22e Congres van de IKS: Resolutie over de internationale situatie

Printvriendelijke versie

1. De verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten, die heel kort volgde op de onverwachte resultaten van het referendum in het Verenigd Koninkrijk over de Europese Unie, heeft in de hele wereld een golf van malaise en angst geschapen, maar ook van vraagstelling. Hoe hebben “onze” leiders, die zogenaamd belast zijn met de huidige wereldorde, dergelijke zaken kunnen laten gebeuren – een wending van de gebeurtenissen die schijnt in te druisen tegen de “rationele” belangen van de kapitalistische klasse? Hoe komt het toch dat een krachtpatser, een schelm, een narcistische oplichter die om het even wat zegt, nu aan het hoofd staat van de machtigste staat ter wereld? En nog belangrijker: wat toont het ons aan over de richting die de wereld uitgaat? Zijn we aan het duiken in een scrisis van de beschaving, of zelfs van de mensheid zelf? Op die vragen moeten de revolutionairen duidelijke en overtuigende antwoorden geven.

Een eeuw klassenstrijd

2. Vanuit onze visie kunnen de werkelijke levensomstandigheden van de menselijke maatschappij enkel begrepen worden door ze te bezien vanuit het standpunt van de klassenstrijd, van de uitgebuite klasse, het proletariaat, dat er geen belang bij heeft om de waarheid te verbergen en wiens strijd hem verplicht om alle misleidingen van het kapitalisme te overstijgen met het oog op de omverwerping ervan. Het is bovendien enkel mogelijk om deze “actuele”, onmiddellijke of lokale gebeurtenissen te begrijpen door ze te situeren in een historisch en mondiaal kader. Dat is het wezen van de marxistische methode. Dat is de reden, en niet enkel omdat 2017 de honderdste verjaardag is van de revolutie in Rusland, waarom wij ermee beginnen een eeuw of meer terug te gaan om het kader te begrijpen waarin de meest recente ontwikkelingen van de wereldsituatie hebben plaatsgevonden: die van de neergang of het verval van de kapitalistische productiewijze.

De revolutie in Rusland was het antwoord van de arbeidersklasse op de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Zoals het bevestigd werd door de Kommunistische Internationale in 1919, betekende deze oorlog het begin van een nieuw tijdperk, het einde van de opkomstperiode van het kapitalisme, van de eerste explosieve groei van de kapitalistische “globalisering”, omdat deze botste op de grenzen van de verdeling van de wereld in rivaliserende nationale staten: hij opende “het tijdperk van oorlogen en revoluties”. De bekwaamheid van de arbeidersklasse om de burgerlijke staat in een heel land omver te werpen en zich te voorzien van een politieke partij die in staat was om haar te leiden naar de “dictatuur van het proletariaat” toonde aan dat het perspectief van de afschaffing van de kapitalistische barbarij historisch mogelijk en noodzakelijk was.

Meer nog, de Bolsjewistische Partij die in 1917 de voorhoede vormde van de revolutionaire beweging, heeft kunnen inzien dat de machtsovername door de sovjets in Rusland alleen stand kon houden als het werd gezien als de eerste aanval van een opkomende wereldrevolutie. Wat de Duitse revolutie betreft, begreep Rosa Luxemburg ook dat, indien het wereldproletariaat niet antwoordde op de uitdaging die gesteld werd door de Oktoberopstand en geen einde zou maken aan het kapitalistische systeem, de mensheid ondergedompeld zou worden in een tijdperk van toenemende barbarij, een spiraal van oorlogen en vernietiging, die de menselijke beschaving in gevaar zou brengen.

Met de wereldrevolutie in zicht, en met de noodzaak tot het scheppen van een alternatieve referentiepool tegenover de sociaal-democratie, die voortaan contrarevolutionair was, nam de Bolsjewistische Partij het voortouw bij de stichting van de Kommunistische Internationale, waarvan het eerste congres plaatsvond in 1919 in Moskou. De nieuwe kommunistische partijen, in het bijzonder die van Duitsland en Italië, vormden de speerpunten voor de uitbreiding van de proletarische revolutie naar West-Europa.

3. De revolutie in Rusland is zeer zeker de vonk geweest voor een reeks massastakingen op wereldvlak en opstanden die de bourgeoisie ertoe noodzaakten om een einde te maken aan de imperialistische slachtpartijen. Maar de arbeidersklasse is niet in staat geweest om, behalve enkele in de tijd beperkte initiatieven in Hongarije en in sommige Duitse steden, de macht te grijpen in andere landen. Geconfronteerd met de grote dreiging van haar mogelijke doodgraver, is de heersende klasse echter in staat geweest om haar scherpste rivaliteiten opzij te zetten om zo gezamenlijk op te treden tegen de proletarische revolutie. Ze wist de macht van de sovjets te isoleren door de blokkade, de invasie en de steun aan de bewapende contrarevolutie. Daarbij bediende zij zich van de sociaaldemocratische arbeiderspartijen en de vakbonden, die hun trouw reeds betuigd hadden aan het kapitaal door hun deelname aan de imperialistische oorlog, om de arbeidersraden in Duitsland te infiltreren en te neutraliseren en ze te sturen in de richting van een compromis met het nieuwe “democratische” burgerlijke regime. De nederlaag van de revolutie was niet alleen te verklaren door de aanhoudende regeerbekwaamheid van een nieuwe reactionaire heersende klasse. Ze vloeide ook voort uit de onrijpheid van de arbeidersklasse die gedwongen was om een snelle omschakeling te maken van haar strijd voor hervormingen naar een strijd voor de revolutie. En dat terwijl zij nog behept was met veel diepgewortelde illusies over de mogelijkheid om het kapitalistische regime te verbeteren door democratische verkiezingen, de nationalisaties van sleutelindustrieën of door het gratis verlenen van sociale voordelen aan de armste lagen van de maatschappij. Bovendien was de arbeidersklasse zwaar getraumatiseerd door de verschrikkingen van de oorlog, die de bloem van de jeugd gedecimeerd hard, en die geleid had tot een gapende kloof tussen de arbeiders van de ‘overwinnende’ en ‘verliezende’ naties.

In, Rusland werd de Bolsjewistische partij geconfronteerd met het isolement, de burgeroorlog en de economische ineenstorting. En meer nog, door haar deelname aan het apparaat van de Sovjet-staat, maakte ze een reeks rampzalige fouten die steeds meer leidden tot gewelddadige conflicten met de arbeidersklasse, met name de politiek van de “rode terreur”, welke leidde tot een verbod op politieke betogingen en organisaties. Dit liep uit op het neerslaan van de opstand van Kroonstad in 1921, toen deze laatste het herstel eiste van de authentieke macht van de sovjets, zoals die bestaan had in 1917. Op internationaal vlak begon de Kommunistische Internationale, die ook steeds nauwer verbonden was met de belangen van de Sovjet-staat in plaats van met deze van de wereldrevolutie, haar toevlucht te nemen tot een opportunistische politiek die haar oorspronkelijke helderheid ondermijnde, zoals de tactiek van het eenheidsfront, goedgekeurd in 1922.

Deze ontaarding deed een belangrijke Linkse Oppositie oprijzen, vooral in de Duitse en Italiaanse partijen. En op basis van deze laatste is de Italiaanse fractie in staat geweest om, tegen het einde van de jaren 1920, de lessen te trekken omtrent de uiteindelijke nederlaag van de revolutie.

4. De nederlaag van de revolutionaire golf op wereldschaal bevestigde dus de waarschuwingen die de revolutionairen in 1917-18 hadden geuit omtrent de gevolgen van een dergelijke mislukking: een nieuwe afdaling in de barbarij. De dictatuur van het proletariaat in Rusland is niet alleen ontaard, maar heeft zich omgevormd tot een kapitalistische dictatuur tegen het proletariaat, een proces dat bevestigd werd (alhoewel het al eerder begonnen was) door de overwinning van het Stalinistisch apparaat met zijn doctrine van “het socialisme in één land”. De “vrede” die gesloten was om komaf te maken met de dreiging van de revolutie heeft snel geleid tot nieuwe imperialistische wereldconflicten, die versneld en verhevigd werden door het uitbreken van de overproductiecrisis in 1929. Deze was een teken temeer van het feit dat de uitbreiding van het kapitaal in botsing kwam met zijn eigen grenzen.

De arbeidersklasse in de centrale landen van het systeem, en speciaal in de Verenigde Staten en Duitsland, onderging volledig de klappen van de economische depressie. Maar, doordat ze geprobeerd had om een revolutie te maken en deze mislukt was, was ze fundamenteel een verslagen klasse, ondanks bepaalde ontegensprekelijke uitingen van klasseverzet, zoals in de Verenigde Staten en Spanje. Daardoor was zij niet in staat om zich te verzetten tegen een nieuwe gang naar de wereldoorlog.

5. De vork van de contrarevolutie had drie belangrijke tanden : het stalinisme, het fascisme, de democratie. En elk van hen heeft diepe littekens nagelaten in de geest van de arbeidersklasse.

De contrarevolutie heeft haar diepste punt bereikt in die landen waar de revolutionaire vlam het hoogste was. Maar overal nam het kapitalisme een steeds meer totalitaire vorm aan, die ieder sociaal en economisch leven doordrong, daar het geconfronteerd werd met de noodzaak het proletarische spook uit te drijven, aan de grootste economische crisis uit zijn geschiedenis het hoofd te bieden en de oorlog voor te bereiden. Het Stalinistische regime zette de toon: een complete oorlogseconomie, de onderdrukking van alle dissidenten, monsterlijke uitbuitingsgraden, het was een uitgebreid concentratiekamp. Maar de ergste erfenis van het Stalinisme – zowel toen het nog bestond als in de decennia volgend op zijn ineenstorting – was het masker dat het ophield als een ware erfgenaam van de Oktoberrevolutie. De centralisatie van het kapitaal in de handen van de staat werd verkocht als socialisme, de imperialistische expansie als het proletarisch internationalisme. Alhoewel vele arbeiders, in de jaren dat de herinnering aan Oktoberrevolutie nog levendig was, nog bleven geloven in de mythe van het socialistische vaderland, hebben velen zich afgekeerd van elk idee van revolutie bij de opeenvolgende onthullingen van de ware aard van het Stalinistische regime. De schade die het Stalinisme heeft toegebracht aan het perspectief van het kommunisme, aan de hoop dat de revolutie van de arbeidersklasse een hogere vorm van maatschappelijke organisatie zou kunnen teweegbrengen, is onmetelijk. En dit des te meer omdat het Stalinisme niet uit de lucht is komen vallen op het proletariaat, maar mogelijk werd gemaakt door de internationale nederlaag van de klasse-beweging en vooral door de ontaarding van haar politieke partij. Na het traumatische verraad van de sociaaldemocraten in 1914, hadden de organisaties die de arbeidersklasse met zoveel moeite had opgericht en verdedigd, voor de tweede maal in minder dan 20 jaar, verraad gepleegd en zijn ze verworden tot haar ergste vijand. Kon het zelfvertrouwen van het proletariaat, zijn overtuiging in de mogelijkheid om de mensheid te leiden naar een hoger niveau van maatschappelijk leven, nog een grotere klap krijgen? 

