Presentatie van het 20e Internationale Congres van de IKS

Printvriendelijke versieSend by email

De IKS heeft onlangs haar 20e Internationaal Congres gehouden. Het Congres van een communistische organisatie is één van de belangrijkste momenten in haar leven en activiteit. Via delegaties, aangeduid door elk van haar afdelingen, maakt heel de organisatie de balans op van haar activiteiten, analyseert ze op diepgaande wijze de internationale situatie, stelt ze perspectieven op en kiest ze een centraal orgaan, dat tot taak heeft ervoor te zorgen dat de beslissingen van het congres uitgevoerd worden.

Omdat wij overtuigd zijn van de noodzaak van debat en samenwerking tussen organisaties, die strijden voor de omverwerping van het kapitalistisch systeem, nodigden we drie groepen uit – twee uit Korea en OPOP uit Brazilië, dat al eerder deelnam aan onze internationale congressen. Omdat het werk van een congres van een kommunistische organisatie geen 'interne' aangelegenheid is, maar van belang is voor de arbeidersklasse als geheel, willen wij hierbij onze lezers informeren over de essentiële kwesties die bediscussieerd werden.

Het Congres had plaats tegen de achtergrond van toenemende spanningen in Azië, de voortdurende oorlog in Syrië, een erger wordende economische crisis en een klassenstrijd die gekenmerkt wordt door de trage ontwikkeling van 'klassieke' strijd tegen de economische aanvallen van de bourgeoisie, maar ook door de wereldwijde opkomst van sociale bewegingen, waarvan de meest kenmerkende voorbeelden de Occupy-beweging in de VS en de 'Indignados' in Spanje zijn.

Analyse van de wereldsituatie – een uitdaging die een belangrijke theoretische inspanning vereist

De Resolutie over de Internationale Situatie, aangenomen op het 20 Congres, vat de analyses samen die voortkwamen uit de discussies. De tekst ervan is gepubliceerd op de site van de IKS, dus komen we er hier niet in detail op terug.

De Resolutie herinnert aan het historisch kader waarin we de huidige situatie van de maatschappij moeten begrijpen – het verval van de kapitalistische productiewijze, wier begin gemarkeerd werd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog I; en de finale fase van het verval, die door de IKS sinds het midden van de jaren 1990 gedefinieerd werd als de fase van ontbinding, van een maatschappij die totaal aan het verrotten is. De sociale ontbinding wordt duidelijk geïllustreerd door de vorm die de imperialistische conflicten vandaag aannemen, met de situatie in Syrië als een bijzonder tragisch voorbeeld, zoals we kunnen zien in het verslag over de imperialistische spanningen dat door het Congres aanvaard werd en dat gepubliceerd werd op de website. Dit wordt echter eveneens geïllustreerd door de rampzalige aftakeling van het milieu, die de heersende klasse, ondanks al haar alarmerende verklaringen en campagnes, niet in staat is te voorkomen, of zelfs maar af te remmen.

 

Het Congres hield geen specifieke discussie over de imperialistische conflicten omdat onze voorbereidende discussies al een uitgebreide mate van overeenstemming over deze kwestie hadden laten zien. Maar het Congres hoorde een presentatie aan van de Koreaanse groep Sanoshin over de imperialistische spanningen in het Verre Oosten, die wij als een bijlage op onze website hopen te publiceren.

Over de economische crisis

Omdat ze de tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze niet kan overwinnen, verkeert de bourgeoisie -zoals de Resolutie aangeeft - in een patstelling, een overtuigende bevestiging van de marxistische analyse. Alle 'deskundigen', of ze het 'neo-liberalisme' nu ondersteunen of verwerpen, bekijken de marxistische analyse met de minachting van de onwetenden. Maar bovenal bestrijden ze haar, juist omdat ze het historisch bankroet van deze productiewijze voorspelt en de noodzaak vooropstelt om die te vervangen door een maatschappij waarin de markt, de winst en loonarbeid naar het museum van de geschiedenis verwezen worden. De Resolutie stelt een maatschappij voor waarin de mensheid vrij zal zijn van de blinde wetten die haar vandaag naar de barbaarsheid slepen, en waarin ze zal kunnen leven volgens het principe “van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!”.

Wat betreft de huidige toestand van de crisis van het kapitalisme stelde het Congres zeer duidelijk dat de huidige ‘financiële crisis’ in geen geval aan de basis ligt van de tegenstellingen die de wereldeconomie teisteren, noch liggen de wortels ervan in de ‘financialisering van de economie’ en in de obsessie voor snelle winst en speculatie. “Integendeel: de bron van de ‘financialisering’ is gelegen in de overproductie en het feit dat het steeds riskanter wordt om te investeren in de productie. De wereldmarkt raakt steeds meer verzadigd en dit gegeven stuurt de vloed van financiële middelen steeds meer in de richting van speculatie. Dit is de reden waarom alle ‘linkse’ economische theorieën, die oproepen tot een ‘beteugeling van de internationale financiën’ om uit de crisis te komen, onbetekende dromen zijn daar ze de werkelijke oorzaken ‘vergeten’ van deze opzwelling van de financiële sfeer.” (Resolutie over de Internationale Situatie, punt 10)

Het Congres erkende ook dat “De crisis van de ‘rommelhypotheken’ in 2007, de reusachtige financiële paniek en de recessie van 2009 markeerden een nieuwe en zeer belangrijke etappe in de neergang van het kapitalisme naar een onomkeerbare crisis”. (idem, punt 11)

Nadat dit is geconstateerd, concludeerde het Congres dat onze organisatie verre van unaniem is over de economische crisis en dat het nodig zal zijn de discussie voort te zetten over een aantal kwesties, zoals de kwestie of de verergering van de crisis in 2007 een kwalitatieve breuk betekende, die een nieuw hoofdstuk opent in de geschiedenis doordat de economie naar een onmiddellijke en snelle ineenstorting wordt gedreven? Wat was de betekenis van de gebeurtenissen in 2007? Meer in het algemeen: wat voor soort ontwikkeling van de crisis mogen we verwachten: een plotselinge ineenstorting of een trage, politiek 'beheerde' neergang? Welke landen zullen het eerst wegzinken en welke het laatst? Heeft de heersende klasse nog keuzes, manoeuvreerruimte, en welk fouten probeert ze te vermijden? Of algemener: wanneer ze de economische crisis en haar perspectieven analyseert, kan de heersende klasse de te verwachten reacties van de arbeidersklasse dan veronachtzamen en doet ze dat ook? Met welke criteria houdt de heersende klasse rekening wanneer ze in verschillende landen soberheidsprogramma's doorvoert? Bevinden we ons in een situatie waarin de heersende klasse de arbeidersklasse overal op dezelfde wijze kan aanvallen, zoals dat in Griekenland is begonnen? Moeten we een herhaling verwachten van de aanvallen op dezelfde schaal (loonsverminderingen tot 40%, enzovoort) in de oude centrale industrielanden? Wat is het verschil tussen de crisis van 1929 en die van vandaag? Hoever is de verpaupering in de grote industrielanden gevorderd?

De organisatie herinnerde eraan dat we, na 1989, spoedig in staat waren de fundamentele veranderingen te voorspellen op imperialistisch vlak en met betrekking tot de klassenstrijd, die zich aandienden na de ineenstorting van het Oostblok en de zogenaamde 'socialistische' landen (1) We voorzagen echter niet de grote economische veranderingen die er sindsdien plaatsgevonden hebben.. Wat was bijvoorbeeld het effect op de wereldeconomie van China's en India's keuze om hun vroegere mechanismen, van relatieve economische autarkie, op te heffen?

Zoals we dat deden in verband met het debat, dat we enkele jaren geleden in onze organisatie voerden over de mechanismen die de 'boom' na de Tweede Wereldoorlog mogelijk gemaakt hadden (2), zullen we onze lezers vanzelfsprekend de voornaamste elementen van dit debat uiteenzetten zodra de discussie erover een voldoende niveau van helderheid bereikt heeft.

Over de klassenstrijd

Het rapport over de klassenstrijd voor dit Congres maakte de balans op van de laatste twee jaar (van de Arabische lente, de Indignados, de Occupy-bewegingen, tot de strijd in Azië) en de moeilijkheden van de klasse om een antwoord te geven op de steeds verder toenemende aanvallen van de kapitalisten in Europa en de VS. De discussies op het Congres gingen vooral over twee kwesties: hoe kunnen we de moeilijkheden van de arbeidersklasse verklaren om op ‘gepast wijze’ op de toenemende aanvallen te reageren? Waarom evolueren we nog niet naar een revolutionaire situatie in de oude centrale industrielanden? Welke beleidslijnen stelt de heersende klasse op om massale strijd te vermijden in de oude industriecentra? Wat zijn de voorwaarden voor de massastaking?

Welke rol speelt de arbeidersklasse in Oost-Azië, in het bijzonder in China, in de globale krachtsverhouding tussen de klassen? Wat kunnen wij verwachten van de klasse? Heeft het centrum van de wereldeconomie, en van het wereldproletariaat, zich verplaatst naar China? Hoe moeten we de veranderingen opvatten in de samenstelling van de arbeidersklasse wereldwijd? Het debat bracht ons standpunt in herinnering over de ‘zwakke schakel’ dat we in de jaren 1980 ontwikkelden tegen Lenins idee dat de keten van kapitalistische overheersing zou breken op zijn ‘zwakste schakel’ (3), dat wil zeggen de minst ontwikkelde landen.

Ook al legden de discussie geen meningsverschillen bloot over het rapport (dat samengevat is in de het deel van de Resolutie over Klassenstrijd), dan waren we toch van mening dat de organisatie dieper moet ingaan op deze kwestie, in het bijzonder door het volgende thema te bediscussiëren: “welke methode moeten we gebruiken om de klassenstrijd in de huidige historische periode te analyseren?”

Over het leven en de activiteiten van de organisatie

Discussies over het leven van de organisatie, over de balans en de perspectieven van zijn activiteiten en functionering namen een belangrijk deel in beslag van de agenda van het 20e Congres, zoals dat ook het geval was op eerdere congressen. Dit is een uitdrukking van het feit dat de organisatiekwestiee niet zomaar ‘technische’ kwesties zijn, maar een politieke kwestie op zich en dat ze met zoveel mogelijk diepgang benaderd moet worden. Wanneer we terugblikken op de geschiedenis van de drie Internationales, die de arbeidersklasse heeft gecreëerd, dan kunnen we zien dat deze kwesties altijd resoluut ter harte genomen werden door hun marxistische vleugel, zoals - naast vele andere - door volgende voorbeelden geïllustreerd worden:

• de strijd van Marx en de Centrale Raad van de Internationale Arbeiders Associatie tegen de Alliantie van Bakoenin, vooral op het Congres in Den Haag in 1872;

• de strijd van Lenin en de Bolsjewiki tegen de kleinburgerlijke en opportunistische opvattingen van de Mensjewiki tijdens het Tweede Congres van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1903 en daarna;

• de strijd van de Linkerfractie van de Kommunistische Partij van Italië tegen de degeneratie van de Internationale en om de politieke en programmatische voorwaarden voor te bereiden voor een nieuwe proletarische partij, als de historische voorwaarden daarvoor rijp zullen zijn.

De historische ervaring van de arbeidersbeweging heeft aangetoond dat specifieke politieke organisaties, die het revolutionair perspectief verdedigen binnen de arbeidersklasse, onmisbaar zijn om de klasse in staat te stellen het kapitalisme omver te gooien en een kommunistische maatschappij te scheppen. Maar de proletarische politieke organisaties kunnen niet zomaar uitgeroepen worden, ze moeten opgebouwd worden. Omdat het doel de omverwerping van het kapitalistisch systeem is, en omdat een kommunistische maatschappij enkel opgebouwd kan worden als de macht van de bourgeoisie omvergeworpen is en een einde gemaakt is aan het kapitalisme, moet een revolutionaire organisatie opgebouwd worden binnen de kapitalistische maatschappij. Daarom moet de opbouw van de organisatie allerlei soorten druk en hindernissen confronteren, die voortkomen uit het kapitalistisch systeem en zijn ideologie. Dit betekent dat dit proces van opbouw niet in een vacuüm plaatsvindt. Revolutionaire organisaties zijn als een vreemd lichaam binnen de kapitalistische maatschappij, die het systeem voortdurend willen vernietigen. Een revolutionaire organisatie is daarom voortdurend gedwongen zich te verdedigen tegen een hele waaier van bedreigingen vanuit de kapitalistische maatschappij. Vanzelfsprekend moet het weerstaan aan de repressie. De heersende klasse heeft nooit geaarzeld, als ze zich ertoe genoodzaakt zag, haar politie en ook haar militaire strijdkrachten te ontketenen om de stemmen van de revolutionairen het zwijgen op te leggen. De meeste organisaties in het verleden hebben lange tijd bestaan onder repressieve omstandigheden: zij werden ‘buiten de wet’ gesteld en vele militanten werden in ballingschap gedreven. Maar deze repressie heeft hen zelden verpletterd; integendeel: het heeft hun vastberadenheid vaak gesterkt en hen geholpen zich te verdedigen tegen democratische illusies. Dat was bijvoorbeeld het geval met de SPD in Duitsland gedurende de anti-socialistische wetten, die veel beter weerstond aan het gif van ‘democratie’ en ‘parlementarisme’ dan ze deed gedurende de periode waarin ze legaal was.

De revolutionaire organisatie moet ook bestand zijn tegen een vernietiging van binnenuit – infiltratie van spionnen, informanten, avonturiers enz. die vaak meer schade kunnen toebrengen dan openlijke repressie.

Tenslotte en bovenal moet ze de druk weerstaan van de heersende ideologie, in het bijzonder democratisme en ‘gezond verstand’, dat openlijk bestreden werd door Marx. Zij moeten vechten tegen alle ‘waarden’ en ‘principes’ van de kapitalistische maatschappij. De geschiedenis van de arbeidersbeweging leert ons, met het opportunistische koudvuur, dat de 2e en 3e Internationale aantastte, dat de voornaamste bedreiging voor revolutionaire organisaties juist ligt op het vlak van hun onvermogen het binnendringen van ‘waarden’ en denkgewoontes van de bourgeoismaatschappij te bestrijden.

Daarom kan een revolutionaire organisatie niet op dezelfde wijze functioneren als de kapitalistische maatschappij; ze moet op een associatieve wijze functioneren.

De kapitalistische maatschappij werkt door concurrentie, vervreemding, het ‘vergelijken’ met elkaar, het vaststellen van normen, stroomlijning. Een kommunistische organisatie vereist samenwerking en het overwinnen van de competitiegeest. Ze kan enkel functioneren als haar leden niet handelen als een kudde schapen, die in de pas lopen en blindelings aanvaarden wat de centrale organen of andere kameraden zeggen. Het zoeken naar waarheid en helderheid moet voortdurend alle activiteiten van de organisatie stimuleren. Onafhankelijk denken, het vermogen tot overdenking, dingen in vraag te stellen zijn vitaal. Dit betekent dat we ons niet kunnen verschuilen achter een collectief, maar dat we onze individuele verantwoordelijkheid moeten opnemen door onze opinies uit te drukken en aansturen op verheldering. Conformisme is een grote hindernis voor onze strijd voor kommunisme.

Als je je in de kapitalistische maatschappij niet conformeert aan de norm, word je al snel ‘uitgesloten’ en tot zondebok gemaakt, degene die de schuld krijgt van alles. Een revolutionaire organisatie moet een wijze van functioneren invoeren, waarbij allerlei verschillende individuen en persoonlijkheden geïntegreerd kunnen worden in één groot geheel. Dat vereist de kunst van het putten uit de rijkdom van alle persoonlijkheden. Dat betekent een gevecht tegen persoonlijke trots en andere ideeën die verband houden met competitie. Het betekent dat de bijdrage van elke kameraad op prijs gesteld wordt. En tegelijk betekent het dat de organisatie een stel regels moet bezitten die steunen op ethische principes. Die moeten uitgewerkt worden en dat is een politieke strijd op zich. Terwijl de ethiek van de kapitalistische maatschappij geen scrupules kent, moet het doel van de proletarische strijd in harmonie zijn met de middelen van die strijd.

De bouw en functionering van een organisatie omvat dus een theoretische en een morele dimensie, die beide een constante en bewuste inspanning vergen. Iedere traagheid of twijfel, elke vermindering van de inspanningen en gebrek aan waakzaamheid op het ene vlak maakt de weg vrij voor een verzwakking op het andere. Deze beide dimensies zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden en bepalen elkander wederzijds. Hoe minder theoretische inspanningen een organisatie doet, hoe gemakkelijker en sneller de morele achteruitgang kan plaatsvinden. Tegelijkertijd zal het verliezen van het morele kompas onvermijdelijk leiden tot een verzwakking van de theoretische capaciteiten. Zo toonde Rosa Luxemburg, op het keerpunt van de 19e en 20e eeuw, aan dat de opportunistische koers van de Duitse Sociaal-Democratie hand in hand ging met haar morele en theoretische terugval.

Eén van de meest fundamentele aspecten van het leven van een kommunistische organisatie is haar internationalisme, niet enkel op het vlak van de principes, maar ook op het vlak van de opvatting die ze heeft van haar eigen levenswijze en haar wijze van functioneren.

 

Het doel – een maatschappij zonder uitbuiting en die produceert voor de behoeften van de mensheid – kan enkel bereikt worden op internationaal vlak en vereist de eenmaking van het proletariaat over alle grenzen heen. Dat is waarom internationalisme, sinds zijn eerste verschijnen, de leuze van het proletariaat is geweest. Revolutionaire organisaties moeten de voorhoede zijn door een internationaal standpunt in te nemen en elk 'lokalistisch' perspectief te bestrijden.

Hoewel het proletariaat vanaf zijn ontstaan altijd geprobeerd heeft zich internationaal te organiseren (de Kommunistenbond 1847-1852 was de eerste internationale organisatie), is de IKS de eerste organisatie die internationaal gecentraliseerd is, en waarin alle afdelingen dezelfde standpunten verdedigen. Onze afdelingen zijn geïntegreerd in de internationale debatten in onze organisatie, waarbij al onze leden – over de continenten heen – kunnen leren van de ervaring van de gehele organisatie. Dit betekent dat we moeten leren militanten van uiteenlopende achtergronden bijeen te brengen, leren hoe debatten te voeren ondanks de vele talen – wat het tot een inspirerend proces maakt - waarbij de verheldering en verdieping van onze standpunten verrijkt wordt door de bijdragen van de kameraden verspreid over de hele planeet.

Last but not least is het van levensbelang voor de organisatie om een duidelijk begrip te hebben van de rol die ze moet spelen in de proletarische emancipatiestrijd. Zoals de IKS al vaak benadrukt heeft, is het vandaag niet de taak van de revolutionaire organisatie ‘de klasse of haar strijd te organiseren’ (zoals dat wel het geval kon zijn tijdens de eerste stappen van de arbeidersbeweging in de 19e eeuw). Haar essentiële rol, die al bepaald werd in het Kommunistisch Manifest in 1848, volgt uit het feit dat de kommunisten “vergeleken bij de grote massa van het proletariaat het voordeel hebben een helder begrip te hebben van de marsroute, van de voorwaarden en de uiteindelijke algemene resultaten van de proletarische beweging”. In die zin is de uitwerking van politieke standpunten de permanente en essentiële functie van de organisatie, en om dit te doen kan ze het zich niet veroorloven volledig opgeslorpt te worden door haar taken van interventie in de klasse. Ze moet in staat zijn een stap terug te zetten en zich een algemeen beeld te vormen. Ze moet voortdurend begaan zijn met het uitdiepen van de kwesties die door de klasse als geheel gesteld worden en met het plaatsen van daarvan in een historisch perspectief. Dit betekent dat ze er zich niet toe kan beperken een analyse van de wereldsituatie te maken. Ze moet bredere, onderliggende theoretische kwesties onderzoeken, oppervlakkigheid en de misvormingen door de kapitalistische maatschappij en haar ideologie verwerpen. Dit is een permanente strijd, met een visie op lange termijn, die een hele reeks aspecten omvat die veel verder gaan dan de kwesties, die door de klasse op een of ander moment in de strijd gesteld worden

Omdat de proletarische revolutie niet zomaar een strijd is om ‘brood en boter’, zoals Rosa Luxemburg onderstreepte, maar wel de eerste revolutie in de geschiedenis van de mensheid waarin alle ketenen van uitbuiting en onderdrukking gebroken worden, impliceert deze strijd noodzakelijkerwijs een grote culturele transformatie. Een revolutionaire organisatie heeft niet alleen te maken met kwesties van de politieke economie en de klassenstrijd in een enge zin. Ze moet haar eigen visie ontwikkelen over de meest belangrijke vragen waarmee de mensheid geconfronteerd wordt, haar visies steeds verbreden en openstaan voor en voorbereid zijn opnemen van nieuwe kwesties. Theoretische uitwerking, het zoeken van de waarheid, de wens tot verheldering, dat moet onze dagelijkse passie zijn.

En tegelijkertijd kunnen we onze rol enkel vervullen wanneer de oude generatie van militanten haar ervaring en de lessen die zijn verworven heeft aan de nieuwe militanten doorgeeft. Als de oude generatie geen ‘schat’ aan ervaring en lessen heeft om door te geven aan de nieuwe generatie, dan heeft ze in haar taak gefaald. De opbouw van de organisatie vereist dus de kunst lessen te trekken uit het verleden om de toekomst voor te bereiden.

Zoals we kunnen zien is de opgave om de revolutionaire organisatie op te bouwen uiterst complex en vraagt ze om een permanente strijd. In het verleden heeft onze organisatie al belangrijke gevechten gevoerd voor de verdediging van haar principes. Maar de ervaring leert dat deze gevechten onvoldoende geweest zijn en dat ze voortgezet moeten worden geconfronteerd de moeilijkheden en zwakheden die het resultaat zijn van de oorsprong van onze organisatie en de historische omstandigheden waarin ze haar activiteit voortzet: “Er valt geen unieke exlusieve oorzaak aan te geven voor de verschillende zwakheden van de organisatie. Ze zijn het resultaat van verscheidene factoren die, hoewel ze verband met elkaar houden, duidelijk geïdentificeerd moeten worden:

• Het gewicht van onze oorsprong in de historische heropkomst van het wereldproletariaat aan het einde van de jaren 1960, en in het bijzonder de gevolgen van de breuk in de organische continuïteit;

• Het gewicht van de ontbinding die een impact begon te krijgen halverwege de jaren 1980;

• De druk van de ‘onzichtbare hand van de markt’,  van de verdinglijking, wier stempel op de maatschappij, met het langer voortbestaan van de kapitalistische productieverhoudingen, alleen maar intenser geworden is.

De verschillende zwakheden die we geïdentificeerd hebben, ook al beïnvloeden die elkaar wederzijds, komen in laatste instantie voort uit volgende drie factoren of een combinatie ervan:

• De onderschatting van de theoretische uitwerking, en in het bijzonder met betrekking tot de organisatorische kwesties, vindt haar bron in onze eigen oorsprong zelf: de impact van de studentenrevolte met zijn component zoals kleinburgerlijk academisme, waartegen zich een tendens verzette die anti-academisme verwarde met een minachting voor theorie, en dit in een sfeer van contestatie van de autoriteit, inclusief die van een ‘ouwe rot’ zoals kameraad MC, die veel jonge militanten en dus de organisatie aangetast heeft. Later werd deze onderschatting van theorie gevoed door de algemene sfeer van vernietiging van de overdenking, die kenmerkend is voor de periode van ontbinding, en het toenemende doordringen van het ‘gezond verstand’, een uiting van het verraderlijk binnendringen van de verdinglijking in onze rangen;

• Het verliezen van verworvenheden is een direct gevolg van de onderwaardering van de theoretische uitdieping: de verworvenheden van de organisatie, zij het op het vlak van het programma, van de analyse of van de organisatie, kunnen zich niet handhaven tegen de constante druk van de burgerlijke ideologie,  behalve als ze constant gevoed en ondersteund worden door de theoretische discussie. Een overdenking die niet vooruit gaat, die zich tevreden stelt met het herhalen van vastgeroeste formules, wordt niet enkel bedreigd met stilstand, ze kan enkel achteruitgaan. De oppervlakkigheid in de assimilatie van onze standpunten, dat in het verleden al vaak vastgesteld werd, is de beste waarborg voor het verliezen van onze verworvenheden;

• Immediatisme is een van de jeugdzonden van een organisatie die opgericht werd door jonge militanten die politiek bewust werden op het moment van een spectaculaire heropkomst van de klassenstrijd, en velen van hen dachten dat de revolutie reeds binnen handbereik was. De meest immediatistische kameraden onder ons hielden het niet vol en raakten uiteindelijk ontmoedigd, gaven de strijd op.Maar deze zwakte heeft zich eveneens gehandhaafd onder degenen die zijn gebleven; zij bleef de organisatie doordringen en drukte zich uit bij talrijke gelegenheden. Het is een zwakheid die fataal kan worden omdat ze, gekoppeld aan het verlies van verworvenheden, onvermijdelijk leidt tot opportunisme, een benadering die herhaaldelijk de grondslagen van onze organisatie ondermijnd heeft;

• Routinisme,van zijn kant, is een van de voornaamste uitdrukkingen van het gewicht van vervreemde, verdinglijkte relaties in onze rijen, die overheersen in de kapitalistische maatschappij en die de organisatie in een machine dreigen te veranderen en de militanten in robots. Ze wordt vanzelfsprekend versterkt door de armoede n op het vlak van de theoretische overdenking, die ertoe leidt de bestaansreden van de organisatie uit het oog te verliezen;

• De verkalking volgt voor een groot deel uit het routinisme, zij voedt zich eveneens met het verlies aan de verworvenheden en de theoretische armoede en vormt, derhalve, de tegenhanger van het opportunisme. Zelfs wanneer zij niet leidt tot het verraad zoals laatstgenoemde ziekte (beiden kunnen ook gelijktijdig voorkomen) leidt de verlamming die zij veroorzaakt met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de organisatie, tot de dood van de bekwaamheid van de laatste als actieve factor in de bewustwording van het proletariaat

• De kringgeest vormt, zoals heel de geschiedenis van de IKS bevestigt, net zoals die van de arbeidersbeweging, een van de gevaarlijkste vergiften voor de organisatie. Ze draagt in zich de neiging niet alleen om een instrument van de proletarische strijd tot een ‘stelletje maten’’; niet alleen om de personalisering van politieke kwesties die de debatcultuur verzieken; maar ook om de vernietiging van het collectieve werk en de eenheid van de organisatie, vooral in de vorm van clanisme. Zij is ook verantwoordelijk voor de jacht op zondebokken, die haar morele gezondheid ondermijnt, net zoals ze een van de ergste vijanden is van de cultuur van theorie omdat ze diep en rationeel denken afbreekt ten voordele van gekonkel en roddel. Op dezelfde manier is ze een vaak gebruikte drager van opportunisme, het voorportaal van verraad.” (Resolutie over activiteiten, aanvaard op het Congres, punt 4)

En de IKS is er niet in geslaagd om zich juist van dit vergif te ontdoen tijdens de gevechten die ze sinds bijna veertig jaar heeft gevoerd, zoals men het nog op het 20e congres van haar afdeling in Frankrijk heeft gezien. Het voortbestaan van dit vergif onder ons moet verklaard worden door ons ontstaan uit kringen, maar ook door de verderfelijke gevolgen van de ontbinding (zoals aangestipt wordt door de Orientatietekst van 1993) en het binnendringen van kapitalistische verdinglijking. Dit zijn de drie voornaamste oorzaken voor de moeilijkheden die IKS momenteel ondervindt.

Er bestaan geen magische formules om de strijd aan te gaan tegen de zwakheden en de gevaren die de organisatie bedreigen en we moeten onze inspanningen in verschillende richtingen tegelijk sturen. Een van de punten die bijzondere nadruk kreeg was de noodzaak het routinisme en het conformisme te bestrijden, waarbij erop aangedrongen werd dat de organisatie geen anoniem, uniform lichaam is, maar een associatie van verschillende militanten, die elk hun specifieke bijdrage moeten leveren aan het gemeenschappelijke werk.

Om te kunnen werken aan de opbouw van een echte internationale associatie van kommunistische militanten waarbij iedereen zijn steentje moet kunnen blijven bijdragen aan de collectieve opbouw, verwerpt de organisatie de reactionaire utopie van ‘modelmilitant’, van ‘de standaardmilitant’, van onkwetsbare en onfeilbare ‘supermilitant’.(…) De militanten zijn noch robotten noch ‘Übermenschen’, maar menselijke wezens die verschillende karakters, geschiedenissen hebben en van verschillende sociaal-culturele oorsprong zijn. Alleen door een beter inzicht in onze ‘menselijke aard’ en in de specifieke verscheidenheid van onze soort zal het vertrouwen en de solidariteit tussen de militanten opgebouwd en versterkt kunnen worden.(….) Iiedere kameraad heeft het vermogen een ‘unieke’ bijdrage te leveren aan de organisatie. Hij heeft ook de verantwoordelijkheid om het te doen. In het bijzonder is het de verantwoordelijkheid van iedereen om in het debat zijn standpunt te uiten, in het bijzonder zijn meningsverschillen en vragen, zonder welke de organisatie niet in staat zal zijn om de debatcultuur en de theoretische uitwerking te ontwikkelen. (Resolutie over Activiteiten, punt 9)

Het Congres benadrukte dus in het bijzonder de noodzaak om de taken van theoretische uitwerking vastberaden en doortastend aan te pakken.

De eerste uitdaging voor de organisatie is de bewustwording van de gevaren die voor ons liggen. We kunnen die gevaren niet overwinnen door, op het laatste nippertje, onze toevlucht te zoeken tot ‘blusoperaties’. We moeten alle problemen onderzoeken op basis van een theoretisch-historische benadering en elk pragmatisch, oppervlakkig oordeel verwerpen. Dit betekent dat we een visie op lange termijn moeten ontwikkelen en niet vervallen in een ‘dag-per-dag’ en empirische benadering. Theoretische studie en politieke strijd moeten opnieuw in het middelpunt van de organisatie geplaatst worden van het leven, niet enkel wat betreft onmiddellijke interventie, maar - nog belangrijker - door ons bezig te houden met de diepere theoretische kwesties over het marxisme zelf, zoals die de laatste 10 jaar gesteld werden door de oriëntaties die we onszelf gegeven hebben maar die door de organisatie te weinig ontwikkeld werden. Dit betekent dat we ons de nodige tijd moeten geven om te verdiepen en te strijden tegen conformisme in onze rangen. De organisatie moet het kritisch in vraag stellen van de kwesties, dat de uitdrukking van twijfels en pogingen om de zaken dieper te onderzoeken, aanmoedigen.

We mogen niet vergeten dat “theorie niet de passie van het hoofd, maar wel het hoofd van de passie” is en dat “de theorie een materiële macht wordt zodra zij zich van de massa’s meester maakt.” (Marx) De strijd voor het kommunisme omvat niet alleen een economische en een politieke dimensie, maar ook en boven alles een theoretische dimensie (‘intellectueel’ en moreel). Door de ontwikkeling van de ‘cultuur van de theorie’, dat wil zeggen het vermogen om alle activiteiten van de organisatie voortdurend in een historisch en/of theoretisch kader te plaatsen, kunnen we de debatcultuur ontwikkelen en verdiepen in onze rangen en de dialectische methode van het marxisme beter assimileren. Zonder de ontwikkeling van deze ‘cultuur van de theorie’ zal de IKS op lange termijn niet in staat zijn haar koers te behouden. Alleen zo kan ze zich oriënteren, aanpassen aan onvoorzien situaties, het marxisme doen evolueren en verrijken, dat geen onveranderlijk en onveranderlijk dogma is, maar een levende theorie gericht op de toekomst.

Deze ‘cultuur van de theorie’ is geen kwestie van het opleidingsniveau van de militanten. Ze draagt bij tot de ontwikkeling van een rationeel, zorgvuldig en samenhangend denken dat onmisbaar is voor het vermogen een argumentatie te ontwikkelen, om het bewustzijn van alle militanten vooruit te helpen en de marxistische methode in onze rangen te versterken.

Dit werk van theoretische overdenking kan de bijdrage van de wetenschappen niet ontkennen (en met name de menswetenschappen, zoals psychologie en antropologie), de geschiedenis van de menselijke soort en de ontwikkeling van haar beschaving. Om deze reden was de discussie over het thema ‘Marxisme en wetenschap’ van het grootste belang en de vooruitgang die ze mogelijk gemaakt heeft, moet aanwezig blijven en versterkt worden in het denken en leven van de organisatie.

De uitnodiging van wetenschappers

Deze interesse voor de wetenschappen is niet nieuw voor de IKS. Vooral in de artikels over onze vorige congressen hebben we gesproken over het uitnodigen van wetenschappers die, door de overdenkingen uit hun eigen studieterreinen aan te dragen, een bijdrage geleverd hebben aan de overdenking binnen de hele organisatie. Dit keer nodigden we de Britse antropologen Camilia Power en Chris Knight uit, die al aan eerdere congressen deelgenomen hadden en die we hartelijk danken om naar dit congres te komen. Deze twee wetenschappers gaven samen een presentatie over ‘het geweld in de prehistorie’, in samenlevingen die nog niet in klassen verdeeld waren. Kommunisten hebben uiteraard een fundamentele belangstelling voor deze kwestie. Het marxisme heeft veel onderzoek gewijd aan de rol van het geweld. Vooral Engels heeft een belangrijk deel van de Anti-Dühring gewijd aan de rol van geweld in de geschiedenis. Vandaag, nu we ons voorbereiden op de honderdste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog, een eeuw gekenmerkt door het ergste geweld dat de mensheid ooit gekend heeft, en nu geweld overdadig aanwezig is in het maatschappelijk leven, is het van belang dat degenen, die strijden voor een samenleving die zichzelf bevrijd heeft van de littekens van de kapitalistische maatschappij, van oorlog en onderdrukking, zich bezighouden met de plaats van geweld in de verschillende maatschappijvormen. Geconfronteerd met het standpunt van de burgerlijke ideologie, die stelt dat het geweld van vandaag overeenstemt met de ‘menselijke natuur’, wier regel is ‘iedereen voor zich’ en de heerschappij van de sterkeren over de zwakkeren, is het met name nodig te kijken naar de rol van samenlevingen die nog niet verdeeld waren in klassen, zoals het primitieve communisme.

We kunnen hier geen verslag geven van de bijzonder rijke presentaties door Camilia Power en Chris Knight (we zijn van plan ze als podcast op onze website te publiceren). Maar het is waard erop te wijzen dat deze beide wetenschappers beargumenteerd standpunt ingenomen tegen de theorie van Steven Pinker (4), die beweert dat dankzij de ‘beschaving’ en de invloed van de staat het geweld afgenomen is. Camilia Power en Chris Knight toonden aan dat in de samenlevingen van de jagers-verzamelaars een veel lager niveau van geweld bestond dan in de eropvolgende sociale formaties.

De discussies die op de presentatie door Camilia Power en Chris Knight volgde was, zoals tijdens voorgaande congressen, bijzonder levendig. Ze illustreerde in het bijzonder hoe de bijdrage van de wetenschappen het revolutionaire denken kan verrijken, een idee dat Marx en Engels anderhalve eeuw geleden al verdedigden.

Conclusie

Het 20e Congres van de IKS heeft, door de hindernissen die de arbeidersklasse moet nemen in haar emancipatiestrijd duidelijk te maken, zowel als de hindernissen die de organisatie van revolutionairen ontmoet bij het uitoefenen van haar specifieke verantwoordelijkheden binnen deze strijd, de moeilijkheid en de lengte van de weg die voor ons ligt. Maar dat mag geen bron voor ontmoediging zijn. Zoals de resolutie, die door het Congres werd aangenomen, het stelt: “De taak die voor ons ligt is lang en moeilijk.Wij hebben geduld nodig. Lenin beschouwde dit als een van de voornaamste kwaliteiten van de bolsjewiek. Geconfronteerd met de moeilijkheden, moeten wij ons verzetten tegen de ontmoediging. Deze zijn onvermijdelijk en wij moeten ze niet beschouwen als een vervloeking, maar integendeel als een aanmoediging om het gevecht voort te zetten en te intensiveren. De revolutionairen, en het is een van hun fundamentele eigenschappen, zijn geen mensen die het comfort of het gemak beogen. Het zijn strijders die zich als doel stellen om op beslissende wijze bij te dragen aan de meest reusachtige en moeilijkste taak die de menselijke soort te vervullen heeft, maar ook het meest enthousiasmerend, daar ze de bevrijding betekent van de mensheid van de uitbuiting en de vervreemding en het begin van haar ‘werkelijke geschiedenis’  ”. (Idem, Punt 16)

IKS

 

Aktiviteiten van de IKS: