De debatcultuur : Een wapen van de klassestrijd

Printvriendelijke versieSend by email

De
‘debatcultuur' is geen nieuw vraagstuk, noch voor de arbeidersbeweging, noch
voor de IKS. Nochtans verplicht de historische evolutie onze organisatie -
sinds de eeuwwisseling - om op dit vraagstuk terug te komen en het van nabij te
onderzoeken. Twee belangrijke evoluties hebben ons er toe verplicht dit te
doen, de eerste was het opkomen van een nieuwe generatie van revolutionairen en
de tweede, de interne crisis die wij doorgemaakt hebben bij het begin van deze
eeuw.

De nieuwe
generatie en de politieke dialoog

Het is
vooral het contact met de nieuwe generatie van revolutionairen die de IKS er
toe verplicht heeft om op een meer bewuste manier haar openheid naar buiten toe
en haar bekwaamheid tot politieke dialoog te ontwikkelen en te cultiveren.

Elke
generatie vormt een schakel in de geschiedenis van de mensheid. Elk van hen moet het
hoofd bieden aan drie fundamentele taken: het collectieve erfgoed van de vorige
generatie verzamelen, deze erfenis verrijken op grond van haar eigen ervaring,
het overdragen aan de volgende generatie zodat deze laatste verder kan gaan dan
de vorige.

Deze
taken zijn verre van gemakkelijk te verwezenlijken en vertegenwoordigen een
bijzonder moeilijke uitdaging om te vervullen. Dit is eveneens van tel voor de
arbeidersbeweging. De oude generatie moet haar ervaring aanbieden. Maar zij
draagt ook de wonden en de trauma's van haar strijd; ze heeft nederlagen
gekend, ontgoochelingen, ze heeft er het hoofd moeten aan bieden en bewust
worden van het feit dat één leven dikwijls niet volstaat om blijvende verworvenheden
uit de collectieve strijd op te bouwen1 . Dit vereist het elan en de energie van de volgende
generatie maar ook de nieuwe vraagstukken die deze opwerpt en de capaciteit die
zij heeft om de wereld met nieuwe ogen te bekijken.

Maar
zelfs als de generaties elkaar nodig hebben, komt de capaciteit om de
noodzakelijke eenheid tussen hen te smeden niet vanzelf. Hoe meer de
maatschappij zich verwijdert van een traditionele natuureconomie, hoe meer het
kapitalisme op een voortdurende en snelle manier de productie-krachten en het
geheel van de maatschappij ‘tot omwenteling brengt', hoe meer ook de ervaring
van de ene generatie gaat verschillen van de volgende. Het kapitalisme, het
systeem bij uitstek van de concurrentie, zet ook de ene generatie op tegen de
andere in de strijd van allen tegen allen.

Het
is in dit kader dat onze organisatie begonnen is met zich voor te bereiden op
het smeden van een dergelijke band. Maar meer nog dan deze voorbereiding is het
de ontmoeting met deze nieuwe generatie in het werkelijke leven, die in onze
ogen aan dit vraagstuk van de debatcultuur een bijzondere betekenis heeft
gegeven. Wij hebben nu te maken met een generatie die zelf een veel groter
belang hecht aan dit vraagstuk dan de ‘generatie van 1968'. He eerste belangrijke
teken van deze verandering, op het vlak van de arbeidersklasse in het algemeen,
werd gegeven door de massale beweging van de studenten en scholieren in de
lente van 2006 in Frankrijk tegen de ‘precarisering' van de tewerkstelling. Het
aandringen in het bijzonder in de algemenen vergaderingen, op een zo vrij en zo
breed mogelijk debat was zeer treffend. Dit in tegenstelling tot de
studentenbeweging op het einde van de jaren 1960, die dikwijls werd gekenmerkt
door haar onvermogen tot het voeren van een politieke dialoog. Dit verschil
komt vooral voort uit het feit dat het studentenmilieu vandaag veel meer
geproletariseerd is dan 40 jaar geleden. Het intense debat, zo breed mogelijk
uitgemeten, is altijd een belangrijk waarmerk geweest van de proletarische massabewegingen
en kenmerkte ook de arbeidersvergaderingen in Frankrijk in 1968 en in Italië in
1969. Maar wat in 2006 nieuw was, was de openheid van de strijdende jeugd naar
de oudere generaties en hun dorst naar het leren uit hun ervaringen. Deze houding
is zeer verschillend van die van de studentenbeweging op het einde van de jaren
1960, onder andere in Duitsland (die misschien wel op de meest karikaturale
wijze de uitdrukking was van de tijdsgeest). Eén van die slogans was ‘Stuur de
meer dan 30 jarigen naar het concentratiekamp !'. Concreet gezien kwam dit in
de praktijk neer op het elkaar uitjouwen, binnenvallen op vergaderingen van de
‘rivalen', enz. De breuk van de continuïteit tussen de generaties van de
arbeidersklasse vormde een van de wortels van het probleem. Want de banden
tussen de generaties zijn, van oudsher, een terrein bij uitstek om de aanleg
tot dialoog aan te scherpen. De militanten van 1968 beschouwden de generatie
van hun ouders als een generatie die zichzelf had ‘verkocht' aan het kapitalisme,
of (zoals in Duitsland en Italië) als een generatie van fascisten en
oorlogsmisdadigers. Voor de arbeiders die de verschrikkelijke uitbuiting hadden
ondergaan van de fase die gevolgd was op 1945, in de hoop dat het hun kinderen
beter zou gaan, was het een bittere ontgoocheling om van hun kinderen te moeten
horen dat ze ‘parasieten' waren die teerden op de uitbuiting van de Derde
Wereld. Maar het is ook waar dat de generatie ouders van die tijd voor het
merendeel de aanleg tot dialoog verloren had, of er nooit in geslaagd was hem
te verwerven. Deze generatie was wreedaardig gekwetst en getraumatiseerd door
de Tweede Wereldoorlog en de Koude oorlog, door de fascistische, stalinistische
en sociaal-democratische contrarevolutie.

Daartegenover
heeft 2006 in Frankrijk iets nieuws en bijzonder vruchtbaar aangekondigd2 . Maar reeds enkele
maanden voordien was deze bekommernis van de nieuwe generatie reeds tot uiting
gekomen via revolutionaire minderheden van de arbeidersklasse. Van zodra zij op
de politieke scène opdoken, waren deze minderheden gewapend met hun eigen
kritiek op sektarisme en weigering tot debat. Eén van de eerste eisen die zij
tot uitdrukking brachten, was de noodzaak tot debat, niet opgevat als een luxe,
maar als een dwingende noodzaak. De noodzaak ook dat diegenen die er aan
deelnemen de anderen ernstig nemen, en leren luisteren; de noodzaak eveneens
dat in de discussie, de argumenten de wapens zijn en niet de brute kracht, noch
het zich beroepen op de moraal of het gezag van de ‘theoretici'. Met betrekking tot
het proletarisch internationalistisch milieu, hebben deze kameraden over het
algemeen (en helemaal terecht), de afwezigheid van broederlijk debat onder de
bestaande groepen bekritiseerd (en waren er bijzonder door geschokt). Zij
hebben onmiddellijk de opvatting verworpen van het marxisme als een dogma, dat
de nieuwe generatie kritiekloos zou moeten aannemen.3 

Van
onze kant waren wij verrast door de reactie van deze nieuwe generatie ten
overstaan van de IKS zelf. De nieuwe kameraden die naar onze openbare
bijeenkomsten kwamen, de contacten uit de hele wereld, die met ons begonnen te
corresponderen, de verschillende groepen en politieke kringen met wie wij
discussieerden, hebben ons herhaaldelijk gezegd dat zij de proletarische aard
van de IKS evenzeer herkend hadden in onze houding, meer in het bijzonder via
onze manier van discussiëren, als in onze programmatische standpunten.

Van
waar komt bij de nieuwe generatie die diepe bezorgdheid ontrent dit vraagstuk?
Wij denken dat dit het resultaat is van de historische crisis van het
kapitalisme, die vandaag veel ernstiger en diepgaander is dan in 1968. Deze
toestand vereist een zo radicaal mogelijke kritiek van het kapitalisme, de
noodzaak om tot in de diepste wortels door te dringen van de problemen. Eén van
de meest aanvretende effecten van het burgerlijk individualisme is de manier
waarop dit het vermogen aantast tot discussie en in het bijzonder tot
luisterbereidheid en het leren van elkaar. De dialoog werd vervangen door het
gezwam, waarbij de hardst roepende het haalt (zoals in de burgerlijke
verkiezingscampagnes). De debatcultuur is het belangrijkste middel om, via de
menselijke taal, het bewustzijn te ontwikkelen. Dit is het belangrijkste
strijdwapen van de enige klasse die in zich de toekomst draagt voor de
mensheid. Voor het proletariaat is dit het enige middel om zijn isolement en
ongeduld te overstijgen en zich te richten op de éénmaking van zijn strijd.

Een
andere actuele bekommernis berust in de wil om de nachtmerrie te boven te komen
van het stalinisme. Inderdaad, vele militanten die vandaag op zoek zijn naar
internationalistische standpunten komen uit een midden dat beïnvloed is door
het gauchisme of spruiten rechtstreeks voort uit hun rangen. Het doel van dit
gauchisme is het voorstellen van karikaturen van de decadente burgerlijke
ideologie en gedrag als zijnde ‘socialisme'. Deze miltanten hebben een
politieke opvoeding gekregen die hen doet geloven dat de uitwisseling van
politieke argumenten neerkomt op het ‘burgerlijk liberalisme', dat een ‘goede
kommunist' iemand is die ‘zijn bek houdt' en zijn geweten en emoties het
zwijgen oplegt. De kameraden die vandaag vastbesloten zijn om de effecten van
dit zieltogende product van de contrarevolutie te verwerpen, begrijpen steeds
beter dat een dergelijke aanpak niet louter het verwerpen inhoudt van zijn
standpunten maar ook van zijn mentaliteit. Door zo te werk te gaan dragen zij
bij tot het herstel van een traditie binnen de arbeidersbeweging die dreigde
ten onder te gaan ten gevolge van de organische breuk veroorzaakt door de
contrarevolutie.4 

De
organisatorische crises en de tendensen tot het monolithisme

De tweede wezenlijke reden die de IKS
er toe gedreven heeft om terug te komen op het vraagstuk van de debatcultuur
was onze eigen interne crisis in het begin van deze eeuw. Voor het eerst sinds
zijn stichting heeft de IKS uit zijn rangen, niet één maar meerdere leden
moeten uitsluiten5 . Bij het begin
van deze interne crisis hadden er zich in onze sectie in Frankrijk
moeilijkheden en meningsverschillen geuit over het vraagstuk van onze
organisatorische beginselen m.b.t. de centralisatie. Er is geen enkele reden
waarom meningsverschillen van die aard, op zichzelf, zouden leiden naar een
organisatorische crisis. En zij waren dan ook niet de aanleiding. Wat de crisis
heeft uitgelokt was het weigeren van een intern debat, en meer bepaald, de
manoeuvres die probeerden om de militanten waarmee men het niet eens was te
isoleren en te belasteren - 't is te zeggen persoonlijk aan te vallen.

Als
gevolg van deze crisis heeft onze organisatie er toe besloten om tot de diepste
wortels door te dringen van de geschiedenis van al haar crises en van haar
afsplitsingen. Wij hebben reeds bijdragen gepubliceerd over bepaalde van deze
aspecten6 . Eén van de
conclusies waartoe wij gekomen zijn is dat een tendens tot monolithisme een
grote rol heeft gespeeld in al de afsplitsingen die wij gekend hebben.
Nauwelijks doken er meningsverschillen op of er waren bepaalde kameraden die
beweerden dat zij niet langer konden samenwerken met anderen, dat de
organisatie stalinistisch was geworden, of dat zij aan het ontaarden was. Deze
crises waren dus uitgebroken met betrekking tot meningsverschillen die, voor
het merendeel, perfect kunnen bestaan binnen een niet monolithische organisatie
en die, in elk geval, moesten bediscussieerd en opgehelderd worden vooraleer
een afsplitsing noodzakelijk zou zijn. Het herhaaldelijk opduiken van
monolithische houdingen is verbazend in een organisatie die zich specifiek
baseert op de tradities van de Italiaanse Fractie, die altijd heeft verdedigd
dat, wat ook de meningsverschillen waren over de fundamentele grondslagen, de
meest diepgaande en meest collectieve verheldering aan elke organisatorische
scheiding moest voorafgaan.

De
IKS is vandaag de enige stroming van het Linkskommunisme, die zich plaatst
binnen de organisatorische traditie van de Italiaanse Fractie (Linkse Fractie
van de PCI met als tijdschrift ‘Bilan') en van de Kommunistische
Linkerzijde van Frankrijk (GCF, met het tijdschrift ‘Internationalisme').
In tegenstelling tot de groepen die voortgekomen zijn uit de Internationalische
Kommunistische Partij, gesticht in Italië rond het einde van de Tweede
Wereldoorlog, erkende de Italiaanse Fractie het diepgaande proletarische
karakter van alle andere internationale stromingen van het Linkskommunistisme,
dat was ontstaan als reactie op de stalinistische contrarevolutie, in het
bijzonder de Duitse en Hollandse Linkerzijde. Verre van het verwerpen van deze
stromingen als ‘anarcho-sponta-neïsten' of ‘revolutionaire syndicalisten',
heeft ze zo veel als ze kon geleerd van deze twee. In feite was de hoofdkritiek
die zij inbracht tegen wat de ‘radenistische' stroming geworden is, haar
sektarisme dat tot uiting kwam in het verwerpen van de bijdragen van de Tweede
Internationale en het Bolsjevisme in het bijzonder7 . Zo hield de Italiaanse
Fractie, in volle contrarevolutie, vast aan het marxistische begrip volgens
hetwelk het klassebewustzijn zich collectief ontwikkelt en dat geen enkele
partij noch traditie kan beweren er het alleenrecht op te hebben. Daaruit
vloeit voort dat het bewustzijn zich niet kan ontwikkelen zonder een
broederlijk, openbaar en internationaal debat8 .

Maar
alhoewel dit wezenlijke begrip deel uitmaakt van de fundamentele erfenis van de
IKS, is het niet gemakkelijk in de praktijk te brengen. De debatcultuur kan
zich enkel ontwikkelen tegen de stroom in van de burgerlijke maatschappij.
Aangezien in de schoot van het kapitalisme de spontane tendens niet leidt tot
het verhelderen van ideeën, maar tot geweld, manipulatie en strijd voor het
behalen van een meerderheid (het verkiezingscircus van de burgerlijke
democratie is hiervan het beste bewijs), bevat de infiltratie van deze
burgerlijke ideologie in de schoot van proletarische organisaties altijd de
kiemen van crises en ontaarding. De geschiedenis van de Bolchevistische Partij
illustreert dit perfect. Zolang de partij het speerpunt was van de revolutie ,
vormden de meest levendige en dikwijls heftige debatten één van haar
belangrijkste krachten. Het verbieden daarentegen van echte fracties (na de
afslachting van Kronstadt in 1921), vormde één wezenlijk teken van haar verval
en vertegenwoordigde een actieve factor in dit proces. Net zo kan de praktijk
van het ‘vreedzaam naast elkaar bestaan' (dus van de afwezigheid van debat) van
botsende standpunten, die reeds kenmerkend was bij het stichtingsproces van de
Internationalistische Kommunistische Partij, of het vertheoretiseren door
Bordiga en zijn aanhangers van de deugdzaamheden van het monolithisme slechts
begrepen worden in de context van de historische nederlaag van het proletariaat
in het midden van de 20e eeuw.

Als
de revolutionaire organisaties hun fundamentele rol willen vervullen van
ontwikkeling en uitbreiding van het klassebewustzijn, is de cultuur van een
collectieve, internationale, broederlijke en openbare discussie absoluut
wezenlijk. Het is waar dat dit een hoog peil vereist van politieke rijpheid (maar
tevens, in het algemeen, van menselijke rijpheid). De geschiedenis van de IKS
is een illustratie van het feit dat deze rijpheid niet op één dag wordt
verworven, maar dat ze het product is van een historische ontwikkeling.
Vandaag, heeft de nieuwe generatie een wezenlijke rol te spelen in dit proces
dat aan het rijpen is.

 

De
debatcultuur in de geschiedenis

 

De bekwaamheid tot debatteren is één
van de wezenlijke kenmerken van de arbeidersbeweging. Maar zij is het niet die
hem heeft uitgevonden. Op dit gebied, net zoals op andere even fundamentele, is
de strijd voor het socialisme in staat geweest om de beste verworvenheden van
de mensheid op te nemen, van ze aan te passen aan haar eigen noden. Door deze
werkwijze heeft ze de kwaliteiten omgezet door ze tot een hoger vlak te
verheffen.

Fundamenteel
is de debatcultuur een uitdrukking van de fundamenteel sociale aard van de
mensheid. Het is in het bijzonder een uitvloeisel van het specifiek menselijk
gebruik van de taal. Het gebruik van de taal als middel ter uitwisseling van
informatie, is iets wat de mensheid deelt met vele diersoorten. Wat de mensheid
onderscheidt van de rest van de natuur op dit vlak, is het vermogen tot
cultiveren en het uitwisselen van argumentatie (verbonden met de ontwikkeling
van de logica en van de wetenschap) en het komen tot de kennis van de anderen
(de ontwikkeling van de empathie verbonden, onder andere, aan de ontwikkeling
van de kunst).

Bijgevolg
is deze kwaliteit niet nieuw. In feite is zij de klassenmaatschappij
voorafgegaan en heeft zeker een beslissende rol gespeeld in de ontwikkeling van
de menselijke soort. Engels bijvoorbeeld, sprak van de rol van de algemene
vergaderingen bij de Grieken ten tijde van Homerus, bij de eerste Germaanse
stammen of bij de Irokezen van Noord-Amerika en looft in het bijzonder de
debatcultuur van deze laatsten9.
Jammer genoeg zijn wij, ondanks de werken van Morgan indertijd en van zijn
collega's uit de 19e eeuw en van hun opvolgers, nog onvoldoende
geïnformeerd over deze allereerste ontwikkelingen, vast de meest bepalende, op
dit vlak.

Maar
wat wij daarentegen wel weten is dat de filosofie en de aanvang van het
wetenschappelijke denken beginnen opbloeien zijn daar waar de mythologie en het
naïef realisme - dat antieke koppel dat zowel tegenstrijdig als onafscheidelijk
was - in vraag werd gesteld. Deze twee benade-ringswijzen zitten gevangen in
het onvermogen van het dieper begrijpen van de onmiddellijke ervaring. De
gedachten die de eerste mensen zich gevormd hebben op grond van hun praktische
ervaring, waren godsdienstig van aard. "In zeer vroege tijden kwamen de
mensen, nog in volledige onwetendheid over hun eigen lichaamsbouw en
geïnspireerd door droomverschijningen, 
op de voorstelling dat hun denken en ervaren geen activiteit is van hun
lichaam, maar van een aparte ziel die in dit lichaam woont en het bij de dood
verlaat. Welnu, sedert deze tijd moesten ze zich ideeën vormen over de
verhouding van die ziel tot de buitenwereld. Wanneer ze zich bij de dood van
het lichaam scheidde, dan was er geen aanleiding haar nog een speciale dood toe
te schrijven. Zo ontstond de voorstelling van haar onsterfelijkheid. In dit
ontwikkelingsstadium verschijnt deze geenszins als een troost, maar als een
noodlot waartegen men niet op kan; dikwijls genoeg, zoals bij de Grieken, als
een waar ongeluk
"10.

Het
is in dit kader van het naïef realisme dat de eerste stappen gezet zijn van een
trage ontwikkeling van de cultuur en de productiekrachten. Van haar kant heeft
het magische denken, ook al bevatte het een bepaalde graad van psychologische
wijsheid, vooral tot taak om een zin te geven aan het onverklaarbare en dus de
schrik onder controle te houden. De twee vormden belangrijke bijdragen tot de
vooruitgang van de menselijke soort. Het idee volgens hetwelk het naïef
realisme een bijzondere verwantschap zou hebben met de materialistische filosofie,
of dat deze laatste zich zou ontwikkeld hebben uit de eerste, is ongegrond.

"Het
is een oud postulaat van de dialectiek, dat overgegaan is naar het
volksbewustzijn, dat uitersten elkaar raken. Wij zullen er niet ver naast
zitten als wij de meest extreme graad van schimmenspel, lichtgelovigheid en
bijgeloof terugvinden, niet in die wetenschappelijke stroming, die net zoals in
de Duitse natuurfilosofie, de objectieve wereld probeert te doen inpassen in
zijn subjectief denken, maar eerder in de tegenovergestelde richting. Deze die,
hoewel ze beweert te steunen op zuivere ervaring, het denken hoogst
geringschattend belicht, en die werkelijk het verst is gegaan in de armoede van
het denken. Deze school overheerst in Engeland
"11.

De
godsdienst, zoals Engels heeft aangestipt, ontstaat niet enkel uit een magische
visie van de wereld maar ook vanuit het naïef realisme. Zijn eerste
veralgemeningen over de wereld, die dikwijls stoutmoedig waren, hebben
noodzakelijkerwijze een karakter dat hen gezag verschaft.

De
eerste landbouwgemeenschappen hebben snel begrepen dat zij bijvoorbeeld
afhingen van de regen, maar zij waren mijlen verwijderd van het begrijpen van
de voorwaarden waarvan deze regenval afhankelijk was. De uitvinding van een god
van de regen is een scheppende daad om zich gerust te stellen. Het wekte de
indruk dat het mogelijk was om, door middel van geschenken of door godsvrucht,
invloed te hebben op de aard van de natuur. De Homo Sapiens is de soort die
steunde op de ontwikkeling van het bewustzijn om zijn overleving te verzekeren.
Als dusdanig heeft hij het hoofd moeten bieden aan een voordien ongekend
probleem: de dikwijls verlammende schrik voor het onbekende. De uitleg over het
onbekende moest dus alle twijfel verdrijven. Vanuit deze behoefte verrijzen,
als haar meest ontwikkelde uitdrukking, de openbaringsreligies. De gehele
gevoelsmatige grondvesten van deze wereldvisie is het geloof, niet de kennis.

Naïef
realisme is slechts de keerzijde van de medaille, een soort elementaire mentale
‘arbeidsverdeling'. Al wat niet onmiddellijk te verklaren valt in een
praktische zin wordt noodzakelijkerwijze doorgeschoven naar de wereld van de
magie. Meer nog, het praktisch inzicht is zelf ingebed in een religieuze visie,
oorspronkelijk die van het animisme. Hier is de hele wereld tot een fetisj
geworden. Zelfs de processen die door de menselijke wezens bewust kunnen worden
voortgebracht en gereproduceerd, lijken plaats te vinden met behulp van
verper-soonlijkte krachten, die onafhankelijk van hun wil bestaan.

Het
is duidelijk dat er in die wereld weinig ruimte is voor debat in de moderne zin
van het woord. Ongeveer twee en een half duizend jaar geleden begon een nieuwe
kwaliteit zich sterker op te dringen, die een directe uitdaging vormde voor de
tweelingzussen van religie en ‘gezond verstand'. Ze kwam voort uit de oude,
traditionele denkwijze, in die zin dat deze laatste zich omvormde tot haar
tegendeel. Bijgevolg werd het vroege dialectische denken dat vooraf ging aan de
klassenmaatschappij - uitgedrukt bijvoorbeeld in China via het idee van een
polariteit tussen yin en yang, tussen mannelijke en vrouwelijke beginsels -
uiteindelijk omgevormd tot een kritisch denken gebaseerd op de wezenlijke
bestanddelen van de wetenschap, de filosofie, het materialisme. Maar dit alles
was ondenkbaar zonder de verschijning van wat wij een debatcultuur zouden
genoemd hebben. Het Griekse woord voor dialectiek betekent in feite dialoog en
debat.

Wat
maakte deze opgang mogelijk? In het algemeen gezegd kwam het neer op het
verbreden van de wereld van sociale verhoudingen en van kennis. Op een globaal
vlak was het de steeds complexere aard van de sociale wereld. Zoals Engels
graag herhaalde, is gezond verstand een stevige en gezonde knaap als hij thuis
is, binnen de vier muren, maar hij ervaart allerlei misstappen van zodra hij
het er op waagt in de grote wijde wereld. Maar ook de grenzen van de religie om
de vrees te overwinnen werden blootgelegd. Want in feite had het de vrees niet
overwonnen, maar had hij die alleen maar uitgebannen. Door dit mechanisme had
de mensheid gepoogd om af te reken met de terreur dat haar anders zou ten onder
gebracht hebben op een moment dat ze geen andere middelen van zelfverdediging
had. Maar door dit te doen maakte ze van haar eigen vrees een bijkomende kracht
die haar overheerste.

‘Uitleggen'
wat nog onverklaarbaar is betekent afzien van een werkelijk onderzoek. Toen
ontstond dus het conflict tussen religie en wetenschap, of zoals Spinoza het
stelde, tussen onderwerping en onderzoek. De Griekse filosofen hebben zich in
het begin tegen de religie gekant. Thales, de eerste filosoof die ons bekend
is, brak al met de mystieke wereldvisie. Anaximander, die hem opvolgde, eiste
dat de natuur uit zichzelf zou verklaard worden.

Maar
het Griekse denken was ook een pure oorlogsverklaring aan het naïeve realisme.
Heraclitus verklaarde dat het wezen der dingen niet geschreven stond op de
voorhoofden. Hij verklaarde dat de "Natuur ervan houdt om zich te verstoppen".
Of zoals Marx het stelde: "Alle wetenschap zou overbodig zijn als de
uiterlijke verschijning en het wezen van de dingen direct zouden samenvallen
"12 .

Deze
nieuwe benadering daagde tegelijk het geloof, maar ook de vooroordelen en de
traditie uit, die de grondslag zij van het alledaagse leven (in het Duits, net
zoals in het Nederlands, zijn de twee woorden voor geloof met elkaar verwant:
‘Glaube' - geloof - en ‘Aberglaube' - bijgeloof). Daar tegenover werden theorie
en dialectiek gesteld. "Hoeveel al het theoretische denken ook moge
geminacht worden, je kan geen twee natuurlijke feiten met elkaar in verband
brengen, of hun onderling verband begrijpen zonder het theoretisch denken
"13 .

De
ontplooiing van de sociale betrekkingen was natuurlijk het gevolg van de
ontwikkeling van de productiekrachten. Samen met het probleem - de
ongeschiktheid van de bestaande denkwijzen - ontstonden toen ook de middelen
voor de oplossing ervan. Eerst en vooral een toename in zelfbewustzijn, in het
bijzonder in de kracht van het menselijk denken. Wetenschap kan enkel daar ontluiken
waar er een capaciteit en bereidheid leeft om het bestaan van twijfel en
onzekerheid te aanvaarden. In tegenstelling tot de autoriteit van religie en
van traditie, is de waarheid van de wetenschap niet absoluut maar relatief. Er
ontstaat aldus niet alleen de mogelijkheid maar ook de noodzaak tot een
uitwisseling van meningen.

Het
is overduidelijk dat de aanspraak op de heerschappij van de wetenschap alleen
daar kan gesteld worden waar de productiekrachten (in de breedst mogelijke
culturele zin) een bepaald stadium van rijpheid hebben bereikt. Er kan zelfs
geen denken aan zo'n heerschappij zijn zonder een overeenstemmende ontwikkeling
van kunsten, van opvoeding, van literatuur, van natuurwaarneming, van taal. En
dit gaat, op een bepaald tijdperk van de geschiedenis, hand in hand met het
opduiken van een klassenmaatschappij en een heersende laag die bevrijd is van
de last van de materiële productie. Maar deze ontwikkelingen lieten niet
automatisch een nieuwe, onafhankelijke benadering opkomen. Noch de Egyptenaren
noch de Babyloniërs, ondanks hun vooruitgang in de wetenschap, noch de
Feniciërs, die als eersten een modern alfabet ontwikkelden, stootten zo ver
door in deze ontwikkeling als de Grieken.

In
Griekenland, was het de ontwikkeling van de slavernij, die de opkomst mogelijk
maakte van een klasse van vrije burgers naast de priesters. Dit leverde de
materiële basis voor de ondermijning van de godsdienst. (Wij kunnen aldus beter
de formulering van Engels verstaan in de ‘Anti-Dühring': zonder de
slavernij uit de Oudheid geen modern socialisme). In Indië, waar er rond
diezelfde tijd een ontwikkeling is van de filosofie, van het materialisme (de
zogenaamde Lokayata) en de natuurstudie, valt dit samen met de vorming en de
versterking van de oorlogsaristocratie die zich verzette tegen de Brahmaanse
theocratie en die deels gegrondvest is op een landbouwslavernij. Net zoals in
Giekenland, waar de strijd van Heraclitus tegen de religie, de onsterfelijkheid
en de veroordeling van lichamelijk genot gericht was tegen de vooroordelen van
zowel de heersende tirannen als van de onderdrukte bevolking, ontsprong de
nieuwe militante benadering in India uit een aristocratie. Boeddhisme en
Jaïnisme, die rond diezelfde tijd ontstonden, waren veel meer verankerd in de
werkende bevolking, maar bleven steken in het religieuze kader - met hun
opvatting over de reïncarnatie van de ziel, typisch voor een kastenmaatschappij
waar ze tegen ingingen (die ook te vinden was in Egypte).

In
China daarentegen, waar er een ontwikkeling plaatsgreep van de wetenschap en
van een soort van rudimentair materialisme (bijvoorbeeld in de logica van
Mo'-Ti'), bleef dit beperkt door de afwezigheid van een heersende
priesterkaste, waartegen men zou kunnen revolteren. Het land werd geregeerd
door een militaire bureaucratie, gevormd in de strijd tegen de naburige
‘barbaren'.14 

In
Griekenland was er een bijkomende en op velerlei manieren beslissende factor,
die ook een belangrijke rol speelde in Indië: een veel hogere ontwikkeling van
de warenproductie. De Griekse filosofie begon, niet op het Griekse vasteland,
maar in de havenkolonies van Klein-Azië. Warenproductie houdt niet alleen ruil
van goederen in, maar ook van de ervaring die in hun productie vervat zit. Het
versnelt de geschiedenis, en begunstigt aldus een hogere vorm van uitdrukking
van dialectisch denken. Het maakt een graad van individualisering mogelijk
zonder dewelke een uitwisseling van ideeën op zo een hoog peil moeilijk is. En
het begint een einde te maken aan de isolatie waarbinnen de sociale evolutie
voordien had plaatsgevonden. De economische grondsslag van alle
landbouwmaatschappijen gebaseerd op de natuureconomie, is het dorp of in het
beste geval de regionale autarkie. Maar de eerste uitbuitingsmaatschappijen,
gebaseerd op een bredere samenwerking, dikwijls gericht op het bevorderen van
bevloeiing, hadden nog altijd een landbouwkarakter. In tegenstelling daarmee
ontsloten de handel en de zeevaart de Griekse maatschappij voor de wereld. Ze
reproduceerde, maar dan op een hoger niveau, de veroverings- en ontdekkingdrang
van de wereld  die de
nomadenmaatschappijen kenmerkt. De geschiedenis heeft aangetoond dat, op een
bepaalde ontwikkelingstrap, het opduiken van het verschijnsel van publiek debat
onlosmakelijk verbonden was met een internationale ontwikkeling (zelfs al was
die geconcentreerd in een bepaald gebied), en in zekere zin een
‘inter-nationalistisch' karakter had. Diogenes en de cynici waren gekant tegen
het onderscheid tussen Hellenen en Barbaren, en verklaarden zichzelf tot
wereldburgers. Democritus moest terechtstaan omdat hij naar verluid en erfenis
zou verspild hebben, die hij gebruikte voor opvoedkundige reizen naar Egypte,
Babylonië, Perzië en Indië. Hij verdedigde zichzelf met het luidop lezen van
uittreksels van zijn geschriften, de vrucht van zijn reizen - en werd
onschuldig verklaard.

Debat
ontsproot als antwoord op een praktische noodzaak. In Griekenland ontwikkelde
het zich via de vergelijking tussen verschillende bronnen van kennis.
Verschillende gedachtengangen, onderzoeksmethodes en hun resultaten,
productie-methodes, gewoontes en tradities werden met elkaar vergeleken. Men
ontdekte dat ze elkaar tegenspraken, bevestigden of aanvulden. Ze kwamen met
elkaar in botsing of ondersteunden elkaar, of beide. Absolute waarheden werden
relatief gemaakt door vergelijking.

Deze
debatten waren openbaar. Ze vonden plaats in havens, op de marktplaatsen (de
forums), in scholen en academies. In een geschreven vorm, vulden ze de
bibliotheken en breidden zich uit over de wereld.

Socrates
- deze filosoof die zijn tijd doorbracht met debatteren op de markt -
belichaamde in wezen deze ontwikkeling. Zijn belangrijkste bekommernis - hoe
een werkelijke kennis te verwerven van de moraal - was reeds een aanval op de
religie en de vooroordelen, die veronderstellen dat deze vraagstukken al zijn
behandeld. Hij verklaarde dat de kennis de hoofdvoorwaarde is van correcte
ethiek, en dat onwetendheid haar voornaamste vijand is. Het is dus de
bewustwording en niet de bestraffing, die de morele vooruitgang mogelijk maakt,
aangezien de meeste mensen niet voor lange tijd opzettelijk kunnen ingaan tegen
de stem van hun eigen geweten.

Maar
Socates ging verder, en legde hiermee de theoretische grondslag voor alle
wetenschap en alle collectieve verheldering: de erkenning dat het startpunt van
de kennis berust in de bewustwording, m.a.w in het opzij zetten van
vooroordelen. Dit ruimde de baan voor wat wezenlijk is: zoeken (onderzoek). Hij
was een hevig tegenstander van overhaaste gevolgtrekkingen, van onkritische zelfvoldane
meningen, van verwaandheid en aanstellerij. Waar hij wel in geloofde was in de
‘bescheidenheid van de kennis' en in de passie die uitgaat van werkelijke
kennis gestoeld op diepgaand inzicht en overtuiging. Dit is het vertrekpunt van
de Socratische dialoog. Waarheid is het resultaat van een collectief
zoeken, bestaande uit de dialoog tussen alle leerlingen, waarbij iedereen
tegelijk leraar en leerling is. De filosoof is niet langer een profeet die
openbaringen aankondigt, maar een zoeker naar de waarheid samen met anderen.
Dit brengt een nieuwe opvatting voort van leiderschap: de leider is hij die het
meest vastberaden is in het streven naar verheldering, zonder ooit het einddoel
uit het oog te verliezen. De parallel met de manier waarop de rol van de communisten
in de klassenstrijd wordt bepaald in de het Kommunistisch Manifest is
treffend.

Socrates
was een meester in het stimuleren en leiden van discussies. Hij trok het
publiek debat op tot de hoogte van een kunst of een wetenschap. Zijn leerling
Plato, ontwikkelde de dialoog tot een reikwijdte die sindsdien zelden bereikt
is.

In
de inleiding tot de ‘Dialectiek van de Natuur', spreekt Engels over drie
grote periodes van de natuurwetenschap tot op heden, met het ‘genie van de
intuïtie
' van de oude Grieken, en de ‘zeer betekenisvolle, maar
sporadische
' resultaten van de Arabieren als de voorlopers van de derde
periode, ‘de moderne wetenschap' die begon met de Renaissance.
Wat treffend is bij het ‘Arabisch-mohammedaanse cultuurtijdperk' was de
merkwaardige opslorpings-capaciteit en de capaciteit tot het maken van een
synthese van de verworvenheden van de verschillende antieke culturen, en van
zijn openheid tot discussie. August Bebel citeert een ooggetuige van de cultuur
van openbaar debat in Bagdad. "Beeldt u juist in dat er bij de eerste
ontmoeting niet enkel maar vertegenwoordigers waren van alle bestaande moslim
sektes, orthodoxe en heterodoxe, maar ook vuurvereerders (Parsers),
Materialisten, Atheïsten, Joden en Christenen, met  één woord allerlei soorten ongelovigen. Elk
van deze sekten had zijn woorvoerder die hen moest verdedigen. Wanneer één van
deze partijleiders de zaal binnentrad, stond iedereen uit respect recht uit
zijn zitplaats, en niemand zou gaan zitten zijn vooraleer hij zijn plaats had bereikt.
Toen de hal bijna volledig gevuld was, begon één van de ongelovigen te spreken,
als volgt: ‘U kent allen de regels. Het is aan de Moslims niet toegestaan om
ons te bestrijden met bewijzen die komen uit hun heilige boeken, of gebaseerd
zijn op toespraken van hun profeet, aangezien wij niet geloven noch in uw
boeken noch in uw profeten. Het is diegenen die aanwezig zijn enkel toegestaan
zich te baseren op argumenten die voortvloeien uit de menselijke rede'. Deze
woorden werden begroet met een algemene toejuiching
".15 

Bebel
vult aan : "Het verschil tussen de cultuur van de Islam en van het
Christendom was het volgende: de Arabieren verzamelden gedurende hun
veroveringen alle werken die hen van pas kwamen bij hun studies en die hen iets
konden leren over de volkeren en landen die zij hadden veroverd. De Christenen
vernietigden tijdens de verspreiding van hun doctrine al zulke monumenten van
de cultuur als werken van de duivel en als heidense verschrikkingen
". En
hij besluit: "Het Arabisch- Mohammedaanse cultuurtijdperk is de link tussen
de gedoemde Grieks-Romeinse cultuur, de antieke cultuur als geheel, en de
Europese cultuur die open gebloeid is sedert de Renaissance. Zonder deze
bemiddellaar zou de laatstgenoemde zeer moeilijk zijn huidige hoogte hebben kunnen
bereiken. Het Christendom stond vijandig tegenover deze hele culturele
ontwikkeling
".16 

Eén
van de redenen van het blinde fanatisme en het sektarisme van het Christendom
werd reeds aangestipt door Heinrich Heine, en later bevestigd door de arbeidersbeweging:
Hoe meer opoffering en ontbering een cultuur eist, hoe onverdraagzamer de
gedachte wordt dat haar beginselen zouden kunnen in vraag gesteld worden.

Wat
de Renaissance en de Hervorming betreft, die hij ‘de grootste progressieve
omvorming noemde die de mensheid ooit heeft beleefd
', onderstreepte Engels
de rol van de ontwikkeling niet enkel van het denken, maar ook van de emoties,
van de persoonlijkheid, van het menselijk potentieel, en van de strijdbaarheid.
Het was een tijd "die reuzen vereiste en reuzen voortbracht, reuzen in
denken, passie en karakter, in veelzijdigheid en geleerdheid. (...) De helden van
die tijd waren nog niet onderworpen aan het juk van werkverdeling, waarvan we
bij hun opvolgers aanvoelen welke beperktheid, welke bekrompenheid het oplegt.
Maar een bijzonder kenmerk was dat bijna allen onder hen temidden van de
bewegingen van hun tijd stonden, deel uitmakend van de praktische strijd, de
kant kiezend van diegenen die aan het strijden waren, soms met woorden, soms
met de degen, en soms met beide
".17 

Debat en de
arbeidersbeweging

Als wij deze drie ‘heldhaftige'
tijdperken van de menselijke denken beschouwen , die volgens Engels leidden tot
de bloei van de moderne wetenschap, valt het op hoe beperkt deze waren in tijd
en ruimte. Om te beginnen verschenen ze vrij laat in verhouding tot de
geschiedenis van de mensheid als geheel. Zelfs als wij de Indische en Chinese
hoofdstukken er inlassen, waren deze fasen geografisch beperkt. Evenmin duurden
ze heel lang (de Renaissance in Italië 
of de Hervorming in Duitsland slechts een paar tientallen jaren). En de
gedeeltes van de reeds uiterst minoritaire uitbuitende klassen die daarbij
waren betrokken, waren minuscuul.

In
verband daarmee lijken twee zaken verbazingwekkend. Ten eerste, dat deze
momenten van opstoot van de wetenschap en van openbaar debat überhaupt
plaatsvonden, en dat hun inslag zo belangrijk en duurzaam was - ondanks alle
breuken en impasses. Ten tweede, de mate waarin het proletariaat - ondanks de
breuk in de organische continuïteit van zijn beweging in het midden van de 20e eeuw, ondanks ook de onmogelijkheid van
permanente massaorganisaties in de kapitalistische vervalperiode - is staat is
geweest tot het behouden en soms tot het aanzienlijk verbreden van het
gezichtsveld van het georganiseerde debat. De arbeidersbeweging heeft deze
traditie in ere gehouden, ondanks de onderbrekingen, gedurende bijna twee
eeuwen. En er zijn momenten geweest - zoals tijdens de revolutionaire
bewegingen in Frankrijk, Duitsland of Rusland - waarbij miljoenen mensen bij
dit proces waren betrokken. Hier werd kwantiteit omgevormd tot kwaliteit.

Deze
kwaliteit is echter niet enkel het product van het feit dat het proletariaat,
ten minste in de geïndustrialiseerde landen, de meerderheid vormt van de
bevolking. Wij hebben reeds gezien hoe de moderne wetenschap en de theorie, na
haar roemrijke start tijdens de Renaissance, werden verstoord en gehinderd in
hun ontwikkeling door de burgerlijke arbeidsdeling. Tot de kern van het
probleem behoort de scheiding van de wetenschap van de producenten in een graad
die niet mogelijk was in het Arabische tijdperk of in de Renaissance. Deze
breuk werd "voltooid in de grootindustrie, die van de wetenschap een
productiekracht maakt die gescheiden wordt van de arbeid, en haar in dienst
stelt van het kapitaal
".18 

De
conclusie van dit proces beschreef Marx in het eerste ontwerp van zijn repliek
aan Vera Sassulitsch: "Deze maatschappij voert een oorlog tegen de
wetenschap, tegen de volksmassa's, tegen de productiekrachten die zij in het
leven heeft geroepen
".

Het
kapitalisme is het eerste economisch systeem dat niet kan bestaan zonder de
systematische toepassing van de wetenschap in de productie. Het moet het
onderwijs van het proletariaat beperken om zijn klasseheerschappij
in stand te houden. Het moet het onderwijs van het proletariaat vooruit
stuwen
om zijn economische positie te behouden. Vandaag wordt de
bourgeoisie meer en meer een cultuurloze en primitieve klasse, terwijl
wetenschap en cultuur in de handen komen van ofwel proletariërs, of betaalde
vertegenwoordigers van de bourgeoisie wier economische en sociale toestand
steeds meer gaat lijken op die van de werkende klasse.

"De
 afschaffing van de
maatschappelijke klassen (...) heeft dus een graad van ontwikkeling van de
productie tot voorwaarde, waarbij de toe-eigening van productiemiddelen en
producten en daarmede van de politieke heerschappij, van het monopolie van de
cultuur en van de geestelijke leiding door een bijzondere maatschappelijke
klasse niet alleen overbodig, maar ook economisch, politiek en intellectueel
een hinderpaal voor de ontwikkeling is geworden. Dit punt is thans bereikt
"19 .

Het
proletariaat is de erfgenaam van de wetenschappelijke tradities van de
mensheid. Nog meer dan in het verleden, zal elke toekomstige revolutionaire
proletarische strijd noodzakelijkerwijze leiden tot een ongehoord opbloeien van
het openbaar debat, tot de aanvang van een beweging naar herstel van de eenheid
tussen wetenschap en arbeid, het bereiken van een globaal begrip dat meer tred
houdt met de eisen van het huidige tijdperk.

De
capaciteit van het proletariaat om nieuwe hoogten te bereiken werd reeds
bewezen met de ontwikkeling van het Marxisme, de eerste wetenschappelijke
benadering voor wat betreft de mensenmaatschappij en haar geschiedenis. Alleen
het proletariaat was er toe in staat de hoogste verworvenheden van het
burgerlijke filosofische denken te assimileren: de filosofie van Hegel. De twee vormen van
dialectiek die bekend waren in de Oudheid waren de dialectiek van de
verandering (Heraclitus) en de dialectiek van de interactie (Plato,
Aristoteles). Enkel Hegel slaagde erin deze twee vormen te combineren en legde
hiermee de grondvesten voor een werkelijke historische dialectiek.

Hegel
voegde een nieuwe dimensie toe aan het hele begrip van debat door een meer
diepgaande aanval dan ooit te voeren op de strakke metafysische tegenstelling
tussen waar en onwaar. In de inleiding tot zijn ‘Fenomenologie van de geest'
toonde hij aan hoe de verschillende en tegenstrijdige fases van een
ontwikkelingsproces - zoals de geschiedenis van de filosofie - een organische
éénheid vormen, zoals de bloesem en de vrucht. Hegel legde uit dat het falen om
dit te erkennen verbonden was met de tendens om zich te concentreren op de tegenstrijdigheid
en het uit het oog verliezen van de ontwikkeling. Door deze dialectiek
op zijn voeten te zetten, was het Marxisme in staat om de meest progressieve
kant van Hegel op te slorpen, het begrijpen van toekomstgerichte processen.

Het
proletariaat is de eerste klasse die tegelijk revolutionair en uitgebuit is. In
tegenstelling tot voorafgaande revolutionaire klassen, die uitbuiters waren,
wordt zijn zoektocht naar de waarheid niet begrensd door enig belang tot
zelfbehoud als klasse. In tegenstelling tot voorafgaande uitgebuite klassen,
die enkel konden overleven  door zichzelf
te troosten met (voornamelijk religieuze) zinsbegoochelingen, eist zijn
klassebelang het loslaten van zinsbegoochelingen. Als dusdanig is het
proletariaat de eerste klasse die een natuurlijke tendens vertoont om,
van zodra zij nadenkt, zich organiseert en strijdt op haar eigen terrein, te
streven naar verheldering.

Deze
unieke aard van het proletariaat werd door het Bordigisme vergeten toen het
zijn begrip uitvond van de onverander-lijkheid (‘invariance'). Zijn vertrekpunt
is correct: de nood om loyaal te blijven aan de grondbeginselen van het
Marxisme tegenover de burgerlijke ideologie. Maar de conclusie dat het
noodzakelijk is om het debat te beperken, of zelfs af te schaffen om aan de
klassestandpunten vast te houden, is een product van de contra-revolutie. De
bourgeoisie heeft veel beter begrepen dat, om de arbeidersklasse mee te sleuren
op het terrein van het kapitaal, het boven alles noodzakelijk is om haar
debatten te onderdrukken en te dwarsbomen. Terwijl zij dat bij de aanvang
vooral probeerde via een wrede onderdrukking, heeft zij sindsdien meer
doeltreffende wapens ontwikkeld zoals de parlementaire ‘democratie' en de
sabotage door de linkerzijde van het kapitaal. Het opportunisme heeft dit ook
al lang begrepen. Aangezien zijn onsamenhangendheid zijn wezenlijk kenmerk is, moet het
zich verbergen en het open debat schuwen. De strijd tegen het opportunisme en
de nood aan een debatcultuur zijn niet alleen niet tegenstrijdig; ze zijn
onmisbaar voor elkaar.

Zo
een cultuur sluit helemaal niet de passievolle confrontatie van politieke
standpunten uit, integendeel. Maar het betekent niet dat het politiek debat noodzakelijkerwijze
traumatisch moet zijn, met overwinnaars en overwonnenen, dat het moet leiden
tot splitsingen. Het meest leerrijke voorbeeld van de ‘kunst' of de
‘wetenschap' van het debat in de geschiedenis, is dat van de Boljevistische
Partij tussen Februari en Oktober 1917. Zelfs in de context van massale
toevloed van vreemde ideologie, bleven die discussies passioneel, maar
bijzonder broederlijk, en een inspiratiebron voor alle deelnemers. En het
maakte bovenal mogelijk wat Trotsky de ‘herbewapening' van de partij noemde, het herafstellen van
haar politiek naargelang de veranderende eisen van het revolutionaire proces,
wat één van de allereerste voorwaarden is voor de overwinning.

De
‘Bolsjevistische Dialoog' vereist een inzicht dat niet alle debatten dezelfde
betekenis hebben. De polemiek van Marx tegen Proudhon was compleet afbrekend,
omdat hij tot doel had een bepaalde visie naar de vuilnisbak van de
geschiedenis te sturen, een visie die een hindernis was geworden voor de
bewustzijnsontwikkeling van de ganse arbeidersbeweging. Maar, terwijl hij
verwikkeld zat in een titanische strijd tegen Hegel, en tegen het utopisch
socialisme, verloor de jonge Marx op geen enkel moment zijn enorm respect voor
Hegel, Fourier, Saint Simon en Owen. En hij droeg er toe bij om ze voor
altijd  te koesteren als ons
gemeenschappelijk erfgoed. Engels zou later schrijven dat er zonder Hegel geen
sprake zou geweest zijn van Marxisme, en dat zonder de utopisten, geen
wetenschappelijk socialisme denkbaar was zoals wij dat nu kennen.

De
ergste crises in de arbeidersbeweging, de IKS inbegrepen, werden voor het
merendeel veroorzaakt, niet door het bestaan van meningsverschillen als
dusdanig, hoe fundamenteel ook, maar door het vermijden en zelfs door de
openlijke sabotage van het debat en van het verhelderingsproces. Het
opportunisme maakt voor dit doel gebruik van alle mogelijke middelen. Dit houdt
niet alleen in, het afzwakken van belangrijke meningsverschillen, maar eveneens
het opkloppen van tweederangs meningsverschillen, of het uitvinden van
niet-bestaande. Het maakt ook gebruik van persoonlijke aanvallen en zelfs van
laster.

Het
dode gewicht op de arbeidersbeweging van het dagdagelijkse gezonde verstand
enerzijds en van een onkritisch, bijna religieus vastklampen aan bepaalde gewoontes
en tradities, anderzijds, werd door Lenin gelinkt aan wat hij de kringgeest
noemde. Hij had fundamenteel gelijk in zijn strijd tegen de onderwerping van
het proces van de opbouw van de organisatie en van haar politiek leven aan de
‘spontaniteit' van het dagdagelijkse gezonde verstand en zijn gevolgen. "De
spontane
beweging langs de lijn van de geringste weerstand leidt juist
tot de heerschappij van de burgerlijke ideologie. Waarom toch, vraagt de lezer
? Om de eenvoudige reden dat de burgerlijke ideologie in haar afkomst veel
ouder is dan de socialistische, omdat ze veelzijdiger is uitgewerkt, omdat ze
over onvergelijkelijk meer middelen ter verbreiding beschikt
"20 .

Kenmerkend
voor de mentaliteit van de kringgeest, is de personalisatie van debatten, de
tendens om de politieke argumentatie te vervangen door polarisatie, niet op wat
er gezegd is, maar op wie het zegt. Het spreekt vanzelf dat deze
personalisatie een enorme hindernis is voor een vruchtbare collectieve
discussie.

Reeds
de Socratische Dialoog begreep dat de ontwikkeling van debat niet enkel
een kwestie is van denken; het is een ethische kwestie. Vandaag dient het
streven naar verheldering de zaak van het proletariaat, terwijl de sabotage van
verheldering het schade toebrengt. In die zin zou de arbeidersklasse het motto
kunnen aannemen van de Duitse verlichte Lessing, die zei dat er één zaak was
die hij nog meer liefhad dan de waarheid, namelijk het op zoek gaan naar de
waarheid
.

De strijd
tegen het sektarisme en het ongeduld

De krachtigste voorbeelden van een
debatcultuur als wezenlijke element van de proletarische massabeweging werden
verschaft door de Russische Revolutie.21  De klasse-partij, verre van
het tegen te werken, behoorde tot de voorhoede van deze dynamiek. De discussies
binnen de partij in Rusland in 1917 draaiden rond vraagstukken als de
klasse-aard van de revolutie, over het wel of niet ondersteunen van het verder
zetten van de imperialistische oorlog, en hoe en wanneer de macht te grijpen.
Desondanks bleef de éénheid van de partij behouden ondanks politieke
crisissen, waarbij het lot van de wereldrevolutie, en daarmee verbonden dat van
de mensheid, op het spel stonden.

Toch
toont ons de geschiedenis van de proletarische klasse, in het bijzonder die van
de georganiseerde arbeidersbeweging, dat deze niveaus van debatcultuur niet
altijd bereikt worden. Wij hebben reeds het herhaalde binnensluipen vermeld van
monolithische benaderingen in de IKS. Het is niet verwonderlijk dat dit
binnensluipen dikwijls aanleiding gaf tot afsplitsingen van de organisatie.
Binnen het kader van het monolithisme, kunnen meningsverschillen niet door het
debat opgelost worden en leiden ze noodzakelijkerwijze  naar een breuk en de afscheiding.
Desalniettemin is het probleem niet opgelost door het afsplitsen van die
elementen die de belichaming waren op een karikaturale wijze van die
benadering. De mogelijkheid dat zulke niet-proletarische benaderingen telkens
weer opduiken is een aanwijzing van het bestaan van wijdverspreide zwakheden
ontrent dit vraagstuk binnen de organisatie zelf. Dit zit dikwijls vervat in
kleine en bijna onmerkbare verwarringen en misvattingen in het dagdagelijkse
leven en de discussies, die de weg kunnen banen voor ernstigere moeilijkheden
onder bepaalde omstandigheden. Eén ervan is de tendens om elk debat te stellen
in termen van confrontatie tussen Marxisme en Opportunisme, van polemische
strijd tegen de burgerlijke ideologie. Een van de gevolgen ervan is het debat
af te remmen, door de kameraden de indruk te geven dat zij niet langer het
recht hebben om zich te vergissen of verwarringen uit te drukken. Een ander
gevolg is de ‘banalisering' van het opportunisme. Als wij het overal in zien
(en roepen ‘daar is de wolf' bij het opduiken van het minste meningsverschil)
zullen wij waarschijnlijk niet in staat zijn het te herkennen als het werkelijk
opduikt. Een andere zaak is het probleem van het ongeduld bij de debatten, uitlopend
op een onvermogen om te luisteren naar argumenten van de tegenpartij en een
tendens om de discussies te willen monopoliseren, om de ‘tegenstanders' te
vermorzelen, om de anderen ‘ten allen prijze' te willen overtuigen.22 

Wat
al deze benaderingen gemeen hebben is het gewicht van het kleinburgerlijk
ongeduld, het gebrek aan vertrouwen in de levendige praktijk van de collectieve
verheldering binnen het proletariaat. Ze drukken de moeilijkheden uit om te
aanvaarden dat discussie en verheldering, een proces zijn. Zoals alle
fundamentele processen van het sociaal leven, heeft het een innerlijk ritme en
eigen ontwikkelingswetten. De ontplooiing ervan komt overeen met de beweging
van verwarring naar helderheid, bevat fouten, verkeerde oriëntaties en hun correctie.
Dergelijke processen vereisen tijd als ze werkelijk diepgaand willen zijn. Ze
kunnen versneld worden maar niet kortgesloten. Hoe breder de deelname in dit
proces, hoe meer de deelname van de ganse klasse wordt aangemoedigd en
verwelkomd, hoe rijker het wordt.

In
haar polemiek tegen Berstein,23  stipte Rosa Luxemburg de
fundamentele tegenstrijdigheid aan van de arbeidersstrijd als een beweging
binnen het kapitalisme, maar strevend naar een doel dat daarbuiten ligt. Vanuit
deze tegenstrijdige aard vloeien de twee belangrijkste gevaren voort voor deze
beweging. Het eerste daarvan is het opportunisme, wat een openheid betekent
naar de fatale invloed van de klasse-vijand. Het motto van deze afwijking van
het pad van de klassenstrijd is: "de beweging is alles, het einddoel is
niets
". Het tweede belangrijkste gevaar is het sektarisme, wat neerkomt op
het gebrek aan openheid voor de invloed van de eigen klasse, het proletariaat.
Het motto van deze afwijking is: "het doel is alles, de beweging is niets".

In
het verlengde van de verschrikkelijke contrarevolutie, die volgde op de
nederlaag van de Wereldrevolutie, op het einde van de Eerste Wereldoorlog,
ontwikkelde er zich binnen wat overbleef van het revolutionaire kamp, de fatale
misvatting dat het mogelijk zou zijn om het opportunisme te bestrijden via het
sektarisme. Deze benadering, die slechts leidt tot steriliteit en verstening,
slaagt er niet in te erkennen dat opportunisme en sektarisme twee kanten zijn
van eenzelfde medaille, aangezien beiden doel en beweging scheiden. Zonder de
volledige deelname van de revolutionaire minderheden in het werkelijke leven en
de beweging van hun klasse, kan het doel van het kommunisme niet worden
bereikt.

 

[1] Zelfs jonge revolutionairen die zo theoretisch rijp en helder waren als
Marx en Engels dachten - ten tijde van de sociale omwentelingen van 1848 - dat
het kommunisme min of meer snel op de dagorde zou staan. Een veronderstelling
die zij vlug hebben moeten herzien en opbergen.

2 Lees de ‘Stellingen over de
studentenbeweging van 2006 in Frankrijk', in de Internationale Revue
n°19 (NL)

3 In de schoot van het proletarisch
kamp, wordt dit standpunt getheoretiseerd door de zogenaamde ‘bordigistische'
stroming.

4 De biografieën en herinneringen
van revolutionairen uit het verleden staan vol van voorbeelden van hun vermogen
tot discussie en in het bijzonder, tot luisteren. Op dit vlak was Lenin zeer
befaamd maar hij was niet de enige. Om maar één voorbeeld te geven: de
herinneringen van Fritz Sternberg over zijn ‘Gesprekken met Trotsky' (geschreven in 1963). "In zijn gesprekken met mij was Trotsky uiterst beleefd. Hij onderbrak
mij bijna nooit, enkel om mij te vragen iets uit te leggen of meestal om  een woord of een concept te ontwikkelen
".

5 Ontrent dit onderwerp, lees
hiervoor de artikels n°110 en 114 van de International Review,
‘Buitengewone Conferentie van de IKS: De strijd ter verdediging van de
organisatorische principes' en ‘Het 15e Congres van de IKS: De organisatie versterken
tegenover de inzet van de periode'.

6 Zie ‘Vertrouwen en solidariteit in
de strijd van het proletariaat' en ‘Marxisme en ethiek' in de International
Review n° 111,112, 127 en 128.

7 Zie onze boeken over ‘De
Italiaanse Komunistische Linkerzijde' en de ‘Duits-Hollandse Linkerzijde'.

8 De Franse Kommunistische Linkerzijde
zou die visie levendig houden na de ontbinding van de Italiaanse Fractie. Zie
bijvoorbeeld de kritiek op het begrip van de ‘geniale chef', herdrukt in de International
Review n°33 en die van de notie van discipline die de militanten beschouwt
als eenvoudige uitvoerders van die niet hoeven te discussiëren over politieke
oriënteringen van de organisatie in de International Review n°34.   

9 Engels, De oorsprong van de familie, het particulier eigendom en de Staat.

10 Engels, Ludwig Feuerbach, begin
van het 2e hoofdstuk.

11 Engels, De dialectiek van de
natuur, hoofdstuk: ‘De wetenschap van de natuur in de wereld van de geesten'.

12 Marx : Capital, volume 3, chapter 48, ‘The Trinitary Formula',
beginning of part 3

13 Engels: Dialectiek van de Natuur.

14 Ontrent de ontwikkelingen in Azië
rond 500 v.C., zie hierover de lezingen die August Thalheimer hield in de
Sun-Yat-Sen universiteit in Moskou in 1927: Introduction
to Dialectical Materialism
:
www.marxists.org/archive/thalheimer/works/diamat/index.htm

15 August Bebel : Die
Mohammedanisch-Arabische Kultuepoche (1889). Hoofdstuk VI. Wetenschappelijke ontwikkeling., Dichtkunst.

16 Ibid.

17 Friedrich Engels, Dialectiek van de Natuur.

18 K. Marx, ‘Het Kapitaal', Hoofdstuk
12, ‘Arbeidsverdeling en Manufactuur', sectie 5: ‘Het kapitalistische karakter
van de Manufactuur', p.267, De Haan - Haarlem, 1978.

19 F. Engels : ‘Anti-Dühring', Deel III :
‘Socialisme'. Hoofdstuk II : ‘Theoretische Kwesties'.

20 W.I. Lenin : ‘Wat te doen ?'. Deel II :
‘Spontaniteit van de Massa's en Bewustzijn van de Sociaal-democratie. Einde van
deel b) ‘Het Verheerlijking van de Spontaniteit'. Rabotschaja Mysl.

21 Zie bijvoorbeeld Trotsky: ‘Geschiedenis van de Russische Revolutie',
of van John Reed: ‘Tien dagen die de
wereld schokten
'.

22 Het Rapport over de 17e Congres van de IKS in  ‘International Review n°130', gaat
dieper in op deze vraagstukken.

23 Rosa Luxemburg: Sociale hervorming of revolutie

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: