Bij het aanbreken van de éénentwintigste eeuw: Waarom het proletariaat het kapitalisme nog niet omvergeworpen heeft (deel 1)

Printer-friendly version

De éénentwintigste eeuw begint. Wat zal die de mensheid brengen? In aflevering 100 van onze Internationale Revue (Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave), nadat de bourgeoisie van het jaar 2000 plechtig had gevierd, schreven we: “Zo eindigt de twintigste eeuw, de meest tragische en barbaarse uit de geschiedenis van de mensheid: in ontbinding van de maatschappij. De bourgeoisie heeft het jaar 2000 uitbundig gevierd maar het is onwaarschijnlijk dat ze in 2100 hetzelfde doet. Want ofwel zal haar heerschappij omvergeworpen zijn door het proletariaat, ofwel zal de mensheid verwoest zijn of teruggebracht tot het Stenen Tijdperk”. Zo werd duidelijk gezegd wat er op het spel staat: de uitkomst van de ontwikkeling van de éénentwintigste eeuw hangt volledig af van het proletariaat. Ofwel zal het in staat zijn de revolutie te volbrengen, ofwel zal iedere vorm van beschaving, misschien zelfs de mensheid, verwoest worden. Ondanks alle mooie humanitaire redevoeringen en euforische verklaringen waarmee we tegenwoordig worden overspoeld zal de heersende klasse niets doen om een dergelijke uitkomst te voorkomen. Niet omdat zij of haar regeringen dat niet willen. Het zijn de onoverkomelijke tegenstellingen van haar systeem, het kapitalisme, die de maatschappij onvermijdelijk naar haar ondergang voeren. Sinds een decennium worden we dagelijks om de oren geslagen met campagnes over de ‘dood van het kommunisme’, of zelfs van de arbeidersklasse. Het is daarom noodzakelijk om luid en duidelijk te herhalen dat ondanks alle moeilijkheden die het proletariaat tegenkomt er geen andere kracht bestaat die in staat is om de tegenstellingen op te lossen waardoor de maatschappij wordt geteisterd. Omdat de arbeidersklasse er tot nu toe niet in slaagde om haar historische taak, de omverwerping van het kapitalisme, te volbrengen, zonk de twintigste eeuw weg in barbarij. Ze zal de krachten om haar verantwoordelijkheid in deze eeuw op te nemen alleen kunnen verzamelen als ze in staat is om te begrijpen waarom ze haar afspraken met de geschiedenis in de voorbije eeuw is misgelopen. Aan dat begrip probeert dit artikel een bescheiden bijdrage te leveren.

Voordat we gaan onderzoeken waarom het proletariaat niet in staat was om haar historische taak in de twintigste eeuw te volbrengen moeten we eerst terugkomen op een kwestie waarover de revolutionairen zelf niet altijd erg helder zijn geweest.

Is de kommunistische revolutie onvermijdelijk?

Dit is een fundamentele vraag, want het vermogen van de arbeidersklasse om ten volle haar verantwoordelijkheid op te nemen hangt voor een deel van het antwoord op die vraag  af. Verklaarde een groot revolutionair als Amadeo Bordiga (1) bijvoorbeeld niet: “De socialistische revolutie is een vaststaand feit net alsof zij al heeft plaatsgevonden”? En hij stond niet alleen in de verkondiging van dat idee. Het is ook te vinden in sommige geschriften van Marx, Engels en andere marxisten die na hen kwamen.

Zo kunnen we een uitspraak vinden in het Kommunistisch Manifest die een ingang biedt voor het idee dat een proletarische overwinning niet onvermijdelijk is: “onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte, dan weer openlijke strijd, een strijd die telkenmale eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met een gemeenschappelijke ondergang der strijdende klassen” (2). Toch werd deze vaststelling alleen van toepassing verklaard  op de klassen uit het verleden. Voor de uitkomst van de confrontatie tussen bourgeoisie en proletariaat bestond er geen twijfel: “De vooruitgang van de industrie, welker willoze en weerloze draagster de bourgeoisie is, stelt in de plaats van het isolement van de  arbeiders, veroorzaakt door de concurrentie, hun revolutionaire vereniging door middel van de associatie. Met de ontwikkeling van de grootindustrie wordt dus aan de bourgeoisie de grondslag zelf waarop zij produceert en zich de producten toe-eigent, onder de voeten weggetrokken. Zij produceert vóór alles haar eigen doodgraver. Haar ondergang en de overwinning van het proletariaat zijn even onvermijdelijk.” (3).

In werkelijkheid heeft er, in de terminologie die door de revolutionairen werd gebruikt, vaak verwarring bestaan tussen het feit dat de kommunistische revolutie absoluut noodzakelijk, onontbeerlijk was voor de redding van de mensheid, en haar onvermijdelijkheid.

Zoals het marxisme dat vanaf het begin heeft gedaan, is het natuurlijk belangrijker om aan te tonen:

  • dat het kapitalisme niet een eens en voor altijd bestaande productiewijze is, geen ‘uiteindelijk gevonden vorm’ van de organisatie van de productie die een steeds toenemende overvloed voor alle menselijke wezens kan verzekeren;
  • dat dit systeem de maatschappij op een bepaald moment van zijn geschiedenis slechts in heviger crises kan storten, en zo de vooruitgang verwoesten die het voordien zelf had helpen verwezenlijken;
  • dat de kommunistische revolutie onontbeerlijk is om de maatschappij in staat te stellen haar weg vooruit naar een werkelijke mensengemeenschap voort te zetten, waarin alle menselijke behoeften volledig worden bevredigd;
  • dat de kapitalistische maatschappij in haar midden de objectieve voorwaarden heeft geschapen en de subjectieve voorwaarden kan scheppen die zo’n revolutie mogelijk maken: de materiële productiekrachten, een klasse die in staat is de burgerlijke orde omver te werpen en leiding te geven aan de maatschappij, en het bewustzijn dat deze klasse in staat zal stellen haar historische taak te volbrengen.

Maar heel de twintigste eeuw getuigt  ervan hoe zwaar deze taak is. Dat stelt ons  in de gelegenheid om beter te begrijpen dat voor de kommunistische revolutie absolute noodzaak nog geen zekerheid betekent, dat het niet vooraf een uitgemaakte zaak is dat de proletarische overwinning  staat ingeschreven in het grote boek van de geschiedenis. Afgezien van het barbarendom waarin de twintigste eeuw was ondergedompeld maakte de dreiging van een atoomoorlog, die veertig jaar lang boven de planeet hing, duidelijk dat het kapitalisme de maatschappij wel degelijk had kunnen vernietigen. Die dreiging is met de verdwijning van de grote imperialistische blokken voor het moment afgewend, maar de wapens die een einde kunnen maken aan de menselijke soort bestaan nog altijd, net zo goed als de tegenstellingen tussen de staten die op zekere dag kunnen leiden tot het gebruik van die wapens.

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam Engels, met Marx de schrijver van het Kommunistisch Manifest, trouwens terug op het idee van de onvermijdelijkheid van de revolutie en de overwinning van het proletariaat. Momenteel is het belangrijk voor de revolutionairen om duidelijk tegen hun klasse te zeggen, en daarvoor is het nodig dat ze er werkelijk van overtuigd zijn, dat er niet zoiets bestaat als voorbeschikking, dat de overwinning niet vooraf vaststaat, en dat wat er op het spel staat in de proletarische strijd niets meer of minder is dan het overleven van de hele mensheid. Alleen als ze zich bewust is van hoeveel er op het spel staat kan de arbeidersklasse ook de wilskracht opbrengen om het kapitalisme omver te werpen. Marx zei dat de wilskracht een uitdrukking is van de noodzakelijkheid. De wilskracht van het proletariaat om de kommunistische revolutie teweeg te brengen zal steeds groter worden naarmate de noodzakelijkheid van een dergelijke revolutie in zijn ogen dringender wordt.

Waarom is de kommunistische revolutie niet onvermijdelijk?

“Burgerlijke revoluties, zoals die van de achttiende eeuw, stormen snel van succes naar succes, hun dramatische effecten wedijveren met elkaar, mensen en dingen schijnen in schitterende briljanten gevat, extase is de dagelijkse stemming; maar zij hebben een kort bestaan, spoedig hebben zij hun hoogtepunt bereikt en de maatschappij wordt door een langdurige katterigheid aangegrepen, voordat zij leert zich de resultaten van haar ‘storm- en drangperiode’ nuchter eigen te maken. Proletarische revoluties daarentegen, zoals die van de negentiende eeuw, kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegenover hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde geweldigheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt, en de omstandigheden zelf roepen: ‘Hic Rhodus, hic salta! Hier is Rhodus, dans hier!” (4).

Dit bekende citaat uit de 18e Brumaire van Louis Bonaparte, geschreven door Marx in het begin van 1852 (met andere woorden, enkele weken na de staatsgreep van 2 december 1851) was erop gericht zich rekenschap af te leggen van het moeizame en pijnlijke verloop van de proletarische revolutie. Bijna zeventig jaar later ontwikkelde Rosa Luxemburg in een artikel geschreven aan de vooravond van de dag waarop ze werd vermoord en die volgde op het neerslaan van de Berlijnse opstand in januari 1919, een soortgelijk idee: “Uit deze tegenstelling tussen de toespitsing van de taak en de ontbrekende voorwaarden tot haar oplossing in een beginstadium van een revolutionaire ontwikkeling volgt dat de afzonderlijke gevechten van de revolutie formeel op een nederlaag uitlopen. Maar de [proletarische] revolutie is de enige vorm van ‘oorlog’ – ook dit is haar bijzondere bestaanswet – waar de eindoverwinning slechts door een reeks van ‘nederlagen’ kan worden voorbereid! [...] De hele ontwikkeling van het socialisme is – voorzover het om de revolutionaire strijd gaat – enkel met nederlagen geplaveid. En toch voert deze zelfde geschiedenis stap voor stap onstuitbaar naar de uiteindelijke zege! [...] Uiteraard onder één voorwaarde! De vraag rijst onder welke omstandigheden de gegeven nederlagen werden opgelopen [...].” (5).

Deze citaten gaan met name over het pijnlijke verloop van de kommunistische revolutie, de reeks van nederlagen waarmee haar pad geplaveid is voordat de uiteindelijke overwinning wordt behaald. Maar ze stellen ons in de gelegenheid om twee wezenlijke ideeën te belichten:

  • het verschil tussen proletarische en burgerlijke revoluties;
  • dat een voorwaarde voor de overwinning van het proletariaat, die niet vooraf vaststaat, bestaat uit het vermogen van de klasse om haar bewustzijn te ontwikkelen door lering te trekken uit haar nederlagen.

Het grote verschil tussen proletarische en burgerlijke revoluties maakt duidelijk waarom de overwinning van de arbeidersklasse niet als onvermijdelijkheid kan worden beschouwd.

Een bijzonderheid van de burgerlijke revoluties, anders gezegd de greep naar de politieke alleenheerschappij door de kapitalistenklasse, vormt niet het startpunt maar het eindpunt van een heel proces van economische omvorming binnen de maatschappij. De economische omvorming tijdens welke de oude, feodale productieverhoudingen in toenemende mate worden vervangen door kapitalistische verhoudingen dienen als basis voor de verovering van de politieke macht door de bourgeoisie:

“Uit de lijfeigenen der Middeleeuwen zijn de poorters van de eerste steden voortgekomen; uit deze poorters ontwikkelden zich de eerste elementen van de bourgeoisie.

De ontdekking van Amerika en het ronden van Afrika schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en de waren in het algemeen gaven aan de handel, de scheepvaart, de industrie een ongekende vlucht en daarmede aan het revolutionaire element in de in verval verkerende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling.

De tot dan toe bestaande feodale of op het gildenwezen gebaseerde bedrijfsvoering van de industrie was niet meer toereikend voor de met nieuwe markten groeiende behoefte. De manufactuur trad in haar plaats. De gildenmeesters werden verdrongen door de industriële middenstand; de arbeidsdeling tussen de verschillende corporaties maakte plaats voor de arbeidsdeling in de afzonderlijke werkplaats zelf.

Maar voortdurend groeiden de markten, voortdurend steeg de behoefte. Ook de manufactuur was niet meer toereikend. Toen revolutioneerden de stoom en de machinerie de industriële productie, de plaats van de manufactuur werd door de moderne grootindustrie, de plaats van de industriële middenstand door de industriële miljonairs, de aanvoerders van gehele industriële legers, de moderne bourgeoisie ingenomen. [...]

We zien dus hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van een lange ontwikkelingsgang, van een reeks van omwentelingen in de wijzen van voortbrenging en verkeer.

Ieder van deze trappen van de ontwikkeling van de bourgeoisie ging vergezeld van een dienovereenkomstige politieke vooruitgang van de klasse. Onderdrukte stand onder de heerschappij van de feodale heren, gewapende en zichzelf besturende associaties in de middeleeuwse commune, hier onafhankelijke stedelijke republiek (zoals in Italië en Duitsland), daar derde belastingplichtige stand der monarchie (zoals in Frankrijk), dan, ten tijde van de manufactuur, tegenwicht tegen de adel in de op standen berustende of absolute monarchie en voornaamste fundament der grote monarchieën in het algemene, bevocht zij tenslotte voor zichzelf, sedert het grondvesten van de grootindustrie en de wereldmarkt, in de moderne parlementaire staat de ongedeelde politieke heerschappij.” (6).

Heel anders verloopt het proces van de proletarische revolutie. Terwijl de kapitalistische productieverhoudingen steeds meer tot ontwikkeling kwamen binnen de feodale maatschappij kunnen de kommunistische productieverhoudingen niet tot ontwikkeling komen binnen de kapitalistische maatschappij die beheerst wordt door de warenverhoudingen en geregeerd door de bourgeoisie. Het idee van een geleidelijke ontwikkeling van ‘eilanden van kommunisme’ behoort tot het utopisch socialisme, waartegen het marxisme en de arbeidersbeweging sinds het midden van de negentiende eeuw strijd leverden. Hetzelfde geldt voor een andere variant van dit idee: dat van productie- en consumenten-coöperaties die nooit ontsnapt zijn en ook nooit kunnen ontsnappen aan de wetten van het kapitalisme, en die de arbeiders hoogstens veranderen in kleine kapitalisten, als het er al niet toe leidt dat ze hun eigen uitbuiters worden. In werkelijkheid, omdat ze een uitgebuite klasse is binnen de kapitalistische productiewijze en per definitie beroofd van alle productiemiddelen, beschikt de arbeidersklasse over geen enkele economische basis en kan ze daarover binnen het kapitalisme ook niet beschikken voor de verovering van de politieke macht. Integendeel, de eerste daad van de kommunistische omvorming van de maatschappij bestaat uit de wereldwijde greep naar de politieke macht door het gehele proletariaat, georganiseerd in arbeidersraden, met andere woorden een opzettelijke en bewuste handeling. Deze machtspositie, de dictatuur van het proletariaat, is het startpunt voor de arbeidersklasse om de economische verhoudingen bewust steeds meer om te vormen, de gehele productie te socialiseren, de warenruil en vooral de belangrijkste waar, de loonarbeid, af te schaffen en daarmee een maatschappij zonder klassen te scheppen.

De burgerlijke revolutie, de greep naar de politieke alleenheerschappij door de kapitalistenklasse, was in die zin onvermijdelijk dat ze voortvloeide uit een economisch proces dat op een bepaald moment in de ontwikkeling van de feodale maatschappij zelf onvermijdelijk was, een proces waarop de bewust menselijke politieke wil weinig invloed had. Afhankelijk van de bijzondere omstandigheden in ieder land vond ze vroeger of later plaats, en nam ze verschillende vormen aan: de gewelddadige omverwerping van de monarchistische staat zoals in Frankrijk, of de geleidelijke verovering door de bourgeoisie van politieke functies binnen de staat, zoals dat meer het geval was in Duitsland. Het kon uitlopen op een republiek, zoals in de Verenigde Staten, of op een constitutionele monarchie, de eerste burgerlijke staat, waarvan Groot-Brittannië het typische voorbeeld was. Maar in al deze gevallen was de eventuele politieke overwinning van de bourgeoisie verzekerd. En zelfs toen de revolutionaire politieke krachten van de bourgeoisie een terugslag te verwerken kregen (zoals bijvoorbeeld in Frankrijk met de Restauratie, of in Duitsland met de nederlaag van de revolutie van 1848), had dit toch maar weinig gevolg voor de voortgang van deze klasse, economisch en zelfs politiek.

Natuurlijk, de allereerste voorwaarde voor het succes van de proletarische revolutie is het bestaan van de materiële voorwaarden voor de kommunistische omvorming van de maatschappij – voorwaarden die geschapen worden door de ontwikkeling van het kapitalisme zelf.

De tweede voorwaarde voor de proletarische revolutie is de ontwikkeling van een open crisis van de burgerlijke maatschappij, waardoor duidelijk wordt aangetoond dat de kapitalistische productieverhou-dingen moeten worden vervangen door andere (7).

Maar als aan deze materiële voorwaarden is voldaan betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat het proletariaat in staat is de revolutie door te voeren. Omdat het geen economische basis heeft binnen het kapitalisme is zijn enige kracht, behalve zijn aantal en zijn organisatie, het vermogen om zich helder bewust te worden van zijn aard, van zijn strijddoelen en strijdmiddelen. Juist dat is de betekenis van de hierboven aangehaalde woorden van Rosa Luxemburg. En dit vermogen van het proletariaat om zich rekenschap af te leggen komt niet automatisch voort uit de materiële voorwaarden waarmee het wordt geconfronteerd, net zomin als er nergens geschreven staat dat het dit bewustzijn onvermijdelijk zal verwerven voordat het kapitalisme de maatschappij in barbarij en vernietiging stort.

Een van de middelen om die uitkomst te voorkomen, zowel voor zichzelf als voor de maatschappij, bestaat nu juist uit het trekken van lering uit zijn nederlagen, zoals Rosa Luxemburg ons in de herinnering riep. En vooral moet het begrijpen waarom het in de twintigste eeuw niet in staat was de revolutie tot een goed einde te brengen.

Revolutie en contrarevolutie

Het is kenmerkend voor revolutionairen dat ze op een gegeven moment het potentieel van het proletariaat kunnen overschatten. Marx en Engels ontsnapten niet aan deze tendens toen ze in het begin van 1848 het Kommunistisch Manifest schreven. Ze dachten dat de proletarische revolutie op handen was en dat de burgerlijke revolutie, die in Duitsland opdoemde en enkele maanden later inderdaad plaatsvond, een opstapje zou vormen voor het proletariaat om er de macht te grijpen. Deze tendens is heel goed te verklaren uit het feit dat de revolutionairen – per definitie – met heel hun hart naar de omverwerping van het kapitalisme en de bevrijding van hun klasse streven, iets dat vaak een zeker ongeduld bij hen teweegbrengt. Maar in tegenstelling tot de kleinburgerlijke elementen of diegenen die worden beïnvloed door de ideologie van de kleinburgerij, zijn zij in staat om snel de onrijpheid van de voorwaarden voor de revolutie in te zien. Politiek gezien is de kleinburgerij bij uitstek de klasse die van de ene dag in de andere leeft omdat het geen enkele historische rol heeft te vervullen. Kortzichtigheid en ongeduld (‘revolutie nu’, zoals de rebellerende studenten van de jaren 1960 eisten) zijn kenmerkend voor de maatschappelijke categorie, waarvan enkelen  zich tijdens een proletarische revolutie bij de strijd van de arbeidersklasse kunnen aansluiten, maar die zodra de wind draait de sterkste kant kiezen, dat wil zeggen die van de bourgeoisie. Daarentegen zijn proletarische revolutionairen, als uitdrukking van een historische klasse, in staat om hun ongeduld te overwinnen en zichzelf in te zetten voor de geduldige en moeilijke taak: de voorbereiding van de toekomstige strijd van de klasse.

Daarom erkenden Marx en Engels in 1852 dat de voorwaarden voor de revolutie in 1848 nog niet rijp waren, en dat het kapitalisme nog een lange ontwikkelingsperiode voor de boeg had voordat het zover was. Zij achten het nodig om hun organisatie, de Bond van Kommunisten, opgericht aan de vooravond van de revolutie van 1848, op te heffen voordat die onder invloed zou komen van ongeduldige en avonturistische elementen (de Willich-Schaper tendens).

Toen ze in 1864 deelnamen aan de oprichting van de Internationale Werklieden Vereniging (IWV) dachten Marx en Engels opnieuw dat het uur van de revolutie had geslagen; maar al vóór de Parijse Commune in 1871 zagen ze in dat het proletariaat nog niet klaar stond omdat het kapitalisme op economisch vlak nog aanzienlijke ontwikkelingsmogelijkheden had. Na het neerslaan van de Commune, wat een ernstige nederlaag betekende voor het hele Europese proletariaat, begrepen ze dat de historische rol van de IWV was uitgespeeld, en ook dat het nodig was om haar te behoeden voor ongeduldige en avonturistische elementen zoals vooral vertegenwoordigd door de anarchisten, en zelfs voor avonturiers als Bakoenin. Dit is de reden dat ze ingrepen op het Haagse Congres van 1872 (overigens het enige congres waar deze twee revolutionairen allebei aanwezig waren), om de uitsluiting van Bakoenin en zijn Alliantie van de Socialistische Democratie te bewerkstelligen, en zij deden ook het voorstel en verdedigden de beslissing om de Algemene Raad van de IWV van Londen over te brengen naar New York, ver weg van de intriges, die door een hele reeks elementen in gang waren gezet de Internationale in handen te krijgen. Feitelijk kwam deze beslissing neer op het laten inslapen van de IWV, die  uiteindelijk werd opgeheven op de conferentie van Philadelphia in 1876.

Tot dan waren beide revoluties, 1848 en de Commune, mislukt omdat de materiele voorwaarden voor de overwinning van het proletariaat ontbraken. Ze kwamen pas tot ontwikkeling in de volgende periode toen het kapitalisme de machtigste ontwikkeling uit zijn geschiedenis doormaakte.

Deze periode kwam overeen met een krachtige ontwikkelingsfase van de arbeidersbeweging. Er werden toen in de meeste landen vakbonden gesticht en socialistische massa-partijen opgericht die zich in 1889 verenigden in de Tweede (socialistische) Internationale.

In de meeste West-Europese landen verwierf de georganiseerde arbeidersbeweging een eigen plaats. Hoewel een aantal regeringen de socialistische partijen aanvankelijk vervolgden (zoals in Duitsland tussen 1878 en 1890, onder de ‘socialistenwetten’), werd deze politiek langzamerhand vervangen door een meer tolerante houding. De socialistische partijen werden een werkelijke macht in de maatschappij, tot op het punt dat ze in sommige landen de machtigste groep in het parlement werden en de indruk wekten dat ze daar binnen korte tijd een absolute meerderheid zouden veroveren. De arbeidersbeweging scheen onoverwinnelijk. Voor velen was het moment aangebroken waarop het kapitalisme omver kon worden geworpen met gebruikmaking van het specifiek burgerlijke instituut van de parlementaire democratie.

Gelijktijdig met de groeiende kracht van de arbeidersorganisaties kende het kapitalisme een periode van ongekende welvaart, waarmee de indruk werd gewekt dat het voortaan in staat was de cyclische crises te overwinnen waardoor het in de voorgaande periode zozeer was geplaagd. Binnen de socialistische partijen ontwikkelden zich reformistische tendensen die dachten dat het kapitalisme zijn economische tegenstellingen had overwinnen en dat de omverwerping ervan door een revolutie bijgevolg een illusie was. Er verschenen theorieën zoals die van Bernstein, volgens welke het marxisme moest worden ‘herzien’, met name door de ‘catastrofistische’ opvatting van de geschiedenis op te geven. De overwinning van het proletariaat zou het resultaat zijn van een hele reeks van veroveringen op parlementair en vakbondsterrein.

In werkelijkheid werden deze twee tegengestelde krachten, kapitalisme en arbeidersbeweging, waarvan de macht zich hand in hand leken te ontwikkelen, allebei van binnenuit ondermijnd.

Het kapitalisme van zijn kant beleefde zijn laatste glorierijke uren (die in het collectieve geheugen werden gegrift als la belle époque). Hoewel de welvaart op het economisch vlak onaangetast leek, vooral in opkomende machten zoals Duitsland en de Verenigde Staten, was de nadering van zijn historische crisis al voelbaar in de opkomst van imperialisme en militarisme. Zoals Marx vijftig jaar eerder al duidelijk had gemaakt hadden de koloniale markten een fundamentele rol gespeeld in de ontwikkeling van het kapitalisme. Alle ontwikkelde kapitalistische landen, zelfs kleine landen als Nederland en België, hadden een koloniaal rijk verworven als bron van grondstoffen en als afzetgebied voor hun goederenproductie. Maar tegen het eind van de negentiende eeuw was heel de niet-kapitalistische wereld opgedeeld onder de oude burgerlijke naties. Voortaan zou de toegang tot nieuwe afzetmarkten en nieuwe gebieden een conflict met rivalen betekenen. De eerste confrontatie vond plaats tussen Groot-Brittannië en Frankrijk, in september 1898 in Fashoda, waar de twee oudste koloniale machten bijna slaags raakten toen de doeleinden van de eerste (controle over de Boven-Nijl en kolonisatie op een oost-west-as tussen Dakar en Djibouti) de ambities van de laatste blokkeerden (zijn rijk op een noord-zuid-as aaneen te laten sluiten van Cairo tot Kaapstad). Uiteindelijk gaf Frankrijk toe en de twee rivalen vormden de Entente Cordiale tegen een derde bandiet, waarvan de ambities net zo groot waren als zijn koloniale imperium klein was: Duitsland. Het Duitse imperialistische tartte de koloniale bezittingen van de andere Europese machten, en dit zou enkele jaren later gestalte krijgen, met name in het Agadir-incident van 1911 toen een Duits fregat de Franse ambities in Marokko tartte. Het andere aspect van de Duitse koloniale eetlust werd gevormd door de formidabele ontwikkeling van zijn marine, die probeerde de concurrentie met de Britten aan te gaan rond de controle over de zeewegen.

Het andere gegeven in de fundamentele verandering die binnen het kapitalisme rond de eeuwwisseling plaatsvond is het volgende: tegelijkertijd met de vermenigvuldiging van de militaire spanningen en gewapende conflicten, met de heimelijke betrokkenheid van Europese burgerlijke machten, was er enerzijds een aanzienlijke toename van de bewapening van deze machten en werden er anderzijds maatregelen genomen om het aantal militairen op te voeren (zoals met de verlenging van de militaire dienstplicht in Frankrijk: de ‘wet van drie jaar’).

Deze toename van militarisme en imperialistische spanningen, net zoals de grote diplomatieke manoeuvres tussen de belangrijkste Europese naties om hun bondgenootschappen in de oorlogsvoorbereiding te versterken, trokken natuurlijk de aandacht van de partijen van de Tweede Internationale. Deze wijdde tijdens haar Congres van Stuttgart in 1907 een belangrijke resolutie aan de kwestie, waarin een amendement was opgenomen dat met name door Lenin en Rosa Luxemburg was ingediend en waarin wordt gesteld: “Breekt de oorlog toch uit, dan hebben de socialisten de plicht te werken aan de zo snel mogelijke beëindiging ervan, daarbij alleszins gebruikmakend van de economische en politieke crisis die door de oorlog wordt veroorzaakt om het volk wakker te schudden en zo de ondergang van de kapitalistische heerschappij te bespoedigen” (8).

In november 1912 riep de Socialistische Internationale zelfs een buitengewone conferentie (het Congres van Basel) bijeen om de oorlogsdreiging aan de kaak te stellen en het proletariaat op te roepen zich daartegen te mobiliseren. Het manifest van dit congres waarschuwde de bourgeoisie: “De burgerlijke regeringen moeten niet vergeten dat de Frans-Duitse oorlog leidde tot de revolutionaire opstand van de Commune en dat de Russisch-Japanse de revolutionaire krachten in Rusland in beweging bracht. In de ogen van de proletariërs is het crimineel elkaar dood te schieten voor de winst van kapitalisten, of de trots van dynastieën, of de samenzweringen door geheime verdragen”.

Schijnbaar stond de arbeidersbeweging dus klaar om de confrontatie met het kapitalisme aan te gaan als het de oorlogsbarbarij zou ontketenen. Op dat moment bestond er onder de Europese bevolking, en niet alleen in de arbeidersklasse, een wijdverbreid gevoel dat de Socialistische Internationale de enige kracht in de maatschappij was in staat om het uitbreken van de oorlog te voorkomen. Maar net als het kapitalistische systeem van binnenuit was ondermijnd en op het punt stond om de omvang van zijn historische bankroet bloot te leggen, zo was ook de arbeidersbeweging zelf, ondanks de schijnbare kracht van haar machtige vakbonden en het ‘groeiende electorale succes’ van haar partijen, ernstig verzwakt en stond ze op de rand van een catastrofale ineenstorting. Erger nog, deze schijnbare kracht van de arbeidersbeweging vormde juist haar grootste zwakte. De verkiezingsoverwinningen van de socialistische partijen hadden een ongekende stoot gegeven aan democratische en reformistische illusies onder de massa van de arbeiders. Evenzo was de macht van de vakbondsorganisaties, vooral in Duitsland en Groot-Brittannië, in werkelijkheid omgevormd in een instrument ter verdediging van de burgerlijke orde en om de arbeiders te ronselen voor oorlog en wapenproductie (9).

Aan het begin van de zomer van 1914, na de moord op de Oostenrijkse troonopvolger in Sarajevo, groeiden de spanningen in Europa en nam het spookbeeld van de oorlog snel grotere vormen aan. De arbeiderspartijen demonstreerden toen niet alleen hun onmacht maar voor het grootste deel verleenden ze ook steun aan hun eigen nationale bourgeoisie. In Frankrijk en Duitsland bestonden er zelfs directe contacten tussen de socialistische leiders en de regering om te overleggen hoe de arbeiders in de oorlog te betrekken. En zodra de oorlog uitbrak gaven deze partijen eenstemmig hun volledige steun aan de oorlogsinspanningen van de bourgeoisie en slaagden ze erin om de arbeidersmassa’s mee de slepen in de slachtpartij. Terwijl de zittende regeringen de ‘grootsheid’ van hun achtereenvolgende naties bezongen, gebruikten de socialistische partijen argumenten die beter waren toegesneden op hun rol om de arbeiders onder controle te houden. In Frankrijk zeiden ze dat dit geen oorlog was in dienst van burgerlijke belangen, of om Elzas-Lotharingen te heroveren, maar een oorlog om de ‘beschaving’ te beschermen tegen het ‘Duitse militarisme’. Aan de overzijde van de Rijn was het geen oorlog in dienst van het Duitse imperialisme, maar voor ‘democratie en beschaving’, tegen ‘de tirannie van de Tsaristische knoet’. Maar hoewel de woorden verschilden, streefden de socialistische leiders hetzelfde doel na als de bourgeoisie: ‘Nationale eenheid’ om de arbeiders de slachtpartijen in te jagen en ter rechtvaardiging van de staat van beleg, met andere woorden: militaire censuur, verbod op arbeidersstakingen en demonstraties, en van publicaties en bijeenkomsten om de oorlog aan de kaak te stellen.

Het proletariaat bleek het uitbreken van de oorlog dus niet te kunnen voorkomen. Het was een verschrikkelijke nederlaag, maar één die het leed zonder dat het openlijk de strijd met de bourgeoisie was aangegaan. En toch, de strijd tegen de ontaarding van de socialistische partijen, een ontaarding die geleid had tot hun verraad in augustus 1914 en tot het imperialistische bloedbad dat er op volgde, was ruimschoots daarvoor begonnen, rond de eeuwwisseling. Zo had Rosa Luxemburg in de Duitse partij strijd geleverd tegen de revisionistische theorieën van Bernstein die dienden ter rechtvaardiging van het reformisme. Officieel had de partij deze theorieën verworpen, maar een paar jaar later moest ze de strijd opnieuw opnemen, en deze keer niet alleen tegen de rechterzijde maar ook tegen het centrum, hoofdzakelijk vertegenwoordigd door Kautsky, die met radicale taal het opgeven van het revolutionaire perspectief juist toedekte. In Rusland begonnen de bolsjewieken de strijd tegen het opportunisme binnen de sociaal-democratische partijen in 1903, allereerst rondom organisatorische kwesties, vervolgens rondom de aard van de revolutie van 1905 in Rusland en de politiek die daartegenover had moeten worden gevoerd. Maar deze revolutionaire stromingen binnen de Socialistische Internationale bleven over het algemeen uiterst zwak, ondanks dat de congressen van de socialistische partijen en de Internationale hun standpunten vaak overnamen.

Toen het moment van de waarheid was aangebroken bevonden de socialistische militanten die internationalistische en revolutionaire standpunten verdedigden zich in een tragisch isolement, zozeer zelfs dat toen er in 1915 te Zimmerwald in Zwitserland een internationale conferentie tegen de oorlog werd gehouden de vertegenwoordigers (waarbij inbegrepen de elementen van het centrum, die aarzelden tussen de standpunten van de linker- en rechterzijde), zoals Trotski opmerkte, in vier taxi’s pasten. Dit verschrikkelijke isolement weerhield hen er niet van de strijd voort te zetten, ondanks de repressie die over hen neerdaalde (in Duitsland werden Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de twee belangrijkste leiders van de internationalistische groep Spartacus opgesloten in de gevangenis en een militaire fort).

De verschrikkelijke beproevingen van de oorlog, de moordpartijen, de honger, de meedogenloze uitbuiting in de fabrieken aan het thuisfront, dat alles begon de arbeiders, die zichzelf in 1914 zo gemakkelijk naar de slachtbank hadden laten leiden, te ontnuchteren. De redevoeringen over ‘democratie’ en ‘beschaving’ begonnen vals te klinken tegen de achtergrond van de vreselijke barbarij waarin Europa werd ondergedompeld en van de onderdrukking van iedere poging tot arbeidersstrijd. Zo kwam het Russische proletariaat, met de opgedane revolutionaire ervaring van 1905, in februari 1917 in opstand tegen de oorlog en honger. Het zette de resoluties van de Congressen van Basel en Stuttgart van Socialistische Internationale in daden om. Lenin en de Bolsjewieken begrepen dat het uur van de revolutie had geslagen en zij riepen de arbeiders op om geen genoegen te nemen met de val van het Tsarisme en de instelling van een ‘democratische’ regering. Ze moesten zich voorbereiden op de omverwerping van de bourgeoisie en de greep naar de macht door de Sovjets (de arbeidersraden) als voorspel van de wereldrevolutie. Dit is het vooruitzicht dat in 1917 werkelijkheid werd in Rusland. De nieuwe macht riep het wereldproletariaat onmiddellijk op zijn voorbeeld te volgen, een eind te maken aan de oorlog en het kapitalisme omver te werpen. We zouden kunnen zeggen dat de bolsjewiki, tezamen met alle revolutionairen in andere landen, het wereldproletariaat opriepen om een nieuwe afspraak met de geschiedenis te maken, na die van 1914 te zijn misgelopen.

In andere landen volgde de arbeidersklasse het Russische voorbeeld, vooral in Duitsland waar een jaar later de opstand van arbeiders en soldaten het keizerlijke regime van Wilhelm II omverwierp en de Duitse bourgeoisie dwong zich uit de oorlog terug te trekken waarmee een eind werd gemaakt aan meer dan vier jaar van barbarij zoals de mensheid nog nooit had gezien. Maar de bourgeoisie had al haar lesje geleerd uit de nederlaag in Rusland waar de Voorlopige Regering die was ingesteld na de revolutie van Februari 1917, niet in staat bleek om te voldoen aan één van de belangrijkste eisen van de arbeiders: vrede. Onder druk van zijn Franse en Britse bondgenoten had de regering Rusland in oorlog gehouden, wat zowel onder de arbeidersmassa’s als onder de troepen leidde tot een snelle ontgoocheling en radicalisering. De omverwerping van de bourgeoisie en niet enkel het Tsarisme leek voor hen de enige weg om een einde te maken aan de slachtpartij. In Duitsland daarentegen haastte de bourgeoisie zich tijdens de eerste dagen van de revolutie om de oorlog te beëindigen. Het stelde de omverwerping van het keizerlijke regime en het uitroepen van de republiek voor als een beslissende overwinning. Het deed onmiddellijk een beroep op de socialistische partij om de touwtjes in handen te nemen en deze ontving de steun van het congres van arbeidersraden dat nog steeds door deze zelfde socialisten gedomineerd werd. Deze nieuwe regering bood onmiddellijk een wapenstilstand aan bij de bondgenoten van de Entente, dat zonder uitstel werd aangenomen. Bovendien deden de machten van de Entente alles om de Duitse regering te helpen de arbeidersklasse het hoofd te bieden. Daarom gaf Frankrijk snel 16.000 machinegeweren, die het als oorlogsbuit had veroverd, terug aan Duitsland, en die vervolgens zeer nuttig bleken te zijn om de arbeidersklasse te verpletteren.

In januari 1919 deelde de Duitse bourgeoisie, met de socialistische partij op kop een verschrikkelijke klap uit aan het proletariaat. Ze organiseerde welbewust een provocatie, die leidde tot een voortijdige opstand van de arbeiders van Berlijn. De revolutie werd in bloed gesmoord en de belangrijkste revolutionaire leiders (Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg en Leo Jogisches) werden vermoord. Desalniettemin waren de Duitse arbeiders nog niet definitief verslagen. Hun revolutiepogingen gingen door tot 1923 (10). Hun pogingen werden echter teniet gedaan, net zoals de machtige klassenbewegingen die in andere landen in dezelfde periode plaatsvonden (met name in Hongarije en Italië in 1919)  (11).

In feite betekende de nederlaag van het proletariaat in Duitsland de nederlaag van de wereldrevolutie hoewel er nog een laatste opstand plaatsvond in China in 1927, die eveneesn in bloed werd gesmoord.

Toen de revolutionaire golf in Europa tot ontwikkeling kwam werd tegelijk in maart 1919 in Moskou de Kommunistische of de Derde Internationale opgericht, die revolutionairen van over de hele wereld bijeenbracht. Op haar oprichtingscongres bestonden er slechts twee grote kommunistische partijen, één in Rusland en één in Duitsland. De laatste was een paar dagen voor de nederlaag van januari 1919 opgericht. De Internationale bevorderde in alle landen de oprichting van kommunistische partijen die het chauvinisme, het reformisme en het opportunisme, die de socialistische partijen helemaal hadden opgeslokt, verwierpen. De kommunistische partijen waren bedoeld om de leiding te vormen van de wereldrevolutie, maar ze werden door de historische omstandigheden waarin ze tot stand kwamen te laat gevormd. Toen de Internationale werkelijk werd opgericht, met andere woorden op haar Tweede Congres in 1920, was het hoogtepunt van de revolutionaire golf al voorbij en was het kapitalisme in staat gebleken om de situatie, zowel economisch als politiek, in handen te nemen. De heersende klasse was er vooral in geslaagd om de prikkel tot revolutie weg te nemen door een eind te maken aan de belangrijkste voedingsbodem ervan, de imperialistische oorlog. Met de nederlaag van de wereldwijde revolutionaire golf waren de partijen van de Kommunistische Internationale, die gevormd waren tegen de ontaarding en het verraad van de socialistische partijen, op hun beurt ook niet in staat aan ontaarding te ontsnappen.

Er zijn verschillende factoren die aan deze ontaarding ten grondslag liggen. De eerste is het feit dat de kommunistische partijen binnen hun gelederen vele ‘centristische’ elementen opnamen die de socialistische partijen hadden verlaten en een revolutionaire fraseologie hadden aangenomen om te profiteren van het geweldige enthousiasme van het proletariaat voor de Russische revolutie. Een andere, nog belangrijker factor bestond uit de ontaarding van de grootste partij van de Internationale, de partij van de bolsjewieken die de Oktoberrevolutie had geleid en die de belangrijkste voorvechter was geweest voor de totstandkoming van de Internationale. De partij van de bolsjewieken werd in toenemende mate opgeslokt door de staat waarvan ze aan het hoofd stond; vanwege het isolement van de revolutie veranderde ze in toenemende mate tot een verdedigster van Russische belangen, ten koste van haar rol als bastion van de wereldrevolutie. Bovendien, omdat er geen ‘socialisme in één land’ kan bestaan en omdat het kapitalisme alleen op wereldschaal kan worden afgeschaft, werd de Russische staat geleidelijk omgevormd tot een verdediger van het Russische nationale kapitaal, een kapitaal waarvan de bourgeoisie hoofdzakelijk bestond uit de staatsbureaucratie en dus de partij. Van revolutionaire organisatie werd de partij van de bolsjewieken dus stukje bij beetje omgevormd tot een burgerlijke en contrarevolutionaire partij, ondanks verzet van een groot aantal echte kommunisten, zoals Trotsky, die de vlag van de wereldrevolutie hoog probeerde te houden. In 1925 aanvaardde de partij van de bolsjewieken, ondanks Trotsky’s oppositie, een programma van ‘opbouw van het socialisme in één land’, een programma dat gepropageerd werd door Stalin en dat een waar verraad aan het proletarisch internationalisme vertegenwoordigde, en dat hij in 1928 opdrong aan de Kommunistische Internationale, waarmee haar doodvonnis was getekend.

Daarna traden de kommunistische partijen, ondanks de reacties en het verzet van een hele reeks van linkerfracties die de één na de ander werden uitgesloten, in dienst van hun achtereenvolgende nationale kapitalen. Van speerpunten van de wereldrevolutie waren de kommunistische partijen speerpunten van de contrarevolutie geworden: de verschrikkelijkste contrarevolutie uit de geschiedenis.

Niet alleen was de arbeidersklasse haar tweede afspraak met de geschiedenis misgelopen, ze ging ook de gruwelijkste periode tegemoet die ze ooit had meegemaakt. Het was, naar de titel van een boek  van Victor Serge, “middernacht in de eeuw”. In Rusland was het kommunistische partijapparaat zowel tot uitbuitende klasse  omgevormd als tot middel ter onderdrukking van de massa van arbeiders en boeren dat zijn weerga niet kende. Buiten Rusland speelden de kommunistische partijen hun contrarevolutionaire rol door in de jaren 1930 het ronselen van het proletariaat voor de Tweede Wereldoorlog voor te bereiden, anders gezegd het antwoord van de bourgeoisie op de terugkeer van de open crisis van het kapitalisme sinds 1929.

Deze open crisis en de verschrikkelijke ellende die tijdens de jaren 1930 over de arbeidersmassa’s neerdaalde hadden juist een machtige factor kunnen zijn in de radicalisering van het wereldproletariaat, en in de ontwikkeling van zijn bewustzijn dat het kapitalisme omvergeworpen moest worden. Maar het proletariaat zou deze derde afspraak met de geschiedenis ook mislopen.

De situatie van de arbeidersklasse in Duitsland, de meest geconcentreerde en ervaren in de wereld, in een land dat een sleutelrol speelt in de proletarische revolutie, was vergelijkbaar met die in Rusland. Net zoals in Rusland was de arbeidersklasse in Duitsland de weg van de revolutie ingeslagen, en haar nederlaag was daarom des te verschrikkelijker. De Duitse revolutie werd niet verpletterd door de Nazi’s, maar door de ‘democratische’ partijen, en de socialistische partij voorop. Juist omdat het proletariaat deze nederlaag had geleden, waren de nazi’s, die op dat moment het best beantwoordde aan de economische en politieke behoeften van de bourgeoisie, in staat om het werk van links af te maken. Hun terreur vernietigde de geringste aanzet tot proletarische strijd, en ronselde de arbeiders met voornamelijk dezelfde middelen voor de oorlog.

In de landen van West-Europa echter, daar waar het proletariaat geen revolutiepoging had ondernomen en dus geen fysieke verplettering had ondergaan, was terreur niet de meest geëigende methode om de arbeiders de oorlog in te jagen. De bourgeoisie moest teruggrijpen op misleidingen vergelijkbaar met die waarvan ze zich bediende voor de Eerste Wereldoorlog. De stalinistische partijen speelden hier hun burgerlijke rol op een voorbeeldige wijze. In naam van de verdediging van de ‘democratie’ en het ‘socialistische vaderland’ tegen het fascisme, voerden ze de arbeidersstrijd systematisch inaar impasses waarmee de strijdbaarheid en het moreel van het proletariaat werden uitgeput.

Het moreel was al sterk aangetast door het mislukken van de wereldrevolutie in de loop van de jaren 1920. Na een periode van enthousiasme voor het idee van de kommunistische revolutie hadden veel arbeiders zich afgewend van het revolutionair perspectief. Eén van de redenen voor hun ontmoediging bestond uit de vaststelling dat de maatschappij die in Rusland was geschapen niet het paradijs was zoals de stalinisten beweerden en dat maakte het gemakkelijk voor de socialistische partijen om ze weer in hun schoot te laten terugkeren. Het grootste deel van hen die nog wilden geloven in een revolutionair perspectief raakte verstrikt in de netten van de stalinistische partijen die beweerden dat de overwinning van de revolutie afhankelijk was van de ‘verdediging van het socialistische vaderland’ en van de overwinning op het fascisme in Italië en Duitsland.

Een sleutelmoment in deze ontsporing van het wereldproletariaat werd gevormd door de oorlog in Spanje, die in het geheel geen revolutie was, maar juist deel uitmaakte van de militaire, diplomatieke en politieke voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog.

Over heel de wereld wilden de arbeiders solidariteit betuigen met hun broeders in Spanje die spontaan in opstand waren gekomen tegen de fascistische putsch van 18 juli 1936. Dit werd opgevangen in de ronseling voor de Internationale Brigades (hoofdzakelijk geleid door stalinisten), in de eis van ‘wapens voor Spanje’ (in werkelijkheid voor het burgerlijke Frente Popular, het ‘volksfront’), en in anti-fascistische demonstraties die het juist mogelijk maakten om de arbeiders van de ‘democratische’ landen te ronselen voor de oorlog tegen Duitsland.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was de veronderstelde kracht van het proletariaat (de machtige vakbonden en arbeiderspartijen) zijn grootste zwakheid gebleken. Hetzelfde scenario werd voor de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd, hoewel de acteurs een beetje verschilden. De grote kracht van de ‘arbeiders’-partijen (de stalinistische partijen en socialistische partijen, verenigd in het anti-fascistische bondgenootschap), de grote ‘overwinningen’ op het fascisme in West-Europa, het zogenaamde ‘socialistische vaderland’, het waren allemaal tekenen van de contrarevolutie, van een ongekende zwakheid van het proletariaat. Een zwakheid waardoor het, aan handen en voeten gebonden, zou worden overgeleverd aan het tweede imperialistische bloedbad.

Het proletariaat geconfronteerd met de Tweede Wereldoorlog

De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog overtroffen ruimschoots die van de Eerste. Het kapitalisme zonk verder weg in zijn verval en in een nieuwe barbarendom. Maar in tegenstelling tot wat er gebeurde in 1917-1918 was het niet het proletariaat dat er een eind aan maakte. De oorlog ging door totdat één van de twee imperialistische kampen het andere verpletterde. Niet dat een proletarisch antwoord tijdens deze wereldwijde slachtpartij volkomen ontbrak. In de loop van 1943 kwam er een brede stakingsbeweging op gang in het industriële noorden van Mussolini’s Italië die de heersende machten van de bourgeoisie dwongen om Mussolini aan de kant te schuiven en in zijn plaats een pro-geallieerde admiraal te benoemen: Badoglio. Eveneens ontstond er in verschillende Duitse steden aan het eind van 1944 en het begin van 1945 oproer tegen honger en de oorlog. Toch was er tijdens de Tweede Wereldoorlog niets dat vergelijkbaar was met de opstanden die plaatsvonden tijdens de Eerste. Om verschillende redenen. Op de eerste plaats omdat de bourgeoisie, wijzer geworden door de ervaring van de Eerste Wereldoorlog, het proletariaat zorgvuldig niet alleen fysiek, maar ook en vooral ideologisch verpletterde voordat ze de Tweede Wereldoorlog ontketende. Dat verschil komt onder andere daarin tot uiting dat terwijl de socialistische partijen de arbeidersklasse bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verraadden, de kommunistiche partijen dit verraad al lang voor het uitbreken van de Tweede hadden gepleegd. Een gevolg daarvan was dat het proletariaat over geen enkele revolutionaire stroming  meer beschikte, terwijl tijdens de Eerste Wereldoorlog de meeste militanten die de kommunistische partijen zouden gaan vormen al lid waren van de socialistische partijen. Tijdens de gruwelijke contrarevolutie van de jaren 1930 was er maar een handjevol militanten over dat kommunistische standpunten bleef verdedigen, en het  was afgesneden van iedere directe band met een arbeidersklasse die volslagen onderworpen was aan de burgerlijke ideologie.

Het was onmogelijk dat ze nog enig werk verrichtten binnen de partijen die invloed hadden op de arbeidersklasse, zoals de revolutionairen dat tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden kunnen doen. Niet alleen omdat ze uit de partij waren gestoten, maar ook omdat er in deze partijen geen sprankje proletarisch leven meer bestond. Wie bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ferm aan revolutionaire standpunten had vastgehouden, zoals Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, vond  steeds meer gehoor voor hun propaganda  onder de militanten van de sociaal-democratie naarmate die door de oorlog van hun  illusies werden benomen. Binnen de kommunistische partijen was zoiets niet mogelijk: vanaf het begin van de jaren 1930 werden ze volslagen onvruchtbare grond voor de ontwikkeling van enig proletarisch en internationalistisch gedachtegoed. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de arbeidersklasse geheel en al in de val gelopen van de anti-fascistische ideologie, en de invloed van de kleine revolutionaire groepen die hun internationalistische beginselen bleven verdedigen had nauwelijks enige betekenis.

De andere reden voor de afwezigheid van ook maar de minste proletarische opleving tijdens de Tweede Wereldoorlog was dat de wereldbourgeoisie, na de ervaring van de Eerste Wereldoorlog, systematische voorzorgsmaatregelen nam om iedere opstand in de verslagen landen, waar de bourgeoisie het kwetsbaarst was, te voorkomen. In Italië bracht de bourgeoisie de opstand bijvoorbeeld onder controle door een taakverdeling tussen het Duitse leger, dat onmiddellijk het noorden van Italië bezette en er de macht van Mussolini herstelde, en de geallieerden in het zuiden aan land waren gekomen. In het noorden herstelde de Duitse legers de orde met zoveel wreedheid dat de arbeiders die tijdens de bewegingen aan het begin van 1943 het meest op de voorgrond waren gekomen gedwongen onder te duiken, waardoor ze, afgesneden van hun klassenbasis, gemakkelijke prooien werden van de anti-fascistische ideologie en die van de ‘nationale bevrijding’. Tegelijkertijd onderbraken de geallieerden hun opmars naar het noorden om Italië ‘in zijn sop te laten gaarkoken’ (naar de woorden van Churchill), teneinde het vuile werk van de onderdrukking van de arbeiders over te laten aan het ‘kwaadaardige’ Duitsland, en de democratische krachten, en dan vooral de stalinistische partij, in de gelegenheid te stellen een ideologische greep op de arbeidersklasse te verkrijgen.

Deze tactiek werd ook toegepast in Polen, waar Stalin, toen de opstand in Warschau uitbrak, het Rode Leger een paar kilometer buiten Warschau pas op de plaats liet maken. Het Duitse leger smoorde de opstand in bloed en maakte de stad met de grond gelijk. Toen het Rode Leger Warschau enkele maanden later binnentrok, werden de arbeiders van deze stad die het nog problemen hadden kunnen veroorzaken, ontwapend en uitgeroeid.

In Duitsland zelf belastten de geallieerden zichzelf met de verplettering van iedere poging tot opstand van de arbeiders door een walgelijke bombardementscampagne op arbeiderswijken uit te voeren (de bombardementen op Dresden, op 13 en 14 februari 1945 veroorzaakten meer dan 250.000 doden, drie keer zoveel als in Hirosjima). Bovendien weigerden de geallieerden in te gaan op het aanbod van wapenstilstand zoals dat werd gedaan door verschillende delen van de Duitse bourgeoisie en door militairen van naam zoals Maarschalk Rommel en Admiraal Canaris, de chef van de geheime dienst. Voor de overwinnaars kon er geen sprake van zijn Duitsland enkel aan de Duitse bourgeoisie  over te laten, zelfs niet aan anti-nazi-fracties. De ervaring van 1918, waarbij de regering die het keizerlijke regime afloste de grootste problemen ondervond om de orde te herstellen, stond nog in het geheugen gegrift van de burgerlijke politici. Daarom besloten de overwinnaars de regering van het overwonnen Duitsland direct in handen te nemen en over te gaan tot een militaire bezetting tot de laatste centimeter van het Duitse territorium. Het proletariaat van Duitsland, deze reus die een baken voor het wereldproletariaat was geweest en dat tussen 1918 en 1923 de kapitalistische wereld op zijn grondvesten deed schudden, was nu neergeslagen, verbrijzeld, versnipperd, teruggebracht tot een massa van arme stakkers, die door de puinhopen struinden op zoek naar hun doden en wat familiespullen en die voor hun voedsel en voortbestaan waren overgeleverd aan de welwillendheid van de ‘veroveraars’. In de overwinnende landen waren veel arbeiders toegetreden tot het ‘Verzet’  in de illusie, verspreid door de stalinistische partijen, dat de gewapende strijd tegen het nazisme het voorspel zou vormen tot de omverwerping van de bourgeoisie. De werkelijkheid was heel anders. In de landen die onder de heerschappij van de Sovjet-Unie kwamen werden de arbeiders ertoe aangespoord om de stalinistische regimes te ondersteunen (zoals tijdens de staatsgreep van 1948 in Praag) die zich, toen ze eenmaal aan de macht waren, beijverden om de arbeiders te ontwapenen en de ergste terreur over hen uit te oefenen. In de landen die door de Verenigde Staten werden gedomineerd, zoals Frankrijk en Italië, riepen de meeregerende stalinistische partijen de arbeiders op hun wapens in te leveren omdat de eerste taak niet uit de revolutie bestond maar uit de ‘nationale wederopbouw’.

Europa was veranderd in één reusachtige puinhoop, waar honderden miljoenen proletariërs leefden onder omstandigheden en een uitbuiting die nog veel erger waren dan tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl de honger voortdurend knaagde en het kapitalisme zijn barbarendom  meer dan ooit tentoonspreidde. Zo kon de arbeidersklasse niet meer kracht opbrengen om strijd van enige betekenis te leveren tegen de kapitalistische heerschappij. De Eerste Wereldoorlog had miljoenen arbeiders overtuigd van het internationalisme, de Tweede had ze in de diepten geworpen van het meest verwerpelijke chauvinisme, van de jacht op ‘moffen’ en ‘collaborateurs’.

Het proletariaat had het dieptepunt bereikt. Wat het te horen kreeg, en waarvan het dacht dat het zijn grootste ‘overwinning’ was – de overwinning van de democratie over het fascisme – vormt juist zijn gruwelijkste historische nederlaag. Het overwinningsgevoel dat het bekroop, het geloof dat deze ‘overwinning’ zou leiden tot de ‘heilige deugden’ van de burgerlijke democratie, van dezelfde democratie die hem had meegesleurd in twee imperialistische slachtpartijen en die zijn revolutie aan het begin van de jaren 1920 had verpletterd, die euforie vormde de beste waarborg voor de kapitalistische orde. En in de periode van wederopbouw, die van economische ‘hausse’ na de oorlog, stelde de tijdelijke verbetering van zijn levensomstandigheden het ook niet in staat de werkelijke omvang in te schatten van de nederlaag die het had geleden.

Opnieuw was het proletariaat een afspraak met de geschiedenis misgelopen. Maar deze keer niet omdat hij te laat was gekomen of slecht voorbereid: hij was volslagen afwezig van het historisch toneel.

In het tweede deel van dit artikel zullen we zien hoe het proletariaat erin slaagde om op het toneel terug te keren, maar ook hoe lang zijn weg nog is.

Fabienne.

Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 103, vierde kwartaal 2000.


(1) Voor een inleiding tot Bordiga, zie ons artikel: Het debat met de BIPR, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 103.

(2) Het communistisch manifest, Amsterdam, Pegasus, p. 40.

(3) Het communistisch manifest, t.a.p., p. 55. Deze zin uit het manifest dient ook als conclusie in deel1 van Het kapitaal.

(4) De 18e Brumaire van Louis Boneparte, Amsterdam, Pegasus, p. 23. De uitdrukking aan het eind van het citaat is een toespeling op een fabel van Esopus, waarin iemand opschept over een geweldige sprong die hij ooit op het eiland Rhodes maakte en waarbij een toehoorder antwoordde: “Hier is Rhodus, spring hier”.

(5) Orde heerst in Berlijn, in Gesammelte Werke, deel 4, Berlin, Dietz Verlag, 1974, p. 536-537.

(6) Het communistisch manifest, t.a.p., p. 41.

(7) Lenin beschreef op een pakkende manier de voorwaarden voor de revolutie: “Wat zijn in het algemeen gesproken, de kenmerken van een revolutionaire toestand? We vergissen ons zeker niet, wanneer we de volgende drie voornaamste kenmerken geven: 1. Voor de heersende klassen is het onmogelijk hun heerschappij ongewijzigd te handhaven; de een of andere crisis van de ‘bovenste lagen’, een crisis van de politiek van de heersende klasse, die een scheur doet ontstaan waardoor de ontevredenheid en de verbolgenheid van de onderdrukte klasse een uitweg zoekt. Voor het uitbreken van een revolutie is het in de regel niet voldoende dat de ‘onderste lagen’ niet op de oude manier ‘willen leven’, noodzakelijk is bovendien dat de ‘bovenste lagen’ op de oude manier ‘niet kunnen leven’. 2. De nood en ellende van de onderdrukte klassen nemen op buitengewone wijze toe. 3. Ten gevolge van de bovengenoemde oorzaken is er een aanzienlijke toenemende activiteit van de massa’s die zich in ‘vreedzame’ tijden rustig laten uitplunderen, maar in stormachtige tijden zowel door de hele crisistoestand als door de ‘bovenste lagen’ zelf tot een zelfstandig historisch optreden gedreven worden.” (Lenin, Het bankroet van de Tweede Internationale, in Keuze uit zijn werken, deel II, Moskou, Progres, 1973, p. 171).

(8) Passage geciteerd in de Resolutie over het standpunt ten opzichte van socialistische stromingen en de conferentie van Bern van het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale.

(9) Rosa Luxemburg drukte dit idee helder uit toen ze schreef: “In Duitsland hebben gedurende vier decennia op het parlementaire vlak slechts ‘overwinningen’ gekend; we vlogen letterlijk van de ene overwinning naar de andere. En de uitkomst bij de grote historische test op 4 augustus 1914 bestond uit een vernietigende politieke en morele nederlaag, een ongehoorde ineenstorting, een bankroet zonder weerga.” (Orde heerst in Berlijn, in Gesammelte Werke, deel 4, t.a.p., p. 537).

(10) Zie onze artikelenreeks over de Duitse revolutie in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 81-99.

(11) Zie ons artikel Lessen uit de gebeurtenissen van 1917-1923: De eerste revolutionaire golf van het wereldproletariaat, in Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaantalige uitgave, nr. 80, eerste kwartaal 1995.

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: