Voor of tegen het dragen van een hoofddoek op school: Een afleidingsmanoevre en een verdeling van de arbeidersklasse

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Eind 2003 lanceerde de bourgeoisie in Frankrijk een brede ideologische campagne rond het al dan niet mogen dragen van een sluier of hoofddoek en andere opzichtige religieuze uitingen op scholen en in openbare ambten en functies. Dit onderwerp is vervolgens in andere Europese staten meteen overgenomen als welkome aanvulling op de algemene campagne van de bourgeoisie tegen extremisme, terrorisme, vandalisme, zinloos geweld en onveiligheid, en voor een meer actieve deelname van alle bevolkingslagen aan de ‘democratie’ en het ontwikkelen van meer burgerschapszin ter versterking van de kapitalistische staat die ons allen zou beschermen. De campagne is er vooral op gericht een complete Babylonische spraakverwarring te stichten, waarin raciale, culturele, godsdienstige geslachts- en sociale schijntegenstellingen zoveel mogelijk worden opgeklopt en met elkaar vermengd om de gemoederen flink te verhitten.

Arabieren komen tegenover Europeanen of Nederlanders te staan, culturele vrijheid en de pluriforme multi-culturele samenleving tegenover de noodzaak tot integratie van allochtonen en het voorkoming van getto-vorming, islam-fundamentalisme tegenover de waarden van het christendom en de verdediging van de scheiding van kerk en staat. In het beloofde land van het feminisme natuurlijk ook het ‘baas op eigen hoofd’ tegenover de strijd tegen de onderwerping van de vrouw. Een gediscrimineerde onderklasse van niettemin ‘profiterende’ allochtonen komt te taan tegenover ‘bevoordeelde’ arbeiders die weer zouden opdraaien voor de kosten van de sociale verzekeringen. Telkens zou er een absurde keuze moeten worden gemaakt tussen twee kwaden, waarbij iedereen wordt uitgenodigd zelf een ‘minste kwaad’ uit te kiezen.

Met al het gedoe over hoofddoekjes op school en de vele verschillende debatten, betogingen en protesten die daarover op gang kwamen, en met de wet over het dragen van herkenbare tekens van religieuze overtuiging heeft de Franse bourgeoisie een langdurige campagne opgestart om het bewustzijn van de arbeidersklasse diepgaand te vertroebelen. Rechts, links en extreem-rechts, iedereen zingt zijn couplet voor of tegen, een beetje voor of heel erg tegen, enzovoort. De media, de politici, de sociale en culturele verenigingen, of ze nu islamitisch, joods of christelijk zijn, allen dragen ze bij aan wat ze een ‘breed debat van alle burgers over het secularisme’ noemen. In weerwil van de kakofonie die in de ‘Franse samenleving’ daarover zou heersen gaan alle standpunten in feite in dezelfde richting: een zo groot mogelijke verwarring in de hoofden van de arbeiders zaaien om hen beter aan de burgerlijke staat te kunnen vastketenen en hen hun lot te doen aanvaarden (1).

Door dit vals debat probeert de bourgeoisie de andacht af te leiden van het failliet van het kapitalistisch systeem, van de toenemende ellende en de reeks aanvallen die ze aan het voorbereiden is. De bourgeoisie spoort de arbeiders dus aan als geïsoleerde individuen deel te nemen aan het debat. Zij worden uitgenodigd als ‘burgers’ na te denken, naast de kleinburgers en de bourgeois die hen uitbuiten. Allen gelijk in het debat!!! De arbeider wordt zo gescheiden van zijn klasse, verzopen in een massa en compleet blootgesteld aan de heersende ideologie.

Maar de hoofddoekaffaire is ook een nieuwe gelegenheid om breuken te ontwikkelen binnen de bevolking en vooral binnen het proletariaat. Het is opvallend dat het debat vooral olie op het vuur gegooid heeft en zo het racisme (zoals na de oprichting door de PS van SOS Racisme begin de jaren 1980), het seksisme en de verdeeldheid tussen de gemeenschappen op de spits gedreven heeft in hun meest kleinzielige aspecten. Het gaat er weer om de arbeiders tegen elkaar in competitie te plaatsen, niet alleen op basis van hun nationaliteit, maar ook van hun geloof. Het gaat erom een diep gevoel van verdeeldheid te zaaien binnen de arbeidersklasse op basis van de valse tegenstelling tussen Franse en geïmmigreerde arbeiders, waarbij die laatsten per definitie mogelijk ‘islamisten’ kunnen zijn. En binnen die groep duidt de bourgeoispropaganda aan de ene kant ‘slechte’ immigranten aan die betoogd hebben voor het onvoorwaardelijk dragen van de hoofddoek, en aan de andere ‘goede’ immigranten die onderworpen zijn aan de wetten van de ‘religieus neutrale republiek’. Ze vormt de ware solidariteit tussen de arbeiders, die nationaliteit en geloof overstijgt, om tot een solidariteit tussen hen die zich terugvinden in een ‘geloof’ in de burgerlijke staat als ultieme vrederechter en bewaarder van de sociale samenhang. Want achter heel dat debat over de verdediging van de neutraliteit gaat de kwestie schuil van de verdediging van de democratische staat. Citeren we de krant Libération van 29.01.2004 die duidelijk de zin van de campagne toont: “In onze vrijzinnige traditie is de staat de beschermer van de vrije uitoefening door elkeen van zijn bewustzijn, van de uitdrukking of de niet-uitdrukking ervan. Er moet ingegrepen worden wanneer die vrijheid bedreigd wordt.” De staat zou de enige waarborg zijn van de individuele vrijheden, in dit geval zou alleen de staat zich kunnen verzetten tegen de toenemende onderdrukking van individuen die het gevolg is van de opkomst van religieuze integrismen. Maar het is juist één van de objectieven van dit ‘debat’ een rookgordijn op te trekken rond de oorzaken van die opkomst van integrisme, om de arbeidersklasse ervan te weerhouden zich bewust te worden van het feit dat de ontbinding zelf van het kapitalistisch systeem daarvan aan de oorsprong ligt (2).

Zoals Marx meer dan 150 jaar geleden schreef: “De religieuze ellende is tegelijk zowel de uitdrukking van de werkelijke ellende, als het protest tegen de werkelijke ellende. De religie is de verzuchting van het gekwelde schepsel, het gemoed van een harteloze wereld,evenals zij de geest van geestloze toestanden is. Ze is het opium van het volk.” (3). Tegenover de cultus van de religie wil de bourgeoisie die van de neutrale staat stellen, het nec plus ultra van de bevrijding van de onderdrukten van de religie. Maar het is zeker niet door vertrouwen te stellen in de staat en zijn flikken dat de jonge meisjes die onderworpen worden aan de dictaten van de islamisten zullen kunnen ontsnappen aan de onderdrukking, evenmin als om het even welke proletariër. Het ligt trouwens geenszins in de bedoeling van de regering de cultussen af te schaffen, wel hen te versterken. Zo zien we hoe onder de hoede van de ‘vrijzinnige’ republikeinse staat, in naam van de ‘vrijheid’ en het ‘respect’ voor de cultussen, moskeeën en synagogen opbloeien. Daar blijkt zonder enige dubbelzinnigheid dat de doelstellingen van de democratische staat niet in tegenstelling staan tot die van de religies, maar dat ze elkaar aanvullen.

Ideologische onderdrukking, verplettering van denken en bewustzijn, allerlei vormen van uitbuiting van de individuen zijn het gewijde brood waarvan ze hun hosties maen. In de negentiende eeuw heeft de bourgeoisie, voorzover ze een progressieve klasse was, haar best gedaan om de Kerk te behouden als een kracht gescheiden van de burgerlijke staat, omdat die een belemmering vormde voor de ontwikkeling van de productiekrachten, wat leidde tot de wetten over scheiding van kerk en staat, waarbij die eerste wel achter de hand gehouden werd als ideologische kracht. Maar ook toen al stelden de revolutionairen de illusie aan de kaak als zou het anti-klerikalisme dat bloeide binnen de Franse republikeinse bourgeoisie op zich een kracht van bevrijding vertegenwoordigde. Rosa Luxemburg beschouwde dat als een misleidend element dat ontsproten was aan de burgerlijke ideologie zelf. In een artikel dat in januari 1902 gepubliceerd werd, schreef ze: “De socialisten zijn juist verplicht de Kerk, die antirepublikeinse en reactionaire macht, te bestrijden, niet om deel te nemen aan het burgerlijk anti-klerikalisme, maar om zich daarvan te ontdoen. De onophoudelijke guerrilla die sinds jaar en dag gevoerd wordt tegen het pastoordom is voor de Franse burgerlijke republikeinen een van de doeltreffendste middelen om de aandacht van de werkende klassen af te leiden van de sociale kwesties.” En ze voegde daaraan toe: “Het burgerlijk anti-klerikalisme leidt tot het verstevigen van de macht van de Kerk, net zoals het burgerlijk antimilitarisme, zoals dat opdook in de affaire Dreyfus, dat zich enkel verzette tegen de natuurlijke verschijnselen van het militarisme, van de corruptie van de Generale Staf, er enkel in geslaagd is die instelling uit te zuiveren en te versterken.” (4).

Met het verval van het kapitalisme en de intrede van het systeem in zijn fase van ontbinding, zijn die illusies over het anti-klerikalisme en de verdediging van de neutraliteit zonder meer misleidingen geworden die door de kapitalistische staat als ideologisch wapen gebruikt worden om de arbeidersklasse te verdelen en de arbeiders tegen elkaar op te zetten.

Tegenover de verrotting die heel de planeet in haar greep krijgt gaat het er niet om de zaak van de religie of die van de ‘vrijzinnige’ staat te verdedigen. Tegenover dat valse alternatief moeten we verdedigen dat alleen de proletarische revolutie een eind zal maken aan alle misleidingen, die, ‘vrijzinnig’ of ‘religieus’, alle het product zijn van de kapitalistische onderdrukking.

AM / 20-02-2004

(1) Deze doldrieste verdeel- en heerscampagne is vervolgens snel overgenomen door de bourgeoisieën van andere West-Europese landen, zoals België en Nederland. Na de aanslagen in Madrid van 11 maart worden, in het kader van het ‘anti-terrorisme’, de ideologische duimschroeven nog wat verder aangedraaid: de bourgeoisie probeert een atmosfeer van angst en repressie te creëren waarin alle immigranten uit ‘moslimlanden’ bij voorbaat van ‘islam-terrorisme’ worden verdacht, tenzij zij onvoorwaardelijk steun aan de burgerlijke staat betuigen.

(2) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 109, De heropkomst van het islamisme, symptoom van de ontbinding van, de kapitalistische sociale verhoudingen.

(3) Karl Marx, Bijdrage tot de kritiek op Hegel’s rechtsfilosofie, Inleiding, in Over godsdienst, staat en het joodse vraagstuk, Pegasus, Amsterdam 1975, p. 87 e.v.

(4) Rosa Luxemburg, Het socialisme in Frankrijk, Editions Belfond, p. 213-214.