Terrorisme, xenofobie en verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse

Printvriendelijke versieSend by email

De laffe sluipmoord op filmmaker en columnist Theo van Gogh op 2 november door een moslimextremist stelde de bourgeoisie in de gelegenheid een grootscheepse campagne te voeren voor de “verdediging van de democratie en het vrije woord” en tegen “het gevaar van het terrorisme en extremisme”. Deze kent in Nederland haar weerga niet in de reeks van ideologische campagnes sinds 11 september 2001, en in Nederland vooral de hysterie rond de moord op Pim Fortuyn (1). Terwijl de liberale leuzen van deze campagne in de negentiende eeuw deel uitmaakten van de verdediging van de burger tegen de willekeur van de staat kan de staat nu worden voorgesteld als bescherming tegen terroristen. Zo probeert de bourgeoisie de arbeiders te bewegen tot steun aan dezelfde staat die hen onophoudelijk aanvalt.

Na de stakingsacties en arbeidersdemonstraties in Europa vorig najaar, waaronder in Nederland de 24-uur stakingen in Rotterdam en Amsterdam, de massale betoging op 2 oktober in Amsterdam (2), en de ‘actiedagen’ van 14 oktober (openbaar vervoer) en 27 oktober (metaalindustrie), gebruikt de bourgeoisie de dreiging van ‘het terrorisme’ om de dynamiek naar strijdbaarheid en de ontwikkeling van bewustzijn in de klasse te saboteren. Zij roept de arbeiders op om hun strijd op klassenterrein in de steek te laten in naam van ‘vrijheid en democratie’ om hen zo politiek te ontwapenen. De campagne vormt daarmee een regelrechte aanslag op het ontluikende bewustzijn en zelfvertrouwen in de klasse. De moord op Van Gogh werd aangegrepen om met een snel in elkaar getimmerd ‘najaarsakkoord 2004’ de acties te beëindigen en de arbeiders een gevoelige nederlaag toe te brengen op het vlak van de verdediging van hun levens- en arbeidsvoorwaarden.

De revolutionairen verachten, zoals de marxistische revolutionaire Rosa Luxemburg zei, de politieke sluipmoord, en wel onafhankelijk van het doel waarvoor die wordt gepleegd. Maar niet minder hebben zij de taak om het politieke voordeel dat de heersende klasse er uit slaat tegenover de arbeidersklasse bloot te leggen en aan te klagen. 

Achter terrorisme en xenofobie:versterking van het staatsgezag

Vanaf de dag van de moord op Van Gogh werd de islamitische bevolking in Nederland, die van Noord-Afrikaanse herkomst in het bijzonder, in de burgerlijke media aangewezen als broedplaats, gedoger of zelfs als directe handlanger van een bedreiging van ‘democratie en de westerse maatschappij’. De moordenaar, die wegens eerdere geweldpleging bij de staatsorganen bekend was, beroept zich immers op de islam en heeft een Marokkaanse achtergrond. De hysterische boodschap was die van ‘Wij Nederlanders’ tegen ‘zij de moslims’, en aan de laatsten werd met alle middelen duidelijk gemaakt dat zij onmiddellijk hun loyaliteit aan de staat onder bewijs moesten stellen.

Vertegenwoordigers van het staatsgezag, zoals de Ministers Donner van Justitie en Remkes van Binnenlandse Zaken, gaven met ‘openheid’ over de ‘religieuze moord’ en met de ‘oorlogsverklaring’ van Vice-premier Zalm toe aan het populisme tegenover het ‘moslimterrorisme’ en ze wakkerden zo de xenofobische en racistische agitatie onder de bevolking nog eens aan. Fractieleider Verhagen van het CDA onderscheidde zich in de Tweede Kamer met de stoerste uitspraken in de geest van “veiligheid boven privacy”, “wie niets heeft te verbergen hoeft niets te vrezen” en “beter tien onschuldigen in de cel dan één terrorist op vrije voeten”. Zo kwam het inderdaad tot een pogrom-stemming, oplopend van het bespugen van ‘islamitisch uitziende’ mensen tot en met brandstichtingen bij moskeeën en kerken en het in vlammen laten opgaan van een paar schoolgebouwen.

Om de bevolking, in de eerste plaats de arbeidersklasse, te doordringen van de daadkracht van de staat tegen de acute aanwezigheid van een levensbedreigend gevaar van ‘de islam’, werden spectaculaire arrestaties verricht, zoals op 10 november met een militaire afzetting door Bijzondere Bijstandseenheden van het Haagse Laakkwartier en een evacuatie van bewoners. Ondertussen verliet de bedreigde Hirsi Ali in het geheim per militair vliegtuig het land waarop nog de uitzetting volgde van een ‘verdachte’ als ongewenste vreemdeling.

Premier Balkenende en koningin Beatrix moesten eraan te pas komen om de gemoederen te sussen. De eerste om een rondje langs uitgebrande gebouwen te maken en geschokte ouders en omwonenden in Uden en Eindhoven met zalvende praatjes over ‘tolerantie’ en ‘vrijheid van godsdienst en meningsuiting’ tot bedaren te brengen. De tweede om hoogstpersoonlijk met moslim-jongeren over ‘normen en waarden in de samenleving’ te praten. Als om te benadrukken hoezeer het hart van de heersende klasse zou bloeden voor mensen in moeilijkheden bezocht de premier ook nog even verontruste wijkbewoners uit het Laakkwartier, alvorens zijn rondreis af te sluiten met een demonstratieve opwachting aan het hoofdkwartier van de zwaarbewapende Bijzondere Bijstandseenheden.

Daartegenover deden burgemeester Cohen van Amsterdam en Minister Verdonk van Vreemdelingenzaken tijdens de ‘lawaaidemonstratie’ op de Dam met hun veroordelingen van geweld en hun oproepen tot verdraagzaamheid bijna vergeten dat ze achtereenvolgens de ontwerper en de uitvoerder zijn van een sinds de jaren 1930 ongekend uitzettingsbeleid van vluchtelingen en asielzoekers.

Het ging de bourgeoisie niet zozeer om de xenofobie, of op zichzelf om het uitbreiden van de materiële repressiemiddelen van de staat. Na de moord op Pim Fortuyn was er binnen de bourgeoisie zelfs opluchting toen bleek dat hij niet door een moslim-extremist was gepleegd. En de AIVD (Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst) moet toch wel in staat worden geacht om een milieu van nauwelijks 250 potentieel gewelddadige islamitische fundamentalisten onder de duim te houden.

Het gaat veel meer om het versterken van het algemene gevoel van onmacht in de bevolking tegenover dreigingen, het voorstellen van de staat als enige bescherming daartegen, en daarmee het aanvaardbaar maken van eenversterkte staatscontrole over het hele maatschappelijk leven. En daarvoor zijn de dreiging van het terrorisme en de xenofobe, anti-islam agitatie als aanvulling daarop, in ongeveer gelijke mate geschikt. Aan ‘de burger’ wordt doodleuk gevraagd: “Hoeveel vrijheid bent u bereid op te offeren om het terrorisme te kunnen bestrijden?” En meest belangrijk van alles: zo werd er verwarring gezaaid in een arbeidersklasse die haar ongerustheid in strijdbaarheid begon om te zetten.

Het moslimextremisme - een product van de sociale ontbinding

Het moslimextremisme wordt voorgesteld als een goed georganiseerde bedreiging ‘van buitenaf’ compleet met ongrijpbare internationale connecties, en aangevuld met linkse campagnes over het gevaar van een ‘islamo-fascisme’.

Maar het is een regelrecht gevolg van de maatschappelijke ontbinding in de centra van het kapitalisme zelf: het is het nihilistische product van een ter plekke geboren generatie zonder wortels, bindingen of toekomst, vervreemd van de eigen achtergrond, geconfronteerd met uitzichtloosheid, en wanhopig op zoek naar een ‘identiteit’. Met eerdere generaties van immigranten, die zelf werk vonden en die konden hopen hun kinderen enige toekomst te bieden, heeft zoiets zich nooit voorgedaan. Zelfs bijvoorbeeld de koel berekende kapingen en gijzelingen eind jaren 1970 door Molukse nationalisten zijn in dit opzicht onvergelijkbaar, die hadden nog een doel voor ogen, hoe absurd ook, dat hier geheel afwezig is. Het gaat ook niet in de eerste plaats om ‘drop-outs’ uit het immigrantenmilieu, of om haveloze rekruten uit Marokkaanse sloppenwijken, maar dikwijls om redelijk tot goed opgeleide, maar compleet dolgedraaide jongeren die zijn opgegroeid in Nederland of West-Europa. De moordenaar volgt de twee jongens uit Eindhoven die, aangelokt door de valse heroïek van de ‘Jihad’, in Kasjmier treurig aan hun einde kwamen.

Dit moslim-extremisme heeft net zo veel of zo weinig te maken met religie als Theo van Gogh, Hirsi Ali of Geert Wilders met atheïsme. Bij hen geen spoor van strijd tegen religie, enkel kwalificaties als ‘achterlijk’ en bewust beledigende scheldpartijen tegen islamieten en hun godsdienst. Aan de kant van de aanslagplegers beperkt de religiositeit zich tot het uitschreeuwen van een paar oproepen uit de Koran tot geweld en ‘Jihad’. Het is een cultus van de dood, van louter zinloze moorddadige zelfopoffering in naam van een ingebeelde beloning in een imaginair hiernamaals. Het probleem is meer dan ooit sociaal in religieuze vermomming.

Het is onwaarschijnlijk dat de moord op Van Gogh vanuit het staatsapparaat is georganiseerd of zelfs maar is toegelaten. De gebeurtenissen zijn eerder ontsnapt aan de controle over een ‘islamitische gemeenschap’, die allang onder strikte staatssurveillance staat. Er kan ook nauwelijks aan worden getwijfeld dat allerlei fundamentalistische elementen direct door de Nederlandse staat (en door de Marokkaanse) worden gemanipuleerd; dat er informatie van de AIVD naar dit milieu kon worden ‘gelekt’, zoals aan de in de zomer 2004 gearresteerde scholier Samir A., is daarvoor een duidelijke aanwijzing. Ondertussen is heel de politiek samen met de politie en met ‘maatschappelijke organisaties’ aan het stoken binnen het Marokkaanse milieu en wordt de islamitische kerkgemeenschap vanuit de staat juist versterkt met staatsselectie op imams. Zo roept burgermeester Cohen samen met sommige Marokkaanse organisaties de jeugd op om politieverklikker te worden, wat enkel tot nieuwe afrekeningen kan leiden.

Zelfs wat aan de controle van de staat ontsnapt kan tegen de arbeidersklasse worden gekeerd. Als de burgerlijke staat moet kiezen tussen het proletarische en het fundamentalistische gevaar, kiest hij zonder aarzelen voor het laatste, omdat het een potentiële bondgenoot is net zo goed als een vijand, en omdat het in alle richtingen bruikbaar is voor ideologische campagnes om de arbeidersklasse te verdelen, teneinde de greep van de burgerlijke staat over haar te versterken.

Zolang de arbeidersklasse in haar strijd geen perspectief voor de toekomst vindt en kan geven - en de bourgeoisie doet daar alles aan om dat te voorkomen terwijl zij zelf geen enkele oriëntatie meer te bieden heeft - zal er nog veel meer worden weggevlucht, niet in dromen maar in regelrechte nachtmerries. Deze waanzin is niet langer alleen verlokkelijk voor allerlei gefrustreerde kleinburgers, maar dreigt ook delen van de arbeidersklasse mee te slepen (3).

Een manoeuvre om de groeiende strijdbaarheid af te remmen

Na de arbeidersmanifestatie op 2 oktober 2004 stond de bourgeoisie in Nederland voor het probleem hoe de ontluikende geest van strijdbaarheid weer terug te dringen. De herfst stond immers in het teken van een mobilisatie van de arbeidersklasse tegenover ongekende aanvallen op haar bestaansvoorwaarden. Weliswaar ontsnapte deze beweging geen moment aan de vakbondscontrole en konden de vakbonden, geholpen door het basiscomité ‘De maat is vol!’, de SP en Groenlinks, zichzelf presenteren als verdediger van de arbeidersbelangen tegenover de ‘arrogante’ rechtse regering. Maar ondanks de sterke illusies over de vakbonden en het geringe zelfvertrouwen onder de arbeiders was de beweging de meest massale in dertien jaar; een uitdrukking van de ommekeer in de klassenstrijd op internationaal vlak die zich ook in Nederland doet gelden.

De moord op Theo van Gogh verschafte de bourgeoisie de gelegenheid om de beweging in de klasse in één klap tot staan te brengen en verwarring te zaaien. Zonder aarzelen sloten de vakbonden zich aan bij de campagne voor de “bedreigde democratie”. De dag na de moord op Theo van Gogh meldden vakbeweging en werkgevers gebroederlijk dat ze een akkoord hadden afgesloten waardoor de onderhandelingen met de regering konden wordenheropend. Alle acties werden afgeblazen. Op de dag van de crematie van Theo van Gogh kondigden vakbeweging, werkgevers en regering - Paars-polderiger kon het nauwelijks - aan dat er een akkoord was bereikt tussen sociale partners en regering. Volgens een snelle opiniepeiling werd dit door 58% van de bevolking gezien als een klinkende overwinning voor de vakbeweging en een nederlaag voor de regering. Meteen werd de lege dop van dit ‘Najaarsakkoord 2004’ voorgesteld als overwinning van de democratie tegenover de autocratische neigingen van Balkenende II. Ook werd aangekondigd dat er eventueel verdere vakbondsacties zouden komen, maar dan in het kader van de CAO-onderhandelingen met de werkgevers, versplinterd per sector en per bedrijf, dus voor zover nodig om controle over de onvrede te houden.

Daarmee is de arbeidersklasse weer even van het toneel verdrongen en kan de nederlaag van de arbeiders in geïsoleerde acties verder worden uitgebouwd. De bourgeoisie kon de werkelijke aard van het akkoord uit het nieuws houden en liet het erbij dat de ‘scherpe kantjes’ van de kabinetsplannen waren afgeslepen en dat de vakbeweging de zaak voor iedereen verder in het oog houdt. In werkelijkheid worden de aanvallen van regering en werkgevers met behulp van de vakbonden in stilte doorgezet.

Voor de arbeidersklasse is het van levensbelang om de lessen te trekken uit haar aanzetten tot massale strijd in Nederland en op internationale schaal en zich niet te laten meeslepen in de campagnes.

Fernando / 04.01.2005

(1) Zie: Kiezen voor Paars of voor Pim, in Wereldrevolutie, nr. 96, mei 2002, en: De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in: Internationalisme, nr. 286, 15 juni 2002.

(2) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004.

(3) Zie Het islamisme, een product van het kapitalisme in verval, in: Internationalisme, nr. 285, 15 mei 2002; The resurgence of Islam - A symptom of the decomposition of capitalist social relations, in: International Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave), nr. 109, 2e kwartaal 2002.

Geografisch: 

Territoriale situatie: