Over de aard en de functie van de politieke partij van het proletariaat (Internationalisme nr. 38 – oktober 1948)

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Inleiding van de IKS

Het document dat wij hieronder publiceren is voor het eerst verschenen in 1948, op de bladzijdes van Internationalisme, de publicatie van de kleine groep Gauche Communiste de France, waar de IKS zich, sinds haar oprichting in 1975, op beroept. Het werd, aan het begin van de jaren 1970, opnieuw opgenomen in Bulletin d’Études et de Discussion, dat gepubliceerd werd door de Franse groep Révolution Internationale, die vervolgens de afdeling in Frankrijk zou worden van de nieuwe Internationale Kommunistische Stroming. Het Bulletin zelf was de voorloper van het theoretische orgaan van IKS, de Internationale Revue, en zijn doel was de nieuwe groep RI - en zijn zeer jonge militanten - steviger te verankeren middels een theoretische discussie en een betere kennis van de geschiedenis van de arbeidersbeweging, met inbegrip van de geschiedenis van de confrontatie met de nieuwe theoretische kwesties, die door de geschiedenis werden gesteld. [1]

Het belangrijkste doel van deze tekst is de historische voorwaarden te onderzoeken die de vorming en de werkzaamheden van de revolutionaire organisaties bepalen. Het idee van een dergelijk ‘bepalen’ zelf is fundamenteel. Hoewel de oprichting en de handhaving van een revolutionaire organisatie de vrucht moet zijn van een militante wil, die probeert om een actieve factor te zijn in de geschiedenis, ontstaat de vorm, die deze wil aanneemt, niet vanzelf, onafhankelijk van de sociale werkelijkheid en, men name, onafhankelijk van het niveau van strijdwil en bewustzijn in de brede massa's van de arbeidersklasse. De opvatting dat de oprichting van een partij van klasse slechts afhangt van de ‘wil’ van de militanten was afkomstig van het trotskisme van de jaren 1930 maar ook, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, van de nieuwe Partito Comunista Internazionalista, de voorloper van de talrijke bordigistische groepen en de huidige Internationale Communistische Tendens (de voormalige IBRP). Het artikel van Internationalisme benadrukt, terecht volgens ons, dat het hier om twee fundamenteel verschillende opvattingen over de politieke organisatie gaat: de ene voluntaristisch en idealistisch, de andere materialistisch en marxistisch. De voluntaristische opvatting kon hooguit leiden tot een essentieel opportunisme - zoals het geval was voor PCInt en zijn navolgers; en zelfs erger: tot de verzoening met de vijandige klasse en de overgang naar het kamp van de bourgeoisie.

Het belang van de theoretische en historische discussie over deze kwestie is, voor de jonge generatie van de periode na 1968, duidelijk. Zij moest de IKS behoeden (zelfs wanneer zij niet immuun was, verre van dat) voor de ergste gevolgen van het mateloze activisme en het ongeduld van deze periode, die zoveel groepen en militanten naar de politieke afgrond hebben gevoerd.

Deze tekst blijft, en wij zijn er diep van overtuigd, vandaag net zo actueel voor een nieuwe generatie van militanten en, in het bijzonder, in zijn nadruk op dit feit dat de arbeidersklasse geen eenvoudige sociologische categorie is maar een klasse die een specifieke rol te spelen heeft in de geschiedenis: die van het omverwerpen van het kapitalisme en van het opbouwen van de kommunistische maatschappij. [2] De rol van de revolutionairen hangt eveneens af van de historische periode: wanneer de situatie, waarin de arbeidersklasse zich bevindt, het onmogelijk maakt om invloed uit te oefenen op de loop van de gebeurtenissen, is het de taak van de revolutionairen niet om deze werkelijkheid te negeren en zich te misleiden met de gedachte dat hun directe tussenkomst de loop van de gebeurtenissen zou kunnen veranderen, maar om zich te wijden aan een veel minder spectaculaire taak, die van de voorbereiding van de theoretische en politieke voorwaarden voor de beslissende tussenkomst in de klassestrijd van de toekomst.

Inleiding van Internationalisme

Vanwege de noodzaak om opnieuw een revolutionaire arbeidersbeweging op te bouwen heeft onze groep de taak op zich genomen een heronderzoek te doen naar de belangrijkste kwesties. Zij moest de evolutie van de kapitalistische maatschappij naar het staatskapitalisme onder de loep nemen, en wat er is overgebleven van de oude arbeidersbeweging die, sinds enige tijd, haar steun geeft aan de kapitalistische klasse en helpt om het proletariaat achter deze laatste mee te voeren. Zij moest ook opnieuw onderzoeken welk materiaal er van deze oude arbeidersbeweging resteert dat de arbeidersklasse zou kunnen gebruiken, en op welke wijze. Vervolgens werden wij ertoe aangezet om te nader in overweging te nemen wat, in de arbeidersbeweging, een verworvenheid bleef en wat er, sinds het Kommunistisch Manifest, is achterhaald.

Uiteindelijk was het normaal dat wij zouden trachten de problemen te bestuderen die worden gesteld door de revolutie en het socialisme. Met dit doel hebben we een studie hebben voorgelegd over de Staat na de revolutie [3] en leggen we nu een studie ter discussie voor over het probleem van de revolutionaire partij van het proletariaat.

We moeten er aan herinneren dat dit een van de belangrijkste vraagstukken is van de revolutionaire arbeidersbeweging. Deze kwestie plaatste Marx en de marxisten tegenover de anarchisten, tegenover bepaalde sociaal-democratische en vervolgens tegenover de revolutionair-syndicalistische tendensen. Zij stond in het middelpunt van de bekommernis van Marx die, vooral heeft vastgehouden aan een kritische instelling ten opzichte van de verschillende organen die zich ‘arbeiderspartijen’, ‘socialistische partijen’, internationales en anderszins hebben genoemd. Hoewel Marx op bepaalde momenten actief deelnam aan het leven van enkele van deze organen, beschouwde hij ze altijd als politieke groepen waarin, volgens de zin van het Kommunistisch Manifest, de kommunisten zich kunnen manifesteren als ‘voorhoede van het proletariaat’. Het doel van de kommunisten was de activiteit van deze organen voort te stuwen en in hun midden elke mogelijkheid van kritiek en zelfstandige organisatie te behouden. Vervolgens ontstond de splitsing tussen de bolsjewistische en mensjewistische tendens binnen de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij, rond de ideeën zoals die door Lenin werden ontwikkeld in ‘Wat te doen?’. Hetzelfde probleem stond aan de basis van de oppositie tussen de marxistische groepen die braken met de sociaaldemocratie, tussen de Radenkommunisten en de KAPD ten opzichte van de Derde Internationale. In deze volgorde van overdenking bestond ook het verschil tussen de groep van Bordiga en die van Lenin met betrekking tot de ‘eenheidsfrontpolitiek’, bepleit door zowel Lenin als Trotsky en goedgekeurd door de Kommunistische Internationale. Met betrekking tot deze kwestie blijven er uiteindelijk wezenlijke verschillen bestaan tussen verschillende groepen binnen de oppositie: tussen de ‘trotskisten’ en de ‘bordigisten’ en dit is het probleem dat het onderwerp werd van de discussies tussen alle groepen, die zich op dat moment manifesteerden.

Vandaag moeten wij opnieuw een kritisch onderzoek doen naar al deze manifestaties van de revolutionaire arbeidersbeweging. Op basis van haar evolutie - dat wil zeggen in de manifestatie van verschillende bestaande ideeën met betrekking tot dit onderwerp - moeten we een stroming afleiden die, volgens ons, het beste de revolutionaire houding uitdrukt, en het probleem voor de toekomstige revolutionaire arbeidersbeweging probeert te stellen.

Wij moeten eveneens op kritische wijze de standpunten heroverwegen die door dit probleem zijn opgerakeld, zien wat er blijvend is in de revolutionaire uitdrukking van het proletariaat, maar ook wat er verouderd is en wat de nieuwe problemen zijn, die zich stellen.

Want het is heel duidelijk dat een dergelijk werk alleen vrucht kan dragen als dit het onderwerp is van discussie tussen groepen en binnen groepen die van plan zijn om opnieuw een nieuwe revolutionaire arbeidersbeweging op te bouwen.

De studie, die vandaag wordt gepresenteerd, vormt dus een middel om aan deze discussie deel te nemen ; zij schrijft zich in deze bekommernissen in en heeft dus geen verdere pretentie, hoewel ze gepresenteerd wordt in de vorm van stellingen. Zij heeft vooral tot doel om de discussie en de kritiek te stimuleren, meer dan definitieve oplossingen te brengen. Het is een werk van onderzoek dat minder de goedkeuring of eenvoudige verwerping beoogt dan wel om andere soortgelijke werkzaamheden te stimuleren.

Deze studie heeft als wezenlijk onderwerp van zorg ‘de manifestatie van het revolutionaire bewustzijn’ van het proletariaat. Maar er zijn talrijke vragen die verbonden zijn met de kwestie van de partij en die hier slechts worden aangestipt: organisatorische problemen, problemen over de verhouding tussen de partij en organismen zoals de arbeidersraden, problemen betreffende de houding van de revolutionairen ten opzichte van de oprichting van verschillende groepen die zich erop beroepen DE revolutionaire partij te zijn en werken aan haar oprichting, de problemen die worden gesteld door de pre- en postrevolutionaire taken, enzovoort …  

Het is dus aan de militanten, die begrijpen dat de huidige taak bestaat in het doen van onderzoek naar deze verschillende problemen, om actief tussen te komen in deze discussie, ofwel door hun eigen kranten of bulletins, ofwel in dit bulletin, voor degenen die momenteel niet beschikken over een dergelijke mogelijkheid om zich uit te drukken.

De beslissende rol van het bewustzijn voor de proletarische revolutie

1. Het idee van de noodzaak van een politieke orgaan dat, actief is in het proletariaat ten behoeve van de sociale revolutie, scheen een verworvenheid te zijn in de socialistische arbeidersbeweging.

Het is waar dat de anarchisten altijd geprotesteerd hebben tegen term ‘politiek’, die aan dit orgaan wordt gegeven. Maar het anarchistische protest komt voort uit het feit dat zij de term ‘politieke activiteit’ op een zeer enge wijze opvatten. Voor hen is het synoniem voor actie voor wetgevende hervormingen: deelname aan de verkiezingen en het burgerlijke parlement, enz… Maar noch de anarchisten, noch enige andere stroming in de arbeidersbeweging ontkent de noodzaak van de hergroepering van de socialistische revolutionairen in associaties die zich, door activiteit en propaganda, wijden aan de taak om tussen te komen en de strijd van de arbeiders te oriënteren. Maar elke groep die zich aan deze taak wijdt, om de sociale strijd een bepaalde richting te geven, is een politieke groepering.

In deze zin is de ideeënstrijd van met betrekking tot het politieke of niet-politieke karakter, dat aan deze organisaties moet worden gegeven, slechts een kwestie van woorden. In wezen verbergt ze, onder de dekmantel van algemene frasen, concrete verschillen in de oriëntatie over de doeleinden en over de middelen om deze te bereiken. Met andere woorden: precies politieke verschillen.

Als er vandaag plotseling opnieuw tendensen opdoemen, die de noodzaak van een politieke orgaan van het proletariaat ter discussie stellen, is dat het gevolg van de ontaarding van de partijen die vroeger organisaties van het proletariaat waren en hun overgang te dienste van het kapitalisme: de socialistische en communistische partijen. De termen politiek en politieke partij raken op dit moment in discrediet, zelfs in burgerlijke milieus. Nochtans, wat heeft geleid tot het onmiskenbare bankroet is niet de politiek, maar BEPAALDE vormen van politiek. Aangezien de politiek niets anders is dan de oriëntatie die mensen zich geven in de organisatie van hun sociaal leven. Zich afkeren van deze activiteit betekent het opgeven van de wil om het sociale leven te oriënteren en het te veranderen, wat leidt tot het zich neerleggen bij en aanvaarden van de huidige maatschappij.

2. De notie van klasse is in wezen een historisch-politiek begrip, en niet eenvoudigweg een economische classificatie. Economisch gezien maken alle mensen, in een gegeven historische periode, deel uit van een en hetzelfde productiesysteem. De opdeling, die gebaseerd is op de onderscheiden posities die de mensen in hetzelfde systeem van productie en verdeling innemen en die het kader van dit systeem niet overschrijden, kan niet het postulaat worden van de historische noodzaak om aan dit systeem voorbij te gaan. De opdeling in economische categorieën is dus slechts een moment van de permanente interne tegenspraak die zich met het systeem ontwikkelt, maar die gevangen blijft binnen de grenzen ervan. De historische tegenspraak is als het ware extern, in de zin dat zij zich verzet tegen alles van het systeem, genomen als een geheel. Deze tegenspraak drukt zich uit in de vernietiging van het bestaande maatschappelijk systeem en zijn vervanging door een ander, dat op een nieuwe productiewijze is gebaseerd. De klasse is de verpersoonlijking van deze historische tegenspraak en tegelijkertijd de maatschappelijk-menselijke kracht tot haar verwezenlijking

Het proletariaat bestaat slechts als klasse, in de volle zin van het woord, in de oriëntatie die het geeft aan zijn strijd, niet met het oog op de verbetering van zijn levensomstandigheden binnen het kapitalistische systeem, maar in zijn tegenstelling tot de bestaande sociale orde. De overgang van de categorie naar de klasse, van de economische strijd naar de politieke strijd, is geen evolutionair proces, maar een in zichzelf besloten onafgebroken ontwikkeling, waardoor de historische klassentegenstelling automatisch en natuurlijk aan de oppervlakte komt, na lang tijd in de economische positie van de arbeiders te zijn opgesloten. De overgang van de ene naar de andere vindt plaats via een dialectische sprong. Hij bestaat uit de bewustwording van de historische noodzaak van de verdwijning van het kapitalistische systeem. Deze historische noodzaak valt samen met het streven van het proletariaat om zich te bevrijden van zijn uitbuitingsvoorwaarde en zit erin vervat.

3. Alle sociale veranderingen in de geschiedenis hadden als beslissende fundamentele voorwaarde de ontwikkeling van de productiekrachten die onverenigbaar werden met de te nauwe structuur van de oude maatschappij. De onmogelijkheid om de productiekrachten nog langer te beheersen, die het kapitalisme heeft ontwikkeld, veroorzaakt zijn eigen einde en de reden voor zijn ineenstorting. Zo brengt hij de voorwaarde en de historische rechtvaardiging dichterbij van zijn overstijging door het socialisme.

Maar behalve deze voorwaarde, blijven de verschillen tussen de voorafgaande revoluties (met inbegrip van de burgerlijke revolutie) en de socialistische revolutie, beslissend en vereisen daarom een diepgaande studie van de kant van de revolutionaire klasse.

Voor de burgerlijke revolutie, bijvoorbeeld, vinden de productiekrachten, die onverenigbaar zijn met het feodalisme, de voorwaarde voor hun ontwikkeling nog binnen een systeem, gebaseerd op eigendom van een bezittende klasse. Vandaar dat de economische basis van het kapitalisme zich langdurig en langzaam ontwikkelt binnen de feodale wereld. De politieke revolutie volgt het economische gegeven en geeft er zijn zegen aan. Daarom heeft de bourgeoisie ook geen dringende behoefte aan een bewustzijn van de economische en sociale beweging. Haar optreden wordt op een directe manier voortgestuwd door de druk van de wetten van de economische ontwikkeling, die haar beïnvloeden als blinde krachten van de natuur en die haar wil bepalen. Haar bewustzijn blijft een factor van tweede rang. Hij komt na de feiten. Hij is meer registratie dan oriëntatie. De burgerlijke revolutie situeert zich in deze prehistorie van de mensheid waar de nog weinig ontwikkelde productiekrachten de mensen domineren.

Het socialisme is daarentegen gebaseerd op een ontwikkeling van de productiekrachten, die onverenigbaar zijn met iedere vorm van individueel of maatschappelijk eigendom van een klasse. Derhalve kan het socialisme geen economische grondslagen vestigen binnen de kapitalistische maatschappij. De politieke revolutie is de eerste voorwaarde voor een socialistische oriëntatie van de economie en de maatschappij. Vanwege dit feit kan het socialisme zich, eveneens, slechts realiseren door het bewustzijn van de uiteindelijke doelen van de beweging, door het bewustzijn van de middelen om het te realiseren en door de bewuste wil tot handelen. Het socialistische bewustzijn GAAT VOORAF AAN en BEPAALT de revolutionaire klasse-actie. De socialistische revolutie is het begin van de geschiedenis, waarin de mens is geroepen om de productiekrachten te beheersen, die reeds sterk zijn ontwikkeld, en deze heerschappij is precies het doel dat de socialistische revolutie zich stelt.

4. Omwille van deze reden zijn alle pogingen om het socialisme te realiseren, op basis van praktische hervormingen binnen het kapitalisme, door de aard van het socialisme zelf, gedoemd tot mislukking. Het socialisme vereist, in termen van tijd, een vergevorderde ontwikkeling van de productiekrachten en, in termen van ruimte, de gehele aarde en de allereerste voorwaarde is de bewuste wil van de mensen. De experimentele demonstratie van het socialisme binnen de kapitalistische maatschappij kan, in het beste geval, het niveau van de utopie niet overschrijden. En het vasthouden aan deze weg leidt van de utopie tot een standpunt ter behoud en versterking van het kapitalisme [3]. Het socialisme binnen de kapitalistische overheersing kan slechts een theoretische demonstratie zijn, zijn materiele verwezenlijking kan slechts de vorm krijgen van een ideologische kracht, en zijn realisering kan alleen plaatsvinden door middel van de revolutionaire strijd van het proletariaat tegen de bestaande maatschappelijke orde.

En aangezien het bestaan van het socialisme zich allereerst slechts kan voordoen in het socialistisch bewustzijn, heeft de klasse die het draagt en het verpersoonlijkt slechts een historisch bestaan door dit bewustzijn. De vorming van het proletariaat als historische klasse is niets anders dan de vorming van zijn socialistisch bewustzijn. Dit zijn twee aspecten van hetzelfde historisch proces, die niet afzonderlijk te vatten zijn, omdat de ene niet bestaat zonder de andere.

Het socialistisch bewustzijn vloeit niet voort uit het economische positie van de arbeiders, het is geen afspiegeling van hun toestand als loonarbeiders. Vanwege deze reden smeedt het socialistisch bewustzijn zich niet spontaan en gelijktijdig in de hersenen van alle arbeiders en alleen maar in hun hersenen. Het socialisme als ideologie verschijnt gescheiden en parallel met de economische strijd van de arbeiders. Zij brengen elkaar niet voort, en ofschoon ze elkaar wederzijds beïnvloeden en elkaar in hun ontwikkeling bepalen, vinden beide hun wortels in de historische ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij.

De vorming van de klasse-partij in de geschiedenis

5. Als de arbeiders (volgens de uitdrukking van Marx en Engels) alleen ‘een klasse op zichzelf en voor zichzelf’ worden door de socialistische bewustwording, kan men zeggen dat het proces van de opbouw van de klasse samenvalt met  het proces van vorming van socialistische revolutionaire militante groepen. De partij van het proletariaat is geen selectie uit, niet op de eerste plaats een ‘delegatie’ van de klasse, maar de wijze van bestaan en leven van de klasse zelf. Net zozeer als men de materie niet kan begrijpen buiten haar beweging, zo kan men tot de klasse niet vatten buiten haar tendens zich in politieke organen te vormen. “De organisatie van het proletariaat als klasse, derhalve als politieke partij” (Kommunistisch Manifest) is geen toevallige formule, maar spreekt de diepe gedachte uit van Marx-Engels. Een eeuw aan ervaring heeft op magistrale wijze de geldigheid bevestigd om het begrip klasse op deze wijze op te vatten.

6. Het socialistische bewustzijn ONTSTAAT niet via een spontane voortbrenging maar REPRODUCEERT zich onophoudelijk: als het eenmaal is ontstaan dan wordt het, in zijn tegenstelling tot de bestaande kapitalistische wereld, het actieve principe dat zijn eigen ontwikkeling bepaalt en versnelt, in en door de actie. Deze ontwikkeling wordt echter bepaald en beperkt door de tegenspraken van het kapitalisme. In deze zin is het standpunt van Lenin over ‘het socialistische bewustzijn dat door de partij bij de arbeiders wordt ingebracht’ in tegenspraak met het standpunt van Rosa over de ‘spontaniteit’ van de bewustwording, welke ontstaat wordt in de loop van de beweging, die begint met de economische strijd en uitloopt op een revolutionaire socialistische strijd, zeer zeker meer exact. Ondanks haar democratische schijn verbergt de stelling van de ‘spontaniteit’, wat de inhoud betreft, een mechanistische tendens, een streng economisch determinisme. Ze gaat uit van een oorzakelijk verband: het socialistische bewustzijn zou slechts het gevolg zijn van een eerste beweging, te weten, de economische strijd van de arbeiders, waardoor het zou worden voortgebracht. Het zou, onder meer, van fundamenteel passieve aard zijn ten opzichte van de economische gevechten, die het actieve element zullen zijn. De opvatting van Lenin geeft aan het socialistische bewustzijn en aan de Partij, die haar vorm belichaamt, het karakter terug van een fundamenteel actieve factor en principe. Ze maakt zich niet los van het leven en de beweging, maar is daarin besloten.

7. De fundamentele moeilijkheid van de socialistische revolutie is gelegen in deze complexe en tegenstrijdige situatie: enerzijds kan de revolutie slechts plaatsvinden door het BEWUSTE optreden van de GROTE MEERDERHEID van de arbeidersklasse, anderzijds stuit deze bewustwording op de omstandigheden waaraan de arbeiders in de kapitalistische maatschappij zijn onderworpen en die, onder de arbeiders, de bewustwording van hun revolutionaire historische taak onophoudelijk verhinderen en vernietigen. Deze moeilijkheid kan absoluut niet alleen door de theoretische propaganda overwonnen worden, onafhankelijk van de historische conjunctuur. Maar de oplossing voor deze moeilijkheid zal, nog minder dan door de zuivere propaganda, gevonden kunnen worden in de economische strijd van de arbeiders. Overgelaten aan hun eigen interne ontwikkeling, kunnen de gevechten van de arbeiders tegen de kapitalistische uitbuitingsvoorwaarden hoogstens leiden tot opstandige uitbarstingen, dat wil zeggen: tot negatieve reacties, maar die absoluut ontoereikend zijn voor hun positieve activiteit tot sociale verandering; iets dat alleen mogelijk is door het bewustzijn van het doel van de beweging. Deze factor kan slechts worden gevormd door het politieke aspect van de klasse, dat zijn theoretische inhoud niet ontwikkelt vanuit de toevalligheden en het particularisme van de economische positie van de arbeiders, maar vanuit de ontwikkeling van de historische mogelijkheden en de noodzaak. Enkel de tussenkomst van deze factor stelt de klasse in staat om over te gaan van het vlak van de negatieve reactie op het vlak van het positieve handelen, van de opstand naar de revolutie.

8. Maar het zou absoluut verkeerd zijn deze organen, deze manifestaties van het bewustzijn en van het bestaan van de klasse te willen vervangen door de klasse zelf en de klasse louter te beschouwen als een vormeloze massa, die bedoeld is om als materiaal te dienen voor deze politieke organen. Dat zou de revolutionaire opvatting van het verband tussen het bewustzijn en het zijn, tussen de partij en de klasse vervangen door een militaristische opvatting. De historische functie van de partij is niet die van een Generale Staf die de actie van de klasse leidt als een leger, dat als zodanig het definitieve doel en de directe doelen van de operaties negeert. Hiermee zou de klassebeweging beschouwd worden als ‘een geheel van de manoeuvres’. De socialistische revolutie is in geen enkel opzicht vergelijkbaar met de militaire activiteit. Haar verwezenlijking wordt bepaald door het bewustzijn welke de arbeiders zelf hebben, en die hun eigen besluiten en hun eigen acties bepalen.

De Partij handelt dus niet in plaats van de klasse. Zij eist niet het ‘vertrouwen’ op in de burgerlijke zin van het woord, dat wil zeggen een delegatie aan wie het lot - en de bestemming - van de maatschappij wordt toevertrouwd. Zij heeft alleen als historische functie haar invloed aan te wenden opdat de klasse in staat gesteld wordt om zelf het bewustzijn te verwerven van haar missie, haar doeleinden en middelen die de grondslagen vormen voor haar revolutionaire handelen.

9. Met dezelfde kracht als er moet worden gestreden tegen deze opvatting van de Partij als de Generale Staf, die handelt in naam en in plaats van de klasse, moet ook de andere opvatting verworpen worden die, uitgaande van het feit dat “de emancipatie van de arbeiders het werk van de arbeiders zelf” is (De Inhuldigingsrede van Eerste Internationale), iedere rol van de militant en de revolutionaire partij ontkent. Onder het zeer lofwaardige voorwendsel om niet hun wil te willen opleggen aan de arbeiders, ontwijken deze militanten hun taak, ontvluchten ze hun eigen verantwoordelijkheid en plaatsen ze de revolutionairen aan de staart van de beweging van de arbeiders.

De eersten plaatsen zich buiten de klasse door haar te ontkennen en door in haar plaats op te treden, de tweede zetten zich niet minder buiten de klasse, door de functie te ontkennen die eigen is aan de klasse-organisatie die de partij is, door haar eigen bestaan als revolutionaire factor te ontkennen en door zichzelf uit te sluiten door het verbod dat zij opleggen aan hun eigen handelen.

10. Een juiste opvatting van de voorwaarden voor de socialistische revolutie moet vertrekken van de volgende elementen en ze omvatten:

  1. Het socialisme is slechts een noodzaak vanwege het feit dat de ontwikkeling, die door de productiekrachten wordt bereikt, niet meer verenigbaar is met een maatschappij die verdeeld is in klassen.
  2. Deze noodzaak kan alleen werkelijkheid worden door de wil en het bewuste optreden van de onderdrukte klasse, waarvan de sociale bevrijding samenvalt met de bevrijding van de mensheid van haar vervreemding, en van de productiekrachten waaraan zij tot nu toe is onderworpen.
  3. Aangezien het socialisme zowel een objectieve noodzaak als een subjectieve wil vereist, kan het zich slechts uitdrukken in de revolutionaire ACTIE, die bewust is van haar doel.
  4. de revolutionaire activiteit is niet te begrijpen zonder een revolutionair programma. Eveneens is de uitwerking van het programma onafscheidelijk van deze activiteit. En omdat de revolutionaire Partij “een orgaan van doctrine en een wil tot actie (Bordiga) is, is zij de meest uitgesproken concretisering van het socialistische bewustzijn, en het fundamentele element van zijn realisatie.

11. De tendens tot oprichting van de Partij van het proletariaat vindt plaats op het moment dat de kapitalistische maatschappij ontstaat. Maar zolang de historische voorwaarden voor het socialisme niet voldoende ontwikkeld zijn, kan de ideologie van het proletariaat, net zoals de opbouw van de Partij, slechts in het embryonale stadium bestaan. Het was pas met de ‘Bond van de Kommunisten’ dat er voor de eerste keer een volwassen politieke organisatie van het proletariaat ontstond.

Wanneer men de ontwikkeling van de oprichting van de partijen van de klasse nauwkeurig onderzoekt, blijkt direct dat de organisatie in partijen geen constante is maar, daarentegen, periodes van grote ontwikkeling doormaken die worden afgewisseld met een andere periodes, waarin de Partij verdwijnt. Het organische bestaan van de Partij schijnt dus niet alleen af te hangen van de wil van de personen, die haar vormen. Het zijn de objectieve omstandigheden die haar bestaan bepalen. Aangezien de partij voornamelijk een orgaan van revolutionaire klasse-actie is, kan zij slechts bestaan in situaties waarin deze aan de oppervlakte komt. Bij afwezigheid van de voorwaarden voor optreden van de arbeidersklasse (economische en politieke stabiliteit van het kapitalisme, of na diepe nederlagen in de arbeidersstrijd), kan de partij niet blijven bestaan. Ze valt organisch uit elkaar. Maar als ze blijft bestaan, dat wil zeggen om een invloed uit te blijven oefenen, dan moet ze zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden die de revolutionaire activiteit ontkennen. In dat geval krijgt de Partij onvermijdelijk een nieuwe inhoud. Ze wordt conformistisch ; oftewel: zij houdt op de partij van de revolutie te zijn.

Marx heeft, beter dan alle anderen, de voorwaarden voor het bestaan van de Partij begrepen. Bij twee gelegenheden trad hij op als degene die de grote organisatie ontbond: de eerste keer in 1851, na de nederlaag van de revolutie en de triomf van de reactie in Europa, en de tweede keer in 1873, na de nederlaag van de Commune van Parijs, sprak hij zich openlijk uit voor de ontbinding. De eerste keer, van de Bond van de Kommunisten, en de tweede keer van de Eerste Internationale.

De huidige taak voor de revolutionaire militanten

12. De ervaring van Tweede Internationale bevestigt de onmogelijkheid om de partij van het proletariaat te handhaven in langdurige periode van een niet-revolutionaire situatie. De definitieve deelname van de partijen van Tweede Internationale aan de imperialistische oorlog van 1914 heeft slechts de lange periode van ontaarding van die organisatie geopenbaard. Het binnendringen en doordringen van de ideologie van de kapitalistische klasse, iets wat altijd mogelijk is in de politieke organisatie van het proletariaat, nemen, in periodes van langere stagnatie en teruggang van de klassestrijd, een zodanige omvang aan dat de ideologie van de bourgeoisie de plaats gaat innemen van die van het proletariaat, en dat de partij zich onvermijdelijk ontdoet van de zijn oorspronkelijke klasse-inhoud om daarna het instrument van de klasse-vijand te worden.

De geschiedenis van de kommunistische partijen van de Derde Internationaal heeft opnieuw de onmogelijkheid bewezen om de partij te redden in een periode van revolutionaire teruggang en van zijn ontaarding in zo’n periode.

13. Om deze redenen kan de vorming van partijen, zoals die van een Internationale door trotskisten sinds 1935 en de recente oprichting van een Internationalistische Kommu­nistische Partij (PCI) in Italië, vanwege hun kunstmatige vorming, slechts ondernemingen zijn die tot verwarring en opportunisme leiden. In plaats van momenten te zijn in de oprichting van de toekomstige Partij van de klasse, zijn deze formaties hinderpalen en brengen haar in diskrediet door de karikatuur die zij ervan voorstellen. Verre van een rijping van het bewustzijn uit te drukken, en voorbij te gaan aan het oude programma, veranderen ze deze in dogma's. Ze beperken zich tot het reproduceren het oude programma en worden tot gevangenen van deze dogma's. Het is dat ook helemaal niet verwonderlijk dat deze formaties de achterhaalde en voorbij gestreefde standpunten van de oude Partij hernemen en ze nog slechter maken, zoals wordt aangetoond door de tactiek van het parlementarisme, het syndicalisme, enzovoort.

14. Maar de breuk in het organisatorische bestaan van de Partij betekent geen breuk in de ontwikkeling van de ideologie van klasse. De revolutionaire teruggang is in de eerste plaats een uiting van de onrijpheid van het revolutionaire programma. De nederlaag is het signaal voor de noodzaak om een kritische heroverweging van voorafgaande programmatische standpunten te ondernemen, en de verplichting er aan voorbij te gaan op basis van de levende ervaring van de strijd.

Dit positieve kritische werk van programmatische verdieping wordt voortgezet door organen die voortkomen uit de oude Partij. Zij vormen het actieve element in de periode van teruggang voor de oprichting van de toekomstige partij in het geval er zich een periode van een nieuwe revolutionaire opgang zich voordoet. Deze organen worden gevormd door groepen of fracties van de linkerzijde, die afkomstig zijn uit de partij, na de organisatorische ontbinding of zijn ideologische vervreemding van de laatste. Voorbeelden daarvan zijn de Fractie van Marx in de periode die verliep van de ontbinding van de Bond van Kommunisten tot aan de oprichting van de Eerste Internationale, de linkse stromingen in de Tweede Internationale (gedurende de Eerste Wereldoorlog) en die aan de basis lagen van de nieuwe partijen en de [Derde] Internationale in 1919 ; dat waren eveneens de fracties van de Linkerzijde en de groepen die hun revolutionaire werkzaamheid voortzetten, na de ontaarding van de Derde Internationale. Hun bestaan en hun ontwikkeling vormen de voorwaarde voor de verrijking van het programma van de revolutie en de wederopbouw van de partij van morgen.

15. Als de oude partij eenmaal in de greep is van en overgegaan is naar de vijandige klasse, houdt ze definitief op een milieu te zijn waar de revolutionaire gedachte wordt uitgediept en ontwikkeld en waar militanten van het proletariaat zich kunnen vormen. Een dergelijke partij leidt zowel tot onkundigheid ten aanzien van de grondslag van het begrip partij als tot de verwachting dat de stromingen, afkomstig uit de sociaaldemocratie of het stalinisme, zouden kunnen dienen als bouwmateriaal voor de nieuwe klasse-partij. De Trotskisten, die aanhaken bij de partijen van de Tweede Internationale of de  scijnheilige praktijk voortzetten van infiltratie in deze partijen, om in dit anti-proletarische milieu ‘revolutionaire’ stromingen te verwekken, waarmee ze dan vervolgens een nieuwe partij van het proletariaat zouden kunnen vormen, laten daarmee zien dat zijzelf slechts een dode stroming zijn, een uitdrukking van een voorbije en niet een toekomstige beweging.

Net zoals de nieuwe Partij van de revolutie niet kan worden opgericht op basis van een programma dat door de gebeurtenissen is voorbijgestreefd, zo ook kan zij ook niet worden opgebouwd met elementen die organisch verbonden blijven aan organisaties, die voor altijd hebben opgehouden deel van arbeidersklasse uit te maken.

16.  De geschiedenis van de arbeidersbeweging heeft nooit een meer sombere periode en een diepere teruggang van het revolutionaire bewustzijn gekend dan in de huidige periode. Als de economische uitbuiting van de arbeiders een absoluut ontoereikende voorwaarde blijkt te zijn voor de bewustwording van hun historische taak, ziet het ernaar uit dat deze bewustwording oneindig moeilijker is dan de revolutionaire militanten dachten. Opdat het proletariaat zich zou kunnen herpakken, moet de mensheid misschien de nachtmerrie van de derde wereldoorlog ondergaan en daarmee de verschrikkingen van een wereld in chaos. Misschien moet het proletariaat op een tastbare wijze geplaatst wordt voor het dilemma: sterven of zich redden door de revolutie, opdat het de voorwaarde zou kunnen vinden voor herwinnen van zijn zelfcontrole en zijn bewustzijn.

17.  In verband met deze stelling, is het niet aan ons om onderzoek te doen naar de precieze omstandigheden, die de bewustwording van het proletariaat zullen toelaten, noch naar voorwaarden voor de groepering en de eenheidsorganisatie, die het proletariaat zal voortbrengen ten behoeve van zijn revolutionaire strijd. Wat wij op dit vlak op besliste wijze kunnen vooropstellen, en wat de ervaring van de dertig laatste jaren ons machtigt om te doen, is dat noch de economische eisen, noch de hele reeks van de zogenaamde ‘democratische’ eisen (parlementarisme, recht van de naties op zelfbeschikking, enzovoort), kunnen dienen als grondslag voor het historische handelen van het proletariaat. Wat betreft de vormen van organisatie blijkt, met nog meer duidelijkheid, dat het niet de vakbonden kunnen zijn, met hun verticale, professionele, corporatistische structuur. Al deze vormen van organisatie behoren tot het verleden van de arbeidersbeweging en moeten naar het museum van de geschiedenis worden verwezen. In de praktijk moeten zij absoluut verworpen en overstegen worden. De nieuwe organisaties zullen eenheidsorganisaties zijn, dat wil zeggen organisaties die de grote meerderheid van de arbeiders omvatten en de bijzonderheden van de beroepsbelangen overschrijden. Hun grondslag zal gebaseerd zijn op het maatschappelijk vlak, hun structuur op de locatie. De arbeidersraden, zoals die in 1917 in Rusland en in 1918 in Duitsland plotseling zijn verrezen, blijken de nieuwe soort van eenheidsorganisatie van de klasse te zijn. Niet de verjonging van de vakbonden, maar dit soort arbeidersraden, zullen door de arbeiders worden beschouwd als de meest aangewezen vorm van hun organisatie.

Maar welke die nieuwe vormen van eenheidsorganisatie van de klasse ook zullen zijn, dit verandert in geen enkel opzicht het probleem van de noodzaak van het politieke orgaan, dat gevormd wordt door de Partij, noch de beslissende rol die zij speelt. De partij zal de bewuste factor in de klasse-actie blijven. Zij is de absoluut noodzakelijke primaire ideologische krachtbron voor het revolutionaire optreden van het proletariaat. In de sociale actie speelt zij een rol, die overeenkomt met de energie in de productie. De wederopbouw van dit klasse-orgaan wordt bepaald door een tendens, die aan het licht komt in de arbeidersklasse, als deze breekt met de kapitalistische ideologie en als deze zich op praktische wijze in strijd gaat tegen het bestaande regime. Tegelijkertijd vormt deze heroprichting een voorwaarde voor versnelling en verdieping van deze strijd en de beslissende voorwaarde voor haar zege.

18. Uit de afwezigheid van de voorwaarden, die vereist zijn voor de oprichting van de partij, moet niet worden afgeleid dat elke directe activiteit van de revolutionaire militant nutteloos of onmogelijk is. De militant moet geen keuze maken tussen het holle ‘activisme’ van de ‘partij-fetisjisten’ en de individuele afzondering, tussen het avonturisme en het machteloze pessimisme, maar moet beiden bestrijden als even vreemd aan de revolutionaire geest en schadelijk voor de zaak van de revolutie. Hij moet eveneens de voluntaristische opvatting van de militante activiteit verwerpen, welke zich presenteert als de enige factor die de beweging van de klasse bepaalt, evenals de mechanistische opvatting van de partij, die haar beschouwt als een eenvoudige passieve afspiegeling van de beweging. De militant moet zijn activiteit beschouwen als een van de factoren die, in de wisselwerking met de andere, het optreden van de klasse bedingt en bepaalt. Uitgaande van deze opvatting vindt de militant de grondslag van de noodzaak en de waarde van zijn activiteit alsmede de grens van zijn mogelijkheden en reikwijdte. Zijn activiteit aanpassen aan de voorwaarden van de bestaande conjunctuur is de enige manier om haar efficiënt en vruchtbaar te maken.

19. De wil om, in alle haast en ten koste van alles, de nieuwe klasse-partij op te richten, ondanks de ongunstige objectieve voorwaarden en door deze geweld aan te doen, is de uitdrukking van een avonturistisch en kinderachtig voluntarisme en een foutieve beoordeling van de situatie en zijn directe vooruitzichten, en tenslotte van een totale miskenning van het begrip partij en de verhouding tussen de partij en de klasse. Derhalve waren al deze pogingen onvermijdelijk gedoemd tot mislukking. In het beste geval zijn ze er slechts in geslaagd om opportunistische groeperingen te creëren die zich laten meeslepen in het kielzog van de grote partijen van de Tweede en Derde Internationale. De enige reden die hun bestaan dan rechtvaardigt is slechts de ontwikkeling, in hun midden, van een kapelletjes- en sektegeest.

Aldus worden al deze organisaties, in hun positivisme, door hun ‘directe activisme’, niet alleen gegrepen door het raderwerk van het opportunisme, maar brengen in hun negatief ook een bekrompenheid voort die eigen is aan sektes, een parochiaal patriottisme, een angstige en bijgelovige aanhankelijkheid hun de ‘leiders’, aan de karikaturale reproductie van het spel van de grote organisaties, aan de verafgoding van organisatieregels en de onderwerping aan een ‘vrijwillig aanvaarde’ discipline welke, omgekeerd evenredig tot het aantal, meer tiranniek en ontoelaatbaar wordt.

Het gevolg is dat de kunstmatige en vroegtijdige oprichting van de partij leidt zowel tot de ontkenning van de opbouw van de politieke klasse-organisatie, als tot de vernietiging van de kaders en het verlies, op min of meer korte termijn maar onvermijdelijk, van militanten, die versleten, uitgeput, verloren en volledig ontmoedigd raken.

20. De verdwijning van de Partij, ofwel door haar inkrimping en haar organisatorisch uiteenvallen, zoals het geval was bij de Eerste Internationale, ofwel door zijn overgang ten dienste van het kapitalisme, zoals het geval was voor de partijen van Tweede en Derde Internationale, brengt, zowel in het ene als het andere geval, het einde van een periode in de revolutionaire strijd van het proletariaat tot uitdrukking. De verdwijning van de partij is dan onvermijdelijk en geen enkel voluntarisme of aanwezigheid van een min of meer geniale leider kan dit verhinderen.

Marx en Engels hebben tweemaal de organisatie van het proletariaat, aan wier leven zij op een doorslaggevende wijze hebben deelgenomen, zien breken en afsterven. Lenin en Luxemburg zijn getuige geweest, vol machteloosheid, van het verraad van de grote sociaaldemocratische partijen. Trotsky en Bordiga hebben niets kunnen veranderen aan de ontaarding van de kommunistische partijen en hun verandering in een reusachtige machines van het kapitalisme, dat wij sindsdien kennen.

Deze voorbeelden leren ons niet de zinloosheid van de Partij, zoals een oppervlakkige en fatalistische analyse beweert, maar alleen dat de noodzakelijke Klasse-partij niet bestaat in de zin van een onafgebroken en stijgende lijn, maar dat haar bestaan niet altijd mogelijk is. Haar ontwikkeling en haar bestaan beantwoordt aan en is nauw verbonden met de klassestrijd van het proletariaat, die haar doet ontstaan en die haar tot uitdrukking brengt. Daarom heeft de strijd van de revolutionaire militanten binnen de partij, in de loop van de periode van ontaarding en voor haar dood als arbeiderspartij, een revolutionaire betekenis, maar niet die vulgaire betekenis die de verschillende trotskistische opposities aan haar hebben gegeven. Voor deze laatsten ging het om haar herstel, en om haar te herstellen moest de organisatie en haar eenheid vooral niet in gevaar worden gebracht.

Voor hen ging het erom de organisatie in haar voormalige pracht te handhaven, terwijl juist de objectieve omstandigheden dit niet toelieten en de verlopen pracht van de organisatie zich slechts kon handhaven ten koste van een voortdurende en groeiende vervorming van haar revolutionaire en klasse-aard. Het zijn organisatorische maatregelen waarin zij het middel vinden om de organisatie te redden, zonder te begrijpen dat de organisatorische ineenstorting altijd de uitdrukking is en de afspiegeling van een periode van revolutionaire teruggang en vaak een oplossing is die de voorkeur verdient boven haar overleving. In ieder geval wat de revolutionairen moeten redden is niet de organisatie, maar haar klasse-ideologie die, met de ondergang van de organisatie, gevaar loopt te vergaan.

Omdat men de objectieve oorzaken van het onvermijdelijke verlies van de oude partij niet begreep, kon men de taak van de militanten in deze periode niet begrijpen. Uit de mislukking om de oude klasse-partij te redden, trokken ze de conclusie dat het noodzakelijk was om onmiddellijk een nieuwe partij op te richten. Dat onbegrip kon enkel leiden tot de toename van het avonturisme en het geheel gebaseerd op een voluntaristische opvatting van de partij.

Een juiste studie van de werkelijkheid toont aan dat de dood van de oude partij juist inhoudt dat het onmogelijk is om onmiddellijk een nieuwe partij op te richten ; het betekent namelijk dat de noodzakelijke voorwaarden voor welke partij dan ook, zowel oude als nieuwe, in de huidige periode niet bestaan.

In zo'n periode kunnen alleen kleine revolutionaire groepen blijven voortbestaan die minder een organisatorische dan ideologische voortzetting waarborgen, die in hun midden de voorbijgegane ervaring van de beweging en de klassenstrijd samenvatten, die de koppeling vertegenwoordigen tussen de partij van gisteren en die van morgen, tussen de climax van de strijd en de rijpheid van het klassebewustzijn in de periode van de voorbije stroom die gaat naar zijn overschrijding in de nieuwe periode van de stroom in de toekomst. In deze groepen wordt het ideologische leven van de klasse, de zelfkritiek van haar strijd, de kritische heroverweging van haar voorafgaande ideeën, de uitwerking van haar programma, de rijping van haar bewustzijn en de vorming van nieuwe kaders van militanten met het oog op de volgende stap in zijn revolutionaire aanval voortgezet.

21. De huidige periode, waarin we leven, is het product, aan de ene kant van de nederlaag van de eerste grootse revolutionaire golf van het internationale proletariaat, die een einde te maakte aan de eerste imperialistische oorlog en die haar hoogtepunt bereikte in de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland en in de Spartacusbeweging van 1918-1919, en aan de andere kant van de diepgaande veranderingen in de economisch-politieke structuur van het kapitalisme, die evolueert naar zijn ultieme en vorm van verval, het staatskapitalisme. Bovendien bestaat er een dialectische relatie tussen deze evolutie van het kapitalisme en de nederlaag van de revolutie.

Ondanks hun heldhaftige strijdwil, ondanks de permanente en onoverkomelijke crisis van het kapitalistische systeem en de wonderbaarlijke en voortdurende verergering van de levensomstandigheden van de arbeiders, konden het proletariaat en zijn voorhoede niet het hoofd bieden aan de tegenaanval van het kapitalisme. Zij vonden niet het klassieke kapitalisme tegenover zich en werden daardoor verrast door de veranderingen. Want deze stelden problemen waarop zij, noch theoretisch noch politiek, waren voorbereid. Het proletariaat en zijn voorhoede, die lange tijd het kapitalisme hadden verward met het particulier eigendom van de productiemiddelen, en het socialisme met staatseigendom, waren ontspoord en ontredderd geraakt door de tendensen van het moderne kapitalisme naar staatsconcentratie van de economie en haar planning. Een reusachtige meerderheid van de arbeiders waren gewonnen voor het idee dat deze evolutie een originele manier was tot verandering van de maatschappij van het kapitalisme naar het socialisme. Zij hebben hun ziel aan deze onderneming verpand, zij hebben hun historische taak opgegeven en zijn de betrouwbaarste vaklui geworden voor het behoud van de kapitalistische maatschappij.

Dat zijn de historische omstandigheden die het proletariaat zijn huidige vorm geven. Zolang deze voorwaarden de overhand hebben, zolang de ideologie van het staatskapitalisme de hersenen van de arbeiders beheerst, zal er geen sprake kunnen zijn van wederopbouw van de klasse-partij. Alleen door bloedige rampen, die de fase van het staatskapitalisme kenmerken, zal het proletariaat de kloof bevatten, die het bevrijdende socialisme scheidt van het huidige monsterlijke staatskapitalistische regime.  Alleen als er in zijn midden een groeiende tendens ontstaat om zich los te maken van deze ideologie, die het vernietigd en gevangen houdt, dan pas zal opnieuw de weg opengaan naar de organisatie van het proletariaat als klasse, derhalve als politieke partij”. Deze etappe zal des te sneller en gemakkelijker door het proletariaat genomen kunnen worden als de revolutionaire kernen de vereiste theoretische inspanning hebben gedaan die een antwoord geven op de nieuwe problemen die verbonden zijn met het staatskapitalisme en zo het proletariaat hebben helpen om zijn klasse-oplossing en de middelen voor haar verwezenlijking terug te vinden.

22. In de huidige periode kunnen de revolutionaire militanten slechts blijven bestaan door de vorming van kleine groepen die zich wijden aan een geduldig werk van propaganda, dat noodzakelijkerwijs in zijn omvang beperkt is, tegelijk met een hardnekkige inspanning op het gebied van onderzoek en theoretische opheldering.

Deze groepen zullen zich slechts aan deze taak kunnen wijden door contact te zoeken met andere groepen op nationaal en internationaal niveau, op basis van afgebakende criteria van de klasse-grenzen. Alleen deze contacten en hun vermeerdering, met het oog op de confrontatie van standpunten en de opheldering van de problemen, zullen de groepen en militanten in staat stellen om zich, zowel lichamelijk als politiek, te verzetten tegen de verschrikkelijke druk van het kapitalisme in de huidige periode en ervoor te zorgen dat alle inspanningen een reële bijdrage vormen tot de ontvoogdingsstrijd van het proletariaat.

De Partij van morgen

23. De Partij kan geen eenvoudige kopie zijn van die van gisteren. Zij kan niet worden opgebouwd, gebaseerd op een ideaal model uit het verleden. Evenals haar programma, zijn haar organische structuur en de verhouding die ontstaat tussen haar en het geheel van de klasse, gebaseerd op een synthese van de voorgaande ervaring en de nieuwe, meer gevorderde omstandigheden van het huidige stadium. De Partij volgt de evolutie van de klassestrijd en elk stadium van de geschiedenis komt overeen met een bepaald type van politieke organisatie van het proletariaat.

Bij de opkomst van het moderne kapitalisme, in de eerste helft van de 19e eeuw, was de arbeidersklasse nog in haar vormingsfase en voerde plaatselijke en sporadische gevechten, die slechts konden leiden tot het ontstaan van doctrinaire scholen, sekten en bonden. De Bond van de Kommunisten was de meest gevorderde uitdrukking van deze periode evenals haar ‘Manifest’ en haar oproep van proletariërs aller landen, verenigt u, waarmee zij de daaropvolgende periode aankondigde.

De Eerste Internationale stemde overeen met de daadwerkelijke verschijning van het proletariaat op het toneel van de sociale en politieke strijd in de voornaamste landen van Europa. Ze groepeerde eveneens alle georganiseerde krachten van de arbeidersklasse, haar meest diverse ideologische tendensen. De Eerste Internationale verenigde zowel alle stromingen als alle aangrenzende aspecten van de arbeidersstrijd: economisch, educatief, politiek en theoretisch. Zij vormde het hoogtepunt van de EENHEIDSORGANISATIE van de arbeidersklasse, in heel haar verscheidenheid.

De Tweede Internationale vormde een etappe in het onderscheiden van de economische strijd en de politiek-sociale strijd van de arbeiders. In deze periode, van volle ontplooiing van de kapitalistische maatschappij, vormde de Tweede Internationale zowel de organisatie van de strijd voor hervormingen en politieke veroveringen, de politieke bevestiging van het proletariaat, als een hoger stadium in de ideologische afbakening binnen het proletariaat, door de theoretische grondslagen van haar revolutionaire historische missie te preciseren en uit te werken.

De Eerste Wereldoorlog betekende de historische crisis van het kapitalisme en de het begin van zijn fase van neergang. De socialistische revolutie ging vanaf dat moment over van het niveau van de theorie naar het niveau van de praktische toepassing. Onder het vuur van de gebeurtenissen was het proletariaat als het ware gedwongen om zijn revolutionaire strijdorganisatie in alle haast te bouwen. De monumentale programmatische bijdrage van de eerste jaren van de Derde Internationale is echter onvoldoende en inferieur gebleken ten opzichte van de reusachtige omvang van de op te lossen problemen die werden gesteld door deze ultieme fase van het kapitalisme en door zijn revolutionaire overgang. Tegelijkertijd heeft de ervaring al snel aangetoond dat de klasse als geheel over het algemeen ideologische onrijp was. Geconfronteerd met deze twee klippen, en onder de druk van de plotselinge noodzaak, die voortkwam uit de gebeurtenissen en hun snelheid, werd de Derde Internationale ertoe aangezet om te antwoorden met organisatorische maatregelen: de ijzeren discipline van de militanten, enzovoort.

Het organisatorische aspect moest de programmatische onvolkomenheid compenseren en de partij de onrijpheid van de klasse. Maar dat leidde ertoe dat de partij zich in de plaats stelde van de klasse-actie zelf en daardoor tot een aantasting van het begrip van de partij en haar verhouding tot de klasse.

24.  Op basis van deze ervaring, zal de toekomstige partij gegrondvest worden op de herbevestiging van deze waarheid: de revolutie is nochtans geen kwestie van organisatie, ook al omvat zij een organisatieprobleem. De revolutie is vooral een ideologisch probleem, van rijping van het bewustzijn in de brede massa's van het proletariaat.

Geen enkele organisatie, geen enkele partij kan de plaats innemen van de klasse zelf, want meer dan ooit blijft het waar dat de emancipatie van de arbeiders [slechts] het werk van de arbeiders zelf zal zijn”. De partij, die de kristallisatie is van het klassebewustzijn, is noch gescheiden van de klasse, noch synoniem ervan. De partij blijft noodzakelijkerwijs een kleine minderheid ; haar ambitie is niet meer de grootste numerieke kracht te zijn. Op geen enkel moment kan zij zich noch scheiden van de levende activiteit van de klasse, noch de plaats ervan innemen. Haar functie blijft die van ideologisch orgaan van inspiratie tijdens de beweging en van het optreden van de klasse.

25.  In de loop van de opstandige periode naar de revolutie, is het niet de rol van de partij om de macht voor zichzelf op te eisen, noch aan de massa's te vragen om haar  het ‘vertrouwen’ te geven. Ze komt tussen en ontwikkelt haar activiteit met het oog op de zelf-mobilisatie van de klasse en daarbinnen streeft zij ernaar de revolutionaire principes en actiemiddelen te doen zegevieren.

De mobilisatie van de klasse rond de partij, waar zij de leiding aan ‘toevertrouwt’ of, beter gezegd, aan overgeeft, is een opvatting die wijst op een toestand van onrijpheid van de klasse. De ervaring heeft aangetoond dat het, onder dergelijke omstandigheden, voor de revolutie uiteindelijk onmogelijk is om te overwinnen en deze snel moet ontaarden, wat een scheiding tussen de klasse en de partij tot gevolg heeft. Laatstgenoemde ziet zich snel geplaatst voor de noodzaak om steeds meer een beroep te doen op dwangmiddelen die ze aan de klasse oplegt en wordt aldus een geduchte hinderpaal voor het verloop voor de revolutie.

De partij is geen orgaan van leiding en uitvoering, deze functies zijn eigen aan de eenheidsorganisatie van de klasse. Als de militanten van de partij aan deze functies deelnemen, dan is dat als leden van de grote gemeenschap van het proletariaat.

26.  In de postrevolutionaire periode, die van de dictatuur van het proletariaat, is de partij niet de enige partij. Dit is een karakteristiek die klassiek is voor totalitaire regimes. De laatstgenoemde wordt gekenmerkt door zijn identificatie en zijn assimilatie met de staatsmacht waarvan hij het monopolie heeft. De klasse-partij van het proletariaat daarentegen wordt gekenmerkt door het feit dat ze zich onderscheidt van de Staat, waarvan zij de historische tegenstelling vormt. De totalitaire eenheidspartij neigt ertoe zich uit te breiden en miljoenen personen op te nemen om er het fysieke element van haar overheersing en haar onderdrukking van te maken. De partij van het proletariaat blijft daarentegen, door haar aard, een strenge ideologische selectie, haar militanten hebben geen belang om te veroveren of te verdedigen. Het is slechts hun voorrecht de helderste strijders te zijn en de meest toegewijde aan de revolutionaire zaak. De partij heeft dus niet tot doel om de brede massa's in haar midden op te nemen want, naarmate haar ideologie deel zal worden van de brede massa's, zal de noodzaak van haar bestaan verdwijnen en het uur van haar ontbinding inluiden.

De interne regels van de partij

27. De problemen op het vlak van de organisatiebeginselen, die de interne regels van de partij vormen, nemen ook een meer beslissende plaats in dan haar programmatische inhoud. Een opgedane ervaring, en meer in het bijzonder die van de partijen van de Derde Internationale, hebben aangetoond dat het begrip van de partij een eenheid vormt. Organisatorische regels zijn een aspect en een manifestatie van deze opvatting. Er bestaat geen organisatiekwestie die gescheiden is van de visie over de rol en de functie van de partij en haar verhouding tot de klasse. Geen enkele van deze kwesties staat op zichzelf, ze brengen echter elementen tezamen, die een fundamenteel element en uitdrukking van het geheel vormen.

De partijen van de Derde Internationale hadden dergelijke regels of zo’n interne ordening omdat ze waren gevormd in een duidelijk onrijpe periode van de klasse, wat ertoe heeft geleid dat de partij zich in de plaats stelde van de klasse, de organisatie in de plaats van het bewustzijn, de discipline in plaats van de overtuiging.  

De organisatorische regels van de toekomstige partij moeten daarom staan in functie van een begrip dat omgekeerd evenredig is aan de rol van de partij in een verder gevorderd stadium van de strijd, gebaseerd op een grotere ideologische rijpheid van de klasse.

28. De kwesties van democratisch of organisch centralisme, die een prominente plaats innemen in de Derde Internationale, zullen hun scherpte verliezen voor de toekomstige partij. Als de klasse-actie rustte op de activiteit van de partij, zou de vraag van maximale praktische doeltreffendheid van de laatste noodzakelijkerwijs domineren in de partij, die bovendien alleen maar versnipperde oplossingen kon brengen.  

De doeltreffendheid van het optreden van de partij ligt niet uit haar praktische leidinggevende en uitvoerende activiteit, maar in haar ideologische. De kracht van de partij berust daarom niet op disciplinaire onderwerping van de militanten, maar op haar kennis, haar steeds grotere ideologische ontwikkeling, haar steeds meer vastere overtuiging.

De regels van de organisatie komen niet voort uit abstracte opvattingen, verheven tot het niveau de in zichzelf besloten en onveranderlijke principes, democratie of centralisme. Dit soort beginselen zijn zonder betekenis. Als de besluitvorming middels een (democratische) meerderheid, bij gebrek aan een meer geëigende methode, moet worden gehandhaafd, betekent dit niet dat de meerderheid per definitie het monopolie van waarheid en de juiste standpunten heeft. De juiste standpunten vloeien voort uit de grotere kennis van het object, uit het grootste inzicht en uit de betere grip op de werkelijkheid.  

De interne regels van de organisatie moeten overeenstemmen met haar doel en dus met dat van de partij. Ongeacht het belang van de doeltreffendheid van haar onmiddellijke praktische actie, die de uitoefening van een grotere discipline haar kan geven, is het altijd minder belangrijk dan de maximale ontplooiing van de overdenking van de militanten en bijgevolg is het daar aan onderworpen.

Zolang de partij de smeltkroes blijft waar de klasse-ideologie zich ontwikkelt en verdiept, moet haar voornaamste principe niet alleen zijn de grootste vrijheid van ideeën en meningsverschillen in het kader van haar programmatische beginselen, maar moet ze ook zorgen voor de bevordering en het onderhoud van het elan van de overdenking, voortdurend de middelen verstrekken voor de discussie en de confrontatie van ideeën en tendensen in haar midden.

29.  Vanuit dit gezichtspunt bekeken, is niets zo vreemd als de opvatting van de partij als het monsterlijke concept van een homogene monolithische en monopolistische partij.

Het bestaan van tendensen en fracties binnen de partij is geen kwestie van tolerantie, een recht dat kan worden toegekend, en dus onderwerp van discussie.

Integendeel, het bestaan van stromingen in de partij is, in het kader van de verworven en geverifieerde beginselen, een van de uitingen van een gezonde opvatting van de partij.

Juni 1948, Marco.

Voetnoten

[1] Ook vandaag delen we nog de grondslag van alle ideeën in deze tekst en in de meeste gevallen steunen wij ze woord voor woord. Dit is in het bijzonder het geval ten aanzien van de politiek fundamentele en onvervangbare rol van de partij van het proletariaat voor de overwinning van de revolutie. Echter, de navolgende uitdrukking van de tekst is niet de beste om de dynamiek van de klassenstrijd en van de betrekkingen tussen de klasse en de partij te kunnen begrijpen: “Overgelaten aan hun eigen interne ontwikkeling, kunnen de gevechten van de arbeiders tegen de kapitalistische uitbuitingsvoorwaarden hoogstens leiden tot opstandige uitbarstingen.” Inderdaad moet de rol van de revolutionairen gepreciseerd worden.

Het gaat er niet om het bewustzijn naar de arbeiders te brengen, maar om haar ontwikkeling in de arbeidersrangen te verdiepen en te versnellen. Voor meer informatie over ons standpunt met betrekking tot dit onderwerp, verwijzen we de lezer naar de volgende artikelen: “Het kommunisme is geen mooi ideaal, het staat op de dagorde van de geschiedenis [deel 1]” http://nl.internationalism.org/node/706;

“Vraagstuk van de organisatie; zijn wij 'Leninististen’ geworden?” in nr. 96 en 97 van de International Review; “1903-1904: geboorte van bolsjewisme (III). De polemiek tussen Lenin en Rosa Luxemburg” in de International Review nr. 118.

[2] Dezelfde theoretische overdenking ligt ten grondslag aan een ander artikel, “De huidige taken”, gepubliceerd in Internationalisme in 1946 en herdrukt in de International Review nr. 32 (http://fr.internationalism.org/rinte32/Internationalisme_1947_parti_ou_cadres.htm)

[3] Dat is wat er gebeurd is met alle de stromingen van het utopische socialisme die, eenmaal scholen geworden, hun revolutionaire aspect verloren en veranderden in actieve conservatieve krachten. Zie daarvoor de voorbeelden van Proudhon, Fourier, de coöperaties, het reformisme en staatssocialisme.