Het fascisme, dat oorspronkelijk een beweging was van de uitgeslotenen van de heersende en middenklassen, en zelfs van afvalligen uit de arbeidersbeweging, werd door de machtigste fracties van het Italiaanse en Duitse kapitaal geadopteerd omdat het samenviel met hun noden: het voleinden van de verplettering van het proletariaat en de mobilisatie voor de oorlog. Het was gespecialiseerd in het gebruik van “moderne” technieken om de duistere krachten van de irrationaliteit te ontketenen die sluimerden onder de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij. In het bijzonder het nazisme, als product van een veel vernietigendere nederlaag van de arbeidersklasse in Duitsland, heeft een nieuw niveau bereikt van irrationaliteit, door de middeleeuwse pogrom te verstaatsen en te industrialiseren en de gedemoraliseerde massa’s in een gekkenmars naar de zelfvernietiging te leiden. De arbeidersklasse, als geheel, heeft zich niet onderworpen aan enig positief geloof in het fascisme – integendeel, zij was veel kwetsbaarder voor de bedrieglijke schijn van het antifascisme, die de voornaamste mobilisatiekreet was voor de komende oorlog. Maar de ongehoorde verschrikkingen van de dodenkampen van de nazi’s zijn, net als de Stalinistische goelags, eveneens een klap geweest voor het vertrouwen in de toekomst van de mensheid – en dus van het perspectief van het kommunisme.

De democratie, de overheersende vorm van de heerschappij van de bourgeoisie in de ontwikkelde industrielanden, heeft zich opgeworpen als de tegenstander van deze “totalitaire” formaties – wat haar niet belette om het fascisme te ondersteunen toen die afrekende met de revolutionaire arbeidersbeweging of een verbond aan te gaan met het Stalinistische regime tegen het Duitsland van Hitler. Maar de democratie bleek een veel intelligentere en duurzamere vorm van totalitarisme dan het fascisme. Dat ging ten onder in de puinhopen van de oorlog. Het stalinisme (met de notoire uitzondering van China en het atypische regime van Noord-Korea) zou neerzijgen onder het gewicht van de economische crisis en zijn onbekwaamheid om competitief te zijn op de wereldmarkt, wier wetten het had proberen te omzeilen bij staatsdecreten.

De beheerders van het democratisch kapitalisme zijn ook door de crisis van het systeem gedwongen om de staat en de macht van het krediet te gebruiken om de marktwetten te doen plooien, maar zij zijn er niet toe genoodzaakt om de extreme vorm van de centralisatie van bovenaf in te voeren zoals de regimes in Oost-Europa. Hen was die wel opgedrongen door een situatie van materiële en strategische zwakte. De democratie heeft haar rivalen overleefd en is de enige optie geworden voor de centrale kapitalistische landen van het Westen. Tot op heden is het schokkend om de steun aan de democratie tegen het fascisme tijdens de Tweede Wereldoorlog in vraag te stellen.. En diegenen die beweren dat er achter de democratische façade een dictatuur van de heersende klasse schuilgaat, die worden afgedaan als aanhangers van complottheorieën. Reeds in de jaren 1920 en 1930 vormde de ontwikkeling van de massamedia in de democratieën een model voor de verspreiding van officiële propaganda waar Goebbels jaloers op was. Het invoeren van de warenverhoudingen in de ontspanningsfeer en het gezinsleven door het Amerikaanse kapitalisme vormde een veel subtieler kanaal voor de totalitaire overheersing van het kapitaal dan de simpele toevlucht tot verklikkers en de genadeloze terreur.

6. In tegenstelling tot de hoop van de revolutionaire minderheid, die gedurende de jaren 1930 en 1940 sterk was uitgedund en vasthield aan de internationalistische beginselen, leidde het einde van de oorlog niet tot een nieuwe revolutionaire opstand. In tegendeel, het was de bourgeoisie, met Churchill op kop, die de lessen getrokken had uit 1917 en die elke mogelijkheid tot proletarische revolte in de kiem smoorde met een bommentapijt op de Duitse steden en haar politiek van “de Italianen in hun eigen vet te laten gaarkoken”, bij het uitbreken van massale stakingen in Noord-Italië in 1943. Het einde van de oorlog verdiepte aldus nog de nederlaag van de arbeidersklasse. En opnieuw en tegen de verwachtingen in van vele revolutionairen, werd de oorlog niet gevolgd door een nieuwe economische depressie en een nieuwe gang naar een wereldoorlog, zelfs toen de imperialistische tegenstellingen tussen de “overwinnende blokken” bleven bestaan en als een blijvende bedreiging op de mensheid wogen. De naoorlogse periode heeft daarentegen een werkelijke expansie gekend van de kapitalistische verhoudingen onder het Amerikaanse leiderschap, zelfs als een deel van de wereldmarkt (het Russische blok en China) zich poogde af te sluiten van elke doordringing van het westerse kapitaal. De voortzetting van de soberheid en de onderdrukking in het Oostblok lokte belangrijke arbeidersopstanden uit (Oost-Duitsland, 1953; Polen en Hongarije, 1956), maar in het Westen was er, op enkele uitingen van ontevredenheid na, zoals de stakingen van 1947 in Frankrijk, geleidelijk aan een verzwakking van de klassenstrijd. Dit ging zelfs zover dat de sociologen theorieën begonnen te ontwikkelen over de “verburgerlijking” van de arbeidersklasse, als gevolg van de uitbreiding van het consumptiegedrag en de welvaartstaat. Deze twee aspecten van het kapitalisme, na 1945, vormden trouwens een belangrijk bijkomend gewicht dat de mogelijkheid van de arbeidersklasse ondermijnde om zich op te werpen als een revolutionaire kracht. Het consumptiegedrag atomiseert de arbeidersklasse, en verspreidt de illusie dat iedereen het paradijs van het individuele bezit kan bereiken. De welvaartszucht, die dikwijls ingevoerd werd door de linkse partijen, en voorgesteld werd als een verworvenheid van de arbeidersklasse zelf, vormt een nog belangrijker instrument in de kapitalistische controle. Het ondermijnt het vertrouwen van de arbeidersklasse in zichzelf en maakt haar afhankelijk van de welwillendheid van de Staat. En later, in een fase van massale immigratie, zou haar organisatie door de natiestaat betekenen dat het vraagstuk van de toegang tot de zorg, de huisvesting en andere welzijnsuitkeringen een krachtige factor wordt in het tot zondebok maken van de immigranten en in het invoeren van verdelingen binnen de arbeidersklasse. Tegelijkertijd, en gepaard gaande met de schijnbare verdwijning van de klassenstrijd in de jaren 1950 en 1960, werd de politieke revolutionaire beweging gereduceerd tot het grootste isolement uit haar bestaansgeschiedenis.

7. Enkele van deze revolutionairen, die hun activiteit tijdens deze donkere periode hebben voortgezet, begonnen te beweren dat het kapitalisme, dank zij het bureaucratische staatsbeheer, geleerd had om zijn door Marx geanalyseerde economische tegenstrijdigheden te overwinnen. Maar anderen, die helderder waren, zoals de groep Internacionalismo in Venezuela, stelden dat de oude problemen – de beperkingen van de markt, de tendens tot de dalende winstvoet – niet konden worden bezworen en dat de financiële moeilijkheden die op het einde van de jaren 1960 opdoken, een nieuwe fase inluidden van open economische crisis. Zij hebben ook de capaciteit begroet van een nieuwe generatie van proletariërs om de crisis te beantwoorden door een herbevestiging van de klassestrijd. Dit was een voorspelling die volop werd bevestigd door de formidabele beweging van Mei 1968 in Frankrijk, en de internationale strijdgolf die erop volgde. Die toonden aan dat de decennia van contrarevolutie ten einde liepen en dat de strijd van het proletariaat een obstakel vormde in het openen door de nieuwe crisis van een koers naar de wereldoorlog.       

8. Het opduiken van het proletariaat op het einde van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970, werd voorafgegaan door een toenemende politieke gisting binnen brede lagen van de bevolking in de ontwikkelde landen en in het bijzonder bij de jeugd: in de Verenigde Staten, de betogingen tegen de oorlog in Vietnam en de rassenscheiding; in Duitsland, de studentenbewegingen, die interesse toonden in een meer theoretische benadering van de analyse van het hedendaagse kapitalisme; in Frankrijk, de agitatie onder de studenten tegen de oorlog in Vietnam en het onderdrukkende regiem aan de universiteiten; in Italië de “operaïsten” of autonome tendensen, die de onvermijdelijkheid van de klassestrijd herbevestigden op een moment dat de wijze sociologen haar achterhaald noemden. Overal heerste een groeiend ongenoegen ten opzichte van het ontmenselijkte leven dat werd voorgesteld als de zoete vrucht van de naoorlogse economische welvaart. Een kleine minderheid, gedragen door de opkomst van de strijdbare gevechten in Frankrijk en andere industrielanden, heeft kunnen participeren aan de oprichting van een politiek bewuste, internationalistische voorhoede, en niet in het minst omdat een minderheid in haar midden de bijdrage van de Kommunistische Linkerzijde is begonnen te ontdekken.

9. Zoals wij maar al te best weten heeft de ontmoeting tussen de minderheid en de bredere klassebeweging slechts af en toe plaatsgevonden tijdens de gevechten op het einde van de jaren 1960 en begin 1970. Dat was deels het gevolg van het feit dat de gepolitiseerde minderheid fors overheerst werd door een ontevreden kleinburgerij: de studentenbeweging, meer bepaald, had nog niet die sterke proletarische component, zoals die te voorschijn kwam in de loop van de daaropvolgende decennia, als gevolg van de veranderingen in de organisatie van het kapitalisme. En ondanks de krachtige klassebewegingen in de wereld, ondanks de ernstige botsingen tussen de arbeiders en de inkaderingskrachten in haar midden – de vakbonden en de linkse partijen – bleef het merendeel van de klassestrijd defensief en stelde ze slechts zelden op directe wijze politieke kwesties. Bovendien werd de arbeidersklasse geconfronteerd met belangrijke verdelingen in haar rangen als klasse op wereldvlak: het ‘ijzeren gordijn’ tussen Oost en West, de verdelingen tussen de zogenaamde “bevoorrechte” arbeiders van de centra van het kapitaal en de onterfde massa’s in de voormalige koloniale zones.

De rijping van een politieke voorhoede werd afgeremd door de opvatting over een onmiddellijke revolutie, en door activistische praktijken, typisch voor het ongeduld van de kleinburgerij, die niet in staat bleek om het lange termijn karakter van het revolutionaire werk en het reusachtige niveau van de theoretische taken te vatten waar de gepolitiseerde minderheid tegen aankeek. De overheersing van het activisme heeft grote delen van de minderheid kwetsbaar gemaakt voor de recuperatie door ultralinks of, wanneer de strijd afzwakte, voor demoralisering. Tegelijkertijd werden diegenen, die ultralinks verwierpen, belemmerd door radenistische opvattingen die het geheel van het vraagstuk van de opbouw van de organisatie verwierpen. Toch was een kleine minderheid in staat om deze obstakels te overwinnen en zich de traditie van de Kommunistische Linkerzijde toe te eigenen. Zo kwam een dynamiek op gang van groei en hergroepering die voortduurde tijdens de jaren 1970, maar die in het begin van de jaren 1980 ten einde liep, wat symbolisch gemarkeerd werd door de beëindiging van de Internationale Conferenties. De mislukking van de strijd in deze periode om een hoger politiek niveau te bereiken, om de zaadjes uit te strooien die, op straat en in de vergaderingen van 1968, het vraagstuk van de vervanging van het kapitalisme, zowel in Oost als in West, door een nieuwe maatschappij hadden opgeworpen, zou zeer beslissende gevolgen hebben in het daaropvolgende decennium.   

Desalniettemin was deze enorme drang van proletarische energie “niet alleen buiten adem”, het vereiste ook een gezamenlijke inspanning van de heersende klasse om hem te doen ontsporen en te onderdrukken. Fundamenteel gebeurde dit op politiek vlak, door maximaal gebruik te maken van de linkse krachten van het kapitaal en de vakbeweging, die een aanzienlijke invloed hebben gehad binnen de arbeidersklasse. Of het, in de loop van de twee decennia die volgden op 1968, nu ging via beloften om linkse regeringen te kiezen, of een latere strategie van “links in de oppositie”, gekoppeld aan de ontwikkeling van een radicaal syndicalisme, het feit dat de arbeiders hen in zekere zin beschouwden als een instrument van henzelf, was ook een onmisbaar element voor het inkapselen van de klassestrijd.

Tegelijkertijd haalde de bourgeoisie alle voordelen uit de structurele veranderingen die door de wereldwijde crisis werden opgelegd: aan de ene kant de invoering van technologische veranderingen ter vervanging van geschoolde en ongeschoolde arbeidskrachten in industrieën zoals de havens, de automobiel en drukkerijen; aan de andere kant de beweging in de richting van de “globalisering” van het productieproces, die hele industriële netwerken in de oude centra van het kapitalisme decimeerde en de productie verplaatste naar perifere regio's waar de arbeid onvergelijkbaar goedkoper was en veel meer winst opleverde. Deze veranderingen in de samenstelling van de arbeidersklasse in het hart van het kapitalisme, die vaak sectoren troffen die in de jaren zeventig en begin jaren tachtig in het middelpunt van de strijd stonden, werden bijkomende factoren in de atomisering van de klasse en de vernietiging van haar klassenidentiteit.

10. Ondanks bepaalde pauzes bleef de dynamiek, die ingezet werd in 1968, in de loop van de jaren 1970 behouden. Het hoogtepunt van de rijping van de capaciteit van het proletariaat op gebied van zelforganisatie en uitbreiding van haar strijd werd bereikt met de massastakingen in Polen, in 1980. Maar dit hoogtepunt markeerde ook het begin van de neergang. Alhoewel de stakingen in Polen de klassieke interactie hadden laten zien tussen economische en politieke eisen, hebben de Poolse arbeiders op geen enkele moment het probleem van een nieuwe maatschappij gesteld. Wat dit aspect betreft bleven de stakingen “onder” het niveau van de beweging van 1968. Toen was de zelforganisatie nog enigszins embryonaal, maar leidde de context tot een veel radicaler debat omtrent de noodzaak aan een sociale revolutie. Enkele heel beperkte uitzonderingen daargelaten, beschouwde de beweging in Polen het “vrije westen” als de alternatieve maatschappij die ze wilde: het ideaal van democratische regeringen, van “vrije” vakbonden, en al de rest. In het westen zelf waren er enkele uitingen van solidariteit met de stakingen in Polen. Tegenover een economische crisis die snel verdiepte, zagen we vanaf 1983, een golf van gevechten die steeds meer gelijktijdig plaatsvonden en globaal werden kwa omvang. In een groot aantal gevallen toonden ze een groeiend conflict tussen arbeiders en vakbonden. Maar het naast elkaar bestaan van strijd in de wereld, betekende niet automatisch dat er een bewustzijn was omtrent de noodzaak van de internationalisering van de strijd. Er was, in de botsing met de vakbonden, die natuurlijk deel uitmaken van de staat, geen sprake van een politisering van de beweging in de zin van een bewustwording van de noodzaak de staat omver te werpen, noch van een toenemende bekwaamheid om een perspectief naar voren te schuiven voor de mensheid. Meer nog dan in de jaren 1970, bleef de strijd van de jaren 1980 in de ontwikkelde landen steken op het terrein van de sectoriële eisen, en in die zin is hij kwetsbaarder gebleven voor de sabotage door radicale vormen van syndicalisme. De verergering van de imperialistische spanningen tussen de blokken in de loop van die periode heeft beslist een groeiende ongerustheid doen ontstaan over de oorlogsdreiging. Maar dat werd ruim afgeleid naar pacifistische bewegingen die doeltreffend de ontwikkeling verhinderden van een bewust verband tussen het economische verzet en de oorlogsdreiging. En wat betreft de kleine revolutionaire groepen die een georganiseerde activiteit onderhielden tijdens die periode, ook al waren ze in staat om meer direct tussen te komen in bepaalde initiatieven van de arbeidersklasse, toch roeiden ze, op een diepgaander niveau, tegen de stroom in van het wantrouwen ten opzichte van de “politiek”, dat overheerste in de arbeidersklasse in haar geheel. En deze groeiende kloof tussen de klasse en de politieke minderheid is op zichzelf een bijkomende factor geweest voor de onbekwaamheid van de klasse om haar eigen perspectief te ontwikkelen.   

De impact van de ontbinding

11. De strijd in Polen en zijn nederlaag zouden een samenvatting blijken van de globale krachtsverhouding tussen de klassen. De stakingen hebben duidelijk aangetoond dat de arbeiders van Oost-Europa niet bereid waren om te vechten in een oorlog in naam van het Russische Rijk, en toch waren zij niet in staat om een revolutionair alternatief te bieden voor de crisis van het systeem, die zich verdiepte. De fysieke verplettering van de Poolse arbeiders heeft trouwens buitengewoon negatieve politieke gevolgen gehad voor de arbeidersklasse in heel de regio, die als klasse afwezig was in de opstanden die aanleiding gaven tot het verdwijnen van de Stalinistische regimes. En zo werd zij kwetsbaar voor een akelige golf van nationalistische propaganda die belichaamd wordt in de autoritaire regimes die momenteel heersen in Rusland, Hongarije en Polen. De Stalinistische heersende klasse, die niet in staat bleek om de crisis en de klassestrijd aan te pakken zonder wrede onderdrukking, heeft aangetoond dat zij de politieke flexibiliteit miste om zich aan te passen aan de veranderende historische omstandigheden. Zo stond in 1980-1981 het toneel al klaar voor een ineenstorting van het Oostblok in zijn geheel, wat een nieuwe fase inluidde van de historische neergang van het kapitalisme. Maar deze nieuwe fase die wij aanduiden als die van de ontbinding, vindt haar oorsprong in een veel grotere blokkering tussen de klassen.     

De klassebewegingen die uitbarstten in de ontwikkelde landen na 1968 markeerden het einde van de contrarevolutie. En het aanhoudende verzet van de arbeidersklasse vormde een beletsel voor de “oplossing” van de bourgeoisie voor de economische crisis: de wereldoorlog. Het was mogelijk om deze periode aan te duiden als een “koers naar massale klassenbotsingen” en de nadruk te leggen op het feit dat een koers naar oorlog niet kan plaatsvinden zonder een directe nederlaag van een opstandige arbeidersklasse. In de nieuwe fase heeft het uiteenvallen van de twee imperialistische blokken de wereldoorlog afgevoerd van de agenda, wat ook het niveau van de klassestrijd was. Maar dat betekende dat het vraagstuk van het historisch perspectief niet meer in die termen gesteld kon worden. De onbekwaamheid van het kapitalisme om zijn tegenstellingen te boven te komen betekent nog altijd dat het aan de mensheid niets anders te bieden heeft dan een toekomst van barbarij. Hiervan kunnen wij de grote lijnen zich al zien aftekenen in een helse combinatie van lokale en regionale oorlogen, milieurampen, pogroms en sociaal geweld op de naasten. Maar in tegenstelling tot de wereldoorlog, die een directe fysieke en ideologische nederlaag van de arbeidersklasse vereist, is deze “nieuwe” neergang in de barbarij veel trager, veel verraderlijker. Ze kan de arbeidersklasse geleidelijk aan inkapselen en het haar onmogelijk maken om zich te herstellen als klasse. Het criterium voor de inschatting van de evolutie van de krachtsverhouding tussen de klassen kan niet langer meer het beletten van een wereldoorlog zijn. Het is over het algemeen veel moeilijker geworden om het te bepalen.

12. In de beginfase van de heropleving van de kommunistische beweging na 1968, had de stelling van het verval van het kapitalisme talrijke aanhangers gewonnen en vormde ze de programmatische sokkel van een heropkomst van de Kommunistische Linkerzijde. Vandaag is dat niet meer het geval: de meerderheid van nieuwe elementen die in het kommunisme een antwoord zoeken op de problemen waarmee de mensheid geconfronteerd wordt, vinden allerlei soorten redenen om zich te verzetten tegen de opvatting van het verval. En wanneer het gaat over het begrip ontbinding, dat wij verdedigen als laatste fase van de neergang van het kapitalisme, schijnt de IKS ongeveer de enige te zijn om dit te hanteren. Andere groepen aanvaarden het bestaan van belangrijke manifestaties van de nieuwe periode – het algemene inter-imperialistische krijgsgewoel, de terugkeer van aartsreactionaire ideologieën zoals het religieus fundamentalisme en het opkomende nationalisme, de crisis in de verhoudingen tussen mens en natuur – maar weinigen onder hen trekken de conclusie dat deze toestand voortkomt uit een patstelling in de krachtsverhouding tussen de klassen. Weinigen onder hen zijn het evenmin eens met het feit dat deze verschijnselen uitdrukkingen zijn van een kwalitatieve verandering in het verval van het kapitalisme, van een hele fase of periode die slechts kan worden omgekeerd door de proletarische revolutie. Dit verzet tegen de opvatting van de ontbinding neemt dikwijls de vorm aan van scherpe uitvallen tegen de “apocalyptische” tendensen van de IKS, aangezien wij er over spreken als de laatste fase van het kapitalisme, of tegen ons “idealisme” want, alhoewel wij gevolgen van de economische crisis op de lange termijn als een sleutelfactor van de ontbinding zien, beschouwen wij niet enkel de economische factoren als het doorslaggevende element voor de intrede in deze nieuwe fase. Achter deze tegenwerpingen ligt het onbegrip van het feit dat het kapitalisme, als de laatste klassenmaatschappij in de geschiedenis, gedoemd is tot een dergelijke historische patstelling. In tegenstelling tot voorafgaande klassenmaatschappijen toen die in verval raakten, kan het kapitalisme in zijn schoot niet een nieuwe, meer dynamische productiewijze doen ontstaan. Nochtans moet de enige weg naar een hogere vorm van sociaal leven opgebouwd worden, niet als een automatisch product van economische wetten, maar op basis van een bewuste beweging van de overgrote meerderheid van de mensheid, wat per definitie de moeilijkste taak is die ooit is ondernomen in de geschiedenis.

13. De ontbinding was het gevolg van blokkade in de strijd tussen de twee voornaamste klassen. Maar ze blijkt ook een actieve factor te zijn bij de groeiende moeilijkheden van de arbeidersklasse sinds 1989. De uitstekend georkestreerde campagnes over de dood van het kommunisme die de val van het Russische blok begeleidden -  en die aantoonden dat de heersende klasse in staat  was om de manifestaties van de ontbinding te gebruiken tegen de uitgebuitenen – zijn een zeer belangrijk element geweest in het ondermijning van het zelfvertrouwen van de klasse en haar bekwaamheid om haar historische missie opnieuw te bevestigen. Het kommunisme, het marxisme, zelfs de klassenstrijd werden beschouwd als achterhaald, als niets anders dan dode geschiedenis. Maar de enorme en langdurige negatieve effecten van de gebeurtenissen van 1989 op het bewustzijn, op de strijdbaarheid en de klasse-identiteit van het proletariaat zijn niet enkel het resultaat van de reusachtige anti-kommunistische campagne. De doeltreffendheid van deze campagne zelf moet uitgelegd worden. Ze kan slechts begrepen worden in de context van de specifieke ontwikkeling van de revolutie en de contrarevolutie sinds 1917. Met de mislukking van de militaire contrarevolutie tegen de USSR zelf, met de nederlaag van de wereldrevolutie, ontstond er een compleet onverwachte constellatie: die van een contrarevolutie die voortkwam uit de schoot van een proletarisch bastion, en uit een kapitalistische economie in de Sovjet-Unie zonder enige historisch ontwikkelde kapitalistische klasse. Dat heeft geleid tot een realiteit die geenszins de uitdrukking was van een historisch hogere noodzaak, maar van een historische afwijking: de leiding van een kapitalistische economie door een contrarevolutionaire bourgeois staatsbureaucratie, een bureaucratie die helemaal niet opgeleid en geschikt was voor een dergelijke taak. Alhoewel de economie onder de stalinistische leiding efficiënt bleek in de vuurproef van de tweede wereldoorlog, is ze op lange termijn compleet mislukt in het genereren van een nationaal concurrerend kapitaal.

De stalinistische regimes waren bijzonder reactionaire vormen van de burgerlijke maatschappij in verval. Hoewel ze geen terugval waren in een soort van feodaal of despotisch regime, waren ze geenszins “normale” kapitalistische economieën. Met zijn ineenstorting bewees het Stalinisme evenwel nog een laatste dienst aan de heersende klasse. Bovenal omdat de campagnes over de dood van het kommunisme een soort bevestiging leken te krijgen in de realiteit zelf. De afwijkingen van het Stalinisme van een juist functionerend kapitalisme waren zo ernstig en aanzienlijk dat het in de ogen van de bevolking leek alsof het echt geen kapitalisme was. Maar daarvoor, tot zolang het in staat was zichzelf te handhaven, leek het te bewijzen dat er alternatieven mogelijk waren voor het kapitalisme. Zelfs als dat bijzondere alternatief voor het kapitalisme allesbehalve aantrekkelijk was voor de meerderheid van de arbeiders, liet zijn bestaan niettemin een mogelijke bres in het ideologische harnas van de heersende klasse. De heropleving van de klassestrijd in de jaren 1960 was in staat om voordeel te halen uit deze bres en een visie te ontwikkelen van de revolutie die tegelijkertijd antikapitalistisch en antistalinistisch was en gebaseerd, niet op een staatsbureaucratie of een één-partijen-staat, maar op de arbeidersraden. Als de wereldrevolutie, tijdens de jaren 1960-1970, door velen gezien werd als een niet te verwezenlijken utopie, een hersenspinsel, dan was dat het resultaat van de onmetelijke macht van de heersende klasse of van wat beschouwd werd als de egoïstische en inherent destructieve aard van onze soort. Nochtans vonden of konden dergelijke gevoelens van wanhoop soms een tegengewicht vinden in de massale strijd en solidariteit van het proletariaat. Na 1989, met de ineenstorting van de “socialistische” regimes, dook er een kwalitatief nieuwe factor op: de indruk dat het onmogelijk was een moderne maatschappij op te bouwen die niet gebaseerd was op kapitalistische beginselen. In die omstandigheden was het voor het proletariaat veel moeilijker, niet alleen om haar bewustzijn en klasse-identiteit, maar ook de economisch defensieve strijd te ontwikkelen. Want de logica van noden van de kapitalistische economie weegt veel zwaarder door als er geen alternatief voor schijnt te bestaan.

Al is het zeker niet nodig dat de hele arbeidersklasse marxistisch wordt of een duidelijke visie ontwikkelt over het kommunisme om de proletarische revolutie door te voeren, dan verandert de onmiddellijke toestand van de klassestrijd aanzienlijk, naarmate brede sectoren van de klasse al of niet de mogelijkheid zien om het kapitalisme in vraag te stellen.

14. Maar op een nog veel verraderlijke manier heeft de ontbinding in het algemeen en “op zich” in de arbeidersklasse haar klasse-identiteit en haar klassenbewustzijn aangevreten. Dat was bijzonder duidelijk bij de langdurig werklozen of bij de werkers met een deeltijdbaan die “aan hun lot waren overgelaten” door de structurele veranderingen, die werden ingevoerd in de jaren 1980: terwijl de werklozen in het verleden behoorden tot de voorhoede van de arbeiderstrijd, waren zij in deze periode veel kwetsbaarder voor verpaupering, voor bendevorming en voor de verspreiding van ideologieën zoals het jihadisme en het neo-fascisme. Zoals de IKS had voorzien in de periode onmiddellijk na de gebeurtenissen van 1989 zou de klasse een lange periode van teruggang tegemoet gaan. Maar de lengte en diepte van deze teruggang blijken nog veel groter te zijn dan wij verwachtten. Belangrijke bewegingen van een nieuwe generatie van de arbeidersklasse in 2006 (de anti-CPE beweging in Frankrijk tegen het startbanenplan voor jongeren) en tussen 2009 en 2013 in talrijke landen over de hele wereld (Tunesië, Egypte, Israël, Griekenland, de VS, Spanje… ) tegelijkertijd met een zekere opkomst van een milieu dat geïnteresseerd was in kommunistische ideeën, maakten het mogelijk om te denken dat de klassenstrijd eens te meer het centrum van het toneel zou worden, en dat een nieuwe fase in de ontwikkeling van het revolutionaire beweging was aangebroken. Maar talrijke ontwikkelingen in de loop van het laatste decennium hebben juist aangetoond hoe diepgaand de moeilijkheden zijn waarmee de arbeidersklasse en haar voorhoede worden geconfronteerd.

15. De strijd rond het jaar 2011 was uitdrukkelijk verbonden met de gevolgen van de verdiepende economische crisis, hun hoofdrolspelers verwezen bijvoorbeeld dikwijls naar de precaire voorwaarden van de tewerkstelling en het gebrek aan mogelijkheden voor de jongeren, zelfs na meerdere jaren van universitaire studies. Maar er bestaat geen automatisch verband tussen de verergering van de economische crisis en de kwalitatieve ontwikkeling van de klassestrijd – een wezenlijke les uit de jaren 1930, toen de Grote Depressie neigde tot meer demoralisatie in een klasse die al verslagen was. En gegeven de jarenlange teruggang en verwarring, die voorafgingen aan de financiële aardbeving van 2007-2008, zou deze een negatieve weerslag hebben op het bewustzijn van het proletariaat.

Een belangrijk element in dit verband was de proliferatie van het kredietsysteem zelf, dat centraal stond in de economische expansie van de jaren 1990 en 2000, maar waarvan de intrinsieke tegenstellingen de crash nu versnelden. Dit proces van “financialisering” speelde zich niet alleen af op het niveau van de grote financiële instellingen, maar ook in het leven van miljoenen werkers. Op dit vlak is de situatie heel anders dan in de jaren 1920 en 1930, toen de zogenaamde middenklasse (kleine eigenaars, vrije beroepen, enz.), maar niet de arbeiders, spaargeld hadden te verliezen, en toen de bescherming door de Staat nauwelijks genoeg was om te voorkomen dat de proletariërs zouden verhongeren. Enerzijds is de onmiddellijke materiële toestand van de arbeidersklasse in dergelijke landen nog altijd minder dramatisch dan die van 8 of 9 decennia geleden. Anderzijds zaten juist in die landen miljoenen arbeiders in de knoei, iets wat nagenoeg niet bestond in de jaren 1930: zij zijn zelf schuldenaren geworden, dikwijls voor een aanzienlijk bedrag. Tijdens de 19e eeuw, en zelfs nog in grote mate tot 1945, waren de lokale kroegen, cafés en kruidenierszaken de enigen die de arbeiders krediet verleenden. Op momenten van grote beproevingen moesten de arbeiders hun toevlucht nemen tot klasse-solidariteit. Kredietverlening aan de arbeiders is op grote schaal begonnen met woning- en bouwkredieten. Maar dat is in de daarop volgende decennia geëxplodeerd met de ontwikkeling, op een massale schaal, van het consumptieve krediet. De steeds meer geraffineerde, geslepen en verraderlijke ontwikkeling van deze kredieteconomie voor een groot deel van de arbeidersklasse, heeft uiterst negatieve gevolgen gehad op het bewustzijn van de proletarische klasse. De onteigening van het inkomen van de arbeidersklasse door de bourgeoisie is verborgen en lijkt onbegrijpelijk wanneer die de vorm aanneemt van een devaluering van het spaargeld, van het bankroet van de banken of de verzekeringsmaatschappijen of van de confiscatie van het huiseigendom op de markt. De toenemende kwetsbaarheid van de verzekeringen van de “Welvaartstaat” en hun financiering vergemakkelijkt de verdeling van de arbeiders tussen diegenen die betalen voor deze openbare systemen, en diegenen die er door worden onderhouden zonder daarvoor een equivalent te hebben betaald. En het feit dat miljoenen arbeiders in de schuldenlast zitten is een nieuw, bijkomend en krachtig middel om het proletariaat te disciplineren.

Zelfs indien het gevolg van de krach soberheid betekende voor de meesten en een nog onbeschaamdere overdracht van rijkdom naar een kleine minderheid, leidde het globale resultaat ervan niet tot het aanscherpen of ontwikkelen van een inzicht in het functioneren van het kapitalisme: de wrevel tegen de groeiende ongelijkheid is voor een groot deel gericht geworden op de “corrupte stedelijke elite”, een thema dat het voornaamste handelsmerk is geworden van het rechtspopulisme. En zelfs als de reacties, tegen de crisis en de onrechtvaardigheden die er mee verbonden zijn, leidden tot meer vormen van proletarische strijd, zoals de beweging van de Occupy in de VS, dan waren ze toch in zeer grote mate gelood door een tendens om de schuld af te schuiven op de graaizucht van de bankiers of zelfs op geheime genootschappen, die de krach met opzet zouden hebben georkestreerd om hun controle over de maatschappij de behouden.

16. De revolutionaire golf van 1917-1923 was, net zoals de voorafgaande opstandige bewegingen van de arbeidersklasse (1871, 1905), ontketend door een imperialistische oorlog. Dit leidde de revolutionairen ertoe om de oorlog te beschouwen als de meest gunstige omstandigheden voor de proletarische revolutie. In werkelijkheid heeft de nederlaag van de revolutionaire golf aangetoond dat de oorlog diepe verdelingen kan creëren binnen de klasse, in het bijzonder tussen de proletariërs van de “overwinnende” en die van de “verliezende” naties. Bovendien had de bourgeoisie, zoals door de gebeurtenissen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is aangetoond, de nodige lessen getrokken uit wat er gebeurd was in 1917. Ze heeft haar bekwaamheid laten zien om mogelijke proletarische reacties tegen de imperialistische oorlog in te perken, voornamelijk door strategieën en vormen van militaire technologie te ontwikkelen die de verbroedering tussen de elkaar confronterende legers steeds moeilijker maakt.

In tegenstelling tot de beloften van de westerse heersende klasse na de ineenstorting van het Russische imperialistische blok, was de nieuwe historische fase die werd ingezet geenszins een tijdperk van vrede en stabiliteit, maar van uitbreiding van de militaire chaos, van steeds meer onoplosbare oorlogen, die hele delen van Afrika en het Midden-Oosten verwoest hebben en zelfs aan de poorten van Europa aanklopten. Maar terwijl de barbarij die werd ontplooid en Irak, Afghanistan, Rwanda, en nu ook in Jemen en Syrië, zeker en vast afgrijzen en verontwaardiging heeft veroorzaakt bij aanzienlijke delen van het wereldproletariaat – ook in de centrale kapitalistische landen wier bourgeoisie direct betrokken is in deze oorlogen – hebben de oorlogen van de ontbinding slechts zelden aanleiding gegeven tot proletarische vormen van verzet. Bovendien was de arbeidersklasse, in de landen die direct getroffen werden, te zwak om zich te organiseren tegen de lokale militaire gangsters en hun imperialistische sponsors. Dit is het meest evident in de huidige oorlog in Syrië, waar men niet alleen een ongenadige afslachting van de bevolking heeft gezien door lucht- en andere bombardementen, vooral door de officiële strijdkrachten van de staat, maar ook de afleiding van een aanvankelijke sociale onvrede door de vorming van militaire fronten en de rekrutering van tegenstanders van het regime in een wirwar van gewapende bendes, de ene wreder dan de andere.

In de kapitalistische centra, hebben dergelijke afschuwelijke scenario’s vooral gevoelens van wanhoop en onmacht doen ontstaan – voornamelijk omdat het er op kan lijken dat elke poging om te rebelleren tegen het huidige systeem enkel kan leiden tot een nog veel ergere situatie. Het treurige lot van de “Arabische lente” kan gemakkelijk gebruikt worden tegen de mogelijkheid tot revolutie. Maar de verbrokkeling van hele landen in de periferie van Europa is, in de loop van de laatste dertig jaren, als een boemerang beginnen te werken op de arbeidersklasse in het centrum van het systeem. Dit kan samengevat worden in twee vraagstukken: enerzijds de steeds meer chaotische ontwikkeling van de wereldwijde vluchtelingencrisis, die zich werkelijk heeft uitgebreid over de hele planeet, en anderzijds de ontwikkeling van het terrorisme.

17. Het triggermoment van de vluchtelingencrisis was de openstelling van de grenzen van Duitsland (en Oostenrijk) voor de vluchtelingen van de “Balkan-route” in 2015. De motieven voor deze beslissing van de kanselier Merkel waren dubbel. Eerstens, de economische en demografische toestand van Duitsland (een bloeiende industrie die geconfronteerd werd met het vooruitzicht van schaarste aan gekwalificeerde en “gemotiveerde” arbeidskrachten). Ten tweede het gevaar van de ineenstorting van de openbare orde in Zuid-Oost Europa vanwege de concentratie van duizenden vluchtelingen in landen die dit niet aankonden.

Maar de Duitse bourgeoisie had de gevolgen van haar eenzijdige beslissing op de rest van de wereld slecht ingeschat, in het bijzonder in Europa. In het Midden-Oosten en in Afrika zijn miljoenen vluchtelingen en andere slachtoffers van de kapitalistische ellende begonnen plannen te maken om naar Europa te trekken, in het bijzonder naar Duitsland. In Europa hebben de regels van de EU, zoals die van “Schengen” of het “Verdrag van Dublin”, het probleem van Duitsland tot een probleem van heel Europa gemaakt. Een van de eerste gevolgen van deze toestand is een crisis geweest van de Europese Unie – tot op heden misschien wel de ergste in haar geschiedenis.

De komst van zovele vluchtelingen in Europa bracht in het begin een spontane golf van sympathie teweeg bij grote delen van de bevolking – een geestdrift die nog sterk is in landen zoals Italië of Duitsland. Maar deze geestdrift werd snel verstikt door een xenofobe reactie in Europa die niet alleen door de populisten werd georganiseerd maar ook door de veiligheidsdiensten en de professionele verdedigers van de burgerlijke wet en orde, die gealarmeerd werden door de plotselinge en ongecontroleerde toevloed van niet-geïdentificeerde personen. De schrik voor de komst van terroristische agenten ging gepaard met de vrees voor het feit dat de komst van zovele moslims de ontwikkeling zou versterken van subculturen van immigranten in Europa, die zich niet identificeren met de natie-staat van het land waarin zij leven. Deze vrees werd nog versterkt door de toename van terroristische aanslagen in Frankrijk, België en Duitsland. In Duitsland zelf was er een duidelijke toename van terroristische aanvallen van rechts tegen de vluchtelingen. In delen van de voormalige DDR heeft zich een ware pogromsfeer ontwikkeld. In geheel West-Europa is de “vluchtelingencrisis”, na de economische crisis, de tweede factor geworden die (versterkt door het fundamentalistisch terrorisme) de vlammen aanwakkert van het rechtse populisme.

Zoals de economische crisis na 2008 ernstige verdeeldheid teweeg bracht binnen de bourgeoisie wat betreft de beste manier om de wereldeconomie te beheren, markeerde 2015 het begin van het einde van een consensus met betrekking tot de immigratie. Tot dan toe was een half-doorlaatbare grens de basis van het beginsel van deze politiek geweest. De muur tegen Mexico die Donald Trump wil bouwen bestaat al, net zoals die rond Europa (ook in de vorm van militaire patrouilleschepen en gevangenissen op de luchthavens). Maar de bedoeling van de huidige muren is de immigratie te vertragen en te reguleren, niet om die te beletten. De immigranten onwettig binnen laten komen criminaliseert hen, verplicht hen op die manier om te werken voor een hongerloon, in verschrikkelijke omstandigheden, zonder enig recht op sociale voorzieningen. Door mensen te verplichten hun leven te riskeren om toegelaten te worden, wordt het grenzenbeleid bovendien een soort barbaars selectiemechanisme, waarbij alleen de meest gewaagde, vastberaden en dynamische vluchtelingen binnen geraken.

De zomer van 2015 vormde in feite het begin van de ineenstorting van het bestaande immigratiesysteem. De onevenwichtigheid tussen het onophoudelijk groeiende aantal van diegenen die proberen binnen te geraken enerzijds en de afnemende vraag naar arbeidskrachten in de landen waar zij binnenkomen anderzijds, (met Duitsland als uitzondering) is onhoudbaar geworden. En zoals gewoonlijk hebben de populisten een gemakkelijke oplossing bij de hand: de half-doorlaatbare grens moet ondoordringbaar worden, ongeacht het geweld dat daarbij vereist is. Ook daar lijkt wat zij voorstellen vanuit burgerlijk standpunt heel geloofwaardig. Het komt niet meer of minder neer op de toepassing van de logica van “gesloten gemeenschappen” op de schaal van complete naties.

Ook op dat vlak zijn de gevolgen van deze toestand, voor het ogenblik, zeer negatief voor het bewustzijn van de arbeidersklasse. De ineenstorting van het Oostblok werd voorgesteld als de ultieme zege van het westerse democratische kapitalisme. Daartegenover stond, vanuit het gezichtspunt van het proletariaat, dat de crisis van het kapitalisme, op alle vlakken, zou bijdragen tot het beschadigen van het imago van het kapitalisme als het best mogelijke systeem. Maar vandaag – en ondanks de ontwikkeling van de crisis – zijn miljoenen mensen (en niet enkel vluchtelingen) bereid om hun leven te wagen om toegang te krijgen tot de oude kapitalistische centra zoals Europa en Noord-Amerika. Dit kan niet anders dan de indruk versterken dat deze zones (relatief gezien tenminste) wel geen paradijzen zijn, maar ten minste eilanden van welvaart en relatieve stabiliteit.

In tegenstelling tot de periode van de Grote Depressie in de jaren 1930, toen de ineenstorting van de wereldeconomie vooral tot uiting kwam in de Verenigde Staten en in Duitsland, zullen de centrale kapitalistische landen vandaag, dank zij een globale staatskapitalistische aanpak, waarschijnlijk de laatsten zijn om in te storten. In deze context is een situatie ontstaan die lijkt op deze van een belegerde burcht, meer bepaald (maar niet uitsluitend) in Europa en de VS. Er bestaat een reëel gevaar dat de arbeidersklasse in deze zones, zelfs al is ze niet actief gemobiliseerd achter de ideologie van de heersende klasse, de bescherming opzoekt van haar “eigen” uitbuiters (“de identificatie met de agressor” om het in psychologische termen te zeggen) tegen wat gezien wordt als een gemeenschappelijk gevaar dat van buitenaf komt.

18. De “weerslag” van de terroristische aanvallen als gevolg van de oorlogen in het Midden-Oosten is begonnen lang voor de huidige vluchtelingencrisis. De aanvallen van Al Qaïda op de Twin Towers in 2001, gevolgd door de andere wreedheden in het openbaar vervoer in Madrid en Londen, toonden reeds dat de belangrijkste kapitalistische staten zouden gaan oogsten wat ze in Afghanistan en Irak gezaaid hadden. Maar de recente reeks moorddadige aanslagen in Duitsland, Frankrijk, België, Turkije, de Verenigde staten en elders, die toegeschreven werden aan de Islamitische Staat, hoewel ze dikwijls eerder van amateuristische en zelfs van toevallige aard waren, waarbij het steeds moeilijker wordt om het onderscheid te maken tussen een getrainde terroristische “soldaat” en een geïsoleerd, gestoord individu, maar die plaatsvonden in combinatie met de vluchtelingencrisis, heeft de gevoelens van wantrouwen en paranoia onder de bevolking nog versterkt. Dit leidt ertoe dat de mensen zich tot de staat richten om bescherming te vragen tegen de vormeloze en onvoorspelbare “interne vijand”. Tegelijkertijd biedt de nihilistische ideologie van de Islamitische Staat en zijn trawanten een kort moment van glorie aan de jonge rebellerende immigranten die voor zichzelf geen toekomst zien in de quasi getto’s van de westerse metropolen. Het terrorisme dat, in de fase van ontbinding, steeds meer het middel is geworden om oorlog te voeren tussen staten en proto-staten, maakt het steeds moeilijker om uitdrukking te geven aan het internationalisme.

19. De huidige opkomst van het rechtse populisme is dus gevoed door deze verschillende factoren – de economische crisis van 2008, de impact van de oorlog, van het terrorisme en van de vluchtelingencrisis – en blijkt een geconcentreerde uitdrukking te zijn van de ontbinding van het systeem, van de onbekwaamheid van een van de twee belangrijkste klassen van de maatschappij om een perspectief te bieden voor de mensheid. Vanuit het standpunt van de heersende klasse betekent dit de uitputting van de “neo-liberale” consensus die het kapitalisme in staat had gesteld om zich, sinds het begin van de openlijke economische crisis van 1970, overeind te houden en de accumulatie zelfs op te drijven en, in het bijzonder, sinds de uitputting van de keynesiaanse politiek die had overheerst in de no-oorlogse boom. In de nasleep van de krach van 2008, die de enorme welvaartskloof nog verbreed heeft tussen de weinige superrijken en de grote meerderheid, zijn de deregulering en de globalisering, evenals het “vrije verkeer” van kapitaal en arbeid in een kader dat bedacht werd door de machtigste staten van de wereld, door een groeiend deel van de bourgeoisie in vraag gesteld. Daarvan is het rechtspopulisme de typische exponent, zelfs al kan het neo-liberalisme en neo-keynesianisme in een en hetzelfde campagnediscours met elkaar verwisselen. Het wezen van de populistische politiek is de politieke, administratieve en juridische formalisering van de ongelijkheid van de burgerlijke samenleving. De crisis van 2008 heeft er in het bijzonder toe bijgedragen om duidelijk te stellen dat wat voorgesteld wordt als formele gelijkheid eigenlijk de grondslag is van een sociale ongelijkheid die meer dan ooit evident is. In een situatie waarbij het proletariaat niet in staat is om zijn revolutionaire oplossing – de instelling van een klassenloze maatschappij – naar voren te schuiven, bestaat de populistische reactie erin de bestaande schijnheilige pseudo-gelijkheid te willen vervangen door een “eerlijk” en open systeem van wettelijke discriminatie. Dit is de kern van de “conservatieve revolutie” waarvoor de topraadgever van president Trump, Steve Bannon, voor pleit.

Een eerste aanwijzing van wat wordt bedoeld met leuzen als “Amerika eerst”, wordt gegeven door het verkiezingsprogramma “Frankrijk eerst” van het Front National. Het stelt voor om de Franse burgers voorrang te verlenen op het gebied van tewerkstelling, belastingen en sociale uitkeringen, ten opzichte van de staatsburgers van andere landen van de Europese Unie die, op hun beurt, voorrang zouden krijgen op de overige vreemdelingen. Er bestaat een gelijkaardig debat in Groot-Brittannië over het vraag of de burgers van de EU, na de Brexit, zouden kunnen genieten van een overgangsstatuut tussen staatsburger en vreemdeling. In het Verenigd Koninkrijk was het hoofdargument dat naar voren werd gebracht ten gunste van de Brexit geen verwerping van de handelspolitiek van de EU of om het even welke Britse protectionistische drijfveer ten opzichte van continentaal Europa, maar de politieke wil om de “nationale soevereiniteit te herwinnen” voor wat betreft de immigratie en de nationale arbeidsmarkt. De logica van deze argumentatie is dat, bij afwezigheid van een perspectief op lange termijn groei voor de nationale economie, de levensomstandigheden van de autochtone bevolking slechts min of meer kunnen worden gestabiliseerd door een discriminatie van alle anderen.

20. In plaats van een tegengif te vormen tegen de lange en diepe teruggang van het klassebewustzijn, van de klasse-identiteit en de strijdbaarheid na 1989, hebben de zogenaamde financiële crisis en die van de Euro het tegengestelde effect gehad. Vooral de verderfelijke gevolgen van het verlies van solidariteit in de rangen van het proletariaat zijn aanzienlijk toegenomen. Meer in het bijzonder zien wij de opkomst van het zoeken naar zondebokken, een manier van denken die personen – waarop alle kwaad van de wereld geprojecteerd wordt – de schuld geeft van alles wat er slecht gaat in de maatschappij. Dergelijke ideeën maken de weg vrij voor pogroms. Vandaag is het populisme daarvan de meest treffende manifestatie, maar het is verre van de enige manifestatie van dit probleem, dat ertoe neigt alle sociale verhoudingen te doordringen. Op het werk en in het dagelijkse leven van de arbeidersklasse verzwakt het in toenemende mate de samenwerking en versterkt de atomisering en de ontwikkeling van het wederzijdse wantrouwen en van pesterijen.

De marxistische arbeidersbeweging heeft sedert lange tijd de theoretische visies verdedigd die een tegengewicht geven aan deze tendens. De twee meest wezenlijke visies waren de volgende: a) in het kapitalisme is de uitbuiting onpersoonlijk geworden, aangezien ze werkt volgens de “marktwetten” (waardewet), de kapitalisten zelf zijn verplicht zich aan deze wetten te onderwerpen; b) ondanks de indruk dat het functioneert als een machine, is het kapitalisme een sociale verhouding tussen klassen, aangezien dit “systeem” gebaseerd is op en in stand gehouden wordt door een wilsdaad van de burgerlijke staat (de schepping en versterking van het kapitalistische privé-eigendom); de klassenstrijd is dus niet persoonlijk maar politiek. In plaats van personen te bestrijden, strijdt zij tegen een systeem - en de klasse die het belichaamt - om de sociale verhoudingen om te vormen. Deze visies hebben zelfs de meest bewuste lagen van het proletariaat nooit immuun gemaakt voor het zoeken naar zondebokken. Maar ze versterken de weerstand van het proletariaat tegen deze tendenzen. Dat verklaart gedeeltelijk waarom het proletariaat, zelfs midden in de contrarevolutie, Duitsland daarbij inbegrepen, zich meer en langer verzet heeft tegen de uitbarsting van antisemitisme dan andere delen van de maatschappij. Deze proletarische tradities bleven positieve effecten hebben, ook toen de arbeiders zich niet langer op een bewuste manier identificeerden met het socialisme. De arbeidersklasse blijft dus de enige dam tegen de uitbreiding van dat soort gif, zelfs als bepaalde delen ervan er ernstig door zijn aangetast.

21. Dat alles heeft een verandering teweeg gebracht in het politieke palet van de burgerlijke maatschappij in haar geheel; die is nochtans, voor het ogenblik helemaal niet in het voordeel van het proletariaat. In landen zoals de Verenigde Staten of Polen, waar de populisten daadwerkelijk in de regering zitten, verdedigen de belangrijke staatbetogingen vooral de bestaande kapitalistische democratie en haar “liberale” reglementering. Een ander vraagstuk dat de massa’s mobiliseert is de strijd tegen de corruptie, zoals in Brazilië, in Zuid-Korea, in Roemenië of in Rusland. De “5 Sterren” beweging in Italië teert voornamelijk op deze kwestie. De corruptie, die eigen is aan het kapitalisme, neemt in zijn laatste fase epidemische vormen aan. Aangezien het schade toebrengt aan de productiviteit en aan het concurrentievermogen, zijn diegenen die er tegen strijden tot de beste verdedigers geworden van de belangen van het nationale kapitaal. De hoeveelheid nationale vlaggen, waarmee in dergelijke betogingen gezwaaid wordt, zijn geen toeval.

Er bestaat ook een hernieuwde belangstelling voor de burgerlijke verkiezingen. Door de teruggang van de solidariteit of als een soort protest tegen de gevestigde politiek klasse, vallen bepaalde delen van de arbeidersklasse ten prooi aan het stemmen voor de populisten. Deze arbeiders hebben tegenwoordig de indruk dat zij de heersende klasse meer kunnen doen wankelen en druk op haar kunnen uitoefenen door te stemmen voor de populisten, dan op te komen voor de proletarische strijd. Dit vormt een van de belemmeringen voor de ontwikkeling van het perspectief van de emancipatie Maar het grootste gevaar is misschien wel dat de meest moderne en geglobaliseerde sectoren van de klasse, in het hart van het productieproces, door hun verontwaardiging tegen de smerige uitsluiting die wordt voorgestaan door het populisme, of vertrekkend van een min of meer helder begrip dat deze stroming de stabiliteit van de bestaande orde in gevaar brengt, zouden kunnen trappen in de val van de verdediging van het heersende democratische kapitalistische regime.

22. De opkomst van het populisme en het anti-populisme vertoont bepaalde gelijkenissen met de jaren 1930, toen de arbeidersklasse werd gevangen tussen de tang van het fascisme en het anti-fascisme. Maar ondanks deze gelijkenis is de historische situatie niet dezelfde als die van de jaren 1930. Toentertijd had het proletariaat in de Sovjet-Unie en in Duitsland niet alleen een politieke klap gekregen maar ook een fysieke nederlaag geleden. In tegenstelling daarmee zitten we vandaag niet in een contrarevolutionaire situatie. Om die reden is de kans dat de heersende klasse zal proberen om het proletariaat een fysieke nederlaag op te leggen op dit moment erg klein. Er is nog een verschil met de jaren 1930: de ideologische steun van de proletariërs voor het populisme of het anti-populisme is geenszins definitief. Vele arbeiders die vandaag stemmen voor een populistische kandidaat kunnen, van de ene op de andere dag, weer aan de kant staan van hun strijdende klassebroeders, en hetzelfde geldt voor de arbeiders die meegesleurd worden in anti-populistische manifestaties. De arbeidersklasse is vandaag, vooral in de oude centra van het kapitalisme, niet bereid om haar leven op te offeren voor de belangen van de natie, ondanks de groter wordende invloed van het nationalisme op bepaalde sectoren van de klasse. Ze heeft evenmin de mogelijkheid verloren om te vechten voor haar eigen belangen en dit potentieel blijft de kop opsteken, zelfs al is het op een veel meer versnipperde en vluchtige manier dan in de periode 1968-1989 en 2006-2013. Tegelijkertijd zet zich een proces voort van nadenken en rijping in de schoot van een minderheid van het proletariaat ondanks de moeilijkheden en de terugslagen. En dat wijst op zijn beurt op een meer onderaards proces dat plaatsgrijpt in veel bredere lagen van het proletariaat.

Onder die voorwaarden zou de poging om het proletariaat te terroriseren potentieel gevaarlijk en zeer waarschijnlijk contraproductief zijn. Het zou sterk de illusies van de arbeiders kunnen uithollen, die er bestaan over het democratisch kapitalisme, en dat is net een van de belangrijkste ideologische troeven van de uitbuiters.

Om al deze redenen biedt het veel meer voordelen voor de kapitalistische klasse om de negatieve gevolgen van de ontbinding en de impasse van het kapitalisme aan te wentelen tegen de arbeidersklasse.

1917, 2017 en het perspectief van het kommunisme

23. Een van de voornaamste aanvalslijnen van de “liberale” bourgeoisie tegen de Oktoberrevolutie van 1917 was en blijft het zogenaamde contrast tussen de democratische verwachtingen van de Februariopstand en de Bolsjewistische “staatsgreep” van Oktober, die Rusland in onheil en tirannie stortte. Maar de sleutel tot het begrijpen van de Oktoberrevolutie is dat ze berust op de noodzaak om te breken met het imperialistische oorlogsfront. Dat werd door alle fracties van de bourgeoisie overeind gehouden en niet in het minst door haar “democratische” vleugel. Daardoor werd dit het eerste wapenfeit van de wereldrevolutie. Het was het eerste duidelijke antwoord van het wereldproletariaat op de intrede van het kapitalisme in zijn periode van neergang. En het was vooral op dat vlak dat Oktober 1917, verre van een relict uit oeroude tijden, een mijlpaal is voor de toekomst van de mensheid.

Thans, na de tegenslagen die de arbeidersklasse te verwerken heeft gekregen van de kant van de wereldbourgeoisie, lijkt de herovering van haar revolutionnair project zeer ver verwijderd. En nochtans: “in zekere zin vormt het vraagstuk van het kommunisme de eigenlijke kern van de moeilijke toestand van de mensheid vandaag, domineert het de wereldsituatie in de vorm van de leegte die het geschapen heeft door zijn afwezigheid” (Rapport over de Wereldsituatie). De veelvuldige barbaarse gebeurtenissen van de 20e en 21e eeuw, van Hiroshima tot Auschwitz, van Fukushima tot Aleppo, zijn de zware prijs die de mensheid betaald heeft voor de mislukking van de Kommunistische revolutie al die decennia geleden. En als in dit late ogenblik van het verval van de burgerlijke beschaving, de hoop op een revolutionaire omvorming definitief zou zijn vermorzeld, zouden de gevolgen voor de overleving van de maatschappij nog erger zijn. En toch zijn wij ervan overtuigd dat deze hoop nog steeds leeft en nog altijd stoelt op reële mogelijkheden.

Enerzijds is die gebaseerd op de objectieve mogelijkheid en noodzakelijkheid van het kommunisme. Dit zit verweven in de botsing tussen de productiekrachten en de productieverhoudingen, die steeds heviger wordt. Deze botsing wordt steeds heviger juist omdat het kapitalisme in verval en de ontbinding, in tegenstelling tot de klassenmaatschappijen van weleer die een ganse periode kenden van stagnatie, nooit zijn opgehouden met hun globale expansie en hun doordringing van alle poriën van het sociale leven. Men kan dit zien op meerdere vlakken:

- In de tegenstelling tussen het potentieel dat vervat zit in de moderne technologie en haar huidige aanwending binnen het kapitalisme: de ontwikkeling van de informatietechnologie en de kunstmatige intelligentie, die gebruikt zouden kunnen worden om bij te dragen tot de bevrijding van de mensheid van vervelend werk en de werkdag enorm zouden kunnen verkorten, heeft enerzijds geleid tot het schrappen van banen en anderzijds tot het verlengen van de werkdag.

- In de tegenstelling tussen het wereldwijde, geassocieerde karakter van de kapitalistische productie en het privé-eigendom die enerzijds de deelname belicht van miljoenen proletariërs in de productie van de sociale rijkdom en anderzijds de toe-eigening ervan door een kleine minderheid, wier arrogantie en verspilling een klap in het gezicht zijn voor stagnerende levensomstandigheden of totale verarming waarmee de overgrote meerderheid wordt geconfronteerd. Het globaal objectieve karakter van de arbeidsassociatie is de laatste decennia spectaculair toegenomen, in het bijzonder door de industrialisering van China en andere landen van Azië. Deze nieuwe proletarische bataljons, die zich dikwijls heel strijdbaar hebben getoond, vormen in potentie een nieuwe grote bron van kracht voor de globale klassestrijd, zelfs indien het proletariaat van West-Europa de sleutel bewaart tot de politieke rijping van de arbeidersklasse met het oog op de revolutionaire confrontatie met het kapitaal.

- In de tegenstelling tussen de gebruikswaarde en de ruilwaarde komt vooral de crisis van overproductie tot uiting en van alle middelen die het kapitalisme aanwendt om die te boven te komen, in het bijzonder de massale toevlucht tot het krediet. De overproductie, deze ingebakken absurditeit van het kapitalisme, toont tegelijkertijd overduidelijk de mogelijk aan van overvloed en de onmogelijkheid om daartoe te geraken binnen het kapitalisme. Eén voorbeeld van de technologische ontwikkeling belicht deze absurditeit nog duidelijker: Internet heeft het mogelijk gemaakt om allerlei soorten goederen gratis te verdelen (muziek, boeken, films, enz.) en toch moet het kapitalisme, vanwege de noodzaak het winstsysteem overeind te houden, een enorme bureaucratie in het leven roepen om zich ervan te verzekeren dat een dergelijke gratis distributie wordt beperkt of voornamelijk werkt als een forum dat reclame maakt voor goederen. Bovendien resulteert de overproductiecrisis in voortdurende aanvallen op de levensomstandigheden van de arbeidersklasse en de verarming van een groot deel van de mensheid.

- In de tegenstelling tussen de globale expansie van het kapitaal en de onmogelijkheid om de grenzen te overschrijden van de natie-staat. De bijzondere fase van globalisering, die in de jaren tachtig begon, heeft ons steeds dichter gebracht bij het door Marx in de Grundrisse voorspelde punt: "de universaliteit waarnaar het onweerstaanbaar tendeert, stuit op hindernissen van zijn eigen aard, die het in een bepaald stadium van zijn ontwikkeling toelaten te worden erkend als zelf de grootste belemmering voor deze tendens te zijn, en van daaruit zal leiden tot zijn eigen overstijging". [1].

Deze tegenstelling kon natuurlijk al opgemerkt worden door de revolutionairen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, aangezien de wereldoorlog zelf de eerste duidelijke uitdrukking was dat, terwijl de natie-staat zichzelf overleefde, het kapitalisme het niet echt kon overstijgen. En vandaag weten wij dat de verdwijning – in feite de val – van het kapitalisme geen louter economische vorm zal aannemen: hoe meer het zijn economische impasse nadert, hoe erger zijn drift zal zijn naar “overleving” ten koste van anderen via militaire middelen. De openlijke nationalistische oorlogsdrift van Trump, Poetin, en anderen betekent dat de kapitalistische globalisering, verre van de mensheid te verenigen, ons steeds dichter naar de zelfvernietiging voert, zelfs als de neergang in de hel niet noodzakelijk de vorm van een wereldoorlog zal aannemen.

- In de tegenstelling tussen de kapitalistische productie en de natuur, die sinds het begin van het kapitalisme (Adam Smith) als een “vrije gift” beschouwd wordt. Deze tegenstelling bereikt ongekende niveaus in de fase van de ontbinding. Dit komt het sterkst tot uiting in het openlijke vandalisme van diegenen die de klimaatverandering ontkennen en die het voor het zeggen hebben in de VS en in de opkomst van hun gezworen vijand, China, waar de ongebreidelde zoektocht naar groei ten koste van alles geleid heeft tot steden waar de lucht niet meer valt in te ademen. Daarbij komt nog het gevaar van de hoge vlucht van de globale opwarming en – in een bizarre combinatie van antiek bijgeloof en modern gangsterkapitalisme –de versnelde complete vernietiging van soorten, in Afrika en elders, die gevangen worden omwille van magische geneeskracht van hun hoorns of hun huiden. Het kapitalisme kan niet voortbestaan zonder deze groeimanie maar die is wel onverenigbaar met de gezondheid van het leefmilieu, waarin de mensheid leeft en ademt. Het voortbestaan zelf van het kapitaal bedreigt dus het menselijk bestaan, en niet enkel op militair vlak, maar ook op het vlak van zijn verhouding tot de natuur.

- Die ondraaglijke verscherping van de hierboven aangehaalde tegenstellingen wijzen allen naar één mogelijke oplossing: de wereldwijde geassocieerde productie voor gebruik en niet voor winst, een associatie niet enkel tussen de mensen maar ook tussen de mensen en de natuur. Misschien berust het grootste potentieel voor deze verandering momenteel in het feit dat, in de schoot van de meest moderne en centrale sectoren van het wereldproletariaat, de jonge generatie, alhoewel ze steeds meer bewust is van de ernst van de historische situatie, de wanhoop van de “no future” van de vorige decennia niet deelt. Dit vertrouwen is gebaseerd op het besef van ieders eigen geassocieerde productiviteit: op het potentieel dat vertegenwoordigd wordt door de wetenschappelijke en technische vooruitgang, op de “accumulatie” van kennis en middelen om die te bereiken, en op de groei van een veel diepere en meer kritische interactie tussen de mensheid en de rest van de natuur. Tegelijkertijd is dit deel van het proletariaat – zoals we gezien hebben in de bewegingen van West-Europa in 2011, die op het hoogtepunt de leuze van de “wereldrevolutie” hanteerden – vandaag veel bewuster van het internationale karakter van de geassocieerde arbeid en dus beter in staat om de mogelijkheden aan te grijpen van de internationale eenmaking van de strijd.

Maar de globale eenmaking van het proletariaat is een oplossing die het kapitaal ten koste van alles moet vermijden, zelfs als het daarvoor middelen moet gebruiken, die de inherente grenzen aantonen van de productie van ruilwaren. De ontwikkeling van het staatskapitalisme in het tijdperk van het verval is, in zekere zin, een soort van wanhopige zoektocht naar een manier om een maatschappij in stand te houden met totalitaire middelen. Het is een poging van de heersende klasse om haar controle uit te oefenen op het economische leven in een periode waarin de ontwikkeling van de “natuurlijke wetten” van het systeem het doen afstevenen op zijn eigen ineenstorting.

24. Zelfs al kan het kapitalisme de noodzaak van het kommunisme niet bezweren, toch weten wij dat de nieuwe productiewijze niet vanzelf kan ontstaan, maar dat hij de bewuste tussenkomst vereist van de revolutionaire klasse, het proletariaat. In weerwil van de extreme moeilijkheden waaraan de klasse vandaag blootstaat, van haar ogenschijnlijke onbekwaamheid om haar “eigen” kommunistisch project te doen ontluiken, hebben wij reeds onze argumenten onderstreept om te bevestigen dat deze opleving, deze wederopstanding van het proletariaat als klasse voor het kommunisme, vandaag nog mogelijk is. Want op dezelfde wijze als het kapitalisme de objectieve noodzaak van het kommunisme niet kan bezweren, kan het evenmin de subjectieve aspiraties naar een nieuwe maatschappij onderdrukken, of de zoektocht naar het inzicht hoe deze te verwezenlijken, in de schoot van de geassocieerde klasse, het proletariaat.

 De herinnering aan wat de Rode Oktober werkelijk betekent en natuurlijk ook de herinnering aan de revolutie in Duitsland en de revolutionaire golf die ontketend werd door Oktober, kunnen niet helemaal verdwijnen. Het werd, om zo te zeggen, onderdrukt, maar alle onderdrukte herinneringen zijn bestemd om weer op te duiken wanneer de omstandigheden er rijp voor zijn. Er bestaat, binnen de klasse, nog altijd een minderheid die de werkelijke geschiedenis en haar lessen op een bewuste manier vastgehouden en uitgewerkt heeft, klaar om de overdenking van de klasse te bevruchten, wanneer deze de noodzaak herontdekt om zin te geven aan haar eigen geschiedenis.

De klasse kan dit niveau van zoektocht op een massale schaal niet bereiken zonder de harde school van de praktische strijd te passeren. Deze strijd, als antwoord op de toenemende aanvallen van het kapitaal, vormt de rotsvaste basis voor de ontwikkeling van het zelfvertrouwen en de grenzeloze solidariteit die voortspruit uit de realiteit van de geassocieerde arbeid.

Maar de impasse waarin de economische - zuiver defensieve - strijd van het proletariaat sinds 1968 is verzeild, vereist enerzijds ook een theoretische strijd, een opzoekwerk om “op diepgaande wijze” het eigen verleden en zijn mogelijke toekomst te begrijpen. Dit is een zoektocht die, voor de klassebeweging, enkel kan leiden tot de noodzaak te gaan van het lokale en nationale vlak naar het wereldwijde, van het economische naar het politieke, van het defensieve naar het offensieve. Zelfs al is de onmiddellijke klassestrijd min of meer een feit in het leven van het kapitalisme,  toch is er geen enkele waarborg dat deze volgende vitale stap ook zal gezet worden. Maar ze manifesteert zich, hoe beperkt en verward ze ook moge zijn, via de strijd van de huidige generatie proletariërs, en dan vooral in bewegingen zoals die van de Indignados in Spanje. Die was trouwens een uiting van daadwerkelijke verontwaardiging tegen het systeem in zijn geheel, – een “achterhaald” systeem zoals de betogers op hun spandoeken demonstreerden – van een verlangen om te begrijpen hoe dit systeem functioneert, en wat het zou kunnen vervangen. En tegelijkertijd ook van het ontdekken van de organisatorische middelen die aangewend kunnen worden om te ontsnappen aan de instellingen van de bestaande orde. Deze middelen waren in wezen niet nieuw: de veralgemening van de massale bijeenkomsten, de verkiezing van afgevaardigden met een mandaat, waren een duidelijke echo van de tijd van de sovjets van 1917. Het was een duidelijke demonstratie van de diepgaande werking van de “oude mol” in de ondergrond van het maatschappelijk leven.  

Dat gaf ook een eerste schets van het potentieel voor de ontwikkeling van wat men de politieke en morele dimensie van de proletarische strijd zou kunnen noemen: het opduiken van een diepgaande verwerping van de bestaande levenswijze en gedrag door grotere sectoren van de klasse. De evolutie van dit moment is een zeer belangrijke factor in de voorbereiding en in de rijping zowel van de massale strijd op een klasseterrein als van een revolutionair perspectief.

Tezelfdertijd wijst de mislukking van de beweging van de Indignados om een werkelijke klasse-identiteit in het leven te roepen, op de noodzaak om deze ontluikende politisering, op straat en op de pleinen, te koppelen aan de economische strijd, aan de beweging in de werkplaatsen, waar de arbeidersklasse nog haar meest onderscheiden bestaan heeft. De revolutionaire toekomst berust niet op een “negatie” van de economische strijd, zoals beweerd wordt door de modernisten, maar op een werkelijke synthese van de politieke en economische dimensies van de klassebeweging, zoals werd vastgesteld en verdedigd in “De Massastaking” van Rosa Luxemburg.

25. In de ontwikkeling van het vermogen om het verband te zien tussen de politieke en economische dimensies van de strijd spelen de kommunistische politieke organisaties een onontbeerlijke rol. En daarom zal de bourgeoisie alles in het werk stellen om de rol van de Bolsjewistische Partij te belasteren, door haar voor te stellen als een samenzwering van fanatici en intellectuelen die enkel geïnteresseerd waren in de verovering van de macht. De taak van de kommunistische minderheid is niet om strijd uit te lokken of vooraf te organiseren, maar om daarin tussen te komen om de methodes en de doelstellingen van de beweging te verhelderen.

Teneinde de Rode Oktober te verdedigen moeten we natuurlijk ook aantonen dat het stalinisme, verre van een vervolg daarvan te zijn, de burgerlijke contrarevolutie was tegen die Oktoberrevolutie. Deze taak is vandaag des te noodzakelijker tegenover het gewicht van de opvatting als zou de ineenstorting van het stalinisme hebben bewezen dat het kommunisme, economisch gezien, onmogelijk te verwezenlijken is. De negatieve inwerking van dit gewicht op de zoekende politieke minderheden – het onstabiele milieu tussen het Linkskommunisme en de linkse fractie van het kapitaal – is aanzienlijk. Terwijl de verwarde maar toch openlijk antikapitalistische ideeën, zoals de radenistische of autonomistische stromingen, vóór 1989 redelijk veel invloed hadden in die kringen, is er sindsdien een belangrijke opmars geweest van opvattingen gebaseerd op de vorming van netwerken van wederzijdse uitwisseling op locaal niveau, van het behoud en de uitbreiding van gebieden met een zelfvoorzienende economie of van de nog bestaande “communes”. De opmars van dergelijke ideeën toont aan dat zelfs de meest gepolitiseerde sectoren van het proletariaat op dit moment vaak niet in staat zijn om zich een maatschappij in te beelden die het kapitalisme overtreft. Onder deze omstandigheden is een van de noodzakelijke factoren om de opkomst van een toekomstige generatie van revolutionairen voor te bereiden dat de huidige revolutionaire minderheden op de meest diepgaande en overtuigende manier (zonder te vervallen in utopisme) uitleggen waarom het kommunisme vandaag niet alleen noodzakelijk is, maar ook een zeer reële en praktische mogelijkheid is.

Gezien de uiterst beperkte en versnipperde aard van de Kommunistische Linkerzijde van vandaag, en de enorme moeilijkheden waarmee een veel breder milieu van elementen die op zoek zijn naar politieke helderheid geconfronteerd worden, is het overduidelijk dat er een enorme weg afgelegd dient te worden van het huidige kleine revolutionaire milieu naar heel de toekomstige bekwaamheid om op te treden als een authentieke voorhoede in de massale klassebewegingen. De revolutionairen en de gepolitiseerde minderheden zijn niet eenvoudigweg passieve producten van deze toestand, aangezien hun eigen verwarringen ertoe bijdragen om de verdeeldheid en de desoriëntatie nog meer te verergeren. Maar in wezen is de zwakheid van de revolutionaire minderheid een uiting van de zwakheid van de klasse in haar geheel, en zijn er geen organisatorische recepten of activistische ordewoorden die dat kunnen verhelpen.

De tijd speelt niet langer in het voordeel van de arbeidersklasse, maar zij kan niet sneller zijn dan haar schaduw. Zij is wel degelijk genoodzaakt om veel te recupereren van wat zij verloren heeft, niet alleen sinds 1917, maar ook van de strijd tussen 1968-1989. Van de revolutionairen vereist dat een geduldig werk, op lange termijn, van analyse van de reële klassebeweging en de perspectieven die voortvloeien uit de crisis van de kapitalistische productiewijze. En op grond van deze theoretische inspanning moeten zij antwoorden geven op vragen die gesteld worden door elementen die toenadering zoeken tot de kommunistische standpunten. Het meest belangrijke aspect van dit werk is dat het beschouwd moet worden als een deel van de politieke en organisatorische voorbereiding van de toekomstige partij, wanneer de objectieve en subjectieve voorwaarden opnieuw het probleem van de revolutie zullen stellen. Met andere woorden, de taken van de revolutionaire organisatie van vandaag zijn dezelfde als die van een kommunistische fractie, zoals dit op zeer heldere wijze werd uitgewerkt door de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde in de jaren 1930.

Voetnoten

 [1]  Schrift IV, Het hoofdstuk over het kapitaal

 

Aktiviteiten van de IKS: