Het proletariaat tegenover de Belgische staat (1): België, een misbaksel van de grootmachten

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

De bourgeoisie viert met veel praal het 175-jarig bestaan van de Belgische onafhankelijkheid. De herdenking van de grote gebeurtenissen uit ‘onze nationale geschiedenis’ stelt haar in staat om het ‘nationaal gevoel’ weer wat leven in te blazen, want dat heeft ze nodig om de bereidheid tot ‘offers uit solidariteit’ aan te moedigen net als de mobilisatie voor de verdediging van de nationale economie.

De bourgeoisie viert met veel praal het 175-jarig bestaan van de Belgische onafhankelijkheid. De herdenking van de grote gebeurtenissen uit ‘onze nationale geschiedenis’ stelt haar in staat om het ‘nationaal gevoel’ weer wat leven in te blazen, want dat heeft ze nodig om de bereidheid tot ‘offers uit solidariteit’ aan te moedigen net als de mobilisatie voor de verdediging van de nationale economie.

De arbeidersklasse heeft geen enkele reden om aan die herdenking deel te nemen. De Belgische staat vormde vanaf zijn oprichting een wapen tegen de arbeidersstrijd en al die 175 jaar zien we, dikwijls op bloedige wijze, de kenmerken die de Belgische staat al vanaf het begin had. Daarom is het voor de arbeiders belangrijk na te gaan onder welke voorwaarden de Belgische staat in 1830 ontstond en welke bijzondere kenmerken er uit voortvloeien, want die wegen nog altijd door op de klassenstrijd. Dat is de bedoeling van de vier artikelen die we aan dit onderwerp zullen wijden (1).

Bij iedere mislukte poging tot revolutie kunnen de reactionairen de contrarevolutie voorstellen als de overwinning van de revolutie (denk bijvoorbeeld aan het stalinisme dat zich in de Sovjet-Unie opdrong onder het mom van het ‘socialisme in één land’). Datzelfde zien we ook bij de ‘Belgische revolutie’: de vorming van de Belgische staat in 1830 was niet meer dan een pseudo-revolutionaire maskerade, of, beter gezegd, het werk van de contrarevolutie in een poging om de ontwikkeling van de productiekrachten in deze regio af te remmen.

We herinneren er aan dat vanuit proletarisch standpunt de geschiedenis niet dient om dingen goed te praten. Als we spreken van landen waarvan de vorming historisch noodzakelijk was en van anderen waarvan dit niet het geval was, is dat niet om het bestaan van de eersten te rechtvaardigen. We gaan hierbij uit van de krachtsverhoudingen tussen de klassen en niet van de moraal. Vanuit het standpunt van de revolutionaire arbeidersklasse heeft de vorming van sommige naties in de opgaande periode van het kapitalisme de ontwikkeling van de productieverhoudingen bevorderd en heeft ze sommige reactionaire krachten een slag toegebracht. In de huidige vervalperiode van het kapitalisme daarentegen kan geen enkele natie nog als vooruitstreven worden bestempeld.

België en de Franse revolutie (1789)

De Franse revolutie had als taak de oude nationaliteit om te vormen tot een moderne kapitalistische natie. Ze had ook de middelen ter beschikking om te slagen in wat tot dan altijd door Engeland was verhinderd: van België een Franse provincie maken. De revolutie bereikte zelfs nog meer: het Spaans en Oostenrijks absolutisme had drie eeuwen lang vergeefs geprobeerd de lokale privileges van hun onderdanen in de Nederlanden af te schaffen. De revolutie maakte die privileges in één keer ongedaan. In plaats van de traditionele provincies vormden ze departementen. Alle afzonderlijke privileges van de provincies, de adel, de gilden en de kerk werden afgeschaft. Alle Belgen werden zonder onderscheid Fransen. Ze waren allemaal ‘gelijk’ en werden bestuurd in dezelfde taal, het Frans, waarin heel het openbaar leven werd geregeld. Het vooruitstrevend karakter van de Franse revolutie werd bevestigd door een enorme vooruitgang van de productiekrachten. Het feodalisme was als hinderpaal uitgeschakeld en de economie kon opbloeien. De Franse markt opende onbeperkte afzetgebieden, de eeuwenlange economische stilstand ruimde plaats voor een tijdperk van versnelde kapitalistische ontwikkeling, de ‘industriële revolutie’: het gebruik van machines en stoom, de opkomst van de manufacturen voor massa-productie en, in tegenstelling tot de vroegere ambachten, met een aanzienlijke arbeidskracht.

Met het kapitalisme groeide er na de burgerlijke revolutie een belangrijke industrie die grote legers van wapens moest voorzien. Daardoor nam het belang van ijzer en steenkool in het moderne productieproces sterk toe en de hoeveelheid steenkool en staal waarover men beschikte bepaalde in aanzienlijke mate de omvang van de kapitalistische productie. Buiten Engeland was er geen enkel land in Europa waar per inwoner zoveel steenkool werd ontgonnen als in België. Bovendien beschikte België over grote ijzervoorraden zodat de staalindustrie tot ontwikkeling kon komen. De uitverkoop van de bezittingen van de verbannen geestelijkheid en edellieden deed het aantal boeren met eigen grond toenemen. De suikerbietraffinaderijen introduceerden in de landbouw de industriële werkwijzen van het kapitaal. Beschut tegen de Engelse concurrentie kon de textielindustrie herleven en gemechaniseerd worden.

Die opmerkelijke industriële vooruitgang, die beslissende stap naar het kapitalisme, was slechts mogelijk dankzij de Franse revolutie en de aanhechting bij Frankrijk, die de Belgische industrie grote afzetgebieden gaf. Met de oude politieke en sociale structuren zou dat ondenkbaar geweest zijn.

De unie van Nederland en België (1815 -1830)

Met de contrarevolutie van 1815 onder leiding van Rusland en Engeland werd besloten de kapitalistische ontwikkeling van Frankrijk tegen te gaan. Hiervoor werd België geneutraliseerd: het werd bij Holland gevoegd. Er werd voorzien dat Pruisen en Engeland tijdens oorlogen de fortenlinie langs de Belgische grens konden bezetten. De beide gebieden die nu verenigd werden vormden geen samenhangende eenheid. Onder Frans bestuur was het zuiden een industriegebied in volle ontwikkeling geworden. Het noorden daarentegen bleef een onafhankelijk koninkrijk tot het in 1810 bij Frankrijk werd gevoegd. Het noorden zat sinds de achttiende eeuw als handels- en koloniale macht in het slop en in het napoleontisch tijdperk verloor het voorgoed wat tot dan toe de voornaamste basis van zijn rijkdom was geweest, namelijk het merendeel van zijn kolonieën en overzeese markten in de oorlogen die het als bondgenoot van Napoleon tegen Engeland voerde. Daarom beschouwde de Nederlandse staat het zuiden na de eenmaking als een aanhangsel dat Nederland de kans moest geven de eigen noodzakelijke industrialisering uit te stellen. De staat haastte zich niet om voor het zuiden de protectionistische maatregelen te nemen die het broodnodig had om het hoofd te bieden aan de buitenlandse concurrentie en om markten te veroveren als afzetgebied voor zijn snel groeiende industrie. Uiteindelijk stond het bestuur vrijwel volledig onder controle van het noorden. Willem liet België opdraaien voor de enorme schulden van het noorden. Aanvankelijk kon de Belgische industrie zich nog blijven ontwikkelen dankzij de stimulans van haar ‘Franse periode’ en enkele protectionistische maatregelen door de Nederlandse regering. Maar vanaf 1828 verschenen de eerste symptomen van een overproductiecrisis. Zo was de Luikse gouverneur Sandberg ongerust over de buitengewone ontwikkeling van de productiemiddelen, “een ontwikkeling die over het algemeen minder is gebaseerd op de zekerheid van bestaande markten dan op de hoop die te vinden”. De faillissementen en de werkloosheid nemen toe (in 1828 leeft al 14,2 % van de bevolking van de liefdadigheid), de lonen volstaan niet meer om in leven te blijven en de voedselprijzen schieten omhoog.

Zo stonden de zaken ervoor vlak voor de ‘revolutie’ van 1830. Een economische ontwikkeling die sterk werd ondermijnd door de contrarevolutie die België van Frankrijk had losgemaakt; een economische crisis (1828-1830, in het kielzog van de grote crisis van 1825 in Engeland) die duidelijk de zware gevolgen van die belemmering toont; een brutale uitbuiting en een verschrikkelijke ellende onder de arbeidersklasse.

De ‘revolutie’ van 1830

Begin 1830 beperkte de Belgische bourgeoisie (op enkele onbetekenende fracties na) zich tot een oppositie binnen de Nederlandse staat om een aantal politieke, economische en religieuze eisen ingewilligd te krijgen. Maar op 27 juli 1830 breekt in Parijs een volksopstand uit die al snel successen boekt. Het enthousiasme van de Belgische bevolking voor de Parijse gebeurtenissen is groot en het gistingsproces breidt zich uit onder de arbeiders. Vanaf 22 augustus verschijnen in Brussel affiches op de muren die voor de 25ste van die maand revolutie aankondigen. Op de avond van de 23ste woelt het oproer onder impuls van werkloze wevers en typografen. Het is geen ‘nationale’ beweging: men roept ‘Leve Frankrijk’, men zingt de Marseillaise, er wordt gezwaaid met de Franse driekleur en er verschijnen ook rode vlaggen. De 24ste en 25ste breidt de arbeidersopstand zich uit. Winkels worden geplunderd, de nieuwe machines in de textielfabrieken worden vernield, de stad bezet, de Franse vlag wordt op het stadhuis gehesen. Wapens en munitie worden verdeeld, het leger wordt teruggedreven en schiet alleen bij uitzondering. Niemand maakt zich op dat ogenblik druk over een ‘Belgisch vaderland’.

Maar dan “beslissen een aantal bourgeois met eigen middelen te handelen omdat ze hun bezittingen bedreigd zien. Op de avond van de 26ste komen ze bijeen op de Grote markt, ze vormen vrijwilligerskorpsen die de driekleur van de Brabantse opstand (zwart-geel-rood) als vaandel nemen. [...] Onmiddellijk worden maatregelen genomen om te verhinderen dat de beweging een anti-nationaal karakter zou krijgen (2). De Belgische bourgeoisie zag in dat ze het onderspit zou kunnen delven als ze trouw bleef aan de Nederlandse macht. Wanneer ze daarentegen de Belgische staat zou uitroepen, dan kon ze de arbeidersopstand ontkrachten en inkapselen in de vorm van een ‘nationale revolte’. Het moet haar worden nagegeven dat ze de zaken goed aanpakte. De 26e en 27e organiseert de burgerwacht een bloedige repressie. Er vallen een dertigtal doden en honderden arbeiders worden aangehouden. Daarna gebruikt de bourgeoisie,  slim en cynisch als ze is, de arbeiders als kanonnenvlees in de septembergevechten tegen de Hollanders om de definitieve oprichting van de Belgische staat mogelijk te maken.

De ‘geestelijke vaders van België’ lieten de arbeiders al neermaaien toen ze zelf nog maar enkele uren eerder hun ‘nationale vlag’ hadden ontdekt; deze bourgeois vertegenwoordigen in werkelijkheid alleen de contrarevolutie van binnenuit. In feite zijn de grootmachten van Europa de werkelijke oprichters van de Belgische natie en staat. De oprichting van een onafhankelijke, kleine, zwakke en ongevaarlijke natie bevestigde de afscheiding van Frankrijk en vormde meteen een volgzaam steunpunt tegen het ‘Frans expansionisme’. Het valt dan ook gemakkelijk te begrijpen dat de vertegenwoordiger van Groot-Brittannië, burggraaf Palmerston, de ‘enige loyale verdediger van de Belgische zaak’ was. Niet zonder zwarte humor werd hij de ‘vader van België’ genoemd (ibid., p. 566).

Kortom, de oprichting van de Belgische staat is het negatieve werk, de giftige vrucht van alleen de contrarevolutie, die de historische ontwikkeling zoveel mogelijk tegenhoudt. Maar heeft de oprichting van deze nieuwe staat niet ook een zekere ontwikkeling van de productiekrachten, van industrie en handel mogelijk gemaakt?

1) Zeker, de contrarevolutie kon niet verhinderen, dat toen de archaïsche en feodale structuren waren omvergeworpen, dat het zaad dat de revolutie had ontkiemde. Al wat ze kon doen was het ene deel van de revolutie te isoleren van het andere, het op te sluiten in een te eng kader, dat juist ongunstig was voor de industrialisering en de instelling van moderne sociale verhoudingen. De geschiedenis bewijst inderdaad dat de Belgische staat niet het resultaat was van een revolutie, maar van een contrarevolutie, die aan de Franse revolutie haar Belgische provincie ontnam. Men kan de volgende vergelijking maken: wanneer het Ruhrgebied gescheiden zou worden van Duitsland zou het zeker nog geïndustrialiseerd zijn, maar op een veel minder intensieve manier dan nu dankzij het bestaan van één enkele Duitse economische en politieke eenheid.

2) Wat betreft de industrialisatie heeft de contrarevolutie één deel van de andere geïsoleerd om het op te sluiten binnen enge grenzen en om zijn ontwikkeling af te remmen. De industrialisatie van België zou een nieuw en sociaal vooruitstrevend feit zijn geweest als men enkel de structuren van nà 1830 vergelijkt met die van 1789, toen absolutisme en feodalisme nog heersten. Maar de instelling van een modern, zelfs burgerlijk systeem in België is niet te danken aan de oprichting van de Belgische staat in 1830. Er heerste in deze provincie al veel eerder een burgerlijke staat en de industrialisatie die daarvan het gevolg was was aanzienlijk, want België was één van de meest geïndustrialiseerde gebieden op het Europese vasteland.

De contrarevolutionaire aard van de vorming van de Belgische staat wordt ook duidelijk als we de gebeurtenissen in België vergelijken met die in Polen, waar in dezelfde periode een beweging op gang kwam. Marx en Engels hebben met betrekking tot Polen het begrip van de ‘noodzakelijke natie’ ontwikkeld, een begrip die ze niet van toepassing achtten op de Belgische staat. De redenen waarom een Poolse staat vanuit revolutionair standpunt noodzakelijk was zijn vooral de volgende: enerzijds  zou de revolutionaire oprichting van een Poolse staat het broze contrarevolutionaire evenwicht dat heerste in Centraal en Oost-Europa aan het wankelen hebben gebracht; anderzijds zou de onafhankelijkheid van Polen de instelling van moderne sociale en productieverhoudingen in dat land mogelijk maken, terwijl de contrarevolutie het behield als achtergebleven landbouwland (de feodale aristocratie van grootgrondbezitters was de bondgenoot van de buitenlandse onderdrukking).

Die voorwaarden komen in feite op één enkele kwestie neer: in dat deel van Europa stond de burgerlijke revolutie met de oprichting van nationale staten nog op de revolutionaire dagorde. Daarom probeerde de georganiseerde Europese contrarevolutie met alle middelen de beweging in Oost-Europa tegen te houden. Die voorwaarden bestonden daarentegen niet voor België. De oprichting van een Belgische staat en natie zou geen enkele internationale verschuiving veroorzaken, integendeel. En verder bracht ze evenmin een verschuiving in de sociale en productieverhoudingen in het land zelf mee. De Belgische natie van 1830 was volslagen kunstmatig, en dat zou belangrijke gevolgen hebben voor haar verdere ontwikkeling.

J. Janssens en Jos

(1) We verwijzen de lezer naar de artikelenreeks ‘La nation et l’Etat belge produits de la contre-révolution’ en het boek ‘La Belgique, Etat constitutionnel modèle’, gepubliceerd door ‘Le Fil du Temps’. De studiekring ‘Fil du Temps’ van Roger Dangeville splitste zich af van de PCInt in de jaren 60. Dangeville maakte enige tijd deel uit van de discussiekring op initiatief van Maximilien Rubel die voortkwam uit de Gauche Communiste de France. Zie ook ons boek over de Italiaanse Communistische linkerzijde.

 (2) F. Van Kalken, Historie de Belgique, p. 544, vet van ons.