Aantekeningen over de studentenstrijd in Frankrijk

Printvriendelijke versie

De demonstraties die donderdag 16 maart over heel Frankrijk plaatsvonden brachten zo’n 500.000 mensen op straat terwijl de beweging nog in omvang toenam; de grote vraag van de week daarvoor – of the massa van de loonarbeiders zich bij de betogingen die voor zaterdag 18 maart waren voorzien zou aansluiten – werd concreet beantwoord: in Frankrijk als geheel kwamen er ongeveer een miljoen mensen op straat (1). Zelfs steden waarin al sinds mensenheugenis geen enkele demonstatie meer was gehouden werden erdoor aangestoken: 15.000 mensen in Pau; er was zelfs een demonstratie in Chalons sur Saône midden op het Franse platteland.
Voor de leden en sympathisanten van de IKS die in de afgelopen werken aan de beweging deelnamen, vooral sinds de demonstraties van 7 maart, waren het gedenkwaardige en opwindende dagen. We zullen hier geen uitgebreid verslag doen van de gebeurtenissen (we hebben daar de tijd niet voor!) maar leggen liever de nadruk op een paar aspecten die ons de belangrijkste van de beweging lijken.
Sommige mensen zouden zich kunnen afvragen waarom een kommunistische organisatie zichzelf met zoveel enthousiasme – zoals de IKS dat gedaan heeft – in een studentenbeweging stort. De studenten vormen tenslotte op zichzelf geen klasse, en maken als zodanig ook geen deel uit van de arbeidersklasse. Er zijn echter twee goede redenen:

  • Het is op de eerste plaats nodig het verschil te begrijpen dat er in Frankrijk bestaat tussen wat de Grandes écoles wordt genoemd en de universiteiten. De eersten zijn voornamelijk voorbehouden aan de heersende klasse (2), en hun afgestudeerden – de ingénieurs – vinden over het algemeen gemakkelijk goedbetaalde banen in de Franse ambtenarij en in de belangrijkste bedrijven; het hele systeem lijkt inderdaad in veel opzichten op dat van de ‘nomenklatoera’ waardoor de Stalinistische heersende klasse van de voormalig Sovjet-Unie haar eigen opvolging veilig stelde. De universiteiten daarentegen voorzien in geschoolde arbeiderskrachten voor de huidige hoogtechnologische industrieën en diensten. De minimumvereisten om deel uit te gaan maken van het leger van laag-betaalde technici die de fabrieken, laboratoria en kantoren bevolken bestaan momenteel uit het bac+3 (drie jaar universiteit na de middelbare school), of zelfs bac+5. Zo bestaat de overgrote meerderheid van de universiteitsstudenten uit zowel kinderen als toekomstige leden van het Franse proletariaat. Dat vormt een aanzienlijk verschil met de toestand in Mei 1968 toen maar 7% van de jeugd naar de universiteit ging (en ook met andere Europese landen waar veel lager percentages van de jeugd college lopen).
  • Op de tweede plaats is er de doelstelling van de studentenbeweging – de regering te dwingen om het Contrat de Première Embauche (CPE, Startbaancontract) in te trekken waarvan de belangrijkste bepaling (een tweejarige proefperiode waarin een werknemer ontslagen kan worden zonder voorafgaande verwittiging door de werkgever of enige opgaaf van redenen) – duidelijk een eis die de hele arbeidersklasse aangaat; de massa van de werkloze jeugd die in de goot terechtkomt daarbij inbegrepen en waarvan de woede en wanhoop in de afgelopen herfst in rellen uitbarstte. En de studenten zijn zich daarvan heel wel bewust en hebben consequent geweigerd in te gaan op pogingen om de strijd weg te leiden naar een terrein van ‘universiteitshervormingen’ (met name dat van het Europese standaard LMD-diploma (Licence Masters Doctorat), waarbij ze er de nadruk op legden dat hun zaak niet alleen de studenten aanging maar iets was dat alle loonafhankelijken betreft.

Eenheid van de generaties

Voor degenen onder ons van de ‘oude generatie’, die deelnamen aan de strijd zoals die door de gebeurtenissen van Mei 1968 in heel de geïndustrialiseerde wereld opvlamde, is één van de belangrijkste kenmerken van de huidige beweging het verdwijnen van de ‘generatiekloof’ waarover de media indertijd zoveel ophef maakten. De ouders van de nieuwe generatie van de arbeidersklasse die de beweging van de jaren 1960 en 1970 op gang brachten hadden de gruwelijke nederlaag meegemaakt van de contra-revolutie, het leed van de jaren 1930 en de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog (en al de illusies over de overwinning van de ‘democratie’ na de oorlog). De jeugd groeide op in een andere wereld en koesterde vaak een diep wantrouwen tegenover hun ouders (het sterkste voorbeeld daarvan werd ongetwijfeld gevormd door Duitsland, waar de leuze “vertrouw niemand van boven de dertig” de walging vertaalde van de jeugd voor wat ze zagen als de erfenis van het Nazisme in de generatie die de oorlog had meegemaakt). Daarvan vinden we nu niets meer terug. In tegendeel, de oudere leden van de IKS, die politiek actief werden in de beweging van 1968, werden diep getroffen bij het zien van jongeren die hun kinderen konden zijn (en die, in sommige gevallen, inderdaad hun kinderen waren) en die naar hen toekwamen om raad te vragen en die wilde leren uit de geschiedenis van hun strijd. Leden van over de vijftig en zestig jaar konden massabijeenkomsten van jongeren toespreken waarbij er niet alleen naar ze werd geluisterd maar er ook voor ze werd geapplaudisseerd (eigenlijk werd er iedere keer geapplaudiseerd als IKS-leden het woord kregen, soms zelfs met groot enthousiasme). In Toulouse, waar een van onze kameraden les aan de universiteit geeft en bekend staat als lid van onze organisatie werd er geapplaudisseerd door een massabijeenkomst van meer dan duizend studenten die hem vervolgens vroegen om een ‘alternatieve cursus’ over de geschiedenis van de revolutionaire beweging te geven. In Grenoble werd een andere kameraad bij een massabijeenkomst verwelkomd door verschillende jongeren die verklaarden “we rekenen op jou om tegen de vakbonden in te gaan” – hetgeen hij natuurlijk naar vermogen deed!
Het belang van deze eenheid van verschillende generaties, waar de ouderen datgene wat ze geleerd hebben kunnen toevoegen aan de dynamiek van de jongeren is tekenend voor de nieuwe geest die door de wereld van de arbeidersklasse waait. Momenteel staan er twee generaties van ongeslagen arbeiders tegenover het kapitaal: de oudere generatie is weliswaar toegetakeld door de strijd van de jaren 1980 en de gruwelijke teruggang van de jaren 1990 – maar heeft het hoofd niet gebogen en de jeugdherinneringen ervan bestaan niet uit die van de oorlog, maar die van strijd.

Een buitengewoon hoge organisatiegraad

De beweging is georganiseerd in massabijeenkomsten (assemblées générales of AG genaamd; algemene vergaderingen) die op iedere vergadering over de staking stemmen voor de periode tot aan de volgende vergadering. Het is duidelijk dat de graad en samenhang van de organisatie verschilt van de ene universiteit tot de andere. In veel gevallen wordt de algemene vergadering voorgezeten door een zelf-benoemd presidium dat is opgezet door een studentenvakbond (meestal de UNEF), die ertoe neigt het functioneren ervan te overheersen en de deelname van niet-vakbondsleden te ontmoedigen. Maar elders – vooral in Paris III Censier dat in de beweging duidelijk voorop loopt – is de graad van organisatie en rijpheid van de studenten wel heel opmerkelijk. Zie hoe iedere vergadering begint: met een voorstel voor een presidium van drie personen, waarvan elk van de kandidaten zijn of haar naam geeft, studiejaar en studierichting, en daaraan toevoegt of hij al dan niet deel uitmaakt van een vakbond of van een politieke organisatie (niet-vakbondsleden en niet-politieken geven doorgaans de toon aan); het presidium wordt dagelijks gewijzigd, en er wordt niets besloten voordat het is aanvaard door de AG; de dag begint dan met verslagen (te beginnen met verslagen van de verschillende comité’s – “Scholing en actie”, “Pers”, “Contacten naar buiten”, enzovoort – om dan over te gaan naar verslagen van de afgevaardigden die een mandaat hadden gekregen om de nationale of regionale Coördinaties bij te wonen (die zijn gevormd om de verschillende universiteiten te coördineren). En dat is niet de enige opmerkelijke karaktertrek van de AG: iedereen kan het woord voeren – zelfs die van buiten de universiteit; sprekers krijgen een maximum van drie minuten elk (het blijkt mogelijk om in drie minuten heel veel dingen te zeggen!); voorstellen worden gedaan en opgeschreven op het schoolbord achter het presidium zodat iedereen het kan zien. En aan het eind van de vergadering wordt er over alle voorstellen die aan de vergadering zijn voorgelegd gestemd; in sommige gevallen, als het er op lijkt dat een voorstel niet geheel is begrepen roept het presidium mensen op om ‘voor’ en ‘tegen’ een voorstel te pleiten.
De doelmatigheid van de vergadering hangt natuurlijk niet alleen af van het presidium, maar ook van de verbazingwekkende rijpheid van al de deelnemers: naar iedere spreker wordt geluisterd, de sprekers zelf nemen de tijdslimiet in acht. Ze hebben zelfs doventaal overgenomen om stilzwijgend goedkeuring te kennen te geven met een spreker, om te voorkomen dat het verloop van de vergadering verstoord wordt door gejuich of applaus. In Nantes slaagde het presidium er in een enthousiaste vergadering te kalmeren met de woorden: “We zijn niet op de televisie hoor!”
Het is niet overdreven om te stellen dat, op hun eigen wijze en in een beperkter beweging, de huidige Franse jeugd niet alleen de erfgenaam is van Mei 1968, maar ook van de Poolse arbeiders die de Stalinistische staat in 1980 overbluften.

Een gezond instinct

Ondanks het feit dat de AG vaak worden geleid door een presidium dat door de vakbond wordt beheerst bestaat er toch een algemeen en gezond wantrouwen tegenover ieder voorstel om de besluitvorming bij de AG zelf weg te halen. Bij Paris III Censier waren we getuige van debatten over twee zaken die dit heel goed illustreren: over de aard van het mandaat dat de AG gaf aan haar afgevaardigden naar de regionale Coördinatie van het Île de France (de Parijse regio), en over het voorstel om een ‘coördinatiebureau’ op te zetten dat zogenaamd als een soort van ‘informatieverspreider’ zou moeten worden aangesteld door de regionale Coördinatie.
In het debat over het mandaat stonden aanvankelijk de aanhangers van ‘vrije’ en ‘onvoorwaardelijke’ mandaten tegenover elkaar: de eersten wilden de afgevaardigden in wezen in staat stellen om hun eigen initiatieven te ontplooien tijdens de Coördinatie; zelfs als dit in tegenspraak was met het mandaat van de AG; de laatsten wilden de afgevaardigden er op vastleggen enkel te stemmen volgens de besluiten en discussies van de AG zelf. Zoals snel duidelijk werd gemaakt bestaat één van de belangrijkste nadelen van het ‘onvoorwaardelijke’ mandaat er uit dat de gedelegeerde niets meer kan zeggen over een nieuw voorstel dat niet vooraf door de AG is bediscussieerd. Het duurde niet meer dan tien minuten voordat het presidium dat helder en begrijpelijk wist te maken en om over te gaan tot het stemmen over een tussenoplossing: het half-voorwaardelijke mandaat, waarbij door de AG benomen besluiten bindend zijn terwijl er ruimte blijft voor het initiatief van de afgevaardigden zodra het over een zaak gaat die nog niet in de AG was bediscussieerd.
Het voorstel om een ‘coördinatiebureau’ tot stand te brengen werd na niet meer dan vijf minuten verworpen omdat er geen enkel nuttig doel werd gediend met het invoeren van nog weer een centralisatieniveau onafhankelijk van de AG.
Het hoeft geen verbazing te wekken dat de voorstellen om de besluitvorming bij de AG weg te halen van de trotskisten van de LCR (Ligue Communiste Révolutionnaire) kwam: dit is een consequente politiek van trotskisten en vakbondsmensen – het tot stand brengen van steeds meer ‘coördinatie’-lagen en steeds meer ‘bureaus’ waar de informatie en de beslissingsbevoegdheid terecht komen, en waar hun eigen leden over alle informatie kunnen beschikken en de macht uitoefenen. Wat ons betreft – en hoewel we in het algemeen uit beginsel tegen het ‘onvoorwaardelijke mandaat’ zijn – kwam de verwerping door de AG’s van deze voorgestelde maatregelen, waardoor de besluitvorming uit haar handen zou verdwijnen, voort uit een gezond instinct van wantrouwen tegenover de pseudo-professionele bureaucraten en politici.

Het vakbondsvraagstuk

Een idee dat min of meer duidelijk uit de beweging naar voren kwam is dat de eis van intrekking van het CPE niet slechts een studenten-eis is en dat de beweging op zoek moest gaan naar de actieve steun van de loonarbeiders. Het is overbodig te zeggen dat in staking gaan voor loonarbeiders een ander verhaal is dan voor studenten: terwijl het juist is dat voor veel studenten die moeten werken om hun studie te bekostigen en die het zich niet kunnen veroorloven een jaar over te moeten doen staken een ernstige aangelegenheid is, dan is dat niet vergelijkbaar met het probleem waarvoor loonarbeiders worden gesteld die de huur moeten betalen, schulden moeten aflossen, hun gezinnen te eten moeten geven, en die bovendien niet wettig kunnen staken wanneer daartoe niet is opgeroepen door de vakbonden. De studenten beseften dat in het algemeen (afgezien van een paar heethoofden die opriepen tot een ‘algemene staking’, wat in de huidige situatie helemaal niets betekent): er werd bijvoorbeeld (ter voorbereiding van de betoging van 18 maart) herhaaldelijk voorgesteld om te betogen in de weekeinden om de loonarbeiders mee te kunnen laten doen. Maar de lastigste vraag was: hoe de loonarbeiders in beweging te krijgen?
Het meest voor de hand liggende antwoord bestaat eruit daartoe een verzoek in te dienen bij de vakbeweging. En inderdaad zagen we wat dat betreft meerdere malen voorstellen om op plaatselijk of landelijk vlak naar de vakbonden toe te stappen. Het probleem was dat de vakbeweging zelf hoegenaamd geen lust vertoonde om de loonarbeiders de beweging te laten versterken. De vakbonden gaven er geen enkele ruchtbaarheid aan, bijvoorbeeld door op te roepen tot deelname aan de betoging van donderdag 16 maart, en het was pas op vrijdag de zeventiende dat ze er mee begonnen om de betoging van de volgende ochtend bekend te maken. Dat was de eerste betoging waartoe werd opgeroepen voor een zaterdag, met de uitdrukkelijke bedoeling van de kant van de studenten om de loonarbeiders in de gelegenheid te stellen mee te doen.Als we de ware aard van de vakbonden niet kenden – als het puntje bij het paaltje komt zijn het de beste vrienden van de bazen – dan zouden we dat schandalig, en zelfs ronduit beschamend noemen.
Maar wat dan te doen? Als de studenten niet op de vakbonden konden rekenen om de loonarbeiders tot staken op te roepen – wat duidelijk niet het geval was – dan moesten ze het zélf doen, door pamfletten te verspreiden op plaatsen waar veel arbeiders bijeenkomen (in Parijs betekende dat vooral de ondergrondse trein-stations waar iedere dag tienduizenden mensen op weg van en naar hun werk langskomen). Leden van de IKS ondersteunden krachtig – en werden daarvoor enthousiast toegejuicht – het indienen en laten aannemen van moties in die richting.

Het geweld en de rol van de media

Heel tekenend voor de beweging is de wijze waarop daarvan verslag is gedaan in de media, zowel in Frankrijk zélf als in het buitenland, en dan vooral door de televisie die voor de meeste arbeiders natuurlijk de belangrijkste bron van informatie is. Tot voor heel kort – eigenlijk met heel weinig uitzonderingen tot aan de betoging van donderdag 16 maart – hadden de media in Frankrijk het over maar één ding: de bezetting van de Sorbonne en de gewelddadige confrontaties tussen bendes van jonge heethoofden (die uit wie-weet-waar kwamen) en de oproerpolitie van de CRS.
Tot voor kort gaf de televisie geen beelden van de massabijeenkomsten, de debatten of zelfs maar van de demonstraties: daartegenover waren er wel veel interviews met studenten die zich tegen de beweging verzetten, reportages over confrontaties tussen studenten, en de aanvallen op de CRS.
Buiten Frankrijk was de black-out rond de studentenbeweging bijna totaal – met uitzondering van geweld-fragmenten.
Dat alles steekt wel heel scherp af bij de ernorme aandacht voor de rellen in de Franse buitenwijken van de voorbije herfst, die werden zodanig buiten proporties opgeblazen dat we verklaringen ontvingen van kameraden in de voormalige Sovjet-Unie ter begroeting van de ‘revolutie’ die in Frankrijk plaatsvond!
We weten heel goed dat de media – en boven alles die van de televisie – nagenoeg volledig door de staat worden gecontroleerd, en dat zelfs waar ze dat niet worden is hun ‘zelf-censuur’ indrukwekkend: er is zelfs een oud Engels rijmpje dat als volgt gaat, en dat overal voor de media geldt:  “You cannot hope to bribe or twist, / thank God! the British journalist. / But seeing what that man will do / unbribed, there's no occasion to” (3).
Wat de studenten zich dus moesten afvragen was: welk belang heeft de staat bij het uitzenden van dergelijke beelden – ten koste van haast al het overige? Het antwoord ligt voor de hand: het draagt ertoe bij de beweging in diskrediet te brengen bij de massa van de werkende klasse die momenteel zeker niet staan te trappelen om een gewelddadige confrontatie met de staat aan te gaan. Het geweld dreigt niet alleen de beweging in de rest van de klasse ongeloofwaardig te maken, maar het maakt ook de soevereiniteit van de AG verdacht omdat het geheel en al aan haar controle ontsnapt. Dit laatste vraagstuk – dat van de controle – is van doorslaggevend belang: het geweld van de arbeidersklasse heeft niets te maken met het blinde geweld van de jonge heethoofden bij de Sorbonne of – het moet gezegd worden – van veel anarchistische groepen, vooral omdat het door de klasse als geheel wordt uitgeoefend en collectief wordt gecontroleerd. De studentenbeweging heeft fysieke kracht gebruikt (bijvoorbeeld door de universiteitsgebouwen te barricaderen en de toegang daartoe af te sluiten): het verschil met de confrontaties bij de Sorbonne ligt er in dat er collectief toe werd besloten en er over werd gestemd op de AG en dat de ‘blockers’ een mandaat voor hun actie kregen van hun kameraden. De acties bij de Sorbonne daarentegen werden niet gecontroleerd door de beweging en vormde natuurlijk een perfecte gelegenheid voor het ingrijpen van lomperiken en politie-provocateurs; en gegeven de wijze waarop van dit geweld gebruik werd gemaakt door de media is er alle reden voor de veronderstelling dat er inderdaad provocateurs aanwezig waren om de zaak flink op te jutten.
Gezien de omstandigheden was de reactie van de studenten over het algemeen voorbeeldig. Toen het duidelijk werd dat de regering de Sorbonne daadwerkelijk wilde gebruiken als ‘valkuil’ voor de demonstraties, en als een middel voor onophoudelijke provocaties, kwam de reactie van de AG in Paris II Censier voornamelijk hier op neer: “De Sorbonne is een symbool, dat is waar. Wel, als ze het willen, laat ze hun symbool dan maar houden – des te beter als de CRS dáár is, laat die daar maar blijven. En we raden onze kameraden van de Sorbonne uit om voor hun AG naar Censier te komen.” Die raad werd overgenomen door de AG van Jussieu.
Daar komt nog bij – en ondanks het verlate gemanoevreer van de Trotskisten die probeerden hem te laten verwerpen – dat de AG van Censier een motie aannam “van steun aan de gewonde studenten, eventuele schade die het gebouw heeft opgelopen vewerpend, en uit medeleven met de gewonde CRS-er”. Het kernpunt van deze motie is dat hij op geen enkele manier instemming betekende met de repressie door de politie, maar erkende:

  • dat de kinderen van de laagbetaalde CRS zelf ook worden getroffen door de aanvallen van de regering (zoals sommige studenten tijdens niet-gewelddadige confrontaties probeerden uit te leggen aan de oproerpolitie);
  • dat de studenten van plan waren afstand te nemen van gewelddadige ‘akties’ die de beweging bepaald geen dienst verleenden.

Het is ook van belang om het verschil vast te stellen tussen de wijze waarop de media in Frankrijk en in het buitenland verslag deden van de betoging van 18 maart:

  • in Frankrijk richtten de media alle aandacht op het – onbetekenende – geweld aan het eind van de betogingen, maar minder dan bij eerdere gelegenheden; ze geven meer ruimte voor de enorme omvang en de rust van de demonstraties (en de vindingrijkheid van sommige van de leuzen);
  • in het buitenland (bijvoorbeeld op Euronews, of op yahoo.com waar het verslag van Associated Press de titel droeg: “Franse politie beteugelt rellen rond banenwet”, wat niet minder dan een platte leugen is), werd nagenoeg niets anders vertoond dan beelden van geweld en brandende auto’s.
    Daaruit kunnen we maar één conclusie trekken. De Franse media die probeerden om de beweging in de ogen van de arbeiders in diskrediet te brengen hebben nu begrepen dat ze het risico lopen om door al te openlijk te liegen alleen zichzelf ongeloofwaardig te maken in de ogen van een bevolking die weet wat er werkelijk gebeurd, en dan vooral in de ogen van de arbeiders die zelf demonstreren of waarvan de kinderen demonstreren.

Internationale Kommunistische Stroming, 19 maart 2006

(1) We nemen over het algemeen het gemiddelde van de schattingen die de vakbonden geven (overdreven) en die van de politie (belachelijk laag).
(2) Eigenlijk hangt de selectie voor de Grandes écoles niet direct af van geld omdat de kosten gering zijn (met uitzondering van de scholen voor handel en nijverheid). Daardoor kunnen bijzonder begaafde kinderen van de arbeiders of zelfs boeren worden toegelaten. Maar de selectiecriteria zijn wel gebaseerd op een elitair examensysteem waardoor studenten uit de sociale lagen met het benodigde ‘culturele niveau’ bevoordeeld worden (of wie het zich kan veroorloven zijn kinderen gedurende hun studies te onderhouden zodat ze niet hoeven te werken).
(3) Vrij vertaald: "Godzijdank! Je hoeft niet eens te hopen / dat je de Britse journalist bedriegen kan of omkopen / Maar als je ziet waartoe die in staat is zonder / omgekocht te zijn dan is dat ook geen wonder!"

Geografisch: