Manifest van de IKS (1975)

See also :

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Het spook van de kommunistische revolutie waart opnieuw rond in de wereld. Vele tientallen jaren lang geloofden de heersende klassen dat de duivels, waarvan het proletariaat in de vorige en in het begin van deze eeuw was bezeten, voorgoed waren uitgedreven. De arbeidersbeweging had inderdaad nog nooit zo’n gruwelijke en langdurige nederlaag gekend. De contrarevolutie die zich op de Europese arbeidersklasse stortte na haar strijd van 1848, de contrarevolutie die volgde op de heldhaftige en wanhopige poging van de Parijse Commune, de teruggang en de ontmoediging die de nederlaag onderstreepten van de ervaring van 1905 in Rusland, zij waren niets in vergelijking met het loden gewicht dat gedurende een halve eeuw drukte op elke uiting van klassenstrijd. De omvang van deze contrarevolutie stond in verhouding tot de angst die de bourgeoisie beheerst had tijdens de grote revolutionaire golf die volgde op de Eerste Wereldoorlog, de enige golf die er tot op heden in geslaagd was het kapitalistisch systeem tot op zijn grondvesten te doen schudden. Na tot zulke hoogten te zijn gestegen, heeft het proletariaat nooit zo’n ramp, zo’n wanhoop, zo’n schande gekend. En tegenover haar heeft de bourgeoisie nooit zo’n aanmatigende houding aangenomen waarin ze zover durfde te gaan om de grootste nederlagen van de klasse als ‘overwinningen’ voor haar voor te stellen en zelfs het hele idee van revolutie af te doen als iets dat achterhaald was, een mythe, overgeleverd uit een voorbij tijdperk.

Het spook van de kommunistische revolutie waart opnieuw rond in de wereld. Vele tientallen jaren lang geloofden de heersende klassen dat de duivels, waarvan het proletariaat in de vorige en in het begin van deze eeuw was bezeten, voorgoed waren uitgedreven. De arbeidersbeweging had inderdaad nog nooit zo’n gruwelijke en langdurige nederlaag gekend. De contrarevolutie die zich op de Europese arbeidersklasse stortte na haar strijd van 1848, de contrarevolutie die volgde op de heldhaftige en wanhopige poging van de Parijse Commune, de teruggang en de ontmoediging die de nederlaag onderstreepten van de ervaring van 1905 in Rusland, zij waren niets in vergelijking met het loden gewicht dat gedurende een halve eeuw drukte op elke uiting van klassenstrijd. De omvang van deze contrarevolutie stond in verhouding tot de angst die de bourgeoisie beheerst had tijdens de grote revolutionaire golf die volgde op de Eerste Wereldoorlog, de enige golf die er tot op heden in geslaagd was het kapitalistisch systeem tot op zijn grondvesten te doen schudden. Na tot zulke hoogten te zijn gestegen, heeft het proletariaat nooit zo’n ramp, zo’n wanhoop, zo’n schande gekend. En tegenover haar heeft de bourgeoisie nooit zo’n aanmatigende houding aangenomen waarin ze zover durfde te gaan om de grootste nederlagen van de klasse als ‘overwinningen’ voor haar voor te stellen en zelfs het hele idee van revolutie af te doen als iets dat achterhaald was, een mythe, overgeleverd uit een voorbij tijdperk.

Maar nu is de vlam van het proletariaat over heel de wereld weer aangewakkerd. Dikwijls verward en aarzelend, maar met schokken die soms zelfs de revolutionairen verbazen heeft de proletarische reus het hoofd weer opgeheven en doet ze het oude kapitalistische bouwwerk opnieuw beven. Van Parijs tot Cordoba, van Turijn tot Gdansk, van Lissabon tot Shanghai, van Cairo tot Barcelona is de arbeidersstrijd weer een nachtmerrie geworden voor de kapitalisten (1). Tegelijkertijd, en als deel van deze algemene heropleving van de strijd van de klasse, zijn er weer revolutionaire groepen en stromingen opgedoken die zich wijden aan de reusachtige taak van de theoretische en praktische heroprichting van een van de belangrijkste hulpmiddelen van het proletariaat: zijn klassenpartij.

Daarmee is het ogenblik aangebroken waarop de revolutionairen hun klasse de vooruitzichten aankondigen van de strijd waarin ze nu al verwikkeld is, om haar te herinneren aan de lessen uit haar verleden zodat zij haar toekomst kan smeden, en tegelijk om daaruit de taken af te leiden die de revolutionairen zelf wachten als product van, en actieve factor in deze heropleving van de proletarische strijd.

Daaruit bestaan de doeleinden van dit manifest.

De arbeidersklasse, voltrekster van de revolutie

Het proletariaat is de enige revolutionaire klasse in ons tijdperk. Alleen het proletariaat kan door het grijpen van de politieke macht op wereldschaal en door de radicale verandering van de productievoorwaarden en doeleinden, de mensheid verheffen uit de barbaarsheid waarin ze is gedompeld.

Het idee dat de arbeidersklasse de klasse van het kommunisme is, dat haar plaats in het kapitalisme haar tot enige klasse maakt die het kan omverwerpen, was al meer dan een eeuw geleden een verworvenheid. Dit idee is nadrukkelijk aanwezig in de eerste doortastende programmatische uitdrukking van de proletarische beweging: het Kommunistisch Manifest van 1848. Het komt op schitterende wijze naar voren in de formulering van de Internationale Werklieden Vereniging: “De bevrijding van de arbeiders zal het werk van de arbeiders zelf zijn”, een formulering die de proletariërs sindsdien van generatie tot generatie hebben doorgegeven als een banier van hun achtereenvolgende gevechten tegen het kapitaal. Maar de gruwelijke stilte waarin de klasse een halve eeuw bleef opgesloten schiep ruimte voor het uitbroeden van allerlei theorieën over de ‘definitieve integratie van de arbeidersklasse’, over het proletariaat als ‘klasse voor het kapitaal’, over de ‘universele klasse’ of over randgroepen als voltrekkers van de revolutie en andere als ‘nieuwigheden’ opgetuigde versleten oude rommel, die bij de stroom van leugens werd gevoegd die de bourgeoisie verspreidt om ontmoediging van de arbeiders en hun ideologische onderwerping aan het kapitaal te bestendigen.

Wat de Internationale Kommunistische Stroming daarom nu eerst en vooral benadrukt is het revolutionaire karakter van de arbeidersklasse en van geen andere in de huidige periode.

Maar het feit dat deze klasse, in tegenstelling tot de revolutionaire klassen uit het verleden, in de maatschappij die ze moet omvormen over geen enkele economische macht beschikt voorafgaande aan haar politieke macht, legt aan haar de noodzaak op om eerst de politieke macht te veroveren als eerste voorwaarde voor deze omvorming. Daarom is de proletarische revolutie in tegenstelling tot de revoluties van de bourgeoisie, die het ene succes na het andere boekten, noodzakelijkerwijs de bekroning van een reeks van gedeeltelijke, maar tragische nederlagen. En hoe krachtiger de strijd van de klasse is, des te verschrikkelijker zijn de nederlagen daarvan.

De grote revolutionaire golf die een einde maakt aan de Eerste Wereldoorlog en die een tiental jaren aanhoudt vormt een schitterende bevestiging van deze twee werkelijkheden: die van de arbeidersklasse als enige voltrekster van de kommunistische revolutie en die van de nederlaag die de strijd begeleidt zolang de definitieve overwinning niet behaald is. De ontzaglijke revolutionaire beweging die de burgerlijke staat in Rusland omverwerpt doet de staten van andere landen van Europa beven en klinkt tot in China als zwak echo door, brengt naar voren dat het proletariaat zich opmaakt om de genadeslag toe te brengen aan een systeem dat aan zijn doodsstrijd is begonnen, dat het proletariaat gereed staat om het doodvonnis te voltrekken dat de geschiedenis over het kapitalisme heeft uitgesproken. Maar omdat ze niet in staat is haar eerste succes van 1917 tot op wereldschaal uit te breiden, wordt de arbeidersklasse uiteindelijk overwonnen en verpletterd. Vervolgens wordt het uitsluitende revolutionaire karakter van de arbeidersklasse op een negatieve wijze bevestigd: omdat deze klasse in de revolutie faalde en geen enkele andere sociale categorie de revolutie in haar plaats kan doorvoeren zinkt de maatschappij onverbiddelijk verder weg in toenemende barbaarsheid.

Het verval van het kapitalisme

Het verval van het kapitalisme dat sinds de Eerste Wereldoorlog voortgaat en waaruit de maatschappij bij afwezigheid van de proletarische revolutie niet kan ontsnappen, blijkt nu al de zwartste periode uit de geschiedenis van de mensheid te zijn.

De mensheid heeft al eerder vervalperiodes gekend met hun optocht van rampen en van onuitsprekelijk lijden. Maar deze vallen in het niet bij wat de mensheid al zestig jaar te verduren heeft. Het verval van de andere maatschappijen kende toenemende schaarste en hongersnood, maar nooit werd zo’n onmenselijke ellende begeleid door zo’n verspilling van rijkdom als vandaag. Nu de mens zich meester heeft gemaakt van wonderbaarlijke technieken die het mogelijk maken de natuur in zijn dienst te beheersen, blijft hij slachtoffer van de nukken van de natuur: ‘natuur-’, klimatologische en landbouwrampen van een nog tragischer omvang dan in het verleden. Erger, de kapitalistische maatschappij is de eerste in de geschiedenis die in haar vervalperiode enkel kan overleven door een steeds terugkerende massale vernietiging van een steeds groter deel van zichzelf. Andere vervalperiodes werden ook gekenmerkt door de confrontatie tussen verschillende fracties van de heersende klasse, maar de vervalperiode die we nu meemaken is opgesloten in de onverbiddelijke en helse kringloop van crisis - veralgemeende oorlog - wederopbouw - crisis -... waarvoor de mensheid een verschrikkelijke tol van dood en lijden betaalt. Tegenwoordig staan technieken van ongekende wetenschappelijke verfijning ter beschikking voor het vergroten van de mogelijkheid voor de kapitalistische staat om dood en verderf te zaaien. In de tientallen miljoenen belopen de aantallen slachtoffers van de imperialistische oorlogen, evenals die van de stelselmatige en industrieel georganiseerde massamoord waarin in het verleden fascisme en stalinisme uitblonken, en die ons ook nu onophoudelijk bedreigt.

Het lijkt er in zekere zin op dat de mensheid moet betalen voor het rijk van de vrijheid, waartoe haar beheersing van de technologie haar eindelijk toegang moest verlenen, met het rijk van de meest verschrikkelijke wreedheden, mogelijk gemaakt door diezelfde beheersing van de technologie.

Midden in deze wereld van dood en verderf heeft het orgaan dat het evenwicht en behoud van de maatschappij waarborgt zich als een kankergezwel ontwikkeld: de staat. Deze heeft zich in heel het maatschappelijke raderwerk tot in z’n meest verscholen hoeken ingevreten, vooral in de economische basis ervan. Net als de god Moloch uit de oudheid heeft deze monsterlijke, koude en onpersoonlijke machine het wezen van de mens en van het maatschappelijk leven verslonden. Het staatskapitalisme dat zich, onder alle mogelijke juridische en ideologische vormen en met de meest barbaarse middelen van bestuur meester heeft gemaakt van de hele aarde, vertegenwoordigt helemaal geen ‘vooruitgang’ maar is een van de meest beestachtige uitingen van de verrotting van de kapitalistische maatschappij.

De contrarevolutie

Maar het meest doeltreffende instrument dat het kapitalisme in verval heeft ontwikkeld om zijn overleving te verzekeren, bestaat uit het stelselmatig overnemen van alle strijd- en organisatievormen die de arbeidersklasse uit het verleden had geërfd en die door de verandering van de historische vooruitzichten onbruikbaar zijn geworden. Alle vakbonds-, parlementaire en frontvormings-tactieken, die in de vorige eeuw van nut en betekenis waren voor de arbeidersklasse, werden evenzo vele manieren om haar strijd te verlammen en vormden het fundamentele wapen van de contrarevolutie. Vervolgens is het juist omdàt haar nederlagen aan haar als ‘overwinningen’ werden voorgesteld dat de arbeidersklasse in de meest verschrikkelijke contrarevolutie werd gedompeld die zij ooit gekend heeft. Ongetwijfeld is het de bedrieglijke mythe van de ‘socialistische staat’, voortgekomen uit de revolutie in Rusland en voorgesteld als het proletarisch bolwerk terwijl hij niets anders was geworden dan de verdediger van het verstaatste nationale kapitaal die het fundamentele wapen vormde voor zowel de mobilisatie van het proletariaat als voor zijn ontmoediging. De proletariërs van de hele wereld, vol hoop door het vuur van 1917, werd nu gevraagd hun strijd onvoorwaardelijk ondergeschikt te maken aan de verdediging van het ‘socialistisch vaderland’. Aan hen en aan degenen die het anti-arbeiderskarakter ervan begonnen in te zien, werd door de burgerlijke ideologie het idee opgedrongen dat de revolutie geen ander resultaat kon hebben dan zij in Rusland had: het verschijnen van een nieuwe uitbuitings- en onderdrukkingsmaatschappij. De arbeidersklasse was ontmoedigd door haar nederlagen in de jaren twintig, maar meer nog door haar verdeling in twee kampen: tussen enerzijds degenen die, verblind door de gebeurtenissen van Oktober, de ontaarding ervan en het verraad van de partijen die zich erop beriepen er niet van konden onderscheiden, en anderzijds degenen die iedere hoop op revolutie hadden verloren. Door deze ontmoediging kon de arbeidersklasse geen voordeel halen uit de algemene crisis van het systeem in de jaren dertig door opnieuw in de aanval te gaan. Integendeel, van ‘overwinning tot overwinning’ werd de klasse, aan handen en voeten gebonden, gesleept naar de tweede imperialistische oorlog, die haar, in tegenstelling tot de eerste, niet de mogelijkheid liet om op een revolutionaire wijze op te staan, maar waarin ze werd gemobiliseerd in de grote ‘overwinningen’ van het ‘Verzet’, van het ‘Anti-fascisme’, dan wel de koloniale en nationale ‘bevrijdingen’.

De voornaamste stappen in de terugslag en het opgaan van het proletariaat zowel als de partijen van de Derde Internationale in de burgerlijke maatschappij, blijken evenzo vele dolksteken in het lichaam van de klassenbeweging:

  • 1920-1921: Strijd van de Kommunistische Internationale tegen haar linkerzijde over de parlementaire- en vakbondsvraagstukken.
  • 1922-1923: Aanvaarding door de Kommunistische Internationale van de ‘eenheidsfront’- en ‘arbeidersregering’-tactieken, wat in Saksen en Thüringen leidt tot coalitieregeringen van de kommunisten met de sociaal-democraten, beulen van het Duitse proletariaat terwijl dat zelf nog de straat op ging.
  • 1924-1926: Het verschijnen van de theorie van de opbouw van het ‘socialisme in één land’: het verlaten van het internationalisme betekent de dood van de Kommunistische Internationale en de overgang van haar partijen naar het kamp van de bourgeoisie.
  • 1927: Politieke en militaire steun van de Komintern aan het regime van Tsjang Kai Tsjek, wat uitliep op een slachting door zijn troepen onder het proletariaat en de Chinese kommunisten.
  • 1933: Overwinning van Hitler.
  • 1934: Toetreding van Rusland tot de Volkenbond wat de erkenning betekende door de rovers die zich daarin verenigden van Rusland als één van hun gelijken; deze grote ‘overwinning’ is in feite het symbool voor een grote nederlaag van het proletariaat.
  • 1936: Instelling van ‘volksfronten’ en van de politiek van ‘nationale verdediging’, die de ‘kommunistische’ partijen ertoe brachten, met de steun van Stalin, de oorlogskredieten goed te keuren.
  • 1936-1939: Anti-fascistische uitspattingen: in Spanje wordt in naam van de democratie en de republiek een bloedbad aangericht onder de arbeiders.
  • 1939-1945: Tweede Wereldoorlog en de mobilisatie van de arbeidersklasse in het ‘Verzet’. Gedurende deze oorlog smoorde de bourgeoisie, die lessen had getrokken uit het verleden, de geringste proletarische houding in de kiem door de militaire bezetting van elk stukje van het op de overwonnen landen veroverd gebied. Omdat zij er niet in slaagde een einde te maken aan de oorlog door haar eigen klassenbeweging, zoals dat in 1917-1918 gebeurd was, kwam de arbeidersklasse nog verder verslagen uit de oorlog.
  • 1945-1965: Wederopbouw en nationale ‘bevrijding’: het proletariaat wordt gevraagd de wereld die in puin ligt opnieuw op te bouwen in ruil voor wat kruimels die de burgerij kon uitdelen dankzij de ontwikkeling van de productie. In de achtergebleven landen wordt het proletariaat door de nationale bourgeoisie geronseld in naam van de onafhankelijkheid tegen het imperialisme.

De linkskommunistische fracties

Temidden van deze wanordelijke aftocht van de klasse en deze volslagen overwinning van de contrarevolutie, nemen de linkskommunistische fracties die uit de ontaardende kommunistische partijen voortkwamen de zware taak op zich de revolutionaire beginselen te redden. Zij moeten zich verzetten tegen de verenigde krachten van alle fracties van de bourgeoisie, zij moeten de duizenden valstrikken die de bourgeoisie voor hen uitzette ontwijken, zij moeten strijden tegen het verschrikkelijke gewicht van de heersende ideologie binnen hun eigen klasse, zij moeten isolement trotseren, lijfelijke vervolging, ontmoediging, uitputting, verlies en verspreiding van hun leden. In een poging een brug te slaan tussen de oude partijen van het proletariaat die naar het vijandelijke kamp waren overgegaan, en de partijen die het proletariaat opnieuw zal voortbrengen oprichten bij zijn volgende revolutionaire opleving, leverden de linkskommunistische fracties een bovenmenselijke en heldhaftige inspanning om de proletarische beginselen levend te houden die door de Derde Internationale en haar partijen aan de meestbiedende waren verkocht en tegelijkertijd om op basis van deze beginselen een balans op te maken van de geleden nederlagen om daaruit lering te trekken die de klasse zich in haar komende strijd weer eigen zal moeten maken. Vele jaren lang verzetten de verschillende fracties, met name de Duitse, Hollandse en vooral de Italiaanse, een opmerkelijke hoeveelheid werk met het bestuderen en het ontmaskeren van het verraad van de zich nog steeds proletarisch noemende partijen. Maar de contrarevolutie is te diep en duurt te lang om deze fracties te laten overleven. Zwaar getroffen door de Tweede Wereldoorlog en door het feit dat deze oorlog geen enkele heropleving van de klasse veroorzaakte, verdwijnen de laatst overlevende fracties geleidelijke of komen ze terecht in een proces van aftakeling of achteruitgang. Voor de eerste maal sedert meer dan een eeuw werd hierdoor de organisatorische band verbroken die in tijd en ruimte de verschillende politieke organisaties van het proletariaat met elkaar verbond, zoals de Bond van Kommunisten, de Eerste, de Tweede en de Derde Internationale en de daaruit voortgekomen fracties.

De bourgeoisie heeft tijdelijk haar doel bereikt: het tot zwijgen brengen van elke politieke uitdrukking van de klasse door het voorstellen van de revolutie, zonder dat enig protest mogelijk is, als een stoffig anachronisme, een overblijfsel uit een ander tijdperk, een exotische specialiteit voorbehouden aan achtergebleven landen, of zelfs door de ware betekenis van de revolutie in de ogen van de arbeiders te vervalsen.

De crisis van het kapitalisme

Maar in de afgelopen tien jaar is dit vooruitzicht grondig veranderd. De toestand van economische ‘voorspoed’ die de na-oorlogse wederopbouwperiode begeleidde en die niet alleen graag door bewonderaars van het kapitalisme, maar ook door sommigen die zich voordeden als zijn vijanden, werd voorgesteld als iets eeuwigs, kwam ten einde toen de wederopbouw voltooid was. Vanaf het midden van de jaren zestig, na twee decennia van euforische groei, staat het kapitalistisch systeem zich weer tegenover de nachtmerrie waarvan het dacht dat het die had opgeborgen in het vooroorlogse prentenkabinet: de crisis. De crisis, die zich sindsdien onverbiddelijk verdiept, vormt een schitterende overwinning voor dezelfde marxistische theorie die onophoudelijk was afgeschreven als ‘voorbijgestreefd’, ‘afgedaan’ of bankroet door allerlei door de bourgeoisie aangestelde vervalsers, door universiteitsprofessoren op zoek naar ‘nieuwigheden’, door pseudo-revolutionaire predikers, door Nobelprijswinnaars en academici, door ‘experts’ en ‘kopstukken’, en door ‘twijfelaars’ en ‘verbitterden’ van allerlei slag.

De heropleving van het proletariaat

Met de toename van de economische wanorde wordt de maatschappij andermaal voor de onvermijdelijke keuze gesteld die opdoemt met elke hevige crisis in de vervalperiode: wereldoorlog of proletarische revolutie (2).

Maar tegenwoordig is het vooruitzicht radicaal verschillend van het vooruitzicht dat door de grote economische ramp van de jaren dertig in het zicht werd gesteld. Toen had het proletariaat, verslagen, niet de kracht om voordeel te halen uit dit nieuwe bankroet van het systeem om tot de aanval over te gaan. Integendeel, de gevolgen ervan verergerden zijn nederlaag nog.

Het tegenwoordige proletariaat verschilt van dat uit de periode tussen de oorlogen. Enerzijds zijn net als de steunpilaren van de burgerlijke ideologie ook de misleidingen die in het verleden het proletarisch bewustzijn vernietigden, voor een deel geleidelijk uitgeput: het nationalisme, de democratische illusies, het anti-fascisme, alle gedurende de laatste halve eeuw intensief gebruikt, hebben hun invloed van weleer op de arbeiders verloren. Anderzijds hebben de nieuwe arbeidersgeneraties de nederlagen van hun voorgangers niet meegemaakt. De proletariërs die vandaag tegenover de crisis staan, als ze niet de ervaring van hun voorgangers hebben, worden evenmin terneergedrukt door dezelfde ontmoediging.

De ontzaglijke kracht waarmee de arbeidersklasse vanaf 1968-1969 reageert op de eerste uitingen van de crisis betekent dat de bourgeoisie nu niet in staat is de enige uitweg op te leggen die zij kan vinden voor de crisis, namelijk een nieuwe massaslachting op wereldschaal. Daarvoor moet ze eerst in staat blijken de arbeidersklasse te overwinnen: het vooruitzicht is nu dus niet imperialistische oorlog, maar veralgemeende klassenoorlog. Zelfs als de bourgeoisie de imperialistische oorlog blijft voorbereiden, dan is het toch de klassenoorlog die haar steeds meer zorgen baart: de ontzaglijke toename in de verkoop van oorlogswapens, de enige sector die niet onder de crisis te leiden heeft, verbergt op dit ogenblik de algemene en niet minder stelselmatige versterking door de kapitalistische staten van de repressiemaatregelen, van de strijd tegen de ‘ondermijning’. Toch is het niet zozeer hiermee dat het kapitaal zich voorbereidt op de klassenconfrontaties, maar vooral met het ontwikkelen van een hele reeks middelen om het proletariaat in te kaderen en zijn strijd te laten ontsporen. Tegenover een onaangetaste en verjongde strijdbaarheid van het proletariaat kan de bourgeoisie inderdaad steeds minder de platte, openlijke onderdrukking stellen die de strijd eerder tot vereniging dreigt te brengen dan hem uit te laten doven.

De wapens van de bourgeoisie

Voordat de bourgeoisie kan overgaan tot een geregelde repressie zal zij net als in het verleden de arbeiders eerst proberen te ontmoedigen door hun strijd en te laten ontsporen en in het slop te laten raken. Daarvoor zal de bourgeoisie vooral drie fundamentele onderwerpen van bedrog gebruiken die alle tot taak hebben de arbeidersklasse te binden aan haar nationale kapitaal en haar staat: het ‘anti-fascisme’, het ‘zelfbeheer’ en de ‘nationale onafhankelijkheid’.

Het ‘anti-fascisme’ zal in historische omstandigheden die verschillen van die van de jaren 1930, omdat het niet tegenover het een of ander ‘concreet fascisme’ staat zoals dat van Hitler of Mussolini, en omdat het niet de voorbereiding van de imperialistische oorlog als onmiddellijke taak heeft, een bredere betekenis krijgen dan in het verleden. Zowel in Oost als in West is het in naam van de verdediging van democratische ‘verworvenheden’, van ‘vrijheden’, tegenover de ‘reactionaire’, ‘autoritaire’, ‘repressieve’ ‘fascistische’ en zelfs ‘stalinistische’ gevaren, dat de ‘linkse’, ‘progressieve’, ‘democratische’ of ‘liberale’ fracties van het kapitaal de proletarische strijd zullen aanvallen. Steeds meer zullen de arbeiders, telkens wanneer zij de strijd ter verdediging van hun belangen opnemen, tot hun verwarring te horen krijgen dat zij de ergste agenten van de ‘reactie’ en de ‘contrarevolutie’ zijn (3).

Nu de crisis een golf van faillissementen veroorzaakt en er een begrijpelijke afkeer ontstaat van de bureaucratische greep van de staat op de gehele maatschappij, zal de mythe van het ‘zelfbeheer’ ook een geliefd wapen van de linkerzijde van het kapitaal zijn tegen de arbeiders. De arbeiders moeten zich hoeden voor de sirenenzang van alle kapitalistische krachten, die in naam van de ‘democratisering’ van de economie, van de ‘onteigening’ van de bazen of van de instelling van ‘kommunistische’ of ‘menselijker’ verhoudingen, de arbeiders feitelijk proberen te laten deelnemen aan hun eigen uitbuiting, en die zich verzetten tegen hun vereniging door de arbeiders te verdelen in zoveel mogelijk afzonderlijke bedrijven en buurten.

Tenslotte zal de ‘nationale onafhankelijkheid’, de moderne uitgave van de ‘nationale verdediging’, waaraan zo’n bittere herinnering bestaat, overal gebruikt worden, vooral in de zwakste landen waar het juist klinkklare onzin is, om op te roepen tot eenheid tussen de klassen tegen het ene of andere imperialisme om zo de verantwoordelijkheid voor de crisis en de verscherpte uitbuiting af te wentelen op het ‘overheersingsstreven’ van het ene of andere land, op de ‘multinationals’ of ander ‘statenloos’ kapitaal.

In naam van een van deze mystificaties zal het kapitaal overal een beroep doen op de arbeiders om van hun eisen af te zien en zich opofferingen te getroosten totdat de crisis is bedwongen. Net als in het verleden zullen de linkse en ‘arbeiders’-partijen zich onderscheiden in dit weerzinwekkende werk, ‘kritisch’ gesteund door de ultra-linkse stromingen van allerlei snit die dezelfde misleidingen en dezelfde leugens propageren, maar met radicalere taal en middelen. Zevenenvijftig jaar geleden waarschuwde het Manifest van de Kommunistische Internationale de arbeiders al tegen deze gevaren:

“De opportunisten, die vóór de oorlog de arbeiders onder het mom van geleidelijke overgang naar het socialisme opriepen hun eisen te matigen, die gedurende de oorlog vernedering en onderwerping van de proletarische klasse eisten in naam van de heilige eenheid en de verdediging van het vaderland, vragen van het proletariaat opnieuw offers en zelfverloochening om de verschrikkelijke gevolgen van de oorlog te boven te komen. Als zulke preken gehoor zouden vinden in de arbeidersklasse, dan zou de kapitalistische ontwikkeling haar herstel kunnen voortzetten op het gebeente van verscheidene generaties arbeiders, met nieuwe, nog meer geconcentreerde en monsterlijke middelen, en met als enige vooruitzicht een nieuwe en onvermijdelijke wereldoorlog.”

De geschiedenis heeft met een ongekende tragedie bewezen met welke helderziendheid de revolutionairen in 1919 de burgerlijke leugens ontmaskerden. Nu de bourgeoisie opnieuw haar ontzaglijk politiek arsenaal in werking stelt dat haar in het verleden in staat stelde het proletariaat te bedwingen en te verslaan, beroept de Internationale Kommunistische Stroming zich nadrukkelijk op de leuzen van de Kommunistische Internationale en richt ze deze opnieuw tot haar klasse.

“Arbeiders, herinnert u de imperialistische oorlog!”, riep de Kommunistische Internationale. Arbeiders van vandaag, herinner je de barbaarsheid van de laatste halve eeuw en bedenk wat de mensheid te wachten staat, wanneer jullie niet krachtig genoeg de verleidelijke praatjes van de bourgeoisie en haar lakeien verwerpen!

De ontwikkeling van de strijd en van het bewustzijn van het proletariaat

Wanneer de kapitalistische klasse haar wapens stelselmatig oppoetst, dan is het proletariaat vandaag niet het weerloze slachtoffer dat zij graag tegenover zich zou zien. Ook al vertonen zij ongunstige aspecten dan zijn de voorwaarden waaronder het proletariaat zijn strijd opnieuw heeft opgenomen wezenlijk in zijn voordeel. Want voor het eerst in de geschiedenis ontwikkelt een revolutionaire beweging zich niet aan het einde van een oorlog, maar begeleidt ze een economische crisis van het systeem. Weliswaar had de oorlog de verdienste dat hij het proletariaat al snel de noodzaak van strijd op het politieke terrein deed inzien en dat een groot deel van de andere niet-proletarische lagen, die niet tot de bourgeoisie behoren, in het kielzog van de arbeidersklasse werden meegesleept, maar de oorlog is desondanks alleen een machtige factor geweest voor de bewustwording van de proletariërs in de landen die het slagveld vormden en dan vooral in de verslagen landen. De crisis die zich momenteel ontwikkelt spaart geen enkel land ter wereld en hoe meer de bourgeoisie haar ontwikkeling probeert te vertragen, des te meer verspreidt ze de gevolgen ervan. Daarom heeft een opkomst van de klasse nog nooit zo’n omvang gekend als die van nu. Zijn ritme is zeker traag en onregelmatig, maar zijn uitbreiding heeft de onheilsprofeten verbijsterd die hoogdravend blijven kletsen over het zogenaamd ‘utopisch’ karakter van een revolutionaire beweging van het proletariaat op wereldschaal. Trouwens omdat het proletariaat momenteel voor de enorme taak staat die alleen de zijne is en omdat het - en dat is ook de reden van het onregelmatig karakter van zijn beweging - de belangrijkste van zijn strijdtradities en het geheel van zijn klassenorganisaties heeft verloren, moet het proletariaat profiteren van de trage ontwikkeling van de crisis die hem treft en die de maat slaat voor zijn klassenantwoord, om stelselmatig zowel zijn strijdtraditie als zijn klassenorganisaties te ontwikkelen. Door zijn achtereenvolgende economische gevechten zal het proletariaat zich opnieuw bewust worden van het politiek karakter van zijn strijd. Door de beperkte strijd te vermenigvuldigen en uit te breiden, zal het de werktuigen smeden voor de algemene confrontatie. Tegenover deze strijd zal het kapitaal uitbarsten in zelfbeklag en het werkelijke feit dat het niets te bieden heeft gebruiken om de arbeiders op te roepen tot ‘matiging’ en ‘opoffering’. Maar de arbeiders zullen integendeel begrijpen dat indien hun strijd vruchteloos is en dus nederlagen op strikt economisch vlak vertegenwoordigen, zij de belangrijkste voorwaarden voor de beslissende overwinning vormen omdat iedere strijd een stap voorwaarts betekent in hun begrip van het volslagen bankroet van het systeem en van de noodzaak om het te vernietigen.

Tegen alle predikers van ‘voorzichtigheid’ en ‘realisme’ in, zullen de arbeiders begrijpen dat het werkelijk succes van de strijd niet ligt in de onmiddellijke resultaten ervan, die, zelfs al zijn ze positief, dadelijk bedreigd worden door de verdieping van de crisis. Nee, de ware overwinning is de strijd zelf: de organisatie, de solidariteit en het bewustzijn die deze ontwikkelt.

In tegenstelling dus tot de strijd die tijdens de grote crisis tussen beide wereldoorlogen gevoerd werd en waarvan de onvermijdelijke nederlaag enkel een nog groter ontmoediging en verslagenheid teweegbracht, bakent de huidige strijd de weg naar de uiteindelijke overwinning af. De tijdelijke ontmoediging veroorzaakt door gedeeltelijke nederlagen zal worden omgezet in een uitbarsting van woede, van vastbeslotenheid en bewustzijn die de volgende strijd zal doen oplaaien.

Naarmate zij dieper wordt, zal de crisis de weinige bespottelijke ‘voordeeltjes’ afnemen die de wederopbouw aan de arbeiders kon verlenen in ruil voor een uitbuiting die met de dag stelselmatiger en wetenschappelijker werd. Naarmate de crisis zich ontwikkelt zal ze door werkloosheid en door een omvangrijke daling van de reële lonen een steeds groter aantal arbeiders in toenemende ellende storten. Maar door het leed dat zij veroorzaakt, zal de crisis het barbaars karakter van de productieverhoudingen waarin de maatschappij gevangen zit duidelijk blootleggen. In tegenstelling tot de burgerlijke en kleinburgerlijke klassen en hun spreekbuizen, die in de crisis slechts een incident zien en die erop reageren met wanhopig gejammer, moeten de proletariërs de crisis begroeten en in haar met enthousiasme de bezielende adem herkennen die de kluisters wegblaast die hen aan de oude wereld vastketenen en die zo de voorwaarden scheppen voor hun bevrijding.

De organisatie van de revolutionairen

Hoe intens ook de strijd is die door de klasse wordt geleverd, de bevrijding kan enkel plaatsvinden als het proletariaat in staat is om zich te wapenen met een van zijn kostbaarste wapens, een wapen waarvan het gemis haar in het verleden zoveel gekost heeft: haar revolutionaire partij.

Haar plaats in het systeem maakt de arbeidersklasse tot de revolutionaire klasse. De onmisbare voorwaarden voor haar activiteit als revolutionaire klasse worden geschapen door het verval en de scherpe crisis van het systeem. Maar alle historische ervaringen leren dat dit niet volstaat als het proletariaat zich niet tegelijkertijd verheft tot een voldoende bewustzijnsniveau en niet het instrument in handen neemt dat tegelijkertijd product en actieve factor van deze inspanning is: zijn kommunistische voorhoede. Deze is niet het mechanisch product van de strijd van de klasse. Zelfs als de huidige en toekomstige strijd de voedingsbodem vormt die onmisbaar is voor de ontwikkeling van deze voorhoede, dan kan deze zich toch slechts vormen en haar taak volbrengen wanneer de revolutionairen die door de klasse worden voortgebracht zich volledig bewust worden van hun verantwoordelijkheden en zich wapenen met de wil om deze op te nemen. Vooral de taken van de onmisbare theoretische overdenking, de stelselmatige ontmaskering van de leugens van de bourgeoisie en de actieve tussenkomst in de klassenstrijd kunnen door de huidige revolutionairen enkel met resultaat worden uitgevoerd wanneer ze opnieuw de politieke band weten te leggen die, dwars door tijd en ruimte heen, de elementaire voorwaarde van hun activiteit vormt. Om de taak uit te voeren waarvoor de klasse hen voortbracht moeten de revolutionairen zich met andere woorden de verworvenheden van de strijd van de kommunistische stromingen uit het verleden eigen maken, net zoals ze hun krachten moeten bundelen op het niveau van hun klasse, op wereldschaal.

Maar hun inspanningen in deze twee richtingen worden nog ernstig belemmerd door de totale breuk in de organisatorische continuïteit met de fracties uit het verleden. Het herstel van de onontbeerlijke politieke continuïteit met deze fracties, die de belangrijkste van de lessen uit de hele voorbije klassenervaring hebben verzameld en ontwikkeld, werd voor de revolutionaire stromingen die de klasse opnieuw voortbrengt vertraagd en belemmerd. Deze stromingen hebben grote problemen met het begrip van vooral twee dingen: hun specifieke functie binnen de klasse en bovenal het geheel van de organisatorische problemen waarmee zij nauwelijks ervaring hebben. Bovendien heeft het uiteenvallen van de kleinburgerlijke lagen en hun proletarisering, die vanaf het begin een blok aan het been van de arbeidersbeweging vormde, maar wat door het verval en de crisis nog versneld en versterkt werd, deze problemen nog vergroot. Vooral het schuim van de ‘studentenbeweging’, een typische uitdrukking van de crisis van de intellectuele kleinburgerij die haar hoogtepunt bereikte op het ogenblik dat de arbeidersklasse de weg van zijn strijd herontdekte, vertroebelde het bewustzijn van de revolutionaire organisaties. De cultus van de ‘nieuwigheid’, van het ‘unieke’, van de frase, van het individu, van de ‘strijd tegen vervreemding’ en zelfs van het ‘spektakel’ dat men toch zo graag ontmaskerde, deze cultussen die eigen zijn aan deze variant van de kleinburgerij, zijn er dikwijls in geslaagd om vele groepen die de klasse sinds haar heropleving had doen ontstaan, te veranderen in sekten die worden beheerst door kleingeestige problemen en persoonlijke ambities.

Van positieve factoren zijn deze groepen daarmee een hinderpaal geworden voor het bewustwordingsproces van het proletariaat, en wanneer ze zich in naam van zelfbedachte of tweederangs meningsverschillen verder verzetten tegen de taak van het bundelen van revolutionaire krachten, dan zal de beweging van deze klasse hen meedogenloos vernietigen.

Met haar nog bescheiden middelen heeft de Internationale Kommunistische Stroming zich de langdurige en moeilijke taak gesteld om de revolutionairen op wereldschaal rond een helder en samenhangend programma te bundelen. Het monolithisme van de sekten de rug toekerend, roept ze de kommunisten van alle landen op om zich bewust te worden van de immense verantwoordelijkheden die op hen rusten, de valse twisten die hen verdelen op te geven om de kunstmatige verdelingen die de oude wereld hen oplegt te boven te komen. Zij roept hen op zich aan te sluiten bij deze inspanning om, voordat de beslissende strijd uitbreekt, de internationale en verenigde organisatie van haar voorhoede te vormen.

Als meest-bewuste fractie van de klasse moeten de kommunisten haar de weg vooruit tonen door zich de leuze eigen te maken:

Revolutionairen aller landen, verenigt u!

Aan de proletariërs

Proletariërs van de hele wereld,

De strijd die jullie zijn aangegaan is de belangrijkste uit de geschiedenis van de mensheid. Zonder deze strijd is de mensheid gedoemd een derde imperialistische holocaust mee te maken waarvan we enkel de huiveringwekkende gevolgen kunnen voorzien en die voor de mensheid een terugslag zou betekenen van verschillende honderden of duizenden jaren, een verrotting in levende lijve waarin elke hoop op socialisme vervliegt, of de vernietiging zonder meer van de mensheid. Nog nooit heeft een klasse zulke enorme verantwoordelijkheden gedragen en zo’n hoop vertegenwoordigd. De verschrikkelijke offers die in het verleden al gebracht zijn in haar strijd en de misschien nog veel verschrikkelijker offers die de bourgeoisie ten einde raad opnieuw van haar zal eisen, zullen niet vergeefs zijn geweest.

Haar overwinning zal voor de menselijke soort de definitieve bevrijding betekenen van de ketenen die haar gevangen hielden binnen de blinde wetten van de natuur en de economie. Ze zal het einde betekenen van de voorgeschiedenis van de mensheid en het begin van haar ware geschiedenis. Zij zal het rijk van de vrijheid vestigen op de puinhopen van het rijk van de noodzaak.

Arbeiders, voor de titanenstrijd die jullie wacht, ter voorbereiding van de uiteindelijke aanval op de kapitalistische wereld, voor de opheffing van de uitbuiting, voor het kommunisme: maak je de oude oorlogskreet van jullie klasse weer eigen:

Arbeiders aller landen, verenigt u!

(1) Deze passage verwijst natuurlijk naar het heropleving van het wereldproletariaat aan het eind van de jaren 1960, na een halve eeuw van contrarevolutie. De beschrijving die hier van de arbeidersstrijd wordt gegeven lijkt natuurlijk overdreven voor de huidige toestand van de klassenstrijd. De ineenstorting van de zogenaamd ‘socialistische’ landen aan het eind van de jaren 1980 veroorzaakten een grote teruggang in het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeidersklasse. De omvang van deze teruggang uit zich nu nog in de moeilijkheden van het proletariaat om zijn klassenstrijd te ontwikkeling, om de weg weer te vinden van zijn revolutionaire perspectief dat werd uitgewist door de omvang van de burgerlijke campagnes over de ‘dood van het kommunisme’. Toch stelt deze teruggang van het wereldproletariaat niet in het minst de historische koers ter discussie die naar klassenconfrontaties gaat, en die aanving met de eerste strijdgolf aan het eind van de jaren 1960. Ondanks hun huidige langzame ritme van heropleving van de klassenstrijd, ligt de toekomst nog altijd in handen van het proletariaat. En het is juist omdat de klassenstrijd de voortdurende nachtmerrie van de bourgeoisie is, dat ze uiterst geraffineerde ideologische campagnes voert en manoeuvres uitvoert om te voorkomen dat de proletarische reus weer op hget sociale toneel verschijnt.

(2) Met het verdwijnen van de twee imperialistische blokken die voortkwamen uit de overeenkomsten van Jalta is het spook van de Derde Wereldoorlog voor het moment verdwenen. Zelfs als militarisme en oorlog nog immer de bestaanswijze vormen van het kapitalisme in verval, raast de imperialistische politiek van alle staten, groot of klein, daarom in een historische wereldsituatie die wordt gedomineerd door chaos en het ‘ieder voor zich’. Omdat het ronselen van het proletariaat van de centrale landen voor een Derde Wereldoorlog niet meer aan de orde van de dag is, is de historische keuze geworden: proletarische revolutie of het afglijden van de mensheid in barbaarsheid en alomtegenwoordige chaos.

(3) Zelfs als in sommige centrale landen, zoals in Frankrijk, in Oostenrijk en in België, we een opkomst zien van extreem-rechtse fracties, dan is dit verschijnsel geenszins vergelijkbaar met de toestand in de jaren 1920 en 1930 waarin fascisme en nazisme aan de macht konden komen. De huidige terugkeer van extreem-rechtse partijen is voornamelijk een manifestatie van de ontbinding van het kapitalisme, van het ‘ieder voor zich’ dat het politiek apparaat van de bourgeoisie aantast, en niet het gevolg van een historische nederlaag van het proletariaat zoals dat het geval was in de jaren volgend op de verplettering van de revolutionaire golf van 1917-1923. De huidige anti-fascistische campagnes hebben bovendien niets gemeen met de massale campagnes om het proletariaat te mobiliseren achter de vlaggen van de democratie die het ronselen van de arbeidersklasse voor de Tweede Wereldoorlog mogelijk maakten.