Oriëntatietekst: Vertrouwen en Solidariteit in de strijd van het proletariaat (Deel I)

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Wij publiceren hier uitgebreide gedeelten van het eerste deel van een oriëntatietekst, die voorgesteld werd voor de discussie in de IKS in de zomer van 2001 en aangenomen tijdens de Buitengewone Conferentie eind maart 2002. Deze tekst verwijst naar de organisatorische moeilijkheden, waarvan we een verslag hebben gegeven in het artikel "De strijd voor de verdediging van de organisatorische principes" in de Internationale Revue, frans-, engels-, spaanstalige uitgave nr. 110, evenals in onze territoriale pers. Wij publiceren hier uitgebreide gedeelten van het eerste deel van een oriëntatietekst, die voorgesteld werd voor de discussie in de IKS in de zomer van 2001 en aangenomen tijdens de Buitengewone Conferentie eind maart 2002. Deze tekst verwijst naar de organisatorische moeilijkheden, waarvan we een verslag hebben gegeven in het artikel "De strijd voor de verdediging van de organisatorische principes" in de Internationale Revue, frans-, engels-, spaanstalige uitgave nr. 110, evenals in onze territoriale pers. Daar we hier niet de ruimte om terug te komen op wat er in deze voorgaande artikels geschreven is, moedigen we onze lezers aan om erop terug te grijpen voor een beter begrip van de kwestie, waarmee we te maken hadden. Om de lezer te helpen hebben we deze tekst toch voorzien van een aantal noten (1). Zo hebben we bepaalde passages, die begrijpelijk waren voor de militanten die bij ons intern debat betrokken waren, maar waarschijnlijk niet voor de lezers buiten onze organisatie, opnieuw geformuleerd.

"Non ridere, non lugere, neque detestari, sed intelligere"

("Niet lachen, niet wenen, niet vervloeken, maar begrijpen")

(De Ethica, Spinoza)

De huidige debatten in de IKS over de vraagstukken van solidariteit en vertrouwen is begonnen in 1999 en 2000, als antwoord op een reeks zwakheden met betrekking tot deze centrale vraagstukken in onze organisatie. Achter de concrete tekortkomingen op het vlak van solidariteit ten opzicht van kameraden in moeilijkheden, werd er een diepgaandere zwakheid vastgesteld in de ontwikkeling van een dagelijkse houding van solidariteit onder de militanten. Achter de herhaalde manifestaties van immediatisme in de analyse en de tussenkomst in de klassenstrijd (in het bijzonder in de weigering van de erkenning van de omvang van de terugval na 1989) en een duidelijke tendens om onszelf te troosten met 'onmiddellijke bewijzen', die verondersteld werden het historisch perspectief te bevestigen, hebben wij een licht kunnen werpen op een fundamenteel gebrek aan vertrouwen in het proletariaat en in ons eigen analyse-kader. Achter de verslechtering van het organisch weefsel, dat in het bijzonder in de afdeling van de IKS in Frankrijk concrete vormen begon aan te nemen, zijn wij in staat gebleken om dit gebrek aan vertrouwen in de verschillende delen van de organisatie in onze eigen functioneringswijze te erkennen.

Bovendien, heeft de confrontatie met verschillende uitingen van gebrek aan vertrouwen in onze basisstandpunten, onze historische analyse en onze grondbeginselen, en tussen de kameraden en de centrale organen, ons genoodzaakt om verder te gaan dan elk bijzonder geval en de kwesties te stellen op een veel meer algemene en fundamentele manier en dus meer theoretisch en historisch.

Het heropduiken van het fenomeen van het 'clanisme' (2) in de organisatie vereiste in het bijzonder een verdieping van ons begrip van deze vraagstukken. Zoals het staat in de resolutie van de activiteiten van het 14e Congres van de IKS: "… de strijd van de jaren 1990 tegen de kringgeest en de clans was nodig. Maar zoals we toen al hadden gezegd, waren de clans een verkeerd antwoord op een werkelijk probleem: dat van de zwakte van het proletarische vertrouwen en solidariteit binnen onze organisatie. Daarom heeft het opdoeken van de bestaande clans niet automatisch geleid tot het oplossen van het probleem en dus van de schepping van een partijgeest en een werkelijke kameraadschappelijkheid binnen onze eigen rijen, die alleen het resultaat kunnen zijn van een diepgaande bewuste inspanning.

Terwijl wij toen aangedrongen op het feit dat de strijd tegen de kringgeest permanent is, leefde het idee voort dat dit probleem voornamelijk verbonden was met een fase van onvolwassenheid die we te boven zouden komen en kunnen overstijgen, zoals dat het geval was ten tijde van de Eerste en de Tweede Internationale.

In werkelijkheid zijn de kringgeest en het clanisme vandaag veel meer permanent en verraderlijk dan ten tijde van de strijd van Marx tegen Bakoenin of van Lenin tegen de mensjewiki. In feite bestaat er een parallel tussen de huidige moeilijkheden van de klasse in haar geheel om haar klasse-identiteit terug te vinden en de elementaire reflexen van solidariteit met de andere arbeiders, en die van de revolutionaire organisatie om de partijgeest in stand te houden in haar dagelijkse functioneren.

Door de vraagstukken van vertrouwen en solidariteit als wezenlijke vraagstukken van de periode te stellen, heeft de organisatie in deze zin de strijd van 1993 voortgezet door er een 'positieve' dimensie aan toe te voegen, en door dus veel dieper te graven teneinde zich te wapenen tegen het binnensluipen van kleinburgerlijke organisatorische uitglijders".

Zo houdt het huidige debat rechtstreeks verband met de verdediging en zelfs het voortbestaan van de organisatie. Maar juist om die reden is het van wezenlijk belang om de theoretische en historische implicaties van deze vraagstukken maximaal te ontwikkelen. Ook met betrekking tot de organisatorische problemen waarmee wij vandaag geconfronteerd worden, bestaan er twee invalshoeken. Het tot het bot ontleden van organisatorische zwaktes en het onbegrip, die het heropduiken van het clanisme mogelijk maakten, evenals de concrete analyse van de ontwikkeling van deze dynamiek, behoren tot de taak van het rapport dat de Onderzoekscommissie (3) zal voorstellen. De taak van deze oriënteringstekst daarentegen bestaat er voornamelijk uit om theoretisch kader aan te reiken voor een diepgaander historisch begrip en voor een oplossing van deze problemen.

Inderdaad is het van wezenlijk belang om te begrijpen dat de strijd voor de partijgeest noodzakelijkerwijze een theoretische dimensie in zich draagt. Het is juist de verschraling van het debat over vertrouwen en solidariteit tot op heden, die een belangrijke factor was in de ontwikkeling van het clanisme. Het feit dat de Oriënteringstekst niet geschreven werd in het begin, maar meer dan een jaar na de opening van het debat, getuigt van de moeilijkheden die de organisatie gehad heeft om te komen tot een grip op deze vraagstukken. Maar het beste bewijs van deze zwakheden is het feit dat het debat over het vertrouwen en de solidariteit gepaard ging met een verloedering zonder weerga van de vertrouwens- en solidariteitsbanden tussen de kameraden!

In werkelijkheid worden wij hier geconfronteerd met de fundamentele vraagstukken van het marxisme, met de essentiële basis van de ons begrip van de aard van de proletarische revolutie, die een integraal deel uitmaakt van het platform en de statuten van de IKS. In die zin waarschuwt de armoede van het debat ons voor het gevaar van theoretisch verschrompeling en verkalking, die voor een revolutionaire organisatie altijd om de hoek loert.

De centrale stelling van de Oriënteringstekst is dat de moeilijkheid om binnen de IKS een vertrouwen en een solidariteit te ontwikkelen die dieper verankerd zitten, een fundamenteel probleem heeft gevormd in de hele geschiedenis van de organisatie. Deze zwakheid is op haar beurt het resultaat van wezenlijke kenmerken van de historische periode die op gang kwam in 1968. Het is niet alleen een zwakheid van de IKS, maar van de ganse generatie van het proletariaat in kwestie. Zoals de resolutie van het 14e Congres stelde: "Het is een debat dat de overdenking en de verdieping van het geheel van de IKS moet mobiliseren, want het bevat de potentiële capaciteit tot de verdieping, niet enkel van ons begrip van de opbouw van een organisatie met een werkelijk proletarisch leven, maar tevens van de historische periode waarin wij leven".

In die zin gaan de kwesties, die op het spel staan, veel verder dan het organisatorische vraagstuk als dusdanig. Het vraagstuk van het vertrouwen raakt in het bijzonder alle aspecten van het leven van het proletariaat en de taak van de revolutionairen – net zoals het gebrek aan vertrouwen in de klasse eveneens gepaard gaat met de verwerping van programmatische en theoretische verworvenheden.

1. De gevolgen van de contra-revolutie op het zelfvertrouwen en de tradities van solidariteit op de huidige generaties van het proletariaat

a) In de geschiedenis van de marxistische beweging vinden we niet één enkele geschreven tekst over het vertrouwen en de solidariteit. Anderzijds lagen deze vraagstukken ten grondslag aan veel fundamentele bijdragen van het marxisme, vanaf De Duitse Ideologie en Het Kommunistisch Manifest tot Hervorming en Revolutie en Staat en Revolutie. De afwezigheid van een specifieke discussie over deze vraagstukken in de arbeidersbeweging uit het verleden is geen teken van hun bijkomstig belang. Integendeel zelfs. Deze vraagstukken waren zo fundamenteel en evident dat ze nooit al zodanig gesteld werden, maar altijd als integraal antwoord op andere problemen, die werden opgeworpen.

Als wij er vandaag toe genoodzaakt worden om een specifiek debat en een theoretische studie te wijden aan deze vraagstukken, is dat omdat ze hun 'vanzelfsprekend' karakter verloren hebben.

Dat is het resultaat van de contra-revolutie, die ingezet werd in de jaren 1920 en de organische breuk tussen de proletarische politieke organisaties, die er uit voortkwamen. Om deze reden is het, voor wat betreft de ontwikkeling van het vertrouwen en de levendige solidariteit in de arbeidersbeweging, noodzakelijk om in de geschiedenis van het proletariaat twee fasen te onderscheiden. In de eerste fase, die gaat van het begin van zijn zelfbevestiging als zelfstandige klasse tot de revolutionaire golf van 1917-1923, is de arbeidersklasse in staat geweest om, ondanks een reeks van soms bloedige nederlagen, haar zelfvertrouwen en haar politieke en sociale eenheid op een min of meer continue wijze te ontwikkelen. De belangrijkste uitdrukkingen van deze capaciteit zijn, buiten de arbeidersstrijd zelf, de ontwikkeling geweest van een socialistische visie, van een theoretische capaciteit, van een revolutionaire politieke organisatie. Dit accumulatieproces, een werk van decennia en generaties, is onderbroken geworden en zelfs tegengewerkt door de contra-revolutie. Enkel minuscule revolutionaire minderheden zijn in staat gebleken om, gedurende de decennia die erop volgden, hun vertrouwen in de arbeidersklasse te behouden. De historische heropkomst van de arbeidersklasse in 1968, die een einde maakte aan de contra-revolutie, heeft deze tendens opnieuw omgegooid. Nochtans zijn de nieuwe uitdrukkingen van zelfvertrouwen en klasse-solidariteit die deze nieuwe onverslagen generatie liet zien, voor het merendeel beperkt gebleven tot de onmiddellijke strijd. Ze waren nog niet gegrondvest, zoals in de periode voor de contra-revolutie, op een socialistische visie en een politieke vorming, op een klasse-theorie en op de overlevering van een geaccumuleerde ervaring en een inzicht van de ene generatie op de andere. Met andere woorden, het historische zelfvertrouwen van het proletariaat en zijn traditie van actief streven naar eenheid en collectieve strijd, behoren tot die aspecten die het meest te lijden hebben gehad onder de breuk in de organische continuïteit. Eveneens maken ze deel uit van de moeilijkst te herstellen aspecten, aangezien ze net als de andere enorm afhankelijk zijn de levendige politieke en sociale continuïteit. Dat geeft op haar beurt aanleiding tot een bijzondere kwetsbaarheid van de nieuwe generaties van de klasse en haar revolutionaire minderheden.

Het is op de eerste plaats stalinistische contra-revolutie die heeft bijgedragen tot het ondermijnen van het vertrouwen van het proletariaat in zijn eigen historische missie, in de marxistische theorie en in zijn revolutionaire minderheden. Het gevolg daarvan is dat het proletariaat na 1968, meer dan de verslagen generaties van het verleden, de neiging vertoont om gebukt te gaan onder het immediatisme, onder het gebrek aan een visie op lange termijn. Door het te beroven van een groot deel van zijn verleden, hebben de contra-revolutie en de bourgeoisie het proletariaat vandaag beroofd van een duidelijke toekomstvisie zonder de welke de klasse geen diepgeworteld vertrouwen in haar eigen kracht kan ontwikkelen.

Wat de arbeidersklasse onderscheidt van alle klassen in de geschiedenis is het feit dat zij, vanaf haar eerste verschijning als een maatschappelijk zelfstandige klasse, naar voren kwam met een project voor een toekomstige maatschappij, gestoeld op het collectieve bezit van de productiemiddelen. Als eerste klasse in de geschiedenis, waarvan de uitbuiting gebaseerd is op de radicale scheiding van de producenten van de productiemiddelen en de vervanging van de individuele door de gesocialiseerde arbeid, wordt haar bevrijdingsstrijd gekenmerkt door een strijd tegen de uitbuiting (die alle uitgebuite klassen gemeen hebben) die altijd verbonden is geweest met een visie hoe deze uitbuiting te overstijgen. Als eerste klasse in de geschiedenis die op collectieve wijze produceert, is het proletariaat geroepen om de maatschappij opnieuw op een bewuste collectieve basis te grondvesten. Aangezien ze niet in staat is om als bezitloze klasse enige macht te verwerven in de schoot van de huidige maatschappij, moet de historische betekenis van haar klassestrijd tegen de uitbuiting, voor zichzelf en dus voor de hele maatschappij, het geheim van haar eigen bestaan openbaren als doodgraver van de kapitalistische uitbuiting en anarchie.

Om deze reden is de arbeidersklasse de eerste klasse wier vertrouwen in haar eigen historische rol onlosmakelijk verbonden is met de oplossing die ze aandraagt voor de kapitalistische maatschappij.

Deze unieke plaats van het proletariaat als enige klasse in de geschiedenis, die tegelijkertijd uitgebuit en revolutionair is, bevat twee belangrijke gevolgen:

- zijn zelfvertrouwen is vóór alles een vertrouwen in de toekomst en is dus voor een aanzienlijk deel, gegrondvest op een historische benadering;

- het ontwikkelt in zijn dagelijkse strijd een beginsel dat overeenstemt met de historische taak die het te vervullen heeft – het beginsel van klasse-solidariteit, als uitdrukking van zijn eenheidsstreven.

In die zin is de dialectiek van de proletarische revolutie wezenlijk gegrondvest op de verhouding tussen het doel en de beweging, tussen de strijd tegen de uitbuiting en de strijd voor het kommunisme. De natuurlijke onrijpheid van de eerste stappen op het historische toneel, in de 'kindertijd' van de klasse, worden gekenmerkt door de ontwikkeling van de arbeidersstrijd en die van de theorie van het kommunisme. Deze verwevenheid van deze twee polen werd niet meteen vanaf het begin door de deelnemers zelf begrepen. Dat weerspiegelde zich door het soms blinde en instinctieve karakter van de arbeidersstrijd enerzijds en het utopische karakter van het socialistische project anderzijds.

De historische rijping van het proletariaat maakte het mogelijk deze twee elementen te verenigen. Dit werd verwezenlijkt in de revoluties van 1848-49 en vooral door het ontluiken van het marxisme, het wetenschappelijke inzicht in de historische beweging en het doel van de klasse.

Twee decennia later heeft de Commune van Parijs, als bewijs van deze rijping, aan het licht gebracht wat het wezenlijke element was voor het vertrouwen van het proletariaat in zijn eigen rol: het streven naar het in handen nemen van de leiding van de maatschappij met als doel deze, volgens zijn eigen politieke visie, om te wentelen.

Wat ligt er aan de oorsprong van dit verbazingwekkende zelfvertrouwen van een onderdrukte en bezitloze klasse, een klasse die in zijn eigen rangen alle ellende van de mensheid concentreert en die vanaf 1871in de openbaring treedt? Zoals van alle onderdrukten bevat de strijd van het proletariaat een spontaan aspect. Het proletariaat kan niet anders dan op de dwang en de aanvallen te reageren, die haar door de heersende klasse worden opgedrongen. Maar in tegenstelling tot de strijd van de andere uitgebuite klasse, bevat die van het proletariaat vooral een bewust karakter. De vooruitgang in zijn strijd zijn fundamenteel het product van zijn eigen politieke rijpingsproces. Het proletariaat van Parijs was een klasse die politiek was gevormd, die verschillende scholen van het socialisme had doorlopen, van het blanquisme tot het proudhonisme. Het was deze politieke vorming, opgedaan in de daaraan voorafgaande decennia, die in grote mate kan verklaren waarom de klasse in staat was om op een dergelijke wijze de bestaande orde uit te dagen (net zoals ze de fouten van deze beweging verklaart). Tegelijkertijd was 1871 ook het resultaat van de ontwikkeling van een bewuste traditie van internationale solidariteit die elke belangrijke strijd vanaf de jaren 1860 in Europa kenmerkte.

Met andere woorden: de Commune was het product van een ondergrondse rijping die in het bijzonder gekenmerkt werd door een groter vertrouwen in de historische missie van de klasse en door een meer ontwikkelde praktijk van de klasse-solidariteit. Een rijping waarvan de Eerste Internationale het hoogtepunt vormde.

Met de intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode, wordt de centrale rol van het vertrouwen en de solidariteit aangescherpt, aangezien de proletarische revolutie op de dagorde van de geschiedenis komt. Enerzijds is het spontane karakter van de arbeidersstrijd meer ontwikkeld door de onmogelijkheid van de organisatorische voorbereiding van de strijd via massapartijen en vakbonden (4). Anderzijds wordt de politieke voorbereiding van deze strijd, door het verstevigen van het vertrouwen en de solidariteit, nog belangrijker. De meest vooruitstrevende sectoren van het Russische proletariaat, die in 1905 als eerste het wapen van de massastaking en de arbeidersraden ontdekten, hebben ook de school van het marxisme in twee fasen doorlopen: die van de strijd tegen het terrorisme, tegen de vorming van politieke kringen, de eerste stakingen en politieke manifestaties, de strijd voor de vorming van de klasse-partij en de eerste ervaringen met de massa-agitatie. Rosa Luxemburg, die als eerste de rol van de spontaniteit in de periode van de massastaking besefte, hamert erop dat de gebeurtenissen van 1905, zonder een dergelijke school van het socialisme, niet mogelijk waren geweest.

Maar de revolutionaire golf van 1917-23 en daarenboven de Oktoberrevolutie hebben aard van het vertrouwen en de solidariteit het duidelijkst hebben gesteld. De essentie van de historische crisis zat vervat in het vraagstuk van de opstand. Voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid, was er een sociale klasse die in staat was om op een bedachte en bewuste manier de loop van de wereldgebeurtenissen te veranderen. De Bolsjewiki konden terugvallen op de opvatting van Engels over 'de kunst van de opstand'. Lenin verklaarde dat de revolutie een wetenschap was. Trotsky sprak over 'de algebra van de revolutie'. Vanuit de sociale werkelijkheid, met behulp van de klasse-partij die in staat was om de toets van de geschiedenis te doorstaan, op basis van een geduldige en oplettende voorbereiding van het moment waarop de objectieve en subjectieve voorwaarden vervuld waren, en met de noodzakelijke revolutionaire stoutmoedigheid om haar kans te grijpen. Het proletariaat en zijn voorhoede begonnen, in een triomf van het bewustzijn en de organisatie, de overwinning te behalen op de vervreemding, welke de maatschappij veroordeelt tot een machteloos slachtoffer van blinde krachten. Tegelijkertijd was de bewuste beslissing om de macht te grijpen in Rusland en, in het belang van de wereldrevolutie, dus alle beproevingen van een dergelijke daad op zich te nemen, de hoogste uitdrukking van klasse-solidariteit. Het was een nieuwe kwalitatieve stap van de mensheid, het begin van de sprong van het rijk van de schaarste in het rijk van de vrijheid. En dat is het wezen van het zelfvertrouwen van het proletariaat en de solidariteit in zijn rangen.

b) Een van de oudste beginselen van de militaire strategie is de noodzaak om het vertrouwen en de samenhang in het vijandelijke leger te ondermijnen. Op dezelfde manier heeft de bourgeoisie altijd de noodzaak begrepen om deze kwaliteiten te bestrijden in het proletariaat. Voornamelijk met het opkomen van de arbeidersbeweging in de tweede helft van de 19e eeuw, is de noodzaak van het bestrijden van het idee van arbeiderssolidariteit steeds centraler komen te staan in de wereldvisie van het kapitalisme. Getuige daarvan is de opkomst van het sociaal Darwinisme, de filosofie van Nietsche, het elitaire 'socialisme' van de Fabians, enzovoort. Nochtans was het kapitalisme, tot aan de intrede van zijn intrede in zijn vervalperiode, niet in staat om de opmars van deze beginselen binnen de arbeidersklasse te keren. Met name de wrede repressie, die zij aan het proletariaat van Parijs in 1848 en in 1871, en tijdens de anti-socialistenwetten aan de arbeidersbeweging in Duitsland opdrong, slaagden er niet om, ondanks het feit dat ze een tijdelijke terugval veroorzaakten in de opmars van het socialisme, inbreuk te maken op het historische vertrouwen van de arbeidersklasse, noch op haar tradities van solidariteit.

De gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog hebben aangetoond dat het verraad van de proletarische beginselen door partijen van de arbeidersklasse zelf, vooral door de politieke organisaties van de klasse, deze beginselen 'van binnenuit' vernietigde. De liquidatie van deze beginselen in de schoot van de sociaal-democratie was al begonnen aan het begin van de 20e eeuw met het debat over het 'revisionisme'. Het vernietigende en verderfelijke karakter van dit debat openbaarde zich niet alleen via het binnendringen van burgerlijke standpunten en het geleidelijke opgeven van het marxisme, maar vooral door middel van de schijnheiligheid die het binnenbracht in het leven van de organisatie. Alhoewel het standpunt van de Linkerzijde formeel werd aangenomen, was het belangrijkste resultaat van dit debat dat de Linkerzijde in werkelijkheid volledig in een isolement terecht kwam – vooral in de Duitse partij (de SPD). De officieuze campagnes van laster tegen haar, die het boegbeeld was geweest in de strijd tegen het revisionisme, Rosa Luxemburg, die in de wandelgangen van het partijcongres beschreven werd als een vreemde en bloeddorstige eend in de bijt, bereidde reeds het terrein voor van haar moord in 1919.

In feite is het fundamentele principe dat de contra-revolutie, die begon in de jaren 1920, de vernietiging geweest van de idee van vertrouwen en solidariteit zelf. Het verachtelijke principe van 'zondebok', een barbarendom uit de Middeleeuwen, stak opnieuw de kop op in het industriekapitalisme, met de heksenjacht van de Sociaal-democratie op de Spartakisten, van het fascisme op de Joden, van de 'duivelse' minderheden die als enigen in staat werden geacht de terugkeer naar de vreedzame harmonie van het vooroorlogse Europa te beletten. Maar het was vooral het stalinisme, ’t is te zeggen: de speerpunt van het burgerlijk offensief, dat de beginselen van vertrouwen en solidariteit in de jonge kommunistische partijen heeft vervangen door die van wantrouwen en van aanklacht, die het doel van het kommunisme en de middelen om ertoe te komen, belasterd heeft.

Maar desondanks heeft de vernietiging van deze beginselen niet van de ene op de andere dag plaats kunnen vinden. Zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden tienduizenden arbeidersfamilies nog steeds solidariteit genoeg om hun leven op het spel te zetten door diegenen, die door de staat werden vervolgd, te verbergen. En de strijd van het Hollandse proletariaat tegen de deportatie van de Joden is er om ons er aan te herinneren dat de solidariteit van de arbeidersklasse de enige werkelijke solidariteit is met het geheel van de mensheid. Maar het was tevens de laatste staking van de 20e eeuw waar de Linkskommunisten een betekenisvolle invloed hadden (5).

Zoals wij weten is deze contra-revolutie in 1968 te boven gekomen door een niet verslagen generatie. Eens te meer hadden de arbeiders vertrouwen om de uitbreiding van hun strijd en hun klasse-solidariteit in eigen hand te nemen, andermaal het vraagstuk van de revolutie te stellen en nieuwe revolutionaire minderheden te doen ontstaan. Nochtans had die nieuwe generatie, getraumatiseerd door het verraad van alle belangrijke arbeidersorganisaties uit het verleden, een sceptische houding aangenomen tegenover de politiek, tegenover haar eigen verleden, haar klasse-theorie, haar historische taak. Dit bood haar geen bescherming tegen de sabotage van de linkse politieke krachten van het kapitaal, maar belet haar om weer aan te knopen bij de wortels van haar zelfvertrouwen en het weer op bewuste wijze laten opbloeien van haar grootse traditie van solidariteit. Ook de revolutionaire minderheden zijn er door aangetast. In feite ontstaat er voor het eerst een toestand waarin de revolutionaire standpunten een groeiende weerklank vinden in de klasse, terwijl de organisaties die ze verdedigen, zelfs niet door de meest strijdbare arbeiders, erkend worden als behorend tot hun eigen klasse.

Ondanks de brutale en arrogante zelfverzekerdheid van deze nieuwe generatie van na 1968, die er in het begin in geslaagd was om de heersende klasse bij verrassing te grazen te nemen, school er achter haar scepticisme ten opzichte van de politiek een diep gebrek aan zelfvertrouwen. Nooit tevoren hadden we zo’n contrast gezien tussen, enerzijds deze capaciteit om zich in de massale strijd te gooien die voor een groot deel zelfstandig georganiseerd was en anderzijds, de afwezigheid van deze elementaire verzekering die het proletariaat gekenmerkt had sinds de jaren 1848-1850 tot 1917-1923. En dit gebrek aan zelfvertrouwen kenmerkt ook ten diepste de organisaties van de Kommunistische Linkerzijde. Niet enkel de nieuwe organisaties, zoals de IKS en het CWO, maar ook een groep als de bordigistische PCI, die de contra-revolutie had overleefd, maar die in het begin van de jaren 1980 uiteengespat was vanwege van haar ongeduld om door de klasse in haar geheel erkend te worden. Zoals we weten hebben zowel het bordigisme als het radenisme dit verlies aan zelfvertrouwen tijdens de contra-revolutie, vertheoretiseerd door de intelling van een scheiding tussen de revolutionairen en de klasse in haar geheel, door het ene deel ervan op te roepen zich voor het andere te hoeden. (6) Bovendien waren zowel het bordigistische idee van de 'onveranderlijkheid' als het tegengestelde radenistische idee van ''een nieuwe arbeidersbeweging', wat betreft dit vraagstuk theoretisch gezien valse antwoorden op de contra-revolutie. Maar de IKS, die dit sort theorieën verworpen had, bleef zelf desondanks niet verschoond van de schade die ze aanrichtte aan het zelfvertrouwen van het proletariaat en aan het verschrompelen van de basis van dit vertrouwen.

Zo konden we zien hoe in deze historische periode, een hele reeks elementen met elkaar verweven zijn: het gebrek aan zelfvertrouwen in de klasse zelf, van de arbeiders in de revolutionairen en omgekeerd, het gebrek aan vertrouwen van de politieke organisaties in zichzelf, in hun historische rol, in de marxistische theorie en in de overgeërfde organisatorische beginselen uit het verleden, en het gebrek aan vertrouwen van het geheel van de klasse in de historische aard van haar taak op lange termijn.

In werkelijkheid vormde deze van de contra-revolutie overgeërfde politiek zwakheid een van de belangrijkste factoren voor de intrede van het kapitalisme in zijn fase van ontbinding. Afgesneden van haar historische ervaring, van hun theoretische wapens en van de visie van zijn historische rol, ontbrak het aan het proletariaat het benodigde vertrouwen voor het verder ontwikkelen van een revolutionair perspectief. Met de ontbinding wordt dit gebrek aan vertrouwen, aan perspectief het lot van de hele maatschappij en houdt het de mensheid gegijzeld in het heden. (7) Het is dus helemaal geen toeval dat de historische periode van de ontbinding werd ingeluid door de ineenstorting van het voornaamste restant van de contra-revolutie, dat van de stalinistische regimes. Het gevolg hiervan was dat het doel van de klasse en de belangrijkste politieke wapens van de proletarische beweging, opnieuw een diskrediet gebracht werden en dat er eens te meer een historisch nog nooit vertoonde situatie ontstond: een niet-verslagen generatie van arbeiders die in grote mate haar klasse-identiteit verliest. Om uit deze crisis te geraken, zal zij zich opnieuw haar klasse-solidariteit eigen moeten maken, opnieuw een historisch perspectief ontwikkelen, opnieuw in het vuur van de klassenstrijd de mogelijkheid en de noodzaak ontdekken voor de verschillende delen van de klasse om vertrouwen te hebben in elkaar. Het proletariaat is niet verslagen. Wat het vooral is kwijtgeraakt is zijn zelfvertrouwen.

Daarom behoren de vraagstukken van vertrouwen en van solidariteit tot de sleutelvraagstukken tegenover toestand van algehele historische impasse. Zij staan centraal voor de toekomst van de mensheid, voor het versterken van de arbeidersstrijd in de komende jaren, voor de opbouw van de marxistische organisatie, voor een concrete heropkomst van een kommunistisch perspectief in de klassenstrijd.

2. De gevolgen van de zwakheden in het vertrouwen en in de solidariteit binnen de IKS

a) Zoals de Oriëntatietekst (8) aantoont, vinden alle crises, tendensen en afsplitsingen in de geschiedenis van de IKS hun oorsprong in het organisatievraagstuk. Zelfs als er belangrijke politieke meningsverschillen bestonden, was er over deze vraagstukken tussen de leden van des 'tendensen' geen overeenstemming, en hun meningsverschillen rechtvaardigden evenmin een afscheiding, en zeker niet het soort van onverantwoordelijke en voortijdige afsplitsing die de algemene regel is geworden in onze organisatie.

Zoals de Oriënteringstekst van 1993 aantoont vonden al deze crises hun oorsprong in de kringgeest en in het bijzonder in het clanisme. Daaruit kunnen wij concluderen dat, in de loop van de hele geschiedenis van de IKS, het clanisme altijd de voornaamste manifestatie van het verlies aan vertrouwen in het proletariaat en de voornaamste oorzaak is geweest voor een in vraag stellen van de eenheid van de organisatie. Zoals door hun latere evolutie buiten de IKS dikwijls werd bevestigd, vormden de clans bovendien de belangrijkste dragers van een kiem van de programmatische en theoretische ontaarding in onze rangen. (9)

Dit feit, dat acht jaar voordien geopenbaard werd, is nochtans zo verwonderlijk dat het enige historische overdenking verdient. Het 14e Congres van de IKS is reeds begonnen met deze overdenking door aan te tonen dat in de arbeidersbeweging uit het verleden, het overwegende gewicht van de kringgeest en van het clanisme voor het wezenlijke beperkt waren tot het begin van de arbeidersbeweging, terwijl de IKS tijdens haar hele bestaan geplaagd werd door dit probleem. Het is waar dat de IKS de enige organisatie in de geschiedenis van het proletariaat is, waarin het binnensluipen van een ideologie die haar vreemd is, zich met zo’n regelmaat en op zo’n indringende wijze heeft gemanifesteerd in de organisatorische problemen.

Dit nog nooit vertoonde probleem moet begrepen worden vanuit de historische context van de laatste drie decennia. De IKS beweert de erfgenaam te zijn van de meest ontwikkelde synthese van de arbeidersbeweging en van de Kommunistische Linkerzijde in het bijzonder. (…) Maar de geschiedenis toont aan dat de IKS zijn programmatische erfenis veel gemakkelijker heeft geassimileerd dan zijn organisatorische. Dat is voornamelijk te wijten aan de breuk in de organische continuïteit, veroorzaakt door de contra-revolutie. Eerst en vooral omdat het gemakkelijker is politieke standpunten te assimileren via de studie van teksten uit het verleden dan de organisatorische vraagstukken te bevatten, die veel meer behoren tot de levende traditie, en om die over te dragen is men veel meer afhankelijk van de band tussen de generaties. Ten tweede omdat, zoals we al gezegd hebben, de slag die door de contra-revolutie is toegebracht aan het zelfvertrouwen van de klasse vooral het vertrouwen in zijn historische taak en in zijn politieke organisaties heeft aangetast. Terwijl de waarde van onze programmatische standpunten dikwijls op spectaculaire manier bevestigd werd door de werkelijkheid (en sinds 1989 wordt deze waarde zelfs bevestigd door een groeiend aantal delen van het moeras), heeft onze organisatiestructuur niet hetzelfde opzienbarende succes gekend. In 1989, op het einde van de naoorlogse periode, had de IKS geen enkele beslissende stap gezet, noch op het vlak van de toename van haar aantal, van de verspreiding van haar pers, van de impact van haar tussenkomst in de klassenstrijd, noch in de mate van erkenning van de organisatie door de klasse in haar geheel. Dat was dus een paradoxale toestand. Enerzijds had het einde van de contra-revolutie en de ontluiking van een nieuwe historisch perspectief de ontwikkeling van onze standpunten begunstigd: de nieuwe niet-verslagen generatie stond min of meer openlijk wantrouwig tegenover links van het kapitaal, de burgerlijke verkiezingen, de opoffering voor het land, enzovoort. Maar anderzijds werd ons kommunistisch militantisme misschien minder gerespecteerd dan ten tijde van Bilan. Deze historische situatie heeft geleid tot diep gewortelde twijfels ten opzichte van de historische rol van de organisatie. Deze twijfels kwamen soms boven op het algemeen politieke vlak via de ontwikkeling van openlijk radenistische, modernistische of anarchistische opvattingen - min of meer als toegevingen aan de heersende ambiance.

Maar bovenal zijn deze op de meest beschamende wijze tot uiting gekomen op het organisatorisch vlak.

Daarbij dient nog aan toegevoegd te worden dat de geschiedenis van de strijd van de IKS voor de partijgeest, ook al zijn er gelijkenissen met de organisaties uit het verleden – erfenis van de grondbeginselen van functioneren van onze voorlopers, en hun verankering via een reeks van organisatorische gevechten – toch ook grote verschillen kent. De IKS is de eerste organisatie die een partijgeest smeedt, niet in en periode van illegaliteit maar in een atmosfeer die doordrenkt is van democratische illusies. Wat dit vraagstuk betreft heeft de bourgeoisie geleerd uit de geschiedenis: het beste wapen voor de liquidatie van de organisatie is niet de repressie, maar de ontwikkeling van een sfeer van wantrouwen. Wat geldt voor het geheel van de klasse geldt ook voor de revolutionairen: het is het verraad van de beginselen van binnenuit die het proletarische vertrouwen vernietigt.

Het gevolg is dat de IKS nooit de kans gekregen heeft dat type van levendige solidariteit te ontwikkelen, dat zich in het verleden altijd smeedde in de clandestiniteit en dat een van de belangrijkste bestanddelen uitmaakte van de partijgeest. Bovendien vormt het democratisme de ideale voedingsbodem voor de cultuur van het clanisme, aangezien het de levende antithese is van het proletarische beginsel volgens welke men het beste van zijn krachten besteedt aan de gemeenschappelijke zaak, en omdat het democratisme het individualisme, het informalisme en het vergeten van de beginselen begunstigt. Wij mogen niet vergeten dat de partijen van de Tweede Internationale voor het grootste deel vernietigd werden door het democratisme, en dat zelfs de triomf van het stalinisme democratisch gewettigd werd, zoals werd onderstreept door de Kommunische Linkerzijde (…).

b) Het is evident dat het gewicht van al deze negatieve factoren zich vermenigvuldigd heeft met het onstaan van de fase van ontbinding. Wij zullen niet herhalen wat de IKS al heeft gezegd over dit onderwerp. Wat hier van belang is, is het gevoel van het feit dat de ontbinding vreet aan de sociale, culturele, politieke, ideologische grondvesten van de menselijke gemeenschap, in het bijzonder door het ondergraven van het vertrouwen en de solidariteit. Vandaag heerst er een spontane tendens in de maatschappij om zich te groeperen in clans, klieks en bendes. Als deze groeperingen niet gebaseerd zijn op commerciële of andere belangen, hebben ze meestal een zuiver irrationeel karakter, gebaseerd op persoonlijke trouw aan de groep en dikwijls een opgeklopte haat tegenover werkelijke of ingebeelde vijanden. In werkelijkheid betekent dit verschijnsel, in de huidige context, een terugkeer naar atavistische, compleet verdorven vormen van vertrouwen en van solidariteit. Het weerspiegelt het verlies aan vertrouwen in de bestaande sociale structuren, en is een poging om zich in te dekken tegenover de groeiende anarchie van de maatschappij. Het spreekt vanzelf dat deze groeperingen, verre van een antwoord te vormen op de barbarendom van de ontbinding, er zelf een uitdrukking van zijn. Het is trouwens kenmerkend dat zelfs de twee klassen er vandaag door worden aangevreten. Op het ogenblik schijnen alleen de sterkste sectoren van de bourgeoisie min of meer in staat te zijn om weerstand te bieden aan hun ontwikkeling. Voor het proletariaat komt de mate, waarin het in zijn dagelijkse leven door dit verschijnsel wordt getroffen, vooral tot uitdrukking in de schade die is aangebracht aan zijn klasse-identiteit en de noodzaak die eruit voortvloeit om zich zijn eigen klasse-solidariteit opnieuw eigen te maken.

Zoals het 14e Congres van de IKS heeft gezegd: door het feit van de ontbinding ligt de strijd tegen het clanisme niet achter ons maar voor ons.

c) In de geschiedenis van de IKS is het clanisme dus de voornaamste uitdrukking van het verlies van vertrouwen in het proletariaat. Maar de vorm die het aanneemt is niet het openlijke wantrouwen tegenover de organisatie, maar tegenover een deel ervan. In werkelijkheid vormt zijn bestaan een in vraag stellen van de eenheid van de organisatie en van haar functioneringsbeginselen. Om die reden ontwikkelt het clanisme, ook al kan hij beginnen vanuit een correcte bezorgdheid, en met een min of meer intact vertrouwen, noodzakelijkerwijze een wantrouwen tegenover allen die niet aan zijn kant staan, en leidt het tot een openlijke paranoia. Over het algemeen zijn diegenen, die het slachtoffer zijn van deze dynamiek, zich niet bewust van deze realiteit. Dat wil niet zeggen dat een clan niet een bepaald bewustzijn heeft van wat hij doet. Maar het is een vals bewustzijn dat tot doel heeft zichzelf te bedriegen en de anderen.

De Oriënteringstekst van 1993 gaf reeds de redenen aan van deze kwetsbaarheid, die in het verleden, militanten zoals Martov, Plechanov of Trotsky heeft aangetast: het bijzondere gewicht van het subjectivisme op het vlak van de organisatorische vraagstukken. (…)

In de arbeidersbeweging heeft het clanisme bijna altijd als oorsprong gehad de moeilijkheid tot samenwerking tussen verschillende persoonlijkheden. Met andere woorden: het vertegenwoordigt een nederlaag in de allereerste stap van de oprichting van elke gemeenschap. Daarom ontstaan clanistische houdingen dikwijls op het moment dat er nieuwe leden bijkomen, of bij de formalisering en de ontwikkeling van organisatorische structuren. In de Eerste Internationale ging het om het onvermogen van de nieuwkomer, Bakoenin, om 'zijn plaats te vinden' die ontaardt in voordien al aanwezige gevoelens van afgunst ten opzichte van Marx. In 1903, is het daarentegen de bezorgdheid van het statuut van 'de oude garde' die veroorzaakt heeft wat in de geschiedenis bekend zou worden als het mensjewisme. Dat heeft een nieuwkomer zoals Lenin natuurlijk niet belet om de partijgeest te verdedigen, of een nieuwkomer die de meeste afgunst opwekte – Trotsky – zich te scharen aan de kant van diegenen die schrik van hem hadden gehad (10)

Juist vanwege de overstijging van het individualisme, is de partijgeest in staat de persoonlijkheid en de individualiteit van elkeen van zijn leden te aanvaarden. De kunst van de opbouw van de organisatie bestaat niet in de laatste plaats uit het rekening houden met al deze persoonlijke verschillen op een manier waarop ze maximaal harmoniseren en het mogelijk maakt dat iedereen het beste van zichzelf kan geven aan het collectief. Het clanisme kristalliseert zich daarentegen juist rond het wantrouwen ten opzichte van de persoonlijkheden en hun verschillend gewicht. Daarom is het zo moeilijk om een clandynamiek te onderkennen in zijn beginfase . Zelfs al voelen veel kameraden het probleem aan, toch is de werkelijkheid van het clanisme zo achterlijk en belachelijk dat men de moed moet hebben om te zeggen dat 'de keizer naakt is'. Wat een toestand!

Zoals Plechanov het eens opmerkte, spelen in de verhouding tussen bewustzijn en emoties, de laatste de conservatieve rol. Maar dat wil niet zeggen dat het marxisme de verachting deelt van het burgerlijke rationalisme met betrekking tot hun rol. Er zijn emoties die nuttig zijn en andere die schadelijk zij voor de zaak van het proletariaat. En het is zeker dat de historische taak van het proletariaat niet kan slagen zonder een reusachtige ontwikkeling van revolutionaire passie, een onverzettelijke wil om te overwinnen, een ongeziene ontwikkeling van solidariteit, van belangeloosheid en heroïsme zonder welke de beproeving van de strijd om de macht en de burgeroorlog nooit volgehouden kan worden. En zonder de bewuste cultuur van sociale en individuele kenmerken van de werkelijke mensheid, kan een nieuwe maatschappij nooit gesticht worden. Zoals Marx zei: ze moeten gesmeed worden in de strijd

De rol van het vertrouwen en de solidariteit in de verheffing van de mensheid

(…)

In tegenstelling tot de houding van de revolutionaire bourgeoisie, voor wie het uitgangspunt van zijn radicalisme berustte in het verwerpen van het verleden, heeft het proletariaat altijd op bewuste wijze zijn revolutionair perspectief gebaseerd op alle verworvenheden van menselijke geschiedenis, die hem voorafging. In de grond is het proletariaat in staat om een dergelijke historische visie te ontwikkelen, omdat het geen enkel bijzonder belang te verdedigen heeft dat in tegenstelling staat tot die van de mensheid in haar geheel. De houding van het marxisme, voor wat betreft de theoretische vraagstukken die met deze taak verband houden, is dus altijd geweest om alle verworvenheden, die hem werden overgeleverd, als uitgangspunt te nemen. Voor ons is niet alleen het bewustzijn van het proletariaat, maar dat van de hele mensheid, dat zich opstapelt en overgeleverd wordt doorheen de geschiedenis. Zo was de houding van Marx en Engels betreffende de klassieke Duitse filosofie, de Engelse politieke economie of het Franse utopisch socialisme.

Evenzo moeten wij hier het proletarische vertrouwen en solidariteit verstaan als bijzondere concretiseringen van de algemene evolutie van deze kwaliteiten in de menselijke geschiedenis. Met betrekking tot deze twee vraagstukken bestaat de taak van het proletariaat er in verder te gaan dan wat al verworven is. Maar om dat te doen moet de klasse zich baseren op wat al verwezenlijkt is.

De hier gestelde vraagstukken zijn van een fundamenteel historisch belang. Zonder een solidariteit op minimale basis wordt de menselijke maatschappij onmogelijk. En zonder minstens een wederzijds rudimentair vertrouwen is er geen enkele sociale vooruitgang mogelijk. In de geschiedenis heeft een breuk met deze beginselen altijd geleid tot een ongebreidelde barbarendom.

a) De solidariteit is een praktische activiteit van wederzijdse hulp tussen de menselijke wezens in de strijd voor hun bestaan. Het is een concrete uitdrukking van de sociale aard van de mensheid. In tegenstelling tot de impulsen als liefdadigheid of zelfopoffering waarbij het bestaan van een belangenconflict voorondersteld wordt, is de materiële basis van de solidariteit een gemeenschap van belangen. Daarom is de solidariteit geen utopisch ideaal, maar een materiële kracht die zo oud is als de mensheid zelf. Maar dit beginsel, dat het meest doeltreffende en tegelijkertijd collectieve middel is om zijn eigen 'laagste' materiële belangen te verdedigen, kan ook de meest belangeloze daden voortbrengen, de opoffering van zijn eigen leven daarbij inbegrepen. Dit feit, dat het burgerlijke utilitarisme nooit heeft kunnen uitleggen, vloeit voort uit de eenvoudige werkelijkheid dat, zodra er gemeenschappelijke belangen bestaan, de delen onderworpen zijn aan het algemeen belang. De solidariteit is dus een overstijging niet van het 'egoïsme', maar van het individualisme en het particularisme in het belang van het geheel. Daarom is de solidariteit altijd een actieve kracht, gekenmerkt door het initiatief, en niet door de houding, die verwacht dat de solidariteit van anderen komt. Daar waar het burgerlijke beginsel van de berekening van de voor- en nadelen heerst, is er geen solidariteit mogelijk.

Alhoewel de solidariteit tussen de leden van de maatschappij in de geschiedenis van de mensheid vóór alles een instinctieve reflex is geweest, is het niveau van bewustzijn dat nodig is voor haar ontwikkeling des te hoger naarmate de menselijke maatschappij complexer wordt en meer zwanger is van conflicten. In deze zin vormt de klasse-solidariteit van het proletariaat de hoogste vorm van menselijke solidariteit tot op heden bereikt.

Desondanks hangt de opbloei van de solidariteit niet enkel af van het bewustzijn in het algemeen maar ook van de cultuur van sociale emoties. Om ze tot ontwikkeling te kunnen laten komen, vereist de solidariteit een cultureel en organisatorisch kader die deze uitdrukking begunstigt. Als er een dergelijk kader in een sociale groepering bestaat, wordt het mogelijk houdingen, tradities en 'niet geschreven' regels van solidariteit te ontwikkelen, die kunnen overgeleverd worden van de ene op de andere generatie. In die zin heeft de solidariteit niet enkel een onmiddellijke, maar ook een historische weerslag .

Maar ongeacht het bestaan van dergelijke tradities, behoudt de solidariteit altijd een vrijwillig karakter. Daarom is de idee dat de staat de belichaming zou zijn van de solidariteit, zoals dat in het bijzonder gecultiveerd werd door de sociaal-democratie en het stalinisme, één van de grootste leugens uit de geschiedenis. De solidariteit kan niet opgelegd worden tegen iemands wil in. Zij is enkel mogelijk als diegenen die de solidariteit tot uitdrukking brengen en diegenen die haar ontvangen, de overtuiging delen van haar noodzaak. De solidariteit is de bindende kracht die een sociale groep bijeen houdt, die een groep van individuen omvormt tot één, verenigde kracht.

b) Net zoals de solidariteit is het vertrouwen een uitdrukking van het sociale karakter van de mensheid. Als zodanig vooronderstelt ze eveneens een gemeenschap van belangen. Ze kan enkel bestaan in verhouding tot andere menselijke wezens, met gedeelde doeleinden en activiteiten. Daaruit vloeien haar twee beginselen voort: wederzijds vertrouwen van de deelnemers, vertrouwen in het gedeelde doel. De voornaamste bases van het sociale vertrouwen zijn altijd een maximum aan helderheid en eenheid.

Nochtans berust het verschil tussen de menselijke arbeid en de dierlijke activiteit, tussen de arbeid van een architect en de bouw van een bijenkorf, zoals Marx het zegt, in het vooraf bedenken van de werkzaamheid op basis van een plan. Daarom is het vertrouwen altijd verbonden met de toekomst, met iets dat in het heden enkel bestaat in de vorm van een idee of een theorie. Tegelijkertijd is dat de reden waarom het wederzijds vertrouwen altijd concreet is,gebaseerd op de capaciteiten van een gemeenschap om een gegeven taak te vervullen.

Ook, en in tegenstelling tot de solidariteit die een activiteit is die enkel in het heden bestaat, is het vertrouwen vóór alles een activiteit die gericht is op de toekomst. En dat verleent het een bijzonder raadselachtig karakter, dat moeilijk te definiëren of te identificeren valt, moeilijk om te ontwikkelen of vast te houden. Er is bijna geen ander terrein van het menselijke leven dat met zoveel bedrog en zelfbedrog gepaard gaat. In feite is het vertrouwen gestoeld op ervaring, op het leren middels het aftasten, om realistische doelen te stellen en de geschikte middelen ervoor te ontwikkelen. Maar aangezien het tot taak heeft om het ontstaan mogelijk te maken van wat nog niet bestaat, verliest het niet zijn 'theoretisch' aspect. Geen enkele van de grote dingen tot stand gebracht door de mensheid zou ooit mogelijk geweest zijn zonder deze capaciteit te volharden in een realistische maar moeilijke taak, waarbij het onmiddellijke succes niet aanwezig is. De uitbreiding van het bewustzijnsbereik maakt een groei van het vertrouwen mogelijk , terwijl de greep van blinde en onbewuste krachten van de natuur, de maatschappij en het individu er toe neigen om dit vertrouwen te vernietigen. Het zijn niet zozeer de gevaren, die het menselijke vertrouwen ondergraven, maar veeleer de onbekwaamheid ze te begrijpen. Maar aangezien het leven zich constant blootstelt aan nieuwe gevaren is het vertrouwen een bijzonder broze kwaliteit, die jaren vereist om tot ontwikkeling te komen, maar die van de ene op de andere dag vernietigd kan worden.

Net zoals de solidariteit kan het vertrouwen niet uitgevaardigd, opgelegd worden, maar vereist het een structuur en een aangepaste atmosfeer voor zijn ontwikkeling. Wat de vraagstukken van solidariteit en vertrouwen zo moeilijk maakt, is dat ze niet enkel een zaak zijn van de geest maar ook van het hart. Het is nodig dat men zich 'geborgen voelt'. De afwezigheid van vertrouwen heeft op zijn beurt een overheersing van de angst, de twijfel en de verlamming van de bewuste collectieve krachten tot gevolg.

c) Terwijl de burgerlijke ideologie zich, door de zogenaamde 'dood van het kommunisme', vandaag in haar overtuiging gerustgesteld voelt, dat de perfectie van de maatschappij enkel wordt verzekerd door de uitschakeling van de zwakken in de strijd om het bestaan, zijn het in werkelijkheid de collectieve en bewuste krachten die de basis vormen voor de menselijke verheffing.

De voorlopers van de mensheid behoorden reeds tot die categorie van hoogontwikkelde diersoorten aan wie de sociale instincten een beslissend voordeel verschaften in de strijd om het bestaan. Deze soorten droegen reeds in zich de rudimentaire tekenen van de collectieve kracht: de zwakken werden beschermd en de krachten van elk individueel lid werd tot een kracht voor allen. Deze aspecten zijn cruciaal geweest voor de ontluiking van het menselijke ras, wier nakomelingen langer dan bij enige andere soort, hulpeloos blijven. Met de ontwikkeling van de menselijke maatschappij en de productiekrachten, is deze afhankelijkheid van het individu ten opzichte van de maatschappij alsmaar toegenomen. De sociale instincten (die Darwin 'altruïstisch' noemt), die reeds bestonden in de dierenwereld, nemen een steeds bewuster karakter aan. De belangeloosheid, de moed, de trouw, de toewijding aan de gemeenschap, de discipline en de eerlijkheid worden geroemd in de eerste culturele uitingen van de maatschappij, de eerste uitingen van een werkelijke menselijke solidariteit.

Maar de mens is bovenal het enige wezen dat voorwerpen gebruikt, die hij zelf heeft vervaardigd. Het is deze wijze van verwerven van bestaansmiddelen, die de menselijke activiteit toekomstgericht maakt.

"Bij het dier volgt de daad onmiddellijk op de indruk. Het zoekt zijn prooi of zijn voedsel en onmiddellijk spring het, lokt in de val, eet of doet wat nodig is om het te verkrijgen, en dit wordt overgeërfd als een instinct… Tussen de indruk en de daad van de mens, daarentegen, passeert er door zijn hoofd een lange reeks van gedachten en bedenkingen. Van waar komt dat verschil? Het is niet moeilijk om te zien dat het nauw verbonden is aan het gebruik van werktuigen. Op dezelfde wijze als dat de gedachten opduiken tussen de indrukken van de mens en zijn daden, verschijnt het werktuig tussen de mens en wat hij zoekt te bereiken. Bovendien, aangezien het werktuig zich bevindt tussen de mens en de externe objecten, moet de gedachte opduiken tussen de indruk en de verwezenlijking. Hij neemt het werktuig dus moet zijn geest hetzelfde circuit afleggen, niet de eerste indruk volgen". (Anton Pannekoek, Marxisme en Darwinisme).

Leren om "niet de eerste indruk te volgen" is een goede beschrijving van de sprong van de dierenwereld naar naar dat van de mensen, van het rijk van het instinct naar dat van het bewustzijn, van de immediatistische slaafsheid naar een toekomstgerichte activiteit. Elke belangrijke ontwikkeling in de eerste menselijke gemeenschappen gaat met de versterking van dit aspect gepaard. Ook met de opkomst van de eerste sedentaire landbouwgemeenschappen worden de ouderen niet meer gedood, maar geliefd als diegenen die ervaring kunnen overbrengen.

In wat men het primitieve kommunisme noemt, was dit embryonaire vertrouwen in de kracht van het bewustzijn in de beheersing van de natuurkrachten uiterst bescheiden, terwijl de kracht van de solidariteit in elke groep heel krachtig was. Maar tot aan de opkomst van de klassen, het privé-eigendom en de staat, versterkten deze twee krachten, hoe ongelijk ze ook waren, elkaar wederzijds,

De klassenmaatschappij doet deze eenheid uit elkaar spatten, drijft de strijd om de beheersing van de natuur op, maar vervangt in één en dezelfde maatschappij de sociale solidariteit door de klassenstrijd. Het zou fout zijn te geloven dat dit algemeen sociaal beginsel zou vervangen zijn door de klasse-solidariteit. In de geschiedenis van de klassenmaatschappijen is het proletariaat de enige klasse die in staat is tot een werkelijke solidariteit. Terwijl de heersende klassen altijd uitbuitende klassen geweest zijn voor wie de solidariteit nooit iets meer was dan belang van het moment, betekende het noodzakelijk reactionair karakter van de uitgebuite klassen uit het verleden dat hun solidariteit noodzakelijkerwijze een heimelijk karakter had, utopisch zoals de 'gemeenschap van goederen' van de eerste christenen en de sekten van de Middeleeuwen. De voornaamste uitdrukking van sociale solidariteit in de klassenmaatschappij vóór de opkomst van het kapitalisme, is die solidariteit die voortvloeide uit de overblijfselen van de natuureconomie, met de rechten en plichten die de aan elkaar tegengestelde krachten met elkaar verbonden daarbij inbegrepen. Dat werd uiteindelijk allemaal vernietigd door de warenproductie en haar veralgemening onder het kapitalisme.

"Indien in de huidige maatschappij de sociale instincten nog de kracht behouden hebben, dan is dat enkel dank zij het feit dat de veralgemeende warenproductie nog een nieuw verschijnsel vormt, nauwelijks een eeuw oud, en naarmate het primitief democratisch kommunisme verdwijnt en dat het (…) ophoudt de bron van sociale instincten te zijn, welt er een nieuwe en krachtigere bron op, de opkomende klassenstrijd van de uitgebuite volksmassa's" (Karl Kautsky De materialistische opvatting van de geschiedenis).

Met de ontwikkeling van de productiekrachten is het vertrouwen van de maatschappij in haar capaciteit om de natuurkrachten te beheersen versneld toegenomen. Het kapitalisme heeft in deze zin veruit de voornaamste bijdrage geleverd, culminerend in de 19eeeuw: de eeuw van de vooruitgang en het optimisme. Maar door, in de botsing van de concurrentie, de ene mens tegen de andere op te zetten en doord de klassenstrijd tot nog gekende hoogten op te zwepen, heeft het tegelijkertijd een andere pijler van het zelfvertrouwen, dat van de sociale eenheid, in een nooit vertoonde mate ondermijnd. Bovendien heeft hij, om de mensheid te bevrijden van de blinde krachten van de natuur, haar onderworpen aan nieuwe blinde krachten die heersen in maatschappij zelf: de krachten die ontketend werden door de warenproductie. Deze krachten heersen buiten de controle en zelfs buiten het inzicht – 'achter de rug om' – van de maatschappij om. Dit heeft op zijn beurt geleid tot de 20e eeuw, de meest tragische uit de geschiedenis, die een groot deel van de mensheid ondergedompeld heeft in een onbeschrijfelijke wanhoop.

In haar strijd voor het kommunisme baseert de arbeidersklasse zich niet louter op de ontwikkeling van de productiekrachten, die door het kapitalisme zijn voortgebracht, maar ze stoelt ook een deel van haar vertrouwen in de toekomst op de wetenschappelijke verworvenheden en de theoretische visies die tevoren door de mensheid zijn aangeleverd. Dat geldt ook voor de erfenis van de klasse in haar strijd voor een doeltreffende solidariteit, die elke ervaring van de mensheid tot op heden integreert in de schepping van sociale banden, eenheid van doel, vriendschapsbanden, houdingen van respect en aandacht voor de medestrijders, enzovoort.

Noten

1. De nummers in de tekst verwijzen naar de voetnoten onder aan de bladzijde

Overige referenties verwijzen naar teksten aan het einde van de tekst

2. Voor meer elementen over de analyse, die door de IKS werd gemaakt, over de vraagstukken van de omvorming van de kringgeest naar clangeest, over de clans die in onze organisatie hebben bestaan en over onze strijd die vanaf 1993 tegen die zwakheden werd gevoerd, zie onze tekst: 'Het vraagstuk van de functionering van de organisatie in de IKS' en ons artikel 'De strijd voor de verdediging van de beginselen van de organisatie', in Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nrs. 109 en 110

3. Het gaat om de onderzoekscommissie, die benoemd werd door het 14e Congres van de IKS. Zie over dit onderwerp ons artikel in Internationale Revue, engels-, frans- en paanstalige uitgave, nr. 110.

4. Over dit onderwerp, zie hierover ons artikel 'De strijd van het proletariaat in het verval van het kapitalisme', in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr.16. In dit artikel tonen wij aan waarom de strijd van de 20e eeuw, in tegenstelling tot in de 19e eeuw, niet kon steunen op een voorafgaande organisatie van de klasse.

5. In februari 1941 lokten de antisemitische maatregelen van de Duitse bezettingsmacht een massale mobilisatie uit van de Nederlandse arbeiders. Gestart op 25 februari breidde de staking zich 's anderendaags uit naar talrijke andere steden, voornamelijk naar Den Haag, Rotterdam, Groningen, Utrecht, Hilversum, Haarlem en zelfs tot in België, vooraleer zij wreedaardig werd onderdrukt door de gezagsdragers, voornamelijk door de SS. Zie hierover in ons boek over de ‘Geschiedenis van de Hollandse Linkerzijde', engels en franstalige uitgave, blz. 247.

6. De radenistische opvatting over het vraagstuk van de partij, die ontwikkeld werd door het Hollandse Linkerzijde en de bordigistische opvatting, een afstamming van de Italiaanse Linkerzijde, lijken op het eerste gezicht radicaal met elkaar in tegenspraak te zijn: de tweede meent dat het de rol van de kommunistische partij is om de macht te nemen en de dictatuur in naam van het proletariaat uit te oefenen, daarbij inbegrepen haar opstelling tegen het geheel van de klasse, terwijl de eerste van opvatting is dat elke partij, zelfs de kommunistische, een gevaar vormt voor de klasse, omdat ze voorbestemd is om onvermijdelijk misbruik te maken van haar macht ten koste van de belangen van de revolutie. In werkelijkheid komen beide opvattingen met elkaar overeen in het feit dat ze beiden een scheiding maken, ja zelfs een tegenstelling, tussen de partij en de klasse en dat zij beiden delen een fundamenteel gebrek aan vertrouwen ten opzichte van de arbeidersklasse. Voor de bordigisten heeft het geheel van de klasse niet de capaciteiten om de dictatuur uit te oefenen en het is om die reden dat deze taak toekomt aan de partij. Ondanks de schijn vertoont het radenisme niet méér vertrouwen in het proletariaat, aangezien ze meent dat deze laatste voorbestemd is om zich zijn macht te laten ontfutselen ten voordele van een partij vanaf het moment er zo’n partij bestaat.

7. Over onze analyse van de ontbinding, zie met name 'De Ontbinding, laatste fase in het verval van het kapitalisme' in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr.13.

8. Een tekst gepubliceerd onder de titel: ‘Het vraagstuk van de functionering van de organisatie in de IKS' in Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr.109.

9. Dat is zo omdat "In de dynamiek van de clan het gemeenschappelijk vertrekpunt niet een werkelijke politieke overeenstemming is, maar banden van vriendschap, van trouw, van een samenvallen van bijzondere persoonlijke interesses of van een gedeelde frustraties. (…) Als er zo’n dynamiek ontstaat dan laten de leden of de sympathisanten van de clan, in het gedrag wat ze vertonen en in de beslissingen die ze nemen, zich niet meer leiden door een bewuste en redelijke keuze gebaseerd op de algemene belangen van de organisatie, maar in functie van het uitgangspunt en de belangen van de clan, die ertoe neigen zich tegenover die van de organisatie te stellen". ('Het vraagstuk van de functionering in de IKS', in Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr. 109, blz. 29-30). Vanaf het moment dat militanten een dergelijke houding aannemen, worden ze ertoe gedreven om een strikte denkwijze, het Marxisme, de rug toe te draaien. En zo worden zij tot de dragers van een tendens tot theoretische en programmatische ontaarding. Om slechts één voorbeeld aan te halen, kan men teruggrijpen op de clan, die zich in 1984 in de IKS ontstond, en die later de 'Externe Fractie van de IKS' zouden gaan vormen. Ze is geëindigd door ons platform geheel in vraag te stellen. Het heeft hen er uiteindelijk toe gebracht heel ons platform in vraag stellen, waarvan zij zich opwierpen als de beste verdedigers, en ook de analyse van het verval van het kapitalisme te verwerpen, dat behoorde tot het erfgoed van de Kommunistische Internationale en van de Kommunistische Linkerzijde.

10. Toen Trotsky, na zijn ontsnapping uit Siberië, in 1902 aankwam in West-Europa, was zijn faam als getalenteerd redacteur hem reeds vooruitgesneld (één van de pseudoniemen die hem werden gegeven was 'Pero', de pen). Hij zou snel een medewerker worden van eerste orde van de Iskra, uitgegeven door Lenin en Plechanov. In maart 1903, schreef Lenin aan Plechanov en stelde hem voor Trotsky te coöpteren in de redactie van de Iskra maar hij botste op een weigering: in werkelijkheid vreesde Plechanov dat het talent van deze jonge militant (toen 23 jaar) zijn eigen prestige in de schaduw zou stellen. Het was één van de eerste tekenen van het afglijden van de persoon, die de voornaamste drijvende kracht was achter de opkomst van het marxisme in Rusland en die, nadat hij de mensjewiki had vervoegd, zijn carrière zou eindigen als een sociaal-chauvinist in dienst van de bourgeoisie.

A. Rosa Luxemburg: De Russische Revolutie

B. Hans-Christian Andersen: De nieuwe kleren van de keizer. We moeten toegeven dat de sprookjes van Andersen soms realistischer zijn dan de sprookjes die de claninsme ons graag voorschotelt

C. A. Pannekoek: Marxisme and Darwinisme.

D. K. Kautsky: Ethiek en de materialistische geschiedenisbeschouwing