Bij het naderen van de Tweede Wereldoorlog, na de nederlaag van de revolutionaire golf van de jaren 1920, waarbij de Russische revolutie afstierf aan haar isolement en vervolgens vermoord werd door de wereldbourgeoisie en het stalinisme, triomfeerden de contrarevolutie en de verplettering van het wereldproletariaat. In die context zal het anarchisme een fatale stap zetten in zijn evolutie.
Door de blinde wetten van het kapitalisme onherroepelijk voortgestuwd op de weg van het militarisme, bereidt de bourgeoisie in alle landen oorlog voor, of het nu gaat om fascistische of democratische staten, of evengoed in de stalinistische USSR. De impasse die gevormd wordt door de economische crisis laat haar geen ander alternatief dan deze vlucht vooruit in een tweede wereldwijde holocaust. Deze geforceerde mars naar de oorlog, de ware levenswijze van het kapitalisme in verval, brengt het fascisme voort. Dat kon ingesteld worden in landen waar de arbeidersklasse een zware nederlaag geleden had, waar het niet langer nodig was de democratische instellingen in stand te houden die juist als functie hebben het proletariaat te misleiden teneinde het te onderwerpen en te verslaan. Het fascisme bleek de meest aangepaste vorm voor het kapitalisme om de voorbereidingen te treffen die vereist werden door een versnelde gang naar oorlog.
Het ideologisch in de pas brengen voor de imperialistische oorlog achter de vlaggen van fascisme of nazisme, of achter de mythe van het 'socialistisch vaderland' voor het stalinisme, werd bewerkstelligd dankzij de meest afschrikwekkende terreur. Maar in de 'democratisch' gebleven landen moest de bourgeoisie om de arbeiders die de verplettering van revolutionaire bewegingen niet ondervonden hadden een bijzondere misleiding gebruiken : het antifascisme. Door de arbeiders zogenaamd een terrein te bieden waarop ze zich konden mobiliseren om zich te beschermen tegen de verschrikkingen van het fascisme, werd het middel gevonden om hen als kanonnenvlees te mobiliseren in de oorlog, in dienst van één imperialistisch kamp tegen het andere om de democratische staat te verdedigen. Om dat doel te bereiken bediende de bourgeoisie zich, met name in Frankrijk en Spanje, van de volksfronten en de intrede van de linkse partijen in de regering.
In tegenstelling tot het proletarisch internationalisme dat een oproep van de arbeidersklasse was om door de proletarische revolutie een einde te maken aan de eerste wereldslachting, vormde het antifascisme geenszins een middel voor het proletariaat om zijn klassebelangen te verdedigen, maar wel een middel om het aan handen en voeten gebonden over te leveren aan de democratische bourgeoisie.
De toestand van contrarevolutie, die voorkwam uit de nederlaag van het proletariaat, die elke kans op een revolutionaire opstand onmogelijk maakte, moest echter absoluut niet leiden tot een in vraag stellen van de fundamentele principes van het proletarisch internationalisme tegenover de Tweede Wereldoorlog. Er viel geen kamp te kiezen. Het ging er om de bourgeoisie te bevechten, zowel die van het fascistische kamp als die van het democratische.
Gevangen in zijn obsessie 'de vrijheid' te verdedigen tegen het 'autoritarisme', capituleert het anarchisme compleet voor het antifascisme. Voor de oorlog behoren de verschillende stromingen van het anarchisme bij de voornaamste pleitbezorgers van het antifascisme. Dat zal de grote meerderheid van de anarchisten ertoe brengen resoluut partij te kiezen voor de Geallieerden in W.O.II. Ontdaan van elk klassecriterium gebaseerd op de reële sociale verhoudingen die de kapitalistische maatschappij beheersen, wordt het anarchisme ertoe gebracht zich volledig te onderwerpen aan de verdediging van de democratie, die bijzonder doortrapte vorm van de dictatuur van het kapitaal. Bepaalde internationalisten in 1914, zoals Rudolf Rocker, verdedigen de deelname aan de imperialistische oorlog in 1940, argumenterend dat er in 1940, anders dan in 1914, twee radicaal verschillende systemen bestaan en dat de strijd tegen het fascisme de steun rechtvaardigt aan de democratische staten. Deze benadering brengt het grootste aantal anarchisten ertoe fysiek deel te nemen aan de oorlog, in eerste plaats in de imperialistische legers zonder uniform, het maquis van het verzet (1).
In Frankrijk “stelt van bij het begin van de oorlog [de groep CNT-netwerk Vidal in de Pyreneeën] zich ten dienste van het Verzet en werkt hij actief mee met Intelligence Service en het Bureau Central de Renseignement et d'Action (BCRA) van de Gaulle, maar ook met het netwerk Sabot en de groep Combat. (…) Bij gebrek aan een nationale verzetsorganisatie komen de anarchisten weinig in beeld, hoewel ze sterk aanwezig zijn. Vermelden we toch het maquis van de Barrage de l'Aigle (…) een voorname plaats van de opbouw van de CNT in ballingschap en één van de meest actieve verzetsgroepen. Dit maquis is praktisch 100% confederaal, net als het maquis van Bort-les-Orgues. In het algemeen zijn de maquis van het Centraal Massief voor een groot deel samengesteld uit Spaanse anarchisten (...)” (2) “Aanwezig in de maquis in het Zuiden van Frankrijk, in de groepen FFI, FTP, MUR of in autonome groepen (bataillon Libertad in de Cantal, maquis Bidon 5 in de Ariège, in Languedoc-Roussillon) (…) bij honderden zetten [de anarchisten] op Franse bodem de strijd voort die ze tegen het Spaanse fascisme gevoerd hadden” (3). Het bataillon Libertad “bevrijdt de Lot en Cahors. (…) In Foix zijn het de maquisards anarcho-syndikalisten CNT-FAI die op 19 augustus de stad bevrijden” (4).
Zelfde beeld in Italië. Wanneer ze zich op 8 september 1943 aan de Geallieerden overgeven, blijven de regio's centrum en noord in handen van de Duitsers en van de fascistische republiek van Salo. “De anarchisten gooien zich onmiddellijk in de gewapende strijd, vormen wanneer ze er de mogelijkheid toe hebben (Carrare, Genua, Milaan) autonome formaties, of, zoals in de meeste gevallen, sluiten zich aan bij andere formaties zoals de socialistische brigades 'Matteotti', de kommunistische brigades 'Garibaldi' of de eenheden 'Giustizia e Libertà' van de Aktiepartij” (5). Op talrijke plaatsen treden de libertairen toe tot het Comité van nationale bevrijding dat een breed spectrum antifascistische partijen samenbrengt, of organiseren ze Groepen voor patriottische actie (sic!). De anarchisten zijn talrijk in de 28e Brigade Garibaldi die Ravenna bevrijdt. “In Genua opereren de anarchistische strijdgroepen onder de naam Brigade Pisacane, de formatie 'Malatesta', de SAP-FCL Sestri Ponente en de Escadrons van anarchistische actie van Arenzano. (…) Deze activiteiten worden bevorderd door de de Libertair Kommunistische Federatie (FCL) en door de anarcho-syndicalistische vakbond USI die pas weer de kop heeft opgestoken in de fabrieken. (…) De anarchisten richten de brigades 'Malatesta' en 'Bruzzi' op waarbij tot 1300 partisanen aangesloten zijn : deze opereren onder leiding van de formatie 'Matteotti' en spelen een rol van het eerste plan in de bevrijding van Milaan” (6).
De voorbeelden van Bulgarije, waar na de invasie van de USSR in 1941 de Bulgaarse KP maquis organiseert “waaraan talrijke anarchisten deelnemen” (7), of nog de anarchistische anti-Japanse guerrilla in Korea in de jaren 1920-30, wijzen op het algemene karakter van de deelname van de anarchisten aan de imperialistische oorlog.
En velen worden zelfs niet afgeschrikt door het uniform van de democratische imperialistische legers : “De Spaanse Libertairen (…) namen met duizenden deel aan de weerstand tegen het nazisme en honderden onder hen voerden de strijd met de bataljons van France Libre tot in Duitsland” (8). “Kameraden sloten zich aan bij de marcherende regimenten van het Vreemdelingenlegioen en bevonden zich in de voorste linies bij alle gevechten” (9). “Ze werden naar Noord-Afrika gestuurd, of naar Zwart Afrika (Tsjaad, Kameroen). De Tweeden sloten zich vanaf 1940 aan bij de vrije Franse strijdkrachten. Ze sloten zich aan bij de colonnes van generaal Leclerc.” De 2e D.B., voor meer dan 60% Spaans, telde een groot aantal anarcho-syndicalisten en één van haar compagnies “bestond uitsluitend uit Spaanse anarchisten. Aan boord van de tanks 'Ascaso', 'Durruti', 'Casas Viejas' waren zij de eersten die de hoofdstad binnentrokken op 24 augustus 1944” bij de bevrijding van Parijs (10) en het driekleurig vod op het stadhuis hesen !
De houding van de anarchisten tijdens de Tweede Wereldoorlog vloeit direct voort uit degene die ze aannamen tijdens de 'algemene repetitie' van de oorlog in Spanje. Dat stelt in een schel daglicht welke de ware rol was die gespeeld werd door het anarchisme in wat noch een 'klassenoorlog', noch een 'revolutie' was, maar wel een oorlog tussen twee fracties van de Spaanse bourgeoisie die uitmondde in een imperialistisch wereldconflict.
In juli 1936 biedt de CNT omwille van het antifascistisch pact dat zij gesloten had met de partijen van het Volksfront haar steun aan de republikeinse regering om de reactie van het Spaanse proletariaat tegen de staatsgreep van Franco af te leiden naar het antifascisme (11). De CNT verplaatst de strijd van een sociaal, economisch en politiek gevecht van het proletariaat tegen het geheel van de krachten van de bourgeoisie naar een militaire confrontatie die enkel gericht is tegen France, door de arbeiders uit te sturen in de antifascistische milities om zich te laten afslachten op de militaire fronten voor belangen die de hunne niet zijn.
De deelname van de libertairen aan de burgerlijke republikeinse regering van Catalonië en in Madrid toont de evolutie van het anarchisme naar de steun aan de burgerlijke staat. “Na de eerste overwinning op de oproerige generaals, toen we een langdurige en enorm belangrijke oorlog zagen opdoemen, begrepen we dat het uur niet gekomen was om de functie van de regering, van het regeringsapparaat, als beëindigd te beschouwen. Zoals de oorlog een gepast apparaat nodig heeft om tot een goed einde gevoerd te worden – het leger – zo is er ook een orgaan nodig van coördinatie, van centralisatie van alle hulpbronnen en energieën van het land, dat wil zeggen het mechanisme van een staat. (…) Zolang de oorlog duurt moeten wij handelen in de bloedige strijd en moeten wij tussenkomen in de regering. Dit moet inderdaad een oorlogsregering zijn, om oorlog te voeren en te winnen. (…) Wij denken dat de oorlog de eerste zaak is, dat de oorlog moet gewonnen worden als voorafgaandelijke voorwaarde voor om het even welke nieuwe voorwaarde...” (12). Wanneer de arbeiders van Barcelona in mei 1937 in opstand komen, gedragen de anarchisten zich als medeplichtigen van de repressie door het Volksfront en de Catalaanse regering (waar zij in zetelen), terwijl de Franquisten de vijandelijkheden tijdelijk staken om de linkse partijen de kans te geven de opstand te verpletteren.
Door haar steun aan de totale oorlog, door de militarisering van het proletariaat met behulp van de anarchistische collectiviteiten en de antifascistische milities, door het afkondigen van de heilige eenheid met de republikeinse bourgeoisie en het verbod op stakingen, door dat alles neemt de CNT deel aan het mobiliseren van het proletariaat in een oorlog die duidelijk imperialistisch wordt met het engagement van de democratieën en van de USSR aan republikeinse kant, en van Duitsland en Italië aan Franquistische kant. “Vandaag voeren wij geen burgeroorlog, maar een oorlog tegen de bezetters: Moren, Duitsers, Italianen. Het is niet een partij, een organisatie of een theorie die in gevaar is, maar het bestaan van Spanje zelf, van een land dat meester wil blijven over zijn eigen lot, en dat het gevaar loopt re verdwijnen” (13). Het nationalisme van de CNT brengt er haar toe expliciet op te roepen tot de wereldoorlog om de 'Spaanse natie' te redden: “Het vrije Spanje zal zijn plicht doen. Wat zullen de democratieën doen tegenover deze heldhaftige houding ? We mogen hopen dat het onvermijdelijke niet te lang op zich zal laten wachten. De uitdagende en grove houding van Duitsland wordt al onverdraaglijk. (…) De enen en de anderen weten dat de democratieën tenslotte zullen moeten tussenkomen met hun eskaders en hun troepen om de weg te versperren aan die horden redelozen...” (14)
Het verlaten van de belangen van het proletariaat en de houding van de CNT tegenover de imperialistische oorlog wekken heftig verzet op in het anarchistisch kamp (Berneri, Durruti). Maar het onvermogen van deze laatsten om te breken met de positie die stelt dat het tegelijk om een oorlog en om revolutie ging, heeft hen slachtoffer gemaakt van de politiek van nederlaag en oorlogsmobilisatie van het proletariaat. Degenen die waarachtig wilden vechten tegen de oorlog en voor de revolutie slaagden er zo niet in het vertrekpunt te vinden voor een echte revolutionaire strijd : de oproep aan arbeiders en boeren (aan beide zijden, het republikeinse en het Franquistische, gemobiliseerd in de oorlog) om te deserteren, om hun wapens tegen hun officieren te keren, om zich van het front terug te trekken en te strijden in stakingen, betogingen, op een klasseterrein tegen het kapitalisme in zijn geheel.
Nochtans zijn er, bij het uitbreken van de oorlog, tegen de oorlogszuchtige antifascistische golf in, enkele stemmen die zich vanuit het anarchisme verheffen om het terrein van het antifascisme af te wijzen en te bevestigen dat de enige echt revolutionaire opstelling die van het internationalisme is. Zo verklaart de Glasgow Anarchist-Communist Federation in Groot-Brittannië in 1939 : “de huidige strijd stelt rivaliserende imperialismen tegenover elkaar voor de verdediging van hun laagbij-de-grondse belangen. De arbeiders van alle landen behoren tot de onderdrukte klasse en hebben niets gemeen met deze belangen en politieke aspiraties van de heersende klasse. Hun frontlijn is niet de Maginotlijn waar ze ontmoedigd en gedood zullen worden, terwijl hun meesters frauduleuze winsten opstrijken” (15). In het zuiden van Frankrijk ontwikkelt het kleine groepje rond Volin (16) een tussenkomst tegen de oorlog op een duidelijk internationalistische basis : “Het huidig conflict is het werk van de geldmachten van elke natie, machten die uitsluitend en internationaal leven van de uitbuiting van de mens door de mens. (…) Staatshoofden, militaire chefs van alle kleuren en nuances, lopen over van het ene kamp naar het andere, verscheuren verdragen, tekenen er andere, dienen nu eens de Republiek, dan weer de Dictatuur, collaboreren met degenen waar ze gisteren oorlog tegen voerden, en vice-versa en opnieuw vice-versa. (…) het volk betaalt de gebroken potten : het wordt gemobiliseerd voor de democratieën, tegen de democratieën, voor de fascisten, tegen de fascisten. Maar of het nu in Afrika is, in Azië of in Europa, het is steeds het goede volk dat opdraait voor de kosten van die 'tegenstrijdige ervaringen' en dat op zijn bek krijgt. (…) Het gaat er niet om enkel tegen het fascisme van Hitler te vechten, maar tegen alle fascismen, tegen alle tirannieën, of ze nu rechts zijn, van het centrum, of links, of ze nu koninklijk, democratisch of sociaal zijn, want geen enkele tirannie zal de arbeid emanciperen, zal de wereld bevrijden, zal de mensheid organiseren op echt nieuwe grondslagen” (17). Deze stellingname maakt van deze anarchisten duidelijk een uitdrukking van de arbeidersklasse. Hier opnieuw blijkt dat wanneer zij tot dergelijke helderheid komen, dat gebeurt door zich de klassestandpunten van het proletariaat eigen te maken.
Maar de harde ervaring van het isolement ten opzichte van andere, internationalistisch gebleven groepen, en ten opzichte van de klasse in de omstandigheden van zege van de contrarevolutie over de massa's, evenals de enorme druk van het antifascisme (“wij botsten bijna dagelijks met andere antifascisten. Moesten we ons verenigen met hen of moesten we tegen de stroom blijven ingaan ? Die vraag was op het terrein vaak beangstigend” (18)) doofden weldra deze vonk. De dood van Volin (september 1945) en het onvermogen van de anarchisten lessen te trekken uit hun ervaringen, leidden de elementen van zijn groep tot terugkeer naar de stal van de CNT, tot tijdelijke toetreding tot haar antifascistische comités, en tenslotte tot deelname aan de heropbouw van de FA op een compleet burgerlijke basis.
Het onderzoek van de geschiedenis van het anarchisme tegenover beide wereldoorlogen leidt ons tot een dubbele reeks conclusies :
• Het anarchisme heeft niet alleen zijn onvermogen bewezen het proletariaat een leefbaar alternatief en een revolutionair perspectief te bieden, maar het vormde een direct middel om de arbeidersklasse te mobiliseren voor de imperialistische oorlog. In 1936-37 was de capitulatie van het anarchisme voor de antifascistische misleiding en voor de burgerlijke democratie, die als 'minder kwaad' aanzien werd vergelijken bij het fascisme, een middel voor het kapitalisme om het front te verbreden van de politieke krachten die ijveren voor de oorlog door er het anarchisme in op te nemen. De oorlog in Spanje vormt, na de Eerste Wereldoorlog, de tweede en beslissende acte voor het anarchisme dat zijn evolutie bezegelt naar steun aan de kapitalistische staat. Die onderwerping aan de burgerlijke democratie vertaalt zich in de integratie van de officiële stromingen van het anarchisme binnen de politieke krachten van de kapitalistische staat. Zo is het anarchisme in een beweging met twee tijden, van 1914 tot aan de oorlog in Spanje in 1936-37, een ideologie geworden die de kapitalistische orde en staat verdedigt.
• In de tweede plaats is het van belang vast te stellen dat de anarchistische beweging zich niet beperkt tot die officiële stromingen en dat ze een zeer heterogeen milieu blijft. In alle periodes streeft een deel van dit milieu overtuigd naar revolutie en socialisme, drukt het de echte wil uit een einde te maken aan het kapitalisme en zet het zich in voor de afschaffing van de uitbuiting. Die militanten plaatsen zich inderdaad op het terrein van de arbeidersklasse wanneer ze zich internationalist noemen en aansluiting zoeken bij de revolutionaire strijd. Maar hun toekomst zal fundamenteel bepaald worden door een proces van afscheiding, waarvan de zin en omvang bepaald worden door de krachtsverhouding tussen beide fundamentele klassen, bourgeoisie en proletariaat.
Dit afromingsproces zal eerder gericht zijn op het niets of zelfs op de bourgeoisie zoals dat het geval was in de zwarte jaren van de contrarevolutie in de jaren 1940. Inderdaad, zonder het kompas van de klassestrijd van het proletariaat en de zuurstof van de discussie en het debat met de revolutionaire minderheden die daaruit voortkomt, worden ze in de valstrik gelokt van de ingebakken tegenstrijdigheden van het anarchisme dat hen ontwapent en opsluit op het terrein van de burgerlijke orde.
Ze zullen zich eerder oriënteren op de arbeidersklasse wanneer deze haar revolutionaire kracht toont. Zo is het de revolutionaire beweging van de arbeidersklasse zelf, de opkomst van de wereldrevolutie en de proletarische opstand in Rusland (met de vernietiging van het staatsapparaat van de bourgeoisie door de Sovjets en het eenzijdige stopzetten van de deelname aan de imperialistische oorlog van het Russisch proletariaat en de bolsjewieken) die in 1914-18 de kans geven aan de internationalistisch gebleven anarchisten een consequent internationalistische houding aan te nemen. Ze sluiten zich dan aan bij de historische beweging van de arbeidersklasse door toenadering te zoeken tot de kommunistische beweging die voorkwam uit de linkerzijde van de sociaal-democratie en die tegen de oorlog gekant was : de bolsjewieken en spartakisten, de enigen die in staat waren het enige leefbare en realistische alternatief naar voor te schuiven : de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog en de proletarische wereldrevolutie.
Scott
Voetnoten
(1) De trouw van het anarchisme kan zich opsplitsen volgens de verschillende fracties van de heersende klasse : sommige militanten, verleid door het Charte du Travail, pacifisten die verzoend werden door de wapenstilstand, gingen meewerken aan het programma van Nationale Revolutie van Pétain en de regering van Vichy, zoals Louis Loréal, of sloten zich aan bij de officiële instanties van de Franse staat, zoals P. Besnard.
(2) “Les Anarchistes espagnols et la Résistance”, in l'Affranchi nr. 14, lente-zomer 1997, op CNT-AIT.info.
(3) E. Sarboni, 1944 : “Les Dossiers noirs d'une certaine Résistance”, Perpignan, Ed. du CES, 1984.
(4) “Les Anarchistes espagnols...”
(5) “1943-1945 : Anarchist partisans in the Italian Rsistance”, op libcom.com.
(6) Ibidem.
(7) Nawoord bij Max Nettlau, “Histoire de l'Anarchie”, p. 281.
(8) E. Sarboni, geciteerd werk.
(9) Pépito Rossell, “Dans la résistance, l'apport du mouvement libertaire”.
(10) Le Monde diplomatique, augustus 2004.
(11) Lees over het traject van de CNT onze reeks in Revue Internationale, met name de artikels : “L'échec de l'anarchisme pour empêcher l'intégration de la CNT dans l'Etat bourgeois (1931-34)”; “L'antifascisme, la voie de la trahison de la CNT (1934-36)”.
(12) D.A. De Santillan, in Solidaridad obrera, 16 april 1937
(13) D.A. De Santillan, in Solidaridad obrera, 21 april 1937
(14) Solidaridad obrera, 6 januari 1937, geciteerd door la Révolution prolétarienne nr. 238, januari 1937
(15) Geciteerd door P. Hempel, “A bas la guerre”, p. 210.
(16) Vsevolod Mikhaïlovitch Eichenbaum, alias Volin (1882-1945), tijdens de Revolutie van 1905 lid van de Socialistisch-Revolutionaire Partij, nam deel aan de oprichting van de sovjet van Sint-Petersburg. Hij werd gevangen gezet, ontsnapte uit de gevangenis en kwam in 1907 in Frankrijk aan, waar hij anarchist werd. Wanneer de Franse regering hem in 1915 dreigt op te sluiten wegens zijn verzet tegen de oorlog, vlucht hij naar de Verenigde Staten. In 1917 keert hij naar Rusland terug waar hij bij de anarcho-syndikalisten militeert. Daarna komt hij in contact met de beweging van Makhno en wordt hij hoofd van de afdeling cultuur en educatie van het opstandelijk leger, en dan voorzitter van de militaire Raad van de opstand in 1919. Hij wordt verschillende keren aangehouden en verlaat Rusland na 1920 naar Duitsland. Terug in Frankrijk aangekomen leidt hij op aanvraag van de Spaanse CNT haar blad in de Franse taal. Hij klaagt de politiek van klassencollaboratie van de CNT-FAI in Spanje aan. In 1940 is hij in Marseille waar hij de laatste hand legt aan “la Révolution inconnue”. De ontberingen en de verschrikkelijke materiële omstandigheden van de clandestiniteit breken zijn gezondheid. Hij sterft in Parijs in 1945 aan tuberculose.
(17) Uittreksel uit het pamflet “A tous les travailleurs de la pensée et des bras”, 1943.
(18) “Les Anarchistes et la résistance”, CIRA.
Sinds de ineenstorting van de stalinistische regimes en van het Oostblok gaan de organisaties van het officiële anarchisme er prat op schone handen te hebben in de botsing tussen het Oostblok en het Westblok en zij onderhouden de legende van een onverzettelijke oppositie tegenover de militaire blokken: “De anarchisten waren verdeeld over het probleem van de blokken. De meerderheid besloot zich te verzetten zowel tegen Oost als tegen West…”(1).
Het anarchisme tegenover de imperialistische blokken
Na 1945, tijdens de Koude Oorlog, namen een deel van de officiële anarchistische organisaties in werkelijkheid een standpunt in ten gunste van de verdediging van de ‘vrije wereld’, zoals de SAC (Sveriges Arbetares Centralorganisation) in Zweden. Tijdens de directe confrontaties tussen de strijdkrachten van het Oostblok en de Amerikaanse strijdkrachten en de UNO in Korea in 1950-53, namen sommigen, in navolging van leden van ‘Révolution Prolétarienne’, in naam van de logica van de keuze voor ‘het minste kwaad’ en ten dienste van de verdediging van de democratie, openlijk een pro-Amerikaanse stelling in. Dat was het geval voor A. Prudhommeaux, N. Lazarevitch, G. Leval, maar ook van Spaanse en Bulgaarse militanten: “Er zijn twee imperialismes, maar ik ken er één dat bijzonder gevaarlijk en totalitair is, met slavernij in het vooruitzicht. Het andere draagt minder gevaar in zich… Ik ben niet voor de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Korea… In Korea zie ik slechts één oorlogsmisdadiger en dat is Stalin. Hij is direct verantwoordelijk voor de strategische bombardementen die een slachting aanrichten onder de Koreaanse bevolking…” (2). Daartegenover waren er anderen die het Amerikaanse imperialisme als de belangrijkste oorlogsstoker bestempelden.
Diegenen onder de anarchisten die zoals de FA [Fédération Anarchiste] zegden steun te weigeren aan om 't even welk kamp met de opstelling “tegen Stalin zonder voor Truman te zijn, tegen Truman zonder voor Stalin te zijn”, handelden daarom echter nog niet als internationalisten en ontsnapten niet aan de logica om voor het ene imperialistische kamp te kiezen tegen het andere. Toen de USSR zich in de bewapeningswedloop stortte om te rivaliseren met de Verenigde Staten, was het ‘de strijd voor het derde front’, die “de FA er toe leidde om de Duitse herbewapening aan te klagen door haar steun te betuigen aan de pacifisten van dat land en door haar deelname aan de campagne ‘Ridgway (3) go home?'"(4), die geleid werd door de PCF. Door de kritische steun die de FA verleende aan deze campagne geraakte ze compleet in het vaarwater van de PCF : zij vervulde de rol van ronselaar van arbeiders voor de PCF en?voor diens onvoorwaardelijke steun aan het Russische imperialistische blok!
Anderzijds spelen de contestataire en provocerende acties dezelfde rol van ronselaar voor de burgerlijke staatsinstellingen : de ‘werkelijke anti-imperialistische’ strijd van het ‘derde revolutionaire front’ van de FA wordt geconcretiseerd in de verkiezingscampagne voor de wetgevende verkiezingen van 1951 “ten gunste van bulletins die als volgt waren opgesteld: 'Noch Oosterse dictatuur, noch westerse dictatuur, ik wil vrede'” (5) of door het voeren van spectaculaire acties zoals in februari 1952 "in de grote zaal van het paleis Chaillot waar een algemene vergadering plaatsvond van de UNO, waar een pak pamfletten getiteld: 'Het Derde Front: Weg met de oorlog!' in de zaal werd geslingerd en de Amerikaanse en sovjetafgevaardigde bekogeld werden met ongevaarlijke projectielen." (6).
Verre van een middel te betekenen voor het versterken van het politieke inzicht van de arbeidersklasse, onderhield dit soort acties op het terrein van de instellingen van de burgerlijke staat, behalve dat ze ongevaarlijk waren, bij de uitgebuite klasse de illusie in stand dat ze van enig belang zouden zijn voor de goede uitkomst van haar revolutionaire strijd. Ze kunnen integendeel slechts de onderwerping versterken van de arbeidersklasse aan de democratische misleiding en de organen van de kapitalistische heerschappij, door te versluieren dat het nodig is deze op te ruimen. De FCL (Fédération communiste-libertaire) zou zelfs opkomen met kandidaten bij de wetgevende verkiezingen van 1956 ! Op het moment van de ontbinding van de Franse IVe Republiek en het aan de macht brengen van generaal De Gaulle in 1958 om het koloniale probleem op te lossen, “bundelden zich in de hele libertaire pers oproepen om de bedreigde Republiek te redden. (…) De anarchisten kozen in grote meerderheid voor de Republiek en voor de politiek van het minste kwaad…” (7). Tegenover de putsch van de generaals in Algiers, in april 1961, die weigerden de onafhankelijkheid van Algerije te erkennen, "nam de FA deel aan de verschillende comité's die meerdere linkse organisaties groepeerden (...) de anarchisten waren bij de eersten om de democratische vrijheden te verdedigen, en dat ondanks hun latere ontkenningen daarvan." (8).
Vooral hun constante steun aan de zogenaamde bevrijdingsbewegingen zal duidelijk maken hoe ze voor het éné imperialistische kamp kiezen tegen het andere. Door, zoals de FA deed als beginsel voorop te stellen dat “De anarchisten voor de bevolking overzee het recht opeisen op vrijheid, op werk in onafhankelijkheid, het recht te beschikken over hun eigen lot boven alle clanrivaliteiten heen die de wereld vandaag uiteenscheuren. Ze verzekeren hen van hun solidariteit in de strijd die ze moeten voeren tegen de onderdrukking door alle imperialismes...” (9). De anarchistische stromingen nemen zo hun plaats in tussen de beste dienaars van de misleiding van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Ze spreken op dezelfde toonaard als de offici?e ideologie van elk van beide blokken (zowel de doctrine van Jdanov van het Oostblok die zich voorstelt als "de ware verdediger van de vrijheid en onafhankelijkheid van alle naties, een tegenstander van de nationale onderdrukking en de koloniale uitbuiting onder al hun vormen" (10) als de Amerikaanse doctrine die stelt dat "in de sleutelzones moet alles gedaan worden om de democratische vormen en hun toegang tot onafhankelijkheid aan te moedigen". Elke episode van de imperialistische oorlog waartoe het westerse en het Sovjetblok overgaan, via ondergeschikte naties vindt haar rechtvaardiging in deze 'theorie', elk geserveerd met een verschillende saus, maar telkens met hetzelfde rampzalige resultaat voor het proletariaat.
De Franse anarchisten verkleedden de Indochinese oorlog tot 'een revolutionaire episode' (FA in 1952) of zagen er een 'klassenoorlog' in (FCL in 1954) en riepen de legitimiteit uit van 'de strijd van het Indochinese proletariaat' en de noodzaak van de 'arbeiderssolidariteit met de Viêt-minh'.
Die politieke steun aan de nationale bevrijdingsstrijd zal zelfs zover gaan als de fysieke inzet. Tijdens de Algerijnse oorlog sluiten talloze anarchisten aan bij de 'valiezendragers', de steunnetwerken van het FLN (Algerijns Bevrijdingsfront) (11). "Het standpunt van kritische steun ten gunste van een socialistisch en zelfbeheerd Algerije" van de FCL in naam van de solidariteit ?et de onderworpen volkeren, tegen de imperialismes?neemt de vorm aan van een actieve materiële steun aan de Algerijnse nationalistische partijen MNA en daarna FLN (wanneer deze laatste na 1956 als enige, alleenheersend, overblijft). "De verzetsstrijders van het ALN (Nationaal bevrijdingsleger) behoren deels tot de ene, deels tot de andere organisatie. Dat weten we met des te meer zekerheid daar we onder ons, in de FCL, Algerijnse kameraden van de FLN-tendens hebben terwijl we zelf diensten geleverd hebben aan de MNA-verzet door als tussenpersoon te fungeren voor het bekomen van 'materiaal' (lees : wapens) voor hun strijders." (12).
Deze stellingnamen –zelfs kritisch– van bepaalde anarchisten ten voordele van de nationale bevrijdingsstrijd hebben rechtstreeks bijgedragen tot de onderwerping van de massa's aan het imperialisme. Die anarchistische stromingen dragen een stuk van de verantwoordelijkheid voor de onderwerping van het proletariaat en van de uitgebuite klassen aan de barbaarsheid van de militaire conflicten die de planeet met bloed doordrenken. Gevangen in de logica van het vaststellen van een onderscheid tussen de verschillende imperialistische gangsters (in naam van de rechten van de zwakste) brengen hen ertoe rechtstreeks op te treden als sergeanten-ronselaars binnen het proletariaat, of als borg voor de winst van het ene of het andere van de optredende imperialistische kampen. Het inhameren gedurende tientallen jaren van deze misleidingen, waar zij sterk toe bijgedragen hebben, heeft ervoor gezorgd dat het einde van de contrarevolutie uitgesteld werd en dat het proletariaat later zijn zelfstandige strijd hernomen heeft op zijn eigen klasseterrein en voor zijn eigen doeleinden.
De officiële stromingen van het anarchisme hebben inderdaad na de Tweede Wereldoorlog hun overheersende invloed uitgeoefend over de meerderheid van de anarchisten, tot aan het einde van de contrarevolutie in 1968, en zelfs nog na die datum. Zo droegen ze bij tot een kristallisering en sterilisatie van een groeiende overdenking over de 'kommunistische' realiteit in de gestaliniseerde landen. Deze stromingen hebben een gevoel van revolte tegen deze monsterlijke leugen over 'kommunisme' in de landen van het Oostblok misbruikt om ideeën te verspreiden zoals antimilitarisme, pacifisme enz., die hoewel ze deel uitmaken van een echt in-vraag-stellen van de oorlog, enkel de overdenking bij vele elementen kunnen ondermijnen door hen in de richting te duwen van het immediatisme, het activisme en individualisme, ten koste van het zoeken naar mijlpalen en een historisch bewustzijn van de klassenverhoudingen. Daardoor hebben ze ertoe bijgedragen dat degenen die het 'model' dat het stalinisme oplegt wilden verwerpen ertoe gedreven werden zich te verschansen achter de 'verdediging van de democratie', dat wil zeggen van het andere imperialistische kamp, waarvan ze zich ook de radicaalste critici betonen.
Het einde van de contrarevolutie
Na 1968 echter, met het einde van de contrarevolutie en de terugkeer van het proletariaat op het historisch toneel, verschijnt opnieuw dat verschijnsel dat al op andere momenten van de geschiedenis vastgesteld werd : gepolitiseerde elementen proberen werkelijk de revolutionaire weg te vinden doorheen of vertrekkend vanuit het anarchisme.
De ontwikkeling in de Verenigde Staten en in de westerse landen van studentenrevoltes eind jaren 1960, die van de tegenstand tegen de oorlog die de Verenigde Staten in Vietnam voeren hun mobilisatiethema maken, duidt aan dat het loden gewicht van de stalinistische ideologie barsten begint te vertonen. De stalinistische partijen hebben inderdaad geen enkele invloed, terwijl ze toch de Amerikaanse interventie tegen de strijdkrachten die door het zogezegd antikapitalistische Sovjetblok gesteund worden, aanklagen. Vooral de leugen van het 'kommunistisch en revolutionair' stalinisme gaat aan diggelen met de intrede in de strijd van een nieuwe generatie jonge arbeiders tijdens de algemene staking van 1968 in Frankrijk en de verschillende massale bewegingen van de arbeidersklasse overal ter wereld die erop volgen. Het is het einde van de contrarevolutie en het idee van de kommunistische revolutie wordt weer op de dagorde geplaatst.
Vanwege hun anti-stalinisme oefenen de anarchistische organisaties sinds de onderdrukking van de beweging in Hongarije in 1956 een zekere aantrekkingskracht uit, vooral op de studenten. Ze worden numeriek sterker, maar de oude, bestaande organisaties voldoen niet meer voor de jongeren die hen vastgeroest vinden. Het geheel van het anarchistisch milieu hervormt zich (13).
In dat opborrelen van de herneming van de internationale klassestrijd bevinden er zich binnen het anarchistisch milieu minderheden en elementen die op zoek gaan naar de klassestandpunten van het proletariaat en die proberen een revolutionaire samenhang te vinden vanuit het anarchisme. Zo opent een deel van het libertair milieu zich voor organisaties die bepaalde klassestandpunten ontwikkelen (Socialisme ou Barbarie), of zelfs voor het proletarisch politiek milieu, in het bijzonder zijn georganiseerde radenistische pool, met name 'Informations et Correspondances Ouvrières'. Zo neemt de groep 'Noir & Rouge' bijvoorbeeld afstand van de FA en stelt, op basis van “het primaat van de klassestrijd”, een “actualisering en aanpassing van de beginselen van het anarchisme” voor. De groep benadrukt de noodzaak van een discussie en verdedigt “het contact met andere kameraden die zich niet noodzakelijk op het anarchisme beroepen”. Hij klaagt de verheerlijking aan van de “Spaanse revolutie” die “elke kritiek verbiedt” (14). In zijn zoektocht naar strijdvormen die eigen zijn aan de arbeiders, richtte de groep zich op de politieke bijdragen van de Duits-Nederlandse Kommunistische Linkerzijde en Pannekoek. Hij neemt deel aan een internationale bijeenkomst georganiseerd door ICO in Brussel in 1969, naast Paul Mattick, voormalig militant van de Duitse Kommunistische Linkerzijde, uitgeweken naar de Verenigde Staten, en Cajo Brendel, de drijvende kracht van de Nederlandse radenistische groep 'Daad & Gedachte'.
Het politiek belang van deze overdenking in het anarchistisch milieu rond kwesties als de versterking en de middelen van de klassestrijd van het proletariaat bleef verborgen door de beperkte aard ervan. Omdat de vraagstelling zich ontwikkelde rond de pool van het proletarisch milieu van het georganiseerde radenisme die failliet gaat en verdwijnt in het midden van de jaren 1970, wordt de groep 'Noir & Rouge' meegesleept in die schipbreuk en gaat hij verloren, met het verlies van belangrijke militante energieën. De algemene context van illusies in het proletariaat over de mogelijkheid voor het kapitalistisch systeem een uitweg uit de economische crisis te vinden, en ook de moeilijkheden van het proletariaat om zijn strijd te politiseren en het perspectief van de revolutie voorop te stellen, zullen volop door de gauchisten van alle slag uitgebuit worden om elke poging tot bewustwording gericht op revolutie de nek om te wringen.
Nochtans zal een aantal van die elementen die uit het anarchisme komen ondanks alles erin slagen zich een weg te banen naar het opnieuw opkomende proletarisch politiek milieu, met de terugkeer van het proletariaat op de historische scène n
Scott
Voetnoten
[1] Nawoord van m. Zemliak bij het boek van Max Nettlau, “Histoire de l'Anarchie”, Artefact, p. 279.
[2] Brief van S. Nin, 24.08.1950, geciteerd door G. Fontenis, “l'Autre communisme”, Acratie, p. 134.
[3] Ter gelegenheid van het bezoek aan Frankrijk in mei 1952 van de opperbevelhebber van de NATO, Ridgway, stort de PCF haar troepen in regelrechte gevechten met een indrukwekkende politiemacht, waarbij één dode en 17 gewonden vallen bij de arbeiders.
[4] G. Fontenis, geciteerd werk, p. 149.
[5] Idem, p. 134.
[6] Idem, p. 149
[7] Sylvain Boulouque, “Les Anarchistes français face aux guerres coloniales (1945-1962)”, Atelier de création libertaire, p. 61.
[8] Idem, p. 65.
[9] Résoluton du congrès de la Fédération anarchiste d'octobre 1945, sur increvablesanarchistes.org.
[10] Joukov, “Crise du système colonial”, Moskou, 1949
[11] Zoals Alternative libertaire het opeist : “Men vergeet al te vaak dat de netwerken van 'valizeendragers' die de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders gedurende de oorlog gesteund hebben niet ontstaan zijn in 1957 met de actie van P. Jeanson en daarna H. Curiel. Na de Pinksteropstand van 1954 bevonden de enige organisaties die de Algerijnse onafhankelijkheid steunden zich inderdaad in uiterst-linkse hoek. Het waren de Parti communiste internationaliste (PCI-trotskiste) en de FCL. In Algerije zelf gaat de Mouvement libertaire nord-africain (MLNA), verbonden aan de FCL, vanaf Pinksteren 1954 de strijd aan met de Franse staat voor de onafhankelijkheid van het land. De Franse politie liquideerde de MLNA en daarna de FCL uit tussen 1956 en 1957. De libertairen zetten desondanks hun strijd tegen het kolonialisme voort, binnen de Groupes anarchistes d'action révolutionnaires (GAAR) of, voor de overlevenden uit de FCL, in de schoor van Voie communiste.”
[12] G. Fontenis, aangehaald werk, p. 209.
[13] Bijvoorbeeld in 1965, in Italië, verlaten verschillende groepen, de Groepen van het anarchistisch initiatief, de FAI; de jongeren in het Noorden van Italië scheiden zich af van de FAGI en vormen de Gefedereerde anarchistische groepen. In Frankrijk scheidt de Organisation révolutionnaire anarchiste zich in 1970 af van de FA en zoekt ze toenadering tot andere, niet-libertaire organisaties van uiterst-links, om dan de Organisation communiste libertaire te vormen.
[14] Citaten uit Cédric Guérin, “Pensée et action des anarchistes en France, 1950-1970”, https://raforum.apinc.org [6].
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 185.64 KB |
Langzaam maar zeker beginnen de speculaties toe te nemen. Het aantal peilingen neemt ook hand over hand toe. In de media wordt al druk gedebatteerd over de meest geschikte kandidaat voor het premierschap: Balkenende, Cohen, Rutte of, als complete buitenstaander, Opstelten.
Om de gunst van de kiezer te winnen proberen de verschillende partijen elkaar te overtroeven in ... bezuinigingsmaatregelen.
Cohen of Wilders? Deze keuze wordt ons voorgeschoteld met rferentie aan allerlei schrikbeelden uit het naziverleden. Maar is er wel een keuze? Cohen, zal zich, tegen de propaganda van criminalisering van de immigranten door de PVV, proberen op te werpen als de echte verdediger van een sociaal immigratiebeleid, een sociaal minderhedenbeleid en een sociaal emancipatiebeleid. En dit ondanks het feit dat hij onder Kok II staatssecretaris voor vreemdelingenzaken was en toen de meeste strenge maatregelen tegen de immigranten heeft doorgevoerd die dus in wezen geen ander beleid voorstaat dan Wilders.
We moeten ons niet laten meevoeren in welke burgerlijke campagne dan ook: of ze parlementair of buitenparlementair is.
Langzaam maar zeker beginnen de speculaties toe te nemen. Het aantal peilingen neemt ook hand over hand toe. In de media wordt al druk gedebatteerd over de meest geschikte kandidaat voor het premierschap: Balkenende, Cohen, Rutte of, als complete buitenstaander, Opstelten. Om de gunst van de kiezer te winnen proberen de verschillende partijen elkaar te overtroeven in bezuinigingsmaatregelen. Op 9 juni moet de klap vallen: dan wordt duidelijk welke partij aan het langste eind trekt.
Alom in de wereld woekert de economische crisis voort. Nergens is er nog een lichtpuntje te bespeuren: noch in Giekenland, noch in Portugal en noch in Spanje (zie artikel elders in dit blad). Nederland vormt daarop geen uitzondering. Ook hier is de crisis dieper dan ooit en staan de groeicijfers op een ongekend dieptepunt.
Nog steeds staan de groeicijfers in de min, neemt de koopkracht af en neemt de werkloosheid hand over hand toe. Het jaarlijkse tekort op de begroting is verdubbeld, de staatsschuld is anderhalf keer zo groot geworden en de rentebetalingen op de uitstaande schulden zijn met 25% gegroeid.
Nog steeds niet geheel en al bekomen van de schrik, toen in het najaar van 2008 de hele boel dreigde vast te lopen, is de bourgeoisie naarstig op zoek naar mogelijkheden om het zaakje weer aan de gang te krijgen, zonder overigens de inflatie aan te wakkeren. Maar alle maatregelen ten spijt, maakt de economie weinig kans om weer goed op gang te komen.
Zo schrijven economen van de ING op 12-04-2010 in hun kwartaalbericht van de economie bijvoorbeeld “Geen duurzaam herstel van de vraag. Er is echter geen sprake van een duurzaam herstel van de vraag, omdat de bedrijfsinvesteringen traag op gang komen en er onzekerheid heerst over de bestedingen van de overheid en de consumenten.”
Maar natuurlijk moet de bourgeoisie aan haar geloof in de kracht van de Nederlandse economie vasthouden. Daarom beweren allerlei politici tegelijkertijd dat het alweer beter gaat met de economie. Op 1 april jongstleden beweerde minister-president Balkenende zelfs nog dat “Nederland er na de internationale financiële crisis In Europa relatief gezien niet slecht voorstaat.” (…) “We doen het internationaal helemaal niet slecht.” De bourgeoisie kan ook onmogelijk haar vertrouwen in zijn eigen systeem opgeven en heeft geen andere keus dan krampachtig te zoeken naar een uitweg uit de crisis.
Maar de enige oplossing die de bourgeoisie ons te bieden heeft is die van meer uitbuiting, meer werkloosheid en meer armoede. De massale bezuinigingen, welke nu doorgevoerd moeten gaan worden, maken dit meer dan ooit duidelijk. Want wie er ook aan de regering komt, wat voor soort bezuinigingen er ook doorgevoerd gaan worden, het is de arbeidersklasse die er de rekening voor moeten betalen.
Ook Nederland leeft boven zijn stand en moet de tering naar de nering zetten. Het gevaar van een hollende inflatie ligt om de hoek. Bezuinigingen, van een omvang ongekend in de Nederlandse politieke geschiedenis, moeten (net als in Griekenland) dan ook doorgevoerd worden om de staatsschuld, het begrotingstekort en de rente op de staatsschulden drastisch terug te brengen.
Langzaam maar zeker bleek dat de zittende regeringsploeg (Balkenende IV), met de PvdA in haar gelederen, niet klaar was om de voor 2011 geplande bezuinigingen van ca. 30 miljard door te voeren. Vooral de PvdA had in het laatste jaar veel van haar geloofwaardigheid verloren en stond in de peilingen op een fors verlies. Het historisch dieptepunt werd daarbij wel bereikt in februari jongstleden, toen niet meer dan 14% van de stemgerechtigden nog haar vertrouwen in de PvdA uitsprak.
Het bleek onvermijdelijk om een einde te maken aan haar deelname aan de regering. Iedere aanleiding was goed genoeg om de stekker er uit te trekken, als deze maar niet te lang op zich liet wachten. Uiteindelijk was het de Uruzgan-kwestie die de PvdA de gelegenheid bood om op een geloofwaardige wijze de samenwerking met de CDA te beëindigen.
De huidige onrust in Griekenland en in verschillende andere landen laat zien dat de arbeidersklasse zo’n reusachtige bezuinigingsoperatie waarschijnlijk niet onbewogen over zich heen zal laten gaan en deze zonder slag of stoot zal slikken. Daarom heeft de bourgeoisie, om de bezuinigingen te kunnen door voeren, niet alleen een solide regeringsploeg maar zeer zeker ook een geloofwaardige linkse oppositie nodig. Een optimale opstelling van het politieke apparaat van de bourgeoisie is onontbeerlijk om de reacties van de arbeidersklasse het hoofd te kunnen bieden.
Wat de rol van de PvdA daarin precies zal zijn, laat zich nu moeilijk voorspellen. Of ze nu in de regering komt of in de oppositie, de ruimte om een sociaal alternatief te formuleren (de ‘verdediging’ van wat er nog over is van wat eens de verzorgingsstaat genoemd werd) is met de enorme diepte van de economische crisis geheel en al verdwenen.
De vervanging van Bos door Cohen was, zoals algemeen bekend, lang voor de val van de regering Balkenende IV al bekokstoofd. Nog eens een aanwijzing dat de PvdA al lang geleden had besloten om haar deelname aan de regering te beëindigen en alleen nog maar een aanleiding zocht om zich met minimaal gezichtsverlies eruit terug te trekken. Om de daling in de peilingen een halt toe te roepen, was het niet alleen noodzakelijk om de PvdA uit de regering terug te trekken, maar ook om de leiding te vervangen en Bos af te lossen door Cohen.
De enige manier waarop de PvdA haar electorale aanhang weer enigszins aan zich kan binden is door een onverzoenlijke opstelling ten opzichte van het extreem-rechtse racistische gevaar van de PVV van Wilders. Het was duidelijk dat Bos deze turn niet kon maken omdat hij inmiddels teveel geassocieerd wordt met de staat en teveel geïdentificeerd wordt met het “financiële grootkapitaal’.
Iemand als Cohen is wel geschikt om de nieuwe rol van leider van de PvdA op zich te nemen: hij is inmiddels lang genoeg weggeweest uit het Haagse politieke circuit en is hij nooit zo heel erg direct geassocieerd met het beheer van de burgerlijke staat. Anno 2010 heeft hij voldoende ‘schone handen’, en is zijn imago voldoende opgepoetst om de PvdA te leiden in haar strijd voor een ‘sociaal’ alternatief voor het anti-sociale gevaar van Wilders.
Een peiling, gehouden op 14 april jongstleden, laat zien dat Job Cohen inderdaad aanslaat bij de aanhang van PvdA, want inmiddels zou de partij alweer op meer dan 30 zetels staan en daarmee de grootste partij van Nederland worden. De sterke voorkeur voor Cohen als premier zou volgens opiniepeiler Maurice de Hond bepalend zijn voor wie er op 9 juni het sterkste uit de bus komt.
Cohen, zal zich, tegen de propaganda van criminalisering van de immigranten door de PVV, proberen op te werpen als de echte verdediger van een sociaal immigratiebeleid, een sociaal minderhedenbeleid en een sociaal emancipatiebeleid. En dit ondanks het feit dat hij onder Kok II staatssecretaris voor vreemdelingenzaken was en toen de meeste strenge maatregelen tegen de immigranten heeft doorgevoerd die dus in wezen geen ander beleid voorstaat dan Wilders.
Of de bourgeoisie er werkelijk in slaagt om een solide politieke opstelling te bewerkstelligen die het mogelijk maakt om de kolossale bezuinigingen door te voeren valt nog te bezien. Ze beschikt traditioneel over verschillende instrumenten om de loop van de verkiezingen te manipuleren en de uitslag een bepaalde richting op te sturen, zoals verkiezingpeilingen, stemmingmakerij, media, enzovoort.
Maar de periode van de ontbinding, waarin we nu verkeren, ontaarden onderlinge meningsverschillen binnen de bourgeoisie snel tot allerlei afsplitsingen en tot het ontstaan van zogeheten populistische partijen, die heel erg spelen op de onderbuikgevoelens onder de kiezers. Het gevolg hiervan is dat het spectrum van politieke partijen de laatste jaren nogal instabiel is geworden: bestaande partijen die het ene moment nog bijna 40 zetels binnenhalen, worden twee jaar later tot de helft gereduceerd. Nieuw gevormde partijen verwerven binnen de kortste keren een aanhang die hen tot één na de grootste partij van het land maken.
Met name de nieuw gevormde partijen, zoals de LPF in 2002 en door de PVV in 2010, weten zo goed in te spelen op de angst onder de bevolking voor de onbeheersbare stroom van immigranten, welke ons land dreigt te overspoelen, dat ze binnen de kortste keren hun aanhang zien vervijfvoudigen. Het is gevolg is dat het politieke toneel in Nederland volkomen dreigt te versplinteren, en de samenstelling van welke regeringsploeg dan ook een steeds onmogelijkere opgave dreigt te worden voor de bourgeoisie in Nederland.
Als de PvdA (en de kleine linkse partijen in haar voetspoor) zich afzetten tegen Wilders, deze proberen in het verdomhoekje te zetten en af te schilderen als een mogelijke bedreiging voor de democratische rechten van de minderheden, dan betekent dat nog niet dat links minder gevaarlijk zou zijn. Voor de arbeidersklasse vormt links net zo’n groot gevaar als rechts, al is dat om hele andere redenen. Want als de rechterfracties de arbeidersklasse zo hard mogelijk aanvallen vanuit de regering is het de taak van de linkse partijen van de bourgeoisie om zich voor te doen als de werkelijke verdedigers van de belangen van de arbei-dersklasse en haar verschillende fracties, zoals de immigranten.
De PvdA en de SP doen zich voor als arbeiderspartijen, voortgekomen uit de arbeidersklasse, met een lange arbeiderstraditie en met als taak om de verdediging van de levensomstandigheden van de arbeiders (inclusief de immigranten) op zich te nemen. Maar niets is wat het lijkt te zijn. De linkse partijen zijn burgerlijke partijen, die zich genesteld hebben in de rangen van de arbeidersklasse, hebben als belangrijkste taak de arbeidersklasse te binden aan de burgerlijke staat door ze in haar - vaak ook ‘buitenparlementaire’ – campagnes mee te lokken teneinde ze iedere vier jaar hun stem te doen uitbrengen op hen.
Nu de PvdA, vanwege de diepe economische crisis, geen echt sociaal alternatief meer kan bieden voor de bezuinigingsplannen van rechts, is de enige partij die de rol van radicale oppositie – van geloofwaardige linkse oppositie – nog kan spelen is de SP. Want deze partij zal, net als de PVV van Wilders en bijna net zo populistisch – wel allerlei ‘sociale’ aspecten in haar verkiezingsprogramma kunnen opnemen in de wetenschap dat ze op landelijk niveau toch nooit aan enige regering zal deelnemen. Omdat ze niet voorbestemd is regeringsverantwoordelijkheid te dragen, zal ze zichzelf niet gemakkelijk ontmaskeren en haar geloofwaardigheid niet snel verliezen.
Hoe de SP haar ‘sociaal’ alternatief momenteel, niet alleen in het parlement, maar ook ‘buitenparlementair’ voor het voetlicht brengt, kunnen we zien aan de acties van de schoonmakers. De SP is, in en naast de FNV, met in haar kielzog de verschillende kleine linkse groeperingen, al een aantal maanden bezig zich op te werpen als de belangrijkste verdediger van de belangen van de schoonmakers. Deze fractie van de arbeiders, voor het overgrote deel immigranten en daardoor relatief veel illusies in de vakbonden en links, voeren nu al enkele maanden actie voor een salarisverhoging van 2% en reiskostenvergoeding. Door de schoonmakers vooral voor te stellen als een gediscrimineerde groep, die niet het respect krijgen dat ze verdienen, worden deze gemakkelijk geïsoleerd gehouden van hun klassebroeders.
Zo houdt de SP, tezamen met de FNV, de schoonmakers aan ’t lijntje en voert ze in een doodlopend straatje van ‘radicale’ en spectaculaire acties. Iedereen die de acties van de schoonmakers goed gevolgd heeft, kan echter zien dat de SP op geen enkele manier opkomt voor de belangen deze arbeiders. De strijd van de schoonmakers is voor haar slechts een middel om arbeidersklasse te doen verstaan niet alleen dat je de strijd slechts met en achter de FNV met succes vol kunt houden, maar ook dat de SP de enige partij is die in het parlement werkelijk tegenwicht kan bieden aan de komende bezuinigingen.
We moeten ons echter niet laten meevoeren in welke burgerlijke campagne dan ook: parlementair of buitenparlementair dan ook. De arbeidersklasse kan zich niet verlaten op de burgerlijke partijen, hoe radicaal ze zich ook voordoen in de huidige verkiezingscampagne, ook niet als ze zich arbeiderspartijen of links noemen. Ze moet op haar eigen kracht vertrouwen, zelfstandig de strijd aangaan en de strijd zelf in handen houden, tegenover alle manipulaties van links en de vakbonden in. Dat is de enige manier waarop ze haar belangen werkelijk kan verdedigen tegen de reusachtige bezuinigingen die op haar afkomen.
Dixoff / 20.04.2010
In het voorgaande deel van deze artikelenreeks hebben we laten zien dat de bruisende klassestrijd van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960, de zoektocht naar een werkelijk revolutionair perspectief in het anarchistisch milieu een impuls had gegeven aan de heropkomst van proletarische stromingen. Als uitdrukking van deze poging tot bewustwording in het proletariaat, werden deze proletarische stromingen ertoe aangezet om afstand te nemen van bepaalde politieke standpunten van de organisaties van het officiële anarchisme. In het voorgaande deel van deze artikelenreeks hebben we laten zien dat de bruisende klassestrijd van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960, de zoektocht naar een werkelijk revolutionair perspectief in het anarchistisch milieu een impuls had gegeven aan de heropkomst van proletarische stromingen. Als uitdrukking van deze poging tot bewustwording in het proletariaat, werden deze proletarische stromingen ertoe aangezet om afstand te nemen van bepaalde politieke standpunten van de organisaties van het officiële anarchisme. Het hele anarchistische milieu na 1945 werd overheerst de burgerlijke staat, als iets dat onderhorig aan haar was; daarom zochten deze politieke groepen toenadering tot het Linkskommunisme, met name het radenisme.
Vandaag, drie decennia later, openbaart het failliete kapitalistisch systeem het doodlopende straatje van barbarij, waarin het de mensheid opsluit en waarin het proletariaat, geleidelijk aan, terug de weg opgaat van de strijd en probeert een revolutionair perspectief te doen ontluiken. In deze historische situatie neigen er, in het milieu dat zich beroept op het anarchisme, in haar debatten steeds duidelijker twee totaal verschillende standpunten tot uitdrukking te komen.
Een verheldering in het anarchistisch milieu
Het belang van deze debatten wordt belicht door het feit dat hij de imperialistische oorlog betreft en de fundamentele beginselen van het proletariaat, zoals dat van het internationalisme, een beginsel dat bepalend is of een groep behoort tot het kamp van de arbeidersklasse tegenover de bourgeoisie.
Laten wij even de standpunten, die tot uiting komen in het anarchistisch milieu, doorlopen aan de hand van twee voorbeelden:
– Enerzijds hebben we het standpunt van de KRAS, dat zich baseert op een authentiek internationalistisch standpunt. Met betrekking tot de oorlog in Georgië in 2008 stelden ze: “De belangrijkste vijand van de eenvoudige mensen is niet de broeder of zuster aan de overkant van de grens of die van aan andere nationaliteit. De vijanden zijn de leiders, de bazen van allerlei slag, de presidenten en ministers, de zakenlui en de generaals, allen die oorlogen veroorzaken om hun macht en rijkdommen te veilig te stellen. Wij roepen de arbeiders van Rusland, Ossetië, Abchazië en Georgië op om het juk van het nationalisme en de vaderlandsliefde af te gooien en om hun woede te richten tegen de leiders en de rijken, aan welke kant van de grens die zich ook bevinden”. (1)
– Aan de andere kant bevindt zich de OCL (Organisation Communiste Libertaire) dat in verband met Irak opriep tot : “materieel en financieel ondersteunen van de (…) de progressieve krachten die zich verzetten tegen de bezetting”, wier “beperkte militaire middelen het toch toestaan om enkele 'bevrijde zones' te organiseren in de volkswijken waar het Amerikaanse leger zich niet waagt te vertonen”, terwijl “in de landen, die naast de Verenigde Staten troepen in Irak hebben,vooral vele landen van de Europese Unie inbegrepen (...), de fundamentele taak er in bestaat om de regering te confronteren om de terugtrekking te verkrijgen, door het blokkeren van het transport van troepen en militair materieel”. (2) Het gaat hier dus niet om een eenvoudige tactische kwestie om eenzelfde doel te bereiken, zoals sommige libertairen ons graag willen wijsmaken.
De stellingname van de KRAS brengt het belang tot uitdrukking van het proletariaat om als universele klasse te strijden tegen de verdelingen in kleur, nationaliteit, cultuur of religie, die hun wordt opgedrongen door het kapitalisme om hen te onderdrukken. Het andere standpunt levert steun aan het 'verzet' van het volk van Irak, Libanon, enzovoort; met andere woorden: aan bepaalde sectoren van de bourgeoisie. Dit standpunt vormt in twee opzichten een verraad aan het internationalisme: niet alleen ten opzicht van de proletariërs van de grootmachten voor wie men de werkelijkheid van tegenstellingen tussen de imperialistische haaien verdoezelt en wat er werkelijk op spel staat; maar ook tegenover de proletariërs die opgeroepen worden om zich te onderwerpen aan de imperialistische oorlog en zich de dood te laten injagen voor de verdediging van imperialistische belangen van hun eigen bourgeoisie. De verdwijning van de blokken na 1989 heeft noch het imperialisme noch de oorlogszuchtige houding van het merendeel van de vertegenwoordigers van het 'officiële' anarchisme, van de AF (Anarchistische Federatie) tot de Alternative Libertaire, doen veranderen!
Deze twee genoemde standpunten hebben niets gemeenschappelijks: zij drukken klasse-standpunten uit die diametraal tegengesteld zijn en volledig tegenover elkaar staan. Ze worden gescheiden door een klasse-grens.
Het blijkt duidelijk dat het anarchisme een plaats is waar openlijk burgerlijke nationalistische en proletarisch internationalistische standpunten met elkaar in botsing komen. In deze confrontatie tussen twee tegenstrijdige tendensen bekleedt het vraagstuk van de oorlog in het Midden-Oosten een belangrijke plaats. Nadat in het libertaire milieu, de onvoorwaardelijke verdediging van de Palestijnse zaak decennia lang onverdeeld heerste, is dit idee niet langer vanzelfsprekend. Een deel van diegenen die zich op het anarchisme beroepen, begint de standpunten die tot dan toe klassiek werden ingenomen, in twijfel te trekken en er zich van af te keren. Zo kunnen wij in een artikel dat het vraagstuk aansnijdt 'Waarom wij nooit de Hezbollah, de Hamas of om het even welke groep van het 'anti-imperialistische verzet zullen steunen', van Non Fides lezen:
“Hoe kan de meerderheid van uiterst links en een deel van de libertaire beweging zich solidair verklaren met deze totalitaire en ultra-religieuze partijen? Deze solidariteit is er een van het 'anti-imperialisme van de imbecielen' (…) De betreurenswaardige politiek van het Israëlische opperbevel zet hen ertoe aan om het even welke vorm van protest van deze oorlogszuchtige politiek dan ook te ondersteunen. Zelf als dat ertoe leidt dat zij daarvoor bondgenootschappen moeten aangaan met de politieke islam, de ultra-religieuzen, de nationalisten en soms uiterst-rechtse neo-nazi's”. (3) Sommigen slagen er in om, ten opzichte van het Midden-Oosten, een duidelijk internationalistisch standpunt van het proletariaat in te nemen. Zo kon men bij een anarchistische affichecampagne in België lezen dat: “Van Gaza in Palestina tot Nasiriya in Irak, van Kivu in Kongo tot Grozny in Tsjetsjenië, zijn de bloedbaden van mensenlevens dagelijkse kost. Onder de verschillende vormen, die het kapitalisme tot in alle uithoeken van de wereld aanneemt, verwoest het volledige zones door hongersnood, ontbering, vervuiling, oorlog. (…) Zich te weer stellen tegen een oorlogslogica tegen een heel 'volk' door de terreur van de Israëlische staat, doet slechts vergeten dat er voor de verworpenen van Gaza, net zoals de uitgebuiten van Tel Aviv, er slechts één mogelijkheid overblijft om er uit te geraken: te strijden tegen elke autoriteit, of die nu de vorm aanneemt van de Israëlische soldaat of van de Palestijnse politie, van de religieuze dwangbuis (…), van het maatpak van de democratische kapitalisten en de woekeraars (…) Het wordt hoog tijd om tegenover de oorlogen tussen de staten, tussen de religies, tussen de etnische groepen, de sociale oorlog te stellen tegen alle vormen van uitbuiting en overheersing”. (4).
Wanneer opvattingen, die zo volkomen vreemd zijn voor elkaar, als het internationalisme en de toegevingen aan het nationalisme tegenover elkaar staan in eenzelfde stroming of in eenzelfde organisatie, verbiedt hun onverzoenlijke aard elk samenwerking en maakt elke eenheid onmogelijk. Daarom steunen wij zonder reserve de KRAS-AIT in zijn strijd voor de verwerping van 'culturalistische en etno-identitaire' opvattingen (die op niets anders zijn dan een uitdrukking van nationalisme), onverzoenbaar met de doelstellingen van de sociale revolutie.
Naar het evenbeeld van de gebeurtenissen, die zich voordeden op de schaal van deze organisatie, moet het hele libertaire milieu het proces van opklaring en verheldering aangaan om die elementen, die zich wijden aan de revolutionaire strijd, te scheiden van de verdedigers van de burgerlijke orde. De anarchistische militanten, die gehecht zijn aan het internationalisme, hebben heel wat meer gemeen met de groepen van de Kommunistische Linkerzijde, zoals het feit dat ze tot hetzelfde proletarische kamp en de revolutie behoren, dan met de rest van de 'libertaire familie'. Vandaag vereist de cruciale inzet, waarbij het bestaan van de mensheid bedreigd wordt door het voortbestaan van het kapitalistisch systeem, van allen die zich beroepen op het internationalisme en de wereldwijde klassenstrijd van het proletariaat, dat zij – afgezien van hun oorspronkelijke politieke horizon – toenadering zoeken en gaan bijdragen om samen te werken aan de zaak die zij gemeenschappelijk hebben.
De verdediging van een 'Derde Front', een verwarrende formule
Het is ook nuttig om op te helderen wat zich verbergt achter het gebruik in het anarchistische milieu van dezelfde termen voor standpunten die diametraal tegenover elkaar staan. Dat is het geval voor de oproep tot de verdediging van een 'derde front' of een 'derde kamp' in de imperialistische conflicten. Wanneer dit standpunt geformuleerd wordt door de KRAS bijvoorbeeld, stemt dat ongetwijfeld overeen met het internationalistische standpunt dat de noodzaak verdedigt van de gemeenschappelijke strijd van het proletariaat, dwars door de nationale verdelingen heen, tegen alle bestaande burgerlijke kampen. Hier gaat het om het enige echte revolutionaire en proletarische standpunt dat ingenomen kan worden.
Voor de organisaties van het officiële anarchisme daarentegen betekent 'de verdediging van een derde kamp' niets anders dan een formule, die bestemd is om de uitgebuite klassen te ronselen voor een van de hoofdrolspelers in de logica van de keuze voor een imperialistisch kamp. Een dergelijk voorbeeld wordt ons geleverd door hun standpunt over de Israëlische tussenkomst in Libanon in de zomer van 2006. Waarover gaat het hier in werkelijkheid als de FA beweert:
“In deze bloedige militaire escalatie, tussen enerzijds de imperialistische krachten van de Verenigde staten en Israël en anderzijds de reactionaire militia van de politieke islam, hebben de arbeider(ster)s, en meer in het algemeen de bevolkingen van deze regio, niets te winnen maar alles te verliezen (…) [en dat] het als internationalistische arbeider(ster)s, een van de meest dringende taken is steun te verlenen aan de ontwikkeling van een derde kamp, het kamp van de arbeider, in het Midden-Oosten, zowel tegen de imperialistische overheersing als tegen de islamistische onderdrukking”. (5).
Wordt de FA internationalistisch? Absoluut niet! Zij gaat slechts voort aan te zetten tot de keuze voor het Arabisch verzet tegen Israël, maar onder een andere vorm dan die van de direct betrokken hoofdrolspelers! Net zoals bij het Israëlisch-Palestijnse conflict waar zij, volledig gekrenkt, zegt: “de Hamas en de Islamitische Jiha die, profiterend van de corruptie en van het diskrediet van de Fatah van Yasser Arafat en van de verloedering van de PLO aan de macht gekomen zijn middels verkiezingen, maken gebruik van de woede, van de frustratie van de Palestijnse meerderheid en vormen de anti-zionistische strijd zo om tot een religieuze strijd”.
Het pseudo-internationalisme waarmee ze zich uitdost, dient voor haar slechts om publiciteit te maken voor een politieke leiding van het 'verzet' met een niet-religieus gezicht. De anti-zionistische strijd, ja, maar niet met de islamisten van de Hezbollah of van de Hamas! Voor de FA is het 'derde kamp' dat van de’niet-religieuze en democratische’ partijen van burgerlijk links waarvoor zij de arbeiders probeert te ronselen.
In dezelfde geest beweert AL (Alternative Libertaire) zonder omwegen:
“Het Libanese volk zal een weg vinden van verzet tegen het Israëlisch imperialisme, en zich ontdoen van de inmenging van de Syrische staat en de religieuze reactie, gedeeltelijk in de gedaante van de Hezbollah. Het is dramatisch dat deze achterlijke organisatie zo overheersend is in het Libanese verzet tegen de Israëlische agressie”. Zo bevindt de gelijknamige AL in Libanon zich in het gezelschap van de 'traditionele en confessionele politieke partijen' van de 'stroming van 14 maart', die gekwalificeerd wordt als: “relatief vernieuwende beweging die perspectieven kan openen voor een andere toekomst voor Libanon” tegengesteld aan die van de “corrupte lieden van de Syrische overheersing en degenen die verlangen naar het zwarte verleden van Libanon”.(7). Het anarcho-chauvinisme hoeft niet jaloers te zijn op het patriottisme van zijn burgerlijke vrienden en dient hen als leverancier van kanonnenvlees in de strijd dat de heersende klasse uiteenrijt!
In het laatste deel van deze serie zullen wij het onderschatte, maar daarom niet minder belangrijke, vraagstuk van het 'a-nationalisme' behandelen, dat verschillende anarchistische elementen voorstaan en verdedigen, en dat zij dikwijls stellen tegenover het 'internationalisme'.
Scott
Voetnoten
(1) Federatie voor Opvoeding, Wetenschap en Technische arbeiders, KRAS-AIT.
(2) Courant Alternatif, n°154.
(3) Non Fides nr. 2, september 2008.
(4) Affiche "In Gaza zoals elders...”, getekend 'De Anarchisten', begin 2009 verspreid in België.
(5) Union Locale de Besançon, Syndicat CNT interco 39, FAU-IAA Boers (Duitsland), Fédération Anarchiste Francophone, 28 juli 2006.
(6) Alternative Libertaire, 18 augustus 2006.
(7) Alternative Libertaire, nr. 154.
In Griekenland is de woede onmetelijk en staat de toestand op barsten. Op ditzelfde moment brengt de Griekse staat het proletariaat verschrikkelijke slagen toe. Alle generaties van arbeiders worden volop getroffen. De arbeiders uit de privé-sector, de ambtenaren, de werklozen, de gepensioneerden, de precaire studenten... niemand wordt ontzien. De arbeidersklasse wordt bedreigd met een totaal wegzinken in de ellende. Tegenover deze aanvallen ziet het proletariaat niet lijdelijk toe.
Arbeiders komen op straat, staken en tonen op die manier dat ze niet bereid zijn om zonder morren de opofferingen te aanvaarden die het kapitaal vereist.
Maar op dit moment slaagt de strijd er niet in om zich op massale wijze te ontwikkelen. De arbeiders van Griekenland beleven moeilijke uren. Wat te doen als alle media en alle politieke verantwoordelijken beweren dat er geen andere oplossing is dan de broekriem aan te halen om het land te redden van het bankroet? Hoe verzet bieden aan de moloch van de staat? Welke strijdmethoden moeten ingezet worden om de krachtsverhouding te doen overhellen naar de uitgebuiten?
Al deze vragen dringen zich niet alleen op aan de arbeiders in Griekenland, maar aan die van de hele wereld. Men hoeft trouwens zich geen enkele illusie te koesteren omtrent de 'Griekse tragedie', want het is slechts een voorproefje van wat alle arbeiders overal ter wereld te wachten staat. Zo zijn er reeds 'Bezuinigingstherapieën op zijn Grieks’ aangekondigd o.m. in Portugal, Roemenië, Japan en Spanje (waar de regering onlangs het loon van de ambtenaren met 5% heeft verlaagd!). Alle deze aanvallen, die tegelijkertijd plaatsvinden, laten nog eens een keer zien dat de arbeiders, wat ook hun nationaliteit moge zijn, één enkele klasse vormen die overal dezelfde belangen en dezelfde vijanden heeft. De bourgeoisie laat het proletariaat de zware ketens dragen van de loonarbeid, maar deze ketens verbinden alle arbeiders van alle landen, over de grenzen heen.
In Griekenland zijn het momenteel onze klassenbroeders die aangevallen worden en die met pijn en moeite begonnen zijn de strijd op te nemen. Hun strijd is ook de onze.
Laten wij alle verdelingen weigeren die de bourgeoisie ons probeert op te dringen. Tegenover het oude beginsel van de heersende klassen 'verdeel en heers', moeten wij de leuze stellen die de uitgebuiten verbindt: 'Arbeiders aller landen, verenigt U!'.
In Europa proberen de verschillende nationale bourgeoisieën de arbeiders te doen geloven dat zij vanwege Griekenland de broekriem aan moeten halen. De oneerlijkheid van de Griekse verantwoordelijken die het land tientallen jaren op krediet hebben laten voortbestaan en de openbare financiën vervalst hebben, zouden de voornaamste oorzaak zijn van een 'internationale vertrouwenscrisis’ van de euro. De regeringen gebruiken dit valse voorwendsel allemaal om de noodzaak van het terugbrengen van de begrotingen en het aanvaarden van drastische bezuinigingsplannen te rechtvaardigen.
Alle officiële partijen in Griekenland, de Communistische Partij voorop, wakkeren nationalistische gevoelens aan en steken de verantwoordelijkheid voor de aanvallen op 'buitenlandse krachten'. 'Weg met het IMF en de Europese Unie', 'Weg met Duitsland', zijn de leuzen die worden geroepen door links en uiterst links, die op die manier het Griekse nationale kapitaal opzettelijk de wind uit de zeilen nemen.
Als in de Verenigde Staten de beurzen dalen zou dat de schuld zijn van de instabiliteit van de Europese Unie; als de bedrijven sluiten zou dat de schuld zijn van de zwakte van de euro, die de dollar en de uitvoer tegenwerkt ...
Kortom, iedere nationale bourgeoisie beschuldigt haar buurman en oefent op het proletariaat, dat ze uitbuit, een schandelijke chantage uit: ‘accepteer de opofferingen want anders wordt het land verzwakt en zullen de concurrenten er van profiteren’. De heersende klasse probeert het nationalisme, een werkelijk vergif voor de strijd, in te spuiten in de aders van de arbeiders.
Deze wereld, die verdeeld is in concurrerende naties, is niet de onze. De proletariërs hebben niets te winnen door zich vast te ketenen aan het kapitaal van het land waar zij wonen. Vandaag, in naam van de 'verdediging van de nationale economie', opofferingen slikken, komt enkel neer op de voorbereiding van andere, nog grotere opofferingen morgen.
Als Griekenland op de rand van de afgrond staat, als Spanje, Italië, Ierland, Portugal op het punt staan om te volgen, als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten in de storm zitten, dan komt dat omdat het kapitalisme een wegkwijnend systeem is. Alle landen zijn ertoe veroordeeld om onvermijdelijk weg te zinken in dit moeras. Sinds 40 jaar is de wereldeconomie in crisis. De recessies volgen elkaar op. Enkel een vertwijfelde vlucht naar voren in de schuldenlast heeft het kapitalisme, tot nog toe, in staat gesteld om nog wat groei door te maken. Vandaag staan de huishoudens, de ondernemingen, de banken, de staten allemaal in het rood. Het bankroet van Griekenland is slechts een karikatuur van het algemene en historische failliet van dit systeem van uitbuiting.
De aangekondigde bezuinigingsplannen betekenen een frontale en algemene aanval op de levensomstandigheden. Het enige mogelijke antwoord is dus een massale beweging van de arbeidersklasse. Het is onmogelijk ze het hoofd te bieden door te strijden in zijn eigen bedrijf, zijn eigen school of kantoor, alleen, geïsoleerd, met een handjevol. Massaal strijden is een noodzaak, willen wij niet worden verpletterd en herleid tot een hoopje ellende.
Maar wat doen de vakbonden, die officiële ‘specialisten’ van de strijd'? Zij organiseren stakingen in verschillende bedrijven... zonder ooit een poging doen om ze te verenigen. Zij houden op actieve wijze het corporatisme in stand, door de arbeiders van de openbare sector en die van de privé tegen elkaar op te zetten. Zij laten de arbeiders opdraven van de ene steriele actiedag naar de andere. Het zijn in feite de 'specialisten in de verdeling van de arbeiders'! Ze maken zelfs gebruik van het nationalisme. Eén enkel voorbeeld: de leuze die sinds half maart het meest gescandeerd werd in de betogingen van de GSEE (de Griekse ‘stalinistische’ vakbond) is... 'koop Grieks'!
Als je de vakbonden volgt dan betekent dat te allen tijde dat je de weg opgaat van verdeling en nederlaag. De arbeiders moeten dus hun strijd in eigen hand nemen, door zelf algemene vergaderingen te organiseren, door collectief te beslissen over de ordewoorden en de eisen, door afgevaardigden te kiezen die op elk moment afzetbaar zijn en door via massale delegaties te gaan discussiëren met de dichtstbijzijnde arbeiders in de bedrijven, de kantoren, de scholen, en in de nabijgelegen ziekenhuizen... om hen aan te moedigen om zich bij de strijd aan te sluiten.
Aan de vakbonden voorbijgaan, de strijd in eigen handen durven nemen, de stap zetten om andere klassenbroeders te gaan opzoeken... dat kan heel moeilijk lijken. Het is één van de huidige belemmeringen voor de ontwikkeling van de strijd: het proletariaat mist vooral het vertrouwen in zichzelf. Het beseft nog niet welke formidabele kracht het in zich heeft. Op dit moment werken de aanvallen van het kapitaal, de wreedheid van de economische crisis en het gebrek aan zelfvertrouwen van het proletariaat, verlammend. Het arbeidersverzet, zelfs in Griekenland, staat nog ver van wat de ernst van de toestand vereist. Nochtans behoort de toekomst aan de klassenstrijd. Het perspectief tegenover de aanvallen is de ontwikkeling van steeds een massalere strijd.
Sommigen vragen ons: ‘Waarom zou je een dergelijke strijd voeren? Waartoe leidt dat? Aangezien het kapitalisme bankroet is, is er geen werkelijke hervorming mogelijk. Er is dus geen uitweg’. Inderdaad, binnen dit systeem van uitbuiting is er geen uitweg. Maar collectief strijden en weigeren om als honden te worden behandeld, is ook strijden voor onze waardigheid. Het houdt ook in dat de arbeidersklasse zich er van bewust wordt dat solidariteit in deze wereld van uitbuiting nog bestaat en dat ze er toe in staat is om dit onschatbare menselijke gevoel te doen leven. De mogelijkheid van een andere wereld begint te dagen, een wereld zonder grenzen of vaderland, zonder uitbuiting of ellende, een wereld die gericht is op de mensen en niet op de winst. De arbeidersklasse kan en moet zelfvertrouwen krijgen. Zij alleen kan deze nieuwe maatschappij opbouwen en de mensheid met zichzelf verzoenen door over te schakelen van het 'rijk van de noodzaak naar dat van de vrijheid' (Marx)!
Het kapitalistisch systeem is bankroet.
Maar een andere wereld is mogelijk: het communisme!
Op 3 maart jongstleden vonden er gemeenteraadsverkiezingen plaats. In Rotterdam was het een nek aan nek race tussen Leefbaar Rotterdam en de PvdA. Aan het einde van de dag bleek de PvdA als grootste partij uit de bus te komen. Ze had net iets meer stemmen gehaald dan Leefbaar Rotterdam: 28,8% van de stemmen voor de PvdA en 28,6% voor Leefbaar Rotterdam.
Maar toen verschenen er in de media en zelfs op de televisie allerlei berichten over onregelmatigheden in de stemlokalen. Mensen zouden regelmatig met z’n tweeën in een stemhokje hebben gestaan. Iemand anders zou tweemaal in twee verschillende stemlokalen zijn stem hebben uitgebracht.
Op grond van deze onregelmatigheden vroeg Leefbaar Rotterdam een hertelling van de stemmen aan. Na enige aarzeling besloot burgemeester Aboutaleb gehoor te geven aan dit verzoek.
Op 11 maart werden alle uitgebrachte stemmen van Rotterdam opnieuw onder de loep genomen. 400 ambtenaren waren vrijgemaakt om van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat alle stembriefjes te controleren op ongeldigheid en ze te hertellen. Na afloop van deze hele operatie oordeelde de betrokken commissie dat er weliswaar ruim tweeduizend incidenten in stemlokalen hadden plaatsgevonden, maar dat die niet tot een nieuwe zetelverdeling leidde. Met andere woorden: de controle van de stembiljetten en de hertelling ervan veranderde niets aan de uitslag. Zowel de PvdA als Leefbaar Rotterdam hadden 14 zetels binnengehaald in de gemeenteraad en dat bleef zo.
Wat was dan de bedoeling van deze hele operatie in Rotterdam? Niet alleen dat stemmen geen carnaval is en dat de bourgeoisie volgende keer zal laten zien dat stemmen een serieuze gelegenheid is. Maar vooral dat iedereen ervan moet doordrongen raken dat het van wezenlijk belang is om te gaan stemmen: Want het gebeuren laat zien dat iedere stem telt en dat jouw stem zelfs beslissend kan zijn voor wie wint en wie verliest.
In februari begonnen de 'geallieerde' strijdkrachten in Afghanistan aan een nieuw offensief tegen de Taliban, dat de naam “Operatie Moshtarak” meekreeg. De vooropgestelde bedoeling van de operatie was de Taliban uit de Marjaregio in de provincie Helmand te verdrijven. Britse troepen speelden een sleutelrol in de operatie, naast troepen van de VS en Afghanistan.‘Moshtarak’ zou de eerste van een reeks nieuwe operaties zijn die zouden moeten leiden tot een stabielere controle over heel Afghanistan, waardoor de opstand van Taliban eindelijk tot een eind gebracht zou worden. In februari begonnen de 'geallieerde' strijdkrachten in Afghanistan aan een nieuw offensief tegen de Taliban, dat de naam “Operatie Moshtarak” meekreeg. De vooropgestelde bedoeling van de operatie was de Taliban uit de Marjaregio in de provincie Helmand te verdrijven. Britse troepen speelden een sleutelrol in de operatie, naast troepen van de VS en Afghanistan. ‘Moshtarak’ zou de eerste van een reeks nieuwe operaties zijn die zouden moeten leiden tot een stabielere controle over heel Afghanistan, waardoor de opstand van Taliban eindelijk tot een eind gebracht zou worden.
De Britse troepen hebben ondertussen nieuwe gedrags- of gevechtsregels opgedragen gekregen,“Moedige terughoudendheid” geheten. Dit betekent dat het dappere Britse leger grootmoedig beslist heeft minder zware artillerie te gebruiken in bewoonde gebieden. Het idee daarachter is dat de Afghaanse bevolking, als ze wat minder zonder onderscheid afgeslacht wordt, de geallieerden dankbaar zal zijn en zich achter de regering Karzai zal scharen.
De geallieerden proberen over te stappen van het gebruik van blind geweld naar een genuanceerdere strategie die erop gericht is de “harten en geesten” van de Afghaanse bevolking voor zich te winnen. De brutaliteit van de bezetting wordt duidelijk gemaakt door een afschuwelijk incident (in Groot-Brittannië alleen door The Times gerapporteerd) – de zogenaamde afslachting van verschillende kinderen door VS-troepen in december 2009 in de provincie Nurang: “Onderzoekers van de Afghaanse regering zeggen dat acht schoolkinderen werden gedood, op één na alle van dezelfde familie. Buurtbewoners zeggen dat sommige slachtoffers handboeien aankregen voor ze gedood werden.” Deze gruweldaad leidde tot anti-Amerikaanse betogingen in Kabul, net als talrijke eerdere schietpartijen 'per vergissing', executies, raketaanvallen en luchtraids tegen burgers.
Ondanks de nieuwe politiek van ‘terughoudendheid’ worden nog steeds zware wapens gebruikt. Tijdens de eerste dagen van ‘Moshtarak’ vernielde een raket een huis, waarbij twaalf personen, waaronder zes kinderen, gedood werden. Eerst verontschuldigden de VS zich uitvoerig en gaven ze de schuld aan technische problemen, maar daarna was daar geen sprake meer van en werd dat vervangen door de bewering dat het huis door de Taliban gebruikt werd. Dit is natuurlijk het logische gevolg van het feit dat de geallieerden de plaatselijke bevolking aanraden in hun huizen te blijven als de aanvallen plaatsvinden. Via uitgestrooide pamfletten werden de bewoners gewaarschuwd geen schuilplaats te geven aan militanten van de Taliban.
Wat ook de feiten achter dit incident zijn, het is duidelijk dat onschuldige burgers eens te meer de echte slachtoffers zijn van het conflict. Als ze geen weerstand bieden aan de gewapende strijders die hun huizen proberen binnen te dringen, dan worden ze ‘gewettigde’ doelwitten voor de raketten van de VS.
Dat wil niet zeggen dat de Taliban zelf 'terughoudendheid' aan de dag leggen bij het doden van burgers. Verre van dat. Volgens de VN-missie in Afghanistan waren er in 2009 2412 burgerslachtoffers, plus nog eens 3566 gewonden. 67% daarvan waren er direct toe te schrijven aan regeringsvijandige strijdkrachten (d.w.z. de Taliban), 25% aan regeringsgezinde troepen, van de rest is het onduidelijk gebleven.
Vooruitzichten op succes
Afgezien van de verschillende sterkte van de krachten op het strijdtoneel is er geen reden om te veronderstellen dat de “Operatie Moshtarak” spoedig beëindigd zal worden. We hebben dit al eerder meegemaakt. De eerste uitgave van de Taliban werd ruimschoots verpletterd door het eerste offensief van de VS in 2001. Dat heeft de Taliban er niet van weerhouden zich opnieuw te vormen en opnieuw de marionettenregering van Karzai te belagen. De heropkomst van de Taliban is juist deels te verklaren vanuit de grootschalige corruptie en de misdadigheid van het regime van Karzai.
In een recente enquête van Oxfam in Afghanistan “beschouwde 70% van de ondervraagden armoede en werkloosheid als de voornaamste drijfveren van het conflict. Bijna de helft van de ondervraagden zei dat corruptie en inefficiëntie van de regering de hoofdredenen waren voor het voortduren van de gevechten, terwijl 36% zei dat de opstand van de Taliban de schuldige was.”
De verschrikkelijke armoede van de meeste gewone Afghanen zit ingebakken in de 40% werkloosheid, een rekruteringspool voor de Taliban. Wat de corruptie betreft, die wordt in sommige enquêtes zelfs als een groter probleem gezien dan geweld en armoede. Smeergeld loopt op tot zo'n 23% van het Bruto Binnenlands Product van Afghanistan (en is ongeveer evenveel waard als de opiumteelt). En het zijn zeker niet alleen Afghanen die met hun handje open staan, driekwart van de corruptieonderzoeken wijst naar Westerlingen.
In plaats van bij te dragen tot een oplossing van de diepgewortelde problemen, leidt de Westerse aanwezigheid enkel tot het op de spits drijven ervan. Dit machtig mengsel zorgt ervoor dat onrust zal blijven bestaan, los van alle militaire overwinningen en nederlagen.
Dat de armoede speelt een grote rol in het naar de strijdkrachten duwen van jonge mensen wordt buiten Afghanistan ook aangetoond. Dankzij de groeiende werkloosheid heeft het Britse leger voor het eerst in jaren het aantal rekruten ingelijfd dat beoogd wordt. In werkelijkheid wordt de typische Britse soldaat dus naar het slagveld geleid door dezelfde door het kapitalisme gecreëerde ontbering die zijn vijanden van de Taliban treft.
Afghanistan toont de realiteit van oorlog in de periode van het kapitalistisch verval. Bij gebrek aan hoop om in de noden van henzelf en hun families te voorzien, worden de arbeiders en andere uitgebuite lagen in de armen gedreven van de kapitalisten met hun legers en reactionaire milities. Dan slachten de arbeiders met of zonder uniform elkaar af ten dienste van dezelfde heersende klasse die verantwoordelijk is voor hun verpaupering.
De vreselijke omstandigheden van deze conflicten, de indoctrinatie en disciplinering die hen opgelegd wordt om hun natuurlijke menselijke afschuw tegen doden te overwinnen, maken de militairen en strijders onmenselijk tot allerlei brutale slachtpartijen zoals we in Afghanistan zien gebeuren onvermijdelijk worden.
Kommunisten steunen geen enkele zijde in deze conflicten. We klagen de misdaden die door alle zijden begaan worden aan en leggen de werking bloot van de kapitalistische maatschappij waaruit ze voortkomen. Enkel wanneer de uitgebuitenen weigeren zichzelf op te offeren voor hun uitbuiters zal het vooruitzicht om het kapitalisme vervangen door een waarachtig menselijke maatschappij zonder uitbuiting en zonder oorlog in zicht beginnen komen.
Ishamael / 4.3.2010
Wij zijn een groep loontrekkers van verschillende sectoren (spoorwegen, onderwijs, informatica…), van werklozen en van iedereen met een precaire baan. Tijdens de stakingen in Frankrijk, die onlangs plaatsvonden, zijn we ons bijeengekomen in een Interprofessionele Algemene Vergadering – eerst op het perron van een station (Station Oost in Parijs), daarna in een zaal van een Arbeidsbureau. Wij willen op zo’n groot mogelijk schaal de arbeiders van andere steden van de regio Parijs groeperen. Want wij hebben genoeg van de klassensamenwerking van de vakbonden, die ons opnieuw naar de nederlaag hebben geleid. Wij wilden ons zelf organiseren om te proberen de stakende sectoren bijeen te brengen, de staking uit te breiden en dat het de stakers zouden zijn die hun strijd zelf controleren.
Tegenover de sociale oorlog van de kapitalisten moeten de arbeiders een klassestrijd stellen
In Groot-Brittannië, in Ierland, in Portugal, in Spanje, In Frankrijk …. In alle landen worden we hard aangevallen. Onze levensomstandigheden worden slechter.
In Groot-Brittannië heeft de regering Cameron de opheffing aangekondigd 500.000 banen in de openbare sector, 7 miljard pond bezuiniging in de begroting voor sociale zaken, de verdrievoudiging van het inschrijvingsgeld voor de universiteit, enzovoort.
In Ierland gaat de regering Cowen het minimumsalaris per uur met een euro en de pensioenen met 9% verlagen.
In Portugal worden de arbeiders geconfronteerd een recordcijfer aan werkloosheid. In Spanje, houdt de “zeer socialistische” Zapatero maar niet op flink te korten op allerlei soorten werkloosheidsuitkeringen, sociale en medische voorzieningen ...
In Frankrijk gaat de regering maar door onze levensomstandigheden stuk te maken. Na de gepensioneerden, is de gezondheidszorg aan de beurt. De toegang tot de zorg wordt voor de arbeiders steeds moeilijker: steeds meer medicijnen moeten zelf betaald worden, verhoging van de privé-zorgverzekering, vermindering van ligplaatsen in de openbare ziekenhuizen. Zoals de hele openbare sector (de posterijen, de gas en elektriciteitmaatschappij, de telefoonmaatschappijen), worden de ziekenhuizen ontmanteld en geprivatiseerd. Het resultaat is: miljoenen arbeidersgezinnen kunnen zich van nu af aan niet meer laten verzorgen.
Deze politiek is vitaal voor het kapitalisme. Ten opzichte van de crisis en de ineenstorting van hele delen van de kapitalistische economie, vinden de laatsten steeds mindere markten die een bron van winst voor hun kapitaal kan vormen. Ook zijn ze steeds meer gedwongen de openbare diensten te privatiseren.
Maar deze markten zijn beperkter in termen van productieve afzetmarkten zoals de pijlers van de wereldeconomie waren zoals de bouw, de automobiel, de olie …. Ze zullen, zelf in het beste geval, geen nieuw economische opleving meebrengen, die redding brengt.
Ook zal de strijd om de markten. tegen de achtergrond van de ineenstorting, voor de grote internationale trusts steeds meer verbeten worden. Met andere woorden, het zal een kwestie van leven of dood worden voor de investeerders van kapitaal. Om zich te verdedigen verschanst ieder kapitalist zich in deze strijd achter zijn staat. In naam van de verdediging van de nationale economie, zullen de kapitalisten proberen ons mee te slepen in hun economische oorlog.
De slachtoffers van deze oorlog zullen ….. de arbeiders zijn. Want achter de verdediging van de nationale economie, iedere nationale bourgeoisie, iedere staat, iedere baas probeert zijn “kosten” terug te brengen om zijn “concurrentiepositie” te behouden. Concreet zullen ze niet ophouden de aanvallen op te voeren tegen onze levens- en werkomstandigheden. Als we dat laten gebeuren, als we aanvaarden dat ze de broekriem nog strakker aanhalen, zullen de opofferingen nooit een einde kennen. Ze zullen uiteindelijk onze bestaansvoorwaarden in vraag stellen.
Arbeiders, laten we weigeren ons te verdelen in sectoren, corporaties, of nationaliteiten. Laten we weigeren om ons over te leveren aan deze economische oorlog aan deze of gene kant van de grens. Laten we samen strijden en ons in de strijd verenigen! De oproep, gelanceerd door Marx, is meer dan ooit actueel: “Proletariers aller landen, verenigt u”.
Het is aan ons, arbeiders, om de strijd zelf in handen te nemen
Momenteel zijn het de arbeiders van Griekenland, Spanje, de studenten uit Engeland die strijden en die onderworpen zijn aan de regeringen die, of zij nu rechts of links is, in dienst van de heersende klasse staan. En net als in Frankrijk, hebben we te maken met een regering die de werkenden en werklozen, de studenten en scholieren gewelddadig onderdrukt.
In Frankrijk hebben we ons deze herfst willen verdedigen. We waren met miljoenen de straat op gegaan om deze nieuwe aanval eenvoudigweg te weigeren. We hebben gestreden tegen de nieuwe wet en tegen alle bezuinigingsmaatregelen die ons volop raken. We hebben gezegd: “Nee!” tegen de verergering van de precaire werksituatie en de armoede.
Maar de Intersyndicale heeft ons moedwillig naar de nederlaag gevoerd door de uitbreiding van de stakingsbeweging tegen te gaan:
- In plaats van de obstakels van de beroepen en de corporaties te doorbreken om de arbeiders zoveel mogelijk te verenigen, heeft ze de algemene vergaderingen van iedere onderneming uitgesloten voor de arbeiders van elders.
- Ze heeft spectaculaire acties ondernomen om de “economie te blokkeren”, maar niets gedaan om stakingspiketten of vliegende piketten te organiseren die andere arbeiders hadden kunnen overhalen aan de strijd mee te doen. Het zijn de arbeiders en degenen met een precaire baan, die dat gedaan hebben.
- Ze heeft achter onze rug onderhandelt over onze nederlaag, achter de gesloten deuren van de ministeries. De Intersyndicale heeft de wet op de pensioenen nooit afgewezen, ze heeft zelfs steeds maar weer herhaald dat ze “nodig” en “onvermijdelijk” was. Zo te horen zouden we ons tevreden hebben moeten stellen om naast haar te vragen om “meer onderhandelingen tussen de regering, bazen en vakbonden”, “meer aanpassing van de wet voor een rechtvaardige en billijke hervorming ….”
In de strijd tegen alle aanvallen kunnen we alleen maag op onszelf vertrouwen. En wat ons betreft hebben wij in deze beweging de noodzaak verdedigd van de arbeiders om zich te organiseren op hun werkplaats in onafhankelijke algemene vergaderingen, om zich op nationale schaal te verenigen om de stakingsbeweging richting te geven door afgevaardigden te kiezen die op ieder moment teruggeroepen kunnen worden. Alleen een geanimeerde, georganiseerde en gecontroleerde strijd door het geheel van de arbeiders, zowel wat betreft de middelen als betreft de doeleinden, kan de noodzakelijke voorwaarden scheppen om de overwinning te verzekeren.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Wij weten dat het nog niet afgelopen is, de aanvallen zullen blijven doorgaan, de levensomstandigheden zullen steeds moeilijker worden en de gevolgen van de crisis van het kapitalisme zullen alleen maar erger worden. Overal in de wereld moeten we dus de strijd opnemen. Daarvoor moeten we vertrouwen herwinnen in onze eigen kracht:
De algemene vergaderingen moeten niet door de vakbonden geleid worden, maar door de arbeiders zelf.
Sinds een jaar of drie hebben bepaalde anarchistische individuen en groepen en de IKS een aantal obstakels verwijderd door het aan te durven op een open en broederlijke manier in discussie te gaan. De onverschilligheid of het wederzijds afwijzen, a priori en stelselmatig, van het anarchisme en van het marxisme heeft plaats gemaakt voor de wil tot discussie, tot het begrijpen van elkaars standpunten, tot het eerlijk vaststellen van de punten van overeenkomst en verschil.
In Mexico heeft deze nieuwe geestesgesteldheid geleid tot het samen opstellen en ondertekenen van een pamflet door twee anarchistische groepen (de GSL en de PAM (1) ) en een organisatie van de Kommunistische Linkerzijde (de IKS). In Frankrijk heeft de CNT-AIT van Toulouse zopas de IKS uitgenodigd een inleidende uiteenzetting te geven op één van haar publieke bijeenkomsten (2). Ook in Duitsland worden er banden gesmeden. Op basis van deze dynamiek is de IKS een grondig onderzoek begonnen over de kwestie van de geschiedenis van het internationalisme binnen de anarchistische Beweging. In de loop van 2009 hebben we een reeks artikels gepubliceerd onder de titel “De anarchisten en de oorlog” (3).
Het was onze bedoeling aan te tonen dat bij elk imperialistisch conflict een deel van de anarchisten aan de valstrik van het nationalisme ontsnapt was en het proletarisch internationalisme verdedigd had. We toonden aan dat deze kameraden erin geslaagd waren zich verder in te zetten voor de revolutie van het wereldproletariaat, terwijl zich rondom hen chauvinisme en oorlogsbarbarij ontketenden. Wanneer men weet hoe belangrijk het internationalisme is voor de IKS, een ware klassegrens die de revolutionairen die werkelijk strijden voor de bevrijding van de mensheid scheidt van hen die de strijd van het proletariaat verraden, dan beseft men dat deze artikelenreeks niet alleen een kritiek zonder toegevingen was van de oorlogszuchtige anarchisten, maar vooral een groet aan de internationalistische anarchisten!
Ons opzet werd echter niet steeds als dusdanig onderkend. De reeks heeft zelfs bij sommigen tot een tijdelijke verkilling geleid. Enerzijds zagen sommige anarchisten er een aanval in regel in op hun gedachtengoed. Anderzijds begrepen sommige sympathisanten van de Kommunistische Linkerzijde en van de IKS niet waarom wij 'toenadering tot de anarchisten' zochten (4).
Afgezien van enkele onhandigheden in onze artikels die bij enkelen in het verkeerde keelgat kunnen geschoten zijn (5), hebben deze schijnbaar tegengestelde kritieken in feite dezelfde oorsprong. Ze tonen hoe moeilijk het is, over de meningsverschillen heen, de wezenlijke elementen te ontwaren die de revolutionairen samenbrengen.
Degenen die zich beroepen op de strijd voor de revolutie worden traditioneel in twee categorieën ingedeeld : marxisten en anarchisten. Er bestaan inderdaad zeer belangrijke verschilpunten die hen onderscheiden:
Al deze kwesties zijn inderdaad uiterst belangrijk. We hebben de verantwoordelijkheid ze niet uit de weg te gaan, maar er openlijk over te debatteren. Maar daarom lijnen ze voor de IKS nog niet 'twee kampen' af. Concreet stelt onze organisatie, die marxistisch is, dat zij voor het proletariaat vecht aan de zijde van internationalistische anarchistische elementen en tegen de 'kommunistische' en maoïstische partijen (die zich nochtans toch 'marxistisch' uitroepen). Waarom?
Binnen de kapitalistische maatschappij bestaan er twee fundamentele kampen: dat van de bourgeoisie en dat van de arbeidersklasse. We bestrijden en klagen alle politieke organisaties aan die tot het eerste kamp behoren. Wij discussiëren, soms vurig maar steeds broederlijk, en wij proberen samen te werken met alle leden van het tweede. Maar onder hetzelfde label van 'marxisme' verbergen zich organisaties die volstrekt bourgeois en reactionair zijn. En hetzelfde geldt voor het etiket 'anarchistisch'!
Dat is geen holle praat. De geschiedenis wemelt van voorbeelden van 'marxistische' of 'anarchistische' organisaties die met de hand op het hart zwoeren de zaak van het proletariaat te verdedigen om het beter een dolk in de rug te kunnen steken. De Duitse sociaal-democratie noemde zich in 1919 'marxistisch', op hetzelfde moment waarop ze Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht en duizenden arbeiders vermoordde. De stalinistische partijen hebben de arbeidersopstanden in Berlijn in 1953 en in Hongarije in 1956 eveneens in naam van 'kommunisme' en 'marxisme' in bloed gesmoord (maar in feite in het belang van het imperialistisch blok dat door de USSR geleid werd). In Spanje, in 1937, dienden de leiders van de CNT die in de regering zaten als morele rechtvaardiging voor de stalinistische beulen die duizenden... anarchistische revolutionairen afgeslacht en bloedig onderdrukt hebben! Vandaag wordt bv. in Frankrijk de benaming CNT gebruikt door twee anarchistische organisaties, de ene met waarachtig revolutionaire standpunten (CNT-AIT), de andere een puur 'reformistische' en reactionaire organisatie (CNT Vignoles (6).
Het is dus van levensbelang de valse vrienden te lokaliseren die zich achter die 'labels' verbergen.
Maar we mogen evenmin in de tegenovergestelde valstrik vallen en ons alleen op de wereld wanen als exclusieve bezitters van de 'revolutionaire waarheid'. De kommunistische militanten zijn vandaag nog weinig talrijk en er is niets schadelijker dan het isolement. We moeten dus evengoed vechten tegen de nog te grote tendens 'zijn kapelletje', 'zijn familie' (anarchistisch of marxistisch) te verdedigen en tegen de kruideniersmentaliteit die niet op haar plaats is in het kamp van de arbeidersklasse. Revolutionairen zijn elkaars concurrenten niet. Meningsverschillen, onenigheden, hoe diep die ook mogen zijn, zijn een bron van verrijking voor het bewustzijn van de hele arbeidersklasse wanneer ze openlijk en ernstig bediscussieerd worden. Banden smeden en discussiëren op internationaal vlak is een absolute noodzaak.
Maar daarom moeten we wel de revolutionairen (die het perspectief verdedigen van de omverwerping van het kapitalisme door het proletariaat) kunnen onderscheiden van de reactionairen (die op één of andere manier bijdragen aan het voortbestaan van dit systeem), zonder zich enkel op het label 'marxist' of 'anarchist' vast te pinnen.
Voor de IKS bestaan er fundamentele criteria die burgerlijke en proletarische organisaties van elkaar onderscheiden.
De strijd van de arbeidersklasse tegen het kapitalisme ondersteunen betekent tegelijk op onmiddellijke wijze tegen de uitbuiting vechten (tijdens stakingen bv.) en nooit uit het oog verliezen wat de historische inzet is van deze strijd, de omverwerping van dit uitbuitingssysteem door de revolutie. Daarom mag dergelijke organisatie nooit, op welke wijze dan ook ('zelfs op 'kritische' wijze, omwille van 'tactiek' of in naam van het 'minste kwaad'), enige steun verlenen aan een sector van de bourgeoisie - noch aan de 'democratische' bourgeoisie tegen de 'fascistische', noch aan links tegen rechts, noch aan de Palestijnse bourgeoisie tegen de Israëlische bourgeoisie, enz-. Zo'n politiek heeft twee concrete implicaties:
1) het gaat om het afwijzen van elke electorale steun aan, elke samenwerking met de partijen die het kapitalistisch systeem beheren of de verdedigers van één of andere vorm daarvan (sociaal-democratie, stalinisme, 'chavisme', enz.)
2) en vooral gaat het erom, tijdens elke oorlog, een onverzoenlijk internationalisme aan te houden, door te weigeren te kiezen voor het ene of andere imperialistische kamp. Tijdens de Eerste Wereldoorlog net als tijdens alle imperialistische oorlogen van de 20e eeuw hebben alle organisaties die op zoek waren naar een kamp om te verdedigen het terrein van het internationalisme verlaten, hebben ze de arbeidersklasse feitelijk verraden en werden ze definitief opgeslokt door het kamp van de bourgeoisie (7).
Die criteria, die we hier kort uiteenzetten, verklaren waarom de IKS bepaalde anarchisten als strijdmakkers beschouwt, waarom ze met hen wil discuteren en samenwerken, terwijl ze tegelijk andere anarchistische organisaties met kracht aanklaagt.
Zo werken we samen met KRAS (afdeling van de anarcho-syndikalistische AIT in Rusland) door hun internationalistische stellingnamen tegen de oorlog, met name de oorlog in Tsjetsjenië, te begroeten en te publiceren. De IKS beschouwt deze anarchisten, ondanks de meningsverschillen, als waarachtig deel uitmakend van het kamp van het proletariaat. Ze onderscheiden zich inderdaad duidelijk van al die anarchisten en van al die 'kommunisten' (zoals die van de 'kommunistische', maoïstische of trotskistische partijen) die in theorie het internationalisme verdedigen, maar die er in de praktijk tegenin gaan, door in elke oorlog één oorlogvoerend kamp tegen een ander te verdedigen. We moeten niet vergeten dat in 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, en in 1917, tijdens de Russische Revolutie, de meeste 'marxisten' van de sociaal-democratie aan de kant stonden van de bourgeoisie tegen het proletariaat, terwijl de Spaanse CNT de imperialistische oorlog aankloeg en de revolutie steunde ! Tijdens de revolutionaire bewegingen van het einde van de jaren 1910 stonden anarchisten en marxisten die oprecht ijverden voor de proletarische zaak zij aan zij in de strijd, ondanks hun meningsverschillen. In deze periode was er zelfs een poging tot breedschalige samenwerking tussen de marxistische revolutionairen (bolsjewieken, Duitse spartakisten, Nederlandse tribunisten, Italiaanse abstentionisten, enz.) die uit de ontaardende IIe Internationale gestapt waren, en talrijke groepen die zich beriepen op het internationalistisch anarchisme. Een voorbeeld van die gang van zaken was het feit dat een organisatie als de CNT de mogelijkheid heeft onderzocht (maar tenslotte verworpen) om zich aan te sluiten bij de Derde Internationale (8).
Om een recenter voorbeeld aan te halen: zowat overal ter wereld bestaan er in het licht van de actuele gebeurtenissen anarchistische groepen en afdelingen van de AIT die niet alleen een internationalistisch standpunt behouden, maar die ook strijden voor de autonomie van het proletariaat tegen alle ideologieën en alle stromingen van de bourgeoisie:
- deze anarchisten verdedigen de directe en massale strijd alsook de zelforganisatie in algemene vergaderingen en in Arbeidersraden;
- ze verwerpen elke deelname aan het verkiezingscircus en elke steun aan om het even welke partij, ook de zogenaamd 'progressieve', die aan dat circus deelnemen.
Anders gezegd: ze stellen zich op één van de principes die geformuleerd werden door de Eerste Internationale: “De bevrijding van de arbeiders zal het werk van de arbeiders zelf zijn.” Zij ijveren daarmee voor de strijd voor de wereldrevolutie en een wereldwijde mensengemeenschap.
De IKS behoort tot hetzelfde kamp als die internationalistische anarchisten die werkelijk de arbeidersautonomie verdedigen. Ja, wij beschouwen hen als kameraden waarmee wij willen discuteren en samenwerken. Ja, wij denken ook dat die anarchistische militanten meer gemeen hebben met de Kommunistische Linkerzijde dan met hen die, onder hetzelfde anarchistisch label, in werkelijkheid nationalistische of 'reformistische' standpunten verdedigen en dus in feite verdedigers van het kapitalisme zijn.
In het debat dat zich stilaan ontwikkelt tussen alle revolutionaire elementen en groepen van de planeet, zullen er onvermijdelijk fouten zijn, levendige en vurige debatten, onhandigheden, misverstanden en echte meningsverschillen. Maar de noden van de strijd van het proletariaat tegen het kapitalisme dat met de dag onleefbaarder en barbaarser wordt, het onmisbaar perspectief van de wereldwijde proletarische revolutie, de voorwaarde om het voortbestaan van de mensheid en van de planeet te waarborgen, vereisen deze inspanning. Het gaat hier om een plicht. En vandaag, nu opnieuw revolutionaire proletarische minderheden opduiken in talrijke landen, die zich beroepen op het marxisme of op het anarchisme (of die voor beide openstaan), moet die plicht om te debatteren en samen te werken een vastbesloten en enthousiaste weerklank vinden.
IKS / juni 2010
Voetnoten
(1) GSL: Grupo Socialista Libertario (https://webgsl.wordpress.com [13] ) - PAM: Proyecto Anarquista Metropolitano https://proyectoanarquistametropolitano.blogspot.com [14] ).
(2) De hele bijeenkomst verliep trouwens bijzonder hartelijk. Zie het verslag ervan op onze website, getiteld “Réunion CNT-AIT de Toulouse du 15 avril 2010: vers la constitution d'un creuset de réflexion dans le milieu internationaliste” (in het Frans – https://fr.internationalism.org/node/4256 [15] ).
(3) 'De anarchisten en de oorlog (I)' (Were 119), 'De deelname van de anarchisten aan de Tweede Wereldoorlog (II)' (Wereldrevolutie 120), 'Van de Tweede Wereldoorlog tot op heden (III)' (Wereldrevolutie 121), 'Het internationalisme, een cruciale kwestie (IV)' (Web). Deze teksten zijn eveneens beschikbaar op onze website.
(4) Sommige kameraden stoorden zich in het begin in het bijzonder aan het uitgeven van een gemeenschappelijk pamflet GSL-PAM-IKS. In een artikel in het Spaans, 'Wat is onze houding tegenover kameraden die zich op het anarchisme beroepen?', hebben we onze benadering trouwens proberen uit te leggen. (https://es.internationalism.org/node/2715 [16] )
(5) Enkele anarchistische kameraden hebben inderdaad terecht gewezen op onhandigheden, onnauwkeurige formuleringen en zelfs historische fouten. We komen hier binnenkort op terug, maar willen nu al twee van de ergste fouten corrigeren:
- de reeks 'De anarchisten en de oorlog' stelt herhaaldelijk dat de meerderheid van de anarchisten tijdens de Eerste Wereldoorlog ten onder gegaan is in nationalisme, terwijl slechts een handvol individuen op gevaar van hun leven vasthield aan het verdedigen van het internationalistisch standpunt. De historische elementen die door de leden van AIT aan het debat toegevoegd werden, en die bevestigd worden door ons onderzoek, tonen aan dat in werkelijkheid een heel groot deel van de anarchisten zich vanaf 1914 tegen de oorlog gekeerd heeft (soms in naam van het internationalisme of het anationalisme, vaker in naam van het pacifisme).
- de vervelendste fout (en die tot nu toe door niemand uitgelicht werd) die door dit artikel begaan wordt betreft de opstand in Barcelona in mei 1937. We schreven inderdaad: “De anarchisten werden medeplichtigen van de repressie door het Volksfront en de regering van Catalonië”. In werkelijkheid vormden de militanten van de CNT en de FAI integendeel de grote meerderheid van de opstandige arbeiders van Barcelona en waren zij de voornaamste slachtoffers van de repressie die georganiseerd werd door de stalinistische horden! Het was veel juister geweest de collaboratie van de leiding van de CNT aan de slachting aan te klagen dan die van “de anarchisten”. Dat is trouwens de betekenis van onze standpunten over de Spaanse Burgeroorlog, zoals die met name verdedigd worden in het artikel "Lessen uit de gebeurtenissen in Spanje" in het nummer 36 van de revue Bilan (november 1936).
(6) Vignoles is de naam van de straat waar hun voornaamste lokaal zich bevindt.
(7) Elementen of groepen hebben zich echter kunnen losmaken van organisaties die naar het kamp van de bourgeoisie overgelopen waren, zoals bijvoorbeeld de tendens van Munis of die waaruit 'Socialisme ou Barbarie' ontstond, uit de trotskistische '4e Internationale'.
(8) Zie 'Geschiedenis van de arbeidersbeweging: de CNT tegenover oorlog en revolutie (1914-1919)', tweede artikel in een reeks over de geschiedenis van de CNT, in Revue Internationale 129 (Engels/Frans/Spaans).
Volgens ultralinks (trotskisten, operaïsten (1), alternatieven en de meeste anarchisten) is de huidige economische crisis niet zozeer te wijten aan de historische overproductie van het kapitalisme, maar met name aan de neoliberale politiek van de regeringen en haar rechtse economen. De één na de andere ultralinkse organisatie klaagt deze politiek aan als asociaal en onmenselijk:
"Daarna nam de huidige neoliberale fase van het kapitalisme een aanvang (…) Nu lijkt ook die fase vastgelopen”. (Doorbraak, ‘Doorbraak en de crisis’; 06.07.2010)
“Eigenlijk is het onvoorstelbaar: het neoliberalisme is de oorzaak van de grootste economische crisis sinds de jaren dertig. Het is niet alleen de oorzaak van de wereldwijde crisis, het heeft er ook geen antwoord op.” (Offensief: ‘Verkiezingsuitslag: toekomst van conflict!’; 11.06.2010)
“Neoliberalisme versus zelforganisatie: In Miami, (…) is al drie jaar lang een beweging die zich richt op de gevaren van de neoliberale markt.” (Klasse, Marianne: ‘Over wonen, wetten en de winst’; 01.02.2010)
“Ondanks dat er vorig jaar nog stemmen opgingen dat het neoliberalisme met het uitbreken van de crisis haar einde naderde, lijkt het tegendeel waar. Een nieuwe golf van privatiseringen, verdere flexibilisering en afbraak van sociale zekerheden en collectieve verzekeringen staat voor de Europese deur.” (Solidariteit, Lot van Baaren, Paul Benschop: ‘Nederland neemt de kop in 'verzelfstandiging' van staatsbedrijven, Postbodes betalen voor privatisering’; februari 2010)
“Het is schrikbarend om te zien, nu het neoliberalisme hopeloos heeft gefaald, dit niet leidt tot vertraging, maar juist tot een versnelling van de invoer van de neoliberale agenda.” (Redactie Grenzeloos: ‘Socialiseer de winst, niet de schulden!’ 01.06.2010)
We zouden de lijst met citaten gemakkelijk kunnen uitbreiden, zelfs met uitspraken van Marijnissen van de SP en Cohen van de PvdA. Belangrijk is te onderstrepen dat heel links (van extreem tot gematigd links) sinds het begin van de ‘kredietcrisis’ de neoliberale politiek in het verdomhoekje heeft geplaatst. Want, zo wordt ons wijsgemaakt, door de ruimte die de bourgeoisie zich middels het neoliberale beleid heeft kunnen verwerven, heeft het kapitalisme een ongebreidelde vorm aan kunnen nemen. Zo heeft de bourgeoisie, en met name haar financiële fractie, zich via superwinsten, speculatie, bonussen… overmatig kunnen verrijken over de ruggen van de arbeiders en de ‘gewone mensen’. En dat is een manier van doen die ieder fatsoenlijk iemand, bourgeois of arbeider, zonder meer als onverantwoordelijk zou moeten aanklagen.
Ultralinks heeft de mond vol over kapitalisme. Wat bedoelt ze daar echter mee? Het lijkt veel meer op de definitie die de klassieke burgerlijke politieke economen ervan hebben gegeven, dan wat Marx in Het Kapitaal heeft ontwikkeld. De arbeidersklasse, als de belichaming van de loonarbeid, is de ultralinkse optiek veel meer een sociologische categorie dan de revolutionaire doodgraver van het kapitalisme. Terwijl zij toch ook op de hoogte moeten zijn dat “(…) de bourgeoisie niet slechts de wapens heeft gesmeed die haar dood brengen, dat zij ook de mannen heeft voortgebracht die deze wapens zullen hanteren – de moderne arbeiders (…)” (Het Communistisch Manifest).
Niks over een overproductiecrisis, een historische crisis van het kapitalisme, een systeem dat vecht voor zijn laatste overlevingskansen en al een eeuw lang in zijn vervalfase verkeert. De Derde Internationale is daar echter zonder meer duidelijk over: “Feitelijk valt het op zichzelf staande ingrijpen van de staat op economisch terrein samen met het werk van de speculatie en heeft dit een nog grotere chaos in de kapitalistische productie in het tijdperk van verval tengevolge. (…).Tegenover het verval en de chaos van de kapitalistische wereld, die gans de menselijke cultuur dreigt te vernietigen, stelt de Communistische Internationale de verenigde strijd van het internationale proletariaat.” (Leon Trotski: ‘Manifest van de Communistische Internationale’; 1920)
De ‘oplossingen’ van ultralinks
Als ultralinks zo’n analyse van de crisis maakt, welke oplossingen draagt ze dan aan? Als ultralinks een einde wil maken aan het neoliberalisme, hoe wil ze dat doen en wat wil ze ervoor in de plaats stellen? Laten we er maar niet omheen draaien: ultralinks heeft geen eigen oplossing voor de crisis en zoekt in laatste instantie altijd haar toevlucht tot de burgerlijke staat.
In verkiezingstijd roept ultralinks (behalve de anarchisten) steeds weer op om op de SP te stemmen. “De SP is een blijft de enige partij met het potentieel om een brede arbeiderspartij te worden. Het verzet tegen de bezuinigingen in de komende periode is daarvoor de basis.” (Offensief: 'Verkiezingsuitslag: toekomst van conflict!’; 11.06.2010)
Verder hebben ze ook buiten de verkiezingsperiode een heel nauwe relatie met de SP “Zijn we actief in de Socialistische Partij (SP) en komen we op voor een strijdbare, linkse koers , voor een brede partij van activisten die opkomen voor een radicaal andere samenleving en tegen carrièrisme en parlementarisme.” (SAP-bestuur: ‘Wat is de SAP?’; juni 2008).
Als ze verbeteringen proberen binnen te halen via buitenparlementaire actie, dan strooit ze altijd heel gemakkelijk met allerlei mooie leuzen, zoals ‘arbeiderscontrole over de grote multinationals’, ‘nationalisatie van de banken’, ‘arbeiderszelforganisatie’, enzovoort. Maar uiteindelijk komt het altijd toch weer neer op één en hetzelfde: de versterking van de rol van de staat.
“Als alternatief zou er een systeem moeten komen die een einde maakt aan het private bezit van natuurlijke rijkdommen …” (Offensief: ‘Bosbranden in Portugal: Failliet van privé-bezit en neoliberalisme’; 17.08.2010).
“In die laatste optie zou gekozen moeten worden voor schuldherstructurering of het stopzetten van de terugbetaling van de schuld, nationalisatie van de banksector, controle op kapitaalstromen en publieke initiatieven op het vlak van infrastructuur, groene economie enzovoort.” (Grenzeloos, Matthias Lievens: ‘Achtergronden bij de Eurocrisis’; 08-05-2010) (2)
De citaten maken duidelijk dat alles wat ultralinks voorstelt om de gevolgen van de crisis niet openlijk op de arbeiders af te wentelen (‘laat de rijken de crisis betalen’, ‘rekening retour’) niet neerkomt op een aanval op, maar een toevlucht tot de burgerlijke staat. Nooit weet ze iets anders te bedenken dan de invoering van een soort staatskapitalisme, al of niet onder (in)directe controle van de arbeiders, zodat je het ook nog kan betitelen als staatssocialisme, iets wat in wezen hetzelfde is.
Op de keper beschouwt stelt ze niets nieuws voor. Het staatskapitalisme bestaat immers al een eeuw lang. In ieder geval heeft de staat al sinds het begin van de jaren 1930 van de vorige eeuw een steeds grotere controle over de hele nationale economie. Die controle is nog nooit zo groot geweest als in de laatste vijftig jaar, welke politiek er ook werd gevoerd (keynesiaanse, liberale, neo-keynesiaanse, neoliberale…).
Het schijnt dat Doorbraak dit wel begrijpt, want die wijst iedere terugkeer naar een (neo)-keynesiaans model bij voorbaat af. Daarom doet Doorbraak geen voorstellen in die richting en propageert ze meteen een maximumprogramma:
”Nee, Doorbraak streeft naar de opheffing van het kapitalisme, en dat vereist een revolutionaire verandering in de machtsverhoudingen op wereldschaal”. Maar wat die radicale taal uiteindelijk waard is, wordt duidelijk als we haar deelname aan ‘Rekening Retour’ onder de loep nemen. Dan zingt ze opeens een veel gematigder liedje en verontschuldigt ze zich bij voorbaat. Niet alleen hoopt ze daarbij “(…) op de steun en deelname vanuit zoveel mogelijk organisaties, partijen, vakbonden en individuen”, maar ze moet daarbij ook toegeven dat “(…) Rekening Retour vanwege de noodzakelijke breedheid van het platform natuurlijk geen revolutionair programma heeft.” (Inleiding van Doorbraak bij verklaring van ‘Rekening Retour’; augustus 2010)
Toch beweren de hierboven aangehaalde organisaties allemaal op te komen voor de historische belangen van de arbeidersklasse (of van de ‘onderklasse’ dixit Doorbraak; of van de ‘alternatieve’ klasse dixit Grenzeloos). Maar geen enkele van de ultralinkse organisaties neemt ook maar één woord in de mond dat enigszins gaat in de richting van de afschaffing van de loonarbeid en het proletarisch internationalisme, laat staan de vernietiging van de burgerlijke staat. Hieruit kan worden afgeleid dat hun radicale leuzen niet zoveel voorstellen en eigenlijk geen andere functie hebben dan de arbeiders te mobiliseren achter hun holle frasen.
Dixoff / 10.09.2010
Voetnoten
(1) Operaïsten: zie onder meer Weltrevolution nr. 95 (November 2006) waar een verduidelijking gegeven wordt over hun standpunten en hun voornaamste woordvoerder K.H. Roth in Duitsland. Zie hiervoor: www.internationalism.org [19]
(2) Toch moet Grenzeloos daar onmiddellijk bij toegeven: “Het probleem bij deze optie is de vraag hoe de financiële markten hierop zullen reageren, en vooral of hiervoor de krachtsverhoudingen wel bestaan.”
De afgelopen maanden werd het nieuws beheerst door de perikelen rondom de vorming van de nieuwe regering. Uiteindelijk komt er wel een nieuwe regering, of het nu een paars-plus regering, een rechtse minderheidsregering met of zonder gedoogsteun, een centrum-links of een zakenkabinet wordt. Met de huidige stemverhoudingen tussen de verschillende partijen zal het echter nooit een stevige en stabiele regering kunnen worden.
De afgelopen maanden werd het nieuws beheerst door de perikelen rondom de vorming van de nieuwe regering. Uiteindelijk komt er wel een nieuwe regering, of het nu een paars-plus regering, een rechtse minderheidsregering met of zonder gedoogsteun, een centrum-links of een zakenkabinet wordt. Met de huidige stemverhoudingen tussen de verschillende partijen zal het echter nooit een stevige en stabiele regering kunnen worden. En dat komt met name omdat de PVV, een partij waar geen enkele staat op te maken valt, met de verkiezingen van 9 juni jongstleden zo’n groot aantal kiezers heeft kunnen binden. Dat is nou net iets wat de bourgeoisie niet graag heeft gewild.
De bourgeoisie keert haar zwakheden tegen de arbeidersklasse
Laten we ons geen illusies maken. De bourgeoisie in Nederland, die tot de meest ervaren en intelligente bourgeoisieën van West-Europa behoort, zal niet nalaten haar zwakheden op de één of andere manier tegen de arbeidersklasse uit te spelen. Ondanks de grote invloed die de PVV van Wilders nu heeft verworven in de vorming van een nieuw kabinet, doet ze ook niet veel moeite om de invloed van de PVV in het politieke bestel terug te dringen. Als de bourgeoisie dat werkelijk zou willen, dan zou ze Wilders niet zo’n belangrijke rol laten spelen in het hele spel dat nu plaatsvindt. Ze zou er beter zo weinig mogelijk aandacht aan besteden. Maar het tegendeel gebeurt. Geconfronteerd met het gegeven, keert ze het fenomeen meteen tegen de arbeidersklasse door de antiracistische campagnes nogmaals flink op te kloppen.
Maandenlang al worden er campagnes gevoerd om de PVV 'zwart te maken' en niet alleen voor te stellen als rechts-populistisch en racistisch (wat ze beiden is), maar vooral als een gevaar voor de ‘democratie’. Daarbij wordt voortdurend een beroep gedaan op alles en iedereen, inclusief de arbeidersklasse, om waakzaam te zijn en zich samen met de ‘democratie’ (dat wil zeggen de burgerlijke staat) te keren tegen het gevaar dat de PVV zou vormen voor ‘onze burgerlijke vrijheden’. Natuurlijk lopen de ultralinkse organisaties, zoals Offensief en Doorbraak, de bijdehandjes van de SP (overigens net zo populistisch als de PVV) hierbij parmantig voorop. Om ons toch vooral duidelijk te maken dat de PVV echt veel ‘erger’ is dan de SP.
Wat voor regering de bourgeoisie uiteindelijk uit haar hoed tovert, we zullen geconfronteerd worden met dezelfde bezuinigingsmaatregelen van nagenoeg dezelfde omvang. Als voorschot daarop heeft ze midden in de campagne over de kabinetsformatie en net doordat alle aandacht daarop was gevestigd, er een paar brutale maatregelen weten door te drukken. Zo werden midden in de vakantieperiode 14000 arbeiders bij TNT Express ontslagen, werd een akkoord afgesloten tussen de ondernemers en de vakbonden over de verhoging van de AOW-leeftijd en werd een extra bezuiniging van 2 miljard euro op de gezondheidszorg doorgedrukt.
Laten we ons niet teveel meeslepen in de campagne van de bourgeoisie rondom de kabinetsformatie. Of de CDA nu in crisis is of niet, of de PVV de andere partijen nu chanteert of niet, laat de bourgeoisie zelf haar hoofd er maar over breken. Wat de gevolgen voor ons zullen zijn, als er eenmaal wel een nieuwe regering is gevormd, is onderhand wel duidelijk. Het belangrijkste voor ons, arbeiders, is dat we onze aandacht niet laten afleiden van de essentiële zaken: de historische crisis van het kapitalisme, de gevolgen daarvan voor de arbeidersklasse over de hele wereld en de noodzakelijke internationale strijd daartegen.
Crisis en bezuinigingen
Aan het bestaan van een crisis hoeven we niet te twijfelen: voor iedereen is het duidelijk dat er een crisis is en niet zo’n kleintje ook. De bourgeoisie is duidelijk van mening dat harde bezuinigingen nodig zijn. Daar lijkt dus geen ontkomen aan. In de tussentijd heeft de propaganda van de bourgeoisie ons ingeprent dat we er met z’n allen inzitten. “Daar is het merkwaardige effect opgetreden dat de politici en ondernemers, die de crisis veroorzaakt hebben, door een groot deel van de bewoners/kiezers als de redders worden beschouwd.” (Klasse, september 2010) De crisis is niet zozeer veroorzaakt door politici en ondernemers, maar het aangehaalde citaat uit Klasse is wel kenmerkend voor de huidige situatie in Nederland.
De VVD is de partij die beloofde flink het mes te zetten in de staatsfinanciën en de schulden bij de ‘overheid’ drastisch te willen terugbrengen. Door radicaal te bezuinigen, wil ze de indruk wekken dat we over enige jaren het ergste wel weer achter de rug hebben en de situatie genormaliseerd zal zijn. Dat verklaart waarom de VVD zoveel stemmen behaalde tijdens de verkiezingen van 9 juni jongstleden.
In het afgelopen voorjaar werd er alom gesproken over bezuinigingen van rond de 30 miljard euro. De omvang van de bezuinigingen die uiteindelijk worden voorgesteld en waarschijnlijk zullen worden doorgevoerd (rond de 18 miljard euro) blijkt zelfs ‘mee te vallen’. Nu het erop lijkt dat er toch veel minder bezuinigingen zullen worden opgelegd (ook door de VVD) dan eerst was voorgesteld, kunnen we ons de vraag stellen: is dit een bewuste politiek van de bourgeoisie? Ze stelt de situatie eerst heel ernstig voor om later te zeggen dat het allemaal niet zo erg is, waardoor iedereen opgelucht kan ademhalen: “eigenlijk valt het dan allemaal best nog wel mee”? De opluchting die zich dan meester maakt van de bevolking in Nederland, mag dan wellicht een bijkomend voordeel zijn voor de bourgeoisie, maar de werkelijke reden ligt ergens anders.
Op het moment dat de bourgeoisie vond dat er iets moest worden gedaan aan de gevolgen van de ‘kredietcrisis’, ontstonden er allerlei meningsverschillen binnen haar gelederen, die leidden tot heftige discussies. Sommige fracties legden de nadruk op maximale soberheidsmaatregelen, terwijl anderen waarschuwden voor te veel bezuinigingen, omdat die de economie wel eens lam zouden kunnen leggen. “Daarom zeg ik: kijk uit. Wees niet roekeloos. Natuurlijk, de gevolgen van de crisis zullen ons allemaal raken. Wij zullen de tering naar de nering moeten zetten. Dat is onvermijdelijk. Maar wel graag op een verstandige manier. Want de economie is nog steeds erg broos. Als Wouter Bos in 2009 bezuinigd had zoals Mark Rutte wilde, hadden we er nu een leger werklozen bij ter grootte van de stad Utrecht.” (Trouw, Cohen, 25-04-2010)
Uiteindelijk hebben de onderhandelingen tussen de verschillende fracties ertoe geleid dat de bourgeoisie in Nederland, wellicht tandenknarsend, voor een meer voorzichtige benadering heeft gekozen. Liever een ‘gecontroleerde’ inflatie, dan deflatie. Deflatie betekent: verlaging van de prijzen, teruglopen van de productie, minder verkopen, enzovoort. (1) Terwijl een ‘gecontroleerde’ inflatie wel risico’s met zich meebrengt, maar toch nog enige vorm van economische groei mogelijk maakt, kan deflatie uiteindelijk de hele economie verlammen: “(…) de kerninflatie in bijvoorbeeld een land als Duitsland is met 0,3% bijzonder laag. (…) De geldhoeveelheid in de VS en in de Eurozone groeide over de afgelopen twaalf maanden met 1,6%. Inflatie is derhalve voorlopig geen probleem. Een nieuwe, forse economische terugval zou inflatie zomaar in deflatie kunnen doen omslaan." (De Pers, Cor Wijtvliet, ‘Wordt het inflatie of toch deflatie?’, 14-06-2010)
De staat verdedigt het kapitalisme
De economische crisis is veroorzaakt door het mechanisme van het kapitalisme zelf. Het is het resultaat van een permanente situatie van overproductie, waarbij de economie alleen maar op gang kan worden gehouden door steeds meer schulden te maken en toevlucht te nemen tot allerlei vormen van speculatie. De oplossing ligt dan ook niet in een andere politiek of meer staatstoezicht. Denken dat het kapitalisme democratischer, menselijker, groener kan worden gemaakt met behulp van staatsinterventie is niet slechts een illusie, maar een grove leugen om de arbeiders aan de staat te binden.
De burgerlijke staat is immers een orgaan van de heersende klasse en is ontworpen, georganiseerd en in elkaar gezet om de heersende klasse te verdedigen en haar productiesysteem te ondersteunen. De meest democratische staat in de wereld is niet minder een knecht van de bourgeoisie en ook zij zal het kapitalistisch systeem met hart en ziel verdedigen. De interventie van de staat in de economie heeft geen ander doel dan de algemene belangen van de reproductie van het kapitalisme en de kapitalistische klasse overeind te houden. Engels maakt dit heel duidelijk in de Anti-Dühring:
"En ook de moderne staat is op haar beurt slechts de organisatie die de burgerlijke maatschappij zich verschaft, om de algemene uiterlijke voorwaarden van de kapitalistische productiewijze in stand te houden tegen aantasting, zowel door de arbeiders als door de individuele kapitalisten. De moderne staat, onder welke vorm ook, is een in wezen kapitalistisch werktuig, de staat van de kapitalisten, de ideële totaalkapitalist. Hoe meer productiekrachten hij als eigendom overneemt, des te meer wordt hij werkelijk universeel kapitalist, des te meer staatsburgers buit hij uit. De arbeiders blijven loonarbeiders, proletariërs. De kapitaalverhouding wordt niet opgeheven, zij wordt veeleer op de spits gedreven."
Het echte socialisme dat door de marxisten en de revolutionairen in de loop van de geschiedenis van de arbeidersbeweging altijd verdedigd is, heeft niets te maken met de staat. Inderdaad, socialisme is de negatie van de staat. De opbouw van het socialisme vereist de vernietiging van de burgerlijke staat in ieder land van de wereld. De kapitalistische maatschappelijke verhoudingen blijven onmenselijk, onder arbeiderscontrole of niet. De enige oplossing ligt in de vernietiging van de kapitalistische staat, en in het verlengde hiervan: de afschaffing van de loonarbeid.
Terwijl ultralinks tot taak heeft de radicalisering onder de arbeiders om te buigen in de richting van de staat (zie artikel in dit blad), hebben de arbeiders geen andere keuze dan daaruit te breken, hun eigen perspectief te ontwikkelen en een massale strijd te ontwikkelen op eigen proletarisch terrein. De enige manier om de verslechtering van de levens- en werkomstandigheden tegen te gaan is de gelijktijdige ontwikkeling van massale strijd in verschillende landen. Deze strijd heeft de vorm van algemene vergaderingen, gekozen stakingscomités en arbeidersdelegaties die naar andere bedrijven trekken om daar solidariteit te zoeken en de strijd uit te breiden. Volg het voorbeeld van de arbeiders in Polen in 1980 (zie artikel in dit blad), maar dan overal tegelijk!
Of de bourgeoisie in Nederland uiteindelijk nu kiest voor de politiek van deflatie of die van gecontroleerde inflatie. Geen van beiden zullen haar uiteindelijk verlossen van de economische crisis, die als een knellende band om haar nek zit.
Er bestaat geen oplossing voor de crisis binnen het kapitalisme. Het kapitalisme verkeert in een situatie van permanente crisis en is niet in staat om de mensheid nog een fatsoenlijke vorm van leven te verzekeren. Alleen de strijd van de arbeidersklasse, die in staat is het kader van de nationale staat te doorbreken en werkelijk internationale productieverhoudingen weet te ontwikkelen, biedt de mensheid een perspectief n
Dixoff /10.09.2010
Voetnoten
(1) Ongebreidelde bezuinigen kan ‘Japanse toestanden’ tot gevolg hebben. De Japanse mix van forse bezuinigingen, problemen met de banken en een te strikt monetair beleid, waren er de oorzaak van dat Japan in 1997 in een deflatoire omgeving terechtkwam, waar ze nog steeds mee worstelt. De VS maakten in de jaren 1930 van de vorige eeuw dezelfde fout. (zie: Martin Wolf in de Financial Times 08.06.2010).
Op het moment dat ons blad drukken is de sociale toestand in Egypte heel explosief. Miljoenen mensen op straat, die het uitgaansverbod, het staatsregime en de bloedige repressie tarten. Op hetzelfde moment duurt de sociale beweging voort in Tunesië: de vlucht van Ben Ali, de veranderingen in de regering en de beloften van nieuwe verkiezingen, volstaan niet om de diepgaande woede van de bevolking te kalmeren. Ook in Jordanië waren er duizenden betogers die genoeg hadden van de groeiende armoede, terwijl het protest in Algerije doodeenvoudig de kop werd ingedrukt.
Op het moment dat ons blad drukken is de sociale toestand in Egypte heel explosief. Miljoenen mensen op straat, die het uitgaansverbod, het staatsregime en de bloedige repressie tarten. Op hetzelfde moment duurt de sociale beweging voort in Tunesië: de vlucht van Ben Ali, de veranderingen in de regering en de beloften van nieuwe verkiezingen, volstaan niet om de diepgaande woede van de bevolking te kalmeren. Ook in Jordanië waren er duizenden betogers die genoeg hadden van de groeiende armoede, terwijl het protest in Algerije doodeenvoudig de kop werd ingedrukt.
Media en politici van allerlei slag hebben het voortdurend over “het oproer van de Maghreblanden en de Arabische staten”, en richten zo de aandacht op de regionale bijzonderheden, op de “weinig democratische gewoonten” van de nationale leiders, op de ergernis van de bevolking die al 30 jaar dezelfde hoofden aan de macht ziet...
Dat is allemaal waar! Ja, Ben Ali, Moebarak, Rifai en andere Boutiflika's zijn gangsters, echte karikaturen van de dictatuur van de bourgeoisie. Maar eerst en vooral maken deze sociale bewegingen deel uit van de uitgebuiten van alle landen. Deze woedeuitbarstingen die zich vandaag als een olievlek verspreiden, spelen zich af tegen de achtergrond van de economische wereldcrisis die, sinds 2007, heel de mensheid meesleurt in de meest verschrikkelijke ellende.(1)
Na Tunesië, Egypte! Datgene waar alle bourgeoisieën zo beducht voor waren, is begonnen: de besmetting van de Arabische landen, in het bijzonder in Noord-Afrika, door het oproer, zoals dat in Tunesië, is reeds begonnen. Daar worden de verschillende bevolkingen, die bedolven worden onder de ellende en de wanhoop door de harde slagen van de economische wereldcrisis, overgeleverd aan de verschrikking van een bloeddorstige repressie. Tegenover de woede van de uitgebuiten, tonen de regeerders en de leiders wie zij zijn: een klasse van uithongeraars en moordenaars. Het enige antwoord dat zij kunnen geven is de heerschappij van de terreur en de kogels in de huid. Het gaat niet enkel om de paar genoemde 'dictators', de Mubaraks, de Ben Ali's, de Boueflika's, de Salehs in Yemen en consorten. Onze eigen 'democratische' leiders, van links tot rechts, hebben ze voortdurend tot hun 'vrienden', tot hun 'trouwe bondgenoten' gemaakt en waren samen met hen medeplichtig voor dezelfde verdediging van de kapitalistische orde en uitbuiting. Zij hebben zogenaamd geen weet van het feit dat de zo geroemde stabiliteit van die landen, of van het zogenaamde bolwerk die zij vertegenwoordigden tegen de radicale islam, slechts berustte op de instandhouding van een al tientallen jaren bestaand regime, afgegrendeld door politieterreur. Zij wendden hun ogen af van de folteringen, van hun corruptie, van hun geweldplegingen, van het klimaat van terreur en angst waarmee zij over de bevolkingen overheersten. Zij hebben hen altijd volop gesteund in het overeind houden van dit loden gewicht, in naam van de stabiliteit, van de vriendschap en de vrede onder de volkeren, in naam van de niet-inmenging. Zij verdedigden niets anders dan hun smerige nationale imperialistische belangen.
De sociale revolte in Egypte...
Vandaag waren er in Egypte weer tientallen, zo niet honderden doden, duizenden gewonden, tienduizenden arrestaties in een oververhit klimaat. Met de val van Ben Ali in Tunesië, dat de lont in het kruitvat stak, is het slot opengesprongen. Het heeft een onmetelijke hoop doen ontstaan onder de bevolking van het merendeel van de Arabische staten waar, als enig middel om de arbeidersklasse en de uitgebuite lagen te muilkorven, dezelfde terreur heerst. Ook zijn we getuige geweest van talrijke uitingen van wanhoop in de vorm van een golf van pogingen tot zelfverbranding in Algerije, in Marokko, in Mauritanië, in de Westelijke Sahara, in Saoedi-Arabië en tot in Soedan. Dit raakte zowel de jonge werklozen als de arbeiders, die er niet meer in slagen om de noden van hun families te lenigen. In Egypte, worden dezelfde eisen gescandeerd als in Tunesië: “Brood! Vrijheid! Waardigheid! Meer menselijkheid!”, tegenover dezelfde kwalen die elders de wereld teisteren en die worden veroorzaakt door de economische wereldcrisis waarin het kapitalisme ons allemaal heeft gestort: de werkloosheid (die meer dan 20% van de Egyptische bevolking raakt), de precariteit (4 op 10 Egyptenaren leven onder de armoedegrens en de beruchte 'voddenrapers van Caïro' zijn in heel de wereld bekend vanwege de reportages), de prijsstijgingen van de basisproducten en de toenemende ellende. De leuze “Moebarak rot op” werd rechtstreeks overgenomen van het model van de Tunesische bevolking, die het vertrek eiste van Ben Ali, en wordt gericht tegen diegene die al dertig jaar het land met een ijzeren hand regeert. De betogers in Caïro riepen;
“Dit is onze regering niet, dit zijn onze vijanden”. Een Egyptische journalist verklaarde tegen een correspondent van Le Figaro: “Geen enkele politieke beweging kan deze betogingen opeisen. Het is de straat die zich uitdrukt. De mensen hebben niets meer te verliezen. Het kan zo niet verder”. Eén zin ligt op ieders lippen: “Vandaag hebben wij geen angst meer”.
In april 2008 waren de loontrekkers van een textielfabriek van Mahallah el-Koubra ten noorden van Caïro in staking gegaan om betere lonen en arbeidsomstandigheden te eisen. Om de arbeiders te steunen en op te roepen tot een algemene staking, hadden een groep jongeren zich al georganiseerd via Facebook en Twitter. Honderden betogers werden toen aangehouden. Deze keer, en in tegenstelling tot Tunesië, heeft de Egyptische regering op voorhand de toegang tot Internet afgesloten.
Dinsdag 25 januari werd uitgeroepen tot 'nationale dag van de politie'. Tienduizenden betogers kwamen op straat in Caïro, Alexandrië, Tanta, Suez , waar zij in botsing kwamen met de politie. Vier dagen van dagelijkse botsingen volgden elkaar op waarbij het geweld van de repressie de woede alleen nog versterkte: dag en nacht gebruikte de oproerpolitie volop traangas, schoot met rubberkogels of met echte. De woedeuitbarsting broedde al weken. De repressie is er altijd en overal: botsingen in Caïro, in Suez, in Alexandrië, in de Sinaï. Reeds tientallen doden een honderdtal gewonden, duizenden aangehouden tijdens de eerste dagen. Het leger dat 500.000 manschappen telt, overbewapend is en zeer getraind, vervult een centrale rol van krachtige steunpilaar van het regime, in tegenstelling tot Tunesië. Het gezag beschikt ook over handlangers die bewapend zijn met stokken en gespecialiseerd in het uiteen ranselen van betogingen, de beltageyas, evenals talloze agenten in burger van de staatsveiligheid die zich mengen onder de betogers en bewapend zijn met metalen kettingen, smerissen die samenscholingen controleren en de metrouitgangen bewaken in de hoofdstad. De 28ste, een verlofdag, stromen rond de middag, wanneer de moskeeën sluiten, ondanks het samenscholingsverbod, de betogers van alle kanten toe en komen zij in verschillende wijken van de hoofdstad in botsing met de politie. Het zal de 'dag van de woede' worden. Op de vooravond had de regering alle internet-sites al geblokkeerd, net als alle draagbare telefoons en had alle telefoongesprekken afgesneden. Het land staat in brand. 's Avonds worden de betogers steeds talrijker, zij dagen de avondklok uit die was uitgevaardigd in Caïro, in Alexandrië en in Suez. Politievrachtwagens met waterkanonnen rijden in op de menigte, die vooral bestond uit jongeren. In Caïro worden de tanks en troepen eerst als bevrijdende helden door de betogers verwelkomd. Er zijn enkele pogingen tot verbroedering met het leger, die volop media-aandacht krijgen. Deze lopen hier en daar uit op een verhindering dat een konvooi van pantserwagens verbinding krijgt met de ordestrijdkrachten. Ook zijn er een paar politieagenten die hun armstukken afgooien en overlopen naar het kamp van de betogers. Maar heel vlug openen op andere plaatsen daarentegen de pantserwagens het vuur op de betogers die hen zijn tegemoet gelopen of maaien hen weg. Het hoofd van de Egyptische generale staf Sami Anan, die een militaire afvaardiging naar de Verenigde Staten leidde voor een onderhoud met het Pentagon, kwam hals over kop terug naar Egypte op vrijdag. Politiewagens, commissariaten evenals de zetel van de regeringspartij worden in de fik gestoken. Het Ministerie van Informatie wordt geplunderd. De gewonden stapelen zich op in de overbelaste ziekenhuizen. In Alexandrië wordt het gouverneursgebouw ook in brand gestoken. Ook in Mansoura, in de Nijldelta, hebben er gewelddadige botsingen plaats, die verschillende doden tot gevolg hebben. Enkele belegeraars proberen ook zich meester te maken van de zetel van de staatstelevisie, waar zij door het leger uitworden verdreven.
Tegen 23 uur 20 verscheen Moebarak voor de televisie en nam het woord om een wijziging aan te kondigen dat hij zijn regeringsploeg de volgende dag zou wijzigen en deed hij de belofte politieke hervormingen te beginnen evenals nieuwe maatregelen ten gunste van de democratie. Maar hij onderstreepte zijn vastberadenheid “om de veiligheid en stabiliteit van Egypte te verzekeren” tegen de “pogingen haar te ondermijnen”. Deze uitlatingen deden de woede nog meer oplaaien en versterkten de vastbeslotenheid van de betogers om door te gaan.
... dringt het imperialistisch spel binnen…
Maar als Tunesië een model was voor de betogers, is de inzet van deze situatie voor de bourgeoisie niet meer dezelfde. Tunesië blijft een land van bescheiden omvang dat van belangrijk imperialistisch belang zou kunnen zijn voor een 'bevriend' tweederangs land zoals Frankrijk (2). Maar dat ligt heel wat anders met Egypte, dat veruit het meest bevolkte land is van de regio (meer dan 80 miljoen inwoners) en dat een centrale strategische en fundamentele plaats inneemt in het Midden-Oosten, vooral voor de Amerikaanse bourgeoisie. Hier staat heel wat meer op het spel. De val van het regime van Moebarak zou een regionale chaos kunnen uitlokken, met ernstige gevolgen. Het Egypte van Moebarak is de voornaamste bondgenoot van de Verenigde Staten in het conflict van het Midden-Oosten, om de bescherming te verzekeren van de Israëlische staat. Het speelt ook een overheersende en zo niet een sleutelrol in de Israëlisch-Palestijnse betrekkingen en zelfs tussen de Palestijnen onderling, tussen de Fatah van Mahmoud Abbas en de Islamisten van Hamas. Deze staat werd tot voor kort beschouwd als een factor van stabiliteit in het Nabije-Oosten. Bovendien vereist de politieke ontwikkeling in Soedan, waarbij het Zuiden van het land zich heeft afgescheiden, noodzakelijkerwijze een sterk Egypte. Het is dus al 40 jaar een meesterstuk van de Amerikaanse strategie in het Israëlo-Arabisch conflict. De destabilisering ervan zou het gevaar met zich meebrengen van de val van de regimes in talrijke buurlanden, in het bijzonder Jordanië, Libië, Jemen en Syrië. Dat verklaart de verontrusting van de Verenigde Staten die zich, door hun nauwe banden met het regime, in een hele ongemakkelijke positie bevinden. Obama en de Amerikaanse diplomatie zien zich verplicht om zich te mobliseren en het voortouw te nemen in de opvoering van de directe druk op Moebarak, in een poging de stabiliteit van het land te bewaren en vooral het regime te redden. Daarom heeft Obama openlijk verklaard dat hij, op aansporing van Moebarak, een onderhoud van een half uur met hem heeft gehad, waarin hij erop aandrong dat deze meer zou toegeven.
Voordien had Hillary Clinton verklaard dat de “ordestrijdkrachten moesten worden opgeroepen tot meer terughoudendheid” en dat de regering heel snel weer de communicatienetwerken in werking moest stellen. De volgende dag werd Omar Souleiman, de baas van de machtige militaire inlichtingendienst, die bovendien belast is met de onderhandelingen met Israël in het Midden-Oosten, waarschijnlijk onder Amerikaanse druk, opgedrongen werd als vice-president. Het was trouwens het leger dat profiteerde van zijn populariteit bij de betogers omdat het zich op de achtergrond had gehouden en op verschillende plaatsen had bemiddeld met de betogers om met succes een groot deel van de menigte, die samengeperst zat in het stadscentrum en de avondklok negeerde, te helpen 'naar huis terug te keren' om 'zich te beschermen tegen de dievenbendes'.
... net zoals in de andere Arabische landen...
Andere manifestaties van oproer vonden tegelijkertijd plaats in Algerije, Jemen, Jordanië. In dit laatste land verzamelden zich voor de derde keer binnen drie weken 4.000 betogers in Amman om te protesteren tegen het dure leven en om economische en politieke hervormingen te eisen, namelijk het vertrek van de Eerste Minister. De bewindvoerders hebben enkele gebaren gemaakt met kleine economische maatregelen en enkele politieke raadplegingen. Maar de betogingen hebben zich uitgebreid naar de steden Irbid en Kerak. De repressie heeft in Algrije al 5 doden en 800 gewonden veroorzaakt en op 22 januari werd er in het centrum van Algiers een betoging hard onderdrukt. Ook in Tunesië heeft de val van Ben Ali noch de woede noch de repressie afgeremd: in de gevangenissen zouden de standrechtelijke executies sinds het vertrek van Ben Ali meer doden hebben veroorzaakt dan de botsingen met de politie ervoor. De 'bevrijdingskaravaan', die vanuit het westen van het land kwam en waar de beweging gestart was, negeerde de avondklok en kampeerde verschillende dagen voor het paleis, de plaats was van de regering, om het ontslag te eisen van een regime dat gedomineerd werd door oudgediende partijbonzen en haar fanatieke volgelingen. De woede duurt voort want het zijn dezelfde mannen uit de tijd van Ben Ali, die de teugels van het land in handen houden. De verandering van de regeringsploeg, die meerdere malen werd uitgesteld en die op 27 januari uiteindelijk plaatsvond, zette de meest gecompromitteerde ministers van het oude regime aan de kant, maar handhaafde dezelfde Eerste Minister, en slaagde er daardoor niet in om de gemoederen te bedaren. De wrede repressie van de politie gaat door en de toestand blijft verward.
Deze massale en spontane uitbarstingen van oproer tonen aan dat de bevolkingen er genoeg van hebben. Zij willen een einde maken aan de ellende en de repressie van deze regimes. Maar zij tonen ook het gewicht aan van de democratische illusies en van het vergif van het nationalisme: in de verschillende betogingen word er trots gezwaaid met de nationale vlaggen. Zowel in Egypte als in Tunesië werd de woede van de uitgebuiten onmiddellijk afgeleid naar het terrein van de strijd voor meer democratie. De haat van de bevolking tegen het regime en totale fixatie op Moebarak (zoals in Tunesië op Ben Ali), heeft het mogelijk gemaakt dat enkele economische eisen tegen de ellende en de werkloosheid door de burgerlijke media op de achtergrond zijn geschoven. Dat stelt natuurlijk de bourgeoisie van de 'democratische' landen in staat om de arbeidersklasse, en voornamelijk die van de centrale landen, te laten geloven dat deze 'volksopstanden' niet dezelfde fundamentele oorzaken hebben als de arbeidersstrijd, die zich hier ontwikkelt.
Naar de ontwikkeling van klassegevechten
Het steeds sterker op voorgrond dringen van een zeer grote sociale woede, die veroorzaakt wordt door de verergering van de wereldwijde crisis van het kapitalisme in de perifere landen, die tot nu toe de voortdurende en exclusieve haard vormden van de imperialistische spanningen en de diverse oorlogen, vormt een nieuwe politieke factor waarmee de wereldbourgeosie steeds meer rekening mee zal moeten houden. De opkomst van deze rebellie tegen de corruptie van de leiders, die hun zakken vullen terwijl de grote meerderheid van de bevolking honger lijdt, kan op zichzelf niet opgelost worden in deze landen. Maar deze bewegingen zijn een teken van de voorbode van de rijping van toekomstige sociale conflicten die zeker gaan opduiken in de meer geïndustrialiseerde landen tegenover dezelfde kwalen: de daling van de levensomstandigheden, de groeiende ellende, de jongerenwerkloosheid.
Het is trouwens dezelfde revolte tegen een bankroet systeem die broedt onder de jongeren in Europa, zoals wij hebben kunnen zien bij de strijd van de studenten met name in Frankrijk, in Groot-Brittannië, in Italië. Het laatste voorbeeld: op 21 januari kwamen er 20.000 studenten en leerkrachten bijeen in de straten van Den Haag voor de zetel van het parlement en het Ministerie van Onderwijs. Zij protesteerden tegen de sterke stijging van de inschrijvingsgelden aan de universiteit, die in de eerste plaats gericht is tegen 'zittenblijvers' (wat dikwijls het geval is voor vele werkstudenten die verplicht zijn om te werken om hun studies te kunnen betalen), die 3.000 euros per jaar extra zullen moeten betalen, terwijl de volgende besnoeiingen in de begroting 7.000 arbeidsplaatsen ‘moeten schrappen in de sector. Het was een van de belangrijkste studentenbetogingen in het land van de afgelopen 20 jaar. Zij werden gewelddadig en wreed tegemoet getreden door de politie.
Deze sociale bewegingen zijn een symptoom van een belangrijke vooruitgang in de internationale ontwikkeling van de klassenstrijd in alle landen, zelfs al verschijnt de arbeidersklasse er niet als zodanig, als zelfstandige kracht. In de Arabische landen blijft zij verdronken in een beweging van volksprotest. Overal ter wereld gaapt een steeds grotere kloof tussen enerzijds een heersende klasse, de bourgeoisie, die met een laatdunkendheid en arrogantie op een steeds meer buitensporige manier haar rijkdommen uitstalt en anderzijds de massa van de uitgebuiten die steeds meer wegzinken in ellende en ontbering. Deze kloof neigt ertoe om de proletariërs van alle landen dichter bij elkaar te brengen en zich te verenigen in één en dezelfde strijd tegen het kapitalisme, wanneer de bourgeoisie niet anders kan antwoorden op de verontwaardiging van diegenen die zij uitbuit, dan met nieuwe bezuinigingsmaatregelen en met de wapenstok of kogels.
De revoltes en de sociale strijd zullen in de komende jaren onvermijdelijk verschillende vormen aannemen, al naargelang de regio in de wereld, waar ze zich voordoen. De krachten en de zwakheden van de sociale bewegingen zijn niet overal gelijk. Hier zijn de woede, de strijdbaarheid en de moed voorbeeldig. Daar maken de methoden en de massaliteit van de strijd het mogelijk om andere perspectieven te openen en een krachtsverhouding op te bouwen ten gunste van de arbeidersklasse, de enige klasse van de maatschappij die in staat is om een perspectief te bieden aan de mensheid. Hier zijn het in het bijzonder de concentratie en de ervaring van het proletariaat, gemobiliseerd in haar strijd in de landen, gelegen in het centrum van het kapitalisme, die doorslaggevend zullen zijn. Zonder de massale mobilisering van de proletariërs van de centrale landen, zijn de sociale revoltes in de periferie van het kapitalisme uiteindelijk veroordeeld tot machteloosheid en zullen zij niet bij machte zijn om het juk van deze of gene fractie van de heersende klasse van zich af te werpen. Alleen de internationale strijd van de arbeidersklasse, haar solidariteit, haar eenheid, haar organisatie en haar bewustzijn over de inzet van de strijd, zullen in hun kielzog alle lagen van de maatschappij kunnen meeslepen om een einde te maken aan dit wegkwijnend systeem en een andere wereld op te bouwen.
W/29 / 01.2011
Voetnoten
(1) Hier moeten wij voorzichtig zijn in verband met de omvang van de internationale black-out van de toestand in Algerije. Het schijnt dat er bijvoorbeeld nog strijdhaarden zijn in Kabylië.
(2) Frankrijk dat, na zijn steun aan Ben Ali, zijn mea culpa had uitgesproken, omdat het de toestand had onderschat en een autocraat had gedekt, hoedt zich er voor om zich nogmaals belachelijk te maken door Moebarak te betreuren en past er wel voor op hem op te roepen te vertrekken.
De Q-koorts is een verschijnsel, dat de bevolking in Nederland al enige tijd in haar greep houdt. Er bestaat een algemene ongerustheid, die ieders aandacht trekt: van televisie tot kranten, van wetenschappers tot boerenbelangenorganisaties, van de van politieke rechter- tot linkerfracties van de bourgeoisie. De reeks van reacties in de media is te lang om op te noemen. Het eerste bericht over de Q-koorts verscheen in juni 2007 in het Brabants Dagblad. Enkele maanden later berichtten ook landelijke media zoals de NRC en de NOS over de uitbraak. De Q-koorts is een verschijnsel, dat de bevolking in Nederland al enige tijd in haar greep houdt. Er bestaat een algemene ongerustheid, die ieders aandacht trekt: van televisie tot kranten, van wetenschappers tot boerenbelangenorganisaties, van de van politieke rechter- tot linkerfracties van de bourgeoisie.
De reeks van reacties in de media is te lang om op te noemen. Het eerste bericht over de Q-koorts verscheen in juni 2007 in het Brabants Dagblad. Enkele maanden later berichtten ook landelijke media zoals de NRC en de NOS over de uitbraak. Het zou echter nog tot eind 2009 duren voordat de ernst van de problemen tot het grote publiek doordrong. Een tv-uitzending van Zembla van 6 december 2009 vormde het keerpunt. “De week na de Zembla-uitzending was het opeens dikke paniek in politiek Den Haag”, aldus Van den Bosch, medewerker van de VPRO. In haar lentenummer van 2010 heeft ook Buiten de Orde, de publicatie van De Vrije Bond, er ruimte voor vrijgemaakt. Uiteindelijk ontstond er zelfs ongerustheid bij de kinderboerderijen: “De Coxiella burnetii, oftewel, de inmiddels beroemde of beruchte veroorzaker van Q-koorts houdt de gemoederen flink bezig”. (‘Kinderboerderijen en Q-koorts: Op naar 2011’; 1-12-2010)
Het gevaar van de Q-koorts werd nog het duidelijkst verwoord door Dorien Pessers, op het Symposium Brabant Buitengewoon van 9 september 2009: de ziekte “kan bovendien chronisch worden en onder meer tot ontstoken hartkleppen leiden. (….) De bacterie die Q-koorts veroorzaakt is zo hardnekkig dat het door Amerikaanse deskundigen als een middel voor biologische/bacteriële oorlogsvoering of terreur wordt beschouwd”. Het gevaar van de Q-koorts werd nog eens bevestigd in het ‘Eindrapport van de Evaluatiecommissie Q-koorts’, dat 22 november 2010 in Den Haag werd gepresenteerd, “De uitbraak van Q-koorts, die van geiten en schapen op mensen wordt overgebracht, begon in 2006 (…) en liep op tot meer dan tweeduizend ziektegevallen in 2009. De uitbraak was daarmee de grootste ooit ter wereld.” Nu de ziekte al 17 mensen het leven heeft gekost, verwijt dezelfde Evaluatiecommissie de ‘overheid’te laat te hebben ingegrepen.
Van regeringswege heeft men de ernst van de situatie niet zozeer onderschat als wel geprobeerd te bagatelliseren. Men wilde niet onnodig voedsel geven aan de groeiende ongerustheid onder de bevolking. Zogenaamd had “de Minister (Verburg) destijds te maken met een grote kennislacune rondom de verspreiding van Q-koorts. Om geen paniek te veroorzaken, was ze terughoudend met de berichtgeving”. (Trouw, 12-12-2009). Maar na meer dan een jaar van toenemende ongerustheid werd op de aanpak van de Q-koorts 12 januari, op basis van het ‘Rapport van de Evaluatiecommissie Q-koorts’, dan eindelijk toch in De Tweede Kamer besproken.
Toch is de bezorgdheid er daarna niet minder op geworden. En niet omdat het vertrouwen in de overheid om de kwestie tot een goed einde te brengen nu plotseling drastisch is afgenomen, maar omdat de realiteit steeds meer in schril contrast komt te staan met de verklaringen, die door de officiële instanties, natuurlijk onderbouwd met ‘bewijzen’van de haar ten dienste staande wetenschappers, worden afgelegd.
Vandaar dat collega’s van de hierboven genoemde wetenschappers zich vorige jaar al geroepen voelden een ander geluid te laten horen. Oprecht betrokken bij maatschappelijke problemen besloten ze openlijk een standpunt ingenomen in een debat, dat de laatste jaren aan intensiteit heeft toegenomen door een groeiend besef van bedreiging voor de volksgezondheid. Eind april 2010 schreven een honderdtal hoogleraren dat we "in de afgelopen jaren zijn geconfronteerd met Q-koorts, vee-gerelateerde MRSA, ESBL, dreiging van een H5N1-pandemie, en zijn de effecten van de veeindustrie op de uitstoot van broeikasgassen nog duidelijker geworden.” (…) “De intensieve veehouderij moet worden gesaneerd en omgevormd tot een dier-, mens- en milieuvriendelijk systeem dat tegemoetkomt aan de natuur en behoeftes van alle levende wezens”. (NRC 28-04-2010)
Dit laatste is wel leuk bedacht en komt zo ongeveer overeen met wat heel links en de groenen propageren. Maar of dit werkelijk mogelijk is en de oplossing dichterbij brengt, is de vraag. Want intensieve veehouderij is daarvoor teveel verankerd in de industriële productie voor de winst, een fenomeen dat heel het kapitalistisch systeem doortrekt. Want “landbouw gewoon een andere kapitalistische industrie. In reactie op de crisis van de overproduktie moet het de kosten drukken, en goedkoper verkopen.” (….) En “mensen, dieren, vissen, bomen, planten, mineralen, water, lucht; niets van dit alles telt dan nog.” (WorldRevolution, British agriculture, a history of decline, juli 2001).
De noodzaak en de gevolgen van de industrialisering van de veehouderij
De economische heropbouw na de Tweede Wereldoorlog, met de toename van de welvaart in het Westen, deed een steeds grotere vraag naar landbouwprodukten ontstaan. En om voldoende voedsel voor de eigen markt te produceren en haar concurrentiekracht te behouden ten opzichte van de omringende landen van West-Europa, was de landbouw in Nederland genoodzaakt meer en goedkoper te produceren. Het gemengd bedrijf voldeed bij lange na niet meer aan deze behoefte. Zo schakelden de boeren in groten getale over naar zowel grotere gemechaniseerde landbouw- als veeteeltbedrijven. Vooral de jaren 1960 kenmerkten zich (na de ratificatie van het Plan-Mansholt, in 1965) door een drastische herstructurering (ruilverkaveling) in de landbouw. De produktie nam met sprongen toe en de Nederlandse landbouw en veeteelt ging zelfs voor de wereldmarkt produceren.
Daar werd ze niet alleen geconfronteerd met bedrijven in Europa, maar vooral met een hevige concurrentie uit Amerika, met de VS voorop, waar men in de Tweede Wereldoorlog al was begonnen met het opzetten van megastallen. Langzamerhand bleek een totale omslag ook voor Nederland een bittere noodzaak. Alleen op een vernieuwd, grootschalig bedrijf, gebaseerd op een totaal andere grondslag, kon nog voldoende inkomen verworven worden. Hierdoor nam het aantal boeren en tuinders drastisch af. Ten eerste konden zich op hetzelfde landbouwareaal minder bedrijven vestigen van grote omvang en ten tweede gingen de bedrijven, die de groei niet konden bijhouden, ten onder aan de moordende concurrentie. Tegelijkertijd ontstond er door de schaalvergroting en mechanisatie inmiddels ook een overproduktie aan melkprodukten (een zogeheten boterberg) en was het voor vele boeren niet meer lonend om op die weg door te gaan.
Met de toename van de welvaart ontstond er ook een grotere behoefte aan vleesprodukten. In een groot deel van de westerse landen werd het eten van vlees door de mensen van een luxe een gewoonte. Dit deed ook een steeds grotere vraag ontstaan naar dierlijke eiwitten. Vanaf de jaren ‘70 schakelden steeds meer bedrijven in Nederland daarom over op intensieve veehouderijen, vooral gericht op varkens, kippen, kalveren. De werkgelegenheid in de landbouw daalde door die intensivering naar 3,5% van de beroepsbevolking. En op dit moment zijn er nog maar krap 100.000 boeren. En die tendens tot concentratie kan zich niet anders dan onverminderd doorzetten: zo is het aantal megastallen in Nederland tussen 2005 en 2010 nog eens verdubbeld. Deze concentratie bracht echter niet alleen een toename van de export met zich mee, maar vereiste ook een toename van de import van grondstoffen. Zo werd de veehouderij nog meer afhankelijk van de situatie op de wereldmarkt.
In de afgelopen jaren kwam de internationale concurrentie op het vlak van de vleeshouderij niet alleen meer van bovengenoemde landen. Deze kwam ook steeds meer uit de Zuid-Oost-Aziatische hoek: vooral in een land als China (dat de meeste mestvarkens en kippen ter wereld heeft), waar de lonen 6x zo laag liggen als in Nederland, en waarmee de concurrentie zo moordend is, dat deze tak van veehouderij hier alleen uitgeoefend kan worden als hij super-intensief en grootschalig is, en zwaar gesubsidieerd wordt.
Op dit moment is het gemiddelde veeteeltbedrijf qua eigen vermogen miljonair. De prijzen voor gras- en bouwland zijn de laatste 10 jaar verdubbeld. Maar toch zijn 70% van de landbouwbedrijven noodlijdend.
Zonder een direct toegekende vorm van een staatssteun van jaarlijks bijna een miljard euro, kan deze landbouwsector niet overleven. En dan hebben we het nog niet eens over de “grote maatschappelijke kosten in de vorm van natuur- en milieuschade. Deze kosten worden niet doorberekend in de prijs van vlees en zuivel; ze worden deels via de algemene middelen in rekening gebracht bij alle burgers en voor een groter deel doorgeschoven naar toekomstige generaties...” (100 Hoogleraren in NRC 28-04-2010)
Ondanks alle directe en indirecte steun van de overheid is die moordende concurrentie op wereldschaal er toch de oorzaak van dat de intensieve veeteelt, net als in vele andere westerse landen, niet alleen grote schade toebrengt aan de ekonomie, maar ook op een zodanig onverantwoorde en ongezonde manier uitgeoefend wordt, dat er ook groot gevaar ontstaat voor mens en dier:
Het gevolg is een reeks aan ziekten, waarbij de Q-koorts de laatste is in een lange rij, die de veehouderij in de afgelopen tien jaar in Nederland heeft geteisterd. Het is niet toevallig dat Nederland in de afgelopen 10 jaar door zoveel dierziekten werd getroffen: “Nederland is het meest veedichte land ter wereld (in ieder geval voor varkens, kippen en kalveren) en het tweede exportland ter wereld van dierlijke eiwitten”, aldus dezelfde hoogleraren in de NRC 28-04-2010.
Noodzaak van de opvoering van de productiviteit door de crisis van het kapitalisme
De kapitalistische logica van de moordende concurrentie dwingt de veehouderij al jaren om niet alleen de kosten voor het veevoer steeds meer drukken, maar er ook steeds meer extra preparaten aan toe te voegen. Nadat in de vorige eeuw vooral hormoonpreparaten (anabolen, clenbuterol testosteron, insuline, enzovoort) aan het veevoer werd toegevoegd, zijn het de laatste 10 jaar vooral de antibiotica in zwang geraakt.
‘Krachtvoer’, vermengd met antibiotica, verkleint niet alleen de kans op het uitbreken van ziektes tussen de opeengepakte dieren. Daarnaast versnelt het de groei van de dieren. De hoeveelheid antibiotica vermengd in het veevoer is momenteel immens: een kwart miljoen kilo per jaar. (in 2005). Bij de vleesvarkens steeg het antibioticagebruik in 2005 het meest (met 10,1 procent) ten opzichte van 2004. Ook de zeugen kregen 6,3 procent meer antibiotica. Het antibioticagebruik bij deze dieren stijgt naarmate het aantal grootgebrachte biggen per dier stijgt. Vleeskuikens kregen in 2005 3,7 procent meer antibiotica. Geschat wordt dat er op dit moment in de Nederlandse veesector jaarlijks 400.000 kilogram antibiotica wordt gebruikt. Dat is extreem veel. Een land als Denemarken verbruikt naar schatting vier maal minder.
Met deze stijging neemt het gevaar van de resistente MRSA-bacterie in de ingewanden van het dier toe. Er wordt nu al vanuit gegaan dat er aan het eind van 2010 geen enkel varkensbedrijf in Nederland zal bestaan dat niet besmet zal zijn met het MRSA-bacterie. Tussen allerlei soorten bacteriën wordt deze resistentie uitgewisseld. Uitwisseling vindt ook plaats tussen dier en mens. Nu de varkensstallen er vol mee zitten, dreigen boeren en hun families ook te worden besmet. “Een derde van de varkens- en kalvenhouders is zelf besmet met het MRSA-bacterie”, aldus dezelfde Dorien Pessers op Syposium Brabant Buitengewoon, 9 september 2009. Ook artsen vrezen dat deze varkenshouders de bacterie zullen verspreiden onder de hele Nederlandse bevolking.
Normaal gesproken vormt deze bacterie geen gevaar, maar wanneer de mens verzwakt is (bijvoorbeeld door een operatie) dan zal het toedienen van antibiotica in het ziekenhuis tot gevolg hebben dat de resistente bacterie in het zieke en kwetsbare lichaam ongestoord groeit. Omdat het aantal soorten bacteriën, dat resistent is, toeneemt, vermindert het aantal soorten nog werkzame antibiotica en nadert dit aantal de nul. Op die manier wordt het uiterst moeilijk deze uiterst besmettelijke bacteriën te bestrijden en worden ze levensbedreigend voor mensen, omdat bestaande antibiotica niet meer helpen. De kans is levensgroot dat de patiënten vervolgens overlijden.
Het gebruik van antibiotica is een van de grootste bijkomende gevaren die de intensieve veeteelt op dit moment voor dier en mens met zich meebrengt. De epidemieën die de afgelopen tien jaar in ons land hebben voorgedaan, zijn, zo mag duidelijk zijn, “mede veroorzaakt door het feit dat wegens de overmatige hoeveelheid antibiotica die preventief wordt toegediend, de resistentie van de dieren tegen ziektes sterk afneemt”, aldus dezelfde hoogleraren (NRC 28-04-2010).
Daadwerkelijke problemen vereisen reële oplossingen
De ‘groenen’zijn het er in het algemeen over eens dat al deze misstanden in de intensieve veehouderij het gevolg zijn van een op winststreven gericht systeem. Maar wat stellen ze daar dan voor uitweg tegenover? De ‘groenen’hebben geen eenduidige oplossing voor de misstanden in de dierenindustrie. De invalshoek van de meer ‘radicale’groenen variëren van de door het anarchisme geïnspireerde ’individuele daad’ om het eten van aan dieren gerelateerd voedsel systematisch te weigeren (veganisme) tot aan de ‘directe actie’ van groepen als het Dierenbevrijdingsfront, waarbij ‘alle hokken (zoals grenzen bij vluchtelingen) van gefokte dieren opengezet worden’. Daarnaast probeert de meer respectabele vleugel van de groenen mensen te bewegen om vastgeroeste ideeën over onethisch diergebruik los te laten. Zo gaat de keuze van Greenpeace, volgens hun artikel Duurzame landbouw, uit naar producten uit de biologische gezins- en boerenlandbouw.
“Duurzame landbouw is immers een echt veelbelovend alternatief dat de mogelijkheid biedt om de hele planeet te voeden zonder een bedreiging te vormen voor het milieu.” Animal Freedom op haar beurt, tracht voor wat betreft “de intensieve veehouderij een radicaal doel (afschaffen) na te streven”. (…) Volgens deze organisatie “is de meeste effectieve manier om een rechtvaardige en duurzame landbouw op te zetten de export van vlees en zuivel af te schaffen (…) Zouden we in Nederland de eis stellen dat de bedrijfsvoering in de veehouderij beperkt blijft tot de landelijke markt …. dan pas is een duurzame oplossing voor de problemen in zicht”. (Radicaal zijn of compromissen sluiten, een prisoners dilemma?)
Maar zowel bovengenoemde daden als voorstellen zetten geen zoden aan de dijk omdat ze zich beperken tot het bestrijden en tegengaan van de uitwassen het kapitalistisch systeem, en op geen enkele manier raken aan de grondslag aan de kapitalistische verhoudingen: de jacht op winst en de permanente uitbreiding van de produktie. Ook al droomt de ‘groene anarchistische’en ‘meest primitivistische’vleugel van een terugkeer naar het verleden, die zijn meest logische uitdrukking vindt in de ultieme oplossing van de ‘terugkeer naar de natuur’, het enige gevolg van hun wens om de bestaansmiddelen voort te brengen met de meest primitieve werktuigen is dat er meer mensen van de honger om zullen komen dan nu onder het kapitalisme.
De andere meer ‘verantwoordelijke’ vleugel van de groenen moet op haar beurt toegeven dat kleinschalige hervormingen en haar streven naar louter gedeeltelijke oplossingen, ook in het geval van de intensieve veehouderij …. “een enorme reductie van de productie zou zijn”. (Animal Freedom, ‘Wat zou ideaal zijn voor het lot van dieren in de veeteelt in Nederland?’). Op de website van ‘Kritische Massa’ schrijft Nora Scheer (‘De overheid moet het gebruik van biologische producten stimuleren’): “Biologische landbouwmethoden hebben inderdaad een duidelijk lagere opbrengst dan de intensieve landbouw. Dat betekent dat de producten duurder zijn …”.
De tegenmacht die ze willen zijn, of die nu parlementair of buitenparlementair opereert, is niet in staat om de toenemende wantoestanden in de intensieve veehouderij, als bijzondere uitdrukking van crisis van het kapitalisme, werkelijk een halt toe te roepen. Een maatschappij scheppen waar de mensheid opnieuw controle krijgt over haar eigen productieve activiteit en een omgeving creëren die beantwoord aan haar behoeften, blijft voor hen een niet te verwezenlijken droom.
Alleen de arbeidersklasse kan de voorwaarden scheppen welke de boerenklasse kan losmaken uit de kapitalistische logica, uit de niet te onstuitbare dynamiek van "Accumulatie om de accumulatie, productie om de productie …”, zoals Marx het in Het Kapitaal verwoordde. Alleen de proletarische klasse heeft de bekwaamheid de logica van het onbegrensde cynisme van het kapitaal, dat op steeds groter schaal genoodzaakt is tot de vernietiging van de natuur, inclusief de menselijke, aan de kaak te stellen. Het is de arbeidersklasse, die als enige de grondslag kan leggen en de voor een maatschappij te scheppen waar de boeren inderdaad bij kunnen dragen tot de produktie de behoeften en niet langer voor de winst van hun bedrijf.
Dixoff /15.02.2011
Op dit ogenblik is de strijdbeweging in Frankrijk egen de pensioenhervorming al acht maanden aan de gang. Regelmatig zijn de arbeiders en de bedienden van alle sectoren met miljoenen tegelijk de straat opgegaan. Tegelijkertijd daarmee zijn er sinds de hervatting van de werkzaamheden in september min of minder radicale stakingsbewegingen ontstaan, die de uitdrukking waren van een diepgaande en groeiende ontevredenheid. Deze mobilisatie vormt de eerste strijd van omvang in Frankrijk sinds de crisis, die het financiële wereldsysteem in 2007-2008 heeft door elkaar geschud. Op dit ogenblik is de strijdbeweging in Frankrijk egen de pensioenhervorming al acht maanden aan de gang. Regelmatig zijn de arbeiders en de bedienden van alle sectoren met miljoenen tegelijk de straat opgegaan.
Tegelijkertijd daarmee zijn er sinds de hervatting van de werkzaamheden in september min of minder radicale stakingsbewegingen ontstaan, die de uitdrukking waren van een diepgaande en groeiende ontevredenheid. Deze mobilisatie vormt de eerste strijd van omvang in Frankrijk sinds de crisis, die het financiële wereldsysteem in 2007-2008 heeft door elkaar geschud. Ze is niet alleen een antwoord op de hervorming van de pensioenen zelf, maar door haar omvang en diepgang ook een duidelijk antwoord op het geweld van de aanvallen die men de laatste jaren moest ondergaan.
Achter deze hervorming en de andere gelijktijdige of op handen zijnde aanvallen, verbergt zich het feit dat alle proletariërs en andere lagen van de bevolking steeds dieper wegzinken in de verarming, de precariteit en de meest sombere ellende. En het ziet er niet naar uit dat deze aanvallen, met de onafwendbare verdieping van de economische crisis in het vooruitzicht, gaan ophouden. Het is duidelijk dat deze strijd de voorbode is van andere aanvallen en dat ze één lijn staat met de bewegingen die zich in Griekenland en in Spanje, tegen de drastische bezuini-gingsmaatregelen daar, hebben ontwikkeld
Ondanks het indrukwekkende massale verzet heeft de regering niet toegegeven. Integendeel, zij is onwrikbaar gebleven en heeft, zonder te verslappen en ondanks de druk van de straat, haar vastberaden wil getoond om deze aanval erdoor te drukken. Hierbij herhaalde zij cynisch dat hij ‘noodzakelijk’ was in naam van de ‘solidariteit’ tussen de generaties. Iedereen weet dat dit een grove leugen is, op het randje van een provocatie.
Bij het schrijven van dit artikel, loopt de mobilisatie terug en is het zeker dat de bourgeoisie erin zal slagen haar hervorming binnen te halen. Hoe komt het dat deze maatregel, die al onze levensomstandigheden in het hart treft en waartegen de hele bevolking haar verontwaardiging en oppositie heeft breedvoerig tot uitdrukking gebracht, er ondanks alles toch doorgevoerd gaat worden?
Waarom is deze massale mobilisatie er niet in geslaagd om de regering doen wijken?
Omdat de regering verzekerd was van de controle van de vakbonden over de situatie. Die hadden het beginsel van een‘noodzakelijke hervorming’ van de pensioenen immers aanvaard. (1)
Wij kunnen een vergelijking maken met de beweging van 2006 tegen de startersbanen (CPE). Deze beweging, die door de media in het begin met veel misprijzen werd behandeld als een ‘studentenrevolte’ zonder vooruitzicht, heeft toch bereikt dat de regering niet anders kon dan het CPE-voorstel terugtrekken. Vanwaar dit succes?
Eerst en vooral omdat de studenten georganiseerd waren in algemene vergaderingen die openstonden voor iedereen, zonder onderscheid van categorie of sector, van de openbare en privé-sector, werkend of werkloos, enzovoort. Deze geest van vertrouwen in de arbeidersklasse en in de eigen kracht, de diepgaande solidariteit in de strijd, hadden een dynamiek op gang gebracht van uitbreiding van de beweging en verschafte haar een massaal karakter, waarin alle generaties betrokken werden. Want terwijl er zich enerzijds in de algemene vergaderingen heel ruime debatten en discussies ontwikkelden, die niet louter beperkt bleven tot de studentenproblematiek, zag men anderzijds in de loop van de betogingen dat steeds meer arbeiders zich aansloten bij de studenten en bij de talrijke scholieren.
Maar ook de vastberadenheid en de open geest van de studenten zelf, die delen van de arbeidersklasse meetrokken in een open strijd, maakte dat ze niet werden uiteengeslagen door de manoeuvres van de vakbonden. Integendeel, met name toen de CGT (stalinistische vakbond, nvdv) pogingen deed om de kop te nemen bij de betogingen om er de controle over te verkrijgen, hebben de studenten en de scholieren verschillende keren de leuzen van de vakbonden opzij geduwd om te duidelijk te maken dat zij niet naar de achtergrond geduwd wensten te worden van een beweging, die zij zelf op gang hadden gebracht. Daarmee bevestigden zij vooral hun wil om zelf, met de arbeiders, de controle te behouden over de strijd en zich niet in de luren te laten leggen door de vakbondscentrales.
De organisatievorm die de studenten gegeven hadden aan hun strijd, was inderdaad een van de aspecten die de bourgeoisie het meest verontrustte. Deze zelfstandige algemene vergaderingen verkozen hun coördinatiecomités en stonden open voor allen. Daarin hielden de studentenvakbonden zich dikwijls gedeisd, in de hoop dat ze zich niet als een olievlek zou uitbreiden naar de arbeiders toe, en deze ook in staking zouden gaan. Het was trouwens geen toeval dat Thibault (de vakbondsleider, nvdv) verschillende keren beweerde dat de loonarbeiders niets konden leren van de studenten over hoe zij zich moesten organiseren. Als deze laatsten hun algemene vergaderingen hadden, dan hadden de arbeiders hun vakbonden, waarin zij vertrouwen hadden.
Tegen een dergelijke achtergrond van vastberadenheid, die alsmaar toenam en het gevaar dat de vakbonden voorbijgestreefd zouden worden, moest De Villipin wel toegeven. Want de vakbond, die de laatste borstwering is van de bourgeoisie, dreigde stukgeslagen te worden door de uitbarsting van een massale strijd.
In de huidige beweging tegen de pensioenhervorming echter, hebben de vakbonden, daarbij actief gesteund door de politie en de media, al het mogelijke gedaan om de overhand te houden. Zij hadden de wind voelen aankomen en hebben daarop ingespeeld door zich overeenkomstig te organiseren.
De Intersyndicale in dienst van de regering
Vanaf het begin hebben we kunnen aanschouwen hoe de verdeling werd uitgespeeld, met aan ene kant de FO (Force Ouvrière, nvdv), die in haar eentje betogingen opzette, en aan de andere kant de intersyndicale die, na de kuiperijen met de regering, op 23 maart een actiedag organiseerde waarmee ze het ‘getouwtrek’ rond de hervorming voorbereidde. Ze organiseerde daarvoor nog twee andere actiedagen: op 26 mei en vooral op 24 juni, aan de vooravond van de zomervakantie. Het is een algemeen gegeven dat, als men een grote aanval wil doordrukken, een actiedag in deze periode van het jaar voor de arbeidersklasse eigenlijk de genadeslag betekent. Helaas voor de bourgeoisie en de vakbonden liet deze actiedag een onverwachte opkomst zien, met het dubbele aantal arbeiders, werklozen, precairen, en anderen, die de straat opgingen. En terwijl de eerste twee actiedagen zich kenmerkten door een malaise, iets wat uitdrukkelijk werd onderstreept door de pers, trad er op 24 juni een duidelijke onvrede en woede naar voren.
De vakbonden zagen zich daardoor genoodzaakt om, onder druk van deze openlijke ontevredenheid en als gevolg van de groeiende bewustwording van de gevolgen van de hervorming op onze leefomstandigheden, vanaf 7september nog een actiedag te organiseren, dit keer onder het motto van de syndicale eenheid. Sindsdien heeft er niet één vakbond ontbroken op het appèl van de actiedagen die in de betogingen verschillende keren zo’n drie miljoen mensen op de been brachten.
Maar deze eenheid van de ‘Intersyndicale’ was een valstrik voor de arbeidersklasse, bedoeld om haar te doen geloven dat de vakbonden vastbesloten waren om een offensief van brede omvang te organiseren tegen de hervorming en dat zij zich, door middel van deze terugkerende actiedagen, daartoe de middelen verschaften. Op hun actiedagen kon men tot vervelens toe horen hoe hun leiders met veel poeha hun redevoeringen afstaken over het ‘vervolg’ van de beweging en andere leugens. Waar zij het meest voor beducht waren, was dat de arbeiders uit het keurslijf van de vakbonden zouden breken en dat zij zichzelf zouden organiseren. Dit is wat de secretaris-generaal van de CGT, Thibault, in een interview met de krant Le Monde van 10 september zei, als een manier om ‘een boodschap over te seinen’ aan de regering:
“Met kan afsteven op een blokkade, op een omvangrijke sociale crisis. Het is mogelijk. Maar wij zijn niet diegenen die dat risico hebben genomen”, om beter te bevestigen wat er volgens de vakbonden op het spel stond: “Wij hebben zelfs een KMO (een kleine onderneming, nvdr) gevonden zonder vakbond, waar 40 van de 44 arbeiders in staking gegaan zijn. Dat is een signaal. Hoe meer de onverzettelijkheid overheerst, hoe meer de geesten gewonnen worden voor de verlenging van de stakingen”.
Dat is duidelijke taal: als de vakbonden er niet zijn, dan gaan de arbeiders zichzelf organiseren en dan gaan ze niet alleen werkelijk beslissen over wat zij willen doen, maar dreigen dat op een massale wijze te gaan doen. Om die reden hebben de vakbondscentrales, en in het bijzonder de CGT, zich met voorbeeldige ijver ingespannen het terrein te bezetten zowel op sociaal vlak als in de media en met dezelfde vastberadenheid elke werkelijke uiting van arbeiderssolidariteit op het arbeidsterrein te verhinderen. Kortom: enerzijds een tamtam van jewelste en anderzijds een activiteit die er op gericht is om de beweging te ontkrachten en mee te voeren in valse alternatieven, om tweedracht en verwarring te zaaien en haar beter naar de nederlaag te kunnen voeren.
De blokkade van de raffinaderijen is er een van de meest duidelijke voorbeelden van. De arbeiders van deze sector, wier strijdbaarheid zeer levendig was, wilden steeds duidelijker hun solidariteit betuigen met de hele arbeidersklasse in haar strijd tegen de hervorming van de pensioenen. Bovendien waren ze zelf geconfronteerd met drastische maatregelen op het vlak van vermindering van personeel. De CGT slaagde er echter in om onder deze arbeiders deze geest van solidariteit om te vormen tot een verwerpelijke staking. Zo werd de blokkade van de raffinaderijen nooit beslist op echte algemene vergaderingen, waar de arbeiders hun werkelijke standpunt tot uiting konden brengen. Er werd echter toe besloten na manoeuvres, waarin de vakbondsleiders specialisten zijn, die de arbeiders door middel van ‘verrotte’ discussies, steriele acties deden aanvaarden. Ondanks deze totale opsluiting hebben bepaalde arbeiders van deze sector toch geprobeerd om contacten te leggen en banden te smeden met arbeiders van andere sectoren. Maar globaal genomen zaten zij gevangen in de fuik van de ‘blokkade tot het bittere einde’.
De meerderheid van de arbeiders van de raffinaderijen zaten in de valstrik van de vakbondslogica van opsluiting in de fabriek, een werkelijk gif dat werd ingezet tegen de uitbreiding van de strijd. Inderdaad, ook al was het de bedoeling van de arbeiders van de raffinaderijen om de beweging te versterken en er een van de sterke armen van te worden om de regering te doen toegeven, de blokkade van de olieopslagplaatsen, zoals ze zich afspeelde onder de vakbondsvlag, werd vooral een wapen van de bourgeoisie en van de vakbonden tegen de arbeiders.
Ze wist niet alleen de arbeiders van de raffinaderijen te isoleren, maar hun staking ook onpopulair te maken door te dreigen met een algemene benzineschaarste teneinde een paniekstemming te scheppen. De pers heeft zich trouw van haar taak gekweten door stemming te maken tegen deze ‘gijzelnemers die de mensen beletten om naar het werk te gaan of om verlof op te nemen’. Maar de arbeiders van deze sector werden daarnaast ook fysiek geïsoleerd. Terwijl zij door hun solidaire strijd hun steentje wilden bijdragen tot het opbouwen van een krachtsverhouding ten gunste van intrekking van de hervorming, heeft vooral de blokkade zich tegen hen gekeerd en tegen hetgeen zij oorspronkelijk voor ogen hadden.
Er hebben talloze gelijkaardige vakbondsacties plaatsgevonden in verschillende transportsectoren, en vooral in streken met weinig arbeiders, want het ging de vakbonden erom tot iedere prijs zo weinig mogelijk risico’s te nemen wat betreft de uitbreiding en het actief in de praktijk brengen van de solidariteit. Voor de schijn moest het erop lijken dat ze in de betogingen de meest radicale strijd orkestreerden en een partituur van vakbondseenheid speelden, maar in werkelijkheid lieten ze de toestand verrotten.
Zoals in een pamflet van de 'AG Interpro' (Algemene Interprofessionele Vergaderingen, nvdv) van het Station-Oost (Parijs), gedateerd op 6 november staat: “De kracht van de arbeiders schuilt niet alleen in de blokkade van een olieopslagplaats hier en daar of zelfs van een bedrijf. De kracht van de arbeiders berust in het samenkomen op de werkplaats, over de grenzen van de beroepen, de ondernemingen, de categorieën en de vestigingen heen en samen te beslissen...” .
Overal heeft men kunnen zien hoe de vakbonden, verenigd in de 'Intersyndicale' om beter de schijn van eenheid hoog te houden, algemene schijnvergaderingen georganiseerd hebben, waar geen werkelijk debat was, en die opgesloten zaten in de meest extreme corporatistische bekommernissen. Toch beweerden ze openlijk dat ze zogenaamd wilden strijden 'voor allen' en 'allen tezamen' ... maar ieder in zijn eigen hoekje georganiseerd, achter zijn eigen kleine vakbondsleider. Daarbij deden zij er alles aan om te beletten dat er massale delegaties zouden worden gevormd, om op zoek te gaan naar solidariteit bij de andere bedrijven, die het dichtste in de buurt lagen. Een beweging die rijk is aan perspectieven
In de media zijn helemaal geen berichten verschenen over de talrijke comités of ‘Interpro’s' (2), die tijdens deze periode werden gevormd: comités en algemene vergaderingen die tot doel hadden om zich te organiseren buiten de vakbonden en discussies te ontwikkelen, die werkelijk open stonden voor alle proletariërs. Er waren ook zelfstandige acties waarin heel de arbeidersklasse zich niet alleen kon herkennen, maar zich ook en vooral massaal kon inzetten.
De vakbonden zijn trouwens niet de enigen geweest om de mogelijkheid van een dergelijke mobilisering te belemmeren, want de politie van Sarkozy, die berucht is voor haar zogenaamde stompzinnigheid en haar anti-linkse instelling, is door haar provocaties verschillende keren een onmisbare hulp geweest voor de vakbonden. Een voorbeeld? De incidenten op het Belcourplein in Lyon, waar de aanwezigheid van een enkele 'relschoppers' (mogelijk gemanipuleerd door de politie) als voorwendsel heeft gediend om een gewelddadige politierepressie uit te voeren tegen honderden jonge scholieren, waarvan het merendeel trachtte, om op het einde van een betoging, met de arbeiders in discussie te komen.
Hier zien wij wat de bourgeoisie bijzonder erg vreest: dat er contacten aangeknoopt worden en dat deze zich in de rijen van de arbeidersklasse zo ruim verveelvoudigen, tussen jongeren en ouderen, tussen werkenden en werklozen.
Vandaag staat deze beweging op het punt om stil te vallen en moeten er lessen getrokken worden uit deze mislukking.
De eerste les die moet worden getrokken is dat het de vakbondsapparaten zijn geweest die het mogelijk hebben gemaakt dat de aanval op de proletariërs is doorgevoerd en dat zoiets helemaal niet iets ongewoons is. Zij hebben hun vuile werk gedaan en zijn daarvoor door alle specialisten en sociologen, net zoals door de regering, en Sarkozy in hoogsteigen persoon, begroet vanwege van hun 'gevoel voor verantwoordelijkheid'. Ja, de bourgeoisie kan zichzelf zonder aarzelen gelukkig prijzen 'verantwoordelijke' vakbonden te hebben, die in staat zijn om een beweging van dergelijke omvang te breken en tegelijkertijd toch nog te doen geloven dat zij al het mogelijke in het werk gesteld hebben om deze te vooruit te helpen. Het zijn bovendien diezelfde vakbonden die er in geslaagd zijn om de werkelijke uitingen van zelfstandige strijd van de arbeidersklasse en van alle werkenden te verstikken en te marginaliseren.
Niettegenstaande kunnen uit deze mislukking ook talrijke vruchten geplukt worden: want ondanks de inspanningen, die gedaan werden door de gezamenlijke krachten van de bourgeoisie om de bressen te dichten waar de arbeiderswoede door ontsnapte, zijn zij er niet in geslaagd om een hele sector mee te slepen een algemene nederlaag, zoals dat het geval was in 2003 (3). Toen had de strijd tegen de pensioenen van de openbare diensten, na meerdere stakingsweken, geresulteerd een vernietigende nederlaag voor de werkers binnen het nationaal onderwijs.
De beweging loopt nu op haar eind. Maar de “De aanval is pas ingezet. Wij hebben een veldslag verloren, maar niet de oorlog. De bourgeoisie heeft ons een klassenoorlog verklaard en wij hebben nog de middelen om die te voeren” (pamflet getiteld 'Niemand kan strijden, beslissen en winnen in onze plaats', getekend door arbeiders en precairen van de 'AG Interpro' van Station-Oost en van Ile-de-France, welke hierboven ook al werd geciteerd). Wij hebben geen andere keuze om ons te verdedigen, dan door onze strijd massaal uit te breiden en te ontwikkelen en daarom moeten wij hem in eigen handen nemen.
'Vertrouwen op eigen kracht' zal de leuze van morgen moeten worden.
WW / 06.11.2010
Voetnoten
(1) Alle linkse partijen, die zich kwamen aansluiten bij de beweging om niet totaal ongeloofwaardig te worden, waren het nochtans zelf ook eens over de dwingende noodzaak om de arbeidersklasse op dit punt aan te vallen, want zij hadden er voor gestemd.
(2) Wij beschouwen deze laatsten als werkelijke uitdrukkingen van de behoeften van de arbeidersstrijd. Zij hebben niets te maken met de, door de vakbonden en door ultralinkse organisaties, onderhands en met kunst- en vliegwerk opgezette en georkestreerde coördinaties, die wij zowel tijdens de beweging van de spoorwegarbeiders in 1986 als tijdens de beweging in de gezondheidssector in 1988, verschillende keren hebben aangeklaagd
(3) Zie de nummers van Révolution Internationale 335, 336 en 337.
In het eerste deel van deze nieuwe artikelenreeks hebben we geprobeerd aan te tonen op welke fundamentele punten de internationalistische anarchisten en de Kommunistische Linkerzijde elkaar naderen. Zonder te ontkennen dat er belangrijke meningsverschillen bestaan, vormt voor de IKS een essentieel aspect in ieder geval de vastberaden verdediging van de autonomie van de arbeidersklasse door te weigeren:
“steun te verlenen, op welke wijze dan ook (zelfs 'kritisch', 'tactisch’ of in naam van 'het minste kwaad'...) aan enige fractie van de bourgeoisie. In het eerste deel van deze nieuwe artikelenreeks hebben we geprobeerd aan te tonen op welke fundamentele punten de internationalistische anarchisten en de Kommunistische Linkerzijde elkaar naderen. Zonder te ontkennen dat er belangrijke meningsverschillen bestaan, vormt voor de IKS een essentieel aspect in ieder geval de vastberaden verdediging van de autonomie van de arbeidersklasse door te weigeren: “steun te verlenen, op welke wijze dan ook (zelfs 'kritisch', 'tactisch’ of in naam van 'het minste kwaad'...) aan enige fractie van de bourgeoisie. Geen steun verlenen aan de 'democratische' machthebbers tegen de 'fascistische'; noch aan links tegen rechts, noch aan de Palestijnse bourgeoisie tegen de Israëlische bourgeoisie; enzovoort.” (1)
Meer concreet gaat het erom:
1) iedere electorale steun, iedere samenwerking te weigeren met de partijen die het kapitalistisch systeem beheren of die een of andere vorm ervan verdedigen (Sociaal-Democratie, Stalinisme, 'Chavisme', enzovoort);
2) In iedere oorlog vast te houden aan een onverzoenlijk internationalisme, door te weigeren tussen het ene of het andere imperialistische kamp te kiezen.
Allen die in theorie en praktijk deze twee essentiële standpunten verdedigen, moeten zich bewust zijn van het feit dat ze tot hetzelfde kamp behoren, dat van de arbeidersklasse, dat van de revolutie.
Binnen dat kamp bestaan er noodzakelijkerwijs meningsverschillen, verschillen in opvattingen tussen individuen, groepen en tendensen.
Door op internationaal vlak, openlijk en broederlijk, maar ook vastberaden en zonder misplaatste toegevingen te debatteren, zullen de revolutionairen erin slagen beter deel te nemen aan de algemene ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn. Maar om dat te kunnen, moeten ze begrijpen wat de oorsprong is van de moeilijkheden die een dergelijk debat, momenteel ook nog, verhinderen.
Die moeilijkheden zijn het resultaat van de geschiedenis. De revolutionaire golf, die in 1917 in Rusland en in 1918 in Duitsland een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, werd overwonnen door de bourgeoisie. Wat hierop volgde was een verschrikkelijke contrarevolutie die losgelaten werd op de arbeidersklasse in alle landen. De meest verschrikkelijke manifestaties daarvan waren het Stalinisme en het Nazisme, juist in die twee landen waar het proletariaat in de voorhoede van de revolutie had gestaan.
Door de anarchisten werd de invoering van een schrikwekkende politiedictatuur over het land van de Oktoberrevolutie van 1917, door een partij die zich beriep op het 'Marxisme', beschouwd als een bevestiging van de kritiek die zij al lange tijd geuit had op de marxistische opvattingen. Deze opvattingen werd 'autoritarisme' en 'centralisme' verweten, dat ze meteen na het begin van de revolutie, niet had opgeroepen tot de onmiddellijke afschaffing van de staat, en het feit dat ze het beginsel van Vrijheid niet als hoogste goed had aangemerkt.
Aan het einde van de 19e eeuw werd de overwinning van het reformisme en de 'parlementaire stompzinnigheid' binnen de socialistische partijen door de anarchisten al beschouwd als een bewijs voor de juistheid van hun afwijzing van elke deelname aan verkiezingen. Ongeveer hetzelfde gebeurde na bij de overwinning van het Stalinisme. Voor de anarchisten was het regime niets anders dan de logische consequentie van het 'aangeboren autoritarisme' van het Marxisme. In het bijzonder wat betreft de 'continuïteit' tussen de politiek van Lenin en die van Stalin want, al met al, de politieke politie en de terreur kwamen tot ontwikkeling toen de eerste nog leefde en zelfs kort na het begin van de revolutie
Natuurlijk is één van de argumenten, die aangehaald wordt om deze 'continuïteit' te illustreren, het feit dat vanaf het voorjaar van 1918 bepaalde groepen anarchisten in Rusland door het regime onderdrukt werden, dat hun pers gemuilkorfd werd. Maar het ‘beslissende’ argument is de bloedige onderdrukking van de opstand van Kronstadt in maart 1921 door de bolsjewistische macht, met Lenin en Trotski aan het hoofd. De episode van Kronstadt is uiteraard van grote betekenis, omdat de matrozen en arbeiders van deze marinebasis in Oktober 1917 een van de voorhoedes waren van de opstand, die de burgerlijke regering omverwierp en het mogelijk maakte dat de Sovjets (de raden van arbeiders en soldaten) de macht grepen. En juist deze, de meest bewuste arbeiders en matrozen van de revolutie, kwamen in 1921 in opstand met als ordewoord 'Macht aan de Sovjets, zonder de partijen'.
De Kommunistische Linkerzijde ten opzichte van de Russische ervaring
Binnen de Kommunistische Linkerzijde bestaat er tussen de verschillende tendensen een consensus over, uiteraard, wezenlijke punten:
Op deze drie doorslaggevende punten is er overeenstemming tussen de Kommunistische Linkerzijde enerzijds en de internationalistische anarchisten anderzijds maar een totale tegenstelling tussen hen en de Trotskisten, die de Stalinistische staat als een 'ontaarde arbeidersstaat' beschouwen, en de 'kommunistische' partijen als 'arbeiderspartijen' en die voor het overgrote deel deelgenomen hebben in de Tweede Wereldoorlog (met name in de rijen van het Verzet).
Daarentegen bestaan er binnen de Kommunistische Linkerzijde zelf aanzienlijke verschillen van inzicht in het proces dat de Oktoberrevolutie van 1917 heeft doen uitmonden in het Stalinisme.
Zo beschouwt de stroming van de Hollandse Linkerzijde (de 'radenkommunisten' of 'radenisten') de Oktoberrevolutie als een burgerlijke revolutie, die ten doel het feodale tsaristische regime te vervangen door een burgerlijke staat die beter was aangepast aan de ontwikkeling van een moderne kapitalistische economie. De Bolsjewistische Partij, die aan het hoofd stond van deze revolutie, wordt zelf beschouwd als een burgerlijke partij van een bijzonder soort, belast met het invoeren van het staatskapitalisme, ook al waren de militanten en de leiders ervan zich daar zelf niet werkelijk van bewust. Voor de 'radenisten' bestaat er dus zeker een continuïteit tussen Lenin en Stalin. De laatste was dan in bepaald opzicht de 'executeur-testamentair' van de eerste. In die zin bestaat er een punt van overeenstemming tussen anarchisten en ‘radenisten’, maar hebben deze laatsten hun referentie aan het marxisme tot zover niet overboord gezet.
De andere grote tendens binnen de Kommunistische Linkerzijde, die zich verbindt aan de Kommunistische Linkerzijde van Italië, stelt dat de Oktoberrevolutie en de Bolsjewistische Partij proletarisch van aard waren. (2) Het kader waarin deze tendens hun begrip van de overwinning van het Stalinisme plaatsen is dat van het isolement van de revolutie in Rusland, als gevolg van de nederlaag van de revolutionaire strijd in de andere landen, in de eerste plaats in Duitsland. Zelfs al voor de Oktoberrevolutie stelde de gehele arbeidersbeweging, en de anarchisten vormden hierop geen uitzondering, dat als de revolutie zich niet op wereldschaal zou uitbreiden, zij overwonnen zou worden. Het fundamentele historische feit dat geïllustreerd werd door het tragische lot van de Russische Revolutie is dat de nederlaag ‘niet van buitenaf kwam’ (de door de wereldbourgeoisie gesteunde witte legers werden zelfs verslagen), maar 'van binnen uit'. De arbeidersklasse verloor de macht en met name elke controle over de staat, die meteen na de revolutie ontstaan was, evenals door de ontaarding en het verraad van de Partij, die de revolutie geleid had, als gevolg van haar inlijving in deze staat.
In dat kader delen de verschillende groepen, die zich beroepen op de Italiaanse Linkerzijde, niet allen dezelfde analyses met betrekking de politiek van de Bolsjewiki zoals is gevoerd in de loop van de eerste jaren van de revolutie. Van de 'bordigisten' mag er geen kritiek geuit worden op het machtsmonopolie van de Bolsjewistische Partij, ook niet op de invoering van een vorm van monolithische in die partij, op het gebruik van terreur en zelfs niet op de bloedige onderdrukking van de opstand van Kronstadt. Integendeel, ook vandaag nog zijn zij deze mening toegedaan. Omdat de stroming van de Italiaanse Linkerzijde op wereldvlak vooral gekend werd door het 'Bordigisme', heeft dit bij de anarchisten gediend als een schrikbeeld voor de ideeën de Kommunistische Linkerzijde
Maar de Italiaanse Linkerzijde beperkt zich niet tot het ‘Bordigisme’. De LinkserFractie van de Kommunistische Partij van Italië (die later de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde werd) heeft in de jaren 1930 een heel werk gemaakt van het opmaken van de balans van de Russische ervaring. (‘Bilan’ was trouwens de naam van haar revue in het Frans). Tussen 1945 en 1952 werd dit werk voortgezet door de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk (die ‘Internationalisme’ publiceerde). Deze stroming, die in 1975 de IKS zou oprichten, heeft die fakkel in 1964 al in Venezuela opgenomen en 1968 in Frankrijk.
Deze stroming (en gedeeltelijk ook die stroming die verbonden is aan de Partito Comunista Internazionalista in Italië) beschouwt het als een noodzaak bepaalde aspecten van de politiek van de Bolsjewiki meteen na de revolutie te bekritiseren. Met name veel aspecten, die door de anarchisten aangeklaagd worden, de machtsgreep door de partij, de terreur, en met name de onderdrukking van Kronstadt, worden door onze organisatie (in navolging Bilan et van de GCF) beschouwd als fouten die door de Bolsjewiki begaan werden. Deze kunnen zonder twijfel bekritiseerd worden binnen het kader van het marxisme en zelfs aan de hand van de opvattingen van Lenin, met name die neergelegd zijn in zijn werk ”Staat en Revolutie”, geschreven in 1917. Deze fouten kunnen verklaard worden door talrijke omstandigheden, die we hier niet kunnen ontwikkelen, maar die deel uitmaken van het algemene debat tussen de Kommunistische Linkerzijde en de internationalistische anarchisten. Late we eenvoudigweg stellen dat de voornaamste reden is dat de Russische revolutie de eerste (en tot op vandaag de enige) historische ervaring vormde van een tijdelijk zegevierende proletarische revolutie. Maar het is taak van de revolutionairen de lessen te trekken uit deze ervaring, zoals dat vanaf de jaren 1930 gedaan werd door Bilan voor wie “de diepgaande kennis van de oorzaak van de nederlaag” een noodzakelijkheid was van de eerste orde.
“Deze kennis kan noch een geen enkel verbod en geen enkele censuur verdragen. De balans opmaken van de gebeurtenissen van na de oorlog, betekent de voorwaarden creëren voor de zege van het proletariaat in alle landen.” (Bilan nr.1, november 1933)
De anarchisten en de Kommunistische Linkerzijde
Periodes van contrarevolutie zijn allesbehalve gunstig voor de eenheid, of zelfs maar voor de samenwerking tussen revolutionaire krachten. De verwarring en de versnippering, die het geheel van de arbeidersklasse treffen, hebben tenslotte ook hun uitwerking op de gelederen van haar meest bewuste elementen. Net zoals het onderlinge debat tussen de groepen, die met het Stalinisme gebroken hadden maar zich toch beriepen op de Oktoberrevolutie, vanaf de jaren 1920 en heel de jaren 1930 niet gemakkelijk was, zo was ook het ook het debat tussen anarchisten en de Kommunistische Linkerzijde was de hele periode van contrarevolutie bijzonder moeilijk.
Zoals we hierboven al hebben kunnen lezen maakte het gegeven, dat iedere kritiek op de marxisten over het lot van de Russische Revolutie de indruk wekte alsof je water naar de zee droeg, dat de overheersende houding binnen de anarchistische beweging erin bestond elke discussie uit de weg te gaan met de ‘per definitie autoritaire’ marxisten van de Kommunistische Linkerzijde. En dat des temeer omdat deze beweging in de jaren 1930 een veel grotere faam genoot dan de enkele kleine groepjes van de Kommunistische Linkerzijde, vooral door hun plaats die de anarchisten innamen op het voorste plan in een land als Spanje, waar zich in die periode een historische gebeurtenis van doorslaggevend belang afspeelde.
Aan de andere kant, het feit dat de anarchistische beweging de gebeurtenissen in Spanje bijna unaniem beschouwde als een soort bevestiging van de geldigheid van haar opvattingen, terwijl de Kommunistische Linkerzijde er vooral een bewijs van het failliet van die opvattingen in zag heeft lange tijd een hindernis gevormd voor samenwerking met de anarchisten. We moeten er nochtans aan herinneren dat Bilan weigerde alle anarchisten over één kam te scheren. Toen de Italiaanse anarchist Camillo Berneri in mei 1937 door het Stalinisme vermoord werd, heeft deze revue een ‘in memoriam’ gepubliceerd voor iemand die een kritiek zonder enige concessies had geleverd op de politiek, zoals die door de leiding van de CNT gevoerd werd.
Van nog meer betekenis is het feit dat in 1947 een Conferentie gehouden werd, die de Italiaanse Kommunistische Linkerzijde (de groep van Turijn), de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk, de Hollandse Linkerzijde en... een aantal Internationalistische Anarchisten samenbracht! Eén van de anarchisten zat de Conferentie zelfs voor. Dat laat zien dat, zelfs tijdens de contrarevolutie, sommige militanten van de Kommunistische Linkerzijde en van het internationalistisch anarchisme, gedreven door de ware geest van openheid, de wil tot discussie en een vermogen om de fundamentele criteria te herkennen die de revolutionairen over hun meningsverschillen heen verenigen! (3)
Die kameraden van 1947 geven ons daarmee een les en hoop voor de toekomst.
Het spreekt voor zich dat de wreedheden, die het Stalinisme uit naam van het zich toegeëigende Marxisme en kommunisme begaan heeft, ook vandaag nog een last vormen. Ze vormen een emotionele muur die het serieuze debat en de loyale samenwerking nog steeds zwaar belemmert.“De traditie van alle dode [vermoorde - nvdr] geslachten weegt als een zware last op de hersenen van de levenden.” (K. Marx:
De 18e Brumaire van Louis Bonaparte) Deze muur die ons hindert, kan niet van de ene op de andere dag afgebroken worden. Toch begint hij barsten te vertonen. We moeten het debat onderhouden dat, stapje voor stapje, onder onze ogen op gang komt. We moeten ons, gedreven door een broederlijke inzet, inspannen en steeds voor ogen houden dat wij allen proberen, op serieuze wijze, te ijveren voor de komst van het kommunisme, van een maatschappij zonder klassen n
IKS / augustus 2010
Voetnoten
(1) Kommunistische Linkerzijde en het internationalistisch anarchisme (deel I): Wij moeten discussiëren en samenwerken.
(2) Voor Lenin: “In West-Europa is het revolutionair syndicalisme in verschillende landen ontstaan als het rechtstreekse en onvermijdelijke resultaat van het opportunisme, het reformisme, de parlementaire stompzinnigheid.” (Voorwoord bij de brochure van Voïnov (Lunatcharski) over de houding van de partij tegenover de vakbonden (1907) (Œuvres T.13, p.175). Het anarchisme dat al ruim voor het revolutionair syndicalisme bestond, maar er dichtbij staat, heeft eveneens geprofiteerd van deze evolutie in de socialistische partijen.
We moeten opmerken dat er in Rusland zelf verschillende groepen bestonden, die uit de Bolsjewistische Partij voortkwamen en die dezelfde analyses verdedigden. Zie hierover onze brochure “The Russian Communist Left”.
(3) In feite was het debat, de samenwerking en het wederzijds respect tussen internationalistische anarchisten en kommunisten toentertijd niet iets nieuws.
Uit verschillende voorbeelden kunnen we bijvoorbeeld de Amerikaanse anarchiste Emma Goldman citeren die in haar autobiografie (gepubliceerd in 1931, tien jaar na Kronstadt) schreef:
“... het bolsjewisme was een maatschappijopvatting die gedragen werd door de briljante geest van mensen gedreven door de ijver en de moed van martelaren. (...) Het was van het grootste belang dat de anarchisten en de andere revolutionairen resoluut de verdediging van deze belasterde mensen en van hun zaak op zich namen tijdens de gebeurtenissen die in Rusland voortsnelden.” (Living My Life)
Een andere zeer bekende anarchist, Victor Serge, laat in een artikel opgesteld in augustus 1920, “De anarchisten en de ervaring van de Russische revolutie”, een overeenkomstig geluid horen, en terwijl hij zich blijft beroepen op het anarchisme en hij bepaalde aspecten van de politiek van de Bolsjewistische Partij blijft bekritiseren, gaat hij toch door zijn steun aan die partij te geven.Anderzijds hebben de Bolsjewiki een afvaardiging van de anarcho-syndicalistische Spaanse CNT uitgenodigd op het IIe congres van de Kommunistische Internationale. Ze hebben echt kameraadschappelijke broederlijke discussies met haar kunnen voeren en hebben de CNT uitgenodigd zich aan te sluiten bij de Internationale
Steeds vaker duikt het woord ‘onderklasse’ oftewel precariaat, op in de linkse en anarchistische pers. Delen van de arbeidersklasse en ook van de zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel) dreigen af te dalen in deze zogezegde onderklasse. Dat betekent: de slechtste baantjes, heel onregelmatig werk, halfillegaal, werkeloos; in ieder geval rondkomen van minder dan het minimumloon. Steeds vaker duikt het woord ‘onderklasse’ oftewel precariaat, op in de linkse en anarchistische pers.
Delen van de arbeidersklasse en ook van de zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel) dreigen af te dalen in deze zogezegde onderklasse. Dat betekent: de slechtste baantjes, heel onregelmatig werk, halfillegaal, werkeloos; in ieder geval rondkomen van minder dan het minimumloon.
Maar omdat een deel van de arbeidersklasse hierin terechtkomt, moet deze dan ook als aparte klasse, als precariaat benaderd worden? Moeten we onze solidariteit tot haar beperken, zoals Doorbraak (1) en anarchistische groepen (2) doen? Kan zoiets een perspectief bieden aan de strijd voor hun en onze belangen en de strijd tegen het kapitalisme?
Kommunisten denken van niet, want de ‘afdaling in de opperste ellende’ is een verschijnsel dat niet alleen de ‘onderklasse’ nù treft, maar iets dat ons in de toekomst allemaal te wachten staat, als we niet een bewust en eendrachtig verzet organiseren tegen de staat en de ondernemers, tegen links en de vakbonden.
Rutte 1 heeft ongeziene bezuinigingen in petto
Er wordt bezuinigd op de kinderopvang, de publieke omroepen, subsidies voor cultuur, de basisverzekering van de ziektekosten, de bijstand, de wajong, de migratie en inburgering en vooral op salarisposten van de ambtenaren. Er wordt maar liefst 4,3 miljard bezuinigd op de sociale zekerheid, vooral de ‘zwaksten’ zullen de zwaarste klappen krijgen. Chronisch zieken moeten meer gaan betalen, de studiefinanciering wordt met een jaar gekort, het collegegeld gaat omhoog, de huurmarkt wordt verder geliberaliseerd, de zorgtoeslag gaat omlaag. De eigen bijdragen voor de AWBZ worden fors verhoogd voor mensen die in instellingen als verpleeg- en verzorgingstehuizen verblijven. De eigen bijdrage voor de AWBZ zal in de periode 2012-2015 per jaar met gemiddeld 500 euro per persoon stijgen. Het nieuwe kabinet wil meer dan 6 miljard euro besparen op de overheid.
Daardoor staan tienduizenden overheidsbanen op de tocht. Consumenten krijgen een toeslag op hun energierekening. Het minimumloon, waaraan de hoogte van de bijstand is gekoppeld, wordt verlaagd. Het pakket voor de basisverzekering wordt beperkt. Er komen bezuinigingen op de kinderopvang en zorgtoeslag.
De regelingen bijstand, sociale werkplaatsen en wajong worden samengevoegd. In dit nieuwe stelsel moeten mensen beneden het minimumloon gaan werken onder een bijstandsachtig regiem, waarbij ze – ondanks dat ze betaald werk verrichten – zijn overgeleverd aan de nukken van de klantmanagers van de gemeente. De reorganisaties, die op stapel staan en die zonder verzet ongetwijfeld zullen worden ingevoerd, betekenen een nieuwe vorm van gecontroleerde slavernij voor een deel van de arbeidersklasse. Volgens René Paas, voorzitter van de belangenvereniging van Sociale Diensten: “Zou het wel eens kunnen dat hier de basis is gelegd voor de herziening van het sociale stelsel in de komende drie jaar.” (3)
In het Amerikaanse systeem hebben alleen kostwinners recht op bijstand, mits ze kinderen hebben. In de praktijk zijn dat vooral alleenstaande vrouwen. Wie geen kind heeft, kan voor zo'n 200 dollar per maand voedselbonnen krijgen, daar moeten zij van rondkomen. De tijdelijkheid van de bijstand (uitkeringen worden in de VS hooguit vijf jaar verstrekt) stuit op een zeker enthousiasme. Zo verklaart Eric ten Hulsen, directeur van de Amsterdamse Dienst Werk en Inkomen, in hetzelfde artikel: “Je gaat dan met een heel andere focus met die mensen aan de slag. Het idee is veel meer om mensen in hun eigen kracht te houden.” Mevrouw Klijnsma, die zelf met de sociale hervormingen in Nederland aan de slag moest, haalt Van Hulsen aan met de uitspraak: “Die tijdelijkheid houdt wel de druk erop.” Dat mensen in Amerikaanse projecten nog een tijdje worden begeleid na het vinden van werk, spreekt haar ook erg aan: “Uiteindelijk moeten mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun leven. Maar de begeleiding bij ons kan vaak echt een onsje enthousiaster.” Op die manier kan er natuurlijk meteen wat extra druk uitgeoefend worden!
Een steeds sterkere tendens tot flexibiliteit
Voor de degenen die nog werk hebben, wordt de situatie steeds moeilijker. De druk wordt steeds groter, het werktempo wordt steeds meer opgevoerd en ‘werkzekerheid’ wordt naar het rijk der fabelen verwezen. Rick Kruiswijk, algemeen directeur van HeadFirst (dochteronderneming van ABN-AMRO en arbeidsintermediair actief in de financiële wereld en het ICT-marktsegment):
"Grote bedrijven zullen binnen nu en vijf jaar afstand doen van het merendeel van hun vaste personeel. De hiermee gepaard gaande groei van het aantal zelfstandig ondernemers zonder personeel (zzp-ers) zal helpen om de economie uit het dal te trekken.” (4) Kruiswijk: "Een baan voor het leven is iets van vroegere tijden. Het gerucht dat IBM komende zeven jaar 300.000 van de grofweg 400.000 werknemers van IBM uit vaste dienst wil halen en ze zo nodig weer wil inhuren als zzp-ers staat niet op zichzelf. Een dergelijk Hoog Rendement-beleid (HRM) verwacht ik in de komende jaren bij meer multinationals. Het is een ontwikkeling, waarbij bedrijven een balans zoeken tussen het aantal interne medewerkers en de flexibel in te zetten specialisten. Het zorgt voor kostenbesparing, kwaliteitsverbeteringen en het is ook nog eens goed voor de carrière van de medewerkers. Deze ontwikkeling juichen wij toe."
Ook in Nederland zelf zien we op de arbeidsmarkt in Nederland, mede als gevolg van de economische teruggang, een sterke toename van het individueel specialisme, flexibilisering van arbeid en transparantie in afspraken en honorering. Flexibele arbeid staat ook in Nederland bovenaan agenda van het management.
Han Mesters, sectorbankier bij ABN-AMRO en economisch historicus, voorziet dat flexibilisering niet meer weg te denken is uit de arbeidsmarkt: "Flexibele arbeid staat inmiddels bovenaan op de strategische managementagenda van grote bedrijven. Bedrijven hebben in toenemende mate een kern van vaste werknemers in dienst met daaromheen een flexibele schil van zzp-ers. Hiermee voorkom je ook het probleem in de toekomst van de zogenaamde "bankzitters". Bedrijven worden hiermee platter en slagvaardiger."
Grotere delen van de arbeidersklasse in armoede
De salariskloof tussen topbestuurders en werknemers is in een kwarteeuw (1983-2007) verdrievoudigd. Waar een directeur midden jaren tachtig gemiddeld 16 keer een modaal inkomen verdiende, is dat in 2007 opgelopen naar 44 keer modaal. Het gemiddelde directeurssalaris van de honderd best verdienende bedrijven steeg in 25 jaar van 225 duizend euro naar 1,3 miljoen euro, een stijging van 600 procent.(5)
De Quote 500 van 2009 was goed voor een totaal vermogen van 127 miljard, 30 miljard meer dan vijf jaar ervoor. In 2009 telde Nederland in totaal 154.000 miljonairs, een nieuw record. De nieuwste cijfers van het zakenblad Quote, die van 2010, vermelden dat “het vermogen van de 500 rijkste Nederlanders is dit jaar met 6,6 procent gestegen. (…) Bij elkaar hebben de rijksten van Nederland een vermogen van meer dan 135 miljard euro, slechts tien miljoen minder dan in 2008, toen Quote het hoogste totaalvermogen ooit berekende.” (6)
Als de rijken rijker lijken te worden, is het zeker dat de armer steeds armer worden. De NRC heeft berekend dat de zorgpremies komend jaar met maar liefst 325 euro zullen stijgen. Onderwijs volgen wordt duurder, waar subsidies wegvallen, zullen prijzen omhoog gaan en gemeenten worden gedwongen om op allerlei basisvoorzieningen te korten. Honderdduizenden zullen in financiële problemen terechtkomen, tienduizenden zullen van goede zorg verstoken raken, en duizenden zullen op straat belanden: om het even jong of oud, allochtoon of autochtoon, stads- of plattelandsbewoner, Limburger of Drent.
In 2010 daalt de koopkracht van huishoudens voor het eerst sinds het begin van de crisis. De daling van de koopkracht is in doorsnee half procent. Komend jaar daalt de zogeheten mediane koopkracht naar verwachting met een kwart procent. Deze statische koopkrachtcijfers houden echter geen rekening met de gevolgen van vermogensverliezen, baanverlies en het schrappen van bonussen. Huishoudens die daarmee te maken hebben, kennen een (veel) ongunstiger koopkrachtontwikkeling. (7)
Tenslotte zien we heel duidelijk dat ook kleine zelfstandigen steeds meer in de armoede terechtkomen. Volgens de berichten vangen de zzp-ers de grootste klappen van de recessie op: uit CBS-cijfers blijkt dat de zzp-ers hun inkomen in het derde kwartaal van vorig jaar met gemiddeld 12 procent zagen dalen. “De economische krimp raakt vooral de zelfstandigen. Hun inkomensdaling is de grootste duikeling van dit decennium”, aldus Michiel Vergeer, hoofdeconoom van het CBS. “Steeds meer kleine zelfstandigen kloppen aan bij de voedselbanken in Nederland voor gratis levensmiddelen” kopte het AD van 9 januari 2010.
De val van de ‘nieuwe’ vakbondsstrategie (9)
De bezuinigingen van de nieuwe regering zijn een aanval op de hele Nederlandse bevolking. De gevolgen van deze bezuinigingen zal ieder van ons in de een of andere vorm treffen in de komende jaren. De enige manier om ons daar effectief tegen teweer te stellen, is een eendrachtig verzet onder leiding van de arbeidersklasse als geheel. We moeten ons dan ook niet laten verleiden door de ‘nieuwe’ strategie van de vakbonden om ons alleen op die ‘onderklasse’ of precariaat te richten.
Dat is een pure misleidingtactiek omdat het de arbeidersklasse opdeelt in categorieën, beroepen, sectoren en corporaties. Daarbij maakt het geen enkel verschil of leden van Doorbraak zich, zeker niet als het een door de vakbond bezoldigd ‘organiser’ betreft, opwerpen als voortrekker van de strijd van de schoonmakers, de flexwerkers, en andere precaire delen van de arbeidersklasse. Want met of zonder de tactieken van 'organising' , met of zonder de steun van solidariteitscomités van de anarchisten of ultralinks, uiteindelijk is het toch de vakbond en daarachter de burgerlijke staat die, door de kunstmatige opdeling van de arbeidersklasse, aan het langste eind trekt en haar maatregelen er doordrukt.
Bepaalde stromingen binnen het anarchisme hebben altijd de leus hoog gehouden “de bevrijding van de arbeider, zal het werk van de arbeiders zelf zijn”. Ze hebben daarbij vaak hun verwachtingen gericht op de het revolutionaire potentieel van de ‘marginalen’ in de maatschappij, zoals de lompenproletariërs. Nu er zich daadwerkelijk een materiële grondslag ontwikkelt, waarbij steeds grotere delen van de arbeidersklasse in absolute armoede geworpen worden, gaan ze steeds meer hun aandacht op deze groepen richten.
Kameraad, als je terecht en ook oprecht probeert op te komen voor de meest verdrukten, dan maakt iedere opdeling van de arbeidersklasse, zoals in een ‘onderklasse’ en een ‘bovenklasse’, de mogelijkheden tot misbruik van groeiende strijdwil door de vakbond en links alleen maar gemakkelijker en groter. In het geval van de staking onder de schoonmakers van het afgelopen voorjaar, toen de vakbond ook gebruik maakte van de strategie van 'organising', werden velen van jullie voor het karretje gespannen van de FNV-Bondgenoten. Deze vakbond zag in de anarchisten juist een geschikte ‘bondgenoot’, goede hulptroepen om haar invloed onder de schoonmakers te vergroten en nadat ze dit doel grotendeels had bereikt, werd de strijd afgeblazen en ieder van jullie onmiddellijk weer afgeserveerd.
Kommunisten laten zich niet voor het karretje van de vakbond spannen, ze gaan niet uit van de een of andere bijzondere situatie van de arbeidersklasse. Ook al beweren sociologen honderd keer dat ze wel bestaan, voor kommunisten bestaat er geen zwarte, witte of gele arbeidersklasse. Voor kommunsisten maakt het geen enkel verschil of een arbeider toevallig wel een eigen huis of geen eigen huis bezit.
Kommunisten beseffen maar al te goed dat de nog-werkenden van vandaag de werklozen van morgen kunnen zijn. Waar de arbeiders ook hun leven proberen op te bouwen, in China of in Peru, in Roemenië of in Holland, overal heeft ze te maken met dezelfde aanval op haar leefomstandigheden. Daarom kan ze alleen in haar eenheid tegenover het kapitalisme de basis kan leggen voor een maatschappij zonder uitbuiting en armoede.
Dixoff / 10.11.2010
Voetnoten
(1) “In Nederland kijkt Doorbraak voor verzet in principe naar de gehele onderklasse …”; Uit de basisstandpunten van Doorbraak.
(2) “Het geïllegaliserde 'precariaat' valt geheel buiten wat de rechtstaat genoemd wordt.”; Uit de basisstandpunten van de AAGU.
(3) Dit en de volgende citaten in deze alinea uit: Trouw van 3 december 2009.
(4) Dit en de volgende citaten in deze alinea uit: Headfirst van 20 mei 2010
(5) De Volkskrant, 17-05-2008.
(6) Quote, 03-11-2010.
(7) CPB-rapport Macro-Economische Verkenningen 2011
(8) Rapport ”Armoede in Nederland 2010”, Kerk in Actie, 4 november 2010.
(9) Grenzeloos spreekt zelfs al triomfantelijk over “De geboorte van een nieuwe vakbeweging”.
"Meer dan welke klasse ook in de geschiedenis is het proletariaat rijk aan prachtige revolutionaire figuren, aan toegewijde militanten, onvermoeibare strijders, martelaars, denkers en mensen van de actie. "Meer dan welke klasse ook in de geschiedenis is het proletariaat rijk aan prachtige revolutionaire figuren, aan toegewijde militanten, onvermoeibare strijders, martelaars, denkers en mensen van de actie. Dat is toe te schrijven aan het feit dat, in tegenstelling tot andere revolutionaire klassen die enkel tegen de reactionaire klasse vochten om hun eigen heerschappij in te stellen en de onderwerping van de maatschappij aan hen egoïstische belangen van bevoorrechte klasse, het proletariaat geen voorrechten te veroveren heeft.” (De drie L’s: Lenin, Luxemburg, Liebknecht, l'Étincelle, het blad van de Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk, 1946)
De arbeidersbeweging telt zoveel van deze voorbeeldige militanten dat het onmogelijk is ze allemaal te eren. Sommigen onder hen drukken echter op een bijzondere wijze de passie uit voor de revolutie en we willen hier daarom drie van hen in herinnering brengen, die de moeilijke beproeving van de periode van contra-revolutie in de jaren 1920 en 1930 en de daaropvolgende Tweede Wereldoorlog doorgemaakt hebben. Het gaat om Leo Trotski, 70 jaar geleden gestorven, Anton Pannekoek, 50 jaar geleden overleden, en Jan Appel, die ons 25 jaar geleden ontviel. Hoewel ze elk een zeer verschillende levensloop kenden en vaak zeer diepe meningsverschillen hadden, hebben deze felle strijders van het proletariaat, en ondanks hun politieke fouten, nooit opgehouden hun leven enkel te wijden aan de verdediging van de belangen van hun klasse.
Trotski
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog wordt Trotski, na een vurig militanten leven, dat geheel gewijd was aan de zaak van de arbeidersklasse, als revolutionair en strijder met een pikhouweel vermoord door een agent van de GPOE. Ondanks zijn ernstige politieke fouten, zijn de bijdragen van Trotski aan de arbeidersklasse immens. Gedurende zijn leven is hij talrijke keren gearresteerd, uitgestoten en verbannen, maar hij bleef zich inzetten voor het revolutionaire perspectief. Heel jong al was hij een actief propagandist in de sociaal-democratische krant Iskra, een uitzonderlijk redenaar, en voorzitter van de Sovjet van Petrograd tijdens de revolutie van 1905. Hij had belangrijke meningsverschillen met Lenin en alhoewel hij werd gedwongen uit te wijken naar de Verenigde Staten, kwam hij in mei 1917 terug naar Rusland en vervoegde zich bij de Bolsjewistische Partij. Zijn rol in de Oktoberrevolutie is doorslaggevend, net als de rol die hij speelt in de oprichting en organisatie van het Rode Leger, dat de verdediger wordt van revolutionair Rusland tegen de aanvallen van de contra-revolutionaire witte legers en de coalitietroepen, die proberen “de kommunistische pest” te verpletteren. (1)
Hij speelde nog een bijzonder ondankbare rol, want achteraf zwaar bekritiseerd, als hoofd van de delegatie die in maart 1918 onderhandelde met Duitsland over de vrede van Brest-Litovsk, welke de bevolking in Rusland enige tijd adempauze gaf. Trotski was aan de zijde van Lenin één van de oprichters van de Kommunistische Internationale, waarvoor hij de redacteur was van talrijke fundamentele teksten. Zijn Geschiedenis van de Russische Revolutie vormt een essentiële referentie voor het begrijpen en bevatten van heel het belang van deze historische gebeurtenis. De literaire nalatenschap van Trotski, op politiek, historisch, cultureel en theoretisch vlak, is enorm, waarmee hij het devies van Marx ook tot het zijne maakt: “Niets menselijks is mij vreemd”.
Zijn theorie van de 'permanente revolutie' en de analysefouten die ermee gepaard gaan (zoals de noodzaak voor het proletariaat de burgerlijke revolutie door te voeren in landen waar de bourgeoisie zelf te zwak is om het feodalisme te overwinnen) zijn één van de hefbomen, die Stalin er al vroeg toe brengen hem te haten. De grondregel van deze theorie is dat de revoluties van de 20e eeuw niet kunnen ophouden als burgerlijke en nationale doeleinden bereikt zijn en stelt zich tegenover de theorie van het 'socialisme in één land' en daarna van de 'revolutie in stappen' die de basis vormen van het stalinisme in de jaren 1920 en 1930.
Trotski, die zei:“De realiteit vergeeft de theorie geen enkele fout”, verdedigde in zijn laatste jaren talrijke opportunistische standpunten, zoals de politiek van ‘entrisme’ in de sociaal-democratie, het proletarisch eenheidsfront, de kwestie van de proletarische aard van de USSR, enzovoort, standpunten die de Kommunistische Linkerzijde in de jaren 1930 terecht bekritiseerde (2). Hij is echter nooit overgestapt naar het vijandelijk kamp, dat van de bourgeoisie, zoals de trotskisten na zijn dood wel deden. In het bijzonder over de kwestie van de imperialistische oorlog heeft hij tot het eind de traditionele opvatting van de revolutionaire beweging verdedigd: de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog. In het Manifest van de IVe Internationale, genaamd Alarm, dat hij zonder dubbelzinnigheden en uitsluitend vanuit het standpunt van het revolutionaire proletariaat heeft opgesteld om stelling te nemen tegenover de veralgemeende imperialistische oorlog, kan men lezen:
"De IVe Internationale bouwt haar politiek niet op de militaire lotgevallen van de kapitalistische staten, maar op de omvorming van de imperialistische oorlog in een oorlog van arbeiders tegen kapitalisten, voor de omverwerping van de heersende klassen in alle landen, op de socialistische wereldrevolutie” (Manifest van de IVe Internationale van 29 mei 1940, p.75, hoofdstuk 24, Œuvres de Trotski). Ziedaar, wat de trotskisten vergeten en verraden hebben.
Hoe intensiever de wereldoorlog werd, hoe meer de eliminatie van Trotski een cruciaal punt werd voor de wereldbourgeoisie (3), net als voor Stalin. Om zijn macht te grondvesten en een politiek te ontwikkelen die hem tot de belangrijkste bouwer van de contra-revolutie maakte, heeft Stalin eerst talloze revolutionairen, oude Bolsjewiki, geëlimineerd door hen naar de kampen te sturen. Vooral zij, die de kameraden van Lenin waren, de bouwers van de Oktoberrevolutie, werden hierdoor getroffen. Maar dat volstond nog niet. De gevaarlijkste van alle Bolsjewiki, ook al was hij in het buitenland, was Trotski. Stalin had hem al getroffen door in 1938 zijn zoon Léon Sédov te laten vermoorden in Parijs. Nu moest Trotski zelf opgeruimd worden.
Zijn eliminatie had een veel grotere betekenis dan die van de andere oude Bolsjewiki en die van de leden van de Russische Kommunistische Linkerzijde.
Anton Pannekoek
Op 28 april 1960 overleed Anton Pannekoek, na meer dan 50 jaar strijd voor de arbeidersklasse. Aan het begin van de 20e eeuw begon hij als verdediger van de belangen van de arbeidersklasse door stelling te nemen in de strijd tegen de revisionistische tendensen, in de Nederlandse arbeidersbeweging vertegenwoordigd door Troelstra. Met Gorter klaagde hij elke samenwerking aan met de progressieve liberale fracties van de bourgeoisie in het parlement.
“Niet een tegemoetkomende houding, niet overleg, niet toenadering tot de burgerlijke partijen en afslaan van onze volle eisen zijn de beste middelen om wat te krijgen, maar versterking van onze organisaties, uiterlijk in omvang, innerlijk in kennis en klassenbewustzijn, zodat zij voor de bourgeoisie als een steeds dreigender en vreeswekkender macht verschijnen.” (Anton Pannekoek en Herman Gorter, Marxisme en revisionisme, De Nieuwe Tijd, 1909)
Toen hij in 1906 naar Duitsland ging om les te geven aan de SPD-school, kwam hij al gauw in conflict met de leiding, onder meer met Kautsky, over het belang van een zelfstandige massa-actie van de arbeiders. In 1911 was hij de eerste van de socialisten die, in het voetspoor van Marx na de nederlaag van de Commune van Parijs, verklaarde dat de strijd van de arbeiders tegen de kapitalistische overheersing geen andere keus heeft dan de vernietiging van de burgerlijke staat. “De strijd van het proletariaat, schreef hij, is niet enkel een strijd tegen de bourgeoisie om de staatsmacht; het is ook een strijd tegen de staatsmacht.” (geciteerd in Staat en Revolutie van Lenin)
Toen in 1914 de wereldoorlog uitbrak, nam hij resoluut stelling tegen het verraad van de sociaal-democratische leiders van de Tweede Internationale. Gedurende de oorlog werd hij sympathisant van de ISD in Bremen en de SPD in Nederland, en schreef hij artikelen tegen de oorlogspolitiek. In een brief aan Van Ravensteyn van 22 oktober 1915 legt hij uit wat hem ertoe bracht zich te verbinden aan het initiatief van de Linkerzijde van Zimmerwald.
Daarna sprak hij zijn onvoorwaardelijke solidariteit uit met de Russische arbeiders toen die in 1917, in Sovjets georganiseerd, de macht grepen, en bleef hij onverdroten de noodzaak propageren van de wereldrevolutie. “Wat we hoopten is ondertussen gebeurd. Op 7 en 8 november hebben de arbeiders en soldaten van Petrograd de regering Kerenski omvergeworpen. En het is waarschijnlijk (...) dat die revolutie zich over heel Rusland zal uitbreiden. Een nieuw tijdperk begint, niet alleen voor de Russische revolutie, maar ook voor de proletarische revolutie in Europa.” (Anton Pannekoek, De Russische Revolutie III, De Nieuwe Tijd, 1917, p.560; De Russische Revolutie VIII, De Nieuwe Tijd, 1918, p.125)
Toen de meerderheid, die uit de KPD uitgesloten werd, in april 1920 een nieuwe partij oprichtte, de KAPD, was Pannekoek een grote inspirator voor het programma van deze politieke organisatie. Dit programma verenigde de belangrijkste standpunten van de nieuwe periode. Pannekoek was (precies zoals Rosa Luxemburg tot zij in 1919 vermoord werd) aan het begin van de jaren 1920 een, weliswaar kritisch, maar een vurig verdediger van de Oktoberrevolutie.
Maar dat belette hem niet om uiteindelijk foute lessen te trekken uit de nederlaag van de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland. Hij kwam inderdaad tot de conclusie dat de Bolsjewiki in feite een burgerlijke revolutie hadden geleid. Waarom? Niet alleen omdat volgens hem in 1917 in Rusland nog resten van feodalisme bestonden, versnipperde vormen van kleinburgerlijke productie, maar ook omdat Lenin het verschil niet goed begrepen zou hebben tussen proletarisch materialisme en het burgerlijk materialisme. (Zie John Harper (pseudoniem van Anton Pannekoek), Lenin als Filosoof, 1938)
Voor elke revolutionair van vandaag blijven de werken van Pannekoek, ondanks zijn latere fouten, een belangrijke referentie, alleen al omdat hij, zoals andere linkskommunisten een brug sloeg tussen de sociaal-democratische Tweede Internationale en de beginnende Kommunistische Derde Internationale, de periode die zich uitstrekte van 1914 tot 1919, en omdat hij daarna zijn theoretische werk is blijven voortzetten. Zoals hij later herhaalde: “... onze taak is vooral een theoretische taak: door studie en discussie de beste weg vinden en aanduiden voor de actie van de arbeidersklasse.” (Brief van Pannekoek aan Castoriadis – Socialisme ou Barbarie, 8 november 1953)
Jan Appel
Op 4 mei 1985 stierf de laatste grote figuur van de Kommunistische Internationale, Jan Appel, op de leeftijd van 95 jaar. Het proletariaat zal nooit zijn leven vergeten, een leven van strijd voor de bevrijding van de mensheid.
De revolutionaire golf van het begin van vorige eeuw is mislukt. Duizenden marxistische revolutionairen werden gedood in Rusland en Duitsland, sommigen pleegden zelfs zelfmoord. Maar ondanks die lange nacht van de contra-revolutie bleef Jan Appel trouw aan het marxisme, bleef hij trouw aan de arbeidersklasse, overtuigd van het feit dat de proletarische revolutie moest komen. Jan Appel werd gevormd en gehard in de revolutionaire beweging in Duitsland en Nederland aan het begin van vorige eeuw. Hij streed zij aan zij met Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, Lenin, Trotski, Gorter, Pannekoek. Hij streed in de revolutie in Duitsland in 1919. Hij behoorde tot degenen die nooit de zaak van het proletariaat verrieden. Hij was een waardig vertegenwoordiger van die anonieme massa van de gestorven generaties van het proletariaat. Hun historische strijd heeft zich altijd gekeerd tegen persoonsverering of het nastreven van glorierijke titels. Evenmin als Marx en Engels hoeft Jan Appel geen rekenschap af te leggen aan de kapitalistische sensatiepers.
Maar hij was ook meer dan zomaar iemand uit heel die anonieme massa moedige revolutionaire militanten, welke werd voortgebracht door de revolutionaire golf van de arbeidersbeweging begin vorige eeuw. Hij heeft sporen nagelaten voor de revolutionairen, die vandaag de fakkel overnemen. Jan Appel was in staat degenen te herkennen, even anoniem en voor het ogenblik beperkt tot een kleine minderheid, die de kommunistische strijd voort zullen zetten. Met trots hebben wij Jan Appel ontvangen op het Oprichtingscongres van de Internationale Kommunistische Stroming in 1976 in Parijs.
Geboren in 1890 begint Jan Appel al heel jong te werken op de scheepswerven in Hamburg. In 1908 is hij een actief lid van de SPD. In de oorlog, jaren vol kwelling, neemt hij deel aan discussies over de nieuwe kwesties die zich aan de arbeidersklasse stellen: de houding tegenover de imperialistische oorlog en tegenover de Russische revolutie. Dat brengt hem ertoe om zich eind 1917-begin 1918 aan te sluiten bij de Linksradikalen in Hamburg, die duidelijk standpunt kozen tegen de oorlog en voor de revolutie. Vervolgens beantwoordde hij de oproep, in juli 1917 van de IKD in Hamburg, die alle revolutionairen vroegen om te ijveren voor de oprichting van een USPD, in oppositie tegen de reformistische en opportunistische politiek van de SPD-meerderheid. Gedreven door de arbeidersgevechten van eind 1918 treedt hij ook toe tot de Spartakusbund van Rosa Luxemburg en neemt hij na de eenmaking in de KPD(S) een verantwoordelijke positie in de groep van het district Hamburg.
Op basis van zijn actieve deelname aan de gevechten, die sinds 1918 plaatsvonden, en zijn organisatorische talenten, kiezen de deelnemers aan het Oprichtingscongres van de KAPD Jan Appel en Franz Jung als vertegenwoordigers van de Partij voor de Kommunistische Internationale in Moskou. Zij moesten discussiëren en onderhandelen over haar toetreding tot de Derde Internationale en over de verraderlijke houding van de centrale van de KPD tijdens de Ruhropstand. Om in Moskou te geraken moesten ze een schip kapen. Daar aangekomen hadden ze discussies met Zinovjev, voorzitter van de Kommunistische Internationale, en met Lenin. Op basis van het manuscript van Lenin, ‘De Linkse Stroming, een Kinderziekte van het Kommunisme’, discussieerden ze lange tijd en weerlegden onder meer de valse beschuldigingen van syndicalisme (dat wil zeggen: de verwerping van de rol van de partij) en van nationalisme.
Er waren nog verschillende reizen naar Moskou nodig totdat de KAPD als sympathiserende organisatie werd toegelaten tot de Derde Internationale en zo deel kon nemen aan het Congres van 1921.
Appel was actief overal waar de KAPD en de AAUD hem heen stuurden. Zo werd hij de verantwoordelijke voor het weekblad Der Klassenkampf van de AAU in het Ruhrgebied, waar hij bleef tot in november 1923.
Op het IIIe Congres van de Kommunistische Internationale, in 1921, waren Appel, Meyer, Schwab en Reichenbach de afgevaardigden die, tegen het groeiende opportunisme binnen de Komintern, de laatste onderhandelingen voerden namens de KAPD. Ze probeerden tevergeefs, samen met de afgevaardigden van Bulgarije, Hongarije, Luxemburg, Mexico, Spanje, Groot-Brittannië, België en de Verenigde Staten, een linkse oppositie te vormen. Kordaat onderstreepte Jan Appel, onder het pseudoniem Hempel, tegen het sarcasme van de Bolsjewistische en KPD-afgevaardigden in, aan het einde van dit IIIe Congres enkele fundamentele kwesties voor de wereldrevolutie van vandaag. Laten we aan zijn woorden herinneren: “De Russische kameraden zijn evenmin supermannen, en ze hebben tegenwicht nodig, en dat tegenwicht moet een Derde internationale zijn die elke tactiek van compromis, parlementarisme en oude vakbonden uitschakelt.”
Tot het einde toe was Jan Appel ervan overtuigd dat “alleen de klassenstrijd van belang is”. We zetten zijn strijd verder.
IKS / augustus 2010
Voetnoten
(1) De moeilijke omstandigheden waar de Bolsjewistische Partij en de arbeidersmassa’s, zowel op economisch als op militair vlak, mee geconfronteerd werden, waren het gevolg van ernstige fouten: de afslachting van de muitende matrozen van Kronstadt in 1921 en van het militair offensief tegen de beweging van Machhno in Oekraïne. Terwijl bepaalde militanten binnen van de Bolsjewistische Partij zich keerden tegen deze grove fouten, dan was Trotsky niet één van hen, hij is zelfs een van de belangrijkste uitvoerders geweest van deze repressies.
(2) Lees hiervoor onze brochure: Het trotskisme tegen de arbeidersklasse en de Internationale Revue (Fr, Eng, Sp) nr.103.
(3) Robert Coulondre, ambassadeur van Frankrijk bij het Derde Rijk, geeft er een welsprekende getuigenis van in zijn beschrijving van zijn de laatste ontmoeting met Hitler, net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Hitler ging er prat op zojuist een pact met Stalin te hebben afgesloten. Hij schetste een grandioos panorama van zijn toekomstige militaire zegetocht. In zijn antwoord aan Hitler trachtte de Franse ambassadeur echter een beroep te doen op zijn redelijkheid en schetste hem de sociale oproer en het gevaar van de revoluties, die door een lange en moorddadige oorlog zouden kunnen worden teweeggebracht en die alle oorlogvoerende regeringen ten val zouden kunnen brengen. “U denkt enkel aan uzelf als overwinnaar”, zei de franse ambassadeur, “maar heeft u gedacht aan een andere mogelijkheid: dat Trotsky wel eens de winnaar zou kunnen worden?”
Links
[1] https://nl.internationalism.org/tag/2/33/het-nationale-vraagstuk
[2] https://nl.internationalism.org/tag/7/117/internationalistisch-anarchisme
[3] https://nl.internationalism.org/tag/7/122/officieel-anarchism
[4] https://nl.internationalism.org/tag/3/45/internationalisme
[5] https://nl.internationalism.org/tag/3/49/oorlog
[6] https://raforum.apinc.org
[7] https://nl.internationalism.org/files/nl/Were121.pdf
[8] https://nl.internationalism.org/tag/4/76/nederland
[9] https://nl.internationalism.org/tag/2/31/het-parlementaire-bedrog
[10] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/situatie-nederland
[11] https://nl.internationalism.org/tag/4/96/afghanistan
[12] mailto:[email protected]
[13] https://webgsl.wordpress.com
[14] https://proyectoanarquistametropolitano.blogspot.com
[15] https://fr.internationalism.org/node/4256
[16] https://es.internationalism.org/node/2715
[17] https://nl.internationalism.org/tag/18/281/linkskommunisme-en-internationalistisch-anarchisme
[18] https://nl.internationalism.org/tag/7/109/kommunistische-linkerzijde
[19] http://www.internationalism.org