De anarchisten en de oorlog (deel III): Van de Tweede Wereldoorlog tot vandaag

Printvriendelijke versieSend by email

Sinds de ineenstorting van de stalinistische regimes en van het Oostblok gaan de organisaties van het officiële anarchisme er prat op schone handen te hebben in de botsing tussen het Oostblok en het Westblok en zij onderhouden de legende van een onverzettelijke oppositie tegenover de militaire blokken: “De anarchisten waren verdeeld over het probleem van de blokken. De meerderheid besloot zich te verzetten zowel tegen Oost als tegen West…”(1).

Het anarchisme tegenover de imperialistische blokken

Na 1945, tijdens de Koude Oorlog, namen een deel van de officiële anarchistische organisaties in werkelijkheid een standpunt in ten gunste van de verdediging van de ‘vrije wereld’, zoals de SAC (Sveriges Arbetares Centralorganisation) in Zweden. Tijdens de directe confrontaties tussen de strijdkrachten van het Oostblok en de Amerikaanse strijdkrachten en de UNO in Korea in 1950-53, namen sommigen, in navolging van leden van ‘Révolution Prolétarienne’, in naam van de logica van de keuze voor ‘het minste kwaad’ en ten dienste van de verdediging van de democratie, openlijk een pro-Amerikaanse stelling in. Dat was het geval voor A. Prudhommeaux, N. Lazarevitch, G. Leval, maar ook van Spaanse en Bulgaarse militanten: “Er zijn twee imperialismes, maar ik ken er één dat bijzonder gevaarlijk en totalitair is, met slavernij in het vooruitzicht. Het andere draagt minder gevaar in zich… Ik ben niet voor de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Korea… In Korea zie ik slechts één oorlogsmisdadiger en dat is Stalin. Hij is direct verantwoordelijk voor de strategische bombardementen die een slachting aanrichten onder de Koreaanse bevolking…” (2). Daartegenover waren er anderen die het Amerikaanse imperialisme als de belangrijkste oorlogsstoker bestempelden.

Diegenen onder de anarchisten die zoals de FA [Fédération Anarchiste] zegden steun te weigeren aan om 't even welk kamp met de opstelling “tegen Stalin zonder voor Truman te zijn, tegen Truman zonder voor Stalin te zijn”, handelden daarom echter nog niet als internationalisten en ontsnapten niet aan de logica om voor het ene imperialistische kamp te kiezen tegen het andere. Toen de USSR zich  in de bewapeningswedloop stortte om te rivaliseren met de Verenigde Staten, was het ‘de strijd voor het derde front’, die “de FA er toe leidde om de Duitse herbewapening aan te klagen door haar steun te betuigen aan de pacifisten van dat land en door haar deelname aan de campagne ‘Ridgway (3) go home?'"(4), die geleid werd door de PCF. Door de kritische steun die de FA verleende aan deze campagne geraakte ze compleet in het vaarwater van de PCF : zij vervulde de rol van ronselaar van arbeiders voor de PCF en?voor diens onvoorwaardelijke steun aan het Russische imperialistische blok!

Anderzijds spelen de contestataire en provocerende acties dezelfde rol van ronselaar voor de burgerlijke staatsinstellingen : de ‘werkelijke anti-imperialistische’ strijd van het ‘derde revolutionaire front’ van de FA wordt geconcretiseerd in de verkiezingscampagne voor de wetgevende verkiezingen van 1951 “ten gunste van bulletins die als volgt waren opgesteld: 'Noch Oosterse dictatuur, noch westerse dictatuur, ik wil vrede'” (5) of door het voeren van spectaculaire acties zoals in februari 1952 "in de grote zaal van het paleis Chaillot waar een algemene vergadering plaatsvond van de UNO, waar een pak pamfletten getiteld: 'Het Derde Front: Weg met de oorlog!' in de zaal werd geslingerd en de Amerikaanse en sovjetafgevaardigde bekogeld werden met ongevaarlijke projectielen." (6).

Verre van een middel te betekenen voor het versterken van het politieke inzicht van de arbeidersklasse, onderhield dit soort acties op het terrein van de instellingen van de burgerlijke staat, behalve dat ze ongevaarlijk waren, bij de uitgebuite klasse de illusie in stand dat ze van enig belang zouden zijn voor de goede uitkomst van haar revolutionaire strijd. Ze kunnen integendeel slechts de onderwerping versterken van de arbeidersklasse aan de democratische misleiding en de organen van de kapitalistische heerschappij, door te versluieren dat het nodig is deze op te ruimen. De FCL (Fédération communiste-libertaire) zou zelfs opkomen met kandidaten bij de wetgevende verkiezingen van 1956 ! Op het moment van de ontbinding van de Franse IVe Republiek en het aan de macht brengen van generaal De Gaulle in 1958 om het koloniale probleem op te lossen, “bundelden zich in de hele libertaire pers oproepen om de bedreigde Republiek te redden. (…) De anarchisten kozen in grote meerderheid voor de Republiek en voor de politiek van het minste kwaad…” (7). Tegenover de putsch van de generaals in Algiers, in april 1961, die weigerden de onafhankelijkheid van Algerije te erkennen, "nam de FA deel aan de verschillende comité's die meerdere linkse organisaties groepeerden (...) de anarchisten waren bij de eersten om de democratische vrijheden te verdedigen, en dat ondanks hun latere ontkenningen daarvan." (8).

Vooral hun constante steun aan de zogenaamde bevrijdingsbewegingen zal duidelijk maken hoe ze voor het éné imperialistische kamp kiezen tegen het andere. Door, zoals de FA deed als beginsel voorop te stellen dat “De anarchisten voor de bevolking overzee het recht opeisen op vrijheid, op werk in onafhankelijkheid, het recht te beschikken over hun eigen lot boven alle clanrivaliteiten heen die de wereld vandaag uiteenscheuren. Ze verzekeren hen van hun solidariteit in de strijd die ze moeten voeren tegen de onderdrukking door alle imperialismes...” (9). De anarchistische stromingen nemen zo hun plaats in tussen de beste dienaars van de misleiding van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Ze spreken op dezelfde toonaard als de offici?e ideologie van elk van beide blokken (zowel de doctrine van Jdanov van het Oostblok die zich voorstelt als "de ware verdediger van de vrijheid en onafhankelijkheid van alle naties, een tegenstander van de nationale onderdrukking en de koloniale uitbuiting onder al hun vormen" (10) als de Amerikaanse doctrine die stelt dat "in de sleutelzones moet alles gedaan worden om de democratische vormen en hun toegang tot onafhankelijkheid aan te moedigen". Elke episode van de imperialistische oorlog waartoe het westerse en het Sovjetblok overgaan, via ondergeschikte naties vindt haar rechtvaardiging in deze 'theorie', elk geserveerd met een verschillende saus, maar telkens met hetzelfde rampzalige resultaat voor het proletariaat.

De Franse anarchisten verkleedden de Indochinese oorlog tot 'een revolutionaire episode' (FA in 1952) of zagen er een 'klassenoorlog' in (FCL in 1954) en riepen de legitimiteit uit van 'de strijd van het Indochinese proletariaat' en de noodzaak van de 'arbeiderssolidariteit met de Viêt-minh'.

Die politieke steun aan de nationale bevrijdingsstrijd zal zelfs zover gaan als de fysieke inzet. Tijdens de Algerijnse oorlog sluiten talloze anarchisten aan bij de 'valiezendragers', de steunnetwerken van het FLN (Algerijns Bevrijdingsfront) (11). "Het standpunt van kritische steun ten gunste van een socialistisch en zelfbeheerd Algerije" van de FCL in naam van de solidariteit ?et de onderworpen volkeren, tegen de imperialismes?neemt de vorm aan van een actieve materiële steun aan de Algerijnse nationalistische partijen MNA en daarna FLN (wanneer deze laatste na 1956 als enige, alleenheersend, overblijft). "De verzetsstrijders van het ALN (Nationaal bevrijdingsleger) behoren deels tot de ene, deels tot de andere organisatie. Dat weten we met des te meer zekerheid daar we onder ons, in de FCL, Algerijnse kameraden van de FLN-tendens hebben terwijl we zelf diensten geleverd hebben aan de MNA-verzet door als tussenpersoon te fungeren voor het bekomen van 'materiaal' (lees : wapens) voor hun strijders." (12).

Deze stellingnamen –zelfs kritisch– van bepaalde anarchisten ten voordele van de nationale bevrijdingsstrijd hebben rechtstreeks bijgedragen tot de onderwerping van de massa's aan het imperialisme. Die anarchistische stromingen dragen een stuk van de verantwoordelijkheid voor de onderwerping van het proletariaat en van de uitgebuite klassen aan de barbaarsheid van de militaire conflicten die de planeet met bloed doordrenken. Gevangen in de logica van het vaststellen van een onderscheid tussen de verschillende imperialistische gangsters (in naam van de rechten van de zwakste) brengen hen ertoe rechtstreeks op te treden als sergeanten-ronselaars binnen het proletariaat, of als borg voor de winst van het ene of het andere van de optredende imperialistische kampen. Het inhameren gedurende tientallen jaren van deze misleidingen, waar zij sterk toe bijgedragen hebben, heeft ervoor gezorgd dat het einde van de contrarevolutie uitgesteld werd en dat het proletariaat later zijn zelfstandige strijd hernomen heeft op zijn eigen klasseterrein en voor zijn eigen doeleinden.

De officiële stromingen van het anarchisme hebben inderdaad na de Tweede Wereldoorlog hun overheersende invloed uitgeoefend over de meerderheid van de anarchisten, tot aan het einde van de contrarevolutie in 1968, en zelfs nog na die datum. Zo droegen ze bij tot een kristallisering en sterilisatie van een groeiende overdenking over de 'kommunistische' realiteit in de gestaliniseerde landen. Deze stromingen hebben een gevoel van revolte tegen deze monsterlijke leugen over 'kommunisme' in de landen van het Oostblok misbruikt om ideeën te verspreiden zoals antimilitarisme, pacifisme enz., die hoewel ze deel uitmaken van een echt in-vraag-stellen van de oorlog, enkel de overdenking bij vele elementen kunnen ondermijnen door hen in de richting te duwen van het immediatisme, het activisme en individualisme, ten koste van het zoeken naar mijlpalen en een historisch bewustzijn van de klassenverhoudingen. Daardoor hebben ze ertoe bijgedragen dat degenen die het 'model' dat het stalinisme oplegt wilden verwerpen ertoe gedreven werden zich te verschansen achter de 'verdediging van de democratie', dat wil zeggen van het andere imperialistische kamp, waarvan ze zich ook de radicaalste critici betonen.

Het einde van de contrarevolutie

Na 1968 echter, met het einde van de contrarevolutie en de terugkeer van het proletariaat op het historisch toneel, verschijnt opnieuw dat verschijnsel dat al op andere momenten van de geschiedenis vastgesteld werd : gepolitiseerde elementen proberen werkelijk de revolutionaire weg te vinden doorheen of vertrekkend vanuit het anarchisme.

De ontwikkeling in de Verenigde Staten en in de westerse landen van studentenrevoltes eind jaren 1960, die van de tegenstand tegen de oorlog die de Verenigde Staten in Vietnam voeren hun mobilisatiethema maken, duidt aan dat het loden gewicht van de stalinistische ideologie barsten begint te vertonen. De stalinistische partijen hebben inderdaad geen enkele invloed, terwijl ze toch de Amerikaanse interventie tegen de strijdkrachten die door het zogezegd antikapitalistische Sovjetblok gesteund worden, aanklagen. Vooral de leugen van het 'kommunistisch en revolutionair' stalinisme gaat aan diggelen met de intrede in de strijd van een nieuwe generatie jonge arbeiders tijdens de algemene staking van 1968 in Frankrijk en de verschillende massale bewegingen van de arbeidersklasse overal ter wereld die erop volgen. Het is het einde van de contrarevolutie en het idee van de kommunistische revolutie wordt weer op de dagorde geplaatst.

Vanwege hun anti-stalinisme oefenen de anarchistische organisaties sinds de onderdrukking van de beweging in Hongarije in 1956 een zekere aantrekkingskracht uit, vooral op de studenten. Ze worden numeriek sterker, maar de oude, bestaande  organisaties voldoen niet meer voor de jongeren die hen vastgeroest vinden. Het geheel van het anarchistisch milieu hervormt zich (13).

In dat opborrelen van de herneming van de internationale klassestrijd bevinden er zich binnen het anarchistisch milieu minderheden en elementen die op zoek gaan naar de klassestandpunten van het proletariaat en die proberen een revolutionaire samenhang te vinden vanuit het anarchisme. Zo opent een deel van het libertair milieu zich voor organisaties die bepaalde klassestandpunten ontwikkelen (Socialisme ou Barbarie), of zelfs voor het proletarisch politiek milieu, in het bijzonder zijn georganiseerde radenistische pool, met name 'Informations et Correspondances Ouvrières'. Zo neemt de groep 'Noir & Rouge' bijvoorbeeld afstand van de FA en stelt, op basis van “het primaat van de klassestrijd”, een “actualisering en aanpassing van de beginselen van het anarchisme” voor. De groep benadrukt de noodzaak van een discussie en verdedigt “het contact met andere kameraden die zich niet noodzakelijk op het anarchisme beroepen”. Hij klaagt de verheerlijking aan van de “Spaanse revolutie” die “elke kritiek verbiedt” (14). In zijn zoektocht naar strijdvormen die eigen zijn aan de arbeiders, richtte de groep zich op de politieke bijdragen van de Duits-Nederlandse Kommunistische Linkerzijde en Pannekoek. Hij neemt deel aan een internationale bijeenkomst georganiseerd door ICO in Brussel in 1969, naast Paul Mattick, voormalig militant van de Duitse Kommunistische Linkerzijde, uitgeweken naar de Verenigde Staten, en Cajo Brendel, de drijvende kracht van de Nederlandse radenistische groep 'Daad & Gedachte'.

Het politiek belang van deze overdenking in het anarchistisch milieu rond kwesties als de versterking en de middelen van de klassestrijd van het proletariaat bleef verborgen door de beperkte aard ervan. Omdat de vraagstelling zich ontwikkelde rond de pool van het proletarisch milieu van het georganiseerde radenisme die failliet gaat en verdwijnt in het midden van de jaren 1970, wordt de groep 'Noir & Rouge' meegesleept in die schipbreuk en gaat hij verloren, met het verlies van belangrijke militante energieën. De algemene context van illusies in het proletariaat over de mogelijkheid voor het kapitalistisch systeem een uitweg uit de economische crisis te vinden, en ook de moeilijkheden van het proletariaat om zijn strijd te politiseren en het perspectief van de revolutie voorop te stellen, zullen volop door de gauchisten van alle slag uitgebuit worden om elke poging tot bewustwording gericht op revolutie de nek om te wringen.

Nochtans zal een aantal van die elementen die uit het anarchisme komen ondanks alles erin slagen zich een weg te banen naar het opnieuw opkomende proletarisch politiek milieu, met de terugkeer van het proletariaat op de historische scène n

Scott

Voetnoten

[1] Nawoord van m. Zemliak bij het boek van Max Nettlau, “Histoire de l'Anarchie”, Artefact, p. 279.

[2] Brief van S. Nin, 24.08.1950, geciteerd door G. Fontenis, “l'Autre communisme”, Acratie, p. 134.

[3] Ter gelegenheid van het bezoek aan Frankrijk in mei 1952 van de opperbevelhebber van de NATO, Ridgway, stort de PCF haar troepen in regelrechte gevechten met een indrukwekkende politiemacht, waarbij één dode en 17 gewonden vallen bij de arbeiders.

[4] G. Fontenis, geciteerd werk, p. 149.

[5] Idem, p. 134.

[6] Idem, p. 149

[7] Sylvain Boulouque, “Les Anarchistes français face aux guerres coloniales (1945-1962)”, Atelier de création libertaire, p. 61.

[8] Idem, p. 65.

[9] Résoluton du congrès de la Fédération anarchiste d'octobre 1945, sur increvablesanarchistes.org.

[10] Joukov, “Crise du système colonial”, Moskou, 1949

[11] Zoals Alternative libertaire het opeist : “Men vergeet al te vaak dat de netwerken van 'valizeendragers' die de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders gedurende de oorlog gesteund hebben niet ontstaan zijn in 1957 met de actie van P. Jeanson en daarna H. Curiel. Na de Pinksteropstand van 1954 bevonden de enige organisaties die de Algerijnse onafhankelijkheid steunden zich inderdaad in uiterst-linkse hoek. Het waren de Parti communiste internationaliste (PCI-trotskiste) en de FCL. In Algerije zelf gaat de Mouvement libertaire nord-africain (MLNA), verbonden aan de FCL, vanaf Pinksteren 1954 de strijd aan met de Franse staat voor de onafhankelijkheid van het land. De Franse politie liquideerde de MLNA en daarna de FCL uit tussen 1956 en 1957. De libertairen zetten desondanks hun strijd tegen het kolonialisme voort, binnen de Groupes anarchistes d'action révolutionnaires (GAAR) of, voor de overlevenden uit de FCL, in de schoor van Voie communiste.”

[12] G. Fontenis, aangehaald werk, p. 209.

[13] Bijvoorbeeld in 1965, in Italië, verlaten verschillende groepen, de Groepen van het anarchistisch initiatief, de FAI; de jongeren in het Noorden van Italië scheiden zich af van de FAGI en vormen de Gefedereerde anarchistische groepen. In Frankrijk scheidt de Organisation révolutionnaire anarchiste zich in 1970 af van de FA en zoekt ze toenadering tot andere, niet-libertaire organisaties van uiterst-links, om dan de Organisation communiste libertaire te vormen.

[14] Citaten uit Cédric Guérin, “Pensée et action des anarchistes en France, 1950-1970”, http://raforum.apinc.org.

Politieke stromingen en verwijzingen: 

Theoretische vraagstukken: