Het kommunistisch perspectief (1): Waarom de arbeidersklasse de revolutionaire klasse is

Printvriendelijke versieSend by email

In de discussies die gevoerd werden door de verschillende afdelingen van de IKS tijdens de openbare bijeenkomsten, de discussiebijeenkomsten of de verkoop van de pers waren onze gesprekspartners het in het algemeen nogal vlug eens met onze inschatting van de wereldtoestand en erkenden dat het kapitalisme de mensheid naar de afgrond sleurt. Maar wanneer het er om gaat te begrijpen dat de arbeidersklasse de enige kracht vormt die, door haar revolutionaire opstand, in staat is om de mensheid uit dit doodlopende straatje te halen, duiken er vlug heel grote twijfels op: “De arbeidersklasse is vandaag zelf wanhopig verdeeld. De centrale sectoren leven niet meer op de grens van het levensminimum zoals in de negentiende eeuw, maar hebben toegang tot de ‘verworvenheden’ van onze moderne cultuur en welvaart, zelfs al is dat op beperkte schaal. Het merendeel van de arbeiders voelt zich geen arbeider, meer en voelt de uitdrukking ‘arbeider’ aan als beledigend. De ‘echte proletariërs’ zoals honderd jaar geleden zijn vandaag voor een deel geëlimineerd en vervangen door bedienden van de dienstensector die niet meer productief zijn, en in elk geval geen ‘echte’ arbeiders meer zijn. Met de ineenstorting van het Oostblok, evenals de door de media aangehouden identificatie van kommunisme en stalinisme, is het laatste restje sympathie van de arbeiderswereld voor de theorie van de klassenstrijd en de ongebreidelde vijandschap tegen het kapitaal definitief uitgedoofd.”

Wij denken dat we krachtdadig moeten antwoorden op dergelijke argumenten. Een van de belangrijkste taken van de hedendaagse revolutionairen bestaat er juist in om deze argumenten te ontkrachten. En dan vooral omdat dergelijke ideeën niet langer verspreid worden door de gebruikelijke kleinburgers die zich verheven voelen, maar ook door enigzins bewuste en strijdvaardige arbeiders, door kameraden die opstaan voor de verdwijning van dit systeem. Bovendien leiden deze argumenten tot een zogenaamde ‘weerlegging van het marxisme’, wiens verdediging in de eerste plaats de taak is van de kommunistische organisatie.

De fundamentele tegenstelling van het kapitaal

De opvatting die actueel in zwang is, beweert dat de interpretatie door Marx en Engels omtrent de aard en de rol van het proletariaat weliswaar kon beantwoorden aan de werkelijkheid van de negentiende eeuw, maar vandaag niet meer opgaat. Een dergelijke opvatting steunt niet alleen op het gangbare misprijzen van de heersende burgerlijke ideologie voor de productieve klasse, een misprijzen dat nieuwe toppen scheert in het zwartmaken van het socialisme door de identificatie ervan met het stalinisme. Ze steunt ook op een sterk verspreide onwetendheid van wat Marx, Engels en de arbeidersbeweging effectief gezegd hebben over de aard van de klasse. Zo zou hun overtuiging dat het proletariaat de laatste klasse in de geschiedenis van de mensheid is, en de meest revolutionaire, geenszins gegrondvest zijn op de bijzonderheden van diens uitbuiting in dat tijdperk. Vandaag verspreidt men overal de bewering als zou, in de optiek van Marx, de grondslag van de revolutionaire roeping van het proletariaat berust hebben op het feit dat de arbeiders uit zijn tijdperk zich moesten uitsloven tot 18 uur per dag, zware fysieke arbeid moesten verrichten, terwijl zij over geen enkele soort van ziekteverzekering beschikten, noch over pensioenregeling en jaarlijks verlof. Het feit dat dit niet meer opgaat voor het merendeel van de arbeiders, ten minste in de industrielanden, zou betekenen dat de revolutionaire dromen uit zijn. Dat is de valse gevolgtrekking die men ons probeert te doen slikken. Zolang men op het armzalige terrein blijft van dit soort ‘verklaringen’ die de burgerlijke critici over Marx koesteren, is het onmogelijk om vooruit te komen. Wat heeft het marxisme werkelijk gezegd omtrent dit onderwerp?

De productievoorwaarden onder het kapitalisme

In een der basisteksten, de ‘Anti-Dühring’, heeft Engels de tegenstelling van het kapitalisme gekenschetst tussen het sociale karakter van het productieproces en de kapitalistische private toeëigening ervan: ”De sociale productie wordt toegeëigend door individuele kapitalisten, (een) fundamentele tegenstelling waaruit alle tegenstellingen voortspruiten waardoor de maatschappij voortgedreven wordt en die de grootindustrie openlijk aan het daglicht heeft gebracht.”

Dit punt is absoluut beslissend voor het begrip van de revolutionaire aard van de arbeidersklasse. Het kapitalisme heeft niet alleen een omwenteling teweeg gebracht in het productieproces, in de technische en wetenschappelijke productiemiddelen, maar het heeft daardoor ook, voor het eerst, de voorwaarden geschapen voor een wereld zonder schaarste noch materiële achterstelling. Daarmee verbonden heeft het de aard en van de uitgebuite, productieve klasse radicaal omgevormd en gerevolutioneerd, zowel door de socialisering van de arbeid als door de complete scheiding van de producenten ten aanzien van de productiemiddelen. Via deze twee gedaantewisselingen verschilt het proletariaat fundamenteel van de productieve klassen die eraan voorafgingen zoals de slaven en de lijfeigenen, die zonder enige twijfel werden uitgebuit, maar geen revolutionaire klassen waren die een nieuwe maatschappij in zich droegen.

Slaven of lijfeigenen produceerden fundamenteel niet in het perspectief van de ruil, van de markt, maar om aan de locale en persoonlijke behoeften te voldoen van hun meesters. In de maatschappijen van slaven en lijfeigenen, waren de werktuigen individuele instrumenten. De basis van de productie was bijgevolg, geïsoleerde arbeid, lokaal en individueel beperkt. De producenten werden voornamelijk gewelddadig verplicht tot werken. Deze laatsten hadden geen enkele belangstelling voor hun werk en bezaten geen enkele werkelijk opleiding. En bovenal waren ze nauwelijks onder elkaar verenigd, aangezien ze aan hun meesters onderworpen waren via een persoonlijke verhouding.

De grootste omwenteling die door het kapitaal werd teweeggebracht komt juist voort uit de vervanging, als overwegende basis voor de productie, van de individuele arbeid door de collectieve arbeid. Dat betekent dat, voor het eerst in de geschiedenis, bijna alle producenten, door de steeds verder voortschrijdende ruil en werkverdeling, in het productieproces met elkaar verbonden zijn. In plaats van de individuele geïsoleerde arbeid, wordt het voortbrengen van goederen ontwikkeld via de geassocieerde arbeid van miljoenen menselijke wezens, meestal vergezeld van een werkverdeling die uitgespreid is op wereldschaal (een moderne auto bijvoorbeeld, is samengesteld uit afzonderlijke stukken die geproduceerd worden in ontelbare fabrieken en landen). Met de komst van de mechanisatie, heeft het kapitaal de individuele arbeidswerktuigen vervangen door collectieve productiesystemen, die in beweging gezet worden door werkelijke arbeidslegers. Op die manier heeft het kapitaal, in plaats van de verspreide uitgebuitenen, die geïsoleerd waren ten opzichte van elkaar, een klasse geschapen, die verenigd is doorheen haar collectieve arbeid (en dat op wereldschaal) en die slechts kan leven en werken dank zij deze eenheid. Het is vooral deze socialisatie van de arbeid die het kapitaal in staat heeft gesteld om zowel de competitiviteit van zijn productie op te drijven als om de andere vormen van voorkapitalistische productiewijzen te doen wijken. Alleen daardoor heeft het zijn triomfantelijke mars kunnen beginnen in de productie en zijn geografische uitbreiding. Maar tezelfdertijd heeft het, met het moderne proletariaat, zijn eigen doodgraver voortgebracht.

Door de veralgemening van de warenproductie, heeft het kapitaal tezelfdertijd de politieke verhoudingen tussen de klassen overhoop gehaald. De kapitalisten produceren niet langer voor de persoonlijke behoeften maar voor de markt. Daardoor worden de verhoudingen tussen de uitbuiters en uitgebuitenen totaal gedepersonaliseerd, en tezelfdertijd hoogst politiek. De verhoudingen van de slaven en de lijfeigenen met hun meesters waren voornamelijk persoonlijke verhoudingen, dat wil zeggen de uitbuitingsvoorwaarden hingen in de eerste plaats af van het feit of de uitbuiter in staat was om een zeker aantal soldaten en wachters te mobiliseren om de arbeidskrachten aan zich te binden en hen te dwingen tot producertie. In het kapitalisme daarentegen, hangen de productie-, arbeids-; en uitbuitingsvoorwaarden fundamenteel af van de markt, dat wil zeggen naargelang de economie in volle bloei is, in recessie, of naargelang de arbeidskrachten de markt overspoelen of slechts in beperkte hoeveelheden ter beschikking staan. Fundamenteel worden de arbeiders niet langer uitgebuit en geknecht door individuen maar, in tegendeel, door het systeem zelf. Daaruit vloeit voort dat de klassenstrijd tussen uitbuiters en uitgebuitenen in zijn huidige vorm, klasse tegen klasse, ten volle tot ontwikkeling gekomen, is mogelijk geworden. Tezelfdertijd heeft de volledige scheiding tussen de producenten (als loonarbeiders) en de productiemiddelen (als kapitaal) de vervanging teweeggebracht van het geweld door een economische dwang in de verplichting tot arbeid. De arbeiders moeten hun arbeidskracht verkopen om te kunnen werken en leven.

Het is slechts door het ontstaan van een ‘vrije’, ‘mobiele’ arbeidskracht die ‘vrijwillig’ gemotiveerd is door de economische dwang, dat de mogelijkheid kan voortvloeien van het veralgemenen en systematisch uitbuiten van de wetenschap en de techniek in het productieproces. Daaruit vloeit voort dat het moderne proletariaat zich niet onderscheidt door zijn boertigheid en onwetendheid (zoals de nostalgiekers van de romantische revoluties die denken dat de verdwijning van de arbeiders uit het vroege kapitalisme gelijkstaat met de onmogelijkheid van de revolutie), maar door hun hoog opleidingspeil en opvoeding. De auto, de ziekteverzekering en het jaarlijks verlof zijn geen geschenken noch pogingen tot omkoperij door het kapitaal, maar de minimale voorwaarden opdat de arbeiders zouden kunnen produceren en hun krachten reproduceren in de arbeidswereld van vandaag, die zeer complex is en veeleisend.

Sociale arbeid en private toeëigening

Volgens Marx en Engels berust de voornaamste tegenstelling van het kapitalisme in de tegenspraak tussen enerzijds, de overheersing van de sociale arbeid en anderzijds, de totaal privaat gerichte oriëntatie naar de grootst mogelijke winst van het economisch leven, gebaseerd op het privaat eigendom. In schijn gaat het om een zakelijke tegenstelling. In werkelijkheid gaat het om een tegenstelling die tot uiting komt binnen de maatschappij, tussen de klassen.

Zo wordthet sociale karakter van de arbeid belichaamd door het proletariaat. De arbeidersklasse onderscheidt zich door haar collectief karakter, georganiseerd, gedisciplineerd, methodisch, eensgezind, en vóór alles bewust, een kenmerk dat zowel merkbaar is in het arbeidsproces zelf als in de collectieve strijd. De hedendaagse maatschappij, privaat, individualistisch, chaotisch, anarchistisch, met haar concurrentie en oorlogskarakter, vertegenwoordigd door de bourgeoisie, vormt daarvan de tegenpool.

Terwijl de productie steeds systematischer, rationeler en wetenschappelijker wordt aangepakt vervalt het kapitalisme onder druk van de concurrentie in anarchie. Elke kapitalistische sector, en in het bijzonder elk nationaal kapitaal, zet zijn oorlog tegen alle anderen voort, en dat neemt steeds vernietigendere vormen aan. Uiteindelijk gaat het om het voortbestaan van de mensheid die bedreigd wordt door het overleven van een dergelijk systeem.

Deze tegenstelling tussen de steeds productievere arbeid en de steeds vernietigendere private toeëigening kan slechts geregeld en overstegen worden door de klassenstrijd. Aan het proletariaat valt de taak toe om deze tegenstelling op te lossen door het sociale karakter van de productie en de sociale toeëigening ervan te samen te brengen.

Dat betekent dat, om te komen tot een revolutionair bewustzijn, het er voor de arbeidersklasse niet om gaat om in haar schoot een theorie te laten doorsijpelen die van buitenaf komt of van gegevens die vreemd zijn aan haar eigen levenswijze. Voor haar gaat het er ‘enkel’ om haar eigen aard te begrijpen.

Aangezien het proletariaat niet de bezitter is van de productiemiddelen en aangeien het ingeschakeld is in een wereldnetwerk van sociale arbeid, kan het zijn taak slechts vervullen door de productiemiddelen te controleren en te socialiseren als vertegenwoordiger van de mensheid, niet door individualistisch maar door een collectief optreden. In tegenstelling tot de lagen die nog produceren op grond van een individuele organisatie van de arbeid, zoals de boeren, de ambachtslui, de vrije beroepen, de ‘intellectuele producenten’, en die nog de vruchten opeisen van hun individuele arbeid - en op die manier het rad van de geschiedenis willen terugdraaien, is het proletariaat, uit de aard van de zaak, gericht op de toekomst. Aangezien het geen oplossing kan vinden voor de crisis van het kapitaal, want zo’n oplossing bestaat er niet, ziet het zich er toe verplicht om op zoek te gaan naar het vinden van een oplossing buiten dit systeem.

Het moet duidelijk zijn dat noch zijn uitbuitingsvoorwaarden, noch zijn tijdelijke (sociologische) samenstelling, noch de aard van de werktuigen die het gebruikt op het werk, noch de opinie die de ‘gemiddelde’ arbeider van zichzelf of van zijn klasse heeft, hem in staat stellen om de diepere aard van het proletariaat te vatten. Het is iets veel belangrijker dat het proletariaat dat recht verleent: zijn collectieve, bewuste, massale en internationale aard die gericht is op de toekomst. Een aard die spontaan tot uiting komt in zijn revolutionaire theorie, maar die eveneens tot uiting komt in zijn gigantische strijdbewegingen. De klasse in haar geheel, kan haar ware aard niet zomaar om het even wanneer en in om het even welke omstandigheden aan het licht brengen. Daarvoor is het noodzakelijk dat zij haar theorie en haar programma verdiept; dat zij massaal in beweging komt tegen de slagen van de crisis; dat er creatieve massa-acties ontstaan tijdens de strijd. Er bestaat absoluut geen waarborg voor dat het proletariaat zijn weg zal vinden vóór het kapitalisme de mensheid vernietigt. Wat wij nochtans weten is dat, indien de subjectieve en objectieve voorwaarden in dit perspectief samenvallen, indien de klasse in een revolutionaire opwelling geraakt, haar aard zich zal ontluiken zoals het wetenschappelijk socialisme dat honderd vijftig jaar geleden heeft aangekondigd.

Thema's verdiepen: 

Theoretische vraagstukken: