Arbeidersverzet in Nederland: Geleidelijk de strijdbaarheid en het zelfvertrouwen weer opbouwen

Printvriendelijke versieSend by email

De laatste twee maanden van 2005 gaven in Nederland sociale conflicten en korte stakingsacties te zien: bij Shell, Hema, KPN, Unilever, HVL, SmitTak, in de schoonmaaksector, en laatst nog bij de Amsterdamse brandweer. Deze reacties bleven echter verspreid, beperkt in omvang en de vakbonden hielden ze zonder veel moeite onder controle. Na de overweldigende betoging van 300.000 arbeiders op 2 oktober 2004 in Amsterdam lijkt de huidige arbeidersstrijd dan ook moeilijk van de grond te komen en weinig vooruitzicht te bieden op een breder verzet tegen de bezuinigingen en de ontwikkeling van de armoede. De betekenis van de huidige gebeurtenissen kan echter niet worden afgemeten aan de afzonderlijke gebeurtenissen. Die gebeurtenissen kunnen alleen worden begrepen vanuit het bredere verband van de verhoudingen tussen de klassen en de internationale ontwikkelingen.

De regering voelt de sociale dreiging en na jaren van almaar ‘tegenvallers’ slaat zij zich nu op de borst met cijfers van het Centraal Planbureau: de koopkracht zou in voornamelijk de tweede helft van 2006 met 1,25% stijgen, tegenover een eerdere raming van 1%. De boodschap is: het gaat geleidelijk de goede kant op, maar nog niet te vroeg gejuicht, en we moeten blijven matigen. Minister van Financiën Gerrit Zalm durft zelfs te verklaren dat de inkomens ‘gematigd’ moeten blijven omdat de koopkracht vanzelf zal gaan stijgen en met ‘meevallers’ zal de staatsschuld worden verminderd. Met een geraamde inflatie van 1% blijft de economie in werkelijkheid stagneren. Dat wordt bevestigd door een hele reeks van op stapel staande bedrijfsreorganisaties, door de blijvende neerwaartse druk op de lonen, terwijl het stelsel van sociale zekerheid – invaliditeit, werkloosheid, ouderdom, ziekte – steeds verder wordt ingekrompen. De groeiende massa van niet-productieven blijft onder vuur liggen terwijl het offensief tegen lonen, arbeids- en levensomstandigheden van de productieven in het verlengde daarvan ligt: harder en langer werken voor minder geld, en wie niet meer mee kan heeft pech gehad. Zo zien we het resultaat van de vakbondscampagne van een jaar geleden: in de CAO-onderhandelingen zou in goed overleg met welwillende werkgevers worden teruggehaald wat het onwillige kabinet had afgenomen. De werkelijkheid is dat regering en oppositie, ondernemers en vakbeweging de taken netjes onder elkaar verdelen om nog grover maatregelen door te kunnen drukken.

Een trage ontwikkeling van de strijdbaarheid

Als de huidige strijd geen spectaculaire vormen aanneemt dan brengt ze toch een daadwerkelijke ongerustheid tot uiting over de toekomst die het systeem ons nog biedt, zowel wat betreft de inkomens, de werkloosheidsdreiging, de pensioenen als de gezondheidszorg.

  • Een aantal stakingen draaide rond nominale loonsverhogingen, doorgaans binnen het raamwerk van CAO-onderhandelingen, zoals bij de schoonmakers en bij de slepers en bergers van SmitTak. Bij de Hema was er op 8 december een staking tegen plannen om nieuw winkelpersoneel aan te nemen tegen veel ongunstiger arbeidsvoorwaarden en tegen een maximumloon van 1330 euro.
  • Sociale spanningen waren er rond het verdwijnen van arbeidsplaatsen en ontslagen bij de supermarkten waar het werk van duizenden scholieren- en studenten door het overige personeel moet worden opgevangen en ook bij de toeleveringsbedrijven die door de supermarkt-oorlog hun winstmarge zien dalen zonder dat de productie zelf daalt, zoals bij Campina, Peijnenburg en Unilever, waar de vakbonden eventjes met actie dreigden. Op 15 december was er een 24-uursstaking bij HVL (dochter van TBI-Techniek) in verband met een reorganisatie waarbij 103 gedwongen ontslagen vallen en 50 arbeidsplaatsen verdwijnen door natuurlijk verloop.
  • Vooral ook de pensioenregeling leidde tot onvrede en reacties. De CAO-onderhandelingen bij KPN gingen vooral over de pensioenpremies. Bij Shell Pernis, waar op 31 oktober voor het eerst in 25 jaar werd gestaakt, ging het over het optrekken van de pensioenleeftijd van 60 naar 65 jaar waarbij de arbeiders voortaan zelf de premie gaan betalen. De Amsterdamse brandweerlieden gingen in november in staking tegen een afgesloten CAO met verhoogde pensioenleeftijd en het verplicht langer doorwerken in andere dienst.
  • Wanneer de invoering van het nieuwe zorgstelsel niet tot stakingen of acties leidde en met volledige medewerking van de vakbonden door de Sociaal Economische Raad kon worden geloodst, dan is de onrust daarover groot; ziekenhuizen luiden de alarmklok omdat ze de te verwachten toenemende aantallen onverzekerden niet kunnen behandelen, terwijl steeds meer behandelingen en medicijnen alleen tegen meerkosten worden mee-verzekerd. Het doel van de operatie is duidelijk genoeg: op termijn de niet- of voormalig productieven die het slechtst verzekerd zijn een speciale behandeling te geven.

De ongerustheid neemt dus wel degelijk toe en er zijn aanzetten tot strijd. Maar het zelfvertrouwen is nog gering en de vakbeweging kan nog voorkomen dat de onvrede de vorm aanneemt van bewegingen die zich spontaan uitbreiden dwars door sectoren en beroepscategorieën, onder controle van algemene vergaderingen waarin de arbeiders hun eigen kracht weer kunnen voelen en zélf beslissingen nemen:

  • Vedediging van afzonderlijke belangen. De vakbonden slagen er in de arbeiders te overtuigen dat zelfs binnen ondernemingen verschillende beroepsgroepen los van elkaar of zelfs tegenover elkaar bijzondere belangen te verdedigen hebben in plaats van algemene klassenbelangen. De vakbeweging is er niet om de nadruk te leggen op wat de arbeiders verenigt, maar op wat ze scheidt. Zo werden bij SmitTak eind november eerst de slepers in actie gebracht die een afzonderlijke CAO kregen opgedrongen en daarna was de beurt aan de bergers met een 48-uursstaking. De staking van het winkelpersoneel bij Hema op 8 december was gericht tegen een afzonderlijke CAO die het bedrijf had afgesloten met de Unie-VHP voor het hogere personeel.
  • Stimuleren van het zoeken naar individuele oplossingen. Bij de Amsterdamse brandweer was het de vakbonds-‘basis’ die het verzet uitzichtloos maakte met individuele ‘ziekmeld’-akties. De FNV maakt reclame voor een eigen zorgverzekering binnen het nieuwe stelsel dat het hielp ontwikkelen, ook al om werkenden beter aan de vakbondsstructuur te binden.
  • Het uitspelen van vakbondstegenstellingen. De CNV nam openlijk afstand van het verzet bij de brandweer terwijl de FNV zich haastte om die ondanks de afgesloten CAO te ondersteunen. FNV en CNV kwamen bij de Hema in botsing met de VHP. Om meer greep te krijgen op de jongere generatie en om ‘jongere’ en ‘oudere’ werknemers beter tegen elkaar te kunnen uitspelen wordt er een nieuwe afzonderlijke jongerenvakbond AVV opgericht. Bij de Amsterdamse brandweer ondertekende de vakbonds-‘top’ een CAO die vervolgens werd aangevochten door de vakbonds-‘basis’.
  • Het zoeken naar valse solidariteit. Op 15 november volgden een paar honderd schoonmakers de oproep van de FNV om het werk neer te leggen met een eis die neerkomt op 34 eurocent per uur bruto erbij; de staking was echter vooral bedoeld ter ondersteuning van een ‘tribunaal’ van prominenten uit politiek, wetenschap, kunst en religie, en een oproep aan 900 ondernemers die gebruik maken van schoonmaakdiensten om ‘druk uit te oefenen’ op de schoonmaaksector voor een ‘eerlijker’ loon.

Zo kon het begin van strijdbaarheid machteloos worden gemaakt, konden de acties in omvang en doelstelling beperkt blijven en worden voorkomen dat er gezocht werd naar actieve solidariteit. De vakbondscontrole kan nog steunen op democratische en legalistische illusies. Vandaar dat de goed aangevoelde noodzaak van omvangrijk arbeidersverzet leidt tot een aaneenschakeling van momenten van overdreven hoop en vervolgens weer ontgoocheling. Maar veel belangrijker is het dat er een ondergronds rijpingsproces plaatsvindt rond fundamentele vraagstukken: inkomens, werkloosheid, pensioenen, gezondheidszorg, verpaupering.

En een geleidelijk verlies aan vertrouwen in de toekomst die het kapitalisme ons biedt

De demonstratie van 2 oktober 2004 in Amsterdam met 300.000 deelnemers was zeker de grootste manifestatie in Nederland in dertien jaar. Maar anders dan de paar grote betogingen in de eerste helft van de jaren 1990 vormde het geen afsluiting, geen begrafenis van strijdbaarheid en bewustzijn. In 2004 was het juist een jarenlange ‘sociale vrede’ die eindelijk weer werd doorbroken. De haast nostalgische illusies over een mogelijke terugkeer naar een vredige en democratische ‘overleg’-politiek waren nog groot en het was dan ook niet verwonderlijk dat de vakbonden het geheel strak onder controle konden houden en dat de ontwikkeling van de strijdbaarheid vervolgens vastliep. Maar tegelijk vormde het een voorproefje van wat onvermijdelijk gaat komen. De vakbeweging paste zich onmiddellijk aan door Lodewijk de Waal (FNV) en Doekle Terpstra (CNV) te vervangen door mensen die beter in staat zijn ‘radicale’ taal te bezigen en door een begin van hernieuwde activiteit van de vakbondsbasis met het platform ‘Keer het tij’.

Steeds meer wordt het ‘poldermodel’ opgegeven om werkenden en niet-werkenden tegen elkaar uit te spelen. De verpaupering als gevolg van de economische crisis wordt vooral afgewenteld op etnische minderheden waarbij de bourgeoisie de arbeidersklasse nog verder verdeelt met xenofobische dan wel anti-discriminatie-campagnes en de wanhoop in de buitenwijken los van ieder klassenperspectief kan uitbarsten in golven van blind geweld zoals in Frankrijk. In die situatie kan de bourgeoisie, gesteund door uitgebreid sociologisch onderzoek, de onzekerheid en de verwarring op bepaalde momenten zelfs benutten om een vals gevoel van nationale solidariteit op te dringen achter regering, parlement, ondernemers, vakbeweging, koningshuis, liedjeszangers en sportlieden. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en de daarop volgende populistische hysterie en de campagnes over integratieproblemen en radicale islam vergrootten de algemene verwarring en er worden permanent campagnes gevoerd over de verwevenheid van politiediensten, criminele en terroristische netwerken, over ‘zinloos geweld’, over vier bloedige afrekeningen in één week binnen het Amsterdamse criminele milieu, over de mysterieuze moord op de Nijmeegse links-legalistische activist Louis de Sévèke (1).

Dat alles draagt ertoe bij dat de arbeiders moeite hebben om zichzelf weer als een klasse te zien met gezamenlijke belangen tegenover de bourgeoisie en haar staat en tot de problemen om de onvrede om te zetten in gerichte strijdbaarheid. Die strijdbaarheid wordt in de één of andere vorm onvermijdelijk weggelokt richting verdediging van de ‘verworvenheden’ van de democratische rechtsstaat. Maar zelfs wanneer de illusies blijven, dan is het minder vanuit werkelijke overtuiging dan uit tijdelijk gebrek aan beter. De arbeidersklasse is begonnen om de aanvallen van de bourgeoisie schoorvoetend te beantwoorden. De onvermijdelijke door de vakbonden georganiseerde nederlagen leiden op termijn minder tot ontmoediging dan tot het zoeken naar betere strijdmiddelen.

De massale betoging van 2 oktober 2004 moet niet alleen worden begrepen als een eerste poging om weer aan te sluiten bij de vroegere ervaringen van de arbeidersklasse maar ook als een schakel in een keten van arbeidersverzet die zich over heel Europa uitstrekt: in de lente 2003 brak in Frankrijk en Oostenrijk strijd uit tegen de afbraak van de pensioenen; in de winter van datzelfde jaar waren er mobilisaties van trambestuurders in Italië en postbeambten en brandweerlieden in Engeland. In juli 2004 barstte de strijd bij Mercedes-Daimler-Chrysler in Duitsland los en in september in verschillende Spaanse steden tegen privatisering van de scheepswerven. In oktober 2004 gingen de arbeiders van Opel Bochum, in het hart van het Ruhrgebied, in staking tegen ontslagplannen. In België waren er dit jaar stakingen en demonstraties tegen het ‘generatiepact’.

Wat al deze bewegingen onthullen is vooral het overdenkingsproces dat zich binnen de arbeidersklasse in de diepte afspeelt: de opeenstapeling en de aard van de aanvallen van de bourgeoisie zullen steeds meer van de illusies ondergraven en het besef weer laten groeien dat de vakbondssabotage beantwoordt moet worden. De ongerustheid groeit en er worden steeds meer vragen opgeroepen over het lot dat de arbeiders, hun kinderen en de toekomstige generaties binnen dit uitbuitingssysteem wacht. Het begint door te dringen dat ze dit ‘lot’ alleen kunnen veranderen door zelf actief op te treden en de maatschappelijke arena gezamenlijk binnen te stappen. Daarom moeten we niet alleen de moeilijkheden zien, maar vooral ook de nieuwe mogelijkheden waarbinnen die zich voordoen en de middelen die bestaan om ze te overwinnen.

Jos&Manus / 07.01.2005

(1) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004; Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, nr. 104, januari 2005; Arbeiderssolidariteit, geen solidariteit met de burgerlijke staat, nr. 105, mei-augustus 2005; Tegen de aanvallen op ons levenspeil en het democratisch bedrog: Onze enige verdediging: klassensolidariteit, nr. 106, september-december 2005, te vinden op onze website: http://nl.internationalism.org.

Territoriale situatie: