Tegen het bedrog van het Europees Sociaal Forum: Er is maar één andere wereld mogelijk: het kommunisme

Printvriendelijke versieSend by email

Van 12 tot 15 november 2003 vond in Parijs het Europees Sociaal Forum (ESF) plaats, een soort Europese editie van het Sociaal Wereldforum dat sinds enkele jaren in Porto Alegre in Brazilië wordt gehouden (het ESF vond in 2002 plaats in Florence in Italië, in 2004 in Londen). De gebeurtenis bereikte een aanzienlijke omvang: volgens de organisatoren waren er zo’n 40.000 deelnemers uit alle hoeken van Europa, van Portugal tot de landen van Centraal-Europa. Het programma omvatte ongeveer 600 discussieforums en workshops, verdeeld over zeer uiteenlopende locaties (theaters, gemeentehuizen, indrukwekkende staatsgebouwen) verspreid over vier plaatsen in de omgeving van Parijs. Ter afsluiting was er een grote manifestatie met 60 tot 100.000 mensen in de straten van Parijs, met de onverbeterlijke stalinisten van de Rifundazione Comunista (Italië) voorop en de anarchisten van de CNT achteraan. De media besteedden er minder aandacht aan, maar in dezelfde periode vonden er nog twee andere ‘Europese forums’ plaats, het ene van Europese parlementsleden, het andere van de Europese vakbondsvertegenwoordigers. En alsof drie forums nog niet genoeg was, organiseerden de anarchisten nog een ‘Libertair Sociaal Forum’ in een Parijse voorstad, tegelijk met het ESF en uitdrukkelijk gepresenteerd als ‘alternatief’ daarvoor.

“Een andere wereld is mogelijk!” Dat was één van de grote slogans van het ESF. Het lijdt geen twijfel dat er bij een groot aantal betogers op 15 november, wellicht vooral bij zich politiserende jongeren, een waarachtige en dringende behoefte bestond om tégen het kapitalisme te strijden en vóór een ‘andere wereld’ dan die waarin we nu leven, met zijn onophoudelijke ellende en zijn gruwelijke en doorlopende oorlogen. Zonder twijfel voelen sommigen zich gesterkt door deze grote gezamenlijke bijeenkomst. Het vraagstuk bestaat er echter niet alleen uit dat we moeten beseffen dat ‘een andere wereld mogelijk is’ – en noodzakelijk – maar het gaat ook en vooral om de vraag over welke andere wereld het gaat, en hoe die opgebouwd kan worden.

Het is moeilijk voorstelbaar hoe het ESF die vraag zou kunnen beantwoorden. Gezien het aantal en de verscheidenheid van de deelnemende organisaties (kaderleden van de vakbonden en ‘aankomende managers’; christelijke organisaties, Trotskisten van de LCR en SWP-lijn, stalinisten van de PCF, tot de anarchisten van Alternative Libertaire aan toe) kan men zich moeilijk voorstellen hoe daar een samenhangend antwoord – of überhaupt een antwoord – uit kan voortkomen. Allemaal hebben ze wel iets te vertellen, vandaar de brede waaier van onderwerpen die aan bod komt in pamfletten, debatten en slogans. Kijken we daarentegen van dichtbij naar de ideeën die uit het ESF zijn voortgekomen, alleen al op het vlak van de grote thema’s, dan stellen we vast dat daar helemaal niets nieuws bij is, en bovendien in het geheel niets ‘anti-kapitalistisch’.

Vanwege de massale mobilisatie rond het ESF en door de veelheid aan onderwerpen van de ‘anders-globalistische’ beweging die door even zo vele linkse als ultra-linkse fracties werden aangekaart besloot de IKS om tijdens deze bijeenkomst met de haar beschikbare middelen, maar vastbesloten, het woord te voeren en de pers te verkopen. We wisten natuurlijk dat de ‘debatten’ van het ESF grotendeels vooraf vastlagen (wat meerdere deelnemers ons bevestigden) en daarom concentreerden onze militanten, afkomstig uit verschillende Europese landen, zich op de verkoop van de pers (in de meeste Europese talen), op deelname aan de informele discussies in de marge van het ESF, en op de slotmanifestatie. We waren op het LSF ook aanwezig om in de debatten het kommunistisch perspectief te verdedigen tegenover dat van het anarchisme.

Een wereld vrij van handel en gesjacher?

“De wereld is niet te koop” is een veelgehoorde slogan die uiteenvalt in allerlei variaties zodra het erop aankomt ‘realistisch’ te zijn: “cultuur is niet te koop” voor artiesten en invalkrachten van de podiumkunsten; “gezondheid is niet te koop” ter attentie van verplegers en andere werknemers in de gezondheidszorg; en ook “onderwijs is niet te koop” als het om de onderwijzers gaat.

Wie wordt niet geraakt door dergelijke slogans? Wie is bereid zijn gezondheid en het onderwijs van zijn kinderen te verkopen?

Maar als we proberen om er achter te komen wat er concreet achter die slogans schuilgaat dan begint het naar bedrog te rieken. Dan gaat het niet langer over het beëindigen van de verkoop van de wereld, maar enkel over de ‘inperking’ daarvan: “De sociale diensten moeten onttrokken aan de logica van de markt”. Wat betekent dat concreet? We weten allemaal dat zolang het kapitalisme bestaat alles betaald moet worden, zelfs diensten zoals onderwijs en gezondheidszorg. Die onderdelen van het maatschappelijk leven, die de ‘anders-globalisten’ zogenaamd willen ‘onttrekken aan de logica van de markt’, maken feitelijk deel uit van het globale inkomen van de arbeiders, dat doorgaans door de staat wordt beheerd. In plaats van ‘onttrokken te zijn aan de logica van de markt’ staat de hoogte van het arbeidersinkomen, het deel van de productie dat de arbeidersklasse krijgt toebedeeld, juist in het centrum van het marktprobleem en van de kapitalistische uitbuiting. Het kapitaal betaalt zijn mankracht altijd zo min mogelijk, dat wil zeggen niet meer dan strikt noodzakelijk om de arbeidskracht en een nieuwe arbeidersgeneratie te reproduceren. momenteel, nu de wereld wegzinkt in een steeds diepere crisis, heeft elk nationaal kapitaal minder arbeidskracht nodig, en voor de arbeidskracht die het nodig heeft moet het zo min mogelijk betalen op straffe van door zijn concurrenten verdreven te worden van de wereldmarkt. In die situatie kan de arbeidersklasse enkel weerstand bieden door haar eigen strijd tegen de loondalingen – hoe ‘sociaal’ die ook mogen zijn – en natuurlijk niet door een beroep te doen op de kapitalistische staat om die te vragen de lonen te ‘onttrekken’ aan de marktwetten. Zelfs als de staat dat zou willen zou hij het helemaal niet kunnen.

In de kapitalistische maatschappij kan het proletariaat door krachtig strijd te leveren in het gunstigste geval een verdeling van het maatschappelijk product afdwingen die iets meer in zijn voordeel uitvalt: vermindering van de meerwaarde die door de kapitalistische klasse afgeperst ten gunste van het variabele kapitaal - het loon. Daarin slagen betekent in de huidige context op de eerste plaats een hoog strijdniveau (zoals we zagen na de nederlaag van de strijd van mei 2003 in Frankrijk toen het kortingen regende op het sociale inkomen) en, in de tweede plaats, dergelijke resultaten zijn van korte duur (zoals we zagen na de beweging van 1968 in Frankrijk).

Nee, heel dat idee dat ‘de wereld’ niet te koop is bestaat uit armetierig gesjoemel. Het wezen van het kapitalisme bestaat er juist uit dat alles te koop is, en dat weet de arbeidersbeweging al sinds 1848: “[de bourgeoisie] heeft de persoonlijke waardigheid opgelost in de ruilwaarde en in de plaats van de talloze, zwart op wit beschreven en verworven vrijheden, uitsluitend de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. [...] De bourgeoisie heeft alle, tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde beroepen van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de arts, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd.” (1). Zo drukten Marx en Engels dat uit in het Kommunistisch Manifest. We zien hoezeer hun analyses van toen nog steeds actueel zijn!

Eerlijke handel, geen vrijhandel?

“Eerlijke handel, geen vrijhandel!” is een ander groot thema van het ESF, gedragen door kleine Franse boeren met hun ‘bio’-producten. En natuurlijk, wie voelt zich niet aangesproken door de hoop boeren en handwerkslieden van de ‘derde wereld’ eindelijk eens behoorlijk te zien leven van de vruchten van hun arbeid? Wie wil de pletwals van de ‘agro-business’ niet stoppen die de boeren van hun grond verjaagt en hen met miljoenen samenpakt in de krottenwijken van Mexico tot aan Calcutta?

Maar ook hier, zoals bij de kwestie van de markt, vormen goede bedoelingen een slechte gids.

Om te beginnen is de beweging voor ‘eerlijke handel’ niet nieuw. De ondernemingen van ‘goede werken’ (zoals het Britse Oxfam, natuurlijk ook present op het ESF) passen al meer dan veertig jaar die ‘eerlijke handel’ met ambachtelijke producten toe in hun liefdadigheidswinkels. Dat voorkomt niet dat miljoenen en nog eens miljoenen mensen in armoede wegkwijnen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika…

Bovendien klinkt deze slogan uit de mond van de anders-globalisten extra huichelachtig. José Bové, voorzitter van de Franse Boerenbond, mag dan de superster spelen van het anders-globalisme door de agro-business en die gemene McDonalds te vervloeken, dat belet de militanten van de Boerenbond niet om te betogen voor het behoud van de subsidies van de Europese gemeenschappelijke landbouwpolitiek (2). Dat beleid, waarmee de prijzen van Franse producten kunstmatig laag worden gehouden, is juist één van de belangrijkste middelen om een ongelijkheid in te bouwen in de handel ten voordele van de één, en bijgevolg ten nadele van de ànder. Voor de vakbeweging uit de Amerikaanse staalsector, die in 1998 tijdens de top van de Wereld Handels Organisatie (WHO) in Seattle betoogden en waarover zoveel lawaai gemaakt werd, betekende ‘eerlijke handel’ op dezelfde manier dat extra invoerrechten geheven moesten worden op ‘buitenlands’ staal dat goedkoper geproduceerd werd door arbeiders uit andere landen. Uiteindelijk komt het erop neer dat wanneer je begint met ‘eerlijke handel’ je altijd eindigt in een handelsoorlog.

In het kapitalisme is ‘rechtvaardigheid’ in ieder geval een fabeltje. Zoals Engels in 1881 al schreef in een artikel waarin hij het begrip ‘rechtvaardig loon’ bekritiseerde: “De rechtvaardigheid van de politieke economie, zoals die daadwerkelijk ligt opgeslagen in de wetmatigheden die de huidige maatschappij beheersen, die rechtvaardigheid bevindt zich aan maar één kant – aan de kant van het kapitaal.” (3).

Het toppunt van oplichterij in deze geschiedenis van ‘eerlijke handel’ bestaat uit het idee dat de aanwezigheid van ‘anders-globale’ betogers tijdens de top van de WHO in Seattle en Cancun de onderhandelaars van de Derde Wereldlanden de ‘moed’ gaf om verzet aan te tekenen tegen de eisen van de ‘rijke landen’. We zullen het hier niet hebben over het feit dat de top van Cancun een grote mislukking was voor de zwakke landen, omdat de Europeanen hun Gemeenschappelijk Landbouwbeleid niet ontmantelen en ook de Amerikanen volop hun landbouw blijven subsidiëren tegen het binnendringen op hun markten van goedkopere producten uit de arme landen. Nee, wat hier hemeltergend is, is dat men ons wil wijsmaken dat die opgedirkte leiders en bureaucraten van de Derde Wereldlanden naar die onderhandelingen kwamen om de boeren en armen te verdedigen. In tegendeel! Om maar één voorbeeld te geven: wanneer iemand als de Braziliaanse president Lula de tarieven aanklaagt die de Verenigde Staten opleggen om hun sinaasappelsapindustrie te verdedigen, dan denkt hij niet aan de arme boeren, maar aan de enorme kapitalistische sinaasappelplantages in Brazilië, waar de arbeiders even hard worden afgejakkerd als in Florida.

Geen steun aan de burgerlijke staat!

De rode draad die door al deze thema’s loopt is de volgende: tegen de ‘neo-liberalen’ van de grote ‘transnationale’ bedrijven (de ‘multinationals’ waartegen in de jaren 1970 werd gefulmineerd) zouden we nu de staat moeten vertrouwen, of beter nog: de staat versterken. De ‘anders-globalisten’ beweren dat de bedrijven ‘beslag gelegd hebben’ op de macht van de ‘democratische’ staat om hun ‘handelswet’ aan de wereld op te leggen, en dat het doel van het ‘burgerverzet’ dus moet bestaan uit het heroveren van de staatsmacht en macht over de ‘overheidsdiensten’.

Wat een flauwekul! Nooit is de staat prominenter aanwezig geweest in de economie dan nu, en dat geldt ook voor de Verenigde Staten. Het is de staat die de wereldwijde handel regelt door rentevoeten vast te leggen, door tol-barrières op te richten enzovoort. De staat is juist een van de hoofdrolspelers in de nationale economie, met overheidsuitgaven die al naargelang het land 30 tot 50% van het bruto binnenlands product uitmaken, en met steeds omvangrijker begrotingstekorten. Meer nog: wanneer de arbeiders het zich in het hoofd halen om hun levensomstandigheden te verdedigen tegen de kapitalistische aanvallen, wie vinden ze dan als eerste op hun weg? De politiemacht van de staat! Vragen om een versterking van de staat, zoals de anders-globalisten het doen, om ons tegen de kapitalisten te beschermen, is echt een monumentale farce: de burgerlijke staat bestaat juist om de bourgeoisie tegen de arbeiders te verdedigen, en niet omgekeerd (4).

Het is geen toeval dat deze oproep om de staat te steunen, en in het bijzonder aan de linkvleugel van diezelfde staat en die wordt voorgesteld als de beste verdediger van de ‘burgermaatschappij’ tegen het ‘neo-liberalisme’, afkomstig is van het ESF. Zoals een Engelse uitdrukking zegt: “he who pays the piper calls the tune” (wie de muzikant betaalt mag het deuntje kiezen; wie betaalt, bepaalt). Inderdaad, het is heel leerzaam te zien wie het ESF ter waarde van 3,7 miljoen euro gefinancierd heeft:– Om te beginnen hebben de Algemene Raden van de departementen Seine-Saint-Denis, Val de Marne en Essonne meer 600.000 euro bijgedragen, en het gemeentebestuur van St.-Denis heeft alleen al 570.000 euro opgehoest (5). De ‘Kommunistische Partij’ van Frankrijk, dat stelletje oude Stalinistische oplichters, probeert zijn politieke maagdelijkheid terug te krijgen na zijn medeplichtigheid aan de ergste misdaden begaan door de Stalinistische staat in Rusland, en na tientallen jaren de belangrijkste saboteur van de arbeidersstrijd te zijn geweest.– De Franse Socialistische Partij (PS) heeft zichzelf bijzonder in diskrediet gebracht door aanvallen op de arbeiders tijdens haar laatste regeringsperiode en de aanwezigen op het ESF aarzelde niet om Laurent Fabius (belangrijk leider van de Socialistische Partij) uit te jouwen toen die tijdens de debatten zijn gezicht durfde te vertonen. Men zou zich kunnen voorstellen dat de Socialistische Partij scheef naar het ESF keek. Maar nee, niet in het minst! Het stadsbestuur van Parijs (gecontroleerd door diezelfde Socialistische Partij) droeg één miljoen euro bij om de kosten van het ESF te dekken!– En de Franse regering? Een rechtse regering – neo-liberaler bestaat niet – die door heel verenigd links, van anarchisten tot Stalinisten, op affiches en in artikels uitvoerig werd afgekraakt, hinderde het haar ook maar het geringst dat het forum zoveel volk trok? Integendeel: het was in persoonlijk opdracht van president Jacques Chirac dat de minister van Buitenlandse Zaken een half miljoen euro neertelde om alles gefinancierd te krijgen.

Wie betaalt, profiteert! Heel de Franse bourgeoisie, rechts zowel als links, heeft met gulle hand het ESF gefinancierd en de nodige ruimten ter beschikking gesteld. En heel de bourgeoisie, van links tot rechts, rekent erop voordeel te behalen uit het onmiskenbare succes van het ESF, en wel vooral op twee vlakken:– Om te beginnen is het ESF een middel om de linkervleugel van het staatsapparaat in een nieuw jasje te steken (nadat links door jarenlange regeringsdeelname steeds ongeloofwaardiger was geworden, doorlopend klappen had uitgedeeld tegen de levensomstandigheden van de arbeidersklasse en verantwoordelijk was voor het imperialistisch beleid van het Franse kapitalisme). Gezien het grote wantrouwen dat zij opwekken zijn politieke partijen niet meer in de mode, vandaar dat ze zich vermommen als ‘verenigingen’ die dichter bij ‘de burger’ staan, die ‘democratischer’ lijken en meer op een ‘netwerk’. Zo heeft de Stalinistische PCF zijn Espace Karl Marx en de Socialistische Partij heeft zijn stichtingen Léo Lagrange en Jean Jaurès. We moeten onderstrepen dat niet alleen links er alle belang bij heeft zijn recente wandaden uit het geheugen te laten wissen – wat iedereen zonder moeite zal inzien. Nee, heel de bourgeoisie heeft er alle belang bij dat de maatschappelijke gelederen niet verslappen, en dat de arbeidersstrijd, en meer algemeen de walging en de vragen die de kapitalistische maatschappij oproept, omgeleid kunnen worden in de richting van aloude reformistische recepten en om de weg te versperren naar het inzicht dat het nodig is om de kapitalistische orde omver te werpen en uit zijn lijden te verlossen.– Op de tweede plaats heeft heel de Franse bourgeoisie er alle belang bij dat de uitgesproken anti-Amerikaanse sfeer van het ESF zich verbreidt en nog wordt versterkt. De enorme vernietiging tijdens beide wereldoorlogen, het afschuwelijk verlies aan mensenlevens daarin, en daarna vooral de opleving van de klassenstrijd en het einde van de contrarevolutie na 1968, hebben er allemaal toe bijgedragen dat het nationalisme verdacht werd, een nationalisme waarvan de bourgeoisie in 1914 zowel als in 1939 gebruikt maakte om de bevolking naar de slachtbank te voeren. Momenteel bestaat er nog geen ‘Europees blok’, laat staan een ‘Europese natie’ waaraan een oorlogszuchtig ‘Europees’ patriottisme opgehangen zou kunnen worden. Daarom hebben de bourgeoisieën van de verschillende Europese landen, en vooral de Franse en Duitse, er alle belang bij de opkomst van een anti-Amerikaans en nog vaag ‘pro-Europees’ gevoel aan te moedigen met de bedoeling de verdediging van hun eigen imperialistische belangen tegen het Amerikaans imperialisme voor te stellen als de verdediging van een ‘ander’ wereldbeeld, of zelfs van een ‘anders-globalisme’. Daarnaast is de steun van de ‘anders-globalisten’ voor het invoerverbod op Amerikaanse GGO (Genetisch Gemanipuleerde Organismen), voorgesteld als een ‘ecologische’ maatregel en ‘verdediging van de volksgezondheid’, in werkelijkheid niets anders dan een onderdeel van de economische oorlog, waardoor de Franse wetenschappers de tijd moeten krijgen om hun achterstand op dat terrein ten opzichte van de Verenigde Staten in te halen (6).

De moderne ‘marketing’ technieken dienen er momenteel niet meer toe onmiddellijk producten te verkopen; nee, er worden subtieler en doeltreffender middelen aangewend die eruit bestaan ons een ‘wereldbeeld’ aan te smeren, en daaraan worden de producten gekoppeld die dat beeld belichamen. De organisatoren van het ESF gaan precies eender te werk: ze houden ons een onwerkelijk ‘wereldbeeld’ voor, waarin het kapitalisme niet langer kapitalistisch is, waarin de naties niet langer imperialistisch zijn, en waarbinnen we een ‘andere wereld’ kunnen samenstellen zonder een internationale kommunistische wereldrevolutie door te voeren. En in naam van dat ‘beeld’ proberen ze aan ons oude bedorven producten te slijten, namelijk de zogenaamde ‘socialistische’ en ‘kommunistische’ partijen, die voor de gelegenheid verkleed zijn als ‘netwerken van burgers’.

Omdat het deze keer de Franse bourgeoisie was die de fondsen ter beschikking stelde, is het niet meer dan logisch dat haar politieke partijen de meeste winst slaan uit het ESF. Maar dat betekent niet in het minst dat de Franse bourgeoisie deze onderneming in haar eentje heeft opgezet, verre van dat. In werkelijkheid profiteert heel de wereldbourgeoisie ruimschoots van dit steven om in Europese en wereldwijde ‘sociale forums’ haar linkervleugel weer geloofwaardig te verlenen.

Een libertaire ‘andere wereld’?

Het ‘Libertair Sociaal Forum’ (LSF) wilde doelbewust een alternatief vormen voor het ‘officiëlere’ forum dat door de grote burgerlijke partijen was georganiseerd. We kunnen ons gerust afvragen de tegenstelling tussen beide forums iets voorstelt: op z’n minst één van de belangrijkste organiserende groepen van het LSF (Alternative Libertaire) speelde ook een actieve rol voor het ESF, terwijl de betoging die door het LSF was georganiseerd, na een eindje ‘onafhankelijk’ parcours, aansloot bij die van het grote ESF.

Het is niet het onderwerp van dit artikel uitvoerig te berichten over wat op het LSF gezegd werd. We behandelen hier alleen enkele belangrijke thema's.

Nemen we om te beginnen het ‘debat’ over de ‘zelf-beheerde plekken’ of ‘vrije ruimten’ (kraakpanden, communes, netwerken van dienstenuitwisseling, ‘alternatieve’ cafés, enzovoort). We zetten ‘debat’ tussen aanhalingstekens, want de organisatoren hebben hun uiterste best gedaan om het te beperken tot beschrijvende verslagen van hun achtereenvolgende ‘plekken’, waarbij elke kritische evaluatie vermeden werd, ook als die uit het eigen anarchistische kamp kwam. Men kon al snel tot het inzicht komen dat het ‘zelfbeheer’ erg betrekkelijk is: een Brit legde uit dat zij hun ‘plek’ hadden moeten kopen… voor de ronde som van 350.000 pond (ongeveer 500.000 euro); een ander vertelde over het scheppen van een ‘plek’… op internet, terwijl iedereen zou moeten weten dat internet werd opgestart door het Amerikaanse DARPA (6).

Nog sprekender is het actieprogramma dat door de beschreven ‘plekken’ of ‘ruimten’ wordt aangeboden: een gratis ‘alternatieve’ apotheek (die kruiden verstrekt), een juridische adviesdienst, een kroeg, dienstenuitwisseling. Met andere woorden: de dienstengebonden kleinhandel die in de steek wordt gelaten door een staat die in zijn begroting snoeit. Dat vormt het hoogtepunt van het anarchistisch radicalisme en bestaat er dus uit de staatsdiensten aan te vullen door hun werk gratis over te nemen.

Een debat over gratis overheidsdiensten heeft volop blootgelegd hoezeer het weldenkende en ‘officiële’ anarchisme een lege huls is. Er wordt beweerd dat ‘overheidsdiensten’ tegenwicht zouden kunnen bieden voor de maatschappij van de koopwaar door gratis tegemoet te komen aan de behoeften van de bevolking – en in ‘zelfbeheer’ natuurlijk, met consumenten-comités, met plaatselijke en producentencollectieven. Dat lijkt als twee druppels water op de ‘wijk-comités’ die de Franse staat nu instelt voor de bewoners van de Parijse buitenwijken. Alles wordt zo voorgesteld alsof het een institutioneel tegenwicht zou kunnen bieden voor de kapitalistische maatschappij, binnen die kapitalistische maatschappij zelf, bijvoorbeeld door gratis openbaar vervoer in te voeren.

Een ander kenmerk van het anarchisme dat sterk naar voren kwam in alle debatten van het LSF, is zijn fundamenteel elitaire en belerende visie. Het anarchisme heeft er geen idee van hoe een ‘andere wereld’ zou kunnen ontstaan juist vanuit de kern van de tegenstellingen van de huidige wereld. De overgang van de huidige naar de toekomstige en ‘andere’ wereld kan dus alleen plaatsvinden dankzij het ‘voorbeeld’ dat wordt gegeven door de ‘zelf-beheerde plekken’ en ‘vrije ruimten’, door een opvoedend ingrijpen met betrekking tot de wandaden van het huidige ‘productivisme’. Maar zoals Marx al meer dan een eeuw geleden zei, als de nieuwe maatschappij moet verrijzen dankzij de volksontwikkeling, dan stelt zich de vraag: wie voedt de opvoeders op? Want zij die zichzelf voor opvoeders houden zijn zelf gevormd door de maatschappij waarin wij leven, en hun ideeën over een ‘andere wereld’ blijven in werkelijkheid stevig verankerd in de bestaande wereld.

In feite kregen we op beide ‘sociale’ forums als nieuwe en revolutionaire ideeën niets anders voorgeschoteld dan oude ideeën waarvan allang is gebleken dat ze nutteloos zijn of zelfs ronduit contrarevolutionair.

Zo doen de ‘zelf-beheerde plekken’ en ‘vrij ruimten’ denken aan de coöperatieve ondernemingen uit de negentiende eeuw, om nog maar te zwijgen van de ‘arbeiderscollectieven’ van onze eigen tijd (van Lip in Frankrijk tot Triumph in Groot-Brittannië), die ofwel bankroet zijn gegaan, ofwel gewoon kapitalistische bedrijven bleven, juist omdat ze moesten produceren en verkopen in de kapitalistische handelseconomie. Ze doen ook denken aan al de ‘gemeenschaps’-ondernemingen uit de jaren 1970 (kraakpanden, buurt-comités, ‘alternatieve’ scholen) die in de burgerlijke staat zijn opgenomen als sociale of educatieve diensten.

Alle ideeën over een radicale omvorming die aangeprezen worden op basis van de ‘kosteloosheid’ van overheidsdiensten doen denken aan de ideologie van de geleidelijke hervormingen die in de arbeidersbeweging van 1900 al bedrieglijke schijn was en die definitief bankroet ging in de slachting van 1914, toen het aan de zijde van de nationale staat stond om zijn ‘verworvenheden’ te verdedigen tegen het ‘binnenvallend’ imperialisme. Die ideeën doen tenslotte ook denken aan de invoering door de bourgeoisie van de ‘welvaartsstaat’ na de Tweede Wereldoorlog om het beheer van de arbeidskracht en de misleiding daarvan te rationaliseren (met name door zo te ‘bewijzen’ dat die miljoenen doden toch nog ergens goed voor waren geweest).

Onze wereld draagt een nieuwe wereld in zich

Het is absoluut onvermijdelijk, in het kapitalisme net zoals in elke klassenmaatschappij, dat de heersende ideeën in de maatschappij de ideeën zijn van de heersende klasse. Als we de noodzaak, en de materiële mogelijkheid, van een kommunistische revolutie kunnen begrijpen, dan is dat enkel omdat er binnen de kapitalistische maatschappij een sociale klasse bestaat die deze revolutionaire toekomst belichaamt: de arbeidersklasse. Als we ons daarentegen simpelweg proberen ‘voor te stellen’ hoe een ‘betere’ samenleving er zou kunnen uitzien, uitgaande van onze huidige verlangens en verbeelding zoals die gevormd zijn door de kapitalistische maatschappij (en volgens het model van onze anarchistische ‘opvoeders’), dan kunnen we niets anders doen dan de bestaande kapitalistische wereld ‘opnieuw uitvinden’, waarbij we ofwel vervallen in de reactionaire droom van de kleine producent die niet verder kijkt dan zijn ‘zelf-beheerde plek’, ofwel in het grootheidswaanzinnige delirium van een wereldomspannende heilstaat in de geest van George Monbiot (8).

Voor het Marxisme daarentegen gaat het erom juist binnen de huidige kapitalistische wereld de uitgangspunten van de nieuwe wereld te ontdekken van waaruit de kommunistische wereld in het leven moet worden geroepen wil de mensheid niet ten onder gaan. In Het kommunistisch manifest stond in 1848: “De theoretische stellingen van de kommunisten berusten geenszins op ideeën, op beginselen die door deze of gene wereldverbeteraar zijn uitgevonden of ontdekt. Zij zijn slechts de algemene uitdrukking van de feitelijke verhoudingen van een bestaande klassenstrijd, van een zich voor onze ogen afspelende historische beweging.” (9).

We kunnen drie belangrijke, en onderling verbonden gegevens onderscheiden van die “historische beweging die zich voor onze ogen afspeelt”.

De eerste is de reeds door het kapitalisme doorgevoerde omvorming van het gehele productieproces van het menselijk geslacht. Het minste dagelijkse gebruiksvoorwerp is momenteel het resultaat, niet meer van een op zichzelf bestaande handwerker of van plaatselijke productie, maar van het werk van duizenden, zoniet tienduizenden mannen en vrouwen die deel uitmaken van een netwerk dat heel de planeet omspant. Bevrijd door de kommunistische wereldrevolutie van de beperkingen die de kapitalistische handelsverhoudingen van productie en privé toe-eigening van haar vruchten haar opleggen, zal de vernietiging van alle plaatselijke, regionale, nationale particularismen de basis leggen voor de vorming van één enkele mensengemeenschap over heel de planeet. Naarmate de sociale omvorming en de bevestiging van alle aspecten van het sociale leven van die wereldgemeenschap vordert, zullen ook de verschillen (momenteel zeer sluw door de bourgeoisie in stand gehouden als middelen om de arbeidersklasse te verdelen) tussen etnische groepen, volkeren en naties verdwijnen. We kunnen ons voorstellen dat de volkeren en de talen zullen samensmelten tot op het moment dat er geen Europeanen, Afrikanen of Aziaten meer zullen bestaan (en nog minder Bretoenen, Basken of Catalanen!), maar één enkele menselijke soort waarvan de intellectuele en artistieke productie tot uitdrukking zal worden gebracht in één taal die voor allen begrijpelijk zal zijn en die eindeloos veel rijker, nauwkeuriger en harmonieuzer zal zijn dan de talen waarin momenteel een beperkte en steeds meer tot ontbinding komende cultuur tot uitdrukking komt (10).

Het tweede grote gegeven, dat van het eerste niet kan worden losgemaakt, is het bestaan binnen de kapitalistische maatschappij van een klasse die deze realiteit van een verenigd en internationaal productieproces belichaamt en daarvan het hoogtepunt vertegenwoordigt. Die klasse is het wereldproletariaat. Of de arbeider nu een Amerikaanse staalarbeider, een Britse werkloze, een Franse bankbediende, een Duitse mecanicien, een Indiase programmeur of een Chinese bouwvakker is, allen hebben ze met elkaar gemeen dat ze steeds harder worden uitgebuit door de wereldwijde kapitalistische klasse, en dat ze zich enkel van hun uitbuiting kunnen bevrijden door heel de kapitalistische orde omver te werpen.

Twee aspecten van de bijzondere aard van de arbeidersklasse verdienen hier afzonderlijk aandacht:– Om te beginnen werd het proletariaat, in tegenstelling tot de boeren en de handwerkslieden, door het kapitalisme zelf voortgebracht en het kan zich er ook niet van ontdoen. Het kapitalisme verplettert de boerenstand en het ambacht, herleidt ze tot een proletariërsbestaan - of in de vervalperiode eerder tot een bestaan als werkloze. Maar het kapitalisme kan niet bestaan zonder proletariaat. Zolang het kapitalisme bestaat, zal het proletariaat bestaan. En zolang het proletariaat bestaat, zal dat het kommunistisch revolutionair project in zich dragen van omverwerping van de kapitalistische orde en opbouw van een andere wereld.– Een ander fundamenteel kenmerk van de arbeidersklasse ligt in de vermenging en beweging van bevolkingen om aan de behoeften van de kapitalistische productie te voldoen. “De arbeiders hebben geen vaderland” zei het Manifest, niet alleen omdat ze geen eigendom hebben, maar ook omdat ze altijd zijn overgeleverd aan het kapitaal en zijn behoefte aan arbeidskracht. Van nature is de arbeidersklasse een klasse van immigranten. Om dat in te zien volstaat het de bevolking te bekijken van om het even welke stad in de industrielanden: men ontmoet er mensen uit de gehele wereld. Maar dat is ook het geval in de onderontwikkelde landen: in Ivoorkust komen veel landarbeiders uit Burkina Faso, in Zuid-Afrika komen de mijnwerkers uit Zimbabwe en Botswana net als uit heel Zuidelijk Afrika, in de Perzische Golf zijn de arbeiders Palestijns, Indiaas, Filippijns, en in Indonesië werken duizenden buitenlandse arbeiders in de fabrieken. Dit daadwerkelijke bestaan van de arbeidersklasse – dat een voorafspiegeling is van het samensmelten van de bevolkingen die we hierboven beschreven – toont hoe onbeduidend het ideaal is dat anarchisten en democraten zo nauw aan het hart ligt, namelijk de verdediging van een plaatselijke of regionale ‘gemeenschap’. Om een voorbeeld te nemen: wat heeft het Schotse nationalisme te bieden aan de arbeidersklasse in Schotland, die voor een groot deel bestaat uit Aziatische immigranten? Niets natuurlijk. De enige ware gemeenschap die de arbeiders, die uit hun achtergrond zijn weggerukt, kunnen hopen te vinden is de wereldwijde gemeenschap die ze na de revolutie kunnen opbouwen.

Het derde belangrijke aspect dat we hier willen aanstippen is vervat in een statistisch gegeven: in alle klassenmaatschappijen die aan het kapitalisme voorafgingen bewerkte ruwweg 95% van de bevolking de grond, en het overschot dat zij produceerde was amper genoeg om de andere 5% in leven te houden (zoals heren en geestelijken, maar ook handwerkslieden en handelaren). Momenteel ligt die verhouding precies omgekeerd en in de meest ontwikkelde landen is het een steeds kleiner deel van de bevolking dat direct betrokken is bij de productie van materiële goederen. Dat betekent dat de mensheid in aanleg, op het vlak van het materiële vermogen van het productieve proces, is aanbeland in een stadium van haast onbeperkte overvloed.

In het kapitalisme hebben de productieve vermogens van de menselijke soort al een situatie geschapen die kwalitatief nieuw is ten opzichte van heel de voorafgaande geschiedenis: terwijl de schaarste en de periodes van gebrek en hongersnood die de grote massa van de bevolking vroeger onderging vooral het gevolg waren van de natuurlijke beperkingen van de productie (zoals een lage productiviteit van de grond en slechte oogsten) is onder het kapitalisme de enige oorzaak van de schaarste uitsluitend gelegen in de kapitalistische productieverhoudingen zèlf. De crisis die arbeiders op straat gooit is geen gevolg van ontoereikende productie, maar integendeel het rechtstreekse resultaat van het feit dat wat geproduceerd wordt niet verkocht kan worden (11). Meer nog: in de zogenaamd hoogontwikkelde landen heeft een groeiend aandeel van de economische activiteit niet het minste nut meer buiten het kapitalistisch systeem zelf: financiële en beursspeculatie van allerlei slag, astronomische militaire budgetten, modegevoelige dingen, producten met een ‘ingebouwde achterhaaldheid’ die geen ander doel hebben dan snel vervangen te worden, reclame, enzovoort. Als we wat verder kijken, dan is het ook duidelijk dat het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen in toenemende mate wordt beheerst door een irrationeel functioneren – behalve dan vanuit kapitalistisch oogpunt – van de economie: miljoenen mensen verplaatsen zich bijvoorbeeld dagelijks meerdere uren naar en van hun werk, vracht wordt over de weg vervoert in plaats van per trein om in te kunnen spelen op de onvoorspelbare wisselvalligheden van een anarchistische productie. In feite heeft er een complete omkering plaatsgevonden in de verhouding tussen de hoeveelheid tijd die gebruikt wordt om het strikt noodzakelijke te produceren (om te eten, zich te kleden, te wonen) en de tijd die gebruikt wordt om, als we het zo mogen zeggen, te produceren ‘wat boven het noodzakelijke uitgaat’ (12).

De geboorte van een wereldgemeenschap

Tijdens discussies – op de betogingen en voor de werkplaatsen – werd ons vaak de vraag voorgelegd: “en wat is dat dan, dat kommunisme, als jullie zeggen dat het nog nooit heeft bestaan?” In dergelijke situaties, wanneer we een definitie proberen te geven die zowel globaal is als erg kort, antwoorden we vaak: “het kommunisme is een wereld zonder klassen, zonder naties en zonder geld.” Dat is erg summier (en zelfs negatief: een wereld ‘zonder’), maar toch omvat die definitie fundamentele kenmerken van de kommunistische maatschappij:– Ze zal klasseloos zijn, omdat het proletariaat zich niet kan bevrijden door een nieuwe uitbuitende klasse te worden; de opnieuw opdoemen van een uitbuitende klasse na de revolutie zou juist de nederlaag van de revolutie betekenen en een voortzetting van de uitbuiting (13). Het verdwijnen van de klassen vloeit natuurlijk voort uit het belang dat de zegevierende arbeidersklasse erbij heeft zich te bevrijden. Eén van de eerste doelen daarvan zal arbeidstijdverkorting zijn, door de werklozen, de massa’s mensen zonder werk in de ‘Derde Wereld’, maar ook de kleinburgerij, de boeren, en zelfs de leden van de onttroonde bourgeoisie in het productieproces op te nemen.– Ze zal geen naties kennen, omdat het productieproces al in ruime mate het nationaal kader heeft overstegen en de natie dus is achterhaald als organisatorisch kader van de mensengemeenschap. Het kapitalisme heeft, door de eerste mensenmaatschappij op planetaire schaal te scheppen, het nationaal kader waarin het zelf geboren werd al overstegen. Net zoals de burgerlijke revolutie alle particularismen en grenzen van de feodaliteit (tolheffing en privileges, rechten eigen aan een stad of streek) vernietigde, zo zal de proletarische revolutie een einde maken aan de laatste verdeling van de menselijke samenleving, de verdeling in naties.– Ze zal geen geld kennen, omdat het begrip ruil geen betekenis heeft in het kommunisme tengevolge van de overvloed waarin de behoeften van alle leden van de samenleving bevredigd kunnen worden. Het kapitalisme heeft de eerste mensenmaatschappij geschapen waarin de warenruil volledig over de gehele productie werd veralgemeend (in tegenstelling tot de voorgaande maatschappijen, waarin de warenruil voornamelijk beperkt bleef tot enkele luxeproducten, en een zeer beperkt aantal zaken die niet ter plaatse geproduceerd konden worden, zoals zout bijvoorbeeld), maar momenteel wordt het verstikt door de onmogelijkheid om alles wat geproduceerd kan worden op de markt te slijten. Koop en verkoop zijn zelf een belemmering geworden voor de productie. De ruil zal dus verdwijnen. En met de ruil zal ook het begrip ‘waar’ verdwijnen, inbegrepen de belangrijkste koopwaar van allemaal: de met loon betaalde arbeidskracht.

Die drie principes botsen rechtstreeks met de gemeenplaatsen die rondgestrooid worden door heel de ideologie van de burgerlijke maatschappij, waarin geprobeerd wordt om staande te houden dat de ‘menselijke aard’ geldzuchtig en gewelddadig is, waardoor voor altijd de verdelingen in uitbuiters en uitgebuiten, of tussen naties, bepaald zijn. Een dergelijk idee van de ‘menselijke aard’ komt natuurlijk prachtig van pas voor de heersende klasse omdat het haar klasseheerschappij rechtvaardigt en belet dat de arbeidersklasse duidelijk inziet wie de ware verantwoordelijke is voor alle ellende en moordpartijen die de mensheid momenteel ondergaat. Maar het heeft hoegenaamd niets te maken met de werkelijkheid: in tegenstelling tot andere diersoorten, waarvan de ‘aard’ (dat wil zeggen hun gedrag) wordt bepaald door hun natuurlijke omgeving, wordt de ‘menselijke aard’, naarmate zijn beheersing van de natuur vordert, steeds meer bepaald door niet zijn natuurlijke, maar zijn sociale omgeving.

De veranderde betrekking tussen mens en natuur

De drie hierboven vermelde punten geven slechts een zeer summiere schets. Zij hebben evenwel diepgaande gevolgen voor de toekomstige kommunistische samenleving.

Het is waar dat de Marxisten altijd hebben weerstaan aan de verleiding om ‘blauwdrukken’ voor de toekomst te geven. In de eerste plaats omdat het de werkelijke beweging van de grote massa’s van de mensheid is die het kommunisme zal scheppen. Ten tweede omdat wij ons niet kunnen voorstellen hoe de kommunistische samenleving er uit zal zien, nog minder dan dat een boer uit de elfde eeuw zich de kapitalistische wereld kon voorstellen. Dat belet ons echter niet (hier, uit plaatsgebrek, op een zeer summiere wijze) enkele hoofdlijnen aan te geven die voortvloeien uit wat we net gezegd hebben.

De radicaalste verandering zal waarschijnlijk voortvloeien uit het wegvallen van de tegenstelling tussen mens en arbeid. De tegenstelling – die altijd bestaan heeft in klassenmaatschappijen – tussen de arbeid, dat wil zeggen de activiteit die enkel wordt ondernomen omdat het nodig is en moet, en de vrijetijd, dat wil zeggen de tijd waarin men (op zeer beperkte wijze) zijn bezigheid zelf kan kiezen, is door de kapitalistische maatschappij op de spits gedreven (14). De dwang komt enerzijds door de schaarste die een gevolg is van de beperkingen van de arbeidsproductiviteit, en anderzijds door het feit dat een deel van de vruchten van de arbeid door de uitbuitende klasse in beslag worden genomen. In het kommunisme bestaat die dwang niet langer: voor het eerst in de geschiedenis zal de mens in alle vrijheid kunnen produceren, en de productie zal geheel gericht zijn op bevrediging van de menselijke behoeften. Men kan zich zelfs voorstellen dat de woorden ‘arbeid’ en ‘vrijetijd’ uit de taal zullen verdwijnen, omdat geen enkele activiteit nog onder dwang ondernomen zal worden. De beslissing om iets al dan niet te produceren zal niet enkel afhangen van het nut van dat iets op zichzelf, maar ook van de mate waarin het produceren ervan belangstelling en plezier met zich kan meebrengen.

Het hele idee van ‘behoeftebevrediging’ zal van karakter veranderen. De basisbehoeften (eten, kleden, wonen in hun primaire betekenis) zullen een naar verhouding steeds minder belangrijke plaats innemen, terwijl de behoeften die door de sociale evolutie van de soort bepaald worden steeds belangrijker zullen worden. Zo zal het onderscheid verdwijnen tussen arbeid die ‘artistiek’ is en arbeid die dat niet is. Het kapitalisme is de maatschappij waarin de tegenstelling tussen ‘kunst’ en ‘niet-kunst’ op de spits wordt gedreven. Verreweg de meeste kunstenaars uit de geschiedenis zijn anoniem gebleven, het is pas met de opkomst van het kapitalisme dat de kunstenaar zijn werk begint te signeren, en dat kunst een specifieke activiteit wordt, die losstaat van de dagelijkse productie. Momenteel heeft die tendens zijn toppunt bereikt, met een haast volledige scheiding tussen enerzijds de ‘schone kunsten’ (onbegrijpelijk voor de grote meerderheid van de bevolking en voorbehouden aan een kleine intellectuele elite) en anderzijds de geïndustrialiseerde artistieke productie in reclame en ‘popcultuur’, beide blijven in ieder geval beperkt tot de ‘vrijetijd’. Dit alles is slechts het resultaat van de tegenstelling binnen het kapitalisme tussen het menselijk wezen en zijn arbeid. Met het verdwijnen van die tegenstelling zal ook de tegenstelling wegvallen tussen ‘nuttige’ en ‘artistieke’ productie. De schoonheid en de bevrediging van zinnen en geest, zullen voor de mens net zo fundamentele behoeften zijn en door het productieproces bevredigd moeten worden (15).

Ook het onderwijs zal volledig van karakter veranderen. In elke maatschappij bestaat het onderwijs van jongeren eruit ze in staat te stellen hun plaats in de volwassen maatschappij in te nemen. Onder het kapitalisme betekent ‘zijn plaats in de volwassen maatschappij innemen’ zijn plaats innemen in een meedogenloos uitbuitingssysteem, waarin degene die niets opbrengt geen plaats heeft. Het doel van het onderwijs (waarvan de anders-globalisten ons verzekeren dat het ‘niet te koop’ is) bestaat er dus vooral uit de nieuwe generatie vaardigheden bij te brengen die op de markt verkocht kunnen worden, en meer algemeen in deze periode van staatskapitalisme ervoor te zorgen dat de nieuwe generatie in staat is het nationale kapitaal te versterken tegen zijn concurrenten op de wereldmarkt. Het is ook duidelijk dat het kapitaal er absoluut geen belang bij heeft een kritische geest aan te moedigen tegenover zijn eigen sociale organisatie. Het onderwijs heeft alles bijeen geen ander doel dan jonge geesten te temmen, ze in de vorm te gieten van de kapitalistische maatschappij en haar productieve behoeften. Het hoeft dus geenszins te verbazen dat de scholen steeds meer op fabrieken gaan lijken, en de onderwijzers op arbeiders aan de lopende band.

In het kommunisme daarentegen kan de integratie van de jongere in de volwassen wereld niet plaatsvinden zonder al zijn zinnen, lichamelijk en geestelijk, zo breed mogelijk te prikkelen. In een productiesysteem dat geheel en al bevrijd is van rentabiliteitsvereisten opent de volwassen wereld zich aan het kind in dezelfde mate waarin het zijn vermogens ontwikkelt, en de jonge volwassene zal niet meer geconfronteerd worden met de angst de school te moeten verlaten en hals over kop in de koortsachtige wedijver van de arbeidsmarkt te worden gestort. Net zoals er geen tegenstelling meer zal bestaan tussen ‘arbeid’ en ‘vrijetijd’, tussen ‘productie’ en ‘kunst’, zal er geen tegenstelling meer bestaan tussen school en ‘arbeidswereld’. Woorden als ‘school’, ‘fabriek’, ‘kantoor’, ‘kunstgalerie’, ‘museum’ (16) zullen verdwijnen of geheel van betekenis veranderen, omdat alle menselijke activiteit zal samensmelten in een harmonieuze inspanning ter bevrediging en ontwikkeling van behoeften en van de lichamelijke, geestelijke en zintuiglijke vermogens van de soort.

De verantwoordelijkheid van het proletariaat

Kommunisten zijn geen utopisten. We hebben hier geprobeerd een zeer korte en onvermijdelijk beperkte schets te geven van hoe de nieuwe menselijke samenleving zal moeten zijn zoals die voortkomt uit de huidige kapitalistische maatschappij. In die zin is de slogan van de anders-globalisten “een andere wereld is mogelijk” (of zelfs “andere werelden zijn mogelijk”) puur bedrog. Er is slechts één andere wereld mogelijk: het kommunisme.

Maar de geboorte van die nieuwe wereld is niet onafwendbaar. Daarin verschilt het kapitalisme niet van de andere klassenmaatschappijen die eraan voorafgingen: “Vrije mens en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildenmeester en gezel, kortom: onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte, dan weer openlijke strijd, een strijd die telkenmale eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang der strijdende klassen.” (17). Dat betekent dat de kommunistische revolutie, hoe noodzakelijk zij ook is, niet onafwendbaar is. De overgang van het kapitalisme naar de nieuwe wereld kan niet plaatsvinden zonder het geweld als onmisbare kraamvrouw van de proletarische revolutie (18). Maar het alternatief, in de omstandigheden van gevorderde ontbinding van de huidige maatschappij, is de vernietiging, niet alleen van beide strijdende klassen, maar van de gehele mensheid. Vandaar de enorme verantwoordelijkheid die weegt op de schouders van de internationale revolutionaire klasse.

Gezien de huidige omstandigheden kan de ontwikkeling van het revolutionair vermogen van het proletariaat een net zo verre als grote droom lijken, zodat de verleiding groot wordt nu ‘iets’ te doen, zelfs al is het aan de zijde van dezelfde oude socialistische en Stalinistische smeerlappen, dat wil zeggen met de linkervleugel van het staatsapparaat van de bourgeoisie. Maar voor de revolutionaire minderheden is het reformisme geen lapmiddel, niet iets ‘bij gebrek aan beter’; nee, het betekent een dodelijk compromis met de klassenvijand. De weg naar de revolutie die ‘een andere wereld’ kan scheppen zal lang en moeilijk zijn, maar het is de enige weg die er is.

Jens


(1) Karl Marx, Friedrich Engels, Het communistische manifest, Pegasus, Amsterdam 1988, p. 43.

 

(2) Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), een enorm en kostbaar systeem om de prijzen die aan de Europese landbouwproducenten betaald worden kunstmatig op peil te houden, tot groot nadeel van hun concurrenten in de andere exporterende landen.

 

(3) Zie http://www.marxists.org/archive/marx/works/1881/05/07.htm, een artikel geschreven voor de Labour Standard.

 

(4) Het is bijzonder prikkelend om in het blad van de Franse anarchistische groep Alternative Libertaire te lezen dat “we een zo groot mogelijke betoging willen om ze opnieuw te laten horen dat wij niets moeten hebben van het kapitalistische en politie-Europa” (Alternative Libertaire, nr. 123, november 2003), terwijl heel het ESF gefinancierd wordt door de staat en het volledig draait om het bedrog van de versterking van de Europese staten zogenaamd om de ‘burgers’ te beschermen tegen de grote industrie. Er bestaat klaarblijkelijk geen enkel tegenspraak tussen het anarchisme en de verdediging van de staat!

 

(5) Veel van de betrokken steden worden bestuurd door de Franse Kommunistische Partij (PCF).

 

(6) Zoals Bismarck zei: “Ik hoorde het woord ‘Europa’ telkens uit de mond van politici die iets eisen van andere mogendheden dat zij niet in hun eigen naam durfden te vragen” (geciteerd in The Economist, 3 januari 2004).

 

(7) Defence Advanced Research Projects Agency.

 

(8) Een hoge oom van de anders-globalistische beweging en schrijver van het Manifesto for a new world.

 

(9) Het communistisch manifest, t.a.p., p. 56. We kunnen niet genoeg de nadruk leggen op de buitengewone kracht en vooruitziende blik van het Kommunistisch Manifest waarin de grondslag werd gelegd voor een wetenschappelijk inzicht in de beweging naar het kommunisme. Het Manifest zelf maakt deel uit van de moeite die de arbeidersbeweging zich van meet af aan getrooste en die sinds het Manifest is voortduurt, om het karakter van de revolutie, waarop zij haar krachten richt, zo grondig mogelijk te begrijpen. We hebben de achtergrond daarvan al beschreven in onze reeks Het kommunisme is geen mooi ideaal, maar een materiële noodzaak, gepubliceerd in Internationale Revue.

 

(10) “In de plaats van de oude plaatselijke en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een alzijdig verkeer, een alzijdige afhankelijkheid van de naties van elkaar. En zoals het in de materiële productie is, zo is het ook in de geestelijke. De geestelijke voortbrengselen van de afzonderlijke naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en bekrompenheid worden meer en meer onmogelijk en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur.” (Het communistisch manifest, t.a.p., p. 45).

 

(11) “In de crises breekt een maatschappelijke epidemie uit, die voor alle vroegere tijdperken iets onzinnigs zou hebben geleken, de epidemie van de overproductie. De maatschappij ziet zich plotseling in een toestand van tijdelijke barbaarsheid teruggebracht; een hongersnood, een algemene verdelgingsoorlog schijnen haar alle middelen van bestaan te hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel middelen van bestaan, te veel industrie, te veel handel bezit De productiekrachten die tot haar beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering van de burgerlijke eigendomsverhoudingen. Integendeel, zij zijn voor deze verhoudingen te ontzaglijk geworden, zij worden er door tegengehouden [...]” (Het communistisch manifest, t.a.p., p. 47).

 

(12) We kunnen hier niet in details treden, maar we vermelden alleen dat dit een begrip is dat omzichtig gebruikt moet worden omdat zelfs de ‘basisbehoeften’ sociaal bepaald zijn; de behoeften aan woonruimte en voedsel zijn bijvoorbeeld niet dezelfde voor de Cro-Magnon-mens en de moderne mens, en ze worden ook niet op dezelfde wijze en met dezelfde werktuigen bevredigd.

 

(13) Dat is in feite het hele beeld van wat er plaatsvond met de nederlaag van de Russische revolutie van oktober 1917: het gegeven dat vele van de nieuwe leiders (Breznjev bijvoorbeeld) arbeiders of arbeiderskinderen waren verleende geloofwaardigheid aan het idee dat een kommunistische revolutie die de arbeidersklasse aan de macht brengt eigenlijk niets anders tot stand brengt dan een nieuwe heersende klasse in het zadel te helpen, een ‘proletarische’ heersende klasse als het ware. Dat idee wordt welbewust in stand gehouden door alle fracties van de bourgeoisie, van rechts net zo goed als van links, om ons wijs te maken dat de Sovjet-Unie ‘kommunistisch’ was en dat haar leiders iets anders waren dan gewoon een fractie van de wereldbourgeoisie. Maar in werkelijkheid was het de Stalinistische contrarevolutie die opnieuw een burgerlijke klasse aan de macht heeft gebracht. Het feit dat veel leden van die nieuwe bourgeoisie oorspronkelijk uit het proletariaat of de boerenstand kwamen verandert daar helemaal niets aan, niet meer dan wanneer een arbeiderszoon bedrijfsleider wordt.

 

(14) Het is van betekenis dat het Latijnse woord voor arbeid ‘tripalium’ is, de naam van een martelinstrument.

 

(15) Op het LSF probeerde een anarchist ons zeer geleerd de les te lezen over het verschil tussen marxisten, die de ‘homo faber’ (de producerende mens) nastreven, en anarchisten die de voorkeur geven aan de ‘homo ludens’ (de spelende mens). Maar ook in het Latijn blijft een stommiteit een stommiteit.

 

(16) En natuurlijk ook ‘gevangenis’, ‘bak’ , ‘nor’ en ‘concentratiekamp’.

 

(17) Het communistisch manifest, t.a.p., pp. 29-30.

 

(18) Zie voor een veel uitgebreidere beeld onze reeks over het kommunisme waarnaar we hierboven al verwezen, vooral de aflevering in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70.

Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 116, eerste kwartaal 2004.

Politieke stromingen en verwijzingen: