Twintig jaar IKS (1995)

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Twintig jaar geleden, in januari 1975, werd de Internationale Kommunistische Stroming opgericht. Dit is een lange levensduur voor een proletarische organisatie als we bedenken dat de Internationale Werklieden Vereniging maar twaalf jaar overleefde (1864-1876), de Socialistische Internationale vijfentwintig jaar (1889-1914) en de Kommunistische Internationale negen jaar (1919-1928). We beweren natuurlijk niet dat onze organisatie een rol heeft gespeeld die vergelijkbaar is met die van de arbeiders-internationales. Desalniettemin behoort de twintig jaar aan ervaring van de IKS geheel en al toe aan het proletariaat, waaruit onze organisatie net zo goed voortkwam als de internationales uit het verleden, en net als andere organisaties die momenteel kommunistische beginselen verdedigen. In die betekenis is het onze plicht, en dit jubileum stelt ons ook in de gelegenheid, om iets van de lering die we uit deze twee decennia van strijd hebben getrokken, over te dragen aan onze klasse.

De onderstaande tekst werd geschreven in 1995, twintig jaar na het oprichtingscongres van de Internationale Kommunistische Stroming in 1975.

We herdrukken deze tekst om onze lezers een inleiding te geven in de geschiedenis van onze organisatie en enig inzicht te verschaffen in de methode waarmee hij als internationale bundeling van krachten van plaatselijke organisaties werd opgericht. Dat is namelijk nog altijd onze methode.

Twintig jaar geleden, in januari 1975, werd de Internationale Kommunistische Stroming opgericht. Dit is een lange levensduur voor een proletarische organisatie als we bedenken dat de Internationale Werklieden Vereniging maar twaalf jaar overleefde (1864-1876), de Socialistische Internationale vijfentwintig jaar (1889-1914) en de Kommunistische Internationale negen jaar (1919-1928). We beweren natuurlijk niet dat onze organisatie een rol heeft gespeeld die vergelijkbaar is met die van de arbeiders-internationales. Desalniettemin behoort de twintig jaar aan ervaring van de IKS geheel en al toe aan het proletariaat, waaruit onze organisatie net zo goed voortkwam als de internationales uit het verleden, en net als andere organisaties die momenteel kommunistische beginselen verdedigen. In die betekenis is het onze plicht, en dit jubileum stelt ons ook in de gelegenheid, om iets van de lering die we uit deze twee decennia van strijd hebben getrokken, over te dragen aan onze klasse.

De vergelijking van de IKS met de organisaties die voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging het belangrijkst waren, met name de internationales, is onthutsend: terwijl die laatsten miljoenen, zelfs tientallen miljoenen arbeiders omvatten en beïnvloeden is de IKS wereldwijd alleen maar bekend bij een kleine minderheid van de arbeidersklasse. Deze situatie, die eveneens geldt voor al de andere revolutionaire organisaties, nopen ons tot bescheidenheid. Maar het mag er niet toe leiden dat we het werk onderschatten dat we tot stand brengen en het mag ons nog minder ontmoedigen. Sinds het proletariaat anderhalve eeuw geleden voor het eerst een rol begon te spelen op het sociale toneel heeft zijn historische ervaring laten zien dat de perioden waarin revolutionaire standpunten daadwerkelijke invloed hebben op de werkende massa’s betrekkelijk beperkt zijn gebleven. Bovendien is het op basis van dit gegeven dat de ideologen van de bourgeoisie beweren dat de proletarische revolutie niet meer dan een utopie is omdat de meeste arbeiders niet denken dat het noodzakelijk of mogelijk is. Dit verschijnsel, dat al duidelijk was toen er massale arbeiderspartijen bestonden, aan het begin van de twintigste eeuw, werd nog versterkt door de nederlaag van de revolutionaire golf die op de Eerste Wereldoorlog volgde.

Het proletariaat liet de bourgeoisie sidderen en die nam wraak door haar vijand aan de langste contra-revolutie van haar geschiedenis te onderwerpen. En de speerpunt van de contra-revolutie werd nu juist gevormd door díe organisaties – de socialistische en kommunistische partijen en de vakbonden – die de arbeidersklasse voor haar strijd had opgericht maar die waren overgegaan naar het burgerlijke kamp. De overgrote meerderheid van de socialistische partijen stond tijdens de oorlog al in dienst van de bourgeoisie, waarbij de arbeiders werden opgeroepen tot ‘nationale eenheid’, en in sommige landen namen ze zelfs deel aan de regeringen die de imperialistische slachtpartij hadden laten ontketenen. Vervolgens, toen de revolutionaire golf op gang kwam na de Oktoberrevolutie in Rusland in 1917, speelden diezelfde partijen de rol van beul voor de bourgeoisie, ófwel door moedwillig de beweging te saboteren zoals in Italië in 1920, ófwel door opdracht te geven tot moord op duizenden arbeiders en revolutionairen dan wel die zelf te organiseren, zoals in Duitsland in 1919. Later gingen de kommunistische partijen, die gesticht waren rond de fracties van de socialistische partijen die geweigerd hadden deel te nemen aan de imperialistische oorlogsinspanningen, en die het voortouw hadden genomen in de revolutionaire golf door zich te verenigen rond de Kommunistische Internationale (opgericht in 1919), dezelfde weg op als hun socialistische voorlopers. Uitgeput door de nederlaag van de wereldrevolutie en door de ontaarding van de revolutie in Rusland sloten zij zich in de jaren 1930 aan bij het kapitalistische kamp om de trouwste ronselaars te worden voor de Tweede Wereldoorlog in naam van het anti-fascisme en de ‘verdediging van het socialistische vaderland’. Nadat ze de voornaamste architecten waren geworden van de ‘verzets’-bewegingen tegen de Duitse en Japanse bezettingslegers zetten ze hun smerige werk voort door tijdens de wederopbouw van de in puin liggende kapitalistische economieën een meedogenloze controle uit te oefenen over de arbeiders.

Tijdens heel deze periode werd het bewustzijn van de arbeiders gesmoord door de geweldige invloed die de socialistische en ‘kommunistische’ partijen op de arbeidersklasse konden uitoefenen, die hen doordrenkte van chauvinisme, wegleidde van enig vooruitzicht op omverwerping van het kapitalisme, dit perspectief vermengde met de versterking van de democratische bourgeoisie, hen onderwierp aan de leugen dat de kapitalistische staten van het Oostblok de belichaming vormden van het ‘socialisme’. Tijdens deze “middernacht in de eeuw” kwamen de ware kommunistische krachten, die uit de ontaardende Kommunistische Internationale waren gejaagd, in een situatie van haast volledig isolement terecht voorzover ze niet daadwerkelijk werden uitgeroeid door de stalinistische of fascistische rentmeesters van de contra-revolutie. In de moeilijkste omstandigheden uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging was het een handvol militanten dat er in slaagde te ontsnappen aan de schipbreuk van de Kommunistische Internationale. Zij werkten voort aan de verdediging van kommunistische beginselen om de komende historische heropleving van het proletariaat voor te bereiden. Velen verloren het leven of waren zodanig uitgeput dat hun organisaties – de fracties en groepen van de Kommunistische Linkerzijde – verdwenen of anders aangetast raakten door verkalking.

De gruwelijke contra-revolutie die de arbeidersklasse verpletterde na haar glorieuze strijd volgend op de Eerste Wereldoorlog hield bijna veertig jaar aan. Maar toen het laatste vuur van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog was uitgedoofd en het kapitalisme aan het eind van de jaren 1960 weer werd geconfronteerd met de open crisis van zijn economie stak het proletariaat andermaal de kop op. Mei 1968 in Frankrijk, de ‘wilde Mei’ in Italië in 1969, arbeidersstrijd in de winter van 1970 in Polen en nog veel andere arbeidersstrijd in Europa en andere werelddelen: de contra-revolutie was voorbij. Het beste bewijs voor die fundamentele verandering van de historische koers bestond eruit dat in verschillende delen van de wereld groepen verschenen die zichzelf, zij het op vaak verwarde wijze, baseerden op de tradities en standpunten van de Kommunistische Linkerzijde. De IKS werd in 1975 opgericht als bundeling van krachten van een aantal van deze formaties die door de historische wederopstanding van het proletariaat waren voortgebracht. Het feit dat de IKS sindsdien niet alleen is blijven voortbestaan maar ook groeide en zijn afdelingen in aantal wist te verdubbelen getuigt van de historische wederopstanding van het proletariaat en het vormt tevens een belangrijke aanwijzing dat het proletariaat niet is verslagen en de historische koers nog altijd richting klassenconfrontaties gaat. Dit is de eerste les die moet worden getrokken uit het twintigjarig bestaan van de IKS, in tegenstelling tot het idee dat vele andere groepen van de Kommunistische Linkerzijde delen die van mening zijn dat het proletariaat de contra-revolutie nog niet te boven is gekomen.

In de Internationale Revue, nr. 40, ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de IKS, trokken we een aantal lessen uit onze ervaring van de voorbije periode. We roepen ze hier kort in de herinnering om de nadruk te leggen op een aantal punten, die we toen maakten over de periode die volgde. Maar voordat we tot die beoordeling overgaan dienen we eerst in het kort terug te komen op de geschiedenis van de IKS. En voor lezers die niet bekend zijn met het artikel van tien jaar geleden nemen we uitgebreide uittreksels over waarin op deze geschiedenis wordt ingaan.

De oprichting van een internationale pool voor krachtenbundeling

De ‘voorgeschiedenis’ van de IKS

“De eerste georganiseerde uitdrukking van onze stroming verscheen in 1964 in Venezuela. Deze bestond uit heel jonge elementen die zich in de richting van klassenstandpunten ontwikkelden door discussies met een oudere kameraad die ervaring had als militant van de Kommunistische Internationale, in de linkerfracties die er aan het eind van de jaren 1920 van werden uitgesloten – met name de Linkerfractie van de Partito Comunista van Italië – en die deel uitmaakte van de Gauche Communiste de France tot aan de opheffing ervan in 1952. Deze kleine groep in Venezuela – die tussen 1964 en 1968 tien afleveringen uitbracht van haar blad Internacionalismo – beschouwde zichzelf onmiddellijk als politieke voortzetting van de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde, vooral die van de GCF. Dit kwam vooral tot uiting in een heel heldere verwerping van iedere politiek van steun aan de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsstrijd’, een mythe die in de Latijns-Amerikaanse landen wijd verbreid was en die zwaar doorwoog op elementen die zich in de richting van klassenstandpunten probeerden te ontwikkelen. Het kwam ook tot uiting in een open houding tegenover, en het leggen van contact met andere kommunistische groepen – een houding waardoor eerder de Internationale Kommunistische Linkerzijde voor de oorlog was gekenmerkt net als de GCF later. Zo legde de groep Internacionalismo contacten, of probeerde contact te leggen en te discussiëren, met de Amerikaanse groep News and Letters [...] Met het vertrek van verschillende van deze elementen naar Frankrijk in 1967 en 1968 onderbrak deze groep verschillende jaren haar uitgaven alvorens Internacionalismo (nieuwe reeks) in 1974 begon te verschijnen en de groep één van de mede-oprichters van de IKS werd.

De tweede georganiseerde uitdrukking van onze stroming verscheen in Frankrijk aan de vooravond van de algemene staking van Mei 1968 die de historische wederopstanding van het wereldproletariaat na meer dan veertig jaar van contra-revolutie tekende. Er werd in Toulouse een kleine kern gevormd rond een militant van Internacionalismo. Deze kern nam actief deel aan de levendige discussies in het voorjaar van 1968, nam in juni een ‘beginselverklaring’ aan en gaf aan het eind van dat jaar de eerste aflevering uit van Révolution Internationale. Deze groep zette onmiddellijk de politiek van Internacionalismo voort van het leggen van contacten en het voeren van discussies met andere groepen van het proletarisch milieu zowel nationaal als internationaal. [...] Vanaf 1970 onderhield het nauwere betrekkingen met twee groepen die er in slaagden te ontsnappen aan de algemene ontbinding van het radenistische milieu na Mei 1968: de Organisation Conseilliste de Clermont Ferrand en Cahiers du Communisme de Conseil (Marseille), na een poging tot discussie met de Groupe de Liaison pour l’Action des Travailleurs (GLAT) waaruit bleek dat deze groep steeds verder van het marxisme afdreef. Discussie met de eerste twee groepen daarentegen bleek veel vruchtbaarder en na een hele reeks van bijeenkomsten waarin de basisstandpunten van de Kommunistische Linkerzijde stelselmatig waren doorgenomen kwamen Révolution Internationale, de Organisation Conseilliste de Clermont Ferrand en Cahiers du Communisme de Conseils in 1972 bijeen rond een platform dat een meer precieze en gedetailleerde versie was van de beginselverklaring van Révolution Internationale uit 1968. Deze nieuwe groep gaf de Revue Internationale uit en een Bulletin d’Etude et de Discussion en kwam in het centrum te staan van een heel werk van het onderhouden van internationale contacten en discussie in Europa tot aan de oprichting van de IKS tweeëneenhalf jaar later.

Op het Amerikaanse continent lieten de discussies die Internacionalismo gevoerd had met News and Letters in de Verenigde Staten enige sporen na en in 1970 werd er in New York een groep opgericht (deels bestaande uit voormalige leden van News and Letters) rond een oriëntatietekst met dezelfde basisstandpunten als die van Internacionalismo en Révolution Internationale. [...] De nieuwe groep begon Internationalism uit te geven en net als zijn voorlopers knoopte zij discussies aan met andere kommunistische groepen. Zo onderhield ze contact en voerde discussie met Root and Branch in Boston, een groep die geïnspireerd werd door de radenistische ideeën van Paul Mattick, maar die niet erg vruchtbaar bleken doordat de groep uit Boston steeds meer tot een club in marxologie werd. In 1972 stuurde Internationalism een voorstel tot internationale correspondentie naar een twintigtal groepen, en wel in de volgende bewoordingen:

“[...] Tegelijk met de toenemende activiteit van de arbeidersklasse is er het aantal revolutionaire groepen met een internationalistisch kommunistisch perspectief aanzienlijk toegenomen. Jammer genoeg werden de contacten en briefwisselingen tussen deze groepen grotendeels aan het toeval overgelaten en bleven ze onregelmatig. Internationalism doet het volgende voorstel om contacten en briefwisselingen tussen groepen met een internationalistisch en kommunistisch perspectief  regelmaat te geven en uit te breiden [...]”

In haar positieve antwoord schreef Révolution Internationale:

“Net als jullie voelen ook wij de noodzaak daartoe en de activiteiten van onze groepen dienen een net zo internationaal karakter te dragen als de huidige strijd van de arbeidersklasse. Daarom hebben we per brief of direct contact onderhouden met een aantal Europese groepen waarnaar jullie voorstel gestuurd werd. [...] We denken dat jullie initiatief het mogelijk zal maken om de aard van deze contacten te verbreden en om op zijn minst de verschillende standpunten beter bekend te maken. We denken ook dat het vooruitzicht op een toekomstige internationale conferentie het logische vervolg is op het aangaan van deze politieke briefwisseling. [...]

In haar antwoord benadrukte Révolution Internationale de noodzaak om te werken in de richting van internationale conferenties van de groepen van de Kommunistische Linkerzijde, zonder daarmee haast te maken: een dergelijke conferentie zou moeten worden gehouden na een periode van briefwisseling. Dit voorstel was in continuïteit met de herhaalde voorstellen die zij had gedaan (in 1968, 1969 en 1971) aan de Partito Comunista Internazionalista (Battaglia Comunista) om tot dergelijke conferenties op te roepen, omdat op dat moment deze organisatie de belangrijkste en meest serieuze groep was in het kamp van de Kommunistische Linkerzijde in Europa (naast de PCI – Programma Comunista, die zichzelf koesterde in haar schitterend isolement). Maar ondanks de open en broederlijke houding van Battaglia waren die voorstellen telkens verworpen [...].”

Uiteindelijk leidden het initiatief van Internationalism en het voorstel van Révolution Internationale in 1973 en 1974 tot het houden van een reeks van conferenties en bijeenkomsten in Engeland en Frankrijk waarin een proces van verheldering en schifting op gang kwam, met name door de ontwikkeling van de Britse groep World Revolution (die voortkwam uit een splitsing binnen Solidarity) in de richting van de standpunten van Révolution Internationale en Internationalism. World Revolution gaf de eerste aflevering van haar tijdschrift uit in mei 1974. Maar dit proces van verheldering en schifting legde vooral de basis voor de oprichting van de IKS in januari 1975. Tijdens deze periode had Révolution Internationale het werk voortgezet van internationale discussie en briefwisseling, niet alleen met georganiseerde groepen maar ook met geïsoleerde elementen die haar pers lazen en met haar standpunten sympathiseerden. Dit werk leidde tot de oprichting van kleine kernen in Spanje en Italië rond dezelfde standpunten en die in 1974 aanvingen Acción Proletaria en Rivoluzione Internazionale uit te geven.

Zo waren tijdens de conferentie van januari 1975 Internacionalismo, Révolution Internationale, Internationalism, World Revolution, Acción Proletaria en Rivoluzione Internazionale aanwezig, die de politieke oriëntaties deelden die sinds 1964 door Internacionalismo waren ontwikkeld. Eveneens aanwezig waren Revolutionary Perspectives (dat had deelgenomen aan de conferenties van 1973-1974), de Revolutionary Workers’ Group of Chicago (waarmee Révolution Internationale en Internationalism discussies waren begonnen in 1974) en Pour Une Intervention Communiste (dat het blad Jeune Taupe uitgaf en dat was opgericht door kameraden die in 1973 Révolution Internationale verlieten [...]. Wat betreft de groep Workers’ Voice, die actief deelnam aan de conferenties van het voorafgaande jaar, het sloeg de uitnodiging voor deze conferentie af omdat het overwoog dat Révolution Internationale, World Revolution, enzovoort, burgerlijke groepen waren (!) vanwege het standpunt dat de meerderheid van hun militanten innam in het vraagstuk van de staat in de overgangsperiode van kapitalisme naar kommunisme [...]

Dit vraagstuk stond op de agenda van de conferentie van januari 1975... Maar het werd niet bediscussieerd tijdens de conferentie waar de noodzaak werd ingezien om zoveel mogelijk tijd en aandacht te besteden aan de vraagstukken die toen van veel meer belang waren:

— de analyse van de internationale situatie;

— de taken van revolutionairen daarin;

— de organisatie van de internationale stroming.

Uiteindelijk besloten de zes groepen waarvan de platformen waren gebaseerd op dezelfde oriëntaties zich te verenigen in één enkele organisatie met een internationaal centraal orgaan en een driemaandelijkse revue uit te geven in drie talen – Engels, Frans en Spaans [...] – dat de rol ging vervullen van het Bulletin de’Etude et de Discussion van Révolution Internationale. De IKS was opgericht. Zoals in de inleiding tot de eerste aflevering van de Internationale Revue werd gesteld was “een grote stap voorwaarts zojuist gezet”. De oprichting van de IKS vormde het hoogtepunt van een heel werk van contacten, discussies en confrontaties tussen de verschillende groepen die waren voortgebracht door het historisch ontwaken van de klassenstrijd. [...] Maar vooral werd zo de grondslag gelegd voor het komende, nog omvangrijker werk.”

De eerste tien jaar van de IKS: het verstevigen van een internationale pool

“Dit werk is voor onze lezers zichtbaar in de Internationale Revue en onze territoriale pers en het bevestigt wat we schreven in de inleiding bij de Internationale Revue, Engels- en Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 1:

“Sommigen zullen in overweging nemen dat de uitgave van de Revue een voorbarige actie behelst. Niets daarvan. We hebben niets gemeen met luidruchtige activisten waarvan de activiteit gegrondvest is in een voluntarisme dat net zo opgewonden als oppervlakkig is.” (1)

In de tien jaren van haar bestaan is de IKS natuurlijk vele moeilijkheden tegengekomen en moest zij vele zwakheden overwinnen, waarvan de meeste samenhingen met de breuk in de organische continuïteit met de kommunistische organisaties uit het verleden, aan het verdwijnen of de verkalking van de linkerfracties die zichzelf losmaakten uit de ontaardende Kommunistische Internationale. Zij moest ook strijd leveren tegen de verderfelijke invloed van de ontbinding en revolte van de intellectuele kleinburgerij, een invloed die na 1968 en de periode van de studentenbewegingen bijzonder sterk was. Deze moeilijkheden en zwakheden kwamen bijvoorbeeld tot uiting in verschillende splitsingen – en vooral door de belangrijke uitbarstingen die in 1981 plaatsvonden, in de IKS zowel als in het revolutionaire milieu als geheel, en dat leidde tot het verlies van de helft van onze afdeling in Groot-Brittannië. Tegenover de problemen van 1981 moest de IKS zelfs een buitengewone conferentie organiseren in januari 1982 om haar programmatische basis opnieuw vast te leggen en te preciseren, in het bijzonder in verband met de functie en structuur van de revolutionaire organisatie. Ook konden enkele van de doelen die de IKS zichzelf had gesteld niet worden bereikt. De distributie van onze pers bijvoorbeeld bleef ten achter bij wat we hadden gehoopt. [...]

Wanneer we echter een algemene balans opmaken van de laatste tien jaar, dan is het een duidelijk positieve. Dat is des te meer waar in vergelijking met andere kommunistische organisaties die na 1968 bestonden. Zo zijn de groepen van de radenistische stroming, zelfs degenen die probeerden zichzelf open te stellen voor internationaal werk zoals Informations et Correspondence Ouvrière (ICO), verdwenen dan wel in slaap gevallen: de GLAT, ICO, de Situationistische Internationale, de Spartacusbond, Root and Branch, PIC, de radenistische groepen van het Scandinavische milieu... de lijst is lang en hier zeker niet uitputtend. Voor wat betreft de organisaties die voortkwamen uit de Italiaanse Linkerzijde en die zichzelf allemaal uitriepen tot dé Partij, ze zijn niet uit hun provincialisme losgekomen of uiteengevallen en ontaard in een ultra-linkse praktijk zoals Programma (2), ofwel ze imiteren momenteel, op een kunstmatige en verwarde wijze, datgene wat de IKS tien jaar daarvoor deed, zoals het geval is met Battaglia en de Communist Workers’ Organisation. Nadat de zogenaamde Internationale Kommunistische Partij als een kaartenhuis ineen in gestort, na het fiasco van de Fomento Obrero Revolucionario (FOR) in de Verenigde Staten (de FOCUS-groep), is de IKS nog de enige kommunistische organisatie die werkelijk op internationale schaal vertegenwoordigd is.

Sinds de oprichting in 1975 heeft de IKS niet alleen haar oorspronkelijke territoriale afdelingen versterkt maar ook wortel geschoten in andere landen. Het werk van het opnemen en onderhouden van contacten, het voeren van discussie en bundeling van krachten op internationale schaal leidde tot de oprichting van nieuwe IKS-afdelingen:

– 1975: oprichting van de afdeling in België die in twee talen (Frans en Nederlands) een tijdschrift uitgaf, momenteel een krant, Internationalisme, en die de kloof opvult die ontstond door het verdwijnen in de periode na de Tweede Wereldoorlog van de Belgische Fractie van de Internationale Kommunistische Linkerzijde.

– 1977: oprichting van de kern in Nederland, die de uitgave begon van het tijdschrift Wereldrevolutie. Dit was bijzonder belangrijk in een land dat het thuisland van het radenisme was.

– 1978: oprichting van de afdeling in Duitsland die de uitgave begon van de Internationale Revue in het Duits en het jaar daarop van het territoriale tijdschrift Weltrevolution. De aanwezigheid van een kommunistische organisatie in Duitsland is vanzelfsprekend van het grootste belang door de plaats die het Duitse proletariaat in de geschiedenis heeft ingenomen en in de rol die het in de toekomst weer zal gaan spelen.

– 1980: oprichting van de afdeling in Zweden die het tijdschrift Internationell Revolution uitgeeft [...]

Wanneer we het contrast benadrukken tussen de betrekkelijke succes van onze stroming en de mislukking van andere organisaties dan is het omdat dit de geldigheid duidelijk maakt van de oriëntaties die we naar voren hebben gebracht in twintig jaar van werk voor krachtenbundeling van revolutionairen, voor de uitbouw van een kommunistische organisatie. Het is onze verantwoordelijkheid om deze oriëntaties duidelijk te maken voor het kommunistische milieu als geheel.”

De belangrijkste lering uit de eerste tien jaar van de IKS

De grondslagen van waarop onze stroming dit werk van krachtenbundeling heeft ondernomen, zelfs voorafgaand aan haar formele oprichting, zijn niet nieuw. In het verleden vormden ze altijd de pilaren voor dit soort van werk. We kunnen ze als volgt samenvatten:

— de noodzaak om revolutionaire activiteit te baseren op de verworvenheden uit het verleden van vroegere kommunistische organisaties; de huidige organisatie te zien als een schakel in de keten van vroegere en toekomstige organen van de klasse;

— de noodzaak om kommunistische standpunten en analyses niet als een dood dogma te beschouwen maar als een levend programma dat voortdurend wordt verrijkt en uitgediept;

— de noodzaak om gewapend te zijn met een heldere en stevige opvatting over de revolutionaire organisatie, van zijn structuur en functie binnen de klasse.”

Deze lering die we tien jaar geleden trokken (en die verder is uitgewerkt in de Internationale Revue, Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave, nr. 40, waarnaar we onze lezers graag verwijzen) blijft momenteel natuurlijk geldig en onze organisatie streeft er voortdurend naar om ze in praktijk om te zetten. Maar terwijl tijdens de eerste tien jaar van haar bestaan haar centrale taak bestond uit het bouwen van een internationale pool voor de bundeling van revolutionaire krachten, bestond in de daaropvolgende periode haar belangrijkste verantwoordelijkheid uit het doorstaan van een aantal vuurproeven die voortkwamen uit de uitbarstingen die zich voordeden in met name de internationale situatie.

Vuurproeven

Tijdens het Zesde Congres van de IKS dat in november 1985 werd gehouden, enkele maanden na het tienjarig jubileum van de IKS schreven we:

“Aan het begin van de jaren 1980 werden deze door de IKS gekarakteriseerd als “de jaren der waarheid”; jaren waarin de belangrijkste inzet voor het geheel van de maatschappij in al zijn omvang zou worden blootgelegd. Halverwege dit decennium heeft de ontwikkeling van de internationale situatie deze analyse volledig bevestigd:

— door een nieuwe verergering van de stuiptrekkingen van de wereldeconomie die te voorschijn kwam vanaf het begin van de jaren 1980 in de ernstigste recessie sinds de jaren 1930;

— door de verscherping van de spanningen tussen de imperialistische blokken in dezelfde periode en die tot uiting kwam in een aanzienlijke toename van de militaire uitgaven en in de ontwikkeling van oorverdovende oorlogscampagnes met Reagan, het hoofd van het machtigste blok, als spreekbuis;

— door de heropleving van de klassenstrijd in de tweede helft van 1983 na een tijdelijke teruggang van 1981 tot 1983 net voor en vooral na de onderdrukking van de arbeiders in Polen. Deze heropleving werd gekenmerkt door een tot op heden ongekende gelijktijdigheid van de strijd in vooral de vitale centra van het kapitalisme en van de arbeidersklasse in West-Europa.” (Resolutie over de internationale situatie, Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 44; en Wereldrevolutie, nr. 28).

Dit raamwerk bleek geldig tot aan het einde van de jaren 1980 hoewel de bourgeoisie alles deed wat in haar vermogen lag om het ‘herstel’ van 1983 tot 1990, dat wil zeggen op basis van het in diepe schulden verzinken van wereldmacht nummer één, voor te stellen als het ‘definitieve einde’ van de crisis. Feiten zijn, zoals Lenin zei, koppig, en omdat sinds het begin van de jaren 1990 de kunstjes van het kapitalisme leidden tot een open recessie die nog langer en brutaler was dan de voorafgaande werd de euforie van de gemiddelde bourgeois omgezet in diepgaande somberheid.

Met de golf van arbeidersstakingen, die met momenten van teruggang en momenten van grotere intensiteit in 1983 begon en die tot 1989 standhield, werd de bourgeoisie eveneens gedwongen om allerlei vormen van basis-syndicalisme naar voren te schuiven (zoals ‘coördinaties’) om de toenemende ongeloofwaardigheid van de officiële vakbondsstructuren op te vangen.

Maar één aspect van dit raamwerk werd in 1989 op dramatische wijze ter discussie gesteld; dat van de imperialistische conflicten. Niet dat de marxistische theorie plotseling fout bleek doordat dergelijke conflicten te boven werden gekomen, maar het was veeleer doordat één van de twee belangrijkste protagonisten van zulke conflicten, het Oostblok, op dramatische wijze ineenstortte. Wat we de jaren der waarheid hadden genoemd bleek fataal voor een abnormaal regime, dat opgebouwd was op de ruïne van de revolutie van 1917, net als voor het blok dat het overheerste. Een historische gebeurtenis van een dergelijke draagwijdte die de wereldkaart veranderde schiep een nieuwe, in de geschiedenis ongekende situatie op het vlak van de imperialistische conflicten. Deze namen tot dan toe ongekende vormen aan en revolutionairen hebben een verantwoordelijkheid om die te begrijpen en te analyseren.

Tegelijkertijd deelden deze stuiptrekkingen, waardoor vooral de landen werden getroffen die zichzelf voordeden als ‘socialistisch’, een harde klap uit tegen het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeidersklasse die de ergste teruggang doormaakten sinds de historische heropleving aan het eind van de jaren 1960.

De internationale situatie van de laatste tien jaren dwong de IKS dus de volgende uitdagingen aan te gaan:

— een actieve factor te vormen in de klassenstrijd die plaatsvond tussen 1983 en 1989;

— de betekenis te begrijpen van de gebeurtenissen van 1989 en de gevolgen daarvan op het vlak van de imperialistische conflicten en op dat van de klassenstrijd;

— meer in het algemeen het raamwerk te ontwikkelen voor het begrip van de periode in de geschiedenis van het kapitalisme waarvan de ineenstorting van het Oostblok de eerste grote manifestatie was.

Een actieve factor in de klassenstrijd

Na het Zesde Congres van de afdeling in Frankrijk (de grootste afdeling van de IKS), dat in 1984 werd gehouden, en het Zesde Congres van de IKS stond dit vraagstuk bovenaan de agenda. Maar de inspanning die onze internationale organisatie maandenlang deed om haar verantwoordelijkheden tegenover de klasse op te nemen botste op de vasthoudendheid binnen haar gelederen waarmee de functie van de revolutionaire organisatie werd onderschat als actieve factor in de klassenstrijd. De IKS identificeerde deze opvattingen als het resultaat van een centristisch afglijden in de richting van het radenisme. Dit was vooral het product van de historische omstandigheden waarin zij was gesticht doordat onder de groepen en elementen die aan de oprichting deelnamen er een sterk wantrouwen bestond tegenover alles wat op stalinisme leek. In overeenstemming met het radenisme neigden deze elementen er toe om het stalinisme, de opvattingen van Lenin over het organisatievraagstuk, en zelfs het hele idee van de proletarische partij op één grote hoop te gooien. In de jaren 1970 had de IKS een kritiek gemaakt van de stalinistische opvattingen maar was daarin niet ver genoeg gegaan hetgeen op sommige delen van de organisatie bleef doorwegen. Toen aan het eind van 1983 de strijd tegen de overblijfselen van het radenisme begon weigerden een aantal kameraden de realiteit van hun radenistische zwakheden onder ogen te zien en beeldden zij zich in dat de IKS een ‘heksenjacht’ was begonnen. Om de gestelde problemen te ontlopen, dat van centrisme naar radenisme, ‘ontdekten’ ze dat centrisme in de vervalperiode van het kapitalisme niet langer kan bestaan (3). Bovenop dit politieke onbegrip kwam bij deze kameraden, meest intellectuelen die niet bereid waren kritiek te aanvaarden, een gevoel van gekrenkte trots en ontwikkelden ze ‘solidariteit’ met hun vrienden waarvan ze vonden dat die oneerlijk waren ‘aangevallen’. Zoals we uiteenzetten in de Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgaven, nr. 45, vormde dit een soort van herhaling van het Tweede Congres van de Sociaal-democratische Arbeiderspartij van Rusland, waarin, door centrisme op het organisatorische vlak en door het gewicht van de kliekjesgeest – wat betekende dat gevoelsverwantschap de overhand kreeg over politieke betrekkingen – de Mensjewieken afsplitsten. De ‘tendens’ die werd gevormd sloeg tijdens het Zesde Congres van de IKS dezelfde weg in om vervolgens een nieuwe organisatie op te richten, de Externe Fractie van de IKS (EFIKS). Toch is er een groot onderscheid tussen de fractie van de Mensjewiki en die van de EFIKS. De eerste vaarde wel bij het bijeenbrengen van de meest opportunistische stromingen van de Russische sociaal-democratie en eindigde in het burgerlijke kamp, terwijl de EFIKS ineenstortte, zich steeds meer gedeisd hield en haar publicatie, International Perspectives, met steeds groter tussenpozen uitgaf. Uiteindelijk verwierp de EFIKS het platform van de IKS, hoewel voor haar oprichting als belangrijkste reden de verdediging was opgegeven van dit platform, dat volgens hen door de ontaardende IKS geleidelijk werd verraden.

Terwijl IKS tegelijkertijd intern tegen de overblijfselen van het radenisme streed nam zij actief deel aan de strijd van de arbeidersklasse zoals blijkt uit onze territoriale pers uit die periode. Ondanks haar geringe krachten was onze organisatie aanwezig in de verschillende gevechten. Zij verspreidde niet alleen haar pers en vlugschriften, maar nam waar mogelijk ook direct deel aan de arbeidersvergaderingen om de noodzaak te verdedigen tot uitbreiding van de strijd en van arbeiderscontrole erover buiten de verschillende vakbondsvormen om; de ‘officiële’ vakbeweging en de ‘vakbondsbasis’. In Italië, tijdens de onderwijsstaking in 1987, had de tussenkomst van onze kameraden een niet geringe invloed binnen de COBAS, (basis-comités) waar ze actief waren voordat deze met de teruggang van de beweging werden overgenomen door de ‘basis’-vakbonden. Een van de beste aanwijzingen dat onze standpunten in deze periode invloed onder de arbeiders begonnen uit te oefenen was dat de IKS voor sommige van de ultra-linkse groepen een bijzonder object van haat begon te worden. Dit was vooral het geval in Frankrijk waar ten tijde van de spoorwegstaking aan het einde van 1986 en van de staking in de gezondheidszorg in de herfst van 1988 de trotskistische groep Lutte ouvrière haar ‘gespierde mannen’ op de been bracht om onze militanten te beletten het woord te voeren in de vergaderingen waartoe was opgeroepen door de ‘coördinaties’. Tevens namen IKS-militanten actief deel aan meerdere strijdgroepen, en vaak vormden ze er de ziel van, die arbeiders bijeenbrachten die de noodzaak aanvoelden om buiten de vakbonden om bijeen te komen om de strijd voort te stuwen.

We moeten de invloed die revolutionairen, en onze organisatie in het bijzonder, op de arbeidersstrijd tussen 1983 en 1989 uitoefenden, natuurlijk niet ‘overdrijven’. De beweging bleef in het algemeen gevangen binnen de vakbondsideologie, waarbij de ‘basis’-versie het dirigeerstokje van de officiële vakbonden overnam zodra die al te ongeloofwaardig werden. Onze invloed gold bijzondere momenten en was hoe dan ook beperkt door onze nog altijd geringe krachten. Maar de lering die we uit deze ervaring moeten trekken is dat wanneer de strijd tot ontwikkeling komt revolutionairen een echo vinden als ze erbij zijn omdat de standpunten die ze verdedigen een antwoord geven op de vragen die de arbeiders zich stellen. En daartoe is het geenszins nodig dat zij ‘hun vlag verbergen’ of de geringste toegeving doen aan de illusies die nog altijd kunnen doorwegen op het bewustzijn van de arbeiders, vooral in het vraagstuk van de vakbeweging. Dit is een geldige les voor alle revolutionaire groepen die vaak worden verlamd zodra ze worden geconfronteerd met de strijd omdat daarin nog niet de kwestie wordt gesteld van de omverwerping van het kapitalisme en ze zich bijgevolg verplicht voelen om met ‘basis’-structuren te werken om ‘gehoor’ te vinden en daarmee juist geloofwaardigheid verlenen aan die kapitalistische organen.

Het belang van de gebeurtenissen uit 1989

Net zo goed als het de verantwoordelijkheid van revolutionairen is om ‘op de vloer’ aanwezig te zijn als er arbeidersstrijd wordt geleverd, zo dienen ze ook voortdurend in staat te zijn om de arbeidersklasse als geheel een duidelijk raamwerk van analyse te bieden over wat er in de wereld aan de hand is.

Een belangrijk onderdeel van deze taak bestaat uit het begrijpen van de innerlijke economische tegenstellingen die het kapitalistische systeem aantasten. Revolutionaire groepen die niet in staat blijken om het onoplosbaarheid aan te tonen van de crisis waarin het systeem verdrinkt laten daarmee zien dat ze de marxistische traditie waarop ze zich beroepen niet hebben begrepen en dat ze nutteloos zijn van de arbeidersklasse. Dat is het geval met bijvoorbeeld een groep als Fomento Obrero Revolucionario (FOR) die zelfs weigerde te erkennen dat er een crisis was. Haar blik was zozeer gericht op de bijzondere karaktertrekken van de crisis van 1929 dat ze jarenlang de hele bewijslast naast zich neerlegden... totdat zij in het niets verdween.

De revolutionairen dienen ook in staat te zijn de afzonderlijke stappen te beoordelen die de beweging van de klasse heeft gezet; de ogenblikken te onderkennen wanneer het vooruitgaat maar ook die van teruggang. Deze taak bepaalt de aard van de tussenkomst onder de arbeiders want als de beweging voorwaarts gaat is het hun verantwoordelijkheid die zover mogelijk voort te stuwen en vooral tot uitbreiding op te roepen. Bij een teruggang komt een oproep to strijd er op neer hen aan te zetten tot geïsoleerde strijd en een oproep tot uitbreiding komt dan neer op een uitbreiding... van de nederlaag. Heel vaak is het juist op zulke momenten dat de vakbonden tot uitbreiding oproepen.

Tenslotte vormt ook het volgen en begrijpen van de verschillende imperialistische conflicten voor kommunisten een verantwoordelijkheid van de bovenste plank. Een vergissing op dit vlak kan dramatische gevolgen hebben. Aan het eind van de jaren 1930 bijvoorbeeld geloofde de meerderheid van de Italiaanse Kommunistische Fractie, met Vercesi als gangmaker op kop, dat de verschillende oorlogen in die periode, met name de oorlog in Spanje, geenszins een algemeen conflict inleidden. Het uitbreken van de Wereldoorlog in september 1939 sloeg de Fractie volledig kreupel en het duurde verscheidene jaren voordat deze in staat was weer actief te worden in het zuiden van Frankrijk en militant werk te beginnen.

Voor wat betreft de huidige periode was het buitengewoon belangrijk om helder te zijn over de gebeurtenissen die plaatsvonden in de zomer en herfst van 1989 in de landen van het Oostblok. De IKS zelf kwam in het midden van de zomer, als het doorgaans ‘komkommertijd’ is, op de been om de gebeurtenissen te begrijpen toen Solidarnosc in Polen in de regering kwam (4). Zij nam het standpunt in dat de gebeurtenissen in Polen er een teken waren dat al de Europese stalinistische regimes aan het begin stonden van een crisis van ongekende diepgang: “Het vooruitzicht voor al de stalinistische regimes is... geenszins een ‘vreedzame democratisering’ of een ‘herstel’ van de economie. Met de verscherping van de wereldcrisis van het kapitalisme staan deze landen aan het begin van een periode van opschudding, van zelfs in hún verleden, dat ‘rijk’ is aan geweldadige uitbarstingen, ongekende omvang” (Internationale Revue, Engels-, Frans en Spaanstalige uitgave, nr. 59, Kapitalistische uitbarstingen en arbeidersstrijd). Dit idee werd verder uitgewerkt in de Stellingen over de economische en politieke crisis in de Sovjet-Unie en de landen van het Oostblok, opgesteld op 15 september (bijna twee maanden voor de val van de Berlijnse muur) en door de IKS aangenomen in het begin van oktober. In deze stellingen lezen we:

“[...] omdat de gewapende macht nagenoeg de enige samenbindende factor binnen het Russische blok is, dreigt elke politiek die dit feit naar de achtergrond wil drukken automatisch het bestaan van het blok. Nu al is het Oostblok in een vergaande staat van ontwrichting. Bijvoorbeeld, de schelpartijen die worden uitgewisseld tussen Oost-Duitsland en Hongarij, tussen ‘reformistische’ en ‘conservatieve’ regeringen, zijn niet alleen verlakkerij. Het laat de groter wordende kloof zien die tussen de verschillende nationale bourgeoisieën bestaan. In dit gebied zijn de middelpuntvliedende tendensen zo sterk dat ze aan de controle ontsnappen zodra ze daartoe te kans krijgen. [...]

We vinden eenzelfde verschijnsel in de republieken aan de rand van de Sovjet-Unie. Deze regio’s zijn min of meer koloniën van het tsaristische en zelfs stalinistische Rusland (zoals de Baltische republieken, die in 1939, onder het Duits-Russische pact, geannexeerd werden). Maar in tegenstelling tot andere grootmachten is Rusland nooit in staat geweest te dekoloniseren, omdat dat het verlies van iedere controle over deze gebieden, waarvan sommige van vitaal belang zijn voor de economie, zou betekenen. De nationalistische bewegingen die nu profiteren van het verslappen van het centrale gezag van de partij, ontwikkelen zich meer dan een halve eeuw later dan de bewegingen die de Britse en Franse rijken troffen; hun dynamiek gaar naar afscheiding van Rusland. [punt 18]. [...]

Maar hoe de situatie in het Oostblok zich ook ontwikkelt, de gebeurtenissen van dit moment betekenen de historische crisis van het systeem, de definitieve ineenstorting van het stalinisme [...] In deze landen is een periode van ongekende instabiliteit, stuiptrekkingen en chaos begonnen, waarvan de gevolgen veel verder reiken dan haar grenzen. Met name de voortgaande verzwakking van het Russische blok zal de deur openzetten voor destabilisatie van het hele systeem van internationale betrekkingen en imperialistische constellaties, zoals dat bestaan heeft sinds de Tweede Wereldoorlog en de Yalta-overeenkomsten. [punt 20]” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 60; Nederlandstalige uitgave, nr. 12).

Enkele maanden later (in januari 1990) werd dit laatste idee nauwkeuriger geformuleerd:

“De geo-politieke samenstelling van de wereld zoals die sinds de Tweede Wereldoorlog in stand bleef is volledig ondersteboven gegooid door de gebeurtenissen in de tweede helft van 1989. Er bestaan niet langer twee imperialistische blokken die de wereld onder elkaar verdelen. Het is overduidelijk [...] dat het Oostblok niet langer bestaat [...].

Betekent het verdwijnen van het Oostblok dat het kapitalisme niet langer zou zijn onderworpen aan imperialistische confrontaties? Een dergelijke hypothese is volkomen vreemd aan het marxisme [...] De ineenstorting van dit blok kan momenteel op geen enkele wijze een nieuwe geloofwaardigheid verlenen aan een dergelijke analyse: deze ineenstorting zal uiteindelijk het uiteenvallen met zich meebrengen van het Westerse Blok [...] Het verdwijnen van de Russische imperialistische politieagent en de komende verdwijning van de Amerikaanse politieagent, waar het zijn voormalige ‘partners’ betreft, opent de deur voor de ontketening van een hele reeks van locale rivaliteiten. Voorlopig kunnen deze rivaliteiten niet ontaarden in een wereldoorlog [...] Maar met het verdwijnen van de discipline die door de blokken werd opgelegd neigen deze conflicten ertoe vaker uit te breken en gewelddadiger te worden, en vanzelfsprekend vooral in die gebieden waar het proletariaat het zwakst is [...]

Het verdwijnen van de twee belangrijkste imperialistische constellaties die voortkwamen uit de Tweede Wereldoorlog brengt de tendens met zich mee naar de vorming van twee nieuwe blokken. Maar die situatie staat nog niet op de dagorde.” (Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 61, Na de ineenstorting van het Oostblok, destabilisatie en chaos).

De gebeurtenissen sindsdien, vooral de crisis en de oorlog in de Golf in 1990-1991, hebben onze analyse enkel bevestigd (5). Momenteel vormt de hele wereldsituatie, en vooral wat er gebeurt in voormalig Joegoslavië, een verpletterend bewijs voor het volledig verdwijnen van alle imperialistische blokken, terwijl sommige Europese landen, vooral Frankrijk en Duitsland, moeizaam proberen om de vorming van een nieuw blok, gebaseerd op de Europese Economische Gemeenschap, te bevorderen, en dat in staat zou moeten zijn om in te gaan tegen de macht van de Verenigde Staten.

Ook met betrekking tot de ontwikkeling van de klassenstrijd werd in de Stellingen van 1989 stelling genomen:

“Zelfs in zijn doodsstrijd verleent het stalinisme nog een laatste dienst aan de heerschappij van het kapitaal: terwijl het tot ontbinding komt verpest zijn kadaver nog steeds de lucht die het proletariaat inademt. [...] We moeten dan ook een tijdelijke teruggang verwachten in het bewustzijn van het proletariaat. [...] Vooral de reformistische ideologie zal in de komende periode zwaar doorwegen op de strijd en dit zal het ingrijpen van de vakbonden veel gemakkelijker maken.

Gegeven het historisch belang van de gebeurtenissen die haar bepalen zal de huidige teruggang van het proletariaat – hoewel dit de historische koers niet ter discussie stelt, het algemene vooruitzicht op klassenconfrontaties – veel diepgaander zijn dan die welke gepaard ging met de nederlaag van 1981 in Polen” (punt 22).

Nogmaals, de laatste vijf jaren hebben deze voorspelling overduidelijk laten uitkomen. Sinds 1989 zijn we getuige geweest van de belangrijkste teruggang van de arbeidersklasse sinds de historische wederopstanding aan het eind van de jaren 1960. Revolutionairen moesten op deze omstandigheden zijn voorbereid om hun tussenkomst dienovereenkomstig te kunnen aanpassen en vooral niet ‘het kind met het badwater weg te gooien’ door de lange teruggang te houden voor een definitief onvermogen om strijd te leveren tegen het kapitalisme of die verder tot ontwikkeling te brengen. In het bijzonder mogen de tekenen van hernieuwde strijdbaarheid van de arbeiders, vooral in de herfst van 1992 in Italië en in de herfst van 1993 in Duitsland (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 72 en 75) nóch worden overschat (gezien de omvang van de proletarische teruggang), nóch onderschat, omdat ze de voorlopers zijn van een onvermijdelijke herstel van de strijd en ontwikkeling van klassenbewustzijn in al de geïndustrialiseerde landen.

Het marxisme is een wetenschappelijke methode. Maar in tegenstelling tot de natuurwetenschappen kan het zijn theorieën niet verifiëren in de omstandigheden van een laboratorium of door zijn observatietechnologie te verbeteren. Het ‘laboratorium’ van het marxisme bestaat uit de sociale werkelijkheid en het toont zijn geldigheid aan door zijn vermogen om de ontwikkeling van die werkelijkheid te voorzien. Het feit dat de IKS in staat was om vanaf eerst de symptomen van de ineenstorting van het Oostblok de belangrijkste gebeurtenissen die de wereld in de vijf daaropvolgende jaren door elkaar schudden te voorspellen kan niet worden afgedaan als een bijzondere begaafdheid voor het lezen van koffiedik of astrologische tabellen. Het is gewoonweg een bewijs van het vasthouden door de IKS aan de marxistische methode, en dat is verantwoordelijk voor de juistheid van onze voorspellingen.

Dit gezegd hebbende volstaat het niet zichzelf tot marxist uit te roepen om de methode met goed gevolg te kunnen hanteren. Ons vermogen om snel te begrijpen wat in de wereldsituatie op het spel stond volgt uit de toepassing van de methode die we overnamen van Bilan, wat we tien jaar geleden omschreven als één van de belangrijkste lessen uit onze ervaring: de noodzaak de verworvenheden uit het verleden goed vast te houden, de noodzaak om kommunistische standpunten en analyses te zien als een levend programma, niet een dood dogma.

De Stellingen van 1989 begonnen in de eerste tien punten met het bevestigen van het raamwerk dat onze organisatie had aangenomen in het begin van de jaren 1980, na de gebeurtenissen in Polen, om de karakteristieken te begrijpen van de landen van het Oostblok. Het was deze analyse die ons in staat stelde aan te tonen dat de stalinistische regimes van het Oostblok aan hun eind waren gekomen. En het was een veel oudere verworvenheid van de arbeidersbeweging (vooral duidelijk gemaakt door Lenin tegenover Kautsky) – dat één imperialistisch blok alleen niet kan bestaan – dat ons mogelijk maakte te verklaren dat het einde van het Oostblok eveneens de weg opende voor de verdwijning van het Westerse Blok.

Evenzo moesten we, om te begrijpen wat er gebeurde, het schema ter discussie stellen dat meer dan veertig jaar lang geldig was gebleven: de verdeling van de wereld in een Westers Blok geleid door de Verenigde Staten, en een Oostblok geleid door de Sovjet-Unie. We moesten ook in staat zijn om te begrijpen dat het Rusland zoals het sinds Peter de Grote geleidelijk was opgebouwd het verlies van zijn imperium niet zou overleven. Nogmaals, het is geen bijzondere verdienste om in staat te zijn de schema’s van het verleden ter discussie te stellen. We hebben die benadering niet uitgevonden. Het is ons geleerd door de ervaring van de arbeidersbeweging, en dan vooral door zijn belangrijkste strijders: Marx, Engels, Rosa Luxemburg, Lenin...

Tenslotte, om de opschudding aan het eind van de jaren 1980 te begrijpen moest die worden geplaatst in een algemene analyse van het huidige stadium van het verval van het kapitalisme.

Het raamwerk om de huidige periode van het kapitalisme te begrijpen

Dat is het werk waarmee we in 1986 begonnen, met het idee dat we een nieuwe fase in het kapitalistisch verval waren binnengegaan: dat van de ontbinding van het systeem. Deze analyse werd in het begin van 1989 in de volgende woorden uiteengezet:

“Tot op heden kon de strijd van de klasse zoals die in alle hoeken van de aardbol tot ontwikkeling kwam het decadente kapitalisme ervan afhouden zijn eigen antwoord te geven om het doodlopen van zijn economie: de ultieme vorm van zijn barbarij, een nieuwe wereldoorlog. Maar de arbeidersklasse is nog niet in staat zijn eigen perspectief door haar eigen revolutionaire strijd te bekrachtigen, of zelfs maar de toekomst die ze in zich draagt voor de rest van de samenleving duidelijk te maken.

Het is juist in deze tijdelijke patstelling, waarin voorlopig nóch het burgerlijke nóch het proletarische alternatief openlijk naar de oppervlakte kan komen, dat de oorzaak ligt van de verrotting van het kapitalisme, en die de tomeloze barbarij in het decadente kapitalisme verklaart. En deze verrotting wordt nog versneld door de meedogenloze verscherping van de economische crisis” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 57, De ontbinding van het kapitalisme).

Zodra de ineenstorting van het Oostblok duidelijk werd plaatsten we deze gebeurtenis natuurlijk in het raamwerk van de ontbinding:

“In werkelijkheid is de ineenstorting van het Oostblok opnieuw een teken van de ontbinding van de kapitalistische maatschappij waarvan de oorsprong ligt in precies het onvermogen van de bourgeoisie om haar eigen antwoord te geven op de open crisis van de wereldeconomie; de imperialistische oorlog.” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 60; Nederlandstalige uitgave, nr. 12, Stellingen, punt 20).

“Doordat de bourgeoisie de controle over de situatie is kwijtgeraakt is het niet zeker dat haar heersende sectoren nu in staat zullen zijn om de discipline en coördinatie op te leggen die voor het opnieuw samenstellen van militaire blokken nodig is [...] Daarom moeten wij er in onze analyse de nadruk op leggen dat terwijl de proletarische oplossing – de kommunistische revolutie – als enige in staat is de vernietiging van de mensheid (het enige antwoord dat de bourgeoisie kan geven op te crisis) tegen te gaan, deze vernietiging is niet noodzakelijk het resultaat van een Derde Wereldoorlog. Hij kan ook tot standkomen als logische en uiterste consequentie van het proces van ontbinding.

[...] de voortgaande en toenemende verrotting van de kapitalistische maatschappij zal nog rampzaliger effecten hebben op het klassenbewustzijn dan in de jaren 1980. Het drukt op het geheel van de maatschappij met een algemeen gevoel van wanhoop; de bedorven stank van de wegrottende burgerlijke ideologie vergiftigt dezelfde lucht die het proletariaat inademt. Tot aan de pre-revolutionaire situatie zal dit verdere moeilijkheden opwerpen voor de ontwikkeling van het klassenbewustzijn” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 61, Na de ineenstorting van het Oostblok, destabilisatie en chaos).

Door onze analyse van de ontbinding kunnen we dus de ernst beklemtonen van wat er in de huidige historische situatie op het spel staat. Dat brengt ons er vooral toe er de nadruk op te leggen dat de weg van het proletariaat naar de kommunistische revolutie veel zwaarder zal zijn dan revolutionairen in het verleden dachten. Dat is nog een les die we moeten trekken uit de ervaring van de IKS van de laatste tien jaar, en wel een die de zorg van Marx in de negentiende eeuw in de herinnering roept: dat revolutionairen er niet toe geroepen zijn de arbeidersklasse te troosten, maar in tegendeel juist zowel de absolute noodzaak als de problemen van haar strijd moeten benadrukken. Alleen met een helder bewustzijn over die moeilijkheden kan het proletariaat (en daarmee de revolutionairen) ontmoediging bij tegenslag uit de weg te gaan en de kracht en helderheid vinden om de versperringen op de weg naar de omverwerping van de uitbuitingsmaatschappij op te ruimen (6).

In deze beoordeling van de laatste tien jaar van de IKS kunnen we niet voorbijgaan aan twee belangrijke elementen van ons organisatorisch bestaan.

Het eerste is een heel positieve: het is de uitbreiding van de territoriale aanwezigheid van de IKS, door de oprichting van een kern in India die Communist Internationalist uitgeeft in het Hindi, en van een nieuwe afdeling met zijn publicatie Revolucion Mundial in Mexico, een land van het grootste belang in Latijns Amerika.

Het tweede feit is verdrietiger: het overlijden van onze kameraad Marc op 20 december 1990. We zullen hier niet ingaan op de vitale rol die hij heeft gespeeld in de vorming van de IKS, en eerder in de strijd van de links-kommunistische fracties tijdens de donkerste uren van de contra-revolutie. Een lang artikel (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 65-66) heeft dat al behandeld. Laten we alleen zeggen dat terwijl de uitbarstingen van het wereldkapitalisme sinds 1989 een ‘vuurproef’ vormden voor de IKS net als voor het milieu als geheel, het verlies van onze kameraad voor ons een andere ‘vuurproef’ vormde. Veel groepen in de geschiedenis van het kommunisme overleefden de dood van hun belangrijkste inspirator niet. Dat was bijvoorbeeld het geval met de FOR. Sommige ‘vrienden’ voorspelden ook vanuit een diepe ‘betrokkenheid’ dat de IKS zonder Marc niet zou overleven. Maar de IKS bestaat nog altijd en bleef vier jaar op koers ondanks de stormen waarin zij terechtkwam.

Ook hier schrijven we geen bijzondere verdiensten aan onszelf toe: de revolutionaire organisatie bestaat niet dankzij één van haar militanten, hoe waardevol die ook is. Zij is het historisch product van het proletariaat, en als zij er niet in slaagt het overlijden van één van haar militanten te overleven dan komt dat doordat zij heeft gefaald in het correct opnemen van de verantwoordelijkheid die de klasse haar gaf en omdat, in zekere zin, de militant zelf faalde. Als de IKS met goed gevolg de beproevingen waarmee het werd geconfronteerd doorstond, dan is dat vooral omdat zij altijd probeerde vast te houden aan de ervaringen van de kommunistische organisaties die aan haar voorafgingen en door haar rol eerder te zien in een strijd van de lange adem dan een strijd voor ‘onmiddellijk succes’. Sinds de negentiende eeuw was dit de benadering van de helderste en degelijkste revolutionaire militanten: we spiegelen ons aan hen, en voor een groot deel is het onze kameraad Marc die ons dat leerde. Hij leerde ons door zijn voorbeeld ook de betekenis van militante toewijding zonder welke een revolutionaire organisatie niet kan overleven, hoe helder ze ook moge zijn:

“Zijn grootste trots lag niet in de buitengewone bijdrage die hij leverde, maar in het feit dat hij met heel zijn wezen trouw was gebleven aan de strijd van het proletariaat. Ook dit is een kostbare les voor de nieuwe generaties van militanten die nooit de gelegenheid hebben gehad de immense toewijding aan de revolutionaire zaak van vroegere generaties te ervaren. Het is vooral in deze geest dat we hopen de strijd voort te zetten. Hoewel we zijn waakzame en scherpzinnige, warme en hartstochtelijke aanwezigheid nu ontberen zijn we vastbesloten om door te gaan.” (Marc, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 66).

Noten

(1) Het feit dat we nu aflevering 80 van de Internationale Revue uitgeven laat zien dat er een ononderbroken regelmaat kon worden gehandhaafd.

(2) In het begin van de jaren 1980 gaf PCI-Programma haar blad de nieuwe naam Combat. Combat gleed snel weg in een ultra-linkse praktijk. Sindsdien hebben enkele elementen van de groep de uitgave van Programma Comuniste weer ter hand genomen, waarin klassiek-bordigistische standpunten worden verdedigd.

(3) Over dit onderwerp zie de artikelen in de Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 41 en 45. Zie ook Het gevaar van het Radenisme, in Wereldrevolutie, nr. 26; Resolutie over opportunisme en centrisme in de vervalperiode, in Wereldrevolutie, nr. 29; en Naar een politieke strijdorganisatie, in Internationalisme, nr. 104, samengevat in Wereldrevolutie, nr. 28.

(4) Het moet worden gezegd dat nagenoeg alle groepen van het proletarisch milieu nauwelijks in staat waren de gebeurtenissen van 1989 te begrijpen, zoals we duidelijk maakten in de artikelen De wind uit het oosten en het antwoord van revolutionairen, en Tegenover de opschudding in het oosten, een voorhoede die te laat kwam, in Internationale Revue, Engels, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 61 en 62. De prijs gaat ongetwijfeld naar de EFIKS (die op grond van de veronderstelde ontaarding van de IKS en van haar onvermogen om enig theoretisch werk tot een goed einde te brengen deze had verlaten): het kostte de EFIKS twee jaar om zich er rekenschap van af te leggen dat het Oostblok was verdwenen (zie het artikel Wat is het nut van EFIKS?, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70).

(5) We deden verslag van deze gebeurtenissen in de Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 64-65. Vooral, zelfs voorafgaande aan ‘Woestijnstorm’, schreven we: “In de nieuwe historische periode die we zijn binnengegaan, en de gebeurtenissen in de Golf hebben dit bevestigd, doet de wereld zich voor als een immense boksring, waarin de tendens van ‘ieder voor zich’ tot het uiterste wordt doorgevoerd, en waarin de bondgenootschappen tussen de staten gedomineerd worden door de onmiddellijke behoeften van het moment en bij lange na niet de stabiliteit zullen kennen die de imperialistische blokken kenmerkte. Een wereld van moordende wanorde, van bloedige chaos waarin de Amerikaanse politieagent zal trachten een minimum aan orde te garanderen door steeds massaler en wreder militair ingrijpen.” (Militarisme en ontbinding, in Internationale Revue, Engels-, Frans en Spaanstalige uitgave, nr. 64; Nederlandstalige uitgave, nr. 13). Evenzo verwierpen we het idee opgeworpen door ultra-linksen, maar gedeeld door de meeste van de groepen van het proletarisch milieu, dat de oorlog in de Golf een “oorlog om olie” was (zie Het proletarisch politieke milieu tegenover de Golf-oorlog, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 64; Nederlandstalige uitgave, nr. 13).

(6) Het is hier niet noodzakelijk onze analyse van de ontbinding uitvoeriger te herhalen. Hij is te vinden in al onze teksten over de internationale situatie. We voegen slechts toe dat, door een diepgaand debat in heel de organisatie, deze analyse geleidelijk steeds nauwkeuriger is geformuleerd (zie daarover onze teksten De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme, Militarisme en ontbinding, en Naar de grootste chaos uit de geschiedenis, in achtereenvolgens Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 62, 64 en 68, de eerste twee ook in de Nederlandstalige uitgave, nr. 13).