De dilemma’s in het internationalisme van ‘De Fabel van de illegaal’

Printvriendelijke versie

Tijdens de oorlog in Irak heeft De Fabel van de Illegaal, tegen heel het linkse milieu in, een internationalistisch standpunt gehandhaafd. In een eerder artikel stelden we vast dat de medewerkers van De Fabel zich verstrikten in de tegenspraken van de groep. “De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.” Omdat deze keuze uit de weg is gegaan kon De Fabel haar tere internationalisme alleen handhaven door de dilemma’s ervan nog uit te vergroten. In haar verwerping van de Golfoorlog en haar kritiek op de pacifistische campagnes lezen we:

“Door de huidige oorlog in Irak is de machtstegenstelling tussen de VS en de EU duidelijker aan het licht gekomen. Veel anti-oorlogsdemonstranten, maar ook heel veel andere Europeanen, menen helaas dat de VS machtsbeluster en militaristischer zijn dan het volgens hen veel vredelievender Europa. President Bush wordt door steeds meer mensen als het allergrootste kwaad gezien. Maar wat gebeurt er nu in Irak? De VS en Groot-Brittannië willen zich met geweld toegang verschaffen tot de Iraakse olie en in dat land hun mannetje neerzetten die er hun ‘orde’ gaat handhaven. ‘Vredelievende’ landen als Duitsland en Frankrijk hebben al toegang tot die olie en gebruiken zetbaas Saddam Hoessein om een groot deel van de plaatselijke bevolking er met geweld onder te houden. Die hoefden dus helemaal geen oorlog te voeren. Alle betrokken staten streven dus hun eigen machtsbelangen en economische doelen na ten koste van de Irakezen. En zowel de voorafgaande gewelddadige orde als de huidige oorlog zijn dus gruwelijk en misdadig. Wat dat betreft is eenzijdige kritiek op de VS dus anti-Amerikaans en kan de slogan "No blood for oil" dus evenzeer tegen Europese regeringen gescandeerd worden. Kortom, Europees kapitaal en Europese staten handelen niet vanuit een hogere moraal dan de VS. Ook Europese staten sturen immers regelmatig troepen naar ‘Derde Wereld’-landen om er hun ‘orde’ te herstellen. Dat het daarbij meestal niet om zulke grootschalige conflicten gaat, komt uitsluitend doordat men daartoe in Europa de macht nog niet heeft. Maar daar wordt helaas hard aan gewerkt.”.

De pacifistische campagnes vormden een poging om onder allerlei voorwendsels te mobiliseren voor één van de kampen in de oorlog door een afzonderlijke schuldige aan te wijzen. Het pacifisme heeft nooit oorlogen tegengehouden, maar juist geholpen ze voor te bereiden door de bevolking voor valse keuzen te stellen, en dan vooral de arbeidersklasse die als enige sociale kracht in staat is om de oorlogsneigingen van het kapitalisme af te remmen. De Fabel keert zich weliswaar tegen belangrijke aspecten van de pacifistische campagnes, maar blijft daarin toch ronddraaien bij gebrek aan een proletarisch alternatief. Die dubbelzinnige houding ligt in het verlengde van haar politiek ten opzichte van de anti-globaliserings-beweging: een aanvankelijke breuk die vervolgens werd weggepoetst als louter “afstand nemen”.

Tijdens de oorlog in Irak heeft De Fabel van de Illegaal, tegen heel het linkse milieu in, een internationalistisch standpunt gehandhaafd. In een eerder artikel stelden we vast dat de medewerkers van De Fabel zich verstrikten in de tegenspraken van de groep. “De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.” Omdat deze keuze uit de weg is gegaan kon De Fabel haar tere internationalisme alleen handhaven door de dilemma’s ervan nog uit te vergroten. In haar verwerping van de Golfoorlog en haar kritiek op de pacifistische campagnes lezen we:

“Door de huidige oorlog in Irak is de machtstegenstelling tussen de VS en de EU duidelijker aan het licht gekomen. Veel anti-oorlogsdemonstranten, maar ook heel veel andere Europeanen, menen helaas dat de VS machtsbeluster en militaristischer zijn dan het volgens hen veel vredelievender Europa. President Bush wordt door steeds meer mensen als het allergrootste kwaad gezien. Maar wat gebeurt er nu in Irak? De VS en Groot-Brittannië willen zich met geweld toegang verschaffen tot de Iraakse olie en in dat land hun mannetje neerzetten die er hun ‘orde’ gaat handhaven. ‘Vredelievende’ landen als Duitsland en Frankrijk hebben al toegang tot die olie en gebruiken zetbaas Saddam Hoessein om een groot deel van de plaatselijke bevolking er met geweld onder te houden. Die hoefden dus helemaal geen oorlog te voeren. Alle betrokken staten streven dus hun eigen machtsbelangen en economische doelen na ten koste van de Irakezen. En zowel de voorafgaande gewelddadige orde als de huidige oorlog zijn dus gruwelijk en misdadig. Wat dat betreft is eenzijdige kritiek op de VS dus anti-Amerikaans en kan de slogan ‘No blood for oil’ dus evenzeer tegen Europese regeringen gescandeerd worden. Kortom, Europees kapitaal en Europese staten handelen niet vanuit een hogere moraal dan de VS. Ook Europese staten sturen immers regelmatig troepen naar ‘Derde Wereld’-landen om er hun ‘orde’ te herstellen. Dat het daarbij meestal niet om zulke grootschalige conflicten gaat, komt uitsluitend doordat men daartoe in Europa de macht nog niet heeft. Maar daar wordt helaas hard aan gewerkt.” (1).

De pacifistische campagnes vormden een poging om onder allerlei voorwendsels te mobiliseren voor één van de kampen in de oorlog door een afzonderlijke schuldige aan te wijzen. Het pacifisme heeft nooit oorlogen tegengehouden, maar juist geholpen ze voor te bereiden door de bevolking voor valse keuzen te stellen (2), en dan vooral de arbeidersklasse, die als enige sociale kracht in staat is om de oorlogsneigingen van het kapitalisme af te remmen. De Fabel keert zich weliswaar tegen belangrijke aspecten van de pacifistische campagnes, maar blijft daarin toch ronddraaien bij gebrek aan een proletarisch alternatief. Die dubbelzinnige houding ligt in het verlengde van haar politiek ten opzichte van de anti-globaliserings-beweging: een aanvankelijke breuk die vervolgens werd weggepoetst als louter “afstand nemen” (3).

De ware aard van het imperialisme

Anders dan De Fabel lijkt te denken, ging de oorlog niet over oliewinsten of louter over macht in het Midden-Oosten. Het is een veel breder strategisch imperialistisch vraagstuk: de Verenigde Staten proberen de Frans-Duitse As te ondergraven, en ze proberen om Duitsland, dat als enige uit zou kunnen groeien tot het nieuwe hoofd van een concurrerend imperialistisch blok, te omsingelen en te isoleren (4). Ze proberen hun wereldhegemonie te verzekeren door een gigantische militaire machtsontplooiing en zo een gruwelijk voorbeeld te stellen voor iedereen die het aandurft om die hegemonie in vraag te stellen. Vandaar bijvoorbeeld de pogingen om het “Nieuwe Europa” uit te spelen tegen het “Oude” en het belang dat de Verenigde Staten hebben bij een “vrede” in het Midden-Oosten onder eigen bescherming in maffia-stijl. Duitsland en Frankrijk proberen niet alleen de eigen imperialistische invloedssfeer in het Midden-Oosten te vergroten maar willen vooral ook het internationale gezag van de Verenigde Staten ondergraven (5).

De Fabel blijft steken in de simpele vaststelling dat de oorlog “gruwelijk en misdadig” is, dat wil zeggen moreel verwerpelijk in abstracto wegens achterliggende economische en regionale machtsbelangen, maar zonder de ware imperialistische doeleinden van alle partijen volledig te ontmaskeren en vooral zonder dat de volledige inzet ten opzichte van de verhouding van klassenkrachten wordt blootgelegd.

Het belangrijkste resultaat van de imperialistische spanningen bestaat echter uit groeiende chaos en instabiliteit, waarvan ditmaal de Iraakse bevolking het directe slachtoffer is, maar waardoor de hele mensheid in gevaar wordt gebracht. Wie ook het overwicht heeft, het resultaat bestaat uit een toename van slachtpartijen. Tegelijkertijd gaat het voor de Amerikaanse zowel als voor de Europese mogendheden om een volgende stap ter mobilisatie van de arbeidersklasse voor hun imperialistische oorlogsdoeleinden. Wanneer de Verenigde Staten zich leugenachtig beriepen op het “anti-terrorisme” en het “gevaar van de massa-vernietigingswapens”, dan gingen Duitsland en Frankrijk zich te buiten aan huichelarij over “vrede” en “internationaal recht”. Het was vooral uit angst voor de arbeidersklasse dat de imperialistische doeleinden door alle partijen werden verborgen achter “humanitaire” en “democratische” leuzen.

Anti-Amerikanisme en anti-semitisme

De stellingname tegenover de oorlog werd, op het moment dat deze in alle hevigheid woedde, bij De Fabel al teruggebracht tot niet meer dan een voetnoot. In afzonderlijke artikelen beperkt zij zich nog verder door vooral in te gaan tegen twee afzonderlijke tendensen binnen de pacifistische campagnes: het anti-Amerikanisme en het anti-semitisme. Het loutere feit dat die getolereerd werden verraadde afdoende de ware aard van de pacifistische campagnes. Maar bij De Fabel wordt een dergelijke conclusie nu juist niet getrokken; er wordt eerder aansluiting gezocht bij de “meest democratische” en “minst xenofobische” delen van burgerlijk links. Achter de veroordeling van het anti-semitisme gaat bij De Fabel bovendien een ‘kritische’ verdediging schuil van de imperialistische staat Israël (6), en daarachter sluimert voortdurend de neiging om de politiek van de Verenigde Staten uiteindelijk tóch goed te praten. Wanneer de oorlogspolitiek van Bush bijvoorbeeld wordt veroordeeld, dan blijven de uitspraken over het Amerikaanse imperialisme in het algemeen karig en vaag (7).

Wanneer De Fabel de wortels van het anti-semitisme onderzoekt, dan staat de arbeidersbeweging, waarnaar voor het overige zo min mogelijk wordt verwezen, plotseling in het middelpunt van de belangstelling (8). Daarbinnen wordt er echter weinig gezocht naar de invloed van de opportunistische stromingen. Weinig is er ook over het stalinisme, dat sprak uit naam van de arbeidersklasse en het marxisme, maar dat juist haar ergste vijand was. Nee, er wordt gezocht bij marxisten, bij Karl Marx zelf, bij Rosa Luxemburg en Franz Mehring, de ware internationalisten bij wie daarvan juist geen spoor is aan te treffen en die niet zelden zelf van joodse afkomst waren. We krijgen een lang kruisverhoor gepresenteerd met marxisten in de verdachtenbank. Dat laat de indruk na dat er, zelfs wanneer er uit het requisitoir blijkt dat er voor de beschuldiging geen redelijke grond bestaat, er toch reden blijft voor verdenking. Klassenstrijd en marxisme vormen het beste medicijn tegen de racistische en xenofobische ziekte, maar het is vooral tegenover de arbeidersklasse en de marxisten dat De Fabel de meeste achterdocht ontwikkelt en verspreidt.

De arbeidersklasse, uitgebuite en revolutionaire klasse

Voorzover De Fabel begrip heeft van de arbeidersklasse dan is dat hooguit als uitgebuite klasse, als een willekeurige categorie tussen vele andere “slachtoffers van het systeem”, naast gevangenen, illegalen, etnische minderheidsgroepen, vrouwen in het algemeen en seksueel onderdrukten; die deels tot de arbeidersklasse kunnen behoren, maar die, los van de klassenstrijd, geen enkel perspectief hebben, laat staan voor de maatschappij als geheel. De Fabel werpt zichzelf op als verdediger van buitenaf van al deze “onderdrukte categorieën” en wil zichzelf vooral niet vereenzelvigen met de arbeidersklasse als productieve en revolutionaire klasse. Bij De Fabel gaat het dan ook niet om een “omwenteling van de productieverhoudingen op wereldschaal”, maar alleen om “sociale en bezitsverhoudingen” die echter direct van de maatschappelijke productie afhangen.

Het was ook de arbeidersklasse die door haar revolutionaire strijd een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog en die door haar voortdurende strijd voorkwam dat er een nucleaire Derde Wereldoorlog kon uitbreken tussen de twee voormalige imperialistische blokken. Zelfs wanneer de arbeidersklasse momenteel niet in staat is ook de lokale oorlogen te voorkomen dan geeft het toch grenzen aan die de bourgeoisie alleen met groot gevaar kan overschrijden en die haar vermogen tot mobilisatie ernstig beperken. De arbeidersklasse is de enige sociale kracht met materiële belangen tegenover de oorlogspolitiek. Het is in en door haar strijd tegen de verslechtering van haar levensomstandigheden (en de oorlog is een beslissende verslechtering) dat ze tot de ontwikkeling van een maatschappelijk alternatief wordt gedreven.

De Fabel vestigt haar hoop daarentegen op een bonte verzameling zogenaamd goedwillende “linkse” mensen die schijnbaar louter voor de gelegenheid en zonder duidelijke samenhang eenmalig op de been worden gebracht om van hun verontwaardiging blijk te geven. Maar het waren de linkse Schröder en de rechtse Chirac, die samen de pacifistische campagnes in Europa voorbereidden. Vervolgens durft De Fabel een ware klaagzang aan te heffen over het feit dat het anti-Amerikanisme als ideologie van “conservatieve kringen” in Europa in de demonstraties “helaas” zo’n hoge vlucht kon nemen, en dat zelfs het anti-semitisme niet werd geschuwd! Maar anti-Amerikanisme en anti-semitisme zijn van ouds ideologieën bij uitstek geweest ook van burgerlijk links, om de arbeidersklasse te mobiliseren in alle mogelijke slachtpartijen, aan de kant van zwakkere imperialistische machten en achter het voormalige Oostblok.

Enerzijds wil De Fabel geen partij kiezen in de oorlog, anderzijds laat ze zich, bij gebrek aan alternatief, meeslepen in campagnes waarin die oorlog juist wordt voorbereid. Eerder kwam zij tot de overweging dat de oorlog, die enerzijds verwerpelijk was, anderzijds nog collateraal voordeel zou kunnen afwerpen voor de bevolking in Irak. Dan hoeft het ook geen verbazing te wekken als zij terroristische middelen enerzijds verafschuwd, maar anderzijds de geschriften van de voormalige terroristische groep RaRa “inspirerend” noemt.

Vertrouwen in de arbeidersklasse en open debat

Het wantrouwen van De Fabel ten opzichte van arbeidersklasse en marxisme valt niet alleen meer te verklaren uit de invloed van de campagnes sinds de ineenstorting van het Oostblok over het “bankroet van het marxisme”, de “dood van het kommunisme” en het “verdwijnen van de arbeidersklasse”. We hebben doorlopend benadrukt dat het stalinisme, met inbegrip van al zijn xenofobische trekken, niets anders was dan een karikatuur van staatskapitalisme en we hebben De Fabel vruchteloos gevraagd daarover een mening te geven. Maar de medewerkers van De Fabel gaan kennelijk niet alleen ieder debat uit de weg, ze weigeren ook standpunt in te nemen ten opzichte van de klassen waaruit de kapitalistische maatschappij is samengesteld en hun eigen standpunten te begrijpen in klassentermen.

Zo kan het lijken alsof De Fabel geen historische wortels heeft en dat haar stellingnamen “origineel” of “nieuw” zijn. In werkelijk gaat het om standpunten die telkens weer opduiken als uitingen van een machteloze en in het nauw gebrachte revolterende kleinburgerij die niet kan kiezen tussen bourgeoisie en proletariaat, maar die wel heel hooghartig verkondigt “boven” de klassen te staan met een “hoger” moreel standpunt (9). Maar het is de kapitalistische productiewijze zèlf, gebaseerd op de loonslavernij, die zowel de imperialistische conflicten voortbrengt als de klassenstrijd die daaraan als enige een eind kan maken.

De enerzijds-anderzijds standpunten van De Fabel beperken zich bijgevolg ook voortdurend tot wat onmiddellijk waarneembaar is. Alle verschijnselen worden oppervlakkig begrepen zolang de historische en wereldwijde inzet duister blijft. Het zo kostbare internationalisme van De Fabel, zich niet ferm baserend op het maatschappelijk alternatief waarvan alleen de arbeidersklasse de draagster is, blijft daardoor abstract en steriel, zonder uitweg. Praktisch maakt De Fabel haar standpunten zo steeds afhankelijker van het moment, van de niet-begrepen krachtsverhouding tussen de klassen en tussen de imperialistische kampen, en blijven de medewerkers gevangen in een blind activisme waardoor ze voortdurend worden teruggedreven in de armen van burgerlijke links waaruit ze proberen te ontsnappen. Zo blijft het gevaar bestaan dat de “hogere”, “morele” stellingname tegenover de oorlog onder druk van de gebeurtenissen omslaat in de platste beginselloosheid. Voor mensen die daadwerkelijk op zoek zijn naar een consequent, proletarisch internationalisme blijft het daarom nodig te breken met de kleinburgerlijke dilemma’s en het debat aan te gaan

Manus / 11.07.2003

(1) De conservatieve wortels van het anti-Amerikanisme, De Fabel, nr. 58, mei-juni 2003.

(2) Zie over het pacifisme: Internationalisme, nr. 295 en 296.

(3) Zie Wereldrevolutie, nr. 98, en voor eerdere artikelen: Internationalisme, nr. 270, 274 en 289 en Wereldrevolutie, nr. 92 en 96.

(4) Zie over de argumenten waarin alles platvloers wordt teruggebracht tot een vraagstuk van onmiddellijk economisch gewin Internationalisme, nr. 295 en Wereldrevolutie, nr 98; voor een algemener analyse het Manifest dat we in 1991 uitgaven bij de ineenstorting van het Oostblok en de Resolutie over de internationale situatie elders in dit blad; zie ook het pamflet dat de IKS in zeventien talen wereldwijd en in grote aantallen verspreidde aan fabrieken, stempellokalen en op markten.

(5) Zie ook het artikel ‘Lutte ouvrière’ vervalst de ware aard van het imperialisme op p. 2.

(6) De Israëlische staat is gefundeerd op de illusie dat het de joodse bevolking bescherming zou bieden tegen het anti-semitisme terwijl het die bevolking juist gijzelt voor imperialistische doeleinden waarvan het zelf niet meer dan een speelbal is.

(7) We herinneren er slechts aan dat één van de campagnes in de Verenigde Staten zélf gevoerd werd onder de slogan: “Ware patriotten zijn tegen de oorlog!”.

(8) Anti-semitisme, een oude bekende van links, in De Fabel, nr. 58 en op de website de scriptie Marxisme, het joodse vraagstuk en het anti-semitisme. We hopen binnenkort uitvoeriger terug te komen op de vraagstukken van anti-semitisme en zionisme.

(9) Zie Karl Marx, De armoede van de filosofie.

Politieke stromingen en verwijzingen: