Bloedige repressie in Bolivie: De interklassistische revoltes zijn niet het terrein van de arbeidersklasse

Printvriendelijke versieSend by email

Na Argentinië in 2001/2002 is het nu de beurt aan Bolivia om het schouwspel te zijn van bloedige ‘volks’-revoltes. Van de 8,8 miljoen inwoners leeft 70% onder de armoedegrens leven en Bolivië is de armste staat van Zuid-Amerika.

De economische en sociale crisis in Bolivia

Zoals vele landen vandaag overleeft Bolivia onder het toedienen van kredieten die het Internationale Monetaire Fonds verleent in ruil voor het doorvoeren van soberheidsmaatregelen om de immer groeiende schuldenlast af te betalen. Na de ineenstorting van de Argentijnse economie, een overduidelijke uiting van het bankroet van het kapitalisme (1), zinkt Bolivia (waarvan we via de burgerlijke pers vernemen dat het geniet van een specifiek hulpprogramma voor de arme landen die tot hun nek in de schulden zitten) steeds dieper weg in het moeras. Sinds 1999 is de werkloosheidsgraad verdubbeld. In een context waarin de meerderheid van de bevolking over minder dan twee dollar per maand be­schikt kan de verbittering elk moment omslaan in een sociale uitbarsting. Reeds in januari-februari 2003 had het leger de betogingen van de arbeiders onderdrukt, waarbij meer dan 20 doden vielen, volgend op de aankondiging van een begrotingsverlaging en een extra heffing van 12,5% op de lonen voor de 750.000 ambtenaren die het land telt.

Dit keer vormde het voornemen om aardgas via Chila naar de Verenigde Staten en Mexico uit te voeren aanleiding voor de opstand van de bevolking. Vooral de boeren kwamen op de been tegen het plan van de regering om met behulp van de Verenigde Staten de cocateelt uit te bannen. Deze in meerderheid uit boeren bestaande volksrevolte, waarbij zich vervolgens studenten, arbeiders uit het onderwijs en de mijnen mengden, brak uit in de stad La Paz, waar de regering zetelt, en in El Alto, in de arme buitenwijk van de hoofdstad. Vervolgens breidde hij uit naar de voornaamste Boliviaanse steden. De botsingen tussen de bevolking en het leger, die meer dan een maand duurden, gaven aanleiding tot een ware slachting: meer dan 80 doden en honderden gewonden.

De revolutionairen kunnen niet anders dan een dergelijk barbarendom aanklagen en hun volle solidariteit betuigen, in het bijzonder met de arbeiders en hun familie, de slachtoffers van deze slachtpartij. Maar tezelfdertijd moeten ze naar voeren brengen dat deze strijd geen versterking betekent voor het proletariaat voorzover hij verwaterde in een ‘protestbeweging van de bevolking’. Het ontslag van de regering Sánchez de Lozada is geen “overwinning voor het Bolivia van onderop”, zoals de krant Libération van 22 oktober titelt, maar een overwinning voor de linkse burgerlijke partijen van Bolivia die deze ‘volks’re­volte uitlokten en onder controle hielden.

Zelfstandige klassenbeweging klassensamenwerking in de revolte?

In tegenstelling tot de strijd in februari, waarover de burgerlijke pers weinig meedeelde, toen de arbeiders reageerden op hun eigen klassenterrein en ter verdediging van hun levensvoorwaarden, zijn ze deze keer ondergedompeld in een beweging waarbinnen zij geen enkel belang te verdedigen hadden. De Boliviaanse linksen sleurden de bevolking en de arbeiders mee in een nationalistische strijd voor de verdediging van het Boliviaanse gas. Het zijn de Boliviaanse arbeiderscentrale (COB), de eenheidsvakbondsconfederatie van de landarbeiders (CSUTCB) en de beweging naar het socialisme (MAS), geleid door Evo Morales (spilfiguur in de strijd tegen de mondialisering van Zuid-Amerika en als indiaans leider verdediger van de kleine coca-telers), die net zo goed als de regering en het leger verantwoordelijk zijn voor dit bloedbad. Door op te roepen om te betogen rond het thema “het Boliviaans gas voor de Bolivianen” worden vooral nationalistische en anti-Chileense gevoelens opgeklopt (Bolivia verloor in de negentiende eeuw een deel van zijn territorium en daarbij zijn toegang tot de Stille Oceaan ten gunste van Chili, tijdens een oorlog waarin deze twee landen tegenover elkaar stonden) omdat de gasleiding zou worden aangelegd in de richting van een Chileense haven om de gas uit te voeren naar de Verenigde Staten(2).

Bovenop dit verachtelijke nationalisme dat Boliviaans links als een gif verspreidt binnen de arbeidersklasse komt het vraagstuk van het uitbannen van de coca, dat, zelfs wanneer het onmiddellijk vlak de boeren nog verder in de ellende zal storten, niets van doen heeft met de arbeidersstrijd in Bolivia noch ergens anders. Hetzelfde geldt voor het binnenkort bijeenroepen van een grondwetgevende vergadering door de nieuwe Boliviaanse regering van Carlos Mesa waardoor de Indiaanse bevolkingsgroepen beter vertegenwoordigd zouden kunnen worden in het burgerlijk parlement. Want ook dat betekent een versterking van de burgerlijke democratie, maar in geen geval van de arbeidersklasse. We hoeven er niet aan te twijfelen dat het trouwens in deze grondwetgevende vergadering zal zijn dat de aanstaande soberheidsmaatregelen tegen de arbeidersklasse genomen zullen worden, in naam van de verdediging van de staat en het Boliviaanse vaderland.

Zo vertegenwoordigen de gebeurtenissen in Bolivia op geen enkele wijze een overwinning voor het proletariaat, maar ze zijn in tegendeel een overwinning voor de burgerlijke democratieën en voornamelijk van haar partijen van links en ultra-links. Men kan niet anders dan deze beweging in Bolivia te vergelijken met de beweging van 2001 in Argentinië, waar de arbeidersklasse eveneens verdronken werd in een beweging van klassensamenwerking (3).

De beweging die we zojuist in Bolivië hebben gezien is geen krachtige beweging van het proletariaat waarin de andere niet-uitbuitende lagen van de bevolking op sleeptouw werden genomen. In tegendeel, het zijn vooral de boeren en de ‘cocaleros’ (coca-producenten) die onder de banier van vakbonden en linkse partijen de revolte leidden. De arbeiders werden ondergedompeld in een beweging zonder ander resultaat dan de versterking van de burgerlijke democratie.

In een revolte van klassensamenwerking ‘van de bevolking’ kan de arbeidersklasse slechts worden gebruikt worden als kanonnenvlees, zoals bevestigd wordt door de recente repressie. Haar eigen perspectief kan daarin alleen maar ten onder gaan. Enkel de zelfstandige arbeidersstrijd, zelfs al is het maar in een kiemvorm, opent echte perspectieven en kan een alternatief bieden voor de andere uitgebuite lagen van de maatschappij n

Donald / 24.11.2003

(1) Zie het artikel: ’Volksrevoltes’ in Argentinië: enkel de bevestiging van het proletariaat op zijn eigen klasse-terrein, kan de bourgeoisie doen terugdringen, Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 109, tweede kwartaal 2002.

(2) In verband daarmee kunnen we een stellingname citeren die wij onlangs ontvingen over de Boliviaanse revolte, van een groep die pas is ontstaan, Núcleo Comunista Internacional: “Men kan zijn best doen om deze ‘oorlog om het gas’ voor te stellen voor wat hij niet is, want hij heeft geen proletarische inhoud, noch de minste tendens van een perspectief tegen het kapitalisme in verval [...]. Het nationalisme of de verstaatsing van de gasvelden, of de verandering van de wet op de brandstoffen, dat heeft helemaal niets te maken met socialisatie van de productiekrachten. Het is de politiek van het staat in het kapitalisme om de basiswetten van het kapitalisme en de uitbuiting in handen te nemen, te behouden, in stand te houden.”

(3) Zoals de Argentijnse groep Núcleo Comunista Internacional nogmaals vaststelt: “De gebeurtenissen in Bolivia vertonen een grote gelijkenis met die van Argentinië in 2001, waarbij het proletariaat niet alleen werd bedolven onder de ordewoorden van de kleinburgerij, maar ook door het feit dat dergelijke ‘volksbewegingen’ hebben, zoals in het geval van Argentinië, net zoals dat van Bolivia, een vrij reactionaire tendens, wanneer ze het vraagstuk van de wederopbouw van de natie stellen, of dat van het buitensmijten van ‘gringos’ en ze daarbij eisen dat de natuurlijke reserve toekomt aan de Boliviaanse staat.”

Geografisch: