Van het Midden-Oosten tot Afrika: Als de chaos ten top wordt gedreven

Printvriendelijke versieSend by email
De dramatische toestand in het Midden-Oosten, dat aan chaos is overgeleverd, laat het grove cynisme zien en de onbetrouwbaarheid van de bourgeoisie van alle landen. Allemaal beweren ze dat ze vrede, rechtvaardigheid en democratie voor een bevolking die al jaren dagelijks met gruwelen en bloedbaden wordt geconfronteerd. Maar die mooie woorden verbergen enkel de verdediging van hun eigen lage imperialistische belangen, en ze rechtvaardigingen er hun militaire en diplomatieke interventies mee, die nu juist de belangrijkste oorzaak vormen van de verscherping van de conflicten. Dit cynisme en deze schijnheiligheid worden nog eens in de schijnwerpers gebracht door de overhaaste terechtstelling van Saddam Hoessein, die de bloedige afrekeningen tussen rivaliserende burgerlijke fracties op een andere manier laat zien.

Vanwaar de haast om Saddam Hoessein terecht te stellen?

De veroordeling en de terechtstelling van Saddam Hoessein werden door Bush spontaan toegejuicht als een ‘overwinning van de democratie’. Er schuilt een kern van waarheid in deze verklaring: het is vaak in naam van de democratie en de verdediging daarvan, die de bourgeoisie als haar ideaal voorstelt, dat ze haar misdaden en afrekeningen al zo vaak heeft gerechtvaardigd. We hebben daaraan eerder al een artikel gewijd (zie Internationale Revue, nr.14: De moordpartijen en misdaden van de grote democratieën). Met grenzeloos cynisme durfde Bush op 5 november 2006, in Nebraska in volle verkiezingscampagne, eveneens te verklaren dat de doodsstraf die tegen Saddam Hoessein was uitgevaardigd kon gelden als “een rechtvaardiging voor de bereidwillige offers gebracht door de Amerikaanse troepen” die zich sinds maart 2003 in Irak bevinden. Aldus is voor Bush de huid van één moordenaar het leven meer dan 3.000 jonge Amerikanen waard, gesneuveld in Irak (dat zijn méér slachtoffers dan bij de vernietiging van de Twin Towers), de meesten in de bloei van hun leven! En de honderdduizenden Iraakse doden sinds het begin van de Amerikaanse interventie tellen al helemaal niet meer mee. Sinds de bezetting door de Verenigde Staten zijn er aan de Iraakse kan al meer dan 600.000 doden gevallen en de Iraakse regering besloot onlangs bovendien om het tellen ervan maar te staken om bij de bevolking niet “het moreel te ondermijnen”.
De Verenigde Staten hadden er alle belang bij dat de terechtstelling van Saddam plaatsvond vóór de volgende processen zouden beginnen. De reden was dat deze te veel compromitterende feiten zouden kunnen blootleggen. Zo wordt alles in het werk gesteld om te voorkomen dat de volledige steun van de Verenigde Staten en de Westerse machten aan Saddam Hoessein’s beleid tussen 1979 en 1990, en vooral gedurende de oorlog tussen Irak en Iran van 1980 tot 1988, opnieuw op tafel komt.
Een van de vele hoofdbeschuldigingen tegen Saddam werd gevormd door het met chemische wapens vergassen van 5.000 Koerden in Halabjah in 1988. Deze slachtpartij vond plaats als onderdeel van en aan het eind van de oorlog tussen Irak en Iran en die 1.200.000 doden kostte en twee keer zoveel gewonden. Maar het was de Verenigde Staten, en daarachter de meeste Westerse machten, die Saddam Hoessein steunden en bewapenden. De stad, die ingenomen was door de Iraniërs, werd door de Irakiërs heroverd die besloten hadden om een vergeldingsoperatie uit te voeren tegen de Koerdische bevolking. Deze slachting was enkel de meest spectaculaire in uitroeiingscampagne die Al Anfal (oorlogsbuit) was gedoopt en waarin tussen 1987 en 1988 180.000 Iraakse Koerden werden geslachtofferd.
Toen Saddam Hoessein deze oorlog begon door Iran aan te vallen genoot hij de volledige steun van de Westerse mogendheden. Met de oprichting van een Sjiitische islamitische republiek in Iran in 1979, waar Ajatollah Khomeini de Amerikaanse macht tartte door Verenigde Staten als de ‘grote Satan’ te bestempelden, en nadat de toenmalige president van de Verenigde Staten,  Carter, er niet in slaagde dit regime omver te werpen, nam Saddam Hoessein de rol op zich van regionale politieagent voor rekening van de Verenigde Staten en de Westerse grootmachten door Iran de oorlog te verklaren en het tijdens acht oorlogsjaren te verzwakken. De Iraanse tegenaanval zou die land een overwinning hebben gezorgd als de Verenigde Staten Irak geen militaire steun hadden gegeven. In 1987 mobiliseerde het Westerse blok, onder de knoet van de Verenigde Staten, een enorme armada in de Perzische Golf; het ontplooide een vloot van meer dan 250 oorlogsbodems afkomstig uit bijna alle belangrijke Westerse landen, met 35.000 man aan boord en uitgerust met de meest gesofistikeerde oorlogsvliegtuigen die toen bestonden. Deze armada, die werd voorgesteld als een ‘humanitaire interventiemacht’ vernietigde een boorplatform en verschillende van de beste oorlogsbodems van de Iraanse zeemacht. Het was dank zij deze steun dat Saddam een vredesovereenkomst kon sluiten met behoud van dezelfde grenzen van toen de vijandigheden begonnen.
Saddam was al aan de macht gekomen met de steun van de CIA, terwijl hij zijn sjiitische en Koerdische rivalen liet terechtstellen, maar ook andere Soennitische leiders binnen de Baathpartij, die er al dan niet valselijk van werden beschuldigd tegen hen samen te zweren. Jarenlang werd hij jaren gevleid en geëerd als een groot staatsman, hij werd bijvoorbeeld erkend als een ‘grote vriend van Frankrijk’, en dan vooral van Chirac en Chevènement. Het feit dat hij zichzelf tijdens zijn hele politieke carrière onderscheidde door voortvarend allerlei executies en slachtingen te laten uitvoeren (ophanging, onthoofding, marteling van tegenstanders, gebruik van chemische wapens, volkerenmoord op de sjiitische en Koerdische bevolking), stoorde de bourgeoispolitici niet in het minst tot aan de vooravond van de Golfoorlog toen er plotseling ‘ontdekt’ werd dat Saddam Hoessein een gruwelijke en bloedige tiran was (1). Dat leverde hem toen de titel ‘slager van Bagdad’ op, een ‘titel’ die hij niet kreeg ‘uitgereikt’ toen hij de bloedpolitiek uitvoerde voor rekening van het Westen. Het is ook van belang dat Saddam in de val werd gelokt toen hij in deze zomer van 1990 dacht dat Washington hem groen licht had gegeven om Koeweit binnen te vallen. Dat verschafte de Verenigde Staten het voorwendsel voor het opzetten van de meest monsterlijke militaire operatie sinds de Tweede Wereldoorlog. Zo werd de eerste Golfoorlog van januari 1991 in elkaar gezet en sindsdien zou Saddam Hoessein publieke vijand nummer één worden. De door de Verenigde Staten onder de naam van ‘Woestijnstorm’ opgezette operatie werd door de officiële propaganda voorgesteld als een ‘schone’ oorlog, als een soort video oorlogsspelletje. Maar in 42 dagen kostte hij 500.000 mensenlevens in 42 dagen, werden er 106.000 luchtraids uitgevoerd en 100.000 ton bommen uitgestrooid en werd er een heel gamma van de meest dodelijke wapens (napalm, clusterbommen, lage drukbommen… ) uitgetest. Het ware doel was een demonstratie van het verpletterende militaire overwicht van de Verenigde Staten om hun voormalige bondgenoten, inmiddels potentieel gevaarlijke imperialistische rivalen, te dwingen om onder het bevel van de Verenigde Staten aan de oorlog deel te nemen op een moment dat de oude bondgenootschappen van het blok uiteen vielen.
Met hetzelfde machiavellisme smeedden de Verenigde Staten en hun ‘bondgenoten’ een nieuwe intrige. Na de Koerden in het noorden en de Sjiieten in het zuiden te hebben opgeroepen om in opstand te komen tegen het regime van Saddam Hoessein, hielden ze de elitetroepen van de dictator voorlopig buiten schot om hem in staat te stellen deze opstanden in bloed te smoren; want zij hadden er geen enkel belang bij dat Irak uiteen zou vallen. Vooral de Koerdische bevolking werd andermaal het slachtoffer van de gruwelijke slachtpartijen.
De door de Europese media ingehuurde broodschrijvers, zelfs bijgetreden door de tot dusver zeer pro-Amerikaanse Franse presidentskandidaat Sarkozy, klagen momenteel huichelachtig de ‘slechte keuze’, de ‘vergissing’, het ‘knoeiwerk’ van Saddam Hoesseins overhaaste terechtstelling aan. Maar evenmin als de Amerikaanse had de Europese bourgeoisie er belang bij om haar eigen verantwoordelijk voor zijn misdaden in de herinnering te roepen, zelfs niet via de schijnprocessen van de ‘rechtsspraak’. Het ligt voor de hand dat de omstandigheden waarin de terechtstelling plaatsvond de haat tussen de verschillende gemeenschappen zal aanwakkeren. Dat de terechtstelling plaatsvond net voor het begin van de Hadj, het belangrijkste islamitisch jaarfeest, mag de meest fanatieke Sjiitische groepen hebben aangesproken die een dodelijk haat hebben voor de Soennieten waaruit Saddam Hussein voortkwam, het kon echter enkel de verontwaardiging opwekken van het grootste deel van de moslimbevolking. En wat meer is, Saddam Hoessein kon aan de generaties die niet onder zijn dwingelandij hebben geleefd worden voorgesteld als martelaar.
Toch hadden de bourgeoisieën weinig te kiezen omdat ze, net als de regering Bush, alle belang hadden bij een snelle terechtstelling. Dat stelde ze in staat om hun eigen betrokkenheid en mede-verantwoordelijk voor de gruwelen te verbergen en uit de herinnering te bannen, terwijl ze ondertussen doorgaan daartoe op te stoken. Het ten top drijven van barbarij en dubbelhartigheid in het Midden-Oosten is tekenend voor de totale impasse waarin het kapitalisme zich overal bevindt (2).

Het Midden-Oosten: de vlucht vooruit in de oorlog

In de recente ontwikkelingen in het conflict tussen Israël en de verschillende Palestijnse fracties, net als de steeds harder confrontaties tussen de verschillende Palestijnse fracties zelf, worden de absurditeiten ten top gedreven. Het is treffend dat de verschillende bourgeoisiën, door de dynamiek van de omstandigheden en de omvang van de tegenstellingen, gedwongen worden om beslissingen te nemen die volslagen tegenstrijdig en irrationeel zijn, zelfs vanuit het oogpunt van hun strategische belangen op korte termijn.
Wanneer Ehud Olmert de president van de Palestijnse Autoriteit de hand reikte, met enkele concessies in het vooruitzicht zoals het opheffen van een aantal wegversperringen en de belofte om 100 miljoen dollar te deblokkeren in naam van de ‘humanitaire hulp’, begonnen de media onmiddellijk te praten over een nieuw begin van het vredesproces in het Nabije-Oosten. Mahmoed Abbas heeft in zijn strijd met de Hamas zeker geprobeerd om voordeel te behalen uit deze voorstellen. Het doel van deze pseudo-concessies was dan ook om aan te tonen dat zijn politiek van samenwerking met Israël voordelig kon zijn.
Maar het was Ehud Olmert zelf die een gemeenschappelijke aanpak met de president van de Palestijnse Autoriteit gedeeltelijk ondermijnde, toen hij, onder druk van de conservatieve fracties in zijn regering, gedwongen werd om de nederzettingspolitiek in de bezette gebieden te hervatten en de vernietiging van Palestijnse huizen in Jeruzalem op te voeren.
De akkoorden tussen Fatah en Israël leidden tot Israël’s toestemming aan Egypte om wapens te leveren aan Fatah om het te versterken in zijn strijd tegen de Hamas. Hoe dan ook, de zoveelste Sjam al Sjeikh-top tussen Israël en Egypte werd totaal overschaduwd door een nieuwe militaire operatie van Israël in Ramallah op de Westelijke Oever en door de hervatte luchtaanvallen op de Gazastrook, in antwoord op sporadische raketaanvallen. Zo werden de vredesboodschap en de verklaringen van goede wil om de dialoog te zoeken sterk vertroebeld en kregen de vredes-bedoelingen van Israël een erg dubbelzinnig uiterlijk.
Een andere paradox is dat op het ogenblik van de ontmoeting tussen Olmert en Abbas, en net vóór de Israëlisch-Egyptische top, Israël aankondigde kernwapens te bezitten en er openlijk mee dreigde de atoombom te gebruiken. Hoewel deze waarschuwing hoofdzakelijk gericht was tegen Iran dat eenzelfde statuut nastreeft als Israël, geldt hij indirect ook voor alle buurlanden. Hoe moeten die onderhandelingen voeren met een zo gevaarlijke en oorlogszuchtige gesprekspartner?
Bovendien kan deze verklaring Iran er alleen maar toe drijven om verder te gaan op dezelfde weg en om zijn ambities waar te maken als beschermer en politieagent van de regio, in dezelfde logica als die van alle grote mogendheden, het bezit van een ‘afschrikkingsmacht’.
Maar het is niet alleen de Hebreeuwse staat die zo handelt. Het lijkt alsof al de hoofdrolspelers steeds meer het spoor bijster raken in de verdediging van hun eigen strategische belangen.
Van zijn kant heeft Abbas het risico genomen om een krachtmeting te wagen met de Hamas-milities en hij heeft de lont aangestoken met de aankondiging vervroegde verkiezingen te willen houden in de Gaza-strook. Dat kan door Hamas, dat nog maar net ‘democratisch verkozen’ is, enkel worden opgevat als een regelrechte provocatie. Maar deze krachtmeting, die de vorm aanneemt van bloedige straatgevechten, was de enige manier waarop de Palestijnse Autoriteit een uitweg kon vinden uit de Israëlische blokkade en de bevriezing van de internationale hulp sinds Hamas aan de macht kwam. Niet alleen is de blokkade een ramp gebleken voor de locale bevolking die niet meer kon gaan werken buiten de door het Israëlische leger en politie afgesloten gebieden. Ze heeft ook geleid tot de staking van 170.000 Palestijnse ambtenaren in de Gazastrook en de Westelijke Oever, omdat hun lonen al maanden niet meer betaald waren (vooral in vitale sectoren zoals onderwijs en gezondheid). De woede van de ambtenaren, die zich uitbreidde tot in de gelederen van politie en leger, werd door zowel Hamas als Fatah uitgebaat om te rekruteren voor hun eigen milities, al naargelang de verantwoordelijkheid bij het ene of in het andere kamp werd gelegd, terwijl jongeren tussen de 10 en 15 jaar massaal worden geronseld als kanonnenvlees in de moordpartijen.
Hamas van zijn kant probeert ondertussen van de verwarring gebruik te maken door rechtstreekse onderhandelingen met Israël over een uitwisseling van de in juni 2006 gevangen ontvoerde Israëlische korporaal tegen een aantal van zijn eigen activisten.
De bloedige chaos, voortgekomen uit de explosieve samenleving van de verkozen Hamas-regering met de president dan de Palestijnse Autoriteit, blijft het enige vooruitzicht. Gezien deze politiek, die alleen beide partijen aanzienlijk kan verzwakken, kunnen er geen illusies bestaan over de eind vorig jaar overeengekomen wapenstilstand tussen Fatah en de Hamas-milities. Die zal geen eind maken aan de moorddadige confrontaties: aanslagen met autobommen, straatgevechten en ontvoeringen zullen schering en inslag blijven, terreur en dood zaaiend onder de toch al verkommerde bevolking van de Gaza-strook. En om het geheel te bekronen zijn er nog de Israëlische razzia’s op de Westelijke Oever en de bewapende interventies van het Israëlische leger en de politie tijdens de controles die nog verdere ‘uitwassen’ vertegenwoordigen, en waarbij dat regelmatig kinderen en scholieren worden gedood in het kruisvuur van de afrekeningen. Ondertussen is het Israëlische proletariaat, dat al zwaar heeft moeten bloeden voor de oorlogsinspanningen, overgeleverd aan wraakacties van Hamas enerzijds en anderzijds Hezbollah.
Tegelijkertijd is de toestand in Zuid-Libanon, waar de troepen van de Verenigde Naties gelegerd zijn, verre van veilig. Sinds de moordaanslag op de christelijke leider Pierre Gemayel in november 2006 heerst de instabiliteit. Terwijl Hezbollah en andere Sjiitische milities (met de christelijke fractie van generaal Aoun in tijdelijk verbond met Syrië) een grote machtsdemonstratie hielden door het presidentiële paleis in Beiroet gedurende meerdere dagen belegerd te houden, bedreigden op het zelfde moment gewapende Soennitische groepen het Libanese parlement en zijn Sjiitische president Nabil Berri. De spanning tussen de rivaliserende fracties staat op uitbarsten en wat de opdracht van de Verenigde Naties betreft – ontwapening van Hezbollah – is er niemand die daar nog geloof aan hecht.
In Afghanistan blijkt het inzetten van 32.000 soldaten van de internationale troepenmacht van de NAVO en van 8.500 Amerikaanse soldaten ondoeltreffend te zijn. De strijd tegen Al Qaïda en de Taliban, die al een honderdtal aanvallen uitvoerden in het zuiden van het land, is onverbiddelijk aan het vastlopen. Enkel in 2006 eiste de guerilla-oorlog al 4.000 doden. Pakistan, in beginsel een bondgenoot van de Verenigde Staten, dient tegelijkertijd nog steeds als uitvalsbasis voor Al Qaïda en de Taliban.
Ondanks al die keerzijden wordt elke staat en iedere fractie vooruit gedreven in het militaire avontuur.
Het is de grootste wereldmacht die voor de meest ontluisterende impasse staat. De politiek van de Amerikaanse bourgeoisie valt ten prooi aan zijn eigen tegenstrijdigheden. Het rapport van James Baker, voormalig adviseur van Bush-senior en met spoed samengesteld op aandrang van de federale regering, kwam tot de slotsom dat de oorlog in Irak op een mislukking was uitgelopen en een het beval een politieke koerswijziging aan, bestaande uit enerzijds een diplomatieke opening in de richting van Syrië en Iran, anderzijds uit een geleidelijke terugtrekking van de 144.000 soldaten die vastzitten in Irak. En wat is het resultaat? Bush-junior werd gedwongen tot een gedeeltelijke vernieuwing van zijn regering, met voornamelijk het vervangen van Donald Rumsfeld door Robert Gates als minister van defensie. Ook worden er een aantal zondebokken voor het fiasco in Irak afgevoerd, met als recent voorbeeld het ontslag van de twee belangrijkste woordvoerders van de bezettingstroepen in Irak, die zich bovendien verzetten tegen het inzetten van nog meer Amerikaanse troepen in Bagdad omdat dat een ondoeltreffende maatregel zou zijn. Maar bovenal kondigde Bush een versterking van de Amerikaanse troepen aan, met nog eens 21.500 soldaten die binnenkort naar het Iraakse front moeten worden gestuurd om Bagdad te ‘beveiligen’, en dat terwijl het nu al reservisten zijn die worden gemobiliseerd. De wijziging van de meerderheid, zowel in het Congres als in de Senaat, die nu beide worden beheerst door de democraten, verandert daar niets aan: terugtrekking en de weigering om nieuwe militaire kredieten vrij te maken voor de oorlog in Irak zal beschouwd worden als een blijk van zwakheid van de Verenigde Staten, en de democraten zullen daarvoor niet de verantwoordelijkheid willen dragen. Heel de Amerikaanse bourgeoisie, zoals elke bourgeoiskliek en elke andere staat, zit opgesloten in een oorlogsraderwerk waarin ieder besluit, elke nieuwe poging om zijn imperialistische belangen te verdedigen tegenover zijn rivalen, uiteindelijk de problemen alleen maar erger maakt.

Het Afrikaanse continent: nog een leerzaam voorbeeld van de kapitalistische barbarij

Op het Afrikaanse continent zijn de oorlogsgruwelen al jarenlang een dagelijks weerkerend gebeuren. Na tientallen jaren van slachtpartijen in Congo en Rwanda en na de confrontaties tussen clans klieken in Ivoorkust, nog verder aangewakkerd door de rivaliteiten tussen de grootmachten, wordt in nieuwe regio’s te vuur en te zwaard gevochten. In Soedan is de ‘opstand’ tegen de islamistische regering van Khartoem uiteengevallen in een hele reeks van fracties die elkaar bevechten, gemanipuleerd door deze of gene mogendheid in een steekspel van steeds tijdelijker bondgenootschappen. In de regio van Darfoer in het westen van Soedan zouden de laatste drie jaar al 400.000 doden zijn geteld en meer dan anderhalf miljoen vluchtelingen. Honderden dorpen werden vernietigd en de voormalige inwoners in enorme kampen in de woestijn samengepakt, stervend van honger en dorst, midden in de woestijn overgeleverd aan besmettelijke ziekten en met enige regelmaat ten prooi gegeven aan de ergste afpersingen door allerlei bewapende bendes net als door Soedanese regeringstroepen. De uittocht van rebellen heeft geleid tot uitbreiding en het exporteren van het conflict naar andere regio’s, vooral naar de Centraal Afrikaanse Republiek en naar Tsjaad. Dit drijft op zijn beurt Frankrijk ertoe steeds meer militair in te grijpen om wat er over is van zijn ‘achtertuin’ in Afrika te behouden, vooral door actief deel te nemen aan de gevechten tegen de Soedanese regering vanuit het grondgebied van Tsjaad.
Sinds de val van voormalig dictator-president Siyad Barré in 1990, welke gepaard ging met de val van zijn beschermheer, de Sowjet-Unie, is Somalië overgeleverd aan de chaos en wordt het verscheurd door onophoudelijke oorlogen tussen ontelbare clans, die evenzovel maffiabendes van moordenaars en plunderaars zijn en die bereid zijn om hun diensten aan de meest biedende te verkopen en die een waar schrikbewind uitoefenen en ellende en dood en verderf zaaien over heel het gebied. De Westerse mogendheden, die tussen 1992 en 1995 het land binnenvielen, moesten zich terugtrekken in confrontatie met de omvang van de chaos en de ontbinding: de spectaculaire landing van de mariniers van de Verenigde Staten in 1994 eindigde in een treurig fiasco en maakte plaats voor de totale anarchie. De afrekeningen tussen de bloeddorstige rivaliserende klieken hebben sinds 1991 al 500.000 doden geëist.
Eén van deze bendes, de Unie van Islamitische Rechtbanken, die zich verschuilt achter een vernislaagje van de Sharia en een ‘radicale’ Islam, had zich, met enkele duizenden bewapende mannen, in mei 2006 uiteindelijk meester gemaakt van de hoofdstad Mogadishu. De naar Baidoa uitgeweken overgangsregering deed vervolgens een beroep op zijn machtige buur, Ethiopië, om haar te hulp te schieten (3). Het Ethiopische leger, met openlijke steun van de Verenigde Staten, bombardeerde de hoofdstad en dreef de islamistische troepen binnen enkele uren op de vlucht. De meesten trokken naar het zuiden van het land. Mogadishu is nu een vreselijke puinhoop waarvan de armoedige bevolking met moeite dagelijks zijn kostje bij elkaar weet te scharrelen. Met steun van het Ethiopische leger werd een nieuwe voorlopige regering aangesteld, maar zonder enig politiek gezag zoals bleek uit het feit dat haar oproep aan de bevolking om de wapens in te leveren zonder gevolg bleef. Na de Ethiopische bliksemoverwinning kon de wapenstilstand enkel voorlopig en onzeker zijn omdat de islamitische ‘rebellen’ zich herbewapen, vooral via de poreuze zuidgrens met Kenia. Maar de rebellen kunnen nog elders steun vinden, zoals in Soedan, in Eritrea – traditionele vijand van Ethiopië – en in Jemen. Deze onzekere toestand is verontrustend voor de Verenigde Staten, aangezien de Hoorn van Afrika, met de militaire basis in Djibouti en de ligging van Somalië op de route naar het Midden-Oosten en Azië, één der meest strategische zones ter wereld is. Dat dreef de Verenigde Staten tot een rechtstreekse interventie op 8 Januari om het zuiden van het land te bombarderen waar de ‘rebellen’ hun toevlucht hadden gezocht, waarbij het Witte Huis beweerde dat die rechtstreeks werden gemanipuleerd en gecontroleerd werden door Al Qaïda.
Noch de Verenigde Staten, noch Frankrijk, noch enige andere grootmacht kan op zichzelf een stabiliserende rol spelen of zelfs maar een dam opwerpen tegen de uitbreiding van de oorlogsbarbarij in Afrika of waar dan ook ter wereld, welke regering er ook zit. In tegendeel, hun imperialistische belangen zullen ze er steeds meer toe drijven om de moordpartijen nog verder te verbreiden.
Het wegzinken van een steeds groter deel van de mensheid in dit soort van chaos en barbarij is de enige toekomst die het kapitalisme ons te bieden heeft. De imperialistische oorlog mobiliseert momenteel heel de rijkdom van wetenschap, technologie en menselijke arbeid, niet voor het welzijn van de mensheid, maar in tegendeel om die rijkdom te vernietigen, om ruïnes en lijken opeen te stapelen. Deze imperialistische oorlog, die de erfenis van eeuwen menselijke geschiedenis verkwist, en die op termijn de hele mensheid dreigt te vernietigen, is tekenend voor de diepgaande absurditeit van dit systeem.
Meer dan ooit ligt de enig mogelijke hoop in de omverwerping van het kapitalisme, in de invoering van sociale verhoudingen bevrijd van de tegenstrijdigheden die de samenleving wurgen, door de enige klasse die een toekomst voor de mensheid in zich draagt: de arbeidersklasse.

Wim / 10.01.2007

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 128, eerste kwartaal 2007.)

 

Noten

(1) Een andere tiran uit deze regio en eeuwige rivaal van Saddam Hoessein, de Syriër Hafez Al Assad, wordt sedert zijn dood betiteld als een ‘groot staatsman’, dit als beloning voor zijn aansluiting bij het Westerse kamp in het tijdperk van de twee blokken, ondanks een even bloedige en met dezelfde middelen opgebouwde loopbaan als die van Saddam Hoessein.
(2)  Sommige pennenlikkers van de bourgeoisie zelfs in staat om de walging vast te stellen die deze onverdraaglijke opeenhoping van barbarij in de wereld opwekt: “De ene barbarij valt de andere barbarij lastig om op zijn beurt nog meer barbarij te verwekken. Op het web doet een video de ronde, de laatste bijdrage tot het festival van gruwelbeelden, van de onthoofdingen uitgevoerd door Al Zarkawi tot de lichamen die vernederend werden opgestapeld door de GI’s in Aboe Graïb [...] Op de angst-verwekkende geheime diensten van de voormalige tiran volgden de doodseskaders van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beheerst door de pro-Iraanse Al Badr-brigades [...]. Of de terreur nu plaatsvindt in naam van Bin Laden, van de strijd tegen de Amerikanen of van de Sjiitische strijd geschiedt, de moordpartijen tegen Iraakse burgers hebben dit gemeen: zij worden uitgevoerd onder de wet van de persoonlijke aandrang. Op de Iraakse ruïnes tieren de lijkenpikkers van allerlei slag welig. Liegen is de norm, de politie gaat over tot berovingen en ontvoeringen, mannen van God voeren onthoofdingen uit en snijden buiken open, de Sjiiet doet de Soenniet aan wat deze hém heeft aangedaan.” (het Franse weekblad Marianne, 6 januari 2007). Maar dit alles wordt geweten aan ‘persoonlijke aandrang’, en uiteindelijk aan ‘de menselijke aard’. Wat ze niet kunnen begrijpen is dat deze barbarij een historisch product is, een product van het kapitalistische systeem, en dat er een historische klasse bestaat die in staat is om daaraan een eind te maken: het proletariaat.
(3)  Ethiopië, zelf ook een voormalig bastion van de Sovjet-Unie in dezelfde regio, is sinds de vlucht van Mengistu in 1991 een bolwerk van de Verenigde Staten geworden in de Hoorn van Afrika.

Geografisch: