Fractie of nieuwe partij?

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

In de drie voorgaande artikelen hebben wij laten zien hoe de strijd van de arbeidersklasse het kapitaal dwong om de Eerste Wereldoorlog te beëindigen. Om een uitbreiding van de revolutionaire strijd te voorkomen, deed het kapitaal alles wat in haar vermogen lag om de arbeidersklasse in Duitsland te scheiden van die in Rusland en verdere radicalisering te saboteren. In dit artikel willen we laten zien hoe de revolutionairen in Duitsland door het verraad van de sociaal-democratie werden geconfronteerd met de kwestie van de opbouw van de organisatie.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was alleen mogelijk, omdat de meerderheid van de partijen van de Tweede Internationale zich onderworpen hadden aan de belangen van hun nationale kapitalen. Toen de vakbonden eenmaal, zonder aarzelen, deelnamen aan de ‘heilige alliantie’ met het nationale kapitaal, kwam de goedkeuring van oorlogskredieten niet als een verrassing; ze was het gevolg van het hele proces van degeneratie van de opportunistische vleugel van de sociaaldemocratie. Vóór de oorlog had haar linkervleugel met alle kracht gevochten tegen deze ontaarding, er was dus een onmiddellijke reactie op dit verraad. Vanaf het begin van de oorlog hergroepeerden de internationalisten zich rond het vaandel van de groep, die snel bekend zou worden als ‘Spartakus’.

Ze herkenden hun eerste verantwoordelijkheid in de verdediging van het internationalisme van arbeidersklasse tegen het verraad van de leiding van de SPD. Dit betekende niet alleen propaganda voeren ten gunste van dit programmatische standpunt maar ook en vooral te voorkomen dat de organisatie van de arbeidersklasse, die door haar leiding was verraden, werd gesmoord door kapitalistische krachten. Na het verraad van de partijleiders was er unanieme overeenstemming van alle internationalisten dat niet kon worden toegestaan dat de partij in de handen zou vallen van de verraders. Ze streefden er allemaal naar om  de partij terug te winnen. Niemand wilde uit eigen beweging vertrekken, integendeel ze wilden allen werken als een fractie binnen de partij met de bedoeling om de sociaal-patriottische leiders uit te sluiten.

De vakbondsvertegenwoordigers, die onherroepelijk waren geïntegreerd in de staat en niet konden worden teruggewonnen voor de arbeidersklasse, vormden het bastion van de verraders. De SPD vormde echter een plaats van verzet. Zelfs de parlementaire fractie in de Rijksdag was duidelijk verdeeld tussen de verraders en de internationalisten. Maar, zoals we in het artikel in International Revue nr. 81 al aantoonden, verrees in de Rijksdag de stem tegen de oorlog slechts met grote moeite en met veel aarzeling. De meest krachtige hefboom tegen het verraad ontwikkelde zich vooral in de basis van de partij zelf.

Wij beschuldigen de Rijksdagfractie ervan de grondbeginselen van de partij te hebben verraden en daarmee de geest van de klassenstrijd. De parlementaire fractie heeft zichzelf derhalve buiten de partij geplaatst; zij heeft opgehouden de officiële vertegenwoordiger van Duitse Sociaaldemocratie te zijn”.(Pamflet van de oppositie, geciteerd door R. Muller).

Alle internationalisten waren het erover eens om de organisatie niet over te laten aan de verraders. “Dit betekent niet dat de onmiddellijke breuk met de opportunisten in elk land wenselijk, of zelfs mogelijk is. Want dit houdt in dat een dergelijke scheiding historisch rijp is, dat ze onvermijdelijk is geworden en dat ze een stap voorwaarts betekent, een noodzaak voor de revolutionaire strijd van het proletariaat. Dit houdt in dat de historische ommekeer, gekenmerkt door de ‘rustige’ intrede van het kapitalisme in zijn imperialistische fase, een dergelijke breuk  op de agenda zet”. (Lenin, ‘Het Opportunisme en de Ineenstorting van de Tweede Internationale’, Volledige Werken, Deel 21).

In International Revue nr. 81 hebben we laten zien dat de ‘Spartakisten’ en de ‘Linksradikale’ in de andere steden probeerden een krachtsverhouding te smeden, die de sociaal-patriottische leiders in een minderheid zouden brengen. Hoe zou de organisatorische breuk met de verraders tot stand worden gebracht? Uiteraard konden de verraders en de internationalisten niet naast elkaar bestaan in dezelfde partij. De ene moest zich ontdoen van de andere. De krachtsverhouding moest in de loop van deze strijd worden omgekeerd.

Zoals we in International Revue nr. 81 lieten zien, plaatste het verzet van de Spartakisten de leiding in een steeds moeilijkere situatie; de partij als geheel volgde steeds minder de verraders. In feite werden de sociaal-patriotten in de leiding gedwongen om in het offensief te gaan tegen de internationalisten om deze te verstikken. Hoe zouden zij hierop te reageren? Door de deur dicht te slaan en meteen een nieuwe organisatie buiten het SPD te vormen?

Over deze kwestie bestonden er in de linkerzijde meningsverschillen. De sociaal-chauvinisten begonnen de revolutionairen uit het SPD te jagen - eerst uit de parlementaire fractie, daarna uit de partij zelf; na Liebnecht, die werd uitgesloten in december 1915, was het de beurt aan de volksvertegenwoordigers die tegen de oorlogskredieten hadden gestemd om, in het voorjaar van 1916, uit de parlementaire fractie te worden gegooid. Op dit punt ontstond er discussie over de vraag hoe lang het nodig was om te strijden voor de organisatie.

De houding van Rosa Luxemburg was duidelijk: “Als het je niet meer bevalt, kan je kleine sektes en kringen ‘verlaten’ , om nieuwe sekten en kringen op te richten. Maar om de proletarische massa’s te willen bevrijden van dit verschrikkelijk zware en gevaarlijke juk door eenvoudigweg ‘weg te lopen’ en hen, door dit dappere voorbeeld, de weg te tonen die ze moeten volgen, is gewoon een kinderachtig droom. Het weggooien van de lidmaatschapskaart als denkbeeldige bevrijding is niets anders dan de andere zijde van de ophemeling van de lidmaatschapskaart als een denkbeeldige macht. Beiden zijn slechts verschillende kanten van een organisatorisch cretinisme (...)

De ontbinding van de Duitse sociaal-democratie is een historisch proces van grote draagwijdte, een algemene confrontatie tussen bourgeoisie en arbeidersklasse, een gevecht dat je niet uit afschuw uit de weg gaat. (….) We moeten deze titanenstrijd voeren tot het bittere eind. We moeten met vereende krachten trekken om het dodelijke strop kapot te scheuren, die de officiële Duitse democratie, de officiële vrije vakbonden en de heersende klasse hebben gelegd om de nek van de misleide en bedrogen massa’s.

De liquidatie van deze ‘hoop van georganiseerde verrotting’, die zich momenteel sociaaldemocratie noemt, is geen privé-zaak die afhangt van de beslissing van één of meerdere groepen (...) Ze zal moeten worden beschouwd als onvermijdelijk bijproduct van  de wereldoorlog en moet als een groot publiekelijk machtsvraagstuk uitgevochten worden door de ontplooiing van al onze krachten”. (Rosa Luxemburg, in Der Kampf nr. 31 ‚Offene Briefe an Geninnungsfreunde. Von Spattung, Einheit und Austritt’, Duisburg, 6 januari 1917).

De leuze is ‘noch afsplitsen noch verenigen’; ‘noch voor een nieuwe partij noch voor de oude partij’. Het gaat om de herovering van de partij van onderaf door middel van de opstand van de massa's, die de organisaties en hun middelen in eigen handen moeten nemen, niet in woorden, maar in daden, door rebellie (...) De beslissende strijd om de partij is begonnen” (Spartakusbriefe, 30 maart 1916).

Het werk van de fractie

Terwijl Rosa Luxemburg ferm het idee verdedigde om zo lang mogelijk in de SPD te blijven en het sterkste overtuigd was van de noodzaak om samen te werken als een fractie, begon de “Bremer Linke” het idee te verdedigen dat er een onafhankelijke organisatie nodig was.

Tot het eind van 1916, begin 1917 was deze kwestie geen strijdpunt. K. Radek, één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de “Bremer Linke” zei zelf: "Propaganda voeren voor een breuk betekent in geen geval dat we de partij onmiddellijk moeten verlaten. Integendeel, onze inspanningen moeten erop gericht zijn om zoveel mogelijk alle organisaties en partijorganen in handen te krijgen. (...) Het is onze plicht om zo lang mogelijk op onze posten te blijven, want hoe langer we blijven, des te groter het aantal arbeiders zal zijn dat ons zal volgen in het geval we worden  uitgesloten door de sociaal-imperialisten, die onze tactiek natuurlijk heel goed begrijpen zelfs als we haar zouden stilhouden. (...) Eén van de taken van het uur is dat de lokale partijorganisaties, die zich plaatsen op de grondslag van de oppositie, zich verenigen en een voorlopige leiding van de vastbesloten oppositie opzetten”.(Radek, Unter eigenem Banner, blz. 327, eind 1916) .

Het is dus niet waar dat de “Bremer Linke”, in augustus 1914, een onmiddellijk een organisatorische breuk wilde. Pas vanaf 1916, toen de krachtsverhouding binnen de SPD steeds meer begon te wankelen pleitten de groepen uit Dresden en Hamburg voor een onafhankelijk organisatie - zelfs als ze geen heldere organisatorische opvatting hadden met betrekking tot deze kwestie.

Een balans van de eerste twee jaren van de oorlog liet zien dat de revolutionairen zich niet monddood lieten maken en dat geen van de groepen hun organisatorische onafhankelijkheid opgaven. Als ze de organisatie in 1914 aan de sociaal-patriotten hadden overgelaten, zouden ze hun principes overboord hebben gegooid. Zelfs in 1915, toen de druk van de arbeiders zelf toenam, met een toenemend aantal daden van verzet, vormde dit nog geen reden om een nieuwe organisatie op te zetten, onafhankelijk van en buiten het SPD.

Zolang de krachtsverhouding ongunstig bleef, zolang er nog geen kracht bestond die nodig was om te vechten in de rijen van de arbeiders en zolang de revolutionairen nog een kleine minderheid waren; kortom, zolang de voorwaarden voor de ‘de vorming van de partij’ nog niet waren vervuld, was het noodzakelijk om als een fractie binnen het SPD te werken.

Een kort overzicht van de toenmalige situatie toont aan dat de schok van het verraad van de partijleiding in augustus 1914 zich bleef doen gevoelen, dat met de tijdelijke overwinning van het nationalisme de arbeidersklasse een nederlaag had geleden en dat het, dientengevolge, onmogelijk was een nieuwe partij op te richten. Het was eerst nodig om te strijden voor de oude partij, het moeilijke fractiewerk te ondernemen en zich dan voor te bereiden op de opbouw van een nieuwe partij - maar het was ondenkbaar om haar onmiddellijk, in 1914, op te richten. De arbeidersklasse moest eerst herstellen van de gevolgen van de nederlaag van 1914. Voor de internationalisten stond er, in 1914, noch de onmiddellijke uittreding uit het SPD, noch de stichting van een nieuwe partij op de agenda.

In september 1916 riep het Uitvoerend Comité van de partij een nationale conferentie van het SPD bijeen. Hoewel de leiding de mandaten van de deelnemers manipuleerde, verloren ze niettemin hun greep op de oppositie. Laatstgenoemde besloot om geen contributie te betalen aan het Uitvoerende Comité. Het Uitvoerend Comité antwoordde met de uitsluiting van al diegenen, die weigerden hun contributie te betalen, te beginnen met de ‘Bremer Linke’.

In een situatie die snel verbitterd raakte, waarin het Uitvoerend Comité van de partij steeds meer aangevochten werd binnen de partij, waarin de klasse steeds meer verzet bood tegen de oorlog, en waarin het Uitvoerend Comité was begonnen om aanzienlijke uitsluitingen door te voeren, waren de Spartakisten er op tegen de SPD ‘bij stukjes en beetjes’ te verlaten, zoals sommige kameraden uit Bremen bepleitten met hun tactiek van weigering om contributie te betalen.

Een dergelijke splitsing zou, onder de gegeven omstandigheden, niet leiden tot de uitsluiting uit de partij van de meerderheid en van de mannen van Scheidemann, iets wat we willen, maar zal onvermijdelijk leiden tot een versnippering van de beste kameraden over kleine kringen en de kameraden tot volkomen onmacht veroordelen. Wij beschouwen deze tactiek schadelijk en zelfs destructief”.(L. Jogisches, 30/9/1916).

Met betrekking tot de sociaal-patriotten waren de Spartakisten voorstander van een gezamenlijk traject en niet van één die versnipperd was. Tegelijkertijd wezen zij op de duidelijke criteria die hun verblijf binnen het SPD bepaalden: “De oppositie moet alleen deel blijven uitmaken van het huidige SPD, zolang haar onafhankelijke politieke actie niet wordt belemmerd en verlamd door het SPD. De oppositie blijft alleen binnen de partij om de politiek van de meerderheid onophoudelijk te bestrijden en te doorkruisen, om de massa’s te beschermen tegen de achterbakse imperialistisch politiek van de  sociaaldemocratie en de partij te gebruiken als een terrein voor de aanwerving voor de proletarische anti-imperialistische strijd”.

E. Meyer verklaarde: “We blijven binnen de partij slechts zolang we de klassenstrijd kunnen voeren tegen de partijleiding. Vanaf het moment dat wij daarin gehinderd worden, willen we niet langer in de partij blijven. Omgekeerd zijn wij geen voorstander van een breuk”. (geciteerd in Lenin in Wohlegemuth, p 167).

De Spartakusbund wilde een organisatie van de gehele oppositie binnen de SPD tot stand brengen. Dit was de oriëntatie van de Conferentie van Zimmerwald. Zoals Lenin al terecht aangaf: "Het ontbreekt de Duitse oppositie nog ernstig aan een solide basis. Het is nog steeds versnipperd, verspreid in zelfstandige stromingen die het ontbreekt aan een gemeenschappelijke grondslag, welke noodzakelijk is om tot handelen te komen. Wij beschouwen het nu als onze plicht om, zolang als het mogelijk is, de versnipperde krachten aaneen te smeden tot een organisme, dat in staat is handelend op te treden" (Lenin, in Wohlegemuth, p 118).

Zolang de Spartakisten een autonome groep bleven binnen het SPD, vormden zij een politiek referentiepunt, dat streed tegen de aftakeling van de partij, tegen het verraad van een vleugel van die partij. Volgens de organisatieprincipes van de arbeidersbeweging, neemt een fractie geen aparte bestaan, geen organisatorische zelfstandigheid aan, maar blijft ze binnen de partij. Het onafhankelijk bestaan van de fractie op organisatorisch vlak is alleen mogelijk als ze wordt uitgesloten uit de partij.

De andere groeperingen van de linkerzijde daarentegen, vooral de vleugel rond Borchardt ("Lichtstrahlen") en die in Hamburg, begonnen zich in deze fase, in het jaar 1916, duidelijk uit te spreken voor de opbouw van een zelfstandige organisatie, buiten de SPD.

Zoals wij hebben aangetoond, gebruikte deze vleugel van het linkerzijde (vooral die van Hamburg en Dresden) het verraad van de sociaal-patriottische leiding als een voorwendsel om de noodzaak van de partij in het algemeen in vraag te stellen. Uit vrees voor een nieuwe bureaucratisering, uit vrees dat de arbeidersstrijd zou worden afgeremd door de linkerzijde vanwege de organisatie, begonnen ze iedere vorm van politieke organisatie te verwerpen. Aan het begin gebeurde dit in de vorm van wantrouwen jegens de centralisatie van de organisatie, een terugkeer naar het federalisme. Tijdens deze fase werd dit tot uitdrukking gebracht doordat ze afzagen van de strijd tegen de sociaal-patriotten binnen de partij. Dit standpunt zou aan de oorsprong liggen van wat later het radencommunisme zou worden, een stroming die zich in de daaropvolgende jaren aanzienlijk ontwikkelde.

Het principe van het fractiewerk, de voortzetting van de strijd binnen de SPD, zoals in deze periode door de linkerzijde werd toegepast in Duitsland, zou later als een voorbeeld dienen voor de kameraden van de Italiaanse Linkerzijde, toen deze, nauwelijks tien jaar later binnen de Kommunistische Internationale de strijd opnamen, tegen haar ontaarding. Dit principe, dat werd verdedigd door Rosa Luxemburg en de overgrote meerderheid van de Spartakisten werd, in een zeer vroeg stadium, verworpen door de delen van de KPD die, met het verraad van de sociaal-patriotten, de organisatie zo snel mogelijk verlieten, onmiddellijk nadat er meningsverschillen rezen en nog voordat er overeenstemming was over gemeenschappelijke maatregelen.

De verschillende stromingen binnen de arbeidersbeweging

Gedurende twee oorlogsjaren was de arbeidersbeweging in alle landen verdeeld in drie stromingen. In “De  Taken van het Proletariaat in onze Revolutie”, van april 1917 beschreef Lenin deze drie stromingen op de volgende manier.

- De sociaal-chauvinisten; socialisten met de mond, chauvinisten met de daad – lieden die opkomen voor de ‘verdediging van het vaderland’ in een imperialistische oorlog (...) Deze lieden zijn onze klassenvijanden. Zij zijn overgelopen naar de kant van de bourgeoisie.

- (...) de werkelijke internationalisten, die het best worden vertegenwoordigd door de ‘Linkerzijde van Zimmerwald’. Het belangrijkste kenmerk dat deze stroming onderscheidt: het volledig breken met het sociaal-chauvinisme (...). De onvervaarde revolutionaire strijd tegen de eigen imperialistische regering en de eigen imperialistische bourgeoisie”;

- tussen deze twee tendensen bestond nog een derde stroming die Lenin beschreef als het ‘centrum’, “dat permanent twijfelt tussen de sociaal-chauvinisten en de werkelijke internationalisten. (...) Het ‘centrum’ zweert bij hoog en bij laag dat het (...) voor vrede, (...) en voor vrede met sociaal-chauvinisten is. Het ‘centrum’ is voor ‘eenheid’, het ‘centrum’ is tegen een breuk (...) het ‘centrum’ is niet overtuigd van de noodzaak van een revolutie tegen de eigen regering. Het pleit niet voor en voert geen onverzettelijke revolutionaire strijd, het bedenkt de meest banale uitvluchten, zelfs als ze oermarxistische klinken, om hem [de strijd] te vermijden”.

De centrische stroming had geen programmatische helderheid maar was, daarentegen, incoherent, onsamenhangend, klaar om iedere concessie te doen die mogelijk was, het schrok terug voor iedere poging om een programma te ontwikkelen, het probeerde zich aan te passen aan iedere nieuwe situatie. Het was de zone waarin de kleinburgerij en de revolutionaire invloeden elkaar confronteerden.

Deze stroming was in de meerderheid op de Conferentie in Zimmerwald in 1915 en in 1916; in Duitsland was haar aantal aanzienlijk. Ten tijde van de Conferentie van de oppositie, die plaatsvond op 7 januari 1917, vertegenwoordigde het de meerderheid van de 187 afgevaardigden; slechts 35 van de afgevaardigden waren Spartakisten.

De centristische stroming zelf bevatte een rechter- en een linkervleugel. De rechtervleugel volgde steeds nauwgezetter de sociaal-patriotten terwijl de linkervleugel meer open stond voor de interventie van de revolutionairen.

In Duitsland leidde Kautsky deze stroming, die zich binnen SPD in Maart 1916 verenigde onder de naam van “Socialdemokratische Arbeitsgemeinschaft” (SAG: Sociaal-democratisch ArbeidsGemeenschap), en die in de parlementaire fractie bijzonder sterk was. Haase en Ledebour waren de belangrijkste afgevaardigden van het centrum in de Rijksdag. Er bestonden dus niet alleen verraders en revolutionairen maar ook een centristische stroming die de meerderheid van de arbeiders enige tijd aan zich bond.

“En zij die de werkelijkheid ontwijken en weigeren de grondslag te erkennen voor het bestaan van deze drie tendensen, de analyse ervan te weigeren voor de consequente strijd voor de werkelijke internationalistische stroming, veroordelen zichzelf tot machteloosheid, tot hulpeloosheid en het maken van fouten.” (Lenin; ‘De  Taken van het Proletariaat in onze Revolutie’,Works vol 24, p.68)

Terwijl de sociaal-patriotten verder gingen in hun poging om grote doses nationalistisch vergif in de arbeidersklasse te injecteren en de Spartakisten een hevige strijd tegen hen voerden, schommelden de centristen tussen deze twee polen heen en weer. Welke houding zouden de Spartakisten tegenover de centristen moeten aannemen? De vleugel, die zich hergroepeerde rond Rosa Luxemburg en Karl Liebnecht, benadrukten dat: “we de centristen politiek moeten treffen”, en dat de revolutionairen naar hen moeten tussenkomen.

Tussenkomst tegenover het centrisme: eerst politieke helderheid, eenheid achteraf

In Januari 1916, tijdens een conferentie die werd bijeengeroepen door de tegenstanders van de oorlog, zette Rosa Luxemburg haar standpunt uiteen met betrekking tot de centristen.

Onze tactiek op deze conferentie moet er niet op gericht zijn de hele oppositie onder één hoedje te brengen, maar omgekeerd uit deze brei de kleine, vaste kern te halen die in staat is tot actie en die we rond ons platform kunnen hergroeperen. Ten aanzien van organisatorische samenwerking is daarentegen heel wat voorzichtigheid geboden. Want op basis van mijn en lange jaren aan bittere ervaring in de partij, leiden alle vormen van samenwerking van de linkerzijde er slechts toe om de handen te binden van de enkele lieden die tot handelen in staat zijn”.

Voor haar was een organisatorische samengaan met de centristen binnen SPD uitgesloten: “Natuurlijk betekent eenheid kracht, maar de eenheid van stevige en innerlijke overtuiging, niet die van een mechanische en oppervlakkige koppeling van elementen die in wezen verschillend zijn. Haar kracht ligt niet in de aantallen maar in de geest, de duidelijkheid, in de daadkracht die ons bezielt”. (R. Luxemburg; ‘De Politiek van de Sociaal-Democratische Minderheid’; voorjaar 1916).

In februari 1916 had Liebknecht eveneens beklemtoond: “Niet eenheid, maar bovenal duidelijkheid. De weg, die wij moeten nemen is die van de onverbiddelijke blootlegging en verkondiging van de meningsverschillen om te komen tot principiële en tactische overeenstemming en daarmee tot handelingsbekwaamheid en daarmee tot eenheid. De ‘eenheid’ moet niet het uitgangspunt van dit gistingsproces zijn, maar de uitkomst ervan”. (Spartakusbriefe p.112).

De hoeksteen van de methode van Luxemburg en andere Spartakisten was de eis van de programmatische duidelijkheid. Door programmatic stevigheid te eisen, te weigeren politiek te worden verdronken, te aanvaarden dat zij schaars zijn in aantal maar inhoudelijk duidelijk blijven, was Luxemburg niet sektarisch, zij stond in continuïteit met de oude marxistische methode. R. Luxemburg is niet de enige bewaarplaats van deze strengheid en programmatische standvastigheid: dezelfde methode zou later gebruikt worden door de kameraden van de Italiaanse Linkerzijde toen zij, in het analyseren van de lessen van Rusland en in de jaren 1930, waarschuwden voor de tendens om politieke concessies te doen op het programmatisch niveau met als enige doel een groei in aantallen te bewerkstelligen.

Misschien voelde Rosa Luxemburg reeds de terugslag van de nieuwe situatie die door het verval van kapitalisme werd ingeluid. Tijdens de periode van het kapitalistisch verval kunnen er geen massapartijen van de arbeidersklasse meer bestaan, maar slechts numeriek kleinere partijen die op programmatisch vlak stevig moeten staan. Vandaar dat deze theoretische fundering het kompas vormt voor het werk van revolutionairen met betrekking tot de centristen, die - per definitie – heen en weer schommelen en politieke duidelijkheid op het programmatisch vlak vrezen.

Toen in Maart 1917 de centristen - na hun uitsluiting uit de SPD - hun eigen organisatie wilden vestigen, erkenden de Spartakisten de behoefte aan een interventie in hun richting. Zij namen de verantwoordelijkheid op van de revolutionairen naar hun klasse. Op basis van de revolutionaire ontwikkeling in Rusland en de toenemende radicalisering van de arbeidersklasse in Duitsland zelf, was het de taak van Spartakisten om de beste elementen te behouden, die nog onder de invloed van het centrisme stonden. Deze moesten voor het kwaad worden behoed, vooruit gestuwd worden en hun standpunten verduidelijken. Wij moeten centristische stromingen, zoals de ‘Sociaal-Democratische ArbeidsGemmeenschaf’ (SAG) – net zoals een aantal partijen die zich in Maart 1919 bij de Kommunistische Internationale voegden – beschouwen als anders [niet vergelijkbaar] omdat ze geen stabiliteit of coherentie bieden.

In zoverre dat centrumbewegingen de onrijpheid van klassenbewustzijn uitdrukken kunnen zij, als er een tendens is tot toename van de klassenstrijd, evolueren naar verduidelijking en zo hun historisch lot verwezenlijken - om te exploderen. Opdat dit zou plaats vinden, evenals de dynamiek van de klassenstrijd, is het bestaan van een referentiepool, die zich organiseert om een rol te spelen als pool van duidelijkheid met betrekking tot de centristen, onontbeerlijk. Zonder het bestaan en de interventie van een revolutionaire organisatie die elementen die stimuleert, die open en ontvankelijk zijn maar nog in de greep zitten van centrisme, is hun ontwikkeling en hun afscheiding van het centrisme is onmogelijk.

Lenin vatte als volgt deze taak samen: “De belangrijkste tekortkoming van het geheel van het revolutionair marxisme in Duitsland is het ontbreken van een onwettige organisatie, die een systematische lijn volgt en de massa's in de geest van de nieuwe taken opleidt: zulk een organisatie zou een duidelijk standpunt naar zowel opportunisme als Kautskyisme moeten innemen”. (Lenin, juli 1916, in de Volledige Werken, Deel 22).

Hoe kon deze activiteit van een referentiepool worden ontwikkeld?

In Februari, stelden de centristen voor een conferentie te houden op 6/8 April 1917, met als doel het oprichten van een gemeenschappelijke organisatie, die de naam USPD (Onafhankelijke Sociaal-Democratische Partij) zou dragen. Hierop ontstonden onder de internationalistische revolutionairen diepgaande meningsverschillen over hoe hierop te reageren.

De ‘Bremer Linke’ nam een standpunt in tegen deelname van de revolutionaire linkerzijde aan deze gemeenschappelijke organisatie. Radek dacht dat: “Alleen een duidelijke en georganiseerde kern enige invloed kan uitoefenen op de radicale arbeiders van het Centrum. Tot nu toe, zolang wij nog op het terrein van de oude partij acteerden, konden wij volstaan met een los verband tussen verschillende linkse radicalen. Nu (...) kan alleen een radicale linkse partij, met een duidelijk programma en met haar eigen organen de verspreide krachten verzamelen, om hen te verenigen en hen te doen groeien. [Wij kunnen onze plicht slechts doen] door de linkse radicalen in hun eigen partij te organiseren”. (Karl Radek, ‘Unter eigenem Banner’, blz. 414).

De Spartakisten zelf waren het over deze kwestie niet met elkaar eens. Op een voorbereidende conferentie van de Spartakusbund, op 5 April, namen vele afgevaardigden een standpunt in tegen de intrede in USPD. De Spartakisten poogden de beste elementen uit de nieuwe partij aan te trekken, en hen te winnen voor de revolutionaire zaak.

De Sociaaldemocratische Arbeidsgemeenschap herbergt in zijn rijen vele arbeiderselementen die politiek of qua geestesgesteldheid aan onze kant staan, en die slechts de gemeenschap volgen bij gebrek aan contact met ons, of door onwetendheid omtrent de echte verhoudingen binnen de oppositie, of om andere toevallige redenen”. (Leo Jogisches, 25 December 1916) volgen.

Wij moeten de nieuwe partij, die grotere aantallen arbeiders in zich zal verenigen, daarom gebruiken als de rekruteringsgrond voor onze ideeën, voor de vastbesloten oppositionele tendens te gebruiken; wij moeten de politieke en morele invloed van de arbeidsgemeenschap op de massa's binnen de nieuwe partij zelf betwisten; tot slot moeten wij de partij als geheel vooruitstuwen, zowel door onze activiteit in haar organisaties, als door onze eigen onafhankelijke acties, en eventueel haar schadelijke invloed op de klasse tegen te gaan”. (‘Spartakus im Kriege’, blz.184).

Er bestonden veel verschillende argumenten binnen de Linkerzijde, zowel voor als tegen een toetreding. De kwestie was: zouden wij het fractiewerk van buiten USPD moeten uitvoeren of van binnenuit handelen? Terwijl de zorg van Spartakisten om ten opzichte van de USPD tussenbeide komen, teneinde haar beste elementen terug te winnen, volkomen geldig was, was het veel moeilijker om te zien of dit ‘van binnenuit’ of ‘van buitenaf’ moest worden gedaan. Nochtans, kon de vraag slechts op die manier worden gesteld omdat Spartakisten de USPD terecht beschouwden als centristische stroming binnen de arbeidersklasse. Het was geen burgerlijke partij.

Zelfs Radek en de ‘Bremer Linke’ erkenden de behoefte om tegenover deze centrumbeweging tussen te komen: Door onze eigen weg te gaan, zonder naar links of naar rechts te kijken, zullen we vechten voor de besluitelozen. Wij willen proberen om hen naar onze kant te brengen. Als zij niet klaar zijn om ons te volgen, en als hun oriëntatie naar ons later moet plaatsvinden, en wel zodra de politieke noodzaak onze organisatorische onafhankelijkheid eist, nou, dan is daar niets aan te doen. Wij zullen onze eigen weg moeten nemen... [De USPD was een] partij die vroeg of laat tussen de molenstenen van de vastberaden rechter- en linkerzijde zal worden verpletterd”. (‘Einheit Oder Spaltung?’)

Wij kunnen de betekenis van de centristische USPD, en het feit dat zij nog een grote invloed onder de werkende massa’s had, alleen begrijpen als we de immer toenemende woelige situatie binnen de arbeidersklasse in ogenschouw nemen. In de lente ging er een golf van stakingen door Noord-Duitsland. In maart in het Ruhrgebeid. In April trof een reeks massastakingen, waarin meer dan 300.000 arbeiders betrokken waren, Berlijn. Tijdens de zomer beïnvloedde een beweging van stakingen en protesten Halle, Brunswick, Maagdenburg, Kiel, Wuppertal, Hamburg, en Nürnberg. In Juni vonden de eerste muiterijen op de vloot plaats. Deze bewegingen konden slechts door middel van de wreedste onderdrukking worden gestopt.

In ieder geval was de Linkerzijde tijdelijk verdeeld tussen Spartakisten enerzijds en de ‘Bremer Linke’ anderzijds. De ‘Bremer Linke’ eiste de snelle vorming van de Partij, terwijl de meerderheid van Spartakisten zich als fractie bij USPD aansloot.

DV

Eerder verschenen in: International Review nr. 84 - 1e kwartaal 1996

(1) ‘Lichtstrahlen’ verscheen van Augustus 1914 tot April 1916; ‘Arbeiterpolitik’ uit Bremen verscheen vanaf einde 1915, van Juni 1916 werd het als Orgaan van de Internationalen Sozialisten Deutschlands (ISD) gepubliceerd.