Het einde van de welvaartstaat opent een nieuw vooruitzicht voor de klassenstrijd

Printvriendelijke versieSend by email

Het artikel dat we hieronder publiceren geeft een korte samenvatting van de belangrijkste ideeën over de klassenstrijd zoals die in de herfst van 2003 zijn goedgekeurd door het centraal orgaan van de IKS (1).

De grootschalige mobilisaties van het voorjaar 2003 in Frankrijk en Oostenrijk waren een eerste belangrijke stap in het opnieuw ontwikkelen van de strijdbaarheid van de arbeiders na de langste periode van terugval in de klassenstrijd sinds 1968. Zij maken duidelijk dat de arbeidersklasse, ondanks haar voortdurend gebrek aan zelfvertrouwen, er toch steeds meer toe wordt gedreven de strijd aan te gaan door de dramatische verheviging van de crisis en het steeds massaler en algemener worden van de aanvallen die een nieuwe, ongeslagen generatie proletariërs treffen.

Een keerpunt in de klassenstrijd

Toen vanaf de jaren 1970 de massale werkloosheid terugkwam bestond het antwoord van de bourgeoisie uit het nemen van kapitalistische maatregelen die bekend stonden onder de naam ‘welvaartsstaat’ (met name in sommige landen door gunstiger regelingen om met pensioen te gaan) maar die vanuit puur economisch oogpunt onzinnig waren, zodat die maatregelen vandaag een van de voornaamste oorzaken vormen van de onmetelijke openbare schuld. Het feit dat de bourgeoisie er nu toe wordt gebracht de welvaartsstaat te ontmantelen is een belangrijke factor voor de ontwikkeling van de huidige klassenstrijd.

Dat keerpunt in de dynamiek van de klassenstrijd sinds 1989 betreft niet enkel de strijdbaarheid van de arbeidersklasse, maar ook de geestesgesteldheid in haar midden, het vooruitzicht waarin ze haar activiteit plaatst. Er bestaan vandaag tekenen van een verstoring van illusies, niet alleen wat betreft de typische misleidingen van de jaren 1990 (‘nieuwe technologische revolutie’, enzovoort), maar ook van de illusies die werden gewekt tijdens de wederopbouw na de tweede wereldoorlog, met name rond de hoop op een beter leven voor de volgende generatie en van een leefbaar pensioen voor wie de hel van de loonarbeid overleefde. Maar we moeten niet vergeten dat de massale terugkeer van het proletariaat op het historisch toneel in 1968 en de terugkeer van een revolutionair perspectief niet alleen een antwoord vormden op de aanvallen van dat moment, maar vooral een antwoord op de verstoring van de illusies over de betere toekomst die het kapitalisme na de oorlog leek te bieden. In tegenstelling tot wat een platte en mechanistische vervorming van het historisch materialisme ons probeert wijs te maken, zijn dergelijke keerpunten in de klassenstrijd, ook al worden ze ontketend door een onmiddellijke verslechtering van de materiële bestaansvoorwaarden van het proletariaat, steeds het resultaat van dieperliggende veranderingen in zijn toekomstbeeld.

Terwijl de arbeidersstrijd in het voorjaar van 1968 een omslag betekende in het historisch perspectief, betekende die van 2003 gewoon het einde van een periode van teruggang binnen een algemenere tendens tot massale klassenconfrontaties. Wij hebben nog lang niet te maken met een internationale golf van massale strijd, zoals die bestonden in de jaren 1970 en 1980.

Zowel op internationaal vlak als in elk land afzonderlijk verkeert de strijdbaarheid van de arbeiders nog in een zeer wisselend en embryonaal stadium. De belangrijkste uiting ervan tot nu toe is de strijd van de onderwijzers in Frankrijk in het voorjaar van 2003, en die was vooral het resultaat van een provocatie van de kant van de bourgeoisie door een afzonderlijke gerichte aanval uit te voeren tegen deze sector door middel van de decentralisatie, om zo de onderwijzers van de rest van de arbeidersklasse te isoleren en een massaler en algemener verzet tegen de pensioenhervorming te vermijden (2).

In Frankrijk zelf hebben de onvoldoende ontwikkeling en vooral de afwezigheid van een wijder verbreide strijdbaarheid ervoor gezorgd dat de uitbreiding van de beweging buiten de onderwijssector niet meteen op de dagorde stond. We zagen duidelijke tekenen van die zwakheid in de gevechten in Frankrijk, en we moeten er niet voor terugschrikken die te erkennen. Het verlies van klassen-identiteit en het uit het oog verliezen van het begrip arbeiderssolidariteit hebben de onderwijzers in Frankrijk ertoe gebracht hun specifieke eisen te voorrang te geven op de algemene kwestie van de aanvallen op de pensioenen. De huidige gevechten zijn de gevechten van een klasse die haar klassen-identiteit nog moet heroveren, en dat eerst op elementaire wijze.

Voor het ogenblik kan de heersende klasse de eerste uitingen van arbeidersverzet niet alleen beheersen en isoleren, ze kan die nog relatief zwakke strijdbaarheid ook met minder of meer succes (meer succes in Duitsland dan in Frankrijk) uitspelen tegen de ontwikkeling van de algemene strijdbaarheid op lange termijn door fracties van het proletariaat die op een gegeven moment strijdlustiger zijn maar geïsoleerd blijven in doodlopende straatjes te lokken.

De recente mobilisaties tegen de aanvallen op het pensioenstelsel betekenen geenszins een onmiddellijke en spectaculaire verandering in de botsingen tussen de klassen, die een snelle en fundamentele ontplooiing van de politieke krachten van de bourgeoisie zouden vereisen om er het hoofd aan te bieden. In feite is het meest van betekenis van wat voorafgaat inzake de huidige beperkingen van de klassenstrijd het feit dat de bourgeoisie nog niet gedwongen wordt terug te keren naar de strategie van links in de oppositie (3).

De kwesties waarmee de arbeidersklasse geconfronteerd wordt

Momenteel kan de kwalitatieve verscherping van de economische crisis ervoor zogen dat kwesties zoals werkloosheid, armoede, uitbuiting op een meer algemene en meer politieke wijze gesteld worden binnen de arbeidersklasse, net als de kwestie van de pensioenen, de gezondheidszorg, de levensonderhoud van de werklozen, de levensvoorwaarden, de toekomst van de komende generaties, enzovoort.

Die les op lange termijn is veruit de belangrijkste, zij heeft een grotere draagwijdte dan het ritme waarmee de onmiddellijke strijdbaarheid van de klasse weer tot ontwikkeling zal komen, te meer omdat dit ritme onvermijdelijk traag zal zijn.

Anderzijds zal de aftakeling van de economische situatie de vakbonden ertoe dwingen steeds openlijker hun rol te spelen van saboteurs van de strijd. Zij zal er ook toe neigen steeds vaker spontane, éénmalige en geïsoleerde confrontaties te veroorzaken tussen arbeiders en vakbonden, zoals bleek tijdens de wilde stakingen van afgelopen zomer bij Heathrow, bij Aérospatiale in Toulouse of Puertollano in Spanje. De nieuwe confrontatie met de vakbonden betekent echter nog niet dat de problemen in dezelfde termen worden gesteld als in de jaren 1980.

Gedurende de jaren 1980 heeft de IKS in de arbeidersstrijd geleerd om in elk afzonderlijk geval de hindernis voor de voortgang van de beweging vast te stellen en waar omheen de botsing met de vakbonden en de linkerzijde moest worden toegespitst. Dat was vaak het vraagstuk van de uitbreiding van de strijd naar andere sectoren. In de algemene vergaderingen werden toen concrete moties ingediend om op te roepen naar andere arbeiders te trekken. Dat was het dynamiet waarmee we probeerden het terrein vrij te maken om de algemene voortgang van de beweging te bevorderen. De centrale vraagstukken die zich nu stellen - wat is klassenstrijd, wat zijn de doelen en middelen, wie zijn er de tegenstanders van, wat zijn de hindernissen die overwonnen moeten worden? - lijken tegengesteld aan de vraagstukken die werden gesteld in de loop van de strijd in de jaren 1980. Zij lijken ‘abstracter’ omdat ze minder onmiddellijk verwerkelijkbaar lijken, of zelfs een terugkeer naar de startblokken van de oorsprong van de arbeidersbeweging. Het vooropstellen van die vragen vereist geduld, een visie op de langere termijn, een dieper gaand politiek en theoretisch vermogen voor de tussenkomst van de revolutionairen.

In werkelijkheid zijn de centrale vraagstukken nu niet abstracter, maar wel omvattender. Er is niets abstracts of achterlijks aan het feit dat we in een arbeidersvergadering moeten tussenkomen om duidelijk te maken dat de huidige aanvallen (met name die op de pensioenen) blootleggen dat het kapitalisme failliet is en dat de maatschappij veranderd moet worden. Het algemene karakter van die vraagstukken toont de weg die gevolgd moet worden. Voorafgaand aan 1989 is het proletariaat niet in zijn opzet geslaagd juist omdat de vraagstukken van de klassenstrijd op een te beperkte, te smalle basis werden gesteld.

Toch ligt er voor de klassenstrijd geen wijde boulevard open. Als de economische crisis een vraagstelling bevordert die globaler wordt, dan heeft de maatschappelijke ontbinding die tegelijk plaatsvindt een tegengesteld effect. Bovendien moet de arbeidersklasse beducht zijn op het optreden van de bourgeoisie met het doel de ontwikkeling van de klassenstrijd in de kiem tesmoren. Het is niet zozeer de strijdbaarheid van de arbeidersklasse als dusdanig die de heersende klasse verontrust, maar wel het gevaar dat sociale conflicten het bewustzijn van de klasse voeden. Dat is een kwestie die de bourgeoisie nu nog veel meer dan in het verleden bezighoudt, juist omdat de economische crisis veel erger en globaler is. Telkens als de strijd niet vermeden kan worden, probeert de bourgeoisie enerzijds de positieve gevolgen ervan op het zelfvertrouwen te beperken, van de solidariteit en de overdenking in de arbeidersklasse, en er anderzijds voor te zorgen dat de strijd een bron wordt van verkeerde lessen.

Bovendien zijn links en ultra-links van de bourgeoisie, in het bijzonder ultra-links, meesters geworden in de kunst van het benutten van de gevolgen van de maatschappelijke ontbinding tegen de arbeiderstrijd. Zo waren er bijvoorbeeld in juni 2003 de oproepen van Frans ultra-links om te beletten dat de leerlingen hun examens zouden afleggen en het spektakel van de West-Duitse vakbonden die wilden voorkomen dat de Oost-Duitse metaalarbeiders, die geen lange staking meer wilden voeren voor de 35 urenweek, het werk zouden hervatten. Dat zijn gevaarlijke aanvallen op het hele idee van de arbeidersklasse en haar solidariteit.

Door die aanvallen die ze ondergaat begint de arbeidersklasse als geheel te begrijpen wat de ware aard van het kapitalisme is. Vanuit marxistisch standpunt vermindert dat geenszins het belang van de rol van de revolutionairen en van de marxistische theorie in dat ontwikkelingsproces van het klassenbewustzijn van het proletariaat. In de marxistische theorie zullen de arbeiders de bevestiging en de verklaring vinden van wat ze zelf ervaren.

IKS

(1) Grote delen van dit rapport werden gepubliceerd in Internationale Revue, nr. 117.

(2) Zie voor een gedetailleerde analyse van deze beweging het artikel Tegen de massale aanvallen van het kapitaal is er nood aan massaal verzet van de arbeidersklasse in Internationale Revue, nr. 114.

(3) Die kaart van links in de oppositie werd door de bourgeoisie uitgespeeld aan het einde van de jaren 1970/begin jaren 1980. Ze bestaat uit een systematische taakverdeling tussen de verschillende sectoren van de bourgeoisie. Rechts in de regering spreekt ‘klare taal’ en voert zonder verpinken de vereiste aanvallen uit op de arbeidersklasse. Links, dat wil zeggen de fracties van de bourgeoisie die door hun taal en geschiedenis de specifieke taak hebben de arbeiders te misleiden en in te kaderen, moet, dankzij zijn positie in de oppositie, de gevechten en de bewustwording die door die aanvallen in het proletariaat veroorzaakt worden afleiden, machteloos maken en verstikken. Voor meer elementen over de toepassing van een dergelijke politiek door de bourgeoisie verwijzen we naar de resolutie gepubliceerd in Internationale Revue, nr. 26.

Theoretische vraagstukken: