Ultralinks roert weer flink de trom in verband met de banken in Cyprus, die door hun onverantwoorde financiële manoeuvres zwaar in de problemen zijn gekomen en de rekening verhalen op de Cypriotische spaarders en/of die van de rest van Europa.
De SP in Nederland heeft haar verontwaardiging gericht op het zogenaamde ‘zwarte geld van de Russische maffia’ (is er een fundamenteel verschil met het virtuele geld van de banken?): ‘de leiders van de Euro hebben miljarden aan steun gegeven aan banken op Cyprus. We weten allemaal wat dat betekent. Ons belastinggeld gaat gebruikt worden om het zwarte geld van Russische maffiosi te beschermen'. (1)
De LSP in België concentreert haar aanval vooral op het feit:
- dat de trojka, die zich op een arrogante manier gedraagt en als een koloniale heerser
- dat Cyprus het eerste land is dat zich niet door de trojka heeft laten afbluffen
In dat kader dringt de LSP er bij de werkers en de armen op Cyprus, die worden uitgebuit door het kapitalisme, op aan om te vechten voor een alternatieve regering van de arbeiders en anderen. Ook is het duidelijk dat een dergelijke regering, aldus de LSP, onmiddellijk uit de EU verwijderd dient worden. (2)
Een nieuwe bankencrisis treft Europa. Nu er van alle kanten geruststellend wordt verzekerd dat er tekenen van herstel zijn, dat het dieptepunt in de economische crisis achter de rug is, wordt een volgend land (en niet het laatste) door een acute bankencrisis getroffen.
Wat is er in Cyprus aan de hand? Het is een ontwikkeling die ons eigenlijk bekend voorkomt. In de loop van de afgelopen twintig jaar hebben de Cypriotische banken met aantrekkelijke rentes en gunstige voorwaarden talloze spaarders uit binnen- en buitenland en heel veel kapitaal aan aangetrokken. In totaal behoren 37% van de tegoeden van de Cypriotische banken toe aan buitenlandse investeerders.
De bankensector in Cyprus heeft in die tijd, in verhouding met de totale economie van Cyprus, een onverantwoord grote omvang aangenomen.Het Cypriotische bankwezen is zodanig opgezwollen dat het de omvang heeft aangenomen van bijna viermaal (sommigen spreken zelfs van achtmaal) het totale BNP van de Cypriotische economie (18 miljard euro). Laki (de tweede bank) heeft een balans van meer dan 30 miljard euro en de grootste bank (Bank of Cyprus) een balans van bijna 40 miljard euro, waarvan het overgrote deel uit ‘rotte’ investeringen bestaat.
Waar komen die problemen bij de Cypriotische banken uit voort? Welnu, banken zijn niet alleen instanties waar geld geparkeerd wordt, het zijn ook instanties die geld uitlenen, krediet verschaffen. En daar is het volledig misgegaan. “Wat de Cypriotische banken onder meer kwetsbaar maakte, was hun grote aandeel in de aankoop van Griekse schuldpapieren. Toen deze papieren na de Griekse bail-out aan waarde verloren (3), zagen de banken een enorm groot deel van hun kapitaal verdampen.” In 2011 moesten de Cypriotische banken meer dan 75% op de nominale waarde van deze obligaties afwaarderen.
De ontstane verliezen van de banken wegen dus te zwaar op die nationale economie. Zeker nu de economie van Cyprus niet goed draait, en ook de gebukt gaat onder een omvangrijke staatsschuld “Zelfs als de economie goed had gedraaid, dan nog was het land niet in staat geweest de banken te redden. Daarvoor was de bankensector in verhouding tot de Cypriotische economie simpelweg te groot”, aldus dagblad Trouw.
Om de twee belangrijkste systeembanken op Cyprus overeind te houden, vroeg Cypriotische regering in het afgelopen jaar een noodlening aan bij het Europese Noodfonds. Volgens de Cypriotische minister van Financiën Shiarly heeft hij zo'n 17 miljard euro nodig. Dat is een relatief klein bedrag voor het fonds, maar het is bijna even groot als het BNP van Cyprus.
Na de verschillende voorgaande steunoperaties, heeft de leiding van Europa besloten tegemoet te komen aan aanvraag voor een noodlening van de Cypriotische regering, in een poging de belangrijkste Cypriotische banken overeind te houden. Omvallende Cypriotische banken zouden zeker grensoverschrijdende ontwrichting te weeg kunnen brengen, en banken en bedrijven in andere landen in hun val meeslepen.
Maar de angst voor de ontwrichting in de andere landen van Europa is niet de enige reden geweest voor de toekenning van een financiële steun aan Cyprus. Ondanks haar toetreding tot de EU in 2004 in het land de laatste 20 jaar steeds meer in de Russische invloedssfeer terecht gekomen. Zo stond stond Grieks-Cyprus tijdens de oorlog in Joegoslavië al bekend als een ‘safe haven’ voor terroristen uit Belgrado.
In de VN-Veiligheidsraad staat Rusland altijd pal achter Cyprus en is ze tegenstander van de niet-erkende en door Ankara gesteunde Turkse Cypriotische 'staat' in het noorden van het verdeelde eiland.
In januari van dit jaar nog hebben douaneambtenaren in de haven van Limassol een Russisch schip te laten uitvaren, terwijl ze op de hoogte waren van het feit dat er zich aan boord vier containers bevonden met daarin zestig ton munitie voor kalasjnikovs en raketwerpers. De zending was afkomstig van het Russische staatsbedrijf Rosoboronexport; en bedoeld voor de Syrische regering van Al-Assad. (The Guardian Londen, 02-02-2012, Luke Harding)
In de afgelopen tien jaar heeft zich een omvangrijke Russische gemeenschap gevestigd op Cyprus. In Limassol bijvoorbeeld wonen nu zoveel Russen, dat het vakantieoord de bijnaam 'Limassolgrad' heeft gekregen. Je hebt er een Russischtalige krant, twee Russische scholen en een Russisch radiostation.
Uiteindelijk heeft de keuze van de Grieks-Cypriotische regering om te kiezen voor de steun van de EU wel de woede opgewekt van de Russen. De laatste beschuldigen de Cyprioten ervan dat ze geprobeerd hebben “op twee paarden te wedden" (Rusland en de EU), toen zij eind vorige week een plan presenteerden om hun economie weer gezond te maken met behulp van Russisch kapitaal.
Maar met de voorwaarden die de Trojka (ECB, Europese Commissie, IMF) in eerste instantie aan de noodlening verbond, heeft ze een gevaarlijk precedent geschapen. In die voorwaarden mochten de kleine spaarders – 20 duizend euro en lager – nog ontzien worden. Maar spaarders met een spaartegoed tussen de 20 tot 100 duizend euro zouden echter 6,75 procent van hun tegoed moeten inleveren. Dit is de eerste keer dat de EU en het IMF hun toevlucht hebben gezocht tot een directe aanval op de spaartegoeden onder de 100.000 euro.
Deze veranderingen in de voorwaarden aan de steunoperatie, liggen in het verlengde van de voorwaarden die opgelegd zijn bij de nationalisatie van de SNS-Reaal in Nederland. Want hier was het voor de eerste keer dat een bank overeind werd gehouden, waarbij niet alleen de aandeelhouders en maar ook de zogeheten achtergestelde obligatiehouders de rekening moesten betalen.
En dat in het geval van Cyprus niet de laatste is, waarbij de maatregelen niet langer beperkt zullen blijven tot de aandeelhouders, blijkt wel uit een interview van Dijsselbloem met het Financieel Dagblad. Daarin weigert expliciet uit te sluiten dat het ‘afromen’ van spaartegoeden ook in andere landen een optie zou kunnen zijn. Hij stelde dat het op Cyprus noodzakelijk was vanwege de uit zijn krachten gegroeide bankensector. Maar landen als Slovenië, Letland, en zelfs Nederland, hebben ook een bankensector met een waterhoofd!
Dixon, 2013-04-02
(1) Gedurende de onderhandelingen tussen de EU en de Cypriotische regering waren de banken op Cyprus gesloten. Maar dat buitenlandse filialen van diezelfde Cypriotische banken zijn gewoon opengebleven
Laiki, de bank die nu wordt weggesaneerd, heeft via haar Londense dochteronderneming honderden miljoenen laten weglekken. Bank of Cyprus heeft een Russische bank in Moskou (een dochteronderneming die voor 80% in haar bezit is), die eveneens gewoon bleef uitkeren. De omvang van het bedrag dat de afgelopen tien dagen verdwenen is nog onbekend. Volgens XanderNieuws (24-03-2013) zouden de meeste Russische oligarchen hun geld al lang uit Cyprus hebben weggehaald en in andere belastingparadijzen - zoals de Britse Maagdeneilanden - hebben ondergebracht.
(2) Volgens de LSP zou er een beroep gedaan moeten worden gedaan op de werkende mensen van Griekenland, Spanje, Italië en Portugal om dit voorbeeld van Cyprus te volgen tot de vorming van een alternatieve regering van de arbeiders en anderen. Samen kunnen de volkeren van deze landen werken aan een democratische, vrijwillige Federatie van het Middellandse Zeegebied en de Iberische staten.
(3) De financiële banken van Cyprus vormden de grootste houder van Griekse schulden. Cypriotische banken hebben meer dan 22 miljard euro aan leningen in de Griekse privé-sector. Dat is meer dan het totale BBP van Cyprus, dat 18 miljard euro bedraagt. De Cypriotische financiële sector is dan ook hard geraakt door de herstructurering van Grieks waardepapier (met een afwaardering van 50%), waarover Griekenland in februari 2012 een overeenkomst bereikte met de private schuldeisers.
Een golf van protesten tegen de verhoging van de kaartjes voor het openbaar vervoer vindt op dit moment plaats in de grote steden van Brazilië, in het bijzonder in Sāo Paulo, maar ook in Rio de Janeiro, Porto Alegre, Goiânia, Aracaju and Natal. Deze mobilisatie heeft in het bijzonder jonge mensen samengebracht: studenten en leerlingen van school, en in mindere mate maar toch vol van betekenis, arbeiders en werklozen. Ze verzetten zich allemaal tegen de verhoging van een reeds te dure service van lage kwaliteit, waar te veel voor betaald moet worden en die bovenop de verlaging van de levensstandaard voor grote delen van de bevolking komt.
De Braziliaanse bourgeoisie, met aan het hoofd de ArbeidersPartij (PT), en haar bondgenoten hebben benadrukt dat alles in orde is in Brazilië, ondanks de duidelijkheid van groeiende moeilijkheden de inflatie onder controle te houden, die veroorzaakt is geworden door de maatregelen om de consumptie aan te zwengelen teneinde te voorkomen dat het land in een recessie terecht zou komen. Omdat de bourgeoisie geen manoeuvreerruimte heeft, is de enige manier waarop ze de inflatie kan proberen te beperken de verhoging van de rente tegelijkertijd met de verlaging van de uitgaven voor de openbare diensten: onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerhei, allemaal terreinen waardoor de levensomstandigheden verder verslechteren van degenen die daar van afhankelijk zijn.
De laatste jaren waren er veel stakingen tegen de verlaging van de lonen, de toenemende onzekerheid van de werkloosheid en de bezuinigingen in het onderwijs en de sociale zekerheid. Maar in de meerderheid van de gevallen bleven de stakingen geïsoleerd door een ‘cordon sanitair’ opgezet door de vakbonden, die verbonden waren met de regering van de PT. De ontevredenheid is ingekaderd, zodat het niet de sociale vrede bedreigt ten koste van de nationale economie. Dit is de achtergrond voor de verhoging van de prijzen van het openbaar vervoer in Sāo Paulo en de rest van Brazilië: de eis om steeds meer offers te brengen ten gunste van de nationale economie, oftewel het nationale kapitaal.
Zonder enige twijfel zijn de bewegingen die in de afgelopen jaren in de wereld zijn uitgebarsten, met een sterke deelname van jonge mensen, het bewijs dat het kapitalisme geen andere toekomst te bieden heeft aan de mensheid dan onmenselijkheid. Daarom had de recente mobilisatie in Turkije ook zo’n grote weerklank in de protesten tegen de verhoging van de vervoerskosten. De jonge mensen uit Brazilië hebben laten zien dat ze niet bereid zijn de logica van de opofferingen te aanvaarden die opgelegd worden door de bourgeoisie. Ze hebben zich vervoegd bij de gevechten, die de wereld de laatste jaren dooreengeschud hebben, zoals de strijd van de kinderen van de arbeidersklasse in Frankrijk (de strijd tegen de CPE in 2006), van de jeugd in Griekenland, Egypte en Noord-Afrika, de Indignados in Spanje en de Occupy in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.
Aangemoedigd door het succes van de demonstranten in de steden van Porto Alegre en Goiânia, die geconfronteerd werden met een wrede repressie en die er, desondanks, in slaagden een opschorting van de verhoging van de vervoerskosten te realiseren, begonnen er op 6 juni ook demonstraties in Sāo Paulo. Daartoe werd opgeroepen door de Beweging voor Vrije Toegang tot het Vervoer (MPL, Movimeto Passe Livre), een groep die hoofdzakelijk gevormd werd door jonge studenten, die beïnvloed waren door de standpunten van links en ook van het anarchisme. De MPL zag een verrassende toename van het aantal aanhangers, tussen de 2000 en 5000. Er waren ook andere mobilisaties op de 7e, 11e en de 13e juni. Vanaf het begin was de repressie wreed en had talloze arrestaties en verwondingen tot gevolg. Hier moeten we de moed en de vechtlust van de demonstranten benadrukken en de sympathie die ze vrij vlug teweegbrachten onder de bevolking, iets waar de organiserende zelf door verrast waren.
Geconfronteerd met deze demonstratie ontketende de bourgeoisie een schaal van geweld nog nooit vertoond in de geschiedenis van dit soort bewegingen, met de algehele medewerking van de media die zich haastten om de demonstranten te betitelen als vandalen en onverantwoordelijke elementen. Een woordvoerder van de staat, de openbare aanklager, adviseerde de politie om de protesterende te slaan en zelfs te doden.
“Ik heb twee uur lang geprobeerd om terug thuis te komen, maar er is een bende van revolterende apen die de stations van Faria Lima en Marginal Pinheiros blokkeren. Iemand zou de Tropa de Choque (een elite-eenheid van de militaire politie) moeten vertellen dat deze zone deel is van mijn jurisdictie. De eenheden zouden moeten komen en deze hoerenzonen moeten doden en ik zal de politie instrueren om onderzoek te doen … Ik denk met nostalgie terug aan de tijd dat dit soort dingen werd opgelost door een rubberen kogel in de rug van elk stuk stront.”
Daarenboven is er een reeks van toespraken geweest van publieke personen die behoren tot de rivaliserende partijen, zoals van de gouverneur van de staat Geraldo Alckmin van de PSDB (de Braziliaanse sociaal-democratische partij), en van de burgemeester van Sāo Paulo, van de PT, die beiden even razend en tierend waren in hun verdediging van de politie-repressie en in de veroordeling van de beweging. Een dergelijke overeenstemming is niet erg gewoon, gegeven het feit dat het politieke spel van de bourgeoisie er typisch in bestaat om de verantwoordelijkheid voor welk probleem dan ook toe te schrijven aan de partij die aan de macht is.
In reactie op de groeiende repressie en het rookgordijn dat door de belangrijkste kranten, de televisie en de radiostations was opgetrokken, begonnen steeds meer mensen deel te nemen aan de demonstraties (20.000 op 13 juni, een aantal dat nu ver voorbijgestreefd is – noot van de vertaler). De repressie was zelfs gewelddadiger en leidde tot 232 arrestanten en talloze gewonden.
Het is belangrijk om de opkomst van een nieuwe generatie journalisten te onderstrepen. Alhoewel ze een minderheid vormen, hebben ze duidelijke solidariteit betoond met de beweging door het geweld van de politie te openbaren, waar velen van hen zelf slachtoffer van werden. Bewust geworden van de manipulatieve methoden van de grote media zijn deze journalisten er tot op zekere hoogte in geslaagd te begrijpen dat de gewelddadige acties van de jongeren een daad van zelfverdediging was en dat de plundering van de regeringsgebouwen en rechtbanken een niet gecontroleerde uitdrukking was van verontwaardiging tegen de staat. Bovendien zijn er ook activiteiten gerapporteerd van provocateurs, die de politie gewoonlijk in demonstraties inzet.
De ontketening van een hele reeks van manipulaties en leugens door officiële bronnen, de media en de politie, die erop gericht zijn de legitieme beweging te demoraliseren en te criminaliseren, heeft tot resultaat gehad dat het aantal deelnemers in de demonstraties en de steun van de bevolking is toegenomen. Hier is het belangrijk om de belangrijkste bijdragen, gedaan door actieve elementen in de beweging of sympathisanten ervan via de sociale media te belichten. Uit angst dat de situatie uit de hand gaat lopen, zijn bepaalde delen van de bourgeoisie begonnen hun toon te veranderen. De grote communicatiebedrijven, die eigenaar zijn van kranten en televisiekanalen, begonnen na een week van stilte over de politierepressie, eindelijk te praten over de “excessen” in de acties van de politie. Bepaalde politici hebben dit soort ‘excessen’ ook bekritiseerd en gezegd dat ze deze gaan onderzoeken.
Het geweld van de bourgeoisie door middel van de staat, welk gezicht het ook aanneemt, ‘democratisch’ of ‘radicaal’, is gebaseerd op een totalitaire terreur tegen de klasse die uitgebuit en onderdrukt wordt. In de ‘democratische’ staat is dit geweld niet zo openlijk als in een ‘naakte’ dictatuur; het is meer verborgen opdat de uitgebuiten, door een identificatie met de staat, de omstandigheden van hun uitbuiting aanvaarden. Maar dit wil niet zeggen dat de democratische staat afziet van de meest gevarieerde en moderne vormen van repressie als de situatie dat vereist. Het is daarom niet verrassend dat de politie dit soort geweld inzet tegen de beweging. Maar, net als in het geval van de bedrieger, hebben we gezien dat een toenemende repressie in Brazilië alleen maar een groeiende solidariteit heeft ontlokt en zelfs elders in de wereld, zelfs als het daar alleen maar tot een kleine minderheid beperkt bleef.
Er zijn een aantal solidariteitsdemonstraties geweest buiten Brazilië, voornamelijk in gang gebracht door Brazilianen die in het buitenland leven. Het mag duidelijk zijn dat het politiegeweld deel uitmaakt van de aard van de staat en geen geïsoleerd geval is of een uitzondering, zoals de burgerlijke media en autoriteiten beweren. Het is geen tekortkoming van de kant van de leiders en we zullen niets bereiken als we ‘gerechtigheid’ of een meer beleefd optreden van de politie vragen. Om de repressie het hoofd te kunnen bieden en een krachtsverhouding in ons voordeel op te bouwen bestaat er geen andere methode dan de uitbreiding van de beweging naar een groter aantal sectoren van de werkers. Om dit te bereiken kunnen we ons niet richten tot de staat en vragen om liefdadigheid. De afwijzing van de repressie en van de verhoging van de vervoerskosten moet door de arbeidersklasse als geheel in handen genomen worden door een oproep te doen de protestacties en de gemeenschappelijke strijd tegen de repressie en de levensomstandigheden op te voeren.
De demonstraties zijn nog lang niet voorbij. Ze hebben zich uitgebreid over heel Brazilië en er waren protesten bij de start van de 2013 Confederations Cup: voordat het openingsduel tussen Brazilië en Japan begon werd staatspresident Dilma Rousseff uitgejouwd net als de president van de FIFA, Sepp Blatter. Beiden waren niet in staat om te verbergen hoe ongemakkelijk ze zich voelden onder deze uiting van vijandschap en hielden hun toespraken kort om de schade te beperken. Rondom het stadion was een demonstratie van 1200 mensen in solidariteit met de beweging tegen de verhoging van de vervoerskosten. Ook zij werden hardhandig onderdrukt door de politie, die 27 mensen verwondde en 16 opsloten. Om de repressie verder te versterken verklaarde de staat, onder het voorwendsel dat het toernooi, het vervoer en de functionering van de publieke diensten niet mag worden verstoord, dat iedere demonstratie in de nabijheid van de stadions tijdens de Confederations Cup verboden is.
Zoals we weten heeft deze beweging een nationaal karakter aangenomen door de bekwaamheid van de studenten en de leerlingen van de hoge scholen om een mobilisatie tegen de verhoging van kosten van het openbaar vervoer op de been te brengen. Het is echter belangrijk om te onthouden dat het doel van de mobilisatie, op middellange en lange termijn, er in bestond om vrij vervoer, verzorgd door de staat voor de hele bevolking, te onderhandelen.
En dit is precies waar we de grenzen zien van de belangrijkste eisen, daar algemeen vrij vervoer binnen de kapitalistische maatschappij niet kan bestaan. Om dat te realiseren zou de bourgeoisie en de staat de uitbuiting van de arbeidersklasse nog verder moeten opvoeren, bijvoorbeeld door de verhoging van de belasting op de lonen. We moeten ons realiseren dat de strijd niet gevoerd kan voor een onmogelijke hervorming, maar veeleer moet worden gericht op het terugdringen van de staat.
Op dit moment lijkt het vooruitzicht voor de beweging verder te gaan dan de eenvoudige eisen tegen de verhoging van de vervoerskosten. Er zijn nu al voor de komende week demonstraties in tientallen grote en middelgrote steden aangekondigd.
De beweging moet waakzaam blijven ten opzichte van de linkerfractie van het kapitaal, die gespecialiseerd is in het recupereren van demonstraties om ze in een doodlopend straatje te leiden, zoals ze bijvoorbeeld gedaan hebben met de oproep aan de rechtbanken om de problemen op te lossen zodat de demonstranten weer naar huis kunnen gaan.
Om ervoor te zorgen dat de beweging zich ontwikkelt, moeten we plaatsen scheppen waar we collectief kunnen luisteren naar en debatteren over de verschillende visies. Dit kan alleen gedaan worden in algemene vergaderingen, die open staan voor iedereen, waar aan alle demonstranten het recht is gegarandeerd om te spreken. Bovendien is het van levensbelang de werkende arbeiders op te roepen zich bij de algemene vergaderingen en protesten te vervoegen omdat zij en hun gezinnen net zo door de prijsstijgingen getroffen worden.
De protestbeweging, die zich in Brazilië ontwikkelt, is een duidelijk antwoord op de campagne van de Braziliaanse bourgeoisie, die geruggensteund wordt door de wereldbourgeoisie, dat Brazilië een ‘opkomend natie’ op weg is om de armoede te overwinnen. Deze campagne is in het bijzonder gepromoot door Lula, die in de wereld bekend staat als de persoon die erin geslaagd zou zijn om miljoenen Brazilianen uit de armoede te halen. In werkelijkheid bestond zijn grote dienst aan het kapitaal erin om de kruimels onder de armen te verdelen om de illusies onder hen overeind te houden en de precaire situatie van Braziliaanse proletariaat als geheel te accentueren.
Geconfronteerd met de verergering van de wereldcrisis en de aanvallen van het kapitaal op de levensomstandigheden van het proletariaat, bestaat er geen andere uitweg dan te strijden tegen het gehele kapitalistische systee.
Revoluçāo Internacional (IKS in Brazilië) / 16.6.2013
In de afgelopen tien jaar was het proletariaat van China en van de rest van Oost-Azië - Birma, Cambodja, de Filippijnen, Indonesië, Thailand en Vietnam - betrokken in een golf van stakingen en protest tegen de kapitalistische uitbuiting. We willen ons hier concentreren op China en daarbij maken we uitvoerig gebruik van de informatie die gegeven wordt door het Chinese Labour Bulletin (CLB), de publicatie van een niet-regeringsgezinde organisatie, die haar basis heeft in Hong Kong en banden heeft met mensenrechtenorganisaties en Radio Free Asia. Het Bulletin maakt publiciteit voor het idee van een ‘eerlijkere’ Chinese staat, en pleit daarbij voor de aanvaarding van ‘vrije vakbonden’.
In het afgelopen decennium heeft de arbeidersklasse in China een golf van stakingen en protesten, waar honderdduizenden arbeiders aan in betrokken waren, ondernomen vanwege de groeiende woede en strijdwil onder het gewicht van de kapitalistische uitbuiting. De spontane stakingen, op initiatief van de stakers zelf, hadden allerlei verschillende kwesties als inzet: uitbetaling van overuren, verhoging van de lonen, corruptie van de bestuurders, vergoeding voor verhuizing, verlaging van de lonen en de pensioenen, verbetering van de werkomstandigheden verkorting van de werkdag, en uitkering voor scholing en gezondheid. In ’t kort, het hele gamma van de omstandigheden, waarin de hoge graad van uitbuiting door de Chinese staat tot uitdrukking komt. Terwijl ze ver van elkaar verwijderd waren, hebben deze stakingen zo’n daadwerkelijke dynamiek en een groeiende kracht laten zien dat de China Briefing van 29.11.2011 de investeerders waarschuwde dat ze rekening moeten houden met arbeidsonrust.
Enkele dagen geleden vonden er in de stad Chongqing, het voormalige rijk van de in ongenade geraakt partijleider Bo Xilai, stakingen plaats – die niets te maken hadden met manoeuvres van het Politbureau – die gingen over lonen en verlaging van de pensioenen. Deze stad van 30 miljoen inwoners in het zuiden van China staat, net als vele andere steden, op de rand van het bankroet, wat een groeiende zorg vormt (plaatselijke faillissementen vormen een groot probleem voor het kapitalisme, kijk maar naar bepaalde staten in de VS, bepaalde regio’s in Spanje, enzovoort). Net zoals elders hebben de autoriteiten, als maatregel tegen de strijd in Chongqing, de blogs geblokkeerd die arbeiders hebben gebruikt om, met het oog op de black-out door de staat, op effectieve wijze met elkaar te communiceren en het nieuws te verspreiden.
Het Chinese Labour Bulletin van 05.03.2012 rapporteerde dat in de maand februari 2012 de stakingen en protesten in het hele land voortduurden. Het grootste deel daarvan vond plaats in de industrie en het transport, met voornamelijk eisen voor hogere lonen en tegen de verlagingen van extra bonussen. Vijfduizend arbeiders van de Hanzhong Steel Co. in Shaanxi in het noorden, staakte tegen lage lonen en lange werkdagen. Duizenden arbeiders verlieten het fabrieksterrein en gingen de straat op om te demonstreren. Het rapport merkt op dat de arbeiders hun eigen vertegenwoordigers kozen. Het nummer van het Bulletin van maart registreert het hoogste totaal aantal stakingen in één maand sinds ze 15 maanden geleden het aantal stakingen begon bij te houden. Ze noteert een escalatie van stakingen voor hogere vergoedingen voor werk en verhuizingen.
In vele gevallen zijn de mobiele eenheid en de militia actief aanwezig en, buiten het feit dat ze ontslagen worden, worden veel arbeiders ‘opgesloten’ – over dit gebeuren hoort men geen enkel gejammer van de kant van de ‘mensenrechtenindustrie’ in het Westen. In China is onderdrukking en toezicht natuurlijk de specialiteit van een stalinistische staat en, net zoals de Arabische regimes, gebruikt deze staat ook bendes van gewapende schurken die ze betaalt en door het land vervoert om in te zetten tegen de arbeiders. In China gingen de uitgaven voor de politie voor 2010 en die geschat worden voor 2011 het defensiebudget te boven – iets wat niet onwaarschijnlijk is (1)
Aan het begin van de 21e eeuw stroomden miljoenen arme, jonge werkers van het platteland naar de fabrieken in de stad in het zuiden van China, op zoek naar werk. Deze jonge jongens en meisjes werkten lange dagen voor een laag loon in vaak gevaarlijke en ongezonde omstandigheden. Ze vormden voor een groot deel hulploze lammeren die geslacht werden. Op deze basis werd het ‘Chinese economische wonder’ gegrondvest. Maar deze afgedwongen berusting duurde niet lang. Opgehitst door de hitte van de klassestrijd, was het tijdperk van de goedkope en gedweeë arbeidskracht aan het einde van het eerste decennium, goed en wel over. Een aanzienlijk aantal arbeiders, nog jong maar wijzer, beter geschoold, met meer vertrouwen en militant, organiseerden stakingen en ondernamen protesten. In de zomer van 2010 leidde dit in een golf van stakingen in de industrie. (2)
In het midden van het eerste decennium schatte het Chinese Ministerie van Menselijke Reserves en Sociale Zekerheid het aantal migrantenarbeider op 240 miljoen, de 150 miljoen arbeiders die van huis weg zijn, waarvan 70% in de industrie werkt, inbegrepen. Zelfs met dat aantal was er rond 2005 een tekort aan arbeiders, wat de arbeiders in staat stelde een stap vooruit te zetten in een ‘offensieve’ strijd en eisen met bijzondere uitbarstingen. Hiermee gaven ze anderen de moed om hun eigen protest te beginnen. De Chinese staat telde in 2007 80.000 incidenten – het laatste jaar dat er officiële cijfers werden gepubliceerd. (3) De CLB schat dat deze cijfers sindsdien elk jaar zijn toegenomen en dat de stakingen een ander karakter hebben aangenomen. In augustus 2011 bijvoorbeeld voegden duizenden ontslagen arbeiders, slachtoffer van de reorganisatie bij het Nationale Petroleum Bedrijf van China, zich bij een demonstratie van duizend arbeiders in de olie-industrie, die in staking waren voor hun eigen eisen.
Deze gebeurtenissen onderstreepten de sterkere tendens van bezetting van de straat, het blokkeren van de wegen en demonstraties, en sit-ins op pleinen.Een ander aspect van het ‘bloggen’, dat we hierboven vermeld hebben, was de manier waarop het gebruikt werd in de staking bij Nanhai Honda in 2010. Er werden daar vormen van communicatie bewerkstelligd waarmee een kleine groep arbeiders de leuze rondbazuinde “eenheid is overwinning”. Onder het mom van het voorkomen van “ongegronde geruchten” probeerden de Chinese autoriteiten deze vorm van communicatie stop te zetten. (4) Een van de leiders van de staking bij Honda vertelde de New York Times dat een kleine groep arbeiders, ongeveer 40, voor de staking met elkaar communiceerden en bijeenkwamen om te overleggen over de actie en de eisen. Bij de staking bij PepsiCola, in november 2011, kozen de arbeiders hun eigen vertegenwoordigers voor de algemene vergadering. Ondanks loonsverhogingen, aangeboden door het management, gingen ze door met de actie en breidden ze hem uit. (5)
Vele stakingen eindigen met een loonsverhoging en de inwilliging van een aantal eisen, maar heel veel eindingen niet zo. In beide gevallen worden arbeiders ontslagen en gearresteerd. En waar loonsverhogingen worden gegeven, worden die vaak weggevaagd door de inflatie die een belangrijke vervloeking wordt voor de Chinese economie. Loonsverhogingen nemen toe, niet alleen in de kustgebieden maar, sinds 2010, ook in het achterland, waar de actievoerende arbeiders familie, vrienden, enzovoort, hebben. Dit schept de mogelijkheid een staking gepaard te laten gaan met sociaal protest en dus met een uitbreiding van het strijdterrein. Aan de andere kant worden de migrantarbeiders, die zich gevestigd hebben in de stad, vaak uitgesloten van basisonderwijs en gezondheidszorg voor henzelf en voor hun kinderen – voorzieningen die hun bazen zouden betalen, maar het niet doen. Dit heeft de basis gelegd voor een andere confrontatie. Dit is heel ver weg van wat er een decennium geleden gebeurde, toen deze jonge elementen van het platteland willekeurig gebruikt en afgedankt werden door de Chinese staat. Werkloosheid doemt ook op in al haar omvang in de Federatie van Hong Kong Bedrijven, die meldde dat “eenderde van de industriële bedrijven, die Hong Kong in haar bezit heeft, zullen reorganiseren of sluiten”, iets wat op zijn minst tienduizenden arbeiders zal treffen.
Het Chinese Labour Bulletin stelt dat de arbeiders “geen vertrouwen hadden in de Al-Chinese Federatie van Vakbonden” (6) en dat hun “bekwaamheid om te onderhandelen over een redelijke loonsverhoging toenemen”. Daarom “namen ze de zaak in eigen hand en organiseerden ze een hele reeks van toenemend effectieve collectieve acties…” De ACFTU is duidelijk verbonden met de Partij en bestaat uit leden en kaders van de Partij, en de CLB vestigt de aandacht op een groot probleem waar de Chinese heersende klasse geconfronteerd wordt: het gebrek aan vakbonden om de arbeiders effectieve te disciplineren en te controleren. Repressie is nooit genoeg en kan alleen olie op het vuur gooien. Zoals de CLB rapporteert over de staking bij Honda, die hierboven is genoemd: “Iedere arbeidersorganisatie die zich ontwikkelt tijdens een protest wordt gewoonlijk ontbonden nadat de eisen, die er aanleiding toe gaven, waren ingewilligd”. De CLB, die pro-staat is, zou willen dat deze arbeiders permanente organisaties oprichten en deze doen opgaan in een organisatie van vrije vakbonden op basis van ‘vredelievende’ verhoudingen met de staat.
De verschillende bonden, aangesloten bij de ACFTU, worden soms uitsluitend geleid door managers, zoals die bij de Ohms Electronics fabriek in Shenzhen, waar de twaalf managers allemaal vakbondsbestuurders zijn! En in een pathetisch wanhopige poging, iets wat ook de grenzen aangeeft van de Stalinistische staat, heeft de Shanxi Federatie van Vakbonden haar bestuurders in de provincie de opdracht gegeven hun telefoonnummers openbaar te maken, zodat de arbeiders met hen in contact kan komen!! Doorheen het hele land heeft de ACFTU arbeiders ontslagen, onderkruipers ingezet en de politie en militia ingeschakeld tegen de arbeiders. De ACFTU maakt volledig deel uit van het ongeloofwaardig geworden partij-apparaat. De bourgeoisie, niet alleen in China maar wereldwijdd, heeft nieuwe, soepele en geloofwaardige vakbonden nodig en dit is waar het China Labour Bulletin en door haar streven voor vrije vakbonden voor opkomt. We kunnen dat zien in zijn oproep voor een “grotere deelname”(van de arbeiders) “in comité’s en andere vakbondsorganisaties” en “nieuwe beambten om informatie te geven over de activiteiten van de vakbonden”, zoals na de recente stakingen bij Foxcomm.
De vakbonden in China – in tegenstelling tot hun hoog ontwikkelde zusterorganisaties in het Westen – zien in het algemeen zelfs geen stakingen aankomen, laat staan dat ze in staat zijn ze versnipperen en te verdelen. Dit was de afgelopen zomer het geval bij de Honda autofabriek in Foshan, in het zuidwesten van China. Het duurde twee weken en een grote loonsverhoging om de arbeiders opnieuw aan het werk te krijgen. Kong Xianghong, een voormalige arbeider en veteraan-lid van de CP en nu lid van de ACFTU, zei na de stakingen (en een volgende doldrieste reeks van stakingen die het uitlokte): “We realiseerden het gevaar van onze vakbond, die gescheiden is van de massa’s”. Kong voegde eraan toe dat China: “De lessen van de revoltes in de Arabische landen” moet trekken. (7)
Terwijl de arbeiders in China het aantal stakingen opvoeren, nemen voor de bourgeoisie de problemen toe. De laatste zou, als de al mogelijk is, en dit moet worden betwijfeld, een grotere controle kunnen krijgen door de oprichting van vrije vakbonden. Voor de arbeiders is de les van de vrije vakbond Solidarnosc in Polen dat deze organisaties verraderlijker en meer vernietigend zijn voor de zaak van de arbeiders dan de vakbondsstructuren van de Partij/Staat. Die vakbonden laten tenminste zien wat ze zijn: tegen de arbeidersklasse.
Baboon / 15.04.2012
(1) Bloomberg News, 06.03.2011
(2) Er waren in 2010 een geschat aantal van 180.000 ‘incidenten’ Financial Times, 02.03.2011.
(3) CASS, Social Trends Analysis and Projection Topic Group, 2008-2009.
(4) BBC News, 16.03.2012.
(5) World Socialist Web: “Signs of a new strike wave in China”.
(6) “A Decade of Change: The Workers' Movement in China 2000-2010”.
(7) Washington Post, 29.04.2011
De IKS heeft onlangs haar 20e Internationaal Congres gehouden. Het Congres van een communistische organisatie is één van de belangrijkste momenten in haar leven en activiteit. Via delegaties, aangeduid door elk van haar afdelingen, maakt heel de organisatie de balans op van haar activiteiten, analyseert ze op diepgaande wijze de internationale situatie, stelt ze perspectieven op en kiest ze een centraal orgaan, dat tot taak heeft ervoor te zorgen dat de beslissingen van het congres uitgevoerd worden.
Omdat wij overtuigd zijn van de noodzaak van debat en samenwerking tussen organisaties, die strijden voor de omverwerping van het kapitalistisch systeem, nodigden we drie groepen uit – twee uit Korea en OPOP uit Brazilië, dat al eerder deelnam aan onze internationale congressen. Omdat het werk van een congres van een kommunistische organisatie geen 'interne' aangelegenheid is, maar van belang is voor de arbeidersklasse als geheel, willen wij hierbij onze lezers informeren over de essentiële kwesties die bediscussieerd werden.
Het Congres had plaats tegen de achtergrond van toenemende spanningen in Azië, de voortdurende oorlog in Syrië, een erger wordende economische crisis en een klassenstrijd die gekenmerkt wordt door de trage ontwikkeling van 'klassieke' strijd tegen de economische aanvallen van de bourgeoisie, maar ook door de wereldwijde opkomst van sociale bewegingen, waarvan de meest kenmerkende voorbeelden de Occupy-beweging in de VS en de 'Indignados' in Spanje zijn.
Analyse van de wereldsituatie – een uitdaging die een belangrijke theoretische inspanning vereist
De Resolutie over de Internationale Situatie, aangenomen op het 20 Congres, vat de analyses samen die voortkwamen uit de discussies. De tekst ervan is gepubliceerd op de site van de IKS, dus komen we er hier niet in detail op terug.
De Resolutie herinnert aan het historisch kader waarin we de huidige situatie van de maatschappij moeten begrijpen – het verval van de kapitalistische productiewijze, wier begin gemarkeerd werd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog I; en de finale fase van het verval, die door de IKS sinds het midden van de jaren 1990 gedefinieerd werd als de fase van ontbinding, van een maatschappij die totaal aan het verrotten is. De sociale ontbinding wordt duidelijk geïllustreerd door de vorm die de imperialistische conflicten vandaag aannemen, met de situatie in Syrië als een bijzonder tragisch voorbeeld, zoals we kunnen zien in het verslag over de imperialistische spanningen dat door het Congres aanvaard werd en dat gepubliceerd werd op de website. Dit wordt echter eveneens geïllustreerd door de rampzalige aftakeling van het milieu, die de heersende klasse, ondanks al haar alarmerende verklaringen en campagnes, niet in staat is te voorkomen, of zelfs maar af te remmen.
Het Congres hield geen specifieke discussie over de imperialistische conflicten omdat onze voorbereidende discussies al een uitgebreide mate van overeenstemming over deze kwestie hadden laten zien. Maar het Congres hoorde een presentatie aan van de Koreaanse groep Sanoshin over de imperialistische spanningen in het Verre Oosten, die wij als een bijlage op onze website hopen te publiceren.
Omdat ze de tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze niet kan overwinnen, verkeert de bourgeoisie -zoals de Resolutie aangeeft - in een patstelling, een overtuigende bevestiging van de marxistische analyse. Alle 'deskundigen', of ze het 'neo-liberalisme' nu ondersteunen of verwerpen, bekijken de marxistische analyse met de minachting van de onwetenden. Maar bovenal bestrijden ze haar, juist omdat ze het historisch bankroet van deze productiewijze voorspelt en de noodzaak vooropstelt om die te vervangen door een maatschappij waarin de markt, de winst en loonarbeid naar het museum van de geschiedenis verwezen worden. De Resolutie stelt een maatschappij voor waarin de mensheid vrij zal zijn van de blinde wetten die haar vandaag naar de barbaarsheid slepen, en waarin ze zal kunnen leven volgens het principe “van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!”.
Wat betreft de huidige toestand van de crisis van het kapitalisme stelde het Congres zeer duidelijk dat de huidige ‘financiële crisis’ in geen geval aan de basis ligt van de tegenstellingen die de wereldeconomie teisteren, noch liggen de wortels ervan in de ‘financialisering van de economie’ en in de obsessie voor snelle winst en speculatie. “Integendeel: de bron van de ‘financialisering’ is gelegen in de overproductie en het feit dat het steeds riskanter wordt om te investeren in de productie. De wereldmarkt raakt steeds meer verzadigd en dit gegeven stuurt de vloed van financiële middelen steeds meer in de richting van speculatie. Dit is de reden waarom alle ‘linkse’ economische theorieën, die oproepen tot een ‘beteugeling van de internationale financiën’ om uit de crisis te komen, onbetekende dromen zijn daar ze de werkelijke oorzaken ‘vergeten’ van deze opzwelling van de financiële sfeer.” (Resolutie over de Internationale Situatie, punt 10)
Het Congres erkende ook dat “De crisis van de ‘rommelhypotheken’ in 2007, de reusachtige financiële paniek en de recessie van 2009 markeerden een nieuwe en zeer belangrijke etappe in de neergang van het kapitalisme naar een onomkeerbare crisis”. (idem, punt 11)
Nadat dit is geconstateerd, concludeerde het Congres dat onze organisatie verre van unaniem is over de economische crisis en dat het nodig zal zijn de discussie voort te zetten over een aantal kwesties, zoals de kwestie of de verergering van de crisis in 2007 een kwalitatieve breuk betekende, die een nieuw hoofdstuk opent in de geschiedenis doordat de economie naar een onmiddellijke en snelle ineenstorting wordt gedreven? Wat was de betekenis van de gebeurtenissen in 2007? Meer in het algemeen: wat voor soort ontwikkeling van de crisis mogen we verwachten: een plotselinge ineenstorting of een trage, politiek 'beheerde' neergang? Welke landen zullen het eerst wegzinken en welke het laatst? Heeft de heersende klasse nog keuzes, manoeuvreerruimte, en welk fouten probeert ze te vermijden? Of algemener: wanneer ze de economische crisis en haar perspectieven analyseert, kan de heersende klasse de te verwachten reacties van de arbeidersklasse dan veronachtzamen en doet ze dat ook? Met welke criteria houdt de heersende klasse rekening wanneer ze in verschillende landen soberheidsprogramma's doorvoert? Bevinden we ons in een situatie waarin de heersende klasse de arbeidersklasse overal op dezelfde wijze kan aanvallen, zoals dat in Griekenland is begonnen? Moeten we een herhaling verwachten van de aanvallen op dezelfde schaal (loonsverminderingen tot 40%, enzovoort) in de oude centrale industrielanden? Wat is het verschil tussen de crisis van 1929 en die van vandaag? Hoever is de verpaupering in de grote industrielanden gevorderd?
De organisatie herinnerde eraan dat we, na 1989, spoedig in staat waren de fundamentele veranderingen te voorspellen op imperialistisch vlak en met betrekking tot de klassenstrijd, die zich aandienden na de ineenstorting van het Oostblok en de zogenaamde 'socialistische' landen (1) We voorzagen echter niet de grote economische veranderingen die er sindsdien plaatsgevonden hebben.. Wat was bijvoorbeeld het effect op de wereldeconomie van China's en India's keuze om hun vroegere mechanismen, van relatieve economische autarkie, op te heffen?
Zoals we dat deden in verband met het debat, dat we enkele jaren geleden in onze organisatie voerden over de mechanismen die de 'boom' na de Tweede Wereldoorlog mogelijk gemaakt hadden (2), zullen we onze lezers vanzelfsprekend de voornaamste elementen van dit debat uiteenzetten zodra de discussie erover een voldoende niveau van helderheid bereikt heeft.
Het rapport over de klassenstrijd voor dit Congres maakte de balans op van de laatste twee jaar (van de Arabische lente, de Indignados, de Occupy-bewegingen, tot de strijd in Azië) en de moeilijkheden van de klasse om een antwoord te geven op de steeds verder toenemende aanvallen van de kapitalisten in Europa en de VS. De discussies op het Congres gingen vooral over twee kwesties: hoe kunnen we de moeilijkheden van de arbeidersklasse verklaren om op ‘gepast wijze’ op de toenemende aanvallen te reageren? Waarom evolueren we nog niet naar een revolutionaire situatie in de oude centrale industrielanden? Welke beleidslijnen stelt de heersende klasse op om massale strijd te vermijden in de oude industriecentra? Wat zijn de voorwaarden voor de massastaking?
Welke rol speelt de arbeidersklasse in Oost-Azië, in het bijzonder in China, in de globale krachtsverhouding tussen de klassen? Wat kunnen wij verwachten van de klasse? Heeft het centrum van de wereldeconomie, en van het wereldproletariaat, zich verplaatst naar China? Hoe moeten we de veranderingen opvatten in de samenstelling van de arbeidersklasse wereldwijd? Het debat bracht ons standpunt in herinnering over de ‘zwakke schakel’ dat we in de jaren 1980 ontwikkelden tegen Lenins idee dat de keten van kapitalistische overheersing zou breken op zijn ‘zwakste schakel’ (3), dat wil zeggen de minst ontwikkelde landen.
Ook al legden de discussie geen meningsverschillen bloot over het rapport (dat samengevat is in de het deel van de Resolutie over Klassenstrijd), dan waren we toch van mening dat de organisatie dieper moet ingaan op deze kwestie, in het bijzonder door het volgende thema te bediscussiëren: “welke methode moeten we gebruiken om de klassenstrijd in de huidige historische periode te analyseren?”
Discussies over het leven van de organisatie, over de balans en de perspectieven van zijn activiteiten en functionering namen een belangrijk deel in beslag van de agenda van het 20e Congres, zoals dat ook het geval was op eerdere congressen. Dit is een uitdrukking van het feit dat de organisatiekwestiee niet zomaar ‘technische’ kwesties zijn, maar een politieke kwestie op zich en dat ze met zoveel mogelijk diepgang benaderd moet worden. Wanneer we terugblikken op de geschiedenis van de drie Internationales, die de arbeidersklasse heeft gecreëerd, dan kunnen we zien dat deze kwesties altijd resoluut ter harte genomen werden door hun marxistische vleugel, zoals - naast vele andere - door volgende voorbeelden geïllustreerd worden:
• de strijd van Marx en de Centrale Raad van de Internationale Arbeiders Associatie tegen de Alliantie van Bakoenin, vooral op het Congres in Den Haag in 1872;
• de strijd van Lenin en de Bolsjewiki tegen de kleinburgerlijke en opportunistische opvattingen van de Mensjewiki tijdens het Tweede Congres van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1903 en daarna;
• de strijd van de Linkerfractie van de Kommunistische Partij van Italië tegen de degeneratie van de Internationale en om de politieke en programmatische voorwaarden voor te bereiden voor een nieuwe proletarische partij, als de historische voorwaarden daarvoor rijp zullen zijn.
De historische ervaring van de arbeidersbeweging heeft aangetoond dat specifieke politieke organisaties, die het revolutionair perspectief verdedigen binnen de arbeidersklasse, onmisbaar zijn om de klasse in staat te stellen het kapitalisme omver te gooien en een kommunistische maatschappij te scheppen. Maar de proletarische politieke organisaties kunnen niet zomaar uitgeroepen worden, ze moeten opgebouwd worden. Omdat het doel de omverwerping van het kapitalistisch systeem is, en omdat een kommunistische maatschappij enkel opgebouwd kan worden als de macht van de bourgeoisie omvergeworpen is en een einde gemaakt is aan het kapitalisme, moet een revolutionaire organisatie opgebouwd worden binnen de kapitalistische maatschappij. Daarom moet de opbouw van de organisatie allerlei soorten druk en hindernissen confronteren, die voortkomen uit het kapitalistisch systeem en zijn ideologie. Dit betekent dat dit proces van opbouw niet in een vacuüm plaatsvindt. Revolutionaire organisaties zijn als een vreemd lichaam binnen de kapitalistische maatschappij, die het systeem voortdurend willen vernietigen. Een revolutionaire organisatie is daarom voortdurend gedwongen zich te verdedigen tegen een hele waaier van bedreigingen vanuit de kapitalistische maatschappij. Vanzelfsprekend moet het weerstaan aan de repressie. De heersende klasse heeft nooit geaarzeld, als ze zich ertoe genoodzaakt zag, haar politie en ook haar militaire strijdkrachten te ontketenen om de stemmen van de revolutionairen het zwijgen op te leggen. De meeste organisaties in het verleden hebben lange tijd bestaan onder repressieve omstandigheden: zij werden ‘buiten de wet’ gesteld en vele militanten werden in ballingschap gedreven. Maar deze repressie heeft hen zelden verpletterd; integendeel: het heeft hun vastberadenheid vaak gesterkt en hen geholpen zich te verdedigen tegen democratische illusies. Dat was bijvoorbeeld het geval met de SPD in Duitsland gedurende de anti-socialistische wetten, die veel beter weerstond aan het gif van ‘democratie’ en ‘parlementarisme’ dan ze deed gedurende de periode waarin ze legaal was.
De revolutionaire organisatie moet ook bestand zijn tegen een vernietiging van binnenuit – infiltratie van spionnen, informanten, avonturiers enz. die vaak meer schade kunnen toebrengen dan openlijke repressie.
Tenslotte en bovenal moet ze de druk weerstaan van de heersende ideologie, in het bijzonder democratisme en ‘gezond verstand’, dat openlijk bestreden werd door Marx. Zij moeten vechten tegen alle ‘waarden’ en ‘principes’ van de kapitalistische maatschappij. De geschiedenis van de arbeidersbeweging leert ons, met het opportunistische koudvuur, dat de 2e en 3e Internationale aantastte, dat de voornaamste bedreiging voor revolutionaire organisaties juist ligt op het vlak van hun onvermogen het binnendringen van ‘waarden’ en denkgewoontes van de bourgeoismaatschappij te bestrijden.
Daarom kan een revolutionaire organisatie niet op dezelfde wijze functioneren als de kapitalistische maatschappij; ze moet op een associatieve wijze functioneren.
De kapitalistische maatschappij werkt door concurrentie, vervreemding, het ‘vergelijken’ met elkaar, het vaststellen van normen, stroomlijning. Een kommunistische organisatie vereist samenwerking en het overwinnen van de competitiegeest. Ze kan enkel functioneren als haar leden niet handelen als een kudde schapen, die in de pas lopen en blindelings aanvaarden wat de centrale organen of andere kameraden zeggen. Het zoeken naar waarheid en helderheid moet voortdurend alle activiteiten van de organisatie stimuleren. Onafhankelijk denken, het vermogen tot overdenking, dingen in vraag te stellen zijn vitaal. Dit betekent dat we ons niet kunnen verschuilen achter een collectief, maar dat we onze individuele verantwoordelijkheid moeten opnemen door onze opinies uit te drukken en aansturen op verheldering. Conformisme is een grote hindernis voor onze strijd voor kommunisme.
Als je je in de kapitalistische maatschappij niet conformeert aan de norm, word je al snel ‘uitgesloten’ en tot zondebok gemaakt, degene die de schuld krijgt van alles. Een revolutionaire organisatie moet een wijze van functioneren invoeren, waarbij allerlei verschillende individuen en persoonlijkheden geïntegreerd kunnen worden in één groot geheel. Dat vereist de kunst van het putten uit de rijkdom van alle persoonlijkheden. Dat betekent een gevecht tegen persoonlijke trots en andere ideeën die verband houden met competitie. Het betekent dat de bijdrage van elke kameraad op prijs gesteld wordt. En tegelijk betekent het dat de organisatie een stel regels moet bezitten die steunen op ethische principes. Die moeten uitgewerkt worden en dat is een politieke strijd op zich. Terwijl de ethiek van de kapitalistische maatschappij geen scrupules kent, moet het doel van de proletarische strijd in harmonie zijn met de middelen van die strijd.
De bouw en functionering van een organisatie omvat dus een theoretische en een morele dimensie, die beide een constante en bewuste inspanning vergen. Iedere traagheid of twijfel, elke vermindering van de inspanningen en gebrek aan waakzaamheid op het ene vlak maakt de weg vrij voor een verzwakking op het andere. Deze beide dimensies zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden en bepalen elkander wederzijds. Hoe minder theoretische inspanningen een organisatie doet, hoe gemakkelijker en sneller de morele achteruitgang kan plaatsvinden. Tegelijkertijd zal het verliezen van het morele kompas onvermijdelijk leiden tot een verzwakking van de theoretische capaciteiten. Zo toonde Rosa Luxemburg, op het keerpunt van de 19e en 20e eeuw, aan dat de opportunistische koers van de Duitse Sociaal-Democratie hand in hand ging met haar morele en theoretische terugval.
Eén van de meest fundamentele aspecten van het leven van een kommunistische organisatie is haar internationalisme, niet enkel op het vlak van de principes, maar ook op het vlak van de opvatting die ze heeft van haar eigen levenswijze en haar wijze van functioneren.
Het doel – een maatschappij zonder uitbuiting en die produceert voor de behoeften van de mensheid – kan enkel bereikt worden op internationaal vlak en vereist de eenmaking van het proletariaat over alle grenzen heen. Dat is waarom internationalisme, sinds zijn eerste verschijnen, de leuze van het proletariaat is geweest. Revolutionaire organisaties moeten de voorhoede zijn door een internationaal standpunt in te nemen en elk 'lokalistisch' perspectief te bestrijden.
Hoewel het proletariaat vanaf zijn ontstaan altijd geprobeerd heeft zich internationaal te organiseren (de Kommunistenbond 1847-1852 was de eerste internationale organisatie), is de IKS de eerste organisatie die internationaal gecentraliseerd is, en waarin alle afdelingen dezelfde standpunten verdedigen. Onze afdelingen zijn geïntegreerd in de internationale debatten in onze organisatie, waarbij al onze leden – over de continenten heen – kunnen leren van de ervaring van de gehele organisatie. Dit betekent dat we moeten leren militanten van uiteenlopende achtergronden bijeen te brengen, leren hoe debatten te voeren ondanks de vele talen – wat het tot een inspirerend proces maakt - waarbij de verheldering en verdieping van onze standpunten verrijkt wordt door de bijdragen van de kameraden verspreid over de hele planeet.
Last but not least is het van levensbelang voor de organisatie om een duidelijk begrip te hebben van de rol die ze moet spelen in de proletarische emancipatiestrijd. Zoals de IKS al vaak benadrukt heeft, is het vandaag niet de taak van de revolutionaire organisatie ‘de klasse of haar strijd te organiseren’ (zoals dat wel het geval kon zijn tijdens de eerste stappen van de arbeidersbeweging in de 19e eeuw). Haar essentiële rol, die al bepaald werd in het Kommunistisch Manifest in 1848, volgt uit het feit dat de kommunisten “vergeleken bij de grote massa van het proletariaat het voordeel hebben een helder begrip te hebben van de marsroute, van de voorwaarden en de uiteindelijke algemene resultaten van de proletarische beweging”. In die zin is de uitwerking van politieke standpunten de permanente en essentiële functie van de organisatie, en om dit te doen kan ze het zich niet veroorloven volledig opgeslorpt te worden door haar taken van interventie in de klasse. Ze moet in staat zijn een stap terug te zetten en zich een algemeen beeld te vormen. Ze moet voortdurend begaan zijn met het uitdiepen van de kwesties die door de klasse als geheel gesteld worden en met het plaatsen van daarvan in een historisch perspectief. Dit betekent dat ze er zich niet toe kan beperken een analyse van de wereldsituatie te maken. Ze moet bredere, onderliggende theoretische kwesties onderzoeken, oppervlakkigheid en de misvormingen door de kapitalistische maatschappij en haar ideologie verwerpen. Dit is een permanente strijd, met een visie op lange termijn, die een hele reeks aspecten omvat die veel verder gaan dan de kwesties, die door de klasse op een of ander moment in de strijd gesteld worden
Omdat de proletarische revolutie niet zomaar een strijd is om ‘brood en boter’, zoals Rosa Luxemburg onderstreepte, maar wel de eerste revolutie in de geschiedenis van de mensheid waarin alle ketenen van uitbuiting en onderdrukking gebroken worden, impliceert deze strijd noodzakelijkerwijs een grote culturele transformatie. Een revolutionaire organisatie heeft niet alleen te maken met kwesties van de politieke economie en de klassenstrijd in een enge zin. Ze moet haar eigen visie ontwikkelen over de meest belangrijke vragen waarmee de mensheid geconfronteerd wordt, haar visies steeds verbreden en openstaan voor en voorbereid zijn opnemen van nieuwe kwesties. Theoretische uitwerking, het zoeken van de waarheid, de wens tot verheldering, dat moet onze dagelijkse passie zijn.
En tegelijkertijd kunnen we onze rol enkel vervullen wanneer de oude generatie van militanten haar ervaring en de lessen die zijn verworven heeft aan de nieuwe militanten doorgeeft. Als de oude generatie geen ‘schat’ aan ervaring en lessen heeft om door te geven aan de nieuwe generatie, dan heeft ze in haar taak gefaald. De opbouw van de organisatie vereist dus de kunst lessen te trekken uit het verleden om de toekomst voor te bereiden.
Zoals we kunnen zien is de opgave om de revolutionaire organisatie op te bouwen uiterst complex en vraagt ze om een permanente strijd. In het verleden heeft onze organisatie al belangrijke gevechten gevoerd voor de verdediging van haar principes. Maar de ervaring leert dat deze gevechten onvoldoende geweest zijn en dat ze voortgezet moeten worden geconfronteerd de moeilijkheden en zwakheden die het resultaat zijn van de oorsprong van onze organisatie en de historische omstandigheden waarin ze haar activiteit voortzet: “Er valt geen unieke exlusieve oorzaak aan te geven voor de verschillende zwakheden van de organisatie. Ze zijn het resultaat van verscheidene factoren die, hoewel ze verband met elkaar houden, duidelijk geïdentificeerd moeten worden:
• Het gewicht van onze oorsprong in de historische heropkomst van het wereldproletariaat aan het einde van de jaren 1960, en in het bijzonder de gevolgen van de breuk in de organische continuïteit;
• Het gewicht van de ontbinding die een impact begon te krijgen halverwege de jaren 1980;
• De druk van de ‘onzichtbare hand van de markt’, van de verdinglijking, wier stempel op de maatschappij, met het langer voortbestaan van de kapitalistische productieverhoudingen, alleen maar intenser geworden is.
De verschillende zwakheden die we geïdentificeerd hebben, ook al beïnvloeden die elkaar wederzijds, komen in laatste instantie voort uit volgende drie factoren of een combinatie ervan:
• De onderschatting van de theoretische uitwerking, en in het bijzonder met betrekking tot de organisatorische kwesties, vindt haar bron in onze eigen oorsprong zelf: de impact van de studentenrevolte met zijn component zoals kleinburgerlijk academisme, waartegen zich een tendens verzette die anti-academisme verwarde met een minachting voor theorie, en dit in een sfeer van contestatie van de autoriteit, inclusief die van een ‘ouwe rot’ zoals kameraad MC, die veel jonge militanten en dus de organisatie aangetast heeft. Later werd deze onderschatting van theorie gevoed door de algemene sfeer van vernietiging van de overdenking, die kenmerkend is voor de periode van ontbinding, en het toenemende doordringen van het ‘gezond verstand’, een uiting van het verraderlijk binnendringen van de verdinglijking in onze rangen;
• Het verliezen van verworvenheden is een direct gevolg van de onderwaardering van de theoretische uitdieping: de verworvenheden van de organisatie, zij het op het vlak van het programma, van de analyse of van de organisatie, kunnen zich niet handhaven tegen de constante druk van de burgerlijke ideologie, behalve als ze constant gevoed en ondersteund worden door de theoretische discussie. Een overdenking die niet vooruit gaat, die zich tevreden stelt met het herhalen van vastgeroeste formules, wordt niet enkel bedreigd met stilstand, ze kan enkel achteruitgaan. De oppervlakkigheid in de assimilatie van onze standpunten, dat in het verleden al vaak vastgesteld werd, is de beste waarborg voor het verliezen van onze verworvenheden;
• Immediatisme is een van de jeugdzonden van een organisatie die opgericht werd door jonge militanten die politiek bewust werden op het moment van een spectaculaire heropkomst van de klassenstrijd, en velen van hen dachten dat de revolutie reeds binnen handbereik was. De meest immediatistische kameraden onder ons hielden het niet vol en raakten uiteindelijk ontmoedigd, gaven de strijd op.Maar deze zwakte heeft zich eveneens gehandhaafd onder degenen die zijn gebleven; zij bleef de organisatie doordringen en drukte zich uit bij talrijke gelegenheden. Het is een zwakheid die fataal kan worden omdat ze, gekoppeld aan het verlies van verworvenheden, onvermijdelijk leidt tot opportunisme, een benadering die herhaaldelijk de grondslagen van onze organisatie ondermijnd heeft;
• Routinisme,van zijn kant, is een van de voornaamste uitdrukkingen van het gewicht van vervreemde, verdinglijkte relaties in onze rijen, die overheersen in de kapitalistische maatschappij en die de organisatie in een machine dreigen te veranderen en de militanten in robots. Ze wordt vanzelfsprekend versterkt door de armoede n op het vlak van de theoretische overdenking, die ertoe leidt de bestaansreden van de organisatie uit het oog te verliezen;
• De verkalking volgt voor een groot deel uit het routinisme, zij voedt zich eveneens met het verlies aan de verworvenheden en de theoretische armoede en vormt, derhalve, de tegenhanger van het opportunisme. Zelfs wanneer zij niet leidt tot het verraad zoals laatstgenoemde ziekte (beiden kunnen ook gelijktijdig voorkomen) leidt de verlamming die zij veroorzaakt met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de organisatie, tot de dood van de bekwaamheid van de laatste als actieve factor in de bewustwording van het proletariaat
• De kringgeest vormt, zoals heel de geschiedenis van de IKS bevestigt, net zoals die van de arbeidersbeweging, een van de gevaarlijkste vergiften voor de organisatie. Ze draagt in zich de neiging niet alleen om een instrument van de proletarische strijd tot een ‘stelletje maten’’; niet alleen om de personalisering van politieke kwesties die de debatcultuur verzieken; maar ook om de vernietiging van het collectieve werk en de eenheid van de organisatie, vooral in de vorm van clanisme. Zij is ook verantwoordelijk voor de jacht op zondebokken, die haar morele gezondheid ondermijnt, net zoals ze een van de ergste vijanden is van de cultuur van theorie omdat ze diep en rationeel denken afbreekt ten voordele van gekonkel en roddel. Op dezelfde manier is ze een vaak gebruikte drager van opportunisme, het voorportaal van verraad.” (Resolutie over activiteiten, aanvaard op het Congres, punt 4)
En de IKS is er niet in geslaagd om zich juist van dit vergif te ontdoen tijdens de gevechten die ze sinds bijna veertig jaar heeft gevoerd, zoals men het nog op het 20e congres van haar afdeling in Frankrijk heeft gezien. Het voortbestaan van dit vergif onder ons moet verklaard worden door ons ontstaan uit kringen, maar ook door de verderfelijke gevolgen van de ontbinding (zoals aangestipt wordt door de Orientatietekst van 1993) en het binnendringen van kapitalistische verdinglijking. Dit zijn de drie voornaamste oorzaken voor de moeilijkheden die IKS momenteel ondervindt.
Er bestaan geen magische formules om de strijd aan te gaan tegen de zwakheden en de gevaren die de organisatie bedreigen en we moeten onze inspanningen in verschillende richtingen tegelijk sturen. Een van de punten die bijzondere nadruk kreeg was de noodzaak het routinisme en het conformisme te bestrijden, waarbij erop aangedrongen werd dat de organisatie geen anoniem, uniform lichaam is, maar een associatie van verschillende militanten, die elk hun specifieke bijdrage moeten leveren aan het gemeenschappelijke werk.
Om te kunnen werken aan de opbouw van een echte internationale associatie van kommunistische militanten waarbij iedereen zijn steentje moet kunnen blijven bijdragen aan de collectieve opbouw, verwerpt de organisatie de reactionaire utopie van ‘modelmilitant’, van ‘de standaardmilitant’, van onkwetsbare en onfeilbare ‘supermilitant’.(…) De militanten zijn noch robotten noch ‘Übermenschen’, maar menselijke wezens die verschillende karakters, geschiedenissen hebben en van verschillende sociaal-culturele oorsprong zijn. Alleen door een beter inzicht in onze ‘menselijke aard’ en in de specifieke verscheidenheid van onze soort zal het vertrouwen en de solidariteit tussen de militanten opgebouwd en versterkt kunnen worden.(….) Iiedere kameraad heeft het vermogen een ‘unieke’ bijdrage te leveren aan de organisatie. Hij heeft ook de verantwoordelijkheid om het te doen. In het bijzonder is het de verantwoordelijkheid van iedereen om in het debat zijn standpunt te uiten, in het bijzonder zijn meningsverschillen en vragen, zonder welke de organisatie niet in staat zal zijn om de debatcultuur en de theoretische uitwerking te ontwikkelen. (Resolutie over Activiteiten, punt 9)
Het Congres benadrukte dus in het bijzonder de noodzaak om de taken van theoretische uitwerking vastberaden en doortastend aan te pakken.
De eerste uitdaging voor de organisatie is de bewustwording van de gevaren die voor ons liggen. We kunnen die gevaren niet overwinnen door, op het laatste nippertje, onze toevlucht te zoeken tot ‘blusoperaties’. We moeten alle problemen onderzoeken op basis van een theoretisch-historische benadering en elk pragmatisch, oppervlakkig oordeel verwerpen. Dit betekent dat we een visie op lange termijn moeten ontwikkelen en niet vervallen in een ‘dag-per-dag’ en empirische benadering. Theoretische studie en politieke strijd moeten opnieuw in het middelpunt van de organisatie geplaatst worden van het leven, niet enkel wat betreft onmiddellijke interventie, maar - nog belangrijker - door ons bezig te houden met de diepere theoretische kwesties over het marxisme zelf, zoals die de laatste 10 jaar gesteld werden door de oriëntaties die we onszelf gegeven hebben maar die door de organisatie te weinig ontwikkeld werden. Dit betekent dat we ons de nodige tijd moeten geven om te verdiepen en te strijden tegen conformisme in onze rangen. De organisatie moet het kritisch in vraag stellen van de kwesties, dat de uitdrukking van twijfels en pogingen om de zaken dieper te onderzoeken, aanmoedigen.
We mogen niet vergeten dat “theorie niet de passie van het hoofd, maar wel het hoofd van de passie” is en dat “de theorie een materiële macht wordt zodra zij zich van de massa’s meester maakt.” (Marx) De strijd voor het kommunisme omvat niet alleen een economische en een politieke dimensie, maar ook en boven alles een theoretische dimensie (‘intellectueel’ en moreel). Door de ontwikkeling van de ‘cultuur van de theorie’, dat wil zeggen het vermogen om alle activiteiten van de organisatie voortdurend in een historisch en/of theoretisch kader te plaatsen, kunnen we de debatcultuur ontwikkelen en verdiepen in onze rangen en de dialectische methode van het marxisme beter assimileren. Zonder de ontwikkeling van deze ‘cultuur van de theorie’ zal de IKS op lange termijn niet in staat zijn haar koers te behouden. Alleen zo kan ze zich oriënteren, aanpassen aan onvoorzien situaties, het marxisme doen evolueren en verrijken, dat geen onveranderlijk en onveranderlijk dogma is, maar een levende theorie gericht op de toekomst.
Deze ‘cultuur van de theorie’ is geen kwestie van het opleidingsniveau van de militanten. Ze draagt bij tot de ontwikkeling van een rationeel, zorgvuldig en samenhangend denken dat onmisbaar is voor het vermogen een argumentatie te ontwikkelen, om het bewustzijn van alle militanten vooruit te helpen en de marxistische methode in onze rangen te versterken.
Dit werk van theoretische overdenking kan de bijdrage van de wetenschappen niet ontkennen (en met name de menswetenschappen, zoals psychologie en antropologie), de geschiedenis van de menselijke soort en de ontwikkeling van haar beschaving. Om deze reden was de discussie over het thema ‘Marxisme en wetenschap’ van het grootste belang en de vooruitgang die ze mogelijk gemaakt heeft, moet aanwezig blijven en versterkt worden in het denken en leven van de organisatie.
Deze interesse voor de wetenschappen is niet nieuw voor de IKS. Vooral in de artikels over onze vorige congressen hebben we gesproken over het uitnodigen van wetenschappers die, door de overdenkingen uit hun eigen studieterreinen aan te dragen, een bijdrage geleverd hebben aan de overdenking binnen de hele organisatie. Dit keer nodigden we de Britse antropologen Camilia Power en Chris Knight uit, die al aan eerdere congressen deelgenomen hadden en die we hartelijk danken om naar dit congres te komen. Deze twee wetenschappers gaven samen een presentatie over ‘het geweld in de prehistorie’, in samenlevingen die nog niet in klassen verdeeld waren. Kommunisten hebben uiteraard een fundamentele belangstelling voor deze kwestie. Het marxisme heeft veel onderzoek gewijd aan de rol van het geweld. Vooral Engels heeft een belangrijk deel van de Anti-Dühring gewijd aan de rol van geweld in de geschiedenis. Vandaag, nu we ons voorbereiden op de honderdste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog, een eeuw gekenmerkt door het ergste geweld dat de mensheid ooit gekend heeft, en nu geweld overdadig aanwezig is in het maatschappelijk leven, is het van belang dat degenen, die strijden voor een samenleving die zichzelf bevrijd heeft van de littekens van de kapitalistische maatschappij, van oorlog en onderdrukking, zich bezighouden met de plaats van geweld in de verschillende maatschappijvormen. Geconfronteerd met het standpunt van de burgerlijke ideologie, die stelt dat het geweld van vandaag overeenstemt met de ‘menselijke natuur’, wier regel is ‘iedereen voor zich’ en de heerschappij van de sterkeren over de zwakkeren, is het met name nodig te kijken naar de rol van samenlevingen die nog niet verdeeld waren in klassen, zoals het primitieve communisme.
We kunnen hier geen verslag geven van de bijzonder rijke presentaties door Camilia Power en Chris Knight (we zijn van plan ze als podcast op onze website te publiceren). Maar het is waard erop te wijzen dat deze beide wetenschappers beargumenteerd standpunt ingenomen tegen de theorie van Steven Pinker (4), die beweert dat dankzij de ‘beschaving’ en de invloed van de staat het geweld afgenomen is. Camilia Power en Chris Knight toonden aan dat in de samenlevingen van de jagers-verzamelaars een veel lager niveau van geweld bestond dan in de eropvolgende sociale formaties.
De discussies die op de presentatie door Camilia Power en Chris Knight volgde was, zoals tijdens voorgaande congressen, bijzonder levendig. Ze illustreerde in het bijzonder hoe de bijdrage van de wetenschappen het revolutionaire denken kan verrijken, een idee dat Marx en Engels anderhalve eeuw geleden al verdedigden.
Het 20e Congres van de IKS heeft, door de hindernissen die de arbeidersklasse moet nemen in haar emancipatiestrijd duidelijk te maken, zowel als de hindernissen die de organisatie van revolutionairen ontmoet bij het uitoefenen van haar specifieke verantwoordelijkheden binnen deze strijd, de moeilijkheid en de lengte van de weg die voor ons ligt. Maar dat mag geen bron voor ontmoediging zijn. Zoals de resolutie, die door het Congres werd aangenomen, het stelt: “De taak die voor ons ligt is lang en moeilijk.Wij hebben geduld nodig. Lenin beschouwde dit als een van de voornaamste kwaliteiten van de bolsjewiek. Geconfronteerd met de moeilijkheden, moeten wij ons verzetten tegen de ontmoediging. Deze zijn onvermijdelijk en wij moeten ze niet beschouwen als een vervloeking, maar integendeel als een aanmoediging om het gevecht voort te zetten en te intensiveren. De revolutionairen, en het is een van hun fundamentele eigenschappen, zijn geen mensen die het comfort of het gemak beogen. Het zijn strijders die zich als doel stellen om op beslissende wijze bij te dragen aan de meest reusachtige en moeilijkste taak die de menselijke soort te vervullen heeft, maar ook het meest enthousiasmerend, daar ze de bevrijding betekent van de mensheid van de uitbuiting en de vervreemding en het begin van haar ‘werkelijke geschiedenis’ ”. (Idem, Punt 16)
IKS
1. Sinds een eeuw is de kapitalistische productiewijze zijn periode van historische achteruitgang, zijn periode van verval ingegaan. De uitbarsting van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, heeft de overgang gekenmerkt van ‘La Belle Epoque’, het hoogtepunt van de burgerlijke maatschappij, en ‘het tijdperk van de oorlogen en de revoluties’, zoals de Kommunistische Internationale het tijdens haar eerste congres, in 1919 heeft gekwalificeerd. Sindsdien heeft het kapitalisme zich slechts in een barbarendom gestort, met ‘op zijn geweten’ in het bijzonder de Tweede Wereldoorlog, die meer dan 50 miljoen doden heeft gekost. De periode van ‘welvaart’, die op deze afschuwelijke slachtpartij volgde, heeft de illusie kunnen verspreiden dat dit systeem uiteindelijk in staat was geweest zijn tegenspraken te overwinnen. Maar de open crisis van de wereldeconomie, aan het einde van de jaren 1960, heeft het vonnis bevestigd dat de revolutionairen al een halve eeuw eerder onder woorden hadden gebracht: de kapitalistische productiewijze ontsnapt niet aan het lot van de productiewijzen die haar zijn voorafgegaan. Nadat ze een progressieve etappe vormde in de menselijke geschiedenis, was het kapitalisme eveneens een belemmering geworden voor de ontwikkeling van de productiekrachten en de vooruitgang van de mensheid. Het uur van haar omverwerping en vervanging door een andere maatschappij was gekomen.
2. Gelijk met de ‘ondertekening’ door het kapitalistische systeem van haar historische impasse, plaatste deze open crisis, net als die van de jaren 1930, de maatschappij nogmaals voor het alternatief: de veralgemeende imperialistische oorlog of de ontwikkeling van beslissende gevechten van het proletariaat, met als vooruitzicht de revolutionaire omverwerping van het kapitalisme. Geconfronteerd met de crisis van de jaren 1930 was het wereldproletariaat, dat na de nederlaag van de revolutionaire golf van de jaren 1917-‘23 door de bourgeoisie ideologisch was verpletterd, niet in staat geweest zijn eigen antwoord te geven, waardoor de heersende klasse de zijne kon opleggen: een nieuwe wereldoorlog. Vanaf de eerste oprispingen van de open crisis echter, aan het einde van de jaren 1960, is het proletariaat gevechten van grote omvang aangegaan: Mei 1968 in Frankrijk, de Italiaans ‘hete herfst’ van 1969, de massale stakingen van de Poolse arbeiders aan de Oostzee in 1970 en vele andere, minder spectaculaire, maar net zo belangrijke tekenen van een verandering in de maatschappij: de contrarevolutie was geëindigd. In deze nieuwe situatie had de bourgeoisie de handen niet vrij om de weg van een nieuwe wereldoorlog in te slaan. Hierop volgde meer dan vier decennia van stagnatie van de wereldeconomie, die gepaard ging met steeds heftigere aanvallen op het niveau en de levensomstandigheden van de uitgebuiten. In de loop van deze decennia heeft de arbeidende klasse talloze vormen van verzet gevoerd. Nochtans, zelfs als zij geen beslissende nederlaag heeft ondergaan die de historische koers had kunnen keren, is zij niet in staat geweest om haar strijd en haar bewustzijn te ontwikkelen om aan de maatschappij een ruwe schets te laten zien van een revolutionair vooruitzicht. "In een dergelijke situatie waarin beide fundamentele en tegenstrijdige klassen van de maatschappij, die elkaar confronteren, er niet in slagen om hun eigen beslissend antwoord op te leggen, kan de geschiedenis nochtans niet kunnen stoppen. Nog minder dan voor de andere productiewijzen die aan het kapitalisme zijn voorafgegaan, kan er voor het kapitalisme” een bevriezing“, een ”stagnatie“ van het sociale leven bestaan. Terwijl de tegenspraken van het kapitalisme in crisistijd slechts verergeren, kan het onvermogen van de bourgeoisie om het minste vooruitzicht te bieden aan het geheel van de maatschappij en het onvermogen van het proletariaat om onmiddellijk het zijne openlijk te verzekeren slechts op een verschijnsel van veralgemeende ontbinding, van verrotting van de maatschappij uitlopen”. (“Ontbinding, laatste fase van het kapitalistische verval“, Internationale Revue nr. 13). Sinds een kwarteeuw is dus een nieuwe fase van het verval van het kapitalisme dat is begonnen. De fase waarin het verschijnsel van de sociale ontbinding een beslissende component van het leven van de hele maatschappij is geworden.
3. Het terrein waarop de ontbinding van de kapitalistische maatschappij zich op meest spectaculaire wijze voordoet is dat van de oorlogsconfrontaties en meer in het algemeen dat van de internationale betrekkingen. De opeenvolging van moorddadige aanslagen die grote Europese steden, met name Parijs, in het midden van het decennium hadden getroffen, heeft de IKS er in de tweede helft van de jaren 1980 toe aangezet om zijn analyse over de ontbinding uit te werken. Aanslagen die niet gepleegd werden door eenvoudige, geïsoleerde groepen maar door bestaande staten. Het was het begin van een vorm van imperialistische confrontaties, vervolgens gekwalificeerd als ‘asymmetrische oorlogen’, die een diepgaande verandering tot uitdrukking brachten in de betrekkingen tussen staten en, meer in het algemeen, in het geheel van de maatschappij. De eerste grote historische manifestatie van deze nieuwe en laatste etappe in het verval van het kapitalisme werd gevormd door de ineenstorting van de stalinistische regimes van Europa en het Oostblok in 1989. Onmiddellijk zette de IKS uiteen wat de betekenis deze gebeurtenis, vanuit het oogpunt van de imperialistische conflicten, tot uitdrukking bracht: “De verdwijning van de Russische imperialistische politieagent, en die, wat eruit zal voortvloeien, van de Amerikaanse politieagent ten aanzien van zijn voornaamste ‘bondgenoten’ van gisteren, openen de deur voor de uitbarsting van een hele reeks van plaatselijke rivaliteiten. Deze rivaliteiten en confrontaties kunnen momenteel niet, in een wereldconflict ontaarden (...).Ten gevolge van de verdwijning van de discipline, die door de aanwezigheid van de blokken wordt opgelegd, dreigen deze conflicten echter heftiger en talrijker te worden en in het bijzonder, natuurlijk, in de zones waar het proletariaat het zwakste is“ (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave nr. 62 “Na de instorting van het Oostblok, destabilisatie en chaos”) Sindsdien heeft de internationale situatie deze analyse slechts bevestigd:
- de eerste Golfoorlog in 1991;
- de oorlog in ex-Joegoslavië tussen 1991 en 2001;
- de twee oorlogen in Tsjetsjenië (in 1994-1995 en in 1999-2000);
- de oorlog in Afghanistan vanaf 2001 die, 12 jaar daarna, nog voortgezet wordt;
- de oorlog in Irak van 2003, waarvan de gevolgen op dramatische wijze op dit land, maar ook op initiatiefnemer van deze oorlog, de Amerikaanse macht blijven wegen;
- de talrijke oorlogen die niet hebben opgehouden het Afrikaanse werelddeel te verwoesten (Rwanda, Somalië, Kongo, Soedan, Ivoorkust, Mali, enz.);
- de talrijke militaire verrichtingen van Israël tegen Libanon of de Gazastrook die een antwoord vormden op het afschieten van raketten door Hezbollah of Hamas
4. In feite maken deze verschillende conflicten op dramatische wijze duidelijk in hoeverre de oorlog een volkomen irrationeel karakter heeft aangenomen in het verval van het kapitalisme. De oorlogen van 19e eeuw, hoe moorddadig zij ook geweest zijn, hadden vanuit het oogpunt van de ontwikkeling van het kapitalisme een rationaliteit. Door de koloniale oorlogen maakten de Europese staten het mogelijk om een imperium te vormen, waaruit ze grondstoffen konden putten of waarheen ze hun goederen konden laten wegstromen. De Burgeroorlog van 1861-‘65 in Amerika, dat door het Noorden werd gewonnen, heeft de deuren geopend voor een volledige industriële ontwikkeling van wat de eerste wereldmacht ging worden. De Frans-Pruisische oorlog van 1870 is bepalend geweest voor de Duitse eenheid en dus voor de totstandkoming van het politieke kader van de toekomstige eerste economische macht van Europa. De Eerste Wereldoorlog daarentegen heeft de Europese landen, zowel ‘de overwinnaars’ als ‘de overwonnenen’, bloedeloos achtergelaten en met name de meer ‘oorlogszuchtigen’ (Oostenrijk, Rusland en Duitsland). De Tweede Wereldoorlog heeft de achteruitgang van het Europese werelddeel bevestigd en vergroot, met de speciale vermelding dat Duitsland, naar het voorbeeld van de eveneens andere ‘agressieve’ macht, Japan, in 1945 één grote puinhoop geworden was. De Verenigde Staten was het enige land dat in feite van deze oorlog heeft geprofiteerd, omdat ze er later was ingegaan en, als gevolg van hun geografische positie, heeft kunnen vermijden dat zij zich niet op haar grondgebied afspeelde. Trouwens de belangrijkste oorlog die dit land na de Tweede Wereldoorlog heeft gevoerd, die van Vietnam, heeft heel goed het irrationale karakter ervan aangetoond, aangezien zij, ondanks de aanzienlijke kosten vanuit economisch, maar vooral menselijk en politiek oogpunt, niets aan de Amerikaanse macht heeft toegevoegd.
5. Maar het irrationale karakter van de oorlog is in de fase van de ontbinding op een nog hoger niveau gebracht. Dat wordt bijvoorbeeld heel goed geïllustreerd door de militaire avonturen van de Verenigde Staten in Irak en in Afghanistan. Deze oorlogen hebben aanzienlijke kosten met zich meegebracht, in het bijzonder vanuit economisch oogpunt. Maar de voordelen ervan zijn uiterst beperkt, zo niet negatief. In deze oorlogen heeft de Amerikaanse macht zijn enorme militaire superioriteit kunnen uitstallen, maar dat heeft hem niet in staat gesteld om de doelstellingen te verwezenlijken die hij beoogde: Irak en Afghanistan stabiliseren en zijn vroegere bondgenoten van het westerse blok verplichten om de rijen rondom hem te sluiten. Vandaag laat de geprogrammeerde terugtrekking van de Amerikaanse troepen en de NAVO uit Irak en Afghanistan een instabiliteit zonder weerga achter in deze landen, met het risico dat zij onderdeel gaan uitmaken van de verergering van de instabiliteit van de hele regio. Tegelijkertijd hebben de andere deelnemers aan deze militaire avonturen het schip in verspreide orde verlaten. Voor de Amerikaanse imperialistische macht is de situatie steeds meer verslechterd: terwijl zij er in de jaren 1990 nog in slaagde om haar rol van ‘politieagent van de wereld’ te behouden, is zijn belangrijkste zorg momenteel zijn onmacht te verbergen tegenover de toename van de wereldchaos, zoals de situatie in Syrië die bijvoorbeeld manifesteert.
6. In de loop van de laatste jaren heeft het chaotische en oncontroleerbare karakter van de imperialistische spanningen en conflicten zich met de situatie in Verre Oosten en, natuurlijk met de situatie in Syrië, zich nogmaals geïllustreerd. In beide gevallen worden wij geconfronteerd met conflicten, die de dreiging in zich dragen de regio in vuur en vlam te zetten en een veel aanzienlijkere destabilisatie te veroorzaken.
In het Verre Oosten zijn we getuige van een toename van de spanningen tussen regionale staten. Zo heeft men in de loop van de laatste maanden spanningen zien ontwikkelen waar talrijke landen bij betrokken zijn: Filippijnen in Japan. China en Japan ruziën bijvoorbeeld over de eilanden Senkaku/Diyao, Japan en Zuid-Korea over het eiland Take-shima-Dokdo, terwijl andere spanningen aan de oppervlakte treden waar ook Taiwan, Vietnam of Birma bij betrokken zijn. Maar het meest spectaculaire conflict is natuurlijk dat van Noord-Korea enerzijds en Zuid-Korea, Japan en de Verenigde Staten anderzijds. Bij de keel gegrepen door een dramatische economische crisis, heeft Noord-Korea de militaire inzet opgevoerd. Dit heeft natuurlijk tot doel chantage uit te oefenen, vooral op de Verenigde Staten, om van deze macht een zeker aantal economische voordelen te verkrijgen. Maar dit avonturistische beleid bevat twee heel ernstige factoren.
Enerzijds het feit dat zij, zelfs als het op indirecte wijze is, de Chinese reus erin betrekt, die een van de enige bondgenoten van Noord-Korea blijft, terwijl deze macht er steeds meer naar streeft om, overal waar ze kan, zijn imperialistische belangen te doen gelden. Natuurlijk in het Verre Oosten, maar ook in het Midden-Oosten dankzij haar bondgenootschap met Iran (dat bovendien zijn voornaamste leverancier is van koolwaterstoffen), en eveneens in Afrika waar een toenemende economische aanwezigheid tot doel heeft een toekomstige militaire aanwezigheid voor te bereiden, wanneer zij de middelen ervoor heeft.
Anderzijds behelst dit avonturistische beleid van Noord-Korea, een staat waarvan de wrede politieheerschappij van een fundamentele kwetsbaarheid getuigt, het risico van een ‘ongeluk’, van het begin van een ongecontroleerd proces, dat een nieuwe haard van rechtstreekse militaire conflicten veroorzaakt met moeilijk in te schatten gevolgen. Toch kan men al indenken dat zij een andere tragische episode zullen vormen, die, gevoegd bij alle uitingen van oorlogsbarbarij, de planeet vandaag de dag overstelpen.
7. De burgeroorlog in Syrië volgt op ‘de Arabische lente’ die, door de regering van Assad te verzwakken, de doos van Pandora heeft geopend van een groot aantal aan tegenstellingen en conflicten, die door de ijzeren hand van deze regering gedurende decennia onder de duim was gehouden. De westerse landen zijn akkoord gegaan met het vertrek van Assad, maar beschikken ter plaatse niet over een oplossing ter vervanging van hem, terwijl de oppositie tegen zijn regime volkomen is verdeeld en de belangrijkste sector hiervan wordt gevormd door islamieten. Tegelijkertijd geeft Rusland de regering van Assad onophoudelijk militaire steun, omdat hij hem, met de haven van Tartus, de aanwezigheid van zijn oorlogsvloot in de Middellandse Zee garandeert. En het is niet de enige staat, aangezien zowel Iran als China niet achterblijven: Syrië is een nieuwe bloedige inzet van de talloze rivaliteiten tussen imperialistische machten van de eerste of tweede orde geworden. En de volkeren van het Midden-Oosten moeten al decennia achtereen de kosten ervan betalen. Het feit dat de manifestaties van ‘de Arabische Lente’ in Syrië niet is uitgelopen op de geringste verovering van de macht door de uitgebuite en onderdrukte massa’s, maar op een oorlog die meer dan 100.000 doden heeft veroorzaakt, vormt een sinistere illustratie van de zwakte van de arbeidende klasse in dit land, de enige kracht die een einde kan maken aan de barbarij van de oorlog. En het is een situatie die eveneens geldt, zelfs wanneer het minder tragische vormen aanneemt, voor de andere Arabische landen, zoals in Egypte of in Tunesië, waar het afzetten van de vroegere dictators heeft geleid tot een overname van de macht door de islamieten, de meest achterlijke fracties van de bourgeoisie, of tot een nog nooit vertoonde chaos zoals in Libië.
Op die manier biedt Syrië ons op dit moment een nieuw voorbeeld van het barbarendom van het kapitalisme in ontbinding, zoals dat zich over de planeet ontketent, een barbarendom dat de vorm aanneemt van bloedige militaire botsingen. Een barbarendom dat eveneens de gebieden treft waar de oorlog kan worden voorkomen, maar waar de maatschappij zich toch in een steeds grotere chaos stort zoals in Latijns-Amerika, waar de drugskartels, met medeplichtigheid van de sectoren van de staat, een terreur uitoefenen.
8. Maar is het in het bijzonder op het vlak van de vernietiging van de leefomgeving neemt de ineenstorting van de kapitalistische maatschappij op de korte termijn een compleet apocalyptische vorm aan. De ontwikkeling van het kapitalisme werd vanaf het begin af aan gekenmerkt door een extreme roofzucht in de zoektocht naar winst en accumulatie. In the naam van de ‘verovering van de natuur’, bereikten de plunderingen in de laatste 30 jaar een niveau van vernietiging dat nog nooit gezien is, noch in voorgaande maatschappijvormen noch in de tijd van zijn ontstaan ‘in bloed en ellende’. Geconfronteerd met het destructieve wezen van kapitalisme is de zorg van het revolutionaire proletariaat zo oud als the dreiging zelf. Marx en Engels waarschuwden reeds tegen de negatieve impact – zowel op de natuur als op de mensen – van de agglomeratie en de opsluiting van mensen in de eerste industriële concentraties in Groot-Brittannië in het midden van de 19e eeuw. In dezelfde geest hebben revolutionairen in verschillende periodes de gemene aard begrepen en verworpen van de kapitalistische ontwikkeling, die het gevaar liet zien die ze vertegenwoordigt; niet alleen voor de arbeidersklasse, maar voor de hele mensheid en nu voor de overleving van de planeet zelf.
De huidige tendens naar een definitieve en onomkeerbare verslechtering van de natuurlijke omgeving is rondom alarmerend, zoals aangetoond wordt door de voortdurende verschrikkelijke scenario’s over the wereldwijde opwarming, de vervuiling van de planeet, de ontbossing, de erosie van de grond, de vernietiging van de soort, de vervuiling van het waterbronnen, zeeën en de lucht en (met de ontbinding) kernrampen. De laatste is een voorbeeld van het latente gevaar van de vernietiging die het gevolg is van het potentieel dat het kapitalisme ingezet heeft in dienst van haar dolle logica, en die het maakt tot een ‘Zwaard van Damocles’, dat hangt boven het hoofd van de mensheid. De bourgeoisie probeert de vernietiging van het milieu toe te schrijven aan de misdadigheid van de individuen die een gebrek aan ecologische besef zouden hebben, en zo een atmosfeer van schuld en angst te scheppen. De werkelijkheid, die zich openbaart in haar vergeefse en hypocriete pogingen om het probleem op te lossen, is echter dat het geen probleem is van individuen of zelfs van individuele bedrijven of landen, maar van de vernietigende logica, dat een integraal onderdeel uitmaakt van het systeem. Het is een systeem dat, in naam van de accumulatie, als beginsel en doel heeft winst, en dat geen scrupules heeft met betrekking tot het, voor eens en altijd, ondermijnen van de materiële voorwaarden voor de metabolische uitwisseling tussen leven en aarde, zolang het er een onmiddellijk voordeel uit kan halen.
Dit is het onvermijdelijke gevolg van de tegenstelling tussen de menselijke en natuurlijke productiekrachten, die het kapitalisme heeft ontwikkeld en die wordt opgedreven tot op het punt van uitbarsten, en de tegengestelde verhoudingen, gebaseerd op de verdeling tussen de klassen en op kapitalistische concurrentie
Dit dramatische scenario moet ook het proletariaat stimuleren in haar revolutionaire inspanningen, omdat alleen de vernietiging van het kapitalisme het leven weer op kan fleuren.
9. Fundamenteel vindt dit onvermogen van de heersende klasse, geconfronteerd met het fenomeen van de vernietiging van het milieu en de bewustwording welk een bedreiging dat inhoudt voor de hele mensheid, zijn oorzaak in haar onvermogen om de economische tegenstellingen te overwinnen, die de kapitalistische productiewijze teisteren. Het is de onomkeerbaarbare verergering van de economische crisis die de fundamentele oorzaak vormt van het barbarendom, dat zich steeds meer verbreidt in de maatschappij. Voor de kapitalistische productiewijze is er geen uitweg. Haar eigen wetten hebben haar in een impasse geleid en ze kan er niet uitkomen zonder haar eigen wetten op te heffen, dat wil zeggen: zonder zichzelf op te heffen. Concreet: vanaf haar begin is de verovering van nieuwe markten buiten de eigen sfeer de motor van de kapitalistische ontwikkeling. De handelscrises, die het vanaf het begin van de 19e eeuw teisterde en drukte zich in het feit dat de waren, die geproduceerd waren door een kapitalisme in volle ontwikkeling, niet genoeg kopers kon vinden om zijn producten op te nemen. Deze crises werden te boven gekomen door de vernietiging van het overbodige kapitaal maar ook, en vooral, door de verovering van nieuwe markten, met name in de gebieden die vanuit de kapitalistische gezichtspunt nog niet ontwikkeld waren. Dat is de reden waarom deze eeuw de eeuw van de koloniale veroveringen was: voor alle ontwikkelde machten was het essentieel zones te vormen, waar ze goedkope grondstoffen konden bemachtigen, maar die ook en vooral konden dienen als afzet voor haar waren. De Eerste Wereldoorlog was fundamenteel het gevolg van de verdeling van de wereld tussen de kapitalistische machten. Dit betekende dat iedere verovering van nieuwe gebieden, die gedomineerd werden door deze of gene macht, alleen kon leiden tot een confrontatie met andere koloniale machten. Dit betekende echter niet dat er geen extra-kapitalistische markten meer bestonden die in staat waren om het overschot aan waren, geproduceerd door het kapitalisme, op te nemen. Zoals Rosa Luxemburg schreef aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog: “Hoe meedogenlozer het kapitaal de niet-kapitalistische lagen vernietigt, in eigen land en in het buitenland, hoe meer het de levensstandaard van alle arbeiders verlaagt, des te groter is ook de verandering in de dagelijkse geschiedenis van het kapitaal. Geteisterd door een reeks van politieke en maatschappelijke rampen en schokken, en onder deze voorwaarden, waarbij het kapitaal wordt geraakt door de periodieke economische rampen en crises, kan de accumulatie niet voortgaan. Maar zelfs voordat de natuurlijke economische impasse, die het kapitaal zelf geschapen heeft, eigenlijk bereikt is, wordt het noodzakelijk voor de internationale arbeidersklasse om tegen de heerschappij van het kapitaal in opstand te komen.” (Rosa Luxemburg, Accumulation of Capital, Chapter 32)
De Eerste Wereldoorlog was juist de meest verschrikkelijke uitdrukking van deze eeuw van ‘rampen en schokken’, die het kapitalisme doormaakte ‘zelfs voordat de natuurlijke economische impasse, die het kapitaal zelf geschapen heeft, eigenlijk bereikt was’. En tien jaar na de imperialistische slachting, was de grote crisis van de jaren 1930 de tweede uiting van een crisis die zou leiden tot een tweede algemene imperialistische slachting. Maar de periode van ‘welvaart’, die de wereld doormaakte in de periode na de Tweede Wereldoorlog, werd aangestuurd door mechanismen geschapen door het Westerse Blok, zelfs voor het einde van de oorlog (in het bijzonder het akkoord van Bretton Wood in 1944). Deze waren gebaseerd op de systematische interventie van de staat in de economie en maakten duidelijk dat deze ‘natuurlijke economische impasse’ nog niet bereikt was. De open crisis aan het einde van de jaren 1960 toonde aan dat het systeem haar grenzen dicht naderde, in het bijzonder met het einde van het proces van dekolonisatie die het, paradoxaal genoeg, mogelijk had gemaakt om nieuwe markten te openen. Van toen af aan heeft de beperktheid van de extra-kapitalististische markten het kapitalisme gedwongen om steeds meer haar toevlucht te zoeken in krediet, een werkelijke vlucht vooruit in de schulden. Want hoe meer schulden zich ophopen des the minder de mogelijkheid bestaat om deze terug te betalen.
10. De toenemende invloed van de financiële sectoren van de economie, ten koste van de eigenlijke productieve sfeer, en die op dit moment wordt gestigmatiseerd door politici en journalisten van allerlei pluimage als de sector die verantwoordelijk is voor de crisis, is geenszins het gevolg van de overwinning van een of andere soort van economisch denken (‘monetarisme’ tegen keynesianisme of ‘neo-liberalisme’ tegen ‘interventionisme’). Het is fundamenteel het gevolg van de vlucht naar voren in het krediet, dat een groeiend gewicht heeft gegeven aan die instituten wier functie is krediet te verlenen, de banken. De financiële crisis is dus niet de oorzaak van de economische crisis en de recessie. Integendeel: de bron van de ‘financialisering’ is gelegen in de overproductie en het feit dat het steeds riskanter wordt om te investeren in de productie. De wereldmarkt raakt steeds meer verzadigd en dit gegeven stuurt de vloed van financiële middelen steeds meer in de richting van speculatie. Dit is de reden waarom alle ‘linkse’ economische theorieën, die oproepen tot een ‘beteugeling van de internationale financiën’ om uit de crisis te komen, onbetekende dromen zijn daar ze de werkelijke oorzaken ‘vergeten’ van deze opzwelling van de financiële sfeer.
11. De crisis van de ‘rommelhypotheken’ in 2007, de reusachtige financiële paniek en de recessie van 2009 markeerden een nieuwe en zeer belangrijke etappe in de neergang van het kapitalisme naar een onomkeerbare crisis. Decennia lang heeft het kapitalisme krediet gebruikt en misbruikt om de groeiende tendens tot overproductie tegen te gaan, die zich in het bijzonder uitte in een reeks van recessies die steeds dieper en vernietigender waren, gevolgd door ‘oplevingen, die steeds bescheidener waren. Het gevolg van dit alles was dat, de variatie in de groeivoeten van jaar tot jaar daargelaten, de gemiddelde groei van de wereldeconomie van het ene tot het andere decennium steeds minder werd, terwijl de werkloosheid tegelijkertijd toenam. De recessie van 2009 was meest belangrijke die het kapitalisme sinds de Grote Depressie van de jaren 1930 heeft geteisterd. Het bracht het werkloosheidpercentage in vele landen tot op een niveau dat na de Tweede Wereldoorlog nog nooit gezien was. Alleen een massale interventie van de IMF, beslist tijdens de top van de G20 van maart 2009, heeft de banken gered van een algemeen bankroet, door hen te vrijwaren van een opeenhoping van ‘giftige schulden’, oftewel leningen die nooit zullen worden terugbetaald. Door deze ingreep werd de ‘schuldencrisis’, zoals de burgerlijke commentaren het beschreven, op een hoger niveau gebracht. Het waren niet langer alleen privé-personen (zoals in de Verenigde Staten met de huizencrisis), of bedrijven of banken, die niet in staat waren om hun schulden af te betalen of zelfs de rente over hun schulden te betalen. Nu waren het hele staten die geconfronteerd werden met het toenemende verpletterende gewicht van schulden, ‘soevereine schulden’ die hun vermogen aantastte om tussenbeide te komen om hun respectievelijke nationale economieën door middel van begrotingstekorten te stimuleren.
12. In deze context zagen we in de zomer van 2011 wat van toen af aan bekend werd als de ‘Eurocrisis’. Net zoals de Japanse of the Amerikaanse staat, was de schuld van de Europese staten op spectaculaire wijze gegroeid, in het bijzonder in die landen van de Eurozone waar economieën het meest kwetsbaar of het meest afhankelijk was van de illusoire lapmiddelen, die in werking gesteld waren in de periode die daaraan voorafging – de PIIGS (Portugal, Ierland, Italië, Griekenland and Spanje). In de landen die hun eigen munt hebben, zoals de Verenigde Staten, Japan of Groot-Brittannië, kan de staatsschuld gedeeltelijk gecompenseerd door geld te drukken. Zo heeft de Amerikaanse FED een grote hoeveelheid Amerikaanse staatsobligaties opgekocht, staatsschulden erkend, om deze vervolgens om te zetten in dollars. Maar een dergelijke mogelijkheid bestaat er niet voor de afzonderlijke landen, die hun nationale munt hebben laten vallen ten gunste van de Euro. Afgesloten van de mogelijkheid om de schuld te ‘monetiseren’ (om te zetten in klinkende munt), bestaat er voor de landen in de Eurozone geen andere toevlucht dan nog meer te lenen om het gat in hun staatsfinanciën te dichten.
En als de landen van Noord-Europa nog in staat zijn, tegen een redelijke rente, fondsen te verwerven van privé-banken, is zoiets onmogelijk voor de PIIGS wier leningen onderworpen zijn aan buitengewone rentes vanwege hun flagrante gebrek aan betalingsvermogen. Dit noodzaakt hen een reeks ‘reddingsplannen’ in werking te stellen, opgelegd door de Europese Central Bank en door de IMF, die vergezeld gaat van de eis tot drastische bezuinigingen in hun staatsuitgaven. De gevolgen van deze drastische verminderingen betekenen dramatische aanvallen op de levensomstandigheden van de arbeidersklasse; maar ze geven de staten nog steeds geen werkelijke vermogen hun staatstekorten te beperken, daar de recessie die erdoor veroorzaakt wordt, tot gevolg heeft dat de gelden verminderen die via belastingen kunnen worden geïnd. De surrogaatremedie, die bedoeld is om de ‘zieke te genezen’ dreigt de patiënt dus steeds meer te doden. Dit is ook een van de redenen waarom de Europese Commissie onlangs besloten heeft de eisen voor de vermindering van de tekorten in landen als Spanje en Frankrijk, af te zwakken. We kunnen dus nog een keer vaststellen wat de impasse is waar het kapitalisme in terecht is gekomen: schuld is gebruikt als een middel om de onvoldoende koopkrachtige markten te compenseren, maar zoiets kan niet oneindig doorgaan zoals de financiële crisis, die begon in 2007, heeft laten zien. Alle maatregelen die opnieuw kunnen worden genomen lopen op tegen het kapitalisme met zijn overproductiecrisis, en dit in een internationale context die voortdurend verslechterd en wier manoeuvreerruimte steeds meer wordt verkleind.
13. Het geval van de ‘opkomende’ landen, in het bijzonder de ‘BRIC’s’ (Brazilië, Rusland, India en China) wier groeivoeten duidelijk hoger bleven dan die van de Verenigde Staten, Japan of West-Europa, weerspreken geenszins de onoplosbare aard van de tegenspraken van het kapitalistisch systeem. In werkelijkheid is het ‘succes’ van deze landen (de verschillen tussen hen moet onderstreept worden, daar het succes van een land als Rusland voornamelijk het gevolg is van de uitvoer van grondstoffen, in het bijzonder koolwaterstof) gedeeltelijk het gevolg geweest van de algemene kapitalistische overproductiecrisis. De verscherping van de concurrentie tussen de bedrijven dwingen de BRIC’s de kosten van de arbeidskracht drastisch te verlagen, wat heeft geleid tot de ‘verplaatsing’ van belangrijke delen van het productieve apparaat (auto, textiel en kleding, elektronica, enzovoort) van de oude industriële landen naar regio’s waar de lonen van de arbeiders veel lager zijn. Dit nieuwe element in de uitbuiting van de arbeidskracht werd aanzienlijk vergemakkelijkt door de ineenstorting van de Stalinistische regimes aan het einde van de jaren 1980. Dit bracht een beslissende slag toe aan autarkie als de vorm voor de ontwikkeling van de onderontwikkelde landen. Het einde van dit model heeft het ook mogelijk gemaakt toegang te verkrijgen tot de overgebleven extra-kapitalistische markten die daarvoor, vanwege die autarkie, buiten bereik waren en die de wereldeconomie een kort uitstel geeft, zoals voor een land als Duitsland dat profiteert van zijn uitvoer. Dit betekent dat de nauwe afhankelijkheid van deze ‘opkomende’ landen van de uitvoer in de richting van de ontwikkelde landen op een bepaald moment ook leidt tot schokken in de economie van deze landen, als de verkopen naar de eerste eenmaal aangetast worden door de verdieping van recessie, die zal blijven verergeren.
14. Zoals we vier jaar geleden dus gezegd hebben: “Zelfs als het kapitalistische systeem niet als een kaartenhuis ineen zal storten, zelfs als de abrupte daling van de productie zich niet oneindig doorzet, dan heeft het geen ander perspectief dan het steeds verder wegzinken in het slop, dan de terugkeer op steeds grotere schaal van de stuiptrekkingen die het vandaag teisteren. Meer dan vier decennia heeft de bourgeoisie de voortdurende verergering van de crisis niet kunnen beletten. Vandaag vertrekt zij vanuit een veel ongunstigere toestand dan in de jaren 1960. Ondanks alle ervaring die zij in de loop van deze decennia heeft opgedaan, zal zij het er niet beter, maar nog slechter afbrengen.” (Resolutie over de Internationale Situatie, 18e Congres van de IKS) Dit betekent echter niet dat we teruggaan naar een situatie zoals in de jaren 1929 en 1930. 70 jaar geleden was de bourgeoisie, geconfronteerd met de ineenstorting van haar economie, compleet uit het veld geslagen. En de politiek die ze voerde, waarbij ieder land zich terugtrok op eigen terrein, leidde er alleen maar toe dat de gevolgen van de crisis werden verergerd. De ontwikkeling van de economische situatie over de laatste vier decennia heeft aangetoond dat, zelfs als de heersende klasse duidelijk niet in staat is om te voorkomen dat het kapitalisme steeds dieper in de crisis terechtkomt, ze wel de bekwaamheid heeft deze neergang af te remmen en te voorkomen dat er een situatie van algemene paniek ontstaat, zoals op de ‘Zwarte Donderdag’, op de 24e oktober 1929. Er is ook een andere reden waarom we niet een zelfde situatie gaan meemaken als die van de jaren 1930. Toen kwam de schokgolf van de crisis van de leidende macht in de wereld, van de Verenigde Staten, en breidde zich vervolgens uit naar de twee wereldmacht, Duitsland Het waren deze twee landen waar we de meest dramatische gevolgen van de crisis meemaakten, zoals de massale werkloosheid die 30% van de actieve bevolking raakte, zoals de eindeloze rijen voor de werkloosheidskantoren of de gaarkeukens. Daarnaast bleven landen als Groot-Brittannië en Frankrijk nog relatief gespaard. Momenteel ontwikkelt zich een vergelijkbare situatie in de landen van Zuid-Europa (vooral in Griekenland), zonder echter hetzelfde niveau van ellende te bereiken als in de Verenigde Staten en Duitsland in de jaren 1930. Tegelijkertijd zijn de meest ontwikkelde landen in Noord-Europa, de Verenigde Staten en Japan nog veraf van een dergelijke situatie en is het uiterst onwaarschijnlijk dat dit plotseling zal gebeuren. Aan de ene kant, omdat hun nationale economieën beter in staat zijn om weerstand te bieden aan de crisis, maar ook en vooral omdat het proletariaat van die landen, en vooral in Europa, momenteel niet bereid is om dergelijk niveau van aanvallen op haar levensomstandigheden te aanvaarden. Zo gaat een van de belangrijkste aspecten van de evolutie van de crisis het strikt economische determinisme te boven en beweegt zich op het sociale vlak, op het vlak van de krachtsverhouding tussen de twee belangrijkste klassen in de maatschappij, bourgeoisie en proletariaat.
15) Terwijl de heersende klasse ons wil doen voorkomen alsof haar etterende abcessen schoonheidsvlekjes zijn, begint de mensheid te ontwaken uit een droom die een nachtmerrie is geworden en die het totale historische failliet van haar maatschappij aantoont. Maar terwijl de intuïtie van de noodzaak van een andere ordening van zaken terrein wint tegenover de wrede realiteit van een wereld in verval, betekent dit vage besef niet dat het proletariaat overtuigd is van de noodzaak deze wereld af te schaffen, laat staan van het ontwikkelen van het vooruitzicht een nieuwe op te bouwen. De ongekende verslechtering van de kapitalistische crisis in het kader van van de ontbinding is dus het kader waarin de klassenstrijd momenteel tot uitdrukking komt, al is het nog op een onzekere manier in die mate dat deze strijd zich niet ontwikkeld in de vorm van open confrontaties tussen de twee klassen.
In dit verband moeten wij het nog nooit vertoonde kader onderstrepen van de huidige strijd, daar ze plaats vindt tegen de achtergrond van een crisis die bijna 40 jaar duurt en waarvan de geleidelijke effecten in de tijd buiten dan momenten van stuiptrekkingen- het proletariaat heeft doen 'wennen' aan het langzaam, onvermijdelijk verslechteren van zijn levensomstandigheden, waardoor het moeilijker is om de ernst van de aanvallen te zien en overeenkomstig te reageren. Nog belangrijker is het feit dat het ritme van de crisis, vanwege haar traagheid en haar spreiding, het moeilijk maakt om te begrijpen wat er schuilt achter dergelijke 'natuurlijk' geworden aanvallen. Dit is een heel andere context dan die van duidelijke en directe stuiptrekkingen en omwentelingen van het geheel van het maatschappelijk leven zoals wij die kennen in het geval van een oorlog. Zo is er - op het niveau van de mogelijke reacties, hun omvang, hun diepte, hun uitbreiding en inhoud - een verschil tussen de ontwikkeling van de klassenstrijd in een context van oorlog, die de noodzaak om te strijden dramatisch dringend en van vitaal belang maakt (zoals dit het geval was tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het begin van de 20e eeuw, zelfs al was er geen onmiddellijke reactie op de oorlog) en van de klassenstrijd in een context van crisis die een langzaam ritme kent.
Het uitgangspunt voor de strijd van vandaag is dus net de afwezigheid van klassenidentiteit van een proletariaat dat sinds de intrede van het kapitalisme in de fase van ontbinding grote moeilijkheden heeft ervaren niet alleen in de ontwikkeling van zijn historisch perspectief, maar zelfs om zichzelf te herkennen als een maatschappelijke klasse. De zogenaamde 'dood van het communisme' die in 1989 de val het Oostblok aankondigde, ontketende een ideologische campagne die tot doel had om het bestaan zelve van het proletariaat te ontkennen, heeft een zeer harde klap toegebracht aan het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeidersklasse. Het geweld van de aanval van deze campagne heeft sindsdien zwaar gewogen op het verloop van haar strijd.
Maar desondanks heeft de tendens naar klassenbotsingen zich bevestigd, zoals we vanaf 2003 zagen, door de ontwikkeling van verschillende bewegingen waarin de arbeidersklasse 'haar bestaan heeft aangetoond' aan een bourgeoisie die 'haar levend had willen begraven'. De arbeidersklasse over de hele wereld is dus niet gestopt met de strijd, ook al heeft haar strijd niet de gehoopte omvang of diepte bereikt in de kritieke situatie waarin ze zich bevindt. Maar de klassenstrijd overdenken vertrekkend van het idee van 'wat zou moeten zijn', alsof de huidige situatie 'uit de hemel is gevallen' is de revolutionairen niet toegestaan.
Het begrijpen van de moeilijkheden en het potentieel van de klassenstrijd is altijd al een taak geweest die een geduldige materialistische en historische benadering vereist om een 'zin' te vinden in de schijnbare chaos, om te begrijpen wat nieuw is en moeilijk, wat veelbelovend is.
16) Het is in deze context van crisis, ontbinding en verzwakking van de toestand van het proletariaat op het subjectieve vlak dat hun zwakheden, tekortkomingen en fouten hun volle omvang nemen. Net zoals het potentieel en de kracht van haar strijd ons bevestigen in de overtuiging dat de communistische vooruitzichten niet automatisch of mechanisch uit de omstandigheden voortvloeien. We hebben dus tijdens de afgelopen twee jaar, de ontwikkeling van bewegingen meegemaakt die we hebben gekenmerkt met de metafoor van de 5 richtingen:
1. sociale bewegingen van jongeren, precair, werkloos of nog student, die beginnen met de strijd tegen de CPE in Frankrijk in 2006, voortgaat met de jongerenopstanden inGriekenland in 2008 die uitmonden in de bewegingen van de Verontwaardigden en Occupy in 2011;
2. massale bewegingen, maar heel goed ingekaderd door de bourgeoisie die het terrein van tevoren had voorbereid, zoals in Frankrijk in 2007, Frankrijk en Groot-Brittannië in 2010, in Griekenland in 2010-2012, enzovoort;
3. bewegingen die gebukt gaan onder het gewicht van het interklassisme, zoals in Tunesië en Egypte in 2011;
4. kiemen van massale stakingen in Egypte in 2007, Vigo (Spanje) in 2006, China in 2009:
5.de voortzetting van bewegingen in de bedrijven of gedelokaliseerde industriële sectoren met veelbelovende kiemen zoals Lindsay (GB) in 2009, Tekel (Turkije) in 2010, de elektriciens in Groot-Brittannië in 2011.
Deze 5 richtingen behoren tot de arbeidersklasse omdat, ondanks hun verschillen, ze elk op hun eigen niveau de inspanningen van het proletariaat om zichzelf terug te vinden tot uitdrukking brengen, ondanks de moeilijkheden en de hindernissen die de bourgeoisie hem in de weg legt. Elk op hun eigen niveau maken ze deel uit van een dynamiek van zoeken, van verheldering en voorbereiding van het sociale terrein. Op verschillende niveaus vormen ze een deel van het zoeken 'van de term die ons leidt naar het socialisme' (zoals Rosa Luxemburg schreef toen ze het had over de arbeidersraden) door middel van algemene vergaderingen. De meest geavanceerde uitingen van deze tendens waren de bewegingen van de Verontwaardigden en de Occupy, vooral in Spanje – want zij zijn degenen die het duidelijkst de spanningen, de tegenspraken en de mogelijkheden van de actuele klassenstrijd gesteld hebben. Ondanks de aanwezigheid van lagen uit de verarmde kleinburgerij, heeft de proletarische voetafdruk van deze bewegingen zich gemanifesteerd in de zoektocht naar solidariteit, in de vergaderingen en in een beginnend debatcultuur, in de bekwaamheid om de valkuilen van de repressie te vermijden, in de kiemen van internationalisme, in een scherpere gevoeligheid voor de subjectieve en culturele aspecten. Door deze dimensie, dat van de voorbereiding van het subjectieve veld, tonen deze bewegingen hun hele belang voor de toekomst.
17) Wat de bourgeoisie betreft, zij heeft tekenen van bezorgdheid vertoond ten opzichte van deze 'opstand' van haar wereldwijde doodgraver die reageert op de verschrikkingen die hem dagelijks worden opgelegd om het systeem in leven te houden. Het kapitalisme heeft haar offensief dus uitgebreid door haar vakbondsinkadering te versterken, door het zaaien van democratische illusies en door het vuurwerk van het nationalisme aan te steken. Het is geen toeval dat haar tegenoffensief is geconcentreerd op deze kwesties: de verslechtering van de crisis en de gevolgen ervan voor de levensomstandigheden van het proletariaat veroorzaken een verzet dat de vakbonden proberen in te kaderen door acties te voeren die de eenheid van de strijd versnipperen en het gebrek aan vertrouwen van het proletariaat in zijn eigen kracht nog lander doet voortleven. De ontwikkeling van de klassenstrijd, waar wij heden getuige van zijn, realiseert zich in het kader van de open crisis van het kapitalisme, die al bijna 40 jaar duurt – dit is in zekere mate een ongekende situatie in vergelijking met de voorgaande ervaringen van de arbeidersbeweging. De bourgeoisie probeert te voorkomen dat het proletariaat zich bewust wordt van het wereldwijde en historisch karakter van de crisis, door haar aard te verbergen. Zo belemmeren het idee van 'nationale' oplossingen en de toename van een nationalistische retoriek dus het begrijpen van de ware aard van de crisis, begrip dat noodzakelijk is opdat de strijd van het proletariaat een radicale richting zou inslaan.
Aangezien het proletariaat zichzelf niet herkent als een klasse, neigt het verzet te beginnen als een algemene uitdrukking van verontwaardiging tegen wat er in de hele samenleving gebeurt. De afwezigheid van een klassenidentiteit en dus van een klassenperspectief stelt de bourgeoisie in staat misleidingen te ontwikkelen over 'burgerschap' en de strijd voor een 'echte democratie'. En er zijn andere bronnen voor dit verlies aan klassenidentiteit die geworteld zijn in de structuur van de kapitalistische samenleving en de vorm die de verergering van de crisis momenteel aanneemt. De ontbinding, die resulteert in een drastische verslechtering van de minimale overlevingsvoorwaarden van de mensheid, gaat gepaard met een verraderlijke vernietiging op het persoonlijke, geestelijke en sociale vlak. Dit vertaalt zich in een 'vertrouwenscrisis' van de mensheid. Bovendien verzwakt de verslechtering van de crisis, met de uitbreiding van de werkloosheid en precariteit, de socialisatie van de jongeren en vergemakkelijkt de vlucht in een wereld van abstractie en atomisering.
18) De bewegingen van de afgelopen twee jaren, en met name de 'sociale bewegingen', werden dus gekenmerkt door meerdere tegenstellingen. Het zeldzame karakter van specifieke eisen in het bijzonder, komt blijkbaar niet overeen met het klassieke 'pad' dat we verwachten van de klassenstrijd: dat van het bijzondere dat overgaat naar het algemene. Maar we moeten ook rekening houden met de positieve aspecten van deze algemene aanpak, die voortkomt uit het feit dat de gevolgen van de ontbinding zich doen gevoelen op een algemeen vlak en vanuit het universele karakter van de economische aanvallen, geleidt door de heersende klasse. Vandaag heeft het proletariaat het pad genomen dat zijn vertrekpunt heeft in 'het algemene', wat ertoe leidt om de kwestie van de politisering op een veel directere manier te stellen.
Geconfronteerd met het duidelijke bankroet van het systeem en de schadelijke gevolgen van de ontbinding, komt de uitgebuite massa in opstand, maar het kan alleen vooruitkomen als ze deze kwesties begrijpt als producten van het verval van het systeem en de noodzaak daaraan voorbij te gaan. Het is op dit niveau dat de eigenste proletarische strijdmethoden die we zien (algemene vergaderingen, kameraadschappelijke en open discussies, solidariteit, de ontwikkeling van een steeds meer politiek perspectief) hun belang bewijzen want het zijn deze methoden die een kritische reflectie en conclusie mogelijk maken dat het proletariaat niet alleen het kapitalisme kan vernietigen maar ook kan bouwen aan een nieuwe wereld. Een beslissend moment in dit proces zal zijn als de arbeiders op hun werkplek zich vervoegen bij de meer algemene mobilisaties, een perspectief dat zich wel begint te ontwikkelen, ondanks de moeilijkheden die we in de komende jaren zullen moeten confronteren. Dit is de inhoud van het perspectief van de convergentie van de 'vijf richtingen' waarover we eerder spraken en deze 'oceaan van fenomenen', zoals Rosa Luxemburg de massastaking beschrijft.
19) Om dit perspectief naar convergentie te begrijpen is de verhouding tussen de klassenidentiteit en klassenbewustzijn van het allergrootste belang en de vraag stelt zich: kan het bewustzijn zich ontwikkelen zonder klassenidentiteit of zal deze laatste ontstaan met de ontwikkeling van het bewustzijn? De ontwikkeling van het bewustzijn en van een historisch perspectief worden terecht geassocieerd met het herstel van de klassenidentiteit, maar we kunnen dit proces, dat zich beetje bij beetje ontwikkelt, niet in een al te rigide wijze opvatten: eerst het smeden van de identiteit, dan de strijd, vervolgens de bewustwording en tenslotte de ontwikkeling van een perspectief, of welke andere volgorde van deze verschillende elementen dan ook. Vandaag verschijnt de arbeidersklasse niet als een steeds massaler oppositiepool. De ontwikkeling van een kritische houding door een proletariaat dat zichzelf nog niet herkent is dan ook het meest waarschijnlijke.
De situatie is complex, maar het is waarschijnlijker dat we een reactie zien in de vorm van een algemene invraagstelling, in politieke termen gesproken potentieel positief, dat niet vertrekt van een scherp onderscheiden klassenidentiteit, maar van bewegingen die ertoe neigen hun eigen perspectief te vinden doorheen hun eigen strijd. Zoals we al zeiden in 2009 “Om ervoor te zorgen dat het bewustzijn van de mogelijkheid van de communistische revolutie een belangrijke vooruitgang kan maken binnen de arbeidersklasse is het nodig dat deze vertrouwen krijgt in haar eigen krachten en dit wordt bereikt door de ontwikkeling van de massale strijd.” (Resolutie over de internationale situatie, punt 11, 18e Congres van IKS). De formulering “ontwikkelen van haar strijd om opnieuw vertrouwen te krijgen in zichzelf en in haar perspectief” is volkomen adequaat, want dat betekent de erkenning van een 'zelf' en een perspectief, maar de ontwikkeling van deze elementen kan slechts voortkomen uit de strijd zelf. Het proletariaat 'schept' niet zijn bewustzijn, maar 'wordt' bewust van wat het werkelijk is.
In dit proces vormt het debat de sleutel voor de kritiek van de tekortkomingen van de gedeeltelijke visies, om de valkuilen te ontmantelen, de jacht op de zondebokken te verwerpen, de aard van de crisis te begrijpen, enzovoort. Voor het proces van politisering, dat de klasse zal moeten bevorderen, zijn de de open en kameraadschappelijke debatten van de laatste jaren zeer beloftevol. De wereld veranderen door onszelf te veranderen begint vorm te krijgen in de evolutie van de initiatieven tot debat en in de ontwikkeling van bezorgdheden die zich baseren op de kritiek van de sterke ketens die het proletariaat verlammen. Het proces van politisering en radicalisering heeft het debat nodig om de bestaande orde te bekritiseren en om een historische verklaring te geven voor de problemen. Op dit vlak blijft geldig dat “het de verantwoordelijkheid is van de revolutionaire organisaties en van de IKS in het bijzonder, om actief deel te nemen aan het overdenkingsproces dat binnen de klasse aan de gang is. Dit niet alleen door actief tussen te komen in de strijd die zij begint te ontwikkelen, maar ook en vooral door de ontwikkeling van groepen en elementen te stimuleren, die zich bij haar strijd willen aansluiten.” (Resolutie over de internationale situatie van het 17e Internationale Congres van de IKS, 2007). We moeten er vastberaden van overtuigd zijn dat de verantwoordelijkheid van de revolutionairen, in de fase die zich opent, bestaat in het bijdragen, in het katalyseren van de beginnende ontwikkeling van het bewustzijn dat zich uitdrukt in de twijfel en de kritieken die zich nu al in de arbeidersklasse beginnen te uiten. De voortzetting en verdieping van de theoretische inspanning moet in het centrum staan van onze bijdrage , niet alleen tegen de gevolgen van de ontbinding maar ook als middel om, met geduld, het sociale terrein te bevruchten, als een antistof tegen het immediatisme in onze activiteiten, want zonder de radicaliteit en de verdieping van de theorie door de minderheden, zal de theorie zich nooit meester maken van de massa's.
IKS
Begin oktober zonk er bij Lampedusa een boot, die veel te vol was. Bij deze tragedie zijn meer dan 350 migranten omgekomen. Een paar dagen later zonk er bij de kust van Malta een ander onfortuinlijk schip, waarbij enkele tientallen slachtoffers vielen. Elk jaar vinden bijna 20.000 mensen de dood in de Middellandse Zee, voordat ze het zo begeerde Fort-Europa bereiken! Sinds de jaren 1990 hebben de lijken zich opgehoopt aan de grenzen, langs de kusten, zoals in de meest gevoelige delen van de wereld waar groeiende stromen mensen, door honger en ellende geteisterd, zich concentreren om te proberen door het schild van de staten heen te dringen.
Als de bourgeoisie vandaag doet alsof zij er aanstoot aan neemt en krokodillentranen huilt, terwijl duizenden mensen al lange tijd sterven doordat ze vast te lopen op de oevers, dan is het gewoon omdat de omvang van de hopeloosheid en vooral van het grote aantal slachtoffers op één dag te opzichtig is. Dit kan de woede en vooral de overdenking onder de mensen doen toenemen.
Bovendien is de smerige polemiek over de ‘niet geleverde bijstand’ van de Italiaanse vissers een goede gelegenheid om de aandacht af te leiden en onmiddellijk op zoek te gaan naar zondebokken. Tegelijkertijd gaat men door om, aan men doorgaat de hand van de betreffende wetten, iedereen te criminaliseren, die probeert om immigranten helpen! (1) Dit verklaart grotendeels alle media-aandacht voor het gebeuren: het doel hiervan is onze hersenen te spoelen, om een rookgordijn op te trekken voor een repressief arsenaal, dat op een gecoördineerde manier door staten is opgezet. De klassieke ideologische valstrik, die ermee gepaard gaat, is aan de ene kant samengesteld uit dezelfde openlijke xenofobe propaganda en aan de andere kant uit de burgerlijke ‘humanitaire’ campagnes over de ‘mensenrechten’, en het de facto doen isoleren van de immigranten van de andere proletariërs.
Eén ding moet duidelijk zijn, het kapitalisme in crisis en zijn politici zijn in feite verantwoordelijk voor deze nieuwe tragedie, omdat ze de honderdduizenden hongerigen verplichten om tot steeds meer suïcidale avonturen over te gaan in een poging de hindernissen te omzeilen, die tegen hen worden opgeworpen! Het is niet verwonderlijk dat dezelfde politici, die naar Lampedusa kwamen, om daar schijnheilig te rouwen, op de luchthaven uitgejouwd werden door de gechoqueerde lokale bevolking. (2)
Net als de immigranten, zijn alle proletariërs eigenlijk ‘ontwortelden’. Vanaf haar oorsprong heeft het kapitalisme mensen onder dwang weggevoerd van de grond en van de ambachten. Terwijl uitgebuiten tijdens de middeleeuwen nog aan de bodem gekluisterd waren, verdreven de opkomende krachten van het kapitaal hen in een gewelddadige uittocht van het land. “De door het verbreken van de feodale banden en de door de schoksgewijze gewelddadige onteigening van de grond verjaagde personen, dit vogelvrije proletariaat kon onmogelijk even snel door de opkomende manufactuur worden geabsorbeerd als het ter wereld was gebracht. Evenmin konden de plotseling uit hun vertrouwde omgeving verjaagde personen zich even plotseling schikken naar de discipline van de nieuwe situatie.” (3) Historisch gezien hangt de ontwikkeling van het kapitalisme af van de vrije beschikking over de arbeidskracht. Om meerwaarde te onttrekken, voert het de talloze verplaatsingen en migratiepatronen op tot ongekende hoogte. De vereniging van deze nieuwe voorwaarden van de uitgebuiten heeft in de arbeidersbeweging de opvatting doen postvatten dat "de arbeiders hebben geen vaderland hebben".
Zonder de slavenhandel van de zeventiende en achttiende eeuw in Afrika zou de ontwikkeling van het kapitalisme in de industriële centra niet zo’n snelle vooruitgang hebben geboekt en zeker ook niet de opkomst van de grote havens voor de slavenhandel zoals Liverpool, Londen, Bristol, Zeeland (in Nederland), Nantes of Bordeaux hebben bewerkstelligd. In de loop van de 19e eeuw, en als gevolg van de ‘voordelen’ van een zwarte arbeid, ‘bevrijd’ door de loonarbeid, en andere economische factoren die gepaard gingen met de kapitalistische accumulatie, heeft de plattelandsvlucht zich daarna versneld en een massale migratie bevorderd, vooral naar het nieuwe continent. Alleen al in de periode van de 19e eeuw tot 1914, zijn 50 tot 60 miljoen Europeanen richting de Verenigde Staten gegaan om werk te vinden. In het begin van de 20e eeuw, trokken elk jaar bijna een miljoen migranten naar de Verenigde Staten. Voor Italië alleen al emigreerden er tussen 1901 en 1913 bijna 8 miljoen mensen. De economische druk, die tijdens de opgaande fase van het kapitalistische systeem werkte, laat hem toe een groeiend aantal werknemers op te nemen, dat het nodig had voor zijn krachtige expansie.
Met het historische verval van het systeem zijn de verplaatsingen en migraties van de volkeren niet geëindigd. Integendeel! De imperialistische oorlogen, waaronder twee wereldoorlogen, de economische crisis, die verpaupering veroorzaakt, en de rampen in verband met de klimaatverandering, veroorzaken steeds meer migratie. In 2010 werd het aantal migranten in de wereld geschat op 214 miljoen (3,1% van de totale wereldbevolking) (4). Een aantal schattingen gaat ervan uit dat er rond 2050, alleen al door de klimaatverandering, tussen de 25 miljoen en 1 miljard extra immigranten zullen zijn! (5)
Vanwege de aanhoudende crisis van het kapitaal en de overproductie van goederen, lopen de immigranten nu op tegen de grenzen van de markt en de steeds meer gereglementeerde wrede krachten van de staten. Het kapitaal kan de arbeidskracht niet meer integreren en moet deze voor het grootste deel tergsturen! Zo hebben de Verenigde Staten, na een periode van openheid voor de Eerste Wereldoorlog, door de instelling van een systeem van ‘quota’, het aantal dat het land binnenkomt drastisch geblokkeerd en uitgefilterd. Zo betalen, na het tragische tijdperk van bootvluchtelingen uit Azië, door de bouw van een echte muur aan de Mexicaanse grens, nu de Chicanos met hun leven. De economische crisis, die begon aan het einde van de jaren 1960 en begin jaren 1970, heeft alle regeringen, met name die in Europa, ertoe aangezet hun spieren te vertonen op de Middellandse Zee door met behulp van een armada aan schepen en patrouilles de migranten te weren. Het onuitgesproken doel van de heersende klasse is duidelijk: ‘laat de migranten thuis maar verrekken’. De ijverige democraten in Europa, waaronder Frankrijk, zijn er hierbij de laatste jaren niet voor teruggeschrokken om gebruik te maken van de gespierde diensten van Kadhafi in Libië, of van de Marokkaanse autoriteiten op het continent, om degenen, die uit de hel wilden ontsnappen, te laten sterven in de woestijn.
Deze politiek van ‘controle’ aan de grenzen, die zich voortdurend verhardt, is een product van verval en van staatskapitalisme. Ze zijn niet nieuw. In Frankrijk, bijvoorbeeld: "vormde de invoering van een identiteitskaart in 1917 een ware omwenteling in de administratieve en politionele gewoonten. De hedendaagse mentaliteit is aan gewend geraakt deze persoonlijke stempelpraktijk, waarvan de politionele oorsprong niet langer als zodanig wordt opgevat. Hij is echter niet neutraal daar de instelling van de identiteitskaart in eerste instantie erop gericht was toezicht te houden op de buitenlanders, en dat in volle staat van oorlog".(6)
Momenteel heeft de achterdocht van de staten ten opzichte van de vreemdelingen, die voortdurend worden verdacht van ‘verstoring van de openbare orde’ haar hoogtepunt bereikt. De gigantische betonnen en metalen muren aan de grenzen (7), ‘versierd’ met prikkeldraad of onder stroom, doen ons denken aan de omheiningen van de sinistere vernietigingskampen van de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de Europese staten in naam van de ‘vrijheid’ de val van de ‘muur van de schande’ in Berlijn gevierd hadden, en terecht aanstoot namen aan het barbaarse symbool dat door ‘het ijzeren gordijn’ belichaamd werd, moeten ze nu, meer dan ooit verbergen, dat zij zelf de hypocriete bouwers van muren zijn!
Het verval van het kapitalisme is de periode van de grote verplaatsingen geworden, die men moet ‘beheersen’; het tijdperk van gedeporteerden, concentratie- en ook vluchtelingenkampen (het aantal Palestijnse vluchtelingen is gegroeid van 700.000 in 1950 naar 4,8 miljoen in 2005!). De genocide op de Armeniërs in 1915 leidde tot de eerste grote massale vluchtelingenstroom van de 20e eeuw. Tussen 1944 en 1951 zijn er in Europa bijna 20 miljoen mensen geëvacueerd of ontheemd geraakt. De opdeling van de staten en verdelingen leidde tot een massale ontheemding. Daar het ‘IJzeren Gordijn’ een rem zette op de uittocht uit Oost-Europese landen, gingen de Europese landen op zoek naar goedkope arbeidskrachten in het zuiden, in het Middellandse Zeegebied en Afrika.
De zogenaamde ‘nationale bevrijdingsstrijd’, die het gevolg was van de crisis en het imperialisme tijdens en na de Koude Oorlog, maakte de ellende en de verdrijving van de geruïneerde boeren alleen nog erger. Deze stroomden de toch al opgeblazen megasteden, vooral in perifere landen binnen, vermenigvuldigden op die manier de sloppenwijken, en deden zo de handel van allerlei aard, in de handen van de maffia, explosief toenemen: van drugs en wapenhandel tot prostitutie. De plagen van de 20e en 21e eeuw, in het bijzonder in het Midden-Oosten en in Afrika, hebben de permanente vluchtelingenkampen doen groeien als paddestoelen, door een toenemende massa (Palestijnen, Afrikanen ...) op te sluiten in omstandigheden van extreme ontberingen, zelfs van louter overleven, ten prooi aan ziekte, honger en maffiabendesSinds de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van het Oostblok, hebben zich, naast de toename van conflicten, twee belangrijke gebeurtenissen voorgedaan, die van invloed zijn op de mondiale arbeidsmarkt en op de stroom van migranten:
- verdieping van de economische crisis, vooral in de centrale landen;
- de opkomst van China.
In de eerste periode kwamen er arbeiders uit de voormalige Oostbloklanden naar het Westen, met name naar Duitsland, een gebeurtenis die samenviel met de eerste delokalisaties en druk op de lonen. Daarna openden de landen, die tot dan toe het meest gemarginaliseerd waren gebleven van de wereldmarkt, zoals India en China, de mogelijkheid om miljoenen arbeiders van hun land te ontwortelen, zodat er een reusachtig reserveleger van werklozen uit vrijelijk toegankelijke arbeidslozen geschapen werd. De extreme lage lonen in een verzadigde wereldmarkt, stelde het kapitaal in staat de druk op de kosten van de arbeidskracht opnieuw op te voeren, wat tot nieuwe delokalisaties leidde. Dit is de reden waarom in de centrale landen, sinds de jaren 1990, het aantal illegale en clandestiene werknemers in sommige gebieden explosief is toegenomen, ondanks verscherpte controles, om lagere kosten voor de productie en voor de arbeidskrachten mogelijk te maken. In 2000 waren er ongeveer 5 miljoen illegale immigranten in Europa, 12 miljoen in de Verenigde Staten en 20 miljoen in India! Het merendeel van de centrale staten plunderen het ‘brein’, bovendien een filter voor de kwetsbare handarbeid die, zonder papieren of kwalificatie, bereid om alles te doen om zich te verkopen en te overleven.
Langzamerhand ontwikkelt er zich in talrijke sectoren, onder de welwillende leiding van de staat, een parallelle en clandestiene arbeidsmarkt, die een toevloed veroorzaakt van migranten en vluchtelingen, onderworpen aan chantage, waarvan de papieren worden afgenomen en die worden geïsoleerd in geïmproviseerde onderkomens. Vandaar dat de meeste de landbouwgewassen nu worden geoogst door vreemde arbeiders, vaak verkerend in de illegaliteit. In Italië is 65% van de agrarische arbeid illegaal! Na de val van de Berlijnse Muur zijn 2 miljoen Roemenen geëmigreerd naar de zuidelijke regio’s van Europa om te werken in de landbouw. In Spanje werd de ‘boom’, voor de ineenstorting van de vastgoedsector, grotendeels gebouwd met het zweet van onderbetaalde illegale immigranten, met name uit Latijns-Amerika (Ecuador, Peru, Bolivia, etc..).
Hieraan moet het ‘grijze’ gebied van activiteiten, zoals de prostitutie worden toegevoegd. In 2003 is, in een land als Moldavië, 30% van de vrouwen in de leeftijd 18 tot 25 jaar, verdwenen! In hetzelfde jaar waren er 500.000 prostituees, afkomstig uit de Oost-Europese landen, in West-Europa aan het werk. In Azië en de Golfstaten zien we hetzelfde fenomeen in de huishoudens. In een land als Quatar vertegenwoordigen immigranten 86% van de bevolking! Jonge Chinese en Filippijnse meisjes worden opgeleid om naar Hong Kong of Saudi-Arabië te gaan werken in omstandigheden, die weinig verschillen van die van de slavernij.
Momenteel, met de toename van de oorlogspanningen, moeten we ervan uitgaan dat er een grote toestroom van mensen en van dit type arbeiders gaat ontstaan, vooral uit Afrika, Azië en het Midden-Oosten.
Geconfronteerd met de barbarij die zich ontketend, met het wrede politie-optreden tegen de immigranten en xenofobe campagnes die een deel van de bourgeoisie door middel van haar populistische praatjes tracht te verspreiden, kan het proletariaat slechts zijn eigen verontwaardiging en internationale klasse-solidariteit stellen. Hiervoor is het nodig het officiële standpunt te verwerpen dat ernaar streeft angstreacties te ontlokken, door immigranten en ‘buitenlanders’ als de oorzaak van de crisis en de werkloosheid aan te wijzen.
Nadat de aandacht eerst gevestigd was op het ‘gele gevaar’, de gevaren van de ‘invasie’, spelen de media en politici van diverse pluimage nu in op de angsten door voortdurend het thema van ‘de criminaliteit’ en van ‘de aantasting de openbare orde’ ter sprake te brengen. Ze blijven ons hersenspoelen door de stigmatisering van de ‘vreemdelingen’, de ‘illegalen’ die ‘oneerlijke concurrentie’ zouden bedrijven en de ‘sociale rechten zouden lamleggen’ ... Dit, terwijl ze in werkelijkheid de eerste en belangrijkste slachtoffers zijn van het systeem! Een dergelijke onbeschofte en vuile tactiek is altijd al gebruikt om het proletariaat te verdelen. Maar de meest slinkse valkuil, die in het bijzonder moet worden vermeden, is die van het ‘gezonde verstand’ en de pseudo-vrijgevigheid van de linkse of ‘humanitaire’ organisaties. Die maken van de immigranten een ‘maatschappelijk zaak’, een onderwerp van ‘speciaal beleid’, dat als zodanig ‘apart’ behandeld zou moeten worden in het kader van het burgerlijk recht.
Vandaag, terwijl de fabrieken de ene na de andere sluiten, terwijl de orderboeken voor de helft gevuld zijn, ondanks de aankondiging van een ‘herstel’, wordt het duidelijk dat alle arbeiders worden getroffen door de crisis en de toenemende armoede, immigranten of niet. Wat is dan de zin van het idee dat de illegale arbeiders een concurrent vormen voor de banen, als alle banen toch verdwijnen?
Geconfronteerd met de ideologische offensieven en de politiek van repressie, moet het proletariaat zijn historisch perspectief bevestigen. Om te beginnen moet ze dit doen met door het uitspreken van zijn solidariteit, door het herkennen van de revolutionaire kracht in de maatschappij die het vertegenwoordigt. Alleen het proletariaat zal in staat zijn om door de strijd opnieuw te bevestigen dat “de arbeiders geen vaderland hebben”!
WH / 21.10.2013
(1) Vanwege hun ‘hulp aan de illegale binnenkomst op het grondgebied’ worden de kapiteins van de vissersboten, die de bootvluchtelingen te hulp zijn gekomen, op basis van de Bossi-Fini wet nog harder vervolgd dan de mensen die probeerden om de migranten bij Sangatte te helpen!
(2) De Italiaanse premier A. Alfano, begeleid door M. Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, en C. Malmström, de Commissaris van Binnenlandse Zaken, kwamen vooral om, in de naam het ‘humanitaire’, een verdere aanscherping van de grenscontroles door het systeem van ‘Frontex’, te ondersteunen.
(3) K. Marx, Het Kapitaal, Boek I, Hoofdstuk XXVIII
(4) Bron : INED
(5) In 1980 werden 133 natuurrampen geregistreerd. Het aantal is de laatste jaren toegenomen tot meer dan 350 per jaar. Zie de website : https://www.unhcr.org [4]
(6) P-J Deschott, F. Huguenin, La république xénophobe ; JC Lattès, 2001.
(7) Aan de zuidkant van Europa (Ceuta, Melilla), in het zuiden van de Verenigde Staten aan de Mexicaanse grens, en net als in Israël tegen de Palestijnen, zijn de autoriteiten van Gaborone in Zuid-Afrika bezig om, gericht tegen de rest van het continent, een muur te bouwen van 2.40m hoog en 500 km lang, die onder stroom staat.
Ter gelegenheid van de tweehonderdste geboortedag van Charles Darwin, heeft de IKS meerdere artikelen gepubliceerd over deze grote wetenschapper en zijn theorie over de evolutie van soorten.(1) Deze artikelen maken onderdeel uit van iets dat altijd aanwezig is geweest in de arbeidersbeweging: een interesse in de wetenschappelijke vragen, die uitgedrukt is tot op het hoogste niveau in de revolutionaire theorie van het proletariaat, het marxisme. Het marxisme ontwikkelde een kritiek op de idealistische en religieuze opvattingen van de menselijke samenleving en de geschiedenis, die de overhand had in het feodale en kapitalistische maatschappij maar die, aan het begin van de 19e eeuw, ook haar stempel drukte op de socialistische theorieën, welke de eerste stappen van de arbeidersbeweging vormden. In reactie op deze religieuze opvattingen zag het marxisme het als een van zijn eerste noodzakelijke prioriteiten om het perspectief van de toekomstige maatschappij, waarin de mensheid zich zou bevrijden van uitbuiting, onderdrukking en alle plagen, die ze millennia lang had ondergaan, een andere basis te geven. Deze laatste bestond niet ter verwezenlijking van abstracte beginselen van gelijkheid en rechtvaardigheid, maar als een materiële noodzaak welke voortvloeide uit de werkelijke evolutie van de menselijke geschiedenis, en van de natuur, die in laatste instantie voortgestuwd wordt, niet door spirituele, maar door materiële krachten. Dit is waarom de arbeidersbeweging, te beginnen met Marx en Engels zelf, altijd bijzondere aandacht besteedde aan de wetenschap.
Wetenschap ontstond ruim vóór het begin van de arbeidersbeweging en de arbeidersklasse zelf. We kunnen zelfs zeggen dat de laatste alleen in staat was om zich op grote schaal te ontwikkelen dankzij de vooruitgang van de wetenschap, welke een van de voorwaarden was voor de opkomst van het kapitalisme, de productiewijze die gebaseerd is op de uitbuiting van het proletariaat. In die zin is de bourgeoisie de eerste klasse in de geschiedenis die een onmisbare behoefte heeft aan wetenschap om haar eigen ontwikkeling te verzekeren en haar eigen macht te bevestigen over de samenleving. Door een beroep te doen op de wetenschap was ze in staat om zich los te maken uit de greep van de religie, die het fundamentele ideologische instrument vormde voor de verdediging en rechtvaardiging van feodale maatschappij. Maar nog meer dan dit leverde de wetenschap de onderbouwing voor de beheersing van de technologie van de productie en het vervoer dat een voorwaarde was voor de expansie van het kapitalisme Toen de laatste zijn hoogtepunt had bereikt, door de kracht op het toneel te brengen die in het Kommunistisch Manifest zijn ‘doodgraver’ wordt genoemd, het moderne proletariaat, keerde de bourgeoisie terug naar religie en de mystieke visies op de samenleving, die de grote verdienste hebben een maatschappelijke orde, gebaseerd op uitbuiting en onderdrukking, te rechtvaardigen. Door deze ommekeer verwijderde ze zich van de wetenschappelijke aanpak, die het mogelijk maakt om te begrijpen hoe de menselijke samenleving werkt. Tegelijkertijd blijft zij al het onderzoek bevorderen en financieren dat nodig is om haar winsten te garanderen, om de productiviteit van de arbeidskracht en de verbetering van de effectiviteit van haar militaire krachten te vergroten,
Het was de taak het proletariaat om in zijn strijd tegen het kapitalisme en voor zijn omverwerping, het vaandel van het wetenschappelijke kennen, waar de bourgeoisie zich van afgekeerd had, over te nemen. Dit deed het in het midden van de 19de eeuw door in te gaan tegen de apologetiek, waarin de studie van de economie, die van het geraamte van de maatschappij, veranderd was en door een kritische en revolutionaire benadering van deze materie naar voren te brengen, een noodzakelijkerwijs wetenschappelijke visie, zoals is uitgedrukt in Het Kapitaal van Karl Marx. Dit is de reden waarom de revolutionaire organisaties van het proletariaat de verantwoordelijkheid hebben een belangstelling voor de wetenschappelijke kennis en onderzoek aan te moedigen, met name op die terreinen die betrekking hebben op de menselijke samenleving, de menselijke soort en de psyche, terreinen waarin de heersende klasse een belang heeft het obscurantisme te kweken. Dit betekent niet dat een kommunistische organisatie van haar leden vereist dat ze wetenschap hebben gestudeerd, in staat zijn Darwin's theorie te verdedigen of om tweede graads-vergelijkingen op te lossen. De grondslag voor het vervoegen van onze organisatie is opgenomen in het platform, waarmee elke militant akkoord moet gaan en die hij geacht wordt te verdedigen. Ook op een hele reeks van vraagstukken, bijvoorbeeld een analyse van dit of dat aspect van de internationale situatie, moet de organisatie een standpunt hebben dat, in het algemeen, tot uitdrukking komt in de resoluties aangenomen door onze congressen of door plenaire vergaderingen van ons centraal orgaan. In deze gevallen is niet elke militant verplicht om met dergelijke standpunten akkoord te gaan. Het eenvoudige feit dat deze resoluties worden aangenomen na discussie en een stemming betekent dat er perfect verschillende gezichtspunten kunnen bestaan die, als ze blijven bestaan en voldoende zijn ontwikkeld, in onze pers kunnen worden gepubliceerd. Dit hebben we bijvoorbeeld kunnen zien met het debat over de economische basis van de “boom” die volgde op de Tweede Wereldoorlog.
Met betrekking tot de kwesties die handelen over culturele (filmkritiek bijvoorbeeld) of wetenschappelijke kwesties, hoeven ze niet de goedkeuring te hebben van elke militant (zoals het geval is met het platform). Bovendien kunnen ze ook niet beschouwd worden als het standpunt van de organisatie, zoals dat het geval is met de resoluties van congressen. Dus, net zoals de artikelen die wij gepubliceerd hebben over Darwin, is het hiernavolgende artikel, dat geschreven is ter gelegenheid van het 70ste verjaardag van de dood van Sigmund Freud, als zodanig niet uitdrukkelijk het standpunt van de IKS. Het moet worden gezien als een bijdrage aan een discussie waar niet alleen militanten binnen de IKS al of niet akkoord kunnen gaan met de inhoud ervan, maar ook de militanten buiten onze organisatie. Het maakt deel uit van een rubriek in de Internationale Revue, die wetenschappelijke kwesties zo levendig mogelijk wil maken en die tot doel heeft een overzicht van overdenkingen en discussies weer te geven, die culturele en wetenschappelijke kwesties betreffen. In deze zin vormt ze een oproep tot het leveren van bijdragen, die een andere mening tot uitdrukking kunnen brengen dan degene die tot uitdrukking komt in dit artikel.
Sigmund Freud overleed op 23 september 1939, een paar weken voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, in het Hampsteadhuis in Londen, waarin nu het Freud-Museum is gevestigd. Er doet een verhaal de ronde dat de Freud, ofwel luisterend naar een debat op de radio of antwoord gevend op een vraag van zijn kleinzoon (de versies variëren), op de brandende vraag "Zal dit de laatste oorlog zijn?" op laconieke wijze antwoordde: "Het is in ieder geval mijn laatste oorlog".
Freud was verbannen uit zijn huis en praktijk in Wenen, kort nadat de nazi-misdadigers zijn appartement hadden betreden en zijn dochter Anna Freud arresteerden, die snel daarna werd vrijgelaten. Freud, geconfronteerd met de vervolging door macht van de nazi’s, ingesteld na de ‘Anschluss’ tussen Duitsland en Oostenrijk, werd niet alleen vervolgd omdat hij een Jood was, maar ook omdat hij de oprichter was van de psycho-analyse, een wetenschap die door het regime werd veroordeeld als een voorbeeld van ‘ontaard Joods denken’. Freuds werk had de eer om, naast die van Marx, Einstein, Kafka, Thomas Mann en anderen, een van de eerste te mogen zijn om te worden vernietigd in de orgie van de boekverbranding in 1933.
Maar de nazi's waren niet de enigen in hun haat naar Freud. Hun gelijkgestemden, de stalinisten, hadden ook besloten om Freuds theorieën van de kansels van de staat aan de kaak te stellen. Net zoals de triomf van het stalinisme een eind had gemaakt aan alle experimenten op het gebied van de kunst, onderwijs en andere terreinen van het sociale leven, zo leidde dit binnen de Sovjet-Unie ook tot een heksenjacht op de aanhangers van de psycho-analyse, vooral op degenen die Freuds theorieën onverenigbaar beschouwden met het marxisme. De vroege Sovjet-macht had een heel andere houding. Hoewel de Bolsjewiki geenszins monolithisch waren in hun aanpak van deze kwestie, stonden een aantal vooraanstaande Bolsjewiki, met inbegrip van Loenatsjarsky, Boecharin en Trotski zelf, sympathiek tegenover de doelstellingen en de methoden van de psycho-analyse, wat tot gevolg had dat de Russische tak van de Internationale Psychoanalytische Vereniging de eerste in de wereld was die steun en subsidie kreeg van een staat.
In deze periode was een van de belangrijkste aandachtspunten van deze tak van psychologie de oprichting van een ‘school voor wezen’, gewijd aan de opvoeding van en de behandeling van kinderen die getraumatiseerd waren door het verlies van hun ouders in de burgeroorlog. Freud zelf had een levendige belangstelling voor deze experimenten: hij was vooral nieuwsgierig in hoeverre de diverse pogingen om kinderen op te voeden op een gemeenschappelijke basis, in plaats van binnen de grenzen van het tirannieke kerngezin, een impact zou hebben op het Oedipus-complex, die hij had geïdentificeerd als een centrale kwestie in de individuele psychologische geschiedenis. Ondertussen leverden Bolsjewiki als Lev Vygotsky, Alexander Luria, Tatiana Rosenthal en M. A. Reisner bijdragen aan de psycho-analytische theorie en onderzochten ze de relatie met het historisch materialisme. (2)
Aan dit alles kwam een einde aan toen de stalinistische bureaucratie haar greep op de staat versterkte. Freuds ideeën werden in toenemende mate aan de kaak gesteld als kleinburgerlijk, decadent en vooral idealistisch, terwijl de meer mechanistische aanpak van Pavlov en zijn theorie van de ‘geconditioneerde reflex’ bleef voortbestaan als een voorbeeld van materialistische psychologie. In de latere jaren van 1920 was er een enorme toename van venijnige teksten tegen Freud, geschreven door woordvoerders van het regime. Als onderdeel van een meer algemene ‘Thermidor in de Familie’ (een zin van Trotski's) ‘vielen’ voormalige aanhangers van Freud, zoals Aron Zalkind, Freud af en ontketenden ze zelfs een reeks van hysterische aanvallen op de ‘losse moraal’, die bot in verband werd gebracht met ideeën van Freud.
De uiteindelijke overwinning van het stalinisme op de opvattingen van Freud werd ingewijd op het ‘Congres over Menselijke Gedrag’ in 1930, met name in de toespraak van Zalkind, die laster uitgoot over de hele aanpak van Freud en stelde dat zijn opvattingen over het menselijk gedrag volledig in strijd waren met de behoeften van de ‘socialistische opbouw’: "Hoe kunnen we de opvatting van Freud over de mens gebruiken voor de socialistische opbouw? We hebben behoefte aan een sociaal 'open’ mens, die gemakkelijk wordt gecollectiviseerd, en snel en grondig verandert in zijn gedrag - een mens die kan worden gemaakt tot een constante, bewuste en onafhankelijke persoon, politiek en ideologisch goed opgeleid ... " (3) We weten heel goed wat deze ‘omvorming’en ‘opleiding’ eigenlijk inhield: het breken van de menselijke persoonlijkheid en de weerstand tegen de arbeid in dienst van het staatskapitaal en haar meedogenloze vijfjarenplannen. In deze visie was er duidelijk geen plaats voor de subtiliteiten en complexiteiten van de psycho-analyse, die kon worden gebruikt om te laten zien dat het stalinistisch ‘socialisme’ geen enkele van de menselijke kwalen genezen had. En het feit dat de psycho-analyse een zekere mate van steun had genoten van de inmiddels verbannen Trotski werd natuurlijk maximaal uitgemolken in het ideologische offensief tegen Freuds theorieën.
Maar hoe zat het met de vertegenwoordigers van het democratisch kapitalistische kamp? Heeft het Amerika van Roosevelt geen druk uitgeoefend om Freud en zijn directe familieleden uit Wenen weg te krijgen? En voorzag Groot-Brittannië de eminente professor dokter Freud niet van comfortabele woning? Werd de psycho-analyse in het Westen, en vooral in de VS, niet een nieuw soort van psychologische orthodoxe kerk, en in ieder geval een winstgevende voor veel van haar beoefenaars? De reactie op Freuds theorieën onder de wetenschappers en intellectuelen in de democratieën was altijd zeer gemengd: eerbied, fascinatie en respect royaal vermengd met verontwaardiging, verzet en hoon. Maar in de jaren die volgden op die van Freud waren er twee belangrijke trends in de receptie van de psycho-analytische theorie:
- Aan de ene kant een tendens onder veel van haar woordvoerders en deskundigen om sommige van haar meest subversieve gevolgtrekkingen (zoals de idee dat de huidige cultuur noodzakelijkerwijs is gebaseerd op de onderdrukking van de diepste menselijke instincten) af te zwakken ten gunste van een meer pragmatische, revisionistische benadering, waardoor deze meer kans had om maatschappelijk en politiek aanvaard te worden door diezelfde beschaving.
- Aan de andere kant, onder een aantal van filosofen, psychologen van rivaliserende scholen en min of meer commercieel succesvolle auteurs een groeiende afwijzing van het gehele corpus van de ideeën van Freud als subjectief, oncontroleerbaar en in wezen onwetenschappelijk.
De overheersende trends in de moderne psychologie (er zijn uitzonderingen, zoals de ideeën van ‘neuro-psycho-analyse’ die Freuds model van de psyche opnieuw hebben onderzocht in termen van wat we nu begrijpen over de structuur van de hersenen) hebben Freuds reis langs de ‘koninklijke weg naar het onbewuste’, zijn nadruk op het verkennen van de betekenis van dromen, grappen, versprekingen en andere niet-substantiële schimmen verlaten, ten voordele van de studie van meer waarneembare en meetbare verschijnselen: de uiterlijke, fysiologische uitingen van mentale toestanden, en de concrete vormen van gedrag van mensen, ratten en andere dieren, waargenomen in laboratoriumomstandigheden. De verzorgingsstaat is er happig op om de potentieel enorme kosten te verminderen, die inherent is aan de behandeling van de groeiende pandemie van stress, neurose en duidelijke oude krankzinnigheid, veroorzaakt door het huidige sociale stelsel. Ze verkiest een psychotherapie die kant-en-klare oplossingen biedt, zoals de ‘cognitieve gedragstherapie’, boven de inspanningen van de psycho-analyse, die probeert door te dringen tot de diepste wortels van de individuele neurosen.(4)
Vooral, en dit is in bijzonder het geval in de laatste decennia, zien we een ware stortvloed van boeken en artikelen, die hebben geprobeerd om Freud af te doen als een leugenachtige charlatan, iemand die fraudeerde met bewijs in zijn onderzoek, een tiran tegenover zijn volgelingen, een hypocriet en (waarom niet?) een perverse persoon. Deze aanval is meer dan een toevallige gelijkenis met de anti-Marx campagne, die gelanceerd is na de ineenstorting van de zogenaamde ‘kommunisme’ aan het eind van de jaren 1980. Net als de laatste campagne heeft geleid tot haar Zwartboek van het kommunisme, zijn we nu getrakteerd op een Zwartboek van de psycho-analyse(5) dat niet minder dan 830 pagina’s wijdt aan de zoektocht naar vuil bij Freud en de psycho-analytische beweging.
Freud was niet verbaasd over de vijandigheid ten opzichte van de psychoanalyse: het bevestigde hem dat hij het juiste punt aanraakte. Immers, waarom zou hij populair zijn door het idee te ontwikkelen dat de beschaving (tenminste zoals hij momenteel bestaat) zo tegengesteld is aan instincten van de mens, door een verwonding toe te brengen, door een nieuwe slag toe te brengen aan de ‘naïeve eigenliefde’, zoals hij het verwoordde.
"Maar door het benadrukken van het onbewuste in het geestelijke leven hebben we de meest boze geesten van kritiek opgeroepen tegen de psychoanalyse, Wees hier niet over verbaasd, en denk niet dat de weerstand tegen ons alleen rust op de begrijpelijke moeilijkheden van het onbewuste of de relatieve ontoegankelijkheid van de ervaringen, die daar het bewijs van zijn. De bron, denk ik, ligt dieper. In de loop der eeuwen heeft de naïeve eigenliefde van de mensen door de wetenschap twee grote slagen toegediend gekregen. De eerste was toen zij vernamen dat onze aarde niet het middelpunt was van het heelal, maar slechts een klein fragment van een kosmisch systeem van een nauwelijks voorstelbare uitgestrektheid. Dit is in onze geest verbonden met de naam van Copernicus, ofschoon iets dergelijks was al beweerd door de Alexandrijnse wetenschap. De tweede slag werd toegebracht toen biologisch onderzoek de zogenaamd bevoorrechte plaats van de mens in de schepping vernietigde en zijn afkomst bewees uit het dierenrijk en zijn onuitroeibare dierlijke natuur. Deze herevaluatie is bereikt in onze eigen dagen door Darwin, Wallace en hun voorgangers, maar niet zonder de meest gewelddadige oppositie die ze vandaag de dag ontmoet. Maar de menselijke grootheidswaanzin zal zijn derde en meest gewond klap hebben ondergaan door het huidige psychologisch onderzoek, dat tracht te bewijzen dat het ego niet eens meester is in eigen huis, maar zich tevreden moet stellen met schaarse informatie van wat er onbewust in zijn geest gebeurt." (6)
Voor marxisten moet het geen schok geweest te zijn om te horen dat het bewuste leven wordt - of tot nog toe werd - gedomineerd door onbewuste motieven. Het marxistische begrip ideologie (die in haar inzicht alle vormen van sociaal bewustzijn voorafgaand aan de opkomst van het proletariaat omvat) is gebaseerd op precies zo’n zelfde begrip.
"Iedere ideologie, zodra zij eenmaal voorhanden is, ontwikkelt zich echter in aansluiting aan het gegeven voorstellingsmateriaal en bouwt dit verder uit. Zij zou anders geen ideologie zijn, dat wil zeggen bezig zijn met gedachten als met zelfstandige wezenheden die zich onafhankelijk ontwikkelen en slechts aan hun eigen wetten onderworpen zijn. Dat de materiële levensvoorwaarden van de mensen in wier hoofden dit gedachteproces zich afspeelt, het verloop van dit proces uiteindelijk bepalen, blijft voor deze mensen noodzakelijk onbewust, want anders zou het met de hele ideologie gedaan zijn..” (7)
Het Marxisme erkent dus dat het bewustzijn van de mens van zijn positie in de echte wereld tot nu toe is gehinderd of vervormd door factoren waarvan hij zich niet bewust was, dat het sociale leven zoals dat zich tot nu toe gevormd heeft fundamentele blokkades in de mentale processen van de mens heeft geschapen. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het historische onvermogen van de bourgeoisie een hogere vorm van samenleving te zien dan het kapitalisme, omdat dit haar eigen ondergang zou betekenen. Dit is wat Lukacs noemt een "klasse geconditioneerd onbewuste". (8) En dit vraagstuk kan ook worden benaderd vanuit het standpunt van de theorie van Marx over vervreemding: de vervreemde mens is vervreemd van zijn medemens, van de natuur en van zichzelf, terwijl het communisme deze vervreemding zal overwinnen en de mens zich ten volle bewust zal worden van zichzelf.
Van alle marxisten van de 20e eeuw was Trotski misschien degene die het meest streefde naar het scheppen van een opening voor een dialoog met de theorieën van Freud, die hij was tegengekomen tijdens zijn verblijf in Wenen in 1908. Hoewel hij nog steeds betrokken was bij de Sovjet-staat, maar in toenemende mate gemarginaliseerd raakte, verdedigde Trotski de opvatting dat Freuds benadering van de psychologie in wezen was materialistisch was. Hij was erop tegen dat een bepaalde school in de psychologie tot de ‘officiële’ lijn van staat of de partij verklaard werd, en riep in plaats daarvan op tot een open en brede discussie. In Cultuur en Socialisme, geschreven in 1925-1926, overweegt Trotski de verschillende benaderingen van de scholen van Pavlov en die van Freud en schetst hij wat volgens hem de houding van de partij moet zijn ten opzichte van deze kwesties:
"Marxistische kritiek op de wetenschap moet niet alleen waakzaam zijn, maar ook voorzichtig, anders kan het ontaarden in louter hielenlikkerij ... Neem bijvoorbeeld de psychologie. Pavlov’s reflexologie gaat volledig langs de paden van het dialectisch materialisme. Het breekt definitief de muur af tussen de fysiologie en de psychologie. De eenvoudigste reflex is fysiologisch, maar een systeem van reflexen geeft ons 'bewustzijn'. De accumulatie van fysiologische hoeveelheid geeft een nieuwe 'psychologische' kwaliteit. De methode van de school van Pavlov is experimenteel en nauwgezet. Algemeenheden worden stap voor stap gewonnen: van het speeksel van de hond tot de poëzie, dat wil zeggen, tot de geestelijke mechanismen van de poëzie, niet haar sociale inhoud – want de paden die ons leiden tot de poëzie zijn tot op heden nog niet geopenbaard.
"De school van de Weense psycho-analyticus Freud gaat op een andere manier te werk. Hij veronderstelt bij voorbaat dat de drijvende kracht achter de meest complexe en delicate psychische processen een fysiologische behoefte is. In deze algemene zin is het materialistisch, tenminste als je de vraag buiten beschouwing laat of zij niet een te grote plaats toekent aan het seksuele aspect ten koste van andere, want dit is al punt van debat binnen de grenzen van het materialisme. Maar de psycho-analyticus benadert de problemen van het bewustzijn niet op een experimentele manier, van de laagste tot de hoogste verschijnselen, van de eenvoudige tot de ingewikkelde reflex. In plaats daarvan probeert hij al deze tussenliggende stadia in één sprong te nemen, van boven naar beneden, van de religieuze mythe, het lyrische gedicht, of de droom, rechtstreeks naar de fysiologische basis van de psyche.
“De idealisten vertellen ons dat de psyche een onafhankelijke entiteit is, dat de 'ziel' een bodemloze put is. Zowel Pavlov en Freud denken dat de fysiologie de bodem van de 'ziel’ is. Maar terwijl Pavlov, als een duiker, naar de bodem afdaalt en van beneden naar boven moeizaam de bron onderzoekt, buigt Freud zich over bron en probeert met een doordringende blik het steeds veranderende en onrustige water te doorboren om daaruit op te maken of te raden wat de vorm van de dingen daar beneden is. De methode van Pavlov is experimenteel; de methode van Freud is die van gissingen, soms fantastische. De poging om de psycho-analyse ‘onverenigbaar’ te verklaren met het marxisme en de methode van Freud de rug toe te keren is te eenvoudig, of beter gezegd, te simplistisch. Maar we zijn in ieder geval niet verplicht om de methode van Freud te accepteren. Het is een werkhypothese die deducties en vermoedens kan voortbrengen en ongetwijfeld voortbrengt, welke voortgaan langs de lijnen van de materialistische psychologie. De experimentele procedure zullen deze vermoedens te zijner tijd bewijzen. Maar we hebben noch redenen en noch het recht om de andere procedures te verbieden die, hoewel zij minder betrouwbaar zijn, toch proberen te anticiperen op de conclusies die via de experimentele procedure slechts zeer langzaam vorderen.”
In feite begon Trotski zeer snel kritiek te leveren op de enigszins mechanistische benadering van Pavlov, die de neiging had om bewuste activiteit terug te brengen tot de beroemde ‘geconditioneerde reflex’. In een toespraak, die hij kort na de publicatie van de bovenstaande tekst hield, vroeg Trotski zich af of we werkelijk kennis konden verkrijgen van de bronnen van de menselijke poëzie door de bestudering van het speeksel van honden. (9) En in zijn latere overdenkingen over de psycho-analyse, in de ‘filosofische aantekeningen’,die hij had opgesteld in ballingschap, legde hij veel meer de nadruk op de noodzaak om te begrijpen dat de erkenning van de relatieve autonomie van de psyche, die strijdig is met een mechanische versie van het materialisme, perfect verenigbaar is met een meer dialectische visie van het materialisme:
"Het is bekend dat er een hele school in de psychiatrie bestaat (psychoanalyse, Freud), die zich in de praktijk volledig verwijdert van de fysiologie, en die zich baseert op de innerlijke bepaaldheid van psychische verschijnselen, zoals ze zijn. Sommige critici beschuldigen de Freudiaanse school daarom van idealisme .... Maar op zichzelf is de methode van de psychoanalyse, met als uitgangspunt 'de autonomie van psychologische verschijnselen’, geenszins in tegenspraak met materialisme.Integendeel, het is juist het dialectisch materialisme dat ons aanzet tot de idee dat de psyche zelfs niet gevormd kan worden, tenzij zij een autonoom, dat wil zeggen, binnen bepaalde grenzen, onafhankelijke rol speelt in het leven van het individu en de soort. Tegelijkertijd naderen we hier een soort van cruciaal punt, een breuk in de geleidelijkheid, een overgang van kwantiteit in kwaliteit: de psyche, die voortvloeit uit materie, en 'bevrijd' is van het determinisme van de materie, kan onafhankelijk - door haar eigen wetten - de materie beïnvloeden ". (10)
Trotski beargumenteert hier dat er een reële convergentie bestaat tussen het marxisme en de psychoanalyse. Voor beiden is het bewustzijn, of liever gezegd, het geheel van de psyche een materieel product van de werkelijke beweging van de natuur, en niet een kracht die buiten de wereld huist. Het bewustzijn is het product van onbewuste processen, die eraan voorafgaan en het bepalen. Maar het bewustzijn wordt op zijn beurt een actieve factor die, tot op zekere hoogte, zijn eigen dynamiek volgt en die, belangrijker nog, in staat is om in te werken op het onbewuste en het te veranderen. Dit is de enige basis voor een benadering, die van de mens iets meer maakt dan het product van objectieve omstandigheden, en hem de bekwaamheid geeft de wereld om hem heen te veranderen.
En hier komen we bij wat misschien wel de belangrijkste conclusie is, die Trotski trekt uit zijn onderzoek naar Freuds theorieën. Freud, zo herinneren we ons, had aangevoerd dat de belangrijkste slag die de psycho-analyse had toegebracht aan de ‘naïeve eigenliefde’ van de mens de bevestiging was dat het ‘Ik’ niet de baas in huis is en dat haar visie op en benadering van de wereld, voor een groot deel wordt bepaald door instinctieve krachten die zijn verdrongen naar het onbewuste. Freud liet zich, tijdens één of twee gelegenheden, verleiden zich een samenleving voor te stellen die de eindeloze strijd tegen de materiële schaarste had overwonnen en deze onderdrukking daarom ook niet meer hoefde op te leggen aan haar leden. (11) Maar over het geheel genomen bleef zijn vooruitzicht voorzichtig pessimistisch, daar hij geen gemakkelijke weg zag die kon leiden tot een dergelijke samenleving. Trotski, als revolutionair, was verplicht de mogelijkheid naar voren te brengen van een volledig bewuste mensheid, die werkelijk baas was geworden in eigen huis. In feite wordt de bevrijding van de mensheid van de overheersing van het onbewuste voor Trotski het kernproject van de kommunistische maatschappij:
"De mens zal zich er eindelijk serieus toe zetten om te harmoniseren. Hij zal zich ten doel stellen om bij het bewegen van zijn ledematen – bij het werk, bij het lopen, bij het spel – de grootste mate van precisie, doelgerichtheid en economie en daardoor schoonheid te bereiken. Hij zal de half-onbewuste en vervolgens ook de geheel onbewuste processen in zijn eigen organisme - ademhaling, bloedsomloop, spijsvertering, voortplanting, en bevruchting – willen beheersen en ze, binnen bepaalde grenzen, aan de controle van de rede en de wil onderwerpen. Het leven, ook het zuiver fysiologische, zal collectief en experimenteel worden. De menselijke soort, de verstarde Homo Sapiens, zal opnieuw een radicale transformatie ondergaan en – onder zijn eigen handen – tot object van de meest ingewikkelde methoden van kunstmatige selectie en psycho-fysieke training worden. Dit ligt volkomen in lijn met de ontwikkeling. Eerst verjoeg de mens het duistere element uit de industrie en de ideologie, door de barbaarse routine door wetenschappelijke techniek vervangen en de religie door wetenschap. Daarna verjoeg hij het onbewuste uit de politiek, door democratie, rationalistisch parlementarisme en vervolgens een open Sovjet-dictatuur in de plaats te stellen van monarchie en standenstelsel. Het blinde element had zich het stevigst in de economische verhoudingen genesteld – maar ook daaruit wordt het door de mens verwijderd door middel van de socialistische organisatie van de economie. Hierdoor wordt een ingrijpende herstructurering van de traditionele gezinsstructuur mogelijk. Tenslotte verbergt de natuur van de mens zelf zich in de diepste en donkerste hoek van het onbewuste, het elementaire, het ondergrondse. Is het dan niet duidelijk dat de grootste inspanningen van het experimentele denken en het scheppende initiatief daarop gericht zal zijn?" (12)
Natuurlijk kijkt Trotski in deze passage heel ver in de kommunistische toekomst. De prioriteit van de mensheid zal, in de fasen die voorafgaan aan het kommunisme, zeker gericht zijn op die lagen van het onbewuste, waar de oorsprong van de neurose en geestelijk lijden opgespoord kan worden. Het bereiken van een controle over nog meer fundamentele fysiologische processen zal echter nieuwe vragen oproepen, die buiten het bestek liggen van dit essay, en die waarschijnlijk gesteld zullen worden in een verder gevorderd stadium van de kommunistische cultuur.
Hedendaagse kommunisten kunnen het eens zijn of niet eens zijn met Freuds opvattingen. Maar we moeten zeker met het uiterste wantrouwen reageren op de huidige campagnes tegen Freud en aan de ‘open-mind’ benadering, die Trotski bepleitte, vasthouden. Op zijn minst moet we toegeven dat, zolang we leven in een wereld waarin ‘kwade hartstochten’ van de mens zich nog steeds met een angstaanjagende kracht kunnen ontploffen; waar seksuele relaties tussen mensen, ongeacht de brute wijze waarmee ze door middeleeuwse ideologieën in bedwang gehouden of gedevalueerd en op de markt verkocht worden, een bron blijven van ongekende menselijke ellende, waarbij de creatieve krachten van de geest, voor de overgrote meerderheid van de mensheid, grotendeels begraven en ontoegankelijk blijven. De kwesties die door Sigmund Freud opgerakeld zijn, blijven niet alleen nog even relevant als toen ze voor de eerste keer opgeworpen werden, maar de oplossing ervan zal zeker ook een onvervangbaar element zijn in de opbouw van een werkelijk menselijke samenleving.
Amos
Voetnoten:
(1) Zie Anton Pannekoek's Darwinisme en Marxisme, in de International Revue nr. 21 en 22 alsmede de artikels: Darwin and the workers' movement; On the book The Darwin Effect: A materialist conception of the origins of morals and civilisation; en Social Darwinism, a reactionary ideology of capitalism; op ICC-Online.
(2) De volgende woorden van Lenin, geciteerd door Clara Zetkin in Herinneringen aan Lenin (1924) laten zien dat de Bolsjewiki geen eensluidende benadering hadden van de theorieën van Freud – ook al lijkt het erop dat de kritiek van Lenin meer was gericht tegen de verdedigers van deze theorieën dan tegen de theorieën zelf:
“De toestand in Duitsland zelf vereist de grootst mogelijke aaneensluiting van alle revolutionaire proletarische krachten om zich te verdedigen tegen de steeds verder oprukkende contrarevolutie. En de actieve communistes houden zich dan bezig met problemen van seks en huwelijk en met huwelijksvormen in heden, verleden en toekomst! Zij beschouwen het als hun hoogste plicht om de werkende vrouw op dat gebied voor te lichten. Er wordt verteld dat een brochure van een communiste uit Wenen daarbij het meest wordt verspreid. Wat is dat een onzinnig boekje! Wat daar juist in is, hebben de arbeiders allang bij Bebel gelezen. Maar dan niet in de vorm van een houterig schema, zoals in die brochure, maar in de vorm van pakkende agitatie, vol van aanvallen op de burgerlijke samenleving. Het vermelden van de theorie van Freud moet het een zogenaamd “wetenschappelijk” tintje geven, maar toch is het amateuristisch geklungel. De theorie van Freud is nu ook al zo’n modeverschijnsel geworden. Ik sta wantrouwend tegenover die seksuele theorieën, die worden uiteengezet in artikelen, verslagen, brochures en dergelijke — om kort te gaan in die speciale literatuur die weelderig is gaan gedijen op de goed bemeste ondergrond van de burgerlijke samenleving. Ik heb geen vertrouwen in mensen die voortdurend en altijd worden geabsorbeerd door seksuele vraagstukken”
“Het lijkt me toe dat die overvloed aan seksuele theorieën, die voor het grootste deel hypothese zijn, en dan nog vaak willekeurige ook, voortvloeien uit een persoonlijke behoefte. Uit een drang om jegens de burgermoraal het eigen abnormale of buitengewone seksuele leven te rechtvaardigen en om tolerantie te vragen voor zichzelf. Die gemaskeerde hoogachting voor de burgerlijke moraal vind ik net zo walgelijk als het willekeurige snuffelen in seksuele vraagstukken. Hoe rebels en revolutionair die bezigheid zich ook probeert te laten schijnen, toch is ze als puntje bij paaltje komt volledig burgerlijk. Dat is een bijzonder geliefde bezigheid onder de intellectuelen en de daar dichtbij staande lagen. In de partij, onder het klassenbewuste en strijdende proletariaat, is daarvoor geen plaats.”
(3) Geciteerd in Miller, Freud and the Bolsheviks; Yale; 1998; blz. 102.
(4) We moeten echter benadrukken dat we er in dit artikel niet op uit zijn een beoordeling te geven van de therapeutische effectiviteit van Freuds benadering. We zijn nauwelijks bekwaam om zoiets te doen, en in ieder geval bestaat er geen mechanisch verband tussen de praktische toepassing van Freuds therapie en de theorie over de geest, die daaraan ten grondslag ligt – niet in het minst omdat de ‘genezing’ van een neurose in een maatschappij, die deze voortdurend voortbrengt, uiteindelijk meer moet liggen op het maatschappelijke dan op het individuele vlak. Hier zien we de fundamenten van Freuds theorie van de geest en het zijn vooral deze fundamenten die we beschouwen als een werkelijke erfenis voor de arbeidersbeweging.
(5) Le Livre Noir de la Psychoanalyse. The Black Book of Psychoanalysis: To Live, Think and Feel Better Without Freud Catharine Meyer, Mikkel Borch-Jacobsen, Jean Cottraux, Didier Pleux & Jacques Van Rillaer (Ed). Paris; France; Les Arènes; 2005.
(6) Sigmund Freud: Inleiding tot de Psycho-analyse, Hoofdstuk 18, “De fixering aan het trauma. Het onbewuste”; 1917.
(7) Friedrich Engels: Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie; 1886.
(8) Georg Lukacs: History and Class Consciousness; 1923.
(9) Zie Trotski's Aantekeningen, 1933-1935, Writings on Lenin, Dialectics and Evolutionism, vertaald en geintroduceerd door Philip Pomper, New York 1998, blz. 49.
(10) Trotski: Culture and Socialism; 1925; blz. 106.
(11) In tegenstelling tot het vaak herhaalde cliché dat Freud ‘alles herleidde tot sex’, maakte hij duidelijke dat “de basis van de menselijke maatschappij in laatste instantie een economische is, daar ze niet over genoeg voorraden beschikt om haar leden in leven te houden, tenzij ze werken, moet ze het aantal leden beperken en hun energie omzetten van seksuele activiteit in werk. We worden dus geconfronteerd met de eeuwige, vitale behoefte die, vanaf het ontstaan van de mens tot op de huidige dag blijft bestaan.” (Sigmund Freud: Introductory Lectures , Lecture 20, "The sexual life of human beings").
Met andere woorden: onderdrukking is het resultaat van de menselijke organisatie, beheerst door materiële schaarste. In een andere passage, deze keer uit De toekomst van een illusie (1927), liet Freud zien een begrip te hebben van de de klasse-aard van de ‘beschaafde’ maatschappij en stond zichzelf zelfs toe een fase voor te stellen die daaraan voorbij gaat:
“Indien echter een cultuur in die fase blijft steken waarin de bevrediging van een aantal deelnemers de onderdrukking van een ander aantal, wellichte de meerderheid, als premissie heeft, en dit is bij alle contemporaire culturen het geval, dan valt het te begrijpen dat deze onderdrukten een intensieve vijandigheid ontwikkelen tegen de cultuur die zij door hun arbeid mogelijk maken, terwijl zij in de goederen ervan een te gering aandeel hebben (….) De cultuurvijandigheid van deze klassen is zo openlijk dat men daardoor de veeleer latente vijandigheid van de beter bedeelde lagen in de maatschappij over het hoofd heeft gezien. Het hoeft geen betoog dat een cultuur die een zo groot aantal deelnemers onbevredigd laat en tot rebellie drijft, geen kans heeft duurzaam stand te houden, en dat ook niet verdient.” (Sigmund Freud: De toekomst van een illusie; Hoofdstuk 2; 1927)
Het huidige systeem heeft dus niet alleen ‘geen uitzicht op een blijvend bestaan’, maar er zou misschien een cultuur kunnen zijn die voorbijgaat aan het punt waar klasseverdelingen (en dus de tot nu toe bestaande mechanismen van geestelijke onderdrukking) overbodig kunnen zijn.
(12) Trotski: Literatuur en Revolutie; 1924; blz 140.
Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 183.35 KB |
Via internetforums, discussiegroepen, directe contacten en tussenkomsten tijdens belangrijke politieke of sociale mobilisaties zien en horen we veel gelijklopende discussies over de huidige toestand. Over hoe we die moeten inschatten, welke lessen er uit trekken, over hoe we onze rol daarin zien, als enkelingen, als georganiseerde minderheid, als politieke stroming...
De vraag die we dikwijls gesteld wordt is of we schrik moeten hebben dat we terug in een schema vervallen van de jaren 30? Wat is er gemeenschappelijk tussen huidige tijden en die van toen en wat is er nu net verschillend aan? En vooral: waarom dan? Wat betekent dit voor ons?
Hierbij reeds enkele ideeën als aanzet voor de discussie:
· De actualiteit, de feiten op zich, overtuigen niet: is wat we beleven in Egypte of in Turkije vandaag allemaal op eenzelfde lijn te stellen met wat we in 2011 in Egypte of Spanje hebben gezien?
· Wat is de kans op een nog diepere val van de economie? Is een beurscrash en/of failliete banken te verwachten zoals in de jaren 30?
· Is extreemrechts zoals het zich in Griekenland manifesteert een voorafspiegeling van de rol die extreemrechts speelde in de jaren 30?
· Is het regionaal nationalisme van Vlaanderen, Catalonië of Schotland te vergelijken met het oorlogszuchtige nationaal-patriotisme van de dertiger jaren?
De geschiedenis bestaat uit rustige en bewogen tijden. Wij kennen haar echter vooral uit bewogen tijden, periodes van strijd en omwenteling. Dit is geen toeval. “Revoluties zijn de locomotieven van de geschiedenis.”[1] Het zijn de momenten waarop de geschiedenis in een stroomversnelling belandt: oude maatschappijen, verstrikt in tegenstellingen, worden vervangen door nieuwe, die een nieuwe periode van ontwikkeling inluiden. Revoluties uit het verleden hebben de maatschappij van vandaag gemaakt. Een diepgaande maatschappelijke omwenteling gebeurt niet louter ‘van bovenaf’, maar vraagt de steun en deelname van de massa’s ‘van onderop’. Een omwenteling vraagt ook om strijd, gezien binnen de omstreden maatschappij belangengroepen heersen, die geen directe baat hebben bij een verandering. Deze belangengroepen zijn binnen uitbuitingsmaatschappijen noodzakelijkerwijze de heersers. Zij hebben er belang bij de uitbuiting steeds op te drijven, om zich steeds meer de meerarbeid[2] toe te eigenen, waardoor hun bestaan binnen een maatschappij van schaarste is verzekerd. Zonder verzet, doen de heersers hun zet.
Het kapitalisme is echter een bijzondere uitbuitingsmaatschappij, omdat zij de voorwaarden schept om de schaarste voor eens en voor altijd tot het verleden te maken. Haar eigen bewegingswetten drijven haar tot het overspoelen van de aardbol en de constante revolutionering van de productiekrachten. Met het kapitaal ontstond een productieapparaat dat enkel door (gedwongen) samenwerkingsverbanden kan blijven draaien. Van de meeste producten van vandaag, kan niemand nog zeggen dat het zijn/haar individuele product is. Zo socialiseerde het kapitalisme de productie, maar niet de productieverhoudingen.[3]
Het kapitalisme heeft echter ook de klasse mensen voortgebracht die haar kan vernietigen: de arbeiders of proletariërs. Zij zijn de producenten en maken het hart uit van het productieapparaat. Zij weten hoe de productie beter kan en moet. Het is hun capaciteit tot het uitbouwen van een nieuw productiesysteem dat hen tot drager van een nieuwe maatschappij maakt, niet hun vermogen tot het lamleggen van de productie, hoe belangrijk dit laatste wapen ook kan zijn. Maar niet alleen hun technisch inzicht, maar vooral hun sociaal karakter maakt hen tot revolutionaire klasse. Het kapitalisme dwingt hen elke dag tot samenwerking, tot geassocieerde, maar vervreemdende, arbeid. Zij zijn deel van de gesocialiseerde productiekrachten. In die zin denken we dat arbeidersstrijd een perspectief biedt aan een hopeloos systeem.
In de geschiedenis van het kapitalisme kennen we vele momenten van arbeidersstrijd en -verzet tegen allerlei gevolgen van het kapitalistische systeem en zelfs tegen het systeem zelf. Sinds 1900 zijn de bewegingen van 1905, 1917, 1968, 1980 de bekendste en belangrijkste periodes geweest, waardoor zij tot symbolen werden, maar ook tot slachtoffers van de meest grove propaganda van vervalsing. Al deze bewegingen hebben in een zekere zin een nederlaag gekend, aangezien we nog steeds in het kapitalisme met al haar sociale en ecologische rampspoed leven. Strijd loont dus niet. Of toch? In de jaren 2011 en 2012 staken opnieuw protestbewegingen tegen de uitspattingen van het wereldwijde kapitalistische systeem de kop op. Deze wereldwijde bewegingen zijn een schakel geworden in de geschiedenis van de arbeidersstrijd, het voortzetten van een nog steeds noodzakelijke traditie. Er bestaat een verbondenheid met voorgaande bewegingen, maar haar actoren zijn zich ervan nog niet bewust genoeg. Die bewuste verbondenheid moet opnieuw gesmeed, indien we het kapitalisme willen doen verdwijnen en een betere maatschappij in de plaats stellen. Want elk van deze bewegingen, van 1905 tot vandaag, bevat waardevolle lessen voor de hedendaagse en vooral toekomstige strijdbewegingen. Die verbondenheid tussen strijdbewegingen uit verleden en heden ligt hem zowel in de inhoud als in de vorm.
Als we kijken naar de inhoud van de strijdbewegingen van 2011-2012, dan kunnen we de verschillende uitdrukkingen ervan grofweg opdelen in twee types, aspecten of luiken, die beide belangrijke sterktes en zwaktes vertoonden.
Enerzijds zagen we economische strijd tegen sluitingen, ontslagen, de levensduurte, de werkloosheid… en dit zowel vanuit de productie-eenheden (kantoren, fabrieken, delfplaatsen, scholen, ziekenhuizen…), als vanuit bezette straten en pleinen. Anderzijds was er ook politieke strijd, vooral vanuit de bezette openbare plaatsen, hoewel de manifestanten zich vaak “apolitiek” noemden. Wat is politiek dan? Vaak begrijpt men hieronder de twisten tussen de burgerlijke partijen over het beheer van de nationale staat en economie en/of de verdediging van de nationale belangen in allerlei oorlogen. Het is echter meer dan dat. Politiek omvat verschillende betekenissen. In een brede zin gaat politiek om de structuur en de functionering van een sociale groep, een gemeenschap, een maatschappij… Het gaat om de maatschappelijke verhoudingen: economische, juridische, sociologische, morele, culturele, seksuele… In een nauwe zin gaat politiek over de machtsvraag m.a.w. over de staat haar structuur, functionering, beheer en invloed op het maatschappelijke leven.[4]
Deze twee aspecten van de strijd, economie en politiek, zijn volledig met elkaar verstrengeld. Ze zijn dan ook niet nieuw. Eisen naar meer zeggenschap, participatie, rechten, vrijheden, beslissingsrecht… m.a.w. eisen naar meer politieke macht, stonden al centraal in de massastaking van 1902 in België, waarin hard werd gevochten voor het algemeen enkelvoudig stemrecht. Tegelijkertijd ontwikkelde zich in Rusland een strijdbeweging dat haar hoogtepunt in 1905 bereikte. Het was een maalstroom van al dan niet georganiseerde kleine en grote stakingen, waarin zowel economische als politieke eisen werden gesteld.[5] Over deze zogenaamde eerste Russische revolutie werd heftig gedebatteerd binnen de 2de internationale. Rosa Luxemburg schreef naar aanleiding hiervan het boekje “Massastaking, partij en vakbonden”. Daarin stelde zij:
“Er zijn geen twee verschillende soorten kassenstrijd van de arbeidersklasse: een economische en een politieke, maar er is slechts één klassenstrijd, die zowel op het indammen van de kapitalistische uitbuiting binnen het kader van de burgerlijke maatschappij, als op de afschaffing van de uitbuiting tegelijk met de burgerlijke maatschappij is gericht.” [6]
Voor de arbeidersklasse heeft arbeidersstrijd alles te maken met vorm én inhoud. Elke inhoudelijke strijd vraagt om een gepaste strijdvorm. Betogingen, optochten, stakingen, straatgevechten, barricades, comités, enz. kunnen erg vruchtbaar zijn, indien zij beantwoorden aan de noden van de strijd. Zij bestaan dus nooit an sich. In elke sociale beweging leven ideeën, leeft een dynamiek naar meer of minder eenheid binnen de arbeidersklasse, naar een versterking of verzwakking van de klassensolidariteit. De vormen van strijd zijn daar nauw mee verbonden. Soms zijn de vormen remmend of beklemmend voor de inhoudelijke dynamiek, soms versnellen ze net de ontwikkeling van de inhoudelijke strijd voor een post-kapitalistische maatschappij. “Het eigenlijke resultaat van hun strijd is niet het onmiddellijke succes, maar de steeds verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders.” [7] In de globale strijdbeweging van 2011-2012, zagen we tussen de verschillende delen duidelijke verschillen in kracht en impact. Welke delen waren nu het sterkste? Welke hadden de meeste macht? Welke hebben de meeste invloed uitgeoefend op het verloop van de bewegingen? Waar heeft de strijd het meest “geloond”? Waar en in welke dynamiek vonden we de grootste en machtigste massa’s? Waar was er een steeds verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders?
Zonder twijfel was dit tijdens de Arabische Lente in Tunesië en Egypte, de Indignados in Spanje, Griekenland en Israël, de Occupy-beweging aan de Westkust van de VS. Waarom echter? Wij stellen dat hier inhoud en vorm elkaar vonden, waardoor een ontwikkeling van een politiek luik mogelijk werd. Wat was die inhoud dan? Een maalstroom van economische en politieke eisen die elkaar soms versterkten, soms verzwakten. Wat was die vorm dan? Dat waren de algemene vergaderingen (AV’s). Zij waren het inhoudelijke en organisatorische centrum van deze brede strijdbewegingen, waarin de arbeidersklasse een relatief sterke impact had. Zij boden een kader voor de ontwikkeling van arbeidersstrijd, voor een politisering van hun strijd.
Daar waar inhoud en vorm niet samenkwamen waren de bewegingen zwak, niet massaal… en kon zich geen krachtsverhouding opbouwen tegen het systeem. Zo bleven een heleboel stakingen opgesloten in een vakbondslogica: strijd per bedrijf, sector, regio, natie… Zo was impact van vele verontwaardigden en/of bezetters in vele regio’s zwak, door een beperkt begrip van de problematiek, het gewicht van illusies en daardoor ook geen aansluiting zocht met de arbeidersklasse, die als enige een ware uitdaging voor het kapitalisme kan betekenen.
Hoe is het economische strijdaspect verbonden met het politieke? Hoe kan het ene het andere versterken? Hoe uit een politisering van strijd zich? In 1981 beschreef de IKS de politisering van de arbeidersstrijd in Polen in 1980-1981 als volgt: “Wanneer het proletariaat op klasseterrein vecht, worden bijzondere eisen al snel voorbijgestreefd door een steeds bredere aanval op het socio-economisch systeem zelf. Die dynamiek is eigen aan de strijd, door zijn massaal karakter, doordat de arbeiders zich steeds meer bewust worden van hun klassemacht, die ertoe kwam heel het weefsel van de Poolse ‘natie’ in vraag te stellen. De stakingen begonnen om economische eisen kracht bij te zetten. Maar ze hielden niet op toen de bourgeoisie probeerde hen de wind uit de zeilen te halen door toe te geven aan de eisen van een of ander beperkt deel van de klasse. (…)
Dankzij de krachtsverhouding konden ze de bourgeoisie ertoe dwingen haar vertegenwoordigers af te zetten die zich duidelijk bloot gegeven hadden door repressie, door te openlijk misbruik te maken van hun privileges of door corruptie enz. De klasse oefende druk uit op verschillende aspecten van het maatschappelijk leven: op de lonen natuurlijk, maar ook op de politiebegroting, op de voorrechten van militairen en partijkaders, inzake het openbaar gebruik van gebouwen die vroeger gereserveerd waren voor de heersende klasse enz. Enkele weken geleden lagen de bedrijven plat door een staking, waarin onder meer geëist werd dat een gezondheidskompleks dat enkel gebruikt werd door kaderleden voor het publiek zou opengesteld worden. (…)
De revolutionairen zien in dat –ook al blijven er nog illusies overeind- hoe massaler en beslister de strijd is, hoe meer de hij ertoe zal komen de burgerlijke maatschappij in vraag te stellen. Enerzijds aanvaardt de arbeidersklasse de logica niet van de beperkingen en de rentabiliteit. Rendabel of niet, zij eiste de vrije zaterdag. Zolang de economie tonnen wapens kan produceren, zien de arbeiders niet in waarom ze in armoede zouden moeten leven.
‘Solidariteit’ en de staat in het algemeen, wil alleen problemen (en ‘oplossingen’) zien op het vlak van de ‘distributie’ van wat beschikbaar is. De arbeidersklasse echter stelt het probleem van het doel van de productie. Het standpunt van de arbeidersklasse is niet de verdeling van de ellende die opgelegd wordt door noden die haar vreemd zijn, maar de productie in functie van haar behoeften, om die te bevredigen.” [8]
Een politisering van strijd concretiseert zich dus wanneer de arbeidersklasse steeds bredere eisen stelt, die bijgevolg tenderen naar een steeds verdere invraagstelling van het volledige systeem in al haar facetten (economie, recht, cultuur, moraal…). Met een groeiende klassensolidariteit en klassenbewustzijn, wordt het proletariaat steeds meer klasse für sich, en niet enkel an sich. Zo ontstaat een groeiende krachtsverhouding en stelt zich ook steeds explicieter de vraag: wie heeft de macht? Wie beslist over wat? Hoe komt strijd echter tot een dergelijke dynamiek van politisering? Welke factoren bepalen dit?
Wanneer komen de werkende, werkloze of studerende arbeiders in actie? Waarom voeren zij hun strijd soms zus en soms zo? Volgens ons hangt dit erg af van hun bewustzijn over hun eigen situatie van uitbuiting, maar ook het bewustzijn over en het vertrouwen in eigen kracht als klasse, in staat om de vernietiging van de planeet en hun eigen levensvoorwaarden te voorkomen door een nieuwe maatschappij op te bouwen. Dit klassenbewustzijn ontwikkelen is volgens ons een essentieel deel van de arbeidersstrijd. Hoe die ontwikkeling dan gebeurt en hoe we die kunnen versnellen is een vraag die zich steeds opnieuw aan de revolutionairen opdringt. Alex & Lac/ februari 2013
· Luxemburg, 1906, Massastaking, partij en vakbonden, https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1906/massastaking/index.htm [11]
· ICC, What are workers’ councils (part 1),
https://en.internationalism.org/ir/140/workers-councils-01 [12]
Rusland 1905
· ICC, 100 years ago: the 1905 revolution in Russia,
https://en.internationalism.org/series/340 [13]
Mei 68
· ICC, May 68 and the revolutionary perspective,
https://en.internationalism.org/series/504 [14]
Polen 1980
· IKS, Internationalisme nr. 51, 1981, Massastaking,
· IKS, Internationalisme nr. 52, 1981, Arbeidersstrijd in Polen: het land staat op zijn kop
· ICC, "Poland, August 1980: The proletariat rediscovers the weapon of the mass strike [15]",
· ICC, Mass strikes in Poland 1980: the proletariat opens a new breach,
https://en.internationalism.org/ir/023/mass-strikes-in-poland-1980 [16]
· ICC, Poland 1980: lessons still valid for the struggle of the world proletariat,
https://en.internationalism.org/ir/103_poland80.htm [17]
Occupy/Indignados
· CCI, Dossier spécial sur le mouvement des Indignés et des Occupy
https://fr.internationalism.org/icconline/2011/dossier_special_indignes.html [18]
· ICC, Occupy movement,
https://en.internationalism.org/tag/7/1230/occupy-movement [19]
· ICC, Occupy London,
https://en.internationalism.org/tag/7/1231/occupy-london [20]
· ICC, The Indignados,
https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1219 [21]
· ASB, De Indignados beweging in Griekenland,
anarcho-syndicalisme.nl/wp/?p=1789
ASB, griekenland: “Burdened with debt”,
anarcho-syndicalisme.nl/wp/?p=1732
· ICC, Oakland: Occupy movement seeks links with the working class,
· ICC, The Occupy Movement on the West Coast: how "organizing the unorganized" led to division,
· ICC, "Occupy Wall Street protests: the capitalist system itself is the enemy [24]",
Arabische lente
· ICC, What is happening in the Middle East?, https://en.internationalism.org/ir/145/what-is-happening-in-the-middle-east [25]
· ICC, Understanding the period – class analysis and events in the Arab world,
· ICC, Revolt in Egypt and Tunisia,
https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1136 [27]
· ICC, Egypt,
https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1125 [28]
· ICC, Tunisia,
https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1123 [29]
Enkele citaten
[1] Marx, 1850, Klassenstrijd in Frankrijk, https://www.marxists.org/archive/marx/works/1850/class-struggles-france/index.htm [30]
[2] Surplus-labour, Wikipedia, https://en.wikipedia.org/wiki/Surplus_labour [31]
[3] Engels, 1876, Anti-Dühring, https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1877/anti-duhring/26.htm [32]
[4] Politique, Wikipedia, https://fr.wikipedia.org/wiki/Politique [33]
[5] Revolution of 1905, Wikipedia, https://en.wikipedia.org/wiki/Revolution_of_1905 [34]
[6] Luxemburg,1906, Massastaking, partij en vakbonden, https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1906/massastaking/8.htm [35]
[7] Marx, 1848, Communistisch Manifest, www.vonk.org/klassiekers/marx-engels/1848/manifest/manif1.htm [36]
[8] Internationalisme nr. 52, 1981, “Arbeidersstrijd in Polen: het land staat op z’n kop”
Discussiecyclus: strijdvormen en organisatie
Inleiding 2e avond: bewustwording en organisatie
In de vorige discussie op de 1e dag hebben we vooral de kwestie bekeken van de verschillende strijdvormen tegen het kapitalisme en zijn uitwassen, van het belang van inhoud en vorm van deze strijd. Ook onderlijnden we: · dat deze botsingen verschillende vormen aannemen, naargelang de historische periode, de objectieve en subjectieve voorwaarden en omstandigheden voor de strijd, en naargelang welke sociale lagen in verzet komen. Want niet alle botsingen en strijd slagen er in een echte krachtsverhouding op te bouwen, of een perspectief te geven voor de oplossing van de problemen. Naarmate de arbeidersklasse betrokken partij is in deze strijd neemt de krachtsverhouding toe en ook de overdenkingen over de finaliteit van het productiesysteem.
· Dat we in de strijd daarom ook steeds weer de wisselwerking zien tussen de 2 dimensies van deze arbeidersstrijd: de economische en de politieke. En dat politisering van de strijd een voorwaarde is voor een echte verandering. Dat er daarom een band is tussen inhoud en vorm van de strijd, tussen middelen en doel.
We onderlijnden in de inleiding dat het kapitalisme de klasse mensen heeft voortgebracht die haar kan vernietigen: de arbeiders of proletariërs. Het is hun capaciteit tot het uitbouwen van een nieuw productiesysteem dat hen tot drager van een nieuwe maatschappij maakt [1]. Daarom is er een schijnbare tegenstelling binnen de klasse tussen hun wezen als economisch uitgebuite klasse en hun revolutionaire karakter die net alle uitbuiting zal afschaffen. Dit geeft aan de klassenstrijd twee gezichten: de economische en de politieke. De economische is uiteraard direct bepaald door de mogelijkheden die het kapitalisme materieel nog kan bieden tot verdere ontwikkeling van de productiekrachten. Van zodra deze mogelijkheden afkalven, stelt zich al gauw de kwestie van de krachtsverhouding klasse tegenover klasse, van de solidariteit en eenheid van de klasseactie en dus ook van de politisering van de strijd.
“De economische verhoudingen hebben eerst de massa van de bevolking in arbeiders veranderd. De heerschappij van het kapitaal heeft voor deze massa een gemeenschappelijke situatie en gemeenschappelijke belangen geschapen. Deze massa is daarmee al een klasse tegenover het kapitaal, maar nog niet voor zich zelf. (…). De strijd van klasse tegen klasse is echter een politieke strijd.(…) Er is geen politieke beweging die niet tegelijk ook een maatschappelijke is. “ (K. Marx, De armoede van de filosofie, 1847).
De kwestie zoals die nu duidelijker naar voor komt draait dus rond hoe men van een “klasse op zich”(an sich, een sociologische entiteit, een uitgebuite economische entiteit door haar objectieve plaats in het productieproces), een “klasse voor zichzelf” (fur sich, een politieke entiteit, een revolutionaire entiteit met een visie voor de toekomst) wordt. [2]
Dat is wat we vandaag in deze tweede discussie gaan proberen uit te diepen.
Laat ons duidelijk zijn dat we hier niet alle aspecten kunnen behandelen. We gaan er ook geen opsommingslijst van voorbeelden van maken. We kunnen ook niet het effect, het nut van iedere actie afzonderlijk behandelen. Het gaat over grote lijnen, een proces, Niet enkel over hoe een motor draait, maar vooral waarom hij draait.
Er zullen wellicht nog meer vragen rijzen dan er eerst waren, maar dat is nu net waar het om gaat in deze discussiecyclus. “Het zoeken naar de waarheid is belangrijker dan de waarheid zelf”.
Politisering heeft duidelijk alles te maken met het bewustwordingsproces. Hoe wordt de klasse zich bewust van zijn revolutionaire aard, van zijn historische rol, als drager van de toekomstige maatschappij? Hoe ontwikkelt een strijd zich eigenlijk? De start is meestal toevallig en zuiver economisch en is ook meestal een gedeeltelijke aangelegenheid. Maar van zodra de actie grotere proporties aanneemt, worden de eisen breder. Daar waar nodig worden rechten opgeëist (recht van vergaderen en van meningsuiting, stakingsrecht, openstelling van de stakingskassen, enz.) , solidariteitsoproepen worden geformuleerd, men trekt van arbeidsplaats tot arbeidsplaats, er komt verzet tegen de repressie. Daar waar het spreken en onderlinge discussie wordt verboden, begint het handelen. De krachtsverhoudingen tonen zich. De economische factor en de versplintering worden gebundeld tot klasse actie en worden politiek, een algemene eisenbeweging voor rechten, die dan weer uitvloeit in een reeks van plaatselijke, gedeeltelijke, economische gevechten. Dit wekt het klasse gevoel op (klasse-identiteit) en het klassenbewustzijn.
“De vooruitgang van de beweging in haar geheel uit zich niet hierin dat het economische beginstadium wegvalt, veeleer echter in de snelheid waarmee de ontwikkelingsstadiums tot politieke manifestatie doorlopen worden en (…) tot waar zich de massastaking voortbeweegt.
De beweging in haar geheel echter ontwikkelt zich niet enkel van economische tot politieke strijd, maar ook omgekeerd. (…) Met de uitbreiding, loutering en potentialiteit van de politieke strijd treedt niet alleen de economische strijd niet op het achterplan, maar breidt zich uit, loutert en is er potentiëring in gelijke mate. Er bestaat tussen beide voortdurende wisselwerking.”(R.Luxemburg, Massastaking, partij en vakbonden, 1906)
Dat is de les die toen al getrokken werd uit de massastakingen die einde 19e eeuw en begin 20e eeuw verliepen. De bewegingen sindsdien zijn fundamenteel niet anders, zoals die in 1968 in Frankrijk of in 1969 in Italië aantonen, of die van 1980 in Polen, of de bewegingen van de recentere periode in Tunis, Egypte, Spanje of de USA. (daar spraken we in de eerste discussie al over).
De fundamentele tegenstelling, als energiebron voor onze motor, is dat de arbeidersklasse de eerste klasse is in de geschiedenis die tegelijk uitgebuit is én drager van de nieuwe maatschappij. Door de groeiende tegenstellingen in de reële wereld waarin we leven, het tot stand komen van de voorwaarden voor een andere, hogere vorm van samenleving en daardoor een verheviging van de strijd wordt het bewustzijn aangescherpt.
“De productie van ideeën, voorstellingen, bewustzijn, is in eerste instantie direct vervlochten met de materiële activiteit en het materiële verkeer van de mens, de taal van het werkelijke leven. (…)Niet het bewustzijn bepaalt het leven, maar het leven bepaalt het bewustzijn. (…); uit deze hele santenkraam houden we alleen dit ene resultaat over, dat deze drie momenten: de productiekracht, de maatschappelijke toestand en het bewustzijn met elkaar in tegenspraak kunnen en moeten komen(...)Deze ‘vervreemding’(…) kan natuurlijk slechts onder twee praktische voorwaarden opgeheven worden. Wil zij een ‘ondraaglijke’ macht worden, d.w.z. een macht waartegen men een revolutie begint, is het nodig, dat zij de massa der mensheid tot volstrekte ‘bezitsloosheid’ gebracht heeft en haar tegelijkertijd in contradictie met een voorhanden wereld van rijkdom en cultuur heeft gebracht; beide voorwaarden vooronderstellen een grote stijging, een hoge ontwikkelingsgraad van de productiekracht.” (K.Marx, De Duitse Ideologie, 1845)
Hieruit blijkt dat de revolutionaire omwenteling niet zomaar een kwestie is van voluntarisme, iets dat men ‘wil’ en dat dus op ieder moment mogelijk zou zijn. Of dat het een zuivere kwestie is van agitatie en propaganda.
Als we nu terug concreet over de sluiting van de Ford, Opel, VW of Renault fabrieken in België spreken van de laatste jaren of over de steenkoolmijnen, de scheepsbouw, de staalindustrie of wat voor industrietak dan ook, zien we dat de arbeiders vechten voor het behoud van hun “job”, voor het behoud van hun “loon”, voor het behoud van hun “werk en levensvoorwaarden”, dat ze daar de nodige toegevingen in doen, indien ze geen alternatief zien. In deze economische strijd botsen ze op grenzen, die niet enkel te maken hebben met de winsthonger van één of andere individuele kapitalist, maar met de grenzen van een systeem, van het gehele kapitalisme. Deze botsing roept vragen op. Maar zij zien ook het groeiend contrast tussen wat er allemaal kan, waaraan er allemaal behoefte is en wat er uiteindelijk is en waar het terecht komt. Zij zien de scheiding tussen wat ze produceren (hun arbeid) en de bestemming ervan (winst realiseren). De vervreemding tussen de arbeid en het product ervan. Ze zien dat deze toestand de hele arbeidersklasse te beurt valt overal in de wereld. Deze kloof wordt steeds groter, deze verontwaardiging wordt steeds feller. Het verscheurt hen als “individuen” want het verplicht hen individueel keuzes te maken die niet de hunne zijn. De aparte leden van de klasse zitten gevangen tussen hun objectieve sociologische positie waar ze allen concurrenten zijn van elkaar en zich machteloos voelen, en de opkomst als collectieve, geassocieerde belangengemeenschap, als klasse voor zichzelf. Eerst in deze beweging als collectieve klasse, als autonome belangengemeenschap tegenover het kapitaal kan zij een bredere visie ontwikkelen, een politieke visie, een hoger bewustzijn en een grotere eenheid door de toename van het klasse-gevoel. Zo niet blijven zij steken, ieder op zich, in een vals bewustzijn, doorspekt met beelden en ideeën die hun oorsprong vinden in de dominante burgerlijke ideologie.
Daarom neemt haar strijd steeds twee gezichten aan: de economische verzetsstrijd om de effecten van de uitbuiting te bekampen en de politieke om de uitbuiting op te heffen.
De genetisch gemanipuleerde aardappel, de vervuilde natuur, de gedwongen migratie, de groeiende risico’s die er steeds meer worden genomen om de winstmarges te garanderen, terwijl de techniek en de wetenschap ons toelaten echt rekening te houden met de behoeften van allen, dat is wat wij, de bezitloze, zien, het echte leven rondom ons. De irrationaliteit van een systeem in verval, de bloedige slachtingen van het gevecht voor invloedssferen en afzetmarkten, dat alles is de materiele wereld die ons bewustzijn beïnvloed maar daarom nog niet ons klasse-gevoel aanwakkert, onze drang naar eenheid kan smeden. Of ons het voldoende vertrouwen geeft om een toekomstige samenleving op te bouwen, een universele mensengemeenschap zonder uitbuiting, in harmonie met de natuurlijke omgeving. Het kan een schat van ideeën voortbrengen, maar opdat dit zaad zou opschieten, moet de strijd en het bewustzijn op klasse-terrein plaatsvinden. [3]
“De maatschappelijke krachten werken net als de natuurkrachten: blindelings, gewelddadig, vernielend zolang wij ze niet begrijpen en er geen rekening mee houden. Maar hebben wij ze eenmaal leren kennen en hun werkzaamheid, hun richting, hun uitwerkingen begrepen, dan hangt het slechts van ons af, om ze steeds meer aan onze wil te onderwerpen en om door middel van die krachten ons doel te bereiken. En dit geldt zeer in het bijzonder voor de huidige, geweldige productiekrachten. Zolang wij hardnekkig weigeren hun aard en karakter te begrijpen — en daartegen verzetten zich de kapitalistische productiewijze en haar verdedigers — zolang oefenen deze krachten hun werking uit ondanks ons, tegen ons. (…) Maar eenmaal in hun aard en wezen begrepen, kunnen zij in handen van samenwerkende producenten van duivelse heersers tot gewillige dienaren gemaakt worden. Het is het onderscheid tussen het vernielende geweld van de elektriciteit in de bliksem van het onweer, en de beteugelde elektriciteit van telegraaf en booglamp. (…)Met zulk een behandeling van de huidige productiekrachten op grond van hun eindelijk begrepen natuur, treedt in de plaats van de maatschappelijke anarchie in de productie een maatschappelijk planmatige regeling van de productie naar de behoeften van de gemeenschap, en tevens van iedere enkeling.”
“Deze wereldbevrijdende daad te volbrengen, is de historische roeping van het moderne proletariaat. Haar historische voorwaarden en daarmee haar natuur zelf te doorgronden en zo aan de tot actie geroepen, thans onderdrukte klasse de voorwaarden en de aard van haar eigen actie tot bewustzijn te brengen, dat is de taak van de theoretische uitdrukking der proletarische beweging, van het wetenschappelijk socialisme.” (Engels, 1876, anti-Dühring, II.Theoretische kwesties )
Deze laatste paragraaf laat duidelijk uitschijnen dat de bekwaamheid de wereld om te vormen een zekere graad van bewustzijn vereist.
De vraag die zich dus stelt is: Hoe ontwikkelt zich dan wel deze bewustwording en die eenheid door de toename van het klasse-gevoel?
Uit wat we voordien al zagen kan er geen sprake zijn van twee afzonderlijke processen: van de georganiseerde strijd als uitgebuite klasse (sociologisch) en van de georganiseerde strijd als drager van de toekomstige maatschappij (politiek). Er is geen tegenstelling tussen de economische strijd en de politisering ervan. Er is ook geen tegenstelling tussen de inzet voor eenmaking van de strijd als klasse en voor de overdenking van de opgedane ervaringen. Zij maken deel uit van dezelfde strijd als klasse. Dat de verscherping van de klassentegenstelling het proletariaat tot bewustzijn zal brengen, is een algemeen aanvaarde stelling in brede kringen. Maar de ontwikkeling van het bewustzijn en haar eenheid is niet zomaar een automatisch, mechanisch proces dat zich tegelijk en eenvormig in de hele arbeidersklasse en onder de bezitloze ontwikkeld. Het verloopt heterogeen, ongelijkmatig. In plaats en ruimte.
Het trekt de lessen uit voorbije strijd, bestudeerd de omstandigheden waarin strijd zich ontwikkeld (de crisis, de oorlogen, enz), hoe eenheid en solidariteit te versterken voor de volgende strijdperiode voor te bereiden, de leugens en campagnes van de uitbuiters te ontmaskeren om vijanden van medestanders te onderscheiden.
Het heeft een vorm (de georganiseerde politieke activiteit en het streven naar eenheidsorganisaties in de strijd) en een inhoud (theoriesering gebaseerd op het verleden, het heden en de toekomst van de strijd).
Laten we proberen enkele kenmerken op te lijsten voor het opwekken van het klassegevoel (klasse-identiteit) en het klassebewustzijn:
· -We zagen dus dat het geen zuiver intellectueel, theoretisch proces is, iets dat buiten de algemene strijd staat. Bewustwording en de realisatie van haar eenheid is in de eerste plaats een praktisch proces dat zich uit in de strijd. Het is een samenvloeien van theorie en praktijk, van overdenken en handelen. Beide zijn onverbrekelijk onderdeel van hetzelfde praktische geheel van strijd. Handelen zonder discussie en studie is blind. Kennis en discussie zonder handelen is steriel. Bewustzijn rijpt niet volledig buiten de strijd. Anders wordt de strijd een spiegel van een vooraf gerijpt bewustzijn. Als een soort kwalitatieve stap die iedere keer gezet wordt.
· Het is ook niet iets dat zich in de hoofden van ieder arbeider afzonderlijk afspeelt. De ontwikkeling verloopt niet ieder afzonderlijk, maar collectief (geen kwestie van wat iedere arbeider afzonderlijk denkt of doet, zoals in een stemhokje).
· We zagen dat het ook geen zuiver spontaan proces is, dat politisering van de strijd plots zou uitbarsten vanuit de blauwe lucht zonder dat er een of andere vorm van organisatie en continuïteit is in dit proces.
· Maar het is zeker ook geen proces dat “door een besluit” van een of andere centrale partijinstantie kan uitgelokt worden: alsof het een zuiver technische kwestie is. Een kwestie van vorm (zonder inhoud). Of dat moed en goede wil volstaan om bewust te handelen, het bewustzijn kan uitgelokt worden met directe actie, revolutionair in de meest directe (immediatistische) zin van “er met de hooivork op los gaan”.
Veel van de voorgaande stellingen zien de revolutionaire arbeidersbeweging alsof die door enkele opruiers en ophitsers wordt veroorzaakt, of door zuivere theoretische propaganda en studie.
· De klasse-identiteit of het klassenbewustzijn ontwikkelt zich ook niet omdat men fysiek eenzelfde arbeidsplaats of bedrijf deelt, maar in het objectief behoren en subjectief herkennen van de voorwaarden van ieder zijn bestaan in de gemeenschappelijke belangenstrijd van de ganse wereldklasse. Daarom zal haar bewustzijn groeien met haar streven naar eenheid en vice versa, en daarom zal ze iedere versnippering , iedere scheiding, iedere grens van welke aard ook (racisme, sexisme, lokalisme, regionalisme, nationalisme of eigen bedrijf of sectorialisme) moeten doorbreken. “de arbeidersklasse is niet zwak omdat ze innerlijk verdeeld is, maar ze is innerlijk verdeeld omdat ze zwak is” (A. Pannekoek, Partij en arbeidersklasse, 1936))[4]
· We zagen ook dat de ontwikkeling niet ogenblikkelijk maar historisch verloopt. (geen hier en nu, of nu of nooit). Er is iets als een collectief geheugen. De historische ervaringen worden getoetst en in een kader geplaatst om ze beter te begrijpen en er lessen uit te trekken. Het klassenbewustzijn en de georganiseerde uitdrukking ervan is dus geen zuivere afspiegeling van de sociologische samenstelling van de klasse als uitgebuite entiteit, maar van zijn bestaan als historisch wezen.[5]
· Het bewustwordingsproces verloopt ook via ondergrondse rijping ervan buiten de momenten van open directe strijd. Want de klasse ontbindt zich niet tussen de periodes van strijd, niet sociologisch, maar ook niet als politiek wezen. Dit ontkennen maakt dat men de ontwikkeling van het bewustzijn enkel van de objectieve omstandigheden doet afhangen als een soort mechanisch proces. Uiteraard is dit proces beperkt in de breedte, in de draagwijdte. Maar het kan in de diepte evolueren. (enkele voorbeelden zijn: het ontwikkelen van de analyses in “Het kapitaal” in ‘kalme’ periode in de 19e eeuw, de bijdrages van de kommunistische linkerzijden in de ‘zwarte’ periode tussen de 2 wereldoorlogen, de bijdrages van talrijke stromingen in de terugval periode van de strijd tussen 1989 en 2005, enz.).
We kunnen dus twee dimensies onderscheiden in het proces van het klassenbewustzijn in de ganse klasse: de draagwijdte en de diepgang.
Grosso modo kunnen we dit zeggen dat deze ondergrondse rijping:
- bij een brede laag, waar de diepgang beperkter is, doet het de tegenstelling toenemen tussen het historisch wezen, de reële behoeften van de klasse en de oppervlakkige aanhang door de arbeiders van de dominante burgerlijke ideeën. Dit kan lang sluimeren, of zich uiten in desillusies, en het zich losmaken van de voornaamste ideologische campagnethema’s van de bourgeoisie. (sexisme, racisme, migratie, religie, nationalisme, armoede is je eigen fout, kapitalisten verdienen meer omdat ze meer verantwoordelijkheid dragen,…). [6]
-bij een minder brede laag, waar de diepgang dus groter is, doet het een overdenking groeien over de lessen uit de voorbije strijdmomenten, met min of meer formele discussies aangaande de komende gevechten, met de opkomst van strijdbare kernen en discussiekringen. Een soort manifestatie van het collectief geheihgen van de klasse. (duidelijk terug te vinden in verschillende landen na de Indignadosbeweging, de Occupybeweging, of in Kroatië, Servië, Canada, Italië en Oostenrijk na de massale studentenbewegingen, of in Polen 1980, of de vele kringen en strijdcomités in de jaren 1970 en 1980)
-bij een minderheid van de klasse, waar de diepgang het grootste is, zien we een uitdrukkelijke verdediging van politieke standpunten en oriëntaties en een bewuste hergroepering met het oog van een georganiseerde activiteit in de strijd.
De kakofonie van interpretaties op dit vlak is groot, maar dat mag ons niet afschrikken. We zullen hier zeker niet ingaan op alle facetten maar ons beperken tot enkele kenmerken.
In dit proces gaan minderheden in de klasse zich dus groeperen omdat er ALTIJD, in de periodes van open strijd en tijdens de momenten van ondergrondse rijping, een proces van bewustzijnsontwikkeling is. Op dat moment verheffen ze zich echter van louter product van de strijd, tot een actieve factor in de strijd.
Welke rol:
· De klassenstrijd leiden en organiseren als een militaire generale staf of het bewustzijn van buitenaf implementeren en opleggen aan de klasse?
Deze visie die ook wel Substitutionisme wordt genoemd (-daaronder wordt begrepen: de praktijk van groepen die zich in de plaats van de arbeidersklasse willen stellen, haar leiden en de macht grijpen in haar naam-) is een erfenis uit de oude arbeidersbeweging van de 19e eeuw. Het is vooral de erfenis van de sociaal-democratische opvatting van de partij, als enige drager van het bewustzijn, die dan weer van buitenaf door “intellectuele bourgeois” moest binnengebracht worden.
Kautsky bijvoorbeeld stelt: “Het socialisme als leer wortelt weliswaar, evenals de klassenstrijd van het proletariaat, in de huidige economische verhoudingen, ontspruit evenals deze uit de strijd tegen de massale armoede en de massale ellende, die het kapitalisme voortbrengt, maar beide ontstaan naast elkaar, niet uit elkaar en onder verschillende voorwaarden. (…) Het socialistisch bewustzijn is dus iets, dat in de klassenstrijd is binnen gedragen, niet iets, dat oorspronkelijk daaruit is ontstaan” (geciteerd in Wat te doen van Lenin).
Velen tot in de kommunistische linkerzijde namen gedeeltelijk of volledig deze visie over (zoals vooral Lenin). Zeker tot 1905 zagen we weinig kritiek en invraagstelling hiervan. En deze vergissing heeft zwaar gewogen op de voorbije strijdbewegingen van die periode.
Maar sinds 1905 nam de revolutionaire ervaring van de klasse toe en werd het bewustzijn op dit vlak verdiept zoals R. Luxemburg aantoont:
“Verlaten we namelijk het pedante schema van een kunstmatig door partij en syndicaat gecommandeerde demonstratieve massastaking van de georganiseerde minderheid, en beschouwen we het levende beeld van een uit de scherpste toespitsing van de klassentegenstellingen en de politieke toestand met oerkracht ontstane volksbeweging, die zich zowel in politieke als in economische stormachtige massakampen en massastakingen ontlaadt, zo moet klaarblijkelijk de taak van de sociaaldemocratie niet in de technische voorbereiding en leiding van de massastaking, veeleer echter in de politieke leiding van de hele beweging bestaan.” (R.Luxemburg, idem)
Het is trouwens vooral na 1920, met de tragische isolatie van de revolutie en de ontbinding van de raden dat de theorie van de “dictatuur van de partij” echt vorm krijgt en tot partijfetishisme wordt verheven.
Het zijn de kommunistische linkerzijdes, waaronder A. Pannekoek, die hier sinds de jaren 1920 een belangrijke bijdrage hebben geleverd om deze visies fundamenteel te bekritiseren. De Kautskaanse opvatting werd radikaal opzij geschoven en het doorslaggevend belang van de “zelf-organisatie” van de arbeidersklasse werd aangetoond.[7]
Niet het hoofd breken over de tactiek, strategie, het technische probleem, als generale staf, maar de richting aangeven, oriënteren, achtergrond geven, kader schetsen, het klassekarakter onderlijnen en aanduiden. Als georganiseerde minderheid optreden binnen de klasse en niet boven de klasse. Niet de leiding nemen over de klasse, maar bijdragen opdat deze in handen van de klasse zelf blijft.
· De apart georganiseerde politieke formaties bestrijden of enkel deelnemen als individuele (sociologische) leden van de klasse aan de strijd?
Al vanaf 1924 zien we dan de keerzijde van dezelfde medaille, en dreigt men het kind met het badwater weg te gooien. Er ontstaat binnen de kommunistische linkerzijde een tendens om alle politieke organisaties te bestrijden en als burgerlijk te bestempelen. (vb Rühle). Deze stelling noemt men ook wel radenisme. Iedere georganiseerde politieke stroming, los van de eenheidsorganisatie van de klasse moest bestreden worden. Daarom werden er een soort ‘eenheidsorganisaties’ met tegelijk politieke inslag opgericht (AAUD-E). De vorm op zich wordt aangevallen, niet de realiteit van het politiseringsproces of de bewustwording. Men denkt de arbeiders op die manier te beschermen tegen manipulatie, zelf-geproclameerde chefs, ideeën die van buitenaf zouden opgelegd worden. De realiteit heeft aangetoond dat het net andersom werkte.
In ons voorgaande stukken van deze uiteenzetting hebben we uitvoerig aangetoond dat het de strijd als uitgebuite klasse met haar specifieke organisaties gericht op haar eenheid (als sociologisch gedefinieerde) klasse, niet mag gelijk gesteld worden met de minderheid die uitdrukking is van haar politiek bewustwordingsproces. De beslissingsbevoegdheid is fundamenteel anders, de grond van hun samenstelling uiteraard ook.
· In de korte voorstelling van de standpunten van onze organisatie schrijven we in verband met de rol van de organisatie en haar activiteit het volgende:
* De revolutionaire politieke organisatie is de voorhoede van het proletariaat, een actieve factor in het proces van veralgemening van het klassebewustzijn in het proletariaat. Haar rol bestaat er niet in 'de arbeidersklasse te organiseren' of in haar naam 'de macht re grijpen', maar wel actief bij te dragen tot de eénmaking van de strijd, tot het in eigen har1den nemen van de strijd door de arbeiders, en een revolutionaire politieke oriëntatie uit te stippelen voor de strijd van het proletariaat.
ONZE AKTIVITEIT
· De theoretische en politieke verheldering van het doel en de middelen van de strijd van het proletariaat, van de historische en onmiddellijke voorwaar den ervan.
· De georganiseerde, verenigde en gecentraliseerde tussenkomst op internationaal vlak, om bij te dragen tot het proces dat leidt naar de revolutionaire akte van de arbeidersklasse.
· De hergroepering van de revolutionairen in het vooruitzicht van de vorming van een echte kommunistische wereldpartij, die onmisbaar is voor proletariaat om tot omverwerping van de kapitalistische heerschappij komen en voor zijn ontwikkeling naar een kommunistische samenleving.
Lac / 07.03.2013
[1] Niet alleen hun technisch inzicht of fysiek, intellectuele arbeid, maar vooral hun sociaal, geassocieerd karakter maakt hen tot revolutionaire klasse. “De associatie van arbeiders is een revolutionaire daad, die tegelijk de werkelijkheid en de arbeiders zelf verandert. Het creëert de andergerichtheid en wederzijdsheid waardoor het Gemeinwesen wordt geaffirmeerd” ( Marx, K., Economisch-filosofische manuscripten, 1844). Het gaat om een nieuwe mens die zijn medemens nodig heeft, waarvoor sociabiliteit een doel op zich wordt.
[2] Vooral R. Luxemburg in 1906 komt uitvoerig terug op de eenheid van de economische en politieke strijd: “In een woord: de economische strijd leidt van het ene politieke knooppunt tot het andere, de politieke strijd is de periodieke bevruchting van de bodem voor de economische strijd. Oorzaak en werking verwisselen hier ieder ogenblik van plaats, en zo vormen de economische en de politieke factoren in de massastakingsperiode, ver van zich scherp te scheiden of wederkerig uit te sluiten, zoals het schema het wil, veel meer slechts twee vervlochten zijden van de proletarische klassenstrijd in Rusland. En hun eenheid is juist de massastaking. “ en “Inderdaad. De scheiding tussen de politieke en de economische strijd en de verzelfstandiging van beide is niets dan een kunstmatig, zij het dan ook historisch noodzakelijk product van de parlementaire periode. Aan de ene kant wordt hier bij de rustige normale gang van de burgerlijke maatschappij de economische strijd versnipperd, in een veelvuldigheid van afzonderlijke geschillen in elke onderneming, in elke productietak, opgelost. Aan de andere kant wordt de politieke strijd niet door de massa zelf door middel van een direct optreden gevoerd, maar wel in overeenstemming met de vormen van de burgerlijke staat, langs representatieve weg. Door drukking op de wetgevende vertegenwoordiging. (…) De klassenstrijd van de arbeidersklasse is één, al komt hij ons ook gescheiden voor onder de vormen van economische en politieke klassenstrijd. Hij is tegelijkertijd gericht èn op de beperking van de kapitalistische uitbuiting, èn op de afschaffing van die uitbuiting tegelijk met de opruiming van de burgerlijke maatschappij zelf.(…)” (R Luxemburg, Massastaking, partij en vakbonden, 1906)
[3] Daarom is deelstrijd een glibberig pad, omdat het meestal enkel het probleem met de vinger wijst, en zelden de oorzaak, laat staan de oplossing aantoont. (Hier kunnen we ook verwijzen naar de discussies tijdens de eerste discussieavond over de beweging van de Indignados en Occupy).
[4] “Om echter, als massa, een directe politieke actie aan te binden, moet zich het proletariaat eerst weer tot een massa scharen, en te dien einde moet het voor alles uit fabrieken en werkplaatsen, uit schachten en mijnen naar buiten, moet het de verpulvering, de verbrokkeling in de afzonderlijke werkplaatsen overwinnen, waartoe het onder het dagelijkse juk van het kapitalisme veroordeeld is.”(R.Luxemburg, De massastaking, idem)
[5] In de Heilige Familie voegt Marx er aan toe: “It is not a question of what this or that proletarian, or even the whole proletariat, at the moment regards as its aim. It is a question of what the proletariat is, and what in accordance with this being, it will historically be compelled to do”
[6] Een beetje zoals Antonio Gramsci (1891-1937) sprak over het ‘dubbel bewustzijn’ van iedere arbeider, een mengelmoes van ‘common sense’ (gezond verstand) ideeën overgenomen van de dominante bourgeosie en ‘good sense’ (goed verstand) ideeën die de reële ervaringen en belangen van arbeiders uitdrukken.
[7] De organisatie die Marx op het oog heeft is expliciet antisubstitutionistisch: “de emancipatie van de arbeidersklasse zal het werk zijn van de arbeidersklasse zelf”. Hij keert zich tegen het idee van een revolutie gedragen door een minderheid: “The point of view of the minority is dogmatic instead of critical, idealistic instead of materialistic. They regard not the real conditions but a mere effort of will as the driving force of the revolution. Whereas we say to the workers: ‘You will have to go through 15, 20, 50 years of civil wars and national struggles not only to bring about a change in society but also to change yourselves, and prepare yourselves for the exercise of political power’, you say on the contrary: ‘Either we seize power at once, or else we might as well just take to our beds’.” (Marx, K., Revelations concerning the communist trial in Cologne).
Wat bepaalt de kracht van een sociale beweging? Hoe wordt eenheid en solidariteit opgebouwd? Waarom is klassestrijd nog steeds de sleutel tot de toekomst? Sinds het ontstaan van dit kapitalistisch systeem is deze vraag “welke strijd loont?” en vooral ook “wat zijn dan de organisatievormen van deze strijd?” een centraal en essentieel thema dat voortdurend de gemoederen verhitte. Wat is de rol van economische strijd voor onmiddellijke eisen en van politieke strijd voor een bepaald maatschappijmodel en wat is hun onderlinge relatie? Wat is de rol van een theoretische onderbouw in de strijd? Hoe moeten we de band tussen strijd en ontwikkeling van bewustzijn begrijpen? Welke verschillen en gelijkenissen zijn er tussen de strijdorganen (eenheidsorganisaties) van vroeger en nu? Welke rol kunnen politieke organisaties spelen? Zijn ze noodzakelijk? Het jaar 2011 werd gekenmerkt door een ganse reeks van manifestaties tegen de uitwassen van het kapitalistisch systeem (Arabische lente, Indignados, Occupy Wall Street, ..). In veel landen namen ze de vorm aan van sociale revoltes, waar allerlei lagen van de maatschappij in betrokken waren. Was dit nu een sterkte of een bron van verdeling? In veel gevallen namen zelfs de nationalistische, religieuze en democratische illusies de overhand in de bewegingen, wat handig gekanaliseerd werd naar een gewelddadige strijd tussen fracties van het kapitaal. Wat is het verband tussen deze illusies, ideologie en bewustzijn in de strijd?
Wat ook opviel was dat hoe sterker de beweging zich voordeed als een strijd van uitgebuitenen tegen de kapitalistische uitbuitingsmaatschappij, hoe meer perspectief zij bood, hoe meer solidariteit en eenheid zij opriep: klasse tegen klasse. Dit vloekt met de beweringen van sociologen, journalisten, politici en zondagse filosofen die verkondigen dat de sociale klassen zouden verdwenen zijn. De bourgeoisie droomt immers van een maatschappij waarin iedereen zich enkel ziet als gewone ‘burger’, met uiteenlopende belangen, die zich enkel heel even kunnen verenigen, passief en geïsoleerd van elkaar, vooral bij de stembusgang, rond onmiddellijke eisen ter hervorming van het systeem. Dat brengt ons bij de hamvraag: Wat bepaalt immers de kracht van een sociale beweging? Hoe wordt eenheid en solidariteit opgebouwd? Waarom is klassestrijd nog steeds de sleutel tot de toekomst?
Sinds het ontstaan van dit kapitalistisch systeem is deze vraag “welke strijd loont?” en vooral ook “wat zijn dan de organisatievormen van deze strijd?” een centraal en essentieel thema dat voortdurend de gemoederen verhitte. Wat is de rol van economische strijd voor onmiddellijke eisen en van politieke strijd voor een bepaald maatschappijmodel en wat is hun onderlinge relatie? Wat is de rol van een theoretische onderbouw in de strijd? Hoe moeten we de band tussen strijd en ontwikkeling van bewustzijn begrijpen? Welke verschillen en gelijkenissen zijn er tussen de strijdorganen (eenheidsorganisaties) van vroeger en nu? Welke rol kunnen politieke organisaties spelen? Zijn ze noodzakelijk?
“De economische verhoudingen hebben eerst de massa van de bevolking in arbeiders veranderd. De heerschappij van het kapitaal heeft voor deze massa een gemeenschappelijke situatie en gemeenschappelijke belangen geschapen. Deze massa is daarmee al een klasse tegenover het kapitaal, maar nog niet voor zich zelf. (…). De strijd van klasse tegen klasse is echter een politieke strijd.(…) Laat men niet zeggen dat de maatschappelijke beweging de politieke uitsluit. Er is geen politieke beweging die niet tegelijk ook een maatschappelijke is. Alleen bij een stand van zaken, waar geen klassen en geen klassentegenstellingen bestaan, zullen maatschappelijke evoluties ophouden politieke revoluties te zijn. “ (Karl Marx, De armoede van de filosofie)
Deze vragen en nog meer komen aan bod op een nieuwe discussiecyclus gespreid over twee avonden: op vrijdagavond 22 februari en 8 maart2013 van 19.30 tot 22.30
Plaats: Nog te bepalen maar zeker in het centrum van Antwerpen (België).
Contacteer ons!
Links
[1] https://nl.internationalism.org/tag/4/72/griekenland
[2] https://nl.internationalism.org/tag/4/62/china
[3] https://nl.internationalism.org/tag/11/151/congres-resoluties
[4] https://www.unhcr.org
[5] https://nl.internationalism.org/tag/4/66/europa
[6] https://nl.internationalism.org/tag/3/41/cultuur
[7] https://nl.internationalism.org/files/nl/24_08_13_uitn_2_0.pdf
[8] https://nl.internationalism.org/tag/aktiviteiten-van-de-iks/openbare-discussiebijeenkomsten-permanenties
[9] https://nl.internationalism.org/tag/3/43/historische-koers
[10] https://nl.internationalism.org/tag/8/139/internationale-kommunistische-stroming
[11] https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1906/massastaking/index.htm
[12] https://en.internationalism.org/ir/140/workers-councils-01
[13] https://en.internationalism.org/series/340
[14] https://en.internationalism.org/series/504
[15] https://en.internationalism.org/wr/237_poland.htm
[16] https://en.internationalism.org/ir/023/mass-strikes-in-poland-1980
[17] https://en.internationalism.org/ir/103_poland80.htm
[18] https://fr.internationalism.org/icconline/2011/dossier_special_indignes.html
[19] https://en.internationalism.org/tag/7/1230/occupy-movement
[20] https://en.internationalism.org/tag/7/1231/occupy-london
[21] https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1219
[22] https://en.internationalism.org/icconline/201111/4578/oakland-occupy-movement-seeks-links-working-class
[23] https://en.internationalism.org/icconline/201203/4756/occupy-movement-west-coast-how-organizing-unorganized-led-division
[24] https://en.internationalism.org/worldrevolution/201111/4568/occupy-wall-street-protests-capitalist-system-itself-enemy
[25] https://en.internationalism.org/ir/145/what-is-happening-in-the-middle-east
[26] https://en.internationalism.org/icconline/2011/04/middle-east-libya-egypt-class-struggle-and-civil-war
[27] https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1136
[28] https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1125
[29] https://en.internationalism.org/taxonomy/term/1123
[30] https://www.marxists.org/archive/marx/works/1850/class-struggles-france/index.htm
[31] https://en.wikipedia.org/wiki/Surplus_labour
[32] https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1877/anti-duhring/26.htm
[33] https://fr.wikipedia.org/wiki/Politique
[34] https://en.wikipedia.org/wiki/Revolution_of_1905
[35] https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1906/massastaking/8.htm
[36] http://www.vonk.org/klassiekers/marx-engels/1848/manifest/manif1.htm
[37] https://nl.internationalism.org/tag/2/29/proletarische-strijd
[38] https://nl.internationalism.org/tag/2/40/klassenbewustzijn
[39] https://nl.internationalism.org/tag/3/50/partij-en-fractie
[40] https://nl.internationalism.org/tag/3/53/vervreemding
[41] https://nl.internationalism.org/tag/2/39/revolutionaire-organisatie