Oriëntatietekst: Vertrouwen en solidariteit in de strijd van het proletariaat (Deel II)

Printvriendelijke versieSend by email

We publiceren hier het tweede deel van een oriëntatietekst, die in de zomer van 2001 in de IKS bediscussieerd en op de Buitengewone Conferentie van maart 2002 aangenomen werd. (1) Het eerste deel werd gepubliceerd in de Internationale Revue, frans-, engels, spaanstalig uitgave nr. 111en behandelde de volgende thema’s

- De gevolgen van de contrarevolutie op het zelfvertrouwen en de traditie van de solidariteit onder de huidige generatie van het proletariaat;

- Hoe de IKS door de zwakheid op het vlak van het vertrouwen en solidariteit aangetast is;

- De rol van het vertrouwen en de solidariteit in de geschiedenis van de mensheid

4. De dialectiek van het zelfvertrouwen van de arbeidersklasse: verleden, heden en toekomst

Aangezien het proletariaat de eerste klasse is in de geschiedenis van de maatschappij die een bewuste historische visie heeft, is het begrijpelijk dat de bases van zijn vertrouwen in zijn taak ook van historische aard zijn, en een resultante zijn van het geheel van het proces dat het heeft doen ontstaan. Om die reden in het bijzonder is dit vertrouwen op beslissende wijze gericht op de toekomst en bijgevolg op een theoretisch inzicht. Daarom is het aanscherpen van de theorie een wapen bij uitstek in het overstijgen van de aangeboren zwakheden van de IKS met betrekking tot de kwestie van het vertrouwen. Dit laatste is per definitie altijd het vertrouwen in de toekomst. Het verleden kan niet meer veranderd worden, dus kan er geen sprake zijn van vertrouwen dat gericht is naar het verleden.

Elke opkomende revolutionaire klasse baseert het vertrouwen in haar historische taak niet alleen op haar toekomstige doeleinden, maar net zozeer op haar ervaringen en al wat ze in het verleden heeft verwezenlijkt. Nochtans was het vertrouwen van de revolutionaire klassen van het verleden, en van de bourgeoisie in het bijzonder, voornamelijk geworteld in het heden – in de economische en politieke macht die zij verworven hadden in de bestaande maatschappij. Aangezien het proletariaat binnen het kapitalisme nooit een dergelijke macht zal bezitten, kan er van een dergelijke overheersing van het heden nooit sprake zijn. Zonder de capaciteit om te leren uit zijn ervaring uit het verleden en zonder een werkelijke helderheid en overtuiging in verband met zijn doel als klasse, kan het nooit het zelfvertrouwen verwerven dat nodig is om de klassenmaatschappij te overstijgen. In deze zin is het proletariaat, meer dan enige klasse uit het verleden voor hem, een werkelijk historische klasse in de volle betekenis van het woord. Het verleden, het heden en de toekomst zijn drie onmisbare bestanddelen van zijn zelfvertrouwen. Daarom staat het ook buiten kijf dat het marxisme, het wetenschappelijke wapen van de proletarische revolutie, door haar stichters het historisch en dialectisch materialisme genoemd werd.

a) Deze vooraanstaande rol van de toekomst schakelt de rol van het heden in de dialectiek van de klassenstrijd helemaal niet uit. Juist omdat het proletariaat een uitgebuite klasse is, heeft het er behoefte aan om zijn collectieve strijd te ontwikkelen opdat de klasse in haar geheel bewust zou worden van haar werkelijke kracht en van haar toekomstig potentieel. Deze noodzaak voor de klasse om in haar geheel zelfvertrouwen te verwerven, stelt een totaal nieuw probleem in het geschiedkundig verloop van de klassenmaatschappijen. Het zelfvertrouwen van de revolutionaire klassen uit het verleden, die uitbuitende klassen waren, baseerde zich altijd op een hiërarchie in elk van deze klassen en in de maatschappij in haar geheel. Ze berustte op de capaciteit om te bevelen, om andere partijen van de maatschappij haar eigen wil op te leggen, en bijgevolg op de controle van het productieapparaat en het staatsapparaat. Inderdaad was het kenmerkend voor de bourgeoisie dat ze, zelfs in haar revolutionaire fase, andere sociale categorieën vond om in haar dienst te vechten en, toen zijn eenmaal aan de macht was, steeds meer haar taken 'delegeerde' aan bezoldigde dienaren.

Het proletariaat kan haar historische taak niet delegeren aan om het even wie. Daarom is het aan de klasse zelf om haar zelfvertrouwen te ontwikkelen. En daarom is het vertrouwen in het proletariaat altijd noodzakelijkerwijze een vertrouwen in de klasse als geheel, nooit in een deel ervan.

Het feit dat het proletariaat een uitgebuite klasse is maakt dat zijn zelfvertrouwen een wisselend en zelfs een ongeregeld karakter heeft, dat hoogtes en laagtes kent en meegolft met de beweging van de strijd van de klasse. Bovendien worden de revolutionaire politieke organisaties zelf grondig beïnvloed door deze hoogtes en laagtes. De mate en de wijze waarop zij zich organiseren, zich hergroeperen en tussenkomen in de klasse, hangt in grote mate af van deze beweging. En zoals wij weten zijn in periodes van diepe terugval, enkel minuscule minderheden in staat hun vertrouwen in de klasse te bewaren.

Maar de schommelingen in het vertrouwen zijn niet enkel verbonden met de wisselvalligheden van de strijd van de klasse. Als uitgebuite klasse kan het proletariaat op ieder ogenblik het slachtoffer worden van een vertrouwenscrisis, zelfs in het vuur van revolutionaire strijd. De proletarische revolutie "onderbreekt voortdurend haar eigen verloop, komt op het schijnbaar volbrachte terug om er opnieuw aan te beginnen. En in het bijzonder "schrikt zij steeds weer terug voor de reusachtige omvang van haar eigen doel" zoals Marx schreef. (Karl Marx, De 18e Brumaire).

De Revolutie in Rusland van 1917 toont duidelijk aan dat niet alleen de klasse in haar geheel maar ook de revolutionaire partij aangetast kan worden door dergelijke aarzelingen. Tussen februari en oktober 1917, hebben de Bolsjewiki verschillende vertrouwenscrises doorgemaakt met betrekking tot de capaciteit van de klasse om de taken te vervullen die op de dagorde stonden. Crises die geculmineerd hebben in de paniek met betrekking tot de opstand, die het Centraal Comité beknelde.

De revolutie in Rusland is dus de beste illustratie van het feit dat de diepere wortels van het vertrouwen in het proletariaat, in tegenstelling tot die van de bourgeoisie, nooit kunnen liggen in het heden. Gedurende die dramatische maanden, was vooral Lenin de verpersoonlijking van het rotsvaste vertrouwen in de klasse, vertrouwen zonder hetwelk geen enkele overwinning mogelijk is. En hij is daarin geslaagd omdat hij op geen enkel moment de theoretische en historische methode, eigen aan het marxisme, heeft laten vallen.

Niettegenstaande dat gegeven is de massale strijd van het proletariaat een onmisbaar moment bij de ontwikkeling van het revolutionaire vertrouwen. Vandaag is het de sleutel tot heel de historische situatie. Doordat het in staat is om bij te dragen tot het heroveren van de klasse-identiteit, is het een voorwaarde voor de klasse als geheel om zich opnieuw de lessen uit het verleden eigen te kunnen maken en opnieuw een revolutionair perspectief te kunnen ontwikkelen.

Net zoals voor het vraagstuk van het klassebewustzijn, waarmee het nauw verbonden is, moeten wij twee dimensies onderscheiden van dit vertrouwen: enerzijds de historische, theoretische, programmatische en organisatorische accumulatie van het vertrouwen, vertegenwoordigd door de revolutionaire organisaties en, breder gezien, door het historische ontwikkelingsproces van de ondergrondse rijping van het bewustzijn in de klasse, anderzijds de graad en uitbreiding van het vertrouwen in de klasse als geheel op een gegeven moment.

b) De bijdrage van het verleden aan dit vertrouwen is niet minder onmisbaar. In de eerste plaats omdat de geschiedenis onweerlegbare bewijzen bevat van het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse. De bourgeoisie zelf begrijpt het belang van deze voorbeelden uit het verleden voor haar klasse-vijand, daarom valt ze deze erfenis constant aan, en vooral de Oktoberrevolutie van 1917.

In de tweede plaats berust een van de factoren, die het meest geschikt zijn om het proletariaat na een nederlaag een riem onder het hart te steken, op zijn capaciteit om zijn begane fouten te verbeteren en lessen te trekken uit de geschiedenis. In tegenstelling tot de burgerlijke revolutie die van overwinning naar overwinning gaat, wordt de eindzege van het proletariaat voorbereid doorheen een reeks van nederlagen. Het proletariaat is dus in staat om zijn voorbije nederlagen om te vormen tot elementen van vertrouwen in de toekomst. Het was een van de basisbeginselen van het vertrouwen die Bilan overeind gehouden heeft in de donkerste periode van de contra-revolutie. Hoe dieper het vertrouwen in de klasse geworteld is, des te meer de revolutionairen de moed hebben om hun eigen zwakheden en die van de klasse genadeloos te bekritiseren. Hoe minder behoefte ze er aan hebben om zichzelf te troosten, des te meer zullen ze zich kenmerken door een nuchtere helderheid en de afwezigheid van dwaze euforie. Zoals Rosa Luxemburg het ontelbare keren heeft herhaald, de taak van de revolutionairen is te zeggen hoe de zaken er voor staan.

Op de derde plaats is de continuïteit, in het bijzonder het vermogen om lessen door te geven van de ene generatie op de andere, altijd fundamenteel geweest voor de ontwikkeling van het zelfvertrouwen van de mensheid. De vernietigende gevolgen van de contra-revolutie op het proletariaat zijn er het negatieve bewijs van. Voor ons is het vandaag des te belangrijker de lessen uit de geschiedenis te bestuderen, om onze eigen ervaring en die van de gehele arbeidersklasse over te dragen aan de generaties van revolutionairen, die ons zullen opvolgen.

c) Maar het is het toekomstperspectief dat de meest grondige basis vormt voor ons vertrouwen in het proletariaat. Het kan paradoxaal lijken. Hoe is het mogelijk om een vertrouwen te grondvesten op iets dat nog niet bestaat? Maar dit perspectief bestaat wel degelijk. Het bestaat als een bewust doel, als een theoretische constructie, net zoals een ontworpen gebouw reeds bestaat in het hoofd van de architect. Vooraleer het proletariaat het in de praktijk zal verwezenlijken, is het de architect van het kommunisme.

Wij hebben al gezien dat, toen het proletariaat als een onafhankelijke kracht verscheen op het toneel van de geschiedenis, tegelijk het perspectief van het kommunisme ontstond: niet het collectieve bezit van de consumptiemiddelen, maar van de productiemiddelen. Dit idee is het gevolg van de scheiding van de producenten van de productiemiddelen, via de loonarbeid en de socialisering van de arbeid. Anders gezegd: dit idee is het product van het proletariaat, van zijn plaats in de kapitalistische maatschappij. Of zoals Engels het schrijft in de Anti-Dühring, de voornaamste tegenstelling in het hart van het kapitalisme is die tussen twee sociale beginselen, een collectief beginsel, vertegenwoordigd door het proletariaat, en een individueel, anarchistisch beginsel, gebaseerd op het privé-eigendom van de productiemiddelen, vertegenwoordigd door de bourgeoisie.

Het kommunistisch perspectief was al opgedoken voor de proletarische strijd zijn revolutionair potentieel had geopenbaard. Wat deze gebeurtenissen hebben verduidelijkt is dat enkel de arbeidersstrijd kan leiden tot het kommunisme. Maar het perspectief zelf bestond al vooraf. Het baseerde zich voornamelijk op de lessen uit het verleden en het heden van de toenmalige proletarische strijd. En zelfs in de jaren 1840, toen Marx en Engels begonnen met het omvormen van het socialisme van utopie tot wetenschap, had de klasse nog niet veel tastbare bewijzen gegeven van haar revolutionaire kracht.

Dit houdt in dat, vanaf het begin de theorie zelf een wapen was van de strijd van de klasse. En tot aan de nederlaag van de revolutionaire golf was, zoals wij gezegd hebben, deze visie op zijn historische rol cruciaal om de klasse vertrouwen te geven om de confrontatie aan te gaan met het kapitaal.

De revolutionaire theorie is voor het proletariaat dus, tegelijkertijd met de onmiddellijke strijd en de lessen uit het verleden, een belangrijke factor van vertrouwen geweest, in het bijzonder van zijn diepgaande ontwikkeling, maar op lange termijn ook van zijn uitbreiding. Aangezien de revolutie enkel kan plaatsgrijpen als een bewuste daad, kan ze enkel zegevieren als de revolutionaire theorie de massa's begeestert.

In de burgerlijke revolutie was het perspectief nauwelijks meer dan een projectie van de geest van de evolutie uit het heden en het verleden: de graduele verovering van de macht binnen de oude maatschappij. Voorzover de bourgeoisie kwam aanzetten met een theorie over de toekomst, kwam dit neer op platte misleidingen die als voornaamste taak hadden de revolutionaire passie aan te wakkeren. Het onwerkelijke karakter van deze visies stoorde geenszins de zaak waarvoor ze dienden. Voor het proletariaat daarentegen is de toekomst het vertrekpunt. In de mate waarin het slaagt om zijn kracht als klasse geleidelijk op te bouwen binnen het kapitalisme, wordt de helderheid een van zijn meest onmisbare wapens.

"De klassieke idealistische filosofie heeft altijd gesteld dat de mensheid in twee verschillende werelden leeft, de materiële wereld waarin de schaarste heerst en die van de geest of de verbeelding waarin de vrijheid heerst.

Ondanks de noodzaak om deze twee werelden te verwerpen, waarin volgens Plato en Kant de mensheid leeft, is het toch correct om te stellen dat de menselijke wezens in twee verschillende werelden leven (…) De twee werelden waarin de mensheid leeft zijn het verleden en de toekomst. Het heden is de grens tussen de twee. Heel haar ervaring berust in het verleden (…) Zij kan daar niets meer aan veranderen, al wat ze kan doen is haar noodzakelijkheid aanvaarden. Ook de wereld van de ervaring, de wereld van de kennis is die van de noodzaak. Voor de toekomst ligt dat anders. Daar heb ik niet de minste ervaring van. Hij stelt zich blijkbaar helemaal vrij aan mij voor, als een wereld die ik kan ervaren op basis van kennis, maar waarin ik mijn moet bevestigen door daden. (…) Handelen wil altijd zeggen: kiezen tussen verschillende mogelijkheden, en zelfs al is het enkel tussen handelen of niet handelen, dan wil dat zeggen aanvaarden of verwerpen, verdedigen of aanvallen. (…) Maar niet enkel het gevoel van vrijheid is een voorwaarde voor de actie, maar ook de gegeven doelinden. Als de wereld van het verleden wordt geregeerd door de verhouding tussen oorzaak en gevolg, dan wordt die van de actie, van de toekomst geregeerd door de doelgerichtheid (teleologie)" (Kautsky, De materialistische opvatting van de geschiedenis)

Reeds voor Marx had Hegel het probleem van de verhouding tussen de noodzaak en vrijheid, tussen het verleden en de toekomst op theoretisch wijze had opgelost. De vrijheid bestaat er in te doen wat noodzakelijk is, zei Hegel. Met andere woorden: de mens vergroot zijn vrije ruimte, niet door te revolteren tegen de evolutiewetten van de wereld, maar door ze te begrijpen en te gebruiken voor zijn eigen doel. "De noodzaak is slechts blind in de mate waarin ze niet begrepen wordt" (Hegel, Encyclopedie van de filosofische wetenschappen). Op dezelfde manier is het voor het proletariaat noodzakelijk om de wetten van de geschiedenis te begrijpen en dus zijn historische taak te vervullen. Daaruit vloeit voort dat indien de wetenschap en, met haar, het vertrouwen van de bourgeoisie in grote mate gebaseerd waren op een groeiend inzicht in de natuurwetten, zijn de wetenschap en het zelfvertrouwen van de arbeidersklasse gebaseerd op een begrip van de maatschappij en de geschiedenis.

Zoals MC (2) in een bijdrage ter verdediging van de klassiekers van het marxisme over het vraagstuk aangetoond heeft, moet in de revolutionaire beweging de toekomst overheersen over het verleden en het heden, want dat is wat zijn richting bepaalt. De overheersing van het heden leidt onvermijdelijk tot aarzelingen, die een enorme kwetsbaarheid scheppen tegenover de invloed van de kleinburgerij, de personificatie van de aarzeling. De overheersing van het verleden leidt tot het opportunisme en dus tot de invloed van de bourgeoisie als bastion van de moderne reactie. In het tweede geval leidt het verlies van een langetermijnvisie tot de teloorgang van de revolutionaire richting.

Zoals Marx zei:"De sociale revolutie van de 19e eeuw kan haar poëzie niet putten uit het verleden, maar enkel uit de toekomst". (Karl Marx, Idem)

Daaruit moeten wij concluderen dat het immediatisme de voornaamste vijand is van het zelfvertrouwen van het proletariaat, niet alleen omdat de weg naar het kommunisme lang en bochtig is, maar ook omdat dit vertrouwen geworteld is in de theorie en in de toekomst, terwijl het immediatisme een capitulatie is voor het heden, voor de bewondering van de onmiddellijke feiten. In de geschiedenis is het immediatisme de overheersende factor geweest voor de desoriëntatie binnen de arbeidersbeweging. Het lag aan de basis van alle tendensen om 'de beweging vóór het doel' te stellen, zoals Bernstein het verwoordde, en dus de klasse-beginselen te laten vallen. Of het nu de vorm aanneemt van het opportunisme zoals bij de revisionisten in de overgang van de wending van de 19e naar de 20e eeuw of bij de trotskisten in de jaren 1930. Of het nu de vorm aanneemt van het avonturisme zoals bij de Onafhankelijken (USPD) in 1919 of bij de KPD in 1921 in Duitsland, dit kleinburgerlijk politiek ongeduld leidt altijd naar het verraad van de toekomst voor een bord linzensoep, om een beeld uit de bijbel te gebruiken. Aan de basis van deze rare houding, ligt altijd een verlies van vertrouwen in de arbeidersklasse.

In de historische verheffing van het proletariaat vormen verleden, heden en toekomst een eenheid. Tezelfdertijd loert er bij ieder van deze 'werelden' een specifiek gevaar om de hoek. Het gevaar met betrekking tot het verleden is het vergeten van de lessen. Het gevaar ten aanzien van het heden is slachtoffer te worden van wat ons onmiddellijk voorgeschoteld wordt. Het gevaar met betrekking tot de toekomst is het verwaarlozen en verslappen van de theoretische inspanningen.

Dit herinnert ons er aan dat de verdediging en de ontwikkeling van de theoretische wapens van de arbeidersklasse de specifieke taak vormen van de revolutionaire organisaties, en dat deze laatste een bijzondere verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het in het bewaren van het historische vertrouwen in de klasse.

5. Het vertrouwen, de solidariteit en de partijgeest zijn nooit definitieve verworvenheden

Zoals we gezegd hebben, vormen de helderheid en de eenheid de belangrijkste bases voor een vertrouwde sociale actie. In het geval van de strijd van de internationale proletarische klasse, is het evident dat deze eenheid niet meer is dan een tendens die zich op een dag zal kunnen doorzetten via een arbeidersraad op wereldvlak. Maar politiek gezien zijn de eenheidsorganisaties, die opduiken in de strijd, reeds de uitdrukking van deze tendens. Zelfs buiten deze georganiseerde uitdrukkingen drukt de solidariteit – haar uitdrukking op het individueel vlak daarbij inbegrepen – ook deze eenheid uit. Het proletariaat is de eerste klasse in wiens schoot er geen economische uiteenlopende belangen heersen; en in deze zin kondigt zijn solidariteit de aard van de maatschappij aan waarvoor zij strijdt.

Nochtans is de revolutionaire organisatie en het programma dat zij verdedigt de belangrijkste en meest permanente uitdrukking van de eenheid van de klasse. In feite is deze laatste de meest ontwikkelde belichaming van het vertrouwen in het proletariaat – en ook zijn meest ingewikkeldste.

Als dusdanig vormt het vertrouwen het hart van de opbouw van een dergelijke organisatie. Hier komt van de taak van het proletariaat op directe wijze tot uitdrukking in het politieke programma van de klasse, in de marxistische methode, in de historische capaciteit van de klasse, in de rol van de organisatie tegenover de klasse, in haar functioneringsprincipes, in het zelfvertrouwen van de militanten en de verschillende delen van de organisatie in zichzelf en in de anderen. Het gaat in het bijzonder om de eenheid van de verschillende politieke en organisatorische beginselen die zij verdedigt en de eenheid tussen de verschillende delen van de organisatie zijn de meest directe uitdrukkingen van het vertrouwen in de klasse: eenheid van doel en actie, van doel van de klasse en van de middelen om er te komen.

De twee belangrijkste aspecten van dit vertrouwen zijn het politieke en organisatorische leven. Het eerste komt tot uiting in de trouw aan de politieke beginselen, maar ook in de capaciteit om de marxistische theorie te ontwikkelen als antwoord op de evolutie van de werkelijkheid. Het tweede uit zich in de trouw aan de proletarische functioneringsbeginselen en de capaciteit om een werkelijk vertrouwen en solidariteit te ontwikkelen in de schoot van de organisatie. Een afzwakking van het vertrouwen op een van deze twee vlakken zal altijd tot gevolg hebben dat de eenheid – en het bestaan – van de organisatie in vraag gesteld wordt..

Op organisatorisch vlak is de meest ontwikkelde uitdrukking van dit vertrouwen, van deze solidariteit en van deze eenheid wat Lenin de partijgeest heeft genoemd. In de geschiedenis van de arbeidersbeweging zijn er drie beroemde voorbeelden geweest waar die partijgeest in praktijk werd gebracht: de Duitse partij (SPD) in de jaren 1870 en 1880, de Bolsjewiki vanaf 1903 tot aan de revolutie, de Italiaanse partij (PCI) en de Fractie die er, na de revolutionaire golf, uit voortgekomen is. Deze voorbeelden zullen ons helpen om de aard en de dynamiek aan te tonen van de partijgeest en de gevaren die haar bedreigen.

a) Wat de Duitse partij (de SPD in de 19e eeuw) in dit verband kenmerkte was haar functioneringswijze volgens beginselen, die uitgestippeld waren door de Eerste Internationale in haar strijd tegen het bakoenisme (en het lasallisme). Haar beginselen werden verankerd in de hele partij via een reeks van organisatorische gevechten en in de strijd voor de verdediging van de organisatie tegen de staatsrepressie: zo werd een traditie van solidariteit was gesmeed tussen de militanten en de verschillende delen van de organisatie. In feite heeft de SPD in die 'heldhaftige' periode van clandestiniteit de tradities ontwikkeld van de verdediging van de beginselen, zonder toegevingen te doen op het vlak van theoretische studie en organisatorische eenheid, dat van haar een natuurlijke leider maakte van de internationale arbeidersbeweging. De dagelijkse solidariteit in haar rangen was een krachtige katalysator van al deze kwaliteiten. Bij de wending van de eeuw was de partijgeest evenwel bijna compleet dood, zodanig dat Rosa Luxemburg kon verklaren dat er meer menselijkheid was in een Siberisch dorp dan in de hele Duitse partij (SPD) (Rosa Luxemburg, Correspondentie met Klara Zetkin). De verdwijning van deze solidariteit kondigde, lang voor het effectieve programmatische verraad, het toenmalige verraad in feite al aan. b) Maar de vlag van de partijgeest werd overgenomen door de Bolsjewiki. Daar vindt men dezelfde kenmerken terug. De Bolsjewiki hebben hun organisatorische beginselen geërfd van de Duitse partij (SPD), middel een reeks organisatorische gevechten hebben zij ze verankerd in iedere sectie en in elk lid, en via het jarenlange clandestiene werk de levendige solidariteit gesmeed. Zonder deze kwaliteiten zou de partij nooit de test van de revolutie hebben kunnen doorstaan. Alhoewel de partij in augustus 1914 en oktober 1917 een reeks van politieke crises heeft doorgemaakt en zelfs herhaaldelijk heeft moeten antwoorden op het binnendringen van openlijk burgerlijke standpunten in haar rangen en haar leiding (zoals de steun aan de oorlog in 1914 en na februari 1917), zijn de eenheid van de organisatie, haar vermogen om haar verschilpunten te verhelderen, haar fouten te verbeteren en tussen te komen in de klasse niet in vraag gesteld.. c) Zoals wij weten was de partijgeest in de partij van Lenin ver voor de eindzege van het stalinisme compleet teruggelopen. Maar eens te meer werd de vlag tegenover de stalinistische contra-revolutie, overgenomen: deze keer door de Italiaanse partij (PCI) en daarna door de Italiaanse Fractie. Deze partij werd de erfgenaam van de organisatorische beginselen en tradities van het bolsjewisme. In haar strijd tegen het stalinisme en door haar later te verrijken met de visie en de methode van de Fractie heeft ze haar visie ontwikkeld op de partij. En dat heeft plaatsgevonden in de meest verschrikkelijke objectieve omstandigheden, waarin, eens te meer, een levendige solidariteit gesmeed moest worden.

Op het einde van de Tweede Wereldoorlog, heeft de Italiaanse Linkerzijde op haar beurt de organisatorische verworvenheden, waarvan ze zo doordrongen was, de rug toegekeerd. In feite hebben noch de half-religieuze parodie van het collectieve leven dat ontwikkeld werd door het naoorlogse bordigisme (PCI-Programme), noch het informalistische federalisme van Battaglia Communista (BC) iets te maken met het organisatorische leven van de Italiaanse Linkerzijde van de jaren 1920 en 1930. In het bijzonder werd het eigenlijke concept van de Fractie verlaten.

Daarna was het de Franse Linkerzijde (GCF) die op haar beurt de erfenis van deze organisatorische beginselen en de strijd voor de partijgeest op zich nam. En vandaag het komt op de IKS aan om deze erfenis verder te doen leven.

d) De partijgeest is nooit een definitieve verworvenheid. De organisaties en stromingen uit het verleden, die dat het best hebben belichaamd, zijn allen geëindigd met hem compleet en definitief verlies ervan. In ieder van de gegeven voorbeelden waren de omstandigheden, waarin de partijgeest verdween, verschillend. De ervaring van de trage ontaarding van een massapartij of de integratie van een partij in het staatsapparaat van een geïsoleerd arbeidersbastion zullen zich wellicht nooit meer herhalen. Desalniettemin vallen er algemene lessen uit te trekken. In ieder geval:

- is de partijgeest verdwenen op een moment van een historisch keerpunt: in Duitsland tussen de opkomst- en het vervalperiode van het kapitalisme, in Rusland met de ontaarding van de revolutie, en voor de Italiaanse Linkerzijde in de periode tussen de revolutie en de contra-revolutie. Vandaag wordt de partijgeest bedreigd door de opkomst van de fase van ontbinding;

- heeft de illusie dat kwesties in het verleden gerealiseerde kwesties zijn definitief de noodzakelijke waakzaamheid gekregen. De Kinderziekte van het Komununisme van Lenin is een perfecte illustratie van deze illusie. Vandaag zit hetzelfde gevaar vervat in de overschatting van de organisatorische rijpheid van de IKS;

- hebben het immediatisme en het ongeduld de deur opengezet voor het programmatische en organisatorische opportunisme. Het voorbeeld van de Italiaanse Linkerzijde spreekt boekdelen omdat het historisch het dichtst bij ons staat. Het verlangen om er eindelijk toe te komen zijn invloed te vergroten en nieuwe leden te werven, heeft de Italiaanse Linkerzijde ertoe aangezet om in 1943-'45 de lessen van de Fractie te laten varen en die de bordigistische PCI er in 1980-81 toe bracht om bepaalde van haar programmatische beginselen te laten varen. Vandaag wordt de IKS op zijn beurt geconfronteerd met gelijkaardige pogingen die verweven zijn met de historische situatie.

- is het laten varen van deze partijgeest op organisatorisch vlak de uitdrukking geweest van het verlies van vertrouwen in de arbeidersklasse die onvermijdelijk ook op het politieke vlak tot uiting is gekomen (verlies aan programmatische helderheid). Dit is tot op heden nooit het geval geweest voor de IKS. Maar het is altijd het geval geweest voor de 'tendensen' die zich afgesplitst hebben van de IKS (zoals de FECCI of de 'Cercle de Paris' die de analyse van het verval verworpen hebben).

In de laatste maanden (van 2001) is het vooral de gelijktijdige afzwakking van onze theoretische inspanningen en de waakzaamheid, een zekere euforie met betrekking tot de vooruitgang van de organisatie en dus een verblinding ten opzichte van onze moeilijkheden die het gevaar aan het licht brengen van een verlies van de partijgeest, van een organisatorische ontaarding en een theoretische verkalking. De ondermijning van het vertrouwen in onze rangen en het onvermogen om definitieve stappen vooruit te zetten in de ontwikkeling van de solidariteit zijn de overheersende factoren geweest van deze tendens die, potentieel, kon leiden tot een programmatisch verraad of de verdwijning van de organisatie.

6. Geen partijgeest zonder individuele verantwoordelijkheid

Na de strijd tegen het clanisme, van 1993-'96, zijn er houdingen van wantrouwen beginnen op te duiken ten opzichte van de politieke en sociale verhoudingen tussen de kameraden buiten het formele kader van de vergaderingen en de gemandateerde activiteiten. De vriendschap, de liefdesverhoudingen, de banden en sociale activiteiten, de gebaren van persoonlijke solidariteit, de politiek en andere discussies onder kameraden zijn soms, in de praktijk, behandeld als een noodzakelijk kwaad, en feite als het terrein bij uitstek voor de ontwikkeling van het clanisme. In tegenstelling daarmee begon men de formele structuren van onze activiteiten als het ware te beschouwen als een waarborg tegen de terugkeer van het clanisme.

Dergelijke reacties tegen het clanisme brengen aan het licht dat er een onvoldoende assimilatie was van onze analyse, die ons ontwapende tegen dat gevaar. Zoals we zeiden, duikt het clanisme voor een deel op als een fout antwoord op een reëel probleem van gebrek aan vertrouwen en solidariteit in onze rangen. Meer nog: de vernietiging van de wederzijdse verhoudingen van vertrouwen en solidariteit onder de kameraden, die werkelijk bestond, is voornamelijk te wijten aan het werk van het clanisme en heeft de voorwaarden voorbereid voor een nieuwe ontwikkeling ervan. Het is vóór alles het clanisme dat de geest van vriendschap heeft ondergraven: werkelijke vriendschap is nooit gericht tegen een derde persoon en sluit nooit wederzijdse kritiek uit. Het clanisme heeft de onontbeerlijke politieke discussies en sociale banden onder de kameraden vernietigd door ze om te vormen tot 'informele discussies' achter de rug om van de organisatie. Door de toename van de atomisering en door de afbraak van het vertrouwen, door op overdreven en onverantwoorde wijze tussen te komen in het persoonlijke leven van de kameraden door hen sociaal te isoleren van de organisatie, ondermijnde het clanisme de natuurlijke solidariteit, die zich moet uitdrukking in 'de plicht tot zorg' van de organisatie ten opzichte van de persoonlijke moeilijkheden die haar militanten kunnen ondervinden.

Het is onmogelijk om het clanisme met zijn eigen wapens te bestrijden. We kunnen ons alleen weerbaarder maken tegen het clanisme, niet door het wantrouwen tegenover de volledige ontwikkeling van het politieke en sociale leven buiten het eenvoudige formele kader van de sectievergaderingen, maar door het werkelijke vertrouwen in deze traditie van de arbeidersbeweging.

Achter dit onterechte wantrouwen tegenover het 'informele' leven van een arbeidersorganisatie schuilt de kleinburgerlijke utopie van een waarborg tegen de kringgeest, die kan leiden tot een zinsbegoochelend dogma van een catechismus tegen het clanisme. Een dergelijke benadering neigt er toe om de statuten om te vormen tot rigide wetten, 'de plicht tot zorg' tot bewaking en de solidariteit tot een inhoudsloos ritueel.

Een van de manieren waarop de kleinburgerij haar angst voor de toekomst uitdrukt is via een ziekelijk dogmatisme dat een bescherming lijkt te bieden tegen het gevaar van het onvoorziene. Dat was wat de 'oude garde' van de Russische partij (Bolsjewiki) ertoe bracht om Lenin er voortdurend van te beschuldigen dat hij de beginselen en de tradities van het bolsjewisme liet vallen. Het is een soort conservatisme die de revolutionaire geest ondermijnt. Niemand is vrij van dit gevaar, zoals het debat over het Poolse vraagstuk in de socialistische internationale (Tweede Internationale) toont. Hierin namen Willem Liebknecht, maar Engels ook gedeeltelijk, een dergelijke conservatieve houding aan toen Rosa Luxemburg de noodzaak stelde om het oude standpunt van steun aan de onafhankelijkheid van Polen te herzien.

Omdat het clanisme in werkelijkheid een uitvloeisel is van onstabiele tussenlagen zonder toekomst, is het niet alleen in staat, maar er zelfs toe veroordeeld om altijd veranderende vormen en kenmerken aan te nemen. De geschiedenis toont aan dat het clanisme niet enkel de vorm aanneemt van het informalisme van de kunstenaarswereld en de parallelle structuren waar gedeclasseerden zo tuk op zijn, maar dat het eveneens in staat is om officiële structuren van de organisatie te gebruiken en de schijn van een formalisme en kleinburgerlijk routinisme te promoten voor haar parallelle politiek. Terwijl in een organisatie, waar de partijgeest zwak en de geest van contestatie sterk is, heeft een informele clan meer kans op succes. In een striktere atmosfeer, waar een groot vertrouwen heerst in de centrale organen, kan een formeeloptreden en de aanpassing van officiële structuren perfect beantwoorden aan de behoeften van het clanisme.

In werkelijkheid bevat het clanisme twee kanten van dezelfde medaille. Historisch gezien is het veroordeeld om te laveren tussen twee polen die elkaar op het eerste gezicht uitsluiten. In het geval van Bakoenin, zitten die twee aspecten vervat in een 'hogere synthese': de absolute individuele vrijheid van het anarchisme, uitgebazuind door de officiële Alliantie, en het blinde vertrouwen en gehoorzaamheid die geëist werden door de Geheime Alliantie: "Net als Jezuïeten, maar met als het doel, niet de onderwerping maar de ontvoogding van het volk, heeft ieder onder hen verzaakt aan zijn eigen wil. In het Comité, zoals in de hele organisatie, is het niet het individu dat nadenkt, wil en ageert maar het collectief " schreef Bakoenin. Wat deze organisatie kenmerkt, zo gaat hij verder, is "het blinde vertrouwen dat haar geboden wordt door bekende en gerespecteerde persoonlijkheden". Bakoenin, 'Oproep tot de officieren van het Russische leger' (Franse vertaling in La première Internationale, T.II door Jacques Freymont, Genève, 1962).

De sociale verhoudingen die geroepen zijn om een rol te spelen in een dergelijke organisatie, zijn duidelijk:

"Alle gemoedsleven, de gevoelens van verwekking van familieverbanden, van vriendschap, van liefde, van erkenning moeten onderdrukt worden bij hem voor de unieke en koude passie van het revolutionaire werk" (Bakoenin, De revolutionaire catechismus (Idem)).

Hier kan men duidelijk zien dat het monolithisme geen uitvinding is van het stalinisme maar reeds vervat zat in het gemis aan vertrouwen in de historische taak, het collectieve leven en de proletarische solidariteit, dat kenmerkend is voor het clanisme. Voor ons is daar niets nieuws noch verrassend aan. Het is de welbekende kleinburgerlijke vrees voor de individuele verantwoordelijkheid die, in onze dagen, een groot aantal personen, die enorm individualistisch zijn ingesteld, in de armen drijft van verschillende sekten waar ze niet langer voor zichzelf hoeven te denken en te handelen.

Het is werkelijk een illusie te geloven dat men het clanisme kan bestrijden zonder de verantwoordelijkheid van de individuele leden van de organisatie. Het zou van paranoia getuigen om te denken dat de 'collectieve' bewaking de individuele overtuiging en waakzaamheid in deze strijd kan vervangen. In werkelijkheid is het clanisme de belichaming van het gemis aan vertrouwen in het werkelijke collectieve leven en in de mogelijkheid van de werkelijke individuele verantwoordelijkheid.

Wat is het verschil tussen de discussies onder kameraden buiten de vergaderingen en de 'informele discussies' van het clanisme? Is dit afhankelijk van het feit dat de eerste wel en de tweede niet gerapporteerd zouden worden aan de organisatie? Ja, ook al is het niet mogelijk elke discussie formeel te rapporteren. Meer fundamenteel beslissend is de houding waarmee een dergelijke discussie wordt gevoerd. Wij moeten allemaal zelf de partijgeest ontwikkelen want niemand zal dat voor ons doen. Deze partijgeest zal altijd een dode letter blijven als militanten niet kunnen begrijpen dat ze vertrouwen moeten hebben in elkaar. Evenzo kan er geen levendige solidariteit bloeien zonder een persoonlijke inzet van elke militant op dit vlak.

Als de strijd tegen de kringgeest enkel afhankelijk zou zijn van de gezondheid van de formele collectieve structuren, zou er nooit een probleem van clanisme bestaan in de proletarische organisaties. De clans ontwikkelen zich als gevolg van het afzwakken van de waakzaamheid en de verantwoordelijkheid op individuele vlak. Daarom is een deel van de Oriëntatietekst van 1993 (3) gewijd aan de identificatie van de gedragingen, waartegen elke militant zichzelf moet wapenen. Deze individuele verantwoordelijkheid is onmisbaar, niet alleen in de strijd tegen het clanisme, maar ook in de positieve ontwikkeling van een gezond proletarisch leven. In een dergelijke organisatie, hebben de militanten geleerd om voor zichzelf te denken en hun vertrouwen is verankerd in een theoretisch, politiek en organisatorisch inzicht in de aard van de proletarische zaak, niet in de trouw aan deze of gene kameraad of centraal comité.

"De 'nieuwe koers' moet ermee beginnen dat wij allen - van de eenvoudigste beambte tot de allerhoogste - het gevoel hebben dat niemand de Partij meer zal kunnen terroriseren. Onze jeugd moet zich niet afstompen om onze regels te herhalen. Zij moet ze verwerven, ze assimileren, er zijn mening en zijn eigen beeld over vormen, en in staat zijn om deze visies te verdedigen met de moed, die voortspruit uit een diepe overtuiging en een volledige onafhankelijkheid van karakter. Weg met de partij, met de passieve gehoorzaamheid die haar pas afstemt op die van de chefs; weg met de partij met het onpersoonlijke, de slaafsheid, het carrièrisme! De bolsjewiek is niet enkel een gedisciplineerde iemand: het is een mens die zich, in elk geval en ten opzichte van elk vraagstuk, een stevige mening smeedt en deze moedig verdedigt, niet alleen tegenover zijn vijanden, maar ook in zijn eigen partij" (Leon Trotsky, Nieuwe Koers).

En Trotsky voegt er aan toe "Net als in de revolutie, draait het in de militaire kunst om de waarachtigheid en de verantwoordelijkheidszin" (Trotsky, Over het routinisme in het leger en elders).

De collectieve verantwoordelijkheid en de individuele verantwoordelijkheid zijn, verre van elkaar wederzijds uit te sluiten, van elkaar afhankelijk en bepalen elkaar. Zoals Plechanow het ontwikkelt, is de eliminatie van het individu in de geschiedenis onverzoenbaar met het marxisme:"Terwijl sommige subjectivisten, begerig om aan het ‘individu’ een zo belangrijk mogelijke rol in de geschiedenis toe te schrijven, ontkenden dat de historische beweging zich voltrekt volgens vaste wetten, waren enkele van hun jongste tegenstanders klaarblijkelijk bereid om in hun drang om beter te laten uitkomen dat deze beweging aan wetten gehoorzaamt, te vergeten, dat het de mensen zijn die de geschiedenis maken, en dat als gevolg daarvan het optreden van de enkelingen in die wetmatigheid noodzakelijkerwijs een rol speelt." (G.Pechanov, Over de rol van de persoonlijkheid in de geschiedenis, Progres).

Een dergelijke verwerping van de verantwoordelijkheid van de individuen is eveneens verbonden met het kleinburgerlijk democratisme, die er naar uitkijkt om ons beginsel 'ieder naar vermogen' te vervangen door de reactionaire utopie van de gelijkschakeling van de leden van een collectief lichaam. Dit project, dat verworpen werd in de Oriëntatietekst van 1993, is niet het doel van de organisatie vandaag, noch van de toekomstige kommunistische maatschappij.

Een van de taken die wij allen hebben, is het leren van het voorbeeld van alle grote revolutionairen (de beroemde evenals alle anonieme strijders van onze klasse) die onze programmatische en organisatorische beginselen nooit verraden hebben. Dit heeft niets uit te staan met wat voor personencultus dan ook. Zoals Plechanow besluit in zijn beroemde essay over de rol van het individu in de geschiedenis: " En niet alleen voor de inluiders voor de ‘grote’ mannen opent zich een wijds veld van actie, maar ook voor allen die ogen hebben om te zien, oren om te horen en een hart om hun naaste lief te hebben. Het begrip groot is relatief. Moreel groot is hij, die volgens de uitdrukking van het evangelie ‘zijn leven geeft voor zijn naaste’." (G. Plechanow, Idem)

Bij wijze van besluit

Hieruit volgt dat de assimilatie en de uitdieping van de vraagstukken, die wij meer dan een jaar geleden zijn begonnen te bediscussiëren, vandaag een prioriteit zijn.

Het behoort tot de taak van het bewustzijn om een politiek en organisatorisch kader te scheppen dat het best de ontwikkeling van het vertrouwen en de solidariteit begunstigt. Deze taak, die gelijk staat aan een kunst of wetenschap, en die tot de allermoeilijkste werkzaamheden behoort, staat centraal in de opbouw van de organisatie. Aan de basis van dit werk ligt de versterking van de eenheid van de organisatie, het meest 'heilige' beginsel van het proletariaat. En zoals voor iedere collectieve gemeenschap, is de veronderstelling dat er regels zijn van gemeenschappelijk gedrag. Concreet dragen de statuten, de teksten van 1981 over de functie en de functionering, en die van 1993 over het organisatorische weefsel reeds elementen aan voor een dergelijk kader. Het is noodzakelijk om herhaalde malen op deze teksten terug te komen, maar vooral wanneer de eenheid van de organisatie in gevaar is. Ze moeten het vertrekpunt zijn voor een permanente waakzaamheid.

Op dat vlak is het belangrijkste onbegrip in onze rangen de idee dat deze vraagstukken gemakkelijk en eenvoudig zijn. Volgens deze houding zou het volstaan om het vertrouwen uit te vaardigen om het te doen bestaan. En aangezien de solidariteit toch een praktische activiteit is, zou het volstaan met 'just go and do it' (doe het gewoon). Niets staat verder af van de waarheid! De opbouw van de organisatie is een uitermate ingewikkeld en zelfs delicaat vraagstuk. En er bestaat geen enkel product van de menselijke cultuur, dat zo moeilijk en broos is als het bewustzijn. Daarom moet er, geconfronteerd met dit of het dat gebrek aan vertrouwen door het ene of andere deel van de organisatie, altijd als eerste de kwestie gesteld worden wat er collectief gedaan kan worden om het wantrouwen of zelfs de vrees ervoor in onze rangen te verminderen. Hetzelfde geldt voor de solidariteit. Ook al is ze 'praktisch' en ook 'natuurlijk' in de arbeidersklasse, dan wordt ze omringd door factoren die tegen een dergelijke solidariteit ingaan, omdat de arbeidersklasse leeft in de burgerlijke maatschappij. Bovendien leidt het binnensijpelen van een vreemde ideologie tot afwijkende opvattingen over dit vraagstuk, zoals de recente weigering om teksten van kameraden te beschouwen als een uitdrukking van solidariteit of als een waardevolle basis voor een debat over het vertrouwen, of ze op te vatten als ' thuis gegroeide psychologische' uitleg van de oorsprong van bepaalde politieke meningsverschillen in het persoonlijke leven van kameraden (4) (…)

De marxistische theorie is ons belangrijkste wapen in de strijd tegen het verlies van vertrouwen. Het is over het algemeen het middel bij uitstek om weerstand te bieden aan het immediatisme en de verdediging van een lange termijnvisie. Het is de enige mogelijke basis voor een werkelijk wetenschappelijk vertrouwen in het proletariaat dat op zijn beurt de basis is voor het vertrouwen in alle verschillende delen van de klasse onderling. Het is name een theoretische werkwijze, die ons in staat stelt om de diepere wortels te bereiken van de organisatorische problemen, die aangepakt moeten worden als volwaardige theoretische en historische vraagstukken. Tevens moet de IKS zich, bij afwezigheid van een levendige traditie ten opzichte van dit vraagstuk en bij de, tot op heden, afwezigheid van het vuur van de repressie, baseren op een studie van het verleden van de arbeidersbeweging, om te komen tot een gewilde en bewuste ontwikkeling van een traditie van actieve solidariteit en sociaal leven in onze rangen.

Als de geschiedenis ons zo kwetsbaar heeft gemaakt tegenover de gevaren van het clanisme, dan heeft ze ons ook de middelen ter hand gesteld om ze te overstijgen. Wij mogen vooral nooit uit het oog verliezen dat het internationale karakter van de organisatie en de oprichting van informatiecommissies de onmisbare instrumenten zijn voor het herstel van het onderlinge vertrouwen op momenten van crisis, wanneer dit vertrouwen bechadigd of zoekgeraakt is.

De oude Liebknecht zei van Marx dat hij de politiek beschouwde als en studieobject (W. Liebknecht, Karl Marx). Zoals wij gezegd hebben is het de verbreding van het bewustzijn in het sociale leven, die de mensheid bevrijdt van de anarchie van de blinde krachten, en het vertrouwen, de solidariteit en de overwinning van het proletariaat mogelijk maakt. Om de huidige moeilijkheden te boven te komen en de gestelde vraagstukken op te lossen, moet de IKS ze bestuderen, want zoals de filosoof Spinoza zei "Ignorantia non est argumentum" (onwetendheid is geen argument) (Spinoza, De Etica).

 

Noten

(1) .Voor meer gegevens over deze Conferentie, zie het artikel: 'De strijd voor de verdediging van de organisatorische beginselen' en Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr. 110.

(2). MC was het pseudoniem van onze kameraad Marc Chirik, die is overleden in 1990. Hij had de Revolutie van 1917 van dichtbij, in zijn geboortestad Kichiniev in Moldavië, meegemaakt. Op de leeftijd van 13 was hij al lid van de Kommunistische Partij van Palestina, waar hij werd uitgesloten vanwege zijn meningsverschil met de standpunten van de Kommunistische Internationale over het nationale vraagstuk. Geëmigreerd naar Frankrijk, was hij toegetreden tot de PCF, voordat hij tegelijk met de hele Linkse Oppositie werd uitgesloten. Hij was lid geweest van de (trotskistische) Ligue Communiste, vervolgens van Union Communiste, die hij in 1938 verliet om zich aan te sluiten bij de Italiaanse Fractie van de Gauche Communiste Internationaliste (FIGCI), wier standpunt over de oorlog in Spanje hij deelde, tegenover dat van UC. Tijdens de oorlog en de Duitse bezetting was hij de drijvende kracht achter de heroprichting van de Italiaanse Fractie rond een kern in Marseille, nadat het internationaal bureau van de FIGCI, dat bezield werd door Vercesi, meende dat de Fracties geen reden meer hadden om hun werk tijdens de oorlog voort te zetten. In mei 1945 verzette hij zich tegen de ontbinding van de Italiaanse Fractie, op wier Conferentie besloten was om haar leden op individuele basis te laten toetreden tot de Partito Communista Internazionalista, die kort voordien was opgericht. Hij werd lid van de Franse Fractie van de Gauche Communiste, die in 1944 was opgericht en zich vervolgens omdoopte tot Gauche Communiste de France (GCF). Vanaf1964 in Venezuela tot 1968 in Frankrijk, speelde MC een beslissende rol in de vorming van de eerste groepen, die ten grondslag zouden liggen van de IKS. Hierin bracht hij alle politieke en organisatorische ervaring aan, die hij had opgedaan in de verschillende kommunistische organisaties, waarvan hij tevoren lid was geweest. Men kan meer elementen vinden over de publieke biografie van onze kameraad in onze brochure: 'La Gauche Communiste de France' en in het artikel dat aan hem gewijd is in Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nrs. 65 en 66.

De tekst van MC, waarnaar hier verwezen wordt, was een bijdrage aan het intern debat, getiteld: 'Revolutionair Marxisme en Centrisme in de werkelijkheid en in het huidige debat in de IKS', gepubliceerd in maart 1984.

(3). Het gaat over de tekst 'Het vraagstuk van de functionering van de organisatie in de IKS', gepubliceerd in International Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr. 109.

(4) . Deze passage verwijst naar de feiten die wij al hadden vermeld in ons artikel: 'De strijd voor de verdediging van de organisatorische beginselen' (in Internationale Revue, engels-, frans- en spaanstalige uitgave, nr. 110), dat verwijst naar onze Buitengewone Conferentie van maart 2002 en de andere organisatorische moeilijkheden die daarvoor het motief waren: "Dat delen van de organisatie kritieken kunnen hebben op een tekst die aangenomen is door het centraal orgaan van de IKS, was voor deze laatste nog nooit een probleem geweest; tegendeel, de IKS en haar centraal orgaan hebben er altijd op aangedrongen dat elk meningsverschil, elke twijfel, openlijk binnen de organisatie ter berde gebracht zou worden met als doel de grootst mogelijke helderheid te bereiken. Wanneer het geconfronteerd werd met meningsverschillen was de houding van het centraal orgaan om daarop met de grootst mogelijke ernst op te antwoorden. Maar in de lente van 2000 nam de meerderheid van het IS (Internationaal Secretariaat, de permanente commissie van het centraal orgaan van de IKS) een compleet tegenovergestelde houding aan. In plaats van een ernstige argumentatie te ontwikkelen, nam het een houding aan die in tegenspraak was met die uit haar verleden. In deze geest kon, wanneer een heel kleine minderheid van kameraden kritiek leverden op een tekst van het IS, dat enkel het resultaat zijn van een geest van contestatie, ofwel vanwege het feit dat één onder hen familiale problemen zou hebben, dat nog een andere getroffen zou zijn door een geestesziekte. (…) Het antwoord dat gegeven werd aan de kameraden, die het er niet mee eens waren, was dus niet gebaseerd op argumenten, maar op laster tegenover deze kameraden. Ook werd er ronduit geprobeerd om bepaalde van hun bijdragen niet te publiceren met als argument dat deze 'rotzooi zouden trappen in de organisatie' of dat één van de kameraden was aangeslagen door de druk, die op hem werd uitgeoefend, en niet 'zou kunnen verdragen' dat andere militanten van de IKS zouden antwoorden op zijn teksten. Kortom, de meerderheid van het IS ontwikkelde, in naam van de 'solidariteit’, op een totale schijnheilige manier een politiek van verstikking van de debatten ".

 

Teksten waaraan gerefereerd is in de tekst:

A. K. Marx: De 18th Brumaire;

B. K. Kautsky: The Materialist Conception of History; La conception matérialiste de l'histoire.

C. Hegel: Encyclopaedia of Philosophical Sciences; Encyclopédie des sciences philosophiques.

D. Rosa Luxemburg: Correspondence with Konstantin Zetkin; Correspondance avec K. Zetkin.

E. Bakunin: Appeal to the Officers of the Russian Army; Appel aux officiers de l'armée russe.

F. Bakunin: The Revolutionary Catechism; Le catéchisme révolutionnaire..

G. Trotsky: The New Course; Cours nouveau.

H Trotsky: On Routinism in the Army and Elsewhere; Sur le routinisme dans l'armée et ailleurs.

I. Plekhanov: De rol van de persoonlijkheid in de geschiedenis

J. W.Liebknecht: Karl Marx.

 

 

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: 

Theoretische vraagstukken: