Darwinisme en Marxisme (Anton Pannekoek) Deel I

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Anton Pannekoek

Darwinisme en marxisme

Het jaar 2009 is overal ter wereld, zowel door de wetenschappelijke instellingen als de uitgeverijen en de media, uitgeroepen tot het ‘Darwin-jaar’. Het komt in feite verwijst naar de tweehonderdste verjaardag van de geboorte van Charles Darwin (12 februari 1809) en de honderdvijftigste van de uitgave van het eerste van zijn fundamentele werken, ‘Over het Ontstaan van de Soorten’, verschenen op 24 november 1859. Er worden momenteel een veelheid aan conferenties gehouden, er zijn boeken, tijdschriften en tv-uitzendingen over Darwin en zijn theorie. Ze maken het soms mogelijk om zich hierover een beter idee te vormen, maar dikwijls ertoe leidt dat men terechtkomt in een dichte mist waarin het nog moeilijk is om zich te oriënteren. Dat is gedeeltelijk te wijten aan het feit dat vele schrijvers, voordrachtgevers en journalisten, die zich opwerpen als ‘Darwin-specialisten’, er tot voor een jaar nog niets van kenden. En voor hen en hun werkgevers is het Darwin-jaar vooral een goede gelegenheid om, dank zij een snelle lectuur van enkele artikelen uit Wikipedia, hun geleerdheid en hun inkomsten op te schroeven. Maar er is ook een andere reden voor deze mistige voorstelling van de opvattingen van Darwin. In feite zijn ze, vanaf het moment dat ze uiteengezet werden in het ‘Ontstaan der Soorten’, het voorwerp geweest van een ideologische en politieke twist van de eerste orde. Dit kwam vooral door het feit dat deze opvattingen een ernstige klap toebrachten aan de religieuze dogma’s van die tijd maar ook omdat ze dadelijk gebruikt werden als instrumenten in handen van de verschillende ideologen van de bourgeoisie. En deze inzet bestaat vandaag nog altijd, in de interpretaties en veelvuldige vervalsingen waaronder de theorie van Darwin te lijden heeft. Om onze lezers een beetje meer helderheid te brengen publiceren wij opnieuw, in twee delen, de brochure van Anton Pannekoek, ‘Darwinisme en Marxisme’, geschreven in 1909 ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Darwin en die, in essentie, nog altijd actueel is. Het marxisme heeft altijd belangstelling gehad voor de evolutie van de wetenschappen, als een integraal deel van ontwikkeling van de productiekrachten van de maatschappij. Maar ook omdat het altijd van mening was dat het perspectief van het kommunisme zich niet louter kon baseren op een morele eis van rechtvaardigheid, zoals dat het geval was voor een aantal ‘utopische socialisten’ uit het verleden, maar op een wetenschappelijke kennis van de menselijke maatschappij en de natuur waartoe ze behoort. Om die reden had Marx zelf, al lang voor de publicatie van de brochure van Pannekoek, in juni 1873, een exemplaar van zijn hoofdwerk, ‘Het Kapitaal’, gewijd aan Charles Darwin. In feite hadden Marx en Engels de methodologische overeenkomst herkend tussen zijn evolutietheorie over de studie van de levenden organismen, en hun eigen historisch materialisme zoals gestaafd wordt door twee uittreksels uit hun correspondentie:

“Deze Darwin, die ik aan het bestuderen ben, is helemaal sensationeel. Nog nooit is er een poging van dergelijke omvang gedaan om aan te tonen dat er een historische ontwikkeling bestaat in de natuur” (Engels aan Marx, 11 december 1859).

“Ziedaar het boek dat de natuurlijk historische grondslag bevat voor onze ideeën” (Marx aan Engels, 19 december 1860) [[1]].

De tekst van Pannekoek, die geschreven is een eenvoudige taal, verschaft ons een uitstekende samenvatting van de theorie van de evolutie van de soorten. Maar Pannekoek is niet enkel een geleerde wetenschapsman (hij was een vermaard sterrenkundige). Hij was vooral een marxist en een militant van de arbeidersbeweging. Daarom doet zijn brochure ‘Darwinisme en Marxisme’ een inspanning om elke poging, die de theorie van Darwin van de natuurlijke selectie op een schematische en mechanische wijze toepast op de menselijke soort, te bekritiseren. Pannekoek maakt op een heldere wijze duidelijk wat de overeenkomst is tussen het marxisme en het darwinisme en hij toont aan hoe de theorie van de natuurlijke selectie door de meest progressieve sectoren van de bourgeoisie wordt gebruikt tegen de reactionaire restanten uit de feodaliteit. Maar hij levert ook kritiek op de bourgeoisie als deze de theorie van Darwin op een frauduleuze manier gebruikt tegen het marxisme, voornamelijk via de uitschuivers van het ‘sociaal-darwinisme’, de ideologie die vooral werd ontwikkeld door de Britse filosoof Herbert Spencer (en tegenwoordig wordt overgenomen door de ideologen van het liberalisme om de kapitalistische concurrentie te rechtvaardigen, de wet van de jungle, het ieder-voor-zich en het elimineren van de zwaksten).

Tegenover de terugkeer van het obscurantistische geloof, opgedregd uit de nacht der tijden, en vooral van het ‘creationisme’ met zijn goddelijke verschijningsvorm van het ‘intelligent design’ volgens welke de evolutie van de levende organismes (en het verschijnen van de mens zelf) zou overeenstemmen met een vooropgesteld ‘plan’, vastgesteld door ‘superieure intelligentie’ van een goddelijk wezen, is het de taak van de marxisten om het wetenschappelijk en materialistisch karakter van de theorie van Darwin te herbevestigen en te onderstrepen welk reusachtige stap zij voor de natuurwetenschappen betekende.

Natuurlijk moet de brochure van Pannekoek gesitueerd worden in de context van de wetenschappelijke kennis van zijn tijd en sommige van zijn opvattingen, die ontwikkeld worden in het tweede deel (dat wij gaan publiceren in het volgende nummer van de ‘Internationale Revue’). zijn vandaag een beetje achterhaald door een eeuw van wetenschappelijke onderzoeken en ontdekkingen (voornamelijk op het vlak de paleontologie en de genetica). Maar voor het wezenlijke blijft zijn bijdrage een onschatbare bijdrage tot de geschiedenis van de arbeidersbeweging.

IKS / 19 april 2009.

De brochure van A. Pannekoek (Deel I)  

Het Darwinisme

 

Men ([2]) zal moeilijk twee denkers kunnen noemen, die zo zeer het geestesleven van de mensheid in de tweede helft der 19de eeuw beheersen, als Darwin ([3]) en Marx. Wat zij leerden, bracht een ommekeer in de wereldbeschouwing van de grote massa’s. Sinds een halve eeuw zijn hun namen in aller mond, hun theorieën staan in het middelpunt van de geestelijke strijd, die de tegenwoordige maatschappelijke strijd begeleidt. De oorzaak hiervan is in de eerste plaats de grote wetenschappelijke waarde van hun leerstellingen.

 

In hun wetenschappelijke betekenis komen het Darwinisme en het Marxisme ten nauwste met elkaar overeen. In beiden is het ontwikkelingsbegrip uitgewerkt en consequent toegepast, bij de een op het gebied van de organische wereld, van de levende wezens, bij de ander op het gebied van de maatschappij. Nu was dit ontwikkelingsbegrip niet nieuw; ook vroeger had het reeds aanhangers gevonden en de wijsgeer Hegel ([4]) had het zelfs tot het kernpunt van zijn filosofie gemaakt. Daarom is het nodig, nauwkeuriger uiteen te zetten, waarin de bijzondere verdiensten van Darwin en Marx op dit gebied bestaan.

 

De leer, dat de planten en de dieren zich uit elkander ontwikkeld hebben, dateert pas uit de vorige eeuw. Vroeger werd op de vraag, waar al die duizenden, ja honderdduizenden soorten van dieren en planten vandaan komen, geantwoord: bij de schepping heeft God ze alle, elk naar zijn aard, geschapen. Deze primitieve theorie was in overeenstemming met de ervaring, dat alle bekende dieren en planten, naar de oudste berichten te oordelen, steeds volkomen gelijk gebleven zijn. Wetenschappelijk werd deze ervaring in de stelling uitgedrukt, dat alle soorten onveranderlijk zijn, omdat de ouders hun eigenschappen steeds op de kinderen overerven.

 

Nu was er echter een eigenaardigheid bij de planten en dieren, die langzamerhand een andere opvatting deed ontstaan. Zij lieten zich zo mooi tot een systeem ordenen, dat het eerst door de Zweedse natuurvorser Linnaeus ([5]) opgesteld werd. Daarin worden de dieren in hoofdafdelingen, deze in klassen, de klassen in orden, de orden in families en de families in geslachten verdeeld, waarvan elk meerdere soorten omvat. Hoe meer twee dieren in eigenschappen met elkaar overeenkomen, des te dichter staan ze bij elkander in het systeem, des te kleiner is de groep waartoe zij gezamenlijk behoren. Alle dieren, die tot de klasse van de zoogdieren behoren, tonen hetzelfde algemene karakter in hun lichaamsbouw. Volgens minder gewichtige kentekenen onderscheiden zich de hoefdieren, de roofdieren, de apen enzovoort van elkaar, die ieder een orde vormen; de beren, de honden en de katten, die alle roofdieren zijn, hebben veel meer overeenkomst in lichaamsbouw met elkander, dan met de paarden of de apen. Nog veel groter is de overeenkomst tussen de verschillende soorten van hetzelfde geslacht: de kat, de tijger en de leeuw hebben allerlei gelijke kenmerken, waarin zij van de honden en de beren verschillen. Wanneer wij nu van de zoogdieren tot andere klassen, zoals de vogels of de vissen overgaan, dan vinden we reeds veel grotere verschillen, dan bij de leden van eenzelfde klasse. Toch vormen bij hen allen het geraamte en de ligging van het zenuwstelsel aan de rugzijde hetzelfde grondkarakter in lichaamsbouw. Dit karakter verdwijnt eerst, wanneer we van deze hoofdafdeling, die alle gewervelde dieren omvat, tot de weekdieren, de gelede dieren of poliepen overgaan.

 

Zo laat zich de gehele dierenwereld als het ware in vakjes en laatjes indelen en ordenen. In de vormen heerst geen willekeur, maar orde. Was elke diersoort geheel onafhankelijk van alle andere geschapen, dan was daar geen enkele reden voor te vinden. Dan was niet in te zien, waarom er niet ook zoogdieren met bijvoorbeeld zes poten konden bestaan, tenzij men wilde aannemen, dat de Schepper zich bij de schepping van te voren het gehele geordende stelsel van Linnaeus in zijn geest als voorbeeld had genomen ([6]). Maar er was ook nog een andere verklaringswijze. De verwantschap in lichaamsbouw bij de dieren kon ook voortkomen uit een werkelijke familieverwantschap. Volgens deze opvatting is de meerdere of mindere overeenkomst in eigenschappen een teken van nauwere of meer verwijderde familieverwantschap, evenals broers en zusters meer op elkaar lijken dan verdere verwanten. De diersoorten zijn dan niet afzonderlijk geschapen, maar zij stammen van elkander af. Zij vormen een stamboom, die, beginnend met eenvoudig gebouwde oerdieren, zich steeds meer vertakt en waarvan de kleinste laatste takken de thans bestaande soorten voorstellen. Alle kattensoorten stammen van een oerkat af, die evenals een oerhond en een oerbeer van een oorspronkelijk eerste roofdiertype afstamde. Het oerroofdier, het oerhoefdier, de oeraap zijn alle in nog oudere tijd uit een primitief oerzoogdier ontstaan, en zo gaat het steeds verder terug.

 

Deze afstammingsleer werd in de eerste helft van de 19de eeuw vooral door Lamarck ([7]) en door Geoffroy St. Hilaire ([8]) verdedigd, maar zij vond geen algemene aanhang. Zij bleef een vernuftige gedachte, maar niet meer. Haar juistheid kon door deze geleerden niet bewezen worden, zij bleef een hypothese, een onderstelling. Toen Darwin echter in 1859 met zijn hoofdwerk Het ontstaan der Soorten voor den dag kwam, veroverde het zich als door een toverslag onder de massa van de geleerden en intellectuelen het aanzien van een vast bewezen wetenschappelijke waarheid. Van deze tijd af is de afstammingsleer onverbreekbaar met de naam Darwin verbonden. Hoe kwam dat?

 

Voor een deel lag het daaraan, dat intussen steeds meer ervaringsmateriaal tot steun voor deze leer opgehoopt was. Zo had men dieren leren kennen, die niet goed in het systeem pasten, zoals eierleggende zoogdieren, longvissen en gewervelde dieren zonder wervels; de afstammingsleer verklaarde ze eenvoudig als overgebleven overgangsvormen tussen de hoofdgroepen. Bij het doorwoelen van de aardlagen werden steeds meer overblijfsels van voorwereldlijke dieren gevonden, die er anders uitzagen dan de tegenwoordige dieren. Voor een deel bleken zij de stamvormen van de tegenwoordige dieren te zijn, anderdeels vertoonden zij ook in de op elkander volgende vormen juist zulk een reeks, alsof zich de oudste langzamerhand tot de latere omgevormd hadden. Bovendien was ook de cellentheorie gegrondvest; elke plant, elk dier bestaat uit miljoenen cellen en heeft zich uit één eicel door onophoudelijke deling en differentiëring gevormd. In het licht van deze theorie was ook het denkbeeld, dat de hogere organismen van primitieve ééncellige wezens afstammen, niet meer zo dwaas.

 

Maar al deze nieuwe feiten konden toch de theorie nog niet tot een vaststaande waarheid verheffen. Een onmiddellijk bewijs voor haar juistheid zou daarin bestaan hebben, dat zich inderdaad voor onze ogen de ene diersoort in een andere soort veranderde. Maar een dergelijke waarneming is buitengesloten. Hoe is het dan toch mogelijk te bewijzen, dat diersoorten zich werkelijk tot nieuwe vormen omvormen. Door de oorzaak, de drijfkracht tot zulk een omvorming te onthullen. Dat is het, wat Darwin gedaan heeft. Darwin heeft het mechanisme van de dierlijke ontwikkeling ontdekt en op deze wijze aangetoond, dat onder bepaalde omstandigheden zich noodzakelijk uit de ene diersoort een andere moet ontwikkelen. Dit mechanisme zullen we nu uiteenzetten.

 

De eerste grondslag vormt het wezen van de erfelijkheid, het feit, dat de ouders weliswaar hun eigenschappen op de kinderen overerven, maar dat tegelijkertijd de kinderen in bijzonderheden steeds van de ouders en van elkaar afwijken. Daardoor zijn dieren van dezelfde soort niet volkomen aan elkaar gelijk, maar wijken zij in allerlei opzichten een beetje van het doorsneetype af. Zonder deze zogenaamde veranderlijkheid (variabiliteit) zou het helemaal onmogelijk zijn, dat zich ooit een diersoort in een andere veranderde. Voor een dergelijke nieuwe soortvorming is dan verder alleen nog maar nodig, dat een bepaalde afwijking van het gemiddelde type steeds groter wordt, steeds meer in dezelfde richting doorgaat, tot zij zo groot geworden is, dat het dier niet meer tot de vroegere soort te rekenen is. Waar vinden wij echter de kracht, die zulk een steeds verder gaande verandering in dezelfde richting zou kunnen teweegbrengen?

 

Lamarck had ze daarin gezocht, dat de organen, die het meest gebruikt en dus het meest geoefend worden, daardoor steeds volmaakter worden. Evenals bij een mens de beenspieren door veel lopen krachtig worden, zo heeft ook de leeuw zijn sterke spieren, de haas zijn vlugge poten door het gebruik gekregen. Zo hebben ook de giraffen hun lange hals gekregen, doordat zij om bij de hoge boombladeren, die zij eten, te kunnen komen, proberen met hun kop steeds hoger te reiken en zo hun hals uitrekken. Daardoor is hun hals steeds langer geworden en heeft zich uit het een of andere antilopeachtig dier met korte hals de zonderlinge langhalzige giraffe ontwikkeld. Deze verklaring moest menigeen ongelooflijk voorkomen; en als verklaring van de groene kleur van de boomkikker bijvoorbeeld die het dier als beschermende kleur zo uitstekend te pas komt, schoot zij ook te kort.

 

Darwin wendde zich tot oplossing van deze kwestie tot een ander terrein van de ervaring. Dierenfokkers en plantenkwekers zijn in staat steeds nieuwe en bepaalde rassen en variëteiten kunstmatig te kweken. Wanneer een tuinman van een bepaalde plant een variëteit met grote bloemen wil kweken, dan behoeft hij slechts van een bloembed alle planten met kleine bloemen uit te trekken en alleen de planten met de grootste bloemen te laten staan. Wanneer hij dit elk jaar herhaalt, dan worden de bloemen steeds groter, want in doorsnee is elk geslacht aan zijn grootbloemige ouders gelijk, en wat van het geslacht overblijft, heeft dus telkens weer grotere bloemen dan de vorige generatie. Door deze wijze van handelen, ten dele onbewust, ten dele bewust toegepast, hebben de mensen bij de huisdieren en de cultuurplanten een grote massa rassen gekweekt, die van hun stamvormen soms meer afwijken, dan wilde soorten onderling verschillen.

 

Wanneer men aan een dierfokker opgaf om uit een korthalzige antilopensoort een langhalzig dier te fokken, dan zou hem dit in principe volstrekt niet onmogelijk lijken. Hij behoefde slechts steeds de exemplaren met de langste halzen te behouden; ze met elkander te kruisen, en alle andere, voor ze volwassen zijn, weg te doen. Herhaalt bij dit bij elke volgende generatie, dan moet de hals steeds langer worden en moet op deze wijze een giraffe achtig dier ontstaan.

 

Hier wordt dit resultaat bereikt, omdat een bewuste wil met opzet een bepaald doel nastreeft en daarnaar de voor het fokken bestemde dieren uitkiest. Een dergelijke wil is echter in de natuur niet voorhanden ([9]). In de natuur moeten dus de naar alle kanten gerichte afwijkingen elkander weer opheffen, zodat geen enkele al groter en groter kan worden. Of, als dit soms niet juist is, waar is dan de kracht in de natuur, die een keuze doet?

 

Darwin heeft lange tijd voor dit raadsel gestaan, alvorens hij de oplossing ervan in de strijd om het bestaan vond. In deze theorie vinden wij de tijd waarin hij leefde, de toenmalige productiewijze klaar weerspiegeld, want het was de kapitalistische concurrentiestrijd, die hem tot voorbeeld voor de strijd om het bestaan in de natuur heeft gediend. Niet zozeer uit eigen onmiddellijke waarneming, als wel uit een boek van de econoom Malthus ([10]) leerde bij deze strijd kennen. Malthus trachtte het feit, dat in de burgerlijke wereld veel honger en ellende heerst en dat velen in de concurrentiestrijd omkomen, daaruit te verklaren, dat de bevolking steeds sneller toeneemt dan de hoeveelheid voorhanden levensmiddelen. Voor al de mensen is er dus geen voedsel en zij moeten met elkaar om het bestaan vechten, waarbij een groot aantal ellendig te gronde gaat ([11]).

 

Door deze theorie werden zowel de kapitalistische concurrentie als de ellende tot een onvermijdelijke natuurwet verklaard. Darwin deelt in zijn levensbeschrijving ([12]) mede, hoe dit werk hem op de gedachte van de strijd om het bestaan heeft gebracht: “in oktober van het jaar 1838, dus 15 maanden nadat ik mijn systematische onderzoekingen begonnen was, las ik toevallig tot ontspanning het werk van Malthus “Over de bevolking”, en daar ik lang de levens- wijze van dieren en planten nagegaan had, was ik goed voorbereid om de strijd om het bestaan, die overal plaats vindt, naar de juiste waarde te schatten, en het trof mij dadelijk, dat onder zulke omstandigheden nuttige afwijkingen kans hebben om bewaard te blijven en schadelijke om te gronde te gaan. Het resultaat zou daarbij het ontstaan van een nieuwe soort zijn. Hier had ik dus eindelijk een theorie gevonden, waarmee ik verder werken kon.”

 

Voor de dieren is het inderdaad een feit, dat door de geboorten hun aantal sneller groeit, dan het voorhanden voedsel toelaat. “Er is geen uitzondering op de regel, dat alle organische wezens op natuurlijke wijze zich zo snel in aantal trachten te vermeerderen, dat de aarde spoedig door de nakomelingen van één paar geheel overdekt zou zijn, wanneer ze niet vernietigd werden.” Zo moet een heftige strijd om het bestaan ontstaan. Elk dier tracht daardoor in het leven te blijven, dat het zelf steeds genoeg te eten heeft en niet door anderen opgegeten wordt. Het strijdt met zijn bijzondere eigenschappen en wapens tegen de gehele vijandelijke wereld: tegen de hem beloerende roofdieren, tegen kou, droogte, hitte, overstromingen en alle andere mogelijke natuurverschijnselen, die het dreigen te vernietigen. Vooral strijdt het tegen zijn soortgenoten, die dezelfde levenswijze, dezelfde wapens en vermogens, hetzelfde voedsel en dezelfde vijanden hebben. Natuurlijk is dit geen onmiddellijk vechten met elkaar: de haas vecht niet direct met de haas, de leeuw niet met de leeuw - behalve in de strijd om de wijfjes - maar deze strijd om het bestaan is een wedstrijd, een concurrentiestrijd. Niet allen kunnen de volwassen leeftijd bereiken, de meesten moeten te voren omkomen en slechts diegenen, die in de wedstrijd overwinnen, blijven over. Wie zijn het, die in deze wedstrijd overwinnen? Zij, die het beste door hun eigenschappen, door hun lichaamsbouw voedsel vinden, en het beste aan de vijanden weten te ontkomen, die dus voor de gegeven levensomstandigheden het gunstigste gebouwd zijn. De geschiktsten zullen de overlevenden zijn. De strijd om het bestaan bewerkt een natuurkeus. “Omdat steeds meer exemplaren van een soort geboren worden, dan in het leven kunnen blijven en daaruit steeds opnieuw de strijd, wie zal blijven bestaan, moet ontbranden, spreekt het vanzelf, dat een wezen, dat zich ook maar in een enkel opzicht in zijn voordeel van zijn soortgenoten onderscheidt, de meeste kans zal hebben de anderen te overleven en dus door de natuur zelf voor de voortplanting uitgelezen wordt. En doordat de afwijkingen overerven, is dit uitverkoren individu de oorzaak, dat het ras in zulk een nieuwe, veranderde vorm blijft bestaan.”

 

Hier heeft men dus een andere verklaring voor het ontstaan van een giraffe. Wanneer in een streek geen gras groeit, moeten de dieren zich met boombladeren voeden, en alle, wier hals te kort is om er bij te komen, gaan te gronde. De natuur zelf doet een keuze en laat steeds slechts de dieren met de langste halzen in het leven. In overeenstemming met de teeltkeus, die een kweker of een dierenfokker doet, noemde Darwin dit proces de “natuurlijke teeltkeus”.

 

Door dit proces moeten nu noodzakelijk steeds nieuwe diersoorten ontstaan. Want, omdat van een soort steeds te veel exemplaren worden geboren, trachten zij zich steeds buiten de grenzen van hun eigenlijke gebied uit te breiden. Wat in het bos woont, trekt naar de vlakte; wat op het land leeft, gaat in het water; wat op de grond leeft, klimt in de bomen om in een nieuwe omgeving zijn levensonderhoud te vinden. In deze nieuwe omgeving blijkt vaak een aanleg of een verandering doelmatig te zijn, die het te voren niet was en zij ontwikkelt zich; de organen veranderen met de levenswijze; zij passen zich aan de nieuwe omstandigheden aan en uit de oude soort wordt een nieuwe vorm geteeld. Brengen de duizenderlei levensvoorwaarden op aarde reeds duizenderlei daaraan aangepaste diervormen met zich mee, zo bewerkt het onophoudelijk heen- en weerverhuizen van de bestaande soorten en hun komen in steeds nieuwe levensomstandigheden, dat dit aantal vormen zich nog verhonderdvoudigt.

 

Terwijl dus op deze wijze door de theorie van Darwin de gemeenschappelijke afstamming van de dieren, hun verandering en hun ontstaan uit eenvoudiger wezens wordt verklaard, verklaart zij tevens de wonderbaarlijke doelmatigheid, die wij overal in de natuur vinden. Vroeger kon men deze alleen uit een wijze voorzorg van de Schepper verklaren; hier deed zich haar natuurlijke oorsprong geheel vanzelf aan de hand. Want deze doelmatigheid is niets anders dan een aanpassing aan de levensvoorwaarden. Elk dier, elke plant is precies aan de voorhanden omstandigheden aangepast, omdat allen, die minder doelmatig gebouwd, minder goed aangepast zijn, in de strijd om het bestaan uitgeroeid worden. De groene boomkikvors, eenmaal uit de bruine kikvorsen ontstaan, moet de groene beschermende kleur behouden, omdat elk exemplaar dat daarin afwijkt, eerder in het oog valt. Hij wordt dus óf gemakkelijker door de vijanden gezien en opgegeten, óf door de insecten gemeden, zodat hij geen voedsel vindt.

 

Op deze wijze toonde Darwin voor de eerste maal aan, dat zich steeds nieuwe soorten uit de oude moeten ontwikkelen. Was te voren de afstammingsleer niet meer dan een zeer waarschijnlijke gevolgtrekking uit vele afzonderlijke verschijnselen, die op een andere. manier niet goed te verklaren waren, zo kreeg zij thans ineens de stelligheid van een noodzakelijke werking van bepaalde aan te wijzen krachten. Dat was een van de hoofdoorzaken waardoor zij zo snel de wetenschappelijke discussies beheerste en de openbare aandacht trok.

 

Het Marxisme

 

Wanneer we nu overgaan tot het Marxisme, dan vinden we dadelijk een grote overeenkomst. Evenals bij Darwin bestaat de wetenschappelijke betekenis van Marx daarin, dat bij de drijfkracht, de oorzaak, het mechanisme van de maatschappelijke ontwikkeling heeft onthuld. Weliswaar behoefde bij niet meer te bewijzen, dat een dergelijke ontwikkeling plaats vond. Ieder wist, dat van af de oudste tijd steeds nieuwe maatschappijvormen de vroegere hadden vervangen. Maar de oorzaak van deze ontwikkeling werd niet doorzien, dus ook niet haar verdere gang.

 

Marx ging bij zijn theorie van de ervaring van zijn tijd uit. De grote politieke omwenteling, waardoor het toenmalige Europa haar politieke vorm gekregen had, de Franse revolutie, was algemeen als een klassenstrijd bekend ([13]). Ieder wist, dat zij in de grond niets anders dan een strijd om de heerschappij van de burgerij tegen adel en koningschap was geweest. Daarna waren reeds nieuwe klassenstrijden ontstaan; in Engeland werd de politiek door de strijd van de industriële bourgeoisie tegen de grondbezitters beheerst, en tegelijkertijd kwam de arbeidersklasse reeds tegen de bourgeoisie in verzet. Wat waren nu eigenlijk die klassen? Waarin onderscheiden zij zich van elkaar? Marx toonde aan, dat het onderscheid ligt in de verschillende functies, die deze klassen in het productieproces uitoefenen. Geen voorrechten van stand of geldbezit, maar heel alleen de rol die zij in het maatschappelijke productieproces spelen, bepaalt tot welke klasse de mensen behoren. Uit deze productie komen de klassen voort, deze bepaalt haar wezen, haar karakter. De productie is niets anders, dan het maatschappelijke arbeidsproces, waardoor de mensen uit de natuur hun levensonderhoud winnen. Deze productie van het stoffelijk levensonderhoud vormt het fundament van de maatschappij, die de politieke verhoudingen, de maatschappelijke strijd en de vormen van het geestelijk leven bepaalt.

 

De vormen van dit arbeidsproces hebben zich in de loop des tijds steeds veranderd. Waar kwam deze, verandering vandaan? De vormen van de arbeid, de productieverhoudingen hangen van de werktuigen af, waarmee gearbeid wordt, zij hangen af van de techniek, van de productiekrachten in het algemeen ([14]). Doordat in de Middeleeuwen met kleine werktuigen en nu met grote machines gewerkt wordt, dáárdoor heerste vroeger het kleine handwerk en feodalisme en tegenwoordig het grootkapitalisme; daardoor waren vroeger feodale adel en kleinburgerdom, en zijn nu bourgeoisie en proletariaat de voornaamste klassen.

 

De ontwikkeling van de werktuigen, van de technische hulpmiddelen, waarover de mensen beschikken, vormt dus de grondoorzaak, de drijfkracht van de gehele maatschappelijke ontwikkeling. De mensen doen natuurlijk hun best hun werktuigen te verbeteren, opdat hun arbeid gemakkelijker wordt en meer oplevert; de arbeid zelf, het hanteren van de werktuigen, brengt hun gedachten steeds vanzelf op zulke nieuwe verbeteringen. Daardoor heeft een voortdurende, snellere of langzamere vooruitgang van de techniek plaats, die tegelijkertijd de maatschappelijke vormen van de arbeid revolutioneert. Er ontstaan nieuwe productieverhoudingen, nieuwe maatschappelijke instellingen en er komen nieuwe klassen naar boven. Telkens ontbrandt daarbij een nieuwe maatschappelijke, dat wil zeggen politieke strijd. Want de klassen, die onder een oude productiewijze heersen, trachten de oude instellingen kunstmatig in stand te houden. Daartegenover trachten de naar boven komende klassen de nieuwe productiewijze te bevorderen; terwijl zij de klassenstrijd voeren tegen de eerst heersende klasse en deze overwinnen, maken zij voor de nieuwe productiewijze vrije baan en daarmede tevens voor de ongestoorde verdere ontwikkeling van de techniek.

 

Zo heeft de theorie van Marx de drijfkracht en het mechanisme van de maatschappelijke ontwikkeling opengelegd. Daardoor werd bewezen, dat de geschiedenis geen bonte opeenvolging van allerlei verschillende maatschappijvormen is, maar een regelmatige ontwikkeling, die in het algemeen genomen een bepaalde richting volgt. Daarmee werd tegelijkertijd aangetoond, dat de maatschappelijke ontwikkeling met de tegenwoordige orde van zaken niet ophoudt, want ook in de toekomst zal de techniek zich tot steeds hoger volmaaktheid ontwikkelen.

 

Op deze wijze hebben beide theorieën, het Darwinisme en het Marxisme, de ene in de organische wereld, de andere in de menselijke maatschappij, het ontwikkelingsbegrip tot de algemeen heersende opvatting gemaakt en het tot een onomstotelijke wetenschap verheven. Daarmee hebben zij de ontwikkelingsleer tot de grondslag van de wereldbeschouwing van de breedste volkskringen gemaakt.

 

Het Marxisme in de klassenstrijd

 

Dit ligt echter niet alleen aan de wetenschappelijke betekenis van deze theorieën. Ongetwijfeld moet een leer van grote wetenschappelijke waarde zijn om inderdaad op den duur de opvatting van de mensen te beheersen, maar dat alleen is niet voldoende. Want het is reeds dikwijls voorgekomen, dat een wetenschappelijke leer van het grootste gewicht was voor de wetenschap en dat haar toch, behalve binnen een kleine kring van geleerden, nauwelijks enige aandacht werd geschonken. Zo is bijvoorbeeld de leer van Newton ([15]) over de aantrekkingskracht het fundament van de sterrenkunde, waarop al ons weten en al onze voorspellingen aan de hemel berusten. En toch vond zij bij haar verschijning slechts enkele aanhangers onder de Engelse geleerden en eerst een halve eeuw later werd zij door een populair geschrift van Voltaire ([16]) in bredere kringen bekend.

 

Daarin ligt ook niets wonderbaarlijks. Wetenschap is een hulpmiddel van het productieproces in de ruimste zin des woords; zij is in dat proces een specialiteit van een bijzondere groep van geleerden, evenals het smeden een specialiteit van de smeden is; en haar vooruitgang gaat vooreerst alleen de wetenschappelijke vakmensen aan, evenals een nieuw soort ijzer vooreerst alleen de smeden aangaat. Slechts datgene, wat een gehele mensenklasse praktisch gebruiken kan, wat elk lid als een levensbelang voor zich voelt, slechts dat dringt in ruime kring door. Wanneer we zien, dat de een of andere wetenschappelijke leer de ijver en de hartstocht van een grote massa mensen opwekt, dan ligt dat daaraan, dat deze leer voor hen een wapen in de klassenstrijd oplevert. Want het is de klassenstrijd, die de geest der mensen het heftigst beroert en hun harten vervult.

 

Het duidelijkst is dat aan het Marxisme te zien. Ware de economische theorie van Marx voor de tegenwoordige klassenstrijd niet van betekenis geweest, dan zouden zich er hoogstens een paar vakgeleerden mee bezig houden. Omdat echter de Marxistische leer een wapen in de klassenstrijd van het proletariaat is, daarom staat zij in het midden van een felle wetenschappelijke strijd, daarom wordt de naam Marx door miljoenen vereerd, die van zijn leer slechts enkele algemene trekken kennen, en door duizenden bitter gehaat, die er helemaal niets van afweten. Dat het Marxisme door grote massa’s geestdriftig wordt bestudeerd en de geestelijken strijd van onze tijd beheerst, ligt aan de betekenis, die het voor de proletarische klassenstrijd heeft.

 

De klassenstrijd van het proletariaat bestond reeds vóór Marx, want hij ontstaat vanzelf uit de kapitalistische uitbuiting. Bij de arbeiders moest bij hun verzet noodzakelijk de gedachte en de eis van een andere maatschappelijke orde opkomen, waarin de uitbuiting opgeheven zou zijn. Maar verder dan eisen en hopen en dromen kon het toenmalige socialisme niet komen. Eerst Marx gaf aan de arbeidersbeweging en het socialisme een theoretische grondslag. Zijn maatschappijleer toonde dat de maatschappij zich in een voortdurende ontwikkeling bevindt, waarin ook het kapitalisme slechts een tijdelijke vorm is. Uit zijn onderzoek naar de ontwikkelingstendensen van het kapitalisme bleek, dat het kapitalisme zich noodzakelijk, door de gevolgen van de steeds toenemende volmaking van de techniek, tot het socialisme moet ontwikkelen. De nieuwe productiewijze kan daarbij alleen door de arbeidersklasse in een strijd met de zich verzettende bourgeoisie, die belang heeft bij de instandhouding van de oude productiewijze, veroverd worden. Het socialisme zal op deze wijze de vrucht en dus ook het doel van den klassenstrijd van de arbeiders zijn ([17]).

 

Hierdoor kreeg de strijd van de arbeiders zelf een nieuwe gedaante. Het Marxisme werd een wapen in de handen van het proletariaat; het gaf aan het vage hopen een scherp omlijnd doel, het maakte de strijders door helder inzicht in de maatschappelijke ontwikkeling sterk en schiep daarmee de grondslag voor een juiste tactiek. Aan de hand van het Marxisme konden de arbeiders aan ieder de vergankelijkheid van het kapitalisme en de noodzakelijkheid en de zekerheid van hun overwinning bewijzen. Tegelijkertijd ruimde het Marxisme de oude utopische voorstellingen op, die het socialisme van het inzicht en de goede wil van alle verstandige mensen verwachtten, het als een eis van recht en zedelijkheid beschouwden, of meenden, dat het ging om de invoering van een volmaakte maatschappij zonder gebreken. Recht en zedelijkheid veranderen zelf met de productiewijze en elke klasse heeft daarover haar eigen opvattingen. Alleen de klasse, die belang bij het socialisme heeft, kan het veroveren; het gaat daarbij ook niet om een volmaakte wereldorde, maar alleen om de omwenteling van de productiewijze tot één trap hoger, tot de maatschappelijke productie.

 

Omdat dus de opstijgende arbeidersklasse de maatschappijleer van Marx voor haar strijd nodig heeft, daarom wordt deze leer in steeds hogere mate tot gemeengoed van de volksmassa, daarom beheerst zij steeds meer haar denken, haar voelen, haar gehele wereldbeschouwing. Omdat zij de theorie van de maatschappelijke omwenteling is, waar wij midden in staan, daarom staat zij zelf in het middelpunt van de grote geestelijke strijd, die deze economische omwenteling begeleidt.

 

Het Darwinisme in de klassenstrijd

 

Dat het Marxisme zijn betekenis en zijn aanzien slechts te danken heeft aan zijn rol in de klassenstrijd van het proletariaat, is iedereen bekend. Met het Darwinisme is het naar de algemene opvatting anders gesteld; want men beschouwt het eenvoudig als een nieuwe wetenschappelijke waarheid, die alleen tegen godsdienstig vooroordeel en domheid te vechten had. Toch is het niet moeilijk in te zien, dat het hier evenzo mee gesteld is als met het Marxisme. Ook het Darwinisme was geen abstracte geleerdentheorie, die zich langzamerhand, na grondig en objectief getoetst te zijn, onder de mannen van de wetenschap haar plaats veroverde en zonder hartstocht bediscussieerd werd. Nee, dadelijk na haar verschijning werd zij hartstochtelijk gepropageerd en hartstochtelijk bestreden. Ook de naam Darwin werd hier hoog vereerd, daar diep verafschuwd door velen, die van zijn leer niets meer afwisten, dan dat de mensen van de apen zouden afstammen en die zeker niet bevoegd waren, op wetenschappelijke gronden over haar juistheid te oordelen. Ook het Darwinisme speelde een rol in de klassenstrijd en daaruit laat zich zowel zijn snelle verbreiding verklaren als de hartstocht, waarmede het voorgestaan en bestreden werd.

 

Het Darwinisme was een wapen van de bourgeoisie in haar strijd tegen de feodale klassen, tegen adel, geestelijkheid en vorstendom. Dat was een geheel andere strijd dan die van het proletariaat. De bourgeoisie was geen uitgebuite klasse, die naar opheffing van de uitbuiting streefde; nee, haar stond de heerschappij van de oude machten in de weg, omdat zij zelf wilde heersen. Zij grondde haar aanspraken op het bewustzijn, dat zij de belangrijkste klasse van de maatschappij, de leidster van de productie was. Wat konden de oude klassen, die nutteloze, overbodige parasieten geworden waren, daar tegenover plaatsen? Zij beriepen zich eenvoudig op de overlevering, op hun van oudsher overgeleverd goddelijk recht. Met de godsdienstige leerstellingen hielden de geestelijken de grote domme volksmassa in afhankelijkheid en deze leerstellingen werden tegenover de aanspraken van de bourgeoisie geplaatst.

 

Daarom was de bourgeoisie in haar eigen belang verplicht de heiligheid van deze traditie en de waarheid van de godsdienst te ondermijnen. De natuurwetenschap werd haar wapen; de wetenschap stelde zij tegenover het geloof, de pas ontdekte natuurwetten tegenover de openbaring. Wanneer door de resultaten van het natuuronderzoek bewezen werd, dat de leringen van de geestelijken slechts leugen en bedrog waren, zo was daarmee de goddelijke autoriteit van deze geestelijken naar de maan en was de heiligheid van het traditionele overgeërfde recht der feodale klassen vernietigd. Daarmede waren natuurlijk deze klassen zelf nog niet overwonnen; materiële macht kan alleen door materiële macht ten val gebracht worden, maar ook geestelijke wapenen worden tot materiële machtsmiddelen. Daarom hechtte de opkomende burgerij zulk een grote waarde aan de natuurwetenschap.

 

Hier kwam nu het Darwinisme juist van pas. Want veel meer dan enige andere wetenschappelijke uitkomst was deze leer in tegenspraak met de bijbelse teksten: de dierlijke afstamming van de mens vernietigde de grondslag van de christelijke dogma’s. Daarom werd het Darwinisme dadelijk met vuur door de bourgeoisie aanvaard.

 

Niet in Engeland. Daaraan kunnen wij juist zien, hoe belangrijk voor verbreiding zijn rol in de klassenstrijd was. In Engeland had men geen klasse, die er belang bij had het als wapen in een klassenstrijd te gebruiken. In Engeland heerste de bourgeoisie reeds een paar eeuwen, en sinds zij eenmaal met koningschap en kerk een compromis gesloten had, bewees zij hun een traditionele eerbied. Zij had er als massa geen enkel belang bij de leerstellingen van de godsdienst aan te tasten of te vernietigen. Daarom werd de nieuwe theorie in Engeland weliswaar veel gelezen, maar zij bracht niemand in beroering. Zij bleef een theorie van geleerden, zonder grote praktische betekenis. Darwin zelf beschouwde haar ook als zodanig en hij vermeed opzettelijk zijn theorie dadelijk op de mensen toe te passen om het godsdienstig vooroordeel niet te kwetsen. Slechts aarzelend ging bij later daartoe over, nadat anderen deze schrede reeds lang gedaan hadden. In een brief aan Haeckel ([18]) beklaagde bij zich er ook over, dat zijn theorie op zóveel vooroordeel en onverschilligheid stootte, dat bij niet verwachtte haar algemene erkenning zelf nog te zullen beleven.

 

Maar in Duitsland, kon Haeckel hem antwoorden, was het geheel anders, daar werd zij vol geestdrift ontvangen. In Duitsland maakte de bourgeoisie zich juist, toen de theorie van Darwin verscheen, tot een nieuwe strijd tegen het absolutisme en de jonkerheerschappij gereed. Aan de spits van de liberale burgerij stonden de intellectuelen die zich, nog sterker dan deze burgerij zelf, door de achterlijke toestanden beklemd voelden en de geestelijke strijd met des te meer spektakel moesten voeren, des te flauwhartiger de bourgeoisie zich in de politieke strijd toonde. Ernst Haeckel, een natuuronderzoeker van betekenis, maar nog meer een koene strijdersnatuur, trok in zijn werk Natuurlijke scheppingsgeschiedenis uit het Darwinisme dadelijk de verst strekkende, tegen de godsdienst gerichte consequenties. Zo vond de leer van Darwin in Duitsland weldra in brede kringen een geestdriftige ontvangst, waar een even scherpe bestrijding van de andere zijde tegenover stond. En dezelfde strijd vond ook in andere landen op het vasteland plaats. Overal had de vooruitstrevende liberale burgerij tegen reactionaire machten te strijden, die óf de heerschappij in handen hadden óf, steunende op de godsdienstige kleinburgerlijke klassen, haar trachtten te veroveren. Onder dergelijke omstandigheden werd ook de wetenschappelijke strijd met de hartstocht van een klassenstrijd gevoerd. De geschriften, die vóór en tegen het Darwinisme verschenen, dragen zodoende ondanks de wetenschappelijke namen van hun schrijvers het karakter van maatschappelijke strijdschriften. Met de maatstaf van de wetenschap gemeten zijn veel van de populaire geschriften van Haeckel uiterst oppervlakkig, terwijl dikwijls de argumenten en tegenwerpingen zijner tegenstanders in ongelooflijke domheid slechts in de strijdschriften tegen het Marxisme hun weerga vinden.

 

Deze nauwe samenhang tussen het Darwinisme en de klassenstrijd van de bourgeoisie heeft ook hun verdere lotgevallen aan elkaar verbonden. Deze klassenstrijd werd, zoals bekend is, niet ten einde gevoerd, maar verliep spoedig in het zand. In Duitsland bekeerden zich voor en na 1870 steeds bredere kringen van de bourgeoisie tot aanbidders van de Rijksheerlijkheid. De intellectuelen namen gaandeweg dezelfden draai en werden gehoorzame dienaars van de staat. Onder de geleerden groeide de reactionaire gezindheid; dezelfde professoren, die zich met trots de geestelijke lijfwacht der Hohenzollern ([19]) noemden, verkondigden in hun redevoeringen over de grenzen van de natuurkennis en de onoplosbare wereldraadsels het bankroet van de wetenschappelijke wereldbeschouwing, een bewijs, hoe nauw de reactie op politiek en op geestelijk gebied samenhingen.

 

Deze ontwikkeling had in meerdere of mindere mate in alle landen plaats. Overal begon het socialistische proletariaat op te treden, overal bedreigde de toenemende arbeidersbeweging de heersende orde, en daarmee kregen de reactionaire tendensen in de bourgeoisie steeds meer de overhand. Zij had geen belang meer bij de bestrijding van de godsdienst; de vroeger zo heftig gevoerde strijd tussen de vooruitstrevende en de reactionaire richting werd steeds meer een pietluttig gekibbel binnen de kring van de heersende klasse, tot een partijruzie, waarin de partijen weliswaar met geweldige slagwoorden om zich heen smeten, maar in werkelijkheid steeds dichter bij elkaar kwamen. De belangstelling voor de wetenschap als revolutionair wapen in de klassenstrijd verdween, terwijl de reactionair-christelijke richting, die het volk zijn godsdienst wilde doen behouden, steeds machtiger en brutaler optrad. Met de behoefte aan wetenschap veranderde ook de waardering van de wetenschap. Vroeger had de beschaafde bourgeoisie op de wetenschap een materialistische, anti-godsdienstige wereldbeschouwing opgebouwd, waarin zij alle raadsels der wereld opgelost zag. Nu nam de mystiek meer en meer toe; wat de wetenschap reeds verklaard had, leek gering, wat onverklaard bleef en onverklaarbaar scheen, leek reuzengroot en omvatte de gewichtigste levensvragen. Een sceptische, kritische, twijfelende stemming tegenover de zo toegejuichte wetenschap won meer en meer veld.

 

Dat bleek ook uit de houding tegenover het Darwinisme. Wat verklaarde die leer van Darwin toch eigenlijk ? De wezenlijke raadsels liet zij alle onopgelost! Vanwaar kwam die wonderbaarlijke natuur van de vererving, vanwaar het vermogen van de levende wezens zich doelmatig te veranderen ? Hier ligt het eigenlijke geheimzinnige levensraadsel, waarbij men met mechanische principes niets uitrichten kan. En wat is bovendien van dat hele Darwinisme onder de latere kritische onderzoekingen over gebleven?

 

Natuurlijk was de wetenschap sinds Darwin niet stil blijven staan, maar had integendeel door zijn theorie een nog sneller tempo gekregen. De oplossing van een vraagstuk geeft steeds weer een aantal nieuwe vraagstukken op, die achter het eerste stonden en nu op de voorgrond treden. De wetten van de overerving, die Darwin eenvoudig als grondslag had moeten aannemen, werden steeds beter onderzocht. Over de aparte factoren van de ontwikkeling en de strijd om het bestaan werd heftig gestreden; terwijl sommigen de aandacht op de veranderingen vestigden, die een gevolg waren van de oefening en de aanpassing gedurende het leven (dus het principe van Lamarck) werd de erfelijkheid van dergelijke veranderingen door andere geleerden, zoals Weismann ([20]), ten stelligste ontkend. Terwijl Darwin steeds slechts uiterst langzame, gaandeweg plaats hebbende veranderingen aangenomen had, vond De Vries ([21]) gevallen van plotselinge sprongsgewijs optredende nieuwe soorten. Terwijl in de grond daardoor het gebouw van de afstammingsleer steeds vaster en hechter opgebouwd werd, maakten deze voortdurende verbeteringen aan de afzonderlijke delen dikwijls de indruk, alsof die nieuwere onderzoekingen van het trotse gebouw van het Darwinisme geen stuk heel lieten. Daardoor werd de schijn gewekt, alsof de toenemende reactie hier aan het langste eind trok. Elke vooruitgang, die een nieuw licht op de zaak liet vallen, werd dadelijk als “een bankroet van het Darwinisme” uitgebazuind en in reactionairen zin geëxploiteerd. Tegelijkertijd werkt de maatschappelijke opvatting op de wetenschap terug. Reactionaire geleerden halen er tot verklaring van de levensverschijnselen geheimzinnige geestelijke principes bij in en beweren, dat het bij de levende wezens zonder een niet verder verklaarbare innerlijke “doelstrevendheid” niet gaat. Hieruit blijkt de behoefte om het bovennatuurlijke, het onverklaarbare, dat het Darwinisme uit de weg geruimd had, door een achterdeurtje weer in te voeren - een uitvloeisel van de toenemende reactie onder de klasse, die in het begin de banierdrager van het Darwinisme geweest was ([22]).

 

Het Darwinisme tegen het socialisme

 

Het Darwinisme had aan de bourgeoisie in haar strijd tegen de oude machten uitstekende diensten bewezen. Het kon dus niet uitblijven, dat zij het ook tegen haar nieuwe vijand, tegen het proletariaat, gebruikte. Niet, dat het proletariaat het Darwinisme vijandig gezind was. Integendeel; de woordvoerders van het proletariaat, de socialisten Marx en Engels in de eerste plaats, hadden de theorie van Darwin met de levendigste belangstelling begroet, en de socialistische arbeiders bestudeerden het Darwinisme met de grootste ijver, omdat zij er een steun voor hun eigen leer in zagen. Niet in de zin, zoals oppervlakkige tegenstanders wel eens menen, dat zij het Darwinisme tot de grondslag van het socialisme willen maken; maatschappelijke eisen kunnen slechts op maatschappelijke argumenten steunen. Maar wel in deze zin, dat Darwin’s bewijs, dat ook in de schijnbaar gelijkblijvende, organische wereld een ontwikkeling plaats vindt, Marx’ leer van de voortgaande maatschappelijke ontwikkeling prachtig aanvult en bevestigt.

 

Toch lag het in de aard van de zaak, dat de bourgeoisie dit Darwinisme tegen het proletariaat aanwendde. Zij strijdt naar twee fronten en dat weten de reactionaire klassen. Wanneer de bourgeoisie een aanval doet op hun autoriteit, om zich in hun plaats te zetten, dan antwoorden zij door het gevaar te wijzen, dat alle autoriteit vernietigd zal worden. Zij wijzen naar het proletariaat, dat reeds gereed staat in de rug van de bourgeoisie op te marcheren, en daarmee hopen zij de burgerlijke klasse van revolutionair optreden af te schrikken. Natuurlijk antwoorden dan de vertegenwoordigers van de bourgeoisie: dat heeft geen nood, onze wetenschap weerlegt slechts uw onhoudbare autoriteit en zij steunt ons juist in onze strijd tegen de vijanden van alle orde.

 

Op een Natuurkundig Congres in het jaar 1877 bestreed de reactionaire politicus en geleerde Virchow ([23]) het Darwinisme met het argument, dat het de baan voor het socialisme effent. “Weest voorzichtig met deze theorie”, riep hij de Darwinisten toe, “want zij is met de theorieën verwant, die in een naburig land zoveel verschrikkingen gebracht heeft.” Deze toespeling op de Parijse Commune moest juist in de tijd van de beginnende socialistenwet geweldig pakken. Maar wat moeten we van de wetenschap van een professor zeggen, die het Darwinisme met het argument bestrijdt: het mag niet juist zijn, omdat het zo gevaarlijk is! Dit verwijt van bondgenootschap met die rode omverwerpers der orde kon Haeckel niet op de door hem verdedigde leer laten zitten. Hij heeft toen dadelijk, en ook later nog herhaalde malen op dezelfde wijze, uiteengezet, dat het Darwinisme juist de onhoudbaarheid van de socialistische eisen aantoont en dat Darwinisme en socialisme “elkander verdragen als water en vuur”!

 

De argumenten behoeft men ook niet ver te zoeken. Juist door de wijze van het ontstaan van Darwin’s leer liggen zij direct voor de hand. Darwin’s strijd om het bestaan vond zijn model in de kapitalistische concurrentie; nu werd omgekeerd de kapitalistische concurrentie met de strijd om het bestaan van de dieren vergeleken en daardoor tot de waardigheid van een natuurwet verheven.

 

Wij willen Haeckel’s redenering, waarvan we de hoofdgedachten bij de meeste schrijvers terugvinden, die op gelijke wijze het socialisme door middel van het Darwinisme bestrijden, eens nagaan.

 

Het socialisme, zegt hij, is een theorie, die de natuurlijke gelijkheid van de mensen vooropstelt en naar hun maatschappelijke gelijkheid streeft: gelijke rechten, gelijke plichten, gelijk bezit, gelijk genot. Maar het Darwinisme geeft juist de wetenschappelijke verklaring voor de ongelijkheid. De afstammingsleer toont aan, dat de ontwikkeling van de dieren plaats vindt in de richting van een steeds grotere differentiëring van of arbeidsverdeling tussen de afzonderlijke organen. Hoe hoger ontwikkeld, hoe volmaakter het dier, des te groter is deze innerlijke ongelijkheid geworden. Ook in de maatschappij zien wij deze arbeidsverdeling tussen beroepen, klassen enzovoort en hoe hoger ontwikkeld een maatschappij is, des te verder heeft zich deze arbeidsverdeling uitgebreid met het daarbij behorende verschil in bekwaamheid, inspanning, bezit en loon. Daarom is deze afstammingsleer “als het beste tegengif tegen de grenzelozen onzin van de socialistische gelijkmakerij aan te bevelen.”

 

Nog meer geldt dit voor de bijzondere selectietheorie van Darwin. Het socialisme wil de concurrentie, de wedstrijd om het bestaan opheffen. Maar het Darwinisme leert, dat deze strijd natuurlijk en onvermijdelijk is en niets anders dan de menselijke vorm van een natuurwet, die voor de gehele organische wereld geldt. En hij is niet alleen natuurlijk, maar ook nuttig en heilzaam. De strijd schept een steeds grotere volmaaktheid en deze volmaking bestaat in de voortdurende uitroeiing van de ongeschikten. Alleen de uitgelezen minderheid van de bevoorrechte flinksten is in staat aan de concurrentie het hoofd te bieden, terwijl de grote meerderheid noodzakelijk ellendig moet omkomen. Allen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren. De strijd om het is tegelijk een overwinning van de besten, terwijl de slechten, de ondeugdelijken, te gronde gaan. Men kan dat betreuren, evenals men het bijvoorbeeld ook betreuren kan dat alle mensen moeten sterven, maar daarmee kan men dit feit loochenen noch veranderen.

 

Hier moeten we opmerken, hoe een kleine verwisseling van ongeveer gelijkbetekenende woorden inderdaad de strekking heeft het kapitalisme te verdedigen. Darwin sprak van het in leven blijven van de passendsten, van diegenen, die het best aan de omstandigheden zijn aangepast. Daar zij echter tegelijkertijd in de strijd de anderen door hun betere organisatie verslaan, kan men er licht toe komen hen de flinksten en tenslotte zelfs de “besten” - deze uitdrukking heeft Herbert Spencer ([24]) het eerst gebruikt - te noemen. Daardoor werden dan tegelijk de overwinnaars in de maatschappelijke strijd, de grootkapitalisten, tot de beste mensen geproclameerd.

 

Haeckel is in hoofdzaak steeds bij deze opvatting gebleven; in 1892 liet bij zich nog als volgt uit: “Het Darwinisme - de selectietheorie - vertoont zich in het licht van een onbevangen kritiek als een aristocratisch principe: het berust op de “uitverkiezing van de besten”! De verdeling van de arbeid, waarop voornamelijk de voortgaande ontwikkeling van de organische wereld berust, bewerkt noodzakelijk een steeds meer uiteenlopen van karakter, een voortdurend groter wordende ongelijkheid van de individuen, van hun werk, van hun ontwikkeling, van hun positie. Hoe hoger zich de menselijke cultuur verheft, des te groter moeten de trapsgewijze verschillen van de arbeidersklassen worden, die aan haar ingewikkelde machinerie samenwerken. Het communisme en de gelijkheid van bestaansvoorwaarden en van verplichtingen, waar het socialisme naar streeft, zouden daarentegen hetzelfde betekenen als terugval in de barbaarsheid, in de dierlijke oertoestand van de ruwe natuurvolken.”

 

De Engelse filosoof Herbert Spencer had reeds vóór Darwin een maatschappijleer, die een theorie van het burgerlijk individualisme was, op de strijd om het bestaan opgebouwd en deze later met het Darwinisme in de nauwste samenhang gebracht. In de dierenwereld worden voortdurend de oude, ziekelijke en zwakke dieren uitgeroeid, terwijl alleen de gezonde en krachtige overblijven. Zo is de strijd om het bestaan tegelijkertijd een zuiveringsproces van het ras, dat op deze manier voor slechter worden bewaard blijft. Dit is het heilzame uitwerksel van de strijd, waarin ieder al naar zijn inspanning en geaardheid meer of minder succes heeft, dat de grootst mogelijke volmaaktheid door een straf regime verzekerd wordt. Houdt deze wedstrijd op, en is ieder zonder strijd, zonder inspanning van zijn levensonderhoud zeker, dan moet het ras noodzakelijk achteruit gaan. Wordt het zwakke, het ondeugdelijke, het ziekelijke kunst- matig beschermd en in het leven gehouden, dan moet een geleidelijke ontaarding, een verslechtering van het ras een onvermijdelijk gevolg daarvan zijn. Gaat het mededogen, dat zich in weldadigheid uit, verstandige grenzen te buiten, dan mist het zijn doel: in plaats van lijden te verzachten, vergroot zij het totaal van het lijden voor de nakomelingen. De goede uitwerking van de meedogenlozen strijd om het zien we bij de wilde dieren: zij stralen alle van gezondheid en kracht, omdat zij zich alle door een harde school van duizenden gevaren en moeilijkheden naar boven moesten werken, waarin alles, waaraan ook maar het minste mankeerde te gronde ging. Bij mensen en huisdieren zijn ziekte en zwakte zo algemeen, omdat wat ziek en zwak is hier uit menselijke overwegingen kunstmatig in het leven gehouden wordt. Het socialisme, dat de bestaande strijd om het bestaan in de mensenwereld wil opheffen, zal daardoor noodzakelijk een steeds voortgaande lichamelijke ontaarding van de mensheid bewerken.

 

Dit zijn de hoofdgedachten van de redenering, die het Darwinisme als wapen ter verdediging van de burgerlijke orde aanwendt. Zo sterk deze argumenten op het eerste gezicht lijken, was het toch voor de socialistische woordvoerders niet moeilijk haar onhoudbaarheid aan te tonen ([25]). Want voor het grootste deel zijn het de oude argumenten, die hier voor het kapitalisme tegen het socialisme aangevoerd worden, alleen maar met Darwinistische uitdrukkingen nieuw uitgedost, en zij getuigen van even grote onkunde van het socialisme als van het kapitalisme ([26]).

 

Vergelijkt men de maatschappij met een dierlijk lichaam, dan ziet men het onderscheid over het hoofd, dat de aparte mensen niet, zoals de cellen en organen van het lichaam, volkomen ongelijk zijn, maar alleen verschillen in de graad van hun eigenschappen. De arbeidsverdeling kan dus in de maatschappij niet zo ver gaan dat in één mens alle andere vermogens geheel verschrompelen ten bate van één enkele. Overigens weet ieder, die iets van het socialisme afweet, dat een doelmatige arbeidsverdeling niet met het socialisme verdwijnt, maar dan eerst op de juiste wijze mogelijk wordt. Niet het verschil tussen de arbeidende mensen, tussen hun aanleg en hun bezigheden zal verdwijnen, maar alleen het onderscheid tussen arbeiders en uitbuiters.

 

Voor de dieren is het zonder twijfel juist, dat in de strijd om het bestaan de lichamelijk volmaaktste, de krachtigste en gezondste dieren de overwinning behalen. Maar dat geldt niet voor de kapitalistische concurrentie. Daar hangt de overwinning niet van de persoonlijke volmaaktheid van de strijder af. Mogen vooral in de kleinburgerlijke wereld talent in zaken doen en energie een rol spelen, bij de verdere ontwikkeling van de maatschappij hangt de zege steeds meer van het kapitaalbezit af. Het grotere kapitaal overwint het kleinere, ook waar het kleinere zich in de knapste handen bevindt. Niet de persoonlijke eigenschappen, maar het geldbezit, de rijkdom beslist over het succes in de strijd om het bestaan. De bezitters van het kleinere kapitaal gaan daarbij niet als mensen te gronde, maar alleen als kapitalisten; zij worden niet uit het leven, maar uit de bourgeoisie verwijderd. De kapitalistische concurrentiestrijd is dus iets geheel anders, zowel in voorwaarden als in resultaat, dan de strijd om het bestaan in de dierenwereld.

 

De mensen, die als mensen te gronde gaan, zijn leden van een andere klasse, die aan de concurrentiestrijd in het geheel niet deelnemen. De arbeiders gaan geen wedstrijd met de kapitalisten aan, maar verkopen hen hun arbeidskracht. Zij hebben door hun gemis aan bezit niet eens de gelegenheid hun misschien voortreffelijke persoonlijke begaafdheden met die van de kapitalisten te meten. Zij zijn niet arm en ellendig, omdat zij het door hun geringe “deugdelijkheid” in de concurrentiestrijd afleggen, maar omdat hun arbeidskracht te laag betaald wordt. Daarom gaan hun kinderen, mogen zij van nature krachtig en gezond zijn, in grote getale te gronde, terwijl de kinderen van de rijken, ook bij de ongunstigste aanleg, zorgvuldig verpleegd en beschermd worden. De zwakte, die hier de ondergang bewerkt, is geen natuurlijke, overgeërfde aanleg, maar een uiterlijke omstandigheid. Door uitbuiting, door omlaag drukken van de lonen, door werkloosheid, crisissen, slechte woningtoestanden, lange arbeidstijd schept het kapitalisme kunstmatig al die ongunstige omstandigheden, waardoor een zo groot aantal sterke, levenskrachtige kiemen - dikwijls de krachtigste - te gronde gaan.

 

Het was dus voor de sociaal-democraten niet moeilijk de onhoudbaarheid van die toepassing van het Darwinisme op de maatschappij aan te tonen. Maar het waren niet alleen de sociaal-democraten, die tegen de redenering van de bourgeois-Darwinisten opkwamen. Want deze redenering was niet alleen een verdediging van de burgerlijke maatschappij, nee, zij was de verdediging van de hardvochtigste uitzuigerij, van het meedogenloze neertrappen van al het zwakke. Macht is recht, dat was de inhoud van deze leer, het succes bewijst de volmaaktheid. Zij was niet alleen tegen het socialisme, maar ook tegen alle sociale hervormingen en alle filantropie gericht, die de ergste ellende en de meest opvallende gebreken van onze maatschappelijke orde trachten te verzachten. Daarom traden de sociale hervormers en de filantropen, de ethisch-aangelegde bourgeois tegen deze leer op. Zij hadden er des te meer reden toe, omdat die leer in de grond voor de burgerlijke maatschappij zelf zeer gevaarlijk was. Want reeds begon het proletariaat op te komen en beriep zich voor zijn recht op zijn stijgende macht. Daarom moesten allen, die van de machtsstrijd niets wilden weten en het proletariaat met een verbeterd kapitalisme trachtten te verzoenen, de leer van de bourgeois-Darwinisten bestrijden ([27]).

 

Zij legden daarbij natuurlijk voor alles de nadruk op de ethische kant van de vraag, waarin zij door de ethische socialisten, die het socialisme op de ethiek willen grondvesten, werden gesteund. Zijn de eigenschappen, die de overwinning in de kapitalistische concurrentiestrijd verzekeren, ook die eigenschappen waarvan men de versterking in het belang van de vooruitgang moet wensen? Nee, juist het tegendeel! Sluwheid, gewetenloosheid, bedrog, daarin bestaat het “zakentalent”, dat in de zakenwereld in staat stelt om vooruit te komen. In de felle concurrentiestrijd is tenslotte elk middel goed, dat juist voorbij de poort van de gevangenis voert, en het strafwetboek wordt de enige maatstaf voor wat zedelijk geoorloofd is. De kapitalistische strijd om het bestaan brengt niet de overwinning van de deugdelijksten in morele zin, daarom is ook geen zedelijke verbetering, maar eerder een verslechtering van de mensheid zijn gevolg. Maar juist daarom moeten de mensen in deze strijd ingrijpen. De strijd om het bestaan mag in de menselijke maatschappij niet naar de ruwe meedogenloze wet van de dierenwereld gestreden worden. De mens is geen dier. Als vrij, als zedelijk wezen, dat zich een hoger doel voor ogen stelt, moet hij het onbeteugelde werken van deze natuurwet opheffen. Hij kan de strijd verzachten en een redelijke en zedelijke wereldorde in de plaats van de dierlijke stellen.

 

Bij deze laatste opvatting valt op te merken, dat van een opheffing van een natuurwet natuurlijk geen sprake kan zijn ([28]). Het idee, dat een wet niet gelden mag, omdat zij in tegenspraak is met onze zedelijke gevoelens, is tegenover een werkelijke natuurwet onzin. Men heeft slechts na te gaan, of en in welke mate zij onder verschillende voorwaarden geldt. En in dit opzicht is voldoende gebleken, dat men tot foutieve en verkeerde gevolgtrekkingen komt, wanneer men zonder kritiek de grondbeginselen van het Darwinisme op de mensenwereld toepast.

 

Voetnoten

 

Noten naar de uitgave van 1981; gedeeltelijk verbeterd en aangevuld.

 


[1] Opgemerkt moet worden dat enige tijd later, in een andere brief aan Engels gedateerd op 18 juni 1862, Marx terugkomt op zijn oordeel over Darwin door hem als volgt te bekritiseren: “Het is merkwaardig zoals Darwin bij de beesten en de planten zijn eigen Engelse maatschappij herkent, met haar arbeidsdeling, haar concurrentie, ontsluiting van nieuwe markten, ‘uitvindingen’ en haar Malthusiaanse ‘strijd om het bestaan’. Het is de bellum omnium contra omnes (de oorlog van allen tegen allen) van Hobbes en het doet denken aan Hegel in zijn Phänomenologie, waar de burgerlijke maatschappij als ‘geestelijk dierenrijk’ optreedt, terwijl bij Darwin het dierenrijk als  burgerlijke maatschappij figureert” (De brieven van Karl Marx, Deel I, Bussum 1981). Vervolgens neemt Engels, op zijn beurt, deze kritiek van Marx over in zijn ‘Anti-Dühring’ (Engels zal een allusie maken op de ‘Malthusiaanse flater’ van Darwin) en in zijn ‘Dialectik der Natur’.

[2] Een deel van de Duitse liberale materialisten had het jaar 1909 (honderd jaar na Lamarck’s boek en Darwin’s geboorte, en vijftig jaar na het verschijnen van diens hoofdwerk) aangegrepen om de strijd tegen het absolutisme door middel van de evolutietheorie te verhevigen. De algemene stemming in de biologie in Duitsland ging echter veel meer in de richting van het neo-Lamarckisme (vertegenwoordigd door de Fransman Alfred Giard, 1846-1908) en het neo-vitalisme (vertegenwoordigd door de Duitser Hans Driesch, 1867-1941; de Fransman Henri Bergson, 1859-1941 en de Amerikaan Henry Fairfield Osborn, 1857-1935). In Die Neue Zeit, 27. Jg., 1. Bd., Nr. 20, p. 711-720) was daarover van Pannekoek al het artikel Ein theoretischer Kulturkampf verschenen, evenals enkele kortere artikelen in de Korrespondenzartikel en in De Tribune.
De wetenschappelijke doorbraak voor het Darwinisme (afgezien van in de Sowjet-Unie) kwam pas in de jaren 1940 in de vorm van het neo-Darwinisme of de Moderne Synthese waarin theorieën over de erfelijkheid (genetica) waren opgenomen (vertegenwoordigt door de Russische Amerikaan Theodosius Dobzhansky, 1900-1975, de Engelsman Julian Sorell Huxley, 1887-1975, de Duitse Amerikaan Ernst Mayr, 1904- en de Amerikaan George Gaylord Simpson, 1902-1984) en waarin het Darwinisme zowel als de genetica werden afgeschermd tegen beschuldigingen van racisme (en die ook politiek gekleurd was om afstand te nemen van Nazi-theorieën en om het Lysenkoïstisch ‘anti-racisme’ de wind uit de zeilen te nemen).Ed.

[3] Charles Robert Darwin (1809-1882); Engels natuuronderzoeker; studeerde medicijnen en theologie; in 1854 begon hij aan zijn hoofdwerk; in 1858 ontving hij een brief van de Engelse bioloog Wallace met een opstel dat in grote lijnen dezelfde theorie bevatte; hierop maakte hij een samenvatting van zijn manuscript, dat tezamen met Wallace’s opstel gepubliceerd werd, zonder op te vallen; hij publiceerde vervolgens zijn grote werk: The Origin of Species by means of Natural Selection, 1859, dat direct als een bom insloeg; de theoretische strijd die volgde liet hij over aan Thomas Henry Huxley (1825-1895; Darwin’s bulldog; hij legde de term agnostisch vast). Darwin’s werken verschenen in het Nederlands als: Darwin’s biologische meesterwerken. - voor Nederlanders bewerkt door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen en Dr. T.C. Winckler. - Arnhem, Nijmegen : Gebr. E. en M. Cohen, [s.d., ca. 1885]. De bourgeois Darwin is er later (onterecht) van beschuldigd zijn theorie deels van de socialist Wallace te hebben gestolen, zie: A Delicate Arrangement : The Untold Story of the Darwinian Conspiracy and Cover-Up / Arnold C. Brackman. - New York, 1980. De Britse bioloog Alfred Russell Wallace (1823-1913) was socialist, hij was er niet van overtuigd dat evolutie het menselijk brein kon verklaren. Ed.

 

[4] Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831); Duitse dialectisch filosoof; voerde de klassiek Duitse filosofie tot haar eindpunt door alle tegenspraken van de voorafgaande filosofie op te lossen in de ene tegenspraak van de absolute geest, die het subject van iedere ontwikkeling (in de natuur zowel als voor de maatschappij) was, maar die trapsgewijs telkens pas achteraf, via een proces van tegenspraken en door bemiddeling van de uiterlijke natuur, in de filosoof tot zelfbewustzijn komt en dus, naar Marx’ woorden, slechts in schijn, in de speculatieve verbeelding van de filosoof, de wereldgeschiedenis maakt; de dialectiek, schreef Marx, had een rationele kern in een mystiek hulsel; de absolute geest werd door hem ontmaskerd als de eigen menselijke praktijk, die nog niet beheerst wordt, hetgeen in de ideologie als een gegeven toestand wordt opgevat. Pannekoek noemt de dialectiek doorgaans ontwikkelingsleer, en stelt deze vaak gelijk aan de evolutieleer. Hegel’s dialectiek is echter niet alleen een ontwikkelingsleer in het algemeen, maar vooral ook de leer van de zich ontplooiende tegenspraken, waarover Pannekoek later schreef: “Met het woord dialectiek is veel hocuspocus bedreven, in het bijzonder door lieden die daarmee, als een soort onbegrepen toverspreuk, de belijdenis tot het ware geloof willen afleggen. In werkelijkheid is het een heel eenvoudige zaak (en als zodanig in Friedrich Engels’ Anti-Dühring te vinden) passend bij vroegere denkvormen van de filosofie, waarvoor echter de latere natuurwetenschap betere uitdrukkingsvormen geschapen heeft.” Brief van Anton Pannekoek aan Ernst Bloch, 29 juni 1948; IISG, Archief Pannekoek, map 108). In Nederland stond de Hegelarij bij de Marxisten in een bijzonder kwade reuk (ze verwijzen zelden naar Hegel; des te meer naar Immanuel Kant, 1724-1804 en vooral Joseph Dietzgen, 1828-1888) door de rumoerige activiteiten van de in drieslagen (these, antithese, synthese) orakelende Leidse professor G.J.P.J. - "de Hegelische rede, die Hollands spreekt, spreekt Bollandsch" - Bolland (1854-1922), bij wie Pannekoek een paar colleges liep, maar aan wie hij zich vooral ergerde (Pannekoek, Herinneringen). Zie verder: Georg Wilhelm Friedrich Hegel 1770-1831. Ed.

[5] Carolus Linnaeus (Carl von Linné, 1707-1778); Zweeds botanicus, grondlegger van de taxonomie, classificeerde het planten- en dierenrijk en de mineralen; deelde de mens in als Homo sapiens (denkende mens), naast de chimpansee en de troglodiet (dwerg), en rangschikte hem onder de aapachtigen, waarbij hij Ken Uzelve! (naar het opschrift bij het orakel van Delphi) schreef. Indelingen tot dan bestonden voornamelijk uit verzamelaars-inventarissen; Linnaeus voerde het wetenschappelijk criterium in van indeling aan de hand van de karakteristieken van de seksuele organen, want voor planten succesvol bleek; zijn indeling van de mineralen was willekeurig, van de dieren volgens een mengsel van allerlei uiterlijke kenmerken. Van zijn systeem is inmiddels niet veel meer over door de nieuwe methodiek van de cladistiek (grondlegger Willi Henning, jaren 1950, gebaseerd op genetische verwantschappen in plaats van uiterlijke kenmerken) mede mogelijk gemaakt door het DNA-onderzoek. Ed.

[6] Sommige kerkvertegenwoordigers, in Nederland bijvoorbeeld Abraham Kuyper, gaven zich er plots rekenschap van dat er in het scheppingsverhaal van de bijbel níet staat dat god de soorten schiep, maar dat hij de aarde gebood ze voort te brengen; evenzo zou god (in de veel oudere vrijmetselaars-ideologie van een - inderdaad - goddelijk plan van de schepping, dat slechts op ontdekking wachtte en dus kenbaar was) niet een voltooide wereld geschapen hebben, maar slechts de ontwikkelingselementen en -wetten. Ed.

[7] Jean-Baptiste Pierre Antoine de Monet, Chevalier de Lamarck (1744-1829); Frans bioloog; ontwikkelde de theorie dat de soorten veranderen (het beginsel van de organische evolutie) en uit elkaar ontstaan door aanpassing van de organen aan de behoeften opgelegd door de omgeving; noodzakelijke veranderingen zouden onvermijdelijk optreden. Zijn tegenstander Georges Léopold Chrétien Frédéric Dagobert, Baron de Cuvier (1769-1832) legde tezelfdertijd de grondslag voor de vergelijkende anatomie, die aanvankelijk gebruikt werd om aan te tonen dat de verschillende soorten niet uit elkaar ontstaan konden zijn, maar die onbedoeld van beslissende betekenis bleek voor de verdere ontwikkeling van de evolutietheorie. Lamarck, die telkens uitdagend om bewijzen werd gevraagd, werd meest omstreden door zijn vierde stelling, volgens welke verworven eigenschappen overerfbaar zouden zijn. Philosophie zoologique, 1809. Histoire naturelle des animaux sans vertèbres, 1815-1822. De geoloog Charles Lyell (1797-1875, The Antiquity of Man, 1863), een latere aanhanger van Darwin, polemiseerde scherp tegen Lamarck. Lamarck’s theorie werd later in mystieke richting omgewerkt door uit te gaan van een “innerlijk doel” dat werkt via de verandering van de organen (neo-Lamarckisme) en het door Schopenhauer ontwikkelde neo-vitalisme volgens hetwelk moet worden uitgegaan van een niet nader omschreven levensbeginsel, de wil; zie daarover: Neulamarckismus und mechanischer Materialismus [1910]. / Franz Mehring - In: Gesammelte Schriften, Bd. 13, p. 227-238. In 1909 publiceerde Josef Stalin een opstel waarin datzelfde neo-Lamarckisme (dat in Russische, door de theorie van Ivan Vladimirovich Michurin geïnspieerde, populair-wetenschappelijke tijdschriften de boventoon voerde; en dat in Frankrijk vertegenwoordigd werd door Alfred Giard) werd verdedigd als zijnde orthodox Marxisme; later werd deze theorie in de Sowjet-Unie gecanonniseerd in het Lysenkoïsme dat de genetica (erfelijkheidsleer) verwierp en genetici liet vervolgen, met rampzalige gevolgen voor de landbouw; zie: The Lysenko Affair / by David Joravsky. - Chicago : University of Chicago Press, 1970, 459 p. - ISBN 0226410315; Lysenko and the Tragedy of Soviet Science / Valerii N. Soyfer. - Rutgers University Press, 1994; L’éternel retour de Lyssenko. - Paris, 1978; zie ook: Trofim Denisovich Lysenko / Hugo S. Cunningham. Het Lysenkoïsme werd later voorgesteld als kampioen van de strijd tegen het racisme van genetici. Ed.

[8] Etienne Geoffroy St. Hilaire (1772-1844); Frans bioloog, verdedigde de stelling dat er aan de natuur slechts één plan ten grondslag ligt, vanwaaruit de soorten zich ontwikkeld hadden. In 1830 debatteerde hij met Georges Cuvier voor de Academie van Parijs, waar Cuvier, aanhanger van de catastrofe-theorie, gevoelige klappen uitdeelde. Sur le principe de l’unité de composition organique, 1828. Andere vroege evolutionisten waren de Engelse John Ray (1627/8-1705), de Fransen Benoît de Maillet (1656-1738), Pierre Louis Moreau (1698-1759) en vooral Georges Louis Leclerc de Buffon (1707-1788), de Duitsers J.G.J. Ballenstedt, F.S. Voigt, F. Tiedemann (1781-1861) en Christian Leopold von Buch, en tenslotte de Engelse botanist Erasmus Darwin (1731-1802), de grootvader van Charles Darwin. Ed. De Duitse speculatieve natuurfilosofen (Friedrich Schelling, Lorenz Oken) gaven de evolutietheorie vooral een slechte naam door hun onzakelijkheid.

[9] Vergelijk: “Evenals hij [de mens] dingen met opzet schept, zo brengt hij zijn menselijke manier op de natuur over, bedenkt zich over de zintuiglijke verschijnselen van de natuur precies zo’n uiterlijke scheppende oorzaak, zoals hijzelf de afzonderlijke oorzaak van zijn schepping is.”; in : Het wezen van de menselijke hoofdarbeid / Joseph Dietzgen. - 3e dr., vertaling Herman Gorter. - Lelystad : Groep Daad en Gedachte, 1977, p. 32. Zo sprak Darwin in 1842 van de schepper achter de natuur; in 1859 slechts van natuur als laatste oorzaak in zichzelf. Ed.

[10] Thomas Robert Malthus (1766-1834); Engels geestelijke; schreef in 1798 zijn Essay on the Principle of Population (Opstel over de bevolkingswet), dat hij in 1803 omwerkte; het belang van zijn theorie voor de evolutieleer blijkt mede daaruit dat ook Wallace erdoor geïnspireerd werd. Malthus copieerde zijn theorie van Robert Wallace (1697-1771) en anderen, die, tegenover het idee van de Franse revolutie dat mens en maatschappij vervolmaakbaar waren naar het voorbeeld van de harmonie in de natuur, stelden dat de bevolkingsgroei iedere ideale mensenmaatschappij juist snel tot ineenstorting zou brengen. Malthus zelf voegde daaraan tegenover de ideeën van de Markies de Concordet en William Godwin slechts de versimpeling toe dat in de maatschappij, anders dan in de natuur, de bevolking ertoe neigde meetkundig te groeien (1, 2, 4, 8, ...) terwijl de voedselvoorziening slechts rekenkundig toenam (1, 2, 3, 4, ...). Het gevolg was armoede, ziekte en oorlog. Met deze theorie in de hand werd propaganda bedreven voor geboortebeperking in de lagere standen (seksuele onthouding en late huwelijken) die zo verantwoordelijk werden gesteld voor hun eigen maatschappelijke ellende. De werkelijkheid laat eerder het omgekeerde zien: geboortecijfers in de arbeidersklasse dalen met de stijging van het levenspeil (grotere overlevingskans) en stijgen met de daling ervan; armoede is eerder een oorzaak dan een gevolg van hoge geboortecijfers. Vergelijk: “Ook mij viel direct bij de eerste lezing van Darwin de frappante overeenkomst van zijn uiteenzetting van het planten- en dierenrijk met de theorie van Malthus op. Ik trok daaruit echter een andere conclusie dan u, namelijk: dat het de hoogste blamage voor de burgerlijke ontwikkeling zou zijn, dat zij het nog niet verder dan de economische vormen van het dierenrijk gebracht zou hebben.” Brief van Friedrich Engels aan Friedrich Albert Lange, 29 maart 1865. Malthus, als rechtgeaarde verdediger van de economische belangen van de landadel, verwierp de arbeidswaardetheorie van zijn vriend David Ricardo, een benaderingswijze die later de bewondering opwekte van John Maynard Keynes. Zie over Malthus uitvoeriger: Het kapitaal, een kritische beschouwing over de economie / Karl Marx. - Bussum : De Haan, 1976. - p. 476-478. Ed.

[11] Vergelijk: “Aan Darwin, die ik opnieuw bekeken heb, amuseert het me, dat hij de ‘Malthusse’ theorie ook op planten en dieren toepast, alsof bij de heer Malthus de grap niet daarin bestaat, dat zij niet op planten en dieren, maar alleen op mensen - als meetkundige reeks - toegepast wordt in tegenstelling tot planten en dieren. Het is merkwaardig, hoe Darwin onder de planten en dieren zijn Engelse maatschappij met haar arbeidsdeling, concurrentie, ontsluiting van nieuwe markten, ‘uitvindingen’ en de ‘strijd om het bestaan’ van Malthus herkent. Het is Hobbes’ “bellum omnia contra omnes” [de strijd van allen tegen allen], en herinnert aan Hegel in de ‘Phänomelogie’, waar de burgerlijke maatschappij als ‘geistiges Tierreich’ [geestelijk dierenrijk], terwijl bij Darwin het dierenrijk als burgerlijke maatschappij figureert.” Brief van Karl Marx aan Friedrich Engels, 18 juni 1862. Ed.

 

[12] The Life and Letters of Charles Darwin, including an autobiographical chapter. - 3 Vols., Ed. by Francis Darwin. - London, 1887. Ed.

[13] Bedoeld wordt de Franse revolutie van 1789, waarbij de bourgeoisie (de derde stand) de macht in handen nam. In de geschiedschrijving van F. Guizot, F. Mignet, A. Thierry en L. Thiers werd dit proces voor het eerst beschreven als een klassenstrijd. Vergelijk: “Wat mijzelf nu betreft, ik heb geen enkele verdienste in de ontdekking van noch het bestaan van de klassen in de moderne maatschappij noch hun onderlinge strijd. Burgerlijke geschiedschrijvers hadden lang voor mij de historische ontwikkeling van deze strijd tussen de klassen en burgerlijke economen de economische anatomie van de klassen uiteengezet. Wat ik aan nieuws bracht was: 1)  aantonen dat het bestaan van klassen louter gebonden is aan bepaalde historische ontwikkelingsfasen van de productie, 2) dat de klassenstrijd onontbeerlijk leidt tot de dictatuur van het proletariaat, 3) dat deze dictatuur in zichzelf slechts de overgang vormt tot de opheffing van alle klassen en tot een klassenloze maatschappij.” Brief van Karl Marx aan Joseph Weydemeyer, 5 maart 1852. Ed.

[14] Vergelijk: “Als werkelijke bepalende grondoorzaken kunnen dus alleen die omstandigheden beschouwd worden, die buiten de menselijke willekeur liggen. Deze heten productiekrachten (Produktivkräfte) en onder haar is de techniek, dit is het geheel van arbeidsmethoden en arbeidswerktuigen, die de mensen tot hun beschikking hebben, de voornaamste.” Het Marxisme / Dr. A[nton]. Pannekoek te Berlijn en Mr. M.W.F. Treub Hoogleraar te Amsterdam. - Baarn : Hollandia-drukkerij, 1908. - 36 p. - ("Pro en Contra". Betreffende vraagstukken van algemeen belang, Serie IV, No. 8). Het is een typisch Stalinistische verminking van het Marxisme om de definitie van de produktiekrachten te beperken tot de werktuigen, de machinerie, en de kunde en kennis daarvan uit te sluiten, wat goed uitkwam toen in de jaren 1930 de Russische zware industrie werd opgebouwd ten koste van hele generaties arbeiders. Ed.

[15] Isaac Newton (1642-1727); Engels wis-, natuur- en sterrenkundige; stelde de wet van de zwaartekracht op en ontdekte de samenstelling van het licht; herleidde als eerste alle beweging tot enkelvoudige mechanische wetten die algemeen geldend waren. Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, 1726. Voor Newton en zijn tijdgenoten golden de natuurwetmatigheden tezelfdertijd als het best mogelijke bewijs voor een bewust ontwerp van het universum en een schepper. Newton liet ook mystieke geschriften na over theologie, chronologie en alchemie. Ed.

[16] Voltaire (François-Marie Arouet de Voltaire, 1694-1778); Frans verlichtingsfilosoof en schrijver; bestreed kerkelijke wantoestanden en zag de ontwikkeling van de beschaving als een strijd tussen fanatisme en rede. Pannekoek doelt op: Les lettres philosophiques, 1734. Ed.

[17] Vergelijk: “Het is juist het grappige van de burgerlijke maatschappij, dat er a priori geen enkele bewuste maatschappelijke regeling van de productie plaatsvindt. Het redelijke en volgens de natuur noodzakelijke manifesteert zich slechts als blindelings werkende doorsnee. [...] Met het inzicht in de samenhang stort, al voor de praktische ineenstorting, het hele theoretisch geloof in de permanente noodzaak van de bestaande toestanden in elkaar.” Brief van Karl Marx aan Ludwig Kugelmann, 11 juli 1868. Ed.

[18] Ernst Haeckel (1834-1919); Duits bioloog; populariseerde de evolutietheorie en trok er conclusies uit met betrekking tot de afstamming van de mens; voornaamste woordvoerder van de radicale mechanische materialisten en tegenstander van Rudolf Virchow. Generelle Morphologie der Organismen, 1866. Natürliche Schöpfungsgeschichte, 4. Aufl., 1873. Die Welträtsel, 1899. Haeckel legde de term ecologie vast en is vooral bekend door zijn recapitulatiewet: de ontwikkeling van de soort zou worden samengevat in de ontwikkeling van het idividu; zie daarover: Ontogeny and Phylogeny / Stephen J. Gould. - Cambridge, M.A. : Harvard University Press, 1977. Vergelijk: “Hij [Ernst Haeckel] is materialist en monist, maar geen historische, echter slechts natuurwetenschappelijk materialist; hij gelooft dat wetten die in de natuur gelden zonder meer op de maatschappij kunnen worden toegepast en komt daarbij tot filosofische resultaten waarvan de poverheid haast iedere beschrijving tart.” Die Welträtsel [1899] / Franz Mehring. - In: Gesammelte Schriften, Band 13, Philosophische Aufsätze. - Berlin : Dietz Verlag, 1977. - p. 142-143.Ed.

[19] Hohenzollern; Duits vorstengeslacht dat eeuwenlang aan het hoofd stond van verschillende Duitse staten; de laatste was keizer Wilhelm II, die regeerde van 1888 totdat hij tijdens de revolutionaire beweging in 1918 het land uitvluchtte. Ed.

[20] August Weismann (1834-1914); Duits bioloog (Pannekoek spelt Weissmann) die tegelijk met anderen het erfelijk materiaal in de celkern localiseerde en als eerste de Lamarckiaanse overerfbaarheid van verworven eigenschappen op wetenschappelijk gronden verwierp. The Germ Plasm: A Theory of Heredity, 1893 (oorspronkelijk Duits). Über die Vererberung, 1883. Vorträge über Descendenztheorie, 1902.

[21] Hugo de Vries (1848-1935); Nederlands plantkundige en grondlegger van de mutatietheorie; een van de herontdekkers van de wetten van Gregor Mendel (1822-1884), de grondlegger van de genetica. Intrazellulaire Pangenesis, 1889. Hoe ontstaan soorten, 1900. Die Mutationstheorie, 1901-1903. Zoals het Darwinisme onmiddellijk werd verminkt om er een sociaal-Darwinisme van te maken, zo werd met de genetica onmiddellijk racisme verdedigd. En net zoals het Darwinisme werd verworpen onder het voorwendsel dat het noodzakelijk tot sociaal-Darwinisme zou leiden, zo werd de genetica verworpen onder het voorwendsel dat het tot racisme zou leiden. Lysenko zocht de mystieke, reactionaire, Malthusiaanse kern van het Darwinisme in de opvatting over de variabiliteit van de soorten, en verwierp vervolgens de genetica die nu juist de wetenschappelijke grondslag voor een begrip van die variabiliteit legde. Ed.

[22] Het atheïsme sluit op zichzelf mystiek niet uit; de mystiek keert zich niet noodzakelijk tegen de wetenschap, maar kan zich daarop ook juist baseren; het keert zich tegen de godsdienst, maar niet noodzakelijk tegen religie in het algemeen. Ed.

[23] Rudolf Virchow (1821-1902); Duits patholoog, antropoloog en liberaal politicus; grondlegger van de cellulaire pathologie; bestreed het Darwinisme op het 50e Congres van Duitse natuuronderzoekers en artsen te München op 22 september 1977. Die Freiheit der Wissenschaft im modernen Staat, Berlin , 1877. De Commune van Parijs, 1871, volksopstand waarbij de wapens werden opgenomen tegen de Duitse legers nadat het geregelde Franse leger was verslagen; de eerste opstand waarin het proletariaat de hoofdrol speelde. Ed.

[24] Herbert Spencer (1820-1903); Engels ingenieur, filosoof en liberaal “laissez faire” ideoloog; publiceerde in 1852 een op Von Baer geïnspireerde evolutietheorie (The Development Hypothesis); paste vervolgens het evolutiebegrip, als leer van de geleidelijke ontwikkeling, vervolgens lukraak toe op alle wetenschappen om tot een filosofische synthese te komen (sociaal-Darwinisme). A System of Synthetic Philosophy, 10 dln., 1862-1896. The Factors of Organic Evolution, 1887. Autobiography, 1904. Ed.

[25] Zie onder andere: Die Darwinsche Theorie / E. Aveling. - 7. Aufl. - Stuttgart, 1905. Zie ook het boek van Kautsky (noot 30). Darwin-Marx / Cornelie Huygens. In: De Nieuwe Tijd, 5e jrg., 1900-1902; herdrukt als brochure Amsterdam, 1901. Ed.

[26] Vergelijk: “De wetenschappelijke methode van de natuurwetenschappen heeft het Marxisme, dat immers een geheel andere wetenschappelijke methode is, niets te bieden, en de historisch-materialistische methode kan de aanvallen die er uit andere wetenschapsgebieden op worden uitgevoerd op geheel eigen kracht afweren, zoals kameraad Pannekoek andermaal, in zijn heldere en bezonnen ook voor arbeiders eenvoudig begrijpelijke en weinig bladzijden tellende voordracht, de Darwinistische aanvallen op het historisch materialisme teniet deed.” Eine Antwort an Friedrich Adler [1910] / Franz Mehring. - In: Gesammelte Schriften, Band 13, Philosphische Aufsätze. - Berlin : Dietz Verlag, 1977. - p. 218. Ed.

 

[27] Die Darwinsche Theorie und der Sozialismus / Ludwig Woltmann. - Düsseldorf : Hermann Michels Verlag, 1899. Ed.

[28] Pjotr A. Kropotkin (1842-1938); Russisch revolutionair en natuuronderzoeker van aristocratische afkomst; etisch anarchist; 1872-1886 aktief als agitator, van welke tijd hij vijf jaar in de gevangenis doorbracht; daarna naar Londen; wijdde zich aan publicistiek; in 1917 terug naar Rusland; steunde de Kerenski-regering en de Entente; na de Oktoberrevolutie terug in het anarchistische kamp. Mutual Aid, a Factor in Evolution, 1902. Nederlandse vertaling: Weederzijds dienstbetoon als faktor der evolutie. - Amsterdam, 1904. Memoirs of a Revolutionist, 1899. Nieuwe Nederlandse vertaling: Memoires van een revolutionair / Peter Kropotkin. - Baarn : Het Wereldvenster, 1978. Ed. Vergelijk: “1. Ik aanvaard van de leer van Darwin de ontwikkelingstheorie, neem echter Darwin’s bewijsmethode (struggle for life, natural selection) slechts als eerste, provisorische, onvolkomen formulering van nieuw ontdekte gegevens aan. Tot aan de tijd van Darwin legden juist die lui, die nu overal strijd om het bestaan zien (Vogt, Moleschott en andere) de nadruk op samenwerking in de organische natuur, zoals dat het plantenrijk het dierenrijk van zuurstof en voedsel voorziet, en omgekeerd het dierenrijk de planten van koolstof en mest, zoals dat met name door Liebig naar voren werd gebracht. Beide opvattingen hebben binnen zekere grenzen een zekere rechtvaardiging, maar de een is net zo eenzijdig en geborneerd als de andere. [...] 3. [...] De hele Darwinistische leer over de strijd om het bestaan bestaat eenvoudig uit het overbrengen van de leer van Hobbes van het bellum omnium contra omnes [de oorlog van ieder tegen allen] en de burgerlijk-economische van de concurrentie, naast de bevolkingstheorie van Malthus, uit de maatschappij op de levende natuur. Nadat men dit kunststuk volbracht heeft (waarvan ik de onvoorwaardelijke rechtvaardiging, zoals onder 1. aangeduid, bestrijd, vooral wat betreft de theorie van Malthus), draagt men diezelfde theorie weer terug uit de organische natuur in de geschiedenis en beweert vervolgens dat men zijn geldigheid als eeuwige wet van de menselijke maatschappij heeft bewezen. De kinderachtigheid van deze werkwijze springt in het oog, en er hoeft geen woord aan vuil te worden gemaakt. Zou ik daarop echter nader ingaan, dan zou ik dat zodanig doen, dat ik ze op de eerste plaats als slechte economen, en pas op de tweede plaats als slechte natuuronderzoekers en filosofen neerzette.” Brief van Friedrich Engels aan Pjotr Lawrowitsch Lawrow, 12 [17] november 1875. Zie over de debatten in Rusland: Darwin without Malthus. The Struggle for Existence in Russian Evolutionary Thought / Daniel P. Todes. - New York, Oxford : Oxford University Press, 1989. Ed.