In 2006 kondigde de Franse regering onder leiding van de Villepin haar ‘Startbaancontract’ (CPE) aan, een harde aanval op de arbeidersklasse. Het betekende een abrupte ommekeer die leidde tot een toename van de onzekerheid voor alle jonge arbeiders. Het kwam bovenop het ‘Contract voor nieuwe aanwerving’ (CNE) dat het jaar daarvoor was aangenomen en dat tot doel had de werklozen die weer aan het werk gingen een precairdere positie te bezorgen. Het doel van de bourgeoisie was duidelijk: de flexibiliteit van de arbeid vergroten, de arbeidskosten verlagen en druk uitoefenen op de hele arbeidersklasse. De studenten, versterkt door de middelbare scholieren, begrepen dit meteen en hun reactie was verpletterend. De eerste demonstraties begonnen op 7 februari 2006. Het was een korte beweging (twee maanden), die in staat was zichzelf te organiseren en de noodzaak van solidariteit en de uitbreiding van de strijd naar alle sectoren en alle generaties van de arbeidersklasse vooropstelde, en die de regering uiteindelijk dwong haar wetsvoorstel op 10 april in te trekken.
Terwijl de arbeidersklasse nog geschokt was door de ideologische campagnes over het zogenaamde einde van de klassenstrijd en de definitieve triomf van de burgerlijke democratie, zorgde deze overwinning voor een herstel van het vertrouwen van de klasse in haar eigen krachten. Maar door de context van een crisis in de klassenidentiteit konden de waardevolle lessen die uit deze voorbeeldige strijd naar voren kwamen niet onmiddellijk worden benut.
Uitbreiding en zelforganisatie staan centraal in de strijd.
De CPE was gericht op jonge arbeiders onder de 26 jaar en maakte het mogelijk on ze tijdens de eerste twee jaar te ontslaan zonder dat daarvoor een reden hoefde te worden opgegeven. Premier Dominique de Villepin kondigde zijn wetsvoorstel op 16 januari aan en toonde daarmee zijn vastberadenheid om de aanvallen aan het hoofd van de Republiek te leiden. Het wetsvoorstel werd met spoed aan het parlement voorgelegd en al op 27 februari aangenomen. Maar hij had zich vergist in de reactie van de studenten.
Profiterend van de zwakke vakbondsinkadering aan de universiteiten en de slechte reputatie van de UNEF, een ware kweekvijver voor kaderleden van de Socialistische Partij, zullen de studenten zich in eerste instantie inspannen om zelf hun eigen eenheid te bewerkstelligen. De meest strijdlustigen onder hen gaan geduldig en zonder intimidatie met de andere studenten de discussie aan bij de ingang van de universiteiten om hen, met onderbouwde argumenten, te laten zien hoe ernstig de aanval is en hoe noodzakelijk het is om de strijd aan te gaan. Op 7 maart staken zo’n twintig universiteiten In deze dynamiek naar eenheid zullen de algemene vergaderingen (AV) een doorslaggevende rol spelen. Na de eerste aarzelende stappen worden de algemene vergaderingen de echte drijvende kracht achter de beweging Het zijn AV’s waar wordt gediscussieerd en beslissingen worden genomen; om geklets en infiltratie door vakbonden en politieke organisaties te voorkomen, wordt er elke dag een ander bureau van drie leden aangesteld om het woord te geven, en ook commissies die tussen twee AV’s door het werk voorbereiden. Een ander kwaliteit van ze is de openheid voor personen die geen student zijn. Vanaf het begin hebben de AV’s de middelbare scholieren verwelkomd die zich bij de beweging aansloten, en ze hebben ook het universiteitspersoneel – docenten, administratief medewerkers en technici – opgeroepen om mee te doen. Maar ze gingen nog veel verder dan dat.
Werknemers en gepensioneerden, ouders of grootouders van studenten en middelbare scholieren die meedoen aan de strijd, werden heel hartelijk en met aandacht onthaald door de bijeenkomsten, zeker als ze met hun bijdragen een versterking en uitbreiding van de beweging ondersteunden. Maar het belangrijkste is dat ze vanaf het begin delegaties hebben gestuurd, niet alleen naar andere universiteiten om de beweging te verenigen en de werkwijzen ervan te veralgemenen, maar ook naar de bedrijven in de omgeving. Uiteraard zijn ze op de weerstand van de vakbonden gestuit en dat was voor de minder ervaren onder hen een flinke domper. Maar hun vastberadenheid nam daarmee niet af. In de AV’s werden allerlei manieren besproken om dit obstakel te omzeilen.
De AV’s besloten toen om de eisen die uitsluitend een ‘studentenkarakter’ hadden, van hun lijsten te schrappen. Vervolgens hebben ze meer slogans gaan gebruiken waarin ze de werknemers opriepen tot solidariteit, maar niet op een passieve manier: door zich aan te sluiten bij hun strijd. Deze strategie bleek een groot succes. Op 28 maart bereikte de mobilisatie een record toen er in heel Frankrijk tussen één en drie miljoen demonstranten door de straten trokken. Overal worden dezelfde leuzen overgenomen: “Eenheid in de strijd van de arbeiders uit alle sectoren, van alle generaties!” In Parijs, nemen de studenten de kop van de demonstratie. Ze zullen daar blijven tot het einde van de beweging. De thema’s eenheid en solidariteit, die centraal stonden tijdens de algemene vergaderingen, worden nu overgenomen door de demonstraties en groeit uit tot de centrale inzet van de beweging.
Het is waar dat er maar weinig stakende werknemers zijn, maar zij regelen het zo dat ze aan het eind van de middag of op zaterdag in de demonstraties aanwezig kunnen zijn. Deze eenheid en deze solidariteit zijn indrukwekkend; de demonstraties dijen uit tot op de voetpaden, er zijn er steeds meer, iedereen neemt graag deel aan de strijd, het is een dynamiek die leidt tot een explosie van stakingen. Het gevaar wordt te groot voor de bourgeoisie. Gezien het risico van een lawine aan stakingen in verschillende sectoren ziet de regering zich genoodzaakt terug te krabbelen. Ze wordt genoodzaakt het wetsvoorstel op 10 april in te trekken.
Deze uitbreiding werd mogelijk gemaakt door de zelforganisatie van de strijd. Dankzij de politieke vitaliteit van de AV’s konden de valstrikken die de bourgeoisie voor hen had uitgezet, worden ontweken. De valstrik van spectaculaire acties gericht op de media, de valstrik van geweld tegen de CRS (speciale Franse politie-eenheid) en tegen bepaalde jongeren uit de voorsteden die tijdens de demonstraties de studenten kwamen aanvallen. Door de discussies in de algemene vergaderingen en de genomen beslissingen konden deze valstrikken worden geneutraliseerd.
Het gewicht van het verlies van de klassenidentiteit
De strijd van deze nieuwe generatie arbeiders in 2006 past in een langzaam proces waarin de strijd weer op gang komt na de schok en de terugval die de val van de Berlijnse Muur in 1989 teweegbracht. Door deze val te instrumentaliseren, had het ‘democratische’ kapitalisme zich opgeworpen als het enige levensvatbare systeem, terwijl de ineenstorting van de USSR (en het stalinisme) in 1991 – ten onrechte voorgesteld als het kamp van het kommunisme – het startschot had gegeven voor een ideologisch offensief van de bourgeoisie, waarin het einde van de klassenstrijd werd afgekondigd. Dit, boven op de moeilijkheden die de arbeidersklasse in de jaren 1980 had ondervonden in het politiseren van haar strijd, zou leiden tot een terugval van zo’n vijftien jaar in strijdbaarheid en klassenbewustzijn. Het proletariaat werd geraakt in zijn eigen klassenidentiteit waardoor het zichzelf niet eens meer herkende als een klasse met gemeenschappelijke belangen. Zo bevestigde 2006 het begin van het herstel dat al in 2003 was waargenomen, met de mobilisatie in de openbare diensten in Frankrijk en de strijd in Oostenrijk, en in 2005 in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De arbeidersklasse was langzaam aan het ontwaken.
De crisis rond de klassenidentiteit was daarmee echter nog niet voorbij. Dit verklaart waarom in 2006 maar heel weinig loonarbeiders in staking zijn gegaan en waarom de studenten er niet in slaagden de controle te behouden over de nationale coördinatie, die de beweging had moeten centraliseren. Vooral daarom konden de lessen van deze beweging niet onmiddellijk worden benut. Bezorgd over het gevaarlijke voorbeeld dat de studenten gaven, deed de bourgeoisie er alles aan om hun boodschap over zelforganisatie en solidariteit te vernietigen. Ze slaagde erin om zonder al te veel moeite de verschillende bewegingen op de universiteiten, die tot 2010 voortduurden, en de stakingen tegen de pensioenhervorming te kanaliseren.
In die periode kon alleen de strijd van de Indignados in Spanje, die zich naar verschillende landen uitbreidde, inspiratie putten uit deze dynamiek van heropleving. Massale demonstraties en algemene vergaderingen hielden rekening met de behoefte aan zelforganisatie en discussies om samen te komen en te begrijpen hoe dit systeem in crisis kan worden overwonnen. Bij die bijeenkomsten werd de arbeidersdimensie echter nog meer naar de achtergrond verdrongen en uiteindelijk kregen de ideologie van Attac en de DRY-beweging (Democracia Real Ya) de overhand, beide uitingen van de heersende klasse, die de onoverbrugbare tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat verdoezelden.
Op weg naar groeiende solidariteit onder de arbeiders en de politisering van de strijd
Vandaag, twintig jaar na de beweging tegen de CPE, is de situatie anders. De reeks gevechten in talrijke landen die volgden op de ‘zomer van de woede’ in Engeland in 2022, betekent dat er een nieuwe stap is gezet op weg naar het herstel van de klassenidentiteit. Maar een waarschuwing is op zijn plaats. De ideologische campagnes over het einde van de klassenstrijd en de triomf van de burgerlijke democratie hebben weliswaar aan impact ingeboet, maar de schadelijke gevolgen van de periode van de ontbinding – zoals de druk van het individualisme en de vernietiging van sociale banden – maken het voor de arbeiders moeilijker om eenheid en solidariteit te bereiken. De maatschappij is verstrikt in een wervelwind van het op zichzelf terugtrekken en nihilisme die de strijd voor de toekomst belemmert. De massale werkloosheid en de ontketende oorlogsbarbaarsheid hebben voorlopig een verlammend effect op de arbeidersklasse. Anderzijds is het duidelijk dat de zelforganisatie die in 1980 bij de Poolse arbeiders en in 2006 bij de Franse studenten zegevierde, respectievelijk werd vergemakkelijkt door het totale verlies aan geloofwaardigheid van de stalinistische vakbonden in Polen en door de zwakte van de vakbondsinkadering op de universiteiten. De confrontatie met het vakbondsapparaat zal in de meeste centrale landen veel moeizamer en langzamer verlopen.
Twee factoren zullen de komende strijd aanwakkeren: de massale ontevredenheid onder de arbeiders en de nog ondergrondse ontwikkeling van het bewustzijn. Het zijn vooral de economische aanvallen op de levensomstandigheden van de arbeidersklasse die centraal staan in deze dynamiek. De militaire herbewapening van alle landen als reactie op de toenemende imperialistische spanningen dwingt de bourgeoisie om alle terughoudendheid ten opzichte van haar proletarische vijand te laten varen. We zien een enorme toename van de aanvallen op de levensomstandigheden van de arbeidersklasse, en om zich te verdedigen zal die de lessen van 2006 en alle ervaringen van de arbeidersbeweging weer moeten eigen maken.
Ze begon erover te praten tijdens de demonstraties van 2023 tegen de pensioenhervorming in Frankrijk, net zoals ze het trouwens ook had over de beweging van mei ’68.
We kunnen deze lessen op de volgende manier samenvatten:
– De organisatie van de arbeiders is niet langer een voorwaarde voor de strijd; zij ontstaat in de strijd zelf en maakt het via algemene vergaderingen mogelijk om snel een eenheid onder de strijdende arbeiders te bereiken.
– De langdurige, corporatistische staking is definitief verleden tijd en de vakbonden zijn in het staatsapparaat geïntegreerd. De strijd die tot overwinning leidt, is de strijd die zich zo snel mogelijk naar alle sectoren uitbreidt door het sturen van massale delegaties. Naast de strijd voor eenheid wordt ook de strijd voor solidariteit gevoerd
– De media staan nooit achter de strijd; ze verdedigen altijd de belangen van de heersende klasse. Het streven naar spectaculaire acties die veel media-aandacht trekken, is een valstrik.
– De arbeidersstrijd is van nature anoniem. Hij is gebaseerd op collectieve samenwerking en kan prima zonder leiders of andere ‘redenaars’, wat een kracht is tegen repressie.
– De arbeidersklasse kan niet zegevieren door middel van fysieke confrontaties met de repressieve krachten. De prioriteit ligt bij het ontkrachten van provocaties die gericht zijn op vruchteloze confrontaties. Ook al is klassengeweld uiteindelijk onvermijdelijk, haar grote kracht ligt in haar eenheid en haar bewustzijn. Op die manier overtuigt ze de twijfelaars en breekt ze de vijandelijke krachten af.
Avrom E / 30.08.2026