Migranten en vluchtelingen: slachtoffers van het kapitalisme (deel III)

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog brachten de demobilisatie en de rampzalige verwoestingen van de imperialistische conflicten een wereld voort die in puin lag en in een desolate toestand verkeerde. In mei 1945 waren er in Europa 40 miljoen ontheemden of vluchtelingen. Daaraan moeten nog worden toegevoegd de 11,3 miljoen arbeiders die tijdens de oorlog gewelddadig door Duitsland waren ingelijfd. In de andere grote regio's van de wereld leidde de verzwakking van de koloniale mogendheden tot instabiliteit en nieuwe conflicten, met name in Azië en Afrika, die na verloop van tijd ook weer leidden tot miljoenen migranten. Al deze verplaatsingen van volkeren veroorzaakten verschrikkelijk veel leed en talloze sterfgevallen.

Het ‘IJzeren Gordijn’: terreur en militarisering van de grenzen

Op de nog rokende ruïnes van dit wereldwijde conflict werd er ten gevolge van de Conferenties van Yalta (februari 1945) en Potsdam (juli 1945), tussen de voormalige bondgenoten (aan de ene kant de grote westerse mogendheden achter de Verenigde Staten en aan de andere kant de Sovjet-Unie) een ‘IJzeren Gordijn’ neergelaten dat, in een poging om aan haat en wraak te ontsnappen miljoenen mensen op de vlucht dreef. Met de verdeling van de wereld in invloedzones, gedomineerd door de overwinnaars en hun bondgenoten, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan de ene kant en de USSR aan de andere kant, was een nieuwe lijn van inter-imperialistische botsingen getrokken.

De oorlog was nog maar nauwelijks beëindigd of de confrontatie tussen het Westblok, onder leiding van de Verenigde Staten, en het Oostblok, onder leiding van de Sovjet-Unie, kwam tot uitbarsting. De maanden die volgden op het einde van de oorlog werden gekenmerkt door de uitwijzing van 13 miljoen Duitsers uit de Oost-Europese landen en de verbanning van meer dan één miljoen Russische, Oekraïense, Wit-Russische, Poolse en Baltische mensen, die allen de stalinistische regimes ontvluchtten. Uiteindelijk “stierven er tussen 1945 en 1950 tussen de 9 en 13 miljoen mensen, als gevolg van de geallieerde imperialistische politiek. Deze monsterlijke genocide had drie belangrijke bronnen:

- ten eerste, onder de 13,3 miljoen mensen van Duitse oorsprong, die uit de oostelijke gebieden werden verdreven (...),was deze etnische zuivering zo onmenselijk dat slechts 7,3 miljoen mensen op hun bestemming aankwamen, achter de nieuwe Duitse naoorlogse grenzen; de rest ‘verdween’ onder de meest gruwelijke omstandigheden;

- vervolgens onder de Duitse krijgsgevangenen, die stierven als gevolg van uithongering en ziekmakende omstandigheden in de geallieerde kampen – waardoor er tussen de 1,5 en 2 miljoen stierven;

- tenslotte, onder de bevolking in het algemeen, die op een rantsoen waren gezet van 1000 calorieën per dag, wat langzame uithongering en ziektes garandeerde – waardoor er 5,7 miljoen stierven.”[1]

Een groot aantal Joodse overlevenden wist niet waar heen te gaan vanwege de heropleving van antisemitisme, met name in Polen (waar nieuwe pogroms tot uitbarsting kwamen, zoals in 1946 in Kielce) en in Centraal-Europa. De grenzen van de democratische landen van het Westen waren voor hen afgesloten. Joden werden vaak in kampen ondergebracht. In 1947 probeerden sommigen Palestina te bereiken om een uitweg te vinden voor de vijandigheid in het Oosten en hun afwijzing in het Westen. Ze waren toentertijd genoodzaakt dit op een illegale manier te doen en werden door de Britten tegengehouden, om terstond te worden opgesloten op Cyprus.

Het doel was dus deze bevolkingsgroepen af te schrikken en te controleren teneinde de kapitalistische orde te handhaven. Op hetzelfde moment nam het aantal gevangenen in de Goelagkampen in de Sovjet-Unie explosief toe. Tussen 1946 en 1950 verdubbelde de kampbevolking tot meer dan twee miljoen gevangenen. Een groot aantal vluchtelingen en migranten, of ‘ontheemden’, belandde in deze kampen om er uiteindelijk te sterven. Deze nieuwe wereld van de Koude Oorlog, vorm gegeven door de ‘overwinnaars van vrijheid’, had nieuwe breuken, wrede verdelingen veroorzaakt, waarbij bevolkingsgroepen op een tragische wijze van elkaar werden gescheiden, en leidde tot gedwongen verbanningen.

Duitsland was verdeeld op het imperialistische vlak. En om de migratie en de bevolkingsstroom naar het westen tegen te gaan, moest de DDR in 1961 de ‘muur van de schande’ bouwen. Andere landen, zoals Korea of Vietnam werden ook in tweeën gesplitst door een ‘ijzeren gordijn’. De Korea-oorlog, die plaatsvond tussen 1950 en 1953, had een bevolking van elkaar gescheiden, die nu de gevangene was geworden van twee nieuwe vijandige kampen. Deze oorlog deed bijna 2 miljoen burgers verdwijnen en veroorzaakte een migratie van 5 miljoen vluchtelingen. Tijdens heel deze periode gaande van de Koreaanse oorlog tot de val van de Berlijnse muur in 1989, werden talloze bevolkingen gedwongen om te vluchten voor de onophoudelijke lokale conflicten van de Koude Oorlog.

Binnen elk blok waren de talrijke verdrijvingen vaak het directe gevolg van een politieke kwestie tussen de twee grootmachten, het Amerikaanse en het Russische. Zo voedde de propaganda over de 200.000 vluchtelingen, die hun toevlucht hadden gezocht in Oostenrijk en Duitsland na de onderdrukking van de opstanden van Oost-Berlijn in 1953 en van Boedapest in 1956 door het Rode Leger, het ideologische vertoog van de twee rivaliserende kampen. Alle oorlogen, die werden gevoed door deze twee grote militaire blokken, die van Oost en West, bleven een groot aantal slachtoffers veroorzaken, een gegeven dat systematisch werd misbruikt door de propaganda van elk van de twee kampen.

Spanningen, ‘nationale bevrijdingsstrijd’ en migratie

Deze wrede opdelingen, verbonden aan de Koude Oorlog, gingen in de jaren 1950 door met de dekolonisatiebewegingen, die de migraties deed toenemen en het proletariaat nog meer verdeelde. Sinds het begin van de dekolonisatieperiode en vooral in de jaren 1980, toen de conflicten van de Koude Oorlog nog werden versterkt en verergerd, was de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsstrijd’ (in Afrika, Azië, Latijns-Amerika of het Midden-Oosten) zeer moorddadig. Weggeduwd naar de geografische rand van de kapitalistische grootmachten, konden deze conflicten de illusie wekken van een ‘tijdperk van vrede’ in Europa, terwijl de blijvende wonden en gedwongen verdrijvingen van grote aantallen migranten zich voordeden als zovele tragedies, die zich ‘in de verte’ afspeelden (behalve natuurlijk voor de vroegere kolonisten, die uit deze regio’s afkomstig waren, en de landen die er direct door werden getroffen).

Sinds het einde van het koloniale tijdperk waren de oorlogen in Afrika niet alleen talrijk, maar behoorden ook tot de meest moorddadige in de wereld. In deze conflicten waren grootmachten zoals Groot-Brittannië en de Frankrijk (die namens het westerse blok de ‘politieagent van Afrika’ was tegenover de Sovjet-Unie) op grote schaal militair betrokken op het strijdterrein, waar de logica van het Oost/West-blok heerste. Nauwelijks had een land als Soedan bijvoorbeeld zijn onafhankelijkheid verkregen in 1956, of een verschrikkelijke burgeroorlog maakte de koloniale machten tot deel van dit conflict, dat dus werd uitgebuit door de blokken, en ten minste 2 miljoen doden en meer dan 500.000 vluchtelingen veroorzaakte (die gedwongen werden om asiel te zoeken in de buurlanden).

De instabiliteit en de oorlog bleven maar voortduren. De verschrikkelijke oorlog in Biafra, die hongersnoden en epidemieën voortbracht, veroorzaakte minstens 2 miljoen doden en evenzoveel vluchtelingen. Tussen 1960 en 1965 veroorzaakte de burgeroorlog in het voormalige Belgisch Congo, alsmede de aanwezigheid van huurlingen, zeer veel slachtoffers en talrijke ontheemden. We kunnen hier talloze voorbeelden aan toevoegen, zoals Angola dat vanaf de eerste opstanden van de bevolking in Luanda in 1961, werd verwoest door de oorlog.

Na de onafhankelijkheid in 1975, was er een jarenlange oorlog gaande tussen de militaire krachten van de MPLA (Beweging voor de Bevrijding van Angola, ondersteund door Moskou), dat aan de macht was en de rebellen van UNITA (ondersteund door Zuid-Afrika en de Verenigde Staten): met niet minder dan één miljoen doden en 4 miljoen ontheemden, waaronder een half miljoen vluchtelingen die in kampen terechtkwamen. De militaire botsingen namen voortdurend toe op dit continent en ontwrichtten hele regio’s, zoals West-Afrika of de strategische regio rond de Grote Meren. We zouden ook voorbeelden kunnen geven uit Midden-Amerika, uit Azië, met het verschijnsel van de moorddadige guerrilla’s. De Sovjet-tussenkomst in Afghanistan, in 1979, betekende een versnelling van deze helse spiraal, wat leidde tot de uittocht van 6 miljoen mensen, het grootste aantal vluchtelingen in de wereld.

Het nationalisme en het mechanisme van de uitsluiting

De nieuwe staten of naties, die ontstonden als gevolg van de grote verdrijvingen, waren het directe product van imperialistische verdelingen en ellende. Ze waren de vrucht van nationalisme, uitzettingen en uitsluiting. Kortom, een puur product van het klimaat van oorlog en permanente crisis voortgebracht door het kapitalisme in verval. De vorming van deze nieuwe staten was een doodlopende weg die alleen maar voeding kon geven aan vernietigende spanningen. Het was eveneens het geval met de opdeling van de India, in 1947, en met de schepping van Bangladesh daarna, die meer dan 15 miljoen mensen op het Indiase subcontinent dwong om zich te verplaatsen.

De stichting van de staat Israël in 1948, een echte belegerde vesting, was ook een sprekend voorbeeld. Deze nieuwe staat, die uitgroeide van 750.000 mensen tot 1,9 miljoen in 1960, had vanaf zijn ontstaan in een helse spiraal van eindeloze oorlogen met zich meegebracht en zowat overal de oprichting veroorzaakt van Palestijnse vluchtelingenkampen. In 1948 werden er 800.000 Palestijnen met geweld verdreven en de Gazastrook werd beetje bij beetje een enorm openluchtkamp. De kampen van Palestijnse vluchtelingen in Beiroet, Damascus, Amman, veranderden langzamerhand tot buitenwijken van deze hoofdsteden.

Soortgelijke problemen met vluchtelingen en migranten deden zich op grote schaal voor op de hele planeet. In China waren miljoenen mensen ontheemd, slachtoffers van de moordpartijen van de wrede Japanse onderdrukking tijdens de oorlog. Na de overwinning van de maoïstische troepen in 1949, vluchtten zo’n 2,2 miljoen Chinezen naar Taiwan en 1 miljoen gingen richting Hong Kong. China trok zich vervolgens terug in relatieve autarkie om te proberen de economische achterstand te overbruggen.

In de vroege jaren 1960 startte het dan ook een geforceerde industrialisatie en lanceerde de politiek van de ‘Grote Sprong Voorwaarts’. Door elke poging tot migratie te voorkomen sloot het haar bevolking in feite op in soort hels nationalistisch werkkamp. Deze wrede politiek van ontworteling en repressie, die werd doorgevoerd sinds het tijdperk van Mao, vermenigvuldigde het aantal concentratiekampen (laogai). Honger en onderdrukking veroorzaakten in totaal niet minder dan 30 miljoen doden. Meer recent, in de jaren 1990, scheurde de massale verstedelijking van het land niet minder 90 miljoen boeren los van de grond die ze bewerkten.

Nog andere crises troffen Azië, zoals de burgeroorlog in Pakistan en de vlucht van de Bengalen in 1971. De verovering van Saigon in 1975 (door een stalinistisch regime) veroorzaakte ook de uittocht van miljoenen vluchtelingen, de zogenaamde ‘boat people’. Meer dan 200.000 van hen kwamen om.[2] De verschrikkelijke genocide van de Rode Khmer in Cambodja veroorzaakte 2 miljoen doden: de vluchtelingen behoorden tot de weinige overlevenden.

Vluchtelingen zijn altijd het wisselgeld geweest voor de ergste politieke chantage, voor de rechtvaardiging van militaire tussenkomsten van grootmachten, via andere landen, soms voor het gebruik als ‘menselijk schilden’. Het is moeilijk een schatting te geven van het aantal slachtoffers, die de prijs hebben betaald voor de confrontaties van de Koude Oorlog, en er een exact cijfer voor op te geven, maar “de voormalig Minister van Defensie onder Kennedy en Johnson, Robert McNamara, heeft in 1991 voor een conferentie van de Wereldbank een overzicht gegeven van de verliezen in elk operatiegebied, waarvan het totaal de 40 miljoen overschrijdt.”[3]

De nieuwe naoorlogse periode heeft alleen maar een nieuwe periode van barbarendom geopend, die de verdelingen onder de volkeren en in arbeidersklasse heeft doen toenemen en dood en vernietiging heeft gezaaid. Door de grenzen verder te militariseren, hebben de staten over het algemeen een superieure en meer gewelddadige controle uitgeoefend over de leeggebloede bevolkingen, na de Tweede Wereldoorlog.

Migranten: een zegen voor het uitbuiten van de arbeidskracht

Aan het begin van de Koude Oorlog werden de migraties niet enkel en alleen veroorzaakt door gewapende conflicten of door factoren van politieke aard. De landen van Europa, die grotendeels verwoest waren door de oorlog, hadden een snelle wederopbouw nodig. Deze behoefte aan wederopbouw moest eveneens de achteruitgang in de bevolkingsgroei (10 tot 30% van de mensen waren tijdens de oorlog gedood of gewond geraakt) compenseren. De economische en demografische factoren speelden daarom een belangrijke rol in het verschijnsel van de migratie. Alom was er behoefte aan beschikbare arbeidskracht, tegen lage kosten.

Daarom was Oost-Duitsland genoodzaakt een muur te bouwen om de vlucht van haar bevolking (3,8 miljoen mensen hadden de grens naar het Westen reeds overgestoken) tegen te houden. De voormalige koloniale mogendheden bevorderden de immigratie, allereerst vanuit de Zuid-Europese landen (Italië, Spanje, Portugal, Griekenland,...). In eerste instantie kwam het grootste gedeelte van deze migranten legaal, maar ook clandestien, dankzij ronselaars en vaak ook georganiseerde smokkelaars.

De behoefte aan arbeidskracht betekende dat de autoriteiten destijds de ogen sloten en deze ongeregelde migratie stimuleerden. Tussen 1945 en 1974 ontvluchtten vele Spanjaarden en Portugezen de regimes van Franco en Salazar. Tot in de vroege jaren 1960 werden Italianen in dienst genomen in Frankrijk, eerst uit het noorden van Italië en vervolgens uit het zuiden tot aan Sicilië. Toen, een tijdje later, was het de beurt aan de voormalige koloniën in Azië en Afrika om nieuwe contingenten gedweeë en goedkope arbeiders te leveren. In Frankrijk bijvoorbeeld, nam het aantal Noord-Afrikanen, tussen 1950 en 1960, toe van 50.000 naar 500.000.

Door de staat werden er wooncentra gebouwd voor de gastarbeiders, waar zij gescheiden werden gehouden van de rest van de bevolking. Buitenlandse arbeiders werden inderdaad beschouwd als een ‘risico’, wat het mogelijk maakte om hun marginalisering te rechtvaardigen. Maar dat was geen beletsel om ze in dienst te nemen voor het zwaarste werk, wetende dat ze van de ene op de andere dag weer konden worden teruggestuurd. De waanzinnige en gewetenloze uitbuiting liet zelfs voor deze nieuw aangekomen arbeiders een zeer belangrijke omzet optekenen, ruim boven het gemiddelde, met name in de chemie en metaalindustrie. Om te voldoen aan de behoeften van de industriële activiteit emigreerden er tussen 1950 en 1973 bijna 10 miljoen mensen naar West-Europa.[4]

Deze situatie zou onvermijdelijk worden misbruikt door de bourgeoisie, om de arbeiders te verdelen en tegen elkaar op te zetten, voor het aanzetten tot concurrentie en wederzijds wantrouwen. Met de heropleving van de arbeidersstrijd in 1968 en de golven van de strijd die volgden, zouden deze factoren voedsel zijn voor de vele verdelingsmanoeuvres van de vakbonden en de splijtende ideologische campagnes van de bourgeoisie.

Aan de ene kant werden racistische en xenofobe vooroordelen aangemoedigd; aan de andere kant werd de klassenstrijd gedeeltelijk verdraaid door het anti-racisme, dat vaak werd gebruikt als een afleiding voor de eisen van de arbeiders. Beetje bij beetje werd het vergif toegediend en werden de buitenlanders beschouwd als ‘ongewenst’, en voorgesteld als ‘profiteurs’, bijna als ‘bevoorrechten’. Dit alles zou de groei van populistische ideologieën bevorderen en de uitzettingen vergemakkelijken, die sinds de jaren 1980 met hele charters zijn toegenomen.

WH / april 2016

[1] Zie: Berlin 1948 : en 1948, le pont aérien de Berlin cache les crimes de l'impérialisme allié Internationale Revue (Frans-, Engels- Spaanstalige uitgave ; nr. 95 - 3e trimestre 1998.

[2] Bron: “McNamara pleit voor koppeling hulp en defensie”; NRC 27 april 1991.

[3] Volgens André Fontaine, La Tache rouge. Le roman de la Guerre froide, Editions La Martinière, 2004.