Debat over de ‘inperking van migrantenrechten’

Printvriendelijke versieSend by email

De aanvallen op de papierlozen en de ‘illegale’ vluchtelingen nemen, in Nederland net als in heel Europa, toe: inperking van hun rechten, opsluiting in gesloten centra, massale uitwijzing van 26.000 ‘uitgeprocedeerden’. Het is in dat verband, dat de krant De Fabel van de Illegaal in een artikel getiteld Plannen voor beperking van migrantenrechten groeiend populair (nr. 63, maart-april 2004), op de bres springt om van leer te trekken tegen opvattingen over een gecontroleerde immigratie zoals die onlangs zijn ontwikkeld in het ‘progressieve’ milieu en dan met name in het boek Grenzeloze solidariteit: Naar een migratiebestendige verzorgingsstaat. In dat boek wil een reeks van ‘beleidsmakers’ en ‘wetenschappers’ aantonen dat de vluchtelingen en papierlozen ‘onze’ welvaartsstaat dreigen te laten doodbloeden. Volgens deze trouwe dienaars van de burgerlijke orde kan een dergelijke ‘overval’ alleen worden voorkomen door de toegang tot die welvaartsstaat te beperken. Twee strategieën worden daartoe naar voren geschoven: enerzijds een tweederangs burgerschap en anderzijds gecontroleerde en tijdelijke migratie, in beide gevallen zonder enige recht op een uitkering.

Welk alternatief tegenover de grote campagnes rond immigratie en vluchtelingen?

Hoe moeten we deze campagnes plaatsen en begrijpen? En vooral, welk alternatief kunnen we daar tegenover stellen? Het is inderdaad van het grootste belang om een heldere analyse rond deze vraagstukken te ontwikkelen. De Fabel brandmerkt van haar kant het nationalisme als de grondslag waarop deze aanvallen kunnen plaatsvinden, als een eng€‘nationalistische visie waarin ‘onze’ politiek met betrekking tot de immigratie moet worden verdedigd ter bescherming van 'onze' welvaartsstaat. Bij de verwerping van dat bekrompen uitgangspunt, dat enkel dat van de Nederlandse ‘burger’ kan zijn, stelt De Fabel zich op het standpunt van de “wereldwijde onderklasse”, waarvan ook de papierlozen en vluchtelingen deel uitmaken. Zo gezien zijn er “geen gemeenschappelijke belangen met machthebbers en rijken, met beleidsmakers en politici” en verwerpt zij ieder tegenstelling tussen autochtonen et allochtonen (en binnen die laatsten tussen Europeanen en niet-Europeanen). Bijgevolg wijst De Fabel iedere politiek van controle over de migratie af maar verdedigt daar tegenover “vrije migratie” en uiteindelijk “een wereldwijde revolutionaire opheffing van het kapitalisme, het patriarchaat en het racisme”.

Het artikel neemt eveneens “de meeste ‘progressieven’” op de korrel die blijven redeneren binnen het kader van een eng nationalisme waardoor men “juist immigratie van ‘buitenlanders’ als probleem ziet, en niet de ongelijke machtsverhoudingen”. Dat is het gevolg van het feit dat de sociaal-democratie, waaraan de bezittende klasse begin twintigste eeuw “een deel van de koloniale buit aanbood in ruil voor klassenvrede” vooral met voorstellen komt “om het huidige onrechtvaardige systeem te renoveren in plaats van te vernietigen”.

De schrijver van het artikel in De Fabel heeft gelijk in zijn afwijzing van iedere nationalistische en burgerlijke benadering van de immigratie 1) uitgaat van de belangen van de natie en de economie daarvan, en 2) de verantwoordelijkheid voor de situatie afwentelt op de immigrant als zondebok, die “kans op succes en op mislukken” heeft en die zijn “risico” niet mag “afwentelen op het aankomstland”. Tenslotte heeft het artikel volkomen gelijk in zijn ontmaskering van links, waarvan het ‘progressieve’ imago slechts dient ter misleiding en om het systeem opnieuw geloofwaardig te maken. Met als voorbeeld de leider van de Nederlandse sociaal-democratie Wouter Bos, die in de politiek van gecontroleerde immigratie een middel ziet “waardoor illegalen legaal kunnen worden zonder dat ze meteen uit de ruif van de verzorgingsstaat mogen mee-eten”.

Maar wij gaan verder in de analyse. Inderdaad De Fabel neigt ertoe haar analyse te beperken tot enkele verschijnselen die elk op zich worden bekeken, buiten de historische en internationale context. Dat geldt voor de verschijnselen als het nationalisme, het reformisme van de sociaal-democratie en de tegenstelling tussen de “burger-politiek” en die van de “wereldwijde onderklasse”. Ondanks enkele toespelingen worden de diepe oorzaken van de immigratievloed in zijn huidige vorm met al de ‘zijdelingse’ effecten die deze veroorzaakt (ontwikkeling van racisme, opkomst van nationalisme en populistische partijen), de werkelijke redenen voor deze steeds grovere maatregelen en de steeds intensievere campagnes die de regeringen lanceren nergens aangetoond. Voor ons zijn deze gebeurtenissen het onvermijdelijk product van de steeds duidelijkere verrotting van het wereldkapitalisme. Geconfronteerd met de uitbreiding van de chaos in de richting van het oude geïndustrialiseerde Europa doet de bourgeoisie wanhopige pogingen om de ‘invasie’ van vluchtelingen in te dijken door steeds meer beperkende maatregelen te nemen. Toch kan geen enkele anti-immigratiewet de verwoestende doodscrisis van dit systeem oplossen. Bijgevolg is de vlucht naar de centrale landen het enige alternatief dat zich aan deze geterroriseerde bevolkingen opdringt. Liever dan ter plekke te creperen nemen ze het risico onderweg om te komen, zoals de duizenden bootvluchtelingen, de honderden die aanspoelen op de Spaanse stranden en al de anderen die verstikken in containers. Dit kader is cruciaal omdat het mogelijk maakt om aan het daglicht te brengen dat er binnen het kapitalisme geen enkele blijvende en fundamentele oplossing voor deze problemen bestaat, juist omdat die direct verbonden zijn met het wezen zelf van het kapitalisme, in het bijzonder met zijn periode van verval en ontbinding. Door het probleem in zijn algemene historische context te plaatsen wordt het duidelijk dat van de bourgeoisie ‘vrije migratie’ en ‘stopzetting van de uitwijzingen’ te eisen, binnen een kapitalisme in volle ontbinding, zoals onder andere De Fabel doet, net zo idealistisch, utopisch en ontwapenend is als de actie van de pacifisten die het kapitalisme oproepen de oorlog te beëindigen en een ‘redelijke’ oplossing te vinden, terwijl de tendens naar veralgemening van de conflicten van ieder tegen allen inherent is aan een kapitalisme dat steeds dieper wegzakt in een bloedige barbarij.

Dat standpunt is niet alleen ongepast maar voert ook rechtstreeks naar een praktijk waarbij men zich laat meeslepen in de burgerlijke campagnes. En die wilde De Fabel nu juist bestrijden. Want wat betekent de eis van “een vrije migratie” voor De Fabel nu concreet? Het antwoord daarop vinden we even verder in dezelfde krant in een terzijde over migratiebeheersing: “Deze veranderingen dwingen radicaal-linkse activisten om hun ideeën bij te stellen en scherper te formuleren. Vechten voor gelijke rechten moet daarbij centraal blijven staan” (De Fabel, nr. 63, p. 7). De in theorie zo radicale taal mondt dus in praktijk uit in het perspectief van de verdediging van ‘democratische rechten’. En waaraan beantwoordt de tamtam over ‘democratische rechten’? Het geheel van de bourgeoisie, van rechts tot links, werkt samen om de helse spiraal van het kapitalisme met alle middelen voor de arbeiders te verbergen, de enige klasse die een alternatief aan de mensheid te bieden heeft. Om dee werkelijkheid te verbergen achter een ideologische mist bemachtigt zij zich van deze vernederende verschijnselen als de clandestiene immigratie, de mensen zonder papieren of de vluchtelingen, om andermaal haar campagne van de verdediging en verheerlijking van de democratie te versterken. Zo wordt iedere reflectie over deze fundamentele vraagstukken van het klassenterrein afgevoerd om ze op te sluiten in een steriel debat over ‘democratische rechten’. Van ultralinks tot extreem rechts brengen alle fracties van de bourgeoisie verschillende standpunten naar voren: van de “verdediging van de eigen zwaksten tegen die van buiten”, via “het opzijzetten van onze preoccupatie met gelijkheid”, tot aan “algehele regulering” en “open grenzen”. In werkelijkheid dienen al die stellingnamen er toe om het discussieterrein te beperken tot schermutselingen op legaal vlak, op het terrein van ‘democratische rechten’ binnen het kapitalisme, van ‘wat binnen het burgerlijk kader mogelijk is’. Dat is waaraan het standpunt van De Fabel, waarvan we de goede bedoeling geenszins in twijfel trekken, in de praktijk meewerkt.

Die campagne maakt het de bourgeoisie mogelijk om de kanker te verbergen die de fundamenten van haar systeem wegvreet en die de mensheid steeds verder in de barbarij drijft; zo kan de repressie worden opgevoerd achter een democratisch dekmantel, en wordt vooral het bewustzijn van de arbeidersklasse over haar klasseieenheid en over de noodzakelijke internationale solidariteit in de strijd ondermijnd. De arbeiders in Europa worden opgeroepen om zich achter ‘harde’ maatregelen of achter een ‘voorzichtiger’, meer ‘democratische’ benadering te scharen: in beide gevallen zitten ze in de val. Door de illusie te wekken dat de arbeiders in de geïndustrialiseerde landen nog iets te redden, iets te verdedigen hebben tegen al die armoedzaaiers die uit het oosten en van elders komen, probeert de bourgeoisie de arbeidersklasse te verdelen en verschillende delen tegen elkaar op te zetten door haar de democratische staat te doen steunen en haar te laten meewerken aan de verdediging van het nationale kapitaal. Heel dat betoog is er op gericht te doen vergeten dat de situatie van de immigranten deel uitmaakt van het bestaan zelf van de arbeidersklasse, van de ellende van haar eigen conditie als uitgebuite klasse.

Een idealistische benadering ontwapent

Hoe kon De Fabel ten prooi vallen aan die manoeuvre? Ondanks enkele opmerkingen van principiële aard over de “wereldwijde onderklasse die geen gemeenschappelijke belangen heeft met de machthebbers” verbindt het artikel in De Fabel het probleem van de immigratie aan het vraagstuk van het nationalisme op zich, alsof deze kwestie op zichzelf zou kunnen worden opgelost, alsof “de activisten van radicaal-links” het nationalisme inzake de immigratie zouden kunnen tegengaan met de eis van ‘vrije migratie’, los van de algemene toestand van het kapitalisme in verval, van de krachtsverhouding tussen de klassen, van de manoeuvres van de heersende klasse en van de strijd van de uitgebuite klasse. De gevolgen van een dergelijke idealistische benadering kunnen slechts catastrofaal zijn: ondanks het naar voren brengen van juiste, grote beginselen draaien de praktische oriëntaties van De Fabel uit op een steun aan de democratische campagnes van de bourgeoisie. Over het vraagstuk van het anti-nationalisme benadrukten we al eerder (Internationalisme, nr. 274, mei 2001) dat De Fabel zich in beginsel tegen nationalisme keerde maar in werkelijkheid, tegenover bijvoorbeeld de staat Israël, deze schone beginselen vergat om de Hebreeuwse staat te steunen in naam van “het recht van Joden op een eigen natie”. Omdat zij de kwestie van de immigratie niet integreert in een globale analyse van het kapitalistische systeem en de aanwezige sociale krachten komt De Fabel er andermaal toe ‘in de praktijk’ te verdedigen wat zij ‘in theorie’ energiek verwerpt: van bestrijdster van het systeem in theorie wordt zij in de praktijk tot ofzanger van de burgerlijke democratie!

Theoretische vraagstukken: