De anarchisten en de oorlog (II): De deelname van de anarchisten aan de Tweede Wereldoorlog

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Bij het naderen van de Tweede Wereldoorlog, na de nederlaag van de revolutionaire golf van de jaren 1920, waarbij de Russische revolutie afstierf aan haar isolement en vervolgens vermoord werd door de wereldbourgeoisie en het stalinisme, triomfeerden de contrarevolutie en de verplettering van het wereldproletariaat. In die context zal het anarchisme een fatale stap zetten in zijn evolutie.

Door de blinde wetten van het kapitalisme onherroepelijk voortgestuwd op de weg van het militarisme, bereidt de bourgeoisie in alle landen oorlog voor, of het nu gaat om fascistische of democratische staten, of evengoed in de stalinistische USSR. De impasse die gevormd wordt door de economische crisis laat haar geen ander alternatief dan deze vlucht vooruit in een tweede wereldwijde holocaust. Deze geforceerde mars naar de oorlog, de ware levenswijze van het kapitalisme in verval, brengt het fascisme voort. Dat kon ingesteld worden in landen waar de arbeidersklasse een zware nederlaag geleden had, waar het niet langer nodig was de democratische instellingen in stand te houden die juist als functie hebben het proletariaat te misleiden teneinde het te onderwerpen en te verslaan. Het fascisme bleek de meest aangepaste vorm voor het kapitalisme om de voorbereidingen te treffen die vereist werden door een versnelde gang naar oorlog.

Het ideologisch in de pas brengen voor de imperialistische oorlog achter de vlaggen van fascisme of nazisme, of achter de mythe van het 'socialistisch vaderland' voor het stalinisme, werd bewerkstelligd dankzij de meest afschrikwekkende terreur. Maar in de 'democratisch' gebleven landen moest de bourgeoisie om de arbeiders die de verplettering van revolutionaire bewegingen niet ondervonden hadden een bijzondere misleiding gebruiken : het antifascisme. Door de arbeiders zogenaamd een terrein te bieden waarop ze zich konden mobiliseren om zich te beschermen tegen de verschrikkingen van het fascisme, werd het middel gevonden om hen als kanonnenvlees te mobiliseren in de oorlog, in dienst van één imperialistisch kamp tegen het andere om de democratische staat te verdedigen. Om dat doel te bereiken bediende de bourgeoisie zich, met name in Frankrijk en Spanje, van de volksfronten en de intrede van de linkse partijen in de regering.

Het anarchisme opgeslokt door het antifascisme

In tegenstelling tot het proletarisch internationalisme dat een oproep van de arbeidersklasse was om door de proletarische revolutie een einde te maken aan de eerste wereldslachting, vormde het antifascisme geenszins een middel voor het proletariaat om zijn klassebelangen te verdedigen, maar wel een middel om het aan handen en voeten gebonden over te leveren aan de democratische bourgeoisie.

De toestand van contrarevolutie, die voorkwam uit de nederlaag van het proletariaat, die elke kans op een revolutionaire opstand onmogelijk maakte, moest echter absoluut niet leiden tot een in vraag stellen van de fundamentele principes van het proletarisch internationalisme tegenover de Tweede Wereldoorlog. Er viel geen kamp te kiezen. Het ging er om de bourgeoisie te bevechten, zowel die van het fascistische kamp als die van het democratische.

Gevangen in zijn obsessie 'de vrijheid' te verdedigen tegen het 'autoritarisme', capituleert het anarchisme compleet voor het antifascisme. Voor de oorlog behoren de verschillende stromingen van het anarchisme bij de voornaamste pleitbezorgers van het antifascisme. Dat zal de grote meerderheid van de anarchisten ertoe brengen resoluut partij te kiezen voor de Geallieerden in W.O.II. Ontdaan van elk klassecriterium gebaseerd op de reële sociale verhoudingen die de kapitalistische maatschappij beheersen, wordt het anarchisme ertoe gebracht zich volledig te onderwerpen aan de verdediging van de democratie, die bijzonder doortrapte vorm van de dictatuur van het kapitaal. Bepaalde internationalisten in 1914, zoals Rudolf Rocker, verdedigen de deelname aan de imperialistische oorlog in 1940, argumenterend dat er in 1940, anders dan in 1914, twee radicaal verschillende systemen bestaan en dat de strijd tegen het fascisme de steun rechtvaardigt aan de democratische staten. Deze benadering brengt het grootste aantal anarchisten ertoe fysiek deel te nemen aan de oorlog, in eerste plaats in de imperialistische legers zonder uniform, het maquis van het verzet (1).

In Frankrijk “stelt van bij het begin van de oorlog [de groep CNT-netwerk Vidal in de Pyreneeën] zich ten dienste van het Verzet en werkt hij actief mee met Intelligence Service en het Bureau Central de Renseignement et d'Action (BCRA) van de Gaulle, maar ook met het netwerk Sabot en de groep Combat. (…) Bij gebrek aan een nationale verzetsorganisatie komen de anarchisten weinig in beeld, hoewel ze sterk aanwezig zijn. Vermelden we toch het maquis van de Barrage de l'Aigle (…) een voorname plaats van de opbouw van de CNT in ballingschap en één van de meest actieve verzetsgroepen. Dit maquis is praktisch 100% confederaal, net als het maquis van Bort-les-Orgues. In het algemeen zijn de maquis van het Centraal Massief voor een groot deel samengesteld uit Spaanse anarchisten (...)” (2) “Aanwezig in de maquis in het Zuiden van Frankrijk, in de groepen FFI, FTP, MUR of in autonome groepen (bataillon Libertad in de Cantal, maquis Bidon 5 in de Ariège, in Languedoc-Roussillon) (…) bij honderden zetten [de anarchisten] op Franse bodem de strijd voort die ze tegen het Spaanse fascisme gevoerd hadden” (3). Het bataillon Libertad “bevrijdt de Lot en Cahors. (…) In Foix zijn het de maquisards anarcho-syndikalisten CNT-FAI die op 19 augustus de stad bevrijden” (4).

Zelfde beeld in Italië. Wanneer ze zich op 8 september 1943 aan de Geallieerden overgeven, blijven de regio's centrum en noord in handen van de Duitsers en van de fascistische republiek van Salo. “De anarchisten gooien zich onmiddellijk in de gewapende strijd, vormen wanneer ze er de mogelijkheid toe hebben (Carrare, Genua, Milaan) autonome formaties, of, zoals in de meeste gevallen, sluiten zich aan bij andere formaties zoals de socialistische brigades 'Matteotti', de kommunistische brigades 'Garibaldi' of de eenheden 'Giustizia e Libertà' van de Aktiepartij” (5). Op talrijke plaatsen treden de libertairen toe tot het Comité van nationale bevrijding dat een breed spectrum antifascistische partijen samenbrengt, of organiseren ze Groepen voor patriottische actie (sic!). De anarchisten zijn talrijk in de 28e Brigade Garibaldi die Ravenna bevrijdt. “In Genua opereren de anarchistische strijdgroepen onder de naam Brigade Pisacane, de formatie 'Malatesta', de SAP-FCL Sestri Ponente en de Escadrons van anarchistische actie van Arenzano. (…) Deze activiteiten worden bevorderd door de de Libertair Kommunistische Federatie (FCL) en door de anarcho-syndicalistische vakbond USI die pas weer de kop heeft opgestoken in de fabrieken. (…) De anarchisten richten de brigades 'Malatesta' en 'Bruzzi' op waarbij tot 1300 partisanen aangesloten zijn : deze opereren onder leiding van de formatie 'Matteotti' en spelen een rol van het eerste plan in de bevrijding van Milaan” (6).

De voorbeelden van Bulgarije, waar na de invasie van de USSR in 1941 de Bulgaarse KP maquis organiseert “waaraan talrijke anarchisten deelnemen” (7), of nog de anarchistische anti-Japanse guerrilla in Korea in de jaren 1920-30, wijzen op het algemene karakter van de deelname van de anarchisten aan de imperialistische oorlog.

En velen worden zelfs niet afgeschrikt door het uniform van de democratische imperialistische legers : “De Spaanse Libertairen (…) namen met duizenden deel aan de weerstand tegen het nazisme en honderden onder hen voerden de strijd met de bataljons van France Libre tot in Duitsland” (8). “Kameraden sloten zich aan bij de marcherende regimenten van het Vreemdelingenlegioen en bevonden zich in de voorste linies bij alle gevechten” (9). “Ze werden naar Noord-Afrika gestuurd, of naar Zwart Afrika (Tsjaad, Kameroen). De Tweeden sloten zich vanaf 1940 aan bij de vrije Franse strijdkrachten. Ze sloten zich aan bij de colonnes van generaal Leclerc.” De 2e D.B., voor meer dan 60% Spaans, telde een groot aantal anarcho-syndicalisten en één van haar compagnies “bestond uitsluitend uit Spaanse anarchisten. Aan boord van de tanks 'Ascaso', 'Durruti', 'Casas Viejas' waren zij de eersten die de hoofdstad binnentrokken op 24 augustus 1944” bij de bevrijding van Parijs (10) en het driekleurig vod op het stadhuis hesen !

Een oorlogszuchtige stellingname die in rechte lijn ligt van die inzake Spanje in 1936

De houding van de anarchisten tijdens de Tweede Wereldoorlog vloeit direct voort uit degene die ze aannamen tijdens de 'algemene repetitie' van de oorlog in Spanje. Dat stelt in een schel daglicht welke de ware rol was die gespeeld werd door het anarchisme in wat noch een 'klassenoorlog', noch een 'revolutie' was, maar wel een oorlog tussen twee fracties van de Spaanse bourgeoisie die uitmondde in een imperialistisch wereldconflict.

In juli 1936 biedt de CNT omwille van het antifascistisch pact dat zij gesloten had met de partijen van het Volksfront haar steun aan de republikeinse regering om de reactie van het Spaanse proletariaat tegen de staatsgreep van Franco af te leiden naar het antifascisme (11). De CNT verplaatst de strijd van een sociaal, economisch en politiek gevecht van het proletariaat tegen het geheel van de krachten van de bourgeoisie naar een militaire confrontatie die enkel gericht is tegen France, door de arbeiders uit te sturen in de antifascistische milities om zich te laten afslachten op de militaire fronten voor belangen die de hunne niet zijn.

De deelname van de libertairen aan de burgerlijke republikeinse regering van Catalonië en in Madrid toont de evolutie van het anarchisme naar de steun aan de burgerlijke staat. “Na de eerste overwinning op de oproerige generaals, toen we een langdurige en enorm belangrijke oorlog zagen opdoemen, begrepen we dat het uur niet gekomen was om de functie van de regering, van het regeringsapparaat, als beëindigd te beschouwen. Zoals de oorlog een gepast apparaat nodig heeft om tot een goed einde gevoerd te worden – het leger – zo is er ook een orgaan nodig van coördinatie, van centralisatie van alle hulpbronnen en energieën van het land, dat wil zeggen het mechanisme van een staat. (…) Zolang de oorlog duurt moeten wij handelen in de bloedige strijd en moeten wij tussenkomen in de regering. Dit moet inderdaad een oorlogsregering zijn, om oorlog te voeren en te winnen. (…) Wij denken dat de oorlog de eerste zaak is, dat de oorlog moet gewonnen worden als voorafgaandelijke voorwaarde voor om het even welke nieuwe voorwaarde...” (12). Wanneer de arbeiders van Barcelona in mei 1937 in opstand komen, gedragen de anarchisten zich als medeplichtigen van de repressie door het Volksfront en de Catalaanse regering (waar zij in zetelen), terwijl de Franquisten de vijandelijkheden tijdelijk staken om de linkse partijen de kans te geven de opstand te verpletteren.

Door haar steun aan de totale oorlog, door de militarisering van het proletariaat met behulp van de anarchistische collectiviteiten en de antifascistische milities, door het afkondigen van de heilige eenheid met de republikeinse bourgeoisie en het verbod op stakingen, door dat alles neemt de CNT deel aan het mobiliseren van het proletariaat in een oorlog die duidelijk imperialistisch wordt met het engagement van de democratieën en van de USSR aan republikeinse kant, en van Duitsland en Italië aan Franquistische kant. “Vandaag voeren wij geen burgeroorlog, maar een oorlog tegen de bezetters: Moren, Duitsers, Italianen. Het is niet een partij, een organisatie of een theorie die in gevaar is, maar het bestaan van Spanje zelf, van een land dat meester wil blijven over zijn eigen lot, en dat het gevaar loopt re verdwijnen” (13). Het nationalisme van de CNT brengt er haar toe expliciet op te roepen tot de wereldoorlog om de 'Spaanse natie' te redden: “Het vrije Spanje zal zijn plicht doen. Wat zullen de democratieën doen tegenover deze heldhaftige houding ? We mogen hopen dat het onvermijdelijke niet te lang op zich zal laten wachten. De uitdagende en grove houding van Duitsland wordt al onverdraaglijk. (…) De enen en de anderen weten dat de democratieën tenslotte zullen moeten tussenkomen met hun eskaders en hun troepen om de weg te versperren aan die horden redelozen...” (14)

Het verlaten van de belangen van het proletariaat en de houding van de CNT tegenover de imperialistische oorlog wekken heftig verzet op in het anarchistisch kamp (Berneri, Durruti). Maar het onvermogen van deze laatsten om te breken met de positie die stelt dat het tegelijk om een oorlog en om revolutie ging, heeft hen slachtoffer gemaakt van de politiek van nederlaag en oorlogsmobilisatie van het proletariaat. Degenen die waarachtig wilden vechten tegen de oorlog en voor de revolutie slaagden er zo niet in het vertrekpunt te vinden voor een echte revolutionaire strijd : de oproep aan arbeiders en boeren (aan beide zijden, het republikeinse en het Franquistische, gemobiliseerd in de oorlog) om te deserteren, om hun wapens tegen hun officieren te keren, om zich van het front terug te trekken en te strijden in stakingen, betogingen, op een klasseterrein tegen het kapitalisme in zijn geheel.

Sprankjes van internationalisme

Nochtans zijn er, bij het uitbreken van de oorlog, tegen de oorlogszuchtige antifascistische golf in, enkele stemmen die zich vanuit het anarchisme verheffen om het terrein van het antifascisme af te wijzen en te bevestigen dat de enige echt revolutionaire opstelling die van het internationalisme is. Zo verklaart de Glasgow Anarchist-Communist Federation in Groot-Brittannië in 1939 : “de huidige strijd stelt rivaliserende imperialismen tegenover elkaar voor de verdediging van hun laagbij-de-grondse belangen. De arbeiders van alle landen behoren tot de onderdrukte klasse en hebben niets gemeen met deze belangen en politieke aspiraties van de heersende klasse. Hun frontlijn is niet de Maginotlijn waar ze ontmoedigd en gedood zullen worden, terwijl hun meesters frauduleuze winsten opstrijken” (15). In het zuiden van Frankrijk ontwikkelt het kleine groepje rond Volin (16) een tussenkomst tegen de oorlog op een duidelijk internationalistische basis : “Het huidig conflict is het werk van de geldmachten van elke natie, machten die uitsluitend en internationaal leven van de uitbuiting van de mens door de mens. (…) Staatshoofden, militaire chefs van alle kleuren en nuances, lopen over van het ene kamp naar het andere, verscheuren verdragen, tekenen er andere, dienen nu eens de Republiek, dan weer de Dictatuur, collaboreren met degenen waar ze gisteren oorlog tegen voerden, en vice-versa en opnieuw vice-versa. (…) het volk betaalt de gebroken potten : het wordt gemobiliseerd voor de democratieën, tegen de democratieën, voor de fascisten, tegen de fascisten. Maar of het nu in Afrika is, in Azië of in Europa, het is steeds het goede volk dat opdraait voor de kosten van die 'tegenstrijdige ervaringen' en dat op zijn bek krijgt. (…) Het gaat er niet om enkel tegen het fascisme van Hitler te vechten, maar tegen alle fascismen, tegen alle tirannieën, of ze nu rechts zijn, van het centrum, of links, of ze nu koninklijk, democratisch of sociaal zijn, want geen enkele tirannie zal de arbeid emanciperen, zal de wereld bevrijden, zal de mensheid organiseren op echt nieuwe grondslagen” (17). Deze stellingname maakt van deze anarchisten duidelijk een uitdrukking van de arbeidersklasse. Hier opnieuw blijkt dat wanneer zij tot dergelijke helderheid komen, dat gebeurt door zich de klassestandpunten van het proletariaat eigen te maken.

Maar de harde ervaring van het isolement ten opzichte van andere, internationalistisch gebleven groepen, en ten opzichte van de klasse in de omstandigheden van zege van de contrarevolutie over de massa's, evenals de enorme druk van het antifascisme (“wij botsten bijna dagelijks met andere antifascisten. Moesten we ons verenigen met hen of moesten we tegen de stroom blijven ingaan ? Die vraag was op het terrein vaak beangstigend” (18)) doofden weldra deze vonk. De dood van Volin (september 1945) en het onvermogen van de anarchisten lessen te trekken uit hun ervaringen, leidden de elementen van zijn groep tot terugkeer naar de stal van de CNT, tot tijdelijke toetreding tot haar antifascistische comités, en tenslotte tot deelname aan de heropbouw van de FA op een compleet burgerlijke basis.

Welke toekomst voor de arbeidersmilitanten van het anarchisme ?

Het onderzoek van de geschiedenis van het anarchisme tegenover beide wereldoorlogen leidt ons tot een dubbele reeks conclusies :

• Het anarchisme heeft niet alleen zijn onvermogen bewezen het proletariaat een leefbaar alternatief en een revolutionair perspectief te bieden, maar het vormde een direct middel om de arbeidersklasse te mobiliseren voor de imperialistische oorlog. In 1936-37 was de capitulatie van het anarchisme voor de antifascistische misleiding en voor de burgerlijke democratie, die als 'minder kwaad' aanzien werd vergelijken bij het fascisme, een middel voor het kapitalisme om het front te verbreden van de politieke krachten die ijveren voor de oorlog door er het anarchisme in op te nemen. De oorlog in Spanje vormt, na de Eerste Wereldoorlog, de tweede en beslissende acte voor het anarchisme dat zijn evolutie bezegelt naar steun aan de kapitalistische staat. Die onderwerping aan de burgerlijke democratie vertaalt zich in de integratie van de officiële stromingen van het anarchisme binnen de politieke krachten van de kapitalistische staat. Zo is het anarchisme in een beweging met twee tijden, van 1914 tot aan de oorlog in Spanje in 1936-37, een ideologie geworden die de kapitalistische orde en staat verdedigt.

• In de tweede plaats is het van belang vast te stellen dat de anarchistische beweging zich niet beperkt tot die officiële stromingen en dat ze een zeer heterogeen milieu blijft. In alle periodes streeft een deel van dit milieu overtuigd naar revolutie en socialisme, drukt het de echte wil uit een einde te maken aan het kapitalisme en zet het zich in voor de afschaffing van de uitbuiting. Die militanten plaatsen zich inderdaad op het terrein van de arbeidersklasse wanneer ze zich internationalist noemen en aansluiting zoeken bij de revolutionaire strijd. Maar hun toekomst zal fundamenteel bepaald worden door een proces van afscheiding, waarvan de zin en omvang bepaald worden door de krachtsverhouding tussen beide fundamentele klassen, bourgeoisie en proletariaat.

Dit afromingsproces zal eerder gericht zijn op het niets of zelfs op de bourgeoisie zoals dat het geval was in de zwarte jaren van de contrarevolutie in de jaren 1940. Inderdaad, zonder het kompas van de klassestrijd van het proletariaat en de zuurstof van de discussie en het debat met de revolutionaire minderheden die daaruit voortkomt, worden ze in de valstrik gelokt van de ingebakken tegenstrijdigheden van het anarchisme dat hen ontwapent en opsluit op het terrein van de burgerlijke orde.

Ze zullen zich eerder oriënteren op de arbeidersklasse wanneer deze haar revolutionaire kracht toont. Zo is het de revolutionaire beweging van de arbeidersklasse zelf, de opkomst van de wereldrevolutie en de proletarische opstand in Rusland (met de vernietiging van het staatsapparaat van de bourgeoisie door de Sovjets en het eenzijdige stopzetten van de deelname aan de imperialistische oorlog van het Russisch proletariaat en de bolsjewieken) die in 1914-18 de kans geven aan de internationalistisch gebleven anarchisten een consequent internationalistische houding aan te nemen. Ze sluiten zich dan aan bij de historische beweging van de arbeidersklasse door toenadering te zoeken tot de kommunistische beweging die voorkwam uit de linkerzijde van de sociaal-democratie en die tegen de oorlog gekant was : de bolsjewieken en spartakisten, de enigen die in staat waren het enige leefbare en realistische alternatief naar voor te schuiven : de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog en de proletarische wereldrevolutie.

Scott

 

Voetnoten

(1) De trouw van het anarchisme kan zich opsplitsen volgens de verschillende fracties van de heersende klasse : sommige militanten, verleid door het Charte du Travail, pacifisten die verzoend werden door de wapenstilstand, gingen meewerken aan het programma van Nationale Revolutie van Pétain en de regering van Vichy, zoals Louis Loréal, of sloten zich aan bij de officiële instanties van de Franse staat, zoals P. Besnard.

(2) “Les Anarchistes espagnols et la Résistance”, in l'Affranchi nr. 14, lente-zomer 1997, op CNT-AIT.info.

(3) E. Sarboni, 1944 : “Les Dossiers noirs d'une certaine Résistance”, Perpignan, Ed. du CES, 1984.

(4) “Les Anarchistes espagnols...”

(5) “1943-1945 : Anarchist partisans in the Italian Rsistance”, op libcom.com.

(6) Ibidem.

(7) Nawoord bij Max Nettlau, “Histoire de l'Anarchie”, p. 281.

(8) E. Sarboni, geciteerd werk.

(9) Pépito Rossell, “Dans la résistance, l'apport du mouvement libertaire”.

(10) Le Monde diplomatique, augustus 2004.

(11) Lees over het traject van de CNT onze reeks in Revue Internationale, met name de artikels : “L'échec de l'anarchisme pour empêcher l'intégration de la CNT dans l'Etat bourgeois (1931-34)”; “L'antifascisme, la voie de la trahison de la CNT (1934-36)”.

(12) D.A. De Santillan, in Solidaridad obrera, 16 april 1937

(13) D.A. De Santillan, in Solidaridad obrera, 21 april 1937

(14) Solidaridad obrera, 6 januari 1937, geciteerd door la Révolution prolétarienne nr. 238, januari 1937

(15) Geciteerd door P. Hempel, “A bas la guerre”, p. 210.

(16) Vsevolod Mikhaïlovitch Eichenbaum, alias Volin (1882-1945), tijdens de Revolutie van 1905 lid van de Socialistisch-Revolutionaire Partij, nam deel aan de oprichting van de sovjet van Sint-Petersburg. Hij werd gevangen gezet, ontsnapte uit de gevangenis en kwam in 1907 in Frankrijk aan, waar hij anarchist werd. Wanneer de Franse regering hem in 1915 dreigt op te sluiten wegens zijn verzet tegen de oorlog, vlucht hij naar de Verenigde Staten. In 1917 keert hij naar Rusland terug waar hij bij de anarcho-syndikalisten militeert. Daarna komt hij in contact met de beweging van Makhno en wordt hij hoofd van de afdeling cultuur en educatie van het opstandelijk leger, en dan voorzitter van de militaire Raad van de opstand in 1919. Hij wordt verschillende keren aangehouden en verlaat Rusland na 1920 naar Duitsland. Terug in Frankrijk aangekomen leidt hij op aanvraag van de Spaanse CNT haar blad in de Franse taal. Hij klaagt de politiek van klassencollaboratie van de CNT-FAI in Spanje aan. In 1940 is hij in Marseille waar hij de laatste hand legt aan “la Révolution inconnue”. De ontberingen en de verschrikkelijke materiële omstandigheden van de clandestiniteit breken zijn gezondheid. Hij sterft in Parijs in 1945 aan tuberculose.

(17) Uittreksel uit het pamflet “A tous les travailleurs de la pensée et des bras”, 1943.

(18) “Les Anarchistes et la résistance”, CIRA.