Mei 1968 (deel 1): De studentenbeweging in Frankrijk en wereldwijd

Printvriendelijke versieSend by email

Precies veertig jaar geleden, op 22 maart 1968, begon in Nanterre, in de westelijke voorstad van Parijs, één van de belangrijkste episodes van de wereldgeschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog: wat de media en de Franse politici gewoonlijk de ‘gebeurtenissen van 68’ noemen. Op zich had wat er die dag gebeurde niets uitzonderlijks: om te protesteren tegen de aanhouding van een ulta-linkse student van Nanterre die ervan verdacht werd deelgenomen te hebben aan een aanslag tegen American Express in Parijs, terwijl zich in die stad gewelddadige betogingen ontwikkelden tegen de oorlog in Vietnam, houden 300 van zijn makkers een meeting in een amfitheater en besluiten 142 van hen de zaal van de Universiteitsraad in het administratiegebouw gedurende de nacht te bezetten. Het is niet de eerste keer dat de studenten van Nanterre uiting geven aan hun ontevredenheid. Precies een jaar eerder was er aan deze universiteit al een krachtmeting tussen studenten en politie over de vrije toegang tot het universitaire meisjestehuis, wat voor jongens verboden was. Op 16 maart 1967 verklaarde een vereniging van 500 bewoners, ARCUN, dat het intern reglement niet langer geldig was, een reglement dat onder meer de studentes, ook al waren ze wettelijk meerderjarig (toen was dat vanaf 21 jaar), nog als minderjarigen beschouwde. Als gevolg daarvan had de politie op 21 maart op verzoek van de universiteitsadministratie het meisjestehuis omsingeld met de bedoeling de 150 jongens die zich daar bevonden en zich op de bovenste verdieping gebarricadeerd hadden, te arresteren. Maar de volgende morgen werden de politiemannen zelf omsingeld door enkele duizenden studenten en ze kregen tenslotte het bevel de gebarricadeerde studenten vrijuit het gebouw te laten verlaten! Maar noch dit incident, noch andere uitingen van woede bij de studenten, zoals met name tegen het ‘plan Fouchet’ voor hervorming van de universiteit in de herfst van 1967, hadden verdere gevolgen. Dat was heel anders na 22 maart 1968. In enkele weken zou een reeks van gebeurtenissen niet alleen leiden tot de grootste mobilisatie van studenten sinds de Tweede Wereldoorlog, maar vooral ook tot de grootste staking uit de geschiedenis van de internationale arbeidersbeweging: meer dan 9 miljoen arbeiders staakten gedurende bijna een maand.
Voor de kommunisten, in tegenstelling tot de meeste verklaringen die men dan al begint te horen, is niet de agitatie onder studenten, hoe massaal en ‘radicaal’ ook, het belangrijkste feit van de ‘gebeurtenissen van 68’ in Frankrijk. Zonder twijfel is de arbeidersstaking veruit het belangrijkste feit, met een aanzienlijke historische betekenis. We zullen deze kwestie elders in onze pers bespreken, maar nu willen we ons beperken tot de studentenstrijd van die periode, in de eerste plaats om er de betekenis van bloot te leggen.

Van 22 maart tot 13 mei 1968

Voordat ze de zaal van de Universitaire Raad verlieten besloten de 142 bezetters om de agitatie in stand te houden en te ontwikkelen de ‘Beweging van 22 maart’ (M22) op te richten. Het is een informele beweging, in het begin samengesteld uit trotskisten van de Revolutionaire Communistische Liga (LCR) en anarchisten (waaronder Daniel Cohn-Bendit), waarbij zich eind april de maoïsten van de Unie van Communistische Marxistisch-Leninistische Jongeren (UJCML) aansluiten, en die in de loop van de komende weken meer dan 1200 deelnemers zal bijeenbrengen. De muren van de universiteit worden bedolven met affiches en graffiti: “Professoren, jullie zijn oud en jullie cultuur is dat ook”, “Laat ons leven”, “Neem je wensen voor werkelijkheid”. De M22 kondigt voor 29 maart een dag ‘kritische universiteit’ aan, naar het voorbeeld van acties van Duitse studenten. De rector beslist de universiteit te sluiten tot 1 april, maar de agitatie laait weer op zodra de universiteit heropend wordt. Voor 1000 studenten verklaart Cohn-Bendit: “Wij weigeren de toekomstige kaders te worden van de kapitalistische uitbuiting.” De meeste professoren reageren behoudsgezind: op 22 april eisen 18 van hen, waaronder mensen van ‘links’ dat “maatregelen en middelen worden ingezet om de agitatoren te ontmaskeren en te straffen”. De rector laat een hele reeks repressieve maatregelen goedkeuren, met name de vrije toegang van de politie tot de campus, terwijl in de pers een campagne losbarst tegen de “dollemannen”, de “groupuscules” en de “anarchisten”. De Franse ‘communistische’ partij (PCF) volgt haar daarin: op 26 april houdt Pierre Juquin, lid van het centraal comité, een meeting in Nanterre: “De agitatoren-rijkeluiszoontjes beletten de zonen van arbeiders te slagen voor hun examens”. Hij kan zijn speech niet afmaken en moet zich uit de voeten maken. In Humanité van 3 mei brandt Georges Marchais, de nummer twee van de PCF, op zijn beurt los: “Die valse revolutionairen moeten met kracht ontmaskerd worden want objectief dienen zij de belangen van de Gaullistische macht en van de grote kapitalistische monopolies”.
Op de campus van Nanterre komt het steeds vaker tot gevechten tussen studenten van uiterst-links en de fascistische groepen van Occident die naar Parijs zijn gekomen ‘om dat linkse tuig op z’n bek te slaan’, om ‘bolsjewieken in elkaar te slaan’. Daardoor besluit de rector op 2 mei andermaal de universiteit te sluiten, die afgegrendeld wordt door de politie. De studenten van Nanterre besluiten de volgende dag een meeting te houden op de binnenplaats van de Sorbonne (andere universiteit in Parijs) om te protesteren tegen de sluiting van hun universiteit en het voor de tuchtraad dagen van acht leden van M22, waaronder Cohn-Bendit.
Op de bijeenkomst komen slechts 300 deelnemers, de meeste studenten zijn druk bezig met de voorbereiding van hun examens aan het einde van het jaar. Maar de regering, die een einde wil maken aan de agitatie, besluit een grote slag te slaan door het Quartier Latin (studentenbuurt) te laten bezetten en de Sorbonne te laten omsingelen door de politie, die er ook binnendringt, wat in geen eeuwen meer gebeurd was. De studenten die in de Sorbonne zitten, krijgen de toezegging dat ze allen zonder problemen kunnen vertrekken, maar terwijl de meisjes vrij kunnen vertrekken, worden de jongens systematisch naar de ‘paniers à salade’ (celwagens van de politie) geleid zodra ze de stoep oversteken. Al snel verzamelen zich honderden studenten op het plein van de Sorbonne die de politie beginnen uit te jouwen. Het begint traangasgranaten te regenen, het plein wordt ontruimd, maar de steeds talrijker studenten beginnen groepjes agenten en hun wagens te treiteren. De botsingen gaan ’s avonds vier uur lang door: 72 politieagenten raken gewond en 400 studenten aangehouden. In de volgende dagen vergrendelt de politie de omgeving van de Sorbonne volledig af, terwijl vier studenten worden veroordeeld tot effectieve gevangenisstraffen. Deze politiek van de harde aanpak legt de agitatie het zwijgen niet op, maar zorgt er juist voor dat ze massaal wordt. Vanaf maandag 6 mei worden de botsingen met de politie die rond de Sorbonne wordt ingezet afgewisseld met steeds massalere betogingen, waartoe M22, UNEF en SNESup (vakbond van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs) oproepen en die tot 45.000 deelnemers tellen die roepen “de Sorbonne aan de studenten”, “Smerissen uit het Quartier latin” en vooral: “Onze makkers vrij”. De studenten krijgen de steun van een groeiend aantal middelbare scholieren, leraren, arbeiders en werklozen. Op 7 mei steekt de betoging bij verrassing de Seine over en trekt over de Champs-Elysées, op twee stappen van het presidentieel paleis. De Internationale weerklinkt onder de Arc de Triomphe, waar men gewoonlijk alleen de Marseillaise (het Franse volkslied) of de Sonnerie aux morts (muziek voor de gesneuvelden) hoort. De betogingen slaan ook over naar sommige andere steden. De regering wil haar goede wil tonen door... de universiteit van Nanterre te heropenen op 10 mei. Dezelfde avond staan tienduizenden betogers in het Quartier Latin oog in oog met de politie die de Sorbonne afgrendelt. Om negen uur ’s avonds beginnen sommige betogers barricades op te richten (er komen er een zestigtal). Om middernacht wordt een delegatie van drie professoren en drie studenten (waaronder Cohn-Bendit) ontvangen door de rector van de Academie van Parijs, maar terwijl die de heropening van de Sorbonne toezegt, kan hij niets beloven inzake de vrijlating van de studenten die op 3 mei werden aangehouden. Om twee uur in de morgen begint de oproerpolitie CRS de barricades te bestormen nadat die overvloedig met traangas zijn bestookt. De botsingen zijn buitengewoon gewelddadig en veroorzaken aan beide kanten honderden gewonden. Bijna 500 betogers worden opgepakt. In het Quartier Latin betuigen veel bewoners hun sympathie door de studenten binnen te laten of door water op straat te gooien om hen te beschermen tegen traangas en offensieve granaten. Al die gebeurtenissen, en met name de getuigenissen over de brutaliteit van de ordestrijdkrachten, worden minuut per minuut door honderdduizenden mensen gevolgd op de radio. Om 6 uur ’s morgens “heerst de orde” in het Quartier Latin waar een tornado door lijkt te zijn getrokken.
Op zaterdag 11 mei is de verontwaardiging immens in Parijs en de rest van Frankrijk. Spontane optochten vormen zich zo’n beetje overal, waarin niet alleen studenten lopen, maar honderdduizenden betogers van alle origine, met name veel jonge arbeiders of ouders van studenten. Buiten Parijs worden verschillende universiteiten bezet; overal, op straten en pleinen, wordt gedebatteerd en veroordeelt men het optreden van de ordehandhavers.
In antwoord op die situatie kondigt eerste minister Georges Pompidou in de avond aan dat vanaf maandag 13 mei de politiekrachten teruggetrokken zullen worden uit het Quartier Latin, dat de Sorbonne heropend wordt en dat de opgesloten studenten zullen worden vrijgelaten.
Dezelfde dag roepen alle syndicale centrales, ook de CGT (die tot dan toe de ‘ultra-linkse’ studenten onophoudelijk had aangevallen) en de politievakbonden, op tot een staking en tot betogingen op 13 mei, om te protesteren tegen de repressie en het regeringsbeleid.
Op 13 mei beleven alle steden van het land de belangrijkste betogingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. De arbeidersklasse is massaal aanwezig aan de zijde van de studenten. Een ordewoord dat succes heeft is: “Tien jaar, dat is genoeg!”, verwijzend naar de 13e mei 1958 toen De Gaulle terug aan de macht kwam. Aan het einde van de betogingen worden bijna alle universiteiten bezet, niet alleen door studenten, maar ook door veel jonge arbeiders. Overal wordt vrijuit gesproken. De discussies beperken zich niet tot universitaire kwesties, of de repressie. Ze beginnen te raken aan alle sociale problemen: de arbeidsvoorwaarden, de uitbuiting, de toekomst van de maatschappij.
Op 14 mei gaan de discussies verder in een hele hoop bedrijven. Na de reusachtige betogingen van de vorige dag, met het enthousiasme en het gevoel van kracht dat eruit voortvloeit, is het niet gemakkelijk weer aan ’t werk te gaan alsof er niets gebeurd is. In Nantes ontketenen de arbeiders van Sud-Aviation, aangespoord door de jongsten onder hen, een spontane staking en beslissen ze de fabriek te bezetten. De arbeidersklasse begint de fakkel over te nemen.

De studentenbeweging in de wereld


Als we de opeenvolging van gebeurtenissen zien die leidt naar de reusachtige mobilisatie van 13 mei 1968, dan is het duidelijk dat het niet zozeer de actie van de studenten is die verantwoordelijk is voor de omvang van die mobilisatie, maar wel het optreden van de overheid zelf, die voortdurend olie op het vuur gegooid heeft, tot ze zich met de staart tussen de benen terugtrok. In feite waren de studentenacties in Frankrijk, voor de escalatie van mei 1968 op gang kwam, veel minder massaal of diepgaand dan strijd in andere landen, met name in de Verenigde Staten en Duitsland.
In de eerste wereldmacht gaan zich vanaf 1964 de meest massale en betekenisvolle bewegingen ontwikkelen uit deze periode. Meer bepaald aan de universiteit van Berkeley, in Noord-Californië, zal het studentenverzet voor het eerst een massaal karakter krijgen. De eis die als eerste de studenten op de been brengt is die van de ‘free speech movement’, de beweging voor vrije politieke meningsuiting binnen de universiteit, met name tegen de oorlog in Vietnam en tegen de rassensegregatie. In eerste instantie reageren de autoriteiten uiterst repressief, met name met het inzetten van de politie tegen de ‘sit-ins’, de vreedzame bezetting van lokalen, waarbij 800 arrestaties worden uitgevoerd. Tenslotte laat de universitaire overheid begin 1965 politieke activiteiten toe op de universiteit die een van de belangrijkste centra wordt van het studentenverzet in de Verenigde Staten, terwijl juist onder de slogan ‘de rommel opruimen op Berkeley’ Ronald Reagan tegen alle verwachtingen in eind 1965 tot gouverneur van Californië wordt gekozen. De beweging zal zich massaal ontwikkelen en radicaliseren in de volgende jaren, rond het protest tegen de rassenscheiding, voor de verdediging van vrouwenrechten en vooral tegen de Vietnamoorlog. Terwijl jonge Amerikanen, vooral studenten, massaal naar het buitenland vluchten om niet naar Vietnam te worden gestuurd, worden de meeste universiteiten van het land getroffen door massale bewegingen tegen de oorlog, terwijl zich oproer ontwikkelt in de zwarte getto’s van de grote steden (naar verhouding worden veel meer jonge zwarten als soldaat naar Vietnam gestuurd dan het nationaal gemiddelde). Van 23 tot 30 april 1968 wordt de universiteit van Columbia, in New York, bezet uit protest tegen de bijdragen die haar departementen leveren aan het Pentagon, en uit solidariteit met de bewoners van het nabijgelegen getto van Harlem. Het is één van de hoogtepunten van het studentenverzet in de Verenigde Staten die haar gewelddadigste momenten zal beleven eind augustus in Chicago, met echt oproer, tijdens de Conventie van de Democratische Partij.

Veel andere landen kenden studentenrevoltes in de loop van deze periode:
Japan: vanaf 1965 betogen studenten tegen de oorlog in Vietnam, met name onder leiding van de Zengakuren die zware gevechten organiseren tegen de politie. In 1968 lanceren zij de slogan: “vorm de Kanda [de universiteitswijk van Tokio] om tot Quartier latin”.
Groot-Brittannië: de opkomst begint vanaf einde 1967 in de zeer respectabele ‘London School of Economics’, een Mekka van het burgerlijk economisch denken, waar de studenten protesteren tegen de benoeming tot president van een personage dat bekend staat om zijn banden met de racistische regimes in Rhodesië (nu Zimbabwe) en Zuid-Afrika. Het verzet duurt voort begin 1968 met name met massale betogingen tegen de ambassade van de Verenigde Staten terwijl ook andere universiteiten, met name Cambridge, getroffen worden. Er zijn honderden gewonden en arrestaties.
Italië: de studenten komen in maart op de been aan vele universiteiten, met name in Rome, tegen de Vietnamoorlog en ook tegen het beleid van de universiteitsoverheden.
Spanje: ook in maart wordt de universiteit van Madrid ‘voor onbepaalde tijd’ gesloten wegens de studentenagitatie tegen de Vietnamoorlog en tegen het Franco-regime.
Duitsland: terwijl de studentenagitatie zich al vanaf 1967 ontwikkelt tegen de oorlog in Vietnam en de invloed groeit van de ultra-linkse SDS beweging die afgesplitst is van de sociaal-democratische jeugd, radicaliseert de beweging zich en neemt ze een massaal karakter aan nadat een jong heethoofd, overduidelijk beïnvloed door de hysterische campagnes die door persmagnaat Axel Springer gevoerd worden, een aanslag pleegt op de voornaamste leider van ultra-links, Rudi Dutschke. Gedurende verscheidene weken, tot de aandacht zich verplaatste naar Frankrijk, diende de studentenbeweging in Duitsland als referentiepunt voor het geheel van bewegingen die aan de gang waren in de meeste landen van Europa.
Eveneens in België gingen de studenten de straat op tegen de gruwel van de Vietnamoorlog, de opvoering van de spanningen tussen Oost en West onder meer door de installatie van een rakettenschild in Europa. Zowat in alle universiteiten, in tal van hogescholen en ook onder de middelbare scholieren groeide een protestbeweging voor een radicale hervorming van het onderwijs die niet direct in dienst van 'staat en kapitaal' stond. De leuze "Arbeiders, studenten: één front" verscheen op tal van manifestaties die gepaard gingen met de opkomst van de arbeidersstrijd vanaf 1969 en vooral tijdens de wilde stakingen in 1970 van de Limburgse mijnwerkers met zijn doden die vielen onder de rijkswachtkogels.
Deze lijst is verre van volledig. vele landen aan de periferie van het kapitalisme werden eveneens getroffen door studentenbewegingen in de loop van 1968 (onder meer Brazilië en Turkije, naast vele andere). We moeten hier de beweging in Mexico vermelden die zich aan het einde van de zomer ontwikkelde en die de regering besloot in bloed te smoren (tientallen, zo niet honderden doden, op 2 oktober op het plein van de Drie Culturen - Tlatelolco - in Mexico) zodat de Olympische Spelen vanaf 12 oktober ‘in alle rust’ zouden kunnen doorgaan.
Wat al die bewegingen kenmerkt is natuurlijk in de eerste plaats de verwerping van de oorlog in Vietnam. Maar terwijl de stalinistische partijen, verbonden aan de regimes van Hanoi of Moskou, logisch gezien de leiding ervan moesten nemen, zoals dat gebeurde met de anti-oorlogsbewegingen tijdens de Koreaanse oorlog begin jaren 1950, was dat nu helemaal niet het geval. Integendeel: die partijen hebben nu hoegenaamd geen invloed en keren zich vaak compleet tegen de bewegingen. Dat is één van de kenmerken van de studentenbewegingen eind jaren 1960 dat de diepe betekenis die zij hebben blootlegt, een betekenis die we in een volgend artikel zullen onderzoeken.

Fabienne / 03.2008

Geschiedenis van de arbeidersbeweging: