Bij het aanbreken van de éénentwintigste eeuw: Waarom het proletariaat het kapitalisme nog niet omvergeworpen heeft (deel 2)

Printvriendelijke versieSend by email

De nieuwe eeuw zal beslissend zijn voor de geschiedenis van de mensheid. Als de heerschappij van het kapitalisme over de planeet voortduurt zal de maatschappij voor 2100 in een totaal barbarendom gestort zijn, een barbarendom waarnaast die van de twintigste eeuw een lichte hoofdpijn zal lijken, en die haar zal terugvoeren naar het stenen tijdperk of haar volledig zal vernietigen. Daarom zal, als er nog een toekomst bestaat voor de mensheid, deze geheel en al in handen liggen van het wereldproletariaat dat door de revolutie de omverwerping kan bewerkstelligen van de heerschappij van een kapitalistische productiewijze die door zijn historische crisis verantwoordelijk is voor het gehele huidige barbarendom. Om deze taak te vervullen zal het proletariaat in de toekomst in staat moeten zijn om de kracht te vinden waaraan het hem tot nu toe heeft ontbroken.

In het eerste deel van dit artikel hebben we getracht te begrijpen waarom de eerdere revolutionaire pogingen van het proletariaat mislukten, met name de grootste daarvan die in 1917 in Rusland begon. We hebben duidelijk gemaakt dat, door de verschrikkelijke nederlaag die hij als gevolg van deze poging had geleden, hij ook de andere afspraken met de geschiedenis misliep: de grote crisis van het kapitalisme in de loop van de jaren 1930 en de Tweede Wereldoorlog. Met name als gevolg van de laatste legden we er de nadruk op: “Het proletariaat had het dieptepunt bereikt. Wat het te horen kreeg, en waarvan het dacht dat het zijn grootste ‘overwinning’ was – de overwinning van de democratie over het fascisme – vormt in feite zijn gruwelijkste historische nederlaag. Het overwinningsgevoel dat het bekroop, het geloof dat deze ‘overwinning’ zou leiden tot de ‘heilige deugden’ van de burgerlijke democratie, van dezelfde democratie die hem had meegesleurd in twee imperialistische slachtpartijen en die zijn revolutie aan het begin van de jaren 1920 had verpletterd, die euforie vormde de beste waarborg voor de kapitalistische orde.”

In Europa, het belangrijkste slagveld van zowel revolutie als wereldoorlog, had de geallieerde overwinning de arbeidersstrijd enkele jaren verlamd. Terwijl de maag van de arbeiders leeg was hadden zij hun hoofd vol van euforie over de ‘overwinning’. Bovendien vormde de staatskapitalistische politiek, die alle Europese regeringen voerden, een extra instrument om de arbeidersklasse te misleiden. Deze politiek beantwoordde fundamenteel aan de behoeften van het Europese kapitalisme, waarvan de economie verwoest was door de oorlog. De nationalisaties, evenals een bepaald aantal ‘sociale’ maatregelen (zoals het meer in staatshanden brengen van de gezondheidszorg), waren zuiver kapitalistische maatregelen. Ze maakten het mogelijk om de wederopbouw van een productief vermogen, dat totaal verwoest was en in complete chaos verkeerde, beter te plannen en te coördineren. Tegelijkertijd stonden ze een efficiënter beheer van de arbeidskracht toe. Zo hadden de kapitalisten er bijvoorbeeld alle belang bij om over arbeiders te beschikken die in goede gezondheid waren, vooral op een moment dat er van hen een buitengewone productie-inspanning gevraagd werd, tegen de achtergrond van de hachelijkste levensomstandigheden en een schaarste aan arbeidskracht. Maar deze kapitalistische maatregelen werden voorgesteld als ‘arbeidersoverwinningen’, niet alleen door de stalinistische partijen die de volslagen verstaatsing van de economie op hun programma hadden staan, maar ook door de sociaal-democratische partijen en met name door de ‘arbeiderspartij’ in Groot-Brittannië. Dat verklaart waarom in alle Europese landen de linkse partijen, de stalinistische partijen daarbij inbegrepen, vertegenwoordigd waren in de regeringen, hetzij in coalities met ‘democratische’ rechtse partijen (zoals de christen-democratie in Italië), hetzij aan het hoofd van de regering (in Groot-Brittannië was het de Labour-arbeidersafgevaardigde Attlee die in juli 1945 Churchill als eerste minister verving, ondanks de reusachtige populariteit van de laatste en de onschatbare diensten die hij aan de Engelse bourgeoisie had verleend).

Maar na verloop van twee jaar, toen de beloften van een ‘betere toekomst’, die de socialistische en stalinistische partijen hadden gedaan om de meest ondraaglijke offers op te leggen, niet waren nagekomen, begonnen de arbeiders de strijd aan te gaan. In Frankrijk bijvoorbeeld dwong de staking in de grootste fabriek van het land, Renault, in de lente van 1947 de stalinistische partij (wiens leider Maurice Thorez de arbeiders in alle sectoren eerder onophoudelijk had opgeroepen om ‘eerst te werken’ en dan pas eisen te stellen) om de regering te verlaten. Vervolgens liet deze partij, door middel van de vakbond die onder haar hoede stond, de CGT, een hele reeks van stakingen uitbreken om de arbeiders hun woede te laten afreageren voordat ze er zelf door kon worden verrast, maar ook en vooral om druk uit te oefenen op de andere delen van de bourgeoisie opdat deze in de regering opnieuw gebruik zouden maken van haar diensten. Maar de andere burgerlijke partijen hielden zich doof. Ze hadden geen enkele vrees wat betreft de loyaliteit van de stalinisten in de verdediging van het nationale kapitaal tegen de arbeidersklasse. Ondertussen was de Koude Oorlog begonnen en in de landen van West-Europa hadden de belangrijkste delen van de bourgeoisie zich achter de Verenigde Staten geschaard. Trouwens, in alle andere landen waar de stalinistische partijen deelnamen aan de regering, maakten ze zich meester van de macht als ze zich in de Russische bezettingszone bevonden of werden ze uit de regering gegooid als ze zich in de Westerse bezettingszone bevonden.

Vanaf dat moment begonnen de levensomstandigheden van de arbeiders in West-Europa een kleine verbetering door te maken. Dat had natuurlijk niets te maken met de een of andere vrijgevigheid van de bourgeoisie. In werkelijkheid stroomden de miljarden dollars van het Marshall-plan binnen om de bourgeoisie van West-Europa stevig te hechten aan het Amerikaans blok en om de invloed te ondermijnen van stalinistische partijen die sindsdien de leiding van de arbeidersstrijd op zich namen.

In de landen van Oost-Europa, die niet profiteerden van het Amerikaanse manna omdat de stalinistische partijen het op bevel van Moskou hadden afgewezen, duurde het langer voordat de situatie zich een beetje verbeterde. De arbeiderswoede kon zich echter niet op dezelfde manier uiten. De eerste tijd werden de arbeiders opgeroepen de kommunistische partijen te steunen die hen gouden bergen beloofden, des te meer omdat ze niet alleen deel uitmaakten van de regeringen die tijdens de ‘Bevrijding’ waren gevormd (zoals in het merendeel van de Westerse landen) maar zich zelfs aan het hoofd van de regering stelden met de steun van het ‘Rode Leger’ en de ‘burgerlijke’ partijen uitschakelden. Het bedrog dat men de arbeiders voorhield was dat van de ‘opbouw van het socialisme’. Dit bedrog had een zeker succes, zoals bijvoorbeeld in Tsjecho-Slowakije waar de ‘coup van Praag’ van februari 1948, dat wil zeggen de greep naar de macht door de stalinisten, door de arbeiders met veel sympathie werd begroet.

Maar heel snel werden in de ‘volksdemocratieën’ het brute geweld en de repressie de belangrijkste middelen van controle over de arbeidersklasse. Zo werd de arbeidersopstand die in 1953 in Oost-Berlijn en in talloze andere steden van de Russische bezettingszone tot ontwikkeling kwam in bloed gesmoord door Russische pantserwagens (1). En hoewel de arbeiderswoede die zich in Polen begon te manifesteren in de grote staking van Poznan van 1956 onschadelijk werd gemaakt door de terugkeer van Gomulka (een stalinistisch leider die in 1949 uit de partij was gezet op beschuldiging van ‘titoïsme’ en die van 1951 tot 1955 gevangen zat) als staatshoofd op 21 oktober 1956, werd de opstand van de Hongaarse arbeiders, die enkele dagen later begon, vanaf 4 november op een wrede manier onderdrukt door Russische tanks, wat 25.000 doden en 160.000 vluchtelingen tot gevolg had (2).

Het oproer van de arbeiders van 1953 en van 1956 in de ‘socialistische’ landen vormde een duidelijk bewijs voor het feit dat deze landen niets ‘des arbeiders’ hadden. Toch gebruikten alle delen van de bourgeoisie hetzelfde bedrog om te verhinderen dat de proletariërs de ware lering uit deze gebeurtenissen zouden trekken.

In de landen van het Oostblok vormde de ‘kommunistische’ propaganda, de voortdurende verwijzing door de stalinistische leiders naar het ‘marxisme’ en naar het ‘proletarisch internationalisme’, het beste middel om de arbeiderswoede af te leiden van een klassenperspectief en de illusies van de proletariërs in de burgerlijke democratie en het nationalisme te versterken. Zo trok op 17 juni 1953 een reusachtige stoet arbeiders van Oost-Berlijn over de grote ‘Unter den Linden-laan’ naar het westen van de stad. Het doel van deze stoet bestond uit het zoeken naar solidariteit bij de arbeiders van West-Berlijn, maar de illusie dat de Westerse autoriteiten de arbeiders van Oost-Berlijn te hulp zouden komen bestond eveneens. Deze autoriteiten doopten, nadat ze hun sector hadden afgesloten, met al het cynisme dat hen kenmerkt het westelijke deel van ‘Unter den Linden’ vervolgens om tot de ‘Strasse des 17. Juni’. Ook de eisen van de Poolse arbeiders van 17 juni 1956 waren, hoewel ze duidelijk economische aspecten bevatten, sterk gekleurd door democratische en vooral nationalistische en religieuze illusies. Daardoor verkreeg Gomulka, die zich voordeed als een ‘patriot’ die het hoofd wist te bieden aan Rusland en die bij zijn terugkeer aan de macht kardinaal Wyszynski (die sinds september 1953 was vastgezet in een klooster) vrijliet, aan het eind van 1956 opnieuw controle over de situatie. In Hongarije bleef de arbeidersopstand, ofschoon ze er in slaagde zich te organiseren in arbeidersraden, ook sterk gekleurd door democratische en nationalistische illusies. Bovendien begon de opstand na de bloedige onderdrukking van een manifestatie, die bijeengeroepen was door studenten die in Hongarije een koers zoals die van Polen eisten. De maatregelen, die Imre Nagy (een oude stalinist die in april 1955 als partijleider van zijn post was ontheven door de ‘harde’ tendens) doorvoerde hadden tot doel deze illusies uit te buiten om de touwtjes weer in handen te nemen: de vorming van een coalitieregering en de aankondiging van de terugtrekking van Hongarije uit het Warschaupact. Maar voor de Sovjet-Unie was deze laatste maatregel onaanvaardbaar en ze besloot om haar tanks in te zetten.

De interventie van de Russische troepen verschafte duidelijk extra voedsel aan het nationalisme in de landen van Oost-Europa. Van deze gebeurtenis werd overvloedig gebruikt gemaakt in de propaganda van de ‘democratische’ en pro-Amerikaanse sectoren van de bourgeoisie van West-Europa, terwijl de stalinistische partijen van deze landen in hun propaganda de opstand van de arbeiders van Hongarije voorstelden als een chauvinistische, of ‘fascistische’ beweging in dienst van het Amerikaanse imperialisme.

Zo vormde gedurende de hele periode van de ‘Koude Oorlog’, en zelfs toen deze na 1956 werd vervangen door de ‘vreedzame coëxistentie’, de verdeling van de wereld in twee blokken een instrument van de eerste orde om de arbeidersklasse te misleiden. In de jaren 1930 had, zoals we in het eerste deel van dit artikel hebben gezien, de vereenzelviging van het kommunisme met de stalinistische Sovjet-Unie een grote ontmoediging veroorzaakt in sommige delen van de arbeidersklasse, die geen maatschappij ‘à la Sovjet-Unie’ wilden en die zich opnieuw tot de sociaal-democratische partijen hadden gewend. Tegelijkertijd volgde de meerderheid van de arbeiders die bleven hopen op een proletarische revolutie de stalinistische partijen. Die partijen beriepen zich in hun politiek op verdediging van het ‘socialistische vaderland’ en de ‘antifascistische’ strijd, die hen in staat hadden gesteld de arbeiders voor de Tweede Wereldoorlog te ronselen. In de jaren 1950 werd dezelfde politiek gebruikt om de arbeidersklasse te verdelen en te verwarren. Een deel van hen wilde niets meer weten van het kommunisme (dat vereenzelvigd werd met de Sovjet-Unie), terwijl het andere deel onderworpen bleef aan de ideologische heerschappij van de stalinistische partijen en zijn vakbonden. Zo werd vanaf de Koreaanse oorlog de botsing tussen Oost en West gebruikt om de verschillende sectoren van de arbeidersklasse tegen uit te spelen en miljoenen arbeiders werden ertoe overgehaald om zich in naam van ‘de strijd tegen het imperialisme’ achter het Sovjetkamp te scharen. De Franse kommunistische partij en de Vredesbeweging die onder haar controle stond organiseerden op 28 mei 1952 bijvoorbeeld een grote manifestatie in Parijs tegen de komst van de Amerikaanse generaal Ridgway, commandant van de Amerikaanse troepen in Korea. Daar Rigdway (feitelijk onterecht) werd beschuldigd van het gebruik van bacteriologische wapens, klaagde de manifestatie, die tienduizenden arbeiders omvatte (hoofdzakelijk militanten van de PCF), hem aan als ‘Ridgway-de-Pest’ en eiste dat Frankrijk de NAVO zou verlaten. Er waren zeer gewelddadige botsingen met de politie en de nummer twee van de PCF, Jacques Duclos, werd gearresteerd. De vastberadenheid van de PCF om de confrontatie met de politie aan te gaan en de arrestatie van haar ‘historische’ leider gaf opnieuw een ‘revolutionair’ imago aan een partij die vijf jaar eerder nog de paleizen en ministeries van de burgerlijke Republiek bevolkte. Tegelijkertijd vormden de koloniale oorlogen een extra gelegenheid om de arbeiders van hun klassenterrein af te leiden in naam van, alweer, de ‘strijd tegen het imperialisme’ (en niet de strijd tegen het kapitalisme), waarin de Sovjet-Unie werd voorgesteld als kampioen van de ‘rechten en vrijheid van de volkeren’.

Dit soort van campagnes werd in de jaren 1950 en 1960 in talrijke landen voortgezet, vooral tijdens de oorlog in Vietnam waarin de Verenigde Staten zich vanaf 1961 volop begaf.

Als er één land is waar de verdeling van de wereld in twee blokken aanzienlijk door woog, waar de contrarevolutie zich met heel bijzondere omvang manifesteerde, dan is dat wel Duitsland. Het proletariaat van dit land had meerdere decennia de voorhoede van het wereldproletariaat gevormd. De arbeiders van de hele wereld waren zich ervan bewust dat het lot van de revolutie in Duitsland zou worden beslecht. Dat bleek duidelijk tussen 1919 en 1923. De nederlaag van het proletariaat van dit land besliste over de nederlaag van het wereldproletariaat. En de verschrikkelijke contrarevolutie die daarna over haar was neergedaald in de vorm van het nazisme vormde met het stalinisme de duidelijkste uiting van de contrarevolutie die de arbeiders van alle landen teisterde.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft de tweedeling van Duitsland, waarbij de delen elk toebehoorden aan één van de twee grote imperialistische blokken, het mogelijk gemaakt om aan de twee kanten van het IJzeren Gordijn, het bewustzijn van de arbeidersmassa’s te vernietigen waardoor van het Duitse proletariaat op het vlak van de strijdbaarheid en het bewustzijn voor meerdere tientallen jaren niet de voorhoede maar de achterhoede van het proletariaat van Europa werd gemaakt.

Toch bestond in deze hele periode de belangrijkste factor waardoor de arbeidersklasse werd verlamd en waardoor zij onderworpen bleef aan de ideologie van het kapitalisme uit de ‘welvaart’ van het systeem met de wederopbouw van de economieën die door de oorlog waren verwoest.

Tussen het einde van de jaren 1940 en het midden van de jaren 1960 kende het wereldkapitalisme wat de economen en burgerlijke politici de ‘dertig glorieuze jaren’ hebben genoemd – want ze gaan uit van de periode van 1945 tot 1975 (een jaar dat gekenmerkt werd door een zeer ernstige wereldrecessie) – zonder rekening te houden met de moeilijkheden die zich al in 1967 en 1971 hadden voorgedaan.

We zullen hier nóch de redenen van de snelle economische groei van deze jaren onderzoeken nóch de factoren die er een eind aan maakten. Dit hebben we al in vele artikelen in deze Internationale Revue gedaan (3). Wat belangrijk is om vast te stellen is dat de open crisis die zich vanaf 1967 ontwikkelde (vertraging van de wereldeconomie, recessie in Duitsland, devaluatie van de Pond Sterling, toename van de werkloosheid) andermaal het marxisme bevestigde dat:– altijd aankondigde dat het kapitalisme niet in staat was zijn economische tegenstellingen, die in laatste instantie verantwoordelijk zijn voor de stuiptrekkingen van de twintigste eeuw (en vooral voor de twee wereldoorlogen), definitief te boven te komen;– de perioden van welvaart van het kapitalisme altijd beschouwde als perioden waarin dit systeem een steviger politieke en sociale basis had (4);– het perspectief van een proletarische revolutie altijd baseerde op het bankroet van de kapitalistische productiewijze (5).

Zo kon de ideologische onderwerping van de arbeidersklasse aan het kapitalisme, het geheel van de misleidingen die de massa’s arbeiders afhielden van iedere vraagstelling over het kapitalisme, alleen te boven worden gekomen met de beëindiging van de naoorlogse ‘hausse’.

Dat is precies wat er in 1968 gebeurde.

Het einde van de contrarevolutie

Eind 1967, toen de burgerlijke ideologen niet ophielden de glorie van de kapitalistische economie te bejubelen en sommigen, hoewel die zich beriepen op de revolutie en zelfs het marxisme, over niets anders meer spraken dan over de vermogen van de burgerlijke maatschappij om de arbeidersklasse te ‘integreren’ (6), en toen zelfs groepen die voortkwamen uit de Kommunistische Linkerzijde die waren voortgekomen uit de zich ontaardende Derde Internationale geen eind aan de tunnel zagen, publiceerde het kleine tijdschrift Internacionalismo (dat later een publicatie van de IKS in Venezuela werd) een artikel getiteld 1968, een nieuwe stuiptrekking van het kapitalisme begint. Het artikel werd als volgt besloten:

“We zijn geen profeten, en beweren dan ook niet dat we kunnen voorspellen wanneer en hoe gebeurtenissen zich in de toekomst zullen afspelen. Maar van één ding zijn we bewust overtuigd: het proces waarin het kapitalisme nu is gestort kan niet meer worden tegengehouden met hervormingen, devaluaties of andere economische maatregelen en het leidt regelrecht naar de crisis. En we zijn er eveneens van overtuigd dat het tegenoverliggende proces, dat van een ontwikkeling van de strijdbaarheid waarvan we nu getuige zijn, de arbeidersklasse zal voeren naar een bloedige en directe strijd voor de vernietiging van de burgerlijke staat.”

De enige, maar grote verdienste van onze kameraden die dit artikel publiceerden was dat ze trouw bleven aan datgene wat het marxisme had geleerd en dat enkele maanden later op magistrale wijze werd bevestigd. Zo barstte in mei 1968 in Frankrijk de grootste staking in de geschiedenis uit, waarbij het grootste aantal arbeiders ooit (bijna 10 miljoen) tegelijkertijd het werk neerlegde.

Een gebeurtenis van een dergelijk omvang betekende een fundamentele verandering in de maatschappij ontwikkeling: de verschrikkelijke contrarevolutie die aan het eind van de jaren 1920 over de arbeidersklasse neerdaalde en na de Tweede Wereldoorlog nog twee decennia voortduurde was aan zijn eind gekomen. En dat werd wereldwijd al snel bevestigd door een hele reeks ongekend belangrijke gevechten, zoals die tientallen jaren lang niet waren vertoond:– de Italiaanse hete herfst van 1969, die massale strijd in de belangrijkste industriële centra liet zien en uitdrukkelijk de vakbondsinkadering op de helling zette;– de arbeidersopstand in Cordoba in Argentinië in datzelfde jaar;– de massale arbeidersstakingen aan de Baltische kust in Polen in de winter van 1970-1971;– de talrijke andere gevechten in de daaropvolgende jaren in praktisch alle Europese landen en vooral in Engeland (het oudste kapitalistische land ter wereld), in Duitsland (het machtigste land van Europa en baken voor de arbeidersbeweging sinds de tweede helft van de negentiende eeuw) en zelfs in Spanje (toentertijd nog onderworpen aan de wrede dictatuur van Franco).

Tegelijk met de opleving van de arbeidersstrijd kwam het idee van de revolutie weer sterk naar voren, een thema dat door talloze arbeiders in strijd werd bediscussieerd, vooral in Frankrijk en in Italië waar de meest massale bewegingen hadden plaatsgevonden. Dit ontwaken van het proletariaat uitte zich ook in een groeiende belangstelling voor de revolutionaire gedachte, voor de teksten van Marx en Engels en de marxistische geschriften, met name die van Lenin, Trotsky en Rosa Luxemburg, maar ook voor die van de militanten van de Kommunistische Linkerzijde, zoals Bordiga, Gorter en Pannekoek. Deze belangstelling concretiseerde zich in het ontstaan van een hele reeks kleine groepen, die probeerden om zich de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde eigen te maken en zich te laten inspireren door haar ervaring.

We gaan hier geen schets geven van de ontwikkeling van arbeidersstrijd sinds 1968, noch van de groepen die zich beriepen op de Kommunistische Linkerzijde (7). Daarentegen zullen we proberen duidelijk te maken waarom de voorspelling uit 1967 van onze kameraden uit Venezuela na drie decennia nog niet is uitgekomen, namelijk de voorspelling dat er “een bloedige en directe strijd voor de vernietiging van de burgerlijke staat” zou uitbreken.

De hindernissen die het proletariaat in de afgelopen dertig jaar op haar pad is tegengekomen zijn door onze organisatie geleidelijk duidelijk gemaakt. Het deel dat nu volgt is dan eigenlijk ook niet meer dan een korte samenvatting van wat wij bij andere gelegenheden naar voren hebben gebracht.

De eerste reden voor de huidige erg lange weg naar de kommunistische revolutie is van objectieve aard. De revolutionaire golf die in 1917 begon en die zich vervolgens uitbreidde naar talloze landen was een reactie op de plotselinge en drastische verslechtering van de levensomstandigheden van de arbeidersklasse: de wereldoorlog. Er was geen drie jaar voor nodig om het proletariaat, dat totaal verblind door de leugens van de bourgeoisie met ‘de bloemen op het geweer’ de oorlog was binnengegaan, de ogen te openen en het hoofd weer op te heffen tegenover het barbarendom waarmee het in de loopgraven werd geconfronteerd en aan de verschrikkelijke uitbuiting die het in het achterland onderging.

De objectieve reden voor de ontwikkeling van de arbeidersgevechten vanaf 1968 wordt gevormd door de verslechtering van de economische toestand van het kapitalisme, dat door zijn open crisis gedwongen was om de levensomstandigheden van de arbeidersklasse steeds meer aan te vallen. Maar in tegenstelling tot de jaren 1930, toen de bourgeoisie de controle over de economische situatie totaal verloor, ontwikkelt de huidige open crisis zich niet binnen enkele jaren maar doorloopt hij een proces van verschillende decennia. Dit geleidelijke ontwikkeling van de crisis vloeit voort uit het feit dat de heersende klasse lering heeft getrokken uit de voorbij ervaring en een hele reeks van systematische maatregelen heeft genomen om het afdalen in de afgrond te ‘beheren’ (8). Dat verandert niets aan het onoplosbare karakter van de kapitalistische crisis, maar het stelt de heersende klasse wel in staat de aanvallen op de arbeidersklasse in ruimte en tijd te spreiden, en tegelijkertijd gedurende een hele tijd zelfs in haar eigen ogen te verbergen dat er geen uitweg uit de crisis is.

De tweede factor waardoor de lengte wordt verklaard van de weg van de arbeidersklasse naar de revolutie bestaat uit de ontwikkeling door de heersende klasse van een hele reeks van politieke manoeuvres die de strijd moeten uitputten en de bewustwording tegengaan.

In grote lijnen kan men de verschillende strategieën van de bourgeoisie sinds 1968 als volgt samenvatten:– geconfronteerd met een eerste opleving van de arbeidersstrijd waardoor ze duidelijk verrast werd speelde de bourgeoisie de kaart van ‘het linkse alternatief’ uit. Ze riep de arbeiders op van strijd af te zien om de linkse partijen in staat te stellen een andere economische politiek te voeren waarmee de crisis opgelost zou kunnen worden;– nadat deze politiek de strijdbaarheid van de arbeiders enige tijd verlamde bracht het ontstaan van een nieuwe strijdgolf vanaf 1978 (Groot-Brittannië kende bijvoorbeeld in 1979 met 29 miljoen stakingsdagen de grootste strijdbaarheid sinds 1926) de bourgeoisie van de belangrijkste industriële landen (in het bijzonder van Engeland, Verenigde Staten, Duitsland en van Italië) ertoe de kaart van links in de oppositie uit te spelen, waarbij de zogenaamde arbeiderspartijen en de vakbonden die onder hun controle stonden een radicalere taal aansloegen, bestemd om de arbeidersstrijd van binnenuit te saboteren;– deze politiek verklaart voor een groot deel de teruggang in de arbeidersstrijd vanaf 1981, maar kon de omvangrijke heropleving van de strijd niet verhinderen die zich vanaf de herfst van 1983 ontwikkelde (de overheidssector in België, en daarna in Nederland, de mijnwerkersstaking in Engeland in 1984, de algemene staking in Denemarken in 1985, de massale stakingen in België in de lente van 1986, stakingen van de spoorwegarbeiders in Frankrijk aan het eind van 1986, een reeks van stakingen in Italië in 1987, met name in het onderwijs, enzovoort).

Het belangrijkste kenmerk van deze bewegingen, die een diepgaande bewustwording binnen de arbeidersklasse vertaalden, was het groeiende probleem van de klassieke vakbonden om de strijd onder controle te houden. Daardoor was de bourgeoisie gedwongen om steeds vaker gebruik te maken van organen die zich voordeden als niet-vakbeweging of zelfs anti-vakbeweging (zoals de ‘coördinaties’ in Frankrijk en in Italië in 1986-1988), maar die in werkelijkheid alleen maar structuren van de ‘vakbondsbasis’ zijn.

Gedurende deze hele periode voerde de bourgeoisie een hele reeks van manoeuvres uit die bedoeld waren om de arbeidersstrijd in te dammen en de bewustwording van het proletariaat af te remmen. Maar in deze arbeidersvijandige politiek werd ze aanzienlijk gesteund door de ontwikkeling van een nieuw verschijnsel, de ontbinding van de kapitalistische maatschappij. De historische opleving van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960 had de bourgeoisie verhinderd haar eigen antwoord op de crisis van haar systeem te formuleren, dat wil zeggen een nieuwe imperialistische wereldoorlog (zoals de crisis van 1929 uitliep op de tweede wereldslachting). Maar zolang het kapitalisme niet was omgewenteld kon het proletariaat niet verhinderen dat alle kenmerken van het verval van het systeem steeds verder tot ontwikkeling kwamen:

“De geschiedenis ging ondanks die tijdelijke blokkering van de wereldsituatie gewoon verder. Twintig jaar lang bleef de maatschappij de opeenstapeling van alle karaktertrekken ondergaan van het verscherpte verval door de verdieping van de economische crisis, terwijl de heersende klasse juist iedere dag meer haar onvermogen bewees om daaraan iets te verhelpen. Het enige dat die klasse de maatschappij kan voorhouden is het van dag tot dag en stukje bij beetje volhouden, zonder hoop de onontkoombare ineenstorting van de kapitalistische productiewijze af te wenden. Beroofd van ieder historisch project – zelfs van het meest suïcidaire, een wereldoorlog – dat in staat zou zijn haar krachten te mobiliseren, kan de kapitalistische maatschappij niet anders dan ter plekke wegrotten, afzinken in een vergevorderde sociale ontbinding, in de veralgemeende wanhoop.” (9).

Toen het kapitalisme in verval in zijn ultieme fase terechtkwam, die van de ontbinding, heeft het gedurende de jaren 1980 een toenemend negatief gewicht op de arbeidersklasse uitgeoefend:

“De ideologische ontbinding tast natuurlijk eerst en vooral de kapitalistenklasse zelf aan en als weerslag daarvan ook de kleinburgerlijke lagen, die over geen enkele zelfstandigheid als klasse beschikken. We kunnen zelfs zeggen dat die zich heel goed met de ontbinding kunnen vereenzelvigen, rekening houdend met het feit dat hun specifieke situatie, hun gebrek aan toekomst als klasse, perfect aansluit bij de belangrijkste oorzaak van de ideologische ontbinding: het ontbreken van elk onmiddellijk perspectief voor de maatschappij als geheel. Alleen het proletariaat draagt een perspectief voor de mensheid in zich en bijgevolg is het grootste verzetsvermogen tegenover deze ontbinding te vinden in de rangen van het proletariaat. Toch blijft het proletariaat er niet van gespaard doordat het voortdurend in aanraking komt met de kleinburgerij die er de belangrijkste drager van is. De verschillende elementen die de kracht van de arbeidersklasse uitmaken komen in rechtstreekse confrontatie met de verschillende ideologische aspecten van deze ontbinding:collectieve actie en solidariteit raken in conflict met de atomisering, met het ‘ieder voor zich’, het ‘redde wie zich redden kan’;– de behoefte aan organisatie botst op de sociale ontbinding, op het uiteenvallen van de betrekkingen die ten grondslag liggen aan elk sociaal leven:– het vertrouwen in de toekomst en in eigen kracht wordt voortdurend ondermijnd door de algemene wanhoop die de maatschappij geleidelijk in zijn greep krijgt, het nihilisme en het ‘no future’;het bewustzijn, de helderheid, de samenhang en eenheid van het denken, de drang naar theoretisch begrip moeten zich moeizaam een weg banen tussen de vlucht in hersenschimmen, drugs, sekten, mysticisme, het afwijzen van overdenking en de vernietiging van de denkwereld waardoor ons tijdperk wordt gekarakteriseerd.”

“Een van de factoren waardoor deze toestand verslechtert is gelegen in het feit dat een groot deel van de jonge arbeidersgeneratie de plaag van de werkeloosheid ondergaat zonder zelfs maar de mogelijkheid te hebben gehad om in gezelschap van kameraden tijdens het werk en in de strijd te ervaren wat het collectieve leven van de arbeidersklasse inhoudt. Hoewel deze werkloosheid, als direct resultaat van de huidige crisis, op zichzelf geen uiting van de ontbinding is, dan heeft hij in deze bijzondere fase van het verval gevolgen die een belangrijk bestanddeel van de ontbinding worden. Werkloosheid maakt over het algemeen duidelijk dat het kapitalisme de arbeiders geen zekere toekomst kan bieden. Maar ze is nu ook een krachtige factor in de ‘lompenproletarisering’ van sommige delen van de klasse, vooral onder jonge arbeiders. Dit bedreigt de huidige en toekomstige politieke capaciteiten van de klasse. Tijdens heel de jaren 1980 hebben we een voortdurende stijging van de werkloosheid gezien, maar ook een volledige afwezigheid van belangrijke werklozenbewegingen, of pogingen daartoe. In de jaren 1930, in het midden van de contrarevolutie was het proletariaat met name in de Verenigde Staten wèl in staat deze vorm van strijd aan te gaan. Dit bewijst hoe groot de druk is die de werkloosheid door de ontbinding oplegt aan de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn.” (10).

In de context van de moeilijkheden waarop de arbeidersklasse in haar bewustwordingsproces stuitte vond in 1989 een historisch belangrijke gebeurtenis plaats, die zelf een manifestatie was van de ontbinding van het kapitalisme, de ineenstorting van de stalinistische regimes in Oost-Europa, die door alle delen van de bourgeoisie werden voorgesteld als ‘socialistisch’:

“De huidige gebeurtenissen rammelen de zogenaamde ‘socialistische landen’ door elkaar, in feite is het Russische blok al verdwenen, het stalinisme is definitief bankroet op economisch, politiek en ideologisch vlak. Dit is, samen met de internationale terugkeer van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960, het belangrijkste historische feit sinds de Tweede Wereldoorlog. Een gebeurtenis van dit formaat kan niet zonder weerklank blijven, en inderdaad vindt het zijn weerklank al in het bewustzijn van de arbeidersklasse, eens te meer omdat het een ideologisch en politiek systeem betreft dat meer dan een halve eeuw lang door alle delen van de bourgeoisie ‘socialistisch’ of als ‘van de arbeidersklasse’ is genoemd.

Met het stalinisme verdwijnt het symbool en de speerpunt van de ergste contrarevolutie uit de geschiedenis.

Maar dit betekent niet dat de ontwikkeling van het bewustzijn van het wereldproletariaat hierdoor wordt vereenvoudigd. Integendeel. Zelfs met zijn doodsstrijd verleent het stalinisme nog een laatste dienst aan de heerschappij van het kapitaal; terwijl het tot ontbinding komt verpest het lijk de atmosfeer die het proletariaat inademt. Voor de heersende delen van de bourgeoisie zijn de definitieve ineenstorting van het stalinisme, de ‘liberale’, ‘democratische’ en nationalistische beweging die nu in Oost-Europese landen optreden, een gulden gelegenheid om hun mystificatiecampagnes nog eens te lanceren en te versterken.

De vereenzelviging die systematisch wordt aangebracht tussen kommunisme en stalinisme, deze leugen die duizendmaal herhaald wordt, en nu meer dan ooit, de leugen dat de proletarische revolutie alleen in een ramp kan eindigen, zal geruime tijd invloed hebben op de arbeidersklasse. We moeten dus een tijdelijke teruggang in het bewustzijn van het proletariaat verwachten. De tekenen van deze invloed zijn nu al zichtbaar in het wederom versterken van de positie van de vakbonden. Terwijl de aanhoudende en de steeds krachtiger brute aanvallen die het kapitalisme wel op het proletariaat moet loslaten de arbeiders zal dwingen de strijd aan te gaan, zal dit aanvankelijk niet resulteren in een groter vermogen binnen de klasse om het bewustzijn te ontwikkelen. Vooral de reformistische ideologie zal in de komende periode zwaar doorwegen op de strijd en dit zal de actie van de vakbeweging vereenvoudigen.” (11).

Deze voorspelling, die we deden in oktober 1989 werd in de loop van de jaren 1990 volledig bevestigd.

De teruggang van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse manifesteerde zich in een verlies aan vertrouwen in haar eigen kracht en heeft een algemene teruggang in de strijdbaarheid veroorzaakt waarvan we op het moment van dit schrijven nog steeds de effecten kunnen zien.

In 1989 omschreven we de voorwaarden waaronder de arbeidersklasse deze teruggang kon omkeren:

“Gegeven het historisch belang van de gebeurtenissen die hem veroorzaken, gaat de huidige terugslag voor het proletariaat – hoewel dit de historische koers niet ter discussie stelt, het algemeen perspectief van klassenconfrontaties – veel dieper dan die welke gepaard ging met de nederlaag van 1981 in Polen. Dit gezegd hebbende kunnen we niet van te voren de reële omvang of duur ervan voorzien. Vooral het ritme van de ineenstorting van het Westerse kapitalisme – dat we nu kunnen zien versnellen, in het perspectief van een nieuwe en open recessie – zal een beslissende factor zijn voor het bepalen van het moment waarop het proletariaat zijn mars naar revolutionair bewustzijn weer kan voortzetten. Door alle illusies over het ‘herstel’ van de wereldeconomie weg te vagen, door de leugen bloot te leggen van het ‘liberale’ kapitalisme als oplossing voor het bankroet van het zogenaamde ‘socialisme’, door het historisch bankroet van het geheel van de kapitalistische productiewijze aan te tonen en niet allen van de stalinistische vorm ervan, zal de verscherping van de kapitalistische crisis het proletariaat er uiteindelijk weer toe brengen zich te richten op het vooruitzicht van een nieuwe maatschappij en zijn strijd steeds meer in dit perspectief te zien.” (12).

En inderdaad werden de jaren 1990 gekenmerkt door het vermogen van de wereldbourgeoisie, vooral van haar belangrijkste fractie, die van de Verenigde Staten, het ritme van de crisis te vertragen en zelfs de illusie te scheppen dat er een ‘einde aan de tunnel’ zou komen. Een van de belangrijkste oorzaken van het huidige niveau van strijdbaarheid van de arbeidersklasse, en eveneens van de problemen om het zelfvertrouwen en bewustzijn te ontwikkelen, is gelegen in de illusies die het kapitalisme wist te scheppen over de ‘voorspoed’ van zijn economie.

Daarbovenop is er nog een ander, meer algemeen gegeven dat een verklaring vormt voor de problemen met de huidige politisering van het proletariaat, een politisering die het in staat stelt, al is het maar in embryonale vorm, de inzet te begrijpen van de strijd die het levert om die te laten gedijen en te versterken:

“Om alle gegevens van de huidige en de komende periode te begrijpen dienen ook de kenmerken in overweging te worden genomen van het proletariaat dat nu de strijd levert:– het is samengesteld uit arbeidersgeneraties die nog geen nederlaag hebben geleden, zoals de generaties die in de jaren 1930 en tijdens de Tweede Wereldoorlog volwassen werden; daardoor en doordat de bourgeoisie ze nog geen beslissende nederlaag heeft kunnen toebrengen is hun strijdbaarheid nog onaangetast;– deze generaties profiteren van een onomkeerbaar afslijten van de grote misleidingen (het vaderland, de democratie, het antifascisme, de verdediging van de Sovjet-Unie), die het in het verleden mogelijk maakten de arbeiders te ronselen voor de imperialistische oorlog.

Deze twee wezenlijke kenmerken maken duidelijk waarom de huidige historische koers naar klassenconfrontaties leidt en niet naar de imperialistische oorlog. Maar wat momenteel de kracht van het proletariaat uitmaakt vormt tezelfdertijd zijn zwakheid: het feit dat alleen de generaties die geen nederlaag hebben meegemaakt in staat waren om de weg naar de klassengevechten terug te vinden zorgt ervoor dat er tussen deze generaties en de generatie die de laatste beslissende gevechten in de jaren 1920 hebben geleverd een enorme kloof bestaat die het huidige proletariaat duur komt te staan:– een aanzienlijke onwetendheid over het eigen verleden en de lering die daaruit kan worden getrokken;– vertraging bij de vorming van de revolutionaire partij.

Deze kenmerken verklaren in het bijzonder de ontwikkeling van de huidige arbeidersstrijd met horten en stoten. Ze stellen ons in staat om de momenten van gebrek aan zelfvertrouwen te begrijpen van een proletariaat dat zich niet bewust is van de kracht die het tegenover de bourgeoisie kan vertegenwoordigen. Ze laten eveneens de lengte van de weg zien die voor het proletariaat ligt en dat het de revolutie alleen zal kunnen volbrengen als het de ervaringen van het verleden bewust heeft verwerkt en zijn klassenpartij heeft opgericht.

Met de historische opleving van het proletariaat aan het eind van de jaren 1960 werd de vorming van de partij op de dagorde gezet, maar dat kon niet worden gerealiseerd vanwege:– het gat van een halve eeuw dat ons scheidt van de oude revolutionaire partijen;– het verdwijnen of min of meer uitgesproken wegkwijnen van de linkerfracties die daarruit waren voortgekomen;– het wantrouwen van veel arbeiders ten opzichte van iedere politieke organisatie (of die nu burgerlijk of proletarisch is) [...], de vertaling van een historische zwakheid van het proletariaat met betrekking tot de noodzakelijke politisering van zijn strijd.” (13).

Zo zien we hoelang voor het proletariaat de weg is die naar de kommunistische revolutie leidt. Diepgang en duur van de contrarevolutie, haast volledige verdwijning van zijn kommunistische organisaties, ontbinding van het kapitalisme, ineenstorting van het stalinisme, het vermogen van de heersende klasse om de neergang van zijn economie onder controle te houden en er illusies over te verspreiden. Het lijkt erop dat het proletariaat in de laatste dertig jaar, en zelfs sinds de jaren 1920, bij de voortgang op zijn pad werkelijk niets bespaard is gebleven.

De ware aard van de moeilijkheden van het proletariaat op weg naar de revolutie

Aan het eind van het eerste deel van dit artikel maakten we gewag van de verschillende afspraken met de geschiedenis die het proletariaat in de loop van de twintigste eeuw misliep: de revolutionaire golf die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog en die uitliep op een nederlaag, de ineenstorting van de wereldeconomie vanaf 1929, en de Tweede Wereldoorlog. We zagen ook dat het proletariaat de afspraak die hij op het einde van de jaren 1960 met de geschiedenis had niet misliep, maar tegelijkertijd hebben we de vele hindernissen gezien waarop het sindsdien is gestoten en die zijn gang naar de proletarische revolutie zozeer hebben vertraagd.

De revolutionairen van de negentiende eeuw, te beginnen met Marx en Engels, dachten dat de revolutie in de loop van diezelfde eeuw zou kunnen plaatsvinden. Ze hebben zich vergist en waren ook de eersten om hun vergissing toe te geven. In feite bestonden de materiële voorwaarden voor de proletarische revolutie pas aan het begin van de twintigste eeuw, iets wat bevestigd werd door de eerste imperialistische wereldslachting. Op hun beurt dachten de revolutionairen van het begin van de twintigste eeuw dat met het bestaan van de objectieve voorwaarden de kommunistische revolutie in de loop van diezelfde eeuw zou plaatsvinden. Ook zij hebben zich vergist. Als men het geheel van de historische gebeurtenissen die tot nu toe verhinderden dat de revolutie plaatsvond de revue laat passeren dan kan met het gevoel krijgen dat ‘het proletariaat weinig geluk heeft gehad’, dat hij geconfronteerd werd met een reeks van catastrofes en ongunstige omstandigheden, die echter geen van allen onvermijdelijk waren. Het is waar dat al deze feiten niet van te voren vaststonden, en er was maar weinig voor nodig of de geschiedenis was anders verlopen. De revolutie in Rusland bijvoorbeeld had heel goed door de Witte Legers kunnen worden verpletterd: dat zou de ontwikkeling van het stalinisme hebben voorkomen dat de ergste vijand van arbeidersklasse in de twintigste eeuw was en de gruwelijkste stoottroep van contrarevolutie uit de geschiedenis terwijl de negatieve gevolgen ervan zich meer dan tien jaar na haar verdwijning nog steeds doen gevoelen. Het was a priori ook niet onvermijdelijk dat de geallieerden de Tweede Wereldoorlog wonnen, waardoor voor lange tijd met kracht van de democratische ideologie overeind kon worden gehouden, die in de meest ontwikkelde landen het kommunistisch bewustzijn van het proletariaat efficiënt vergiftigd. Een andere uitkomst van de oorlog waarbij het stalinisme het conflict niet had overleefd was ook mogelijk geweest, waarmee was voorkomen dat de tegenstelling tussen de blokken kon worden voorgesteld als een botsing tussen kapitalisme en socialisme. We zouden dan ook geen ineenstorting van het ‘socialistische’ blok hebben gekend, waarvan de schadelijke ideologische gevolgen nu zo zwaar drukken op de arbeidersklasse.

Dat gezegd hebbende kan de opeenhoping van hindernissen die het proletariaat in de loop van de twintigste eeuw op haar pad vond in haar totaliteit niet worden beschouwd als een eenvoudige opeenvolging van allerlei ‘tegenspoed’, maar fundamenteel als een uiting van de reusachtige opgave die de proletarische revolutie vertegenwoordigt.

Eén aspect van dit probleem wordt gevormd door het vermogen van de bourgeoisie om munt te slaan uit de verschillende situaties die zich voordoen, door deze stelselmatig tegen de arbeidersklasse te keren. Het is het bewijs dat deze klasse, ondanks de buitengewoon lange doodsstrijd van haar productiewijze, ondanks het barbarendom dat zij niet kan voorkomen en dat zich zo’n beetje overal ter wereld ontwikkelt, ondanks de totale verrotting van de maatschappij en de ontbinding van haar ideologie, buitengewoon waakzaam blijft en bewijst over een grootste politieke intelligentie te beschikken als het erom gaat het proletariaat te verhinderen de revolutie naderbij te brengen. Een van de redenen waarom de voorspellingen van de revolutionairen uit het verleden over het moment van de revolutie niet zijn uitgekomen bestaat uit het onderschatten van de kracht van de heersende klasse, vooral van haar politieke intelligentie. Momenteel kunnen de revolutionairen alleen werkelijk bijdragen aan de strijd van het proletariaat voor de revolutie als ze deze politieke kracht van de bourgeoisie – en met name heel het machiavellisme dat ze zo nodig tentoon spreidt – weet in te schatten en de arbeiders waarschuwt voor alle valkuilen die de vijandelijke klasse voor hen graaft.

Maar er bestaat een nog fundamenteler reden voor de reusachtige moeilijkheden van het proletariaat om de revolutie dichterbij te brengen. Dat is een reden die al gesignaleerd was in de zo vaak geciteerde passage uit de tekst van Marx uit De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte:

“Proletarische revoluties daarentegen [...] kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug [...] schrikken steeds opnieuw terug voor de ontzaglijke omvang van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen, die elk omkeren onmogelijk maakt, en de omstandigheden zelf roepen: Hic Rhodus, hic salta!” (14).

Eén van de oorzaken van de geweldige problemen die de grote meerderheid van de arbeiders ondervindt om zich tot de revolutie te wenden bestaat inderdaad uit de duizeling die zich van hen meester maakt als ze denken aan de taak die zo reusachtig is dat hij haast onuitvoerbaar lijkt. Inderdaad, de taak die eruit bestaat om de machtigste klasse die de geschiedenis ooit heeft gekend en het systeem dat de mensheid in staat stelde om reusachtige stappen vooruit te doen voor de materiële productie en de beheersing van de natuur omver te werpen lijkt haast onuitvoerbaar. Maar wat de arbeidersklasse het meest doet duizelen is de enorme omvang van de taak die eruit bestaat om een radicaal nieuwe maatschappij op te bouwen, eindelijk verlost van de plagen die de menselijke maatschappij sinds haar ontstaan hebben overstelpt, de schaarste, de uitbuiting, de onderdrukking, de oorlogen.

Toen gevangenen en slaven permanent ketenen aan hun voeten hadden raakten ze vaak zodanig gewend aan deze dwang dat ze zelfs het gevoel hadden niet zonder hun ketenen te kunnen lopen, en soms verzetten ze zich als men ze afdeed. Dat is ongeveer wat er met het proletariaat aan de hand is. Terwijl het in staat is de mensheid te bevrijden ontbreekt het nog aan zelfvertrouwen om bewust de richting in te slaan naar dit doel.

Het moment nadert waarop “de omstandigheden zelf roepen: Hic Rhodus, hic salta!” Als de mensenmaatschappij in de handen blijft van de bourgeoisie, zal ze de volgende eeuw niet halen of slechts aan stukken gescheurd en zonder nog iets menselijks te hebben. Zolang dat uiterste nog niet is bereikt, zolang er nog een kapitalistisch systeem bestaat, zelfs als het is ondergedompeld in de diepste crisis, zolang zal er noodzakelijkerwijs een uitgebuite klasse bestaan, het proletariaat. En bijgevolg bestaat de mogelijkheid dat het, aangespoord door het totale economische bankroet van het kapitalisme, zijn aarzelingen uiteindelijk overwint en de reusachtige taak op zich neemt die het door de geschiedenis is toevertrouwd, de kommunistische revolutie.

 

Fabienne


1. Zie Oost-Duitsland, de arbeidersopstand van juni 1953, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 15.

 

2. Zie Klassenstrijd in Oost-Europa (1920-1970), in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 11.

 

3. Zie ook onze brochure: Crisis en verval van het kapitalisme.

 

4. “Hierdoor werd hem [Marx] uit de feiten zelf volledig duidelijk wat hij tot dan toe uit het onvolledige materiaal a priori had geconstrueerd: dat de wereldhandelscrisis van 1847 de eigenlijke moeder was geweest van de Februari- [Parijs] en Maartrevoluties [Wenen en Berlijn] en dat het midden 1848 weer langzamerhand opgetreden en in 1849 en 1850 weer tot volle bloei gekomen industriële opleving de bezielende kracht vormde van de zich weer versterkende reactie in Europa.” (Friedrich Engels, Inleiding bij Karl Marx, De klassenstrijd in Frankrijk, Pegasus, Amsterdam 1974, p. 9).

 

5. “Een nieuwe revolutie is alleen mogelijk als gevolg van een nieuwe crisis, maar zij zal komen, net zo zeker als de crisis zelf” (Karl Marx, De klassenstrijd in Frankrijk, t.a.p., p. 9 en 155).

 

6. Dit goldt vooral voor Herbert Marcuse, de ideoloog van de studentenrevoltes van de jaren 1960, die meende dat de arbeidersklasse niet langer een revolutionaire kracht kon vormen, en dat de enige hoop op omverwerping van het kapitalisme te vinden was in de marginale lagen zoals de zwarten en studenten in de Verenigde Staten, of de arme boeren in de Derde Wereld.

 

7. We hebben dit al gedaan in vele artikelen in de Internationale Revue. Zie in het bijzonder het Rapport over de klassenstrijd van het Dertiende Congres van de IKS, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 99.

 

8. Zie onze artikelenreeks: Dertig jaar open crisis van het kapitalisme, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 96, 97 en 98.

 

9. Kommunistische revolutie of vernietiging van de mensheid, Manifest van het Negende Congres van de IKS. Over deze kwestie, zie in het bijzonder De ontbinding als hoogste stadium van het verval van het kapitalisme, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgaven, nr. 13.

 

10. Ibidem.

 

11. Stellingen over de economische en politieke crisis in de USSR en de Oost-Europese landen, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 12.

 

12. Ibidem.

 

13. Resolutie over de internationale situatie van het Zesde Congres van de IKS, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 44, en in Wereldrevolutie, nr. 28.

 

14. Karl Marx, De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, Pegasus, Amsterdam 1976, p. 23.

Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 104, eerste kwartaal 2001.

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: