Skip to header Ga naar hoofdnavigatie Overslaan en naar de inhoud gaan Skip to footer
englishfrançaisdeutschitalianosvenskaespañoltürkçenederlandsportuguêsΕλληνικά
русскийहिन्दीفارسی한국어日本語filipino中文বাংলাmagyarsuomi
Home
Internationale Kommunistische Stroming
Arbeiders aller landen, verenigt u!

Hoofdnavigatie

    • Nederland
    • België
    • Inleiding
    • Basisstandpunten
    • Wat is de Communistiche Linkerzijde?
    • Platform van de IKS
    • Manifest van de IKS (1975)
    • Manifest van de IKS (1991)
    • Manifest over de werkloosheid (2004)
    • Twintig jaar IKS (1995)
      • IKS online - jaren 2000
      • IKS online - jaren 2010
      • IKS online - jaren 2020
      • Internationale Revue - jaren 1970
      • Internationale Revue - jaren 1980
      • Internationale Revue - jaren 1990
      • Internationale Revue - jaren 2000
      • Internationale Revue - jaren 2010
      • Internationale Revue - jaren 2020
      • Artikels uit de Internationale Revue enkel verschenen in Wereldrevolutie / Internationalisme
      • Internationalisme - jaren 2000
      • Internationalisme - jaren 2010
      • Internationalisme - jaren 2020
      • Wereldrevolutie - jaren 2000
      • Wereldrevolutie - jaren 2010
      • Wereldrevolutie - jaren 2020
    • Crisis en Verval van het Kapitalisme
    • Het kommunisme is geen mooi ideaal, maar ...
    • Manifest over de Oktoberrevolutie 1917
    • Natie of Klasse?
    • Boeken - Brochures
    • Prijzen en jaarabonnementen
    • Boekhandels
  • Agenda

80 jaar geleden, de oprichting van de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk: De vonk van de organisatie van de revolutionairen levend houden (Deel 2)

Kruimelpad

  • Home

In het eerste deel van deze reeks hebben we aangetoond dat de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk (GCF) is ontstaan in het verlengde van de Linkse Fractie van de Italiaanse Kommunistische Partij en de Internationale Kommunistische Linkerzijde. Midden in de contrarevolutie bleef zij de enige organisatie die in staat was om de organisatorische principes van de Kommunistische Linkerzijde op een samenhangende en onverzettelijke manier te verdedigen. 

Maar deze groep was niet louter een voortzetting van de Italiaanse Fractie; ze nam geen genoegen met het behouden van de verworvenheden en de politieke bijdragen van Bilan. Zonder haar verantwoordelijkheden ten aanzien van de interventie in de onmiddellijke klassenstrijd te veronachtzamen, wijdde de GCF een groot deel van haar energie aan de politieke en theoretische verheldering. Op talrijke vragen die rezen uit de ervaring van de nederlaag van de revolutionaire golf en de ontaarding van de Kommunistische Internationale, was deze organisatie in staat duidelijkere en diepgaandere antwoorden te geven, waardoor een theoretisch en programmatisch kader kon worden verrijkt waarop de IKS is gegrondvest en waarop zij zich vandaag de dag nog steeds baseert.

In de nasleep van de oorlog, de historische koers begrijpen:
verdediging van de marxistische methode

De opkomst van arbeidersstrijd tegen de oorlog in Italië in de loop van 1943, gevolgd door stakingen in Duitsland het jaar daarop, plaatste de revolutionaire voorhoede voor de volgende vraag: vormden de arbeidersreacties in deze twee landen het vooruitzicht op het ontstaan van een revolutionair proces vergelijkbaar met wat vanaf 1917 in Rusland was ontstaan? Dat was in eerste instantie de hypothese van de verschillende groepen en organisaties van de Kommunistische Linkerzijde.

In augustus 1943 hield de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde een conferentie in Marseille, in aanwezigheid van de Franse Kern van de Kommunistische Linkerzijde [1], waarin de analyse werd verdedigd dat de gebeurtenissen in Italië een pre-revolutionaire fase hadden ingeluid.

De daaropvolgende gebeurtenissen zouden deze analyse echter tegenspreken. De strijd van 1943 had de Italiaanse bourgeoisie niet gedwongen de oorlog te staken, zoals het geval was in Rusland in 1917 of in Duitsland in 1918. Evenmin vormden ze de eerste deining die een nieuwe internationale revolutionaire golf zou teweegbrengen. De massale bloedbaden die zowel door de geallieerden als de nazilegers in de verschillende arbeidersbolwerken werden aangericht, evenals de krachtige antifascistische en democratische campagne na de ‘bevrijding’ van Europa, toonden aan dat de wereldbourgeoisie in staat was lessen te trekken uit de vorige revolutionaire golf door elke poging tot uitbreiding van de strijd en de arbeiderssolidariteit over de grenzen heen de kop in te drukken.[2]

Door zich stevig te baseren op de grondslagen van de marxistische methode en op de politieke verworvenheden van de Kommunistische Internationale en de Internationale Kommunistische Linkerzijde, was de Franse Fractie in staat de implicaties van de ontwikkeling van de situatie te begrijpen. Het rapport over de internationale situatie dat werd aangenomen tijdens de conferentie van juli 1945 (slechts twee maanden na het einde van de oorlog in Europa en terwijl het conflict op wereldvlak nog niet was beëindigd) herzag het oorspronkelijke standpunt van de organisatie door duidelijk aan te tonen dat de krachtsverhoudingen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog niet gunstig waren voor het proletariaat: “In tegenstelling tot de eerste imperialistische oorlog, waarin het proletariaat, eenmaal op het pad van de revolutie, het initiatief behield en het wereldkapitalisme dwong de oorlog te beëindigen, zal het kapitalisme in deze oorlog, vanaf het eerste teken van de revolutie in Italië in juli 1943, het initiatief grijpen en meedogenloos een burgeroorlog tegen het proletariaat voeren, elke concentratie van proletarische krachten met geweld verhinderen en de oorlog niet stoppen, zelfs niet wanneer, na de ineenstorting en het verdwijnen van de regering-Hitler, Duitsland nadrukkelijk om een wapenstilstand zal vragen, om zich door een monsterlijk bloedbad en een meedogenloze preventieve slachting te verzekeren tegen elke tendens naar een dreigende revolutie van het Duitse proletariaat”. 

Bewust geworden dat de reacties van de arbeidersklasse tegen de oorlog geen einde hadden gemaakt aan de periode van contrarevolutie, trok de GCF de conclusie dat het absoluut niet het moment was om de partij op te richten. Dit was in tegenstelling tot wat de Italiaanse Linkse Fractie verdedigde, verenigd in de Partito Comunista Internazionalista (PCint). Deze fractie, die niet in staat was de betekenis van de situatie te begrijpen en geobsedeerd was door het streven naar onmiddellijke invloed binnen de klasse, bleef vasthouden aan de herhaling van oude, uit het verleden geërfde schema’s om het volkomen verkeerde pad van de oprichting van de partij beter te rechtvaardigen.[3]

In de reeks artikelen getiteld “Huidige problemen van de arbeidersbeweging”, die in de loop van 1947 werd gepubliceerd in het tijdschrift Internationalisme, voerde de GCF een kameraadschappelijke maar onverzettelijke polemiek om de vruchteloze en schadelijke koers te bekritiseren die de Italiaanse Linkse Fractie had ingezet: "het ontbreken van elke serieuze analyse van de gebeurtenissen van de afgelopen jaren en van de krachten die, door hun aanwezigheid en afwezigheid, de ontwikkeling van de gebeurtenissen in een diepgaande reactionaire richting hebben bepaald, is momenteel het opvallende kenmerk van de revolutionaire militanten en van de groepen die zichzelf voorhoede noemen. De gewoonte om schema’s uit het verleden toe te passen op nieuwe, werkelijke situaties die zich voordoen, heeft de militanten in zekere zin bevrijd van de zorg dat ze zich moeten wijden aan studies die hen moeizaam lijken en vermoeien. Wat heeft het voor zin, zeggen ze tegen zichzelf, om de huidige situatie te analyseren en te bestuderen, als ze volgens [hun] schema weten hoe die eruit zou moeten zien? Het enige wat ze nog hoeven te doen is de juiste tactiek toe te passen… en de agitatie goed te organiseren.[4]

Het schematische denken en de oppervlakkigheid van de analyse van de PCint waren in werkelijkheid een weerspiegeling van de armoede van het politieke leven en het gebrek aan debatten en discussies binnen de ‘partij’ zelf: “De PCI [van Italië] is momenteel de groepering waar theoretische en politieke discussie het minst aanwezig is. De oorlog en de nasleep ervan hebben een hele reeks nieuwe problemen opgeroepen. Geen van deze problemen is of wordt binnen de gelederen van de Italiaanse partij opgepakt. Het volstaat de geschriften en kranten van de partij te lezen om zich bewust te worden van hun extreme theoretische armoede. Wanneer men de notulen van de oprichtingsconferentie van de partij leest, vraagt men zich af of deze conferentie in 1946 of in 1926 heeft plaatsgevonden”.[5]

Toch, zoals de GCF stelde, “heeft geen enkele periode in de geschiedenis van de arbeidersbeweging de verworvenheden zo op zijn kop gezet en zoveel nieuwe problemen opgeworpen als deze relatief korte periode van 20 jaar, tussen 1927 en 1947, zelfs niet de toch zo bewogen periode van 1905 tot 1925. Het grootste deel van de fundamentele stellingen die ten grondslag lagen aan de Communistische Internationale is verouderd en achterhaald".[6]

Uiteindelijk keerde de politieke koers van de ‘Partito’ openlijk de fundamentele verantwoordelijkheden de rug toe die de voorhoede van de revolutionairen volgens het Kommunistisch Manifest van 1848 op zich moet nemen: “De kommunisten zijn dus praktisch het meest besliste, altijd voorwaarts drijvende gedeelte van de arbeiderspartijen aller landen; theoretisch hebben zij op de overige massa van het proletariaat voor dat zij inzicht hebben in de voorwaarden, de gang en de algemene resultaten van de proletarische beweging.”

Het feit dat revolutionaire organisaties de nog steeds geldende politieke verworvenheden moesten verdedigen die waren overgeërfd uit een eeuw ervaring van de arbeidersbeweging, betekende voor de GCF niet dat ze uit het hoofd geleerde lessen uit de geschiedenisboeken moesten opdreunen in de veronderstelling dat de geschiedenis zich onveranderlijk herhaalt. Integendeel, door de methode van kritische analyse over te nemen die Marx en Engels al in het midden van de 19e eeuw hadden ontwikkeld, was de GCF vastbesloten om de nieuwe kwesties die de naoorlogse situatie opriep, te benaderen met dezelfde instelling als de Internationale Kommunistische Linkerzijde in de jaren 1930, “zonder taboes of uitsluiting”: "In tegenstelling tot de bewering dat militanten alleen kunnen handelen vanuit zekerheid, 'zelfs als die gebaseerd is op onjuiste standpunten', stellen wij dat er geen zekerheid bestaat, maar een voortdurende overstijging van waarheden. Alleen actie die gebaseerd is op de meest recente gegevens, die voortdurend worden verrijkt, is revolutionair. Daarentegen is handelen op basis van een waarheid van gisteren, die vandaag al achterhaald is, vruchteloos, schadelijk en reactionair. Men wil de leden voeden met goede, zekere en absolute waarheden, terwijl alleen de relatieve waarheden, die hun antithese van de twijfel bevatten, een revolutionaire synthese opleveren. Als twijfel en ideologische controverse het handelen van de militanten moeten verstoren, zien we niet in waarom dit een fenomeen zou zijn dat alleen voor vandaag geldt. In elke fase van de strijd ontstaat de noodzaak om eerdere standpunten te overstijgen. Op elk moment worden de verworven ideeën en ingenomen standpunten in twijfel getrokken. We komen dus in een vicieuze cirkel terecht: ofwel nadenken, redeneren en daardoor niet kunnen handelen, ofwel handelen zonder te weten of onze actie op een weloverwogen redenering berust.[7]

De bijdrage van de GCF aan het begrip van het verval van het kapitalisme

Veel fundamentele kwesties die door de nederlaag van de revolutionaire golf en de ervaring van de Kommunistische Internationale aan de orde werden gesteld, waren door de Italiaanse Fractie slechts in grote lijnen geschetst. Deze had ze eerder in de vorm van open vragen achtergelaten dan als conclusies die ondubbelzinnig in de programmatische verworvenheden van de kommunisten konden worden opgenomen. Door zich in te zetten voor echt collectief werk, via debatten binnen de groep (of met andere groepen) en zeer diepgaande bijdragen van haar militanten, boekte de GCF belangrijke vooruitgang, met name wat betreft de verdieping van het begrip van het verval van het kapitalisme.

Vertrekkend vanuit het analysekader dat de Kommunistische Internationale al in 1919 had vastgesteld (“het tijdperk van oorlogen en revoluties”), was de GCF in staat de overdenking die de Italiaanse Fractie in de loop van de jaren 1930 had ontwikkeld, voort te zetten en te verrijken. Het rapport over de internationale situatie van 1945, waarnaar we al hebben verwezen, kwam tot een uiterst diepgaande verduidelijking van twee fundamentele kwesties: de aard van de imperialistische oorlog en die van het staatskapitalisme.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw had de revolutionaire beweging duidelijk gemaakt dat het militarisme en de imperialistische oorlog de belangrijkste uitingen vormden van een kapitalistische productiewijze die in een fase van historisch verval was beland. Deze verandering van historische periode bracht een fundamentele wijziging teweeg in de oorzaken van de oorlog, waaraan de GCF een beslissende bijdrage heeft geleverd: “In de tijd van het opkomende kapitalisme waren oorlogen (nationale, koloniale en imperialistische veroveringsoorlogen) een uiting van de opwaartse beweging van gisting, versterking en uitbreiding van het kapitalistische economische systeem. De kapitalistische productie vond in de oorlog de voortzetting van haar economische politiek met andere middelen. Elke oorlog rechtvaardigde zichzelf en betaalde zichzelf terug door een nieuw terrein voor grotere expansie te openen, waardoor de ontwikkeling van een grotere kapitalistische productie werd verzekerd. In het tijdperk van het verval van het kapitalisme is de oorlog, net als de vrede, een uitdrukking van dit verval en draagt hij er krachtig toe bij om die te versnellen. […] Oorlog was voor het kapitalisme een onmisbaar middel dat mogelijkheden voor verdere ontwikkeling opende, in een tijdperk waarin deze mogelijkheden bestonden en alleen door middel van geweld konden worden ontsloten. Evenzo vindt de ineenstorting van de kapitalistische wereld, die historisch gezien alle ontwikkelingsmogelijkheden heeft uitgeput, in de moderne oorlog, de imperialistische oorlog, de uitdrukking van deze ineenstorting, die, zonder enige mogelijkheid tot verdere ontwikkeling van de productie te openen, de productiekrachten alleen maar in de afgrond stort en in versneld tempo ruïne op ruïne stapelt. […] Terwijl de oorlog in de eerste fase tot doel heeft de markt te vergroten met het oog op een grotere productie van consumptiegoederen, is de productie in de tweede fase hoofdzakelijk gericht op de productie van vernietigingsmiddelen, dat wil zeggen met het oog op de oorlog. Het verval van de kapitalistische maatschappij komt op schitterende wijze tot uiting in het feit dat, terwijl oorlogen in de opgaande periode gericht waren op economische ontwikkeling, de economische activiteit in de vervalperiode hoofdzakelijk wordt beperkt tot de oorlog. Dit betekent niet dat oorlog het doel van de kapitalistische productie is geworden – het doel blijft voor het kapitalisme altijd de productie van meerwaarde – maar het betekent wel dat oorlog, door een permanent karakter aan te nemen, de levenswijze van het in verval geraakte kapitalisme is geworden.”

Deze analyse is volkomen juist gebleken, aangezien de wereld sinds die tijd meer dan honderd oorlogsconflicten heeft gekend die minstens evenveel doden hebben veroorzaakt als de Tweede Wereldoorlog. Deze oorlogsspiraal is de afgelopen vier decennia zelfs aanzienlijk toegenomen, zoals blijkt uit het huidige bloedige schouwspel zowel in Oekraïne als in het hele Nabije en Midden-Oosten.

In maart 1946 keurde de GCF de "Stellingen over de aard van de staat en de proletarische revolutie" goed. Dit document vormde een nieuwe belangrijke bijdrage, met name over de plaats van de staat in de periode van verval en de houding van het proletariaat ten opzichte daarvan.

De Kommunistische Internationale had al de alomtegenwoordige rol van de staat in alle geledingen van de maatschappij, en met name op economisch vlak, onderkend. Het Manifest van het Eerste Congres van de Kommunistische Internationale in maart 1919 stelde duidelijk dat “de verstaatsing van het economische leven, waartegen het kapitalistische liberalisme zo fel protesteerde, een fait accompli is. Terugkeren, niet naar de vrije concurrentie, maar alleen naar de dominantie van de trusts, syndicaten en andere kapitalistische octopussen, is voortaan onmogelijk”.

Deze voorspelling zou zich in de daaropvolgende decennia volledig bevestigen, vooral na de crisis van 1929, die de bourgeoisie eraan herinnerde dat de overname van het beheer van het nationale kapitaal door de staat een onontkoombare en permanente noodzaak was geworden. De voorbereiding van de oorlog in de jaren 1930 en nog meer het verval van bijna alle grote industriële centra van de wereld in 1945 versnelden deze algemene tendens naar staatskapitalisme nog meer.

Door een grondige analyse van de dynamiek van het kapitalisme sinds de Eerste Wereldoorlog kon de GCF dus aantonen dat “het staatskapitalisme geen poging is om de essentiële tegenstellingen van het kapitalisme als uitbuitingssysteem op te lossen, maar de manifestatie van deze tegenstellingen is. Elke kapitalistische belangengroep probeert de gevolgen van de crisis van het systeem af te wentelen op een naburige, concurrerende groep, door zich deze toe te eigenen als markt en exploitatiegebied. Het staatskapitalisme is ontstaan uit de noodzaak van deze groep [de nationale bourgeoisie] om haar concentratie te bewerkstelligen en de markten buiten haar invloedssfeer onder haar controle te brengen. De economie verandert dus in een oorlogseconomie”.

Ook hier zullen de analyse en de voorspellingen van de GCF volledig worden bevestigd, aangezien de steeds grotere rol van het staatskapitalisme in de afgelopen 80 jaar de verdieping van de historische crisis van het kapitalisme absoluut niet heeft tegengegaan. Integendeel, het was een krachtige factor die de tegenspraken van het systeem heeft verergerd.[8]

Zo was de GCF, gesterkt door een veel duidelijker en dieper inzicht in de algemene en permanente kenmerken van de periode van historisch verval van het kapitalisme, ook in staat om centrale vraagstukken voor de revolutionaire strijd op te lossen, waarvan deze de belangrijkste zijn:

– In de opkomstperiode van het kapitalisme waren de vakbonden organisaties die de ontwikkeling van de strijd op economisch vlak mogelijk maakten. In de periode van verval zijn het organen die volledig geïntegreerd zijn in de burgerlijke staat die bestreden moet worden.

– Terwijl in de loop van de 19e eeuw de nationale bevrijdingsstrijd en de onafhankelijkheid van de koloniën deel konden uitmaken van de tactiek van het proletariaat, kunnen deze eisen in de kapitalistische vervalperiode de arbeidersklasse er alleen maar toe aanzetten de belangen van de bourgeoisie te verdedigen.

– Wat betreft de rol van de staat in de overgangsperiode zal de GCF de gedachtegang van Bilan voortzetten door het standpunt te verdedigen dat de dictatuur van het proletariaat moet worden uitgeoefend via haar eigen specifieke organen (de raden), die losstaan van die van de staat. Dit is een cruciaal standpunt dat later door de IKS zal worden verdedigd en verder uitgewerkt.

Met dezelfde strengheid bleef de GCF tot het einde toe het enige geloofwaardige alternatief verdedigen dat zich voor de arbeidersklasse in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog opdoemde: “Onder de huidige omstandigheden van het kapitaal is een algemene oorlog onvermijdelijk. Maar dit betekent niet dat de revolutie onontkoombaar is, laat staan haar overwinning. De revolutie vertegenwoordigt slechts één van de takken van het alternatief dat de historische ontwikkeling vandaag de dag aan de mensheid oplegt. Als het proletariaat er niet in slaagt een socialistisch bewustzijn te verwerven, is dat het begin van een periode van barbarij waarvan we vandaag de dag enkele aspecten kunnen waarnemen.”

Ook hier hoedde de GCF zich voor elke vorm van schematisme. In tegenstelling tot Bordiga, die in dezelfde periode verklaarde dat “de revolutie zo zeker is, alsof ze al had plaatsgevonden”, verdedigde de GCF daarentegen dat de weg naar het kommunisme nog zeer lang zou zijn, bezaaid met gigantische hindernissen en enorme inspanningen van de arbeidersklasse zou vergen.

In het derde deel zullen we ingaan op de bijdrage van de GCF aan de kwestie van de partij en haar verhouding tot de klasse, evenals op de redenen die hebben geleid tot haar verdwijning in 1952.

Vincent / 13.04.2026

 

1. Zoals we in het eerste deel van deze reeks hebben uiteengezet, neemt deze kern vanaf 1944 de naam Gauche Communiste de France aan.

2. Zie 1943: The Italian proletariat opposes the sacrifices demanded for the war. International Review no. 75

3. Zie het eerste deel van deze reeks: 80 jaar geleden, de oprichting van de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk: De vlam van de revolutionaire organisatie levend houden

4. Problèmes actuels du mouvement révolutionnaire international (II) Internationalisme no. 18 (1947)

5. Problèmes actuels du mouvement ouvrier (suite), La conception du chef génial, Internationalisme no. 25 (1947).

6. Idem.

7. Idem.

8. In het kader van dit artikel is het niet mogelijk om dieper in te gaan op de kwestie van het staatskapitalisme. Zie hiervoor de volgende referenties:

Crisis en Verval van het kapitalisme, brochure van de IKS.

Crise économique : l’État, dernier rempart du capitalisme, Révolution internationale no. 339 (2003).

Report on the pandemic and the development of decomposition, International Review no. 167.

Geschiedenis van de arbeidersbeweging
Home
Internationale Kommunistische Stroming
Arbeiders aller landen, verenigt u!

Footer-menu

  • Basisstandpunten
  • Contact