Bijlage | Grootte |
---|---|
![]() | 1.37 MB |
Het aangekondigde ontslag van 250 werkers bij Kennemer Gasthuis heeft geleid tot heftige discussies. Een door de AbvaKabo geplande protestvergadering op 8 november vormde een cruciaal moment in de beslissing of er actief verzet wordt opgenomen of niet. Het Kennemer Gasthuis is namelijk niet het enige ziekenhuis waar ontslagplannen worden aangekondigd of al zijn doorgevoerd. Het kapitalisme legt ook zijn oplossing voor de crisis op bij het Gemini Ziekenhuis in Den Helder, het ziekenhuis Bethesda in Hoogeveen, bij Bernhoven in Uden, het Langeland Ziekenhuis in Zoetermeer, het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk. En dan heb ik het nog niet eens over de andere vormen van zorg waar driftig wordt gesnoeid en over de nieuwe plannen van de regering Rutte II, waarvan men aanneemt dat ze in de loop van de komende jaren onder meer zullen leiden tot het ontslag van 60 á 80 duizend alpha-hulpen.
Nu stelt zich natuurlijk onmiddellijk de vraag: is het verantwoord om als verplegers of verzorgsters te gaan staken of andere acties te ondernemen, waarbij de patiënten aan hun lot worden over te laten? Op deze vraag probeert dit artikel een antwoord te geven.
Een kwalitatief goede gezondheidszorg is niet alleen de uitdrukking van een gemeenschappelijk belang, maar ook van een onderlinge saamhorigheid, die in de maatschappij bestaat. Maar een dergelijke saamhorigheid sluit het eigenbelang, en de strijd voor de kwaliteit van het eigen leven van de verplegenden niet uit. Het opkomen voor de kwaliteit van de zorg aan de ene kant en de verdediging van de werk- en levensomstandigheden van de werkers aan de andere kant zijn daarom aspecten, die niet met elkaar in tegenspraak zijn. Het ene ligt in het verlengde van het andere. De verplegenden willen betere arbeidsvoorwaarden, een einde aan die torenhoge werkdruk, waardoor ze zich meer wasmachines voelen dan verplegenden, en een reële verdienste voor de grote verantwoordelijkheid die ze in hun werk moeten dragen. Tegelijkertijd willen ze een menswaardige zorg voor de patiënten, die menselijke wezens zijn en geen verhandelbare producten. De werkers in de zorg en verpleging gruwelen van de horrorpraktijken die in het kapitalisme steeds meer gemeengoed worden in de gezondheidszorg.
Net zoals de werkers bij Viva!Zorggroep in 2011, de schoonmakers in het afgelopen voorjaar, hebben de verplegers bij het Kennemer Gasthuis momenteel waarschijnlijk ook het gevoel dat ze er alleen voor staan omdat ze met handen en voeten gebonden zijn aan de zorg voor de patiënten. Die zorg maakt dat, in de strijd tegen aantasting van de kwaliteit van het leven, zoiets als staken niet mogelijk is, want dat betekent dat de patiënten aan hun lot zouden worden overgelaten. De vraag die zich dan onmiddellijk stelt is: hoe kan dit gevoel van isolement en onmacht doorbroken worden? Een mogelijkheid zou kunnen zijn om de tactiek van actievoeren bij de bedrijven in de privé-sector te kopiëren, maar dan in de richting van de verantwoordelijke ministeries. Dat wil zeggen: de organisatie van blokkades of bezettingen van de betreffende ministeries en er zo voor zorgen dat het werk op die betreffende ministeries wordt stilgelegd.
Maar dit is nog geen garantie voor het doorbreken van de moeilijkheid waar de verplegenden - en zij niet alleen - in de strijd op stuiten. Als de werkers in de zorg en verpleging zelf niet kunnen staken, dan bestaat er echter toch ook een andere mogelijkheid: onder de leus “hun strijd is onze strijd” kunnen ze pogingen in het werk stellen de strijd direct te richten op een algemene solidariteit tussen de werkers van alle sectoren. Want op die manier kan de strijd voor een reële waardering van het werk van de gezondheidswerkers en de strijd voor een kwalitatief goede gezondheidszorg meegenomen worden in de algemene strijd van de werkende klasse tegen de aanvallen van de kapitalistische regering en haar verschillende instituten.
Het grote voorbeeld, waaraan we kunnen refereren, is de massale staking die in augustus 1980 in Polen heeft plaatsgevonden. Toen beantwoordden zo’n tien miljoen arbeiders de oproep van het Arbeiderscomité van Gdansk om de strijd op te nemen. De regering, die op dat moment in feite niet langer het land bestuurde, stond machteloos. Het was het Arbeiderscomité, waarvan de leden waren gekozen in de algemene vergadering van arbeiders, die de touwtjes in handen had. Ondanks de massale wil de strijd op te nemen was het was deze laatste dan ook die, in een algemene vergadering waaraan duizenden arbeiders deelnamen, besloot om de meest primaire levensvoorzieningen te waarborgen en de arbeiders van de elektriciteitscentrales, het openbaar vervoer, de levensmiddelenvoorziening en de gezondheidszorg op te roepen op hun plaats en aan het werk te blijven. Toen er, na een korte, maar vastberaden periode van strijd eenmaal een overeenkomst werd gesloten met de toenmalige Poolse regering, was dat een overeenkomst die alle arbeiders van heel Polen betrof. De miljoenen arbeiders, wier eisen op een gegeven moment waren ingewilligd, gingen daarna niet onmiddellijk weer aan het werk. Neen, op basis van de leus: "één voor allen, allen voor één" gingen de ze pas weer aan het werk toen de eisen van alle werkers waren ingewilligd, daarbij inbegrepen de eisen van arbeiders, die op aanraden van het Arbeiderscomité, gewoon hadden doorgewerkt en daarmee de meest elementaire diensten in de periode van de staking hadden verzekerd.
Hoewel staken voor niemand een hobby is, onderschrijven we het volgende argument : als de kapitalistische staat niet de voorwaarden kan garanderen voor een goede gezondheidszorg (….) dan zou ons motto moeten zijn: ‘staak het werk’. En niet omdat het werk neerleggen per definitie leuk is, maar omdat ieder vorm van verzet (betogen, algemene vergadering, delegaties uitsturen) tegen de maatregelen de verpleging en de verzorging per definitie op een laag pitje zet. En als de verplegenden de patiënten niet geheel en al aan hun lot over kunnen laten, dan is – naar het voorbeeld van Polen 1980 - de enige mogelijkheid om in zelf georganiseerde bijeenkomsten te besluiten om solidariteit te gaan zoeken in andere sectoren. Met andere woorden: net zoals dat in augustus 1980 in Polen gebeurde, andere werkers op te roepen om in hun strijd, naast de eigen eisen, ook die van hun verplegende en verzorgende klassebroeders en –zusters op te nemen. Zoals dat bijvoorbeeld ook al afgelopen voorjaar gebeurde toen de schoonmakers de eisen van de werkers in de kantine van de VU te Amsterdam in hun eisenpakket opnamen.
Solidariteit kan zich niet langer beperken tot de eigen regio of de eigen sector, zoals in de strijd van de werkers bij Viva!Zorggroep vorig jaar gebeurde en waardoor het isolement, waarin ze verkeerden, dus niet doorbroken werd. In de loop van dit jaar vonden er allerlei acties plaats in de thuiszorg: in Rotterdam: vierde staking (18 oktober); in Emmen: protestacties (30 oktober); in Montferland: manifestatie (29 oktober); in Schiedam, Maassluis en Vlaardingen: demonstratie (25 oktober). Maar net als bij de werkers van Viva! Zorggroep in 2011, bleven al deze acties ook verstrikt in de eigen sector, de eigen regio. Desalniettemin staan we achter de strijd van welk deel van de arbeidersklasse dan ook, de verplegenden en verzorgenden inbegrepen, zelfs als die gekenmerkt wordt door een aantal zwakheden, die de werkers verhinderen de solidariteit op een meer algemene wijze tot uitdrukking te brengen.
Om ons verzet effectief te maken moeten we solidariteit zoeken bij, om het even, welke werkers dan ook; al zou het zijn bij de studenten wier studiebeurs wordt afgepakt of bij de arbeiders van de facilitaire diensten van Unilever, die allemaal geconfronteerd worden met een loonaanbod, dat minder is dan wettelijk noodzakelijk. We moeten daadwerkelijk onze klassebroeders en –zusters opzoeken en daarbij is het onvermijdelijk ons te vervoegen bij met de betogingen, de algemene vergaderingen van die arbeiders die ook met ontslag, verlaging van hun loon, verlaging van hun werkloosheidsuitkering of een andere uitkering bedreigd worden. Iets wat bijvoorbeeld al gebeurd is bij de arbeiders van de Rietlanden in de Amsterdamse haven, de werkers bij Kalkzandsteenfabriek Calduran, onder andere in Harderwijk, de 170 werkers bij Philips Lighting in Eindhoven en de werkers bij talloze bedrijven in de bouw.
De bourgeoisie beseft dat er een wil bestaat in de klasse om solidariteit te betuigen en te zoeken met arbeiders in andere sectoren en andere regio’s. De werkers worden zich meer bewust dat de strijd voor hun en voor andermans kwaliteit van leven alleen effectief kan zijn als de strijd massaler wordt, als de werkers van de verschillende sectoren en regio’s zich verenigen in één algemene strijd. Om te voorkomen dat zoiets gaat plaatsvinden, begint de vakbond – erop vooruitlopend - alvast zelf solidariteitsbetuigingen te organiseren. Maar ze doet dat dan in een richting die niet veel perspectief biedt op een daadwerkelijke solidariteit tussen alle werkers, maar beperkt dat oftewel tot de regio oftewel tot de eigen sector. Zo heeft de vakbond bij Tata Steel op 17 oktober bijvoorbeeld een solidariteitsbetuiging naar buiten gebracht, waarin wordt gesteld dat dé arbeiders bij Tata Steel hun steun betuigen met de werkers van de Rietlanden. (1)
Wij moeten de uitbreiding dus niet geheel en al overlaten aan de vakbonden, want die proberen het altijd te beperken tot een symbolische solidariteit of tot een beperkte vorm van solidariteit. Als werkers moeten we een werkelijke solidariteit ontwikkelen door zelf afvaardigingen te sturen om de discussie aan te gaan met andere werkers in actie. Dat is de enige manier waarop effectief verzet opgebouwd kan worden tegen de verslechtering van de eigen levensomstandigheden, tegen de verslechtering van de kwaliteit van de zorg voor de huidige cliënten en voor de verpleging van alle toekomstige patiënten. Bewustzijn van de valstrikken van de vakbonden en solidariteit tussen alle werkers is de enige manier om vruchtbaar verzet te plegen tegen de massale afbraak van het welzijn in de huidige en ook in een toekomstige samenleving.
Melis / 2012.11.03
Voetnoten
(1) Hoe de vakbond met de arbeiders ‘te werk gaat’ laat zich zien in de ruim vijf weken durende strijd van de 120 arbeiders bij kolenoverslagbedrijf Rietlanden Terminals in Amsterdam. Nadat de vakbond de staking permanent heeft opgesloten in het eigen bedrijf en geïsoleerd van de strijd van haar klassebroeders in de andere sectoren (die soms bijna naast de deur plaatsvonden) heeft de vakbond FNV Havens hem op een gegeven moment beëindigd. Waarom? Omdat, aldus de vakbond, een staking niet veel nut meer heeft als de schepen hun ladingen bij een ander bedrijf ophalen. "De economische schade die wij via de staking aan het bedrijf toebrachten, had zijn effect verloren" (sic).
De eerste helft van november werden we dag in dag uit, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, gebombardeerd met de term ‘inkomensafhankelijk zorgpremie’. Maar eigenlijk was dat helemaal niet de issue. Als PvdA voorzitter Hans Spekman uitkraamt: “Nivelleren is een feest”, dan weten we dat de kern van de vraag was: hoe kan de PvdA ‘nivelleren’ het beste gebruiken om de arbeiders om de tuin te leiden en de bezuinigingen door de strot te duwen?
De inzet van campagne ‘bruggen slaan’ is dus een poging om een modus te vinden de maatregelen zodanig te presenteren dat het voor de uitgebuiten, ofschoon ingrijpend, toch als rechtvaardig ervaren wordt. De campagne ‘de grootste schouders moeten de zwaarste lasten dragen’ moet ook de meest fervente tegenstander van het kapitalisme, de arbeidersklasse, de argumenten uit handen slaan en de motieven ontnemen om zich op fundamentele grondslag te verzetten tegen de regeringsplannen. En dat tegen de achtergrond van een groeiende opinie in alle sectoren van de maatschappij dat de ellende en armoede in Nederland in de komende jaren, ondanks de door de PvdA bewierookte nivellering van de inkomens, alleen maar zal toenemen.
De huidige bezuinigingsplannen van Rutte II
- halen de benodigde 16 miljard euro aan bezuinigingen jaar waarschijnlijk niet binnen, zeker niet zolang ze in het kader van de Europese Unie mede garant staat voor de schulden van lidstaten zoals die van de PIGGS
- brengen de staatsschuld niet binnen vereiste grenzen. De staatsschuld, die in 2013 op 71,3 procent wordt geschat zal op basis van het nieuwe regeerakkoord in 2017 uitkomen op 70,6 procent. En dat is bij lange na niet de vereiste 60% van de Europese Unie.
- doen de private schulden (in het bijzonder de hypotheken) alleen nog maar toenemen en maken dat alle voorgestelde schuldsaneringsregelingen steeds minder effect hebben nu deze zijn overgeheveld naar gemeentelijk niveau, waar veel minder mogelijkheden bestaan, mede door de systematische korting op de financiële bijstand aan de gemeenten.
En er is inderdaad veel kritiek op de nieuwe regeringsplannen! Een kritiek, die zich niet zozeer richt op de noodzaak van bezuinigingen c.q. ombuigingen, maar veel meer op het feit dat ze op allerlei maatschappelijke terreinen niets oplossen: niet op het terrein van de zorg, niet op het terrein van de woningbouwsector, niet op het terrein van de (explosieve) groei van de ziektekosten, niet op het terrein van het onderwijs, noch op het terrein van de werkloosheid of de pensioenen.
Enkele voorbeelden ter bevestiging van deze bewering:
- slechts 2% van de pensioenregelingen past binnen het voorgestelde fiscale kader van het nieuwe regeerakkoord (https://amweb.nl [4], 09 november 2012)
- het onderwijs in Nederland moet, volgens het regeerakkoord, weer bij de top vijf van de wereld gaan behoren. Maar hoe gaat dat lukken als de bezuinigingen op het onderwijs in feite een forse achteruitgang betekenen? (Een grondige analyse van het regeerakkoord - Bé Keizer)
- de werkloosheid komt volgens de recente raming van het CPB, in 2017, aan het einde van de regeerperiode van het nieuwe kabinet, uit op het officiële cijfer van 5,75 procent, 0,9% hoger dan tot nu toe werd verwacht en nog steeds hoger dan bij de aanvang van de recessie in 2008.
Uiteindelijk kan dit niets anders betekenen dan dat deze bezuinigingen in de toekomst alleen nog maar om meer bezuinigingen vragen. Ook omdat de Nederlandse economie er helemaal niet zo rooskleurig voorstaat als over het algemeen wordt voorgesteld en wordt aangenomen.
De Nederlandse economische staat er lang niet zo rooskleurig voor als door haar beheerders wordt voorgesteld. Omdat de basis al een aantal jaren aan het verzwakken is, verslechtert de Nederlandse economie meer dan ze wil toegeven. En daarin vormt de private schuld, en in het bijzonder de hypotheekschuld, de gevaarlijkste bom onder de Nederlandse economie: de Nederlandse hypotheekschuld bedroeg eind 2011 bijna 670 miljard euro. Dit is 111 % van het BBP (1) en daarmee is het hoogste schuld in de Eurozone. Bovendien is Nederland van alle westerse landen het land met de grootse totale schuld: de schuld van overheid, bedrijfsleven en huishoudens tezamen is momenteel 400% van het BNP (1) Dat is bijvoorbeeld nog meer dan de Verenigde Staten.
Aan alle kanten kan men zien dat het met de Nederlandse economie niet goed gaat. De raming van het CPB waar de plannen van de nieuwe regering op gebaseerd zijn, een jaarlijkse groei van het BBP die geschat wordt op 1,5%, zijn veel te positief. In werkelijkheid laat de economische ontwikkeling op diverse terreinen geen toename, maar een lichte daling van enkele tientallen procenten zien.
Een van de elementen waarop de beweringen, over de gezondheid van de Nederlandse economie zijn gebaseerd, is de positieve betalingsbalans. Het overschot op de lopende rekening van de Nederlandse betalingsbalans was in het eerste kwartaal van 2012 uitgekomen op een recordbedrag van 19 miljard euro, of 13% van het BBP. Het overschot was bijna anderhalf keer zo groot als in dezelfde periode van 2011. Het gemiddelde overschot over de jaren 2009 tot en met 2011 bedroeg 6,5% van het BBP. (DNB: Overschot betalingsbalans NL naar recordhoogte;18-06-2012) Maar de sterke stijging op de betalingsbalans is in feite helemaal niet zo positief als het lijkt, want ze weerspiegelt slechts in beperkte mate een reële waardevermeerdering van de Nederlandse markt ten opzichte van de buitenlandse markten. Voor een gedeelte is ze gewoon het gevolg van achterblijvende binnenlandse bestedingen (sic). Maar voor een nog veel groter gedeelte is ze slechts fictief, dat wil zeggen: het resultaat van allerlei financiële manipulaties op nationaal en internationaal vlak .
Terwijl de PvdA en de VVD tijdens verkiezingscampagne als kat en hond tegenover elkaar stonden, zijn ze na de verkiezingen broederlijk verenigd in de noodzaak van bezuiniging van de staatsuitgaven. Links staat net zo hard achter de noodzaak van bezuinigingen als rechts (5), alleen heeft links een andere functie in de doorvoering van de bezuinigingen. De PvdA is een van de belangrijkste partijen van links om de nieuwe regeringsmaatregelen ook door de werkers aanvaard te krijgen en hoe kan dat beter dan de kwestie van de solidariteit - een begrip dat herinneringen oproept aan de tijd dat hervormingen nog mogelijk waren - op de voorgrond te plaatsen.
De leus: ‘de grootste schouders moeten de zwaarste lasten dragen’ is een concrete uitdrukking van de door de PvdA gepreekte solidariteit. Deze maakt het namelijk mogelijk de arbeiders te koppelen aan de illusie van de rechtvaardige verdeling. Maar in dit concrete geval wordt de solidariteit niet ingezet om iedereen meer (ook figuurlijke) rijkdom maar om de (materiële) ellende bezorgen. Dat wil zeggen: aan de ellende, opgelegd door het systeem in crisis, en aan de staat, die er het product van is, en die dat systeem met alle middelen overeind probeert te houden.
De solidariteit van de PvdA is in feite een valse solidariteit. Het is namelijk niet de solidariteit in de strijd ter emancipatie van de arbeidersklasse, maar de solidariteit om de werkers vast te klinken aan het systeem en haar staatsorgaan.
Op basis van het thema: ‘de grootste schouders moeten de zwaarste lasten dragen’ (3) probeert de PvdA iedereen - mannelijk of vrouwelijk, groot of klein, allochtoon of autochtoon – die in Nederland woont op te zadelen met een lastenverzwaring van gemiddeld €1000 per inwoner. En dat het niet meer dan een campagne is, blijkt wel uit het feit dat de kleinste schouders in werkelijkheid niet minder ontzien worden.
Want
- de werklozen en komende werklozen (ING, KLM, DSM, de bouw) (4)
- de werkers in de beschermde sociale werkplaatsen
- de mensen, die afhankelijk zijn van de wmo, pgb, enzovoort
- de studenten van de universiteiten en de hogescholen
- de werkers in de bejaarden- en de thuiszorg
- de steeds groeiende zzp-ers zonder enig sociaal vangnet
……. krijgen in feite de hardste klappen te verduren
Alle mooie verhaaltjes over nivellering ten spijt, in de bijdrage van de PvdA aan het regeerakkoord moeten de mensen met de meest precaire banen onevenredig veel bloeden (5). In ons verzet tegen de aanvallen op onze levensomstandigheden moeten we ons daarom niet alleen richten tegen de VVD, maar evenzeer tegen de PvdA en de rest van links. In feite moeten we onze strijd richten tegen de kapitalistenklasse in haar geheel, inclusief alle fracties en instituten die haar verdedigen en die alleen deel uitmaken van de burgerlijke staat: de politieke partijen, de vakbonden, de burgerlijke media, enzovoort.
Melis / 15.11.2012
Voetnoten
(1) Het BNP is de output die wordt voortgebracht door de middelen die door de burgers (ingezetenen) van een land bezitten, ongeacht waar de productie plaatsvindt. Het BBP is de output, die in het land wordt voortgebracht, ongeacht door wie of welke onderneming of instelling dat gebeurt
(2): “Ik begrijp niet waarom u hier zo negatief en vervelend over doet. (...) Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?” (De Algemene Beschouwingen in 2006)
(3) Het is niet voor het eerst dat links probeert de uitgebuite klasse te misleiden met een leus die de emancipatie van de werkende klasse zou moeten bewerkstelligen. Een van de eerste illusies, die links bij de heropkomst van de arbeidersstrijd aan het einde van de jaren zestig naar voren schoof, vond haar uitdrukking in de leuze ‘geen procenten maar centen’ van de toenmalige Industriebond FNV onder leiding Arie Groenevelt.
(4) Bij de ING verdwijnen er 2350 arbeidsplaatsen, bij de KLM zeker 1300, bij DSM (Limburg) 1000 en in de bouw iedere dag 40 (bovenop de 45.000 die er al opgeheven zijn in het afgelopen jaar).
(5) Tijdens het kamerdebat van 13 november presenteerde Rutte zich als een soort vrijzinnig democraat, naar het voorbeeld van de oude Drees, en verklaarde hij zijn liefde aan de nivellering. Samson op zijn beurt hamerde in datzelfde debat vooral op de noodzaak van bezuinigen. (Sywert van Lienden in DeWereldDraaitDoor; 13-11-2012)
Enige tijd geleden heeft er zich in het internationalistisch milieu een discussie ontsponnen over steun aan en solidariteit met de strijd van de schoonmakers. Verdienen de schoonmakers in strijd de steun van de revolutionairen? Of revolutionairen aan elke uiting van arbeidersstrijd hun steun moeten geven is geen automatisch gegeven. Dit is erg afhankelijk van de omstandigheden waarin de strijd plaatsvindt. Opdat we ons gezichtspunt verruimen, breiden we in deze bijdrage het vraagstuk van de steun uit naar die van de solidariteit, beter gezegd: de klassensolidariteit.
Solidariteit is een historisch fenomeen. Pas in de 19e eeuw heeft het begrip solidariteit haar eigenlijke betekenis gekregen: de onderlinge saamhorigheid en de morele verplichting om samen te bouwen aan een samenleving zonder uitbuiting en onderdrukking. Sindsdien werd solidariteit de strijdkreet van de arbeidersbeweging. Solidariteit is de uiting van het klassenbewustzijn van het proletariaat, waaronder de revolutionairen vallen, over de noodzaak van eenheid in de strijd tegen het kapitalisme. Het verbindt het verleden met de toekomst: de zorg van de huidige generatie arbeiders voor een leefbare samenleving is een uiting van solidariteit met toekomstige generaties.
“Het proletariaat ontwikkelt in zijn dagelijkse strijd een beginsel, dat overeenstemt met de historische taak die het te vervullen heeft – het beginsel van klassen-solidariteit, als uitdrukking van zijn eenheidsstreven. (…) Zelfs buiten de eenheidsorganisaties van de klasse drukt de solidariteit – haar uitdrukking op het individueel vlak daarbij inbegrepen – ook deze eenheid uit. Het proletariaat is de eerste klasse in wiens schoot er geen economische uiteenlopende belangen heersen; en in deze zin kondigt zijn solidariteit reeds de aard van de maatschappij aan waarvoor zij strijdt.” (1)
De versterking van de eenheid binnen de klasse, de versterking van de onderlinge solidariteit op klassenbasis kan alleen plaatsvinden doorheen een groeiend bewustzijn van het bestaan van antagonistische klassen en van een toenemend vertrouwen van de arbeidersklasse in eigen kracht. Dus als we serieus werk willen maken van de steun aan de strijd van dit of dat deel van de arbeidersklasse, dan kunnen we de internationale en historische dimensie van de solidariteit onmogelijk veronachtzamen. Want de ontwikkeling van een klassensolidariteit betekent de grondslag leggen voor een fundamenteel nieuwe ontwikkeling van de menselijke natuur.
Solidariteit is onbaatzuchtig: militanten van de klasse streven geen eigen eer of moreel gewin na. Het komt er niet op aan zich als de meest ‘radicale onder de radicalen’ voor te doen. Daarnaast heeft het ook niets te maken met het behalen van onmiddellijke successen. Integendeel: terwijl de burgerlijke revolutie van overwinning naar overwinning ging, “Maar de revolutie is de enige vorm van ‘oorlog’ (…) waar de uiteindelijke overwinning slechts door een reeks van ‘nederlagen’ kan worden voorbereid!” (2)
Wat betekent solidair zijn concreet? Betekent solidair zijn dat we deze of gene sector van de arbeidersklasse in dit of dat land moeten steunen? Het uitgangspunt van de internationalistische revolutionairen is altijd de arbeidersklasse als geheel, als internationaal fenomeen geweest. De inzet was en is de versterking van de strijd en de positie van die klasse t.o.v. haar vijand, de internationale bourgeoisie. Dat is ook de reden waarom steun of “deelname” aan hun specifieke strijd niet automatisch een bijdrage betekent aan de versterking van de strijd van het gehele proletariaat. Net zoals geen steun of “deelname” nog niet betekent dat er geen solidariteit is met de strijd van de arbeiders als internationale klasse.
In de geschiedenis van de arbeidersbeweging hebben revolutionairen enkele keren zelfs duidelijke oproepen gedaan om de strijd niet op te nemen, omdat de voorwaarden ongunstig waren en de arbeidersklasse er alleen maar totaal gedesoriënteerd zou uitkomen en/of een beslissende nederlaag zou oplopen. Ze deden dit om te voorkomen dat het vooruitzicht op een beslissende confrontatie met de repressieve, manipulatieve en politieke krachten van de bourgeoisie naar een nog niet te voorziene toekomst verschoven zou worden. De revolutionairen deden dit niet om de ruimte te hebben achteraf hun handen in onschuld te kunnen wassen, want als de arbeiders ondanks de waarschuwing toch de strijd aangingen, dan was de eerste reactie van de revolutionairen zeker niet om hun handen er vanaf te trekken.
1. Het duidelijkste voorbeeld van deze houding is die van Marx t.o.v. de Commune van Parijs. Hoewel hij er niet voor was dat de werkers van Parijs de strijd zouden opnemen tegen de Pruisische en Franse legers heeft hij, na de tragische nederlaag van het Parijse proletariaat, toch hun heldhaftigheid bezongen. Toen het definitieve gevecht in maart 1871 aan de arbeiders werd opgedrongen en zij geen andere uitweg zagen dan ze op te nemen, de opstand dus een feit werd, begroette Marx de revolutie met het grootste enthousiasme:
“Parijs, nog uitgeteerd door een vijf maanden lange uithongering, aarzelde geen ogenblik. Heldhaftig besloot het, alle gevaren van het verzet tegen de Franse samenzweerders het hoofd te bieden, niettegenstaande het feit dat de monden van Pruisische kanonnen van zijn eigen forten nog steeds dreigend op de stad waren gericht.” Zo “ …kwamen de werkelijke vrouwen van Parijs weer op straat, — heldhaftig, edelmoedig en opofferingsgezind als de vrouwen in de oudheid. Parijs, werkend, denkend, strijdend, bloedend, door de voorbereiding van een nieuwe maatschappij (…) stralend in de geestdrift van zijn historisch initiatief.” (3)
2. Een erg wrang, maar ook duidelijk voorbeeld daarvan wordt gegeven door de twee stakingen die in de Tweede Wereldoorlog in Nederland plaatsvonden: de Februaristaking in 1941 en de spoorwegstaking twee jaar later. In beide gevallen hadden arbeiders de strijd opgenomen, in beide gevallen was er een brede staking en toch waren de internationalistische revolutionairen wel solidair met de Februaristaking en niet met de spoorwegstaking. Waarom? De Februaristaking was een uitdrukking van een waarlijke verontwaardiging in de klasse t.o.v. de repressie tegen een deel van haar klassenbroeders, hun families en kennissen. De spoorwegstaking was een manoeuvre van de burgerlijke regering in Londen om sabotage en obstructie te plegen tegen de Duitse politiek-militaire macht, de vijand van de Nederlandse kapitalistische klasse.
In de huidige periode is de arbeidersklasse naarstig op zoek naar haar eigen identiteit. Zij voert nog geen verenigde strijd over sectoren, regionale en nationale grenzen heen. Gezien het gebrek aan vertrouwen in de kracht en de potentiële macht van de werkers om een betere toekomst op te bouwen is de druk van het streven naar onmiddellijke successen (het “immediatisme”) groot. De laatste jaren uitte de combinatie van deze zoektocht en de immediatistische druk zich duidelijk in de pogingen van een aanzienlijk aantal politiek geïnteresseerde minderheden (onder de studenten bijv.) om zich solidair te verklaren met nagenoeg iedere staking die plaatsvindt. Stakingen die ze, naar de mate van hun mogelijkheden, op eigen houtje - soms zelfs in concurrentie met andere groepen - proberen aan de gang te houden of aan te zwengelen.
Wat is dan de beste manier om ‘de strijd’ te steunen? K. Fotia geeft een eerste aanzet: we kunnen de strijd van de werkers, het beste steunen door “onze energie zorgvuldig te doseren daar waar de potentie bestaat voor het vormen van algemene vergaderingen en autonome arbeidersnetwerken.” Want “door onze energie als beweging te steken in puur actie om de actie en ons een te nonchalante houding ten opzichte van de rol van de vakbond te permitteren, helpen we mee aan het reproduceren van een strijdmodel waar de vakbond de teugels stevig in handen houdt, laten we ons voor het karretje van de vakbondsbureaucratie spannen.” Vandaar dat we “ons niet slechts mee moeten laten sleuren door de stroom van de gebeurtenissen. (...) We moeten leren op tijd in te schatten in welke richting de strijd zich ontwikkelt, zodat we ook tijdens de strijd kritisch reflecteren op de richting die ze uitgaat. (...) de aard van onze interventies moeten we tijdens de strijd kunnen aanpassen en de noodzaak tot autonome strijd openlijk blijven benadrukken...” (4)
We zijn het hiermee eens. Revolutionairen reageren niet op alles wat beweegt: arbeiders of andere uitgebuiten. We zijn niet als een hazewindhond, die het meteen op een rennen zet als er een voorwerp wordt weggeschoten. We analyseren eerst grondig of de voorwaarden voor de strijd gunstig zijn, welke vooruitzichten de strijd biedt, welke burgerlijke (vakbonds- of ultralinkse) krachten er nog aan de touwtjes trekken, enzovoort.
Solidariteit wordt door de verdedigers van de ‘directe actie’ nagenoeg altijd tot uitdrukking gebracht vanuit een vermeende gedachte dat het noodzakelijk is om steun te verlenen aan die sector van de uitgebuite klasse, die zogenaamd het meest zwakke, machteloze slachtoffers van het systeem is. Solidariteit wordt eveneens vaak tot uitdrukking gebracht in een streven erkend te worden als de initiator van en de meest fervente voorvechter in de strijd tegen het kapitalisme, in de verwachting of de hoop dat men in steeds bredere kringen beschouwd gaat worden als de enige echte voorvechter van rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid.
Zo wordt een vertegenwoordiger van de studentenvakbond aan de universiteit van Liverpool, Martin Ralph, op verschillende anarchistische websites met instemming geciteerd vanwege het feit dat hij oproept tot de bezetting van iedere dienstverlening die wordt gesloten. “De werkers zouden hun eigen raden voor de plaatselijke strijd moeten organiseren. En wij (activisten) zouden onze solidariteit moeten betuigen met iedere staking, iedere poortactie en iedere bezetting die plaatsvindt. Een strategie van ‘directe actie’ dus.” (5)
Ravotr beschrijft de strijd van de schoonmakers van het voorjaar van 2012 als volgt: “In de slotfase van de staking dreigde de bond dat, als de schoonmaaksector niet als geheel een bevredigend akkoord kon sluiten, de schoonmakers met afzonderlijke bedrijven een akkoord zouden sluiten.” En hij beschouwt dat terecht als een werkwijze waarmee “de bond de deur openzette naar versnippering. (…) Dit, plus het verzwakken van de looneis, plus de onderbreking van de staking na amper een week, tekent de klassieke vakbondsaanpak: onderhandelen, sociaal partnerschap, staat centraal. Stakingen zijn hooguit aanvulling daarop. De bereidheid van de schoonmakers zelf om te staken, en lang ook, stond met die vakbondsaanpak op gespannen voet....” En “groeperingen, die nauw betrokken waren bij solidariteitsacties, (....) delen mee in dit psychologische proces waarin mensen zelfs bescheiden resultaten als grote victorie claimen. Het klopt misschien niet… (…) de koopkracht van de schoonmakers daalt niet. Maar van een stijging ervan is niet echt sprake.” Toch stelt Ravotr: “Ook als dat juist is, dan is dat toch geen reden om de schoonmakers niet te steunen?” (6)
Wij zijn het eens met de kritiek op de vakbonden. Ravotr schijnt de strijd van de schoonmakers echter koste wat kost te willen steunen. Staat geen directe steunverlening of deelname aan deze strijd gelijk aan een verraad t.o.v. deze sector van de arbeidersklasse? Hebben de arbeiders de hulp nodig van de “steunverleners”?
Er waren momenten in de strijd van de schoonmakers waaruit kon worden afgeleid dat hun acties wel enig potentieel bevatte:
- bij de bezetting van de kantine van de VU in Amsterdam, begin maart, sloten de kantinemedewerkers zich spontaan aan bij de schoonmakers. Hun eis om niet overgeheveld te worden naar de beduidend slechtere horeca-CAO werd spontaan opgenomen in de lijst van eisen van de schoonmakers.
- tijdens de manifestatie van het onderwijzend personeel in Amsterdam, op 6 maart, stond een schoonmaakster buiten de ArenA met een bord waarop stond geschreven: “Jullie strijd is onze strijd”.
Maar over het algemeen was de strijd van de schoonmakers, van het begin tot het einde, onder controle van de vakbond, geholpen door een enkele ultralinkse organisaties en een aantal oprechte, maar door ultralinkse ideologie misleide arbeiders. De vakbond sleepte via de zogenaamde organizers de schoonmakers mee in een reeks van uitputtende acties zonder werkelijk vooruitzicht op versterking, d.w.z. uitbreiding van hun strijd naar andere sectoren.
In de acties kregen de schoonmakers steun van andere groepen, zoals anarchisten, studenten en allerlei activisten. De schoonmakers ervaarden dat als positief en waren daar zeker verheugd over, omdat het isolement waarin ze – al enige tijd – verkeerden, daarmee enigszins scheen te worden doorbroken. Versterkte de steun die ze kregen inderdaad hun strijd? Doorbrak die daadwerkelijk hun gevoel, opgesloten te zijn in hun eigen sector? Het resultaat van alle ‘solidariteit’ met de schoonmakers verloste hen geenszins van hun gevoel van isolement en kon niet voorkomen dat hun acties door de vakbond plotseling beëindigd werd in een halfslachtig compromis.
Hoe komt het dat de solidariteitsacties en -verklaringen van deze steungroepen niet het gewenste effect hadden? De belangrijkste reden daarvan is omdat ze niet tegemoet kwamen aan de behoefte van de arbeidersklasse om de strijd tegen het kapitaal als één verenigde strijd te voeren, door de eisen van de schoonmakers en die van andere sectoren onder één en dezelfde noemer te brengen onder de leus: “jullie strijd is onze strijd”. Dat is een devies dat de strijd van de hele klasse met elkaar verbindt. Dat is de manier waarop de solidariteit van de klasse zich werkelijk tot uitdrukking brengt!
Als groepen of kameraden, die de strategie van de directe actie aanhangen, net zoals de werkers in de zorg, bouwvakkers, machinisten, ambtenaren, enz. zich bij de strijd van de schoonmakers vervoegen onder de leus “wij zijn ook schoonmakers”, dan sluiten zij eerder een mogelijkheid tot uitbreiding van de strijd uit, aangezien de beweging zich als specifieke strijd van de schoonmakers definieert. Zo’n strategie versnippert de strijd van de werkers op termijn, in plaats van haar één te maken.
Betekent dit alles dat de schoonmakers deze strijd niet hadden moeten voeren? Betekent dit dat de acties van alle steungroepen tevergeefs waren? Als deze strijd bijdraagt aan de ontwikkeling van het klassenbewustzijn, en niet enkel tot ontmoediging en/of illusies leidt, dan was zij zinvol. Opdat de strijd en de nederlaag tot bewuste ervaring wordt, opdat de schoonmakers hun strijd niet voor niets is gestreden, moet een zo breed mogelijk deel van de klasse de lessen eruit trekken. Het is de taak van de revolutionairen hieraan bij te dragen. Wij zeggen: ja aan de solidariteit, ja aan de strijd, maar niet blindelings n
Melis en Alex / 12.12.2012
Voetnoten
(1) Internationale Revue nr. 23, Het vertrouwen en de solidariteit in de strijd van het proletariaat (deel II), https://nl.internationalism.org/node/985 [6]
(2) Luxemburg, Orde heerst in Berlijn, https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1916/1916pamfletten.htm [7]
(3) Marx, De burgeroorlog in Frankrijk, https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1871/1871burgeroorlog.htm [8]
(4) Fotia, Reflecties over de schoonmakersstrijd, https://anarcho-syndicalisme.nl/wp/?p=1623 [9]
(5) Phil Dickens, Truth, Reason and Liberty
(6) Rooieravotr, Schoonmaakstaking: terugblik en balans, https://peterstormschrijft.wordpress.com/2012/09/14/schoonmaakstaking-te... [10]
Links
[1] https://nl.internationalism.org/files/nl/were-131_mini.pdf
[2] https://nl.internationalism.org/tag/4/76/nederland
[3] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/klassenstrijd-nederland
[4] https://amweb.nl
[5] https://nl.internationalism.org/tag/territoriale-situatie/economische-situatie-nederland
[6] https://nl.internationalism.org/node/985
[7] https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1916/1916pamfletten.htm
[8] https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1871/1871burgeroorlog.htm
[9] https://anarcho-syndicalisme.nl/wp/?p=1623
[10] https://peterstormschrijft.wordpress.com/2012/09/14/schoonmaakstaking-terugblik-en-balans/