17de internationale congres van de IKS (mei 2007): Resolutie over de internationale situatie

Printvriendelijke versieSend by email

Verval
en ontbinding van het kapitalisme

1. Eén
van de belangrijkste elementen die het leven van de kapitalistische maatschap­pij
vandaag bepaalt, is het feit dat ze aan haar fase van ontbinding is begonnen.
Sinds het einde van de jaren 1980 heeft de IKS de oorzaken en kenmerken van
deze ontbin­dingsfase aangetoond. Ze heeft in het bijzonder de volgende feiten
in het daglicht ge­steld:

a)          De
fase van ontbinding maakt integraal deel uit van het verval van het kapitalisti­sche
systeem, dat begon met de Eerste Wereldoorlog (zoals door de grote meerderheid
van de revolutionairen in die tijd gesteld werd). In dat opzicht behoudt de
ontbinding de hoofdkenmerken van het kapitalistisch verval, waar het enkele
nieuwe en ongeziene kenmerken in het leven van de maatschappij aan toevoegt.

b)          Zij vormt de laatste fase van dit verval, waarin zich
niet alleen de meest ramp­zalige trekken van de vorige fasen opeenstapelen,
maar waarin we het hele sociale bouwwerk op staande voet kunnen zien wegrotten.

c)          Praktisch alle aspecten van de
menselijke maatschappij worden aangetast door de ontbinding, en in het
bijzonder die aspecten welke doorslaggevend zijn voor het over­leven van de mensheid,
zoals de imperialistische conflicten en de klassenstrijd. In die zin is het
aangemeten om de belangrijkste aspecten van de actuele internationale situa­tie
te onderzoeken in het licht van de fase van ontbinding: de economische crisis
van het kapitalistisch systeem, de conflicten binnen de heersende klasse,
vooral die in de imperialistische arena, en tenslotte de strijd tussen de twee
fundamentele klassen in de maatschappij, bourgeoisie en proletariaat.

2.
Paradoxaal genoeg is de economische situatie van het kapitalisme het aspect dat
het minst aangetast wordt door de ontbinding. Dat is vooral zo omdat het juist
de eco­nomische situatie is die in laatste instantie de andere aspecten van het
leven van dit systeem bepaalt, inclusief de aspecten waarin de ontbinding tot
uitdrukking komt. Evenals de pro­ductiewijzen die eraan voorafgingen, maakte de
kapitalistische produc­tiewijze een pe­riode van opkomst mee (die aan het einde
van de 19e eeuw tot haar hoogtepunt kwam) om op haar beurt (aan het begin van
de 20e eeuw) in haar vervalpe­riode terecht te ko­men. Aan de oorsprong van dit
verval ligt, net als bij de andere eco­nomische systemen, de groeiende
wanverhouding tussen de ontwikkeling van de pro­ductiekrachten en de
productie-verhoudingen. In concreto, in het geval van het kapita­lisme, wiens
ontwikkeling geconditioneerd wordt door de verovering van buitenkapita­listische
markten, vormt de Eerste Wereldoorlog de eerste belangrijke uitdrukking van
zijn verval. Met het einde van de koloniale en economische verovering van de
wereld door de kapitalistische metropolen, worden deze ertoe geleid om met
elkaar in conflict te raken en elkaars markten te betwisten. Sindsdien is het
kapitalisme een nieuwe perio­de in zijn geschiedenis binnengetreden, die door
de Communistische Internationale in 1919 beschreven werd als het tijdperk van
oorlogen en revoluties. De mislukking van de revolutionaire golf die voortkwam
uit de Eerste Wereldoorlog opende de deur voor toenemende stuiptrekkingen van
de kapitalistische maatschappij: de grote depressie van de jaren 1930 en haar
resultaat: de Tweede We­reldoorlog, die nog veel bloediger en barbaarser was
dan de Eerste. De periode die daarop volgde (die sommige burgerlij­ke
‘deskundigen' wel de Dertig Glorieuze Jaren noemen), zag hoe het kapitalisme de
illusie wekte dat het zijn dodelijke tegenstellingen overwon­nen had, een
illusie die zelfs gedeeld werd door stromingen die claimden voor de
communistische revolutie te zijn. In werkelijkheid werd die periode van
‘voorspoed' mogelijk gemaakt door het samengaan van gunstige omstandigheden en
van lapmiddelen om de gevolgen van de economische crisis te verzachten. Zij
maakte opnieuw plaats voor de open crisis van de kapitalistische productiewijze
tegen het einde van de jaren 1960, die vanaf het midden van de jaren 1970
krachtig toenam. Deze open crisis van de kapitalistische productiewijze mondde
opnieuw uit op het alternatief dat al door de Communistische Internationale
aangekondigd werd: wereldoorlog, of de ontwikkeling van de arbeidersgevechten
naar de omverwerping van het kapitalisme. In tegenstelling tot wat bepaalde
groepen van de Communistische Linkerzijde denken, betekent de wereldoorlog
geenszins een ‘oplossing' voor de crisis van het kapitalisme, waardoor het zich
zou kunnen ‘herstellen' om opnieuw een dynamische groei door te maken. Het is
de impasse waarmee het systeem geconfronteerd wordt, de toespitsing van de
spanningen tussen nationale sectoren van het kapitalisme, die uitloopt op een
onstuitbare vlucht vooruit op militair vlak, met als uiteindelijke uitkomst de
wereldoorlog. Als gevolg van de verergering van de economische stuiptrekkingen
van het kapitalisme spitsten zich de imperialistische spanningen vanaf de jaren
1970 aanmerkelijk toe. Maar ze konden niet op een wereldoorlog uitlopen vanwege
de historische heropkomst van de arbeidersklasse vanaf 1968, in reactie op de
eerste gevolgen van de crisis. De arbeidersklasse kon het enige mogelijke
perspectief van de bourgeoisie dwarsbomen (als men al van een ‘perspectief' kan
spreken). Maar ondanks een niveau van strijdwil dat in geen tientallen jaren zo
hoog was geweest, heeft zij niet haar eigen perspectief, de communistische
revolutie, naar voren kunnen brengen. Juist deze situatie, waarin geen van beide
doorslaggevende klassen aan de maatschappij een perspectief kan voorstellen,
waarin de heersende klasse ertoe veroordeeld is om, van-dag-op-dag en ‘stukje
bij beetje', de duik van haar systeem in een onoverwinbare crisis te ‘managen',
ligt aan de basis van het binnentreden van het kapitalisme in zijn
ontbindingsfase.

3.  Eén van de voornaamste uitdrukkingen van de
afwezigheid van een historisch per­spectief is de ontwikkeling van de tendens
tot het ‘ieder voor zich' dat de maatschappij op alle niveaus aantast, van het
individu tot de staat. Maar op het vlak van het econo­misch leven van het
kapitalisme kunnen we niet vaststellen dat er een majeure verande­ring is
opgetreden sinds de maatschappij aan de fase van ontbinding begon. In feite
zijn het ‘ieder voor zich' en de ‘oorlog van ieder tegen allen' aangeboren
kenmerken van de kapitalistische produc-tiewijze. Sinds het aan zijn
vervalperiode begon, moest het kapi­talisme ze afzwakken door een massale
tussenkomst van de staat in de economie. Deze werd bij het begin van de Eerste
Wereldoorlog ingevoerd en ze werd in de jaren 1930 gereac-tiveerd, met name
door middel van de fascistische en de Keynesiaanse beleidslij­nen. Deze
staatsinterventie werd meteen na de Tweede Wereldoorlog aangevuld met het
installeren van internationale organismen zoals het Internationale Monetaire
Fonds (IMF), de Wereldbank en de Organisatie voor Economische Samenwerking en
Ontwik­keling (OESO), en uiteindelijk de Europese Economische Gemeenschap (EEG,
de voorloper van de huidige Europese Unie), om te verhinderen dat de
economische te­genstellingen zouden leiden tot een algemene wanorde, zoals ten
gevolge van de Zwar­te Donderdag in 1929. Ondanks alle gepraat over de ‘triomf
van het liberalisme' en  over ‘de vrije
hand geven aan de marktwetten' hebben de staten vandaag geenszins de
tussenkomst in de economieën van hun respectievelijke landen afgezworen, noch
het gebruik van structuren die hun onderlinge relaties een beetje moeten
reguleren. Ze heb­ben
zelfs nieuwe in het leven geroepen, zoals de Wereld Handelsorganisatie (WTO).
Deze beleidslij­nen en organismen zijn erin geslaagd om het ritme van de
afdaling van het kapitalisme in de crisis aanzienlijk te vertragen, maar ze
hebben haar niet weten te bolwerken - alle tegenwoordige lofzan­gen op de
‘historische' groeinivo's van de we­reldeconomie, of op de buitengewone
prestaties van de twee Aziatische reuzen, India en vooral China.

Economische crisis: het
op hol slaan van de vlucht in het krediet

4. De
grondslagen waarop de groeivoeten van het wereldwijde BNP in de loop van de
afgelopen jaren berustten, die bij de bourgeoisie en haar intellectuele lakeien
zo'n eu­forie veroorzaken, zijn niet fundamen­teel nieuw. Het zijn dezelfde als
die waarmee werd verhinderd dat de verzadiging van de markten, die aan de
oorsprong lag van de open crisis aan het einde van de jaren 1960, de
wereldeconomie compleet verstikte. Ze kunnen worden samenge­vat als een
groeiende schuldenmakerij. Op het ogenblik verte­genwoordigen de enorme
schulden van de Amerikaanse economie, zowel op het vlak van de staatsbegroting,
als in haar handelsbalans, de voornaamste ‘locomotief' van de wereldwijde
economische groei. In feite zien we een ware vlucht vooruit, die op geen enkele
wijze een definitie­ve oplossing kan brengen voor de tegenstellingen van het ka­pitalisme,
maar die het slechts de weg naar een nog pijnlijkere toekomst effent, met
vooral brutale vertra­gingen van de groei, zoals het die gedurende meer dan
dertig jaar al kent. Nu al zaaien de dreigingen die zich rond de huizenmarkt in
de VS opeenhopen, één van de motoren van de Amerikaanse economie, onenigheid en
ongerustheid in de economische milieus. Zij dragen het gevaar van rampzalige
bankfaillissementen in zich. Deze onge­rustheid wordt aangewakkerd door het
vooruitzicht van andere faillis­sementen, die de zogenaamde ‘hedge funds'
(speculatieve fondsen) treffen, na het in­eenstorten van Ama­ranth in oktober
2006. De dreiging is des te ernstiger omdat deze organismen, wier bestaansreden
het is om op korte termijn grote winsten te maken door te speculeren op
fluctuaties in de wisselkoersen of in de grondstofprijzen, geen rare cowboys
zijn, die in de marge van het internationale financiële systeem opereren. In
werkelijkheid hebben de meest ‘serieuze' financiële instellingen een deel van
hun vermogen bij deze ‘hedge funds' geplaatst. Bovendien zijn er aanzienlijke
sommen in geïnvesteerd, in de orde van grote van het jaarlijks BNP van een land
als Frankrijk. Deze dienen als hefboom voor nog veel omvangrijkere kapitaal­bewegingen
(bijna 700.000 miljard dollar in 2002, 20 keer zo­veel als de transacties in
goederen en dien­sten, d.w.z. in ‘werkelijke' producten). En daar zullen de
tirades van de ‘anders-globa­listen' en andere critici van de ‘monetarisering'
van de economie niets aan veranderen. Deze politieke stromingen zouden een
"schoner" en "eerlijker" kapitalisme willen dat de speculatie de rug toekeert.
In feite is speculatie helemaal niet het product van een "slecht" soort
kapitalisme dat zijn verantwoordelijk­heid "uit het oog verloren heeft"  om in werkelijk productieve sectoren te
investeren. Zoals
Marx al in de 19e eeuw aan­toonde, komt speculatie voort uit het feit dat de
kapitaalbezitters, geconfronteerd met een gebrek van voldoende afzetmarkten
voor productieve investeringen, er de voorkeur aan geven om op korte termijn
winst te maken in een grote loterij. Een loterij die het kapitalisme vandaag
om-vormt tot een casino op planetaire schaal. Te verlangen dat het kapitalisme
in de huidige periode de speculatie opgeeft, is net zo realistisch als te ver­langen
dat de tijgers vegetariërs worden (of de draken stoppen met vuur te spuwen).

5.  De uitzonderlijke groeivoeten die we vandaag
zien in landen als India en China be­wijzen geenszins dat er een "nieuwe wind"
door de wereldeconomie gaat, ook al heb­ben ze aan­zienlijk bijgedragen tot de
hoge groeivoeten in de afgelopen periode. De oorsprong van deze uitzonderlijke
groei is eens te meer, paradoxaal genoeg, de crisis van het ka­pitalisme. Deze
groei vindt zijn dynamiek essentieel in twee factoren: de ex­port en ka­pitaalinvestering
vanuit de meest ontwikkelde landen. Wanneer hun han­delsnetwerken steeds meer
draaien om de distributie van waren uit China (in plaats van uit de "oude"
industrielanden), komt dat omdat die tegen veel lagere prijzen kunnen worden
verkocht. Dit wordt een absolute noodzaak op het moment van een toenemen­de
verzadiging van de markten, en dus van een steeds verder op de spits gedreven
han­delsconcurrentie. Tegelijk maakt dit proces het mogelijk de kosten van de
arbeids­kracht in de meest ontwikkelde landen te verlagen. Dezelfde logica
schuilt achter het fenomeen van de ‘delocalisaties' - de verplaatsing van
industriële activiteiten van gro­te ondernemingen naar landen in de ‘Derde
Wereld', waar de arbeidskracht onverge­lijkbaar veel goedkoper is dan in de
ontwikkelde landen. We merken op dat, terwijl de Chinese economie profijt haalt
uit ‘delocalisaties' naar haar eigen grondgebied, ze er­toe neigt om hetzelfde
te doen naar landen waar de lonen nog lager liggen, zoals in Afrika.

6.  Achter de ‘groei met dubbele cijfers' in
China, in het bijzonder in haar industrie, gaat een ongebreidelde uitbuiting
van de arbeidersklasse schuil, wier levensom-standig­heden vaak vergelijkbaar
zijn met die van de Engelse arbeidersklasse in de eerste helft van de 19e eeuw,
zoals Engels die in zijn opmerkelijk boek uit 1844 heeft aange­klaagd. Op zich
is dit geen teken van het bankroet van het kapitalisme, want het was op basis
van zo'n barbaarse uitbuiting van het proletariaat dat het systeem zijn
verovering van de we­reld begon. Maar toch zijn er twee fundamentele
verschillen tussen de economische groei en de condities van de arbeidersklasse
in de eerste kapitalistische landen in de 19e eeuw, en die in China vandaag:

- in het
eerste geval kwam de toename van het aantal industriearbeiders in een of an­der
land niet overeen met de vermindering ervan in andere landen: de
industriesectoren in landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland of de
Verenigde Staten ontwikkel­den zich parallel aan elkaar. Tegelijkertijd , en
dankzij het verzet van het proletariaat, on­dervonden zijn levensvoorwaarden
een toenemende verbetering in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw;

- in het
geval van China vandaag, gaat de groei van zijn industrie (zoals die van andere
Derde­ Wereldlanden) ten koste van talrijke industriesectoren in de oude
kapitalisti­sche landen, die er steeds meer verdwijnen. Tegelijk vormen de
‘deloca-lisaties' instrumen­ten voor een regelrechte aanval tegen de
arbeidersklasse in die landen. Een aanval die al begonnen was lang voordat
‘delocalisaties' een gebruikelijke praktijk zijn geworden, maar die hiermee nog
verder kan worden opgevoerd, in termen van werkloosheid, dekwalificatie,
onzekere arbeid en verlaging van hun levensstandaarden.


Het ‘Chinese mirakel' en dat van enkele andere Derde Wereldlanden betekent dus
geen "nieuwe wind" die door kapitalistische economie waait, maar is slechts een
volgende incarnatie van het verval van het kapitalisme. Bovendien maakt de
extreme afhanke­lijkheid van de Chine­se economie van haar export haar
bijzonder kwetsbaar voor elke orderintrekking door haar huidige afnemers. Deze
vraaguitval zal zich haast zeker voordoen, vooral omdat de Amerikaanse economie
verplicht zal worden om haar to­renhoge schulden op orde te brengen, waarmee ze
voor het ogenblik de rol van "lo­comotief" speelt voor de wereldwijde vraag.
Net zoals het ‘mirakel' van de groei met dubbele cijfers van de Aziatische
‘tijgers' en ‘draken' in 1997 tot een triest einde kwam, zo zal het Chinese
"mirakel" van tegenwoordig, al heeft het niet dezelfde oor­sprong en al heeft
het veel serieuzere troeven in de hand, vroeg of laat geconfronteerd worden met
de harde realiteiten van de historische impasse van de kapitalistische pro­ductiewijze.

De verscherping van de imperialistische spanningen en de chaos

7.  Het economisch leven van de burgerlijke maatschappij
kan niet ontsnappen aan de wetten van het kapitalistisch verval, en wel om de
goede reden dat het verval zich in de eerste plaats op dit niveau manifesteert.
Om dezelfde reden hebben de belangrijkste uit­drukkingen van de ontbinding tot
nu toe de economische sfeer ongemoeid gelaten. Dat kan van de politieke sfeer
van de kapitalistische maatschappij niet worden gezegd, vooral wat betreft de
tegenstellingen tussen sectoren van de heersende klasse, en in het bijzonder
die op het vlak van de imperialistische tegenstellingen. In feite lag de eerste
grote uitdrukking van het begin van de fase van ontbinding van het kapitalisme
juist op het vlak van de imperialistische conflicten: de ineenstorting van het
imperialistische Oostblok aan het einde van de jaren 1980, die al snel leidde
tot de verdwijning van het Westblok. We zien het verschijnsel van het ‘ieder
voor zich', dat een hoofdkenmerk is van de ontbindingsfase, in de eerste plaats
op het vlak van de politieke, diplomatieke en militaire relaties tussen staten.
Het systeem van de blokken bevatte het gevaar van een derde wereldoorlog, die
zeker zou zijn uitgebroken wanneer het proletariaat er geen obstakel tegen had
opgeworpen vanaf het einde van de jaren 1960. Toch hield dit systeem een
bepaalde ‘organisatie' van de imperialistische spanningen in, vooral door de
discipline die binnen elk blok opgelegd werd door de heersende mogendheid. De
si­tuatie die vanaf 1989 ontstond is heel anders. Zeker, het spookbeeld van een
wereld­oorlog hangt niet langer boven de planeet, maar tezelfdertijd zagen we
de ontketening van imperialistische tegenstellingen en lokale oorlogen waarbij
de grootmachten recht­streeks betrokken waren, in het bijzonder de machtigste
ervan, de Verenigde Staten. Het viel aan hen te beurt, die decennia lang ‘de
wereld-politieagent' speelde, te probe­ren om deze rol te blijven spelen en te
versterken tegen de ‘nieuwe wereld wanorde' die voortkwam uit het einde van de
Koude Oorlog. Maar hoewel ze zeker die rol ter harte namen, gebeurde dat niet
met de bedoeling bij te dragen aan de stabiliteit op de wereld, maar
fundamenteel om hun wereldwijde leiderschap te herstellen, dat onop­houdelijk
in vraag gesteld werd, ook en vooral door hun voormalige bondgenoten, om­dat
het cement dat elk van beide imperialistische blokken samenhield - de dreiging
van het rivaliserende blok - niet langer bestond. Bij de definitief ontbreken
van de ‘Sovjet­dreiging' kan de Amerikaanse mogendheid haar discipline alleen
opleggen door te re­kenen op haar sterkste troef, haar enorm overwicht op
militair vlak. Maar daardoor werd het imperialistische beleid van de VS één van
de belangrijkste factoren van de wereldwijde instabiliteit. Sinds het
begin van de jaren 1990 zien we hiervan voorbeel­den te over: de eerste
Golfoorlog, in 1991, had tot doel om de uiteenvallende banden tussen de
voormalige bondgenoten van het westers blok te herstellen (en niet om ‘res­pect
voor de internationale wet' af te dwingen, die door de Iraakse invasie van
Koeweit geschonden was, zoals ons als voorwendsel werd voorgeschoteld). Kort
daarna viel in Joegoslavië de eenheid tussen de voornaamste bondgenoten van het
oude westerse blok in duigen: Duitsland stak de lont in het kruitvat door
Slovenië en Kroatië ertoe aan te zetten zich onafhankelijk te verklaren;
Frankrijk en Groot-Brittannië haalden de ‘En­tente Cordiale' uit het begin van
de 20e eeuw uit de mottenballen door de imperialisti­sche belangen van Servië
te steunen, terwijl de Verenigde Staten zich opwierpen als de beschermers van
de Bosnische moslims.

8. De
mislukking van de Amerikaanse bourgeoisie in de loop van de jaren 1990 om
duurzaam haar gezag op te leggen, ook in vervolg op haar verschillende
militaire ope­raties, deed haar omzien naar een nieuwe vijand van de ‘vrije
wereld' en van de ‘demo­cratie', om daarmee opnieuw de belangrijkste
mogendheden op de wereld achter zich te scharen, vooral haar vroegere
bondgenoten. Die vijand werd het islamitisch terroris­me. De aanslagen van 11
septem­ber 2001, waarvan steeds duidelijker blijkt die (ook in de ogen van meer
dan een derde van de Amerikaanse bevolking, en van de helft van de bevolking
van New York) dat deze ge­wild, zo niet zelfs actief voorbereid zijn geweest
door het Amerikaanse staatsapparaat, wer­den het vertrekpunt van deze nieuwe
kruis­tocht. Vijf jaar later is het overduidelijk dat dit beleid een mislukking
is. De aanvallen van 11 september hebben de Verenigde Sta­ten in staat gesteld
om landen als Frankrijk en Duitsland in hun interventie in Afghanistan te
betrekken, maar ze zijn er niet in ge­slaagd om ze ook mee te slepen in hun
Iraakse avontuur in 2003. In feite slaagden ze er zelfs in om een gelegen­heidscoalitie
tussen deze twee landen en Rusland tot stand te brengen tegen de interventie in
Irak. Vervolgens ging een aantal van hun voornaamste bondgenoten in de
‘coalitie', zoals Spanje en Ita­lië, van boord. Tenslotte bereikte de
VS-bourgeoisie geen enkele van haar officiële en officieuze doelstellingen in
Irak: de uitschakeling van de ‘massavernietigings­wapens' in Irak; het instellen
van een vreedzame ‘democratie' in dat land; de stabili-sering en een terugkeer
naar de vrede in de hele regio onder bescherming van Amerika; het terugdringen
van het terrorisme; de steun van de Amerikaanse bevolking aan de militaire
interventies van haar rege­ring.

De
kwestie van de ‘massavernietigingswapens' was al snel afgehandeld: het werd
duidelijk dat de enige wapens die van dat soort in Irak te vinden zijn, door de
coalitie meegebracht waren. Daarmee kwamen meteen de leugens van de regering
Bush aan het licht om haar project van de invasie in Irak aan de man te
brengen.

Wat het
terugdringen van het terrorisme betreft, kunnen we constateren dat de in­vasie
van Irak het terrorisme geenszins gekortwiekt heeft, maar juist een machtige
fac­tor in de ontwikkeling ervan heeft gevormd, zowel in Irak zelf als in andere delen van de we­reld,
de kapitalistische metropolen incluis, zoals we hebben kunnen zien in Ma­drid
in maart 2004 en in Londen in juli 2005.

Het
instellen van een vreedzame democratie in Irak nam de vorm aan van het aan­stellen
van een marionettenregering, die niet de geringste controle over het land kan
uitoefenen zonder
de massieve steun van de Amerikaanse troepen - een controle die so­wieso
beperkt blijft tot enkele ‘veiligheidszones' en die in de rest van het land de
vrije hand laat aan moordpartijen tussen sjiitische en soennitische
gemeenschappen, en aan terroristische aanslagen die al tienduizenden
slachtoffers hebben geëist na de om­verwerping van Saddam Hussein.

Nooit
leken stabilisatie en vrede in het Nabije en Midden-Oosten zo ver weg: in het
vijftigjarige conflict tussen Israël en Palestina lieten de laatste jaren een
voortduren­de verslechtering van de toestand, die de botsingen binnen het
Palestijnse kamp tussen Hamas en Fatah, en het toenemende diskrediet van de Is­raëlische
regering nog slechts dramatischer kunnen maken. Het gezagsverlies dat de
Noord-Amerikaanse reus in de regio lijdt, na zijn verpletterende mislukking in
Irak, is duidelijk niet vreemd aan het vastlopen en de mislukking van het
‘vredesproces' waarvan de hij de voornaamste pe­ter is.

Dit
gezagsverlies is ook gedeeltelijk verantwoordelijk voor de toenemende moei­lijkheden
die de NAVO-troepen in Afghanistan ondervinden en het verlies aan controle over
het land van de re­gering Karzaï aan de Taliban.

Bovendien
is de groeiende stoutmoedigheid van Iran in de kwestie van de voorbe­reidingen
om de beschikking te krijgen over atoom­wapens een rechtstreeks gevolg van het
vastlopen van de Verenigde Staten in Irak, wat hen iedere andere militaire
interven­tie onmogelijk maakt.

Tenslotte
heeft de poging van de Amerikaanse bourgeoisie om het ‘Vietnam-syn­droom', het
verzet van de Amerikaanse bevolking tegen troepenzendingen naar het slagveld,
voor eens en altijd uit de wereld te helpen, precies het tegengestelde effect
gehad dan waarop zij rekende. Hoewel de aanvallen van 11 september het een tijd
lang mogelijk maakten om de nationalistische gevoelens in de Amerikaanse bevol­king
massief te versterken, en daarmee het verlangen naar ‘nationale eenheid' en de
vastbe­radenheid om zich bij de ‘oorlog tegen het terrorisme' aan te sluiten,
is de verwerping van de oorlog en het verzet tegen het sturen van VS-soldaten
in de laatste jaren weer sterk terug gekomen.

Vandaag
bevindt zich de VS-bourgeoisie in Irak in een werkelijke impasse. Zowel uit
strikt mili­tair als vanuit een economisch en politiek standpunt heeft het de
middelen niet om een macht op de been te brengen die tenslotte ‘de orde zou
kunnen herstellen'. Maar ze kan zich niet eenvoudigweg uit Irak terugtrekken
zonder het com­plete bank­roet van haar beleid nog openlijker ten toon te
stellen, en tegelijk de deur open te zetten voor nog ernstiger uiteenvallen van
Irak en voor een nog veel omvangrijkere destabilisering van de hele regio.

9.  De balans van het mandaat van George Bush
junior is daarmee zeker één van de rampzaligste ooit in de geschiedenis van de
Verenigde Sta­ten van Amerika. De op­komst van de ‘Neo-Conservatieven' aan het
hoofd van de Amerikaanse staat heeft een ware catastrofe betekend voor de
Amerikaanse bourgeoisie. Dit stelt de volgende vraag: hoe is het mogelijk
geweest dat de leidende bourgeoisie van de wereld aan deze ploeg
onverantwoordelijke en incompetente avonturiers vroeg om de verdediging van
haar belangen op zich te nemen? Wat is de oorzaak van die blindheid van de heer­sende
klasse van het belangrijkste kapitalistische land? In feite was het overnemen
van de teugels van de staat door het team van Cheney, Rumsfeld en compagnie
niet het simpe­le gevolg van een monumentale "fout in de casting" door deze
klasse. Ter­wijl dit de si­tuatie van de VS op imperia­listisch vlak
aanzienlijk heeft verslechterd, was het zelf al de uitdrukking van de impasse
waarin zich dit land bevond, ten gevolge van de toene­mende verzwakking van hun
leiderschap en, meer in het alge­meen, van de ontwikke­ling van het ‘ieder voor
zich' in de internationale betrekkingen, dat de fase van ontbin­ding kenmerkt.

Het
beste bewijs voor dit feit is dat de handigste en meest intelligente bourgeoisie
ter we­reld, de Britse, zich heeft laten meeslepen in het doodlopend avontuur
in Irak. Een voorbeeld op kleinere schaal van het ‘talent' van de meest
‘efficiënte' bour-geoisieën om rampzalige imperialistische keuzes te maken, van
juist die bourgeoisieën die tot op heden altijd op mees­terlijke wijze gebruik
wisten te maken van hun militaire macht, is het catastrofale avontuur van
Israël in Libanon in de zomer van 2006. Zijn offensief kreeg het groene licht
kreeg van de ‘strategen' in Washington. Het had tot doel de macht van Hezbollah
te verzwakken, maar slaagde erin die juist te versterken!

De versnelde vernietiging van het ecologische milieu

10.  De militaire chaos die zich overal ter wereld
ontwikkelt en die omvangrijke regio's in een ware hel en troosteloosheid
onderdompelt, voornamelijk in het Midden-Oosten, maar ook en vooral in Afrika,
is niet de enige uitdrukking van de historische impasse waar het kapitalis­me
in verstrikt is. Hij is zelfs niet de grootste bedreiging voor de mensheid.
Vandaag is het duidelijk geworden dat het voortbestaan van het kapitalisti­sche
systeem, zoals het tot op heden heeft gefunctioneerd, het perspectief in zich
draagt van de vernietiging van het natuurlijk milieu dat de opkomst van de
mensheid mogelijk heeft gemaakt. Het voortgaan met de uitstoot van
‘broeikasgassen' in het huidige ritme, met de opwarming van de planeet die
eruit voortvloeit, kondigt de ontketening van on­geziene catastrofes aan
(hittegolven, stormen, uitbreiding van woestijnen, overstromin­gen...) met een
hele reeks van verschrikkelijke menselijke rampen (hongersnoden, ver­plaatsing
van honderden miljoenen mensen, overbevolking in de meest gespaarde regio's.).
Tegenover de eerste zichtbare gevolgen van de degradatie van het milieu kunnen
de regeringen en de leidende sectoren van de bourgeoisie de ernst van de
situatie en de rampzalige toekomst die zij aankon­digt niet langer voor de
bevolkingen verborgen houden. Vanaf nu tooien de machtigste bourgeoisieën, en
bijna alle politieke partijen, zich in het groen en belo­ven ze de nodige
stappen te zullen ondernemen om de mens­heid voor deze aangekondigde ramp te
behoeden. Maar het is met het probleem van de vernietiging van het milieu net
als met dat van de oorlog: alle delen van de bourgeoisie verklaren TEGEN de
oorlog te zijn, maar sinds het systeem aan zijn vervalperiode be­gonnen is, kan
deze klasse de vrede niet garanderen. En dat heeft niets te maken met een
kwestie van goede of slechte wil (ook al zien we de meest laag bij de grondse
be­langen achter de sectoren die het hardst op oorlog aandringen). Zelfs de
meest ‘pacifis­tische' burgerlijke leiders kunnen niet ontsnappen aan de
objectieve logica die al hun ‘humanistische' zwakten of ‘redelijkheid' zal
verpletteren. Op dezelfde manier kunnen de goede bedoelingen die leiders van de
bourgeoisie steeds meer afficheren met betrek­king tot de bescherming van het
milieu, ook al dienen die niet slechts als een middel om stemmen te winnen bij
verkiezingen, het niet opnemen tegen de dwingende wetten van de kapitalistische
economie. Wil men effectief het probleem van de ‘broeikasgass­en' aanpakken,
dan is een aanzienlijke omscha-keling van de industriële productie no­dig, van
de productie van energie, in het transport, de woonomstandigheden, en daar­mee
massale en prioritaire investeringen in die sectoren. Daarvoor zouden
aanzienlijke economische belangen in vraag gesteld moeten worden, zowel op het
vlak van immen­se bedrijven als op dat van de staten. Concreet gezien: wanneer
een staat de nodige maatregelen zou treffen om effectief bij te dragen aan een
oplossing van het probleem, zou hij onmiddellijk genadeloos afgestraft worden
door de concurrentie op de wereld­markt. Het is met de staten die maatregelen die zouden moeten
treffen om de opwar­ming van het klimaat te bestrijden als met de bourgeois die
met loonsverhogingen voor de arbeiders geconfronteerd zijn. Zij zijn allemaal
VOOR dergelijke maatregelen, bij de anderen. Zolang de kapitalistische productiewijze
overleeft, is de mensheid ertoe veroordeeld om de toenemende catastrofes te
ondergaan die dit stervend systeem haar oplegt, en die haar eigen voortbestaan
bedreigen.

Zoals de
IKS voor meer dan 15 jaar heeft aangetoond, draagt de ontbinding van het kapita­lisme
een belangrijke bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid in zich. Het
alternatief dat door Engels aan het einde van de 19e eeuw gesteld werd,
socialisme of barbarij, is gedurende de hele de twintigste eeuw een sinistere
realiteit geworden. Wat de 21e eeuw ons als vooruit­zicht biedt is heel
eenvoudig socialisme of de vernieti­ging van de mensheid. Dat is wat er
werkelijk op het spel staat voor de enige kracht in de maatschappij die in
staat is het kapita­lisme omver te werpen: de internationale ar­beidersklasse.

 De voortzetting van de
gevechten van de arbeidersklasse en van de rijping van haar be­wustzijn

11.  Zoals we hebben gezien wordt het proletariaat
al verschillende decennia lang ge­confronteerd met deze inzet, met name sinds
zijn historische heropkomst na 1968, die een einde maakte aan de diepste
contrarevolutie uit zijn geschiedenis en die het kapita­lisme ervan weerhield
zijn antwoord op de openlijke crisis van zijn systeem - de we­reldoorlog - door
te zetten. Twee decennia lang ging de arbeidersstrijd door, met hoog­tepunten
en dieptepunten, met stappen vooruit en achteruit. Zo deden de arbeiders op­nieuw
ervaring op, met name met de sabotagerol van de vakbonden. Tegelijk werd de
arbei­dersklasse steeds meer onderworpen aan het gewicht van de ontbinding. Dit
ver­klaart waarom de verwerping van het klassieke syndicalisme vaak gepaard
ging met een te­rugtrekking op het corporatisme, wat getuigt van het gewicht
van het ‘ieder voor zich' in de strijd zelf. Het was tenslotte de ontbinding
van het kapitalisme die een be­slissende slag toebracht aan deze eerste reeks
proletarische gevechten, met haar meest spectacu­laire uitdrukking tot dusver:
het uiteenvallen van het Oostblok in 1989 en de ineenstor­ting van de
stalinistische regimes. De oorverdovende campagnes van de bour­geoisie over het
‘historische failliet van het communisme', de ‘definitieve overwinning van het
liberale en democratische kapitalisme', ‘het einde van de klassenstrijd', en
zelfs van de arbeidersklasse zelf, leidden tot een belangrijke terugval in het
be­wustzijn en van de strijdwil binnen het proletariaat. Deze terugval was
groot en duurde meer dan tien jaar. Een hele generatie arbeiders werd erdoor
getekend, wat leidde tot ontred­dering en zelfs ontmoediging. Deze ontreddering
werd niet alleen door de gebeurtenis­sen aan het einde van de jaren 1980
veroorzaakt, maar ook door hun gevolgen, zoals de eerste Golfoorlog in 1991 en
de oorlog in ex-Joegoslavië. Deze feiten waren een striemende ontkenning van de
euforische verklaringen van George Bush senior, die aankondigde dat we met het
einde van de Koude Oorlog aan een "nieuw tijdperk van vrede en voorspoed"
begonnen waren. Maar binnen een algemene context van ontreddering van de
arbeidersklasse wist deze geen voordeel te halen uit dit feit om de weg van de
ontwikkeling van haar klassenbewustzijn te hervatten. Integendeel, de gebeur­tenissen
versterkten een diep gevoel van machteloosheid en ondermijnden haar
zelfvertrouwen en strijdwil nog verder.

In de
loop van de jaren 1990 heeft de arbeidersklasse haar strijd niet helemaal op­gegeven.
Het voortduren van de kapitalistische aanvallen dwong haar ertoe strijd te
voeren om zich daartegen te verzetten, maar deze gevechten hadden noch de
omvang, noch het be­wustzijn, noch het vermogen om de confrontatie met de
vakbonden aan te gaan, wat juist een kenmerk was van de voorbije periode. Pas
in 2003, met name in de vorm van grote mobilisaties tegen de aanvallen op de
pensioenen in Frankrijk en Oos­tenrijk, begon het proletariaat de terugval die
het vanaf 1989 had meegemaakt, weer te boven te komen. Sindsdien heeft deze
tendens tot hervatting van de klassenstrijd en ontwik­keling van het
klassenbewustzijn zich verder doorgezet. De arbeidersgevechten troffen de
meeste centrale lan­den, ook de belangrijkste, zoals de Verenigde Staten
(Boeiing en het openbaar vervoer in New York in 2005), Duitsland (Daimler en
Opel in 2004, ziekenhuisartsen in het voorjaar van 2006, Deutsche Telekom in
het voorjaar van 2007), Groot-Brittannië (London Air­port in augustus 2005, de
publieke sector in het voorjaar van 2006), Frankrijk (met name de beweging van
universi­teitsstudenten en middelbare scholieren tegen het ‘beginnerscontract'
CPE in het voorjaar van 2006). De strijd trof ook een hele reeks lan­den aan de periferie, zoals
Dubai (bouwvakkers in het voorjaar van 2006), Bangladesh (textiel­arbeiders,
tezelfdertijd) en Egypte (arbei­ders in de textiel en het transport in het
voorjaar van 2007).

12.       Engels schreef dat de arbeidersklasse haar
strijd op drie niveaus voert: economisch, politiek en theoretisch. Door de
verschillen op deze drie niveaus tussen de strijdgolf vanaf 1968 en die vanaf
2003 te vergelijken, kunnen we voor perspectieven uitwerken voor de huidige.

De
strijdgolf die in 1968 begon had een aanzienlijk politiek belang. In het bijzon­der
betekende ze het einde van de contrarevolutie. Tegelijkertijd was ze aanleiding
tot zeer be­langrijke theoretische overdenkingen, want ze maakte het opnieuw
opduiken van de links-communistische stroming mogelijk, met als belangrijkste
uitdrukking de oprich­ting van de IKS in 1975. De gevechten van mei 1968 in
Frankrijk, de ‘hete herfst' in Ita­lië in 1969, gaven de indruk, vanwege de
politieke bekommernissen die ze uitdrukten, dat we op weg waren naar een
belangrijke politisering in de internationale arbei­dersklasse in de loop van
de strijd die zou volgen. Maar dit potentieel werd niet verwerkelijkt. De klassen-identiteit
die zich in deze periode binnen het proletariaat ont­wikkelde was er veel meer
een van een economische categorie dan van een politieke kracht binnen de
maatschappij. In het bijzonder het feit dat haar eigen strijd de bourge­oisie
ervan weer­hield om een derde wereldoorlog te ontketenen, ontging de arbeidersk­lasse
volkomen (inclusief de grote meerderheid van de revolutionaire groepen). Tege­lijk
bracht de opkomst van de massastaking in Polen in 1980, tot op heden de hoogste
uitdrukking van de organisatorische capaciteiten van het proletariaat (na het
einde van de revolutionaire periode die volgde op de Eerste Wereldoorlog) een
aanzienlijke poli­tieke zwakheid aan het licht. De enige ‘politisering' waartoe ze in staat was, was
het aanhangen van burgerlijk democratische thema's en zelfs nationalisme.

De
oorzaak daarvoor ligt in een aantal factoren die de IKS al eerder geanalyseerd
heeft:

- het
trage ritme van de economische crisis die, in tegenstelling tot de imperialis­tische
oorlog waaruit de eerste revolutionaire golf ontstond, niet meteen het bankroet
van het systeem aan het licht heeft kunnen brengen, wat de illusies in stand
heeft gehouden over het vermogen van het systeem om de arbeidersklasse een
aanvaardbare levens­standaard te verzekeren;

- het
wantrouwen jegens de revolutionaire politieke organisaties, als re­sultaat van
de traumatische ervaringen met het stalinisme (dat bij de arbeiders in het Rus­sisch
blok de vorm aannam van diepe illusies over de weldaden van de ‘traditionel­e'
burgerlijke de­mocratie);

- het
gewicht van de organische breuk tussen de revolutionaire organisaties uit het
ver­leden en die van vandaag, die de laatsten van de klasse hebben afgesneden.

13.       De situatie waarin de nieuwe golf van klassengevechten
zich vandaag ontwikkeld is heel anders:

- Bijna
40 jaar openlijke crisis en aanvallen op de levensvoorwaarden van de arbeiders­klasse,
met name de groei van de werkloosheid en van de onzekere arbeid
(‘precariteit'), hebben de il­lusies dat het ‘morgen beter wordt' weggevaagd:
de oudere gene­raties zowel als de nieuwe zijn zich steeds meer bewust van het
feit dat ‘morgen de dingen nog slechter zul­len zijn';

- meer
in het algemeen wakkeren de voortdurende militaire conflicten, die steeds meer
barbaarse vormen aannemen, en de tastbare dreiging van de vernietiging van het
na­tuurlijke milieu, het gevoel aan (dat nog verward en onderhuids blijft)dat
het noodza­kelijk is om de maatschappij grondig te veranderen: het opnieuw
opdui­ken van een ‘antikapitalistische' beweging met haar slogan "een andere
wereld is mo­gelijk" is een soort anti-lichaam dat door de burgerlijke
maatschappij wordt afgescheiden om dat ge­voel te doen ontsporen;

- het
trauma van het stalinisme en van de campagnes die volgden op de ineen­storting
ervan, nu bijna 20 jaar geleden, zijn stilaan weggeëbd: de nieuwe gene­raties
proletari­ërs die nu aan het beroepsleven en mogelijk ook aan de klassenstrijd
beginnen, waren nog kin­deren toen de campagnes over de ‘dood van het communisme'
losbarstten.

Deze
condities brengen een hele reeks verschillen mee tussen de huidige strijdgolf
en de strijdgolf die in 1989 eindigde.


De huidige gevechten zijn een antwoord op de economische aanvallen, die in vele
opzichten ernstiger en algemener zijn dan de aanvallen die de spectaculaire en
massale uitbarstingen van de eerste strijdgolf veroorzaakten. Toch hebben zij,
ten minste in de centrale landen, nog niet hetzelfde massale karakter
aangenomen. Daarvoor zijn twee essentiële redenen aan te wijsen:

- De
historische heropkomst van het proletariaat aan het einde van de jaren 1960 ver­raste
de bourgeoisie, maar dat is vandaag duidelijk niet meer het geval. Zij heeft
een hele reeks maatregelen genomen om op de klassenbewegingen vooruit te lopen
en hun uit­breiding in te perken, zoals in de eerste plaats blijkt uit de
systematische black-outs die hen begeleid.

- Het
gebruik van het stakingswapen is vandaag veel moeilijker door het gewicht van
de werkloosheid. Dit wordt als chantagemiddel tegen de arbeiders ingezet.
Tegelijk gaan de arbeiders steeds meer inzien dat de bourgeoisie slechts over
een steeds verder  afnemende
manoeuvreerruimte beschikt om hun eisen in te willi­gen.

Dit
laatste aspect van de situatie is niet slechts een kwestie van aarzeling van de
kant van de arbeiders om massieve strijd te voeren. Het draagt namelijk de
mogelijk­heid in zich van een grondige bewustwording over het definitieve
bankroet van het ka­pitalisme, die de voorwaar­de vormt voor het bewustzijn van
de noodzaak om het om­ver te werpen. In zekere zin is het de omvang van
de inzet die de klassengevechten stellen, namelijk niets minder dan de
communistische re­volutie, die de arbeidersklasse, nog op verwarde wijze, doet
terugdeinzen om het gevecht aan te gaan.

Ook
wanneer de economische gevechten van de klasse voor het ogenblik min­der
massaal zijn dan tijdens de eerste strijdgolf, dan bevatten zij, ten­minste
impliciet, een veel belangrijkere politieke dimensie. En deze politieke
dimensie heeft al een explicie­te vorm aangenomen, zoals blijkt uit het feit
dat ze de de kwestie van de solidariteit steeds meer in de gevechten oppakken.
Dit is van vitaal be­lang omdat solidariteit bij uitstek het tegengif vormt
voor de houding van ‘ieder voor zich', die eigen is aan de sociale ontbinding,
en vooral omdat ze centraal staat in het vermogen van het wereld­proletariaat
om zijn strijd vandaag te ontwikkelen tot en met de omverwerping van het
kapitalisme:

- De
arbeiders bij Daimler-Benz in Bremen gingen spontaan in staking als antwoord op
de pogingen van hun bazen om de arbeiders van de Daimler-fabriek in Stuttgart
te chanteren;

- het
bagagepersoneel van London Airport staakte uit solidariteit met het
cateringperson­eel dat door ontslag werd getroffen. ondanks dat een dergelijke
staking il­legaal is;

- de
transportarbeiders in New York staakten uit solidariteit met de nieuwe ge­neratie,
aan wie de bazen veel ongunstigere contracten willen op­leggen.

14.       De kwestie van de solidariteit stond
centraal in de beweging tegen het ‘begin­nerscontract' CPE in Frankrijk in het
voorjaar 2006, die, hoewel ze vooral studenten en scholieren mobiliseerde, toch
duidelijk op het klassenterrein gesitueerd was:

- de
actieve solidariteit van de studenten van de universiteiten in de ‘frontlinie'
om hun kameraden aan de andere universiteiten te steunen;

-
solidariteit met de kinderen van de arbeidersklasse in de voorsteden, wier
wanho­pige revolte in de herfst van 2005 de vreselijke omstandigheden aan het
licht ge­bracht had waarin zij dagelijks leven, zonder dat het kapitaal hen
enig perspectief heeft te bieden;

-
solidariteit tussen de generaties, tussen degenen die al snel werkloos zullen
worden of een onzekere baan krijgen, en degenen die al in loonarbeid staan,
tussen degenen die net de klassenstrijd ontdekken en degenen die er al ervaring
mee hebben.

15.       Deze beweging was ook een voorbeeld van het vermogen
van de klasse om haar strijd in eigen handen te nemen middels algemene
vergaderingen en stakingscomités die daaraan verantwoording verschuldigd zijn.
Hetzelfde vermogen zagen we ook in de strijd van de metaalarbeiders in Vigo,
Spanje, in het voorjaar van 2006, toen arbeiders uit een reeks fabrieken
dagelijks algemene vergaderingen op straat hielden. De bewe­ging tegen de CPE
werd vooral mogelijk gemaakt door het feit dat de vakbonden uit­zonderlijk zwak
staan in het studentenmilieu, en dat ze er niet hun traditionele sabo­teursrol
konden spelen, een rol die ze zullen blijven vervullen tot aan de revolutie.
Een illustratie van de anti-arbeidersrol van de vakbonden is het feit dat de
massale strijd die we tot dusver hebben gezien vooral voorkwam in lan­den van
de Derde Wereld, waar de vakbonden erg zwak staan (zoals in Bangladesh) of waar
ze ronduit geïdentificeerd worden als organen van de staat (zoals in Egypte).

16.      De beweging tegen het CPE, die plaatsvond in het
land waarin de historische her­opkomst van het proletariaat als eerste en het
meest spectaculair tot uitdrukking kwam - de veralgemeende staking van mei 1968
- levert ons verdere lessen over het ver­schil tussen de huidige strijdgolf en
de vorige:

- In
1968 drukten de beweging van de studenten en de beweging van de arbei­ders, die
na elkaar op gang kwamen, en hoewel ze sympathie tegenover elkaar stonden, twee
ver­schillende realiteiten uit met betrekking tot het begin van de open crisis
van het ka­pitalisme: bij de studenten ging het om een revolte van de
intellectuele kleinbur­gerij die werd geconfronteerd met het vooruitzicht van
de aftakeling van haar status in de maat­schappij; voor de arbeiders ging het
om een economische strijd tegen het begin van de aftakeling van hun
levensvoorwaarden. In 2006 was de beweging van de stu­-denten een beweging van
de arbeidersklasse, wat aantoont dat de verandering van het soort activiteit
dat in de meest ontwikkelde landen als loonarbeid wordt uitgeoefend (groei van
de tertiaire sector ten koste van de industriesector) het vermogen van het
proletari­aat om de strijd op klassenterrein aan te gaan niet in vraag stelt;

- In de beweging van 1968 werd
dagelijks over de kwestie van de revolutie gediscussi­ëerd, maar dat was vooral
de bekommernis van de studenten. De voorstelling die de meesten ervan hadden
kwam voort uit de burgerlijke ideologie: het Castrisme uit Cuba of het Maoïsme
uit China. In de beweging van 2006 was de kwestie van de revolutie haast
niet aanwezig
, maar daarentegen bestond er een duidelijk bewustzijn dat
alleen de mobilisatie en de eenheid van de klasse van loonaf-hankelijken in
staat zou zijn om de aanvallen van de bourgeoisie terug te drin­gen.

17.       De laatste kwestie brengt ons terug naar
het derde aspect van de proletarische strijd zoals Engels het heeft
uiteengezet: de theoretische strijd, de ontwikkeling van de over­denking binnen
de klasse over de algemene perspectieven van haar strijd en de op­komst van
elementen en organisaties als product en actieve factor van deze inspanning.
Net als in 1968 gaat de heropkomst van de klassengevechten samen met een
diepgaan­de overdenking, en met het opduiken van nieuwe elementen die zich
oriën­teren aan de standpunten van de communistische linkerzijde. Deze vormen
slechts het topje van de ijs­berg. Op dit vlak bestaan er opmerkelijke
verschillen tussen het huidige overden­kingsproces en dat na 1968. De
overdenking die destijds begon, volgde op massale en spec­taculaire strijd,
terwijl het proces vandaag niet pas op gang kwam nadat de arbei­dersklasse op
het punt stond om gevechten van dezelfde omvang te ontwikkelen. Dit is één van de
gevolgen van het verschil in omstandigheden met het einde van de jaren 1960,
waarmee het proleta­riaat vandaag geconfronteerd wordt.

Eén van
de kenmerken van de strijdgolf die in 1968 begon, is dat ze door haar om­vang
de mogelijkheid toonde van de proletarische revolutie, een mogelijkheid
die uit het bewustzijn van de proletariërs verdwenen was tengevolge van de
diepte van de contrarev­olutie en de illusies over de ‘welvaart' van het
kapitalisme na de Tweede We­reldoorlog. Vandaag is niet de mogelijkheid van de
revolutie de voornaamste voedings­bodem van het overdenkingsproces maar, gezien
de rampzalige vooruitzichten die het ka­pitalisme ons te bieden heeft, haar noodzaak.
In feite is dit proces vandaag, ook al verloopt het langzamer en is het minder
onmiddellijk zichtbaar als in de jaren 1970, veel dieper. Het zal ook
niet worden aangetast door momenten van teruggang in de ar­beidersgevechten.

Het
enthousiasme voor het idee van revolutie dat zich in 1968 en in de erop vol­gende
jaren uit­drukte, bevorderde het rekruteren van een grote meerderheid van ele­menten
die dit idee aanhingen door ultra­linkse groepen, vanwege de basis waarop het
was gegrondvest. Slechts een zeer kleine minderheid van deze ele­menten, die
het minst getekend werden door de radicale kleinburgerlijke ideologie en door
het immediatisme dat ontsproot aan de studenten­beweging, slaagde erin
om te evolueren naar de stand­punten van het links-communisme, en om militant
te worden van een van haar organi­saties. De moeilijkheden waarmee de be­weging
van de
arbeidersklasse noodzakelijker­wijs wordt geconfronteerd, vooral ten gevolge
van de verschillende tegenoffensieven van de heersende klasse, in een
context waarin de il­lusies over de mogelijkheden van het kapitalisme om zijn
situatie te herstellen nog wijd verbreid waren, bevorderden een merkbare
terugkeer van de reformistische ideologie, waarvan de ultra-linkse
groepen zich als "radicale" spreekbuis opwierpen, links van een officieel
stalinisme dat zelf steeds meer in dis­krediet raakte.

Vandaag,
vooral na de historische ineenstorting van het stalinisme, vul­len de ultra­linkse
stromingen steeds meer de leegte op die door het stalinisme achterg­elaten
werd. De tendens van deze stromingen om ‘officiële' deelnemers te worden in het
spel van de burgerlijke politiek lokt vaak een reactie uit bij hun meest
ernstige mili­tanten, die deelnemen aan de zoektocht naar authentieke
klassenstandpunten. Daardoor wordt de in­spanning tot overdenking binnen de
arbeidersklasse niet alleen aangetoond door het opduiken van zeer jonge
elementen, die zich meteen tot de communistische linker­zijde richten, maar ook
door oudere elementen, die een ervaring achter zich hebben bin­nen de organisa­ties
van de uiterste linkerzijde van de bourgeoisie. Op zich is dit een zeer
positief ver­schijnsel, dat de belofte in zich draagt dat de revolutionaire
energieën die onvermijdelijk zullen opleven naarmate de klasse haar gevechten
ontwikkelt, niet meer zo ge­makkelijk, en in zulk grote omvang, ingepalmd en
gesteriliseerd zullen worden als in de jaren 1970, en zich veel talrijker bij
de organisaties van de communistische linkerzijde zul­len aansluiten.

Het is
de verantwoordelijkheid van de revolutionaire organisaties, en de IKS in het
bijzonder, actief deel te nemen aan het overdenkingsproces dat binnen de
klasse  aan de gang is. Dit niet alleen
door actief in de gevechten tussen te komen die zij be­gint te ontwikkelen,
maar ook en vooral door de ontwikkeling van groepen en elemen­ten die zich bij
haar strijd willen aansluiten, te stimuleren.

IKS / mei 2007

Aktiviteiten van de IKS: