt op bepaalde waarheden. De bourgeoisie misbruikt ze, via het vervalsen van de geschiedenis van de arbeidersbeweging, door de herinnering op te roepen van de heldhaftige strijd van de arbeidersklasse voor de verovering van het stemrecht. Tegen de grove propagandistische leugens is het noodzakelijk om terug te grijpen op de werkelijke standpunten die werden verdedigd door de arbeidersbeweging en haar revolutionaire organisaties. En dat niet op zichzelf, maar met betrekking tot de verschillende perioden van de ontwikkeling van het kapitalisme en van de behoeften van de revolutionaire strijd van het proletariaat.
De negentiende eeuw is de periode van volle ontwikkeling van het kapitalisme, waarbij de bourgeoisie het algemeen stemrecht en het parlement gebruikte in haar strijd tegen de adel en haar eigen reactionaire fracties. Zoals Rosa Luxemburg in 1904 onderstreepte in haar tekst Sociaal-democratie en parlementarisme: Verre van een absoluut product te zijn van de democratische ontwikkeling, van de vooruitgang van het menselijke geslacht of van soortgelijk schoons, is het parlementarisme veeleer de bepaalde historische vorm van de klassenheerschappij van de bourgeoisie en dit is dan de keerzijde van deze heerschappij van de strijd van de bourgeoisie tegen het feodalisme. Het burgerlijke parlementarisme blijft slechts zolang in leven als de strijd tussen de bourgeoisie en het feodalisme duurt. (Rosa Luxemburg, Orde heerst in Berlijn, L.J.C. Boucher, Den Haag) Met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, schaft de bourgeoisie de lijfeigenschap af en breidt zij de loonarbeid uit voor de behoeften van haar economie. Het parlement wordt de arena waar de verschillende burgerlijke partijen elkaar bevechten om te beslissen over de samenstelling en de oriënteringen van de regering die belast wordt met de uitvoerende macht. Het parlement wordt tot het centrum van het burgerlijke politieke leven, maar in dit democratisch parlementair systeem, zijn alleen de notabelen kiezers. De proletariërs hebben geen spreekrecht, noch het recht van organisatie.
Onder druk van de Eerste en vervolgens van de Tweede Internationale gingen de arbeiders sociale strijd van grote omvang voeren, dikwijls ten koste van hun eigen leven, om verbeteringen af te dwingen van hun levensvoorwaarden (vermindering van de werktijd van 14 tot 10 uren, verbod op kinderarbeid en op zwaar werk voor de vrouwen ). Aangezien het kapitalisme toen nog een sociaal systeem in volle bloei was, stond zijn omverwerping door de proletarische revolutie nog niet op de dagorde. Dat is de reden waarom de eisenstrijd op het economische vlak, via de vakbonden, en de strijd van zijn politieke partijen op het parlementaire terrein, het voor het proletariaat mogelijk maakten om hervormingen in zijn voordeel in de wacht te slepen. Een dergelijke deelname maakte het voor de arbeidersklasse mogelijk druk uit te oefenen ten gunste van deze hervormingen, en tegelijkertijd de verkiezingscampagnes te gebruiken als propaganda- en agitatiemiddel voor het proletarisch programma en het parlement te gebruiken als tribune om de schandelijke politiek van de bourgeoisie aan de kaak te stellen. Daarom ook was in een groot aantal landen de strijd voor het algemeen kiesrecht gedurende de hele 19e eeuw een van de belangrijkste gelegenheden voor de mobilisatie van het proletariaat (1). Dit zijn de stellingen die Marx en Engels gedurende heel deze periode van de bloei van het kapitalisme verdedigden in goedkeuring van de deelname van het proletariaat aan de verkiezingen.
Aan de dageraad van de twintigste eeuw had het kapitalisme de wereldmarkt veroverd. Toen het opbotste tegen de grenzen van zijn geografische uitbreiding, stuitte het op de objectieve beperkingen van de markten: de afzetmarkten van zijn productie worden steeds meer ontoereikend. De kapitalistische productieverhoudingen vormen zich vanaf dat moment om tot belemmeringen van de ontwikkeling van de productiekrachten. Het kapitalisme komt als een geheel terecht in een periode van crises en oorlogen van wereldomvang.
Een dergelijke omwenteling zal een diepe verandering teweegbrengen in de politieke levenswijze van de bourgeoisie, in het functioneren van haar staatsapparaat en, a fortiori, in de voorwaarden en strijdmiddelen van het proletariaat. De rol van de staat wordt overheersend want hij alleen is in staat om de orde en de samenhang te verzekeren van een kapitalistische maatschappij die wordt verscheurd door haar eigen tegenstellingen. De burgerlijke partijen worden steeds vanzelfsprekender tot instrumenten van de Staat die belast worden met het doen aanvaarden van diens politiek. De politieke macht vertoont de neiging om zich te gaan verplaatsen van de wetgevende naar de uitvoerende macht en het burgerlijke parlement wordt tot een lege huls. Het beschikt niet meer over een werkelijke beslissingsmacht. Deze werkelijkheid werd in 1920, op haar Tweede Congres, door de Kommunistische Internationale duidelijk gekenschetst. "De houding van de 3e Internationale ten overstaan van het parlementarisme wordt niet bepaald door een nieuwe doctrine maar door de verandering van de rol van het parlement zelf. In het voorbije historische tijdperk heeft het parlement als instrument van het kapitalisme in ontwikkeling, in zekere zin, meegewerkt aan de vooruitgang van de geschiedenis. Onder de moderne voorwaarden van ongebreideld imperialisme is het parlement een wapen van valsheid, bedrog, en geweld geworden, een plaats van opgewonden gebabbel.(...) In de huidige tijd kan het parlement, voor de kommunisten, in geen enkel geval, nog dienst doen als de arena voor de strijd voor hervormingen en verbeteringen van de levensstandaard van de arbeidersklasse, zoals dat het geval was op bepaalde momenten in het vorige tijdperk. Het brandpunt van het politieke leven is volledig en voorgoed naar buiten de grenzen van het parlement verschoven.” (2).
Sindsdien was er voor de bourgeoisie geen sprake meer van het toestaan van werkelijke en duurzame hervormingen van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse. Het tegendeel dringt zich op aan het proletariaat: steeds grotere opofferingen, ellende en uitbuiting. De revolutionairen zijn eensgezind in de erkenning van het feit dat het kapitalisme zijn historische grenzen heeft bereikt, en dat het in zijn vervalfase is binnengetreden, zoals bleek uit de ontketening van de 1e Wereldoorlog. Voortaan was het alternatief: socialisme of barbarij. Het tijdperk van de hervormingen was definitief afgesloten en de arbeiders konden niets meer verkrijgen op het terrein van de verkiezingen.
Desalniettemin ging er zich een debat ontwikkelen in de loop van de jaren 1920 in de schoot van de Kommunistische Internationale omtrent de mogelijkheid, verdedigd door Lenin en de Bolsjewistische Partij, van de tactiek van het revolutionaire parlementarisme. Geconfronteerd met de ontelbare vraagstukken die werden opgeworpen door de intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode, woog het gewicht van het verleden door op de arbeidersklasse en haar organisaties. De imperialistische oorlog, de proletarische revolutie in Rusland, en vervolgens de terugval van de proletarische strijdgolf op wereldvlak vanaf de jaren 1920 brachten Lenin en zijn kameraden er toe om te denken dat men het parlement van binnen uit zou kunnen vernietigen of het parlement zou kunnen gebruiken als een revolutionaire tribune. In feite zou deze foute tactiek de 3e Internationale steeds verder doen afdrijven naar compromissen met de ideologie van de heersende klasse. Het isolement van de Russische Revolutie, de onmogelijkheid van haar uitbreiding naar de rest van Europa door het neerslaan van de revolutie in Duitsland, zouden eerst de Bolsjewiki en de Internationale, en vervolgens de Kommunistische Partijen, doen afdrijven naar een ongebreideld opportunisme. Dit opportunisme zou hen er toe brengen om de revolutionaire standpunten van de 1e en de 2e Congres van de Kommunis-tische Internationale in vraag te gaan stellen om daarna, tijdens de daaropvolgende congressen, te ontaarden in het verraad van het stalinisme dat tot speerpunt werd van de triomferende contrarevolutie.
Tegen dit opgeven van de beginselen reageerden de meer linkse fracties in de Kommunistische Partijen (3). Te beginnen met de Italiaanse Linkerzijde met Bordiga aan het hoofd ervan die, reeds vr 1918, de verwerping van de verkiezingsactie voorstond. Eerst gekend als Absten-tionistische kommunistische fractie, werd die formeel opgericht na het Congres van Bologna in oktober 1919 en, in een brief gestuurd vanuit Napels naar Moskou, bevestigde zij dat een werkelijke partij die zich moest aansluiten bij de Kommunistische Internationale, alleen kon worden opgericht op basis van antiparlementaire grondslagen. Anton Pannekoek klaagde ook duidelijk de onmogelijkheid voor de revolutionairen aan om het parlement te gaan gebruiken, want een dergelijke tactiek zou enkel kunnen leiden tot het sluiten van compromissen, van toegevingen aan de heersende ideologie. Zij kon er enkel toe leiden om een schijn van leven te verlenen aan deze afstervende instellingen, tot aanmoedigen van de passiviteit van de arbeiders, terwijl de revolutie een actieve en bewuste deelname vereist van het geheel van het proletariaat.
In de jaren 1930, zou de Italiaanse Linkerzijde, via haar tijdschrift Bilan op concrete wijze aantonen hoe de strijd van de Franse en Spaanse proletariërs werd omgebogen naar het verkiezingsterrein. Bilan beweerde terecht dat de tactiek van de volksfronten in 1936, het mogelijk had gemaakt om het proletariaat als kanonnenvlees in te kaderen in de tweede imperialistische wereldslachting. Op het einde van deze afschuwelijke Holocaust was het de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk (waar de IKS uit voortkomt) die de revue Internationalisme publiceerde, die op de duidelijkste manier de tactiek van het revolutionaire parlementarisme zou aanklagen: De politiek van het revolutionaire parlementarisme heeft ruimschoots bijgedragen tot het ontaarden van de partijen van de Derde Internationale en de parlementaire fracties hebben gediend als forten van het opportunisme (). De waarheid is dat het proletariaat voor zijn bevrijdingsstrijd geen gebruik kan maken van het politieke strijdmiddel dat eigen is aan de bourgeoisie en bestemd is voor zijn onderwerping. Het revolutionaire parlementarisme heeft als werkelijke activiteit in feite nooit bestaan om de eenvoudige reden dat de revolutionaire actie van het proletariaat, wanneer deze er mee geconfronteerd werd, inhield dat het zich als klasse mobiliseerde op een buiten-kapitalistisch vlak, en niet gebonden aan stellingen binnen de kapitalistische maatschappij (4).
Sindsdien is het niet deelnemen aan de verkiezingen een klassengrens tussen de proletarische en de burgerlijke organisaties. Onder deze voorwaarden worden, sinds meer dan 80 jaar, de verkiezingen op wereldschaal door alle regeringen gebruikt, wat ook hun politieke kleur is, om het ongenoegen van de arbeiders af te leiden naar een steriel terrein en om de mythe van de democratie geloofwaardig te houden. Het is trouwens geen toeval dat vandaag, in tegenstelling tot de 19e eeuw, de democratische staten een verwoede strijd leveren tegen het abstentionisme (het niet-stemmen) en tegen de leegloop van de partijen, want de deelname van de arbeiders aan de verkiezingen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van de democratische zinsbegoocheling.
In tegenstelling tot de onpasselijk makende propaganda die ons ervan wil overtuigen dat de stembus regeert, moeten wij opnieuw bevestigen dat de verkiezingen een pure maskerade zijn. Natuurlijk kunnen er meningsverschillen bestaan bij de verschillende fracties die deel uitmaken van de burgerlijke staat over de wijze waarop de belangen van het nationale kapitaal het best verdedigd worden, maar fundamenteel organiseert en controleert de bourgeoisie het verkiezingscarnaval opdat het resultaat zou overeenstemmen met haar behoeften als heersende klasse. Dat is de reden waarom de kapitalistische staat haar dienstbare media organiseert, manipuleert en gebruikt. Zo is er sinds het einde van de jaren 1920 tot op heden, onafhankelijk van het resultaat van de verkiezingen, van het feit of het rechts was of links dat zegevierend uit de verkiezingen kwam, tenslotte altijd dezelfde anti-arbeiderspolitiek gevoerd.
De laatste maanden is het georkestreerd focussen van de bourgeoisie op de presidentsverkiezingen van mei 2007 in Frankrijk er tijdelijk in geslaagd om de aandacht van de arbeiders aan te trekken en hen er van te overtuigen dat deze een inzet vormen voor hun toekomst en voor die van hun kinderen. Niet alleen stort de bourgeoisie de arbeidersklasse in een absolute verpaupering, maar bovendien vernedert ze haar door haar het brood en spelen van het verkiezingscircus te geven. Vandaag blijft er voor het proletariaat geen andere keuze over. Ofwel laat het zich meeslepen op het verkiezingsterrein van de burgerlijke staten die haar uitbuiting en onderdrukking organiseren, een terrein waarop het slechts kan geatomiseerd worden en waarop het geen weerstand kan bieden aan de aanvallen van het kapitalisme in crisis. Ofwel ontwikkelt het zijn collectieve strijd, op een solidaire een eensgezinde wijze, ter verdediging van zijn levensvoorwaarden. Het is alleen op deze wijze dat het proletariaat zijn kracht zal kunnen terugvinden als revolutionaire klasse: zijn eenheid en zijn capaciteit om te strijden buiten en tegen de burgerlijke instellingen om (parlement en verkiezingen), voor de omverwerping van het kapitalisme.
Tegenover de verergering van de aanvallen en de electorale hersenspoeling ten spijt, is het proletariaat bezig met het ontwikkelen van een diepere overdenking van de betekenis van de massale werkloosheid, van de onophoudelijke aanvallen, van de ontmanteling van de pensioensystemen en de sociale bescherming. Op termijn kunnen de anti-arbeiderspolitiek van de bourgeoisie en het proletarisch verzet hiertegen slechts uitmonden in een groeiende bewustwording in de schoot van de arbeidersklasse, van het historisch bankroet van het kapitalisme. Het proletariaat moet niet meewerken aan het smeden van zijn eigen ketenen, maar moet ze stuk breken! De versterking van de kapitalistische staat moeten de arbeiders beantwoorden met de wil om hem te vernietigen!
Het alternatief van vandaag blijft dus hetzelfde als dat wat door de marxistische Linkerzijde in de jaren 1920 werd ontwikkeld: verkiezingen en misleiding van de arbeidersklasse of ontwikkeling van de bewustwording van de klasse en uitbreiding van de strijd naar de revolutie! n
D. (Naar Internationalisme nr, 331, april 2007)
(1) Platform van de IKS
(2) Tweede Kongres van de Kommunistische Internationale
(3) De IKS is de erfgename van deze Kommunistische Linkerzijde en onze standpunten zijn er de voortzetting van.
(4) Lees hiervoor het artikel van Internationalisme nr.36 van juli 1948, opnieuw gepubliceerd in de International Review nr.36 (Engels, Frans, Spaans).
De ernst van de situatie waarmee de mensheid wordt geconfronteerd, is steeds meer zonneklaar. De kapitalistische wereldeconomie is, nadat ze veertig jaar lang geprobeerd heeft een antwoord te vinden op de open economische crisis, voor onze ogen aan 't ineenstorten. De vooruitzichten, gesteld door de vernietiging van het milieu, lijken met ieder nieuw wetenschappelijk onderzoek wel meer duister te worden. Oorlog, hongerdood, onderdrukking en corruptie is het dagelijks lot van miljoenen mensen. Tegelijkertijd beginnen de arbeidersklasse en de andere onderdrukte lagen binnen de maatschappij in verzet te komen tegen de eisen van het kapitalisme om offers te brengen en te bezuinigen. In een hele reeks van landen, van Noord-Afrika tot Europa en van Noord- tot Zuid-Amerika, zijn sociale revoltes, bezettingen, demonstraties en stakingsbewegingen uitgebroken.
De ontwikkeling van al deze tegenspraken en conflicten bevestigen meer dan ooit de noodzaak van een actieve aanwezigheid van een revolutionaire organisatie, die in staat is de zich snel ontwikkelende situatie te analyseren, duidelijk met één stem te spreken over de grenzen en continenten heen, op directe wijze deel te nemen in de beweging van de uitgebuiten en hulp te bieden bij de verheldering van hun methoden en doeleinden.
Het is onnodig om te verbergen dat de krachten van de IKS uiterst beperkt zijn in vergelijking met de reusachtige verantwoordelijkheid waarvoor we ons gesteld zien. Wereldwijd zien we een nieuwe generatie opkomen, die op zoek is naar revolutionaire antwoorden op de crisis van het systeem. Daarom is het nodig dat al diegenen, die sympathiseren met de globale doeleinden van onze organisatie, contact opnemen met de IKS en onze bekwaamheid om te handelen en te groeien met hun bijdrage ondersteunen.
We hebben het hier niet zozeer over het vervoegen van onze organisatie, ofschoon we dat graag zouden zien gebeuren. We waarderen iedere vorm van steun en bijstand die al degenen, die in het algemeen akkoord zijn met onze politiek, kunnen bieden
Op de eerst plaats door met ons te discussiëren. Schrijf ons per brief of email of neem deel aan ons online discussieforum in verschillende talen. Kom naar onze openbare en contactbijeenkomsten. Stel vragen over onze standpunten, analyses, de manier waarop we schrijven, de manier waarop de website functioneert, enzovoort.
Schrijf voor onze website en kranten, hetzij verslagen van bijeenkomsten waar je aan hebt deelgenomen, of over wat er gebeurt op je werk, in je sector, in je wijk of meer uitgebreide artikels, theoretische bijdragen, enzovoort.
Help ons om te vertalen in de vele verschillende talen waarin we schrijven: de IKS heeft websites in verschillende vormen in het Engels, Frans, Spaans, Duits, Nederlands, Italiaans, Portugees, Hongaars, Zweeds, Fins, Russisch, Turks, Farsi, Bengaals, Koreaans, Japans, Chinees en Filipijns. Er zijn altijd veel artikelen om in alle talen te vertalen, waarbij enkele van de basisteksten van onze organisatie inbegrepen. Als je in staat ben om te vertalen naar deze of naar andere talen, laat ons dit even weten.
Deelnemen aan onze openbare activiteiten, de verkoop van de pers, het woord nemen en verspreiden van onze pers en pamfletten in stakingsposten, demonstraties en bezettingen. Help ons om tussen te komen in politieke bijeenkomsten, ga er op eigen initiatief heen en verdedig de revolutionaire standpunten, of draag bij aan de discussies op de internetforums, waar we regelmatig aan deelnemen, zoals www.revleft.space [17] (in het bijzonder het linkskommunistische forum op de laatste: www.revleft.space [17]), www.libcom.org [18] of www.red-marx.com [19], enzovoort.
Als je nog andere kameraden kent, die geïnteresseerd zijn in discussie over revolutionaire politiek en de klassestrijd, zet dan discussiekringen op, forums over de klassestrijd of soortgelijke groepen, die we graag willen helpen opstarten en waar we zelf aan deel willen nemen.
Draag bij op het praktische vlak met foto’s, artistieke creaties, computerkennis .
Help om de beperkte financiële mogelijkheden te vergroten door regelmatige financiële bijdragen te geven, een abonnement te nemen op onze pers, extra exemplaren te verkopen aan mensen die je kent, of in de plaatselijke krantenkiosk of boekhandels te plaatsen.
We verwelkomen met enthousiasme ieder verzoek van kameraden die hun hulp willen opvoeren aan de organisatie door lid te worden Terwijl niet iedere sympathisant de organisatie zal vervoegen, beschouwen wij het lid worden toch als een deelname aan de geschiedenis van de proletarische strijd in de volle zin van het word. Het proletariaat is van nature een klasse wier kracht ligt in haar capaciteit tot collectieve organisatie, en dit geldt met name voor haar revolutionaire elementen, die altijd hebben geprobeerd zich te verenigen in organisaties om, als afweer tegen het enorme gewicht van de heersende ideologie, het kommunistisch vooruitzicht te verdedigen
Lid worden van de IKS stelt kameraden in staat om een directe wijze deel te nemen aan de overdenking en discussies, die op permanente basis binnen de organisatie plaatsvinden en die bedoeld zijn om de meest effectieve bijdrage te leveren aan onze interventie in de klassestrijd. Om de analyses en politieke standpunten van de organisatie vorm te geven, is de meest geëigende plaats van de individuele militant binnen de organisatie, omdat de leden voor de organisatie als geheel een onvervangbare bron zijn, waar het op kan rekenen en waardoor ze haar activiteiten op wereldschaal kan ontwikkelen.
Voordat iemand de IKS vervoegt is het van wezenlijk belang voor iedere kameraad een diepgaande discussie voert over onze fundamentele politieke standpunten, die door een algemene marxistische samenhang met elkaar verbonden en vastgelegd zijn in ons platform. Zij die lid worden, doen dat dan op basis van een oprechte overtuiging en, omdat ze er een werkelijk begrip van hebben, zijn ze in staat onze politieke standpunten met argumenten te onderbouwen.
Het is eveneens belangrijk om de statuten van de organisatie te bediscussiëren en akkoord te kunnen gaan met onze principes en regels, die ons functioneren richting geven: met onze collectieve wijze van organiseren op lokaal, territoriaal, en internationaal vlak, met de rol van de congressen en de centrale organen, met de wijze waarop we onze interne debatten voeren, wat er verwacht wordt van de leden op het vlak van hun deelname aan het leven van de organisatie, enzovoort. De essentiële benadering, die vervat is in onze statuten, kan gevonden worden in de tekst: Rapport over de structuur en de functionering van de revolutionaire organisatie.
In deze zin plaatsen we ons in de traditie van de bolsjewistische partij, voor wie een lid iemand was die niet alleen instemde met het programma van de partij, maar ook probeerde om het actief te verdedigen doorheen de activiteiten van de organisatie, en daarom bereid was zich te wijden aan haar methoden van functioneren, zoals die in haar statuten waren belichaamd.
Dit is geen proces dat zomaar eventjes gedaan wordt, maar dat en tijd en geduld vraagt. In tegenstelling tot allerlei ultralinkse groepen, zoals de trotskisten en anderen, die zich er onterecht op beroepen af te stammen van het bolsjewisme, is het niet onze politiek om tot iedere prijs nieuwe kameraden te rekruteren en dus uiteindelijk leden te werven, die niet meer dan een pion zijn in het spel van een bureaucratische leiding. Een werkelijke kommunistische organisatie kan alleen bloeien als haar leden een diepgaand begrip hebben van haar standpunten en analyses en in staat zijn om deel te nemen aan de collectieve inspanning ze in de praktijk te brengen en te ontwikkelen.
Revolutionaire politiek is geen hobby. Het houdt zowel een intellectuele als een emotionele betrokkenheid in om de eisen van de klassenstrijd confronteren. Maar het is ook geen monnikenwerk dat plaatsvindt geÏsoleerd en afgesneden van het reilen en zeilen en de behoefte van de rest van de werkende klasse. We zijn geen sekte, die ernaar streeft alle aspecten van het leven van onze leden te regelen, en hen te veranderen in fanatici, die niet in staat zijn tot kritisch denken.
We verwachten ook niet dat ieder lid een specialist is op alle vlakken van de marxistische theorie, of onze rijen vervoegt met hoogontwikkelde capaciteiten op het vlak van schrijven en spreken. We erkennen dat individuele kameraden onderscheiden capaciteiten hebben op verschillende terreinen. We werken aan het kommunistische principe waarin ieder bijdraagt naar vermogen dat het de taak van het collectief is om al deze individuele energieën op de meest effectieve manier ten nutte te maken
De beslissing om lid te worden van een revolutionaire organisatie moet niet oppervlakkig worden opgevat. Zich bij de IKS vervoegen, betekent deel nemen aan een wereldwijde kameraadschappelijke strijd voor een gemeenschappelijk doel het enige doel dat werkelijk een toekomst aan de mensheid biedt n IKS / 04.2012
(https://discussiegroepspartacus.wordpress.com/2012/03/10/inleiding-imperialisme/#more-1234 [22])
De inleiding geeft een goed beeld van de ontwikkeling van het begrip imperialisme in de loop der eeuwen, van de antieke tot de kapitalistische maatschappijvorm, wat wij op die avond ook hebben benadrukt.Wat naar ons inzien echter ontbrak is de nadruk die moet gelegd worden op de rol, die het imperialisme gaat spelen zodra het kapitalisme over het hoogtepunt van zijn ontwikkeling heen is. Het is vooral Rosa Luxemburg, die in het begin van de 20e eeuw de kwestie van de crisis door overproductie gaat verbinden met de algemene tendens tot imperialistische politiek door alle staten en zo de basis legt om er doeltreffend tegen te strijden.
R. Luxemburg schreef: “Het moderne imperialisme is (… ) slechts het laatste hoofdstuk van het historisch proces van expansie; het is de periode van universeel verscherpte concurrentie tussen de kapitalistische staten voor het laatste overschotje van niet-kapitalistische gebieden op de wereld. In de eindfase, is de economische en politieke catastrofe evenzeer de intrinsieke normale wijze van bestaan voor het kapitaal als dat het geval was bij de ‘primitieve accumulatie’ van zijn ontwikkelingsstadium (…) de economische expansie van kapitaal in zijn imperialistische fase is onafscheidelijk van de reeks van koloniale veroveringen en Wereldoorlog die wij nu meemaken. (…). In deze zin brengt het imperialisme de catastrofe als een bestaanswijze terug van de periferie van de kapitalistische ontwikkeling naar haar beginpunt. De expansie van kapitaal, (…) dompelt de beschaafde volkeren van Europa nu in een reeks van catastrofen waarvan het uiteindelijke resultaat enkel kan leiden tot het verval van de beschaving of de overgang naar de socialistische productiewijze. In dit opzicht is de houding van het proletariaat ten overstaan van het imperialisme deze van een veralgemeende strijd tegen de overheersing van het kapitaal.” (De Anti-kritiek, R. Luxemburg).(zie ook https://nl.internationalism.org/node/473 [23])
Veel in dit werk gaat niet over imperialisme zelf omdat de term imperialisme vaak in een vacuüm wordt gebruikt, en vaak op concrete staatsapparaten of het buitenlands beleid van bepaalde staten. Het is echter belangrijk imperialisme te zien als een historische ontwikkeling, verwant met andere ontwikkelingen, die niet samenvalt met een staat of een object, en onderdeel is van een bepaalde logica. Het doel van deze tekst is dus vooral om die ‘logica’ bloot te leggen, en niet zozeer om imperialisme botweg te definiëren. Het is mij uit deze ervaring duidelijk geworden dat louter definiëren van imperialisme een onderneming is die weinig vrucht draagt voor een beter politiek inzicht. En dat is toch waar we uiteindelijk naar op zoek zijn?
Maar een (of meerdere) wereldrijk(en) lijkt niet genoeg om over imperialisme te spreken. Immers een ‘isme’ verwijst naar een ruimere verbreiding, een algemene trend, een ideologie, een tijdperk of iets dergelijks.[1]
Een tweede poging: staten en strijd.
Maar ik denk dat een dergelijke omschrijving van imperialisme te weinig de ontwikkelingen in de laatste 300 jaar blootlegt, welke de term deden ontstaan. Basis: Imperialisme is een historische periode waarin staten met elkaar in conflict raken omdat zij gebieden op elkaar proberen te veroveren. Maar we moeten twee extra assumpties toevoegen: (1) de betrokken staten zijn eigenlijk niet primair geïnteresseerd in een zo groot mogelijk grondgebied en (2) de gebieden waarover gevochten wordt behoren niet tot het grondgebied van de imperialistische staten, maar tot het territorium van andere, minder machtige, staten (mits staten bestaan op dat grondgebied). De Honderdjarige Oorlog is in die zin geen imperialistische oorlog: Het betrof het gebied van de twee staten zelf, en men was geïnteresseerd in een zo groot mogelijk grondgebied. De reden hiervoor ligt in het specifieke nut van die gebieden gedurende de Honderdjarige Oorlog: meer grondgebied betekende meer schatplichtige heren die op hun beurt de piramide van onderdanigen dienden uit te melken. Het maakte ook niet uit welke gebieden je veroverde: alle gebieden in Europa kenden dezelfde structuur en hun verovering leverde voor een koning simpelweg meer inkomsten op. Als je het graafschap Holland kon verwerven, het koninkrijk Bohemen of graafschap Navarra, het maakte niets uit. Alle gebieden zagen er (ideaaltypisch) in de middeleeuwen hetzelfde uit. Imperialisme veronderstelt daarom een derde zaak: (3) Staten zijn wel degelijk geïnteresseerd in de zeer specifieke economische kenmerken van het betroffen gebied. Het wordt nu steeds duidelijker dat het imperialisme geworteld is het kapitalisme.
Imperialisme en haar voorgangers
Zoals in het modern imperialisme werden er vaak allianties tussen stadstaten gesloten om het eigenbelang gezamenlijk te verdedigen.
In de vroege Europese middeleeuwen was het platteland dominant en waren de steden onderworpen aan plattelandsheren die hen door economisch zwaartepunt en numeriek overwicht wisten te onderdrukken. Maar koningen en keizers, die boven de plattelandsheren stonden, maar er sterk van afhankelijk waren, zagen kansen in de opkomende steden. Omdat de lokale heren zelf organiseerden wat er naar de schatkist van de koning ging, begon de koning of keizer al snel door te krijgen dat de nieuwe steden een mogelijkheid boden om hun eigen macht te verstevigen. Opkomende en groeiende steden werden vrijgesteld van de aanspraken van de lokale heren, werden vrijplaatsen voor horigen om zich te vestigen als zij waren gevlucht, en werden nu direct onderdaan en schatplichtig aan de koning of keizer. Een voorbeeld van een koning die dit proces goed onder de knie had, was bijv. Frederik I of Frederik Roodbaard. Deze steden werden zogenaamde ‘koningssteden’ of ‘kroonsteden’. De steden en haar burgers overtroffen door proto-kapitalistische groei in de eeuwen heen de ‘verarmende’ lokale heren. De stad, maar vooral ook het platteland dat onder invloed was gekomen van de stad groeide veel sneller. In West-Europa, bijv. in Holland, werd in de vijftiende eeuw het platteland gekapitaliseerd (i.p.v. gefeodaliseerd). Land werd verkoopbaar (waar dit vroeger ondenkbaar was), en boeren werden ingeschakeld als vrije werknemer op het eerdere land. De bezitter van het land kan u wel raden: de burgers van de steden. De moderne staten, zoals beschreven met dominante steden en een centrale koning of republiek structuur, kenden een sterke groei. De slagkracht en reikwijdte van de staten werd groter doordat de economie groeide. Dit is de plek waar datgene ontstaat wat wij nu ‘imperialisme’ noemen.
Imperialisme
Marxisten hebben om de beurt verschillende onderdelen van het proces benadrukt, maar er bestaat een logische symbiotische tussen de tweede delen van het proces. Een recente school van marxisten in de sociologie/geschiedschrijving proberen de twee in een beschrijving samen te brengen. Socioloog Immanual Wallerstein stelt dat territoria historisch gezien zijn onder te verdelen in een drievoudige vorm: centrum, semi-perifere staten, en perifere staten. Centrum-staten produceren goederen en diensten met een hoge meerwaarde, waarvan de productie een hoge kapitaalgraad vereist. Centrum-staten proberen actief de kapitaalvoorsprong te behouden op elkaar en de periferie. Centrum-staten hebben een algemene dominante relatie ten opzichte van de perifere staten. De perifere staten verkopen de goedkope noodzakelijke grondstoffen aan de centrum-staten, en importeren de duurdere hoogwaardige producten uit het centrum. Hierdoor ontstaat een wereldhandelssysteem, waarin imperialisme, het veroveren van andere staten met oog op import en expert, een noodzakelijk onderdeel is willen de bourgeois ie van de centra elkaar kunnen aftroeven.
Ik denk hiermee imperialisme tot op een zekere hoogte te hebben gedefinieerd. Ik denk dat er nog ruimte is om hier verder over te discussiëren.
Politieke praktijk.
Een specifieke vorm van de conservatieve benadering is de ‘Clash of Civilizations’ (Huntington). Imperia zouden bestaan uit cultureel homogene groepen die elkaar op leven en dood moeten bestrijden. Ook hier wordt een materiële onderbasis ontkend, de wereld zou bestaan uit ideologieën, religies en culturen die elkaar om nog onduidelijke maar natuurlijk-evidente redenen het licht in elkaars ogen niet gunnen.
De sociaaldemocratische benadering. Hier spreekt men liever niet over imperialisme maar ziet men enkel de concrete gevallen van uitbuiting in landen die zich in een perifere positie bevinden. Men probeert deze gevallen van uitbuiting te remediëren door internationale afspraken vast te leggen, of morele verboden uit te spreken. Men gaat er vanuit dat ‘een bedrijf’ (Nike) of ‘een land’ (Chinese staatsmijnen) haar werkers uitbuit, maar ziet er geen groter verband achter. Hooguit heeft het te maken met oftewel de gierigheid van de bedrijven (sociaaldemocraten), het overmatige consumentisme van Westerlingen (groenen/ethisch consumeren), of het feit dat onze nationale regeringen te weinig doen aan het veroordelen van overtredingen van het internationaal recht (christen-democraten). Geenszins is het verband materieel.Socialistische-nationale benadering (trotskisten/stalinisten). Hierin wordt erkend dat er een materiële basis ten grondslag ligt aan imperialisme, en de oplossing die er voor gezocht wordt is door actieve steun te verlenen aan landen die worden gezien als ‘zwakker’of ‘meer arbeidersklasse-achtig’. Bijv. Anti-NAVO, Voor Chavez Tegen de VS, enz. Het probleem hiermee is dat onderliggend verondersteld wordt dat men in die conflicten tussen staten iets kan terugvinden van ‘de arbeidersklasse’. Dit lijkt simpelweg niet het geval, en zelfs al zou de arbeidersklasse actief zijn betrokken in een conflict (bijv. door een sterk anti-Amerikanisme d.w.z. een verkapt nationalisme), dan is het naïef te veronderstellen dat hun participatie de belangen van de arbeidersklasse behartigt. Er zijn volgens mij veel tegenargumenten in te brengen tegen het idee dat de arbeidersklasse een belang heeft bij welke staat hen overheerst, immers alle staten werken vanuit hetzelfde burgerlijke dwangharnas. Verder kan men door actief te focussen op bijv. Anti-NAVO, ook als instrument werken van de bourgeoisie van Venezuela, China, Iran enz. Tevens is in sommige conflicten het onduidelijk welk land ‘zwakker’ is, omdat ook onderontwikkelde naties onder elkaar proberen om hoger op te komen in de kapitaalladder. Het idee van het ‘kleinste-imperialisme’, waarin wij als socialisten een standpunt zouden moeten innemen in een conflict, lijkt me dus een buitengewoon gevaarlijke en inherent zinloze bedoeling.
Een internationalistische-socialistische benadering. In deze benadering laat men duidelijk zien dat alle staten opereren vanuit een logica die hen wordt aangegeven vanuit de regels van het kapitalisme, en die inherent is aan hun positie in het veld. Het vervangen van het ene imperialisme door het andere is zinloos, omdat er niets veranderd is aan de regels van het internationaal kapitalisme. Het enige wat men kan doen is de arbeidersklasse radicaliseren en hen de futiliteit van het nationalisme in dit spel uitleggen nSP.L.
[1] Een vergelijking: Het is niet omdat we iemand ontdekken in de Middeleeuwen die zijn ganse dag besteedt aan het vergroten van eerder verworven geld, dat we al kunnen spreken over kapitalisme. Om te spreken van kapitalisme moet dergelijke figuren wijdverbreid zijn, en een dominante positie innemen in de maatschappij.
In 1984 voerde de PSOE (Socialistische Partij) de eerste arbeidshervorming door. Net drie maanden geleden voerde de huidige PP-regering ( de rechtse Volkspartij) de zwaarste arbeidshervorming door die er tot nog toe geweest is. In 1985 voerde de PSOE-regering de eerste pensioenhervorming door. In 2011 voerde een andere PSOE-regering weer een andere door. Wanneer zal de volgende komen? In meer dan 30 jaar zijn de levensomstandigheden van de arbeiders systematisch slechter geworden, maar sinds 2010 zijn ze in een duizelingwekkende tempo verslechterd en met de nieuwe maatregelen van de PP-regering hebben deze verslechteringen een niveau bereikt, dat nochtans slechts een voorproefje is van wat er nog in de kast ligt. Er is verder de verscherping van de politie-repressie : geweld tegen de studenten in Valencia in februari, wilde afranseling van de mijnwerkers, het gebruik van rubberen kogels die o.a. kinderen verwondden. In de tussentijd wordt het parlementsgebouw uitdrukkelijk beschermd door de politie met het oog op spontane demonstraties die zich sinds juli voordoen.
Wij, de reusachtige meerderheid, uitgebuiten en onderdrukten, maar ook verontwaardigden, wij werkers van de openbare en privé-sector, werklozen, studenten, gepensioneerden, immigranten .... wij stellen een heleboel vragen over wat er allemaal gaande is. We moeten deze vragen gezamenlijk stellen, in de straten, op de pleinen, in de werkplaatsen, zodat we daarop samen antwoorden en een massale, machtige en duurzame reactie op kunnen formuleren.
Natuurlijk doen sommige landen het beter dan andere, maar we moeten naar de wereld als geheel kijken. Het probleem beperkt zich niet tot Spanje, Griekenland of Italië. Ook beperkt het zich niet tot de ‘eurocrisis’. Duitsland staat op de rand van een recessie en kent 7 miljoen werkers die slechts een mini-baan hebben (met lonen rond de 400 euro per maand). In de VS rijst de werkloosheid met dezelfde snelheid de pan uit als de huizenonteigening. In China is de economie al zeven maanden lang aan het vertragen, ondanks de waanzinnige zeepbel in de bouwsector, die ertoe leidt dat er in Beijing alleen al twee miljoen appartementen leeg staan. Wij ervaren in onze botten de wereldwijde en historische crisis van het kapitalistische systeem dat woedt in elke staat, ongeacht de officiële ideologie, de 'communistische' zoals in China of Cuba, die van 'het socialisme van de 21e eeuw" zoals in Ecuador of Venezuela , de 'socialistische' in Frankrijk, de 'democratische' in de VS, of de 'liberale' in Spanje en Duitsland. Het kapitalisme, dat een wereldmarkt heeft geschapen, is sinds een eeuw een reactionair systeem geworden dat de mensheid onderdompelt in de ergste soort van barbarendom: twee wereldoorlogen, ontelbare regionale oorlogen, de vernietiging van de natuur ..... Na voordeel gehaald te hebben uit de momenten van kunstmatige economische groei, gebaseerd op allerlei financiële en speculatieve zeepbellen, is het sinds 2007 gecrasht en terechtgekomen in de ergste crisis in haar bestaan: bedrijven, banken en staten zinken in bankroet wegzinken. Het gevolg van een dergelijk debacle is een reusachtige menselijke ramp. Terwijl honger en armoede zich verspreiden over Afrika, Azië en Latijns-Amerika, verliezen in de ‘rijke’ landen miljoenen mensen hun baan, worden honderdduizenden uit hun huis gezet, heeft de meerderheid aan het einde van de maand niets over, maken de toenemende onkosten en de steeds moeilijkere toegang tot de sociale voorzieningen het leven steeds meer precair. Hier bovenop drukt nog het gewicht van de directe of indirecte belasting.
Een eerste antwoord kan worden gevonden in het bedrog van de democratisch staat. Deze wordt voorgesteld als iets dat voorkomt uit alle burgers, maar in werkelijkheid is hij uitsluitend een orgaan van de kapitalistische klasse, die verder iedereen uitsluit. Hij dient de belangen van de laatste met beide handen. De rechterhand bestaat uit de politie, de gevangenissen, de rechtbanken, de wetten, de bureaucratie, die hij allemaal gebruikt om ons te onderdrukken en om elke poging tot opstand in de kiem te smoren. De linker- hand bestaat uit partijen die zich baseren op allerlei ideologieën, uit vakbonden, die schijnbaar onafhankelijk zijn, uit sociale centra die ons zgn. moeten beschermen ...kortom, uit illusies om ons te misleiden, te verdelen en te ontmoedigen.
Tot wat leiden de verkiezingen die iedere vier jaar worden gehouden? Leidden die ooit tot een regering die een van haar beloften heeft uitgevoerd? Wat haar ideologie ook was, aan welke kant stond ze? Aan de kant van zij die gestemd hebben of aan de kant van het kapitaal? Wat was het resultaat van de ontelbare hervormingen en veranderingen, die doorgevoerd werden in het onderwijs, in de sociale zekerheid, de economie, de politiek, enz.? Was het niet slechts een uitdrukking van het beginsel dat ‘alles moet veranderen om hetzelfde te blijven’? Zoals de beweging van de 15e mei het stelde: “ze noemen het democratie en het is het niet, het is een dictatuur en we zien het niet”.
Deze kwesties begrijpen, er open en kameraadschappelijk over debatteren, de ervaringen van meer dan 2 eeuwen strijd kritisch toe-eigenen, dat alles kan ons de middelen verschaffen om deze situatie te boven te komen, om te reageren op de aanvallen. Precies op de dag (11 juli) dat eerste minister Rajoy nieuwe maatregelen aankondigde, waren we getuige van een begin van een reactie. Vele mensen trokken op naar Madrid om hun solidariteit te betuigen met de mijnwerkers. Deze ervaring van eenheid en solidariteit uitte zich daarop in spontane demonstraties georganiseerd door sociale netwerken. Het was een initiatief van de werkers van de openbare sectors, buiten de vakbonden om. Wat hebben we nodig om dit verder te zetten, wetende dat de strijd lang en moeilijk zal zijn ?
Verenigde strijd: werklozen, arbeiders van openbare en privé-sector , ambtenaren, gepensioneerden, studenten, migranten: samen lukt het ons. Geen sector mag geïsoleerd en gevangen blijven in haar eigen hoekje. Tegenover een maatschappij van verdeling en atomisatie, moeten we de kracht van de solidariteit tonen.
Algemene vergaderingen: het kapitaal zal sterk blijven zolang we alles overlaten aan de professionele politici en aan de gespecialiseerde vakbondsvertegenwoordigers, die ons altijd verraden. We hebben vergaderingen nodig waar we kunnen overdenken, discussiëren en samen beslissen. Zo worden we verantwoordelijk voor datgene wat overeengekomen is, zo ervaren we de genoegdoening van het één zijn, zo breken we uit de grenzen van de eenzaamheid, van het isolement en cultiveren we empathie en vertrouwen.
Op zoek gaan naar internationale solidariteit: de verdediging van de natie maakt uiteindelijk kanonnenvoer van ons in de oorlog; vreemdelingenhaat en racisme verdelen ons, zet ons op tegen de werkers van de hele wereld, terwijl zij de enigen zijn die we kunnen vertrouwen om een kracht te ontwikkelen die in staat is de aanvallen van het kapitaal terug te drijven.
Samenkomen in de werkplaatsen, in de buurten, in de collectieven, op internet om na te denken over wat er gaande is, om bijeenkomsten en debatten in te richten waarin de komende strijd zal worden voorbereid. Het is niet genoeg om alleen maar te strijden. We moeten strijden met het meest heldere bewustzijn van waar we heengaan, wat onze eigenlijke wapens zijn, wie onze vrienden en wie onze vijanden zijn.
Iedere sociale verandering is onafscheidelijke van de individuele verandering. Onze strijd beperkt zich niet tot een gewone verandering van de politieke en economische structuren. Het is een verandering van het sociale systeem en dus van ons leven, de manier waarop we de dingen zien, onze aspiraties. Dit is de enige manier waarop we de kracht kunnen ontwikkelen om de ontelbare valkuilen te omzeilen, die we op dit pad zullen tegenkomen en de fysieke en morele slagen die ons worden toegebracht. De verandering van mentaliteit in de richting van solidariteit, collectief bewustzijn, die ons streven naar eenheid vandaag zal smeden, zal ook een fundament zijn van een toekomstige maatschappij vrij van de brute competitie en commercie van het kapitalisme n
Internationale Kommunistische Stroming, /16.07.2012
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 1.21 MB |
Internationalisme nr. 356 - 4e kwartaal 2012
In de discussie legden wij de nadruk op de debatcultuur en spoorden iedereen aan om zich in het debat te mengen. Wij onderstreepten dat het geen zaak is van experten, want de grote burgerlijke economische experten zelf hadden de crisis NIET zien aankomen. En toch domineren zij nu het debat in de media. Er werd gesteld dat het voor ons de hoogste tijd is om naar degelijke argumenten te zoeken over de oorzaken van de steeds weerkerende en erger wordende symptomen van de crisis en waarom het steeds duidelijker lijkt op een crisis van het kapitalisme als systeem, zowel op economisch, sociaal als politiek vlak.
De vraag dringt zich op: hervorming of revolutionaire omwenteling?
In de hiernavolgende bijdrage stellen wij de tweede inleiding voor van deze cyclus. De erop volgende discussie was nogmaals heel levendig en kon zich verheugen op de deelname van alle aanwezigen.
Na de cyclus werden alle teksten gebundeld. Deze bundel is ook op aanvraag verkrijgbaar.
Zijn er landen of systemen die aan de crisis ontsnappen, zoals het ‘socialistische’ China, Korea en Cuba of de fameuze BRICS-landen?
Terwijl de westerse economieën sinds het einde van de jaren 1960 meegesleurd worden door een economische crisis, waar er geen einde aan komt, heeft de bourgeoisie van rechts tot links ons geregeld voorgeschoteld dat niet haar systeem in crisis is, aangezien er nog plaatsen zijn die daaraan ontsnappen.
Haar linkse vertegenwoordigers wezen in de richting van de ‘socialistische landen’ zoals de Sovjet-Unie, China, Cuba, enzovoort ... de meer liberale vertegenwoordigers van haar systeem wezen op andere momenten weer op de veerkracht van het systeem door te wijzen in de richting van de ‘economische wonderen’ zoals in de jaren 1980 en 1990 naar Argentinië en de ‘Aziatische Tijgers’, maar ook recenter naar Ierland, IJsland, Spanje... De laatste voorbeelden, die hetzelfde moeten bewijzen, zijn de zogenaamde BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China.
Leugens die ontmaskerd werden
De socialistische landen, waar men naar verwees, waren de landen van de Sovjet-Unie, die in 1989 waren verdwenen nadat de laatste in elkaar was gestort ten gevolge van de economische crisis en druk van de imperialistische concurrentie - de druk van de gigantische ‘onproductieve kosten’ in de militaire sector - met het Amerikaanse blok.
Ondertussen weten we dat Noord-Korea, waar de bevolking geregeld te kampen heeft met hongersnood, overeind blijft dankzij de Chinese steun en. Cuba liet onlangs weten dat het ook zijn economie wil opengooien voor buitenlands kapitaal, zoals vele anderen al eerder hebben gedaan zoals China, Vietnam ... maar dan wel onder een zware staatscontrole.
Maar we weten dat een leugen moet steunen op een aantal ‘waarheden’ om een zekere geloofwaardigheid te hebben. En dus kon de propaganda van de bourgeoisie steunen op een aantal objectieve feiten om zijn verhaal te verkondigen. Welke ‘objectieve feiten’ waren dit? We nemen hier China als voorbeeld, want ook al zijn er grote verschillen met de andere ‘opkomende landen’ de algemene tendens is identiek:
Tijdens de bijna 30 jaar durende crisis en mondialisering (1980-2008) zag Europa zijn Bruto Binnenlands Product (1) 1,7 keer, de VS 2,2 keer, de gehele wereldeconomie 2,5 keer toenemen, maar India in dezelfde periode 4 keer, Azië in ontwikkeling 6 keer en China 10 keer vermeerderen.
Vandaag is China het productieatelier van de wereld en haar dienstensector heeft een enorme groei gekend. Terwijl het land in 1952 nog hoofdzakelijk ( voor 84%) agrarisch was, is het aantal werknemers in haar industriële sector is met 170 miljoen 40% groter dan in de landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), die er 123 miljoen tellen.
De economische groeicijfers zijn jaar na jaar met 8 tot 10% gestegen. Daarenboven produceert China in zijn lage-lonen-ateliers niet alleen meer basisproducten voor de export of assemblageproducten: China produceert en exporteert steeds meer goederen met een grote toegevoegde waarde, zoals elektronica en transportmaterialen.
Daarbij worden de lage lonen en de extreme werkvoorwaarden door de bourgeoisie in de westerse wereld gebruikt als chantagemiddelen te opzichte van de werkgelegenheid (dreiging van delokalisatie) en als middel om druk uit te oefenen op de lonen en werkvoorwaarden in het westen.
Vandaag:
In de tussentijd is het enthousiasme wat bekoeld, de spectaculaire groeicijfers van het BBP van 8,9% of zelfs 10% zijn intussen ook verleden tijd. Vandaag kent de tweede wereldeconomie twee zorgwekkende tegenslagen:
- de recessie van de westerse economieën, die de belangrijkste afzetmarkt is voor haar export, heeft onmiddellijke gevolgen voor haar groeicijfers, die zakken;
- een grote inflatie van meer dan 10% (officieel 6,2%), ondanks de monetaire ingrepen van de Chinese Staat sinds 2008, gecombineerd met een enorme financiële bel (van om bij de 1700 miljard dollars) die ze niet onder controle krijgt.
Hierbij kunnen we dan ook stellen dat de groei in China, maar ook in de andere ‘economische wonderlanden’, alleen mogelijk is geweest door de wereldwijde crisis van de kapitalistische economie. Bij stagnatie of achteruitgang van de reële winstvoet op wereldvlak zoekt het kapitaal naar een geschikte omgeving om die tendens te keren. Dus daar waar de voorwaarden, lage lonen en politieke voorwaarden, het toelaten
De Chinese economie leeft van de export. Ondanks een zekere ontwikkeling van zijn interne markt blijft zij daar in belangrijke mate van afhankelijk.
We kunnen stellen dat China vandaag ook geklemd zit tussen hamer en aambeeld, tussen een buitenlandse markt die krimpt en een binnenlandse markt die ze moet ondersteunen, tussen inflatie en bellen die op springen staan en een teruggang van de economische groei.
En de situatie is hetzelfde voor ‘opkomende landen’ zoals India en Brazilië. Ook voor hen is een reductie van hun economische activiteiten tengevolge van een krimpende wereldmarkt vandaag een feit (van 2010 naar 2011 ging het in India van 9,3% naar 7,2%; in Brazilië van 7,5% naar 3,7%). Ook zij worden geconfronteerd met inflatie en monetaire problemen.
Als voorbeeld geven we het feit dat een van de eerste beleidsmaatregelen van de ‘nieuwe ‘Braziliaanse Presidente D. Rousseff, na haar verkiezingsoverwinning, bestond in het opleggen van een soberheidspakket van 30 miljard dollars en het optrekken van de intresten voor het uitlenen van geld door de centrale Bank van Brazilië naar 12%.
Conclusie:
Geen enkel land kan zich onttrekken aan de wetten van het wereldkapitalisme en zijn gevolgen. De economische crisis, die het kapitalistische systeem altijd maar verder verzwakt, is geen oneindig verhaal (never ending story), het kondigt het einde aan van een systeem, de strijd ertegen en voor een andere wereld: het communisme!
(1) Het BBP is volgens Wikipedia: de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten ((door privé en overheid) gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar). Meestal wordt met dit begrip het bruto binnenlands product tegen marktprijzen bedoeld n
De vakbond, de werkelijke ordedienst van de staat in het bedrijf, vormt de voorhoede in deze tactiek van verdeling, en neemt daarnaast de taak op zich vaderlandslievende campagnes te propageren. Terwijl het in naam van de ‘vermindering van de tekorten’ en de ‘concurrentiepositie’ aanvallen regent, de ontslagen zich vermenigvuldigen, kortom de bourgeoisie de crisis van haar systeem laat betalen door de arbeidersklasse, ondermijnen de vakbonden van bedrijf tot bedrijf, van categorie tot categorie het terrein van het ‘verzet’. Tegenover de algehele aanval van de heersende klasse op onze levensvoorwaarden, versplinteren dezelfde vakbonden systematisch de tegenaanval om ons, doorheen kleinere verspreide kwesties, mee te voeren in een strijd voor de verdediging van het een of ander bijzonder belang. Deze zelfbenoemde specialisten van de arbeidersstrijd zetten de arbeiders onderling tegen elkaar op, en verdelen ze tussen gekwalificeerden en precairen. De bourgeoisie weet perfect dat de crisis en de aanvallen zich zullen voortzetten; met de vakbonden bereidt ze dus het terrein voor, put ze ons uit in zowel steriele als demoraliserende gevechten om het proces naar massale stakingen maximaal te vertragen.
Het vergif van de verdeling heeft vele gedaanten. Zo ervaren we al jaren de toename in kracht van de regionale aanspraken. Terwijl de onafhankelijke Basken en Catalanen lokale verkiezingen winnen in Spanje, werd er in Barcelona een massale manifestatie georganiseerd om ‘een onafhankelijk Catalonië’ te eisen. Zo ook in België waar, na de politieke crisis van 2010-2011, de Nieuwe Vlaamse Alliantie (NVA) bij de gemeentelijke verkiezingen, op basis van een Vlaamse onafhankelijkheid, een overwinning behaalde, met als hoogtepunt die van Bart De Wever, die met gemak de stad Antwerpen veroverde. In Groot-Brittannië zal Schotland, rijk aan minerale grondstoffen, in 2014 een referendum organiseren over haar onafhankelijkheid! In mindere mate eist de machtige Liga Norte in Italië al jarenlang de autonomie van het dal van de Po.
De burgerlijke propaganda gaat dan ook door met het zoeken naar een zondebok om het failliet van haar kapitalistische systeem te verhullen. Zij kanaliseert de woede van de arbeiders en de bevolking door naar ‘schuldigen’ te wijzen die gebruikt worden om te ‘verdelen om beter te kunnen regeren’. Dit reactionaire nationalisme uit zich steeds openlijker ‘ongeremd’ op de televisie en in de dagbladen. Enerzijds beschuldigt de Duitse bourgeoisie de ‘Griekse’ bevolking en arbeiders er bijvoorbeeld van echte ‘bedriegers’ te zijn, ‘luiaards’ die ‘hun belastingen niet betalen’ met als echo de voorstellen van de zogenaamde ‘Troika’ (Commissie, BCE, FMI); beschuldigt zij de ‘Spaanse of Portugese’ bevolking er eveneens van dat zij ‘op de zak’ van de Noord-Europese landen leeft. Anderzijds doen de bourgeoisie en de media van deze gewraakte landen zich voor als ‘slachtoffers van Duitsland’ en van de ‘Merkel-politiek’, eenvoudigweg de stijgende zwarte ellende uitleggend die hen door het ‘egoïsme’ van de ‘welvarende’ buurlanden wordt opgelegd! Wat de Duitse en Franse arbeiders betreft, die nochtans zelf ook slachtoffer zijn van aanvallen, zij worden veroordeeld om ‘inspanningen’ en ‘opofferingen’ te doen om de ‘jaren van laksheid te betalen’ van de zuiderse landen met de grootste schuldenlast, hen te ontlasten die beschuldigd worden van het ‘werk te stelen van anderen en die enkel de schuld bij zichzelf dienen te zoeken’!
El Generico /27.10.2012
Dit laat de militairen aan het hoofd van de Israëlische staat koud. Gaza wordt eens te meer collectief bestraft, net zoals het geval was tijdens de voorafgaande afslachting en door de economische blokkade, die de heropbouw verhinderde na de ravages van 2008 en de bevolking uithongerde.
In vergelijking met de vuurkracht die door de Israëli's wordt aangewend, zijn de militaire capaciteiten van Hamas en de andere jihadistische groepen in Gaza nauwelijks van tel. Maar dankzij de chaos in Libië heeft Hamas de hand kunnen leggen op lange afstandsraketten. Niet alleen Ashdod in het zuiden (waar drie bewoners van een woningblok gedood werden door een raket die uit Gaza werd afgeschoten), maar ook Tel-Aviv en Jeruzalem liggen nu binnen bereik. De verlammende angst die elke dag heerst in Gaza, begint nu ook voelbaar te worden in de voornaamste Israëlische steden.
Kortom: beide bevolkingen worden gegijzeld door de tegenover elkaar staande militaire arsenalen die Israël en Palestina overheersen – met de discrete hulp van het Egyptische leger dat aan de grens van Gaza patrouilleert om ongewenste invallen of ontsnappingen te beletten. Beide bevolkingen zijn het slachtoffer van een toestand van voortdurende oorlog – niet alleen onder de vorm van raketten en bommen, maar ook omdat ze gedwongen worden de groeiende last te dragen van een door de oorlogsnoden verminkte economie. Bovendien drijft de economische wereldcrisis de Israëlische en Palestijnse heersende klasse ertoe om nieuwe maatregelen op te leggen, die de levensstandaard zullen beperken, en de prijzen van basisgoederen op te voeren.
In Israël was vorig jaar de hoge prijs van de woningen een van de vonken die de protestbeweging heeft doen ontvlammen, die de vorm aannam van massale betogingen, bezetting ban straten en algemene vergaderingen – een beweging die direct geïnspireerd werd door de revoltes in de Arabische wereld. Hieruit ontstonden slogans als 'Netanyahou, Assad, Moebarak zijn allen dezelfden' en 'Arabieren en Joden willen betaalbare en fatsoenlijke woningen'. In de loop van de korte, maar stimulerende periode, werd alles in de Israëlische maatschappij aan kritiek en debat blootgesteld – daarbij inbegrepen het 'Palestijnse probleem', de toekomst van de kolonies en bezette gebieden. De grootste vrees van de betogers was dat de regering op deze beginnende betwisting van de nationale ‘eenheid’ zou antwoorden met een nieuw militair avontuur.
Deze zomer veroorzaakten de stijgingen van de brandstof- en voedselprijzen in de bezette Westoever, een reeks van woedende betogingen, wegblokkades en stakingen. Arbeiders uit de transportsector, gezondheidszorg en onderwijs, studenten uit de universiteiten en scholen, net zoals de werklozen, stonden oog in oog met de politie van de Palestijnse Autoriteit om loonsverhogingen te eisen, werk, een daling van de prijzen en een eind aan de corruptie. Ook in het koninkrijk Jordanië waren er betogingen tegen de stijgende levensduurte.
Ondanks alle verschillen in levensstandaard tussen de Israëlische en Palestijnse bevolkingen, in weerwil van het feit dat deze laatsten bovendien de onderdrukking en militaire vernedering moeten ondergaan, zijn de wortels van deze twee sociale revoltes net dezelfde: de groeiende onmogelijkheid om te leven in een kapitalistisch systeem dat in een diepe crisis verzonken is.
Er is veel gespeculeerd omtrent de motieven van de laatste militaire escalatie. Probeerde Netanyahou het nationalisme aan te zwengelen om zijn kansen op herverkiezing te verbeteren? Heeft Hamas haar raketaanvallen opgedreven om haar militaire geloofwaardigheid te bewijzen t.o.v. de uitdaging van meer radicale islamistische bendes? Willen de Israëlische militairen de Hamas uitschakelen of alleen haar militaire slagkracht verminderen? Welke rol gaat het nieuwe Egyptische regime spelen in het conflict? Hoe gaan deze gebeurtenissen de burgeroorlog in Syrië beïnvloeden?
Al deze vragen zijn op zich terecht, maar stellen ons echter niet in staat om het probleem te beantwoorden dat er aan ten gronde ligt: de imperialistische oorlogsescalatie is totaal tegengesteld aan de belangen en noden van de grote massa van de Israëlische en Palestijnse bevolking, en, ruimer gezien, van het Midden-Oosten.
Terwijl de sociale revoltes aan beide zijden aan de uitgebuiten toelaten om te strijden voor hun materiële belangen tegen de kapitalisten en de staat die hen uitbuiten, schept de imperialistische oorlog een valse eenheid tussen de uitgebuiten en hun uitbuiters, en verscherpt het de verdeling van de uitgebuiten aan de beide zijden. Wanneer de vliegtuigen van Israël Gaza bombarderen, maakt dat nieuwe rekruten voor Hamas en de Jihadisten, voor wie alle Israëli's, alle joden, vijanden zijn. Wanneer de Jihadisten hun raketten afschieten op Ashdod of Tel-Aviv, keren nog meer Israëli's zich naar ‘hun’ staat voor bescherming en voor wraak tegen de ‘Arabieren’. De drukkende sociale problemen die achter de sociale revoltes schuilen, worden verpletterd onder een lawine van nationalistische haat en hysterie.
Klein of groot, alle landen zijn imperialistisch; klein of groot, alle burgerlijke fracties hebben nooit enige scrupule om de bevolking te gebruiken als kanonnenvoer in naam van de belangen van het vaderland. De hypocrisie scheert trouwens hoge toppen, wanneer we bij de huidige escalatie van geweld in Gaza zien hoe de 'verantwoordelijke' en democratische regeringen, zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, oproepen tot het 'bijleggen' van het conflict, tot een terugkeer naar het ‘vredesproces’. Het zijn immers diezelfde regeringen die oorlog voeren in Afghanistan, in Pakistan, in Irak. De Verenigde Staten zijn ook de belangrijkste financiële en militaire steun van Israël. De imperialistische grootmachten hebben geen enkele ‘vreedzame’ oplossing, net zomin als staten, zoals Iran, dat de Hamas en de Hezbollah bewapent. De werkelijke hoop op een wereldvrede ligt niet zozeer bij ‘onze’ leiders, maar in het verzet van de uitgebuiten, in hun groeiend begrip dat zij dezelfde belangen hebben in alle landen, dezelfde nood hebben om te strijden en zich te verenigen tegen een systeem dat de mensheid niets anders te bieden heeft dan crisis, oorlog en vernietiging n
Amos / 20.11.2012
We kunnen niet ontkennen dat de arbeidersklasse vandaag aanzienlijke moeilijkheden ondervindt. Er zijn daarvoor minstens vier essentiële redenen voor te vermelden:
• De eerste, veruit de meest centrale, is het feit dat het proletariaat gewoon niet bewust is van zichzelf, dat het zijn eigen klassenidentiteit verloren is. Na de val van de Berlijnse muur werd in de jaren 1990 inderdaad een brede propagandacampagne opgezet om te proberen ons te overtuigen van het historisch bankroet van het communisme. De grootste durvers – en ook de domsten – kondigden zelfs het 'einde van de geschiedenis' aan, de zege van de vrede en de 'democratie'... Door het communisme gelijk te stellen aan de rotte karkas van het stalinistisch monster probeerde de heersende klasse bij voorbaat al elk klassenperspectief in diskrediet te brengen dat het omverwerpen van het kapitalistisch systeem beoogde. De bourgeoisie liet het niet bij die poging om elke notie van revolutionair perspectief te vernietigen, ze heeft ook geprobeerd de proletarische strijd voor te stellen als iets dat compleet uit de tijd is en enkel goed is om bewaard te worden als een 'culturele nagedachtenis' in het museum van de geschiedenis, zoiets als de fossielen van dinosauriërs of de tekeningen in de grotten van Lascaux.
Bovenal bleef de bourgeoisie hameren op het feit dat de arbeidersklasse onder haar klassieke vorm verdwenen was van het politieke toneel. Alle sociologen, journalisten, politici en zondagse filosofen herkauwen het idee dat de sociale klassen verdwenen zijn, weggesmolten in het vormeloze magma van de 'middenklasse'. Het is de onophoudelijke droom van de bourgeoisie, van een maatschappij waarin de proletariërs zich enkel zien als gewone 'burgers', verdeeld in min of meer onderscheiden beroepsgroepen, vooral goed onderscheiden van elkaar – witte boorden, blauwe boorden, bedienden, mensen met een onzekere job, werklozen, enz. – met uiteenlopende belangen en die zich enkel heel even verenigen, passief en geïsoleerd van elkaar, bij de stembusgang. En het is waar, al het gedoe over het verdwijnen van de arbeidersklasse, steeds weer herhaald en met veel tamtam ingehamerd met reportages, boeken, televisie-uitzendingen… heeft als resultaat dat veel arbeiders er momenteel niet in slagen zich als integrerend deel van de arbeidersklasse te beschouwen, nog minder als een zelfstandige sociale klasse.
• Uit dat verlies van klassenidentiteit volgen, in de tweede plaats, de moeilijkheden van het proletariaat om zijn strijd en zijn historisch perspectief te doen gelden. In een context waarin de bourgeoisie zelf geen enkel perspectief te bieden heeft dan bezuinigingen, overheersen het 'elk voor zich', het isolement en het 'redde wie zich redden kan'. De heersende klasse buit die gevoelens uit om de uitgebuiten tegen elkaar op te zetten, hen te verdelen, elk gezamenlijk antwoord te verhinderen en hen tot wanhoop te drijven.
• De derde factor, gevolg van beide voorgaande, is dat de brutaliteit van de crisis de neiging heeft vele proletariërs te verlammen, vanwege hun angst in absolute armoede te vervallen, hun families niet meer te kunnen voeden en op straat terecht te komen, geïsoleerd en blootgesteld aan de repressie. Terwijl sommigen, met hun rug tegen de muur, ertoe gedreven worden hun woede te uiten, zoals de 'Indignados', zien die zich niet als een echte strijd van de klasse. En dit, ondanks de inspanningen en het soms relatief massale karakter van de bewegingen, beperkt hun vermogen om weerstand te bieden aan de misleidingen en valstrikken die uitgezet worden door de heersende klasse, en zich de ervaringen uit de geschiedenis weer eigen te maken, de lessen te trekken met de nodige afstand en diepte.
• Tenslotte is er een vierde belangrijk element dat de huidige moeilijkheden van de arbeidersklasse verklaart om haar strijd tegen het systeem te ontwikkelen: dat is het inkaderingsarsenaal van de bourgeoisie, gaande van openlijk repressief, zoals de politie, tot het meer verraderlijke en doeltreffende, zoals het syndicalisme. Inzake dat laatste aspect is de arbeidersklasse er nog niet in geslaagd zijn vrees te overwinnen om te vechten buiten die inkadering, al vermindert het aantal arbeiders dat nog illusies heeft over het vermogen van de vakbonden onze belangen te verdedigen. Die fysieke inkadering wordt versterkt door een ideologische inkadering die min of meer bestuurd wordt door de vakbonden, de media, de intellectuelen, de linkse partijen, enz. Zonder twijfel slaagt de bourgeoisie er vandaag het best in de democratische ideologie te ontwikkelen. Elke gebeurtenis wordt uitgebuit om de weldaden van de democratie in de verf te zetten. De democratie wordt gepresenteerd als het kader waarin alle vrijheden zich ontwikkelen, waarin alle meningen worden geuit, waarin de macht gelegitimeerd wordt door het volk, waarin initiatieven aangemoedigd worden, waarin iedereen toegang heeft tot kennis, cultuur, verzorging, en waarom niet: macht. In werkelijkheid biedt de democratie enkel een nationaal kader voor de ontwikkeling van de macht van de elite, van de macht van de bourgeoisie, al de rest is enkel illusies, de illusie dat men door langs de stembus te passeren we enige macht kunnen uitoefenen, dat in het parlement de opvattingen van de bevolking geuit worden via de stem van 'vertegenwoordigers'. We mogen het gewicht niet onderschatten van deze ideologie op het bewustzijn van de arbeiders, zoals we de extreme schok niet mogen vergeten die de ineenstorting van het stalinisme teweegbracht in het scharniermoment tussen de jaren 1980 en 1990. Bovenop heel dat ideologisch arsenaal komt dan nog eens de religieuze ideologie. Die ideologie is niet nieuw. Ze heeft de mensheid sinds haar prille begin begeleid in haar behoefte haar omgeving te begrijpen. Ze is evenmin nieuw als we overwegen hoezeer ze doorheen de geschiedenis allerlei regimes gelegitimeerd heeft. Maar wat vandaag origineel is, is dat ze zich ent op de reflecties van een deel van de arbeidersklasse over het destructieve en bankroete kapitalisme. Ze stuurt die reflectie de foute kant uit door de 'decadentie' van de westerse wereld te verklaren uit het feit dat die zich verwijderd van de waarden die sinds duizenden jaren gedragen worden door de religie, in het bijzonder door de monotheïstische religies. De religieuze ideologie heeft dat vermogen om de uiterste complexiteit van een situatie tot niets te herleiden. Ze biedt eenvoudige antwoorden, die gemakkelijk uit te voeren zijn. Onder haar fundamentalistische vormen overtuigt ze slechts een kleine minderheid arbeiders, maar in het algemeen draagt ze bij tot het parasiteren van de overdenking in de arbeidersklasse.
Dit overzicht is eerder ontmoedigend: is er nog plaats om positief denken te ontwikkelen, kunnen we nog hoop koesteren, tegenover een bourgeoisie die haar ideologische wapens goed in de hand heeft, tegenover een systeem dat het grootste deel van de bevolking met ellende bedreigt, als ze er al niet rechtstreeks in gestort is? Bestaat er echt nog een sociale kracht die in staat is een zo omvangrijk werk tot een goed einde te brengen, niets minder dan de radicale omvorming van de maatschappij? Op die vraag antwoorden we zonder aarzelen: ja! Honderd keer ja! Het komt er niet op aan een blind vertrouwen te hebben in de arbeidersklasse, noch een haast religieus geloof in de geschriften van Marx of een wanhopige geestdrift voor een revolutie die op voorhand al verloren is. Het gaat erom afstand te nemen, een weloverwogen analyse van de situatie te maken, die verder kijkt dan wat er onmiddellijk op het spel staat, proberen te begrijpen wat de strijd van de arbeidersklasse echt betekent op maatschappelijk vlak en de historische rol van het proletariaat diepgaand te bestuderen.
In onze pers analyseerden we al dat de arbeidersklasse sinds 2003 weer in een positieve dynamiek zit ten opzichte van de teruggang die ze onderging met de ineenstorting van de landen van het Oostblok. Talrijke uitingen van deze analyse zijn terug te vinden in de min of meer belangrijke gevechten, die echter alle het kenmerk vertonen van een geleidelijk heropnemen door de klasse van haar historische reflexen zoals solidariteit, collectief denken, of gewoonweg: het enthousiasme tegenover tegenspoed.
We konden die elementen aan het werk zien in de strijd tegen de pensioenhervormingen in Frankrijk in 2003 en 2010-2011, in de strijd tegen de CPE, eveneens in Frankrijk, in 2006, maar ook op minder brede schaal in Groot-Brittannië (luchthaven Heathrow, raffinaderijen Lindsay), in de Verenigde Staten (metro van New York), in Spanje (Vigo), Egypte, Dubaï, China, enz. De bewegingen van de Indignados en Occupy, in het bijzonder, vormen een veel algemenere en ambitieuzere uitdrukking dan strijd die zich binnen één bedrijf afspeelt bijvoorbeeld. Wat hebben we gezien, met name in de bewegingen van de Indignados? Arbeiders van allerlei slag, van precairen tot contractuelen, kwamen samen om een collectieve ervaring te beleven met de verwachting daar een beter begrip van wat er vandaag op het spel staat uit te trekken. We zagen hier mensen enthousiast worden, gewoon bij het idee dat ze opnieuw vrij met elkaar konden discuteren. We zagen mensen alternatieve ervaringen bediscussiëren, er de sterke punten en de beperkingen van analyseren. We zagen mensen die niet langer de gelaten slachtoffers willen zijn van een crisis die zij niet veroorzaakt hebben en waar ze niet voor willen opdraaien. Wij hebben mensen gezien die spontane vergaderingen bijeen brachten, waar vormen van expressie gebruikt werden die overdenking en confrontatie van ideeën bevorderen en de mogelijkheid tot verstoren en saboteren van discussies inperken. En tenslotte en vooral heeft de beweging van de Indignados ervoor gezorgd dat een internationalistisch gevoel ontstond, het inzicht dat we overal ter wereld dezelfde crisis ondergaan en dat we die over de grenzen heen moeten bestrijden.
Natuurlijk hebben we niet of slechts heel weinig expliciet over communisme, de proletarische revolutie, arbeidersklasse en bourgeoisie, burgeroorlog, enz. horen praten. Maar wat deze bewegingen getoond hebben, is in de eerste plaats de uitzonderlijke creativiteit van de arbeidersklasse en haar vermogen om zich te organiseren, die voortkomen uit haar onvervreemdbare aard van onafhankelijke sociale kracht. Het zich opnieuw bewust worden van deze kenmerken ligt nog voor ons, na een lange en kronkelige weg, maar ze is nu al onmiskenbaar aan het werk. Ze gaat onvermijdelijk gepaard met een proces van scheiden van kaf en koren, van tijdelijke teruggang, van gedeeltelijke ontmoediging. Maar ze voedt ondertussen op internationale schaal de overdenking bij minderheden, die zich in de voorhoede van de strijd van de arbeidersklasse bevinden en ontwikkeling waarvan de ontwikkeling sinds verschillende jaren zichtbaar en meetbaar is.
Dit is een gezond proces dat bijdraagt aan het verduidelijken van wat er vandaag op het spel staat en waarmee de arbeidersklasse vandaag wordt geconfronteerd.
Tot slot, hoewel de moeilijkheden waar de arbeidersklasse voor staat enorm zijn, is er niets in de huidige situatie dat toelaat te zeggen dat het spel gespeeld is en de arbeidersklasse niet meer over de kracht zal beschikken om massale en dan revolutionaire strijd te ontwikkelen. Wel integendeel, de levende uitdrukkingen van de klasse nemen toe. Als men ontleedt wat die echt zijn en dus niet enkel oppervlakkig, waar enkel hun breekbaarheid evident is, maar in de diepte, dan blijkt het potentieel en de belofte die ze inhouden voor de toekomst. Dat ze een verspreide en sporadische minderheid vertegenwoordigen, herinnert er ons alleen aan dat de voornaamste kwaliteiten van de revolutionairen hun geduld en hun vertrouwen in de arbeidersklasse zijn (en Lenin zou eraan toegevoegd hebben: hun humor!). Dat geduld en dat vertrouwen steunen op het inzicht in wat de arbeidersklasse historisch gezien is: de eerste klasse die tegelijk uitgebuite én revolutionaire klasse is, en die de opdracht heeft de gehele mensheid te bevrijden van het juk van de uitbuiting. Dat is een materialistische en historische visie op lange termijn. Vertrekkende vanuit die visie schreven we in 2003 bij het opmaken van de balans van ons 15de internationale congres: “Zoals Marx en Engels zeiden, gaat het er niet om te beschouwen “wat deze of gene proletariër, of het proletariaat als geheel momenteel als zijn doel beschouwt. Het gaat er om wat het proletariaat is en waartoe het, in overeenstemming met dit wezen, historisch zal worden gedreven.” (De heilige familie, 1844). Een dergelijke visie toont ons namelijk dat, tegenover de zware klappen van de crisis van het kapitalisme die zich vertalen in steeds wredere aanvallen, de arbeidersklasse reageert en noodzakelijkerwijze zal moeten reageren via het ontwikkelen van haar strijd. Deze strijd zal in zijn beginstadium neerkomen op een serie schermutselingen, die de boodschappers zullen zijn van de aanzet tot steeds massaler strijd. Het is eerst in dit proces dat de arbeidersklasse zich weer zal zien als uitgebuite klasse en er naar zal streven haar identiteit terug te vinden, een wezenlijk aspect dat op zijn beurt een stimulans zal zijn voor haar strijd.” n
GD / 25.10.2012
Sinds de publicatie van dit artikel, waren we getuige van de grootste stakingsbeweging in Zuid-Afrika sinds het einde van de apartheid in 1994. Deze stakingen zijn dubbel belangrijk omdat ze aantonen - voor het geval dit nog noodzakelijk was - dat achter het zogenaamde economische mirakel van de ‘opkomende landen’, zoals overal elders, groeiende armoede schuilt. Ze laten ook zien dat de arbeiders overal ter wereld, verre van tegenstrijdige belangen te hebben, vechten tegen de onwaardige levensomstandigheden die het kapitalisme oplegt. Als zodanig maken de stakingen die Zuid-Afrika op zijn grondvesten doen schudden, ondanks de zwakheden waar we op terugkomen, deel uit van de arbeidersstrijd overal ter wereld.
Na het bloedbad van 16 augustus leek de strijd, verpletterd door het gewicht van de manoeuvres van de bourgeoisie, buiten adem te geraken. Inderdaad, terwijl de staking zich met identieke eisen, uitbreidde naar verschillende andere mijnen, werd er een overleg georganiseerd, enkel en alleen tussen de ‘haaien’ van Marikana. Met andere woorden tussen de vakbonden, de directie en de Staat, onder de heilige bemiddeling van vooraanstaande kerkleiders. De manoeuvre was bedoeld om de uitbreiding van stakingen te stoppen door de arbeiders te verdelen tussen enerzijds diegenen die profiteerden van de onderhandelingen en alle media-aandacht kregen en anderzijds diegenen, die in volle onverschilligheid met de staking begonnen, maar wel de aandacht kregen van de (blanke en zwarte) politie die hun campagne van terreur, provocatie en nachtelijke invallen voortzetten.
Op 30 augustus vernam de bevolking via de The Star, de krant van Johannesburg, dat het bericht dat de politie op de mijnwerkers van Marikana hadden geschoten uit ‘wettige zelfverdediging’, een schaamteloze leugen is. De autopsierapporten toonden aan dat mijnwerkers, toen ze probeerden aan hun beulen te ontsnappen, in werkelijkheid in de rug waren geschoten. Volgens verschillende getuigenissen van journalisten ter plaatse zouden de politie zelfs de stakers achterna zijn gelopen om ze koelbloedig te vermoorden. Op nagenoeg hetzelfde moment kondigde de rechtbank van Pretoria aan voornemens te zijn om de 270 mijnwerkers, die tijdens de politieschieting op 16 augustus gearresteerd waren, aan te klagen ... voor de moord op hun kameraden (!) Ze deed dit op grond van een anti-oproerwet, die voorziet in de mogelijkheid om van alle tijdens rellen gearresteerde personen, die ter plaatse waren op het moment van de schietpartij door de politie, in staat van beschuldiging stellen.
Het is inderdaad waar dat men in ‘de grootste Afrikaanse democratie’, grof te werk gaat; terwijl geen van de agenten die de mijnwerkers van Marikana hadden neergeschoten werden lastig gevallen, klaagt de Staat de overlevenden van de schietpartij wel aan. Met een beetje fantasie had de rechtbank van Pretoria de doden voor een tweede keer executeren kunnen voor hun eigen moord! De consternatie was zodanig groot dat, op 2 september, de rechter gedwongen werd een stap terug te doen door de aankondiging van de beschuldigingen te annuleren en alle gevangenen vrij te laten. Vooral de Staat zou zich snel realiseren dat hij een fout had gemaakt: op basis van dezelfde eisen verspreidden de stakingen zich onmiddellijk uit over de meeste mijnen van het land. Zo begonnen er op 31 augustus 15.000 werkers van een goudmijn bij Johannesburg, die wordt uitgebaat door de Gold Fields groep, een wilde staking. Op 3 september, vervoegden de mijnwerkers van Modder-East, in dienst van Gold One, zich op hun beurt de strijd. Op 5 september hielden bijna alle mijnwerkers van Marikana, onder het gejuich van de bevolking, een demonstratie en weigerden om, de dag daarop, akkoord te gaan met de schaamteloze overeenkomst die was ondertekend door de vakbonden en het management van Lomin. Terwijl de productie van vrijwel alle mijnen in het land leek te zijn gestopt, kondigden de bedrijven Amplats, Waterman en Xstrata, die alle drie meerdere mijnen ontginnen, aan hun activiteiten vanaf 14 september op te schorten, De stakingsgolf breidde zelfs uit naar andere sectoren, in het bijzonder naar de vrachtwagenchauffeurs.
Deze dynamiek van uitbreiding werd gedeeltelijk gevoed door de verontwaardiging, opgewekt door de getuigenissen van stakers, die gevangen genomen waren: “Zij [de politie] sloegen ons, trapten met hun laarzen op onze vingers. (…) Ik kan nog steeds niet begrijpen wat mij is overkomen, dit is mijn eerste keer in de gevangenis! We vroegen een loonsverhoging en ze begonnen op ons te schieten, en in de gevangenis sloeg de politie ons, ze hebben zelfs de R200 [€20] gestolen die ik bij me had!”
De langzame teruggang van de strijd
“De politieterreur trof ook stakers in vrijheid door middel van zeer gewelddadige interventies, waarbij onder de meest absurde voorwendsels arrestaties plaatsvonden, veel gekwetsten vielen en een aantal doden (1). Zo verklaarde de regeringswoordvoerder op 14 september: “Het is noodzakelijk om in te grijpen, want we hebben een punt bereikt waar belangrijke keuzes moeten gemaakt worden”. Na dit mooie voorbeeld van holle frasen, waarvan alleen politici het geheim van hebben, voegde de woordvoerder er, veel minder laconiek, aan toe: “Als we deze situatie laten ontwikkelen, zal de economie er erg onder lijden”. De dag daarop, om twee uur ‘s nachts, werd een extreem wrede inval georganiseerd in de slaapzalen waar de arbeiders van Marikana en hun gezinnen verbleven. Politie, gesteund door het leger, verwondde veel mensen, waaronder een aantal vrouwen. ‘s Ochtends braken rellen uit en werden er barricades opgericht op de wegen. Meer had de politie niet nodig om, in naam van de “veiligheid van de burgers” haar geweld te ontketenen tegen de arbeiders van het hele land
Terwijl zijn agenten de bevolking terroriseerden, bracht de Staat, met de medeplichtigheid van de vakbonden, op 18 september een zware klap toe aan de strijd door alleen de arbeiders van Marikana een loonstijging, variërend van 11 tot 22%, te verlenen. Deze schijnoverwinning was duidelijk bedoeld om de arbeiders te verdelen en diegenen aan de beweging te onttrekken die tot dan toe centraal hadden gestaan in de strijd. Met andere woorden: de bourgeoisie offerde een loonsverhoging van 22% op aan de mijnwerkers van Marikana om de strijdbaarheid bij de andere stakers te ondermijnen, de uitbreiding van de strijd te stoppen en het merendeel van de arbeiders de geëiste loonsverhoging te ontzeggen.
Maar op 25 september, gingen de 19.000 werkers van de Beatrix-mijn op hun beurt in staking, terwijl die van Atlatsa zich op 1 oktober in de strijd wierpen. Het politiegeweld nam weer toe, gepaard gaande met wrede arrestaties, mishandelingen en moorden. Op 5 oktober gebruikte het bedrijf Amplats grote middelen de aankondiging van het ontslag van 12.000 mijnwerkers. In de nasleep dreigden verschillende bedrijven, ondersteund door de rechtbank, met behulp van een walgelijke chantage massaal arbeiders te ontslaan: ofwel aanvaarden de arbeiders de miserabele salarisverhoging die de directies voorstelden, of ze werden ontslagen. Gold One zou eindelijk 1400 mensen ontslaan, Gold Field 1500 anderen, enzovoort.
Op het moment van dit schrijven gaan de laatste groepen stakers geleidelijk weer aan het werk. Maar deze strijd, ondanks de zwakke punten die haar hebben gekenmerkt, wijst op een zekere toename van het klassenbewustzijn. De Zuid-Afrikaanse arbeiders hebben de noodzaak aangevoeld om gezamenlijk te strijden, zij hebben duidelijke en unitaire eisen geformuleerd en hebben voortdurend getracht om hun strijd uit te breiden. In een context waarin de crisis en de ellende onvermijdelijk zullen verdiepen, vormt deze beweging een onveranderlijke ervaring in de ontwikkeling van het bewustzijn van het hele proletariaat in de regio en een les voor de arbeidersklasse van de gehele wereld. n
El Generico / 22.10. 2012
1) Het is nog steeds niet mogelijk om het aantal door de Zuid-Afrikaanse politie, vermoorde stakers vast te stellen, maar de pers meldt zeven doden in Rustenburg en ten
Ford-Genk, ooit een bedrijf met meer dan 10.000 werknemers, sluit haar deuren. Sinds de jaren 90 werd de tewerkstelling er systematisch afgebouwd en de productiviteit opgedreven. De lonen werden met 12% verminderd en toch valt het doek voor de 4.300 rechtstreekse werknemers. Daarbovenop worden duizenden werknemers uit de talrijke toeleveringsbedrijven getroffen. Na Renault-Vilvoorde (1997), VW-Vorst (2006) en Opel-Antwerpen (2010) is dit het vierde autoassemblagebedrijf dat zijn deuren sluit in België. Het komt hard aan in een streek die tussen 1987 en 1992 reeds een goede 17.000 jobs zag verdwijnen toen de Limburgse steenkoolmijnbouw definitief geschiedenis.
Ontslagen bij Belfius Bank, Arcelor Mittal staal, Beckaert Zwevegem, Volvo, Duferco, Alcatel, enz. Het nieuwe sociaal drama is dus niet specifiek voor deze sector of provincie. De crisis treft alle sectoren en regio’s. Dat maakt de situatie juist zo dramatisch en uitzichtloos.
In naam van de “competitiviteit” en het “terugdringen van de verliezen” volgt het ene afslankingsplan het andere op. Nog voor de aankondiging van de sluiting van Ford sneuvelden al meer dan 3000 banen van september tot half oktober in alle sectoren, in alle regio’s, van kleine familiebedrijven tot grote multinationals, zowel in binnenlandse als in buitenlandse bedrijven. Anderen saneren drastisch zonder ‘naakte ontslagen’, zoals bij KBC, Brussels Airlines of Delhaize. Vaste contracten worden vervangen door tijdelijke, voltijdse banen door deeltijdse, werknemerscontracten door contracten als zelfstandige. Ook de tijdelijke werkloosheid viert hoogtij. Seizoenarbeid wordt meer en meer het ganse jaar door de standaardprocedure. En bovendien komt de fameuze “jobcreatie”, waar men de mond van vol heeft, voor een groot deel neer op minderwaardige banen of dienstenchequesbanen. Om aan de armoede te ontsnappen moeten veel werknemers nu een 2e of zelfs 3e job zoeken. Een job staat niet langer gelijk met een waardig inkomen!
De staat is in hetzelfde bedje ziek. Zoals de discussie over het tijdelijk opschorten (de index-sprong) of de hervorming van de index aantoont, staat niet de koopkracht centraal. In naam van de verdediging van dezelfde “competitiviteit van de nationale economie” zijn alle burgerlijke partijen, van de NVA tot de PS, het eens dat er voortdurend moet bespaard worden om de kost van de arbeidskracht terug te dringen en het ondernemersklimaat te verbeteren. Het ene “sociaal pakt” volgt het andere “generatie pakt” op. De staat is er immers om de wetten van het kapitalisme toe te passen: winstbejag, concurrentiekracht en uitbuiting mogelijk maken door dwangmaatregelen. De miljarden die de regering(en) zoeken voor hun relancemaatregelen, hun begrotingsevenwicht en de afbouw van de staatsschuld zullen op het einde van de rekening op de kap van dezelfde arbeidersfamilies terechtkomen. Uitkeringstrekkers, gepensioneerden, ambtenaren, onderwijzers, allen gaan hier volop delen in de brokken.
Als we dan nog weten dat volgens de nieuwe Europese armoede-indicator, 21% van de bevolking in België al een risico loopt op armoede of op sociale uitsluiting, begrijpen we maar al te goed de bezorgdheid en de verontwaardiging van een groeiend aantal arbeidersgezinnen.
Ford-Genk is vandaag een pijnlijke uiting van het meedogenloze karakter van deze algemene aanval op de arbeidersklasse: van de talrijke ontslagen, de blokkering en/of verlaging van de lonen (bij Ford leverden ze voorheen 12% in, bij VW-Audi 20%), de verlenging van de arbeidsloopbaan. En zonder reactie van de arbeiders kondigt wat bij Ford-Genk gebeurd nog pijnlijkere aanvallen aan op de gehele arbeidersklasse voor de toekomst.De huidige situatie vraagt dus om verzet tegen de aantasting van de werk- en levensvoorwaarden van de meeste onder ons. Zij bevat echter ook de kiemen van een gezamenlijke weerstand van heel de arbeidersklasse: niet enkel de Ford arbeiders, maar iedereen wordt geviseerd, daarom moet ook iedereen verontwaardigd zijn, solidair zijn, klasse tegen klasse!
Al enkele tientallen jaren doet men ons beloftes om de crisis en de armoede uit de wereld te helpen. Het einde van de tunnel was in zicht, het was de laatste uitzonderlijke ingreep, er zouden duurzame oplossingen komen, rationalisaties zouden enkel in ‘oude industrieën’ plaatsgrijpen, of in ‘zieke dochter- of moederbedrijven’, het kwam door de ‘vergrijzing van de bevolking’, door ‘vluchtelingen’ en ‘ongecontroleerde migratie’ [het gevolg van nog ergere ellende en uitzichtloosheid elders in de wereld!], dan waren het weer de ‘bad Banks’, de fraudeurs, enz.
Vandaag vertelt men dat de topman van Ford dit sociale kerkhof heeft veroorzaakt. In de tijd waren het Vlaams minister en socialist De Batselier en de topman van de mijnen Gijselinck die de zondebok waren voor de mijnsluitingen. Achter al deze schijnbare waarheden en populistische mooipraterij schuilt echter de burgerlijke propaganda die voortdurend probeert zondebokken te vinden zodat het bankroet kapitalistisch systeem zelf niet in vraag zou gesteld worden. Zo kan de woede gekanaliseerd worden en beperkt blijven door ‘schuldigen’ aan te duiden, op maat gemaakt, om beter te” verdelen en te heersen”.
Iedereen kan vaststellen dat hetzelfde bovengeschetst scenario zich afspeelt in zowat alle landen ter wereld. Uiteraard met varianten, net zoals er varianten zijn per regio of sector in België zelf. Zowat overal in de wereld wordt de vraag gesteld wie er de schuld draagt van deze crisis. Deze vraag stond ook centraal in de debatten in de bewegingen van de ‘ Arabische lente’ in Tunesië en Egypte, van de ‘Indignados’ of van de ‘Occupy Wall Street’.
Sinds een aantal jaren volgen op wereldvlak de crises van het vastgoed, van de beurs, van de handel en de industrie, van de banken en van alle soevereine staatsschulden elkaar op. Zo bedraagt de staatsschuld in de eurozone 8.517 miljard euro. Of gemiddeld 90 procent van het bruto binnenlands product van de zone. Een groot deel hiervan zal zo goed als nooit terug betaald worden. Iemand moet die schulden financieren, maar onbetaalbare schulden financieren betekent op termijn zelf insolvabel worden (vb een risico dat Duitsland bedreigt). Hoe gaat het systeem dan wel de absoluut noodzakelijke relance financieren die het bloedbad in de economie zou moeten stoppen? Doet ze dit verder voornamelijk met bezuinigingen en rationalisaties, dan krijgt ze nog minder koopkracht om haar producten aan te slijten en dus nog meer rationalisaties, sluitingen, loondalingen. Schuimt ze de markt van het spaargeld af door super-lage spaarrentes te hanteren, zoals nu in België met rentes die onder de 1% duiken daar waar de inflatie 2,76% bedraagt, dan wordt de buffer die vele arbeidersgezinnen opbouwden tegen potentiële tegenslagen, lopende schulden en armoede razendsnel afgebouwd. Welke de methode ook is, op termijn zal de koopkracht opnieuw sterk dalen. Geld bijdrukken dan maar, zoals in de VS, Japan en GB en met lage leningrentes op de markt gooien? Maar zo creëert het kapitalistische systeem een nog diepere schuldenput. Zo zijn we terug bij af, want als puntje bij paaltje komt is er wel een reële tegenwaarde nodig. Om de schulden terug te betalen moet er dus vers nieuwe gecreëerde waarde tegenover staan. Geen fictief geld, zoals ons spaargeld dat door de bank onder de vorm van een lening nogmaals in circulatie wordt gebracht, terwijl ons wijsgemaakt wordt dat het nog altijd op onze rekening staat. Nieuwe waarde wordt enkel uit gepresteerde arbeid verkregen door er een meerwaarde aan toe te voegen: de productiekosten van een product mogen slechts een fractie kosten van hun totale verkoopwaarde. Maar daarvoor moet er een koopkrachtige afzetmarkt bestaan. Bestaat die amper of niet (zoals de situatie al jaren aantoont) dan komen we in een permanente overproductiecrisis terecht. Daarom sluiten bedrijven hun deuren, verlagen ze de productiekosten (lonen), drijven ze de productiviteit op, worden onproductieve kosten (sociale zekerheid, werkloosheidsuitkering, pensioenen) afgebouwd.
Dit is een algemene wet van de kapitalistische manier van produceren en kan door geen enkele afzonderlijke patroon of regering ontweken worden! Als de bedrijven vandaag stilliggen is het niet omdat de arbeiders niet willen werken of er geen behoeftes zijn, maar omdat de kapitalisten er geen winst meer inzien. Het kapitalistische wereldsysteem zit in het slop: De koopkrachtige afzetmarkten slinken en de winst kan dus enkel behaald worden door nog grotere sociale roofbouw en uitbuiting.
In de loop van de laatste zes maanden werd er in zowat alle werelddelen massaal geprotesteerd, gestaakt, betoogd: van Noorwegen tot Portugal, van Indië tot Turkije, van Egypte tot China. In september nog trokken honderdduizenden de straat op in Portugal, tienduizenden in Spanje, Griekenland en Italië. In Japan was het van 1970 geleden dat men nog demonstraties tegen de levensvoorwaarden had gezien van zo een omvang (170.000 betogers in Tokyo). Overal stelde men zich de vraag hoe men het hoofd kan bieden aan dergelijke aanvallen, hoe de strijd te organiseren, welk perspectief er naar voren gebracht moet worden. Ook in de massale Indignados- en Occupy-beweging, vooral van jongeren en werklozen in 2011, o.a. in Spanje, Griekenland of de USA en Canada, was dit het geval.
Drie centrale noden voor de strijd werden naar voren geschoven: de noodzaak tot uitbreiding en éénmaking van de strijd, het belang van de ontwikkeling van de actieve solidariteit onder de loontrekkers, werklozen en jongeren en de behoefte aan een brede discussie over het alternatief voor het huidige bankroete systeem.
Onze echte kracht is ons aantal, de schaalgrootte van onze strijd, onze lotsgebondenheid, onze eenheid over de grenzen van de sectoren, rassen, de regio’s, en landsgrenzen heen. Tegenover een wereld die opgedeeld en afgescheiden is door de enge privébelangen van arrogante uitbuiters, tegenover het “ieder voor zich”, hun “competitiviteit”, moeten we onze eenheid en solidariteit zetten en mogen we ons niet laten opsplitsen en onze problemen laten reduceren tot specifieke, afzonderlijke problemen, eigen aan het bedrijf, de sector of de regio.
Geen rivaliteit tussen ‘jongeren’ en ‘ouderen’, tussen vasten en tijdelijken, tussen bedienden en arbeiders, tussen werknemers van moeder- en dochterbedrijven, tussen arbeiders die op deze of gene plaats geboren zijn,...
Deze eenheid is niet alleen noodzakelijk maar ook mogelijk vandaag! De uitbreiding van de strijd en van de solidariteit met andere sectoren en bedrijven, die getroffen worden door fundamenteel dezelfde aanvallen en dikwijls ook geïsoleerd in hun hoekje strijd voeren, kunnen we het best smeden door massale afvaardigingen te sturen naar de andere bedrijven, zo leert ons de ervaring uit vorige momenten van strijd hier en elders. Wat we doen moet onze strijd versterken, doen aangroeien en perspectief geven. De straat opgaan om ‘stoom af te blazen’ of een lange uitgerekte uitputtingsslag voeren, ieder geïsoleerd van elkaar in eigen streek, volstaan niet om die algemene, massale strijd op te bouwen.
Ervaring leert ons dat acties zoals gijzeling van patroons, sabotage van de productie, blokkade van de spoorlijnen, of wanhopige acties (zoals het dreigen met het opblazen van de fabriek) niet de manier zijn als we die eenheid en uitbreiding willen bereiken. Ze leiden integendeel tot demoralisatie en nederlaag.
Voorbije strijdervaringen tonen aan dat werkend of werkloos, we onze strijd in eigen handen moeten nemen. Als we een echte collectieve discussie willen ontwikkelen, samen willen nadenken en beslissen, moeten we massale algemene vergaderingen beleggen waar iedereen vrij kan tussenkomen en voorstellen tot actie kan doen die dan in stemming kunnen gebracht worden. Om de eenheid te smeden met anderen moeten ze open staan voor alle arbeiders en werklozen.
Opgelet! Ook de andere klasse, de bourgeoisie, spreekt over “solidariteit” en “eenheid”. Zij roept op tot opofferingen die de ‘sterke sectoren’ moeten doen voor de ‘zwakkere sectoren’, voor een gelijkmatige verdeling van de ellende. Immers, wanneer ‘haar koek kleiner wordt’, kan volgens haar de discussie enkel gevoerd worden over een ‘gelijkwaardige’ verdeling van de ellende en soberheid die ze ons opdringt, over wat ‘gunstig’ zou zijn voor de nationale belangen en de competitiviteit. Zij predikt een eenheid met de belangen van het kapitaal. Alsof het ‘gelijkwaardig’ verdelen van de ellende betekent dat men haar draaglijk maakt! Alsof samen de uitbuiting beheren die uitbuiting zou afschaffen. Zo wordt opnieuw vermeden dat het systeem in vraag wordt gesteld en perspectieven worden gezocht in een andere maatschappij, gebaseerd op het bevredigen van behoeften van allen en niet de eigenbelangen van enkelen!
EENHEID en SOLIDARITEIT - UITBREIDING en VERALGEMENING -VERTROUWEN op EIGEN KRACHT – KLASSE tegen KLASSE
Niet “hun competitiviteit” maar onze “solidariteit” is onze kracht n
Internationalisme / 02.11.12
Afdeling van de IKS in België
Lezersbrief:
Goedendag,
De aanleiding voor deze mail is die vanwege het, onlangs verschenen, pamflet over de ‘crisis van de automobielsector’.
Ten eerste moet gezegd worden: Op de analyse van deze situatie in de automobielbranche is niets aan te merken. Wederom goed werk.
Echter, het slotstuk van het pamflet: Het plan van aanpak, het elan, bleef (bewust?) vaag. Als gijzelingen, sabotage, blokkade, etc. niét de vormen tot antikapitalistisch verzet zijn, wát dan wel?
De mobilisatie, de solidariteit en de eenheid van de arbeidersklasse is zeker ten weten stap één naar een revolutionaire grondslag toe - de vereniging van jongeren, ouderen, werkeloze, proletariërs, precariërs, etc. Dit zal ten eerste op economisch vlak moeten gebeuren (binnenin de fabrieken en op de werkvloer). Dit gehele proces (zoals correct in het pamflet beschreven) zal in de vorm van (wellicht geheime) algemene vergaderingen, desnoods raden of comités genoemd, moeten plaatsvinden. Deze vergaderingen moeten zich verenigingen op massale schaal (Onderling verbonden doormidden van ‘zone-’, ‘gebied-’ en ‘stads-’, raden/comités).
De proletarische democratie van onderop, vanaf de economie (werkvloer), naar boven toe. Uiteindelijk zal dan, in theorie, de massa organisatie ontstaan. Maar wat is het wapen van de arbeidersklasse dan?
Tot hedendaags blijkt alleen de staking een legitiem wapen te zijn van de arbeidersklasse, naast de radicalere mogelijkheden zoals de sabotage, de bezettingen van werkplaatsen en blokkades richting de kapitalistische economie en verraders van de arbeidersklasse toe. (Opties dié zeker toegepast moeten worden(!)).
Een staking brengt mobilisatie van de arbeidersklasse met zich mee, en eindigt, in de periode na staking, de onderlinge verdeeldheid naar elkaar toe.
De algemene massa staking is, kortom, de directe actie jegens de kapitalistische economie toe. Hiervan uit kunnen de politieke eisen richting de Staat, het systeem, de sociaal-democratie en de vakbonden (syndicaten) geuit worden.*
Aldus een korte, en versimpelde, visie van een lezer.
Maar wat is het alternatief voor een socialistische/communistische revolutie dan vanuit het IKS ?**
Met vriendelijke groet.
KW
*Verzet, of deelname, van autoriteiten en militarisme voor het gemak uit het verhaal weg gelaten.
**Als hier geen juridische gevolgen aan vast zitten. Hetgeen wat de onduidelijkheid van de conclusie van het pamflet kan verklaren
Antwoord van de IKS:
Beste kameraad,
Bedankt voor je bijdrage. We verwelkomen iedere poging tot verdieping en verheldering van de discussie, zelfs als die een (fundamentele) kritiek inhoudt van de teksten, die we gepubliceerd hebben.
We zijn het eens met een groot deel van je bijdrage. Maar als je het goedvindt, willen we hier en daar ook enkele kanttekeningen plaatsen bij je opmerkingen.
Aan het eind van je brief schrijf je “het slotstuk, het plan van aanpak bleef (bewust) vaag” en “dit (de mobilisatie, de solidariteit en de eenheid van de arbeidersklasse) zal eerst op economisch vlak moeten gebeuren”.
De kwestie is dat je de economische en politieke strijd wel van elkaar kan onderscheiden, maar niet totaal van elkaar kan scheiden.
“Ook al komt hij ons ook gescheiden voor onder de vormen van economische en politieke klassenstrijd, bij revolutionaire massa-acties zijn politieke en economische strijd één”. Iedere poging tot “scheiding tussen de politieke en de economische strijd en de verzelfstandiging van beide is niets dan een kunstmatig, zij het dan ook historisch noodzakelijk product van de parlementaire periode.(Zie: Rosa Luxemburg: Massa-staking, partij en vakbonden)
In de periode van het verval van het kapitalisme zijn er geen blijvende en duurzame hervormingen meer mogelijk. Dat maakt dat iedere strijd van de arbeiders indirect ook een aanval vormt op het wezen van het systeem. Ieder verzet van de kant van de klasse kan het kapitalisme op zijn grondvesten doen schudden omdat het over weinig of geen manoeuvreerruimte beschikt om de aanval van de kant van de arbeiders te neutraliseren
De arbeidersstrijd in de periode van het verval “ is tegelijkertijd gericht èn op de beperking van de kapitalistische uitbuiting, èn op de afschaffing van die uitbuiting tegelijk met de opruiming van de burgerlijke maatschappij zelf”. Met andere woorden: “[Elke] periode van open klassenstrijd [is] tegelijk van politieke en economische aard”. (Idem)
Het is waar dat het vertrekpunt voor de strijd van de arbeiders – in ieder geval tot aan de periode van de revolutionaire opstand – altijd het verzet is tegen aanvallen op de kwaliteit van haar materiele leven. Daarom is het ook in zekere zin waar dat het er in de strijd niet om gaat wat de arbeiders van hun eigen optreden verwachten, maar om wat de arbeidersklasse is, en wat zij op grond daarvan gedwongen is te doen. Maar als de arbeidersklasse genoodzaakt is om bepaalde dingen te doen, dan doet ze dat niet zonder een bepaald bewustzijn (en zeker niet op een mechanische manier, zoals bijvoorbeeld het hondje bij Pavlov). Daarom is volgens ons ook een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling van een tegenmacht de ontwikkeling van het bewustzijn in de arbeidersklasse: van het bestaan van de loonarbeid, van de geassocieerde, collectieve wijze waarop de arbeiders in de productie staan en van het feit dat de arbeiders op die wijze, als klasse, de voortbrengers zijn van alle rijkdom in de wereld.
Bij een grotere of kleinere minderheid van de klasse bestaat altijd het inzicht en vooruitzicht van een andere, kommunistische maatschappij. Dat komt omdat ze beschikt over een historisch geheugen, over een herinnering aan voorbije perioden (al of niet van de ene op de andere generatie overgedragen) en over een capaciteit te leren van haar strijdervaringen. Dat maakt dat ze de inzet van de strijd, iedere keer als ze deze aangaat, op een steeds algemener vlak kan stellen. In het Frans hebben ze een leuke uitdrukking: “reculer pour mieux sauter”. Dat wil zeggen: enkele passen terugdoen om een betere sprong te kunnen maken. Zo is het ongeveer ook met de arbeidersstrijd. De arbeiders beschikken over de capaciteit om, ieder keer als ze de strijd aangaan, deze met wat meer afstand van hun eigen onmiddellijke belangen in te zetten en op een steeds algemener (en daardoor breder en uiteindelijk ook politiek) vlak te stellen. Deze dynamiek leidt er toe dat de strijd uiteindelijk niet (eens) meer overheersend op direct economisch, maar overheersend op politiek vlak wordt uitgevochten: de strijd om de macht in de maatschappij.
Kameraadschappelijke groeten,
voor de IKS,A.
Wij publiceren hieronder delen uit het eerste hoofdstuk (1) van de brochure van Rosa Luxemburg De Crisis van de Sociaal-democratie (2). Deze meesterlijke tekst van 1915 is bedoeld als een bron van inspiratie voor de problemen waar het proletariaat momenteel mee te kampen heeft. Achtereenvolgens geconfronteerd met een van de ergste slachting in de geschiedenis van de mensheid, de Eerste Wereldoorlog (3) en het verraad van de sociaal-democratie, dat heeft bijgedragen aan de inlijving van de arbeiders van alle landen in het imperialistische bloedbad, geeft Rosa Luxemburg niet toe aan de ontmoediging. Integendeel! Ze pleit voor een levend, niet-dogmatisch marxisme, bepaald door de wetenschappelijke methode, die de fouten en de nederlaag confronteert om de lessen te trekken en de toekomst beter voor te bereiden. Want deze revolutionaire heeft een onwrikbaar vertrouwen in de toekomst en in het vermogen van het wereld proletariaat om haar historische missie te vervullen: bewust te vechten voor de emancipatie van de gehele mensheid.
IKS
Geschonden, onteerd, wadend in het bloed, druipend van het vuil: zo staat de burgerlijke maatschappij voor ons, zo is zij! Niet als ze, keurig en oprecht, cultuur en filosofie, moraal en orde, vrede en recht beoefent, maar als een verscheurend beest, als de heksensabbat van de anarchie, en als een pestadem voor de cultuur en de mensheid zich in haar ware, naakte gedaante vertoont.
Temidden van deze heksensabbat voltrok zich een wereldhistorisch drama: de capitulatie van de internationale sociaaldemocratie. Het zou voor het proletariaat het toppunt van domheid zijn om toe te geven en deze capitulatie of deze catastrofe toe te dekken, dat is het ergste wat het proletariaat zou kunnen overkomen. “De democraat” (d.w.z. de revolutionaire kleinburger), zo zegt Marx, “komt net zo onberispelijk en onschuldig uit de smadelijkste nederlaag te voorschijn, als hij die strijd is aangegaan: met de nieuw verkregen overtuiging, dat moet overwinnen, niet omdat hijzelf en zijn partij het oude standpunt prijsgeven, maar omgekeerd, omdat hij verwacht dat de verhoudingen in de richting van zijn geest evolueren”. Het moderne proletariaat komt anders uit de historische beproevingen te voorschijn. Reusachtig als zijn taken zijn, zijn ook zijn fouten. Er bestaat geen vastgelegd en voor altijd geldig schema, er bestaat geen onfeilbare leider die het proletariaat de weg toont, die het moet gaan. Ze heeft geen andere meesteres dan de historische ervaring De nauwe weg van haar bevrijding is niet alleen geplaveid met een onbegrensd lijden maar ook met onnoemelijke fouten. Het doel van zijn reis, zijn bevrijding, zal hij slechts bereiken als hij uit eigen fouten weet te leren.
Zelfkritiek, niets ontziende, wrede, tot de kern der dingen doordringende zelfkritiek, dat is de adem en het licht van de proletarische beweging, zonder welke ze niet kan leven. In de huidige wereldoorlog is het proletariaat gezonken als nooit tevoren. Het is een ramp voor de mensheid. Maar het socialisme zou alleen verloren zijn als het internationale proletariaat de diepte van die val niet zou willen peilen en daar niet de lessen uit zou willen trekken.
Wat er nu op het spel staat is het gehele laatste hoofdstuk in de vijfenveertigjarige ontwikkeling van de moderne arbeidersbeweging. Wat wij beleven is de kritiek, de balans van onze arbeid van bijna een halve eeuw. De val van de Commune van Parijs had de eerste fase van de Europese arbeidersbeweging en van het einde van de Ie Internationale afgesloten. Toen begon er een nieuwe fase. In plaats van de spontane revoluties, opstanden, barricadegevechten, waarna het proletariaat telkens weer in zijn passieve toestand terug viel, begon de stelselmatige strijd van elke dag. Het gebruik van het burgerlijke parlementarisme, de massaorganisatie, de samensmelting van de economische en de politieke strijd en van het socialistisch ideaal met de hardnekkige verdediging der directe dagelijkse belangen. Voor de eerste keer werd de zaak van het proletariaat en zijn bevrijding geleid door het licht van een ster: van een strenge wetenschappelijke leer. In plaats van de sekten, de scholen, de utopieën, de ervaringen die iedereen op eigen houtje opdeed in eigen land, bestond er een en dezelfde theoretische internationale grondslag, een gemeenschappelijke basis, die de landen in één bundel samenbracht. De marxistische theorie gaf aan de arbeidersklasse der gehele wereld een kompas in handen, om wegwijs te worden in de draaikolk van de dagelijkse gebeurtenissen, om haar dagelijkse strijdtactiek te richten op het onveranderlijke einddoel.
De Duitse sociaaldemocratie was de draagster, de kampvechtster en de behoedster van deze nieuwe methode. […]. Zij heeft ten koste van talloze offers, van een onvermoeide minutieuze arbeid de sterkste en meest voorbeeldige organisatie opgebouwd, de grootste pers geschapen, de doeltreffendste middelen voor scholing en voorlichting in het leven geroepen, de geweldigste kiezersmassa om zich geschaard, de talrijkste parlementaire mandaten bevochten. De Duitse sociaaldemocratie gold als de zuiverste belichaming van het marxistische socialisme. Zij had en maakte aanspraak op een speciale plaats als de leermeesteres en leidster van de IIe Internationale. […]. De Franse, de Italiaanse en de Belgische sociaaldemocratie, de arbeidersbeweging van Nederland, Scandinavië, Zwitserland, de Verenigde Staten traden met steeds grotere ijver in haar voetstappen. De Slavische landen echter, de Russen en de sociaaldemocraten van de Balkan, keken naar haar op met een onbegrensde, bijna kritiekloze bewondering. […] Op de congressen, in de bijeenkomsten van het Internationale Socialistische Bureau werd onderworpen aan de Duitse mening. […] “Voor ons, Duitsers, is dit onaanvaardbaar,” was in de regel voldoende om de oriëntatie der Internationale te bepalen. Met blind vertrouwen gaf zij zich over aan de leiding van de bewonderde, machtige Duitse sociaaldemocratie: zij was de trots van elke socialist en de schrik van de heersende klassen in alle landen.
En wat beleefden wij in Duitsland toen de grote historische beproeving zich aandiende? De diepste val, de meest geweldige ineenstorting. […] Daarom moeten we ook bij haar beginnen, door de analyse van haar val. […] De arbeidersklasse durft de waarheid, zelfs als deze voor haar de bitterste beschuldiging inhoud, zonder vrees in de ogen te kijken, want haar zwakte is slechts een afdwaling en de strenge wet van de geschiedenis geeft haar de kracht terug, en waarborgt haar uiteindelijke overwinning.
De nietsontziende zelfkritiek is voor de arbeidersklasse niet alleen een vitaal recht, zij is voor haar ook de hoogste plicht. Op onze boottocht voeren wij de grootste schatten der mensheid mee, met wier bewaking het proletariaat belast was. En terwijl de burgerlijke maatschappij, geschonden en onteerd door de bloedige orgie, haar noodlot verder tegemoet snelt, moet het internationale proletariaat zich vermannen, en hij zal het doen, om de gouden schatten verzamelen, die het in een ogenblik van verwarring en zwakte in de wilde draaikolk van de wereldoorlog naar de bodem liet afzinken.
Eén ding is zeker: de wereldoorlog betekent een ommekeer voor de wereld. […] De wereldoorlog heeft de voorwaarden van onze strijd veranderd en onszelf het meest. Niet dat de fundamentele wetten der kapitalistische ontwikkeling, de oorlog op leven en dood tussen kapitaal en arbeid een wijziging of ‘verzachting’ zouden hebben ondergaan. […] Maar na de uitbarsting van de kapitalistische vulkaan, heeft het tempo van de ontwikkeling zo’n geweldige stoot gekregen, dat de hevigheid van de botsingen in de maatschappij, de reusachtige omvang van de taken die onmiddellijk voor het socialistische proletariaat oprijzen, dat de hele geschiedenis van de arbeidersbeweging tot nog toe slechts een tere idylle schijnt te zijn geweest. […] Laten we ons in herinnering roepen hoe wij, kort geleden nog, de toekomst omschreven:
[…] Het officiële vlugschrift van de partij: Imperialisme of Socialisme, dat enige jaren geleden in honderdduizenden exemplaren verspreid werd, besloot met de woorden: “Zo groeit de strijd tegen het imperialisme steeds meer uit tot een beslissende strijd tussen kapitaal en arbeid. Oorlogsgevaar, duurte en kapitalisme. Vrede, welvaart voor allen, socialisme! Zo stelt zich het probleem. De geschiedenis gaat grote beslissingen tegemoet. Onafgebroken moet het proletariaat aan zijn wereldhistorische zaak werken, de macht van zijn organisatie en de klaarheid van zijn bewustzijn versterken. Wat er ook moge gebeuren, oftewel een arbeidersklasse die, door de kracht die ze vertegenwoordigd, er in slaagt de mensheid de vreselijke gruwelijkheden van een wereldoorlog te besparen, hetzij een kapitalistische wereld die in de geschiedenis ten onder gaat, op dezelfde manier als zij daaruit voortgekomen is: in bloed en geweld. Op dit historische moment zal de arbeidersklasse er klaar voor zijn en alles wat telt is dat ze klaarstaat”. […] Nog een week voor het uitbreken van de oorlog, op 26 juli 1914, schreven Duitse partijbladen: “Wij zijn geen marionetten, wij bestrijden met z’n allen een systeem, dat de mensen maakt tot willoze werktuigen van de blinde heersende verhoudingen, dit kapitalisme, dat zich klaarmaakt om het naar vrede hunkerende Europa in een dampend slachthuis te veranderen. Als het verderf doorgaat, als de vastbesloten vredeswil van het Duitse en van het internationale proletariaat, dat zich in de komende dagen in machtige demonstraties zal openbaren, niet in staat zou zijn de wereldoorlog te verhinderen, dan moet de laatste in ieder geval de laatste oorlog, de zonsondergang van het kapitalisme worden”.(Frankfurter Volksstimme). […] En toen kwam het ongehoorde, de buitensporige, nog nooit vertoonde gebeurtenis, de 4de augustus 1914.
Of het zo moest komen? […] Het wetenschappelijke socialisme heeft ons geleerd de objectieve wetten van de geschiedkundige ontwikkeling te begrijpen. De mensen maken hun geschiedenis niet geheel vanaf nul. Maar zij maken de geschiedenis zelf. Het proletariaat is in zijn actie afhankelijk van de bestaande graad van rijpheid der maatschappelijke ontwikkeling, maar de maatschappelijke ontwikkeling voltrekt zich niet buiten het proletariaat om; hij is evenzeer haar drijfveer en oorzaak als haar product en gevolg. Zijn actie maakt deel uit van de geschiedenis door bij te dragen aan haar richting. En wanneer wij ons net zomin kunnen losmaken van de geschiedkundige ontwikkeling als een mens van zijn schaduw, kunnen wij haar val toch bespoedigen of vertragen. Het socialisme is de eerste volksbeweging in de wereldgeschiedenis die tot doel heeft, en door de geschiedenis geroepen is, het maatschappelijke leven van de mensen een bewuste zin, een planmatige gedachte en daarmee een vrije wil te geven. Daarom noemt Friedrich Engels de uiteindelijke overwinning van het socialistische proletariaat een sprong van de mensheid uit het dierenrijk in het rijk van de vrijheid. Maar deze sprong is zelf aan ijzeren wetten van de geschiedenis, aan duizenden voorafgaande spruiten van de evolutie, een smartelijke en al te langzame ontwikkeling gebonden. Doch zij kan nooit volbracht worden, als er uit alle door de evolutie opgehoopte stof van de materiële voorwaarden niet de vonk van de bewuste wil van de grote volksmassa ontvlamd. De overwinning van het socialisme zal niet als een noodlot van de hemel neerdalen. Hij kan slechts door een lange reeks van geweldige krachtproeven tussen de oude en nieuwe machten bevochten worden, […] Friedrich Engels heeft eens gezegd: “De burgerlijke maatschappij staat voor een dilemma, hetzij de overgang naar het socialisme of terugvallen in het barbarendom”. Wat betekent terugvallen in het barbarendom op onze hoogte van de beschaving, die we nu in Europa kennen? Wij hebben allen die woorden tot nu toe gedachteloos gelezen en herhaald zonder hun verschrikkelijke ernst te realiseren. Op dit ogenblik toont een blik om ons heen aan, wat een terugval van burgerlijke maatschappij in het barbarendom betekent. Deze wereldoorlog is een terugval in het barbarendom. De zegepraal van het imperialisme leidt tot vernietiging van de cultuur, sporadisch gedurende het verloop van de moderne oorlog, en definitief als de periode van wereldoorlogen, die nu begonnen is, zich ongehinderd tot haar laatste consequentie zou kunnen ontplooien. Wij staan dus thans voor de keus, precies zoals Friedrich Engels een mensenleeftijd, nu veertig jaar, geleden, voorspelde: hetzij de overwinning van het imperialisme en ondergang van elke beschaving, ontvolking, verwoesting, ontaarding, één groot kerkhof zoals in het oude Rome, dan wel de overwinning van het socialisme, dat wil zeggen de bewuste strijd van het internationale proletariaat tegen het imperialisme en zijn methode: de oorlog.
Dit is een dilemma der wereldgeschiedenis. Afhankelijk van de beslissing van het klassenbewuste proletariaat zal de weegschaal van de wereldgeschiedenis de ene of de andere kant – of nog beter: onbeslist - doorwegen. Het proletariaat moet resoluut het geheime wapen van haar revolutionaire strijd in op de weegschaal werpen. De toekomst van de beschaving en van de mensheid hangt er van af. In deze oorlog heeft het imperialisme overwonnen. Door het hele gewicht van zijn bloedig wapen van de volkerenmoord erop te werpen heeft het de weegschaal doen doorwegen in de richting van de afgrond, van de doodsheid en de smaad. Het hele rookgordijn van de naargeestigheid en de smaad kunnen slechts tenietgedaan worden als wij, in het midden van de oorlog, uit de oorlog de lessen trekken, als het proletariaat erin slaagt om zich te herpakken en ermee stopt een slaaf te zijn die wordt gemanipuleerd door de heersende klassen en meester wordt over zijn eigen bestemming.
De arbeidersklasse moet duur betalen voor elke stap in de bewustwording van haar historische roeping. De weg naar Golgotha van haar klassenbevrijding is met vreselijke offers bezaaid. De Juni-strijders, de slachtoffers van de Commune, de martelaren van de Russische revolutie, wat een eindeloze reeks van bloedige spookbeelden. Maar die mensen waren allemaal op het veld van eer gevallen, zij zijn, zoals Marx over de helden van de Commune schreef “voor altijd bijgezet in het grote hart van de arbeidersklasse”. Nu vallen miljoenen proletariërs van alle landen op het veld van de smaad, van de broedermoord, van de zelfvernietiging, met het slavengezang op de lippen. Ook dat kon ons niet bespaard blijven. Wij lijken werkelijk op de Joden, die Mozes door de woestijn leidt, maar wij zijn niet verloren en wij zullen overwinnen, op voorwaarde dat wij niet verleerd zijn om te leren. En zou de tegenwoordige leidster van het proletariaat, de sociaaldemocratie, niet kunnen leren, dan zal zij ondergaan om “plaats te maken voor de mensen, die tegen een nieuwe wereld opgewassen zijn” n
Junius (1915)
(1) De titel daarvan is: Socialisme of barbarendom.
(2) Hij is ook bekend onder de naam De Juniusbrochure, een pseudoniem dat door Rosa werd gebruikt om hem te ondertekenen; de tekst is integraal beschikbaar op de website marxists.org.
(3) De ergste verschrikkingen komen daarna, zoals die van de Tweede Wereldoorlog.
Links
[1] https://nl.internationalism.org/tag/4/68/belgie
[2] https://nl.internationalism.org/tag/3/42/economie
[3] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/economische-crisis
[4] https://nl.internationalism.org/tag/4/55/afrika
[5] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/sociale-beroering-de-arabische-landen
[6] https://nl.internationalism.org/tag/3/46/kommunisme
[7] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/occupy-beweging
[8] https://nl.internationalism.org/tag/11/151/congres-resoluties
[9] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/economische-situatie-belgie
[10] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/sociale-situatie-belgie
[11] https://uk.reuters.com/article/2011/12/02/uk-iran-britain-policy-idUKLNE7B101120111202
[12] https://nl.internationalism.org/tag/4/87/midden-oosten
[13] https://nl.internationalism.org/tag/4/89/iran
[14] https://nl.internationalism.org/tag/aktiviteiten-van-de-iks/openbare-discussiebijeenkomsten-permanenties
[15] https://nl.internationalism.org/tag/2/31/het-parlementaire-bedrog
[16] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-belgie
[17] https://www.revleft.space/vb/
[18] https://libcom.org/
[19] http://www.red-marx.com
[20] https://nl.internationalism.org/tag/11/155/tussenkomsten
[21] https://nl.internationalism.org/tag/8/139/internationale-kommunistische-stroming
[22] https://discussiegroepspartacus.wordpress.com/2012/03/10/inleiding-imperialisme/#more-1234
[23] https://nl.internationalism.org/internationalerevue/200709/473/over-het-imperialisme
[24] https://nl.internationalism.org/tag/3/44/imperialisme
[25] https://nl.internationalism.org/tag/4/80/spanje
[26] https://nl.internationalism.org/files/nl/N_ISME356_mini.pdf
[27] https://nl.internationalism.org/tag/4/90/israel
[28] https://nl.internationalism.org/tag/4/91/palestina
[29] https://nl.internationalism.org/tag/2/29/proletarische-strijd
[30] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/klassenstrijd-belgie
[31] https://nl.internationalism.org/tag/4/59/zuid-afrika
[32] https://nl.internationalism.org/tag/recent-en-lopend/sluiting-fordfabriek
[33] https://nl.internationalism.org/tag/11/153/lezersbrieven
[34] https://nl.internationalism.org/tag/people/rosa-luxemburg
[35] https://nl.internationalism.org/tag/8/132/tweede-internationale